… Adam Sage, correspondent in Parijs van de Britse krant The Times
‘Een door en door Franse president’
Welke conclusies trekt u uit het eerste jaar van Macron?
‘Macron is vooral een door en door Franse president, hij vertegenwoordigt niet de nieuwe wereld. In veel opzichten staat hij voor de continuïteit van de Franse naoorlogse politiek. Maar daarbij moet worden gezegd dat hij redelijk efficiënt en competent is, en dat hij bovendien al tijdens zijn verkiezingscampagne had aangekondigd wat hij nu in de praktijk brengt.’
Heeft hij u verrast?
‘Wat mij verrast is zijn sterke vermogen om de zaken voor te stellen zoals de toehoorder ze graag zou vernemen. Als hij voor de buitenlandse pers spreekt, slaagt hij erin zich voor te doen als een leider die Frankrijk gaat hervormen in een richting die vooral op prijs wordt gesteld door niet-Fransen.’
Op welk onderdeel van de hervormingen is hij het meest markant?
‘Hij heeft vooral indruk gemaakt op het internationale toneel, waar hij een onbekende was zonder enige ervaring. Desondanks heeft hij daar werkelijke invloed gekregen, met name door Donald Trump uit te nodigen voor de Franse nationale feestdag, de Quatorze Juillet. Dat was geniaal. Macron stak Trump in zijn zak, zonder enige protestdemonstratie in Parijs.
Bij zijn bezoek aan het Verenigd Koninkrijk in januari was zijn optreden ook heel sterk, hoewel de sfeer gespannen was, met het oog op Calais en de Brexit. Met het aanbod om het Tapijt van Bayeux in Londen tentoon te stellen, effende hij het pad. Hij kreeg een fantastisch onthaal en gaf een interview aan de BBC dat iedereen geweldig vond. Alle Britten moeten hebben verzucht: “Hadden wij maar zo’n politicus…”’
1. Adam Sage; 2. Rickard Werly; 3. Pablo Levi.
… Richard Werly, correspondent in Parijs van de Zwitserse krant Le Temps.
‘Macron belichaamt Frankrijk’
Wat vindt u het meest opvallend aan het eerste jaar Macron?
‘De radicale verandering van stijl: Macron wil vooral niet op zijn voorganger Hollande lijken. Hij wil de man van de hervormingen zijn. Zo bezien doet hij het goed. Hij heeft het idee dat Frankrijk moet veranderen geloofwaardig gemaakt. De eerste tegenvaller: Macron wil hervormen, maar de Fransen niet. Tweede tegenvaller: Europa. Even was er hoop met zijn verkiezing, maar sindsdien wijst alles de andere kant op: de verkiezingen in Italië, Catalonië, de herverkiezing van Viktor Orbán… Macron blijft een eenling met tegenwind.’
Waar komt het onbegrip tussen hem en de Fransen vandaan?
‘Het is vreemd om Macron nu te verwijten dat hij te snel gaat: hij had dat in de campagne duidelijk aangekondigd. Mij treft desondanks zijn onbuigzaamheid, zoals in het conflict met de spoorwegen. Je kunt geen hervormingen doorvoeren door je als een heerser te gedragen. Macron moet het debat aangaan.’
Welke rol heeft hij ingeruimd voor de Franse diplomatie?
‘Er is een verschil tussen het Franse imago en de resultaten op diplomatiek niveau. Het imago is een doorslaand succes: met zijn aanval op Donald Trump inzake het klimaat belichaamde Macron Frankrijk, zijn rede in Davos trok veel aandacht, de ontmoeting van Poetin in Versailles was ook zeer geslaagd. Het probleem is dat diplomatie berust op het vermogen mee te tellen op momenten van crisis. Heeft Macron op klimaatgebied echt een sterke coalitie tegen Trump weten te smeden? Heeft hij in Syrië inderdaad een ombuiging bewerkstelligd? Je krijgt de indruk dat Rusland en Iran aan het langste eind trekken.’
Dit is een man van amper veertig, die is opgegroeid met Erasmus en in wie de Europese waarden vast verankerd zijn
… Pablo Levi, correspondent in Parijs van het Italiaanse persbureau Ansa.
Onder de maat als ‘het land van de mensenrechten’
Is Frankrijk in een jaar tijd veranderd?
‘Vrijwel onmiddellijk na het aantreden van Emmanuel Macron deed zich een Copericaanse revolutie van de arbeidsmarkt voor. Er was een “zwarte herfst” van protestdemonstraties aangekondigd, maar de hervormingen verliepen gladjes. Dat prikkelde Macron om het met het staatsspoorbedrijf SNCF nogmaals te proberen. Maar de wittebroodsweken waren voorbij, het sociale gemor stak de kop weer op en men herkende Frankrijk weer.’
Wat vindt u van de Europese ambities van de president?
‘Daaruit spreekt een waanzinnige wilskracht en een grote oprechtheid. Dit is een man van amper veertig, die is opgegroeid met Erasmus en in wie de Europese waarden vast verankerd zijn. Helaas heeft hij een koude douche gekregen: men kan Europa niet in z’n eentje tot stand brengen. Of het nu Duitsland betreft met het lange en pijnlijke proces bij de vorming van een nieuwe regering, of Italië, waar de verkiezingen werden gewonnen door de populisten: Frankrijks bondgenoten lieten het vooralsnog afweten.’
Heeft Macron u op een speciaal punt teleurgesteld?
‘Frankrijk blijft onder de maat als “het land van de universele mensenrechten”, een titel die het zichzelf heeft toegekend. De mooie woorden van de president over humanisme worden door de feiten niet ondersteund. In de bergen tussen Italië en Frankrijk steken vluchtelingen onder barre omstandigheden de grens over. Er zijn doden bij gevallen. Dat is “het land van de mensenrechten” onwaardig.’
Laurent Wauquiez is de nieuwe voorman van ‘fatsoenlijk rechts’ in Frankrijk. Hij is slechts twee jaar ouder dan Emmanuel Macron, maar in alles diens tegenpool. Door op te schuiven naar rechts poogt hij tevens Marine Le Pen de wind uit de zeilen te nemen.
Laurent Wauquiez, oud-minister onder president Nicolas Sarkozy in 2011, is brutaal, jong en extreem ambitieus, Begin december werd hij gekozen tot voorzitter van Frankrijks grootste conservatieve partij. Als leider van Les Républicains (LR) zou de tweeënveertigjarige rechtse politicus bij uitstek geschikt zijn om president Emmanuel Macrons centristische partij La République en marche (LaREM) uit te dagen bij de verkiezingen voor het Europese Parlement in 2019 en bij de regionale verkiezingen in Frankrijk in het jaar daarop.
Wauquiez, een conservatieve ‘bad boy’ (aldus Le Monde) die ooit weigerde als burgemeester van Le-Puy-en-Velay (Auvergne) een homohuwelijk te voltrekken, is van plan zijn ingedutte partij als wapen te gebruiken om Macron aan te vallen. Maar om het op te nemen tegen de president moet Wauquiez eerst LR in vorm zien te krijgen, want sinds de voormalige leider François Fillon in april ten onder ging in de strijd om het Elysée is de partij verdeeld en gedemoraliseerd.
Maar streven naar eenheid is niet de strategie van de nieuwe partijleider. De man die twee keer minister is geweest en Donald Trump een ‘inspiratie’ noemde, probeert zijn partij een ruk naar rechts te geven door op alle gebieden, van economisch beleid tot de rol van de islam in Frankrijk, standpunten in te nemen die lijnrecht tegen het beleid van Macron ingaan. En wat maakt het daarbij uit of hij vaak de ultrarechtse Marine le Pen van het Front National naar de mond praat en gematigd-rechtse politici als de voormalige premier Alain Juppé tot razernij brengt?
Wauquiez is eraan gewend vijanden te maken. In een interview met Politico uit de slungelige langeafstandsloper kritiek op Macron, ‘een overschatte president’ die ‘niets voor elkaar krijgt’ voor de Franse economie, en inzake de EU ‘tegen een muur oploopt’.
Fabeltjes
‘Ik wil niet dat we in fabeltjes geloven,’ zegt Wauquiez, die tot dusver voorzitter was van de bestuursraad in de regio Auvergne-Rhône-Alpes in het oosten van Frankrijk. ‘Emmanuel Macron doet niet wat Gerhard Schröder deed in Duitsland. Hij doet niet wat David Cameron of Margaret Thatcher deden. De overheidsuitgaven gaan omhoog… En de hervorming van de arbeidswet is, als je naar de besluiten kijkt, maar een geringe hervorming. Ik wil niet dat bedrijven voor de gek gehouden worden of zich illusies gaan maken,’ voegt hij eraan toe. ‘We hebben in geen enkel opzicht te maken met een transformatie die voldoet aan wat Frankrijk nodig heeft.’
Wauquiez vindt, evenals Fillon, dat de overheidsuitgaven in Frankrijk drastisch omlaag moeten. Hij beschrijft zijn eigen staat van dienst in Auvergne-Rhône-Alpes, een gebied dat hij als een soort ministaatje heeft geleid en waarin hij werkzoekenden steun weigerde en de regionale overheidsuitgaven met 5 procent verlaagde, als het tegenovergestelde van ‘het macronisme’. De president, meent hij, past wat kleinigheden aan en weigert het grote probleem aan te pakken: de overheidsuitgaven die 55 procent van het Franse bruto binnenlands product opslokken. ‘In zijn campagne beloofde hij het aantal ambtenaren terug te brengen tot honderdvijftigduizend,’ zegt Wauquiez. ‘Als hij dit tempo aanhoudt, duurt het twee eeuwen eer hij die belofte kan waarmaken. Ik wens hem een lang leven toe.’
Als Wauquiez cynisch overkomt, dan is dat deels omdat hij zichzelf wil verkopen als Mr. Hyde tegenover Macron als Dr. Jekyll. Waar Macron gematigd is als het om de overheidsuitgaven gaat, kiest Wauquiez een positie ter rechterzijde van wijlen Margaret Thatcher. Waar Macron de integratie van de eurozone predikt, wil Wauquiez ‘een unie van natiestaten’. En waar Macron liberaal is inzake maatschappelijke problemen, is Wauquiez ultraconservatief.
Macron verwoordt zijn “complexe gedachten” in ingewikkelde bijzinnen. Wauquiez cultiveert simpele botheid
Het is ook een kwestie van stijl. Macron verwoordt zijn ‘complexe gedachten’ in ingewikkelde bijzinnen. Wauquiez cultiveert simpele botheid. De oneliners waarmee hij strooide toen hij de afschaffing van de Europese Commissie eiste, komen rechtstreeks uit het draaiboek van Trump. Ze zijn bedoeld om zoveel mogelijk woede op te wekken.
Wat Wauquiez’ Trump-achtige optreden nog schaamtelozer maakt, is het feit dat hij van minstens even voorname afkomst is als Macron, zo niet voornamer. Ze zijn alle twee opgeleid aan de École nationale d’administration (ENA), een Frans instituut voor de elite, maar alleen Wauquiez werd toegelaten tot de ultraselectieve École Normale Supérieure. Wauquiez was het jongste parlementslid van zijn generatie. Voordat Macron president werd, was hij niet eerder in een publiek ambt verkozen.
Het cruciale verschil is dat Wauquiez een partijman is die het familiebedrijf overneemt, terwijl Macron zijn eigen partij heeft opgericht.
Door schokkende uitspraken te gebruiken als instrument om vooruit te komen, werkte Wauquiez zich omhoog tijdens een lange burgeroorlog die de conservatieve partij bijna verwoest heeft. Terwijl zijn ex-baas Nicolas Sarkozy in 2016 een verloren strijd voerde om de presidentiële nominatie op rechts, baande Wauquiez zich een weg naar een vooraanstaande positie. Op 10 december vorig jaar werd hij al in de eerste stemronde gekozen tot nieuwe leider van LR.
Op weg naar de top heeft hij heel wat vijanden gemaakt. De huidige minister van Financiën Bruno Le Maire beschuldigde hem er in het verleden van dat hij ‘een schrikbewind’ voerde en hoge pieten binnen de partij noemden hem een ‘kille narcist’ die geen loyaliteit kende en net zo makkelijk weer afstand deed van eerder ingenomen standpunten. Tegen Politico zei Wauquiez ooit dat Michel Barnier, de EU-onderhandelaar over de Brexit, ‘niet alleen maar aardige dingen [over hem] te zeggen zou hebben’.
Dat zou heel goed kunnen. In 2005 stemde Wauquiez voor het verdrag dat tot een Europese grondwet moest leiden, maar sindsdien heeft hij zich ontpopt tot een euroscepticus-light, en soms niet eens zó light. Nadat de Britten hadden gestemd voor een vertrek uit de EU stelde hij voor de Europese Commissie af te schaffen – een standpunt waarvan hij zich later distantieerde.
Tegenwoordig heeft Wauquiez kritiek op wat hij de positieve houding van Parijs jegens de Brexit noemt: ‘Het lijkt of iedereen zegt: “Goed, Groot-Brittannië doet niet meer mee, prima”, zonder dat iemand erover nadenkt en zegt: “Kunnen we de EU misschien eens onder handen nemen waarbij we rekening houden met de Britse gevoelens? En tegen hen zeggen dat ze beter in de EU kunnen blijven?” We moeten de onderhandelingsmethoden, die Barnier heel bekwaam hanteert, herzien,’ voegde hij eraan toe. ‘Er komt nog een tijd na de Brexit, en daarom moeten we blijven praten. Misschien vinden we een oplossing waardoor ze weer lid kunnen worden, maar dan op een andere manier.’
Zo vriendelijk als Wauquiez tegen Groot-Brittannië is, zo somber is hij over Macrons pogingen om de eurozone te herzien. Hij beschuldigt de president ervan dat hij een ‘technocratisch federalisme’ voorstelt waarin de voornaamste oorzaken van het euroscepticisme genegeerd worden, en meent dat Macrons plan ‘Frankrijk doet verdwijnen’ in de groep. ‘Ik denk dat we niet om het fundamentele vraagstuk van de architectuur van de lidstaten heen kunnen, en dat we moeten accepteren dat een grote lidstaat en een kleine lidstaat niet hetzelfde gewicht in de schaal leggen,’ meende hij. ‘Frankrijk of Duitsland zijn niet hetzelfde als Litouwen, hoe aardig we dat land ook vinden. Macron zegt dat we Europa gaan opbouwen zonder het volk [via referenda] te raadplegen. Dat is een vreselijke uitspraak voor een politiek leider en het getuigt duidelijk van minachting.’
Marine Le Pen
Dit soort beschuldigingen – die voorbijgaan aan het feit dat Macron aan de macht kwam na zijn eigen beweging vanaf de grond te hebben opgebouwd, en dat hij van plan is om volgend jaar in elk Europees land ‘democratische conventies’ te gaan houden – brengen Wauquiez dichter in de buurt van Marine Le Pen.
Het Front National heeft Wauquiez lange tijd gezien als een potentiële bondgenoot, iemand die extreemrechts uit zijn isolement kan halen. Maar hij wees het voorstel van Le Pen af om de handen ineen te slaan en zei dat hij nooit een verbond met ultrarechts zou sluiten.
Hij mikt er juist op stemmen van Le Pen te stelen door haar stoere praat over immigratie, de islam en terrorisme te imiteren – hij riep op om alle mensen die verdacht worden van banden met terroristen in de gevangenis te gooien – iets wat des te meer aantrekkingskracht heeft omdat hij, in tegenstelling tot Le Pen, ooit aan de macht zou kunnen komen.
Als hij inderdaad ooit president wordt, zal hij allereerst en vooral de geloofwaardigheid van zijn land versterken, zegt Wauquiez, omdat het daar volgens hem nog steeds aan ontbreekt. ‘Frankrijk moet aan zichzelf gaan werken, want er komen geen Europese hervormingen als Frankrijk zichzelf niet verandert.’
Macron, zijn Dr. Jekyll, zou het zelf niet beter kunnen verwoorden.
Onder president Macron investeert Frankrijk fors in zijn nieuwe hightechindustrie. En dat begint te werken, constateert een verbaasde Amerikaanse journalist.
Om de reuzen van Silicon Valley het hoofd te bieden grijpt Frankrijk terug op een geheim wapen: de staat.
Van de financiering van durfinvesteerders tot de hervorming van een berucht complexe arbeidswetgeving, op alle gebieden wil Frankrijk de hardnekkigste sarcastische verhalen over het Franse ondernemingsklimaat logenstraffen (evenals de onterechte clichés van met wijn overgoten lunches en zomervakanties die een paar maanden duren) en de Franse hightechindustrie zo goed mogelijk in het zadel helpen.
En dat begint te werken. Sinds begin dit jaar hebben Franse durfinvesteerders meer geld binnengehaald (twee miljard euro, en het eind is nog niet in zicht) dan hun Britse of Duitse tegenhangers. Ook bedrijven als Facebook en Cisco hebben geïnvesteerd in Franse onderzoeksteams die zijn gespecialiseerd in complexe terreinen als kunstmatige intelligentie. En de 39-jarige president Emmanuel Macron is geprezen omdat hij – in het Engels nog wel! – de lof heeft gezongen van start-ups en die als oplossing heeft genoemd voor de economische stagnatie en de jeugdwerkloosheid, die in de dubbele cijfers loopt.
‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling. Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind’
‘Dit is de eerste keer in onze geschiedenis dat een president zich voor start-ups interesseert,’ zegt Nicolas Brusson, medeoprichter van BlaBlacar, een Parijse autodeelonderneming die met vestigingen in twintig landen en een beurswaarde van 1,4 miljard euro tot een van de belangrijkste en meest internationaal georiënteerde Franse start-ups kan worden gerekend.
‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling,’ voegt hij eraan toe. ‘Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind.’ Maar in de ogen van sommigen staat een dergelijke staatsinterventie gelijk aan ketterij. Volgens veel digitale apostelen mag geen enkele staat op hun vakgebied de concurrentie met de privésector aangaan. En heeft Frankrijk dan niets geleerd van zijn kostbare fouten uit het verleden? Zo heeft het land publieke middelen ingezet om de Amerikaanse vloedgolf van hightechbedrijven te keren. Quaero, een mislukt plan om een Europese concurrent van Google te creëren, is daar een goed voorbeeld van.
Deze zelfgenoegzame houding ten opzichte van de onzichtbare hand van de markt is een vergissing. Ze gaat ervan uit dat alle centra van technologische activiteit, van Parijs tot Praag, moeten stroken met de principes die van Silicon Valley de digitale hoofdstad van de wereld hebben gemaakt.
Maar Frankrijk heeft nauwelijks pensioenfondsen of andere goudgerande investeerders die bereid zijn grote cheques uit te schrijven ter ondersteuning van start-ups. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het land publiek geld gebruikt om het gat te dichten dat het privékapitaal doet ontstaan. In Frankrijk kunnen alleen wetgevers – niet ondernemers met hoody’s – de arbeidswetgeving hervormen die er al decennialang voor zorgt dat een Franse programmeur 50 procent duurder is dan een Britse.
In de Verenigde Staten is het in de wereld van de nieuwe technologie gebruikelijk de spot te drijven met de interventionistische strategie die de Franse staat hanteert om de nationale hightechsector op te bouwen. Maar diezelfde mensen die dat doen erkennen met tegenzin dat Beijing de ontwikkeling van lokale start-ups subsidieert, waarvan sommige inmiddels tot wereldleiders op digitaal gebied zijn uitgegroeid, en het functioneren van buitenlandse hightechondernemingen streng aan banden legt. Ze zijn soms ook geneigd de rol te vergeten die de Amerikaanse overheid heeft gespeeld bij de geboorte van de technologische sector aldaar, met name bij het creëren van het internet.
‘Ik dacht dat er een hele generatie nodig was om de Franse mentaliteit te veranderen,’ zegt Romain Lavault, partner in het Parijse investeringsfonds Partech Ventures. ‘Maar mensen staan opeens heel anders tegenover technologie.’
Deze heropleving van de digitale activiteit in Frankrijk heeft in de eerste plaats met geld te maken: de staat stopt er enorme bedragen in. Sinds 2013 is de grootste investeerder, zowel in start-ups als de plaatselijke durfinvesteerders, niemand anders dan Bpifrance. Deze investeringsbank, die eigendom is van de Franse staat, heeft er de afgelopen jaren meer dan vier miljard euro in gestoken om de nationale hightechsector nieuw leven in te blazen. Volgens financieel analysebureau CB Insights komt dat neer op ongeveer 20 procent van de Franse markt voor durfinvesteringen.
Paul-François Fournier, directeur innovatie van Bpifrance, legt uit dat het er niet alleen om ging Franse oplossingen voor Franse problemen te vinden. Buiten investeringen in binnenlandse start-ups en fondsen, licht hij toe, heeft de staatsbank ook Europese en Amerikaanse durfinvesteerders gefinancierd, met name om gespecialiseerde kennis op te doen over de mondiale hightechsector en buitenlandse fondsen ertoe over te halen in Frankrijk te investeren. Op dit moment zijn de Franse durfinvesteerders die door Bpifrance worden gefinancierd goed voor gemiddeld 160 miljoen euro, een verdubbeling ten opzichte van 2013, zodat deze lokale bedrijven op wereldschaal concurrerend kunnen zijn.
Nog een lange weg
Toch is er nog een lange weg te gaan voordat Parijs zich Silicon Valley aan de Seine kan noemen. Macron probeert het de Franse hightechkringen, die weer wat kleur op de wangen hebben, naar de zin te maken. Maar tegelijkertijd heeft hij het voortouw genomen in een Europese campagne om digitale bedrijven meer belasting te laten betalen in de hele EU – een offensief dat voornamelijk de reuzen van de Amerikaanse Westkust op het oog heeft (bekend onder de verzamelnaam Gafa: Google, Amazon, Facebook en Apple), maar ook ingrijpende gevolgen zal hebben voor kleine start-ups.
De grote rol van de overheid in de technologiesector zou algauw tot marktbeïnvloeding kunnen leiden, wat geen goed idee is gezien de snelheid waarmee de digitale wereld zich ontwikkelt. Typerend voorbeeld: in 2013 verbood Frankrijk de verkoop van Dailymotion, een Franse start-up op het gebied van videostreaming, aan Yahoo, om twee jaar later de Franse mediareus Vivendi wél toestemming te geven het bedrijf te kopen, tegen een lagere prijs.
Al deze staatssteun die recentelijk aan de technologiesector is verleend zal tevergeefs blijken als de Franse start-ups en durfinvesteerders niet aan de verwachtingen kunnen voldoen: wereldwijd concurrerende bedrijven creëren.
De ‘eenhoorns’, digitale bedrijven die meer dan een miljard dollar waard zijn, blijven schaars in het Franse ecosysteem van nieuwe technologie. En de rentabiliteit van Franse fondsen die in start-ups investeren lag de afgelopen drie jaar gemiddeld op 6,3 procent, oftewel de helft van hun Britse tegenhangers in dezelfde periode.
Maar juist op dit terrein zal het Franse initiatief om nieuwe technologie te bevorderen zich moeten bewijzen. Publieke programma’s en financieringen kennen hun grenzen als het op wereldwijde concurrentie aankomt. Op een gegeven moment zal ook de privésector zijn rol moeten spelen.
Mark Scott
Politico
Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000
Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.
CONTEXT: ‘Toekomst van Europa ligt in Frankrijk’
Veel economische cijfers in Frankrijk, zoals op het gebied van werkloosheid of groei, zijn ‘rampzalig’, schrijft The Wall Street Journal. ‘Maar belangrijker is’, vervolgt het Amerikaanse dagblad, ‘dat Frankrijk jong is.’ 18,5 procent van de bevolking is vijftien of jonger, veel meer dan de 13 procent van Duitsland. ‘Zo bezien ligt de toekomst van Europa in Frankrijk, niet in Duitsland’, aldus de krant. Volgens WSJ is dit demografische gegeven bepalend voor het beleid dat door president Macron in werking wordt gezet, met name op het gebied van arbeidshervorming en onderwijs: ‘Hij verandert een land voor ouderen in een land voor jongeren.’
De slagingskansen van deze transformatie zullen zich niet beperken tot werkloosheids- en groeicijfers, want men zal ook oog moeten hebben voor ‘de vlucht van jong talent, verbetering van de schoolresultaten en het aantal mensen dat beroepsonderwijs volgt’.
Gabrielle Deydier (1.53 m, 150 kilo) schreef een bestseller over haar leven als dikke vrouw in Frankrijk. In gesprek met The Observer vertelt ze over haar gevecht tegen ‘grossofobie’.
In augustus 2015 had de zevenendertigjarige Gabrielle Deydier een sollicitatiegesprek, waar ze met vlag en wimpel doorheen kwam. Het ging om een baan als onderwijsassistent in een school voor moeilijk lerende kinderen en de mensen van de sollicitatiecommissie, onder wie het hoofd van de school, waren zo onder de indruk van Gabrielle dat ze zelfs bang waren dat ze bij hen weg zou gaan voor een beter betaalde baan. Er was maar één ongemakkelijk moment geweest: dat was aan het eind van het gesprek, toen Gabrielle al naar de deur liep. Het hoofd van de school zei: ‘De leerkracht onder wie je komt te werken, kan nogal moeilijk zijn.’ Gabrielle hoorde het nauwelijks, zo blij was ze met haar nieuwe baan.
Al snel kwam ze erachter dat ‘moeilijk’ een enorm understatement was. ‘Dus jij bent Gabrielle Deydier,’ was het eerste dat de leerkracht in kwestie zei bij hun kennismaking. ‘Ik werk niet met dikke mensen.’ Gabrielle probeerde het weg te lachen, maar de moeilijke leerkracht lachte niet. ‘Dat was geen grapje,’ zei ze.
‘Groteske handicap’
Gabrielle heeft twee universitaire diploma’s, een prettige, open manier van doen en weegt 150 kilo. Ze heeft ook de dubbele pech dat ze Française is én in Frankrijk woont, wat betekent dat haar fysieke verschijning allesbepalend is, ook voor de vraag of ze werk krijgt of niet. In Frankrijk, zegt ze (en alles wat ze heeft meegemaakt ondersteunt dat), wordt overgewicht beschouwd als een groteske handicap die je eigen schuld is. Het schijnt dat tachtig procent van de Franse vrouwen continu op dieet is. In het zuiden van het land bestaat een levendige maagbandindustrie (50.000 operaties per jaar).
Op dit moment raast er een veganistische hype door het land – voor sommige mensen een manier om een eetstoornis te verdoezelen. ‘Franse vrouwen,’ zegt Gabrielle, ‘beroemen zich erop dat ze de vrouwelijkste vrouwen van Europa zijn. Er heerst een gevoel dat vrouwen in alle opzichten perfect moeten zijn.’ Daarom is het verrassend dat de publicatie van Gabrielles boek On ne naît pas grosse (Je wordt niet dik geboren) zo veel aandacht heeft getrokken – is dat een combinatie van bewondering en morele paniek?
Gabrielle Deydier.
Voor Gabrielle is het de afgelopen twaalf maanden geweest alsof ze wakker werd uit een nachtmerrie, maar dan een nachtmerrie die werkelijkheid was en twintig jaar had geduurd. Tijdens ons gesprek krijgt ze één keer tranen in haar ogen, maar het zijn tranen van blij ongeloof. Plotseling, op haar achtendertigste, wordt Gabrielle, die haar hele volwassen leven te horen heeft gekregen dat zij niet geschikt was om te werken, geroemd om haar intellectuele moed. Ze werd geïnterviewd door kranten als Le Monde en Le Figaro en verscheen in serieuze tv-programma’s.
De dag voor onze afspraak was Gabrielle gebeld door een vertegenwoordiger van de Parijse burgemeester Anne Hidalgo: of ze de eerste antigrossofobiedag van de hoofdstad wilde organiseren. Ze heeft een contract op zak voor een filmscript en voor een roman. In de Italiaanse Vanity Fair heeft een artikel over haar gestaan en een Italiaanse uitgever heeft de vertaalrechten voor het boek gekocht.
Wat het betekent om dik te zijn in Frankrijk is voor het eerst onderwerp van discussie in Frankrijk. ‘Ik besloot om het boek te schrijven,’ zegt ze, ‘omdat ik me niet langer wil verontschuldigen voor mijn bestaan. Ja, obesitas is in de afgelopen tien jaar verdubbeld, dat is veel te veel. Maar het betekent niet dat we obese mensen mogen discrimineren door te zeggen dat ze niet kunnen werken en door ze te beledigen.’
Na de onaangename kennismaking stelde de leerkracht Gabrielle aan de klas van zes autistische kinderen voor als “de zevende gehandicapte persoon in de klas”
Gabrielle, die tot zes maanden geleden niet eens naar een foto van zichzelf kon kijken, heeft zich voorbereid op publiciteit. ‘Mijn uitgever zei: “Je komt op televisie, en dat zal moeilijk zijn.” Dus gingen een vriendin en ik foto’s van mij maken in een zwembad, zodat ik kon leren accepteren hoe ik eruitzag in badkleding.’
We hebben afgesproken in een restaurant op de benedenverdieping van de jeugdherberg in Parijs waar ze woont sinds ze de onderwijsbaan (en haar inkomen) verloor, ontslagen wegens gebrek aan betrokkenheid omdat ze geen gewicht verloor. Het is schokkend om te beseffen dat een vrouw van haar leeftijd, met haar vriendelijke karakter, haar intelligentie – en nu haar bescheiden roem – in een tijdelijk onderkomen verblijft omdat ze geen geld heeft om woonruimte te huren in een Parijse flat. Het klinkt tegenstrijdig, maar ze is een kleine gestalte, ondanks haar omvang, zoals ze daar weggekropen zit in een bankje tegen de muur.
Om terug te komen op de onderwijsbaan, die eindigde zo: het is in Frankrijk verboden om onderscheid te maken op grond van lichamelijke verschijning, maar die wet is kennelijk niet doorgedrongen tot werkgevers. Na de onaangename kennismaking stelde de leerkracht Gabrielle aan de klas van zes autistische kinderen voor als ‘de zevende gehandicapte persoon in de klas’. Ze verweet Gabrielle dat ze te veel zweette. Het hoofd van de school zei tegen Gabrielle: ‘Als zij een probleem met jou heeft, heb ik dat ook.’
‘Hij zei dat het niet eerlijk tegenover de kinderen was, omdat die nu dubbel werden gestigmatiseerd – vanwege hun handicap en omdat ze geplaagd werden met hun dikke leerkracht.’ Gabrielle werd gevraagd om zich ‘te beraden’ over haar toekomst. ‘We geven je dertig dagen om te bewijzen dat je gemotiveerd bent.’
Gemotiveerd? ‘Gemotiveerd om af te vallen. Om te laten zien dat je deze baan belangrijk vindt.’ ‘Het ging nooit om de kinderen,’ zegt Gabrielle. ‘Die waren geweldig. Maar dit vond ik moeilijk en ingewikkeld om mee om te gaan.’ Ze kreeg de opmerking: ‘Het was te merken dat je buiten adem was nadat je de trap naar de derde verdieping op was gelopen.’
Niet echt discriminatie
Waarom heeft ze de school niet voor de rechter gesleept? ‘Ik was bang dat ik niet geloofd zou worden,’ zegt ze. Dat is geen onwaarschijnlijk scenario. Ze had al heel veel van dit soort dingen meegemaakt. De gynaecoloog die mopperde: ‘Er blubbert hier zo veel vet dat ik niks kan zien’, de mannelijke collega die ontkende dat hij haar seksueel had geïntimideerd, omdat zijn vrouw veel knapper was dan zij: ‘Waarom zou ik proberen een dikke vrouw te verkrachten?’
‘De politie was heel aardig, maar daar zeiden ze: ‘Je hebt het recht om een aanklacht in te dienen, maar we raden je aan het niet te doen want geen rechtbank zal aan jouw kant staan.’
Vreemd genoeg was haar op de universiteit van Montpellier, waar ze zich als een vis in het water voelde, nooit iets dergelijks overkomen. ‘Ik was daar heel gelukkig,’ vertelt ze. ‘Ik had veel vrienden en ging vaak uit. Er waren wel mensen die me belachelijk maakten, maar het was niet zo erg, het was niet echt discriminatie. Dat waren idioten, maar het zat niet in het systeem. Dat was wel zo toen ik op zoek ging naar een baan.’
Deydiers boek, waarvoor het idee ontstond toen ze het op een boekpresentatie uit ellende op een zuipen had gezet, werd een enorm succes. Een combinatie van bewondering en morele paniek?
Obees worden kan iedereen overkomen en bij Gabrielle begon het op haar zeventiende. Als tiener was ze sportief en gespierd, iets aan de zware kant (ze woog 65 kilo) – ‘stevig’. Haar moeder besloot dat haar dochter meteen in het geweer moest komen, toen Gabrielle na een middagje winkelen thuiskwam met een broek in maat 42 in plaats van 40 zoals anders. ‘Zij zat er erg over in: “Je kunt gewoon niet aangekomen zijn, je hebt voor niets geld uitgegeven.” Maar zelfs toen was mijn gewicht niet zo’n punt.’ Dat veranderde toen ze naar een dokter ging. Die vond het wél een punt dat Gabrielle was aangekomen en schreef haar hormonen voor. ‘Daarvan kreeg ik allerlei klachten, zoals een erg slechte huid over mijn hele lichaam en haar dat overal groeide. En ik kwam heel veel aan: dertig kilo in drie maanden.’ Ze kreeg nog meer hormonen voorgeschreven, in combinatie met een strikt dieet van gekookte groenten en vlees. De kilo’s stapelden zich op. ‘Ik ging heel anders over eten denken. En ik ging dingen eten die ik daarvoor nooit at, ging zelfs voedsel verstoppen, geld stelen van mijn ouders om eten te kopen. Allerlei idiote dingen.’
Ze woog nu 120 kilo. ‘Ik wilde dood. Elke dag. Ik vond mezelf mismaakt.’ Haar ouders waren er ook niet blij mee. ‘Het was een heel, heel moeilijke tijd.’ Ze zakte twee keer voor haar eindexamen, slaagde de derde keer. De universiteit betekende vrijheid.
Wat gebeurde er na haar afstuderen? Gabrielle wordt nog kleiner in haar bankje. ‘Ik zag dat al mijn vrienden werkervaring opdeden en ik niet, en ik begreep het niet. Er was geen logische reden voor. Mensen gaven mij administratief werk of slecht betaalde baantjes. Ik deed fabriekswerk.’ Halverwege een sollicitatiegesprek zei een personeelsmedewerker het hardop: ‘Je past niet in het beeld dat wij naar buiten toe willen uitstralen.’ ‘Ik zei: “Nou, ik ben heus geen idioot.” En hij zei: “Het is bekend dat IQ omgekeerd evenredig is aan lichaamsgewicht.”’
Het is nu Frankrijks beurt om te voelen wat Gabrielle al die tijd heeft gevoeld: schaamte en onzekerheid over zichzelf
Gabrielle wist dat er iets typisch Frans was aan wat haar overkwam. Ze had een jaar in Spanje gezeten voor haar studie. ‘In Spanje speelde het gewoon geen rol. Als iemand iets over mijn uiterlijk zei, dan was dat alleen maar om me een compliment te geven. In Frankrijk hoorde ik in elk gesprek al na een paar minuten: “Maar waarom ben je dik? Heb je daar zelf voor gekozen? Is het een ziekte?”’
Was het op haar zeventiende het bezoek aan de dokter dat haar leven op zijn kop zette, twintig jaar later gebeurde dat opnieuw, maar nu andersom: van een nachtmerrie naar een droomleven. Het was vorig jaar juni, vertelt ze: ‘Ik was zwaar depressief, had al een jaar mijn familieleden niet meer gesproken. Ik was zelfs bang dat ik dakloos zou raken. Ik kwam dertig kilo aan. Het ging steeds slechter met me en ik was bang. Ik dacht erover om mezelf dood te schieten of te vertrekken naar een ver oord, maar ik had geen idee waarheen. En op een van die afschuwelijke dagen dwongen vrienden me om naar een boekpresentatie te komen. Ik wilde eigenlijk niet gaan, werd er stomdronken en uiteindelijk zat ik te praten met een stel schrijvers over een journalistiek project waarvoor iemand undercover bij een slachthuis werkte.
‘Ik zei: “Weten jullie wat grossofobie is?” en niemand wist waar ik het over had. Dus beschreef ik al die dingen die ik had meegemaakt. Zij zeiden dat ik alles zo snel mogelijk op papier moest zetten en het dan aan hen moest mailen.’ Zelf denkt Gabrielle dat ze, als ze de volgende ochtend niet nog steeds alcohol in haar lijf had gehad, nooit de moed had gehad om haar verhaal onder woorden te brengen, zes pagina’s lang. Huiverend drukte ze op ‘versturen’. Diezelfde dag nog hing er een uitgever aan de telefoon. Twee weken later was er een contract voor een boek. Ze begint te stralen: ‘Het heeft mijn leven gered.’
Eigenlijk onthult het boek nog het meest over Frankrijk zelf, door de reacties die het heeft opgeroepen – vooral in de lezersbrieven die Gabrielle nu elke dag krijgt (vrijwel nooit van mensen met overgewicht). ‘Een vrouw vertelde me dat ze al twintig jaar lang boulimie had omdat ze bang was dat ze haar man en haar baan kwijt zou raken als ze aankwam.’ Een gecompliceerdere reactie kwam van een man: ‘Hij zei: “Door jouw boek heb ik me gerealiseerd wat een klootzak ik ben. Vijf jaar lang heb ik met jonge mensen gewerkt. Als ze te dik waren, vernederde ik hen.” Hij vroeg me hem te vergeven, alsof ik een priester in een biechtstoel was.’ Dat is haar taak niet, zegt ze.
Maar de brieven bevestigen één ding: het is nu Frankrijks beurt om te voelen wat Gabrielle al die tijd heeft gevoeld: schaamte en onzekerheid over zichzelf. En dat alles dankzij één boek. Haar verhaal is fascinerend, heroïsch en nog niet afgelopen. Gabrielle Deydier: dit is jouw jaar.
Auteur: Stefanie Marsh
Vertaler: Annemie de Vries
The Observer
Verenigd Koninkrijk | zondagskrant | oplage 449.000
Oudste kroonjuweel van de Britse kwaliteitspers. Uit dezelfde groep als The Guardian maar met liberale signatuur.
Eigenlijk maakt het weinig uit welke president de Fransen dit jaar kiezen, schrijft de Brit John Gray. De verkiezingsuitslag zal sowieso bijdragen aan de politieke instabiliteit van Europa.
Het is nog te vroeg om de volledige impact in te schatten van de Oostenrijkse presidentsverkiezingen en het constitutionele referendum in Italië. De overwinning van de door de Groenen gesteunde kandidaat in Oostenrijk toont een Europees electoraat dat weigert een president te kiezen van een organisatie die werd opgericht door een voormalige SS-officier. Maar de Oostenrijkse Vrijheidspartij van Norbert Hofer is erin geslaagd 47 procent van de stemmen naar zich toe te trekken, en met deze mate van steun onder het volk kan zij nog steeds de grootste partij van het land worden bij de parlementsverkiezingen die in september 2018 gehouden zouden moeten worden, maar nu wellicht worden vervroegd. In dat geval kan de leider van de FPÖ bondskanselier worden. De sluipende vooruitgang van extreemrechts in Europa maakt misschien even pas op de plaats, maar is nog geen halt toegeroepen.
De verpletterende nederlaag van de Italiaanse premier Matteo Renzi, die heeft gezegd dat hij ontslag zal nemen na zijn verlies in het referendum van 4 december, moet in een soortgelijk licht worden bezien. De voornaamste begunstigde zal de Vijfsterrenbeweging van Beppe Grillo zijn, die een referendum eist over het Italiaanse lidmaatschap van de eurozone en algemene verkiezingen begin dit jaar.
Grillo’s beweging is geen Italiaanse versie van de FPÖ, maar kent wel verontrustende antisemitische onderstromingen. De uitslag zou echter ook de extreemrechtse, separatistische Lega Nord de wind in de zeilen kunnen geven, evenals Silvio Berlusconi’s Forza Italia. Maanden van politieke onzekerheid zullen de plannen laten ontsporen om het fragiele banksysteem van Italië aan te pakken. Als een van de genoemde drie partijen dit jaar tot de regering toetreedt, zal de euro zelf ter discussie komen te staan.
Shocktherapie
Het patroon zou herhaald kunnen worden in Frankrijk. François Hollande kondigde op 2 december aan dat hij geen herverkiezing zal nastreven, en het is de eerste keer in de geschiedenis van de Vijfde Republiek dat een president op deze manier het toneel verlaat. Zijn Parti Socialiste zal deze maand presidentiële voorverkiezingen houden, maar nu iedere centrumlinkse kandidaat het loden gewicht van het presidentschap van Hollande moet torsen, lijkt het waarschijnlijk dat het bij de uiteindelijke verkiezingsstrijd zal gaan om twee figuren van rechts: de kandidate van het Front National, Marine Le Pen, en de kandidaat van de centrumrechtse Republikeinen, François Fillon. Velen die – terecht – wantrouwig staan tegenover de bewering van Le Pen dat zij haar partij ‘ontgift’ heeft, putten enige troost uit de overtuiging dat Fillon zo’n strijd met gemak zal winnen. Toch is dit verre van zeker, en een overwinning van Fillon zou de toestand in Europa niet stabiliseren. Welke kandidaat ook komt bovendrijven, de uiteenvallende internationale orde zou opnieuw een stevige tik oplopen.
Fillon, een voormalige premier onder Nicolas Sarkozy, is opgehemeld als een katholieke conservatief die de provinciale bourgeoisie kan aanspreken, maar tevens een dosis thatcheristische shocktherapie aan het krakende Franse economische model kan toedienen. (Fillon is in sociale kwesties nóg minder progressief dan Margaret Thatcher ooit is geweest, maar dat zullen we maar even laten passeren.) Je hoeft geen helderziende te zijn om in te zien dat deze twee rollen met elkaar conflicteren. Net als het neoliberalisme overal heeft het thatcheristische beleid een groot deel van de middenklasse in Groot-Brittannië in een precaire positie gebracht. De meeste Britten hebben geen arbeidszekerheid en gaan een onzekere oude dag tegemoet, en kunnen zich geen tijd herinneren dat ze konden sparen en plannen maken voor de toekomst.
De voorstellen van Fillon – onder meer het ontslaan van een half miljoen ambtenaren en het terugdringen van de overheidsuitgaven met 100 miljard euro binnen vijf jaar – zouden een grote bijdrage leveren aan het vernietigen van de levensstijl van de Franse middenklasse. In de praktijk is er geen enkel reëel vooruitzicht dat zo’n programma ook daadwerkelijk ten uitvoer kan worden gelegd. Het thatcherisme was mogelijk en, op zijn eigen economische voorwaarden, succesvol, omdat het werd toegepast toen Groot-Brittannië niet onder deflatie gebukt ging. De bezuinigingen op de openbare voorzieningen hebben een tijdje tot hogere werkloosheid geleid, maar de economie niet over de rand geduwd en in een afgrond laten vallen.
Toch is dat precies wat een soortgelijk programma vandaag de dag in Frankrijk zou bewerkstelligen, niet in de laatste plaats omdat Frankrijk geen flexibele nationale munt heeft die een deel van de spanningen zou kunnen opvangen.
De politieke situatie in beide landen is ook heel verschillend. Thatcher had geen serieuze oppositie, omdat Labour – toen zij Tory-leider werd – naar extreemlinks was opgeschoven, en vervolgens in tweeën was gesplitst door de vorming van de SDP. Fillon wordt daarentegen geconfronteerd met een krachtige uitdaging van de kant van Le Pen, die zich aan de kant van extreemlinks in Frankrijk zal scharen door zijn programma als economisch vandalisme te veroordelen. Dat is een standpunt dat het goed zal doen bij de machtige Franse vakbonden, die Fillon heeft beloofd te zullen verpletteren, en bij delen van de conservatieve middenklasse. Omdat het zichzelf met de falende status quo heeft geïdentificeerd, lijkt centrumlinks buitenspel te staan.
Frankrijk kent geen traditie van het conservatisme van de ‘kleine overheid’, en vijandigheid jegens het marktkapitalisme heeft altijd tot het programma van extreemrechts behoord. Het idee was dat het Franse, op meerdere partijen en meerde rondes gebaseerde systeem van de presidentsverkiezingen tot in de oneindigheid zou kunnen verhinderen dat extreemrechts aan de macht zou komen. De stank die de familie van Le Pen en veel van haar aanhangers omringt zou voor welke Franse meerderheid dan ook te veel zijn om haar ooit in het Élysée te doen belanden. Maar bij een strijd met een neoliberale kandidaat, in een tijd dat het bezuinigingsbeleid zwaar in diskrediet is geraakt, kan een dergelijke uitkomst niet langer als vanzelfsprekend worden beschouwd. Als zij in staat is de risico’s van Fillons thatcheristische programma aan een breed scala kiezers duidelijk te maken, kan Le Pen dit jaar dichter bij de macht komen en bij de algemene verkiezingen daarna een overtuigende gooi naar het presidentschap doen. Volgens sommige berichten is dat de uitslag waar zij en haar adviseurs op hopen, en waar hun plannen op gericht zijn. Als het plan bij de verkiezingen dit jaar lijkt te werken, is nauwelijks minder choquerend dan een regelrechte overwinning.
Door het ultraliberale project na te streven van een grenzeloos continent zorgen Europa’s heersende elites ervoor dat juist het tegenovergestelde gestalte krijgt
Zelfs een overtuigende verkiezingswinst voor Fillon zou méér problemen inhouden voor wat nog steeds met enige tederheid wordt omschreven als de liberale internationale orde. Hij heeft op ondubbelzinnige wijze opgeroepen tot een verreikende détente met Moskou – door bijvoorbeeld de sancties tegen Rusland te beëindigen, de opdeling van Oekraïne te aanvaarden en de Russische interventie in Syrië te steunen. Dat het islamisme en niet Vladimir Poetin het voornaamste gevaar voor Europa vormt, is een populair standpunt in Frankrijk en een groot deel van Europa. Wat de uitkomst van een strijd tussen Fillon en Le Pen ook zal zijn, de invloed van Rusland op het continent zal toenemen.
De aard van de politieke opschudding in Europa wordt voortdurend verkeerd begrepen. Schrijver en horzel Bernard-Henri Lévy, een onverschrokken volger van de heersende mode, heeft net als vele anderen gezegd dat de kiezers niet langer in feiten of argumenten geïnteresseerd zijn. Maar ‘post-truth’-politiek is net als ‘populisme’ een term die vooral wordt gebruikt door progressieven die de zelfdestructieve gevolgen van hun buitensporige ideologie niet onder ogen durven zien. Zij zouden baat kunnen hebben bij een herwaardering van een idee dat een eerdere generatie progressieve denkers heeft aangesproken, namelijk dat de geschiedenis gehoorzaamt aan een wet van dialectische tegenstellingen. Door het ultraliberale project na te streven van een grenzeloos continent, waar nationale identiteiten er weinig toe doen, zorgen Europa’s heersende elites ervoor dat juist het tegenovergestelde gestalte krijgt.
Helaas is er niets wat op een hogere synthese wijst. In Europa is weer eens een periode van langdurige wanorde aangebroken. Dat lijkt nog niet te zijn doorgedrongen tot degenen die pleiten voor een ‘zachte’ Brexit. Tegen de tijd dat overeenstemming is bereikt over een ‘zachte’ Brexit, zal het Europese politieke landschap onherkenbaar zijn veranderd.
Auteur: John Gray
John Gray is de voornaamste boekenrecensent van New Statesman. Zijn jongste boek is The Soul of the Marionette: A Short Enquiry into Human Freedom.
New Statesman
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 23.900
Sinds 1913 hét tijdschrift voor de Britse linkse intelligentsia. Bekend om zijn diepteanalyses en stevige maatschappijkritiek. In de columns en andere opiniërende stukken stelt het blad zich ook open voor andere dan linkse geluiden.
Dat François Hollande zich heeft teruggetrokken als presidentskandidaat is ongekend sinds het begin van de Vijfde Republiek, maar past wel in de afkalving van het ambt, schrijft commentator Alain Duhamel.
Normale presidenten bestaan niet meer, en een gelukkig presidentschap evenmin. François Hollande heeft ernstig, weemoedig en waardig aangekondigd af te zien van een tweede termijn. Hij had geen keus, maar hij pakte het goed aan. Met deze vernedering, die respect afdwong, wilde hij ook het verzwakte presidentschap beschermen.
Twee keer eerder kreeg een zittende president – eerst Valéry Giscard d’Estaing en later Nicolas Sarkozy – geen tweede termijn, een bewijs van de verzwakking van het instituut. François Hollande, wiens kandidatuur bij de eerste ronde al geen vanzelfsprekendheid was, wilde niet het risico lopen dat hij door zijn eigen sympathisanten werd afgewezen. Deze ongekende situatie toont aan dat in de Vijfde Republiek, die nu juist was bedoeld om het primaat van de uitvoerende macht te herstellen, het presidentschap ontheiligd is.
Aan de kaak gesteld
Dat presidentschap was sinds 1958 niet alleen de hoeksteen van de Franse instituties, maar ook het dwangmatige middelpunt van het politieke leven. Een president van de Vijfde Republiek beschikt over meer macht en privileges dan enig ander democratisch gekozen staatshoofd. Het is dus de Franse specificiteit die momenteel wankelt.
De burgers houden terecht vast aan hun grote democratische macht, die erin bestaat dat ze zelf hun president kiezen. De keuze voor een president is daarmee elke vijf jaar de grondslag van de Franse democratie. Maar tegelijkertijd wordt de macht van de republikeinse monarch die door het soevereine volk is gekozen voortdurend aan de kaak gesteld. Sinds Georges Pompidou heeft elke president ofwel een coalitie moeten sluiten (François Mitterand en Jacques Chirac), en dus een groot deel van zijn macht uit handen moeten geven, of hij is er niet in geslaagd een tweede termijn te vervullen (Valéry Giscard d’Estaing en Nicolas Sarkozy) of heeft zelfs van een poging daartoe moeten afzien (François Hollande).
Dat de Fransen dol zijn op hun presidentiële instituut, weerhoudt hen er niet van om hun president genadeloos af te straffen. Daarmee wordt het verketteren van de gekozen president een nationaal ritueel. De democratie van de Vijfde Republiek bestaat uit het kiezen en vervolgens afbranden van de gekozen leider. De Fransen blijven monarchistische koningsmoordenaars of bonapartisten die in opstand komen tegen de keizer.
Dit heeft, zoals in alle democratieën, duidelijk te maken met de crises die zich al meer dan veertig jaar aaneenrijgen en die door regeringen niet of nauwelijks bedwongen kunnen worden. Het wordt nog versterkt door de extreme verpersoonlijking van het presidentiële systeem die door de dagelijkse informatiestroom wordt gevoed en waarmee de sociale netwerken nietsontziend de vloer aanvegen.
De macht van de president is nog nooit zo zichtbaar en tegelijkertijd zo omstreden geweest. De vijfjarige ambtstermijn heeft dit proces alleen maar verergerd. Door de beknotting van het politieke leven en de druk om zich na twee of drie jaar presidentschap alweer tot een toekomstige kandidaat te transformeren, is het staatshoofd een deerniswekkend mikpunt geworden dat weldra uitgroeit tot een zondebok. De hypergemediatiseerde vijfjarige ambtstermijn is een roofdier, temeer omdat de nog maar nauwelijks gekozen president zich al snel in een minderheidspositie bevindt als gevolg van stemonthouding en snelle afbraak van de parlementaire meerderheid, die leidt tot oppositionele sabotage. Het Franse presidentschap is een monument dat met verwoesting wordt bedreigd.
Nicolas Sarkozy sloeg op hol, François Hollande liet alles op zijn beloop. De een was veel te autoritair, de ander veel te weinig
Maar ook de laatste presidenten zelf zijn hiervoor verantwoordelijk geweest. Jacques Chirac verzuimde de republiek te verenigen na zijn overwinning op Jean-Marie Le Pen. Nicolas Sarkozy, zo energiek tijdens crises, spreidde een deplorabele stijl en een pathologische alomtegenwoordigheid tentoon terwijl François Hollande, zodra hij het Palais de l’Elysée betrad, zich juist omgekeerd gedroeg, tot in het extreme. Nicolas Sarkozy communiceerde veel te veel, zijn opvolger vermeed iedere vorm van communicatie. Behalve bij dramatische gebeurtenissen (aanslagen, militaire initiatieven) heeft hij zich wars getoond van theater. Geen sterke symbolen, geen spectaculaire gebaren, geen grootse, principiële toespraken à la Mitterand, terwijl hij een uitstekende spreker kan zijn. Nooit een duidelijke politieke lijn, terwijl het hem in kleine kring niet aan scherpzinnigheid of coherentie ontbrak. Maar in het openbaar was het een en al wolligheid, contradicties en getalm. Alles wat hij goed deed werd op slag onzichtbaar, en alles wat hij verkeerd deed te zichtbaar. Nicolas Sarkozy sloeg op hol, François Hollande liet alles op zijn beloop. De een was veel te autoritair, de ander veel te weinig.
Een zevenjarige ambtstermijn lijkt dus een veel redelijker keuze dan een vijfjarige. Maar één wezenlijk feit blijft: een rechtstreeks gekozen president moet de belichaming zijn van de macht, een krachtige lijn uitzetten en zich zo coherent mogelijk tonen tussen de verovering en de uitoefening van zijn ambt. Een utopie?
Vlak voordat in Frankrijk de voorverkiezing op rechts losbarstte tussen Sarkozy, Juppé en Fillon, maakte voormalig minister Emmanuel Macron zijn kandidatuur op links bekend. Heeft hij enige kans?
JA
Emmanuel Macron, de kersverse presidentskandidaat, heeft verwarring gezaaid in de wereld van politiek en media. Kan de voormalige minister van Economie van François Hollande het Franse politieke landschap werkelijk opschudden? Zijn poging is moedig. Onuitvoerbaar? We zullen zien.
Op een avond in februari, anderhalve maand voor Macrons lancering van zijn beweging ‘En marche’, suggereerde een vertrouweling van de jonge minister dat hij zich kandidaat wilde stellen voor het presidentschap. Dat leek toen nog onmogelijk: tussen Hollande, bekritiseerd maar nog niet verguisd door de zijnen, en Juppé, de waarschijnlijke toevlucht voor anti-FN gezinde republikeinen, leek geen plek voor een derde kandidaat.
Maar in de weken die volgden lanceerde Macron, die tot dan toe gokte dat Nicolas Sarkozy de eerste ronde namens rechts zou winnen, zijn beweging ‘En marche’, waarmee hij te kennen gaf dat hij de politieke krachtsverhoudingen niet als onveranderlijk beschouwt. Hij verwijt zijn politieke tegenstanders oubollig te zijn en alleen gericht op bezuinigingen. Hij stortte zich in de race naar het Elysée met de woorden: ‘De president van de republiek vertegenwoordigt de waarden van ons land, de continuïteit van de Franse geschiedenis, de waardigheid van het openbare leven. Ik ben er klaar voor.’
Om te voorkomen dat de linkse gemoederen al te verhit raakten heeft hij zijn kandidatuur aangekondigd terwijl Hollande op staatsbezoek was in Marokko
Macrons tweede ijzer in het vuur is het feit dat hij zich tegen het ‘systeem’ keert. Uit een opiniepeiling in juni 2015 bleek al dat negen van de tien kiezers negatief over dat systeem oordelen. Macron weet dus dat hij op aanhang kan rekenen. Volgens hem is ‘En marche’ geen ‘partij’, maar ‘een beweging die links noch rechts is’. Daarmee hoopt hij degenen over te halen die overwegen niet te gaan stemmen.
Zijn adviseurs hebben de peiling van CEVIPOF–IPSOS van 25 oktober sterk in twijfel getrokken: ‘De uitslag, die voor Macron 13 à 14 procent van de stemmen voorspelt, houdt geen rekening met al die Fransen die overwegen niet te gaan stemmen of zeggen nog niet te weten op wie. Met andere woorden, 40 procent van de ondervraagden is niet meegeteld. Het reservoir is immens.’
Voor Macron gaat het niet alleen om een verkiezingsstrategie. Als iemand die ‘tegen het systeem’ is en pleit voor een ‘democratische revolutie’, wil hij de ‘maatschappelijke blokkades’ opheffen en ‘Frankrijk de eenentwintigste eeuw binnenleiden’.
Met nog maar honderdduizend (voorlopige) aanhangers weet Macron dat de strijd moeilijk zal worden. Om te voorkomen dat de linkse gemoederen al te verhit raakten heeft hij zijn kandidatuur aangekondigd terwijl Hollande op staatsbezoek was in Marokko. Hij hoopt vooral linkse kiezers ervan te weerhouden op Juppé te stemmen, zijn meest geduchte tegenstander op rechts.
Nathalie Raulin is politiek verslaggever bij Libération.
Emmanuel Macron.
NEE
De kandidatuur van Emmanuel Macron? ‘Dat wordt nooit wat,’ grapt een aanhanger van François Hollande met een wat geforceerde glimlach die onzekerheid verraadt. Al spreekt de voormalige minister van Economie veel mensen aan, zijn kandidatuur lijkt tot mislukken gedoemd. ‘Hij profiteert vooral van de teleurstelling in Hollande,’ analyseert een minister. ‘En omdat hij vaag blijft over zijn programma, wordt de luchtbel steeds groter. Maar op een gegeven moment spat die uit elkaar.’
Waarom maakt iemand die zegt niet links of rechts te zijn, maar alle Fransen te willen verenigen, geen enkele kans? Omdat Macron twee makkes heeft: een beperkt kiezerspotentieel, en een ideologie die slechts een minderheid van de Fransen momenteel aanspreekt.
‘Tussen links en rechts is nooit voldoende politieke ruimte geweest om president te kunnen worden,’ verzekert een kopstuk van de Parti socialiste. Een minister voegt eraan toe: ‘Zijn electoraat is te klein om het land te kunnen veroveren. Je wint geen presidentsverkiezingen met alleen start-uppers, jongeren uit de buitenwijken en blije globalisten.’
Het politieke landschap belooft weinig goeds voor hem. Links kan momenteel maar op 35 procent van de stemmen rekenen, te verdelen onder drie kandidaten: Jean-Luc Mélenchon, de winnaar van de eerste ronde van de Parti socialiste (Hollande, Valls of Montebourg) en Macron, om van de groene en extreemlinkse kandidaten nog maar te zwijgen. Zo wordt het moeilijk tijdens de eerste ronde meer dan 20 procent van de stemmen te krijgen. Daarom is het van vitaal belang voor Macron dat Alain Juppé de eerste ronde niet wint namens rechts. ‘Anders is het met hem gedaan,’ voorspelt een socialistische leider. [hier uitslag van zondag]
Als Macron president wil worden, heeft hij een meerderheid nodig. En dus een flinke aanhang in het parlement. Opnieuw een enorm probleem
Toch geloven aanhangers van Macron dat die ruimte er wel degelijk is. Ze weigeren zich te laten opsluiten in de status quo van een politiek die wordt gedomineerd door de automatische afwisseling van links en rechts. Maar als Macron president wil worden, heeft hij een meerderheid nodig. En dus een flinke aanhang in het parlement. Opnieuw een enorm probleem.
Nog weer een ander groot probleem voor Emmanuel Macron is zijn ideologische positie, die slechts een minderheid van de Fransen aanspreekt. Hij is pro-Europees en liberaal, zowel in economisch als maatschappelijk opzicht. Hoe moet zo iemand linkse kiezers overtuigen die vinden dat de arbeidswethervorming niet ver genoeg gaat? Of de rechtse kiezers als hij een goed woordje doet voor de gediscrimineerde jeugd in de buitenwijken?
Vanwege deze dubbele handicap gaat men er in de omgeving van François Hollande van uit dat Macron in februari of op zijn laatst in maart het loodje zal leggen. Een Hollande-getrouwe laat zich ontvallen: ‘Dan zullen we moeten zien hoe we hem veilig weer thuis krijgen.’
Nieuws uit het buitenland is iets anders dan nieuws over het buitenland, luidt al honderd edities lang het adagium van 360. We laten lokale journalisten aan het woord over de situatie in hun land. Maar soms wijken we daarvan af, zoals hier. George Packer (staff writer bij The New Yorker en auteur van de grootse analyse van het moderne Amerika, The Unwinding) beschrijft zijn verkenning van ‘het andere Frankrijk’. Een betere titel – ja, op je honderdste verjaardag mag je zelfs beweren dat je het beter weet dan The New Yorker – zou misschien zijn ‘de andere Fransen’. Want zijn stuk gaat juist over hetzelfde Frankrijk en iedereen – binnen en buiten de Périphérique – die nolens volens meebouwt aan de toekomst van dat land.
Fouad Ben Ahmed had nooit veel aandacht besteed aan Charlie Hebdo. Hij vond het satirische tijdschrift grof en te sterk gefixeerd op de islam en hij kon er niet om lachen, maar hij geloofde ook niet dat het blad veel kwaad deed. Een van de cartoonisten, Stéphane Charbonnier, tekende ook voor Le Petit Quotidien, een kinderblad waarop Ben Ahmed een abonnement had voor zijn kinderen. Op 7 januari 2015, toen hij hoorde dat twee broers met Algerijnse namen, Saïd en Chérif Kouachi, op de redactie van Charlie Hebdo twaalf mensen hadden geëxecuteerd, onder wie Charbonnier, als wraak voor covers van het blad waarop Mohammed belachelijk werd gemaakt, schreef Ben Ahmed op Facebook: ‘Mijn Franse hart bloedt, mijn moslimziel huilt. Niets, ABSOLUUTNIETS kan deze barbaarse daden rechtvaardigen. Praat me niet van media of politici die een spel zouden spelen, want er is geen excuus voor barbarij. #JeSuisCharlie’
Forum
Die avond verliet Ben Ahmed zijn huis in een Parijse voorstad en ging de stad in om samen met tienduizenden anderen een wake te houden. Zijn Algerijns-Tunesische afkomst is zichtbaar aan zijn donkere huid, en een paar blanke extremisten slingerden hem bedreigingen naar zijn hoofd, maar Ben Ahmed negeerde ze – Frankrijk was ook zijn land. Op 11 januari liep hij met anderhalf miljoen medeburgers in een mars vanaf de Place de la République.
Ben Ahmeds Facebookpagina werd een forum waarop anderen, voornamelijk Franse moslims, over de aanslagen discussieerden. Velen uitten alleen hun verdriet en woede; sommigen kwamen met samenzweringstheorieën waarin ze beweerden dat dit een complot was om moslims in diskrediet te brengen. ‘Laat de politie maar onderzoek doen naar de achtergronden van dit bloedbad,’ vond Ben Ahmed. Een vrouw schreef: ‘Ik houd mijn hart vast voor de moslims van Frankrijk. De bekrompen of bange geesten zullen zich nog verder ingraven en een amalgame maken – alle moslims over één kam scheren met de terroristen.’ Ben Ahmed was het met haar eens: ‘Ons land zal nog verder verdeeld raken.’ Hij verdedigde zijn gebruik van de hashtag #JeSuisCharlie door te zeggen dat er, hoe legitiem het vóór de aanslag ook was geweest om kritiek te hebben op de inhoud van Charlie, daar nu geen plaats meer voor was. ‘Als we nu nog een debat gaan voeren over de redactionele koers van het blad, is het alsof we zeggen “Ja, maar…”,’ zou hij later tegen mij zeggen. ‘In deze omstandigheden is dat ondenkbaar.’
Na het bloedbad van Charlie Hebdo heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues
Ben Ahmed, 39 jaar, werkt als contactpersoon tussen de inwoners en het gemeentebestuur van Bondy, een voorstad ten noordoosten van Parijs, in het 93ste departement. Het 93ste was tientallen jaren lang een bolwerk van de vroegere arbeidersklasse en de communistische partij, maar staat nu vooral bekend om zijn inwoners van Arabische en Afrikaanse origine. Veel Parijzenaars associëren het 93ste met verloederde sociale woningbouw, criminaliteit, werkloosheid en moslims.
Frankrijk heeft allerlei typen voorsteden, maar het woord ‘banlieues’ is een negatief begrip geworden, dat staat voor sloppenwijken waar immigranten in de meerderheid zijn. Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en sociale uitsluiting. De cités en hun bewoners zijn het onderwerp van veel bezorgde en boze discussies in Frankrijk. Onlangs verschenen twee boeken van de hand van de vooraanstaande politiek wetenschapper Gilles Kepel, Banlieue de la République en Quatre-vingt-treize [Drieënnegentig]. Het zijn studies naar het grootschalige verval en de groeiende segregatie tussen bevolkingsgroepen. Ook voor dat laatste kent het Frans een negatieve benaming: communautarisme.
Na het bloedbad van Charlie Hebdo – en nadat een derde terrorist, Amedy Coulibaly, een zwarte politieagente bij een joodse school en vier joden in een koosjere supermarkt had doodgeschoten – heerste in Frankrijk en daarbuiten algemeen het idee dat de moorden op de een of andere manier te maken hadden met de banlieues. Maar het is niet gemakkelijk om een direct verband te leggen. Weliswaar komt antisemitisme in deze geïsoleerde gemeenschappen steeds sterker op, maar het profiel van de Franse jihadist valt niet samen met een bepaalde klasse; veel jihadisten komen uit middenklassegezinnen. Het gevoel van uitsluiting in de banlieues is een nijpend probleem dat de overheid tientallen jaren heeft verwaarloosd, maar meer banen en betere huisvesting zullen geen eind maken aan het Franse jihadisme.
Ben Ahmed woont al zijn hele leven in het 93ste. Een paar jaar geleden is hij met zijn vrouw Carolina en hun twee kinderen naar een klein huis in de omgeving van het vliegveld Charles de Gaulle verhuisd. Daar wonen ze dichter bij de particuliere school waar ze hun kinderen naartoe sturen omdat de meeste openbare scholen in het 93ste overvol en chaotisch zijn, en jongere, minder gekwalificeerde leerkrachten hebben. Als tiener woonde Ben Ahmed in een van de ergste voorsteden, Bobigny, in een beruchte cité die l’Abreuvoir heet. Als twintiger en begin dertiger werkte hij als buurtopbouwwerker voor de gemeente Bobigny met probleemjongeren – soms zijn eigen vrienden en buren, vaak jongeren die net uit de gevangenis kwamen of daar snel terecht zouden komen. Hij weet meer van het leven in de cités dan welke wetenschapper ook.
Na de aanslagen schreef Ben Ahmed een open brief aan president François Hollande, onder de kop ‘Allemaal deels verantwoordelijk, maar niet schuldig’. Hij noemde zich een banlieuebewoner die vaak ‘de dood van dichtbij’ had gezien. Hij schreef over de problemen van de werkloosheid, de discriminatie en de collectieve afzondering van de samenleving. Hij bracht in herinnering hoe in oktober 2001 in Parijs een voetbalwedstrijd tussen Frankrijk en Algerije – de eerste sinds de Algerijnse onafhankelijkheid in 1962 – afgeblazen moest worden, toen duizenden Franse jongeren van Noord-Afrikaanse afkomst boe riepen tijdens de Marseillaise en het veld op stormden onder het roepen van ‘Bin Laden, Bin Laden!’ Het Franse publiek reageerde met heilige verontwaardiging.
‘Het probleem manifesteerde zich daar, recht voor onze neus,’ schreef Ben Ahmed. ‘Maar wij stelden niet de juiste vragen, we kozen voor stigmatisering, afwijzing van de ander.’ Hij vervolgde: ‘Die dag is de tweedeling ontstaan, het gevoel afgewezen te worden door de politieke klasse, toen we andere vragen hadden kunnen stellen: Wat is er aan de hand? Wat is het probleem?’
Ben Ahmed gaat altijd gekleed in een strak, donker pak, zelfs in het weekend, alsof zo’n formele stijl voor een Arabier uit het 93ste de enige manier is om serieus genomen te worden. Toen ik kort na de aanslagen een ontmoeting met hem had, zei hij tegen me: ‘In het Frans zeggen we: “De kap maakt de monnik niet” – maar helaas is dat wel het geval.’ Dat is ook de reden waarom hij altijd heel secuur Frans spreekt, niet de met Arabisch doorspekte straattaal van de banlieues. Hij draagt zijn haar gemillimeterd, de zwarte stoppels van zijn haarlijn komen op zijn voorhoofd samen in een puntje. Hij heeft een breed, jongensachtig gezicht en een ontwapenende lach.
Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen
Terwijl hij met grote, besliste passen door het 93ste beent, lijkt het wel of hij iedereen bij naam kent. Maar als jongere in l’Abreuvoir moest hij wel leren vechten – hij deed in die tijd aan boxe française, een vorm van kickboksen – en als hij onder druk staat, kunnen zijn ogen waakzaam en uitdrukkingsloos worden. Toen hij twee jaar geleden met zijn kinderen een bioscoop binnenkwam, zag hij dat een van de bezoekers een geweer bij zich had. (De man kwam een rekening vereffenen met zijn vrouw en haar minnaar.) Ben Ahmed zei tegen zijn kinderen dat ze moesten gaan liggen, sloop de tien meter naar de man met het wapen toe, greep hem van achteren beet, werkte hem naar de grond en hield hem in een Braziliaanse jiujitsu-houdgreep. Nadat er beveiligingsmensen bij waren gekomen, nam Ben Ahmed zijn kinderen mee de bioscoopzaal in om naar Man of Steel te gaan kijken.
Ben Ahmed koesterde al langer politieke ambities, en door dit incident werd hij een plaatselijke held. Hij besloot zich kandidaat te stellen voor de gemeenteraad. ‘Ik kan met iedereen praten, want ik heb respect voor de ander. Ik geloof dat iedereen wel iets goeds in zich heeft.’ Ben Ahmeds vrouw en zijn vrienden vinden hem een beetje naïef, maar naïviteit is bijna onmisbaar voor een moslim uit de banlieues die in een tijd van nationale crisis tussen bevolkingsgroepen de Franse politiek in wil.
Parallelle werelden
De ringweg rondom Parijs staat bekend als de Périphérique. Als je de voorsteden binnenkomt of uitgaat, heet dat ‘de Périphérique oversteken’, alsof de ringweg een grens is. Inwoners van de banlieues zeggen vaak bij wijze van wrange grap dat je een visum en een inentingsbewijs nodig hebt om Parijs binnen te mogen. ‘Er zijn twee parallelle werelden,’ zegt Mehdi Meklat, een jonge blogger van Le Bondy Blog, die over het leven in de banlieues schrijft. Volgens hem is de relatie tussen Parijs en de voorsteden ‘schizofreen’.
Met de RER, het spoorwegnetwerk dat Parijs met zijn voorsteden verbindt, ben je in negentien minuten van Gare du Nord bij de halte van Ben Ahmed. De rit begint in een tunnel en als de trein boven de grond komt, zijn de boulevards met hun talloze bistroluifels verdwenen. Zelfs het weer lijkt anders – vochtig en somber, met een wind die uit het zuidwesten blaast. (De voorsteden van het 93ste zijn ontstaan rond fabrieken die ten noordwesten van Parijs waren geplaatst, omdat daar de industriestank wegwaaide van de Lichtstad.) Het spoor doorsnijdt een wanordelijk landschap van met graffiti overdekte muren, glazen kantoorgebouwen, voetbalvelden, vuilnishopen, verlaten industrieterreinen, bescheiden huizen met rode daken en clusters van twintig verdiepingen hoge kolossen – de cités.
De banlieues zijn veel diverser dan de getto’s van Amerikaanse steden. Tijdens een rit met de RER zag ik een man die Tamil sprak in zijn mobiele telefoon, een Aziatische vrouw die op haar twee zoontjes lette, Noord-Afrikaanse vrouwen in elk type hijab, of niet in hijab, een bejaarde blanke man, een zwarte man in blazer die de sportpagina’s van de krant zat te lezen, een Arabische man die in het gangpad stond te bedelen met een kind in zijn armen. Rijke wijken liggen naast arme, particuliere koophuizen staan tussen sociale woningbouw en mensen van alle kleuren en religies doen hun boodschappen in de lokale winkelcentra. In een restaurantje in Montreuil, aan een lege straat in de buurt van een cité, werden Arabische mannen bediend door een blanke serveerster. De banlieues hebben generaties immigranten gehuisvest, en de oudere lichting van Portugezen, Italianen en Polen is niet helemaal verdwenen met de komst van de recentere golven Arabieren, Afrikanen en Chinezen, in de afgelopen decennia. Aangenomen wordt dat de voorsteden nog altijd overwegend blank zijn, al weet niemand dat zeker, omdat het in Frankrijk verboden is gegevens bij te houden op basis van etniciteit of godsdienst. (Voor de cités is geen exacte telling nodig – die zijn in overgrote meerderheid Arabisch en zwart.)
De zuidelijke voorstad Thiais wordt onderdeel van de nieuwe metrolijn Grand Paris Express Ligne 17, die in 2024 klaar zal zijn en niet alleen luchthaven Charles de Gaulle bedient maar ook luchthaven Le Bourget. Met de aanleg van de metrolijn is 1,8 miljar
Hoe vitaal ze ook zijn, de banlieues lijken los te staan van de stad, en van Frankrijk zelf. Parijzenaars en toeristen zie je er zelden, en de bewoners klagen dat journalisten er alleen maar komen om verslag te doen van autobranden en druggerelateerde schietpartijen. De voorstad Clichy-sous-Bois, waar in 2005 de rellen ontstonden die zich vervolgens over het hele land verspreidden, probeert tegenwoordig wat extra inkomsten te genereren door nieuwsgierige buitenstaanders een tour de banlieue aan te bieden. Veel bewoners van de voorsteden denken er ondertussen niet aan om naar Parijs te gaan. Vergeleken met de Amerikaanse sloppenwijken zijn de kwaliteit van de woningen en de veiligheid in de banlieues nog redelijk goed, maar de psychologische afstand tussen het 93ste en de Champs-Élysées kan onoverkomelijk lijken – veel groter dan die tussen The Bronx en Times Square.
De appartementenblokken in de cités, vaak gegroepeerd rond een apotheek, een supermarkt en een fastfoodtent, zijn naar binnen gericht. Vaak hebben ze geen straatnaam, geen duidelijke entree en onvoldoende parkeerplaatsen. Het gevoel van vervreemding wordt nog versterkt door de namen van de omringende straten en scholen, verwijzingen naar een historisch Frankrijk dat weinig te maken heeft met het dagelijks leven van de bewoners. De straten rond Gros Saule – een van drugs doortrokken cité waar de politie zich niet durft te vertonen – hebben namen als rue Henri Matisse en rue Claude Debussy.
‘Het is een sociale grens,’ zegt Badroudine Abdallah, een collega van Mehdi Meklat bij Le Bondy Blog. ‘Het gaat er niet alleen om of je zwart of Arabisch bent. Het gaat er ook om of je relaties hebt, een netwerk.’ Meklat en Abdallah, allebei in de twintig, vertellen me dat Franse leerlingen aan het eind van de lagere school een week lang stage moeten lopen. Hun klasgenoten kwamen, als ze geluk hadden, terecht in een armoedig bakkerijtje of een apotheek, en anders vonden ze geen plek, want bedrijven honoreren geen aanvragen van immigrantenkinderen uit het 93ste.
Als je uit de banlieues komt is dat een grote belemmering op de arbeidsmarkt, en bijna elke inwoner die ik er tegenkwam kon wel een verhaal vertellen over discriminatie. Fanta Ba, dochter van Senegalese immigranten, gebruikt tegenwoordig op sollicitatieformulieren haar tweede naam, France, en verfranst haar achternaam tot Bas, maar ze heeft nog steeds geen werk. Elke keer als ze berichten over een terroristische aanslag in Frankrijk hoort, bidt ze: ‘Laat het geen Arabier zijn, geen zwarte, geen moslim.’ Op 7 januari zette ze de tv uit en vermeed ze twee dagen lang Facebook. Ze kon er niet tegen om telkens weer die gewelddadige beelden te zien, of te moeten horen dat alle moslims daar verantwoordelijkheid voor zouden dragen. ‘Om te moeten zeggen: “Je suis Charlie”, of: “Ik ben moslim en ik veroordeel dit” – dat was te veel gevraagd,’ zegt ze. ‘Ik had er niets mee te maken. Ik vroeg me af: hoe moet dit aflopen? Gaan ze straks een kruis zetten op de voordeuren van moslims of Arabieren?’
Echte Fransen
Ben Ahmed heeft een vriend in Bobigny, Brahim Aniba, die accountant is en zoals veel banlieuebewoners ooit een periode van werkloosheid heeft doorgemaakt. Om een uitkering te kunnen krijgen moest hij een afspraak maken bij een jobcoach. Aniba vertelde me dat de coach, om hem te helpen, vroeg: ‘Heb je geen tante die in Parijs of ergens anders woont? Want Bobigny, cité Grémillon, tja…’ Dat was het Franse equivalent van Schijtstad. De jobcoach raadde hem aan: ‘Als je een adres in Parijs hebt, een postbus, alleen maar om je post te ontvangen, dan is dat beter. En je achternaam, Aniba – die is wel oké, maar je voornaam, Brahim… gebruik liever B.’
‘Mevrouw, waarom laat ik niet liever gewoon meteen mijn broek zakken?’ zei Aniba.
De simpele bepaling wie Frans is en wie niet, kan een luchtig gesprekje lastig maken. Als mensen de dertigjarige journaliste Widad Ketfi vragen waar ze vandaan komt, antwoordt ze: ‘Uit Bondy.’ Maar daarmee is de kous nooit af. ‘Welke afkomst?’ ‘Frans.’ ‘Waar komen je óúders vandaan?’ ‘Uit Frankrijk!’ Zelfs burgers met een immigrantenachtergrond duiden blanken vaak aan met de term Français de souche – ‘echte Fransen’. Wat impliceert dat mensen met een donkerder huid niet helemaal Frans zijn.
Zoals Fanta Ba het zegt: ‘Je doet alles voor Frankrijk, om geaccepteerd te worden, maar je voelt dat je niet welkom bent.’ Dit geldt zeker voor moslims. In een enquête van Le Monde na de aanslagen gaf een meerderheid van de ondervraagden aan te vinden dat de islam niet verenigbaar is met de Franse waarden. In een cité als Trappes, waar Ba is opgegroeid, keren sommige moslims zich van de Franse samenleving af: vrouwen verdwijnen onder de zwarte abaya; mannen gaan van school om via internet islamitische kleding te verkopen. Ba draagt geen hoofddoek, maar ze is wel strikter geworden in haar geloof nu ze het moeilijk heeft, alleen en zonder baan. Als iemand zich terugtrekt, zegt zij, is dat vaak een reactie op uitsluiting.
‘Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat’
Bij de verkiezingen van 2012 gingen negen van de 570 zetels in de Assemblée Nationale naar niet-blanke kandidaten – een toename van acht zetels. Frankrijk blijft een klassenmaatschappij, waar sociaal kapitaal het allerbelangrijkste is. Het land wordt geregeerd door de énarques – afgestudeerden aan de prestigieuze École Nationale d’Administration in Straatsburg. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet is een diploma van een eliteschool de enige garantie om een goede baan te vinden in een land dat kampt met economische stilstand. Dit geldt ook in Amerika steeds meer, maar in de VS integreren immigranten veel makkelijker dan in Frankrijk. Wat beide landen gemeen hebben – en wat ze uniek maakt – is een nationale identiteit die niet alleen gebaseerd is op geschiedenis, bloed, geboortegrond en cultuur, maar ook op de idee van de volkssoevereiniteit. In Frankrijk wordt dit ‘republicanisme’ genoemd, en in theorie geldt dit begrip voor het hele land. In de praktijk hangt je deelname aan de Franse republiek niet alleen af van democratie en secularisme, maar ook van wat je draagt, wat je eet en hoe je je kinderen noemt.
In 2007 werd er een nationaal immigratiemuseum geopend in het Palais de la Porte Dorée, een art-decopaleis aan de oostrand van Parijs dat in 1931 voor een koloniale expositie werd gebouwd. Volgens de traditie hoort een nationaal museum in Frankrijk geopend te worden door de president, maar Nicolas Sarkozy, die immigratie tot speerpunt van zijn verkiezingscampagne had gemaakt, weigerde te komen opdraven. Het Musée de l’Histoire de l’Immigration opende zijn deuren zonder officiële ceremonie. (Pas zeven jaar later, in december 2014, verrichtte de socialist Hollande de inauguratieplechtigheid.) Toen ik in februari in het museum was, zag ik er maar weinig bezoekers. Veel Parijzenaars weten niet eens dat het bestaat.
Een gemiste kans, want de tentoonstelling vertelt een rijk verhaal, dat teruggaat naar het midden van de negentiende eeuw, toen Frankrijk nieuwe immigranten ontving terwijl de rest van Europa die juist creëerde. Nog in de jaren dertig van de vorige eeuw had Frankrijk het grootste aantal immigranten per hoofd van de bevolking ter wereld. De bordjes in het museum bieden historische geruststelling: ‘De figuur van de niet-assimileerbare vreemdeling komt mee op elke immigrantengolf. Van de Italianen aan het eind van de negentiende eeuw tot de Afrikanen van vandaag, de stereotypen veranderen nauwelijks: immigranten zijn met te veel, ze brengen ziekten mee, ze kunnen in de criminaliteit belanden, het zijn vreemde elementen binnen de eigen natie. Deze angst voor vreemdelingen, die in tijden van crisis telkens weer de kop opsteekt, wordt vaak gecombineerd met antisemitisme en gevoed door racisme.’
Het moeilijkst verteerbare aspect van het Franse koloniale verleden is Algerije. Dat land werd aan het begin van de negentiende eeuw door Europeanen gekoloniseerd. Het werd onderdeel van het Franse rijk en dat bleef het tot de onafhankelijkheid in 1962, na een oorlog van acht jaar waarin zevenduizend mensen omkwamen. Het is nauwelijks te overschatten hoe zwaar dit verhaal, dat zo dichtbij en zo treurig is, vervolgens werd onderdrukt. La battaglia di Algeri (De slag om Algiers), het neorealistische meesterwerk van filmmaker Gillo Pontecorvo over opstand, onderdrukking, terrorisme en marteling in Algiers, was in Frankrijk na zijn verschijning in 1966 vijf jaar lang verboden en is er nog steeds taboe. Op 17 oktober 1961 doodde de Franse politie bij een demonstratie voor de onafhankelijkheid van Algerije in Parijs tweehonderd mensen, onder meer door ze van de bruggen af in de Seine te gooien. Het heeft veertig jaar geduurd voordat Frankrijk erkende dat deze slachting had plaatsgevonden, en het incident wordt op scholen nog steeds nauwelijks vermeld. Jonge mensen in de banlieues vertelden me dat de koloniale geschiedenis op scholen slechts vluchtig wordt behandeld en dat er nauwelijks literatuur uit voormalige koloniën wordt gelezen.
Geschiedenis
Volgens Andrew Hussey, een Brits onderzoeker van het London University Institute in Parijs, vormt de onrust in de banlieues – telkens terugkerende rellen, autobranden, botsingen met de politie – een nieuw front in de lange oorlog tussen Frankrijk en zijn Arabieren, met name Algerijnen. Het doel van het geweld is niet hervorming of revolutie, maar wraak. ‘Het leven van de jongeren in de banlieues draait om wiet, meisjes, gangsters en islam,’ zegt hij. ‘Ze hebben geen historisch besef, zijn zich niet bewust van waar in Noord-Afrika ze vandaan komen, kennen alleen kleine beetjes Arabisch die ze niet begrijpen, stukjes islam die hun niet echt iets zeggen.’
In zijn boek The French Intifada beschrijft Hussey het conflict in zulke harde bewoordingen dat zijn Franse uitgever weigerde er een Franse vertaling van uit te geven. Zijn onderzoek in de banlieues is minder genuanceerd dan dat van zijn collega-politicoloog Gilles Kepel (als ik tegenover inwoners van de banlieues de term ‘Franse Intifada’ liet vallen, werd er ongelovig gelachen), maar het is levendig en uit de eerste hand. Het boek begint met een ooggetuigenverslag van een acht uur durende ondergrondse veldslag op Gare du Nord, in 2007, tussen politieagenten en banlieuejongeren die schreeuwen: ‘Na’al abouk la France!’, Arabisch voor ‘Fuck Frankrijk!’ Hussey schrijft: ‘Deze kreet – eigenlijk meer een vervloeking – heeft niets te maken met de Franse traditie van volksopstanden.’ Maar hij heeft het in zijn portret niet over de banlieuebewoners die zowel moslim als Frans proberen te zijn – mensen als Fouad Ben Ahmed.
Op een avond in een Thais restaurant in de voorstad Aulnay-sous-Bois zegt Ben Ahmed tegen me: ‘Ik ken mijn eigen geschiedenis nauwelijks. Daar wordt geen les over gegeven, en omdat ze zo pijnlijk is, hebben mijn moeder en mijn grootvader me er nooit over verteld.’ Hij kent wel de hoofdlijnen van de Frans-Algerijnse oorlog, en vertelt over pieds noirs – Franse kolonisten die Algerije als hun vaderland beschouwden en dat land na de onafhankelijkheid moesten ontvluchten – en harkis, Algerijnse moslims die het Franse gezag steunden en door andere Algerijnen werden verketterd. Aan het eind van de oorlog maakte geen van beide landen ruimte voor burgers met conflicterende loyaliteiten en identiteiten: Algerije werd een Arabische staat en Frankrijk dekte zijn wonden toe door te doen alsof het conflict nooit had plaatsgevonden. Wederzijdse schuldgevoelens en verwijten hebben verhinderd dat de pieds noirs, harkis en Algerijnen die om economische redenen naar Frankrijk immigreerden met hun gedeelde verleden in het reine kwamen. Ben Ahmed: ‘En aangezien noch onze ouders noch de overheid ons over onze geschiedenis vertellen, kunnen andere mensen ons nu leugens verkopen om dingen te rechtvaardigen die niet te rechtvaardigen zijn.’ Hij doelt op de jihadisten.
Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij of zijn vrienden
Ben Ahmeds grootvader was een Algerijn die dienst nam bij het Franse leger en in 1958 naar de Parijse banlieues immigreerde. De meeste immigranten uit die periode kwamen naar Frankrijk om te werken – als fabrieksarbeiders, of straatvegers – en woonden in krotten. Hun aanwezigheid zou maar tijdelijk zijn. Toen duidelijk werd dat de meeste immigranten niet naar huis zouden terugkeren, werden de krottenwijken opgeruimd en de arbeiders gehuisvest in de cités. Ben Ahmeds grootvader kon zich, dankzij zijn inkomen als militair, een klein huis in het 93ste veroorloven. Ben Ahmeds moeder werkte als secretaresse in een metaalbedrijf; zijn vader verdween toen Fouad twee was. Hij groeide in betrekkelijke welstand op in het huis van zijn grootouders, tot 1989, toen zij dat huis verkochten. Ben Ahmed was toen dertien.
Zijn moeder zat in die tijd zonder werk en moest met haar zoon verhuizen naar l’Abreuvoir, de cité in Bobigny. Bij de bouw in de jaren zestig werd l’Abreuvoir gezien als een innovatief ontwerp, met zijn golvende, veertien verdiepingen hoge flatgebouwen en ronde groene torens. Maar in de jaren negentig was het een centrum voor heroïnehandel geworden. Op een keer kwam Ben Ahmed de benedenhal van zijn gebouw binnen en zag hij een man staan met een zak drugs en een pak bankbiljetten. ‘Donder op, of ik maak je af,’ zei de man. Ben Ahmed ging ervandoor.
Op school deed hij niet erg zijn best en hij bleef verschillende keren zitten, maar zijn moeder dwong hem om door te gaan, want als hij van school ging zou haar bijstandsuitkering omlaag gaan. Hij droeg een steentje bij aan hun huishouden door wasmachines te bezorgen bij appartementen in Parijs. Hij had vrienden die in drugs handelden en zelf zou Ben Ahmed misschien ook de criminaliteit in zijn gegaan, als hij niet Carolina had leren kennen, de dochter van een politiek vluchteling uit Chili. Toen ze allebei achttien waren, zei zij tegen Ben Ahmed dat hij moest kiezen: het was zij of zijn vrienden. Met hulp van Carolina maakte hij zijn middelbare school af, haalde aan de hogeschool zijn diploma maatschappelijk werk en werd jongerenwerker.
Een van de jongeren die Ben Ahmed probeert te helpen, is J.-P., een losgeslagen jongen uit Salvador Allende, ook een cité in Bobigny. Ben Ahmed is twaalf jaar ouder dan hij en kent J.-P. al bijna sinds zijn geboorte. (‘Bobigny is net een dorp,’ aldus J.-P.) J.-P. is een métis: zijn vader is Arabisch, zijn moeder blank. Zijn grootvader is in 1984 uit Algerije gekomen en als straatveger gaan werken. Zijn vader hoort bij ‘een ontwortelde generatie met hun kont op twee stoelen’, zoals J.-P. het noemt – ongewenst zowel in hun oude als in hun nieuwe land. J.-P.’s vader leeft nog, maar de meeste van zijn vaders vrienden zijn jong gestorven, door geweld, drugs of aids.
J.-P. groeide op als getatoeëerde fan van Scarface en Tupac Shakur. Op zijn veertiende werd hij van school gestuurd en begon hij drugs te verkopen en te stelen. ‘Tegenover mensen die met geweld de wet willen handhaven, moet je zelf het meest gewelddadig zijn als je het laatste woord wilt hebben,’ zegt J.-P. Hij ziet zichzelf niet als slachtoffer. ‘Ik was een klein klootzakje. Ik heb er zelf voor gekozen om daarin terecht te komen. Ik had moeten proberen dat pad niet op te gaan. Het probleem is waarom dat pad überhaupt bestaat.’
Binnen de banlieues liggen de cités, enorme betonnen woningbouwprojecten die in de decennia na de oorlog zijn gebouwd in de brutalistische stijl van Le Corbusier. Ooit waren ze bedoeld als modelsteden voor werkende mensen, nu heersen er armoede en social
We rijden in Ben Ahmeds Citroën door het 93ste. J.-P., een jongen met een lichte huid, gescheurde spijkerbroek en slechte tanden, zit achterin. Hij doet geen moment zijn oortelefoons uit en trekt zich geregeld terug in een soort roes, om daar dan weer een en al concentratie en welbespraaktheid uit tevoorschijn te komen. Hij heeft sinds 2010 drie keer in de gevangenis gezeten. Zijn eerste veroordeling, zegt hij, was voor ‘zo’n beetje alles – wapenbezit, geweldpleging, drugs’.
Ben Ahmed vertelt dat J.-P. en hij een tienermeisje hebben gekend van wie het vriendje een gangster was. Ben Ahmed had het meisje aangeraden om voorzichtig te zijn, en toen dit haar vriend ter ore kwam, sprak die Ben Ahmed erop aan: ‘Wat the fuck wil jij eigenlijk?’ De volgende avond vroeg Ben Ahmed een kennis uit de cité van de vriend om samen met een paar anderen naar hem toe te gaan en de man tot kalmte te brengen. Toen de vriend de groep zag aankomen, trok hij een pistool en vuurde waarschuwingsschoten af.
‘Soms is het moeilijk – als je bepaalde mensen wilt helpen en dan in een lastige situatie terechtkomt,’ vertelt Ben Ahmed me.
‘Twee jaar later ben ik nog met dat meisje naar bed geweest,’ zegt J.-P. lachend. ‘Diezelfde kerel schoot me in mijn been.’
‘Wat soms ook moeilijk is voor iemand als ik, is om J.-P. te helpen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Soms heb je het idee dat mensen niet klaar zijn om geholpen te worden.’
‘Hé, je wordt vervelend,’ zegt J.-P. ‘Geef me 100.000 euro. Dát zou pas helpen.’ Hij klaagt dat zijn maag rammelt. We zetten hem af bij een Senegalese cafetaria.
‘Je bent heel intelligent, maar er mankeert iets aan je hoofd,’ zegt Ben Ahmed tegen hem.
‘Ik hou van mijn leven,’ antwoordt J.-P. ‘Het is nooit te laat om te veranderen.’ Hij loopt weg, een beetje mank.
‘Ik ben bang dat het slecht met hem afloopt,’ zegt Ben Ahmed.
Secularisme
In 2004 nam het Franse parlement een wet aan die religieuze symbolen op openbare scholen verbood, als reactie op moslimmeisjes die met een hoofddoek op school kwamen. De wet was een bevestiging van het eeuwenoude Franse concept van de laïcité, secularisme, waarin de neutraliteit van de staat tegenover religie is verankerd en dat de religie uit het openbare domein moet weren. (In Amerika was het doel van het secularisme vrijwel het omgekeerde: daar werd het de staat verboden zich met religie te bemoeien.) Maar veel Franse moslims vatten het verbod op als een uiting van ongerechtvaardigde vijandigheid. Sommigen zeiden tegen me dat de wet een uitzondering maakt voor het joodse keppeltje, al is dat niet waar.
‘De school is een heilige plek in de republikeinse leer – het is de kerk van de republiek,’ zegt Vincent Martigny, politiek wetenschapper op de École Polytechnique bij Parijs. ‘Een individu, en zeker een kind, wordt op school een burger, wat een hogere vorm is van het individu.’
Martigny merkt op dat ondanks de strikt republikeinse opvattingen in Frankrijk de overheid wel degelijk steun geeft aan culturele diversiteit – in de film, op plaatselijke festivals. Maar in een tijdperk van onzekerheid lijdt Frankrijk aan ‘morele paniekaanvallen’, zoals hij het noemt. In een enquête van dagblad Le Monde gaf onlangs 42 procent van de ondervraagden aan zich niet meer thuis te voelen in Frankrijk.
Na de _Charlie_-moorden werden tientallen moskeeën in heel Frankrijk bekrast of beklad en sommige zelfs beschoten. Gesluierde meisjes en vrouwen werden lastiggevallen. Enkele Franse moslims klaagden dat de Franse autoriteiten wel gewapende militairen stuurden om joodse instellingen te bewaken, maar dat islamitische instellingen aanvankelijk geen bescherming kregen. Die klacht klopte wel, maar ging voorbij aan belangrijke verschillen in omvang en aard van de dreiging: joden maken minder dan 1 procent van de Franse bevolking uit, maar zijn slachtoffer van de helft van de haatmisdrijven in het land, en in de afgelopen jaren zijn ze herhaaldelijk doelwit geweest van dodelijk geweld.
Op 8 januari 2015 werd er in het hele land een minuut stilte gehouden voor de _Charlie_-slachtoffers. Er werden minstens honderd incidenten gemeld van leerlingen op scholen in de banlieues die weigerden die stilte in acht te nemen. Mensen in het 93ste legden uit dat sommige opstandige jongeren alleen maar dwars wilden doen. Maar de publieke opinie was diep verontwaardigd. Sarkozy, die in zijn achterhoofd al bezig was met zijn volgende gooi naar het presidentschap in 2017, eiste dat scholen niet langer halal eten aanboden – als moslimkinderen geen varkensvlees wilden eten, dan aten ze maar niet.
Hélène Kuhnmunch is lerares geschiedenis op een school voor middelbaar beroepsonderwijs in Colombes, een banlieue ten noordwesten van Parijs. De beroepsopleidingen worden verafschuwd, zegt ze, als instrumenten van ’uitsluiting van het systeem’, en ze beschikken over weinig geld. Kuhnmunch geeft al vijftien jaar les aan banlieuejongeren en ze houdt van hun gevoel voor humor en hun energie. In 2008 maakte ze samen met een groep immigrantenjongeren een documentaire over de Frans-Algerijnse geschiedenis die besloten lag in de families van de leerlingen. Eén jongen ontdekte dat zijn vader een van de Algerijnen was geweest die door de politie in de Seine waren gegooid. (Hij had het overleefd.)
De lerares zegt dat haar leerlingen defensief hadden gereageerd op de _Charlie_-aanslagen, en ze voegt eraan toe: ‘Dit was niet nieuw, dit gevoel dat ze altijd weer worden aangesproken op hun afkomst en religie, dat ze worden beledigd.’ Kuhnmunch, die in Parijs woont, is niet naar de mars voor de eenheid op de Place de la République, gegaan, omdat ze wist ‘dat de banlieues daar niet zouden zijn’. Ze besteedde die dag aan het verzamelen van materiaal voor een les over de aanslagen.
Die maandag op school stak een moslim zijn hand op. ‘Madame, die cartoons – ik was ertegen,’ zei hij. ‘Maar daarvoor schiet je geen mensen dood.’ Kuhnmunch vond het verdrietig dat hij blijkbaar dacht dat hij haar gerust moest stellen. Anderen herhaalden de complottheorieën die de ronde deden op sociale media, ook een dromerige, geestige jongen die een van haar liefste leerlingen was, maar die nu afwerend en boos deed. Kuhnmunch bracht het gesprek op de geschiedenis van het secularisme. In de banlieues is laïcité synoniem geworden met atheïsme en islamofobie. Kuhnmunch vertelde haar leerlingen over het Edict van Nantes in 1598, toen koning Hendrik IV voor het eerst rechten verleende aan de Franse protestanten. De klas discussieerde over wetten die aan het eind van de negentiende eeuw waren aangenomen, en waarmee godsdienstonderwijs op openbare scholen werd afgeschaft. Kuhnmunch liet haar leerlingen antiklerikale cartoons uit die tijd zien en samen analyseerden ze de tekeningen uit Charlie Hebdo (zij het niet die over Mohammed) in hun politieke context. ‘Ze realiseerden zich dat in de kwestie van de katholieke religie dezelfde argumenten werden gebruikt als in 2004 rond de hoofddoekkwestie,’ vertelt ze. ‘En daar keken ze van op – dat dit niet alleen maar tegen de islam gericht was, dat het voortkomt uit een traditie.’
J.-P. biedt aan om me mee te nemen naar een moskee in Bobigny. Zelf gaat hij daar niet vaak heen; zijn verbondenheid met de islam heeft minder te maken met geloof dan met culturele identiteit. Op een vrijdagmiddag verschijnt hij bij het betonnen winkel centrum in het centrum van de wijk, in een glanzende zwarte jas met capuchon, een lang zwart gewaad over een grijze joggingbroek, groen met gele sneakers en oortelefoons – de uitmonstering van de religieuze gangster. We lopen over een voetpad dat wegleidt van de socialewoningbouwblokken, onder spoorbanen door, omhoog naar een armzalige open plek naast een terrein waar vrachtcontainers staan weg te roesten. Er staat een dubbele oplegger naast een witte tent. Dit is de centrale moskee van Bobigny, een stad van vijftigduizend mensen. (Er zijn al jaren plannen voor een nieuwe moskee, maar die is nog steeds niet gebouwd.) Er ontstaat een opstopping op de plek waar mannen de deur van een van de opleggers binnen willen gaan. Vrouwen zijn nergens te zien, maar die zitten waarschijnlijk in de andere oplegger. Bij de ingang liggen de schoenen hoog opgetast. We persen ons de gebedsruimte in, die hoogstens tweeënhalve meter hoog is en zoeken een plek achterin.
Minstens tweehonderd mannen liggen geknield, met hun hoofd voorover op het vloerkleed. Een paar kilometer hiervandaan zullen de schitterende, echoënde kerken van Parijs komende zondag vrijwel leeg zijn. De imam, een oudere Tunesiër die nauwelijks Frans spreekt, gaat voor in het slotgebed. J.-P. houdt zijn oortelefoons in.
Na afloop, in het gedrang bij de uitgang – oude Noord-Afrikaanse mannen, zwarte jongemannen in straattenue, fundamentalisten met lange baard in enkellang gewaad – stelt J.-P. me voor aan een paar vrienden. ‘Allahu akbar,’ roepen ze verrast, bij wijze van welkom, maar kennelijk zijn ze nog meer verrast om J.-P. hier te zien. Hij zegt tegen mij: ‘Niet iedereen hoeft op dezelfde manier moslim te zijn. Er zijn 62 benaderingen van de islam.’
Ik noem er een paar op waar ik iets over weet, zoals soefisme en salafisme. ‘Wij zijn allemaal salafisten,’ zegt J.-P. ‘We willen allemaal leven als de metgezellen van de Profeet in de zevende eeuw.’
De salafisten die ik ken zijn fanatieke asceten – niet drinken, niet roken, geen vrije seks. J.-P. houdt wel van een drankje en is van plan zich vanavond eens flink te laten vollopen. Zijn opvatting van het salafisme lijkt niet veel meer dan de hoop om een betere moslim te worden.
Ongewenste kinderen
Eigenlijk voelt hij er weinig voor om me mee te nemen naar een cité – hij heeft daar te veel vijanden. In plaats van me rond te leiden in het wooncomplex waar hij zelf woont, neemt hij me mee naar de andere kant van de straat, naar een groot blok woontorens dat Chemin Vert heet. Ook hier kent J.-P. iedereen. ‘Dit is een groot rapper,’ zegt hij over een man die er rondhangt, en die knikt lusteloos. Voor een toren zitten twee jonge Arabieren; volgens J.-P. is een van hen een drugsdealer. De andere roept, als hij hoort dat ik uit Amerika kom: ‘Is het waar dat Tupac dood is?’ Een groep bebaarde mannen bij de moskee groet ons. J.-P. stelt me aan een van hen voor, en grapt dat de man binnenkort misschien wel naar Syrië afreist. De man lacht wat ongemakkelijk.
In het uitgestorven hart van Chemin Vert, op een plein tussen acht woontorens van twintig verdiepingen, staat J.-P. stil. ‘Zie je?’ zegt hij, ‘Het sluit je in.’ De cité voelt als de buitenmuren van een gevangenis. Zelfs het brutalistische Bobigny is niet meer te zien. J.-P. staart in het niets. De lucht is zwaar van regen die niet wil vallen. ‘Er is helemaal niets voor jongeren hier,’ zegt hij. ‘Ik heb nog nooit de Mona Lisa gezien. Die wil ik graag zien voor ik doodga.’
Midden in de cité bestellen we onze lunch aan de counter van een fastfoodtent: een schep gebakken vlees met gesmolten kaas. J.-P., die nog steeds zijn oortelefoons in heeft, vraagt aan de man achter de counter hoe die over Islamitische Staat denkt. De man zegt dat hij het maar slecht vindt. J.-P. is het met hem eens, maar hij vindt wel dat moslims worden onderdrukt. Als moslims in Syrië of Irak willen gaan vechten, is dat hun zaak. Frankrijk is iets anders. Als iemand Frankrijk kwaad doet, doet hij J.-P. ook kwaad.
‘Frankrijk is onze moeder,’ zegt J.-P. terwijl hij zit te eten. Zijn eigen moeder is een blanke Française. ‘Je vader, die geeft je meer – de islam. Maar je moeder blijft toch je moeder. En wat er ook gebeurt, je blijft je hele leven van haar houden. Ook al heeft ze niet goed voor je gezorgd.’
Ook andere moslims noemen zichzelf de ongewenste kinderen van de republiek. Journaliste Widad Ketfi: ‘Als je kinderen hebt voor wie je niet zorgt, komt er een dag waarop je tegen ze zegt: “Doe dit”, en dan zullen zij zeggen: “Bekijk het maar. Je bent mijn vader niet.”’ Soms strijden Franse moslims om de liefde van hun vader met zijn andere, bemindere kinderen, de joden. Of anders gaan ze op zoek naar een andere vader.
‘De islam geeft soms de warmte, liefde en aandacht die de republiek niet geeft,’ zegt J.-P. Hij moet er zelf om lachen. ‘Want ik – ik ben verrot.’
Toen ik J.-P. leerde kennen was hij op zoek naar werk. Uiteindelijk hielp Ben Ahmed hem aan een baan als huisschilder bij de gemeente Bondy. Maar J.-P.’s leven is niet bepaald stabiel. Er hangt hem een rechtszaak boven het hoofd – hij moet terechtstaan voor een gewapende overval. Hij zegt dat hij niet bang is dat hij weer naar de gevangenis moet, want hij is ‘vierhonderd procent onschuldig’. De eerste keer dat hij in de gevangenis zat, vertelt hij, was in Villepinte, vlak bij het vliegveld. Een van zijn medegevangenen daar was Amedy Coulibaly.
Coulibaly, de Franse zoon van Malinese ouders, was opgegroeid in een cité ten zuiden van Parijs. Op zijn vijftiende begon hij een carrière in gewapende overvallen, en tijdens een van de periodes dat hij in de gevangenis zat, in 2006, leerde hij een pas bekeerde islamist kennen, Chérif Kouachi. De beide 23-jarigen vonden een mentor in een oudere jihadist, Djamel Beghal, die in Algerije was geboren en radicale islamistische opvattingen mee had gebracht toen hij in 1987 naar Frankrijk was verhuisd. Beghal was in 2000 in Afghanistan geweest en actief geworden voor Al-Qaida; het jaar daarop werd hij in Frankrijk aangeklaagd wegens het beramen van een bomaanslag op de Amerikaanse ambassade in Parijs. Vanuit een isoleercel in de gevangenis slaagde hij erin contact te onderhouden met Coulibaly en Kouachi. Op een bepaald moment maakte Coulibaly met een naar binnen gesmokkelde camera filmopnamen van de afschuwelijke omstandigheden in de gevangenis. De beelden verschenen op de Franse tv.
De belangrijkste autoriteit op het gebied van jihadisme in Franse gevangenissen is een Iraanse socioloog in Parijs, Farhad Khosrokhavar. Voor zijn boek Radicalisation, dat vlak voor de aanslagen van januari vorig jaar uitkwam, bracht hij drie jaar lang drie dagen per week door in Franse gevangenissen, en zo ontwikkelde hij een theorie over de bekering van gevangenen. Het gebeurt in fasen. De meeste nieuwelingen groeien op zonder vader en zonder enige religieuze kennis – ze kennen alleen het gevaar en de vervreemding in de banlieues. Ze vervallen tot de misdaad en komen in de gevangenis terecht. J.-P. beschrijft de denkwijze van sommige medegevangenen zo: ‘Dat ik in de gevangenis zit, is de schuld van de staat – die heeft mij gedwongen dit leven te leiden.’ Gevangenen kijken vaak naar het nieuws op tv en zien oorlogsgeweld en dood in moslimlanden. Iemand als Coulibaly, zegt J.-P., gaat ‘dit allemaal door elkaar husselen’, bouwt zo zijn eigen ideologie op en ‘loopt tegen een slecht figuur op die hem beïnvloedt’. Een voormalige gevangene die ik in het 93ste leerde kennen, legde me uit dat islamisten zich richten op de fragiles, psychisch zwakke medegevangenen die nooit bezoek krijgen. Die vinden zo troost, een nieuwe identiteit en een politieke visie die de sociale rangorde waarin zij onderaan staan, omkeert.
Volgens de analyse van Khosrokhavar worden deze gevangenen ‘opnieuw geboren’: ‘Via het jihadisme keren ze de minachting van de anderen om (…) Als ze jihadist zijn, worden anderen bang voor ze. Een van hen zei tegen me: “Als ze eenmaal bang voor je zijn, kunnen ze niet meer minachtend tegen je doen.”’ Na hun vrijlating gaan deze bekeerlingen op ‘initiatiereis’ naar het Midden-Oosten of Noord-Afrika, en daar leren ze extreem geweld acceptabel te vinden. Ze gaan denken ‘dat zij ergens anders thuishoren, bij de islamitische gemeenschap en niet bij de Franse samenleving’.
Khosrokhavar schat dat wel 60 procent van de 64.000 gevangenen in Frankrijk moslim is. (Naar schatting maken moslims maar 8 procent van de totale Franse bevolking uit.) Voor deze gevangenen zijn nog geen tweehonderd gevangenisimams beschikbaar, vaak oudere immigranten die geen idee hebben van het leven in de banlieues.
Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet
Ooit had Frankrijk veel islamistische moskeeën, maar de Franse inlichtingendienst heeft gezorgd dat radicale imams verdwenen en nu zijn de moskeeën van het land strikt apolitiek. Het werven van nieuwe bekeerlingen gebeurt dan ook buiten de moskee, in gevangenissen of via internet. Bij het bekeringsproces zijn zelden meer dan drie mensen betrokken, om infiltratie te voorkomen. De Franse inlichtingendienst schat het aantal verdachte jihadisten op drieduizend, in een land van 65 miljoen mensen.
Radicalisering is dus geen massaal verschijnsel in de banlieues. ‘Er zijn geen kweekvijvers voor jihadisten,’ zegt Jean-Pierre Filiu, arabist aan het elitaire Parijse instituut Sciences Po. Jihadist worden is een enorme stap, waarvoor je jezelf moet afzonderen, met je achtergrond moet breken en niet-moslims moet ontmenselijken.
Na zijn vrijlating in 2007 leek het erop dat Coulibaly op het rechte pad wilde blijven. Hij vond een tijdelijke baan bij een Coca-Cola-fabriek, trouwde met zijn vriendin Hayat Boumeddiene middels een islamitische ceremonie en had zelfs een ontmoeting met president Sarkozy, tijdens een evenement ter promotie van werkgelegenheid voor jongeren. Maar Coulibaly leidde een dubbelleven. Hij brak met zijn ouders, die hij als ongelovigen beschouwde. Hij bleef contact onderhouden met Beghal en Kouachi en had na hun vrijlating een ontmoeting met de twee in Zuid-Frankrijk, waarbij hij ze van wapens en geld voorzag. ‘Als jihadisten ervandoor gaan,’ zegt Filiu, ‘gaan ze niet naar de banlieues. Ze gaan naar het platteland, naar een plek waar tien kilometer in de omtrek geen moslim te bekennen is.’
Transformatie
In 2010 arresteerde de Franse politie Coulibaly opnieuw en vond een voorraad explosieven in zijn appartement. Hij werd veroordeeld omdat hij plannen had gemaakt om een islamist uit de gevangenis te bevrijden die op verschillende plaatsen in Frankrijk bomaanslagen had georganiseerd, waarbij acht mensen waren omgekomen.
Coulibaly werd naar de gevangenis in Villepinte gestuurd, waar op dat moment ook J.-P. zat. Ze keken samen tv en speelden tegen elkaar op de PlayStation. ‘Hij was aardig, lachte vaak, was prettig in de omgang,’ herinnert J.-P. zich. ‘Ik heb hem nooit iemand zien lastigvallen. Hij preekte nooit. Als iemand me had verteld dat deze persoon in staat was te doen wat er is gebeurd, zou ik daar mijn geld niet op hebben gezet.’ Coulibaly werd in maart 2014 vervroegd vrijgelaten. Hij verdween van de politieradar, tot hij vlak na het bloedbad bij Charlie Hebdo weer opdook als medeplichtige van de Kouachi’s en zelfverklaard strijder van Islamitische Staat.
Meer dan de gebroeders Kouachi werd Coulibaly, die bij de bestorming van de koosjere supermarkt door de Franse politie werd doodgeschoten, voorwerp van fascinatie in de banlieues. De Kouachi’s waren als wezen opgevoed in een instelling in de provincie en radicaliseerden toen ze begin twintig waren, na de invasie van Irak, onder invloed van ronselaars in de noordoostelijke uithoek van Parijs. Bij de Kouachi’s leken alle voorwaarden voor een bestemming als jihadist aanwezig. Coulibaly was als zoon van een fabrieksarbeider door zijn beide ouders opgevoed in een cité ten zuiden van Parijs. En hij was zwart. De bekende jihadisten van Frankrijk waren tot dan toe Arabieren geweest, van Zacarias Moussaoui, de gedwarsboomde ‘twintigste kaper’ van 11 september, tot Mohammed Merah, die in 2012 in Toulouse drie joodse schoolkinderen, een rabbijn en drie paratroepers vermoordde. Een jongeman van Malinese afkomst vertelde me dat toen Coulibaly’s gezicht op de Franse tv verscheen, voor een zelfgemaakte IS-vlag, een vriend van zijn moeder uitriep: ‘O, nee – nu zullen ze óns de schuld geven. Daarom zeg ik je altijd dat je niet met Arabieren moet omgaan!’
Mehdi Meklat en Badroudine Abdallah van Le Bondy Blog waren zo geïntrigeerd door Coulibaly, dat ze overwogen een roman over hem te schrijven. ‘Hij zou zo iemand kunnen zijn die we kennen,’ zegt Meklat. En toch had Coulibaly zich de rol van een groot man aangemeten. Nadat hij bij de koosjere supermarkt drie klanten en een medewerker had gedood, stelde hij zichzelf rustig aan zijn vijftien gijzelaars voor, met de woorden: ‘Je suis Amedy Coulibaly. Ik ben Malinees en moslim. Ik hoor bij Islamitische Staat.’ (Abdallah hoorde er de griezelige echo in van ‘Je suis Charlie’.)
In video’s die voor de aanslag zijn opgenomen en na zijn dood gepost, wisselt Coulibaly telkens van kleding, alsof hij zijn transformatie wil onderstrepen. In de ene draagt hij het leren jack van een bendelid, in een volgende een militair kogelvrij vest, in een derde een tulband en het witte gewaad van de martelaar. In alle opnamen staat er een automatisch geweer naast hem. ‘Het was alsof hij voor zichzelf niet genoeg bestond,’ zegt Abdallah. ‘Het was niet genoeg om een gewone jongen te zijn.’
Vanuit de supermarkt legde Coulibaly contact met de media, waarbij hij de politie te spreken vroeg en zijn trouw beleed aan IS. Tijdens de gijzeling rechtvaardigde hij tegenover zijn gijzelaars op boze toon zijn daden door te wijzen op het gevangenzetten van moslims, de vijandigheid tegenover vrouwen die de hijab droegen, de houding van Israël tegenover de Palestijnen en het Franse militaire optreden in Mali en Syrië. Waarom konden de Franse burgers wel een mars houden na het _Charlie_-bloedbad, wilde hij weten, maar hadden ze nooit gedemonstreerd voor vervolgde moslims? ‘Ík ben in Frankrijk geboren,’ verklaarde hij.
Abdallah en Meklat wijzen erop dat in 2000, tijdens een gewapende roofoverval, de politie een goede vriend van Coulibaly voor zijn ogen heeft doodgeschoten. Met andere woorden, Coulibaly was een fragile. ‘Het was niet moeilijk hem zover te krijgen dat hij tegen de Franse samenleving ten strijde trok,’ zegt Abdallah, want Frankrijk had hem al afgewezen. Volgens deze verklaring valt er een redelijk directe lijn te trekken tussen Coulibaly’s leven in de Parijse voorsteden en het terrorisme. Maar dat verklaart niet waarom bijna geen enkele andere banlieusard – ook niet de criminelen die grotere vernederingen hebben moeten verduren – een massamoord op schoolkinderen, joden of cartoonisten heeft begaan. Zo is de maatschappelijke verklaring die in Frankrijk en in de VS opgeld doet bij links, vreemd spiegelbeeldig aan de rechtse neiging om een amalgame te maken – terroristen over één kam te scheren met alle moslims. Beide zienswijzen suggereren dat een dergelijke misdaad voor een groot deel toe te schrijven valt aan de identiteit van de dader, of dat nu een sociale of een religieuze identiteit is. Dit is niet alleen beledigend voor de overgrote meerderheid van de Franse moslims, maar bovendien ziet deze analyse Coulibaly niet als individu. En ze gaat voorbij aan het feit dat hij een bepaalde overtuiging had aangenomen. In een van zijn video’s beschrijft Coulibaly zijn motieven in de absolute bewoordingen die bij een ideologie horen: ‘Wat wij doen is volkomen legitiem, gezien wat jullie doen. Het is wraak. Jullie vallen het kalifaat aan, jullie vallen Islamitische Staat aan? Dan vallen wij jullie aan. Jullie zijn degenen die moorden. Waarom, omdat we de sharia naleven? Zelfs in ons eigen land mogen we de sharia niet naleven. Bepalen jullie soms wat er in de wereld gebeurt?’
Een andere jongere die Ben Ahmed vroeger heeft geprobeerd te helpen, was Stéphane. Hij kwam uit een katholieke Haïtiaanse familie en groeide op in een cité in Bobigny, vlak bij zijn vriend J.-P. Toen Stéphane dertien was stierf zijn vader, en hij werd op school zo onhandelbaar dat hij werd weggestuurd. Hij belandde in de kleine criminaliteit en samen met zijn vrienden dronk hij zichzelf geregeld volkomen bewusteloos.
Ideologie
Op zijn zestiende hoorde Stéphane iemand een Koranvers opzeggen, en hij voelde dat de tranen hem in de ogen sprongen. Hij begreep de woorden niet, maar het geluid greep hem aan. De meeste van zijn vrienden waren moslim, en hij besloot zich te bekeren. Hij hield op met drinken en stopte met zijn cursus voor restaurantwerk, waarbij hij varkensvlees moest klaarmaken. Maar het lukte hem nog niet om op het rechte pad te blijven; op zijn negentiende werd hij gearresteerd en hij moest voor achttien maanden de gevangenis in. Daar bad hij vijf keer per dag en bij zijn vrijlating zwoer hij dat hij zijn leven zou beteren. Hij begon een bedrijf dat opblaaskastelen en andere materialen voor kinderfeestjes verhuurde en lette erop dat hij werklozen uit de buurt in dienst nam. Hij zette een groep op die uitstapjes voor jongeren uit de cités organiseerde. Hij trouwde met de nicht van J.-P. en nu hij een inkomen had, verhuisde hij naar een klein huis niet ver van dat van Ben Ahmed.
Ik spreek Stéphane op een dag in februari. We zitten aan de keukentafel, terwijl zijn vrouw, die zwanger is, tv kijkt. Stéphane heeft een lichte baard en draagt een pyjamabroek en een T-shirt dat strak om zijn gespierde bovenlijf spant.
Zijn antwoorden zijn kort en bondig, tot ik hem vraag welke rol het leven in de banlieues heeft gespeeld bij de aanslagen van januari.
‘Het is niet de buurt of de omgeving die dat veroorzaakt, het zijn de mensen zelf,’ zegt hij. Mannen als Coulibaly ‘denken dat alles in dit aardse leven zinloos is, een voorbijgaande fase. En die ideologie van hen – die krijg je niet doordat je in een banlieue woont. Dat is je geloof.’ Stéphane begrijpt wel dat Coulibaly ‘genoeg had van de onrechtvaardigheid die we hier in Frankrijk hebben’. Maar zelfs al was Coulibaly’s milieu de achtergrond voor zijn acties, het was niet de oorzaak. ‘Hij reageerde – en veel mensen reageren, weet je. Maar de meesten hebben niet zo’n sterk geloof dat ze de daden begaan die hij heeft begaan.’
Wat houdt ze tegen? vraag ik.
‘Angst.’
Stéphane buigt zich voorover, zijn ogen houden de mijne vast. Hij heeft niet gezegd dat hij Coulibaly’s daden goedkeurt, maar hij heeft ze ook niet regelrecht veroordeeld, zoals alle anderen die ik in het 93ste heb gesproken. Stéphane lijkt te willen zeggen dat wat Coulibaly onderscheidde van al die andere boze moslims in de banlieues, de intensiteit van zijn geloof was.
‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering’
Andrew Hussey, de Britse wetenschapper in Parijs, beschrijft de bedwelmende, mystieke kracht van het jihadisme. ‘Het is geen ideologie die zich bezighoudt met sociale omstandigheden,’ zegt hij. ‘Het gaat niet om armoede, of om het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. Het gaat over haat, tot op zekere hoogte. Zuivering.’ Hij vergelijkt het met het fascisme uit de jaren dertig. Jihadisme is iets heel anders dan gewone politiek. ‘Met deze ideologie maak je de stap van “ik ben niets” naar “ik zou alles moeten zijn”,’ zegt Hussey. Het jihadisme trekt volgens hem zowel rijke ingewijden zoals Bin Laden, als arme uitgeslotenen zoals Coulibaly. Het is ‘een zwevende ideologie, zoals de cloud – je hoeft er alleen maar in te loggen’.
Ik vraag Stéphane wat de onrechtvaardigheid was waar Coulibaly op reageerde.
‘Onrechtvaardigheid tegenover moslims.’
Van onrechtvaardigheid tegenover moslims is het voor Stéphane nog maar één stap naar de joden. Zij zijn, gelooft hij, een bevoorrechte gemeenschap in Frankrijk. Ze maken gebruik van hun tragische geschiedenis en het Franse schuldgevoel om macht te verwerven. Hij wijst erop dat er in Drancy, ook een banlieue in het 93ste, een herdenkingsmuseum staat tegenover de cité die het belangrijkste doorgangskamp in Frankrijk was voor joden die naar de concentratiekampen gingen. ‘Maar het bestaan van de slavernij, in Haïti, in Afrika, overal, willen ze niet erkennen,’ zegt hij. De Shoah was een misdaad. ‘Maar waarom wel het een erkennen en niet het ander? Je moet met gelijke maten meten. We zeggen: égalité, fraternité.’
Joodse gemeenschap
De misdaad van de slavernij kon niet erkend worden vanwege de enorme rijkdommen die ermee waren vergaard. Frankrijk had geld aan Israël gegeven als compensatie voor het Franse aandeel in de Holocaust – stel je voor wat het zou kosten om de slavernij te vergoeden! Coulibaly heeft zijn doelwit zorgvuldig gekozen, volgens Stéphane: ‘Het was een symbool, waarmee hij wilde zeggen: er is zo veel onrechtvaardigheid hier, richt je niet langer op de bedreigingen tegen één religie.’
Ik vraag hem waarom Coulibaly zijn woede niet tegen een kerk heeft gericht, aangezien de meeste Fransen katholiek zijn. ‘Omdat Frankrijk niet overheerst wordt door de christenen,’ zegt Stéphane. Volgens hem heeft de piepkleine joodse gemeenschap in Frankrijk de Assemblée Nationale, de media en de banken in haar greep. De premier, Manuel Valls, is getrouwd met een joodse vrouw en volgens Stéphane is dat de reden waarom hij na de aanslagen op televisie verscheen en zei: ‘Frankrijk zonder joden is geen Frankrijk.’ Valls heeft niet gezegd: ‘Frankrijk zonder moslims is geen Frankrijk.’ Stéphane heeft niets dan lof voor Marine Le Pen, de huidige leider van het uiterst rechtse Front National. ‘De echte Fransen, de Français de souche, zij begrijpen dat in Frankrijk nu de joden de dienst uitmaken,’ zegt hij. Ik vraag hem of Le Pen, die bekendstaat om haar anti-immigratiestandpunt, een bedreiging vormt voor de Franse moslims. ‘Als ik Valls zie, denk ik: islamofoob,’ zegt Stéphane. ‘Bij Marine Le Pen denk ik: Puur Frans, wil alles aan de Fransen geven. Snap je?’
‘Ook aan jou dus?’
‘Aan mij? Ik ben Frans.’ Stéphane laat me zijn identiteitskaart zien. ‘Veel moslims gaan op Marine Le Pen stemmen.’ Ik had dit al eerder gehoord en ook sommige peilingen wijzen erop. ‘Je weet wat ze zeggen, de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.’
Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd
Ben Ahmed kent Stéphane al jaren, en hij waardeert het dat die bereid is tijd en geld te besteden aan de jongeren in de cités. Zijn succesvolle bedrijf vormt ook een inspiratiebron voor banlieuebewoners. Maar na de aanslagen van vorig jaar januari ontstond er een verschil van mening tussen hen. Stéphane hield vol dat Charlie Hebdo islamofoob was en Ben Ahmed dacht dat hij daarmee wilde zeggen dat de medewerkers hun lot hadden verdiend. Het meningsverschil maakte Ben Ahmed erg van streek.
Vorige zomer leidde de strijd in Gaza overal in Frankrijk tot protesten, waarvan sommige gewelddadig en expliciet antisemitisch werden, met geweld tegen synagogen en koosjere winkels. Op een dag in augustus reed Ben Ahmed naar huis vanuit het gemeentehuis van Bondy, toen hij iemand hoorde schreeuwen: ‘Vuile jood!’ Hij stopte. Een man met een keppeltje liep weg voor een andere man.
‘Vuile klootzak!’ schreeuwde Ahmed naar de man die had gescholden. Het was iemand die hij kende en de man vroeg hem verbaasd: ‘Hé, waarom praat je zo tegen me?’
‘Als jij respect betoont aan hem, betoon ik respect aan jou,’ zei Ben Ahmed.
De antisemiet liep weg. De jood bedankte Ben Ahmed. ‘Mensen maken een amalgame,’ zei hij, waarmee hij bedoelde dat Franse joden in de banlieues geregeld worden vereenzelvigd met Israëli’s.
‘Wordt u vaak uitgescholden?’ vroeg Ben Ahmed.
‘Nee, dit is de eerste keer. Het komt door de oorlog.’
‘Nee, hij is gewoon een klootzak,’ zei Ben Ahmed. ‘Een zichtbare minderheid, dat is alles.’
Ben Ahmed was al te optimistisch. Er mogen dan zo’n drieduizend potentiële jihadisten in Frankrijk zijn, er zijn veel meer antisemieten, onder wie veel Français de souche. Een generatie geleden leefden geïmmigreerde moslims en joden in goede verstandhouding naast elkaar in de banlieues. Vandaag de dag zijn er weinig joden meer te vinden in de banlieues, en degenen die er zijn proberen hun identiteit zo veel mogelijk te verbergen. Een vriendin van Ben Ahmed vertelde dat haar joodse vrienden hun kinderen verboden om op straat een keppeltje te dragen.
Het oude antisemitisme van Frans rechts en de nieuwere, door immigratie veroorzaakte spanningen kwamen in 2008 samen, toen Jean-Marie Le Pen, de oprichter van het Front National, peetvader werd van het derde kind van Dieudonné M’bala M’bala, de Frans-Kameroense komiek die met veel succes het schelden op joden tot amusement maakt. Dieudonné heeft een enthousiaste schare bewonderaars in de banlieues – wat Stéphane over joden zegt zou zo uit een monoloog van Dieudonné kunnen komen. Voor wie niet al in zijn kamp zit, is Dieudonné bijzonder ongeestig. Zijn film L’Antisémite uit 2012 begint als zogenaamd stomme film waarin Dieudonné, onder begeleiding van vrolijke pianomuziek, een Amerikaanse soldaat speelt die zojuist Auschwitz heeft bevrijd. (Helaas is historisch onbenul niet het enige mankement van de film.) Een kruiperige gevangene leidt hem rond door het kamp. In een gaskamer dept Dieudonné zijn hals met zyklon B, alsof het eau de cologne is; in een crematorium ziet hij de overblijfselen van kinderen aan voor kippenbotjes. Als hij in een leren leunstoel gaat zitten, zegt de gevangene tegen hem: ‘Pas op, je zit op mijn oma!’
Dieudonné heeft het antisemitisme uit extremistische kringen gehaald en in de populaire cultuur gebracht. In Montreuil spreek ik een ambtenaar van de keuringsdienst voor restaurants, Saïd Allam, die ook fan is. ‘Dieudonné is hetzelfde als Charlie Hebdo – het is satire,’ zegt Allam. ‘Hij brengt sketches over joden om mensen aan het lachen te maken, Charlie Hebdo brengt cartoons over de Profeet om mensen aan het lachen te maken – dat is hetzelfde.’ Na de aanslagen schreef Dieudonné op zijn Facebookpagina, met de hem typerende pesterigheid: ‘Ik geloof dat ik Charlie Coulibaly ben.’ Als reactie vervolgden de autoriteiten hem wegens steun aan het terrorisme, en hij is verscheidene keren veroordeeld voor aanzetten tot rassenhaat; dit heeft ertoe geleid dat zijn bewonderaars de overheid ervan beschuldigen met twee maten te meten. ‘Mensen zeggen: met de moord op Charlie Hebdo is de vrijheid van meningsuiting vermoord,’ zegt Allam. ‘Maar ze hebben zelf de vrijheid van meningsuiting vermoord door Dieudonné voor het gerecht te slepen.’
Dankzij het klagen over de dubbele moraal wordt de afschuw over de moorden verdrongen door een prettiger gevoel van slachtofferschap. Het argument dat Charlie Hebdo zich richt tegen religieuze politiek, terwijl Dieudonné het op joden gemunt heeft, was veel te subtiel voor de grimmige sfeer die na 7 januari opkwam. Dat geldt ook voor het inzicht dat wetten tegen haatzaaien altijd problematisch zijn, al was het maar omdat ze bijna onvermijdelijk de beschuldiging over zich afroepen dat ze selectief worden toegepast.
Ben Ahmed verafschuwt Dieudonné. ‘Hij is de enige komiek die islamofoben, antisemieten en anti-elitairen in één ruimte bij elkaar krijgt, en ze allemaal aan het lachen kan maken,’ zegt hij. ‘Niet omdat hij grappig is, maar uit haat.’
Wetteloosheid
Een multiraciale bende onder aanvoering van Youssouf Fofana, een crimineel van Ivoriaanse afkomst, ontvoerde in 2006 een joodse verkoper van mobiele telefoons, Ilan Halimi. Ze brachten hem naar een cité aan de zuidkant van Parijs. De bende eiste losgeld. Volgens een lid van de bende geloofde Fofana dat de staat hem als een slaaf beschouwde, en dat ‘joden koningen waren omdat ze aten van het geld van de staat’. Fofana ging ervan uit dat alle joden rijk waren en eiste 450.000 euro. Maar de familie van Halimi kon zo veel geld niet opbrengen en de ontvoerders martelden Halimi met vuisten, brandende sigaretten, zuur en uiteindelijk messen.
Na 24 dagen werd Halimi gevonden, naakt en verminkt, vastgebonden aan een boom in een park ten zuiden van Parijs. Hij stierf onderweg naar het ziekenhuis. Tijdens zijn lange martelgang wisten minstens vijftig mensen in de cité – van bendeleden tot buren – dat er iets gaande was, maar niemand belde de politie.
In zekere zin was de zaak-Halimi nog verontrustender dan de aanslagen van januari. Dat zo veel inwoners het geweld hadden laten gebeuren, toonde aan dat wetteloosheid en haat regel waren geworden in de banlieues. Marc Weitzman, een romanschrijver die werkt aan een boek over het Franse antisemitisme, zegt dat de haat tegen joden in de banlieues ‘altijd op de achtergrond aanwezig is in de waarden waar ze mee zijn opgegroeid – klaar om geactiveerd te worden zodra hun nihilistische criminaliteit omslaat in een zoektocht naar betekenis.’ Voor sommige bewoners kan antisemitisme het pad naar radicalisering zijn.
Ben Ahmed zegt dat hij twee opdrachten heeft in het 93ste: ‘Verkeerde ideeën in de religie corrigeren en een eind maken aan de stigmatisering van die religie.’ Twee doelen die heel wat evenwichtskunst vragen. Stel dat het corrigeren van onjuiste ideeën leidt tot meer stigmatisering van de islam? Hoe moet je bijvoorbeeld de religieuze ideeën noemen die, volgens Stéphane, Amedy Coulibaly de moed hebben gegeven om zijn daden uit te voeren?
Allam, de restaurantinspecteur uit Montreuil, beklaagt zich er bij mij over dat de moorden het etiket ‘islamistische daad’ hebben gekregen. Hij voegt eraan toe: ‘Het is heel, heel ernstig om dat te zeggen, want het veronderstelt dat het begaan van moorden met een religie te maken heeft.’ Als een blonde man cartoonisten zou vermoorden omdat zij blonde mensen belachelijk maakten, zouden mensen hem krankzinnig noemen, stelt hij. ‘En een man die mensen doodt in naam van zijn religie is een krankzinnige.’
Maar er is een verschil tussen de woorden ‘islamitisch’ en ‘islamistisch’, en dat zorgt ervoor dat er een essentieel politiek onderscheid te maken is tussen gewone gelovigen en ideologen. Dit onderscheid voorkomt juist dat moslims op één hoop worden gegooid met jihadisten. Niettemin heeft de wond van de uitsluiting zo lang doorgeëtterd onder de Franse moslims dat het onderwerp islamistisch terrorisme bijna te gevoelig is om aan te snijden. Voor een eerlijk gesprek daarover is een onderling vertrouwen nodig dat maar zelden voorkomt.
Op een avond staat Ben Ahmed het eten klaar te maken in het huis van zijn buurvrouw, Valérie Tabet. Zij is weduwe, werkt als pianolerares en haar dochter zit op dezelfde school als de kinderen van Ben Ahmed. De twee gezinnen zijn goed bevriend. Tabet, die een lichte huid heeft en kort donkerblond haar, vertelt me dat het tegenwoordig niet veilig meer is voor jonge kinderen om in het 93ste alleen op straat te zijn, en dat Ben Ahmed een soort vaderfiguur is geworden voor haar dochter. Terwijl Ben Ahmed crêpebeslag uitgiet op een hete plaat, bespreken Valérie en hij hoe iemand terrorist wordt.
Ben Ahmed zegt: ‘Ik heb de indruk dat het eigenlijk heel eenvoudig is, hoe bij deze mensen van de ene op de andere dag de knop om kan gaan.’
‘Het gaat niet van de ene op de andere dag,’ zegt Tabet.
‘Voor mij is het een kwestie van mensen die psychisch ziek zijn, misschien enigszins gestoord,’ zegt Ben Ahmed. ‘Deze mensen zijn fragiles, en op een bepaald moment worden ze geronseld door anderen…’
‘Er zijn zo veel jihadisten dat ik het niet met je eens kan zijn,’ valt Tabet hem in de rede. ‘De gebroeders Kouachi waren fragiles door hun omstandigheden – gebrek aan structuur, gebrek aan onderwijs, gebrek aan levensvisie, en dat leidt later tot geweld – maar ik ben het niet met je eens dat ze gestoord waren.’
Ben Ahmed zegt dat hij dat ook niet bedoelde. Naast de psychiatrische gevallen zijn er ook de mensen die psychologisch zwak zijn, zoals de Kouachi’s: ‘Deze mensen zouden een straatgevecht begonnen zijn om niets, om een parkeerplaats.’ En hij voegt eraan toe: ‘Coulibaly, daar word ik een beetje bang van, omdat zijn gezinsleven normaler was.’ Op de een of andere manier was Coulibaly geïndoctrineerd, en vervolgens kon hij al te gemakkelijk aan wapens komen.
‘Daar is heel makkelijk aan te komen,’ stemt Tabet in. ‘Maar er zijn veel mensen die fragile worden gemaakt door de samenleving, omdat er niet genoeg werk is voor iedereen, vanwege sociale problemen en al die dingen. Maar wat ik zie is dat die mensen één ding gemeen hebben: het zijn allemaal moslims.’ Ze voegt er vlug aan toe: ‘En ik wil niet met de beschuldigende vinger wijzen, ik bedoel de mogelijke terroristen. Maar volgens mij is het probleem de dingen die ze horen in de moskeeën, in kleine groepen.’ Ze bedoelt de radicale, haatpredikende imams.
Ben Ahmed zegt dat Tabet alleen maar herhaalt wat ze in de media hoort.
‘Maar íémand indoctrineert ze.’
‘De mensen die dat doen horen bij een netwerk, maar niet bij een netwerk dat je islamitisch zou noemen,’ zegt Ben Ahmed. ‘Niet in een moskee.’ Hij zoekt naar de naam van de man die Coulibaly in de gevangenis heeft geronseld. ‘Djamel Beghal. Dat is geen imam.’
‘Je kunt niet zeggen dat er geen mensen zijn die de religie gebruiken om deze jongeren aan te trekken.’
‘Je zegt nu “mensen”, natuurlijk, maar je zei ook “imams”. Ik zeg niet dat ze niet bestaan, maar je generaliseert op basis van de uitzondering.’
‘Ik zeg dat er veel redenen bestaan, en de gemeenschappelijke deler is dat het jonge moslims zijn. En dat betekent iets – het betekent dat ze de religie gebruiken.’
Ben Ahmed is kennelijk bang dat hij de islamofoben gelijk geeft als hij het met Tabet eens is. Die grens kan hij niet over. Het scheelt weinig of de twee belanden in een meningsverschil dat hun vriendschap blijvende wonden kan toebrengen.
‘Je mening is interessant,’ zegt Ben Ahmed. ‘Het punt is: ik ben ervan overtuigd dat het niet echt in moskeeën gebeurt. Het gebeurt in de gevangenis.’
‘Ja, dat is zeker,’ zegt Tabet.
‘En daarnaast er zijn mensen die naar de moskeeën komen om met jongeren te praten en dan sommigen daarvan weten in te kapselen.’
‘Voilà.’
Nu hebben ze net genoeg gemeenschappelijke basis gevonden om verder te kunnen praten.
Meer dan vijftienhonderd Franse burgers zijn het land uit gereisd om zich bij Islamitische Staat te voegen – een kwart van het totaal in Europa. Zo’n tweehonderd van hen zijn naar Frankrijk teruggekeerd. Een groeiend aantal van deze nieuwe rekruten heeft geen band met de banlieues. Volgens Farhad Khosrokhavar zijn de meeste Franse moslims die naar Syrië gaan nu jongeren uit de middenklasse, onder wie ook een aantal blanke bekeerlingen en een toenemend aantal vrouwen. Ze komen uit grote steden en kleine provinciestadjes. ‘Ze behoren niet tot gebroken gezinnen,’ zegt Khosrokhavar. Hun radicalisering kan zich in zeer korte tijd voltrekken, soms binnen enkele weken, meestal via sociale media. Ze gaan naar het Midden-Oosten omdat ze zich geraakt voelen door de narigheid waarin hun medemoslims verkeren. Sommigen schrikken daar terug voor het geweld van Islamitische Staat en proberen terug te keren; anderen voelen zich er juist door aangetrokken.
Een paar dagen voor de aanslagen van januari vloog Hayat Boumeddiene, de vrouw van Coulibaly, van Madrid naar Turkije, waar ze de grens met Syrië overstak. Een bewakingscamera op het vliegveld van Istanboel legde haar vast bij haar aankomst in Turkije, samen met een jongeman met een vlassig baardje en lang zwart haar in een knotje. Dat was de 23-jarige Mehdi Belhoucine, afkomstig uit het 93ste. Zijn oudere broer Mohamed was rond 2009 via internet geradicaliseerd en stuurde daarna boodschappen door voor een netwerk van Franse jihadisten die op weg waren naar Centraal-Azië. Aangenomen wordt dat Mohamed en Mehdi nu in Syrië zitten. De broers zijn altijd uitstekende leerlingen geweest – Mohamed heeft een voortgezette opleiding in mijnbouwtechniek gevolgd, Mehdi in elektronica – en komen uit een middenklassegezin met een eigen huis. Ben Ahmed kent hun moeder, die met hem samenwerkt in het gemeentehuis van Bondy. ‘Een heel aardige vrouw,’ zegt hij. ‘Het is zo sneu.’
‘Vóór januari had ik een helder beeld van het jihadisme,’ zegt Sylvine Thomassin, de burgemeester van Bondy. ‘Het had te maken met gezinnen met een gebrekkige ontwikkeling, ouders die in de problemen zaten, kinderen die op school mislukten.’ Het was een vreemd ‘geruststellend schema’, omdat het de weg naar radicalisering voorspelbaar leek te maken. Toen kwam het verbijsterende nieuws over de band van de gebroeders Belhoucine met aanslagplegers in Parijs. De burgemeester, die de familie Belhoucine goed kent, vindt het nu onmogelijk om nog een profiel te geven. ‘Onze islamitische medeburgers wonen voor het overgrote deel in sociale huurwoningen en de meesten hebben met dezelfde problemen te kampen als degenen die geradicaliseerd zijn, en toch zijn zij niet geradicaliseerd,’ zegt ze. ‘Dus het probleem is kennelijk niet de banlieues. Misschien is het de extreme gevoeligheid van een heel kleine groep voor alle discussies om hen heen.’
Medemenselijkheid
De Parijse strafrechtadvocaat Xavier Nogueras vertegenwoordigt twintig Franse burgers die beschuldigd worden van jihadisme. Sommige van zijn cliënten zijn gewelddadig en gevaarlijk, zegt hij, maar de meesten zijn uit idealisme naar Syrië gegaan, om andere moslims te beschermen tegen het Assad-regime en een islamitische staat op te bouwen. Volgens hem vormen deze mensen geen gevaar voor Frankrijk en zou de staat ze niet voorgoed van zich moeten vervreemden met jarenlange celstraffen. Nogueras wil de motieven van zijn cliënten niet toeschrijven aan de sociale omstandigheden in de banlieues. Weinigen van hen hebben een criminele achtergrond; sommigen hadden een goedbetaalde baan bij een groot Frans bedrijf. ‘Wat mij het meest heeft verrast, is hun enorme medemenselijkheid,’ zegt Nogueras. Voor hem zijn jihadisten boeiender dan de drugsdealers en overvallers die hij ook in zijn praktijk tegenkomt. ‘Ze hebben meer te vertellen, veel meer ideeën. Volgens hun heilige boek moeten ze de sharia toepassen, die hun opdraagt hun vrouw te bedekken, niet seculier te leven. En we zijn in een land dat hen onvermijdelijk stigmatiseert, omdat het seculier is. Ze voelen zich hier niet thuis.’
Het onderscheid dat de advocaat maakt tussen jihadisme thuis en in het buitenland klinkt me bepaald niet geruststellend in de oren. Coulibaly’s geloof kon hem er evengoed toe hebben gebracht om mensen in Syrië te vermoorden als in Parijs; ideologisch gedreven geweld kan overal plaatsvinden. Het ‘idealisme’ van cliënten die de sharia voor de hele wereld willen laten gelden, is in sommige opzichten zorgwekkender dan eenvoudige gewelddadigheid: zelfs al doet Frankrijk nu zijn best om moslims het gevoel te geven dat ze volwaardige kinderen van de republiek zijn, een kleine minderheid zal altijd principieel onverzoenlijk blijven.
In een winkelstraat in het 93ste, in een schaars gemeubileerd appartement zonder naam bij de bel, spreekt Sonia Imloul, een maatschappelijk werkster van Algerijnse afkomst, geregeld af met de gezinnen van geradicaliseerde jonge mensen. Ze krijgt de gevallen door via de politie of via een meldpunt van de overheid waarbij de families hebben aangeklopt. Tijdens onze ontmoeting gaat Imloul aan de keukentafel zitten, steekt een sigaret op en zegt: ‘Ik heb hier kinderen gehad van artsen, journalisten, generaals. Het lijkt wel een nationale epidemie.’ Ze let ‘met argusogen’ op haar eigen veertienjarige zoon.
Imlouls methode is erop gericht de band tussen een jongere en zijn of haar familie in stand te houden, voor er sprake is van een ‘initiatiereis’. ‘De familie heeft vaak het antwoord, zonder het te weten,’ zegt ze. Radicalisering komt al dertig jaar voor in Frankrijk; het kan nog wel eens dertig jaar duren voor er een goede oplossing voor gevonden is. Dat het probleem nu acuut is, komt volgens Imloul deels doordat het rigide secularisme van de republiek geen ruimte laat voor discussie over religieuze identiteit. ‘Als je met een radicaal niet over religie praat, kun je nergens over praten,’ zegt ze. Frankrijk benadert het probleem uitsluitend repressief. De ‘preventiegroep’ van Imloul is het enige programma in zijn soort van het land.
De aanslagen van januari hebben een oprecht gevoel van crisis veroorzaakt, en premier Valls heeft hartstochtelijke toespraken gehouden waarin hij de ‘geografische, sociale en etnische apartheid’ veroordeelt die Franse burgers uit gebieden als het 93ste de toegang tot de republiek ontzegt. Thomassin, de burgemeester van Bondy (en de baas van Ben Ahmed), wijst me op een kaart aan waar hoogbouw wordt afgebroken en vervangen door kleinere gebouwen die zijn omgeven door groene ruimte. Het doel is om een nieuw gemeenschapsgevoel te creëren. De burgemeester van Le Blanc-Mesnil, een andere banlieue in het 93ste, vertelt over een vergelijkbaar plan, volgens de principes van het ‘New Urbanism’, waarin huurders van sociale woningen eigenaar van hun huis kunnen worden. Het lijkt erop dat Frankrijk, na tientallen jaren wegkijken, nu een inhaalslag probeert te maken.
‘We zijn in oorlog, maar niet tegen een godsdienst,’ heeft Valls gezegd. Frankrijk voert ‘een oorlog om onze waarden te verdedigen, die universeel zijn’. Hij riep Franse moslims op om dat ook als hún strijd te zien. ‘Het is een oorlog tegen terrorisme en het radicale islamisme, tegen alles wat tot doel heeft onze solidariteit, vrijheid, broederschap kapot te maken.’
Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij
Twintig of dertig jaar lang heeft regerend links een falend beleid van soft multiculturalisme gevoerd, terwijl de zwijgende meerderheid in Frankrijk, die steeds meer culturele onzekerheid ervoer, naar rechts opschoof en de banlieues aan hun lot werden overgelaten. De Front National-kiezer en de geradicaliseerde moslim voelen zich allebei in de kou staan. Volgens politiek wetenschapper Laurent Bouvet hebben de aanslagen van januari als een onderwaterbom al die onderstromen naar de oppervlakte gebracht. ‘Secularisme is onze gemeenschappelijke deler,’ zegt Bouvet. ‘Als er een gemeenschappelijke Franse identiteit is, dan is dat geen identiteit van wortels, het is geen christelijke identiteit, het zijn geen kathedralen, het is niet het blanke ras. Het is een politiek project. Als we het Front National de Franse identiteit laten definiëren, zal dat een definitie zijn op basis van ras, van bloed, van religie.’
Frankrijk heeft een speciale rapporteur général voor secularisme, en op dit moment wordt die officiële functie vervuld door een serieuze jonge socialistische politicus, Nicolas Cadène. Volgens hem is Frankrijk er niet in geslaagd om een nationaal verhaal te scheppen waarin alle burgers een plek hebben. De schok van de aanslagen en de verdeeldheid daarna hebben een nieuwe benadering dringend noodzakelijk gemaakt. En hij schetst een pakket van hervormingen dat begint bij de scholen: leg uit wat de betekenis is van het secularisme, door ‘onpartijdige, neutrale’ feiten te onderwijzen over verschillende religies, om zo de leerlingen verdraagzamer en kritischer te maken; neem meer koloniale geschiedenis op in het lespakket; moedig Arabische lessen op openbare scholen aan, zodat dit niet aan de Koranschool wordt overgelaten. Een aantal van deze veranderingen wordt dit najaar al ingevoerd.
Sciences Po – het instituut voor sociale wetenschappen waar arabist Jean-Pierre Filiu doceert – hanteert al meer dan tien jaar voor een deel van elke nieuwe lichting studenten enigszins andere toelatingseisen. De Franse wet verbiedt onderscheid naar etniciteit of religie, dus gebruikt Sciences Po geografie als criterium. ‘We willen studenten uit het 93ste binnenhalen,’ zegt Filiu. ‘Ik heb in die toelatingscommissies gezeten, en de kandidaten uit de banlieues horen bij de beste – als je daar vandaan komt, heb je la niaque, moed, een vechtersmentaliteit.’ Ik bedenk bij mezelf wat zo’n kans had kunnen betekenen voor Ben Ahmed.
Eind maart 2015 zouden er verkiezingen worden gehouden in de honderd departementen van Frankrijk. Ben Ahmed besloot zich kandidaat te stellen als socialistisch vertegenwoordiger van Bobigny. Zijn campagneposters werden beklad met hakenkruizen en racistische leuzen – ‘Vuile Arabier’ – maar dat negeerde hij. Dagen en nachten liep hij in zijn oude buurt folders uit te delen en handen te schudden. De bewoners begroetten hem als een van hen, maar velen zagen er weinig heil in om te gaan stemmen. Tegen zijn vroegere buren die zich het meest verzetten – de oude vrouw in volledige hijab, de werkloze mannen bij het café, J.-P. en zijn bende – zei hij dat ze zich niet van stemmen konden onthouden als ze gelijkwaardige burgers wilden worden.
Ben Ahmed werd vierde. Zelfs de kandidaat van het Front National kreeg meer stemmen dan hij. De socialisten deden het, als regeringspartij, overal slecht. Extreem-rechts zette zijn opmars voort. Maar Ben Ahmed laat zich niet ontmoedigen. Hij gelooft in de politiek, hij gelooft in Frankrijk. Hij gaat het de volgende keer weer proberen.
The New Yorker
Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000
Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.
In haar boek Bienvenue au paradis (‘Welkom in het paradijs’) beschrijft de in Lausanne wonende Franse journaliste Marie Maurisse de ‘hel’ waarin expats in Zwitserland leven. Dat raakt bij de Zwitsers een gevoelige snaar.
JA
We hebben een probleem met hen.
Marie Maurisse is een jonge journaliste die passie voor haar beroep uitstraalt, de behoefte om te begrijpen en te vertellen in combinatie met de nodige dynamiek en nieuwsgierigheid. Omwille van de liefde heeft ze haar geboortestreek in het zuidwesten van Frankrijk voor Helvetische dreven verruild en zich er een plaats verworven, zowel in de Zwitserse pers als de Franse (eerst Le Figaro, daarna Le Monde).
Als jonge moeder heeft ze een bitterzoet boek gepubliceerd over haar integratie in Franstalig Zwitserland, waarbij ze persoonlijke ergernissen en feitenonderzoek vermengt om het idee te relativeren, soms op niet mis te verstane wijze, dat Zwitserland een eldorado voor expats zou zijn. Een onvolmaakt boek, want subjectief, maar ook een oprecht boek, dat vorige week in 24 Heures is besproken.
Het gevolg was een stortvloed van commentaren op de website, in het gunstigste geval denigrerend, in het ongunstigste hatelijk, waarbij haar in uiterst subtiele termen te verstaan werd gegeven dat ze ‘maar gauw weer terug moest gaan naar Toulouse’. Wat had ze misdaan? Ze had het gewaagd haar gastland te bekritiseren, woorden te wijden aan de kleine misverstanden en diepe malaise waaraan ze in de zeven jaar dat ze bij ons woont was blootgesteld. Na een hele dag ‘Marie bashen’ hebben we, ontsteld, besloten de commentaren, die steeds verder ontspoorden, te blokkeren. Geconcludeerd moet worden dat al die tierende internetgebruikers van Frans-Zwitserse bodem onze collega gelijk gaven.
De Fransen die hier wonen en werken hebben ongetwijfeld bepaalde reflexen waardoor ze zich onderscheiden, referenties die ons vaak ongemerkt een provinciale status verlenen die ons razend maakt
Integreren in een ander land is nooit makkelijk, zelfs niet als men er dezelfde taal spreekt. Er zijn altijd momenten van onbegrip, het gevoel aan de kant te worden geschoven, er niet bij te horen, ook al doe je nog zo je best. De Fransen die hier wonen en werken hebben ongetwijfeld bepaalde reflexen waardoor ze zich onderscheiden, referenties die ons vaak ongemerkt een provinciale status verlenen die ons razend maakt. Het is een bekend fenomeen.
Wat ook waar is, is dat we in de periode waarover Marie Maurisse spreekt, zijn overspoeld door een golf van volstrekt irrationele en verderfelijke anti-Franse sentimenten. Denk maar eens aan het afkeurende gejoel van het ‘coole’ publiek van het muziekfestival Paléo in Nyon toen Stromae het over grensarbeiders had. Dat was om je rot te schamen.
Natuurlijk mogen we alle Zwitsers niet over één kam scheren. Maar dat neemt niet weg dat we weleens mogen stilstaan bij wat een goed geïnformeerd iemand ons onder de neus wrijft. Want in dit geval zijn wij het die een probleem met de Fransen hebben, en niet andersom.
Het is een overdreven en ongenuanceerd verhaal. Er zijn tekenen die niet bedriegen, oprispingen die symptomatisch zijn. De reacties op het onlangs verschenen boek van Marie Maurisse zijn daar een voorbeeld van. De jonge Franse journaliste schildert in 200 bladzijden een gitzwart beeld van de hel waarin Fransen in Zwitserland zouden leven. En waarin ons Zwitsers geen cliché bespaard blijft, variërend van drie zoenen geven en Rivella drinken tot het toenemende racisme, het aantal zelfmoorden onder autochtonen, de belastingvluchtelingen, de steden die na tien uur ’s avonds uitgestorven zijn en de kille houding van de bewoners.
Op de Facebookpagina van Le Temps liep en loopt het nog steeds storm. Iedereen – Zwitsers, Fransen, expats, grensarbeiders – wil zijn ei kwijt, uiting geven aan zijn wanhoop of de eentonige treurzang van Marie Maurisse overstemmen. De internetgebruikers hebben Bienvenue au paradis dus niet gespaard. Neem Fabienne Bogádi, schrijfster en communicatiemedewerkster: ‘Dit onderzoek heeft maar één doel, conflicten uitlokken daar waar ze niet zijn. Dat is onfatsoenlijk, respectloos tegenover de mensen in dit land en onnodig kwetsend. Vooral als je bedenkt dat meer dan de helft van de Zwitsers inmiddels minstens één ouder van buitenlandse origine heeft. Als je in een land komt, er werk vindt en er wordt opgenomen, dan begin je met dankjewel te zeggen.’
Of Selva Del Monte: ‘De enige klacht die ik heb gehoord, is dat mensen soms wat afstandelijk zijn, maar meestal niet alleen tegenover Fransen dus… Ik zou zeggen: “Hou op met die clichés en veralgemeniseringen.”’
‘Ik ben een Fransman van Algerijnse oorsprong en het enige racisme waarmee ik in Zwitserland ben geconfronteerd kwam van… volbloed Fransen’
Symptomatischer zijn de commentaren van grensarbeiders en Fransen die de journaliste verwijten dat haar verhaal vooringenomen is: ‘Ik ben een Fransman uit Bresse en ik woon in Zwitserland. (…) Dit boek staat niet voor heel Zwitserland. Het zijn vaak de Fransen die niet uit de grensstreek komen die kritiek hebben op Zwitserland, het is meer een kwestie van onbegrip tussen noorderlingen en zuiderlingen’, aldus Stéphane Escobar.
Mohamed Seghir constateert: ‘Ik ben een Fransman van Algerijnse oorsprong en het enige racisme waarmee ik in Zwitserland ben geconfronteerd kwam van… volbloed Fransen.’ Philippe Launay-Debnath: ‘Ik werk al vijfentwintig jaar in Zwitserland als grensarbeider, misschien ben ik verblind door mijn liefde voor dit land, maar ik heb vaker nare dingen horen zeggen door Fransen in Zwitserland zelf.’
Zodat we ons kunnen troosten met de gedachte dat de grootste zwakte van dit boek zijn systematische vooringenomenheid is: dat het niet werkelijk op zoek is gegaan naar getuigenissen die de lucht hadden kunnen klaren, maar alleen uit was op ongenuanceerde zwartmakerij. Met welk doel?
Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.
Frankrijk staat al maanden op zijn kop vanwege een omstreden nieuwe arbeidswet, die onlangs door premier Valls werd doorgedrukt. Maar volgens de Belgische topeconoom Bob Hancké lost de nieuwe wet niets op.
Een paar jaar geleden schreef zowel de Financial Times als The Guardian een nogal kritiekloos artikel over een brief die Maurice Taylor, de bestuursvoorzitter van de Amerikaanse bandenfabrikant Titan International, had gestuurd aan Arnaud Montebourg, de toenmalige Franse minister van Industriële Vernieuwing. Die was bepaald niet vleiend.
In zijn brief haalde Taylor uit naar de Franse werknemers en vakbonden. Hij noemde de werknemers lui, de vakbonden dwaas, en vroeg vervolgens aan Montebourg: ‘Hoe stom denkt u dat we zijn?’ (Montebourg was zo brutaal geweest te suggereren dat Taylor misschien wel geïnteresseerd was in de overname van een Franse Goodyear-bandenfabriek in Noord-Frankrijk.) In wezen deed de brief het voorkomen alsof de sterke vakbonden in Frankrijk fnuikend waren voor de arbeidsproductiviteit, en daarmee voor economische groei. Taylor meldde dat toen hij een jaar eerder met Franse werknemers had gesproken, die hem hadden verteld dat drie uur werken per dag ‘de Franse gewoonte’ was.
Een beetje verbaasd
Ik heb altijd genoten van de tirades van Amerikaanse bestuursvoorzitters. Ze worden meestal niet gehinderd door enige kennis van de manier waarop Europese economieën feitelijk werken, op een paar bij elkaar geraapte anekdotes na om hun slechte boodschap te ondersteunen. Maar ik moet toegeven dat ik in dit geval een beetje verbaasd was dat het zo beroerd ging met de Franse arbeidsproductiviteit. Toen ik me bijna twintig jaar geleden in de Franse economie begon te verdiepen, was de opmerkelijkste verandering die we bespeurden wellicht de gestage groei van de arbeidsproductiviteit in Frankrijk in de late jaren tachtig en vroege jaren negentig van de vorige eeuw. Maar misschien wist Taylor iets wat ik niet wist. Dus raadpleegde ik de statistieken op de OESO-website om te kijken wat er gebeurd was.
Ik vergeleek het bnp-percentage per gewerkt uur in 2011 van een handvol landen met dat van de Verenigde Staten – een manier om de arbeidsproductiviteit van landen te vergelijken op basis van die in de VS, wat gebruikelijk is in internationale vergelijkingen. Ik keek ook naar het totale gemiddelde van het aantal gewerkte uren per werknemer – een manier om, in de wereld van Maurice Taylor, luiheid te meten. Ik nam in mijn vergelijking ook het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten mee, vermoedelijk Taylors favoriete landen om zaken mee te doen. Om de tegenovergestelde reden nam ik Frankrijk mee, evenals Duitsland, omdat de Duitse economie als het voorbeeld geldt dat iedereen zou moeten nastreven, en de grote Zuid-Europese economieën die zich, volgens de meeste berekeningen, momenteel met de grootste problemen geconfronteerd zien.
Misschien was Taylor op een groep uitzonderlijk knorrige Franse werknemers gestuit, maar de verzamelde statistieken laten er weinig twijfel over bestaan dat de Fransen nog steeds van aanpakken weten
Franse werknemers, zo toonden de cijfers, waren niet plotseling ten prooi gevallen aan het Club Med-syndroom en namen niet, zoals Taylor suggereert, twee derde van hun werkdag vrij. De Franse arbeidsproductiviteit per uur houdt vrijwel gelijke tred met die van de Verenigde Staten. Verbazingwekkend genoeg – althans voor wie niet de moeite neemt de feiten te checken – is het totale aantal gewerkte uren daar zelfs hoger dan in het nijvere Duitsland. Misschien was Taylor op een groep uitzonderlijk knorrige Franse werknemers gestuit, maar de verzamelde statistieken laten er weinig twijfel over bestaan dat de Fransen nog steeds van aanpakken weten.
Misschien nog wel verbazingwekkender is dat het gemiddelde aantal gewerkte uren per jaar in Italië en Spanje – ook twee landen die dikwijls als luie paria’s worden behandeld – hoger is dan, of bijna even hoog is als, dat in de VS; hun probleem, zo suggereren deze getallen, is arbeidsproductiviteit, niet luiheid. En daarmee komt de bal bij de regeringen (denk aan opleiding) en het management (denk aan kapitaalsinvesteringen en technologie) te liggen.
De mythes rond de Franse arbeid zijn verhevigd, zowel in Frankrijk zelf als daarbuiten, sinds de Franse regering een hervorming van de arbeidswet voorstelde, die ze onlangs heeft doorgevoerd. Deze wet heeft voornamelijk aangetoond dat men zich op vele manieren kan vergissen in de reden waarom de economie van een land met problemen kampt. De recente razernij in Frankrijk over de arbeidswetshervorming legt inderdaad de vinger op enkele onplezierige waarheden over het land, maar zeer weinige daarvan hebben iets te maken met de Franse werknemers op zich.
De nieuwe wet – die sinds zijn aanvankelijke introductie al behoorlijk is verwaterd – neemt enkele van de heiligste Franse koeien op de korrel, zoals een nogal ingrijpende uitbreiding van de ‘normale’ werkweek tot 46 uur, waar echter een genereuze compensatie tegenover staat vanaf het 36ste uur, evenals een herdefiniëring van wat vakbonden is toegestaan in het geval van meningsverschillen en stakingen. Kortom, de Franse arbeidswet lijkt sterk op die van Duitsland, het land waaraan iedereen in de Eurozone geacht wordt een voorbeeld te nemen – geen socialistisch paradijs, maar ook weer geen meedogenloze kapitalistische wedren.
Het wekt geen verbazing dat veel Fransen de nieuwe wet, of in elk geval een groot deel daarvan, als bewijs zien dat deze socialistische regering haar bevolking een neoliberale koers door de strot probeert te duwen ten bate van de economische machthebbers van het land. Hoewel de vakbonden betrekkelijk gematigd zijn geweest in hun oordeel, staat de Franse werknemers gewoontegetrouw het schuim op de lippen, terwijl alle andere groeperingen voor wie de wet gevolgen zou kunnen hebben, van studenten en militant links tot het antiglobalistische Front National, hun bezorgdheid hebben uitgesproken.
Eenvoudig
Om de zaak nog erger te maken werd het wetsvoorstel gedaan zonder veel overleg met de vakbonden die de betrokken partijen vertegenwoordigen. In plaats van de tijd te nemen om een achterban te creëren en vervolgens een versie in te dienen die op brede steun kon rekenen, heeft de regering de wet eigenhandig herschreven en voor goedkeuring naar de Assemblée gestuurd.
Het gevolg is dat een groot deel van het land zijn toevlucht heeft genomen tot het gallische ritueel van ‘sociale mobilisering’ – met andere woorden: pas op, reiziger, als je je in de nabije toekomst per trein of vliegtuig door Frankrijk begeeft, want de kans dat je piloten en conducteurs het werk neerleggen is groot.
Door de kwestie van de arbeidswetshervorming zo hoog op te laten spelen, heeft het land zich gevoelig getoond voor dezelfde mythes die Maurice Taylor ertoe bewogen zijn bandenfabriek elders te openen. De Franse groei en werkloosheid houden geen verband met een meer flexibele arbeidssituatie, en hebben dat ook nooit gedaan. Het probleem met Frankrijk is eenvoudig: het zit in een monetaire unie met Duitsland – een veel sterkere en beter georganiseerde economie, waar werknemers goed zijn opgeleid, werkgevers en vakbonden met elkaar praten, management en werknemers samenwerken en het geldwezen een strategisch belang heeft bij wat bedrijven doen – en betaalt daarom een hoge prijs voor het feit dat het geen controle meer heeft over de belangrijkste instrumenten voor economische aanpassing, of het nu gaat om rentepercentages, wisselkoersen of fiscaal beleid.
Waarom wordt er dan zo’n drama gemaakt van de Franse arbeidswet? Omdat veel spelers in het veld een slaatje uit al het gedoe kunnen slaan
Er zijn verschillende manieren om uit deze impasse te geraken: ofwel Frankrijk kan uit de Eurozone stappen, ofwel Duitsland kan kiezen tussen het drastisch verhogen van zijn binnenlandse vraag of het verlaten van de euro, zodat zijn reële wisselkoers anderen meer lucht geeft. Hervormingen van de arbeidsmarkt hebben hier weinig mee te maken.
Waarom wordt er dan zo’n drama gemaakt van de Franse arbeidswet? Omdat veel spelers in het veld een slaatje uit al het gedoe kunnen slaan. De wet is het startsein geweest voor grote manoeuvres ter linkerzijde als voorbereiding op de presidentsverkiezingen, die over iets meer dan een jaar gehouden zullen worden. President François Hollande is, zacht uitgedrukt, niet erg populair. Hij duikt voorlopig weg achter de verschansing van deze wet, zich er volledig van bewust dat zo’n ruk naar het centrum hem linkse stemmen zal kosten zonder dat die per se door rechtse stemmen zullen worden gecompenseerd.
Maar de wet is een perfecte kans voor enkele belangrijke spelers in Hollandes Parti Socialiste om hun profiel bij de partijbasis aan te scherpen. Het is niet toevallig dat Martine Aubry, die in de jaren negentig van de vorige eeuw minister van Arbeid en Sociale Zaken was en de 35-urige werkweek invoerde, tot de meest uitgesproken tegenstanders van de nieuwe wet behoort.
Ze zal goede, substantiële redenen hebben voor haar problemen met het wetsvoorstel. (Het is overigens belangrijk ons te herinneren dat haar wet, die de 35-urige werkweek invoerde, nauwelijks een succes was: het aantal gewerkte uren in Frankrijk nam zelfs toe na de invoering van de wet.) Er bestaat ook weinig twijfel dat haar ambitie om een gooi naar het presidentschap te doen, net als in 2011, toen ze verloor van Hollande, nog onverminderd groot is en dat dit een te mooie kans is om te laten liggen.
En zo zal de Franse politiek, dramatisch genoeg, haar tijd vullen met discussies over iets wat niet van belang is en haar ogen sluiten voor de werkelijke, veel wezenlijker oorzaken van de Franse malaise. In veel opzichten doen de Franse politici en de Brusselse beleidsmakers, evenals de economen die hen op de huid zitten, mij denken aan de spreekwoordelijke dronkaard die zijn sleutels zoekt in het licht van de straatlantaarn. Hij komt niet veilig thuis.
Auteur: Bob Hancké
Vertaler: Peter Bergsma
Bob Hancké is universitair hoofddocent Politieke Economie aan de London School of Economics and Political Science.
Foreign Policy
VS | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 106.000
Gericht op wetenschap, opgericht in 1970 om het ‘debat te stimuleren over belangrijke kwesties van de Amerikaanse buitenlandse politiek’. Sinds 2008 eigendom van The Washington Post.
De piepjonge Oussama Khallouf (20) preekt elke vrijdag in de moskee van Bonneville in de Haute-Savoie. Met in Frankrijk opgeleide imams zoals hij hoopt de regering-Hollande radicalisering tegen te gaan.
Hij is een fan van carpoolplatform BlaBlaCar, ‘want een student groeit het geld niet op de rug’. Om twaalf uur ’s middags carpoolt Oussama vanaf zijn school in Château-Chinon in de Nièvre naar het huis van zijn ouders in Mâcon. Na een korte tussenstop reist hij met een deelauto verder naar Bonneville in de Haute-Savoie, waar hij sinds twee maanden elke vrijdag, de dag van het grote gebed, als imam fungeert. Met zijn spijkerbroek en basketbalschoenen, jack, stoppelbaardje en zijn iPhone in zijn hand ziet Oussama Khallouf er, buiten de moskee, doodgewoon uit. En zijn glimlach zal menig meisje in vervoering brengen. Daar beginnen we maar niet over, want hij geeft vrouwen maar zelden een hand, ‘niet omdat ze minderwaardig of onrein zouden zijn, zoals sommige mensen zeggen, maar uit respect, omdat de hand een deel van het lichaam is’. Daar komen we later op terug.
Koranconcours
We ontmoeten hem op de eerste verdieping van een gebouw in het centrum van Bonneville, op vijftig meter van de kerk. De gebedsruimte is krap maar de gelovigen schikken in. Je kunt hier niet buiten bidden, ‘want soms vallen er stenen uit het oude kasteel’, grapt Abdelkrim, een gelovige. Oussama heeft een witte qamis (lang gewaad) aangetrokken, met een capuchon in dezelfde kleur. Gezeten op zijn minbar (stoel) houdt hij in het Arabisch en Frans een preek over broederschap en het verbod op kwaadspreken. Twintig jaar en nu al prediker? De oude mannen die naar hem luisteren zitten er niet mee. Ze respecteren zijn eruditie en voordrachtskunst. Want deze jongeman kende op zijn twaalfde al de Koran uit zijn hoofd. In 2014 was hij finalist tijdens het twaalfde nationale Koranconcours in Parijs, waar de deelnemers gememoriseerde teksten moesten voordragen.
Maar Oussama is in de eerste plaats student aan het Europese Instituut voor Menswetenschappen (IESH) in Château-Chinon, dat in 1992 is geopend door de aan de Moslimbroeders gelieerde Unie van Islamitische Organisaties in Frankrijk (UOIF). De school levert elk jaar een tiental in Frankrijk opgeleide imams af. Een beroepsopleiding die hoog op het verlanglijstje van de Franse overheid stond en sterk wordt aangemoedigd sinds de aanslagen van januari en november in Parijs. De studenten worden er tijdens hun opleiding aan herinnerd dat ze in een niet-confessionele maatschappij leven met diverse politieke, religieuze en filosofische stromingen. ‘Dit soort scholen is een alternatief voor buitenlandse opleidingen waar alleen maar Arabisch wordt gesproken en de Franse cultuur wordt miskend,’ benadrukte onlangs Frans premier Manuel Valls.
‘Vóór de komst van de islam waren meisjes geen mensen’
‘Ik ben geboren in Marokko maar op mijn dertiende bij mijn vader in Mâcon gaan wonen. Hij is ook imam. Ik wilde naar deze school om mijn kennis van de islam te verdiepen en die vervolgens te kunnen uitdragen. Wij krijgen na drie jaar een diploma en als je resultaten goed zijn kun je daarna voor een doctoraat gaan,’ legt hij uit. Elke lichting telt tweehonderd studenten, zestig procent mannen (vaak met baard) die niet allemaal imam worden, veertig procent vrouwen (voor het merendeel gesluierd) die zijn voorbestemd voor een carrière als vwo- of universiteitsdocent of onderzoeker.
Tijdens de colleges zitten de meisjes achter de jongens. Is dat normaal? ‘Vóór de komst van de islam waren meisjes geen mensen, ze werden vaak al bij hun geboorte gedood en de moslims hebben hen beschermd en een bestaan gegeven,’ betoogt Oussama. ‘De sluier beschermt hen ook,’ voegt hij eraan toe.
Het collegegeld bedraagt 3500 euro per jaar. Dat is duur, dus Oussama moet de eindjes aan elkaar knopen. De moskee in Mâcon houdt collectes om hem te helpen en ook de Culturele Maghrebijnse Vereniging van Bonneville draagt wat bij. ‘Wij betalen zijn vervoer en we geven hem eten en onderdak,’ zegt Djamal Benchabana, EHBO-arts en een van de leidende figuren in de plaatselijke moslimgemeenschap.
Fundamentalisme
Maar waarom zou je zo ver zoeken naar zo’n jonge imam? Antwoord: ‘De onze is oud en hij preekt alleen in het Arabisch. En we hebben hier jongeren die ons veel zorgen baren. We dachten dat Oussama misschien een goede invloed op hen zou kunnen hebben.’ Het gaat om een groep van zo’n twintig geradicaliseerde jongeren die hun eigen vereniging hebben gevormd, een eigen prediker hebben en op internet naar ‘van alles en nog wat’ zoeken, zeggen de ouderen. Deze jongeren zijn bekend. In het begin waren het er drie, werkloos, cannabisdealers. ‘Ze begonnen naar de moskee te komen maar ze gedroegen zich slecht, er werd gevreesd dat ze de andere jongeren zouden aansteken en dus zijn ze eruit gezet,’ licht Oussama toe.
Ze hebben op straat andere vrienden gevonden maar zouden de drugshandel hebben verruild voor een radicale beoefening van hun godsdienst. ‘Het gevaar is dat ze veldwerk verrichten,’ voegt Oussama eraan toe. Hij vertrouwt ons toe dat ze hem al zijn komen ‘testen’, dat wil zeggen, naar hem zijn komen luisteren.
Wat zou hij tegen hen kunnen zeggen? Op school wordt hij ingewijd in de Franse socioculturele realiteit, maar daar weet Oussama al heel veel van. ‘De sociale misstanden en onrechtvaardigheden zijn de eerste redenen om te radicaliseren,’ benadrukt hij. De vallei van de Arve en de daar gevestigde fijnmechanische industrie, die bloeide in de jaren zeventig van de vorige eeuw, boden werk aan duizenden Noord-Afrikanen. Hun kleinzoons leven in een heel andere tijd, waar de werkgelegenheid schaars is. Oussama vervolgt: ‘Ik heb al geradicaliseerde jongeren ontmoet, ik stel ze vragen om hun kennis te testen en ik zeg ze dat ze niet in staat zijn om het woord van de Profeet te begrijpen. Maar ze halen bepaalde dubbelzinnige Koranverzen aan die door videopredikers naar eigen goeddunken worden uitgelegd. Het lijkt onmogelijk om ze ervan te overtuigen dat ze het mis hebben, maar de islam is een geduldige godsdienst, dus leg ik al mijn geduld in de schaal.’
Ook van de moslims in Bonneville wordt veel geduld gevraagd voordat de plaatselijke overheid bereid is hun een terrein te verkopen voor de bouw van een ‘echte’ moskee. Die zou in 2018 moeten opengaan: 4200 vierkante meter, plaats voor 700 gelovigen, een moderne architectuur met een koepel en een school om Arabisch en de Koran te leren.
Oussama denkt dat zo’n open, moderne plek het gevoel van trots en waardigheid kan vergroten en het fundamentalisme kan inperken. Hij heeft zin om er voltijds ‘aan de slag’ te gaan zodra zijn doctoraat binnen is.
CONTEXT: Niet te veel islamitische realiteit alsjeblieft!
Om in 2017 herkozen te worden riep François Hollande op tot verscherping van de veiligheidsmaatregelen en verlenging van de noodtoestand. Aan de andere kant ‘wil hij de 85 procent van de moslimbevolking die in 2012 op hem heeft gestemd niet tegen zich in het harnas jagen’, aldus The Wall Street Journal. Daarom ‘doet hij niet echt een poging om de radicale islam te definiëren, noch om actief op te treden tegen de rol die deze dikwijls speelt in de voorsteden van Parijs, Lyon en Marseille.’
‘Niet te veel islamitische realiteit alsjeblieft!’ lijkt het motto van de Franse autoriteiten volgens dit Amerikaanse hoofdartikel. ‘Het begint bijzonder politiek incorrect te worden om de islam in Frankrijk te associëren met een rechtvaardiging en motivering voor de gruwelen van het Franse jihadisme.’ Een houding die The Wall Street Journal inspireert tot de opmerking dat niemand veilig is, van de Noordzee tot aan de Middellandse Zee. ‘Wie leeft er nog meer met vijftienduizend “streng islamitische” salafisten in zijn buurt?’
Auteur: Christian Lecomte
Vertaler: Peter Bergsma
Le Temps Zwitserland, dagblad, oplage 49.000
Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.
Moeilijk te begrijpen, die Fransen. Ze zijn vol van liberté, égalité en fraternité, maar als het erop aankomt, leggen ze een zwak aan de dag voor sterke mannen.
Zoals voor Napoleon, om maar iemand te noemen, die als keizer zelfs enige tijd heel Europa op stelten zette. En – er zaten een aantal koningen en keizers tussen – na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog viel Frankrijk opnieuw voor een voormalige sterke man, tegen die tijd een seniele grijsaard van 84 jaar, Philippe Pétain, die een collaboratie met de bezetter aanging.
Vastberaden en zelfverzekerd redde vadertje De Gaulle de Franse eer, en in 1958 werd hij opnieuw te hulp geroepen toen de koloniale oorlog in Algerije het land op de rand van een burgeroorlog had gebracht. Nu moet de socialistische president François Hollande, wiens meest gebruikte spotnaam Flanby luidt – een gladde, glibberige pudding die in iedere supermarkt verkrijgbaar is – Frankrijk uit de verstikkende jihadgreep zien te halen.
Arme Monsieur Bricolage – de klusjesman, een van zijn andere vele bijnamen, omdat hij de neiging heeft kiezers gerust te willen stellen met een metaforische ‘gereedschapskist’.
Is Frankrijk echt in oorlog, zoals hij en premier Manuel Valls pretenderen? Of is er een andere reden waarom de autoritaire trekjes van de door de generaal opgestelde grondwet van de Vijfde Republiek hen nu opeens goed uitkomt? Moeten er spierballen worden getoond omdat de Fransen geen genoegen nemen met een Bob de Bouwer maar in benauwde tijden terugverlangen naar napoleontische streken?
Het is makkelijk praten vanuit een land met een Jerommeke als Mark Rutte aan de knoppen, maar toch wordt in het dossier deze editie duidelijk dat het uitroepen van de noodtoestand, en die zelfs in de grondwet te verankeren, een buitengewoon gevaarlijke en autoritaire maatregel is. Daarmee wordt de facto de Grondwettelijke Raad, die alle andere wetten, dus ook uitzonderingswetten, toetst aan de bepalingen van de grondwet, buitenspel gezet. En, een teken aan de wand: van de 577 leden van de Assemblée nationale, de Franse Tweede Kamer, namen niet meer dan 129 deel aan de stemming.
Waarom moest de noodtoestand worden verankerd in de grondwet? Om wetten grondwettelijk te maken terwijl ze het niet zijn, schampert weekblad Politis.
Momenteel worden er twee artikelen van de grondwetswijziging behandeld door de leden van de Franse Nationale Vergadering, waarvan de verankering van de noodtoestand in de grondwet het belangrijkste is. Maar het debat gaat eigenlijk alleen over artikel 2 van het wetsontwerp: de ontneming van de nationaliteit.
Voorbijgegaan wordt aan artikel 1. Dat dreigt zonder slag of stoot te worden aangenomen. Dit eerste artikel is echter een vlucht naar voren op het gebied van de veiligheid, in aansluiting op de wet op de inlichtingendiensten en de toekomstige wet ‘ter versterking van de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de financiering ervan, en met de doeltreffendheid en de waarborgen van de strafrechtelijke procedure’. Over het uit elkaar halen van de behandeling van die onderling samenhangende wetten heeft de regering nog amper uitleg hoeven geven.
Vraag der vragen
Waar dient deze verankering van de noodtoestand in de grondwet toe? Op deze essentiële vraag heeft premier Manuel Valls de commissie wetgeving van het Franse parlement op 27 januari drie antwoorden gegeven:
De eerste reden is van juridische aard. Het gaat er volgens de premier om ‘een onwrikbare grondwettelijke basis te verschaffen aan de noodtoestand’. Deze regeling ‘die wordt toegepast in uitzonderlijke omstandigheden en die het vaakst is toegepast in de Vijfde Republiek’, is de enige die niet is verankerd in de grondwet. Er zou dus juridische leemte worden opgevuld: ‘Vanuit het oogpunt van grondwettelijke jurisprudentie moeten dus alle tijdelijke bevoegdheden die aan de autoriteiten worden verleend in het kader van de noodtoestand kunnen worden gewettigd. Een grondwettelijke basis verschaffen aan de noodtoestand houdt in dat de maatregelen van de administratieve politie als bepaald in de wet van 1955 worden geconsolideerd.’
Valls geeft toe dat de noodtoestand strijdig is met de grondwet
Het is in verband met deze leemte dat Manuel Valls op 20 november in de Senaat zei dat het ‘riskant’ zou kunnen zijn om de Grondwettelijke Raad te raadplegen over het wetsontwerp ter verlenging van de noodtoestand en ter aanscherping van de bepalingen ervan.
Met andere woorden: Valls geeft toe dat de noodtoestand strijdig is met de grondwet.
Toch is dat argument zeer discutabel. Zoals de groen-linkse parlementariër Sergio Coronado al zei: ‘De Grondwettelijke Raad heeft al in 1985 erkend dat het feit dat de noodtoestand niet in de grondwet is opgenomen de wetgever niet hoeft te beletten hem af te kondigen. Ook heeft de Raad, toen hem de vraag werd gesteld of het huisarrest zoals dat wordt toegestaan door de wet op de noodtoestand van november 2015 in overeenstemming is met de grondwet, dit bevestigd. Bovendien heeft de Raad van State (Conseil d’État) in zijn advies over het voorontwerp van de wet inzake de verlenging van de noodtoestand gesteld, dat de noodtoestand niet in de grondwet hoefde te worden opgenomen. Om vervolgens het tegenovergestelde te stellen in zijn advies over de ontwerp-grondwet die nu werd ingediend. Het leek dus juridisch niet echt noodzakelijk de noodtoestand in de grondwet te verankeren.
De tweede reden is dat de gelegenheid zich voordoet. Manuel Valls stelt dat hij ‘de herziening van de wet van 1955 wil voltooien’. ‘Sommige maatregelen konden niet worden opgenomen in de wet van 20 november om redenen van jurisprudentiële aard,’ zo verklaarde hij tegenover de commissie wetgeving van de Nationale Vergadering, en hij kondigde aan op korte termijn een wetsontwerp te zullen indienen. Wat zou dus nóg een reden kunnen zijn om de noodtoestand in de grondwet te verankeren?
We weten niet wie er morgen misbruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheden
Een gedachtewisseling tussen het parlementslid Alain Chrétien (Les Républicains) en de minister van Binnenlandse Zaken, Bernard Cazeneuve, tijdens een debat over de noodtoestand en het strafrecht, begin januari, kan wellicht opheldering geven. De afgevaardigde beklaagde zich over het feit dat zijn amendement in november werd verworpen. Dat amendement was erop gericht bij huiszoekingen computerapparatuur in beslag te mogen nemen in plaats van alleen een kopie te maken van de gegevens.
Terloops verzekerde hij dat de voorzitter van de commissie wetgeving, Jean-Jacques Urvoas, die inmiddels is benoemd tot minister van Justitie, had ‘erkend dat dit amendement zeer zinvol geweest zou zijn’.
Hetgeen ook de opvatting was van Cazeneuve in zijn antwoord: ‘Zelf zie ik geen enkele reden om bezwaar te maken tegen een maatregel waarvan ik wel degelijk het nut en het belang inzie (…) De reden dat uw amendement door de regering is verworpen toen u het indiende, was onze overtuiging, op basis van een juridische analyse die volgens mij zeer weloverwogen was, dat het ongrondwettelijk was. Dat wij nu voorstellen de noodtoestand in de grondwet op te nemen is juist om dergelijke amendementen te kunnen aannemen.’
Artikel 36-1
In de ontwerp-grondwet werd na artikel 36 een artikel 36-1 toegevoegd: ‘Artikel 36-1. – De noodtoestand wordt afgekondigd door de ministerraad, op het gehele grondgebied van de Republiek of een deel ervan, hetzij ingeval van een onmiddellijk dreigend gevaar ten gevolge van een ernstige verstoring van de openbare orde, hetzij in geval van gebeurtenissen die door hun aard en hun ernst het karakter van een openbare calamiteit hebben.
De wet stelt de maatregelen van de administratieve politie vast die de civiele autoriteiten kunnen nemen om dit gevaar te voorkomen of deze gebeurtenissen het hoofd te bieden.
Voor verlenging van de noodtoestand voor een periode langer dan twaalf dagen kan alleen bij wet toestemming worden verleend. In de wet wordt de duur vastgesteld.’
Doel van de opneming van de noodtoestand in de grondwet is dus wetten grondwettelijk te maken terwijl ze het niet zijn, door de grondwet te veranderen. En dat komt neer op vervanging van de rechtstaat door het recht van de staat.
De duur van de noodtoestand wordt niet beperkt
Dan de laatste reden die door Manuel Valls werd genoemd: het zou erom gaan ‘te voorkomen dat de noodtoestand wordt gebanaliseerd of dat er overmatig gebruik van wordt gemaakt’. Een lofwaardig streven, waar je echter om drie redenen een vraagteken bij kunt zetten.
In de eerste plaats: het feit dat de noodtoestand wordt ‘afgekondigd’ in de ministerraad, impliceert niet dat de ministers debatteren over de vraag of het wel zinvol is. Sommige parlementariërs, onder wie de nieuwe voorzitter van de commissie wetgeving, Dominique Raimbourg, hadden er de voorkeur aan gegeven ‘te schrijven dat er over de noodtoestand wordt “besloten”, een term die lijkt te bevorderen dat er collectief over wordt beraadslaagd.’
In de tweede plaats omdat de duur van de noodtoestand in het wetsvoorstel van de regering niet wordt beperkt. Toen hij hierop werd aangesproken toonde Manuel Valls – die recentelijk tegenover de BBC had verklaard dat ‘de noodtoestand moet worden verlengd totdat we zijn verlost van IS’ – zich niet bereid in te stemmen met amendementen die de verlenging van de noodtoestand door parlementariërs – tot bijvoorbeeld vier maanden – zouden beperken. De premier zag er een beperking van de prerogatieven van het parlement in, dat zich niet zou kunnen aanpassen aan bepaalde maatschappelijke crises.
Delicaat
Ten derde kun je alleen maar ongerust zijn wanneer je Manuel Valls tegen onze volksvertegenwoordigers hoort zeggen dat het ‘delicaat’ zou zijn in de grondwet te verbieden dat het parlement wordt ontbonden tijdens de noodtoestand, een voorzorgsmaatregel waarop met name wordt aangedrongen door Roger-Gérard Schwartzenberg (PRG) en Jean-Christophe Lagarde (UDI).
Tegen hen voerde de premier zelfs een argument aan dat wijlen [de zeer rechtse oud-minister] Charles Pasqua niet verworpen zou hebben: als de noodtoestand in mei en juni 1968 was afgekondigd, had generaal De Gaulle dan de Nationale Vergadering kunnen ontbinden? Waarop de voorzitter van de UDI antwoordde: ‘Het punt is dat we niet weten wie er morgen misbruik zou kunnen maken van zijn bevoegdheden.’
Dat is inderdaad de hele vraag van de verankering van de noodtoestand in de grondwet. In dit geval hadden de afgevaardigden en senatoren er goed aan gedaan het voorzorgsbeginsel toe te passen.
Waarom werd de Franse noodtoestand met drie maanden verlengd? En welke extra bevoegdheden levert dit de overheid op? De gratis krant 20 minutes legt uit.
1. Kan de Franse regering de wet op de noodtoestand opnieuw aanscherpen?
De twee belangrijkste mogelijkheden waarin de noodtoestand voorziet, zijn het opleggen van huisarrest en het verrichten van huiszoeking zonder rechterlijk bevel (zoals ook het geval is in het gewone Franse recht). De prefecten kunnen ‘het verkeer van personen of voertuigen’ in bepaalde zones verbieden.
Huisarresten blijven gehandhaafd voor de duur van de noodtoestand
Na de aanslagen van 13 november is de wet van 1955 gewijzigd op enkele punten, die grotendeels verband hielden met de technologische ontwikkeling. ‘Maar vooral is het toepassingsgebied verruimd,’ zegt Bertrand Mathieu, hoogleraar staatsrecht aan de Universiteit van Parijs en voormalig lid van de Hoge Raad voor de Magistratuur. In 1955 maakte de wet het mogelijk huisarrest op te leggen aan eenieder ‘wiens handelen gevaarlijk blijkt voor de veiligheid en de openbare orde’. De versie van 2015 richt zich op ieder individu tegen wie ‘serieuze verdenking bestaat dat zijn gedrag een bedreiging vormt voor de veiligheid en de openbare orde’.
Kan de uitvoerende macht besluiten de bevoegdheden van prefecten en politie te verruimen? Er is niets wat dat in de weg staat, mits de wet vervolgens wordt aangenomen door het parlement, meent Mathieu. De Staatsraad (Conseil d’État, de hoogste administratieve rechter in Frankrijk) kan echter bepaalde bevoegdheden intrekken als hij van mening is dat er ‘geen proportionaliteit bestaat tussen de aantasting van de vrijheid en de eisen van de openbare orde’.
2. Waarom wordt deze maatregel met drie maanden verlengd?
Waarom zou men besluiten de noodtoestand met drie maanden te verlengen als de terroristische dreiging van alle tijden is? Door een verlenging van drie maanden voor te stellen, koos de regering de voorzichtige weg. In november werd de verlenging van de noodtoestand vrijwel unaniem door het parlement goedgekeurd. Sindsdien heeft de doeltreffendheid van de maatregel, volgens de wetscommissie van het parlement, ‘aan kracht ingeboet’. En de parlementariërs zijn inmiddels wat minder overtuigd van de noodzaak van deze maatregel.
Door voor te stellen de noodtoestand met drie maanden te verlengen, beperkt de regering het risico van parlementaire afkeuring of een verbod van de Staatsraad. Zij hoopt daarmee tevens ‘de overgang te versoepelen van de noodtoestand naar een herziening van de grondwet’, voegt Bertrand Mathieu eraan toe. Het is onwaarschijnlijk dat de uitvoerende macht zich dit veiligheidsarsenaal zal laten ontnemen in het zicht van het EK 2016 dat van 10 juni tot 10 juli 2016 in Frankrijk gehouden wordt.
3. Worden gevallen van huisarrest automatisch verlengd?
Wat gaat er gebeuren met de 392 mensen aan wie huisarrest is opgelegd? Gezien het feit dat ‘aan de huisarresten geen einddatum verbonden is, gaat men ervan uit dat ze gehandhaafd kunnen blijven voor de duur van de noodtoestand’, zegt de ongeruste advocaat Daphné Pugliesi, van wie enkele cliënten sinds november 2015 huisarrest hebben. Het vooruitzicht dat deze sanctie hernieuwd zal worden leidt volgens haar bij sommige cliënten tot ‘psychologische trauma’s’.
Het is mogelijk dat de regering bij de verlenging van de noodtoestand rekening zal houden met het lot van degenen aan wie huisarrest is opgelegd. ‘Ik durf te hopen dat men er na drie maanden wel achter is welke gevallen van huisarrest verlengd dienen te worden en welke niet,’ zegt Pugliesi. ‘Maar de wetgever kan evengoed besluiten de duur van de huisarresten te verlengen,’ voegt Bertrand Mathieu daaraan toe.
De Franse regering bewandelt een gevaarlijke weg met haar antiterrorismemaatregelen, vindt Yves Sintomer, hoogleraar politieke wetenschappen aan de Universiteit van Parijs. Volgens hem loopt het land, veel eerder dan bijvoorbeeld Duitsland of Engeland, het risico om af te glijden naar een autoritair systeem.
U betoogde dat van alle westerse landen Frankrijk het grootste risico loopt om af te glijden naar een autoritair systeem. Waarop baseert u die conclusie?
Yves Sintomer: Door een groeiend wantrouwen tegenover regeringen en elites verkeren onze oude Europese en Noord-Amerikaanse democratieën in een ernstige legitimiteitscrisis. Als men bedenkt hoe groot de veranderingen zijn waarmee de politiek wordt geconfronteerd, valt niet te verwachten dat onze systemen, die uit de achttiende eeuw stammen, zonder aanpassing door deze crisis komen.
Gokken op een terugkeer naar vroeger is ook niet realistisch – of het nu gaat om een systeem dat is gebaseerd op rivaliteit tussen de grote volkspartijen met een ideologische basis, of om een communistisch systeem, waar vooral modieuze filosofen als Giorgio Agamben, Alain Badiou en Slavoj Žižek warm voor lopen. En als noch een status quo, noch een terugkeer naar vroeger mogelijk is, dan zullen onze representatieve democratieën dus muteren.
Yves Sintomer.
In welke richting dan? Wat zijn de scenario’s?
Ik zie drie realistische scenario’s. Het eerste is wat ‘de postdemocratie’ wordt genoemd, een begrip dat door de Britse politicoloog Colin Crouch is bedacht. Dat is een systeem waarin ogenschijnlijk niets verandert: er worden nog steeds vrije verkiezingen gehouden, de rechtspraak is onafhankelijk, de individuele rechten van burgers worden gerespecteerd. Aan de buitenkant lijkt alles hetzelfde te blijven, maar het echte gezag ligt elders. Het zijn de grote bedrijven, de deelnemers aan ‘de markt’, de kredietbeoordelaars en de technocratische instanties die de besluiten nemen. In Europa gaat het deze kant al op.
Een tweede, wat gunstiger scenario is dat van ‘een democratisering van de democratie’: daarvoor hebben we een versterking nodig van de politiek tegenover de economische krachten, en een actievere participatie van de burger. De democratie wordt in dit geval versterkt via allerhande vormen van participatie en inspraak.
Het is Frankrijk niet gelukt op tijd mee te gaan in de globalisering
Het derde scenario is dat van het autoritaire regime. Het gaat daarbij niet om een dictatuur, maar om systemen waarin, anders dan in de postdemocratie, ook de buitenkant veranderingen ondergaat: er zijn verkiezingen, maar de electorale strijd blijft beperkt. De vrijheden, van meningsuiting, van vereniging, van reizen, de persvrijheid worden via wetgeving ingeperkt, en de rechtspraak wordt minder onafhankelijk. Die kant zijn de Russen, de Hongaren, de Polen en de Turken opgegaan, net zoals verder weg ook in Ecuador en Venezuela is gebeurd. In Zuidoost-Azië bestaan verschillende niet-democratische regimes die via een zeer behoedzame liberalisering in de richting van dat model zijn opgeschoven of bezig zijn dat te doen. Ik denk dan aan Singapore en China, twee landen met beperkte vrijheden voor hun inwoners.
Kijken we naar West-Europa en Noord-Amerika, dan zien we vooral in Frankrijk tekenen dat zoiets ook hier mogelijk is. Ook al is het niet het meest waarschijnlijke scenario.
Waarom denkt u dat? Is het vanwege de besluiten die na de aanslagen van 13 november vorig jaar genomen zijn?
Als het over openbare veiligheid en immigratie gaat, zijn de dijken doorgebroken, zowel tijdens de laatste campagne voor de presidentsverkiezingen als recenter, in de reacties op de aanslagen. Ik denk aan de discussie rond het afnemen van het staatsburgerschap [van veroordeelde terroristen], het verlengen van de noodtoestand, en het terugvallen op een mythisch nationaal model met als kernwaarde het secularisme. De richting die vrijwel de hele politieke klasse – van rechts én van links – is ingeslagen, is nogal bedenkelijk. De vreemdelingenhaat neemt toe, er ontstaat steeds meer een fantasiebeeld van wat Europa is. En we storten ons in militaire avonturen die meestal nauwelijks zin hebben.
Tegelijkertijd blijft het Front National terrein winnen, en ook al is het niet waarschijnlijk dat Marine Le Pen de presidentsverkiezingen wint, je kunt dat ook niet meer helemáál uitsluiten. Stel je de situatie voor dat links en rechts verdeeld zijn, Marine Le Pen in de eerste ronde ruim aan kop eindigt en dan in de tweede ronde tegenover François Hollande komt te staan… Niemand kan nu met honderd procent zekerheid voorspellen dat het Front National dan de verliezer is.
Waarom komen in Frankrijk volgens u gemakkelijker dan elders in Europa autoritaire reflexen naar boven? Zit er nog een restant van het bonapartisme in ons? Of is het omdat we de Republiek zien als ‘een mal’ voor de samenleving?
Frankrijk heeft minder antigenen tegen autoritaire systemen dan een liberale democratie als het Verenigd Koninkrijk. Daarnaast is Duitsland door zijn geschiedenis en alles wat het land vanaf de jaren zestig heeft gedaan om die te verwerken, minder vatbaar geworden voor dit gevaar. Er zijn wel wat extreemrechtse partijtjes, maar de Duitse samenleving heeft helemaal niets op met autoritaire ideeën. Het Bundesgerichtshof in Karlsruhe treedt zeer doeltreffend op als het aankomt op het verdedigen van de grondrechten, veel meer dan de Franse Conseil constitutionnel.
Voorts is Frankrijk een voormalige koloniale grootmacht die zich ooit in het middelpunt van de wereld bevond en het niet goed kan hebben dat het deze positie is kwijtgeraakt. Ook Groot-Brittannië had ooit die positie, maar weet zich beter aan de globalisering aan te passen. Het is Frankrijk niet gelukt op tijd mee te gaan in de globalisering, en dat verergert de Franse identiteitscrisis nu nog verder. Ook heeft het een broze economische gezondheid en wat het produceert, is – anders dan bijvoorbeeld in Duitsland – niet erg geschikt om de concurrentie met de opkomende economieën aan te gaan.
Het gezag in onze natiestaat heeft zijn grenzen: dat moeten we erkennen en daar moeten we naar handelen
Ten slotte, we weten dat Frankrijk in moeilijke tijden snel in autoritaire reflexen vervalt: denk aan Vichy, of aan de Algerijnse oorlog. Die crises waarin we zitten, de financiële en die van de erfenis van het verleden, vormen een explosieve cocktail. West-Europa wordt van alle kanten belaagd door een opeenstapeling van crises: de economische crisis, de vluchtelingencrisis, de crisis binnen de Verenigde Naties over de globalisering, de crisis binnen politieke partijen. Frankrijk is niet echt het juiste land om die opeenstapeling van problemen het hoofd te bieden.
Wat zouden we moeten doen om te voorkomen dat we afglijden naar een autoritair systeem?
Om te beginnen zouden we een kundige politieke klasse moeten hebben. Vergeleken met andere landen is de onze zwak. Dat komt door de manier waarop die wordt gevormd en door de grote afstand tot het volk. Er is dus een hervorming van de instituties nodig.
Ten tweede moeten we ons verdiepen in hoe we onze identiteit definiëren. We zijn een multiculturele samenleving, we zijn een middelgrote mogendheid, het gezag in onze natiestaat heeft zijn grenzen: dat moeten we erkennen en daar moeten we naar handelen.
Federale of sterk gedecentraliseerde landen als Spanje en Duitsland hebben minder moeite om het Europese model te begrijpen en zich ernaar te voegen. Frankrijk moet daar veel harder zijn best voor doen.
Onze economie moet uit het slop worden gehaald. Op het ogenblik probeert men de economische blokkades weg te nemen, maar dat zet niet echt zoden aan de dijk. Tot slot moeten we ermee ophouden steeds het ene te zeggen en dan iets heel anders te doen. Om een voorbeeld te noemen: op de klimaattop in Parijs beweerde de Franse regering dat zij vierkant achter een forse koerswijziging van onze milieupolitiek was, maar in feite zijn de genomen maatregelen zeer bescheiden. Dit soort schizofreen gedrag is echt gevaarlijk, omdat zo het vertrouwen in de politiek wordt aangetast.
Le Nouvel Observateur Frankrijk, weekblad, oplage 530.000
In 1964 opgericht door Franse voormalig verzetsstrijders. Nog altijd is de redactie zeer geëngageerd en uit op maatschappelijke veranderingen.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.