Tag: grondstoffen

  • Binnenkort is Tibesti geen afgelegen oord meer

    Binnenkort is Tibesti geen afgelegen oord meer

    Goud, antimoon en internet dringen razendsnel door in het geïsoleerde en afgelegen Tibesti-massief in het noorden van Tsjaad. ‘Ongebreidelde globalisering heeft de overhand genomen.’

    ‘Sinds mijn geboorte ken ik alleen de woestijn, ik weet er de weg, ik ben er thuis.’ Tijdens het praten zet Ahmedi Brahim Chaha de rugleuning van zijn stoel een stukje naar achteren, controleert in zijn achteruitkijkspiegel of zijn lading goed vastzit en schuift zijn mobiele telefoon in de houder op het dashboard. Op deze winterse donderdag vertrekt Ahmedi vanuit Bardaï, de hoofdstad van de regio Tibesti in het noorden van Tsjaad die grenst aan Niger en Libië, naar Dirkou in Niger. Daar wil hij benzine kopen, dertig jerrycans van zestig liter, die hij met dikke touwen in een piramide zal vastsjorren in de laadbak van zijn 4×4 om ze na terugkomst in Tsjaad te verkopen. Benzine is op dit moment aan deze kant van de grens twee keer zo duur, dus de handel loopt als een tierelier.

    Het is een reis van vier dagen en zeshonderd kilometer over onverharde wegen. Alleen achter het stuur van zijn brandschone witte Toyota Tundra met getinte ruiten, luistert hij naar muziek of podcasts. De eenendertigjarige Ahmedi, vader van twee kinderen, droomt groot: hij definieert zichzelf als een ‘handelaar’ op de grote informele handelssnelweg die de Sahara van oost tot west doorkruist. Een omschrijving die in de praktijk neerkomt op het overbruggen van kilometers vlakke en winderige woestijn in Zuid-Libië, Noord-Niger en het Tibestigebergte, de drie landstreken die het oorspronkelijke thuisland vormen van Ahmedi’s nomadische gemeenschap, de Teda.

    ‘Sinds mijn geboorte ken ik alleen de woestijn, ik weet er de weg, ik ben er thuis’

    ‘Het enige verschil met jullie snelwegen is dat je hier geen tolpoortjes hebt, alleen maar zand, maar verder is het lood om oud ijzer,’ glimlacht Ahmedi terwijl hij zijn dunne bril wat omhoog duwt. En inderdaad, hoe onmetelijk het gebied ook is, je kunt er onmogelijk een dag doorheen rijden zonder allerlei volk tegen te komen. Van wapen- of drugshandelaren en mensensmokkelaars tot verkopers van allerhande goederen, brandstoftransporteurs of mensen die gewoon onderweg zijn. Afhankelijk van de locatie is je veiligheid op deze eindeloze onverharde wegen min of meer gegarandeerd.

    De regionale geschiedschrijving, grotendeels van koloniale hand, maakt van Tibesti een nomadisch, nostalgisch droombeeld. Momenteel vinden er echter twee structurele veranderingen plaats, de komst van het internet en de ontdekking van goud en antimoon, een metaal dat wordt gebruikt bij de vervaardiging van zonnepanelen en elektrische batterijen. Volgens de plaatselijke autoriteiten heeft de ontdekking van die mineralen in vijftien jaar tijd geleid tot meer dan honderdvijftigduizend nieuwkomers in Tibesti, dat voordien slechts twintigduizend inwoners telde. De bevolkingsexplosie brengt onder andere ressentiment, toenemende economische armoede en instabiliteit met zich mee.

    Het internet, daarentegen, heeft voor de regio Tibesti een heel nieuwe wereld doen opengaan: op elke berghut en elke auto die door het gebied rijdt is inmiddels een Starlink-ontvanger geïnstalleerd. TikTok vormt het favoriete tijdverdrijf van deze geïsoleerde bevolking en wakkert hun verlangen om de bergen te verlaten alleen nog maar verder aan.

    ‘In de woestijn kan je van alles overkomen, overvallen gebeuren voortdurend, maar als je er eenmaal bent, gebeurt je niets meer’

    Voor de Teda fungeert de Tibestiketen, een vulkanisch massief dat wordt omgeven door een zee van zand, als een kruispunt en als een kompas. De lokale bevolking spreekt liever van ‘Tou’, de grote berg, want het immense massief, dat drie keer zo groot is als Zwitserland, is het hoogste van de Sahara. Als ze op reis zijn, neemt hun verlangen om terug te keren naar ‘Tou’ alleen maar toe. Verschillende Teda hebben het gebergte omschreven als een onneembare haven, immuun voor de narigheid beneden. ‘In de woestijn kan je van alles overkomen, overvallen gebeuren voortdurend, maar als je eenmaal hier bent gebeurt je niets meer,’ verzekert Ahmedi.

    De krijgsgeschiedenis van Tibesti verklaart Ahmedi’s trotse overtuiging. Elk leger dat Tibesti heeft proberen te onderwerpen werd in de pan gehakt, of het nu Turken, Italianen, Libiërs, Fransen of zelfs Tsjadiërs waren. Allemaal stuitten ze op een gegeven moment op het verzet van de bergpartizanen. Je zou de geschiedenis van Tibesti bijna kunnen reconstrueren aan de hand van de wrakken waarmee het zand bezaaid ligt, gestripte tanks en antitankmijnen uit de oorlog met Libië in de jaren tachtig, resten van de Leclerc-kolonne uit de jaren veertig en verkoolde voertuigen van tijdens de opstand in de jaren tweeduizend.

    Klein metaal, grote gevolgen

    Antimoon is een relatief onbekend metaal, maar speelt een steeds grotere rol in de wereldeconomie. Het wordt gebruikt in onder meer batterijen, zonnepanelen, vlamvertragers en militaire toepassingen. Daarmee is het een zogeheten kritieke grondstof: schaars, moeilijk te vervangen en essentieel voor de energietransitie en defensie-industrie.
    Volgens analyses van Financial Times en The Economist wordt de wereldwijde productie van antimoon sterk gedomineerd door China, dat goed is voor een groot deel van het aanbod. Die concentratie maakt andere landen kwetsbaar voor verstoringen in de aanvoer, zeker nu de geopolitieke spanningen toenemen. Daarom groeit de belangstelling voor nieuwe vindplaatsen, ook in afgelegen regio’s zoals het Tibesti-massief in Tsjaad. Overheden en bedrijven zoeken naar manieren om hun afhankelijkheid van Chinese grondstoffen te verkleinen. Tegelijk gaat de winning van antimoon in zulke gebieden vaak gepaard met informele mijnbouw, milieuschade en lokale conflicten.
    De vraag naar antimoon zal naar verwachting verder stijgen door de wereldwijde energietransitie en de groei van de defensiesector. Dat maakt het metaal tot een strategische factor in internationale verhoudingen, in de toekomst mogelijk zelfs vergelijkbaar met olie of zeldzame aardmetalen.

    Afgelegen ligging

    Gewapend met een wandelstok en gehuld in een elegante witte boubou begeeft een oude man zich in langzame pas tussen de rotsen door. Kenia Adoum is al veertien jaar het traditionele hoofd van het kanton Modra, een dorpje verscholen in het Miskigebergte. Die ochtend zal Kenia Adoum ons, de verslaggevers van Libération, samen met de onderprefect van Modra ontvangen. Westerse bezoekers zijn in dit gebied al decennialang op de vingers van één hand te tellen.

    Als we de oude man mogen geloven is de afgelegen ligging van Tibesti – halverwege de hoofdsteden van Tsjaad, Niger en Libië, elk meer dan duizend kilometer verderop en slechts via onverharde wegen te bereiken – de voornaamste reden dat hier nooit sprake is geweest van echte ontwikkeling. En evenmin van een echt gevoel van nationale verbondenheid of volledige stabiliteit. Hier gaat niemand ongewapend de deur uit. Als hij achter het stuur van zijn pick-up kruipt, zet de onderprefect van Modra zijn popperige zoontje op de passagiersstoel met een aanvalswapen ernaast.

    Hier gaat niemand ongewapend de deur uit

    Tibesti beschikt over 48 scholen, dertien gezondheidscentra en een ziekenhuis. In de meeste gezondheidscentra is er echter maar één verpleegkundige werkzaam en de meeste scholen hebben geen leraren. Degenen die zijn aangenomen verlaten hun post al snel gezien de onaantrekkelijke verhouding tussen salaris en reistijd. Er is nergens elektriciteit, dus heeft iedereen in zonnepanelen geïnvesteerd. Asfalt ziet Kenia Adoum alleen als hij naar de hoofdstad N’Djamena gaat. ‘Het pad naar het dorp hebben we in 1979 zelf uitgehakt, met houwelen. Hier [in Tibesti] heb je alleen de palmentuin die ons te eten geeft en het goud dat ons in de problemen brengt,’ moppert het kantonhoofd.

    Zoals alle mannen hier stortte ook Ahmedi zich op het gouddelven. In 2015 kocht hij van de opbrengst een auto. ‘Je moet het goud gebruiken om een toekomst op te bouwen.’ Vervolgens ging hij migranten vervoeren van Agadez in Niger naar Sebha in Libië. Elke reis wordt een dertigtal van deze Europadromers in de laadbak van zijn pick-up gepropt. 75.000 franc (ongeveer 110 euro) per passagier. Maar let op. Ahmedi is geen mensensmokkelaar, alleen maar iemand die passagiers vervoert, probeert hij zo goed mogelijk te verduidelijken, alsof hij wil zeggen: wat ze daarna doen, moeten ze zelf weten.

    Hij kent de grensovergangen, die vaak alleen op papier bestaan, en bezit drie verschillende nummerborden: van Niger, Tsjaad en Libië. ‘Deze grenzen zijn getrokken door de kolonisatoren, maar ze hebben weinig impact op ons komen en gaan,’ bevestigt de vierennegentigjarige Anour Oueddeï, een voormalige cavalerist onder het Franse koloniale bewind die daar zoals alle mannelijke Teda van zijn leeftijd diverse malen tegen in opstand is gekomen, maar die ook de broer van de president en de zoon van de sultan is. Je moet de geschiedenis op de lange termijn bekijken, zegt hij. ‘Vroeger hadden we dromedarissen om handel te drijven, nu gebruiken we auto’s.’

    Deze grenzen zijn getrokken door de kolonisatoren

    Behalve de grenzen trekken de mannen zich ook weinig aan van belastingen en in- en uitvoerrechten. De meeste goederen uit Libië, waar de autochtone Tsjadiërs hun inkopen doen, worden clandestien het land binnengebracht. ‘Dit is de woestijn,’ zegt Allifa Oueddeï, de hoogste Tsjadische overheidsfunctionaris. Smokkel? Nee! Smokkel, zo vergoelijkt vrijwel iedereen, geldt voor dingen die illegaal zijn, zoals wapens. Volgens hen is het gewoon een goede deal om sloffen Libische sigaretten buiten de douane om in te voeren. Over de rest zwijgt iedereen. Ze praten niet over de benzine die via het Tibestigebergte naar het door oorlog verscheurde Soedan wordt gesmokkeld, zoals een recent rapport van de denktank Global Initiative against Transnational Organized Crime bevestigt. Niemand praat ook over wapens, zoals een klein kaliber dat door een verkoper voor vijfhonderd euro wordt aangeboden.

    Levensader

    Handel is de levensader van de regio Tibesti. Er is handel op menselijke schaal, die geruststellend is, en handel op industriële schaal, die zorgwekkend is. ‘Ongebreidelde globalisering heeft de overhand genomen, kijk maar naar Venezuela en Oekraïne. Als de grote mogendheden besluiten dat ze zich ook onze mineralen willen toe-eigenen, wat kunnen we daar dan tegen beginnen?’ vraagt Galmaye Wardougou, de onderprefect van Bardaï.

    Ahmedi Chaha tankt bij een gloednieuw pompstation met een digitaal betaalsysteem dat de lokale bevolking tegen de borst stuit – alles gaat hier contant, wie heeft dat verrekte station hier neergezet? Hij is tevreden met zijn leven, maar hij denkt vooruit: ‘De handel is best goed, maar handel drijven met kamelen zou nog beter zijn. Met een glimlach voegt hij eraan toe: ‘Maar wel met internet, natuurlijk.’

  • Europa moet zich grondig bezinnen op zijn omgang met grondstoffen

    Europa moet zich grondig bezinnen op zijn omgang met grondstoffen

    Voor zeldzame aardmetalen is Europa bijna volledig aangewezen op Chinese export. Dat is een haast absurd economisch risico, schrijft Torben Kassler in Süddeutsche Zeitung. Maar er is een uitweg voorhanden: stoppen met het verspillen van die waardevolle grondstoffen.

    Wanneer je met politici of vertegenwoordigers van de industrie spreekt over zeldzame aardmetalen – toegegeven, dat zal een niet-journalist zelden overkomen – volgt al snel een even zeldzame teneur. De importsituatie is ‘gespannen’, zegt een vrouwelijke expert van het Bundesverband van de Duitse industrie. De exportlicenties uit China zijn ‘niet toereikend’, zegt het verbond van de Duitse auto-industrie. Minister van economische zaken Katharine Reiche zei onlangs zelfs dat ‘op sommige plekken de productielijnen al stil liggen’. Als niet-journalist zou je dat waarschijnlijk zo samenvatten: We zijn de klos.

    Wat het thema van de zeldzame aardmetalen betreft staat Europa voor een trilemma: in de eerste plaats is daar de industrie, die gevangen lijkt te zitten tussen een extreem stijgende vraag en de massieve afhankelijkheid van één enkele aanbieder. Dan is er ten tweede de uitzichtloze positie van Europa tussen de imperialistische kemphanen USA en China, en in de derde plaats een industriepolitiek van de EU die er op papier goed uitziet, maar waarvan de uitvoering op zich laat wachten. 

    Toch is er een oplossing die de bevoorradingssituatie weliswaar niet volledig oplost, maar naast het strategische probleem ook de ecologisch impact van de winning en raffinage van zeldzame metalen zou verminderen: Europa moet zijn omgang met de grondstoffen grondig overdenken.

    De omschakeling op hernieuwbare energie zouden zonder zeldzame aardmetalen slechts utopische gedachte-experimenten zijn

    De zeventien stoffen die het begrip ‘zeldzame aardmetalen’ omvat worden wel de metalen van de toekomst genoemd. Geen high-tech industrie kan zonder. Of het nu Yttrium en Europium zijn in de lichtgevende stoffen van moderne beeldschermen of neodymium en praseodymium die onmisbaar zijn in de legeringen van straaljagermotoren. Maar de grootste behoefte aan zeldzame metalen bestaat bij de vervaardiging van permanente magneet: neodymium, samarium, praseodymium, dysprosium, terbium en gadolinium staan hier bovenaan de lijst. Zonder deze permanente magneten zouden bijna alle belangrijke industrieën hun productie moeten staken. 

    Want ook al worden ze steeds in relatief geringe hoeveelheden gebruikt – in de batterij van een mobieltje bijvoorbeeld zit maar 0,4 gram neodymium en in de motor van een elektrische auto slechts ongeveer drie kilo – de zeldzame metalen zijn onmisbaar voor het functioneren van deze producten. Geen windmolen zou zonder nog stroom opwekken, geen elektromotor een carrosserie aandrijven, geen geleide raket zijn doel vinden. De omschakeling op hernieuwbare energie zouden zonder zeldzame aardmetalen slechts utopische gedachte-experimenten zijn.

    In het afgelopen jaar hebben Duitse ondernemingen ongeveer 12.300 ton van die metalen en daaruit bestaande permanentmagneten geïmporteerd, volgens de Duitse Rohstoffagentur (Dera), bijna 8000 ton meer dan pas vijf jaar geleden. En op langere termijn gaat de trend nog verder omhoog. Experts van het internationale energieagentschap (IEA) verwachten dat de vraag tot 2040 met drie- tot zevenmaal toeneemt, alleen al voor het halen van de Europese klimaatdoelen. De universiteit Löwen komt in een studie tot 2050 zelfs uit op zeven tot zesentwintig keer zo veel.

    Helemaal niet zo zeldzaam

    Op zich zou deze stijgende vraag geen groot probleem zijn: die zeldzame metalen zijn feitelijk helemaal niet zo zeldzaam, sommige komen vaker in de aardkorst voor dan lood of goud. Het probleem ontstaat door de dominantie die een enkele staat bezit op de wereldmarkt van zeldzame metalen: meer dan 70 procent van het wereldwijde aanbod en rond de 90 procent van de verdere verwerking zijn momenteel in Chinese handen. En terwijl dit laatste cijfer weliswaar volgens schattingen van de IEA tot 2040 zal dalen tot ‘slechts’ 76 procent, kan niemand die deze felbegeerde metalen wil bemachtigen op dit moment om de volksrepubliek heen.

    Al vroeg heeft China de toekomstige relevantie van zeldzame aardmetalen onderkend: ‘Het Midden-oosten heeft olie, wij hebben zeldzame aardmetalen,’ zou de toenmalige regeringsleider Deng Xiaoping al in 1987 gezegd hebben. In de volgende decennia breidde China zijn monopoliepositie uit, in eigen land – ongeveer 40 procent van de wereldwijde reserves van zeldzame metalen bevindt zich in China –, maar ook in de rest van de wereld. Inmiddels staat de volksrepubliek China relatief alleen aan de top wat know-how en techniek betreft; experts schatten hun voorsprong in ontwikkeling op tien tot vijftien jaar.

    Lange tijd heeft deze dominantie nauwelijks iemand verontrust. China was weliswaar politiek omstreden, maar zolang de Chinese mijnbouw- en raffinagebedrijven de milieuonvriendelijke bewerkingsprocessen binnen de eigen landsgrenzen hielden en voordelige grondstoffen leverden aan de Europese bedrijven – tja, waarom zouden we daar bezwaar tegen maken? Deze zorgeloosheid veranderde pas toen China in 2010 zijn monopolie als drukmiddel tegen buitenlandse ondernemingen inzette en exportbeperkingen oplegde. In de handelsoorlog tussen de VS en China vanaf 2018 gebruikte de volksrepubliek haar monopoliepositie opnieuw om in geopolitieke kwesties druk uit te oefenen.

    Europa bevindt zich nu in een tamelijk hopeloze positie

    Europa werd zich pijnlijk bewust dat zijn hightech-economie weinig waard is zonder toegang tot grondstoffen, en dat vrije wereldhandel, als het erop aankomt, minder betrouwbaar is dan gehoopt. Tegelijk werd duidelijk dat de Volksrepubliek China allang geen opkomend ontwikkelingsland meer is, maar een volwaardige rivaal voor de Amerikaanse hegemonie.

    Dat zou in een coöperatieve wereldorde geen onoverkomelijk probleem zijn. Maar op zijn laatst sinds Trumps aantreden is helder dat die tijd voorbij is. Zijn protectionisme kwam niet uit de lucht vallen; het is mede een reactie op de economische uitdaging vanuit Oost-Azië. In de Süddeutsche Zeitung schetste politicoloog Ulrich Menzel een komende fase van imperialistische krachtmetingen tussen de VS en China – inclusief handels- en afgeleide oorlogen. Verrassend is dat niet: de strijd om dominantie is de kern van een wereldwijd economisch systeem met globaal concurrerende actoren. Economische dominantie als voltooiing van de concurrentie: het basisprincipe van economisch imperialisme.

    Europa bevindt zich nu in een tamelijk hopeloze positie. Aan de ene kant, zuiver economisch gezien, moeten we goede relaties met China zien te behouden om de toekomst van de eigen industrie te verzekeren. Aan de andere kant staan we, historisch en politiek gezien, aan de kant van de VS. Om dat zo te houden grijpt de president van de VS graag naar middelen die we eigenlijk alleen kennen uit maffiafilms. Neem het voorbeeld van Huawei: toen Trump het gebruik van Chinese hardware in federale overheidsinstanties verbood en Europa zich daar niet bij aan wilde sluiten, dreigde de VS met een herziening de samenwerking tussen de geheime diensten van de VS en de EU-landen – uitgerekend een jaar na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne, waarin data van de Amerikaanse geheime diensten onmisbaar zijn voor de Oekraïense verdediging.

    Recycling

    Wat kan Europa nu doen? Welnu, blijkbaar had Brussel na het begin van de Amerikaans-Chinese handelsoorlog in 2018 toch iets geleerd en is er in 2024 met de Critical Raw Materials Act (CRM Act) ten minste een basis gelegd. De Europese soevereiniteit qua grondstoffen moet berusten op drie pijlers: winning, raffinage en verdere bewerking binnen Europa; diversifiëring van de landen waaruit geïmporteerd wordt; en het opbouwen van recyclecapaciteit.

    Op minstens twee punten lopen we al snel tegen harde grenzen aan. Ten eerste zijn de Europese vindplaatsen van zeldzame aardmetalen bij lange na niet toereikend. Zelfs met de twee jaar geleden ontdekte reserves in Zweden – waarvan de winning overigens pas over tien tot vijftien jaar kan beginnen – zal de Europese mijnbouw niet meer dan 10 procent van de Europese vraag bedragen. Bovendien bemoeilijken EU-milieuregels en de afwijzende houding van de bevolking de uitvoering van verder mijnbouwplannen. Ook de diversificering van aanvoerketens kan slechts een klein deel voor zijn rekening nemen. Zelfs bij ‘slechts’ 76 procent van de verwerking in Chinese handen in het jaar 2040, volgens de schatting van de IEA, moeten de overige 24 procent tussen alle westerse industrieën worden verdeeld.

    Dan blijft dus alleen nog massale uitbreiding van de recycling over. Momenteel wordt minder dan 1 procent van de zeldzame metalen uit schroot teruggewonnen. Hierin schuilt de grootste kans voor Europa: want alleen uit recycling kan volgens de studie van de Universiteit Löwen vanaf 2040 tot wel 65 procent van de Europese behoefte gedekt worden. De technologieën om deze cijfers te halen zijn in experimenteel stadium al voorhanden. Maar voor de realisering op industriële schaal is een radicale koerswijziging in de politiek nodig, want lange tijd zal het recyclen van zeldzame aardmetalen een verliesgevende zaak blijven.

    Zolang zeldzame aardmetalen als heel normale grondstoffen behandeld worden, gebeurt er niets

    Voor de opbouw van de benodigde recyclecapaciteit moeten er drie dingen gebeuren. Eerst moet de EU een kader scheppen dat ondernemingen in staat stelt om snel, gecoördineerd en ongecompliceerd te investeren in onderzoek en ontwikkeling van recycling. Daarvoor moeten we bureaucratische drempels wegnemen en EU-breed ruimte creëren waarin onderzoek en bedrijfsleven samen sneller vooruitgang boeken. Op andere strategisch belangrijke gebieden bleken zulke EU-inspanningen mogelijk, bijvoorbeeld op het gebied van cyber security of defensievraagstukken. En al heeft de EU met de CRM Act al enige politieke wil in deze richting getoond, we zijn er nog niet. 

    In de tweede plaats moeten de ondernemingen deze investeringen ook daadwerkelijk doen, om onderzoek en ontwikkeling zo snel mogelijk te kunnen vertalen in industriële realiteit. Om een voorsprong als die van de Chinezen in te halen moeten reusachtige hoeveelheden kapitaal en personeel worden vrijgemaakt. Gezien de strategische relevantie is dat niet alleen een opgave voor het bedrijfsleven, er is een mix van subsidies, garanties en fiscale prikkels nodig om de aanlooprisico’s te overbruggen. Want vrijwel geen enkele onderneming zal miljarden aan startkapitaal investeren om over tien, misschien pas twintig jaar te kunnen zeggen: ‘Nou, nu zijn we toch mooi strategisch belangrijk geworden!’

    Daarom is voor punt een en punt twee vooral punt drie nodig: een ommezwaai in het denken van politici en industriebazen. Zolang zeldzame aardmetalen als heel normale grondstoffen behandeld worden, gebeurt er niets. Beslissers in politiek en bedrijfsleven moeten beseffen dat het bij kritieke grondstoffen zoals zeldzame aardmetalen niet draait om korte- en middellangetermijnwinsten, maar om het veiligstellen van de Europese industriële toekomst op de lange termijn. Zo’n besluiteloos en aarzelend optreden als na 2010 of 2018 kan Europa zich, gezien de verscherping van het conflict tussen de VS en China, niet langer permitteren. Anders is het straks niet alleen een provocatieve economiejournalist, maar de top van VW, Rheinmetall en Siemens die ronduit zegt: ‘We zijn de klos.’

  • De Zwitserse grondstoffenbazen achter Trumps diepzeemijnbouw

    De Zwitserse grondstoffenbazen achter Trumps diepzeemijnbouw

    Machtige Zwitserse concerns beheersen voor een groot deel de handel in koper, kobalt en nikkel. Nu willen ze ook de bodemschatten op de diepzeebodem exploiteren.

    In de chaos van zijn grillige beleid, met elke dag nieuwe dreigementen, bekendmakingen en decreten, dreigde een voor de aarde belangrijke beschikking van Donald Trump uit het zicht te raken. Eind april gaf de president de betreffende instanties opdracht ervoor te zorgen dat door de VS gelicentieerde ondernemingen zo snel mogelijk strategisch belangrijke grondstoffen uit de zeebodem kunnen halen, zowel in Amerikaanse als in internationale wateren. Daar, duizenden meters onder het oppervlak, liggen op veel plaatsen enorme voorraden koper, kobalt, mangaan en nikkel. Diepzeemijnbouw is zeer omstreden en door internationale verdragen grotendeels verboden. Sommige deskundigen achten het wel mogelijk en zinvol, mits op terughoudende en voorzichtige wijze. Veel anderen waarschuwen echter voor de onvoorspelbare en dramatische gevolgen voor de oceanen en de mariene ecologie en wijzen diepzeemijnbouw categorisch af.

    Zoals bekend laat Donald Trump zich weinig gelegen liggen aan internationale regels en helemaal aan ecologische argumenten. Hij wil zakendoen. De onderneming die naar het zich laat aanzien het meest profiteert van zijn decreet is The Metals Company (TMC), een vanwege zijn manier van zakendoen omstreden Canadees bedrijf. Maar de grote profiteurs op de achtergrond zitten midden in Europa: in Zwitserland, en hun reputatie is niet minder dubieus.

    Zonder overheidsregulering of enig toezicht controleren en dirigeren zij de wereldwijde handel in bodemschatten. Met name die waar door digitalisering, energietransitie en klimaatbescherming steeds meer vraag naar is. Als je nu op een willekeurige plaats een straatenquête zou houden met de vraag wat de grootste Zwitserse concerns zijn, hoor je waarschijnlijk de namen van UBS, voedingsmiddelenmultinational Nestlé en van farma-giganten als Novartis, Sandoz en Roche. Vrijwel niemand zou Glencore, Trafigura of Mercuria noemen. Terwijl die een branche van in totaal zo’n duizend grondstoffenbedrijven domineren, die samen meer aan het Zwitserse bbp bijdragen dan het toerisme of de financiële sector.

    Grote bazen

    Ongeveer de helft van de grondstoffenbedrijven is gevestigd in het belastingparadijs Zug. De Zwitserse federale autoriteiten gaan ervan uit dat 60 procent van de wereldhandel in grondstoffen via dit kanton loopt, hoewel ze daar – met uitzondering van goud – bijna nooit fysiek terechtkomen. Deze concerns zijn ‘achter de schermen de grote bazen van de wereldeconomie’, schreef het Zwitserse economische tijdschrift Bilanz. In 2024 haalde alleen al marktleider Glencore een omzet van € 202,8 miljard, evenveel als Nestlé, Novartis en Roche bij elkaar. 

    De omvang op zich is echter niet het probleem, wel de dominante marktpositie en methodes die concerns als Glencore hanteren. Vanuit Zwitserland orkestreren en controleren de grondstofreuzen de gehele toeleveringsketen via een ondoorzichtig web van ontelbare, niet zelden in offshore belastingparadijzen gevestigde dochterondernemingen.

    Het begint al bij de mijnen, meestal gelegen in afgelegen streken van politiek instabiele landen in Latijns-Amerika of Afrika waar de rechtsstaat een sluitpost is. Zoals Espinar in de hooglanden van het grondstofrijke Peru, waar zonder enige consideratie met mens en natuur op grote schaal koper wordt gewonnen. De voornamelijk inheemse lokale bevolking wordt verjaagd. Degenen die blijven, hebben gevaarlijke concentraties zware metalen en andere giftige stoffen in hun bloed, veroorzaakt door verontreinigd drinkwater. Dat is vastgesteld door de nationale gezondheidsdienst maar heeft niets veranderd. Ook in andere landen zijn de werkwijzen en de toestanden bij de winning van grondstoffen rampzalig voor de mensenrechten en het milieu. Kerkelijke en andere ngo’s bekritiseren dat zonder resultaat al jaren.

    De Zwitserse grondstoffenreuzen hebben meer schepen op zee dan de complete Amerikaanse marine

    Niet alleen de mijnen zelf, ook het daaropvolgende transport en de verwerking van de grondstoffen zijn stevig in handen van de Glencores van deze wereld. Zij bezitten de wegen, de transportbedrijven, de spoorlijnen en de havens; de Zwitserse grondstoffenreuzen hebben meer schepen op zee dan de complete Amerikaanse marine. Zij zorgen voor de veredeling en het verhandelen van de grondstoffen. En bovendien zijn zij door hun enorme opslagcapaciteit in staat de felbegeerde goederen vast te houden en zo de prijzen op de wereldmarkt kunstmatig op te drijven. De rekening is voor de verwerkende industrie – en dus uiteindelijk voor de consument, aangezien energiecentrales, smartphones en elektronische apparaten onnodig duurder worden.

    Het is gezien hun macht en betekenis verbazingwekkend dat de grondstoffenreuzen zo goed onder de radar van de publieke waarneming weten te blijven. En dat willen ze maar al te graag zo houden. Als je de schitterende gebouwen van de Zwitserse banken en de financiële sector aan de Paradeplatz in Zürich ziet, verbaas je je hoe onopvallend het kantoor van de economische wereldmacht Glencore is: een kleurloos kantorencomplex aan Baarermattstraße 3 in de gemeente Baar in kanton Zug.

    Door een fusie met zijn Zwitsers-Britse concurrent Xstrata twaalf jaar geleden stond Glencore in één keer aan de top van de bedrijfstak. De oprichter van het concern was een man die zijn leven lang een reputatie van meedogenloosheid heeft genoten, waar hij zelf helemaal niet mee zat: Marc Rich. In 1934 in België geboren, werd hij later ook Spaans en Israëlisch staatsburger en begon hij in 1974 als zelfstandig oliehandelaar. In zaken had Rich geen morele of politieke scrupules, en dat kostte hem in 1983 de kop. De FBI vaardigde een wereldwijd opsporingsbevel tegen hem uit, officieel wegens belastingfraude. In werkelijkheid werd het Rich in de VS buitengewoon kwalijk genomen dat hij ongegeneerd doorging met zijn oliehandel met de Iraanse moellahs toen die in de Amerikaanse ambassade in Teheran tweeënvijftig Amerikaanse diplomaten en medewerkers 444 dagen lang gegijzeld hielden. Waarom Bill Clinton hem op de laatste dag van zijn ambtstermijn in 2001 verrassenderwijs gratie verleende en het arrestatiebevel introk, is sindsdien onderwerp van veel speculatie.

    Slinks

    Marc Rich, die voor fotografen bij voorkeur poseerde met een dikke sigaar en open overhemd, was in de jaren zeventig ook in de metaalhandel gestapt. Zijn belangrijkste man werd een vrijwel onbekende Duitser, in de Zürichse Tagesanzeiger ooit kort en krachtig ‘de machtigste manager van Zwitserland’ genoemd: Willy Strothotte. Geboren in 1944 in Borken, Westfalen, gold hij in de grondstoffenbusiness als de Metal Man en rechterhand van Rich. In de jaren negentig, toen Rich door zijn eigen managers was afgezet en zij het bedrijf hadden omgedoopt tot Glencore, werd Strothotte de baas van het concern. Ook bleef hij aandeelhouder. Tegenwoordig woont hij in Zwitserland waar hij van zijn miljarden geniet.

    Maar waarom vindt dit alles uitgerekend in Zwitserland plaats? Zolang de kas klopt, blijft men discreet. Politiek en instanties tonen geen noemenswaardige interesse in het reguleren of controleren van de activiteiten van de grondstoffengiganten. Daar hebben ook de herhaalde corruptieschandalen, zoals die bij Glencore, niets aan veranderd. In Congo had het concern met hulp van een dubieuze tussenpersoon en smeergeldbetalingen aan de clan van dictator Joseph Kabila op slinkse wijze exploratierechten weten te bemachtigen. Dat werd in 2017 door de Süddeutsche Zeitung en andere internationale media aan het licht gebracht in de Paradise Papers. Aan het onderzoek door Zwitserse en Amerikaanse autoriteiten wist Glencore in 2022 elegant een einde te maken door € 180 miljoen aan de Republiek Congo over te maken.

    In 2020 is in Zwitserland een poging gedaan de concerns in elk geval op het gebied van mensenrechten en milieunormen aan banden te leggen. Een referendum over de invoering van normen en voorschriften naar het voorbeeld van de EU-richtlijn inzake de toeleveringsketens, mislukte toen nipt. Het initiatief was afkomstig van negentig kerkelijke en maatschappelijke organisaties; inmiddels bereidt deze ‘coalitie voor verantwoord ondernemen’ een nieuwe poging voor.

    Deze coalitie stelt momenteel ook de zogenaamde Zwitserlandconnectie aan de kaak die zou profiteren van Donald Trumps plannen om grondstoffen uit de diepzeebodem te winnen. Want de in het begin genoemde Canadese onderneming TMC, die hiervoor al in de startblokken staat, is grotendeels in Zwitserse handen. Glencore en het in het kanton Fribourg gevestigde Allseas, dat is gespecialiseerd in voor dit doel ontworpen bijzondere vaartuigen, zijn grote investeerders en ‘strategische partners’ van TMC. Bovendien verzekerde Glencore zich al in 2012 contractueel van vijftig procent van de metalen die TMC ooit uit de bodem onder de Stille Oceaan wil gaan halen.

  • Golfstaten ambitieus in mondiale strijdom mineralen 

    Golfstaten ambitieus in mondiale strijdom mineralen 

    Nikkel, bauxiet, lithium: de Verenigde Arabische Emiraten en Saoedi-Arabië willen een stempel drukken op de distributie van grondstoffen die onmisbaar zijn voor de energietransitie, door steeds meer akkoorden te sluiten met producerende landen.

    Na China en de westerse landen is het nu de beurt aan de Golfstaten om zich te mengen in de mondiale strijd om strategische mineralen die onmisbaar zijn voor de energietransitie. In december 2023 hebben de Verenigde Arabische Emiraten via de onderneming International Resources Holding, eigendom van hun nationale veiligheidsadviseur Tahnoon bin Zayed al Nahyan, voor 1,1 miljard dollar een aandeel van 51 procent verworven in de Zambiaanse Mopani-kopermijn.

    Saoedi-Arabië heeft in 2023 de Manara Minerals Investment Company opgericht, die over een oorlogskas van 15 miljard dollar beschikt om zich van buitenlandse energiebronnen te verzekeren. Zes maanden later nam dit nieuwe investeringsfonds voor 2,6 miljard dollar een aandeel van 10 procent in een dochterbedrijf van de Braziliaanse mijngigant Vale, dat gespecialiseerd is in strategische mineralen.

    Manara heeft ook interesse om voor 7 miljard dollar deel te nemen in een van de grootste koper- en goudreserves ter wereld, gelegen in Reko Diq, in het zuidwesten van Pakistan.

    Er wordt ook een diplomatiek offensief ontketend. Saoedi-Arabië heeft afgelopen januari samenwerkingscontracten voor mijnexploratie getekend met de Democratische Republiek Congo, Egypte, Rusland en Marokko. Ook heeft een delegatie Argentinië bezocht, dat over een grote lithiumreserve beschikt, en zal een andere zich binnenkort naar Chili begeven.

    ‘Controle over de aanvoer van zeldzame metalen dient zowel geopolitieke als economische doelen’

    De Golfstaten, die volledig afhankelijk zijn van de export van koolwaterstof, maken van strategische mineralen een van de pijlers van hun economische diversificatie, zoals ook Saoedi-Arabië heeft gedaan met zijn plan Saudi Vision 2030. ‘Controle over de aanvoer van zeldzame metalen dient zowel geopolitieke als economische doelen,’ analyseert Thomas Scureld, econoom bij het Natural Resources Governance Institute in New York.

    Om te beginnen voor de productie van elektrische voertuigen. Riyad heeft afgelopen maart een miljard dollar gestoken in de Chinese EV-fabrikant Lucid Motors en samen met de Taiwanese computeronderdelenfabrikant Foxconn een eigen merk gelanceerd, onder de naam Ceer.

    Het Saoedische koninkrijk, dat grote vliegtuigorders heeft geplaatst voor zijn nieuwe luchtvaartmaatschappij Riyad Air, wil ook een plek veroveren in de luchtvaartindustrie middels de levering van onderdelen van aluminium en titanium. Deze mineralen zijn van strategisch belang voor de Saoedische defensie-industrie omdat ze ook geschikt zijn voor het vervaardigen van landingsgestellen voor gevechtsvliegtuigen en van munitie en raketgeleidingssystemen.

    De Verenigde Staten voelen zich allerminst bedreigd door de komst van deze nieuwe spelers; ze verwelkomen ze juist aangezien ze de dominante positie van China ondermijnen. De Aziatische grootmacht heeft respectievelijk 74, 67, 84 en 52 procent van de raffinage van kobalt, lithium, nikkel en grafiet in handen, grondstoffen die worden gebruikt bij de fabricage van lithium-ionbatterijen.

    Krachten bundelen

    ‘We moeten samen met onze bondgenoten en vrienden investeren in een gegarandeerde en gediversifieerde mondiale aanvoer,’ verklaarde Amos Hochstein, Witte Huis-adviseur op het gebied van energievraagstukken, afgelopen januari in Riyad. ‘Talrijke bondgenoten en partners zullen hun krachten moeten bundelen om de invloed van China te beteugelen, vooral op het gebied van raffinage,’ zegt Gracelin Baskara, verantwoordelijk voor het kritische mineralenprogramma van de Amerikaanse denktank Center for Strategic and International Studies.

    De olieproducerende landen zoeken in mineralen een nieuwe manier om hun mondiale positie te beschermen en proberen om die reden hun imago te veranderen. Zo heeft Saoedi-Arabië van zijn Future Minerals Forum een onontkoombare ontmoetingsplaats voor de sector gemaakt. Deze jaarlijkse bijeenkomst, bijgenaamd ‘het Mekka van de mijnindustrie’, heeft tijdens haar derde editie afgelopen januari 26.000 deelnemers uit 145 landen ontvangen, tegen maar 4700 drie jaar eerder, in 2021.

    Met behulp van de Britse organisatie Wood Mackenzie heeft het Forum ook het idee van een ‘superregio’ voor strategische mineralen bedacht, waarin het zelf een cruciale rol vervult. Een regio die Afrika, het Midden-Oosten en Zuid- en Centraal-Azië omvat, zou tegenwicht bieden aan China zonder tegen de westerse belangen in te druisen. Deze ‘superregio’ is zowel rijk aan mineralen, dankzij de reserves in Afrika en Centraal-Azië, als in staat om die tot metalen te verwerken, waarbij ze gebruik kan maken van de investeringen en de overvloedige en goedkope energie uit de Golfstaten. Ze concentreert zich vooral op India en het Midden-Oosten, die goed zijn voor een steeds groter deel van de mondiale vraag. De Golfstaten willen op hun beurt hun overvloedige reserve koolwaterstof en hun centrale geografische positie benutten door zich te specialiseren in de energieslurpende raffinage van mineralen.

    ‘De financiering door de Golfstaten wordt als neutraal beschouwd en dwingt niet tot een keuze tussen de VS en China’

    Hoewel de op een na grootste olieproducent ter wereld zelf een bodem heeft die rijk is aan koper, goud, nikkel, bauxiet, lithium en mangaan, waarvan de totale waarde op 2500 miljard dollar wordt geschat, wil men ook investeren in winning in het buitenland. ‘Die investeringen zijn des te waardevoller nu veel westerse ondernemingen zich terugtrekken uit mijnbouwprojecten vanwege de daling van de koersen,’ constateert Gracelin Baskara. Dat de prijsdaling van lithium, kobalt of nikkel ze niet afschrikt komt doordat ‘de Golfstaten niet geïnteresseerd zijn in winst, maar in het veiligstellen van hun aanvoer’, voegt Thomas Scureld eraan toe.

    Afrika, dat over driekwart van de mondiale mangaan-, chromiet- (een natuurlijke verbinding van ijzer en chroom) en platinareserves beschikt, heeft een grote aantrekkingskracht op de Golfstaten. In november 2023 heeft Riyad het eerste economische forum georganiseerd dat gewijd was aan Afrika, waarbij bijna vijfhonderd miljoen euro aan infrastructurele investeringen is toegezegd. Een welkome financiële injectie, nu Beijing zijn investeringen in de ‘nieuwe zijderoutes’ gevoelig heeft teruggeschroefd en de westerse landen het mes zetten in hun ontwikkelingshulp. ‘Ze dragen ook bij aan de ontwikkeling door te investeren in landbouw, toerisme en energie,’ zegt Scureld. Zo zal Mozambique, waar de bodem barstensvol grafiet zit, 158 miljoen dollar aan Saoedische investeringen ontvangen voor de bouw van ziekenhuizen en de aanleg van stuwmeren. ‘De financiering door de Golfstaten wordt als neutraal beschouwd en dwingt niet tot een keuze tussen de Verenigde Staten en China,’ zegt Emmanuel Hance, econoom bij het Franse onderzoeksinstituut IFP Energies nouvelles. Dankzij deze vinger in de pap van de strategische mineralen zijn de grote olieproducerende landen bezig een andere krachttoer te volbrengen, namelijk om onontkoombare spelers in de energietransitie en de strijd tegen klimaatverandering te worden. 

  • ‘Europa moet minder afhankelijk worden van kritieke grondstoffen uit China’

    ‘Europa moet minder afhankelijk worden van kritieke grondstoffen uit China’

    De EU moet streven naar strategische autonomie om economisch concurrerend te blijven en de klimaatdoelen te halen, schrijft Werner Hoyer, president van de Europese Investeringsbank. Dat betekent dat Europa niet afhankelijk moet zijn van enkel één land als het gaat om de aanvoer van nieuwe grondstoffen die cruciaal zijn voor de energietransitie.

    Al de hele menselijke geschiedenis zijn grondstoffen onmisbaar voor economische ontwikkeling, internationale betrekkingen en het lot van hele naties en beschavingen. Van kostbare metalen (zilver en goud) en landbouwproducten (suiker, rubber, zijde en specerijen) tot energiebronnen als olie en gas, telkens opnieuw hebben veranderingen van vraag als gevolg van technologische ontwikkelingen wereldwijd tot andere handelspatronen en geldstromen geleid en menigmaal conflicten en uitbuiting in de hand gewerkt.

    In de jaren twintig van deze eeuw zijn we steeds meer aangewezen geraakt op een nieuwe reeks kritieke grondstoffen, waaronder zeldzame aardmetalen (REE’s) en metalen als lithium, gallium en germanium. Het gebruik van deze grondstoffen in zaken als zonnepanelen, accu’s, windturbines en computerchips voor industrie en defensie maakt ze onmisbaar voor de groene en digitale transitie, die op haar beurt de toekomst van onze planeet zal bepalen.

    Europa zal nooit zelf in zijn vraag naar REE’s of lithium kunnen voorzien en moet daar ook niet naar streven. Het is beter om de toegang tot kritieke grondstoffen veilig te stellen zodat we niet zijn overgeleverd aan de genade van partijen die ze als wapen kunnen inzetten, zoals het Kremlin heeft gedaan met aardgas en aardolie. Een dergelijke toegang is van wezenlijk belang voor het versterken van onze strategische autonomie, het handhaven van onze concurrentiekracht en het halen van onze klimaatdoelen.

    Immens karwei

    Om dit doel te bereiken moeten we de fouten uit het verleden vermijden, niet in de laatste plaats de al te grote afhankelijkheid van één enkele leverancier. Recente gebeurtenissen, zoals de coronaepidemie en de grootscheepse Russische inval in Oekraïne, hebben in alle economische sectoren het belang van veilige aanvoerketens vergroot. Ze benadrukken ook de aanzienlijke invloed van opkomende markten – zoals de BRICs-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) – die veel belangrijke wereldwijde aanvoerketens domineren, waaronder die van kritieke grondstoffen.

    Als we blijven streven naar decarbonisatie en elektrificatie, zullen metalen en mineralen steeds belangrijker worden. Alleen al de wereldwijde vraag naar REE’s zal naar verwachting tot 2030 vervijfvoudigen. Aan de aanbodkant wordt de markt echter maar door één land gedomineerd: bijna 90 procent van alle REE’s en 60 procent van al het lithium ter wereld wordt gewonnen en verwerkt in China. Zodoende is de Europese Unie voor bijna al haar geïmporteerde REE’s afhankelijk van China.

    De recente ervaringen maakten al duidelijk wat de risico’s zijn van zo’n sterke afhankelijkheid. Om ontwrichting te vermijden moet Europa zijn aanvoerketens diversifiëren en minder riskant maken. Het probleem kan niet simpelweg worden opgelost door te investeren in Europese mijnbouw. Dat zou bovendien economisch zinloos zijn. In plaats daarvan zullen we gelijkgezinde partners overal op de wereld moeten helpen hun extractie- en verwerkingscapaciteit op te schalen.

    Desondanks moeten we nog een aantal moeilijke beslissingen nemen over mijnbouwprojecten binnen Europa, en zullen we ook meer moeten investeren in onze eigen raffinaderijen en verwerkingsfabrieken. Zo leggen we de basis voor een energieneutrale circulaire economie. Dat is een immens karwei dat aanzienlijke en langdurige investeringen zal vergen.

    Uit eerdere initiatieven, zoals de Europese Batterij Alliantie (EBA) uit 2017, bleek dat we met vereende krachten kunnen slagen. Europa huisvest inmiddels een van de groenste en meest geavanceerde gigafabrieken voor accu’s ter wereld. Binnenkort zal Europa twee derde van de lithium-ion-accu’s die het nodig heeft voor elektrische voertuigen en energieopslag zelf produceren.

    We erkennen dat Europa momenteel over onvoldoende middelen beschikt

    Om dit succesverhaal te herhalen moeten we het kritieke-grondstoffenvraagstuk niet afzonderlijk aanpakken. Alle initiatieven inzake het veiligstellen van voorraden moeten worden gebundeld tot een veelomvattend beleid, zoals we ook hebben gedaan in de strijd tegen klimaatverandering. Bij deze aanpak moeten we streven naar een Europees buitenlandbeleid dat is gericht op het ontwikkelen en versterken van strategische samenwerking en het verhogen van investeringen in Europa en partnerlanden.

    De dit jaar aangenomen Kritieke Grondstoffenwet van de EU heeft al de nodige beleidsveranderingen in gang gezet. Zoals de Europese Commissievoorzitter Ursula von der Leyen eerder deze maand opmerkte tijdens haar toespraak over de Staat van de Unie, willen veel landen maar al te graag samenwerken om de wereldwijde aanvoerketens veilig te stellen.

    Het is duidelijk dat Europa het niet kan laten bij het waarborgen van de toegang tot kritieke grondstoffen alleen. De Europese Investeringsbank (EIB), die de afgelopen zeven jaar al drie miljard euro heeft gestoken in het versterken van de aanvoerketens van kritieke grondstoffen, is graag van de partij. Maar we erkennen ook dat Europa momenteel over onvoldoende middelen beschikt. De EIB werkt daarom al aan een kritieke-grondstoffeninitiatief dat deze doelstellingen realistisch maakt, en we moedigen anderen aan hetzelfde te doen, zowel door regelgeving als door specifieke, concrete projecten.

    Toegang tot strategisch belangrijke grondstoffen is van oudsher onmisbaar voor economische voorspoed en ontwikkeling. Om onze toekomst veilig te stellen, moeten we ons boven alles richten op het waarborgen van de toegang tot de nieuwe onmisbare grondstoffen van deze eeuw.

    Werner Hoyer is sinds januari 2012 president van de Europese Investeringsbank

  • Hoe schadelijk is mijnbouw in de diepzee voor de onontdekte dieren die er leven?

    Hoe schadelijk is mijnbouw in de diepzee voor de onontdekte dieren die er leven?

    Door een groeiende behoefte aan grondstoffen staan ondernemingen in de rij om ertsen en metalen van de zeebodem te halen. Dat gaat uiteraard niet zonder ernstige milieuschade. Het team van wetenschapper Pedro Martínez Arbizu onderzoekt in hoeverre het leven in de diepzee zich kan herstellen.

    Tweeduizend kilometer uit de kust van Mexico glijdt de Sonne over de nachtzwarte Stille Oceaan. Het schip sleept een instrument achter zich aan dat is uitgerust met foto- en videocamera’s en vlak boven de zeebodem zweeft. Aan boord kijkt Lilian Böhringer van het Alfred Wegener Instituut in Bremerhaven gefascineerd naar de livebeelden uit een diepte van 4500 meter. De vlakke bodem is bezaaid met steenklompen zo groot als aardappelen. Op het eerste gezicht lijkt die vreemde wereld op een dood maanlandschap. Maar in het licht van de schijnwerper ontwaart de bioloog overal tekenen van leven in het zachte sediment: kruipsporen, wormgaten, de omtrek van een zeester die zich heeft ingegraven.

    Dan trillen er vreemdsoortige diepzeebewoners op haar beeldscherm. Een paar hebben een houvast gevonden op de stenen: anemonen die op bloemen lijken, fragiele koraalboompjes en sponzen op steeltjes, waaraan slangsterren zich vastklampen. Elke twintig seconden maakt de camera een foto van de bodemfauna. Böhringer vergroot het laatste snapshot. ‘Een prachtige zeekomkommer!’ roept ze enthousiast. Het bizarre wezen draagt een soort zeil op de rug en door het roze, bijna transparante lichaam schemert het spijsverteringskanaal. ‘In de diepzee zijn deze dieren bonter en veelsoortiger dan in de koraalriffen.’ Algauw zijn er ook witte, oranje en violette zeekomkommers te zien, stekelige worsten en buikige zeevarkens met beenstompjes.

    Sonne Expedition CCZ TimK 6
    De mangaanknollen op de bodem van de Stille Oceaan zijn miljoenen jaren oud. Ze worden gevormd door vulkanische processen en bevatten behalve mangaan en ijzer ook kostbaardere metalen zoals kobalt, nikkel en platina. – © Tim Kalvelage

    Geleidelijk verandert het uitzicht: de steenklompen zijn steeds meer bedekt met sediment, de levende wezens worden minder talrijk. Na een paar honderd meter is de zeebodem veranderd in een zandwoestijn. ‘We benaderen bijna het ontginningsgebied,’ zegt de onderzoekster na een blik op haar kaart met de positie van het schip. Kort daarna verschijnen op de bodem de anderhalve meter brede sporen van een tonnen zwaar rupsvoertuig. Op de doorploegde akker zitten een paar zee-egels. Een rood oplichtende garnaal zwemt door het beeld. Het gesteente is verdwenen en daarmee ook de dierenwereld die erop leeft.

    Op een diepte van 4000 tot 6000 meter over een oppervlak groter dan de EU ligt 25 tot 40 miljard ton mangaanknollen

    In de herfst van 2022 is vanuit Californië in het noordoosten van de Stille Oceaan een expeditie vertrokken met het Duitse onderzoeksschip Sonne. Een team van 38 mensen wil onderzoeken welke schade de mijnbouw in de oceaan achterlaat. Anderhalf jaar geleden testte de Belgische onderneming Global Sea Mineral Resources (GSR) in deze regio een oogstmachine met de afmetingen van een maaidorser. Die werd ontwikkeld om ertsen te verzamelen van de zeebodem: mangaanknollen die in de loop van miljoenen jaren op de diepzeevlaktes zijn ontstaan. Ze bevatten felbegeerde metalen zoals kobalt, koper en nikkel, die van belang zijn voor nieuwe technologie. Maar de ontginning zou een nog nauwelijks onderzocht ecosysteem op grote schaal kunnen verwoesten.

    Maritieme eldorado

    De Clarion-Clipperton Zone (CCZ), een zeegebied tussen Hawaï en Mexico, is het maritieme eldorado. Op een diepte van 4000 tot 6000 meter ligt daar over een oppervlak groter dan de EU ongeveer 25 tot 40 miljard ton mangaanknollen. De Internationale Zeebodemautoriteit (ISA), een VN-organisatie, beheert deze reusachtige voorraden erts. Ze geeft licenties uit voor internationale wateren – tot dusver alleen voor de verkenning van de bodemschatten. Op dit moment werkt de autoriteit aan een reglement voor de ontginning. Deze Mining Code zou deze zomer goedgekeurd kunnen worden en meteen het startschot zijn voor de diepzeemijnbouw.

    Naast GSR behoort ook de Duitse Bundesanstalt für Geowissenschaften und Rohstoffen tot de zeventien licentiehouders in de CCZ. De claims omvatten elk 75.000 vierkante kilometer, ongeveer de oppervlakte van Beieren. In 2021 heeft GSR in het Belgische en het Duitse licentiegebied twee grote knollenvelden van ongeveer 30.000 vierkante meter geoogst en de klompen aan de rand van de testvelden overgeladen. Tegelijkertijd voerde het Europese onderzoeksproject MiningImpact, gecoördineerd door onderzoeksinstituut Geomar uit Kiel, een onafhankelijke milieustudie uit. Nu keren de wetenschappers met de Sonne terug om de gevolgen voor het ecosysteem te onderzoeken.

    Fauna zou tientallen tot misschien zelfs duizenden jaren nodig hebben om zich te herstellen

    ‘De soortenrijkdom in de CCZ is even groot als in de tropische regenwouden, vooral vanwege de mangaanknollen. Daarop vestigen zich veel dieren, die op hun beurt weer andere organismen aantrekken,’ vertelt expeditieleider Pedro Martínez Arbizu van het Duitse onderzoekscentrum naar mariene biodiversiteit in Wilhelmshaven, tijdens de tocht naar het Duitse licentiegebied. ‘Bij eerdere reizen hebben we honderden nieuwe soorten geregistreerd.’

    Mijnbouw in de diepzee zou hun leefruimte onherstelbaar beschadigen, vreest hij, omdat oogstmachines de knollen verwijderen en veel stof doen opwaaien. ‘De sedimentwolken verspreiden zich tot ver buiten het mijngebied,’ aldus de bioloog. ‘Filtreerdieren zoals sponzen worden onder de deeltjesregen begraven en zouden kunnen stikken.’

    Sonne Expedition CCZ TimK 5
    Met de onderwaterrobot zijn bewegingen op de zeebodem mogelijk met een precisie tot op de centimeter. Met de grijparm neemt het team proefmonsters op een experimenteerveld. – © Tim Kalvelage

    Voor de expeditie, die acht weken zal duren, werden containers vol meetinstrumenten en apparatuur om monsters te nemen ingeladen, waaronder miljoenen kostende hightechapparaten voor diepzeeonderzoek: een op afstand bestuurbare duikrobot met grijparmen en een torpedovormige autonome duikboot om de zeebodem mee in kaart te brengen.

    Haperingen

    Het begin van de reis verloopt moeizaam. Het coronavirus heeft zichzelf aan boord weten te smokkelen. De besmette mensen moeten zich isoleren in hun hutten. Voor de anderen geldt: mondkapjes dragen en afstand houden. Gegeten wordt er in ploegen – haastig en zwijgzaam. Bovendien hapert de techniek: de gps-lokalisering werkt niet goed, de instrumenten landen niet op de bedoelde coördinaten op de zeebodem. De duikrobot heeft een lek en als er een touw breekt, verdwijnen waardevolle instrumenten ongecontroleerd de diepte in.

    Maar onderzoekers en scheepsbemanning lossen de problemen op. Ook de verloren apparatuur kan met behulp van de duikrobot op de oceaanbodem worden gelokaliseerd en onbeschadigd worden geborgen. En na tien dagen klinkt het verlossende bericht van de kapitein door de luidsprekers: ‘Alle PCR-tests zijn negatief!’ Bij het avondeten is de stemming in de eetzaal uitgelaten.

    Nog 100 meter, 50… ‘Stop!’ zegt Martínez Arbizu. De matroos stopt de lier. Het apparaat schommelt nu enkele meters boven de bodem, op 4100 meter diepte. Op het beeldscherm zijn een paar plastic buizen te zien, en daaronder de zeebodem. Geen mangaanknollen te bekennen. De onderzoekers willen het door een dikke laag sediment bedekte gebied rondom de mijnlocatie onderzoeken. De lier loopt weer en de buizen boren zich in het sediment.

    Sonne Expedition CCZ TimK 3
    Sedimentmonsters worden op het schip gehesen. – © Tim Kalvelage

    Ruim een uur later is het apparaat terug aan dek. Meteen stelt een tiental wetenschappers de kostbare monsters veilig. Een tropische regenbui klettert op het scheepsdek. Een paar minuten later zijn de sedimentkernen al op weg naar de laboratoria. Ze moeten onder andere laten zien of door diepzeemijnbouw zware metalen uit de zeebodem vrijkomen en hoe de samenstelling van de bacteriële gemeenschap verandert.

    Het team van Martínez Arbizu speurt in het sediment naar dieren die nog geen millimeter groot zijn. Die vormen een groot deel van de diepzeefauna, volgens de bioloog. Op de werktafel voor hem ligt een plas modderig water. Het ruikt naar ethanol. Hij zeeft een sedimentmonster door een fijnmazige stalen zeef. De kleinste levende wezens die daarop achterblijven worden geconserveerd in alcohol en later in Duitsland geteld en gedetermineerd. ‘Het meest vinden we roeipootkreeftjes,’ zegt hij, ‘en draadwormpjes. Alleen al in het Duitse licentiegebied zijn er daarvan ongeveer tienduizend keer zoveel als sterren in onze Melkweg.’

    Oceaanschatten

    Sinds de eeuwwisseling groeit de belangstelling voor grondstoffen in de diepzee. Naast metaalrijke zwavelertsen en kobaltkorsten op onderzeese bergen zijn de knollenvelden bijzonder gewild. Al in de jaren zeventig werden er pogingen gedaan om ze te benutten, uit angst voor een tekort aan reserves aan land. Nu zijn de energietransitie en de digitalisering de grote aanjagers van de zoektocht naar de oceaanschatten. Mangaanknollen bevatten meerdere metalen die onontbeerlijk zijn voor elektrische auto’s, windmolens en smartphones. Experts schatten dat de hoeveelheid kobalt in de CCZ drie tot zes keer zo groot is als de wereldwijde reserves aan land.

    Voorstanders argumenteren dat diepzeemijnbouw niet alleen zou kunnen voorzien in onze groeiende behoefte aan grondstoffen, maar ook onze afhankelijkheid zou verminderen van politiek instabiele en ondemocratische staten. Bijvoorbeeld van Congo, waar ruim tweederde van alle kobalt ter wereld vandaan komt, en van China, dat dominant is bij de verdere verwerking van het metaal. Bovendien zouden de maatschappelijke en de milieukosten geringer zijn dan bij mijnbouw aan land, aangezien er geen mensen verplaatst en geen bossen gerooid hoeven te worden, en minder giftig afval ontstaat.

    Sonne Expedition CCZ TimK 4
    Als diepzeegesteente wordt gewonnen, verliezen sedentaire dieren hun leefgebied. Als alternatief biedt Sabine Gollner op proef kunstknollen aan. – © Tim Kalvelage

    Wetenschappers waarschuwen daarentegen voor enorme schade aan het gevoelige ecosysteem door het oogsten van de knollen, die zo belangrijk zijn voor het overleven van veel soorten, door het opgewerveld sediment en het lawaai van oogstvoertuigen in de zeer stille diepzee en het slijk dat transportschepen terugstorten in zee. De traag groeiende fauna zou tientallen tot misschien zelfs duizenden jaren nodig hebben om zich te herstellen. Dat blijkt ook uit een experiment voor de kust van Peru, waar onderzoekers in 1989 een knollenveld omploegden. Bijna dertig jaar later waren de sponzen daar nog niet teruggekeerd.

    Diepzeemijnbouw heeft minder milieukosten aangezien er geen mensen verplaatst en geen bossen gerooid hoeven te worden

    De kennis over de diepzeefauna en hun biotoop is nog heel onvolledig. Hoe oud worden de organismen en hoe groot is hun verspreidingsgebied? Hoe planten ze zich voort? Welke soorten hebben een sleutelpositie in het ecosysteem? Deze vragen moeten worden beantwoord om het risico van de diepzeemijnbouw serieus te kunnen inschatten. Anders sterven soorten uit voordat ze worden ontdekt.

    Desondanks wil de Internationale Zeebodemautoriteit in juli regels voor de diepzeemijnbouw goedkeuren. Reden voor die haast: Nauru, een klein eilandstaatje in de Stille Oceaan met een licentie in de CCZ, heeft in 2021 een beroep gedaan op een paragraaf in het internationale zeerecht. Volgens die paragraaf moet de autoriteit binnen twee jaar een reglement produceren. In de Mining Code moeten de toegestane grootte van de mijngebieden, de milieuvoorwaarden en de verdeling van de opbrengsten worden vastgelegd. Met de resultaten van de ontginningstest willen de onderzoekers aanbevelingen opstellen, bijvoorbeeld voor het aanwijzen van beschermde gebieden en voor milieucontroles.

    Sonne Expedition CCZ TimK 2
    Met de duikrobot verkennen de onderzoekers de zeebodem op ruim 4000 meter diepte. Na een succesvolle inzet wordt de robot weer op het achterschip van de Sonne gehesen. – © Tim Kalvelage

    De Sonne is intussen al vier weken onderweg op de Stille Oceaan. Dag en nacht gaan instrumenten het water in. ’s Nachts zie je vermoeide gezichten van onderzoekers die uit hun kooi zijn gebeld omdat er monsters aan dek komen. Tijdens nachtenlange sessies met de camera verkent Lilian Böhringer de zeebodem. Overdag werkt ze zich in het zweet in de fitnessruimte of geniet ze aan dek van het zonnige weer en maakt ze kruiswoordpuzzels. ’s Avonds haalt ze met een stralende blik zeekomkommers en andere diepzeedieren uit de verzamelbox van de duikrobot, als die weer aan dek komt.

    Prototype

    Bij het expeditieteam hoort ook een vertegenwoordiger van de industrie, François Charlet, die leiding geeft aan de grondstofverkenning van GSR in de CCZ. De geoloog heeft in 2021 al de milieustudie begeleid. Tijdens de dagelijkse meeting voor wetenschappers in de conferentieruimte – de Sonne is nu in het Belgische licentiegebied – laat hij een video zien van de ontginningstest. Te zien is hoe het oogstvoertuig de knollen en de bovenste sedimentlaag opzuigt. In technisch opzicht was de test een succes: ‘De Patania II heeft 90 procent van de knollen geoogst,’ zegt hij.

    De Patania II was slechts een prototype. De Patania III moet drie keer zo groot worden en in 2025 voor het eerst worden ingezet. Dan heeft GSR een ontginningstest gepland met een boorschip en een transportsysteem dat de knollen naar de oppervlakte brengt. Ook GSR meent dat mijnbouw in de diepzee minder verwoestend zal zijn dan aan land vaak het geval is. Op basis van wetenschappelijke inzichten zou men internationaal geldende regels overeen kunnen komen. ‘Wij willen feedback van het wetenschappelijk onderzoek om de mijnbouw zo milieuvriendelijk mogelijk vorm te geven,’ zegt Charlet. Dan zou men in 2028 kunnen beginnen, na verdere milieustudies en als er een milieumanagementplan is opgesteld. Mocht diepzeemijnbouw onverantwoord blijken, dan zal GSR geen licentie voor ontginning aanvragen.

    De concurrentie wil al snel beginnen met de knollenoogst. Kort voor de Sonne was The Metals Company met een boorschip naar de CCZ gevaren. Op basis van een overeenkomst met Nauru, Tonga en Kiribati neemt die Canadese onderneming deel in drie licentiegebieden. In oktober 2022 bracht het meer dan 3000 ton mangaanknollen naar de oppervlakte. De Internationale Zeebodemautoriteit had het plan voor de milieucontroles weliswaar bekritiseerd, maar uiteindelijk toch toestemming gegeven voor de test. Vanaf 2024 wil The Metals Company op industriële schaal gaan ontginnen.

    Zou de fauna van de knollenvelden zich daarvan herstellen? Zou ze daarbij geholpen kunnen worden? Diepzee-ecoloog Sabine Gollner van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) op Texel wil dat uitzoeken. In de container op het achterdek kijkt ze naar een wand vol beeldschermen. Voor haar zitten de piloot van de duikrobot en een collega die de grijparm bedient. Na de landing trekt de arm plastic frames uit een box, het ene na het andere, en plaatst deze op het spoor van het rupsvoertuig in het testgebied. Andere komen daarnaast. Aan het frame zijn knollen van klei bevestigd: een pottenbakker heeft er drieduizend voor haar gemaakt. ‘Het experiment moet antwoord geven op de vraag of sponzen, anemonen en koralen zich ook vestigen op kunstmatige knollen,’ zegt ze. ‘Zo ja, dan zouden ontgonnen gebieden daarmee hersteld kunnen worden.’ Maar de kosten zouden enorm zijn.

    Ecosysteem

    Al sinds 2021 worden zulke frames in het testgebied uitgezet. Een aantal daarvan wil de onderzoekster nu weer omhoog halen. Opnieuw strekt de duikrobot zijn grijparm uit. Een grenadiervis met grote ogen duikt kalmpjes op in het licht van de schijnwerper en verdwijnt weer in de duisternis. Later krabt Gollner in het laboratorium met een scheermesje de knollen schoon. Op Texel zal ze de biofilm analyseren. Het zou weleens vele jaren kunnen duren voordat er grotere organismen op de kunstmatige knollen groeien. In het gunstigste geval.

    Sonne Expedition CCZ TimK 1
    Expeditieleider Pedro Martínez Arbizu zoekt in sedimentmonsters naar de kleinste levende organismen. – © Tim Kalvelage

    Na bijna twee maanden op zee is er weer land in zicht. Kort voor Kerst bereikt het schip de Californische kust. In de tussentijd heeft de Duitse Bondsregering verklaard dat ze de diepzeemijnbouw voorlopig niet zal steunen. De risico’s en het ecosysteem van de diepzee moeten eerst beter worden onderzocht. De volgende reizen van de Sonne staan al gepland.

    Lees ook:

  • Microben uit Estland moeten Europa minder afhankelijk maken van Chinese chips

    Microben uit Estland moeten Europa minder afhankelijk maken van Chinese chips

    Voor de groene transitie waar Europa op inzet zijn veel metalen nodig. Het kleine Estland loopt voorop in het duurzaam recyclen van microchips en zet de eerste stap in de richting van een gezamenlijke Europese toeleveringsketen van essentiële grondstoffen.

    ‘Stelt u zich een goudmijn voor waarin elke ton erts een kilo goud bevat,’ zegt Priit Joers. ‘Elk mijnbouwbedrijf zou staan te popelen.’ Hij overdrijft niet: specialisten beschouwen een groeve met 10 gram goud per ton al als een schatkist. Dan moet een kilo echt een klapper zijn. Joers draagt in een kleine emmer een minuscuul deel uit zo’n wonderlijke mijn met zich mee, wanneer hij in Tartu, de tweede stad van Estland, zijn gast ontvangt. Het is restafval van elektrische apparaten in de vorm van elektrische circuits, die eerst door de shredder zijn gegaan en daarna tot een fijn poeder zijn vermalen.

    Overigens is Joers geen mijnbouwkundig ingenieur, maar moleculair bioloog, en werkt hij niet in een groeve, maar in een laboratorium. Wel houdt hij zich bezig met het winnen van goud en andere edelmetalen, want zijn expertise ligt bij het zogenoemde microbiële uitlogen van erts (bioleaching). Bij dit proces wordt het metaal niet, zoals momenteel de gangbare methode is, met behulp van agressieve oplosmiddelen uit erts geïsoleerd. In plaats daarvan laat men micro-organismen het werk doen. Joers en zijn team willen onderzoeken welke bacteriën dat voor welke delfstof het best en het snelst kunnen.

    Op een paar vragen hebben ze al antwoorden gevonden, maar Joers is erop bedacht die voor zich te houden. ‘We zijn in afwachting van een besluit over de octrooiaanvraag voor onze procedure, daarom kan ik niets concreets verklappen,’ zegt hij. Met ‘we’ bedoelt hij het bedrijf Biotatec, waar hij als wetenschappelijk directeur aan verbonden is.

    Grote ambities

    De start-up staat de laatste tijd in het centrum van de belangstelling. Prestigieuze instituties, zoals de Innovatieraad van de Europese Unie en de Estse rijksdienst voor het ondersteunen van nieuwe technologische ontwikkelingen, hebben al ettelijke miljoenen euro’s financiering toegezegd. Verder heeft PricewaterhouseCoopers Biotatec op de lijst van de belangrijkste bedrijven op het gebied van veelbelovende milieutechnologie in de regio Centraal- en Oost-Europa geplaatst.

    Het jonge bedrijf koestert grote ambities: het wil binnen vijf jaar op internationaal niveau een leidende rol spelen binnen de microbiële uitloging, een sector die weliswaar niet nieuw is, maar decennialang een bestaan als muurbloempje heeft geleid.

    Europa zet nu op ambitieuze wijze in op de groene transitie: windmolens, zonnepanelen, een waterstofeconomie, elektrische auto’s. Daar zijn hopen metaal voor nodig, onder meer edelmetalen en zeldzame aardmetalen.

    Hiervoor beschikt Europa echter nog niet over een waardeketen (een eigen keten van grondstoffen tot eindproduct), waardoor het continent afhankelijk is van autoritaire regimes zoals China of Rusland. Wat zeldzame aardmetalen betreft is China momenteel bijvoorbeeld goed voor ongeveer twee derde van de winning van ertsen en ongeveer 85 procent van de verwerkte eindproducten – je kunt dus vooralsnog niet om Beijing heen. De coronacrisis en de Russische invasie in Oekraïne hebben echter laten zien hoe snel er problemen kunnen ontstaan in wereldwijde toeleveringsketens.

    Oftewel: als Europa zijn groene transitie veilig wil stellen, moet het meer zelf gaan produceren in een sector die vaak op gespannen voet staat met het milieubeleid en waarvoor de benodigde installaties dus niet altijd steun vinden bij de bevolking. De technologie van microbiële uitloging biedt oplossingen voor deze problemen.

    Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie

    Een eerste uitweg ligt in het beter hergebruiken van elektronisch en elektrisch restafval (ook wel e-afval genoemd). Daar kun je niet alleen goud uit halen, maar ook zilver, palladium of platina – dat laatste wordt gezien als het sleutelelement voor een efficiënte waterstofproductie. Van het e-afval waar we reeds over beschikken wordt momenteel slechts ongeveer een vijfde benut, zegt Joers. Dat komt doordat de bestaande methodes voor recycling te traag en te duur zijn. Met optimale microbiële uitloging zou dit proces daarentegen zelfs al op kleine schaal winstgevend zijn, om nog maar te zwijgen over industriële schaal.

    Tegelijkertijd is e-afval niet het enige afval dat Biotatec op het oog heeft. Ook fosforgips en zogenoemde rode modder zijn interessant. Beide zijn industriële restproducten uit de kunstmest- en aluminiumproductie. Alleen in Europa liggen er al miljoenen tonnen van op afvalbergen. Omdat ze giftige en radioactieve materialen bevatten, worden ze nauwelijks hergebruikt, hoewel ze van alles te bieden hebben – onder meer zeldzame aardmetalen. ‘Wat op deze afvalhopen ligt,’ zegt Joers, ‘zou Europa voor de komende decennia onafhankelijk van import kunnen maken.’

    Maar waarom zijn dan niet allang overal in Europa bacteriën aan het werk gezet om de begeerde stoffen uit het industriële afval en e-afval te halen, of zelfs uit ertsvindplaatsen met lage concentraties metaal, waar exploitatie tot nu toe niet loonde? Die vraag dringt zich temeer op omdat de technologie achter microbieel uitlogen welbekend is en in bepaalde gevallen ook al op industriële schaal toegepast wordt.

    Het probleem is dat deze technologie vergeleken met de traditionele aanpak voor uitloging van erts tot dusver te traag en te duur was. Mijnbouwbedrijven zagen daarom geen reden om van hun beproefde methodes over te stappen op een andere technologie of te investeren in nieuwe productielijnen.

    Autarkie

    Maar die redenering begint te rammelen. Om te beginnen hebben de laatste paar jaar bewezen hoe rap het raderwerk van de wereldeconomie tot stilstand kan komen. Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie. Ten tweede is het waarschijnlijk dat de vraag naar strategische grondstoffen die nodig zijn voor de ‘groene transitie’ zienderogen zal toenemen en de prijzen zal opdrijven, zolang het aanbod de vraag niet kan bijbenen.

    En als Europa bovendien een bepaalde mate van autarkie wil bereiken in de waardeketen, zullen ook milieuvraagstukken een rol gaan spelen. Vergeleken met de klassieke uitlogingsmethodes heeft microbieel uitlogen wat dit betreft evidente voordelen. Ook op het gebied van de snelheid werden in het laboratorium van Biotatec al aanzienlijke vorderingen gemaakt.

    Wist Sirli Sipp Kulli dat dit in het verschiet lag, toen ze ruim tien jaar geleden besloot de traditionele mijnbouw in Estland achter zich te laten en een start-up op te richten die deze weg zou inslaan? ‘Het was intuïtie,’ zegt de gepromoveerde scheikundige van midden veertig, ‘op een of andere manier wist ik gewoon dat dit groots kon worden.’ Vooralsnog moet de laatste stap – toepassing op industriële schaal – nog gezet worden. Maar met de nieuwste generatie bioreactoren staat Biotatec op het punt ook deze horde te nemen en kan het bedrijf aantonen dat hun methode binnen de sector een serieuze concurrent zal worden.

    Daarvoor zou een potentiële industriepartner zowat om de hoek liggen. In het oosten van Estland staat namelijk de enige fabriek van Europa (en tegelijkertijd een van de weinige buiten China) voor het op grote schaal isoleren van zeldzame aardmetalen.

    De Estse Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld

    Het complex is gebouwd in de periode van de Sovjet-Unie. Die had in de provinciestad Sillamäe een uiterst geheime fabriek voor de vervaardiging van uraniumconcentraat in bedrijf. Later werden daar ook zeldzame aardmetalen gezuiverd. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werd de Estse fabriek aanvankelijk als staatsbedrijf onder de naam Silmet voortgezet en vervolgens geprivatiseerd.

    Tegenwoordig is Silmet in het bezit van een Canadees concern, dat zowel in China als daarbuiten materialen produceert die in toenemende mate voor de nieuwe milieutechnologieën worden gebruikt. De Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld en bedient daarmee een klantenbestand dat al net zo internationaal is.

    Daarnaast speelt de wens Estland als investeringsland op te waarderen. In Narva, niet ver van Sillamäe, wil het moederconcern 80 miljoen euro investeren in een fabriek voor de productie en het recyclen van sterke magneten, die in elektrische auto’s en windmolens gebruikt worden. De Estse regering gooit nog zo’n twintig miljoen euro tegen het project aan via het Just Transition Fund van de EU, een financieringsinstrument voor de economische diversificatie van zwakkere regio’s en de bevordering van milieuvriendelijke technologieën.

    Voor de Ida-Viru-regio, die al jaren door industriële teloorgang wordt bedreigd, betekent dat ongeveer duizend nieuwe en zeer gewenste banen. Potentieel worden dat er zelfs nog meer, want een toekomstige uitbreiding van de magnetenfabriek wordt al uitgetekend. Volgens Kristian Järvan, de Estse minister voor Ondernemerschap en IT, komt er op deze manier een geïntegreerde productieketen voor hoogwaardige sterke magneten tot stand, die de EU momenteel nog niet heeft en goed kan gebruiken.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/de-kassandra-van-europa/
  • Waarom is het armste land ter wereld zo arm?

    Waarom is het armste land ter wereld zo arm?

    Waarom lukt het China zich aan de armoede te ontworstelen, en veel Afrikaanse staten niet? Die Zeit zocht naar antwoorden in de Centraal-Afrikaanse Republiek.

    De president van het armste land ter wereld resideert achter een grote zwarte toegangspoort, die wordt bewaakt door een handvol mannen met machinegeweren. Wie de poort passeert, stuit op een kantoorcontainer met een schotelantenne op het dak. Een achteringang voert naar een met hout betimmerde werkkamer met zware gordijnen, die de middaghitte buiten moeten houden. Daar bezet president Faustin-Archange Touadéra een van de kolossale leren stoelen, waarin hij er op de een of andere manier ietwat verloren uitziet.

    Eigenlijk is Touadéra hoogleraar in 
de wiskunde. Een paar jaar geleden ging hij de politiek in om zijn land te dienen, zegt hij. En vrij snel werd hem duidelijk dat dat ingewikkelder is dan de ingewikkeldste wiskundige vergelijking. Touadéra’s land is namelijk de Centraal-Afrikaanse Republiek.

    581 dollar

    Als je op een kaart van het Afrikaanse continent ongeveer in het midden een lijn van noord naar zuid trekt en dat ook van oost naar west doet, dan ligt het land nagenoeg op het snijpunt van die lijnen. Eén keer per jaar publiceren de Verenigde Naties een lijst die de landen ter wereld op welvaartsniveau rangschikt. De Centraal-Afrikaanse Republiek staat op de laatste plaats. Slechts 581 dollar bedraagt er het bruto nationaal inkomen per hoofd van de bevolking – in Duitsland is dat 43.919 dollar.

    Hoe komt dat?

    Waarom staat de burgemeester van Paderborn een hoger budget ter beschikking dan de president van een land dat twee keer zo groot is als de Bondsrepubliek?

    Waarom rollen er in Duitsland jaar 
in, jaar uit bijna zes miljoen auto’s 
van de band en in het rijk van Faustin-Archange Touadéra niet een?

    Waarom worden Duitsers gemiddeld 81 jaar oud en de mensen in het hart van Afrika maar amper 51 jaar?

    Met andere woorden: waarom zijn arme landen arm en rijke landen rijk?

    Ontelbare economen hebben zich over die vraag gebogen. Ze hebben de oorzaken van de armoede onderzocht en erover nagedacht waarmee de armen geholpen zouden kunnen zijn. Maar ze zijn met hun ideeën maar nauwelijks doorgedrongen in de zenuwcentra van de internationale politiek.

    Door het koele 
klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen

    Zoals zo vaak in de economie is er niet één maar zijn er vele theorieën waarmee geprobeerd wordt te verklaren waarom arme landen arm zijn. Sommige deskundigen schrijven armoede toe aan de geografische ligging van een land, door te stellen dat de toegang tot de open zee een belangrijke voorwaarde voor economische ontwikkeling is, omdat de handel erdoor wordt vergemakkelijkt. Dat klinkt logisch, maar een land als Zwitserland ligt behoorlijk ver van zee en is toch een van de rijkste landen ter wereld.

    Anderen zien het klimaat als een belangrijke oorzaak: door het koele 
klimaat in Centraal-Europa moesten de mensen zich daar al vroegtijdig wapenen tegen nat en koud weer, terwijl de warmte rond de evenaar in zekere zin uitnodigt tot nietsdoen. Dat verklaart evenwel niet waarom tropische landen als Maleisië relatief rijk zijn geworden.

    Weer andere economen betogen dat de armen arm zijn omdat de rijken rijk zijn: het Noorden schermt zijn markten af, waardoor de landen van het Zuiden hun producten daar niet kunnen verkopen. Toch heeft China dat juist wel gedaan en daarmee miljoenen Chinezen een weg uit de armoede geboden.

    Tot zover de theorieën van de deskundigen. Maar wat is de visie van Faustin-Archange Touadéra in hoofdstad Bangui, voor wie de armoede net zo bij het dagelijks regeren hoort als het pensioendebat voor Angela Merkel?

    Kinderen in een opvangkamp in de Centraal-Afrikaanse Republiek. – © Jean Chung / Getty
    Kinderen in een opvangkamp in de Centraal-Afrikaanse Republiek. – © Jean Chung / Getty

    Meneer de president, waarom is uw land zo arm?

    ‘We hebben praktisch geen regering. We zijn niet in staat de bevolking te beschermen. We moeten dat allemaal weer opbouwen.’

    Waar ontbreekt het aan?

    ‘Vooral de infrastructuur baart ons zorgen. Er zijn nauwelijks wegen en 
er is te weinig elektriciteit.’

    De bewoners van het land waarvan de geschiedenis, net als die van zoveel Afrikaanse landen, tot nog toe weinig aanleiding tot hoop heeft geboden, hebben die hoop gevestigd op Touadéra. Na de laatste coup in 2013 richtten rivaliserende milities bloedbaden aan, waarbij duizenden mensen de dood vonden en honderdduizenden op de vlucht werden gedreven. Touadéra is de eerste president sinds jaren die na min of meer eerlijk verlopen verkiezingen aan de macht is gekomen.

    Aan de andere kant zal er vrijwel geen politicus op aarde zijn die zich niet zou beklagen over de staat van de wegen in zijn land. Daarom loont een bezoek aan Jean-Christophe Carret, die veel weet over elektriciteit en wegen, en nog meer over de oorzaken van armoede. Carret is namelijk econoom en hij werkt voor de Wereldbank. De Wereldbank is een halve eeuw geleden opgericht om de armoede op de wereld te verslaan. De bank heeft meer dan tienduizend werknemers in ruim honderdtwintig landen. Het kantoor van Jean-Christophe Carret ligt vlak bij het presidentiële paleis.

    Meneer Carret, waarom zijn de mensen hier arm?

    ‘Stap in, dan zal ik u iets laten zien.’

    Eén onderneming

    Carret stuurt zijn terreinauto richting het noorden. Hij wordt begeleid door een groep zwaarbewapende blauwhelmen, omdat milities het gebied nog altijd onveilig maken. Het konvooi rijdt door de levendige buitenwijken van Bangui, waar op markten fietsbanden, flessen benzine, ondergoed en een uitgebrande Citroën worden aangeboden. Daarna zijn er alleen nog maar her en der lemen hutten te zien en omzomen schier eindeloze struikgewassen de stoffige weg. Na anderhalf uur rijden wordt het landschap bergachtiger en is het geraas van een enorme waterval te horen.

    Carret zet koers naar een fabriekshal. Binnen zet het vallende water vijf turbines in beweging, die generatoren ter grootte van een minibus aandrijven. ‘Dit is hier de enige officiële energiebron, een hoogspanningsleiding transporteert de stroom naar Bangui,’ zegt Carret. ‘We hebben de centrale gerenoveerd. Een stuwdam zorgt ervoor dat er ook in de droge tijd genoeg water is. We kunnen van hieruit de stad van stroom voorzien, maar het is niet voldoende om fabrieken in bedrijf te houden.’

    In de hele Centraal-Afrikaanse Republiek is er zegge en schrijve één grote onderneming, een brouwerij in een buitenwijk van Bangui. Die behoort tot het Franse drankenconcern Castel, dat daar een moutbier brouwt en de helft van zijn energiebehoefte op een dure manier moet opwekken met behulp van een eigen generator, een wijdverbreid fenomeen in Afrika. Volgens een onderzoek van consultancybureau McKinsey produceren de 49 landen ten zuiden van de Sahara jaarlijks ongeveer 423 terawattuur elektrische energie. De VS verbruiken iets meer dan het negenvoudige. De slechte stroomvoorziening weerhoudt veel ondernemingen ervan investeringen te doen.

    Als er meer stroom was, dan zouden zich dus meer bedrijven in Afrika vestigen – en dat zou helpen in de strijd tegen armoede. Bedrijven spelen daarin namelijk een sleutelrol, zo blijkt uit onderzoek. Dertig jaar geleden was China nog een straatarm land. Toen werden er enorme fabrieken gebouwd, die miljoenen eenvoudige mensen werk bezorgden. Met hun loon konden die mensen zich een betere opleiding voor hun kinderen permitteren, die vervolgens werk kregen als ingenieur of geschoold arbeider. Nu is China de op een na grootste economie ter wereld.

    In de afgelopen jaren is het echter enigszins uit de mode geraakt om stuwdammen en krachtcentrales in ontwikkelingslanden te bouwen. Dat komt doordat bij dergelijke grote projecten vaak maar weinig rekening werd gehouden met het milieu en de getroffen mensen. En in plaats van elektrische leidingen en generatoren werden keuterboertjes en kredietverenigingen gefinancierd. Er zijn zelfs deskundigen, zoals Nobelprijswinnaar voor de Economie Angus Deaton, die ontwikkelingshulp radicaal willen schrappen omdat de betalingen alleen maar corrupte regimes in stand houden en in het ergste geval zelfs schade aanrichten. Een regering die bijvoorbeeld regelmatig geld uit het buitenland krijgt voor de staatshuishouding, hoeft er niet voor te zorgen dat de mensen in eigen land genoeg verdienen om belasting te kunnen betalen.

    Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar

    Ook Carret heeft zich met dergelijke theorieën beziggehouden. Maar zijn grootste zorg is dat de Centraal-Afrikaanse Republiek in een spiraal van geweld terechtkomt als de bevolking niet het gevoel heeft dat het haar met een democratisch gekozen president ook financieel beter gaat. Daarom financierde hij met Wereldbankgeld de salarissen van de ambtenaren toen de regering daar niet toe in staat was. Daarom liet hij wegen opknappen om arbeidsplaatsen voor de bevolking te creëren. En daarom wil hij ervoor zorgen dat eindelijk ook de turbines worden geïnstalleerd die al jaren op een bouwplaats naast de waterkrachtcentrale liggen. En dat misschien zelfs met hulp van Chinese investeerders een zonne-energiecentrale wordt gebouwd, zodat stroom in Bangui geen schaars goed meer is.

    En is het land echt niet meer arm als dat allemaal zou lukken?

    Een paar kilometer buiten Bangui bevindt zich een kazerne, beschermd door muren en prikkeldraad. Hier maakt Masse Noudjoutar de dienst uit, commandant van het derde bataljon infanterie van het Centraal-Afrikaanse leger. Zijn soldaten staan in rijen van twee op het exercitieterrein. Het ruikt naar vis, die boven een open vuur wordt gebraden. Merkwaardig is alleen dat vrijwel niemand een wapen draagt.

    Commandant Noudjoutar, waarom is het land arm?

    ‘Kijk om u heen. We zijn met te weinig. We hebben nauwelijks uitrusting, zegt hij. Noudjoutar bouwt met steun van Belgische en Franse militairen het leger van het land op. Zij leren soldaten hoe je controleposten bemand, wat in de strijd is toegestaan en hoe je met gevangenen omgaat. Het probleem daarbij is dat het leger tot nog toe niet meer dan een paar honderd man sterk is – en dat is niet genoeg om de rust in het land te herstellen.

    Niet alleen zijn er te weinig soldaten, er zijn ook te weinig politieagenten, te weinig leraren en te weinig belastingambtenaren. Het ontbreekt aan onafhankelijke rechters, ambtenaren op ministeries, accountants. Op papier is de Centraal-Afrikaanse Republiek een keurig geordend staatsbestel met zestien prefecturen en 179 gemeenten. Maar de praktijk ziet er anders uit. Ongeveer de helft van de gemeentebesturen moet het zien te redden met een budget van nog geen euro – per jaar. En dus moeten ze toekijken hoe de in het oosten van het land gewonnen diamanten de grens over worden gesmokkeld, waar ze in de zakken 
van de militieleiders terechtkomen 
in plaats van bij de eigen bevolking.

    Zelfs als er geld is, wordt het vaak zodanig gebruikt dat het land er meer schade van ondervindt dan baat bij heeft. Daar kan de enige grootindustrieel van het land over meepraten; de directeur van de brouwerij is een zeer actieve Fransman die al meer dan twintig jaar in Afrika werkt. Ooit moest hij tijdens onlusten de werkzaamheden staken omdat de diesel voor de aandrijving van de generatoren was gestolen – samen met ongeveer vijftienduizend flesjes bier. Het grootste probleem zijn echter de autoriteiten, zegt de directeur. Een paar jaar geleden had hij een tiental werknemers moeten ontslaan omdat de zaken slecht gingen. Het ontslag was door de rechtbank goedgekeurd, maar niet veel later door dezelfde rechtbank onrechtmatig verklaard. Hij werd tot een boete veroordeeld, met als motivatie dat de wet was gewijzigd.

    Straatbeeld in de hoofdstad Bangui. – © Jean Chung / Getty
    Straatbeeld in de hoofdstad Bangui. – © Jean Chung / Getty

    Vroeger beschouwden veel ontwikkelingsdeskundigen de overheid als overbodig, als een bureaucratisch apparaat dat de economische groei remde. Tegenwoordig weten ze dat economisch succesvolle landen doorgaans over een sterke overheid beschikken, die ervoor instaat dat privébezit wordt beschermd, dat de maatschappij niet uit elkaar valt, dat scholen en universiteiten functioneren en dat de regels van vandaag ook morgen nog gelden. Een nieuwe fabriek is vaak pas na jaren rendabel. Zonder een minimum aan rechtszekerheid zal geen investeerder er geld in willen steken.

    In de meeste Afrikaanse landen is de overheid niet sterk, maar opgeblazen: ze doet zich gelden waar ze niets te zoeken heeft en is afwezig waar ze gewenst is. Zo is het bijzonder ingewikkeld om een bedrijf te registreren, kunnen ondernemingen maar moeilijk nieuwe kredieten krijgen en worden voorschriften geïnterpreteerd zoals het de overheid uitkomt. In een recent onderzoek van de Wereldbank naar de kwaliteiten van hun lidstaten als vestigingsland neemt de Centraal-Afrikaanse Republiek van de 190 landen plaats 185 in. Ook de meest gewiekste ondernemers kunnen onder dergelijke omstandigheden niet groeien en arbeidsplaatsen creëren.

    Dat een hogere plaats er niet in zit na de zware onlusten van de afgelopen jaren is niet verwonderlijk, maar het is opvallend dat onder de zakenmensen, ontwikkelingswerkers, politici en militairen in Bangui niemand de geografie verantwoordelijk stelt voor de misère van het land, en nauwelijks iemand zich beklaagt over het klimaat of over het feit dat het Noorden zijn markten afschermt. Voor hen lijkt het belangrijker wat er in het land zelf gebeurt.

    Dat sluit aan bij de stelling van economisch onderzoeker Daron Acemoglu van het Massachusetts Institute of Technology. Acemoglu meent dat de welvaart van een land afhangt van de manier waarop dat land zijn zaken regelt. In de meeste arme landen heeft een kleine elite de macht over politieke en economische hulpbronnen en gebruikt ze die om zichzelf te verrijken. Omdat werken niet loont, blijft de vooruitgang uit. Rijke landen zijn daarentegen rijk omdat economische en politieke vrijheidsrechten grenzen stellen aan de uitbuiting van de bevolking, en het overheidsoptreden zich meer richt op het algemeen welbevinden.

    Dat gold lang geleden misschien ook wel voor de Centraal-Afrikaanse Republiek. De mensen leefden er in relatief stabiele omstandigheden, tot vanaf de vijftiende eeuw zoals in zoveel landen ten zuiden van de Sahara eerst slavenhandelaren uit Noord-Afrika en vervolgens Europeanen – in dit geval de Fransen – het land teisterden. Uit recente onderzoeken blijkt dat deze rooftochten de bestaande maatschappelijke structuren ontwrichtten, zodat uitbuitende regimes vaste voet konden krijgen. De instituties van de betreffende landen hebben daar nog altijd onder te lijden.

    Armoede is geen lot

    Maar – en dat is de eigenlijke boodschap van het onderzoek van Daron Acemoglu – armoede is geen lot. Als het bijvoorbeeld zou lukken om in het noorden van Bangui de extra turbines te installeren, als Masse Noudjoutar meer soldaten zou krijgen en als de rechters de wetten zouden interpreteren in plaats van ze te breken, dan zou de Centraal-Afrikaanse Republiek stijgen in de welvaartstabel.

    Een dag nadat president Touadéra van achter zijn zwarte poort de wederopbouw van zijn land heeft aangekondigd, komen in het Franse cultureel centrum in Bangui een stuk of twaalf mannen en vrouwen bijeen. Daar vindt een soort grondleggersbazaar plaats; de mensen zijn gekomen om hun ideeën te presenteren. De een is van plan om van oude plastic flessen een soort wegdek te maken, een ander heeft een houten koelkast ontwikkeld die weinig energie zou verbruiken, een derde wil een energiedrankje produceren uit de bladeren van de mierikswortel, die in de tropische gebieden van Afrika op elke hoek groeit. ‘Mijn doel is massaproductie. Ik zou graag een fabriek bouwen,’ zegt hij. Dat is nu precies waar het om gaat.

    Auteur: Mark Schieritz
    Vertaler: Pieter Streutker

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.