Tag: gezondheid

  • Wordt het nu dan echt tijd voor een vleestaks?

    Wordt het nu dan echt tijd voor een vleestaks?

    De roep om een verhoogde belasting op vlees neemt toe. Betutteling, vinden tegenstanders. Maar voorstanders wijzen op de hoognodige voordelen voor de volksgezondheid en het milieu.

    NEE

    Begin november publiceerde wetenschappelijk tijdschrift PLOS ONE een onderzoek van de Universiteit van Oxford dat een campagne lijkt in te luiden om verwerkt en rood vlees in de ban te doen. Het is een ware kruistocht, en zoals de meeste kruistochten begint ook deze met de roep om een zondebelasting.

    De bewijsvoering rust, zoals wel vaker wanneer de ‘volksgezondheid’ in het geding is, op ondoorzichtige computermodellen. Die leveren schattingen op van het aantal sterfgevallen als gevolg van de overconsumptie van vlees, de kosten voor de maatschappij en de hoogte van eventuele belastingen om die te compenseren. Uiteindelijk rolt daar een schatting uit van het aantal mensen dat langer leeft als we door hogere prijzen minder vlees gaan eten.

    Het artikel geeft de lezer te weinig informatie om het model werkelijk te kunnen begrijpen, maar één ding is duidelijk: de cijfers zijn onwaarschijnlijk hoog. De auteurs concluderen dat 
er wereldwijd jaarlijks 2,4 miljoen mensen sterven aan de consumptie van verwerkt en rood vlees. Op zich is, naar de losse standaarden van de voedingsepidemiologie, het verband tussen verwerkt vlees en darmkanker redelijk rechtlijnig. Het zou goed kunnen dat er inderdaad een associatie is tussen het eten van vlees en hart- en vaatziekten en beroertes. Maar dan nog is zo’n hoog cijfer volstrekt ongeloofwaardig.

    Slik je het idee dat er jaarlijks 2,4 miljoen mensen dood neervallen bij hun broodje ham of braadworst, dan ga je misschien ook mee met de auteurs in hun schatting

    Slik je het idee dat er jaarlijks 2,4 miljoen mensen dood neervallen bij hun broodje ham of braadworst, dan ga je misschien ook mee met de auteurs in hun schatting dat de consumptie van verwerkt en rood vlees de gezondheidszorg over de hele wereld jaarlijks 285 miljard dollar kost. De auteurs nemen dit bedrag en doen vervolgens een aantal ongespecificeerde aannames over 
de milieueffecten en de broeikasgasuitstoot van de veeteelt. Ze besluiten dan dat de prijs van verwerkt vlees in rijke landen met gemiddeld 111 procent zou moeten stijgen om de negatieve effecten ervan te compenseren.

    Hoe absurd dit voorstel misschien ook klinkt, het is helemaal niet zo onwaarschijnlijk dat er in de afzienbare toekomst zo’n vleesbelasting zal komen, waarschijnlijk gevolgd door een reclameverbod en afschrikwekkende waarschuwingen. De onstuitbare opkomst van de volksgezondheidsbeweging van de laatste jaren doet het ergste vrezen.

    Die kans wordt alleen maar groter als je bedenkt dat niet alleen de volksgezondheidslobby het graag wil. Gezondheidsfreaks, veganisten, vegetariërs en milieuactivisten hebben op dit punt een onzalig verbond gesloten. Het is een nieuwe fase in de groeiende betutteling die onze maatschappij in haar greep heeft. Alleen een domoor ziet niet in dat deze mensen ook nu hun zin zullen krijgen.

    Auteur: Christopher Snowdon

    Snowdon is een Britse auteur en journalist en lid van de libertarische denktank The Institute of Economic Affairs. Hij is een verklaard tegenstander van wat hij de ‘nanny state’ noemt.

    The Spectator   | Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 93.670  

    Springplank voor aspirant-parlementariërs. Opgericht in 1828 en nog altijd het kompas voor intellectuelen en conservatieve leiders. Sterke analyses, scherp van toon.

    1. Christopher Snowdon; 2. Sam Pugh.
    1. Christopher Snowdon; 2. Sam Pugh.

    JA

    Gesteld dat ons overheidsbeleid de weerslag moet vormen van de publieke opinie, maatschappelijke behoeftes en wetenschappelijk bewijs, wordt het hoog tijd voor een belasting op vlees.

    Recente conclusies van onder andere de Verenigde Naties, de Wereldgezondheidsorganisatie en de NHS [de Britse gezondheidsdienst] liegen er niet om: het lekkere stukje vlees op ons bord is zijn onschuld verloren. Zeker, vlees kan belangrijke voedingsstoffen leveren en deel uitmaken van een gezonde levensstijl. Maar dat is niet waar het hier om gaat.

    De consumptie van slechts 50 gram verwerkt vlees per dag (bijvoorbeeld een hotdog) verhoogt de kans om in de loop van je leven darmkanker te krijgen met 18 procent. De gemiddelde Brit eet niet minder dan 70 gram per dag. Vleesconsumptie belast dus onze gezondheidszorg en daar zijn kosten aan verbonden. Een belasting op vlees zou zeer vergelijkbaar zijn met de al bestaande accijnzen op tabak en sigaretten.

    Een belasting op vlees zou ook in lijn zijn met de Britse belasting op zoete frisdranken

    Voordat de huidige wetenschappelijke consensus over de nadelige effecten van roken tot stand kwam, ging men ervan uit dat sigaretten niet alleen onschadelijk waren, maar zelfs goed voor de gezondheid. De wetenschap ontdekte echter dat dit niet klopte en na verloop van tijd werd daarom het beleid aangepast, ondanks furieuze protesten van partijen die hun belangen bedreigd zagen.

    Een belasting op vlees zou ook in lijn zijn met de Britse belasting op zoete frisdranken. Suiker kan best deel uitmaken van een gezonde voeding, maar overconsumptie zorgt in ons dagelijks leven voor problemen; hier ligt een taak voor de overheid, vandaar deze belasting. In het geval van vlees komen daar nog de desastreuze milieueffecten en andere negatieve gevolgen van 
de veeteelt bij. Waarom is ingrijpen hier dan taboe?

    Niet alleen zou een vleesbelasting de Britten ertoe aanzetten gezonder te leven, het zou ook de Britse broeikasgasuitstoot met 17 procent terugbrengen. Groot-Brittannië zou laten zien de klimaatverandering serieus te nemen en zelfs het voortouw 
te willen nemen in de bestrijding ervan. De Denen en Zweden praten er al over, Groot-Brittannië zou hetzelfde moeten doen. Toch is de houding van veel mensen in deze kwestie nogal bizar: een uitzinnige, compromisloze, hartstochtelijke verdediging van alles wat maar met vlees te maken heeft.

    Tegenover deze vaak luidruchtige types moeten we onze motieven helder verwoorden: we pleiten er absoluut niet voor om vlees in de ban te doen of de vleesconsumptie te controleren. Een belasting is niet meer dan een verstandige, progressieve beleidsmaatregel, een stap 
in de goede richting, gebaseerd op wetenschappelijk bewijs. Kortom, een prima manier om iets te doen aan de negatieve gevolgen van onze persoonlijke keuzes.

    Auteur: Sam Pugh

    Pugh studeert politicologie aan de Universiteit van Glasgow, waar hij schrijft voor studentenplatform MyGlasgow. Deze bijdrage is zijn eerste stuk voor de New Statesman.

    New Statesman | Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 34.000

    Sinds 1913 hét tijdschrift voor de Britse linkse intelligentsia. Bekend om zijn diepteanalyses en stevige maatschappijkritiek. Biedt ook ruimte aan andere dan linkse 
geluiden.

  • Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Ja, van bewerkt vlees krijg je kanker

    Studie na studie toont aan dat bacon, ham, salami en andere soorten bewerkt vlees kanker kunnen veroorzaken. Hoe kan het dan, vraagt de Britse historica en voedseldeskundige Bee Wilson zich af, dat de vleeswarenindustrie alsmaar volhoudt dat hun producten veilig zijn?

    Vroeger ging ik naar een cafeetje waar ze de beste broodjes bacon hadden. Dat was een heerlijk luchtig wit bolletje, en de bacon, een dikke plak van een plaatselijke slager, zat ergens tussen knapperig en stevig in. Er werden kleine potjes ketchup en HP Sauce bij geserveerd, zodat je zelf kon bepalen hoeveel je erop deed. Dat was alles: brood, bacon en saus. Het eten van zo’n broodje – ik deed dat om de paar weken – met een kop sterke koffie erbij, was voor mij ongecompliceerd genieten.

    Maar plotseling was dat broodje bacon helemaal niet meer zo’n onverdeeld genoegen. In oktober 2015 had de helft van mijn kennissenkring het wekenlang over het nieuws dat bacon kankerverwekkend was. Je kon er niet omheen: het stond breed uitgemeten in alle kranten en overal op internet. Zoals een journalist van Wired schreef: ‘Waarschijnlijk zijn er geen woordcombinaties te vinden die het internet zo in vuur en vlam kunnen zetten als BACON en KANKER.’ De website van de BBC meldde zakelijk dat ‘bewerkt vlees kanker veroorzaakt’, terwijl The Sun uitpakte met ‘Worst in de ban’ en ‘Moordenaar in de keuken’.

    De bron van het verhaal was het bericht van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) dat ‘bewerkt vlees’ nu werd geclassificeerd in ‘groep 1 
carcinogeen’, wat betekent dat wetenschappers ervan overtuigd zijn dat er voldoende bewijs is voor de conclusie dat bewerkt vlees kanker veroorzaakt, met name darmkanker. De waarschuwing gold niet alleen voor Britse bacon maar ook voor Italiaanse salami, Spaanse chorizo, Duitse braadworst 
en eindeloos veel andere etenswaren.

    Alarmerende berichten over de gezondheid kun je vaak met een korrel zout nemen, maar deze onheilstijding viel toch moeilijk te negeren. Het bericht van de WHO berustte op het advies van 22 kankerspecialisten uit tien landen, die nauwkeurig hadden gekeken naar meer dan vierhonderd onderzoeken naar bewerkt vlees, waarin de epidemiologische data van honderdduizenden mensen waren opgenomen. ‘Eet minder bewerkt vlees’ was nu net als ‘eet meer groente’ een van de weinige onweerlegbare, wetenschappelijk bewezen adviezen – niet gewoon de zoveelste voedingshype. Zoals in elk nieuwsbericht werd benadrukt, behoorde bewerkt vlees nu tot een groep van 120 carcinogenen, naast alcohol, asbest en tabak – wat leidde tot schreeuwende krantenkoppen waarin werd verkondigd dat het eten van bacon even dodelijk was als roken. De WHO waarschuwde dat het eten van 50 gram bewerkt vlees per dag – evenveel als een paar plakjes bacon of één hotdog – de kans op het krijgen van darmkanker met 18 procent verhoogt. (Het eten van grotere hoeveelheden vergroot die kans.) Als je hoort dat je eigen risico op kanker van 5 procent stijgt naar ongeveer 6 procent, is dat misschien niet alarmerend genoeg om je de broodjes bacon te laten afzweren. Maar als je hoort dat het eten van bewerkt vlees wereldwijd per jaar 34.000 doden extra veroorzaakt, schrik je wel iets meer. 
Volgens Cancer Research UK zouden er, als in Groot-Brittannië niemand bewerkt of rood vlees at, 8800 kankergevallen minder zijn. (Dat is vier keer zoveel als het landelijke aantal dodelijke verkeersslachtoffers.)

    Typisch Brits voedsel

    Het nieuws werd vooral als schokkend ervaren omdat ham en bacon typisch Brits voedsel zijn. Bijna een kwart van de volwassenen in Groot-Brittannië eet dagelijks een broodje ham tussen de middag, volgens gegevens uit 2012 die zijn verzameld door 
de onderzoekers Luke Yates en Alan Warde. Voor veel consumenten is bacon niet zomaar een voedingsmiddel; het is de bron van veel jeugdherinneringen, een aandenken aan thuis. Onderzoek toont aan dat de lucht van het uitbakken van bacon een van de lievelingsgeuren is in het Verenigd Koninkrijk, naast gemaaid gras en vers brood. Om dan te horen dat bacon bij miljoenen mensen kanker heeft veroorzaakt, is net zoiets als horen dat je oma altijd 
stiekem arsenicum op je ontbijtboterham strooide.

    Vegetariërs wijzen er wellicht op dat het broodje bacon nooit als een onverdeeld genoegen gezien 
mag worden, zeker niet voor de varkens, waarvan 
de meeste in smerige, benauwde omstandigheden 
worden gehouden. Maar voor de rest van ons was 
het een alarmerend bericht dat ons lievelingseten bijdraagt aan de onnodige dood van duizenden 
mensen. In de weken die volgden op de bekendmaking van het WHO-rapport zakte de verkoop van bacon en worst in. De Britse supermarkten meldden een daling van 3 miljoen pond in veertien dagen tijd. (‘Het was een grote klap,’ vertelde Kirsty Adams, de productontwikkelaar voor vlees bij Marks & Spencer.)

    Maar net toen het ernaar uitzag dat dit #Bacongeddon zou worden (een van de vele wanhopige, bacongerelateerde hashtags die in oktober 2015 trending waren), kwam er een tweede informatiegolf. De boodschap daarvan: paniek voorbij. In ieder geval was de analogie tussen het eten van bacon en roken misleidend. Het roken van tabak en het eten van bewerkt vlees is allebei gevaarlijk, maar niet in dezelfde mate. Om het in een bredere context te plaatsen: ongeveer 86 procent van de gevallen van longkanker houdt verband met roken, terwijl slechts 21 procent van de gevallen van darmkanker kan worden toegeschreven aan het eten van bewerkt of rood vlees. Enkele weken na het verschijnen van het rapport kwam de WHO met een verklaring waarin werd benadrukt dat er niet in het rapport stond dat consumenten geen bewerkt vlees meer mochten eten.

    Intussen liet de vleesindustrie weten dat het een storm in een glas water was. Het North American Meat Institute, een lobbygroep van de vleesindustrie, noemde het rapport ‘zwaar overdreven’. In een hele rits artikelen werd op redelijke toon benadrukt dat het prematuur en dwaas zou zijn om geen bewerkt vlees meer te eten vanwege een heel kleine kans op kanker.

    Bijna drie jaar later is ten aanzien van bewerkt vlees alles weer normaal. Velen van ons zijn over de eerste schok heen. De verkoop van bacon in het 
Verenigd Koninkrijk is in de twee jaar tot medio 2016 met 5 procent gestegen. Toen ik vorig jaar een productontwikkelaar bij supermarkt Sainsbury’s interviewde, vertelde ze dat een van 
de snelste manieren om Britse consumenten een nieuw product te laten proberen was door er chorizo aan toe 
te voegen.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn

    En toch is het bewijs dat er een verband is tussen bacon en kanker sterker dan ooit. In januari van dit jaar bleek uit een grootschalige studie waarbij de gegevens van 262.195 Britse vrouwen werden gebruikt, dat alleen al bij het eten van 9 gram bacon per dag – minder dan één plakje – de kans op het ontwikkelen van borstkanker later in het leven aanzienlijk toeneemt. De hoofdauteur van de studie, Jill Pell van het Institute of Health and Wellbeing van de Universiteit van Glasgow, vertelde dat hoewel het contraproductief kan zijn om aan te dringen op totale onthouding, er wetenschappelijk bewijs is voor de stelling dat het 
‘misleidend zou zijn als gezondheidsinstanties een andere veilige norm vaststellen dan nul’.

    Het werkelijke schandaal is echter dat bacon helemaal niet zo schadelijk voor onze gezondheid hoeft te zijn. Het deel van het verhaal dat ons niet wordt verteld – ook niet door de WHO – is dat er andere manieren zijn om die producten te vervaardigen, waardoor ze significant minder carcinogeen zouden zijn. Het feit dat er zo weinig bekend is, is 
te wijten aan de macht van de vleesindustrie, die de afgelopen veertig jaar een campagne van verdoezelen en misleiding heeft gevoerd die kan wedijveren met de smerige trucs van de tabaksindustrie.

    Hoe kies je in een winkel een pakje bacon uit, aangenomen dat je een vleeseter bent? Ten eerste kies je tussen knapperige doorregen spek, of het magere rugspek. Dan besluit je of je gerookt of ongerookt 
wilt – elk soort heeft zijn eigen fervente fans (ik ben van de ongerookt-fanclub). Misschien zoek je een pakje uit met scharrel- of biologisch vlees, of misschien ben je krap bij kas en zoek je gewoon naar een aanbieding. Hoe dan ook, voordat je het in je mandje legt, kijk je nog een keer om te zien of het vlees roze genoeg is.

    Omdat we eten met onze ogen, beoordelen we de kwaliteit van bewerkt vlees vooral op hoe roze het is. Toch is het juist die kleur waarvoor we op onze hoede moeten zijn, zoals de Franse journalist Guillaume Coudray uitlegt in een boek dat vorig jaar in Frankrijk uitkwam met als titel Cochonneries, een woord dat zo wel ‘zwijnenstal’, ‘smeerboel’ als ‘ongezond eten’ betekent. De ondertitel luidt: ‘Hoe vleeswaren giftig werden’. Cochonneries leest als een misdaadroman, waarin de bewerktvleesindustrie de dader is en de gewone consument het slachtoffer.

    Het roze van de bacon – of van gekookte ham of salami – is een teken dat het is behandeld met chemicaliën, in het bijzonder met nitraat en nitriet. De algemene opvatting is dat bewerkt vlees door het gebruik van deze chemicaliën kankerverwekkender is dan onbewerkt vlees. Coudray betoogt dat we niet moeten spreken van ‘bewerkt vlees’ maar van ‘nitrovlees’.

    ‘Pure, idiote, krankzinnige waanzin’, zo omschrijft Coudray in een e-mail aan mij het voortdurende gebruik van nitraat en nitriet in bewerkt vlees. De waanzin schuilt naar zijn mening in het feit dat het mogelijk is bacon en ham te maken op een manier die minder kankerverwekkend is. De simpelste manier om vlees te conserveren is met droog zout 
of natte pekel. Coudray merkt op dat fabrikanten van ham en bacon beweren dat deze ouderwetse manier van conserveren niet veilig is. Maar de werkelijke reden waarom ze ertegen zijn is een financiële: het duurt op deze manier veel langer voor bewerkt vlees op smaak is, en dat drukt de winst.

    gettyimages 80439641

    Er bestaat veel verwarring over wat ‘bewerkt vlees’ nu precies inhoudt, 
een verwarring die in de hand wordt gewerkt door de vleesindustrie, die 
er baat bij heeft dat wij denken dat 
er geen verschil bestaat tussen vers gekruid lamsgehakt en een pizza overladen met nitraatpepperoni. Formeel gezien betekent ‘bewerkt vlees’ varkensvlees of rundvlees dat is gezouten en geconserveerd, gerookt of niet gerookt. Een pond vers rundergehakt is niet bewerkt. Een harde salami wel.

    Het gezondheidsrisico van bacon heeft voornamelijk te maken met twee additieven: kaliumnitraat (oftewel salpeter) en natriumnitriet. Deze stoffen geven salami, bacon en gekookte ham hun aantrekkelijke roze kleur. Salpeter werd al in vroeger tijden gebruikt voor het zouten van vlees. Zoals Jane Grigson uitlegt in Charcuterie and French Pork Cookery, werd salpeter traditioneel gebruikt bij het pekelen van ham ‘om het er aantrekkelijk roze te laten uitzien, omdat het anders een onfrisse, grijsachtig bruine kleur zou hebben’.

    In vroegere eeuwen wisten baconmakers die salpeter gebruikten niet dat het bij het conserveren van het vlees verandert in nitriet. En nitriet zorgt ervoor dat de bacterie die verantwoordelijk is voor de smaak zich sneller ontwikkelt, namelijk door de ontwikkeling van andere bacteriën te remmen. Maar in het begin van de twintigste eeuw ontdekte de vleesindustrie dat de productie van bewerkt vlees gestroomlijnd kon worden door in pure vorm natriumnitriet toe te voegen aan het varkensvlees. In de jaren zestig spraken de firma’s die nitrietpoeder verkochten aan hamfabrikanten er 
in vakbladen openlijk over dat het belangrijkste voordeel was dat door 
de versnelling van het productieproces 
de winstmarges werden vergroot. Een Frans merk natriumnitriet uit de jaren zestig was Vitorose, oftewel ‘snel roze’.

    Nitrochemicaliën zijn niet zo’n zegen voor de consument. Van zichzelf zijn deze chemicaliën niet kankerverwekkend; nitraat zit tenslotte van nature in veel groene groenten, zoals bleekselderie en spinazie, iets waar baconfabrikanten vaak triomfantelijk op wijzen. Zoals een Britse baconfabrikant tegen me zei: ‘Er zit nitraat in sla, en niemand zegt dat je dat niet mag eten!’ Maar er gebeurt iets anders als nitraat wordt gebruikt bij het bewerken van vlees. Als nitraat reageert met bepaalde componenten in rood vlees (heemijzer, aminen en amiden), ontstaan N-nitrosoverbindingen, die kankerverwekkend zijn. De bekendste van deze verbindingen is nitrosamine. Hiervan is bekend, zoals Guillaume Coudray me in een e-mail uitlegde, dat het ‘zelfs in een heel lage dosering kankerverwekkend is’. Telkens als iemand bacon, ham of ander bewerkt vlees eet, komt er in de darmen een dosis nitrosaminen die de cellen in de darmwand beschadigt, en dat kan leiden tot kanker.

    Je kunt het niet afleiden uit de manier waarop bacon wordt verkocht, maar wetenschappers weten al heel lang dat nitrosaminen kankerverwekkend zijn. Meer dan zestig jaar geleden, in 1956, ontdekten de Britse onderzoekers Peter Magee en John Barnes dat als ratten dimethylnitrosamine kregen toegediend, 
ze kwaadaardige levertumoren ontwikkelden. In 
de jaren zeventig toonden studies bij dieren aan dat kleine, herhaaldelijk toegediende doses nitrosaminen en nitrosamiden – precies het soort reguliere dosis die iemand dagelijks binnenkrijgt als hij bacon bij zijn ontbijt eet – tumoren in allerlei organen veroorzaakten, waaronder in de lever, de maag, de slokdarm, de darmen, de blaas, de hersenen, de longen en de nieren.

    Hersenkanker

    Dat iets kankerverwekkend is bij ratten en andere zoogdieren, betekent nog niet dat het ook kanker veroorzaakt bij mensen, maar al in 1976 betoogde kankerspecialist William Lijinsky dat ‘het aannemelijk is’ dat de N-nitrosoverbindingen die in vleeswaren zoals bacon zitten, ook ‘carcinogeen voor 
de mens’ zijn. In de daaropvolgende jaren hebben onderzoekers een enorme hoeveelheid bewijs verzameld die die aanname ondersteunt. In 1994, om maar een van de honderden studies over nitrosaminen en kanker eruit te halen, ontdekten twee Amerikaanse epidemiologen dat er een verband was tussen het een of meerdere keren per week eten van een hotdog en een verhoogd risico op hersenkanker bij kinderen, vooral bij kinderen die bovendien weinig vitaminen binnenkregen.

    In 1993 namen parmahamfabrikanten in Italië 
collectief het besluit om nitraat uit hun product te weren en terug te keren naar het gebruik van alleen zout, net zoals vroeger. De afgelopen 25 jaar is er 
in geen enkele Prosciutto di Parma nitraat of nitriet gebruikt. Zelfs zonder nitraat of nitriet blijft de ham roze van kleur. We weten nu dat de kleur in parmaham volstrekt onschadelijk is: deze is het gevolg van enzymreacties tijdens het anderhalf jaar durende rijpingsproces van de ham.

    Langzaam geconserveerde, nitraatvrije ambachtelijke ham is één ding, maar hoe zit het met de vleeswaren voor de massamarkt? Anderhalf jaar is wel 
een erg lange wachttijd voor hotdogs, aldus voedselwetenschapper Harold McGee. Maar er zijn altijd nitraatvrije baconsoorten geweest, waarvoor alleen zout en kruiden zijn gebruikt. John Gower van Quiet Waters Farm, een producent van varkensvlees die veel fabrikanten van bewerkt vlees adviseert, bevestigt dat nitraat geen noodzakelijk ingrediënt is van bacon: ‘Het is algemeen erkend dat aan puur spiervlees, in tegenstelling tot bewerkt vlees zoals salami, geen nitraat hoeft te worden toegevoegd voor de voedselveiligheid.’

    Bacon is het bewijs, als dat nog nodig is, dat we vasthouden aan oude gewoonten, lang nadat bewezen is dat ze schadelijk zijn. Dat vasthouden aan nitraat in bacon is vooral ‘cultureel’, zegt Gower. Bacon die is geconserveerd op de traditionele manier, zonder nitraat en nitriet, mist wat Gower ‘dat moeilijk te definiëren aroma, die heerlijke, bijna metaalachtige smaak’ noemt, waardoor bacon voor de Britse consument naar bacon smaakt. Bacon zonder nitraat, 
zegt Gower, is niets anders dan ‘zout varkensvlees’.

    Gezien het feit dat al zo lang bekend is dat ‘nitrovlees’ schadelijk is, rijst de vraag waarom er niets 
is gedaan om ons ertegen te beschermen. Corinna Hawkes, hoogleraar Voedselbeleid aan de City-universiteit in Londen, voorspelt al jaren dat bewerkt vlees ‘het nieuwe suiker’ is – een voedingsmiddel dat zo schadelijk is dat de overheid moet ingrijpen om ons te beschermen. Het zal niet lang meer duren, aldus Hawkes, voordat eindelijk het verband tussen kanker en bewerkt vlees tot de mensen doordringt en ze zeggen: ‘Waarom heeft niemand ons dat verteld?’

    Het verbijsterendste van de baconpaniek in 2015 was dat het zo lang duurde voordat officiële volksgezondheidsinstanties waarschuwden tegen het consumeren van bewerkt vlees. Dat hadden ze veertig jaar eerder kunnen doen. De enige keer dat de bewerktvleesindustrie serieus in het nauw dreigde te komen, was in de jaren zeventig, een decennium waarin in de VS de zogenaamde ‘oorlog tegen de nitraten’ werd gevoerd. In het tijdperk van het consumentenactivisme van Ralph Nader kwam er steeds meer steun voor het idee om de consument te beschermen tegen bacon – een prominente wetenschapper op het gebied van de volksgezondheid noemde bacon ‘het gevaarlijkste voedsel in de supermarkt’. In 1973 bevestigde Leo Freedman, de belangrijkste toxicoloog van de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA), tegenover The New York Times dat ‘nitrosaminen kankerverwekkend zijn voor de mens’, hoewel 
hij eraan toevoegde dat hij net als ieder ander gek was op bacon.
    De Amerikaanse vleesindustrie besefte dat ze snel moest handelen om bacon te beschermen tegen de kankerbeschuldigingen. Eerst probeerde men 
de wetenschappers eenvoudigweg belachelijk te maken door te stellen dat ze enorm overdreven. In 1975 betoogde Farmers Weekly in een artikel getiteld ‘Feiten met betrekking tot de angst voor bacon’ dat een man van gemiddeld gewicht elke dag meer dan 11 ton bacon zou moeten eten om ook maar de geringste kans op kanker te krijgen. Dat was een schandelijk verzinsel.

    Maar algauw kwam de vleeslobby met een slimmere afleidingstruc. Het American Meat Institute (AMI) poneerde de stelling dat het nitraat er alleen aan was toegevoegd voor de veiligheid van de consument, ter bescherming tegen botulisme – een potentieel dodelijke vergiftiging door toxinen die soms worden gevormd in slecht geconserveerde etenswaren. De wetenschappelijk directeur van het AMI betoogde dat met een enkel kopje botuline alle mensen op onze planeet gedood konden worden. Dus in tegenstelling tot levensbedreigend was bacon eigenlijk levensreddend.

    gettyimages 80439641

    In 1977 gaven de FDA en het Amerikaanse ministerie van Landbouw de vleesindustrie drie maanden de tijd om te bewijzen dat nitraat en nitriet in bacon niet gevaarlijk waren. ‘Als ze geen bevredigend 
antwoord kregen, zouden die additieven binnen 
drie jaar vervangen moeten worden door niet-kankerverwekkende methoden’, schrijft Coudray. De vleesindustrie kon niet bewijzen dat nitrosaminen niet kankerverwekkend waren – omdat al lang bekend was dat ze dat wel waren. In plaats daarvan werd als argument aangevoerd dat nitraat en nitriet uiterst essentieel zijn voor de productie van bacon, omdat er anders duizenden mensen zouden overlijden aan botulisme. In 1978 betoogde Richard Lyng, directeur van het AMI, in een reactie op het ultimatum van de FDA dat nitriet voor bewerkt vlees hetzelfde is als gist voor brood.

    De tactiek van de vleesindustrie bij de verdediging van bacon komt ‘rechtstreeks uit de koker van de tabaksindustrie’, aldus Marion Nestle, hoogleraar Voeding en Voedsel aan de New York-universiteit. 
De eerste zet is: val de wetenschap aan. In de jaren tachtig financierde het AMI een groep wetenschappers aan de Universiteit van Wisconsin. Die vleesonderzoekers publiceerden een reeks artikelen die twijfel zaaiden over het schadelijke effect van nitraat en die het risico op botulisme bij nitraatloze ham overdreven.

    Leidt de productie van ham zonder nitriet tot botulisme? Als dat zo is, is het wel een beetje vreemd dat in de 25 jaar dat parmaham zonder nitriet wordt gemaakt, er geen enkel geval van botulisme mee 
in verband is gebracht. Bijna alle gevallen van 
botulisme veroorzaakt door geconserveerd voedsel – uiterst zeldzaam overigens – zijn het gevolg geweest van slecht geconserveerde groenten, zoals ingeblikte bonen, erwten en paddenstoelen. Het botulisme-argument was een rookgordijn. Hoe meer de consument het gevoel had dat je kon debatteren over het schadelijke effect van nitraat en nitriet in bacon en ham, des te makkelijker ze zich gerust 
lieten stellen en gewoon bacon bleven kopen.

    Het schijnargument van botulisme was zeer effectief. Het lukte het AMI om de FDA zover te krijgen dat het ultimatum met betrekking tot nitriet werd verlengd tot in 1980 een nieuw hoofd werd aangesteld bij de FDA, iemand die meer van hotdogs hield. Het verbod op nitriet werd in de ijskast gezet. De enige concessie die de industrie had gedaan, was het percentage nitriet dat werd toegevoegd aan bewerkt vlees te beperken en vitamine C toe te voegen, waardoor de vorming van nitrosaminen werd geremd, hoewel vitamine C niet de vorming van een ander bekend carcinogeen voorkomt: nitrosyl-haem.

    In de loop der jaren zijn de berichten die de gevaren van bacon bagatelliseren steeds bizarder geworden. Een verklarend artikel door het Meat Science and Muscle Biology-lab van de Universiteit van Wisconsin betoogt dat natriumnitriet in wezen ‘essentieel is voor de gezondheid van de mens, doordat het de bloeddruk regelt, geheugenverlies voorkomt en de wondgenezing 
versnelt’. Een website van de Franse vleesindustrie, info-nitrites.fr, stelt dat het gebruik van ‘de juiste dosis’ nitriet in ham ‘gezonde en veilige’ producten garandeert, en benadrukt dat ham uitstekend voedsel voor kinderen is.

    De baconlobby heeft verrassend genoeg bondgenoten gevonden bij de voorvechters van natuurlijk voedsel. Typ ‘nitraat kanker bacon’ in op Google en je stuit op een aantal artikelen over gezond eten, waarvan enkele zijn geschreven door pleitbezorgers van 
het ‘paleodieet’. Zij betogen dat bacon eigenlijk gezondheidsvoedsel is, waarover ten onrechte kwaad wordt gesproken. De schrijvers melden vaak dat groenten de primaire bron van nitraat zijn en dat het menselijk speeksel veel nitriet bevat. Een veel gedeeld artikel beweert dat stoppen met het eten van bacon net zo absurd zou zijn als proberen te stoppen met ademhalen. Bij deze talloze onlinepleidooien voor de gezondheid van bacon is het moeilijk vast te stellen welke auteurs overtuigd zijn door de vleeslobby, en wie gewoon domme ‘voedingsdeskundigen’ zijn die niet beter weten. Hoe dan ook, deze desinformatie heeft de potentie om duizenden mensen ziek te maken. Het raadselachtige van het geheel is waarom iedereen die misleiding zo gretig accepteert.

    We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken

    Onze steeds verder reikende kennis van de gevaren van bacon heeft weinig schade toegebracht aan de genoeglijke culturele associaties van bacon. Tijdens de research voor dit artikel voelde ik steeds meer walging opkomen ten aanzien van de voortdurende onoprechtheid van de bewerktvleesindustrie. Ik dacht aan ziekenhuiszalen en de verschrikkelijke pijn en ellende van darmkanker. Maar dan herinnerde ik me 
de zondagochtenden dat ik als kind samen met mijn vader in de keuken was en hem bacon zag bakken. Als de bacon klaar was, bakte hij wat stukjes brood in het resterende spekvet tot die 
al het lekkers in zich hadden opgezogen.

    In theorie zou onze gewoonte om gezouten en geconserveerd vlees te eten moeten zijn verdwenen toen halverwege de twintigste eeuw de koelkast zijn intrede deed in de huishoudens. Maar de smaak van eten is zelden rationeel en miljoenen van ons zijn nog steeds gek op het zoutige, rokerige umami-aroma van sissende bacon. We zijn sentimenteel over bacon zoals we dat bij sigaretten nooit zijn geweest, en dat weerhoudt ons ervan redelijk na te denken. De wijdverbreide bereidheid om de roze nitrobacon het veroorzaken van kanker te vergeven, illustreert hoe verscheurd we ons voelen als iets geliefds in onze cultuur schadelijk voor onze gezondheid blijkt te zijn. Onze hersenen kunnen het vreselijke gevoel niet aan dat bacon niet is wat we dachten dat het was, en dus richten we onze woede op de gezondheidsgoeroes die ons waarschuwen voor de gevaren ervan. De reactie van veel consumenten
 op het WHO-rapport van 2015 was: blijf van mijn bacon af!

    In 2010 overwoog de EU het gebruik van nitraat in biologisch vlees te verbieden. Verrassend misschien, maar de Britse industrie van biologische bacon was een fel tegenstander van dat voorgenomen nitraatverbod. Richard Jacobs, de voormalige directeur van Organic Farmers & Growers, een industriële organisatie, zegt dat het verbieden van nitraat en nitriet de ineenstorting van de groeimarkt van biologische bacon zou hebben betekend.

    Biologische bacon waaraan nitraat is toegevoegd klinkt als een contradictio in terminis, aangezien de meeste consumenten van biologisch eten het kopen vanwege hun bezorgdheid over de voedselveiligheid. Als je eerst zo veel moeite hebt gedaan om scharrelvarkens te fokken en ze alleen biologisch voedsel te geven, waarom zou je het vlees dan zodanig bewerken dat het kankerverwekkend wordt? In Denemarken is alle biologische bacon nitraatvrij. Maar de Britse biologische industrie houdt vol dat Britten geen bacon accepteren die er grijsachtig uitziet.

    Het feit dat de consument zijn vertrouwen in roze bacon zo langzaam opgeeft, is echter deels een reactie op de verwarrende manier waarop de gezondheidsboodschap wordt gebracht. Wat betreft bewerkt vlees zijn we niet alleen misleid door de bizarre overdrijvingen van de voedselindustrie, maar ook door de behoedzaamheid van de wetenschap. Op de website van de WHO wordt het schadelijke aspect van met nitriet behandeld vlees zo onduidelijk uitgelegd dat het je helemaal kan ontgaan. Halverwege een stuk over de oorzaken ‘waardoor rood vlees en bewerkt vlees de kans op kanker vergroten’, staat: ‘Tot de kankerverwekkende chemicaliën die ontstaan tijdens het bewerken van vlees, behoren onder andere N-nitrosoverbindingen.’ In normale taal betekent dit dat nitriet bacon kankerverwekkender maakt. Maar in plaats van dat zo direct te formuleren, wijkt de WHO snel uit naar de vraag hoe zowel rood als bewerkt vlees kanker kan veroorzaken, en voegt eraan toe ‘dat het nog niet helemaal duidelijk is hoe het komt dat de kans op kanker toeneemt’.

    Het worstje

    Deze behoedzaamheid heeft ons als consument onnodig in het ongewisse gelaten. Jarenlang heb ik geloofd dat het ongezondste van het typisch Engelse ontbijt het worstje was, en niet de bacon. Voor ik aan de research voor dit artikel begon, had ik durven zweren dat worstjes tot de categorie ‘bewerkt vlees’ behoorden. Op de website van de National Health Service staan ze daar ook foutief onder gerangschikt. Maar het Britse worstje bestaat, in tegenstelling tot een harde worst zoals de Franse saucisson, alleen uit vers vlees, broodkruim, kruiden, zout en E223, een conserveringsmiddel dat niet kankerverwekkend is. Na veel vragen bevestigden twee woordvoerders van het Amerikaanse National Cancer Institute dat je verse worst ‘zou kunnen beschouwen als rood vlees’ en niet als bewerkt vlees, en daarom alleen als ‘mogelijk’ kankerverwekkend. (Ik werd heel blij van het feit dat de meeste worstjes geen bewerkt vlees zijn; denkend aan [het typisch Engelse gerecht] toad in the hole deed ik een vrolijk rondedansje door de keuken.)

    Als je kankerspecialisten vraagt onderscheid te maken tussen de risico’s van het eten van verschillende soorten vlees, worden ze natuurlijk behoedzaam. De twee deskundigen bij het National Cancer Institute vertelden dat vleessoorten die nitriet en nitraat bevatten, in onderzoeken bij de mens ‘consistent in verband worden gebracht met een verhoogd risico op darmkanker’. Maar ze voegden eraan toe 
dat ‘het moeilijk is om nitrosaminen te scheiden van andere mogelijke carcinogenen die aanwezig kunnen zijn in bewerkt vlees zoals bacon.’ Tot die andere verdachte stoffen behoren onder andere heemijzer – een stof die overvloedig aanwezig is in al het rode vlees, bewerkt of niet – en heterocyclische aminen: chemicaliën die in vlees ontstaan bij het bakken. 
Een stuk knapperige, doorgebakken bacon zal veel carcinogenen bevatten, en dat komt niet alleen door het nitraat.

    Naar mijn mening is het probleem met deze redenering dat daarmee de vraag waarom bewerkt vlees zo veel nauwer gelinkt wordt aan kanker dan gebakken rood vlees, niet is beantwoord. Daarvoor is nog geen plausibele verklaring, behalve dan nitraat en nitriet. Maar het is lastig om daar een duidelijke bevestiging voor te zoeken in de data, omdat mensen niet onder klinische observatie in laboratoria eten.

    Het meeste van wat we weten over bewerkt vlees en kanker bij de mens, komt uit de epidemiologie – de studie naar ziekten in hele bevolkingsgroepen. Maar epidemiologen stellen niet het soort gedetailleerde vragen over voedsel waarop de mensen die dat voedsel eten graag een antwoord zouden hebben. Epidemiologische data – gebaseerd op onderzoek naar wat mensen eten – tonen overduidelijk aan dat eetpatronen met veel bewerkt vlees leiden tot een toename van het aantal kankergevallen. Maar er blijkt niet uit waarom, of welk vlees het best of het slechtst is. Zoals Corinna Hawkes van de City-universiteit opmerkt: ‘De onderzoekers vragen niet of je ambachtelijke vleeswaren van de plaatselijke Italiaanse delicatessenzaak eet of de goedkoopste hotdogs die je maar kunt krijgen.’

    Ik zou graag data zien waarbij het risico op kanker 
bij het eten van parmaham wordt vergeleken met het dat bij eten van traditionele bacon, maar geen epidemioloog heeft nog zo’n studie uitgevoerd. Het dichtstbij komt een Franse studie uit 2015, waarin werd aangetoond dat het consumeren van genitrosyleerd heemijzer – zoals aangetroffen in bewerkt vlees – een directer verband had met darmkanker dan het heemijzer dat in vers rood vlees zit. Misschien hebben epidemiologen geen gedetailleerdere vragen gesteld over wat voor soort bewerkt vlees ze eten, omdat ze aannemen dat er geen algemeen alternatief is voor bacon dat zonder nitraat of nitriet wordt gemaakt.

    gettyimages 958962510

    De technologie is aanwezig om op een minder schadelijke manier het roze vlees te maken waar we zo van houden, wat de vraag doet rijzen waarom het oude soort nog steeds zo veel wordt verkocht. Sinds ‘de oorlog tegen de nitraten’ in de jaren zeventig zijn de consumenten in de VS kritischer op nitraat dan die in Europa, en er is veel ‘nitraatvrije bacon’ op de markt. Volgens Jill Pell is het probleem dat de meeste bacon die in de VS als nitraatvrij verkocht wordt, in werkelijkheid niet nitraatvrij is. Het wordt gemaakt met nitraat dat afkomstig is uit een selderijconcentraat, dat weliswaar natuurlijk is, maar in vlees precies dezelfde N-nitrosoverbindingen vormt. Volgens de EU-regels zou bij die bacon niet ‘nitraatvrij’ op het etiket mogen staan. ‘Dit is het smerigste geval van oplichting dat ik in mijn hele leven ben tegengekomen,’ zegt Denis Lynn, directeur van Finnebrogue Artisan, een Noord-Iers bedrijf dat worstjes maakt voor veel Britse supermarkten, zoals Marks & Spencer (M&S). Jarenlang had Lynn gehoopt dat hij zijn assortiment kon uitbreiden met bacon en ham, vertelt hij, ‘maar dat zou ik pas doen als we een manier hadden gevonden om dat zonder nitraat te doen’.

    Toen Lynn hoorde van een nieuw procedé, ontwikkeld in Spanje, om prachtige roze, nitraatvrije bacon te maken, ging hij ervan uit dat het de zoveelste dode mus was. In 2009 ontdekte Juan de Dios Hernandez Canovas, voedingswetenschapper en directeur van voedseltechnologisch bedrijf Prosur, dat als hij bepaalde vruchtenextracten toevoegde aan vers 
varkensvlees, het een verrassend lange tijd roze bleef.

    In januari 2018 gebruikte Finnebrogue deze technologie om daadwerkelijk nitraatvrije bacon en ham in het Verenigd Koninkrijk te introduceren. Deze worden bij [supermarktketens] Sainsbury’s en Waitrose verkocht onder de naam ‘Naked Bacon’ en ‘Naked Ham’, en bij M&S als ‘gemaakt zonder nitriet’. Kirsty Adams, die de leiding had bij de lancering bij M&S, legt uit dat dit vlees ‘niet echt geconserveerd is’. Het is meer vers gezouten varkensvlees dat is geïnjecteerd met een extract van fruit en groenten, en het bederft ook eerder dan een plak ouderwetse bacon – maar dat geeft niet, want het wordt toch bewaard in de koelkast. Omdat het snel geproduceerd kan worden, is het economisch aantrekkelijker om te maken dan de andere nitraatvrije opties, zoals de langzaam gerijpte parmaham. Bij Waitrose kost 
een pakje bacon tegenwoordig 3 pond, wat niet het goedkoopst is, maar ook weer niet onbetaalbaar.

    Ik probeerde de Finnebrogue-bacon van M&S. Het magere rugspek smaakte lekker zacht, een vleugje fruitig. Het had niet de aantrekkelijke textuur of de rokerige diepte van een plakje droog gezouten bacon van de slager, maar ik zou het zo weer kopen als alternatief voor nitrovlees. Niemand van mijn gezin proefde het verschil in de spaghetti amatriciana.

    Nitrietvrije bacon klinkt nog steeds een beetje chic en apart, maar er is niets aparts aan het verlangen om voedsel te eten dat het risico op kanker niet vergroot. Lynn vertelt dat hij, toen hij Prosur voor het eerst sprak over het vruchtenextract, vroeg hoeveel ze hadden verkocht aan de andere grote Britse baconfabrikanten die ze hadden benaderd. Het 
antwoord was ‘niets’. ‘Geen van de grote bedrijven wilde het hebben,’ beweert Lynn. ‘Ze zeiden: “Dat maakt al ons andere bewerkte vlees verdacht.”’
    Maar het valt nog af te wachten hoeveel vraag er bij de consument zal zijn naar nitriet- of nitraatvrije bacon. Ondanks alle ophef rondom bacon en kanker is het niet makkelijk om voor jezelf precies vast te stellen wat voor gevaar je loopt als je een broodje bacon eet. Oké, jaarlijks sterven 34.000 mensen omdat ze bewerkt vlees hebben gegeten, maar de kans is groot dat jij daar niet bij hoort. Ik vroeg een aantal kankerwetenschappers of ze zelf bewerkt vlees aten, en ze gaven allemaal een ander antwoord. Jill Pell zei dat ze meestal vegetarisch at en zelden bewerkt vlees at. Maar toen ik Fabrice Pierre, een Franse deskundige op het gebied van darmkanker en vlees, vroeg of hij ham at, zei hij: ‘Ja, natuurlijk. Maar dan wel met groente erbij.’ (Pierres onderzoek bij het Toxalim-laboratorium heeft aangetoond dat sommige kankerverwekkende effecten kunnen worden geneutraliseerd door het eten van groente.)

    Onze eeuwige twijfel en verwarring over wat we moeten eten is een geschenk voor de baconindustrie. Het verdoezelen van de schadelijke effecten van 
met nitraat en nitriet geconserveerd vlees kreeg een steuntje in de rug door de scepsis die velen van ons hebben ten opzichte van elk dieetadvies. Op het hoogtepunt van de grote baconpaniek van 2015 
zeiden veel intelligente mensen dat het geen kwaad kon de nieuwe classificering van bewerkt vlees als kankerverwekkend te negeren, omdat je nooit moet vertrouwen wat voedingsdeskundigen zeggen. Intussen blijven miljoenen consumenten van ham en bacon, onder wie kinderen, onbeschermd achter. Het bijzonderste van deze hele controverse is hoe weinig publieke verontwaardiging ze heeft veroorzaakt. Ondanks alles zien de meesten van ons bacon nog steeds als een dierbare goede vriend.

    In een ideale wereld zouden we allemaal minder vlees eten, bewerkt of niet bewerkt, zowel vanwege de duurzaamheid en het dierenwelzijn als vanwege onze eigen gezondheid. Maar in de wereld waarin 
we nu leven is bewerkt vlees nog steeds een normale eiwitbron voor miljoenen mensen die het zich niet kunnen veroorloven een heel pakje bakbacon in te wisselen voor een paar plakjes Prosciutto di Parma. Volgens onderzoeker John Kearney is ongeveer de helft van al het vlees dat in ontwikkelde landen wordt gegeten bewerkt, waardoor het een veel universelere gewoonte is dan roken.

    Arme consumenten

    De werkelijke slachtoffers van dit alles zijn niet 
mensen zoals ik, die af en toe een zuurdesembroodje bacon eten in een hipstercafé. De mensen die het zwaarst worden getroffen zijn diegenen – velen met een laag inkomen – voor wie het risico op kanker door het eten van bacon nog wordt vergroot door andere risicofactoren, zoals het eten van vezelarm voedsel met weinig groenten en weinig volkorenproducten. In zijn boek wijst Coudray erop dat miljoenen arme consumenten in de komende jaren zullen 
worden getroffen door darmkanker, als het westerse bewerkte vlees de ontwikkelingslanden verovert.

    Eerder dit jaar startte Michèle Rivasi, een Frans lid van het Europees Parlement, een campagne – in samenwerking met Coudray – voor een verbod op nitriet in alle landen van Europa. Gezien de felheid waarmee de baconindustrie voor haar zaak heeft gevochten, lijkt een algeheel verbod op nitriet niet erg waarschijnlijk.

    Maar behalve een absoluut veto zijn er nog andere dingen die gedaan kunnen worden aan het gevaar van nitriet en nitraat in bacon. Betere informatie zou al een begin zijn. Zoals Corinna Hawkes betoogt, is het ‘verrassend’ dat er vanuit de overheid niet meer moeite wordt gedaan om de mensen te informeren over de risico’s van het eten van ham en bacon, bijvoorbeeld door een waarschuwing op het etiket van bewerkt vlees. Maar waar is de Britse politicus die dapper genoeg is om de kwaliteit van bacon in twijfel te trekken?

    Auteur: Bee Wilson
    Vertaler: Paul Bruijn

  • Aantekeningen van een extreem lang iemand

    Aantekeningen van een extreem lang iemand

    New York Times-journalist Nicholas Kulish is voor Amerikaanse begrippen uitzonderlijk lang. In een essay voor de website Topic beschrijft hij hoe dit zijn identiteit heeft gevormd.

    Ik was altijd een beetje huiverig voor Dick de Dwerg. In mijn favoriete bar in Hongkong, The Globe, noemde iedereen hem accountant Dick als hij in de buurt was, aangezien hij de boekhouding van de bar deed, maar hij had zijn hielen nog niet gelicht of we hadden het over Dick de Dwerg omdat hij klein was. Ik was huiverig voor Dick de Dwerg omdat ik, op mijn tweeëntwintigste, net mijn volwassen lengte had bereikt: iets meer dan twee meter. Ik ging ervan uit dat hij dat pijnlijk zou vinden. Dus toen hij op de barkruk naast me kwam zitten, me van top tot teen opnam en zei: ‘Lijkt me lastig, zo lang zijn,’ dacht ik dat hij me in de maling nam. ‘Hoe bedoel je?’ vroeg ik aarzelend. ‘Je kunt geen schoenen vinden. Je kunt geen broek vinden. Vliegen moet een nachtmerrie zijn.’ ‘Klopt,’ beaamde ik enigszins op mijn hoede. ‘Maar wat weet jij daarvan?’ ‘Ik probeer mijn problemen altijd van de andere kant te bekijken,’ lichtte hij toe. ‘De wereld is gemaakt voor mensen van gemiddelde lengte.’

    Dit gesprek vond zo’n twintig jaar geleden plaats en terugkijkend begrijp ik wel dat Dick zo aardig tegen me was. In zijn ogen was ik jong en klunzig en zat 
ik niet lekker in mijn vel. Terwijl hij zelfvertrouwen uitstraalde. Hij vertelde verhalen over zijn leven als straatartiest, over de tijd dat hij zijn geld had verdiend als clown. ‘Je kent het wel, een beetje jongleren, wat grappen en grollen,’ zoals hij het zelf formuleerde. Hij was inmiddels getrouwd en had een goede baan als accountant. Ik geneerde me voortdurend voor mijn ellebogen, mijn knieën en mijn grote voeten die alle kanten uit staken. Ik stootte geregeld mijn hoofd tegen een lage deurpost. Ik was anders 
en de mensen in Hongkong zagen er geen been in me daar voortdurend op te wijzen. In het voorbijgaan maakten ze sprongen om de bovenkant van mijn hoofd aan te raken, of ze liepen achter me aan, met hun handen in de lucht, tot grote hilariteit van hun vrienden. De vrouwen op de groentemarkt naast mijn huis wezen soms alleen maar naar me en begonnen dan te lachen. Ik geloof niet dat ik in die periode erg gelukkig was. Ik herinner me dat ik een keer een kort verhaal schreef voor mijn vrienden, waarin ik uit een raam sprong maar met mijn enorme voeten bleef haken achter een vlaggenstok, die mijn val brak voordat ik te pletter zou slaan. Mijn lichaam 
en mijn identiteit waren nog niet versmolten. Ter 
verdediging kan ik aanvoeren dat ik geen vrienden 
of familieleden had die ook zo lang waren. Daarnaast was het ook nog eens mogelijk dat ik nog niet was uitgegroeid.

    Ideale lengte

    De gemiddelde Amerikaanse man is net iets langer dan één meter vijfenzeventig. Voor vrouwen is de norm net iets onder de één meter tweeënzestig. De grafiek van de verschillende lengtes ingedeeld naar alle staten van Amerika (gebaseerd op het National Health and Nutrition Examination Survey, een onderzoek uitgevoerd in 2007 en 2008) stopt zo’n vijf centimeter voordat ik aan de beurt ben. Een lengte van één meter achtennegentig is een afrondingsfout, die in de meeste leeftijdscategorieën nog geen tiende van een procent bedraagt.

    Gevraagd naar het aandeel van de bevolking dat langer is dan twee meter, laat een woordvoerder van het National Center for Health Statistics weten: ‘Onze statistici beschikken niet over de middelen om die gegevens te achterhalen.’ Over het algemeen wordt het als indrukwekkend en imponerend gezien wanneer iemand langer is dan gemiddeld. Er zijn onderzoeken die uitwijzen dat iemand die langer is dan gemiddeld meer kan verdienen en zelfs meer kans heeft om een hoge leeftijd te bereiken. Ik loop zonder enig probleem ’s nachts door onbekende steden en word zelden lastiggevallen, er worden hooguit wat opmerkingen gemaakt over mijn lengte. Maar uit veel van die studies blijkt ook dat voor mannen de voordelen van hun lengte in de hogere regionen weer afnemen: vanaf één meter negentig neemt de kans op een langer leven weer af, de kansen op een hoger salaris keren bij één meter achtennegentig. Ik heb al die lengtes gehad en ik 
kan het weten: voor een man is één meter negentig de ideale lengte. Met elke centimeter extra neemt je aantrekkelijkheid af en schuif je op richting rariteit, om te eindigen als een spreekwoordelijke kermisattractie. Anders dan bij veel zeer lange mensen, begon ik pas op latere leeftijd te groeien. Als kind was ik al lang voor mijn leeftijd maar op de middelbare school bleef ik een paar jaar steken. Mijn klasgenoten haalden me in en ik legde me erbij neer dat ik één meter tachtig zou worden, met opmerkelijk grote voeten, schoenmaat 49. Ik was een boekenwurm 
en ik werd gepest door groepjes oudere jongens op school en in de buurt. Niet geheel onterecht, want 
ik had een grote bek en ik wist niet goed waar de grenzen lagen. Ik stopte met basketballen, hoe leuk ik dat ook vond, omdat de coaches wilden dat ik point-guard zou worden in het team van de eerstejaars, terwijl ik tot dan toe alleen center had gespeeld. Mijn laatste schooljaar schoot ik pas echt de hoogte in en in mijn eerste studiejaar was ik één meter negentig. Al was ik voor mijn gevoel nog dezelfde die ik altijd was geweest, mijn omgeving reageerde anders op me. Het is lastig precies vast te stellen maar ik had het gevoel dat ik door mijn lengte meer succes had bij de meisjes en dat ik in zijn algemeenheid iets meer aanzien genoot in de klas. Mijn vrienden vielen me nog wel altijd in de rede, namen me nog steeds in de maling en behandelden me net als alle anderen, maar toch was er een geleidelijke verschuiving merkbaar.

    Ik kan me nog levendig een studentenfeestje herinneren, de bedompte lucht van vele vaten goedkoop bier, de schemerige ruimte slechts verlicht door kerstlampjes. Een medestudent liep expres tegen een kleine, nerdy vriend van mij op, telkens wanneer die zijn wegwerkbekertje kwam vullen. Ik ging naar die student toe, keek hem indringend aan – om niet te zeggen vernietigend – en liep met hem mee naar de achterdeur, waardoor hij vertrok. Ik had een pestkop geïntimideerd en het was opwindend en tegelijkertijd angstaanjagend, intimideren bleek net zo eng als geïntimideerd worden. Vervolgens boezemde ik ook onbedoeld een paar mensen angst in, zowel vrouwen als mannen, werd een paar keer voor monster uitgemaakt, werd aangezien voor Lurch uit The Addams Family en voor Lennie uit Of Mice and Men, die, als mijn geheugen me niet bedriegt, per ongeluk een vrouw wurgde, waarna zijn vriend van normale lengte hem een kogel door het hoofd schoot, als daad van barmhartigheid. En ik bleef maar groeien, ik werd langer dan wie ook in mijn familie, zowel van vaders- als van moederskant. Mijn moeder ging met me naar een endocrinoloog. Er werd bloed afgenomen en een echo gemaakt om te kijken of ik leed aan gigantisme, of aan het syndroom van Marfan, of een andere afwijking die zou kunnen verklaren waarom ik niet was opgehouden met groeien. Ik werd op alles negatief getest, maar tegen de tijd dat ik naar Hongkong ging voor mijn eerste baan, de zomer na mijn afstuderen, was het nog altijd de vraag of ik ooit zou stoppen met groeien, of ik geheel buiten de lengtestatistieken zou komen te vallen. Als je me vraagt wat ik destijds voor iemand was, dan zou ik zeggen: een lezer en een schrijver, de zoon van een immigrant, een fervent reiziger, misschien ook nog wel iemand die te veel praatte. Maar mijn lichaam kwam altijd op de eerste plaats en pas daarna volgde mijn persoonlijkheid, wat ik vanbinnen voor iemand was. Mijn lengte was een gegeven waarmee ik me niet identificeerde, het was een extern gegeven, iets wat ik domweg had meegekregen, iets wat ik pas gaandeweg leerde internaliseren. Misschien geldt dat wel altijd, als het om identiteit gaat. Maar het overkwam mij zo laat in mijn leven dat ik het me scherp bewust was.

    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty
    1922, ’s werelds grootste vrouw, de Californische Nellie B. Lane, naast ’s werelds kleinste man. – © Wiki / Getty

    Vorig jaar kwam op zeker moment het nieuws naar buiten dat het toenmalige hoofd van de FBI, James Comey, die net als ik meer dan twee meter is, zich tijdens een bijeenkomst in januari 2017 achter de gordijnen van het Witte Huis had proberen te verstoppen zodat de president hem niet in het oog zou krijgen. Dit beeld van die reusachtige man die als een enorme kameleon probeert op te gaan in de plooien van de gordijnen was dermate krankzinnig, om niet te zeggen lachwekkend, dat het even iets van lucht gaf aan een land dat op de rand van een constitutionele crisis verkeerde. Maar zelf kon ik me er van alles bij voorstellen. Lange mensen proberen altijd zoveel mogelijk op te gaan in hun omgeving, we proberen 
te voorkomen dat anderen in het theater over onze enorme voeten struikelen, dat onze ellebogen op de dansvloer in iemands gezicht slaan. Een groot deel van onze tijd gaat heen met pogingen onszelf zo klein mogelijk te maken, om niet al zeer in het oog te lopen, hoewel dat haast onvermijdelijk is. Op internet gaat een meme rond van een lange man die een nieuwsgierige onbekende een visitekaartje overhandigt. ‘Ja, ik ben lang,’ staat erop te lezen. De verdere tekst is net even anders in de verschillende versies die de ronde doen. In het ene filmpje staat er: ‘Scherp gezien.’ En dan volgt er een lengte, ‘twee meter’ in het ene geval, ‘twee meter tien’ in het andere geval, gevolgd door ‘serieus, ja,’ bij de eerste lengte, en ‘Nee hoor, geintje,’ bij de tweede. Er volgen meer antwoorden op vragen die niet zijn gesteld, een soort Jeopardy, maar dan eenrichtingsverkeer. ‘Nee, ik ben geen basketballer. En ja, het is heerlijk weer, hierboven.’ De memes die ik heb gezien eindigden allemaal met een variatie op ‘Fijn dat we er even over hebben kunnen praten’. De grap van de meme zit erin dat we die vragen zo vaak hebben gepareerd dat we alle varianten kennen, elke mogelijke wending van het gesprek. Ik krijg ze geregeld opgestuurd, alsof de grap voor mij is bedoeld, terwijl hij eigenlijk juist is bedoeld voor de anderen. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat ik een dergelijk gesprekje voer. Meestal zijn het vragen: ‘Hoe lang ben je?’ of ‘Speel je basketbal?’ Daarnaast zijn er mensen die hun hart bij me willen uitstorten. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb ontmoet voelen de noodzaak om me te vertellen wie er binnen hun familie het langst is. Met name vrouwen vertellen graag over hun vader, hun man of hun broer, over de langste man met wie ze ooit iets hebben gehad of over hun langste collega. Vervelender zijn de discussies, wanneer bijvoorbeeld iemand me op straat staande houdt, vraagt hoe lang ik ben en vervolgens zegt dat ik het mis heb, dat ik volgens hem net even langer ben, of net even kleiner.

    In de kroeg komen de mannen van één meter negentig altijd op me af met de woorden: ‘Hé, meestal ben ik de langste.’ Het heeft iets agressiefs en tegelijkertijd iets zeurderigs, en het gebeurt ongelooflijk vaak. Tijdens het debacle van Comeys ontslag wees ik er geregeld op dat Comey meer dan twee meter was 
en dat Trump beweert één meter negentig te zijn.

    De gesprekken over lengte zijn te prefereren boven de ontmoetingen met mensen die me opnemen alsof ze amateur-antropoloog zijn: ze houden hun handen op, steken hun voeten uit, gaan met hun rug tegen mijn rug staan. Soms gaat het er echter nog grover aan toe. ‘Hoe doen jullie het?’ is me wel eens gevraagd terwijl ik met een kleinere vriendin in een kroeg stond. Maar goed, het komt natuurlijk wel vaker voor dat een of andere griezel dat soort intieme vragen stelt. Meestal zijn de vragen goedmoedig van aard. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Glimlach. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Grijns. ‘Hoe is het weer daarboven?’ Prima. Het houdt domweg niet op. ‘Ik probeer mezelf keer op keer voor te houden dat deze mensen gewoon contact proberen te maken en dat dit nu eenmaal de woorden zijn die van hun lippen rollen,’ aldus de schrijfster Arianne Cohen, die één meter negentig is. In 2009 bracht ze The Tall Book uit, een gedegen verslag van de voordelen die het heeft om heel lang te zijn, en van de uitdagingen die ermee gepaard gaan. ‘De afgelopen tien jaar zijn mannen tot het inzicht gekomen dat het niet altijd gepast is om het uiterlijk van vrouwen te becommentariëren in termen van al dan niet aantrekkelijk, maar opmerkingen over iemands lengte lijken nog wel door de beugel te kunnen.’ Online dating en dating-apps hebben het liefdesleven van lange mensen makkelijker gemaakt, aldus Cohen, en dat geldt zeker voor lange vrouwen die op zoek zijn naar een man die even lang is, of langer.

    Aanvankelijk had Cohen haar ware lengte in haar profiel vermeld, waarop ze werd bedolven onder reacties van mannen ‘met een lengtefetisj, mannen die wilden weten hoeveel ik weeg en wat voor schoenmaat ik heb.’ Ze stelde het bij naar één meter tachtig en de berichtenstroom droogde op. Cohen deed er weer een schepje bovenop: één meter vijfentachtig. Ze krijgt nog wel eens een reactie van een of andere creep, maar daar kan ze 
wel mee leven. Want al zijn die constante vragen over basketballen nog zo irritant, het is wel duidelijk een verbetering. Als we Cohen mogen geloven denken de meeste mensen tegenwoordig dat uitzonderlijk lange mensen miljoenen binnenhalen als profbasketballer, terwijl vroeger werd gedacht dat we in het circus werkten, of bij een freakshow. Dat zou je een vooruitgang kunnen noemen.

    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH
    ’s Werelds langste man, de Turk Sultan Kosen (2,51 meter), bezoekt Sydney. – © Toby Zerna / Newspix / REX / HH

    Wij, lange mensen, begeven ons in het openbare leven en krijgen ongekend veel aandacht, maar toch blijven we een mysterie. Waarom lopen we haast verend en duikend door de metrostellen in New York City, als in een merkwaardige dans? Voeren we een show op, om daarna met de pet rond te gaan? Nee, we willen gewoon ons hoofd niet stoten tegen de metalen rails waar anderen houvast bij zoeken. Bij ons dreunen ze tegen onze slaap of ons achterhoofd, als we niet oppassen. In de metrotunnels maken wij ons vermoedelijk het meeste zorgen om de roestige schroeven die uit het plafond steken en die onze schedel openhalen als we niet uitkijken. Realiseer je dat wij op regenachtige dagen extra moeten uitkijken voor de punten van jullie paraplu’s, die als wrede klauwen in onze zachte delen steken: onze ogen en oren. En in tegenstelling tot mensen van gemiddelde lengte weten wij hoe het zit met plafondventilatoren: het zijn geen helikopterbladen. Als je je hand erin steekt, loop je misschien een bult of een bloeduitstorting op, maar ze zijn niet zo gevaarlijk als je zou denken. Toch sympathiek dat je zo met ons meeleeft! Soms zijn we spionnen in jullie midden. Als jullie ons thuis uitnodigen, weten wij hoe de bovenkant van jullie koelkast eruitziet. (Die moet je nodig schoonmaken. Het is alweer een hele tijd geleden. Geloof me.) Zodra het feestje goed op gang komt, kunnen wij jullie nauwelijks meer verstaan omdat het gesprek zich zo’n dertig centimeter onder ons afspeelt en het lastig is om voortdurend voorovergebogen te staan, met gedraaid bovenlijf. Vind je dat we een rare houding hebben? Dan doen we vermoedelijk de bekkenkanteling, een extreme versie van de contraposto van Michelangelo’s David, om een paar centimeter lager te komen. We zijn ook heel handig. Het spreekt waarschijnlijk voor zich dat jullie bij een concert aan ons vragen of wij even een foto van de artiest kunnen maken, of van jullie zelf, aangezien een foto vanuit een hoger camerastandpunt flatteuzer is. Ik moet altijd grinniken als vrienden op een drukbezocht festival niet besluiten om op een bepaalde tijd bij een bepaald markeringspunt af te spreken, maar gewoon zeggen: ‘Oké, om drie uur bij Nick.’ In een menigte kun je het beste achter ons aan lopen. Wij zien de open plekken, wij zien waar de ruimte ontstaat, wij zien waar de rij voor de wc en de rij voor de drankjes samenkomen en er een menselijke opstopping ontstaat.

    Bij een rij mensen doet zich een van de merkwaardigste fenomenen voor die ik associeer met lengte. Zodra er iemand voordringt zie ik hoofden draaien, zie ik vragende blikken. Pas na enige tijd dringt tot me door dat de meeste mensen naar mij kijken, in een onbewust besluit om mij te belasten met de 
verantwoordelijkheid, en de mensen blijven me aanstaren totdat ik voldoende moed heb verzameld om te roepen: ‘Hé, de rij begint daar, hoor.’ Ik weet niet waarom het zo is, maar in anonieme situaties, waar mensen enkel op het uiterlijk kunnen afgaan, krijgen we stilzwijgend een soort autoriteit toegedicht. Mensen die ik nog nooit van mijn leven heb gesproken vragen me om zware dingen te verplaatsen of iets van een hoge plank te pakken, alsof ik een soort buurtkruiwagen of -ladder ben. Zelf ben ik dan nog het liefst de buurtladder omdat ik dan iets voor anderen kan doen, maar als kruiwagen ben ik niet 
zo geschikt omdat ik, zoals veel lange mensen, last van mijn rug heb. Dit is niet objectief vastgesteld, maar ik heb het idee dat mensen mij ook vaker de weg vragen. Misschien roep ik associaties op met 
een wegwijzer. Als verslaggever die is gespecialiseerd 
in buitenlandprojecten heb ik me neergelegd bij een leven in kleine hotelkamers en krappe vliegtuigstoelen. Ik heb nauw contact met de ergonoom van mijn werk, Tom. Toen ik hem achttien jaar geleden ontmoette, in mijn vorige baan, noemde hij me een ‘onafwendbare computergerelateerde ramp’. Hij legde bakstenen onder de poten van mijn werktafel. Zijn hulpmiddelen zijn inmiddels een stuk geavanceerder, zoals een mechanisch bediende zit-statafel en een reusachtige, op maat gemaakte stoel die door tenminste een van mijn collega’s is vergeleken met de IJzeren Troon van Westeros [uit de tv-serie Game 
of Thrones]. (Hij is bijna net zo groot maar helaas met een kussen van schuim in plaats van omgesmolten metalen zwaarden.) Hoewel veel New Yorkers zich verheugen in de anonimiteit die de stad biedt, bevind ik me in een veel interactievere stad. Als je wilt weten wie dé blanke basketballer van dit moment is, moet je samen met mij door Brooklyn lopen. Kreten als ‘Yo, Nowitzki!’ zijn de opmaat geweest voor nog veel zangerige hommages 
aan de nieuwe, Litouwse forward van de Knicks: 
‘Porzingis!’ Plaats een uitzonderlijk lang iemand in het centrum van de grootsteedse anonimiteit en hij wordt bedolven onder aandacht, zegt Rosemarie Garland-Thomson, hoogleraar lichaamstudies aan Emory University, in het boek van Cohen. ‘Zet zo iemand in een kleinere plaats en op de een of andere manier trekt hij minder bekijks. Er zijn enkele reuzen geweest die min of meer ongehinderd in een klein plaatsje hebben gewoond.’

    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki
    Circa 1930, Jack Earle (2,32 meter), bijgenaamd de ‘Texas Giant’, poseert met iemand die toen een dwerg werd genoemd. Earle werkte jarenlang bij een rondreizend circus en werd later verkoper en fotograaf. – © Getty / Wiki

    In januari ben ik van Hudson in New York, door glibberige sneeuwbui, naar Massachusetts gereden, op zoek naar Asa Palmer, de jongste van drie broers die allemaal net zo lang zijn als ik, of zelfs langer. Toen we klein waren, woonden Palmer en ik bij elkaar om de hoek, in Arlington, Virginia. Hun gezin was beroemd, de lange ouders met de drie superlange zoons die basketbalden. Toen ik tijdens de kerst tegen mijn moeder zei dat ik in het nieuwe jaar een afspraak had met Asa, haalden mijn moeder en zus herinneringen op aan de drie jongens, waarbij ze het vooral veel hadden over de middelste broer, Crawford, de All-American topsporter, drie decennia na zijn avonturen in Arlington. Asa Palmer en ik hadden op amateurniveau gespeeld. Hij begon als center voor het Optimist-basketbalteam, en ik probeerde hem te dekken voor mijn Kiwanis Club, wat steeds moeilijker werd omdat mijn groei tijdelijk tot stilstand kwam terwijl hij gewoon verder 
de hoogte in schoot. Uiteindelijk verhuisden de Palmers en verloor ik ze uit het oog, maar mijn nieuwsgierigheid dreef me er nu toe de besneeuwde wegen van New England te trotseren tijdens de snijdende winterkoude, op zoek naar de jongste zoon van het gezin. Palmer bleek boomchirurg te zijn geworden. Hij had grote, sterke handen en zijn dikke, donkere baard zat vol grijs, de eerste vorst van de middelbare leeftijd diende zich aan. Net op het moment dat ik hem bezocht was hij aan huis gekluisterd vanwege een gebroken enkel. Een deken van januarisneeuw lag over de Berkshire Hills, waar zijn huis staat; ingeklemd tussen een moeras en een begraafplaats. Tegen de lente zal hij weer in boomstronken moeten klauteren, met behulp van een elf millimeter dik nylonkoord – tenzij de boom gekapt moet worden, dan kan hij naar boven klauteren met behulp van speciale schoenen met ijzers, omdat hij zich dan geen zorgen hoeft te maken over de beschadigingen die hij veroorzaakt in de bast en de stam. Palmer en ik dronken Sierra Nevada-bier, we aten kaas en we bekeken foto’s van zijn dochtertje van vier. We lachten om de kwinkslagen die hij had bedacht om de gesprekken over zijn lengte af te kappen. Wanneer iemand vraagt hoe lang hij is, zegt Palmer: ‘Ligt aan de luchtvochtigheid’ of: ‘Ligt eraan hoe laat het is.’ We knikten instemmend, we herkenden van alles, zoals het feit dat we ’s nachts op straat met een boogje om vrouwen heen lopen omdat het overduidelijk is dat ze ons doodeng vinden, alsof het monster van Frankenstein weer tot leven is gekomen. Hij vroeg of ik ook zo verschrikkelijk veel moeite had om schoenen en broeken te kopen in deze wereld van one-size-fits-all, en hij informeerde naar het littekenweefsel boven op mijn hoofd. We deelden ons leed over het voeteneinde van veel bedden, om nog maar te zwijgen van vliegtuigstoelen. We hadden het erover dat we niet meer in de achtbaan durfden, als de dood dat de veiligheidsbeugel niet goed sluit en dat we in een bocht of tijdens een loop uit het stoeltje geslingerd worden. (Veel achtbanen werken met een maximumlengte: wie langer is dan één meter vijfennegentig mag bij Six Flags niet in de Mind Eraser en boven de twee meter mag je niet in de Batwing Coaster. Ik heb ooit in Guatemala een tokkelbaan gedaan en kwam met een bloederige streep bij mijn slaap beneden aan; ik was te lang en de kabel brandde in mijn huid terwijl ik naar beneden scheerde. Palmer herinnerde zich de vervreemding van zijn lichaam dat maar langer en langer werd, wist nog precies hoe het voelde om in de brugklas ‘een tandenstoker te zijn met voeten die uit het niets de lengte in schoten.’ Hij herinnerde zich dat hij in zijn jeugd de verwarmingen hoorde trillen wanneer zijn vader, die één meter achtennegentig was, in de kelder met het wasgoed bezig was en zijn hoofd stootte tegen de leidingen. Ook herinnerde hij zich de gesmoorde kreten van pijn. (Palmer deed het voor me na – de kreet van een vliegend reptiel uit de prehistorie.) Hij moest lachen bij de herinnering. Palmer lachte veel om de beproevingen van lange mensen en het zal niemand verbazen dat hij een diepe, resonerende lach heeft. Zo haalde hij herinneringen op aan de keer dat hij op zijn negentiende met een vriendin naar het Foxboro Stadium ging, voor een optreden van Elton John en Billy Joel. Er kwam steeds iemand van het stadium zijn kant op, en die scheen dan met een zaklamp in Palmers ogen. Hij had geen idee wat hij verkeerd deed totdat iemand riep: ‘Ga toch zitten, man!’ En dan was er nog de familievakantie naar Peru met zijn vader, die Latijns-Amerikaanse politiek doceerde. Daar zag hij hoe de plaatselijke bevolking keurig in de rij ging staan om een voor een op de foto te gaan met Walter, zijn oudste broer – enkel en alleen omdat Walter langer was dan twee meter tien.

    Walter deed precies wat iedereen denkt dat lange mensen doen: hij speelde in de NBA, een tijdje bij de Utah Jazz en de Dallas Mavericks. De middelste zoon van de Crawfords, die twee meter vijf is, sprong er al op de middelbare school uit en ging bij de Duke Blue Devils spelen. Hij zou later het Franse kampioenschap binnenhalen als een professionele, internationale speler. Ook won hij met zijn team zilver op de Olympische Spelen van 2000 in Sydney. Palmer heeft zich, anders dan ik, nooit geschaamd voor zijn lengte. Hij heeft geen idee waarom of wanneer zijn familie de hoogte in is geschoten – ze komen niet uit Zuid-Soedan of de Balkan, zoals mijn familie, het 
is gewoon een echt blank, Amerikaans allegaartje – maar naast de één meter achtennegentig van zijn vader, was zijn moeder ook al één meter zevenentachtig. ‘Ik herinner me dat ze het er een hele tijd geleden over hadden, met mijn broer, geloof ik, en zij hadden iets van: “Het is juist iets om trots op te zijn. Je moet je rug recht houden.”’ Palmer zei ook tegen me: ‘Als je over de twee meter tien bent, dan kijkt echt iedereen naar je. Walt trekt zich daar helemaal niets van aan. Bij een concert gaat hij gewoon vooraan staan omdat hij het allemaal al eens heeft meegemaakt.

    Zelfs bij mij werkt het zo, ik vind hem ook lang. Maar ik vind het heerlijk om omhoog te kijken wanneer ik met iemand praat. Dat gebeurt me echt zelden.’ Tijdens ons gesprek rende zijn dochtertje door het huis, een en al energie, nu al lang voor haar leeftijd. Ik herhaalde het grapje dat ik vaker maak, dat als ik ooit kinderen krijg, mijn dochter één meter vijfennegentig wordt en mijn zoon één meter vijfenzestig en dat ze me allebei zullen verafschuwen. Maar bij Palmer thuis speelde dat helemaal niet. ‘In deze familie zie je dan bijvoorbeeld zijn nichtjes van één meter negentig en één meter drieënnegentig, prachtige lange vrouwen die zich op geen enkele manier druk maken om hun lengte,’ zei Asa’s vrouw Wenonah. Zelf is ze één meter zeventig, net iets langer dan gemiddeld maar ruim binnen de gebruikelijke marges. ‘Het is een wonder, het is fantastisch, en ik ben er enorm blij om.’ In mijn familie is niemand zo lang als ik. Als je afwijkt, heb je mensen in je omgeving nodig die dat begrijpen, die de problemen zien maar die er ook om kunnen lachen. Zo’n voorbeeld heb ik nooit gehad, ik heb nooit een Walter gehad om me duidelijk te maken dat ‘lange mensen heel normaal zijn en dat iedereen het prima vindt en dat er echt niets raars aan is,’ zoals Asa zei. ‘Het is iets om trots op te zijn,’ hielp hij me herinneren.

    Auteur: Nicholas Kulish
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Anna Peisl / Getty Images

    Topic
    Verenigde Staten | topic.com

    In 2017 opgerichte foto-, video- en 
verhalensite van First Look Media, het mediabedrijf van journalist Glenn Greenwald en documentairemaker Laura Poitras. 
De verhalen op topic.com gaan altijd 
over één thema, dat maandelijks wisselt.

  • Gezocht: 
uw doodgewone hersenen

    Gezocht: 
uw doodgewone hersenen

    Hersenonderzoekers zitten te springen om gezonde hersenen. Maar donoren zijn schaars. Daarom benaderen ze nu zelfs specifieke groepen, zoals nonnen.

    Neuroloog David Bennett, 
die in Chicago aan het hoofd staat van een centrum voor onderzoek naar de ziekte van Alzheimer, stond half oktober in Saint Louis voor een auditorium vol nonnen. 
Zijn doel was om hen over te halen 
hun hersenen ter beschikking te 
stellen aan de wetenschap.

    Bennett grapt wel eens dat politici een kamer in kunnen lopen en mensen hun geld afhandig maken. ‘Maar ik 
kan een kamer inlopen en mensen 
hun hersenen afhandig maken.’ Wat Bennett betreft is het urgenter dan ooit dat mensen hun hersenen doneren. Er zijn steeds meer hersenen nodig voor wetenschappelijk onderzoek, omdat er steeds meer geld is voor onderzoek naar hersenaandoeningen, ouderdomshersenziekten vaker voorkomen, de instrumenten waarmee hersenen onderzocht worden steeds geavanceerder worden, en het besef groeit dat onderzoek aan dieren niet altijd voldoende inzicht geeft in 
ziekten bij mensen. De beste behandelmethode blijft dan buiten beeld.

    Een groot probleem bij het onderzoek is dat de onderzochte hersenen 
(Bennett beheert in Chicago een enorme voorraad ingevroren hersenweefsel) meestal sporen vertonen van vergevorderde alzheimer of van andere ziekten die leiden tot dementie. 
Relatief gezonde hersenen daarentegen, die wetenschappers in staat 
stellen om achter de precieze oorzaak van dementie te komen, en te ontdekken wat ons ertegen beschermt, zijn veel zeldzamer.

    Om dat tekort te verhelpen zijn Bennett en andere wetenschappers nu hard bezig om voorraden aan 
te leggen van een kostbaar goed: de hersenen van mensen als zuster Carleen Reck. Deze vrome non besloot na een van Bennetts spreekbeurten gehoor 
te geven aan zijn verzoek hersenen te doneren; zij tekende meteen een donorverklaring.

    Mensen met hersenziekten liggen zelden in ziekenhuizen waar hun gevraagd wordt om hun hersenen te doneren

    Ondanks haar tachtig jaar is Reck nog scherp van geest en gezond als een vis. Zij is altijd actief geweest in haar gemeenschap en leidde zeventien jaar lang een organisatie die voormalige gevangenen hielp 
te herintegreren. Sinds haar pensioen bezoekt zij parochieleden, doet de boekhouding en leert melodion spelen, een toetsinstrument waarop geblazen moet worden. ‘Ik heb pas één optreden weten te regelen,’ zegt ze bescheiden.

    Bennetts collectie hersenweefsel is een van de 
zogenaamde hersenbanken die het land rijk is. Onderzoekers halen er het materiaal vandaan voor hun hersenenexperimenten. Sommige van deze 
hersenbanken zijn gespecialiseerd in materiaal voor onderzoek naar ouderdomsziekten. Onlangs vormden zes van deze instellingen de NeuroBioBank, 
een door het Nationaal Institute of Health (NIH) geïnitieerd netwerk dat de verdeling van hersen-materiaal soepeler moet laten verlopen.

    ‘Als maar één procent van alle Amerikanen met en zonder hersenziekten hun hersenen zouden doneren voor wetenschappelijk onderzoek, dan zou dat een revolutionaire vooruitgang betekenen bij het diagnosticeren, voorkomen en genezen van hersenziekten’ schreef een groep NIH-directeuren vorig jaar in een pleidooi voor hersendonaties. Het ging hun daarbij vooral om gezonde hersenen.

    Uiteraard moeten onderzoekers ook naar zieke 
hersenen kijken, maar die kunnen ze nooit goed begrijpen zonder ze met gezonde hersenen te vergelijken. Zo is in de hersenen van mensen die qua 
cognitie en functioneren geen problemen hadden bijvoorbeeld een type kluwens gevonden dat neuronen kan doden. Deze kluwens vertonen een sterke associatie met de ziekte van Alzheimer, maar schijnbaar kunnen sommige mensen ondanks deze 
tekenen van hersenbeschadiging heel oud worden. Bij sommigen gaan ze gepaard met alzheimer of 
parkinson, anderen ondervinden er geen last van. ‘Zo’n ontdekking kan nieuwe therapieën opleveren,’ vertelt Bennett.

    Griezelig

    Neurowetenschapper Sabina Berretta van de Harvard Medical School vertelt dat gedoneerde gezonde 
hersenen onderzoekers steeds meer inzicht geven in de werking van de hersenen. Zelf ontdekte Berretta een paar jaar geleden samen met haar collega’s, diep verborgen in de tussencelvloeistof, nog onbekende structuren.

    Tot voor kort werd de tussencelvloeistof gezien 
als een kleverig goedje louter bedoeld om cellen bij elkaar te houden. Volgens Berretta blijkt het echter fascinerende functies te hebben, niet alleen tijdens de ontwikkeling van de hersenen maar ook als ze volgroeid zijn.

    Samen met haar collega’s ontdekte ze dat er in gezonde hersenen veel meer van deze mysterieuze structuren – inmiddels CS-6 clusters gedoopt – zaten dan in de hersenen van mensen met schizofrenie of een bipolaire stoornis.

    ‘We komen er langzaam achter dat deze structuren in de hersenen een belangrijke rol spelen bij het 
verwerken van onze ervaringen,’ vertelt Berretta. 
Ze benadrukt dat niet alleen in haar laboratorium recentelijk zulke ontdekkingen zijn gedaan.

    ‘We merken hoe weinig we eigenlijk nog maar van 
de menselijke hersenen afweten,’ aldus Berretta.

    Helaas is het veel eenvoudiger om donoren te vinden voor bloed of voor organen dan voor hersenen. Mensen met hersenziekten liggen zelden in ziekenhuizen waar hun gevraagd wordt om hun hersenen te doneren. En al is de NIH met de NeuroBioBank gestart, de organisatie gaat zich niet actief inzetten voor hersendonatie, zoals het Rode Kruis wel bloeddonatie werft.

    De directeur van de NIH NeuroBioBank, Michelle Freud, zegt erover: ‘Het klinkt griezelig: “De regering wil je hersenen hebben.” Daarom houden we ons liever afzijdig.’ Mensen als Bennett en Berretta zullen dus zelf aan de bak moeten.

    Bennett werft al lang donoren en geeft met dat doel op allerlei plekken voordrachten, van de arme buitenwijken van Chicago tot in verzorgingshuizen. Het was een gouden ingeving van hem dat nonnen en priesters misschien best hun organen zouden willen afstaan als het voor een goed doel is. Inmiddels werkt Bennett samen met 45 religieuze ordes in het hele land. 
Hij kijkt zelfs over de grens. ‘In Brazilië bestaat een wet die zegt dat je een autopsie moet ondergaan als er op je overlijdensverklaring geen doodsoorzaak staat. Daarom zijn overal in het land autopsiecentra opgericht.’ Van 
het NIH kreeg hij een beurs om in 
Amerikaanse autopsiecentra met familieleden over hersendonatie te spreken. Berretta op haar beurt wil sociale media gaan gebruiken om donatie te stimuleren. (‘Met een 
hersendonatie doe je kennis cadeau’, luidt een van haar slagzinnen.) Hiervoor moet ze nog wel toestemming krijgen van het Institutional Review Board, een langdurig proces, maar een vereiste voor al het onderzoek aan menselijk weefsel. Ook werkt zij samen met organisaties voor maatschappelijk werk, die veel ervaring hebben met het voeren van serieuze gesprekken op 
kritieke momenten in een mensenleven. Wellicht zijn zij in de positie om stervenden vriendelijk te vragen hun hersenen af te staan.

    Neuroloog David Bennett, hoofdonderzoeker aan het centrum voor de ziekte van Alzheimer in Chicago.
    Neuroloog David Bennett, hoofdonderzoeker aan het centrum voor de ziekte van Alzheimer in Chicago.

    Hersenbanken in New York en Baltimore werken samen met lokale patholoog-anatomen, die hen in contact kunnen brengen met familieleden. 
Die kunnen dan voorzichtig worden benaderd met de vraag of zij de hersenen van een overleden verwante af willen staan.

    Een veelbelovend nieuw kanaal waarlangs hersenen ter beschikking komen is de vorig jaar opgerichte liefdadigheidsorganisatie Brain Donor Project. Initiatiefnemer is Tish Hevel, een communicatiespecialist en voormalig nieuws-redacteur die tot haar vader in 2014 gediagnosticeerd werd met Lewy body dementie, vrijwel niets van }hersendood afwist. De familie doneerde na zijn overlijden in maart van het jaar daarop zijn hersenen aan de NeuroBioBank. Hevel: ‘Dat bleek zo ingewikkeld dat we naar het NIH toestapten en zeiden: we gaan jullie helpen.’

    Sinds de oprichting van de organisatie een jaar geleden tekenden al ruim duizend hersendonoren in 
vijftig Amerikaanse staten een donorverklaring. Hevel schat dat ongeveer een derde van deze donoren als gezonde controlepersonen aangemerkt zullen worden, al zullen sommigen tegen de tijd dat ze overlijden ook een hersenziekte hebben.

    Net als Bennett en Berretta beschouwt Hevel elke donatie als een onschatbare daad van wetenschappelijke liefdadigheid. ‘De hersenen vormen de basis van je identiteit,’ zegt Hevel. ‘Als je zoiets in je handen houdt, besef je hoe enorm belangrijk en betekenisvol zo’n gift is.’

    Als de non Reck sterft, zal binnen enkele uren haar hoofdhuid tot aan haar wenkbrauwen worden afgestroopt, haar schedel opengemaakt, het ruggenmerg doorgesneden en haar hersenen verwijderd. En 
terwijl haar lichaam klaar wordt gemaakt voor de begrafenis, zullen haar hersenen op weg gaan naar hun laatste rustplaats in Chicago. Een patholoog zal de hersenen in tweeën snijden en er vervolgens 
pannekoekdikke plakken vanaf snijden, die stuk voor stuk onderzocht worden op afwijkingen. Dan gaat 
de ene helft de diepvries in en de andere helft in een bak met formaline, waar die blijft liggen totdat een onderzoeker erom vraagt. En als haar hersenen geen sporen van alzheimer of andere ouderdomsziekten vertonen, zullen Recks hersenen, in Bennetts 
woorden, een ‘extreem waardevolle’ aanwinst zijn, juist omdat ze zo doodgewoon zijn.

    ‘Als ik dood ben heb ik toch niets meer aan mijn 
hersenen,’ antwoordt Reck op de vraag waarom zij ervoor koos donor te worden. ‘Dus waarom niet?’

    Auteur: Rae Ellen Bichell
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Openingsbeeld: Nonnen in Vaticaanstad. – © Franco Origlia / Getty Images

    Undark
    VS | undark.org

    Undark is een Amerikaans onlinetijdschrift over het snijvlak van wetenschap en samenleving, ‘de plek waar wetenschap zich doet gelden in de politiek, in de economie, voelbaar en wezenlijk wordt in ons leven van alledag’. De naam is rechtstreeks ontleend aan de merknaam waaronder de US Radium Corporation tussen 1917 en 1938 een lichtgevende verf op de markt bracht die voornamelijk werd gebruikt op de wijzerplaten van klokken en horloges. Velen, voornamelijk vrouwen, de zogeheten Radium Girls, die er in fabrieken mee moesten werken, werden ziek en sommigen gingen dood aan radiumvergiftiging. Ze hadden de gewoonte om aan de penselen te likken waarmee ze de verf op wijzerplaten moesten aanbrengen. Het magazine wordt gefinancierd door de onafhankelijke Knight Foundation, een fonds opgericht door en genoemd naar mediamagnaten uit het predigitale tijdperk. Artikelen uit Undark worden met regelmaat overgenomen door tijdschriften als The Atlantic, Mother Jones, Scientific American en Newsweek.

  • ‘Mannenpil’ krijgt nieuwe kans

    ‘Mannenpil’ krijgt nieuwe kans

    Het Amerikaanse ministerie van Gezondheid start binnenkort een klinische trial met een hormonaal anticonceptiemiddel voor mannen. De farmaceutische industrie reageert afwachtend, want is er wel vraag naar?

    Ruim een halve eeuw na de uitvinding van de anticonceptiepil voor vrouwen lijkt een equivalent voor mannen nog mijlenver weg. Door dit manco resten er voor de heren niet veel alternatieven: het condoom, een vasectomie of het aloude en riskante voor het zingen de kerk uitgaan. Een hormonale methode zoals die voor vrouwen bestaat, is er nog niet.

    Begin dit jaar vindt een internationale klinische trial plaats die hierin verandering kan brengen. Onder leiding van het Amerikaanse ministerie van Gezondheid (NIH) wordt bij 420 stellen uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Zweden, Italië, Chili en Kenia een hormonale anticonceptiegel voor mannen uitgetest. In de eerste fase moeten de mannen elke dag in de buurt van hun schouders een gel aanbrengen. Dit moeten ze twee à drie maanden lang volhouden, de gemiddelde duur van het proces van spermatogenese [de aanmaak van sperma]. Heeft de gel het gewenste effect, dan zou hierna de concentratie spermacellen radicaal afgenomen moeten zijn, van tientallen miljoenen tot minder dan één miljoen spermacellen per milliliter sperma. Onder die grens wordt zaad als steriel beschouwd. Daarna worden de proefpersonen een jaar lang nauwgezet gevolgd, om te zien of het middel inderdaad werkt en vooral ook om mogelijke bijwerkingen te registreren. In het verleden zijn vanwege vervelende bijwerkingen al meermaals klinische trials stopgezet.

    Het onderliggende principe van hormonale anticonceptie is bij mannen en vrouwen in feite hetzelfde: het verstoort het subtiele hormonale evenwicht dat nodig is voor de productie van gameten (sperma- of eicellen). ‘De pil voor vrouwen bevat kleine hoeveelheden oestrogeen en progestageen, hormonen die de ovulatie verhinderen,’ vertelt Serge Nef van de vakgroep Medische genetica en ontwikkelingsbiologie van de Universiteit van Genève. Toch is deze methode ‘veel moeilijker te gebruiken bij mannen’, voegt uroloog Patrice Jichlinski van het universitair ziekenhuis van Lausanne daaraan toe. Onder andere komt dat door de hoeveelheid gameten die de twee seksen produceren: bij vrouwen hoeft maandelijks maar één eicel geblokkeerd te worden, terwijl het bij mannen om miljoenen spermacellen gaat.

    Testosteron

    Om die toch allemaal af te stoppen, bevatte de eerste ‘mannenpil’ testosteron, een hormoon dat de teelballen van nature produceren; als er daarvan veel in het lichaam aanwezig is, houdt dat de aanmaak van spermacellen tegen. Nadeel was echter dat de pil ook andere functies verstoorde waarin testosteron een rol speelt, zoals het libido en de aanmaak van rode bloedcellen. ‘Zelfs de spiermassa nam erdoor af,’ vertelt Nef. ‘Er is een vrij hoge dosis testosteron voor nodig om spermatogenese te verhinderen, maar tegelijkertijd mag die ook weer niet te hoog zijn, zodat alle andere functies gewoon door kunnen gaan. Het is dus een kwestie van dosering,’ zo vat hij het probleem samen. Andere vormen van hormonale anticonceptie, zoals de gel die het NIH binnenkort uittest, bevatten een mix van testosteron en progestageen. Het doel is om de testosteronconcentratie in de teelballen omlaag te brengen terwijl die in het bloed op een normaal niveau blijft.

    Al in 2012 werd een pilotstudie met de gel gedaan, al was het recept toen ietsje anders. Onderzoekers van het Eunice Kennedy Shriver-instituut voor kindergeneeskunde en menselijke ontwikkeling in het Amerikaanse Bethesda zagen de concentratie spermacellen toen bij 89 procent van de proefpersonen onder de kritische grens van één miljoen per milliliter zakken, zonder dat er noemenswaardige bijwerkingen optraden.

    Als de nieuwe proef succesvol verloopt, zullen er rond 2020 eerst nog andere klinische trials volgen. De gel zal dus voorlopig nog niet op de markt komen. ‘We moeten er natuurlijk ook heel zeker van zijn dat het proces omkeerbaar is,’ vertelt Jichlinski.

    Welke rol speelt de industrie in dit alles? ‘Voor zover ik weet is die niet bezig met een anticonceptiepil voor mannen,’ zegt Nef. ‘Dat komt waarschijnlijk doordat het voor farmaceutische bedrijven niet rendabel is om zo’n medicijn te ontwikkelen, helemaal als je bedenkt hoe goedkoop de anticonceptiepil voor vrouwen is.’ Het is een groot risico om miljoenen uit te geven aan de ontwikkeling van een goedkope pil waarvan onduidelijk is of het publiek die wel wil gebruiken en die misschien op de plank blijft liggen. ‘Het is geen toeval dat het ministerie van Gezondheid deze trial leidt,’ aldus Nef.

    Een toename van het aantal anticonceptiemethoden is bepaald geen overbodige luxe

    Het onderzoek op dit gebied vordert inderdaad maar langzaam. Een ander product, Vasalgel, dat de spermacellen in de zaadleider blokkeert, is bijvoorbeeld nog steeds niet uitgetest. Bij nog een ander middel, geïnspireerd op een traditionele Indonesische methode op basis van de plant gendarussa, wacht men nog op de eerste voorlopige testresultaten.

    Een toename van het aantal anticonceptiemethoden is overigens bepaald geen overbodige luxe. Wereldwijd is volgens het Guttmacher Instituut naar schatting 40 procent van de zwangerschappen ongewenst. Daarnaast is het goed voor de gelijkheid tussen de seksen als mannen de verantwoordelijkheid voor anticonceptie helpen dragen. De socioloog Cyril Desjeux, auteur van een proefschrift over de praktijk, beeldvorming en verwachtingen omtrent mannenanticonceptie, verwoordde het in 50 /50 Magazine [een Franse informatiesite over gelijkheid tussen de seksen] als volgt: ‘Anticonceptie moet helemaal niet worden gezien als iets voor mannen of voor vrouwen, maar als een normaal onderdeel van de seks tussen personen van verschillend geslacht. Het is dus een zaak van zowel mannen als vrouwen.’

    Auteur: Fabien Goubet
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Le Temps
    Zwitserland | oplage 49.000

    Voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers. Oorspronkelijk gefinancierd door de private bankers uit 
Genève, sinds april 2015 bezit van de Zürichse persgroep Ringier. De krant werkt samen met o.a. Le Monde en The New York Times.

  • Hoe korter je slaapt, hoe korter je leeft

    Hoe korter je slaapt, hoe korter je leeft

    Vooraanstaand neurowetenschapper Matthew Walker legt uit waarom slaaptekort de kans vergroot op kanker, hartaanvallen en alzheimer – en wat eraan te doen valt.

    Matthew Walker is in de loop der jaren huiverig geworden voor de vraag: ‘Wat doe jij voor werk?’ Op feestjes is voor hem de lol er dan wel af; als hij antwoord geeft op die vraag komt hij de rest van de avond niet meer van zijn gesprekspartner af. In een vliegtuig betekent het meestal dat Walker, terwijl de andere passagiers lekker naar een film kijken of een thriller lezen, uren achtereen salon houdt voor zowel medepassagiers als bemanning. ‘Ik hang steeds vaker een leugentje op,’ zegt hij. ‘Serieus. Ik zeg gewoon dat ik dolfijnentrainer ben. Dat is voor iedereen beter.’

    Walker is slaaponderzoeker. Om precies te zijn: hij staat aan het hoofd van het Center for Human Sleep Science aan de University of California, in Berkeley, een onderzoeksinstituut met de – wellicht onhaalbare – doelstelling om alles aan de weet te komen over het belang en de effecten van slaap voor de mens, van geboorte tot dood, in goede of slechte gezondheid. Het is dan ook geen wonder dat mensen aan zijn lippen hangen. Naarmate werk en vrije tijd meer in elkaar overlopen, kom je nog maar zelden iemand tegen die zich níét druk maakt over slapen. Maar we kunnen nog zo serieus kijken naar de wallen onder onze ogen, de meeste mensen hebben maar bar weinig verstand van zaken – en misschien is dat wel de werkelijke reden dat Walker niet meer aan onbekenden vertelt wat hij voor werk doet.

    Slaaptekortepidemie

    Wanneer Walker over slapen begint, kan hij zich er niet met een gerust geweten toe beperken om op zachte toon geruststellende mededelingen te doen over kamillethee en een warm bad. Hij is ervan overtuigd dat er een ‘catastrofale slaaptekortepidemie’ is uitgebroken, waarvan de gevolgen veel ernstiger zijn dan wij ons nu kunnen voorstellen. Deze ontwikkeling kan alleen worden doorbroken wanneer de overheid ingrijpt, is zijn stellige overtuiging.

    Walker heeft de afgelopen vierenhalf jaar gewerkt aan zijn boek, Why We Sleep, een complex maar belangrijk werk, waarin wordt ingezoomd op de gevolgen van deze epidemie, vanuit het idee dat mensen, zodra ze zich eenmaal bewust zijn van de sterke relatie tussen slaapgebrek en onder andere alzheimer, kanker, suikerziekte, overgewicht en geestelijke problemen, eerder hun best zullen doen om de acht uur slaap per nacht te halen (alles ónder de zeven uur wordt beschouwd als slaapgebrek, al zal dat de Donald Trumps van deze wereld ongeloofwaardig in de oren klinken). Maar er zijn grenzen aan wat je als individu kunt bewerkstelligen. Walker wil ook grote bedrijven en wetgevers overtuigen van zijn ideeën. ‘Geen enkel facet van ons lichamelijk functioneren is ongevoelig voor slaaptekort,’ zegt hij. ‘Het dringt door tot alle hoeken en gaten. En toch komt niemand in actie. Er zullen dingen moeten veranderen: op het werk en in de samenleving, thuis en in ons gezin. Maar is er ooit een voorlichtingscampagne geweest waarin mensen werden aangespoord om goed te slapen? Is er ooit een dokter geweest die geen slaappillen voorschreef, maar slaap?
    Het onderwerp moet meer prioriteit krijgen, het moet gestimuleerd worden. Slaaptekort levert de Engelse economie een jaarlijks verlies op van dertig miljard pond, ofwel twee procent van het bruto nationaal product. Ik zou het budget voor gezondheidszorg kunnen verdubbelen als er maar een krachtig beleid zou worden gevoerd om slapen te stimuleren.’

    ‘Het aantal mensen dat met vijf uur slaap of minder toe kan zonder daar nadelige gevolgen van te ondervinden, uitgedrukt in percentages van de totale bevolking, en afgerond op hele getallen, is nul’

    Waarom hebben we eigenlijk zo’n groot slaaptekort? Wat is er de afgelopen vijfenzeventig jaar gebeurd? In 1942 probeerde minder dan acht procent van de bevolking het te doen met zes uur slaap per nacht of minder; in 2017 geldt dat voor bijna een op de twee mensen. De redenen lijken nogal voor de hand te liggen. ‘Ten eerste hebben we de nacht van stroom voorzien,’ zegt Walker. ‘Licht is zeer ondermijnend voor de slaap. Ten tweede is er het werk: niet alleen de poreuze randen van de werkdag, maar ook een langere reistijd. Niemand wil tijd voor zijn gezin of voor leuke dingen inleveren, dus wordt er slaap ingeleverd. Angst speelt ook een rol. Als maatschappij zijn we eenzamer, gedeprimeerder. Alcohol en cafeïne zijn ruim voorhanden. Allemaal vijanden van de slaap.’

    Maar Walker is er ook van overtuigd dat in de westerse wereld slaap wordt geassocieerd met zwakte, om niet te zeggen schaamte. ‘We hebben slaap gestigmatiseerd, we hebben er het etiket lui op geplakt. We willen de boodschap uitzenden dat we druk zijn, en een manier om dat duidelijk te maken is door te benadrukken dat we weinig slapen. Het is een soort onderscheidingsteken. Als ik een lezing geef, blijven mensen na afloop soms wel drie kwartier hangen, tot iedereen weg is, en dan zeggen ze zachtjes tegen me: “Het lijkt erop dat ik zo iemand ben die acht of negen uur slaap nodig heeft.” Het is gênant om dat in het openbaar te zeggen. Liever blijven ze drie kwartier wachten dan dat ze dit openbaar opbiechten. Ze zijn ervan overtuigd dat ze abnormaal zijn, en geef ze eens ongelijk. We bekritiseren mensen die veel zouden slapen, terwijl het uiteindelijk gewoon om een toereikend aantal uren gaat. We beschouwen ze als luiwammesen. Niemand zal ooit, bij het zien van een slapende baby, zeggen: “Wat een luie baby!” We weten dat slaap voor een baby onontbeerlijk is. Maar dat idee laten we snel los [wanneer we ouder worden]. Mensen zijn de enige dieren die zichzelf om onduidelijke redenen bewust slaap ontzeggen.’ Voor wie het zich mocht afvragen: het aantal mensen dat met vijf uur slaap of minder toe kan zonder daar nadelige gevolgen van te ondervinden, uitgedrukt in percentages van de totale bevolking, en afgerond op hele getallen, is nul.

    De wereld van de slaapwetenschap is betrekkelijk klein. Maar hij maakt een exponentiële groei door, zowel door de vraag (de veelsoortige en toenemende druk als gevolg van de epidemie) als door de nieuwe technologie (zoals elektronische en magnetische hersenstimulatoren) die onderzoekers ‘VIP-toegang’ tot het slapende brein verlenen, om de woorden van Walker te gebruiken. Walker, vierenveertig jaar en geboren in Liverpool, is al meer dan twintig jaar werkzaam op dit terrein en heeft zijn eerste onderzoek gepubliceerd toen hij nog maar net eenentwintig was. ‘Ik zou met alle plezier zeggen dat ik al vanaf mijn kindertijd geïnteresseerd was in verschillende stadia van bewustzijn,’ zegt hij. ‘Maar als ik eerlijk ben, was het een kwestie van toeval.’ Hij ging medicijnen studeren in Nottingham. Maar hij kwam er al snel achter dat hij geen arts moest worden – hij was meer geïnteresseerd in vragen dan in antwoorden – en hij stapte over op de neurowetenschap. Na zijn studie begon hij aan een promotie in de neurofysiologie, ondersteund door het Medical Research Council. Tijdens zijn promotieonderzoek stuitte hij op het domein van de slaap.

    ‘Ik onderzocht hersengolfpatronen van mensen met verschillende vormen van dementie, maar ik slaagde er maar niet in verschillen te vinden,’ zegt hij over die tijd. Tot hij op een nacht een wetenschappelijk artikel las waardoor alles veranderde. Het artikel beschreef welke delen van de hersenen door verschillende vormen van dementie worden aangetast: ‘Sommige vormen tasten delen van de hersenen aan die verband houden met gecontroleerde slaap, terwijl andere vormen die slaapcentra ongemoeid laten. Ik begreep wat ik fout deed. Ik had de hersenactiviteit van mijn patiënten gemeten terwijl ze wakker waren, maar ik had dat moeten doen terwijl ze sliepen.’ In de zes maanden die volgden stortte Walker zich op het opzetten van een slaaplaboratorium en ja hoor, de gegevens die hij vervolgens registreerde lieten een duidelijk verschil zien tussen de patiënten. Slaap, zo leek het, zou weleens een nieuwe diagnostische lakmoesproef voor bepaalde subtypen dementie kunnen zijn.

    © Pexels
    © Pexels

    Vanaf dat moment was hij geobsedeerd door slaap. ‘Pas toen vroeg ik me af: wat is slaap eigenlijk, en wat doet het met ons? Ik was altijd al nieuwsgierig, op het irritante af, maar toen ik me in slapen begon te verdiepen, kon ik zo uren en uren verder zijn. Niemand had een antwoord op de simpele vraag: waarom slapen we? Voor mij was dat misschien wel het grootste wetenschappelijke raadsel. Ik zou het antwoord vinden, en wel binnen twee jaar. Maar ik was naïef. Ik had me niet gerealiseerd dat enkele van de grootste wetenschappers ter wereld hun hele carrière lang hetzelfde hadden geprobeerd. Dat was twintig jaar geleden, en ik ben er nog altijd niet uit.’ Na zijn promotie verhuist hij naar Amerika. Na eerst hoogleraar psychiatrie te zijn geweest aan Harvard Medical School, is hij nu hoogleraar neurowetenschap en psychologie aan de University of California.

    Neemt hij zijn obsessie mee naar de slaapkamer? Neemt hij zijn eigen slaapadvies ter harte? ‘Ja. Ik gun mezelf steevast de ruimte om acht uur per nacht te slapen, en ik hou zeer regelmatige tijden aan: als ik mensen één advies mag geven, dan is het om elke dag op dezelfde tijd naar bed te gaan en op dezelfde tijd op te staan, ongeacht de situatie. Ik neem slapen ongekend serieus omdat ik de feiten ken. Zodra je eenmaal weet dat na een nacht van slechts vier of vijf uur slaap het aantal natuurlijke killercellen – de cellen die de kankercellen aanvallen die dagelijks in je lichaam opduiken – met zeventig procent afneemt, of dat slaapgebrek in verband wordt gebracht met zowel darmkanker als prostaat- en borstkanker, of dat de Wereldgezondheidsorganisatie heeft gezegd dat elke vorm van nachtdienst vermoedelijk kankerverwekkend is, kun je toch ook moeilijk anders meer?’

    Maar ook bij Walker gaat het weleens mis. Mochten zijn oogleden niet dichtvallen, dan kan hij een beetje Woody-Allen-achtig neurotisch worden, geeft hij zelf toe. Toen hij van de zomer bijvoorbeeld naar Londen ging, lag hij om twee uur ’s nachts klaarwakker en met een jetlag in zijn hotelkamer. Zijn probleem op dat moment, en eigenlijk altijd in vergelijkbare situaties, is dat hij te veel weet. Hij begon te malen. ‘Ik dacht: mijn orexine-productie is niet tot stilstand gekomen, mijn thalamus laat nog volop zintuiglijke prikkels door naar mijn hersenschors, mijn dorsolaterale prefrontale cortex is volop actief, en mijn melatoninepiek laat nog zeven uur op zich wachten.’ Wat heeft hij toen gedaan? Uiteindelijk blijken topslaapwetenschappers ook maar gewoon mensen, wanneer ze last hebben van slapeloosheid. Hij heeft het licht aan gedaan en een boek gepakt.

    Verband met ziekten

    Zal Why We Sleep in brede kring aanslaan, zoals de auteur hoopt? Ik betwijfel het: het valt niet te ontkennen dat de wetenschappelijke stukken de nodige concentratie vereisen. Maar ik kan wel zeggen dat het op mij een sterke uitwerking had. Na lezing was ik vastberaden om eerder naar bed te gaan – een regime waar ik ook echt aan vasthoud. In zekere zin kwam dat niet als een verrassing. Ik heb Walker een paar maanden geleden voor het eerst ontmoet, toen hij sprak op een bijeenkomst in Somerset House in Londen. Hij kwam me meteen al voor als een gedreven en overtuigend man (ons latere interview vindt plaats via Skype, vanuit de kelder van zijn ‘slaapcentrum’, een plek met diverse slaapkamers aan een lange gang, een opzet die doet denken aan de vleugel van een privékliniek). Maar in zekere zin kwam het ook wél als een verrassing. Ik ben overal het algemeen niet erg ontvankelijk voor medische adviezen. Ik hoor altijd een stemmetje, ergens in mijn achterhoofd: ‘Geniet van het leven, zolang het kan.’

    De feiten die Walker aandraagt zijn zo overtuigend dat je zou verwachten dat iedereen na lezing vroeg onder de wol kruipt. In feite is het helemaal geen keuze. Zonder slaap zijn we futloos en worden we ziek. Met slaap zijn we vitaal en gezond. Uit meer dan twintig groots opgezette epidemiologische studies blijkt telkens hetzelfde heldere verband: hoe korter je nachtrust, hoe korter je leven. Om een voorbeeld te noemen: volwassenen van boven de vijfenveertig die minder dan zes uur per nacht slapen hebben twee keer zoveel kans om tijdens hun leven een hartaanval of een beroerte te krijgen dan mensen die zeven of acht uur per nacht slapen (dit heeft deels te maken met de bloeddruk: al na één nacht niet al te best slapen gaat de hartslag omhoog, uur na uur, en zien we een significante stijging van de bloeddruk.)

    Slaapgebrek lijkt ook de manier in de war te schoppen waarop het lichaam heel doeltreffend de bloedsuikerspiegel in balans houdt. De cellen van mensen met slaapgebrek blijken in experimenten minder goed te reageren op insuline, wat kan leiden tot een prediabetische staat van hyperglykemie. Wie weinig slaapt, loopt ook nog eens een groot risico om te dik te worden. Een van de redenen hiervoor is dat te weinig slaap zorgt voor een daling van de hoeveelheid leptine – een hormoon dat het verzadigingsgevoel regelt – terwijl de hoeveelheid ghreline – het hormoon dat het hongergevoel geeft – juist stijgt. ‘Je hoort mij niet zeggen dat de overgewichtepidemie enkel en alleen is te wijten aan de slaapgebrekepidemie,’ zegt Walker. ‘Dat is niet het geval. Maar de toename van obesitas valt niet enkel en alleen te verklaren uit voorbewerkt voedsel en ons zittende bestaan. Er moet nog een schakel zijn. Inmiddels is duidelijk geworden dat slapen de derde factor is.’ Vermoeidheid ondermijnt natuurlijk ook de motivatie.

    Slaap heeft een krachtige uitwerking op het immuunsysteem. Het is niet voor niets dat, wanneer we een griepje voelen opkomen, ons eerste instinct is om in bed te kruipen. Ons lichaam probeert zichzelf beter te laten slapen. Een nacht slecht slapen en je veerkracht neemt danig af. Als je moe bent, zul je eerder kouvatten. Wie goed is uitgerust, is ook beter bestand tegen het griepvirus. Zoals Walker al eerder heeft opgemerkt: nog veel ernstiger is het feit dat onderzoek heeft aangetoond dat een korte nachtrust invloed kan hebben op onze immuuncellen, die de strijd aangaan met kankercellen. Verschillende epidemiologische studies hebben aangetoond dat nachtdiensten en de daaruitvolgende verstoring van het slaap-waakritme de kans vergroten op verschillende soorten kanker, waaronder maag-, prostaat-, baarmoederslijmvlies- en karteldarmkanker.

    Een wijdverspreide opvatting binnen de psychiatrie is dat geestelijke stoornissen tot slaapstoornissen leiden. Maar volgens Walker werkt het twee kanten op

    Wie over zijn hele volwassen leven te weinig slaapt, heeft een beduidend grotere kans om alzheimer te krijgen. De redenen daarvoor laten zich lastig samenvatten, maar kort gezegd heeft het te maken met amyloïd-afzettingen (een giftig eiwit) die zich verzamelen in de hersenen van mensen die aan de ziekte leiden, en die de omliggende cellen doden. Tijdens de diepe slaap worden dergelijke afzettingen in de hersenen opgeruimd. Wat er bij een alzheimerpatiënt gebeurt, is een soort vicieuze cirkel. Zonder voldoende slaap groeien deze afzettingen steeds verder aan, met name in de delen van de hersenen die zorgen voor de diepe slaap. Die delen worden aangevallen en aangetast. Door het gebrek aan slaap dat deze aanvallen in de hand werken, verliezen we het vermogen om ze ’s nachts uit de hersenen te verwijderen. Meer amyloïd, minder diepe slaap; minder diepe slaap, meer amyloïd, enzovoorts. (In zijn boek merkt Walker ‘onwetenschappelijk’ op dat hij het altijd opmerkelijk heeft gevonden dat zowel Margaret Thatcher als Ronald Reagan, die er beiden prat op gingen zo weinig slaap nodig te hebben, uiteindelijk allebei de ziekte hebben gekregen. Voorts is het een fabeltje dat oudere mensen minder slaap nodig hebben.) Nog even los van dementie: slaap versterkt ons vermogen om nieuwe herinneringen aan te maken, en het herstelt ons vermogen tot leren.

    Dan zijn er nog de effecten van slaap op de geestelijke gezondheid. Moeders die zeggen dat een nachtje slapen wonderen doet, hebben groot gelijk. In Walkers boek staat ook een uitgebreid hoofdstuk over dromen (waarvan Walker, anders dan Freud, zegt dat ze niet geanalyseerd kunnen worden). Hij belicht hier de verschillende manieren waarop de droomtoestand is gelieerd aan creativiteit. Hij oppert ook dat dromen een heilzame werking kunnen hebben. Als we slapen om ons dingen te kunnen herinneren (zie boven), dan slapen we ook om te vergeten. De diepe slaap – het stadium waarin we beginnen te dromen – is een therapeutische toestand waarin we onze ervaringen ontdoen van hun emotionele lading, waardoor we er makkelijker mee kunnen omgaan. Slaap, of een tekort aan slaap, heeft daardoor ook invloed op onze algehele stemming. Walker heeft hersenscans gemaakt waaruit bleek dat de reactiviteit van de amygdala – een cruciale plek voor het triggeren van woede en razernij – met zestig procent toeneemt bij slaaptekort. Bij kinderen wordt slapeloosheid in verband gebracht met agressie en pesten; bij volwassenen met zelfmoordgedachten. Onvoldoende slaap wordt ook in verband gebracht met een terugval bij verslavingsproblematiek. Een wijdverspreide opvatting binnen de psychiatrie is dat geestelijke stoornissen tot slaapstoornissen leiden. Maar volgens Walker werkt het twee kanten op. Regelmatig slapen kan heilzaam zijn voor, bijvoorbeeld, mensen met een bipolaire stoornis.


    In deze (al te korte) samenvatting heb ik een paar keer de term diepe slaap gebruikt. Wat is dat precies? We slapen in cycli van anderhalf uur, en pas aan het einde van zo’n cyclus komen we in een diepe slaap. Elke cyclus bestaat uit twee soorten slaap. Ten eerste is er de NREM-slaap (non-rapid eye movement); deze wordt gevolgd door de REM-slaap (rapid eye movement). Zodra Walker over deze cycli begint, die nog altijd vele geheimen in zich dragen, verandert zijn stem. Hij klinkt betoverd, haast bedwelmd.

    ‘Tijdens de NREM-slaap vindt er een ongelooflijk gesynchroniseerd patroon van ritmisch chanten plaats in het brein,’ zegt hij. ‘Er is een opmerkelijke synchroniteit over het hele oppervlak van het brein – als een diep, traag mantra. Wetenschappers hebben ooit ten onrechte aangenomen dat deze toestand vergelijkbaar zou zijn met een coma. Maar niets is minder waar. Er worden enorme hoeveelheden herinneringen verwerkt. Om die hersengolven te produceren zingen honderdduizenden cellen samen, waarna ze weer stilvallen, en dat keer op keer op keer. Ondertussen zakken je hersenen weg naar een aangenaam laag energieniveau, het beste bloeddrukmedicijn dat er bestaat. De REM-slaap daarentegen wordt ook wel de paradoxale slaap genoemd, omdat de patronen in je hersenen identiek zijn aan wanneer je wakker bent. Het is een ongelooflijk actieve toestand van je brein. Je hart en zenuwstelstel vertonen echte pieken, waarbij ze driftig in de weer zijn: we weten nog niet helemaal waarom.

    Betekent die cyclus van anderhalf uur dat de zogeheten powernaps zinloos zijn? ‘Ze kunnen de scherpe randjes eraf halen wanneer iemand slecht slaapt. Maar je hebt anderhalf nodig om tot diepe slaap te komen, en één cyclus is niet genoeg voor alles wat er moet gebeuren. Je hebt vier tot vijf cycli nodig om er optimaal baat bij te hebben.’

    Is het mogelijk om te veel te slapen? Dat is onduidelijk. ‘Op het moment zijn er geen duidelijke bewijzen. Maar ik denk dat veertien uur te veel is. Aan te veel water kun je overlijden, net als aan te veel eten, en ik denk dat uiteindelijk voor slapen hetzelfde zal gelden.’

    Hoe weet je of iemand aan slaapgebrek leidt? Walker zegt dat we op onze intuïtie moeten afgaan. Mensen die doorslapen nadat de wekker is afgegaan, krijgen domweg onvoldoende slaap. Hetzelfde geldt voor mensen die ’s middags cafeïne nodig hebben om wakker te blijven. ‘Ik zie het overal om me heen,’ zegt hij. ‘Ik stap aan boord van een vliegtuig, om tien uur ’s ochtends, wanneer iedereen superscherp zou moeten zijn. Maar als ik om me heen kijk, is de helft van de passagiers vrijwel meteen in slaap gevallen.’

    Wat kun je zelf doen?

    Wat kun je als individu doen? Om te beginnen moet je geen nachten ‘doorhalen’, achter je bureau of op de dansvloer. Wie negentien uur achter elkaar wakker is, is cognitief even verzwakt als iemand die dronken is. Ten tweede zou je slapen moeten beschouwen als een soort werk, vergelijkbaar met naar de sportschool gaan (met als groot verschil dat het gratis is én, als je zo in elkaar zit als ik, een stuk aangenamer). ‘Mensen gebruiken een wekker om wakker te worden,’ zegt Walker. ‘Waarom hebben we dan geen wekker die ons waarschuwt dat we over een half uur moeten gaan slapen, dat we rustig moeten gaan afbouwen?’ We zouden middernacht weer meer in de oorspronkelijke betekenis van het woord moeten gaan zien: het midden van de nacht. Scholen zouden kunnen overwegen de leerlingen later te laten beginnen; een dergelijke verschuiving wordt in verband gebracht met een hoger IQ. Bedrijven zouden kunnen overwegen slaap te belonen. De productiviteit zal stijgen en de motivatie, de creativiteit en zelfs de integriteit zullen verbeteren.

    Er zijn verschillende apparaatjes om slaap in kaart te brengen, en in Amerika hebben een paar bedrijven met een vooruitziende blik besloten hun medewerkers vrije dagen te geven wanneer ze voldoende slapen. Slaappillen zijn overigens taboe. Die hebben onder andere een negatief effect op het geheugen. Mensen die zich richten op de zogeheten ‘zuivere slaap’ zijn vastbesloten om mobieltjes en computers uit de slaapkamer te weren – en terecht, gezien het effect van LED-licht op de aanmaak van melatonine, het hormoon dat slaap opwekt. Walker is van mening dat de technologie uiteindelijk de redding zal betekenen van onze slaap. ‘In industriële landen zullen we een revolutie zien op het gebied van het zogeheten self tracking,’ zegt hij. ‘Er komt een moment dat we ons lichaam van dag tot dag in kaart kunnen brengen, tot in de kleinste details. Dat zal een aardverschuiving teweegbrengen, en dan zullen we methoden gaan ontwikkelen om bepaalde componenten van de menselijke slaap te versterken, vanuit ons bed. Slaap zal de status krijgen van een preventief medicijn.’

    Welke vragen wil Walker nog het liefst beantwoord zien? Hij is even stil. ‘Het is ontzettend moeilijk,’ verzucht hij. ‘Er zijn nog zo veel vragen. Ik wil nog altijd graag weten waar we, zowel in psychologisch als in fysiologisch opzicht, naartoe gaan wanneer we dromen. Dromen is de tweede toestand van het menselijk bewustzijn, en tot nog toe hebben we maar een heel klein tipje van de sluier weten op te lichten. Ik zou er ook graag achter komen wanneer de slaap is ontstaan. Ik zou graag een krankzinnige theorie willen poneren, en wel deze: misschien heeft slaap zich niet geëvolueerd. Misschien is slapen wel de toestand waaruit waken is ontstaan.’ Hij lacht. ‘Als ik een soort medische tijdmachine had en dat zou kunnen onderzoeken, dan zou ik ’s nachts misschien beter slapen.’

    Auteur: Rachel Cooke
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Pexels

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

  • Winterduik

    Winterduik

    Een zwemmer trekt een baantje in een wak in een bevroren meer in de Chinese stad Shenyang.

    Winterzwemmen is een populaire traditie in China. Alleen al in Shenyang (7,2 miljoen inwoners) trotseren jaarlijks duizenden sportievelingen de vrieskou. De stad gaat zelfs een ‘winterbasis’ openen om in te spelen op de groeiende belangstelling. In heel China zijn er 141 winterzwemorganisaties, met meer dan 200.000 leden. Bekend is het winterzwemfestival in de stad Jinan, met als hoogtepunt het overzwemmen van het Damingmeer, op 300 meter hoogte.

    
© Sheng Li / Reuters
    
© Sheng Li / Reuters
  • En de Rus, hij dronk voort

    En de Rus, hij dronk voort

    Door de crisis kopen de Russen steeds minder (dure) wodka. Maar in plaats daarvan drinken ze nu zelfgestookte of farmaceutische alcohol. De autoriteiten maken zich zorgen.

    Twee nieuwsberichten, een goed en een slecht, zoals het hoort. Laten we met het goede beginnen: alles wijst erop dat de inwoners van de Russische Federatie bezig zijn om te stoppen met drinken. Volgens de stedelijke statistieken is in Moskou de verkoop van sterke drank tussen januari 2015 en januari 2016 met 23 procent gedaald. En in Sint-Petersburg, Rostov aan de Don, Sebastopol en heel wat andere steden idem dito. Een kwart van de verkoop in één jaar, dat kun 
je met recht een belangrijke daling noemen. Een terugblik leert dat de Russische fabrieken in 2007 twee 
keer zo veel sterke drank hebben geproduceerd en verhandeld als in 2015. De regionale statistieken laten zelfs zien dat zich in de provincie 
een volstrekt ongehoord fenomeen begint te manifesteren; geheel nuchtere kleine gemeenten.

    In 2015 hebben de Russen tussen de 150 en 180 miljoen liter farmaceutische lotion gedronken

    En nu het slechte nieuws: in 2015 is 
de suikerverkoop met 25 procent 
gestegen! Een stijging die ook bij de verkoop van gemodificeerde farmaceutische alcohol wordt waargenomen. Die is helaas niet bestemd voor het 
vervaardigen van conserven of cosmetische producten. Het gaat opnieuw om alcoholisme. Experts zien sinds 
vier jaar een daling van de legale consumptie ten gunste van de illegale. Volgens het Russische Centrum voor Regionaal en Federaal Onderzoek 
naar Alcoholgebruik (Cifrra) bestond in 2015 65 procent van de alcoholconsumptie van de Russische bevolking uit meidoornsiroop, komkommerlotion (voor de huid), samogon (zelfgestookte alcohol) en zelfgemaakte likeuren op basis van medicinale alcohol.

    Specialisten schatten het aantal Russen dat sterkedrank vervangt door surrogaten of zelfgemaakte wodka momenteel op 30 miljoen. Een op de zeven mensen dus. ‘Vorig jaar hebben de Russen tussen de 150 en 180 miljoen liter farmaceutische lotion gedronken en bijna 400 miljoen liter alcoholproducten voor industrieel gebruik. Maar ook maar liefst tussen de 100 en 150 miljoen liter zelfgemaakte wodka en 200 miljoen liter gesmokkelde wodka,’ somt Vadim Drobiz, de directeur van Cifrra, op.

    Verkooprecords

    In januari 2015 bedroeg de officiële prijs voor een halve liter wodka 220 roebel (2,88 euro), terwijl een 100 ml-flacon lotion met 40 procent alcohol van de apotheek maar 27 roebel kostte. Sinds 2002 breken geneesmiddelen 
die alcohol bevatten de verkooprecords, terwijl de goedkoopste lotions de belangrijkste inkomstenbron zijn geworden voor fabrikanten van cosmetica, namaakproducten inbegrepen. Verder kan men op internet moeiteloos maximaal 120 liter pure alcohol aanschaffen voor een bedrag dat schommelt tussen de 120 en 200 roebel per liter, zonder ook maar enig officieel document over te hoeven leggen.

    Ook de productie van samogon schiet omhoog. Onderzoek van de sociologische en politicologische faculteit van de Financiële Universiteit van Rusland wijst uit dat de steden Krasnodar, 
Rostov aan de Don en Voronezj koplopers zijn, op de voet gevolgd door Moskou. In het zuiden van het land, 
in Krasnodar of Rostov aan de Don, kent iedereen wel iemand die samogon produceert en deze knowhow verspreidt zich steeds verder naar het 
oosten (Novosibirsk, Perm, Omsk) en naar de rest van Rusland. ‘Vroeger 
produceerden mensen samogon voor eigen gebruik; tegenwoordig is de productie steeds vaker voor verkoop bestemd,’ constateert Alexej Zoebets, directeur van de sociologische en politicologische faculteit.

    Drie mannen drinken wodka terwijl ze zich verplaatsen op een lorry, een populair vervoermiddel in de afgelegen Oeralregio.  – © Reuters
    Drie mannen drinken wodka terwijl ze zich verplaatsen op een lorry, een populair vervoermiddel in de afgelegen Oeralregio. – © Reuters

    Monopolie

    Eind 2015 kreeg Igor Tsjoejan, de directeur van Rosalkogol, het orgaan dat de markt voor alcoholhoudende dranken reguleert, er flink van langs van Valentina Matvijenko, de voorzitter van de Russische Federatieraad. Volgens de laatste zou de crisis in de sector – ineenstorting van de marges en het failliet van talrijke kleine provinciale producenten – zijn uitgelokt door de stijging van de smokkelhandel, waarvoor ze de verantwoordelijkheid bij het reguleringsorgaan legt. Deze instelling, die in 2008 is opgericht, heeft twee tegenstrijdige opdrachten: het bestrijden van de plaag van het alcoholisme en het op peil houden van de inkomsten van de wodkaproductie voor de staat. Valentina Matvijenko heeft het gebrek aan efficiëntie van 
het orgaan publiekelijk aan de kaak gesteld en geopperd dat het Comité voor Corruptiebestrijding zich maar eens over ‘mogelijke connecties tussen Igor Tsjoejan en de industriëlen van 
de sector’ moest buigen. In januari 2016 is Rosalkogol gecontroleerd door het ministerie van Financiën en heeft de Federale Veiligheidsdienst (FSB) grondige huiszoeking verricht in de burelen van de Status Group, een belangrijke wodkaproducent en exclusieve distributeur van het staatsbedrijf Rosspirtprom.

    Eind 2015 schatten sommige experts het aandeel van Rosspirtprom in de Russische markt voor alcoholhoudende dranken op 64 procent, terwijl 20 procent eveneens bij de staat berustte via andere staatsbedrijven, zodat er voor de particuliere markt maar 16 procent overbleef. Het openbare onderzoek door het ministerie van Financiën en het vooruitzicht van nieuwe huiszoekingen zouden erop kunnen wijzen dat het beleid op het gebied van alcoholproductie in Rusland een radicale verandering ondergaat. Met de oprichting van een reguleringsorgaan in 2008 wilde de regering de sector voor alcoholhoudende dranken op de Finse leest schoeien. In Finland heeft de staat niet het monopolie op de productie van alcohol, maar wel op de verkoop ervan: de accijnzen zijn hoog, reclame is verboden en de verkoopuren zijn beperkt.

    De regering is een bewustwordingscampagne gestart en alcoholreclame is volledig verboden

    Rusland is in 2008 begonnen met een accijnsverhoging – van 110 roebel per liter tot 500 roebel op dit moment. In 2015 is een bewustwordingscampagne gestart en alcoholreclame volledig verboden. Vooralsnog hebben deze maatregelen Rusland niet de verhoopte extra inkomsten opgeleverd. De accijnsinkomsten zijn in deze periode weliswaar verviervoudigd (300 miljard roebel in 2014 tegen 73,1 miljard in 2008, waar nog bijna 50 miljard aan btw bovenop komt), maar in 2015 zijn deze indicatoren met 10 procent gedaald. Gegeven het feit dat de smokkelhandel de legale markt inmiddels overtreft, is het niet verwonderlijk dat deze situatie de autoriteiten zorgen baart.

    Behalve een monopolie op de verkoop staan ook nationalisering van de productie van alcoholhoudende dranken en een verbod op samogon op het
 programma. Momenteel hebben de Russen nog het recht om samogon te produceren, en op de verkoop ervan staat een simpele boete. Omdat de 
productie van alcoholhoudende dranken toch al vrijwel geheel door de staat wordt beheerst, rest er nog maar één stap naar een monopolie. Het voorbeeld van de inkomsten die de alcoholverkoop de Sovjet-Unie opleverde fungeert vaak als argument. ‘In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw stond de verkoop van alcohol voor 5 à 6 procent van de inkomsten van de Sovjet-Unie,’ brengt Vadim Drobiz in herinnering. In 2015 vertegenwoordigt de verkoop van alcoholhoudende dranken nauwelijks meer dan 1 procent van de staatsinkomsten.

    Auteur: Ilja Datsjkovski
    Vertaler: Peter Bergsma

    Kommersant-Dengi
    Rusland | weekblad | oplage 65.000

    Economisch weekblad van de Kommersant-groep. Het moderne weekblad legt de consument uit wat zijn rechten zijn, en bedient de ondernemer met specifieke informatie en analyses, maar ook goede reportages.

  • Terug naar Fukushima mag geen bevel zijn

    Terug naar Fukushima mag geen bevel zijn

    Vijf jaar na het ernstige ongeluk in de kerncentrale Fukushima Dai-ichi worstelt Japan nog met verontrustende stralingsniveaus en moeilijke evacuatieprogramma’s.

    Miyako Kumamoto mist de tijd dat ze nog in Tamura, in de prefectuur Fukushima, woonde en met haar vrienden de groenten deelde die ze daar in de zuivere berglucht kweekte.

    Nu, op haar drieënzeventigste, vreest ze dat ze, door het regeringsbeleid tegenover de mensen die na de kernramp van Fukushima (op 11 maart 2011) zijn geëvacueerd, straks in haar eentje op de straten van Tokio zal moeten leven. ‘De centrale overheid mag niet tegen ons zeggen dat we terug naar huis moeten gaan, of het evacuatiebevel opheffen, terwijl het gebied nog steeds in een noodsituatie verkeert,’ zei ze tijdens een manifestatie van 780 mensen in het Hibiyapark in Tokio. De demonstranten verwijten de staat dat die niet naar hen luistert en de verontrustende stralingsniveaus negeert.

    Het grootste deel van Futaba heeft nog steeds de status ‘moeilijk terugkeren’

    De manifestatie is georganiseerd door Hidanren, een nationale organisatie die namens de slachtoffers processen aanspant tegen de regering en de eigenaar van de centrale, Tokyo Electric Power Company. Ter gelegenheid van deze bijeenkomst heeft Hidanren aan premier Shinzo Abe gevraagd terug te komen op de aangekondigde maatregelen, omdat die erop neerkomen dat ‘de slachtoffers van de kernramp in de steek worden gelaten’. De regering wilde het bevel tot evacuatie rond de centrale van Fukushima vóór eind maart 2017 opheffen, behalve in de zones waar terugkeer ‘moeilijk’ wordt genoemd, of waar de jaarlijkse stralingsdosis nog boven de 50 millisievert is.

    Inwoners van Fukushima die niet in de evacuatiezones woonden maar toch gevlucht zijn, konden gebruikmaken van gratis huisvesting die de autoriteiten van de prefectuur ter beschikking stelden. Maar die autoriteiten hebben nu besloten dat vanaf april 2017 de mensen die ‘vrijwillig’ zijn vertrokken, niet meer van dat programma gebruik kunnen maken. Volgens de bestuurders van de prefectuur Fukushima hebben zo’n 165.000 mensen in mei 2012 hun huizen verlaten vanwege de ramp. In januari 2016 waren 100.000 mensen nog steeds niet naar huis teruggekeerd. 5700 van hen verblijven in Tokio.

    © Falco
    © Falco

    Miyako Kumamoto, die in 2007 haar man verloor, woont sinds april 2011 in een sociale huurwoning in de wijk Katsushika in Tokio. In 2003 was ze samen met haar man van Sagamihara (in de prefectuur Kanagawa) verhuisd naar Tamura, waar ze met veel plezier groenten en fruit verbouwden. Ze vindt niets zo belangrijk als koken voor vrienden en samen eten, vertelt ze. Het gebied waar ze woonde, op zo’n twintig kilometer van de centrale, werd na de kernsmelting aangewezen als evacuatiezone. Die status werd in september 2011 opgeheven en werknemers van de stad hebben sindsdien de omgeving gesaneerd.

    Maar voor Miyako is de straling nog niet zwak genoeg om zich veilig te voelen. De gemeentelijke autoriteiten van Tokio hebben haar aangeraden een nieuw verzoek tot huisvesting in te dienen als ze na april 2017 in de stad wil blijven. ‘Als ik dan niet heel veel geluk heb, sta ik op straat,’ klaagt ze.

    ‘Maak je je daar nou nog steeds druk over (over Fukushima)?’

    Yukiko Kameya, eenenzeventig jaar, leeft met haar man in de wijk Minato in Tokio, sinds ze moest vluchten uit Futaba in de prefectuur Fukushima. Het grootste deel van Futaba heeft nog steeds de status ‘moeilijk terugkeren’ – de jaarlijkse stralingsdoses zijn er hoger dan 50 millisievert. Er zijn ook plannen om van deze stad een tijdelijke opslagplaats te maken voor aarde en puin die bij de ramp radioactief besmet zijn geraakt. ‘Ik wil dat de grond in dezelfde staat wordt teruggebracht als dat hij was voor de ramp,’ zegt Yukiko Kameya.

    Aki Hashimoto, zestig jaar, is uit Koriyama (prefectuur Fukushima) gekomen voor de manifestatie. Zij vertelt dat een vriend uit Tokio haar op een dag vroeg: ‘Maak je je daar nou nog steeds druk over (over Fukushima)?’ De ergernis en teleurstelling die deze vraag bij haar opriepen voelt ze nog steeds. ‘Ik wil niet dat deze kernramp vergeten wordt,’ zegt ze.

    Auteurs: Miki Aoki, Mana Nagano en Jun Sato
    Vertaler: Tess Visser

    Asahi Shimbun
    Japan | dagblad, 
oplage 11.720.000

    De ‘Krant van de Rijzende Zon’, pleitbezorger van het Japanse pacifisme na de Tweede Wereldoorlog. 
3000 journalisten, verdeeld over 300 nationale kantoren en 30 in het buitenland.

  • Veelkleuriger, vrouwvriendelijker, en vrijer

    Veelkleuriger, vrouwvriendelijker, en vrijer

    Welkom in deze 360 Reader,

    Gaat de wereld zoals we die kennen langzaam ten onder? Je zou het bijna denken bij het lezen van een paar artikelen uit deze 360 Reader, die vanaf heden het format van het tijdschrift volgt. Europa valt uit elkaar; Turkije is hard op weg een dictatuur te worden; China is dat al en vervolgt zijn dissidenten tot buiten de grenzen, en een piepjonge Franse imam verdedigt de behandeling van vrouwen door de islam met het argument dat vrouwen vóór de islam helemaal niets waard waren.

    Maar gelukkig zijn er, zoals altijd, ook andere stemmen, die de lezer weer wat moed geven. Zoals de dappere Algerijnse hoofdredacteur, die zijn geldverkwistende president op niet mis te verstane wijze oproept te delen in de opofferingen van zijn volk. Of de Mexicaanse zakenman, die onterecht in de gevangenis belandt en daar een bedrijfje opzet waarin gedetineerden een fatsoenlijk loon kunnen verdienen.

    Hoopvol is ook het stuk over ziektes die in de toekomst kunnen worden opgespoord met een simpele ademtest. Maar het allervrolijkste verhaal in deze editie is de reportage over de Engelstalige stripwereld. Daar wordt alles juist veel beter dan het ooit was: veelkleuriger, vrouwvriendelijker, en vrijer. Ook dat is een kant die de wereld opgaat. Veel leesplezier.

    Han Ceelen
    ceelen@360international.nl

  • Je adem vertelt of je ziek bent

    Je adem vertelt of je ziek bent

    Goed nieuws voor wie bang is voor een injectienaald. In de toekomst kunnen ziektes waarschijnlijk worden gediagnosticeerd met een simpele ademtest.

    Onze adem verraadt veel over ons. Met elke uitademing stoot de mens grote hoeveelheden moleculen uit die iets prijsgeven over wat er in ons lichaam gebeurt. De afgelopen jaren mogen die op steeds meer belangstelling van de geneeskunde rekenen.

    Zürichse wetenschappers zijn nu een groot onderzoeksproject gestart. ‘Wat de adem prijsgeeft’, zo luidt de naam voor het gezamenlijke project van de Universiteit van Zürich, het Universitair Medisch Centrum (USZ) en de Federale Technische Hogeschool (ETH) – en het heeft ambitieuze doelen: in de toekomst moeten diverse ziektes gediagnosticeerd kunnen worden met een simpele ademtest. Goed nieuws dus voor wie bang is voor een injectienaald.

    We hebben ontdekt dat ieder mens een eigen ademafdruk heeft

    Een ademtest ontziet de patiënt, zelfs wie ernstig ziek is kan ademen in een buisje. Röntgenonderzoek of weefsel- en bloedafname zijn aanzienlijk meer belastend. Dat is het grote voordeel van deze methode. Maar wat de onderzoekers in de adem willen meten is daar meestal in kleinere concentraties aanwezig dan in bloed of ander lichaamsvocht. Daarom vormt de technische verwezenlijking van het systeem een grote uitdaging. Alleen uiterst gevoelige meetapparatuur en constant verfijndere analyse leveren betrouwbare gegevens op.

    Ademafdruk

    Het project in Zürich staat onder leiding van Renato Zenobi, hoogleraar analytische chemie aan de ETH, en Malcolm Kohler, directeur van de kliniek voor longziekten van het USZ. Voor de ademanalyse werkt Zenobi’s team met een massaspectrometer waarmee lading en gewicht van een deeltje bepaald kunnen worden. Voor dit doel is het apparaat van een mondstuk voorzien. Nadat een patiënt hierin heeft geademd, worden de nietige drupjes in de adem elektrisch geladen. De massaspectrometer meet dan de verhouding van de massa ten opzichte van de lading van een molecuul. Wanneer het apparaat gevoelig genoeg is, kunnen de onderzoekers op deze manier alle moleculen identificeren.

    ‘We hebben ontdekt dat ieder mens een eigen ademafdruk heeft,’ zegt Kohler. Wanneer iemand gezond is, blijft deze min of meer stabiel. Wat iemand eet, drinkt, inneemt of rookt, laat echter ook zijn sporen na in diens adem. Zo gaat het ook met ziektes. De moleculen waarnaar de wetenschappers op zoek zijn, ontstaan bij biochemische stofwisselingsprocessen die voortdurend in het lichaam plaatsvinden.

    Kankercellen hebben bijvoorbeeld een ander metabolisme dan gezonde cellen en scheiden dus andere moleculen af.

    adem02

    Al geruime tijd experimenteert men in de VS en Engeland met het trainen van honden die de geur van long- of borstkanker bij mensen op moeten sporen. De dieren krijgen een lange opleiding waarin ze leren reageren op de moleculen die een kankerpatiënt via zijn adem uitstoot. Zo werkt chemicus George Petri aan de universiteit van Pennsylvania met honden die de geurkenmerken van eierstokkanker moeten herkennen. Is die eenmaal vastgesteld, dan kunnen de onderzoekers de tumor ook via proeven met technische middelen opsporen.

    Omdat de ademanalyse nog in de kinderschoenen staat, moeten de wetenschappers eerst achterhalen wat ze eigenlijk zoeken. ‘Momenteel zijn we bezig met het identificeren van de signatuur van de meest verschillende ziektebeelden,’ zegt Kohler, die zelf pneumoloog is. Zo hopen de onderzoekers in de toekomst via de adem niet alleen longziektes te identificeren, maar ook stofwisselingsziektes als diabetes, nier- of leverfalen.

    De Oude Grieken zochten al naar tekenen van ziektes in de adem. Ook de traditionele Chinese geneeskunde is gebaseerd op reuksporen die door diverse aandoeningen in het menselijk lichaam worden achtergelaten. Als de nieren ziek zijn, ruikt de patiënt bijvoorbeeld naar ammoniak, bij leverkwalen naar grond. Een geur van vers brood kan wijzen op tyfus.

    Een voordeel van ademanalyse is dat de uitkomst snel kan worden vastgesteld

    ‘Het Zürichse project is heel boeiend en vernieuwend,’ meent Manuela Funke Chambour, chef-arts pneumologie in het academisch ziekenhuis van Bern. Ook haar ziekenhuis zou in de toekomst vaker van ademanalyse gebruik willen maken. Nu al gebruiken de artsen hier en in veel andere klinieken standaard een test waarbij ze de adem van astmapatiënten onderzoeken op een specifiek kenteken van ontsteking. Is de waarde hoog, dan vormt dat een aanwijzing voor de intensiviteit van de astmatherapie.

    Tijd winnen

    Een ander voordeel van ademanalyse is dat de uitkomst snel kan worden vastgesteld – bij ander laboratoriumonderzoek moeten de artsen vaak veel langer op resultaat wachten. Zo is er bij acute ziekteverschijnselen waardevolle tijd te winnen. Er kan bijvoorbeeld sneller worden vastgesteld of een patiënt antibioticum nodig heeft, en zo ja welk middel precies. Ook kan onnodig antibioticaverbruik en daarmee het ontstaan van resistenties worden voorkomen.

    De apparatuur die de Zürichers inzetten is nog heel duur. De uiterst gevoelige massaspectrometer kost circa 450.000 euro. In de toekomst moeten de apparaten kleiner, mobieler en goedkoper worden. Verschillende start-ups werken al aan sensoren voor draagbare apparatuur. De New Yorkse hoogleraar geneeskunde Michael Philips, die zich al langer met ademanalyse bezighoudt, heeft het bedrijf Menssana opgericht en het draagbare apparaat Breathlink ontwikkeld.


    De Zürichse onderzoekers hebben nog meer op het oog dan snel en pijnloos ziektes diagnosticeren. Er valt op dit gebied nog veel informatie te winnen, zegt Kohler. Zo laat ook de inwendige klok van de mens, een biologische tijdsaanduider, sporen na in de adem. ‘Als iemand inslaapt, kunnen we ineens 300 moleculen niet meer meten.’

    Vergezichten

    Maar vooralsnog richten ze zich op praktische toepassingen. Al geruime tijd weten we bijvoorbeeld dat geneesmiddelen niet op elk moment van de dag een even goed effect hebben. Onze adem, hopen de artsen, kan een nuttige indicatie zijn bij het vinden van de juiste dosering op het juiste moment van de dag. Ook kan adem de artsen vertellen of iemand zijn medicatie al dan niet genomen heeft. ‘Slechts een derde van alle patiënten met hoge bloeddruk slikt daadwerkelijk zijn medicijnen,’ zegt Kohler. De adem kan de arts verklappen of een therapie niet aanslaat, of dat er gewoon sprake is van nalatigheid bij de patiënt.

    Ook bij infectieziektes willen de Zürichers inzetten op ademonderzoek. Aan de hand van het onderzoek kan bijvoorbeeld worden bepaald of iemand met griep nog in de besmettingsfase is.

    Het zal nog wel even duren tot ademanalyse op grote schaal is doorgedrongen in de dagelijkse praktijk van een ziekenhuis. Maar Kohler is optimistisch: ‘Natuurlijk gaat het onderzoek in de geneeskunde met kleine stapjes. Maar om patiënten te helpen, moeten we ook vergezichten hebben.’

    Auteur: Alexandra Bröhm
    Vertaler: Marten de Vries

    Die Welt
    Duitsland, dagblad, oplage 202.000
    Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.

  • Omwenteling in de mondiale gezondheidszorg

    Omwenteling in de mondiale gezondheidszorg

    In dit medische dossier over wereldwijde gezondheidsproblemen vindt u artikelen uit The Lancet, The Economist, Down to Earth en Laodong Bao.

    Tekeningen van Tomasz Walenta
    Tekeningen van Tomasz Walenta

    De naderende omwenteling

    The Lancet

    Na vele tientallen jaren van volstrekte afhankelijkheid beginnen ontwikkelingslanden langzaamaan de gezondheidszorg in eigen hand te nemen. En dat wordt tijd, want ook zij krijgen last van ziekten die voorheen aan het Westen leken voorbehouden, zoals kanker en diabetes. De naderende omwenteling wordt beschreven in het boek When People Come First.

    Het begin van de eenentwintigste eeuw betekende een ommekeer in de mondiale gezondheidszorg: voor sommige van de meest kwetsbare mensen op aarde kwam een hiv-behandeling beschikbaar. Dat gebeurde ondanks twee decennia van neoliberale politiek waarin kwetsbare groepen steeds minder toegang kregen tot de zorg. Door te blijven betogen dat er een spectrum van levensreddende en levensbevorderende interventies kan en moet worden geboden aan mensen die in armoede leven, hebben voorstanders van een universelere benadering van de gezondheidszorg sindsdien de mondiale gezondheid op een hoger plan getild. When People Come First, een indrukwekkend boek onder redactie van João Biehl en Adriana Petryna, probeert te doorgronden welke sociale overwegingen een rol hebben gespeeld bij deze belangrijke morele verschuivingen.

    Om te beginnen worden in het boek veranderingen in de wereldgezondheid zelf onderzocht. In de negentiende en twintigste eeuw had de ‘tropengeneeskunde’ voornamelijk tot doel ervoor te zorgen dat ziekten niet via de handelsroutes tot de westerse machtscentra zouden doordringen, dat kolonisten hun wereldwijde bezigheden konden overleven en de infrastructuur konden opbouwen die nodig was voor de internationale handel. Dit veranderde na de Tweede Wereldoorlog. Omdat Europa verzwakt was en in macht afnam, werden koloniale onderdanen voor wie gezondheidszorg tot dan toe niet nodig was geacht het brandpunt van een postkoloniaal bestuurssysteem. Instellingen als de Wereldgezondheidsorganisatie (who) en Unicef zagen het licht. Als gevolg van de Sovjetexpansie en het idee dat technologische oplossingen slechte sociale omstandigheden zouden verbeteren, schakelde het Westen deskundigen in om de armen van de wereld kennis te laten maken met de moderne geneeskunde.

    In de tweede plaats toont dit boek aan de hand van sociografische voorbeelden aan hoe mensen in lagelonenlanden niet langer genoegen namen met hun slechte gezondheidssituatie. Ondanks het feit dat de Verklaring van Alma Ata in 1978 ‘gezondheid voor allen in het jaar 2000’ beloofde, ging de globale gezondheidssituatie in de jaren tachtig ernstig achteruit. De Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (imf) hadden vele jaren lang de grondslag gelegd voor een neoliberale wereldorde, die de vrije markt als de economische manifestatie van politieke vrijheid beschouwde, en als een voorloper van politieke democratie. In de jaren tachtig boden de Wereldbank en het imf alleen hulp aan schuldenlanden als ze een structureel aanpassingsbeleid voerden, en dat vereiste dat ze hun economie privatiseerden en dereguleerden en sociale uitgaven reduceerden. Deze instellingen, gesteund door bilaterale en multilaterale donoren en beleidsmakers, ontwikkelden een gezondheidsagenda voor lagelonenlanden die grotendeels was gebaseerd op een zo laag mogelijk budget voor gezondheidszorg. Met deze agenda werd de enigszins ambitieuze droom van eerstelijnsgezondheidszorg voor allen veranderd in selectieve eerstelijnsgezondheidszorg: discrete, doelbewuste en goedkope ‘verticale’ interventies.

    Maar nu lijkt de situatie te veranderen. Het boek laat zien hoe verticale gezondheidsprogramma’s steeds meer op de proef zijn gesteld, dikwijls juist door de ontvangers van dergelijke interventies. Zo lieten Ghanezen die waterfilters kregen om de overdracht tegen te gaan van de parasiet die de guineawormziekte (dracunculiasis) veroorzaakt, hun verbazing blijken over het feit dat er zo veel geld werd besteed aan een situatie die door de plaatselijke bevolking niet als kritiek werd beschouwd. Sommigen opperden dat het programma zich beter op hiv en aids kon richten, anderen vroegen of het niet mogelijk zou zijn hen van waterputten te voorzien om ook andere via water overgebrachte ziekten, variërend van polio tot cholera, te voorkomen.

    Elders begonnen mensen via advocaten en rechters de vruchten op te eisen van dikwijls moeizaam verkregen politieke rechten. Brazilianen daagden hun regering voor het gerecht om onmiddellijke toegang te krijgen tot een levensreddend geneesmiddel (een enzymenvervangingstherapie voor mucopolysaccharidose, een zogeheten stapelingsziekte die een normale groei belemmert en de gewrichten aantast) zonder te wachten tot het patent van de westerse markten was verlopen en het middel dus goedkoper zou worden. Er is momenteel een groeiend bewustzijn dat gezondheid dikwijls een wettelijk afdwingbaar onderdeel is van het sociaal contract, en dat wereldwijd de aansprakelijkheid van instellingen in de publieke sector moet worden uitgebreid.

    De lezer van het boek wordt geconfronteerd met de uitdagingen die inherent zijn aan pogingen om hoogkwalitatieve zorg te verlenen in de nasleep van jarenlange verwaarlozing. Dit is misschien nergens duidelijker zichtbaar dan in het debat over hiv-behandeling in Afrika. Geconfronteerd met een van de grootste plagen van onze tijd bood pepfar, het anti-aidsplan van de Amerikaanse president George W. Bush, behandeling aan mensen in enkele van de armste landen ter wereld. Deze actie heeft meer dan vijf miljoen levens gered. Door de ziekte en de dodelijke gevolgen als een noodsituatie te kwalificeren, werd pepfar voor velen een morele oproep om in actie te komen. Het was een keerpunt voor de wereldgezondheid en, politiek cynisme daargelaten, een overwinning voor de menselijke waardigheid.

    Toch laat het etnografische materiaal uit Mozambique een andere kant zien: door met gecontracteerde non-gouvernementele organisaties te werken en lokale staatsmechanismen te passeren, ging de kans verloren op een synergie tussen de hiv-programma’s en het versterken van het algehele gezondheidsstelsel. Maar elke wereldgezondheidswerker, zelfs degene die gelooft dat regeringen het best in staat zijn om de zorg voor de armen en gemarginaliseerden op de vereiste schaal ter hand te nemen, zal moeten stilstaan bij het aantal levens dat verloren zou zijn gegaan wanneer pepfar alleen had moeten werken via staatsmechanismen, die door jaren van slecht economisch beleid waren verzwakt.

    Natuurlijk heeft het feit dat men zich alleen tot markten en ngo’s wendde als primaire (of zelfs enige) oplossing voor de kwalen van verzwakte staatsstructuren aan het eind van de twintigste eeuw veel negatieve gevolgen gehad voor de gezondheid van de armen. Tegelijkertijd benadrukt When People Come First de positieve rol die sommige niet-statelijke organisaties in diezelfde periode bij de zorgverlening hebben gespeeld. Het boek behandelt een voorbeeld uit begin jaren negentig, toen een farmaceutisch bedrijf in India een educatieve rol speelde op het moment dat de publieke sector daar niet in staat bleek tuberculose op een effectieve manier aan te pakken.

    Om tuberculose te bestrijden hanteerde India in die tijd de dotsstrategie (een kortdurende behandeling onder direct toezicht van de who). Het boek beschrijft hoe deze behandeling – die door sommigen bekritiseerd wordt omdat ze de financiële voordelen zwaarder laat wegen dan belangrijke morele en gezondheidsfactoren – bepaalde groepen over het hoofd zag, zoals mensen die met resistente tbc waren besmet, kinderen en mensen met een vergevorderde hiv-infectie of open tbc. De uitgesloten patiënten kregen maar moeilijk toegang tot de tbc-klinieken van de regering. In plaats daarvan wendden sommigen zich tot de particuliere gezondheidsmarkt, waar ze een behandeling konden kopen. Uit de fascinerende beschrijving van de activiteiten van de verkoopafdeling van een bepaalde fabrikant blijkt dat er overeenkomstige belangen speelden bij de noodzaak om te verkopen, de noodzaak om hulp te zoeken en de noodzaak om te behandelen, waarbij vertegenwoordigers van de farmaceutische industrie particuliere artsen aanspoorden om op de juiste wijze te diagnosticeren en de behandelingsprotocollen van de westerse landen te volgen.

    Dit voorbeeld roept de algemenere vraag op waarom in een land als India, waar meer dan 70 procent van de patiënten door de niet al te streng gereguleerde particuliere sector wordt behandeld, niet-statelijke instellingen geen rol zouden kunnen spelen bij de hoogwaardige behandeling van vele ziekten, waaronder tuberculose, hiv, hepatitis C, diabetes en hartkwalen.

    En When People Come First roept nog veel meer vragen op. Waarom wordt pijnbestrijding bij de armen, ondanks de lage kosten van opiaten, als een ‘overbodige luxe’ beschouwd door beleidsmakers, behandelaars en patiënten? Zorgt een ‘industrieel ngo-complex’, dat therapeutische behandelingen die gemeengoed zijn in westerse landen opnieuw wil testen in lagelonenlanden, ervoor dat gezondheidszorg meer een researchvraagstuk wordt dan een morele kwestie? Waarom beperken de vormen van kennis op het gebied van gezondheidsinterventie zich voornamelijk tot een sociale structuur waarin overdreven veel nadruk wordt gelegd op individuele risicofactoren ten koste van een inzicht in de biosociale complexiteit? Tegen welke kosten hebben de verantwoordelijken voor de wereldgezondheidszorg de klinische zorg en de concentratie op zieken laten prevaleren boven het belang van brede gezondheidsinterventies?

    De nieuwe wereldgezondheidszorg in de eenentwintigste eeuw vereist dat we de dingen anders doen en de morele fouten uit het verleden niet herhalen. De recente geschiedenis heeft ons heel wat belangrijke lessen geleerd: fragmentarische en verticale benaderingen zullen alleen bijdragen aan de versterking van gezondheidsstelsels wanneer daar een bewuste poging toe wordt gedaan. Technologische vindingen kunnen alleen in zorg worden omgezet wanneer ze op de juiste plekken worden toegepast. En het recht op gezondheid vereist vaak een aanpak van de sociale, politieke en economische factoren die een structurele hindernis voor de zorg vormen.

    Maar in alle gevallen moeten de mensen op de eerste plaats komen.

    Auteur: Salmaan Keshavjee
    Keshavjee doceert aan de faculteit voor Global Health and Social Medicine van de Harvard Medical School.

    The Lancet
    Verenigd Koninkrijk, weekblad, 40.000
    Een van de meest prestigieuze onder de internationale medische tijdschriften en voorloper als het aankomt op kennis over de nieuwste onderzoeken, met veel aandacht voor debatten daaromtrent. De onlineversie biedt enkele artikelen gratis, maar vooral het betaald archief, dat teruggaat tot 1996, wordt veel geraadpleegd.

    *João Biehl & Adriana Petryna (editors): When People Come First: Critical Studies in Global Health. Princeton University Press.

    bcinh1224p038 c tomasz walenta

    Erger dan aids: kanker in ontwikkelingslanden

    The Economist

    Naarmate de relatieve welvaart in ontwikkelingslanden toeneemt, stijgt ook de prevalentie van ‘welvaartsziekten’. Kanker is daarvan een voorbeeld; de gezondheidszorg staat daar vaak nog machteloos tegenover.

    Sara Stulac is kinderarts, maar dokters in Rwanda moeten breed inzetbaar zijn. Toen Stulac in 2005 vanuit de Verenigde Staten naar Rwanda kwam, was een van haar eerste patiënten een meisje met een tumor op haar gezicht ter grootte van een bloemkool. De vader van het meisje, een keuterboertje, had traditionele genezers en plaatselijke artsen geraadpleegd, maar de tumor was blijven groeien, evenals zijn uitgaven. Er was een oncoloog nodig. Alleen, was die er maar in het land… Uiteindelijk belde Stulac een specialist in de VS, die haar op afstand door de behandeling leidde waarmee het leven van het meisje werd gered.

    Wat dit verhaal ongebruikelijk maakt, is de goede afloop. Volgens het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC), onderdeel van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), waren landen met lage en middeninkomens in 2012 goed voor 57 procent van de 14 miljoen wereldwijd gediagnosticeerde kankergevallen – maar ook voor 65 procent van de sterfgevallen. Kanker doodt meer mensen in arme landen dan aids, malaria en tuberculose bij elkaar.

    Inwoners van arme landen lijden al lange tijd aan vormen van kanker die verband houden met infecties, zoals lever- en baarmoederhalskanker. Maar naarmate deze landen rijker worden, leiden drinken, roken en vet eten tot meer borst-, darm- en longkanker. Vrouwen die vroeger in het kraambed overleden, leven nu lang genoeg om borstkanker te ontwikkelen. Aidspatiënten die aidsremmers gebruiken, sterven alsnog, maar dan aan andere oorzaken.

    Mensen die het glas als halfvol beschouwen, zien dit als een succes. Maar de medische zorg heeft geen gelijke tred gehouden met de ontwikkeling van het kankerprobleem. Veel ontwikkelingslanden hebben geen echte oncologen, laat staan behandelcentra. Zelfs wanneer zorg voorhanden is, melden de zieken zich vaak te laat, omdat ze arm zijn of niet weten dat behandeling dringend nodig is. In sommige talen bestaat er geen woord voor kanker.

    Arme kankerpatiënten hebben niet alleen een grotere kans op overlijden, maar ook een grotere kans op pijn en financiële nood. Toen onderzoekers Keniaanse en Schotse patiënten met terminale kanker naar hun ervaringen vroegen, spraken de Schotten over emotionele angst en de Kenianen over ernstige fysieke pijn en financiële zorgen. Hoewel morfine relatief goedkoop is, is het in veel arme landen een schaars goed, omdat de regeringen daar bang zijn dat het tot verslaving zal leiden of gebruikt zal worden voor de productie van heroïne.

    Hoewel kanker meer slachtoffers maakt, gaat er naar de bestrijding daarvan maar een fractie van het geld dat wordt besteed aan de bestrijding van hiv, malaria en tuberculose. Drie van de millenniumdoelstellingen van de VN betroffen gezondheid, maar kanker werd er niet in genoemd. De modernste kankergeneesmiddelen worden maar zelden van essentieel belang geacht door de WHO. Julio Frenk, decaan van de Harvard School of Public Health, zegt dat deze houding vergelijkbaar is met de houding tegenover aids in de jaren tachtig, toen het behandelen van arme patiënten onuitvoerbaar of onbetaalbaar werd geacht.

    Maatregelen tegen kanker zijn hun geld meer dan waard, zegt Christopher Wild, directeur van het IARC. Wereldwijd wordt jaarlijks 320 miljard dollar aan kankerbehandeling en -preventie uitgegeven, maar het agentschap schat dat de helft van de kankerdoden te vermijden zou zijn als het geld verstandiger werd besteed. Tachtig procent van deze vermijdbare sterfgevallen doet zich voor in landen met lage en middeninkomens.

    De bestrijding van longkanker, een ziekte waaraan in 2012 1,6 miljoen mensen stierven, biedt de grootste kansen. Het meeste geld dat aan kanker wordt besteed gaat dan ook op aan campagnes tegen het roken. Maar veel ontwikkelingslanden zijn tegen strengere regels en hogere tabaksaccijnzen. Meer dan de helft van de mannen in China, Indonesië en Rusland rookt. De Chinese overheid begint eindelijk oog te krijgen voor de torenhoge kosten van de volksgezondheid.

    Een geringer voordeel kan worden behaald uit het aanpakken van vormen van kanker waardoor voornamelijk de armen worden getroffen. Artsen schatten dat grofweg 80 procent van de gevallen van leverkanker en 70 procent van de gevallen van baarmoederhalskanker kan worden voorkomen door inenting tegen hepatitis B en het humaan papillomavirus (HPV), twee virussen die de mens ontvankelijk maken voor beide vormen van kanker. De kosten zijn laag: 0,54 dollar voor een volledig hepatitis B-vaccin, en 13,50 dollar voor HPV. Voor het Burkitt-lymfoom, de meest voorkomende vorm van kanker bij kinderen in de Afrikaanse landen rond de evenaar, bestaat geen vaccin. Maar de middelen die worden gebruikt om de aandoening te behandelen zijn goedkoop, effectief en relatief gemakkelijk toe te dienen.

    Ook het vroeger opsporen van kankergevallen zou helpen. Bij circa 90 procent van de patiënten van het Oegandese Kankerinstituut was de ziekte tijdens het eerste bezoek al zo ver gevorderd dat behandeling overal moeilijk zou zijn geweest, zegt Corey Casper, een in Oeganda werkzame Amerikaanse oncoloog.

    Vroegere behandeling zou het sterftecijfer kunnen halveren, meent Casper. Eenvoudige opsporingsmethoden kunnen daarbij helpen. In sommige landen, zoals India en Thailand, wordt in plaats van uitstrijkjes azijn gebruikt voor het testen op baarmoederhalskanker, en wordt voor het verwijderen van beschadigingen in het voorstadium van kanker vloeibare stikstof gebruikt in plaats van duurdere opties. Zulke successen hebben ook een onverwacht voordeel: hoe meer kanker als niet-dodelijk wordt gezien, des te vaker patiënten bereid zullen zijn zich tijdig te laten behandelen.

    Een grote zorg is of gezondheidsstelsels die zijn ontworpen om acute ziekten te behandelen de grotere toevloed aankunnen. Rwanda vervult hier een modelfunctie. Het land behandelt nu diverse chronische ziekten, waaronder kanker, op basis van het systeem dat het heeft ontwikkeld voor hiv – dat inmiddels zelf een chronische ziekte is. Plaatselijke gezondheidswerkers bieden gedecentraliseerde zorg, en dat houdt de kosten laag. Jonge meisjes worden ingeënt tegen HPV, gegevens over kankergevallen worden centraal geregistreerd en artsen kunnen zo nodig oncologen in de VS raadplegen. In 2012 werd in Rwanda het eerste moderne kankercentrum geopend. Het gevolg is dat meer jonge meisjes met tumoren in leven blijven.

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk, weekblad, oplage 1.337.180
    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

    Een voorbeeldig succes: India is poliovrij

    DowntoEarth.org.in

    Nadat India zichzelf onverwacht van polio wist te bevrijden, lijkt de in 1988 geformuleerde doelstelling om deze slopende ziekte van de aardbodem te vagen tot de mogelijkheden te behoren.

    India werd dit jaar door de WHO officieel poliovrij verklaard, nadat er drie opeenvolgende jaren geen nieuwe gevallen waren gemeld. Dat is een prestatie die tot enkele jaren geleden als een luchtkasteel werd beschouwd, vooral vanwege het grote aantal nieuwe gevallen dat continu in India werd vastgesteld.
    In 2009 was India nog goed voor 741 van de in totaal 1604 poliogevallen die wereldwijd werden gemeld. Sommige deskundigen verwachtten dat India het laatste land zou zijn dat poliovrij zou worden verklaard; anderen achtten zelfs dat een onmogelijke opgave.

    Het uitroeien van de ziekte in India leek het moeilijkste deel van de wereldwijde campagne tegen polio. Daar waren tal van redenen voor: de grote bevolkingsdichtheid, de slechte sanitaire voorzieningen, het hoge geboortecijfer, de lage inentingsgraad, de wijdverbreide diarree, het moeilijk begaanbare terrein, het hoge migratiecijfer en het verzet tegen inenting van sommige bevolkingsgroepen. Margaret Chan, directeur-generaal van de WHO, verklaarde onlangs dat veel critici meenden dat het poliovirus zich te diep in India had ingegraven en dat het land nooit poliovrij zou worden.

    Maar het gevaar is nog niet geweken. De poliovrije status van ieder land wordt bedreigd zolang het virus nog ergens ter wereld rondwaart. Volgens de Bill & Melinda Gates Foundation hebben sinds 2008 meer dan twintig landen een uitbraak van polio gekend – sommige zelfs meerdere malen – nadat het virus uit een ander land was geïmporteerd.

    Er blijven nu nog twee regio’s over die geen aanspraak op de status ‘poliovrij’ kunnen maken: het oostelijke Middellandse Zeegebied en Afrika. De andere drie WHO regio’s zijn Noord en Zuid-Amerika (in 1994 poliovrij verklaard), Europa (2002) en het westelijke gebied van de Grote Oceaan (2000).

    Na het onverwachte succes van India lijkt de in 1988 geformuleerde doelstelling om polio van de aardbodem te vagen tot de mogelijkheden te behoren. Naar verwachting zullen de andere twee regio’s minder problemen opleveren dan India. Bovendien staat India andere landen bij, waaronder Pakistan, Afghanistan (het oostelijke Middellandse Zeegebied) en Nigeria (Afrika). Dit zal de opgave vermoedelijk minder moeilijk maken.

    In de strijd tegen polio zag India zich voor verschillende uitdagingen gesteld, zoals een problematisch toezicht, verwarring over verschillende infectiehaarden, infrastructurele kwesties, logistieke beperkingen en moeizaam contact met gemarginaliseerde groepen. India’s samenwerking met internationale instellingen als de WHO, Rotary International en Unicef hebben het succes mogelijk gemaakt.

    Toen India zich in 1997 voor de problematische taak zag gesteld kinderen aan te wijzen die inenting nodig hadden, werd begonnen met het Nationale Poliosurveillance Project, waarbij de regering de hulp inschakelde van leiders van plaatselijke gemeenschappen. In een interview met Down to Earth verklaart Poonam Khetrapal Singh, WHO-directeur voor de regio Zuidoost-Azië: ‘Het uitroeien van polio is een succes geworden dankzij de grote betrokkenheid van de plaatselijke gemeenschappen. Samenwerking met lokale, traditionele en religieuze leiders bij het propageren van inenting helpt om misvattingen te bestrijden en vertrouwen te kweken in vaccinatie.’ Het is algemeen bekend dat ook Bollywood-ster Amitabh Bachan bij de inentingscampagne werd betrokken vanwege zijn grote populariteit.

    Om de verborgen infectiehaarden te bereiken werden plaatselijke gezondheidswerkers ingeschakeld. Dit hielp zelfs bij het opsporen van kinderen die nooit aan enig ander gezondheidsprogramma hadden deelgenomen. Het opsporen van zulke groepen hielp niet alleen bij het uitroeien van polio, maar kan ook nuttig zijn bij andere toekomstige gezondheidscampagnes.

    Khetrapal meent dat andere landen die nog steeds door polio worden geplaagd veel kunnen leren van de ervaringen in India, zoals de verantwoordelijkheid die elke bestuurslaag kreeg voor het verlenen van diensten aan de gemeenschap. Ook opperde zij dat het belangrijk is zich te richten op het vinden van lokale oplossingen voor lokale problemen. Om de migrantengemeenschappen in kaart te brengen die inenting behoeven, zijn wellicht nieuwe technologieën nodig.

    Auteur: Kundan Pandey

    DowntoEarth.org.in
    _India, tweemaandelijks, oplage 15.000 _
    In 1992 opgericht door een van de beste onderzoeksjournalisten van India: Anil Agarwal, om aandacht te vestigen op milieuproblemen en ontwikkelingsproblemen in met name Zuid-India. Het blad heeft een supplement dat op kinderen en adolescenten is gericht, Gobar genaamd, waarin speels wordt ingegaan op vragen zoals de hergebruik van regenwater, opwarming van de aarde en het recyclen van banden.

    China wordt geteisterd door diabetes

    Laodong Bao

    114 miljoen Chinezen lijden aan diabetes, ruim 11 procent van de volwassen bevolking. Maar campagnes om de aandoening in te dammen ontbreken. Zonder preventieve gezondheidszorg lijkt de ziekte onstuitbaar.

    Als China geen maatregelen neemt, dreigt de schade die door diabetes wordt aangericht uit de hand te lopen, waarschuwen medisch specialisten. Zij benadrukken dat het Chinese beleid op het gebied van ziektekostenverzekering en volksgezondheid tekortschiet voor de aanpak van dit probleem, en dat er onvoldoende mogelijkheden zijn om diabetes tijdig op te sporen en te voorkomen.

    China kent momenteel geen gezondheidsnetwerk om prediabetes [de kans om op korte termijn diabetes te ontwikkelen] op te sporen, af te remmen en te volgen. Het hoofd van het centrum voor diabetologie van de Universiteit van Peking, Ji Linong, legt uit dat elk jaar 6 à 7 procent van de mensen die als prediabetisch worden gediagnosticeerd, de ziekte daadwerkelijk krijgt. Als we niet méér doen om deze groep te helpen, kan het aantal diabetici in China bliksemsnel toenemen, zegt Ji Linong.

    Bovendien dekt de ziektekostenverzekering alleen de gevallen waarbij ziekenhuisopname noodzakelijk is, en niet die waarbij het risico van diabetes is geconstateerd. Dat werkt een goede preventie niet in de hand. Het feit dat in sommige regio’s de ziektekostenverzekering alleen ziekenhuisopname vergoedt, toont aan hoe weinig belang er aan preventie wordt gehecht, zegt Guo Xiaohui, hoofd van de afdeling Endocrinologie van Ziekenhuis Nummer 1 van de Universiteit van Peking.

    ‘Een dergelijk beleid zorgt ervoor dat patiënten zich pas melden als de eerste symptomen zich voordoen, en dat is in het geval van diabetici te laat’, legt ze uit. Het prediabetische stadium is inderdaad vrijwel asymptomatisch. Zonder goede preventieve maatregelen dreigen de mogelijkheden om diabetes en de complicaties ervan te behandelen, evenals de mogelijkheden voor de maatschappij om de kosten te dragen, volledig te worden voorbijgestreefd door de omvang van de ziekte.

    ‘Het voorkomen van diabetes is niet alleen de taak van ziekenhuizen’, zegt Ji Linong. ‘China moet absoluut op grote schaal maatregelen nemen op het gebied van preventie en gezondheidsvoorlichting, en zich ontfermen over de risicogroepen, zodat de tol die deze ziekte eist wordt verlicht.’

    Het veelvuldig voorkomen van chronische ziekten, waaronder diabetes, is niet enkel voorbehouden aan China. De economische en sociale ontwikkeling gaat in de meeste landen gepaard met een hausse van chronische ziekten. Andere landen hebben vanaf de jaren zestig en zeventig maatregelen genomen om hier het hoofd aan te bieden, met overtuigend resultaat. Zo was Finland in de jaren zestig het land met het grootste aantal sterfgevallen door kransslagaderaandoeningen ter wereld. In 1972 lanceerde de staat een nationaal plan ter voorkoming van cardiovasculaire aandoeningen, waarbij met name een beroep werd gedaan op de landbouwwereld om meer groenten te verbouwen en op de voedingsmiddelenindustrie om de grondstoffen op een andere manier te behandelen, terwijl de bevolking werd aangemoedigd op een gezondere manier te leven. Twintig jaar later kon Finland een forse afname noteren van het aantal doden als gevolg van kransslagaderaandoeningen.

    ‘China moet zich sterk laten inspireren door de voorbeelden uit het buitenland’, bevestigt Kong Lingzhi, specialist op het gebied van de preventie van chronische ziekten. De ervaring leert dat preventie en behandeling van chronische ziekten moeten toenemen. Terwijl er nu nog voornamelijk sprake is van klinische zorg, moet er een preventiebeleid komen, waarbij niet alleen de gezondheidszorg betrokken is maar de hele maatschappij, in een campagne die niet meer alleen op specialisten is gericht maar ook op het grote publiek.

    In 2014 leden 114 miljoen Chinezen aan diabetes, oftewel 11,4 procent van de volwassen Chinezen; zij vormden een derde van alle diabetici ter wereld. Tussen 2007 en 2013 werden in China 22 miljoen nieuwe gevallen gemeld.

    Laodong Bao
    China, dagblad, oplage onbekend
    Deze ‘Zakenkrant’ is in 1989 opgericht en voorziet de lezer van financieel, zakelijk en maatschappelijk nieuws, vooral nationaal.

    Vertalingen: Peter Bergsma