Tag: handel

  • China heft exorbitante belastingen op wijn

    China heft exorbitante belastingen op wijn

    China, Australië, ruzie, handel, wijn: het zijn de ingrediënten van een handelsoorlog die steeds ernstiger vormen begint aan te nemen. 

    Zondag publiceerde South China Morning Post uit Hongkong een artikel met als kop ‘Ruzie China-Australië: van handel naar coronavirus en buitenlandse inmenging’. Een dag eerder kwam de Australische The Sydney Morning Herald met een artikel waarvan de kop luidde: ‘Britse dorst kan Australische wijn redden van Chinese tarieven.’

    De Chinese frustraties over Australië begonnen volgens South China Morning Post enkele jaren geleden, toen Canberra de Chinese techgigant Huawei Technologies verbood te participeren in de uitrol van een nieuw 5G-netwerk. Hand-in-hand met dat verbod werd een nieuwe wet aangenomen die expliciet buitenlandse inmenging in de binnenlandse politiek van Australië verbiedt. Vorig jaar wees een onderzoek van het Lowy Institute uit dat het vertrouwen van het Australische publiek in China om ‘verantwoord te handelen’ op het laagste punt stond sinds Lowy de enquête in 2004 begon.

    Niet veel later sprak de Australische regering zijn steun uit voor demonstranten in Hongkong die protesteerden tegen de toenemende invloed van Beijing op hun stadsstaat. Toen Australië, wijzend naar China, begin dit jaar ook nog eens opriep tot een internationaal onderzoek naar de oorsprong van de coronapandemie, waren de rapen gaar. China omschreef die oproep als ‘vergiftiging van bilaterale betrekkingen’ en begon met het blokkeren van Australische exportproducten ter waarde van miljarden dollars. Het begon met een importblokkade van Australische kreeften en daarna volgden onder meer koper en steenkool dat Australië in enorme hoeveelheden naar China exporteert, aldus de BBC. En toen was Australische wijn aan de beurt. 

    Met ingang van december is China begonnen met het heffen van belastingen op de import van Australische wijnen, die oplopen tot maar liefst 212 procent. 

    ‘Naar verluidt zijn sinds begin vorige maand ook andere importproducten uit Australië verboden, waaronder kolen, suiker, kreeften, koper en hout’

    Volgens het Chinese ministerie van Handel gaat het om tijdelijke antidumpingmaatregelen die zijn bedoeld om de gesubsidieerde invoer van Australische wijn te stoppen. Het ministerie beweert dat Australië subsidies verstrekt die ervoor zorgen dat Australische wijnen goedkoper kunnen worden verkocht in China dan op de thuismarkt, en dat er dus sprake is van ongeoorloofde dumping. De China Daily, eigendom van de Chinese Communistische Partij, laat in een hoofdredactioneel commentaar weten het daar volledig mee eens te zijn. Daarom is de belastingheffing dan ook een gerechtvaardigde stap, die niet verkeerd moet worden uitgelegd: ‘Het recente besluit van China om voorlopige antidumpingmaatregelen op Australische wijn in te stellen, mag niet ten onrechte worden geïnterpreteerd als een teken van een handelsoorlog, aangezien het volledig in overeenstemming is met de Chinese wet- en regelgeving en de internationale praktijk.’

    ‘Toegegeven’, aldus het commentaar, ‘de handelsbetrekkingen tussen China en Australië zijn dit jaar verslechterd. China heeft al antidumpingrechten ingesteld op Australische gerst en het heeft de invoer van rundvlees van enkele grote Australische producenten opgeschort. Naar verluidt zijn sinds begin vorige maand ook andere importproducten uit Australië verboden, waaronder kolen, suiker, kreeften, koper en hout. Maar China is niet van plan een handelsoorlog met Australië te beginnen, aangezien niemand daar voordeel van heeft.’

    De aap uit de mouw

    En dan komt de aap uit de hoofdredactionele mouw: ‘Het is Canberra dat serieus onderzoek moet gaan doen naar zijn vijandige gedrag en houding ten opzichte van zijn grootste handelspartner. Canberra heeft zich bemoeid met kwesties betreffende de kernbelangen van China en heeft China ongegrond beschuldigd van deelname aan “interventie- en infiltratie”-activiteiten in Australië. Er werd zelfs een zogenaamd “onafhankelijk internationaal onderzoek” voorgesteld naar de uitbraak van het coronavirus, dat algemeen werd gezien als een poging om China te belasteren.’ De importbelastingen op wijn zijn ingesteld ‘uit een gevoel van verantwoordelijkheid voor de binnenlandse industrie en de Chinese consumenten’, zo citeert de krant een woordvoerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

    De exorbitante importbelastingen op Australische wijn betekenen een behoorlijke dreun voor de wijnboeren down under, zo schrijft de BBC. Bijna 40 procent van de Australische wijnexport ging de afgelopen jaren naar China. Vorig jaar kocht China zelfs meer gebottelde wijn van Australië dan van Frankrijk. Maar door de verslechterde politieke betrekkingen lijkt de liefdesrelatie met Australische wijnboeren voorbij. De importheffingen leggen op pijnlijke wijze bloot hoe groot de Australische economische afhankelijkheid van China is. Met zo’n 240 miljard Australische dollars is China veruit de grootste handelspartner; nummer 2 Japan volgt op grote afstand met een volume van nog geen 100 miljard.

    Dorstige Britten

    Volgens The Sydney Morning Herald is de hoop nu gevestigd op dorstige Britten. Tegenover de wijnexport naar China van 40 procent staan weliswaar slechts een schamele 15 en 14 procent naar respectievelijk de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, zo schrijft de krant. Maar de Britse dorst naar Australische wijn is groeiende: 22 procent van de verkochte wijn in Groot-Brittannië komt uit Australië en dat is bijna het dubbele van de hoeveelheid die de Britten kopen in Italië, het tweede land op de lijst. En de Britse interesse blijft toenemen. Volgens marktonderzoekbureau IRI groeide de verkoop van Australische wijn in Groot-Brittannië de afgelopen twaalf maanden met 10 procent naar 1,3 miljard Australische dollar, zo’n 800 miljoen Euro.

    En er daagt nog meer hulp voor de Australische wijnboeren. Parlementariërs van over de hele wereld figureren sinds vorige week in een video waarin ze mensen aansporen Australische wijn te kopen ‘om het hoofd te bieden aan de intimidatie door China’. Deze #SolidarityWithAustralia-campagne is gestart door de onlangs gevormde Interparlementaire Alliantie tegen China, bestaande uit een groep van 200 parlementsleden uit 19 landen, die bekendstaan om hun onverzettelijke houding ten opzichte van China. Een Australische senator in de video, Kimberley Kitching, stelt onomwonden dat China de export van Australië heeft geblokkeerd vanwege kritiek op de mensenrechten. ‘Dit is niet alleen een aanval op Australië’, zo zegt Kitching. ‘Dit is een aanval op vrije landen overal in de wereld.’

  • Deze Zwitserse start-up staat voor een herculische opgave: het redden van de wereld

    Deze Zwitserse start-up staat voor een herculische opgave: het redden van de wereld

    Twee jonge ondernemers willen CO2 uit de lucht halen en opslaan, tegen prijzen die consumenten kunnen betalen. Als dat lukt, dan kan dat grote gevolgen hebben voor de toekomst van de mensheid. Maar hoe verkoop je iets wat nooit eerder heeft bestaan, wat misschien nooit goedkoop zal worden, op een markt die er nog niet is?

    Iets meer dan honderd jaar geleden verzamelde de Duitse wetenschapper Carl Bosch in Ludwigshafen een team technici om zich heen om te werken aan een nieuwe scheikundige techniek. Een andere Duitse scheikundige, Fritz Haber, had een jaar daarvoor een methode ontdekt om stikstof (N), uit de lucht te halen en te combineren met waterstof (H), en was er zo in geslaagd kleine hoeveelheden ammoniak (NH3) te produceren. Maar Habers methode was uiterst gevoelig, en vereiste hoge temperaturen en hoge druk. Bosch wilde een manier vinden om Habers ontdekking commercieel toepasbaar te maken – ‘op te schalen’, zoals we tegenwoordig zouden zeggen. Iedereen die de stand van de Europese industrie kende, kon zien dat dit een lastige opgave was: de technologie bestond gewoonweg niet.

    In de volgende tien jaar wisten Bosch en zijn team echter een groot aantal technische en metallurgische obstakels te overwinnen. Hij noemde ze op in zijn aanvaardingstoespraak voor de Nobelprijs voor Scheikunde – die hij won omdat het Haber-Bosch-proces, zoals zijn onderzoek uiteindelijk heette, de wereld veranderde. Zijn doorbraak maakte het mogelijk om op industriële schaal ammoniak te produceren, en zo de wereld te voorzien van een overvloed aan goedkope kunstmest.

    Wetenschapper en historicus Vaclav Smnil heeft Haber-Bosch ‘de belangrijkste uitvinding van de twintigste eeuw’ genoemd. Bosch was erin geslaagd om de beperkingen voor graanoogsten weg te nemen, en hij werd dan ook algemeen gezien als de man die ‘brood uit lucht’ maakte. Naar schatting heeft het werk van Bosch de afgelopen honderd jaar het leven van meer dan twee miljard mensen mogelijk gemaakt.

    Van het begin af aan was het grote voordeel voor het Haber-Bosch-proces dat er al een markt voor bestond. Er was al veel vraag naar kunstmest, maar die moest voornamelijk komen uit beperkte natuurlijke hulpbronnen op afgelegen plekken – vogelpoep die van verre eilanden in de buurt van Peru werd geschraapt, bijvoorbeeld, of minerale stikstofafzettingen die uit de Chileense woestijn werden opgegraven. Synthetische ammoniak ging de concurrentie aan met bestaande producten en kon daardoor een bestaand innovatietraject volgen. Zoals ledlampen de tl- en gloeilampen hebben verdrongen (die op hun beurt weer de plaats van kerosinelampen en waskaarsen hadden ingenomen), neemt een nieuw product of proces vaak de plaats in van iets waar al vraag naar is. Als het beter of goedkoper is – en vooral als het beter én goedkoper is – komt het meestal als overwinnaar uit de concurrentiestrijd. Dat gold ook voor Haber-Bosch.

    Het zou zomaar kunnen dat er nu opnieuw een gas, namelijk koolstofdioxide (CO2), uit de lucht kan worden gehaald voor commerciële doeleinden, en dat de verwijdering van dat gas grote gevolgen kan hebben voor de toekomst van de mensheid. Maar het is misschien nog te vroeg om dat met zekerheid te zeggen.

    Direct air capture

    Op een zonnige dag in oktober klim ik met technici van een Zwitsers bedrijf, Climeworks, naar het dak van een afval verbrandende energiecentrale in Hinwil, een dorp op zo’n halfuur rijden van Zürich. Voor ons zien we twaalf grote apparaten die lijken op uit hun krachten gegroeide voorlaadwasdrogers, opgestapeld in twee rijen van zes. Dit is een installatie voor een techniek die ‘direct air capture’ wordt genoemd, en die binnenkort moet gaan functioneren. Dan gaan deze apparaten via hun luchtfilter koolstofdioxide uit de lucht zuigen. Eenmaal afgevangen wordt de CO2 overgeheveld in grote tanks en per truck naar een plaatselijke bottelfabriek van Coca-Cola gebracht, waar het de prik in de limonade moet worden.

    De apparaten verbruiken een grote hoeveelheid energie. Ze hebben elektrische ventilatoren die lucht naar binnen zuigen over speciale absorberende korrels die een verbinding aangaan met CO2; vervolgens wordt er bij tussenpozen hete lucht in geblazen, waardoor het gevangen gas weer vrijkomt uit het absorberende materiaal. De hele cyclus van afvangen en vrijgeven wordt geregeld door speciaal hiervoor ontworpen software. Climeworks heeft de apparaten op het dak van een energiecentrale geïnstalleerd om gebruik te kunnen maken van de CO2-neutrale elektriciteit en de warmte van de vuilverbranding. Enkele tientallen meters van de nieuwe installatie bevindt zich nog een oudere stapel van acht Climeworks-apparaten, die al meer dan een jaar op dit zelfde dak staan te zoemen. In dat jaar hebben ze zo’n duizend ton koolstofdioxide uit de lucht gevangen en die via een pijpleiding geleverd aan een enorme kas in de buurt, waar de CO2 dient om tomaten, avocado’s en veldsla te kweken. Tijdens een rondleiding door de kas laat bedrijfsleider Paul Ruser mij de proef op de som nemen. ‘Hier, probeer maar eens,’ zegt hij, terwijl hij me een knapperige, rijpe komkommer voorhoudt die hij van een plant naast zich heeft geplukt. Het is de lekkerste direct-air-capture-komkommer die ik ooit heb geproefd.

    Deze dakinstallatie vertegenwoordigt een noviteit: Climeworks is de eerste direct-air-capture-onderneming in de geschiedenis die CO2 per ton wil gaan verkopen. Toen de oprichters van het bedrijf, Christoph Gebald en Jan Wurzbacher, een aantal jaren geleden de plannen voor hun bedrijf openbaarden, kregen ze een stortvloed van scepsis over zich heen. ‘Ik denk dat negen van de tien mensen kritisch reageerden,’ vertelt Gebald. ‘Eerst zei iedereen: “Dit gaat technisch nooit werken.” Nadat we in 2017 de grote installatie in Hinwil hadden gebouwd, konden we laten zien dat het technisch wél werkt. Maar toen zeiden ze: “Nou, economisch gaat het niet werken.”’

    © Climeworks
    © Climeworks

    Voorlopig hebben deze sceptici gelijk: het bedrijf maakt geen winst. De kosten voor de bouw en installatie van de achttien collectoren in Hinwil, die in de eigen werkplaats in Zürich met de hand zijn geassembleerd, liggen tussen de 3 en 4 miljoen dollar, en dat is de belangrijkste reden waarom het de onderneming tussen de 500 en 600 dollar kost om een ton CO2 uit de lucht te halen. Ook al heeft Climeworks bij particuliere investeerders en via subsidies zo’n 50 miljoen dollar opgehaald, het bedrijf staat voor een even lastige opgave als Carl Bosch een eeuw geleden: hoe ver kan het de kosten omlaag brengen? En hoe snel kan het opschalen?

    Gebald en Wurzbacher zijn ervan overtuigd dat ze commercieel voet aan de grond kunnen krijgen door hun dure CO2 te verkopen aan bedrijven in de landbouw- of drankensector. Niet alleen hebben deze bedrijven toch al CO2 nodig, maar bovendien willen sommige er kennelijk ook extra voor betalen, om zo hun producten als milieuvriendelijk te kunnen etaleren.

    Toch vormen kassen en limonadeprik samen wereldwijd maar een kleine markt – waar misschien 6 miljoen ton CO2 per jaar valt af te zetten. En Gebald en Wurzbacher zijn niet aan het CO2-vangen begonnen met als doel om veldsla te verbouwen of prik in Fanta te stoppen. Ze verwachten de komende zeven jaar de kosten zo ver omlaag te kunnen brengen dat ze hun CO2 ook op lucratievere markten kunnen afzetten. Uit de lucht gevangen CO2 kan gecombineerd worden met waterstof en dan kun je er elke soort vervanging voor fossiele brandstof van maken die je maar wilt: geen brood uit lucht, maar brandstof uit lucht. Climeworks en een Canadees bedrijf, Carbon Engineering, werken nu al hard aan dit idee; de Canadezen hebben zelfs investeerders (onder wie Bill Gates) gevonden voor de productie in grote industriële complexen van synthetische brandstof uit in de lucht gevangen CO2.

    Het uiteindelijk doel van direct air capture is echter niet om er een product van te maken – tenminste niet in de traditionele betekenis van het woord. Wat Gebald en Wurzbacher eigenlijk willen is grote hoeveelheden CO2 uit de atmosfeer halen en voorgoed diep onder de grond stoppen, en deze service verkopen aan andere bedrijven en instellingen die hun uitstoot moeten verminderen. Door Climeworks gevangen CO2 is inmiddels al diep in rotsformaties onder IJsland geïnjecteerd; eind dit jaar wil de firma vijftig installaties in de buurt van Reykjavik in werking hebben om de operatie uit te breiden. Maar wanneer het zover is, betreedt het bedrijf onontgonnen economisch terrein – als leverancier van een dienst die wel dringend nodig lijkt als bijdrage aan een oplossing voor de klimaatverandering, maar die op dit moment geen vervanging biedt voor iets anders in het consumenten- of industriële landschap. Om het nog ingewikkelder te maken: een ton CO2 onder de grond is niet iets waar bij mensen of overheden veel vraag naar is. En dus bevinden bedrijven als Climeworks zich in een lastig parket: hoe verkoop je iets wat nooit eerder heeft bestaan, wat misschien nooit goedkoop zal worden, op een markt die er nog niet is?

    ‘Als je zou uitrekenen hoeveel de investeringen in wind- en zonne-energie hebben opgeleverd, zou de rest van je aandelenportefeuille daarbij in het niet vallen. Het is alsof je hebt geïnvesteerd in een vroege Apple’

    Zelfs de grootste adepten zullen direct air capture geen wondertechnologie noemen. Vaker ziet men het als een oud idee dat nu radicaal wordt verbeterd voor nieuwe toepassingen: in onderzeeërs gebruikt men al minstens sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw ‘scrubbers’ om CO2 te verwijderen. Zeker is zelfs dat direct air capture beschouwd zal worden als een te dure mogelijkheid met een te bescheiden effect voor het verminderen van onze koolstofuitstoot. ‘Direct air capture kan alleen zinnig zijn als we alle andere dingen die we moeten doen, meteen doen,’ zegt de Californische energiedeskundige Hal Harvey, die onderzoek doet naar klimaatvriendelijke technologieën en beleidsmaatregelen. Harvey en anderen stellen dat we de grootste, snelste en goedkoopste vooruitgang in het uit de atmosfeer halen van koolstof kunnen boeken door geheel over te schakelen op hernieuwbare energie of stroom waarvoor weinig koolstof wordt verbruikt; door te kiezen voor elektrische voertuigen en door strengere regelgeving voor toegestane rijafstanden van auto’s en vrachtwagens die op gas rijden; en door meer energie-efficiënte gebouwen en apparaten verplicht te stellen. Kortom, miljoenen direct air capture-apparaten bouwen is op dit moment niet hét middel om vooruitgang te boeken op weg naar een wereld zonder CO2. Daarvoor moeten we in de eerste plaats stoppen met CO2 in de atmosfeer blazen.

    Maar er is niet veel tijd meer om die koolstofuitstoot terug te dringen, de CO2-concentraties in de atmosfeer nemen nog steeds toe. Als alle landen van de wereld op dezelfde weg voort gaan, wordt het onmogelijk om de doelen uit de Parijse klimaatakkoorden van 2016 te halen, waarin is afgesproken dat de aarde niet meer dan 2 graden Celsius, of liever nog 1,5, mag opwarmen. En dat brengt een wereld vol ellende en economische problemen met zich. Nu al zijn de temperaturen in bepaalde regio’s met meer dan 1 graad Celsius gestegen, volgens een rapport van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). Deze temperatuurstijgingen hebben geleid tot een toename van droogteperiodes, hittegolven, overstromingen en verlies van biodiversiteit en maken de chaos die zou ontstaan bij een opwarming van nog 2 of 3 graden onvoorstelbaar. Nog een probleem is dat te lang voortgaan op het huidige emissiepad het risico meebrengt dat de ecosystemen van de aarde onherstelbare schade oplopen – een schade die met geen enkele technologische innovatie meer te herstellen is. ‘Natuurlijke systemen hebben geen achteruit,’ zegt Harvey. ‘Als ze gaan, gaan ze. Als we de toendra ontdooien, is het einde verhaal.’

    Hetzelfde kun je zeggen voor de ijsplaten van Groenland en westelijk Antarctica, of van de koraalriffen. Deze natuurlijke hulpbronnen hebben een asymmetrie in hun opbouw: ze hebben zich in duizenden of miljoenen jaren gevormd, maar de afname kan binnen een paar decennia catastrofaal zijn.

    Op dit moment ligt de wereldwijde CO2-uitstoot rond de 37 miljard ton per jaar en koersen we af op een temperatuurstijging van 3 graden Celsius in 2100. Willen we een klimaat behouden waarin mensen kunnen leven, dan zullen de landen van de hele wereld de CO2-uitstoot waarschijnlijk drastisch moeten verlagen ten opzichte van het huidige niveau – tot misschien 15 miljard of 20 miljard ton per jaar in 2030. Vervolgens moeten we, middels een ongekende inspanning van politiek en bedrijfsleven, zorgen dat de koolstofemissies rond 2050 zijn teruggebracht tot nul. Als je het zo bekijkt, lijkt wat Climeworks doet – duizend ton CO2 verzamelen op een dak in de buurt van Zürich – misschien op een poging om met één emmertje de oceaan leeg te scheppen.

    Toch is het idee wel degelijk belangrijk. In het IPCC-rapport van vorig jaar stond dat een beperking van de opwarming tot 1,5 graden in 2100 misschien onhaalbaar is met alleen een snelle overschakeling op schone energie, elektrische auto’s en dergelijke. Misschien moeten we, om een leefbaar milieu te behouden, wel CO2 uit de atmosfeer halen. Zoals Wurzbacher het formuleert: ‘Tel je al die cijfers van het IPCC bij elkaar op, dan kom je uit op zo’n acht tot tien miljard ton – gigaton – CO2 die per jaar uit de atmosfeer gehaald moet worden, als we die 1,5 of 2 graden echt serieus nemen.’

    Nu is het zo dat er al een naam is voor manieren waarop dit soort werk, het uit de atmosfeer halen van CO2, wordt gedaan: negatieve-emissie-technologieën, oftewel NET’s. Sommige NET’s, zoals bomen en planten, waren er al eerder dan wij, en verdienen dit etiket waarschijnlijk niet. Via fotosynthese halen onze bossen buitengewoon grote hoeveelheden koolstofdioxide uit de atmosfeer, en als we meer ons best zouden doen om leeggekapte gebieden te herbebossen, zouden we in de toekomst miljarden tonnen meer koolstof kunnen opnemen. Daarbij zouden we ook speciale gewassen kunnen telen om CO2 op te nemen en die dan verbranden om energie op te wekken, waarbij we de uitstoot van de energiecentrales afvangen en die onder de grond pompen, een proces dat bekendstaat als ‘Bioenergy with carbon capture and storage’, oftewel BECCS. Andere negatieve-emissietechnologieën zijn het zo manipuleren van akkerland of moerassige kustgebieden dat die meer koolstof uit de atmosfeer vasthouden en het vergruizen van minerale formaties zodat die sneller CO2 opnemen, een proces dat ‘versnelde verwering’ wordt genoemd.

    Een miljard bomen planten

    Negatieve emissies kun je zien als een vorm van tijdreizen. Al sinds de Industriële Revolutie produceren menselijke samenlevingen een overschot aan CO2: ze nemen koolstofvoorraden uit het binnenste van de aarde – in de vorm van kolen, olie en gas – en van boven de grond (voornamelijk hout) en sturen die dan de atmosfeer in door ze te verbranden. Nu is het noodzakelijk geworden om dat proces om te keren, dus om de CO2 uit de lucht te halen en die ofwel weer diep in de aarde op te slaan, ofwel vast te houden binnen nieuwe ecosystemen aan het aardoppervlak. Dit is natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan. ‘Alle negatieve emissie is moeilijk – zelfs bebossing of herbebossing,’ legt Sally Benson, hoogleraar in energiebronnentechniek aan Stanford, uit. ‘Het is geen kwestie van zeggen “Ik wil een boom planten.” Het gaat erom dat je zegt: “We willen een miljard bomen planten.”’ Niettemin bieden dit soort praktijken een glimpje hoop dat de toekomstige emissiedoelen haalbaar zijn. ‘We moeten erkennen dat we te lang hebben gewacht en daardoor bepaalde mogelijkheden hebben uitgesloten,’ zegt Princeton-wetenschapper Michael Oppenheimer, die onderzoek doet naar klimaat en beleid. Vandaar dat NET’s niet langer alleen maar interessante ideeën lijken; ze lijken noodzakelijk. De apparaten van Climeworks op dat dak doen per jaar wel het werk van zo’n 36 duizend bomen.

    Afgelopen najaar publiceerden de National Academies of Sciences, Engineering and Medicine een uitgebreide studie over het verwijderen van koolstof. Volgens Princeton-hoogleraar Stephen Pacala, die de leiding had over het team van auteurs, hebben de diverse negatieve-emissietechnologieën allemaal eigen voor- en nadelen, en is een ‘portfolio-benadering’ – zet ze allemaal in en kijk dan welke de beste zijn – misschien de beste optie. Kunnen de kosten van direct air capture omlaag gebracht worden, dan ziet Pacala grote mogelijkheden in die techniek, zeker als de CO2-collectoren de emissies kunnen opvangen van economische sectoren die om technologische redenen langzamer de transitie naar koolstofneutraal kunnen maken dan andere. De commerciële luchtvaart, bijvoorbeeld, zal niet binnen afzienbare tijd op zonne-energie kunnen overstappen. Volgens Jennifer Wilcox, hoogleraar chemische techniek aan Worcester Polytechnic Institute in Massachusetts, zal direct air capture zo ook kunnen helpen de impact van verscheidene belangrijke industriële sectoren te verkleinen. ‘Bij het maken van ijzer en staal, cement en glas komen proces-emissies vrij,’ zegt ze. ‘Altijd als je die materialen maakt, is er een chemische reactie die CO2 uitstoot.’ Direct air capture zou zelfs de impact van de Haber-Bosch-processen voor het maken van kunstmest kunnen verkleinen; volgens schattingen neemt die industrie nu 3 procent van alle CO2-uitstoot voor haar rekening.

    Pacala vergelijkt de uitdagingen waar Climeworks en Carbon Engineering nu voor staan met die van de industrieën van wind- en zonne-energie in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen die producten duur waren vergeleken met fossiele brandstoffen. Die industrieën konden niet overleven op alleen de vraag uit de private sector. Maar bepaalde beleidsmakers zagen grote voordelen voor het milieu en voor de maatschappij als deze sector over die horde wist te komen. Dankzij overheidsinvesteringen in onderzoek en belastingvoordelen konden de jonge industrieën uitbreiden. ‘Wind en zon zijn nu de goedkoopste vormen van energie op de juiste plekken,’ zegt Pacala. ‘Als je zou uitrekenen hoeveel die investeringen hebben opgeleverd, zou de rest van je aandelenportefeuille daarbij in het niet vallen. Het is alsof je hebt geïnvesteerd in een vroege Apple. Dus het is een spectaculair succesverhaal. En direct air capture is net zo’n soort verhaal, met als enige barrière dat het proces te duur is.’

    © Climeworks
    © Climeworks

    De zestig medewerkers van Climeworks werken voor het merendeel op een groot industrieterrein in Zürich, in een laag gebouw waarvan het bedrijf twee verdiepingen huurt van een Duits luchtvaartbedrijf. De productiewerkzaamheden vinden plaats op de begane grond; boven bevinden zich de onderzoekslaboratoria, een kleine verzameling gedeelde kantoren, een keukentje in een gang en een zitruimte. Er hangt de sobere, nonchalante sfeer van een tech-start-up, afgezien van één ding: de muren zijn behangen met bovenmaatse foto’s van sleutelmomenten in de korte geschiedenis van Climeworks: de lompe vroege prototypes, de opening van de eerste fabriek in Hinwil die CO2 verzamelde voor de kas.

    ‘Het is een beetje bij toeval dat we in Zwitserland zijn gevestigd,’ zegt Wurzbacher. Hij en Gebald zijn allebei opgegroeid in Duitsland en hebben elkaar leren kennen toen ze allebei studeerden aan de E.T.H, de technische hogeschool in Zürich. ‘Op dag één, 20 oktober 2003, leerden we elkaar kennen,’ vertelt Gebald. ‘En op dag één besloten we dat we een bedrijf zouden beginnen.’ Hun ambitie was om ondernemer te worden, niet per se om een direct air capture-bedrijf te beginnen, maar allebei hadden ze belangstelling voor onderzoek naar hernieuwbare energie en het reduceren van emissies.

    Nadat ze allebei hun masterproject hadden afgerond, besloten ze om een prototype van een direct air capture-apparaat te maken en een onderneming te starten. Allebei noemden ze zich directeur. Met steun van een aantal kleine subsidies werd Climeworks in 2009 officieel opgericht.

    Zij waren niet de enigen die wilden proberen iets af te knabbelen van tientallen jaren CO2-uitstoot. Een Amerikaanse start-up, Global Thermostat, die op dit moment de laatste hand legt aan een eerste commerciële fabriek in Alabama, begon in 2010 met het ontwerpen van direct air capture-apparaten. En al vrijwel vanaf het begin zijn Gebald en Wurzbacher in een vriendschappelijke concurrentieslag verwikkeld met David Keith, de hoogleraar techniek van Harvard die rond dezelfde tijd in Canada zijn bedrijf Carbon Engineering is begonnen.

    Het bedrijf van Keith richt zich op een andere direct air capture-technologie; hij gebruikt een proces met grotere hitte en een vloeibare oplossing om CO2 te vangen, waarvan hij vervolgens synthetische brandstoffen wil maken. Het grote voordeel van Climeworks is dat het al vroeg kleinere fabrieken kan bouwen, zegt Keith. ‘Daar ben ik stikjaloers op. Het komt doordat zij een modulair model gebruiken en wij niet.’

    Aan de andere kant denkt Keith dat zijn bedrijf dichter bij de bouw van een grote fabriek is, die tegen lagere kosten koolstof kan vangen en substantiële hoeveelheden brandstof kan produceren. ‘Ik zie niet hoe zij daar tegenop kunnen.’ Gebald zegt te denken dat beide bedrijven succes zullen hebben, elk met hun eigen benadering. Voorlopig hebben de oprichters één ding gemeen: ze zijn ervan overtuigd dat de kosten om een ton koolstof te vangen binnenkort sterk zullen dalen.

    Geen revolutie

    Sommige buitenstaanders denken daar anders over. Howard Herzog van het Massachusetts Institute of Technology (M.I.T.), die jaren heeft gekeken naar de mogelijkheden voor deze apparaten, denkt bijvoorbeeld dat de kosten tussen de 600 en 1000 dollar per ton blijven liggen. De redenen waarom hij zo sceptisch is, zijn voor een deel zeer technisch en hebben te maken met de natuurkundige kant van het scheiden van gassen. Andere zijn makkelijker te begrijpen. Om een ton CO2 te verzamelen, moeten direct air capture-apparaten enorme hoeveelheden lucht door een filter of een oplossing laten stromen. Want hoe groot de mondiale impact van dat gas ook is, het maakt maar zo’n 0,04 procent van onze atmosfeer uit. Dat betekent dat voor dit proces heel veel energie en grote apparaten nodig zijn. Bij vergelijkbare industrieën die gassen scheiden heeft Herzog gezien dat bij de vertaling van de papieren plannen voor het vangen van CO2 naar concrete toepassingen veel verborgen kosten naar boven komen. ‘Hier is veel publiciteit over geweest, maar ik denk niet dat het een revolutie teweeg zal brengen,’ zegt hij. ‘Andere negatieve-emissietechnologieën zullen waarschijnlijk goedkoper blijken. Op zijn best kan direct air capture een bijrolletje spelen.’

    Volgens de cijfers die David Keith en zijn collega’s bij Carbon Engineering vorig jaar naar buiten brachten, zou hun technologie voor het vangen van koolstof de kosten omlaag kunnen brengen tot slechts 94 dollar per ton, maar Herzog is niet overtuigd. Toch betoogt Keith tegenover mij dat twee investeerders in Carbon Engineering – Chevron Technology Ventures en een dochteronderneming van Occidental Petroleum – zijn cijfers uitputtend onder de loep hebben genomen en het erover eens waren dat het ondernemingsplan solide genoeg was om er aanzienlijke bedragen in te steken bij een investeringsronde van 60 miljoen dollar. De beide oprichters van Climeworks zeggen dat zij het eens zijn met de kosteninschattingen van Keith en voor hun eigen technologie een vergelijkbare dalende lijn voorzien.

    Op dit moment streeft Climeworks ernaar om halverwege de jaren twintig 1 procent van de mondiale jaarlijkse CO2-uitstoot te kunnen verwijderen. Maar om dat doel te kunnen halen, als het al mogelijk is, moeten ze de kosten van direct air capture bijna met een factor tien terugbrengen en tegelijkertijd hun klantenkring behouden en zelfs substantieel uitbreiden. Wurzbacher en Gebald hebben plannen voor verscheidene generaties Climeworks-apparaten, waarin elk nieuw model een verlaging van de kosten belooft. ‘We hebben een routekaart – van 600 dollar omlaag naar 400 dollar, omlaag naar 300 en 200 dollar per ton,’ zei Wurzbacher. ‘Dit geldt voor de komende vijf jaar. Tot 200 dollar per ton weten we vrij goed wat we doen.’ Voorbij die 200 dollar wordt de route minder duidelijk, bedoelt hij. Of de kosten nog lager kunnen, hangt af van ‘nieuwe ontwikkelingen’ in technologie of fabricage.

    De beide Climeworks-oprichters zeggen dat ze enorme kostenbesparingen verwachten te kunnen halen uit het opschalen van de productie – waardoor ze materialen goedkoper in het groot kunnen inkopen en geautomatiseerd apparaten kunnen bouwen met behulp van lopende banden in plaats van met de hand, zoals nu gebeurt. Verbeteringen in het ontwerp van de apparaten kunnen verdere kostenreductie opleveren.

    ‘Onderhoud is erg duur,’ zegt Wurzbacher. ‘Als we nu de filters in de collectoren willen vervangen, moeten we een kraan huren, en dat kost veel manuren. Bij de volgende generatie apparaten hebben we daarin veel verbetering gebracht: relatief kleine veranderingen in ontwerp zouden de kosten van onderhoud met een factor drie kunnen terugbrengen.’ Climeworks wil ook besparingen realiseren door verbeteringen van essentiële onderdelen, zoals het materiaal dat CO2 aan zich bindt. Op dit moment vereist de technologie van het bedrijf dat de temperatuur in de apparaten regelmatig wordt verhoogd naar zo’n 1000 graden Celsius, om de CO2 uit de absorberende stof te laten vrijkomen zodat die afgezogen en opgeslagen kan worden. Als dat te bereiken is bij een lagere temperatuur, zullen de collectoren minder energie gebruiken en kan de levensduur van de materialen langer worden, wat de kosten nog verder omlaag brengt.


    De ambities voor massaproductie van het bedrijf lijken nog steeds erg hoog gegrepen. Om daadwerkelijk 1 procent van de wereldwijde CO2-uitstoot te kunnen vangen zou Climeworks 250.000 direct air capture-installaties zoals die op het dak in Hinwil moeten bouwen. Dat zouden in totaal zo’n 4,5 miljoen CO2-collectoren zijn. Voor een bedrijf dat nog maar honderd collectoren heeft gebouwd (en veertien kleine installaties verspreid over Europa heeft staan), is dat een onthutsend groot aantal. De Climeworks-oprichters proberen hun product dan ook te zien zoals de auto-industrie dat zou doen – als een stuk in massa geproduceerde technologie en metaal, niet als de CO2 die ze hopen te verzamelen. ‘Wat wij doen is het scheiden van gassen,’ zei Wurzbacher, ‘en dat hoort traditioneel thuis in de procesindustrie, zoals olie en gas. Maar wij zien onszelf daar niet echt.’

    De twee oprichters wijzen erop dat Toyota meer dan tien miljoen auto’s per jaar maakt. ‘Elke CO2-collector heeft ongeveer hetzelfde gewicht en dezelfde afmetingen als een auto – ruwweg twee ton, en ruwweg twee bij twee bij twee meter,’ zei Gebald. ‘En alle methoden die worden gebruikt om de CO2-collectoren te bouwen zijn heel goed te automatiseren. Dus hebben wij de auto-industrie voor ogen als voorbeeld voor hoe je dingen in grote hoeveelheden tegen lage kosten produceert.’ De twee mannen hebben al advies gevraagd bij Audi. Ze zijn zich er ook van bewust dat de auto-industrie haar methoden in de loop van honderd jaar heeft geperfectioneerd. Wil Climeworks ook maar enige impact hebben, dan heeft het bij lange na niet zo veel tijd.

    Publieke goederen

    In 1954 kwam econoom Paul Samuelson met een theorie waarin hij onderscheid maakte tussen ‘particuliere consumptiegoederen’ – brood, auto’s, huizen en dergelijke – en goederen die buiten de gebruikelijke wetten van vraag en aanbod bestaan. De moderne mondiale markten slagen er goed in een prijskaartje te hangen aan de particuliere goederen die we nodig hebben en willen. Maar het andere type goederen dat Samuelson beschreef en dat we nu ‘publieke goederen’ noemen, is iets waarvan iedereen profiteert maar dat niet op die manier wordt gekocht, verkocht of geconsumeerd. De definities van publieke goederen lopen uiteen, maar vaak gebruikte voorbeelden zijn vuurtorens, defensie en schone lucht.

    Direct air capture kan ongetwijfeld particuliere consumptiegoederen opleveren, zoals koolzuur voor alcoholvrije dranken of brandstoffen. Wat de waarde van deze techniek zo moeilijk in te schatten maakt, is dat de leveranciers ervan met het begraven van CO2 voor een betere atmosfeer – en vrijwel zeker voor een betere toekomst – ook een publiek goed zouden creëren. ‘Als je alleen CO2 verzamelt en begraaft, is het probleem dat er nog geen markt is,’ zegt Julio Friedmann, een voormalig functionaris op het Amerikaanse ministerie van Energie, die nu aan de Columbia University werkt. ‘Waar het echt om gaat is dat je tegen betaling milieudienstverlening aanbiedt.’ En dat betekent, kort gezegd, dat het succes van direct air capture beperkt zou blijven tot de afmetingen van de markt voor particuliere goederen – prik in limonade, broeikasgas – tenzij overheden zouden besluiten om zich ermee te bemoeien en bij te dragen aan de financiering van het equivalent van verscheidene miljoenen (of meer) vuurtorens.

    Die bemoeienis kan verschillende vormen hebben. Te denken valt bijvoorbeeld aan ruime subsidies voor onderzoek naar betere absorberende materialen, wat te vergelijken zou zijn met de overheidsinvesteringen waarmee lang geleden de industrieën voor zonne- en windenergie zijn gevoed. Maar hulp kan ook komen door uitbreiding van de al bestaande regelgeving. Een nieuwe en onduidelijke Amerikaanse belastingmaatregel, die bekendstaat als 45Q en vorig jaar is ondertekend door president Trump, biedt lastenverlichting voor bedrijven die CO2 opslaan in geologische formaties. Die verlichting komt ten goede aan olie- en gasmaatschappijen die CO2 de grond in pompen bij boorwerkzaamheden, en aan energiecentrales die uitstoot rechtstreeks afvangen uit hun schoorsteenpijp. Ook Climeworks zou ervan kunnen profiteren, mocht het bedrijf installaties openen in de Verenigde Staten, maar alleen als het erin slaagt om honderdduizend ton CO2 per jaar te verwijderen en begraven.

    Ook kunnen overheden CO2 duurder maken. De oprichters van Climeworks geloven dat hun bedrijf alleen kan slagen op ‘klimaatimpact-schaal’, zoals zij het noemen, als de wereld aanzienlijke prijzen gaat rekenen voor emissies, in de vorm van een CO2-belasting of CO2-tarief. ‘Ons doel is het mogelijk te maken CO2 uit de lucht te vangen voor minder dan 100 dollar per ton,’ zegt Wurzbacher. ‘Niemand heeft een glazen bol, maar wij denken – en zijn er vrij zeker van – dat we zo tegen 2030 een mondiale gemiddelde prijs voor CO2 zullen hebben in de orde van 100 tot 150 dollar per ton.’ Dat is optimistisch gedacht, geeft hij toe; op dit moment hebben alleen nog maar enkele Europese landen vooruitgang geboekt met het vaststellen van een prijs voor CO2, en in de Verenigde Staten is de CO2-belasting onlangs in verkiezingen verworpen. Maar toch, als dat soort prijzen werkelijkheid zouden worden, zou dat op verschillende manieren de markt voor CO2-extractie stimuleren. Een bedrijf dat een product verkoopt of een proces gebruikt dat veel uitstoot oplevert – een luchtvaartmaatschappij bijvoorbeeld of een staalfabrikant – zou dan verplicht worden om bedrijven die CO2 verwijderen 100 dollar of meer per ton te betalen om hun uitstoot van CO2 te compenseren. Of een overheid zou de opbrengsten van de CO2-belasting kunnen gebruiken om bedrijven rechtstreeks te betalen voor het verzamelen en begraven van CO2. Bij gebrek aan een overheidsoptreden van betekenis, zou een miljardair die goed wil doen misschien al zijn geld kunnen stoppen in het vangen en begraven van CO2.

    Als koolstof een fatsoenlijke prijs zou hebben, zouden toezichthouders wereldwijd een CO2-boekhouding moeten bijhouden om erop toe te zien dat direct air capture-apparaten evenveel CO2 opzuigen en begraven als uitstoters produceren. Omdat CO2-emissies zich snel met de atmosfeer vermengen, zou de locatie van de installaties er weinig toe doen, afgezien van de noodzaak om ze in de buurt van schone energiebronnen en geschikte gebieden voor onderaardse opslag te plaatsen. Met andere woorden: een direct air capture-installatie in IJsland zou evenveel CO2 kunnen opnemen als een Boeing 747 in Australië uitstoot, en zo de impact daarvan op het milieu teniet kunnen doen. En het proces van onderaards opslaan levert geen beperkingen op. ‘Het kost niet zo veel om CO2 de grond in te pompen,’ zegt Sally Benson van Stanford. Bedrijven slaan per jaar al zo’n 34 miljoen ton CO2 op in de bodem, op een aantal plekken over de hele wereld, meestal ten behoeve van het olieboorproces. ‘De kosten lopen uiteen van 2 tot 15 dollar per ton. Dus de grootste kostenpost hiervoor zijn de kosten van het vangen van CO2.’

    ‘Je vliegt naar Europa en de app vertelt je dat je zojuist 1,7 ton CO2 hebt verbrand. Wil je die verwijderen? Nou, dat kan Climeworks voor je doen. Klik hier’

    In een denkbeeldige CO2-vrije toekomst, zouden de te verwachte inkomsten voor direct air capture-bedrijven enorm zijn. ‘Als we 100 tot 150 dollar per ton krijgen, zegt Wurzbacher, ‘dan is de markt vrijwel oneindig.’ Zo groot dat hij betwijfelt of zijn bedrijf alle potentiële klanten zou kunnen bedienen, zelfs al zou het een exponentiële expansie doormaken. Bij zulke lage prijzen zouden bedrijven mogelijk CO2-verwijdering in hun prijsstelling kunnen doorberekenen – of gedwongen kunnen worden om dat te doen – en dat zou leiden tot een explosie op de markt. ‘Christoph en ik zeggen altijd: als dit zich zo ontwikkelt als wij denken, zijn wij niet bezig met het oprichten van een bedrijf, maar van een hele bedrijfstak,’ zegt Wurzbacher. Hij noemt het werk in IJsland – een gezamenlijke inspanning die gedeeltelijk wordt gefinancierd door de Europese Unie – de eerste stap in de richting van die bedrijfstak. Op het ogenblik zuigt een enkele Climeworks-collector op een geothermisch veld in Reykjavik lucht binnen en haalt daar de CO2 uit; nadat het gas uit de filter van het apparaat is gespoeld, wordt het gemengd met water, waarbij het in feite warm prikwater vormt. Dan wordt de vloeistof geïnjecteerd in een basaltsteenlaag diep onder de grond. In zo’n twee jaar tijd mineraliseert de CO2, zodat het gas voorgoed ingesloten raakt.

    Op het hoofdkantoor van Climeworks in Zürich vraag ik Valentin Gutknecht, manager business development, of hij de uitstoot waarvoor ik verantwoordelijk ben door mijn vlucht van de VS naar Zürich, in IJsland kan begraven. Hij heeft daarvoor een geschreven overeenkomst die hij kan uitprinten en aan mij kan geven. Maar dat is niet goedkoop, waarschuwt hij. De prijs ligt nu op zo’n 600 dollar per ton, wat inhoudt dat mijn vlucht zo’n 700 dollar extra gaat kosten. Maar ik ben bepaald niet de eerste die dit aan hem vraagt. Vorig weekend, zo vertelt Gutknecht, heeft hij negenhonderd e-mails met verzoeken om informatie binnengekregen. Veel daarvan zijn van potentiële klanten die willen weten hoe snel Climeworks hun CO2-uitstoot kan begraven, of hoeveel een collector hun zou kosten. Ik heb het gevoel dat ik hier een glimp opvang van wat eraan komt: een hele gemeenschap – niet groot genoeg om een verschil te maken, maar daarom niet minder gemotiveerd – die kennelijk bereid is extra te betalen om haar CO2-uitstoot te terug te draaien.

    Later vertelt Wurzbacher me dat hij een ‘one click’-consumentenservice wil aanbieden, misschien over een jaar of twee, waarmee ze zouden uitbreiden wat ze nu al in IJsland doen voor individuele klanten en bedrijven. Op mijn telefoon zou ik dan een Climeworks-app kunnen installeren, legt hij uit, die wordt geactiveerd door de locatieservices op mijn mobiel. ‘Je vliegt naar Europa en de app vertelt je dat je zojuist 1,7 ton CO2 hebt verbrand. Wil je die verwijderen? Nou, dat kan Climeworks voor je doen. Klik hier. We verrekenen het met je creditcard. En dan krijg jij voor elke ton die je opslaat een steen van CO2.’ Hij leunt achterover en slaakt een zucht. ‘Dat is mijn droom.’

    Hoe paradoxaal het ook klinkt, waarschijnlijk bieden synthetische brandstoffen een praktischere weg naar een zakelijke toekomst voor direct air capture. De enorme en constante vraag van de markt naar brandstof is de reden waarom Carbon Engineering zijn kaarten voor de toekomst op synthetische brandstoffen heeft gezet. Op dit moment verbrandt de wereld zo’n honderd miljoen vaten olie per dag. David Keith denkt dat de vraag naar brandstoffen voor transport in 2050 vrijwel zeker zal zijn veranderd door de overschakeling naar elektrische voertuigen. ‘Dus laten we zeggen dat je in 2050 nog zo’n vijftig miljoen vaten brandstof per dag moet leveren,’ zegt hij. ‘Dat is nog steeds een megamarkt.’

    Volgens Steve Oldham, algemeen directeur van Carbon Engineering, hebben synthetische brandstoffen die worden gewonnen uit direct air capture een voordeel boven traditionele fossiele brandstoffen: ze kosten geen cent aan exploratie. ‘Wil je nu als splinternieuw bedrijf brandstof gaan produceren, dan krijg je te maken met enorme kosten voor het zoeken naar en winnen van fossiele brandstof,’ zegt hij. ‘Terwijl je onze installaties zo midden in Californië kunt bouwen, overal waar lucht en water is.’ Hij vertelt dat de eerste grootschalige fabriek van Carbon Engineering in 2022 in bedrijf moet zijn, en dan minstens vijfhonderd vaten brandstofgrondstof – het ruwe materiaal dat naar raffinaderijen gaat – per dag zal produceren.

    Een illustratie van Climeworks over de werking van hun product. Klink eronder voor nadere toelichting.
    Een illustratie van Climeworks over de werking van hun product. Klink eronder voor nadere toelichting.

    Lees hier de toelichting bij de illustratie.

    Ook Climeworks voorziet een grote markt voor brandstoffen. In een stad vlak bij Zürich, Rapperswil-Jona, heeft het bedrijf in een kleine fabriek op de lokale technische universiteit een collector geïnstalleerd om methaan te produceren. In een ruimte met ongeveer het formaat van een scheepscontainer zuigt het Climeworks-apparaat via een luchtfilter CO2 binnen en stuurt die door een netwerk van leidingen, om het gas te combineren met waterstof, die met behulp van zonne-energie uit water is gehaald. Als ik er ben, zal het nog een paar weken duren voor de fabriek operationeel wordt, maar het methaan uit de installatie kan als vervanging voor benzine dienen in zo’n beetje elke auto, bus of vrachtwagen die toegerust is om op aardgas te rijden. Bij een grotere fabriek in Italië is Climeworks ingestapt in een consortium van Europese landen om synthetische methaan te produceren, die gebruikt zal worden door een lokale vrachtwagenvloot. Met een paar veranderingen en verfijningen kan dit proces aangepast worden voor diesel, benzine of vliegtuigbrandstof of het methaan zou rechtstreeks via pijpleidingen naar plaatselijke wijken kunnen worden getransporteerd als brandstof voor de fornuizen in particuliere woningen.

    Vanuit economisch standpunt bekeken zouden producenten met deze synthetische brandstoffen gebruik kunnen maken van een enorme bestaande infrastructuur – raffinaderijen, benzinestations, auto’s, vliegtuigen, vrachtwagens, huizen, schepen – en zouden ze zo een product waar al vraag naar is, kunnen vervangen door iets wat duidelijk beter is. Maar de nieuwe brandstoffen zijn niet per se goedkoper. Carbon Engineering streeft ernaar om zijn product te leveren tegen een uiterste retailprijs van 1 dollar per liter, of 3,75 dollar per gallon (3,785 liter). Wat het product toch concurrerend zou maken zijn is de regelgeving in Californië, die nu bepaalt dat brandstofleveranciers brandstoffen moeten produceren met een lagere ‘koolstof-intensiteit’. Tot nu toe hield dit in dat benzine en diesel werden vermengd met een biobrandstof als ethanol, maar dat zou snel ook een synthetische brandstof uit opgevangen CO2 kunnen worden.

    In een zich uitbreidende markt zouden synthetische brandstoffen vreemde effecten kunnen hebben. Aangezien ze worden gemaakt van uit de lucht gevangen CO2 en waterstof en bijna overal te fabriceren zijn, zouden ze kunnen zorgen voor een herschikking van de geopolitieke orde – door de macht te verkleinen van het handjevol landen dat nu de markten voor aardgas en olie beheerst. Het methaanproject in Rapperswil-Jona is met name toegesneden op de behoeften van Zwitserland, vertelt Markus Friedl, hoogleraar thermodynamica, die de leiding heeft over het project. Dat land moet nu bijna al zijn aardgas importeren en kan in de koudere maanden slechts beperkt energie opwekken uit hernieuwbare bronnen. Brandstoffen van opgevangen CO2 zouden, als ze goedkoop genoeg worden, een vorm van energieopslag kunnen zijn – geproduceerd in de zomer met behulp van zonne- of windenergie, en gebruikt in de winter – die minder kost (en een langere levensduur heeft) dan batterijen.

    CO2-neutraal

    Vanuit milieu-oogpunt bekeken zijn brandstoffen uit direct air capture niet de utopische oplossing. Deze brandstoffen zijn CO2-neutraal, niet CO2-negatief. Ze kunnen geen CO2 van ons industriële verleden wegnemen en die dan weer terugstoppen in de aarde. Als alle auto’s, vrachtwagens en vliegtuigen van het jaar 2050 op deze synthetische brandstoffen draaien in plaats van op traditionele fossiele brandstoffen, moeten hun CO2-emissies uit de lucht worden gehaald, gerecycled tot hetzelfde product dat ze oorspronkelijk hebben opgebrand, en die cyclus zou zich tot in het oneindige moeten herhalen, wil de uitstoot niet groter worden. Toch zouden deze brandstoffen wel voor een enorme verbetering kunnen zorgen. Transport – op dit moment de grootste bron van uitstoot in de Verenigde Staten – zou niet langer een netto CO2-uitstoter zijn. Even belangrijk is dat de techniek van de direct air capture zou kunnen opschalen en zo beter en goedkoper zou worden.

    Een enorme uitbreiding kan ook enorme complicaties meebrengen. ‘Je zult echt heel grote uitdagingen tegenkomen als je op zo’n grote schaal gaat werken,’ zegt Glen Peters, onderzoeksdirecteur bij het internationaal centrum voor klimaatonderzoek Cicero in Oslo. ‘Als je één faciliteit voor CO2-opvang kunt inrichten, waar Carbon Engineering of Climeworks een grote fabriek kan bouwen, geweldig. Dat moet je vijfduizend keer doen. En wil je met direct air capture een miljoen ton CO2 vangen, dan heb je, alleen om die fabriek te laten draaien, een kleine energiecentrale nodig. Dus als je de komende dertig jaar één direct air capture-faciliteit per dag gaat bouwen om zo’n scenario uit te voeren, dan moet je daarbij ook elke dag een mini-energiecentrale bouwen.’ Het is ook zo dat je twee buitengewone problemen tegelijkertijd moet zien op te lossen, voegt Peters toe. ‘Om de 1,5 graden te halen, moeten we elke tien jaar onze uitstoot halveren.’ Dat zou betekenen dat landen als China en de Verenigde Staten overgehaald moeten worden om van het verbranden van kolen over te schakelen op het gebruik van hernieuwbare bronnen, juist op het moment dat we immense investeringen doen in negatieve-emissietechnologieën. En Peters wijst erop dat dit toch gedaan moet worden, ook als overheden een keus moeten maken die ten koste gaat van andere prioriteiten: gezondheidszorg, onderwijs, enzovoort.

    Het streven om direct air capture halverwege deze eeuw of later te verhogen tot 10 miljard ton is zo’n herculische opgave dat er een industriële opschaling voor nodig is die de wereld nooit eerder heeft gezien,’ zegt Stephen Pacala van Princeton. En toch staat hij er niet pessimistisch tegenover. Blijkbaar vindt hij het nodig dat de federale overheid een begin maakt met substantieel onderzoek en investeringen in de technologie – om te zien hoe ver en snel daarin vooruitgang kan worden geboekt, zodat ze zo snel mogelijk klaar is. Bij Climeworks zeggen Gebald en Wurzbacher iets dergelijks. Zij benadrukken dat de discussie rond klimaatuitdagingen verder gaat dan de keus tussen schone energie en CO2-verwijdering. Ze zijn allebei nodig.

    Auteur: Jon Gertner
    Vertaler: Annemie de Vries

    The New York Times

  • Dossier: Weg met het wegwerpplastic

    Dossier: Weg met het wegwerpplastic

    Afvalcrisis
    China was tot voor kort het epicentrum van de recycling, een internationale miljardenindustrie waarin tonnen afval omgaan. 270 miljoen per jaar om precies te zijn, een gewicht dat gelijkstaat aan 740 keer het Empire State Building. Maar China houdt ermee op en dwingt het Westen de afvalcrisis zelf op te lossen.

    Robert Reed kijkt naar een berg afval van wel drie verdiepingen hoog en ziet ineens in zijn ooghoek een witte plastic tas. Die haalt hij eruit en houdt hem omhoog. ‘Dit is probleemplastic,’ zegt hij ernstig. ‘Dit blijft vastzitten in de machines, en er is geen markt voor.’ Hij wappert even met de tas en laat hem dan weer op de hoop fladderen. We bevinden ons in de grootste recyclingfabriek van 
San Francisco, waar huisvuil wordt ingezameld, gesorteerd en uiteindelijk tot keurige balen wordt samengeperst. Het knerpt onder onze schoenen terwijl Reed, die al twintig jaar meedraait in dit vak, 
vol trots uitlegt dat deze fabriek, die in handen is van het plaatselijke afvalverwerkingsbedrijf Recology, 
de meest geavanceerde is in haar soort aan de hele westkust. Met behulp van lasers, magneten en luchtblazers wordt er dagelijks 750 ton verwerkt. ‘Zie je al dat papier?’ zegt Reed. Hij gebaart naar de afvalberg en wijst op een doos van Amazon. ‘Daar krijgen we er steeds meer van door alle internetbestellingen.’ Een deel van het afvalmateriaal is van waarde, zoals aluminium blikjes, staal en karton. Maar veel is waardeloos, zoals deksels van koffiebekers of traytjes van zwart plastic.

    Als we aan het einde van het sorteercentrum komen, zien we de ene na de andere baal gesorteerd plastic tevoorschijn komen. Hiervandaan wordt het verkocht om verder verwerkt te worden, vaak ergens in Azië. China was afgelopen jaar met stip de belangrijkste klant. Volgens gegevens van de Wereldbank wordt mondiaal meer dan 270 miljoen ton afval per jaar gerecycled, een gewicht dat gelijkstaat aan 740 keer het Empire State Building.

    Sinds de introductie van plastic- en papierbakken 
in woonwijken, in de jaren tachtig, wordt recycling gepresenteerd als het milieuverantwoorde antwoord op de groeiende hoeveelheid afval die de mensheid produceert. Het is wereldwijd uitgegroeid tot een miljardenindustrie, ten bedrage van 220 miljard, 
volgens het Bureau of International Recycling. Bedrijven en makelaars verdringen zich om het afval op te kopen en er nieuwe producten van te maken: een soort goud uit stro spinnen, dat soms ongekend winstgevend kan zijn. Het hele systeem stoelt op een levendige handel in afvalmateriaal dat over de hele wereld wordt verscheept.

    Maar begin 2018 is hier verandering in gekomen. 
Op 31 december 2017 sloot China, dat altijd het middelpunt was van de wereldwijde recyclinghandel, van de ene op de andere dag de deuren voor de import van gerecycled materiaal, met als argument dat grote hoeveelheden afval ‘gevaarlijk’ of ‘vervuild’ waren en daarmee een bedreiging zouden vormen voor het milieu. De prijs van het plastic afval kelderde, net als de prijs van gerecycled papier. Van de ene op de andere dag verkeerde de lucratieve handel die wereldwijd was ontstaan rondom de verscheping van recyclebaar materiaal, in grote crisis.

    Veranderde wereld

    China’s nieuwe beleid, ‘Nationaal Zwaard’ geheten, was zo ingrijpend dat veel mensen in de industrie aanvankelijk niet konden geloven dat het echt zou worden doorgevoerd. China en Hongkong, die in de eerste helft van 2017 nog 60 procent hadden opgekocht van al het plasticafval dat door de G7-landen werd geproduceerd, namen een jaar later in dezelfde periode nog maar 10 procent af. ‘In zekere zin is 
de wereld hierdoor veranderd,’ zegt Reed. ‘China was wereldwijd de grootste afnemer van papier en plastic.’

    Aan de hand van de beschikbare handelsdata heeft de Financial Times de export van plastic- en papierafval uit de G7-landen 
in kaart gebracht. Sinds China de deuren heeft gesloten, blijkt er sprake te zijn van een ongekende toename van afvalstromen richting Zuidoost-Azië. Voor dit artikel zijn enkele tientallen mensen geïnterviewd: industriëlen, beleidsmakers, papierhandelaars en milieuactivisten, zowel uit de Verenigde Staten als uit Europa en Azië. Uit deze gesprekken is gebleken dat de bedrijfstak van de afvalrecycling volkomen op zijn kop is gezet, 
en dat er inmiddels grote vraagtekens worden geplaatst bij het hele fenomeen. De bedrijfstak is gegroeid en er zijn veel winsten gemaakt, zeker sinds de klanten zich meer en meer bewust zijn geworden van de milieueffecten van stortplaatsen, maar ook kleven er al langere tijd onfrisse kanten aan deze industrie. Die kampt al veel langer met beschuldigingen van smokkel, omkoping en vervuiling, maar is door het Nationaal Zwaard-beleid ineens volop in de schijnwerpers komen te staan. Nu China de deuren heeft gesloten voor het afval, wordt ineens pijnlijk duidelijk hoe ongunstig het kostenplaatje is van de recycling van huishoudelijk afval. Dit alles heeft geleid tot een grondige revaluatie van deze vorm van afvalverwerking, iets wat volgens velen al veel eerder had moeten gebeuren.

    Dit is het ‘moment van de waarheid’ voor de recyclingindustrie, zegt Don Slager, die aan het hoofd staat van Republic Services, de op een na grootste afvalverwerker van de Verenigde Staten. Hij schat dat alleen al zijn eigen bedrijf dit jaar zo’n 150 miljoen dollar aan inkomsten misloopt door 
China’s nieuwe beleid. Volgens Eric Kawabata van TerraCycle, een in de VS gevestigd recyclingbedrijf, heeft het door China uitgevaardigde invoerverbod geleid tot een ‘mondiale crisis in plasticafval’. Japan, waar hij is gestationeerd, exporteerde veel naar China, tot aan het invoerverbod. ‘Nu stapelt al het afval zich op in Japan en kunnen we er niets mee; de vuilverbrandingsovens draaien op volle toeren,’ zegt hij.

    Jonge Nepalezen maakten in het centrum van Kathmandu met 100 duizend plastic tasjes een installatie die de Dode Zee moet voorstellen, om aandacht te vragen voor de vervuiling van de oceanen. © HH
    Jonge Nepalezen maakten in het centrum van Kathmandu met 100 duizend plastic tasjes een installatie die de Dode Zee moet voorstellen, om aandacht te vragen voor de vervuiling van de oceanen. © HH

    In theorie is China nog altijd bereid bepaalde vormen van afval toe te laten, maar de lat voor de zuiverheid van het materiaal ligt zo hoog dat de meeste mensen binnen de bedrijfstak spreken van een onvervalst importverbod. In de Verenigde Staten zien veel bedrijven zich genoodzaakt recyclebaar afval naar stortplaatsen te brengen, omdat ze er nergens anders mee naartoe kunnen – een pijnlijke ommekeer na tientallen jaren van investeringen in programma’s voor recycling. In de eerste helft van 2018 exporteerden de Verenigde Staten 30 procent minder plasticafval dan in de eerste helft van het jaar ervoor, blijkt uit gegevens van de Financial Times. Veel van dat materiaal is uiteindelijk op de stortplaats beland. ‘Recycling is hier haast een religie,’ zegt Laura Leebrick van Rogue Disposal & Recycling in Oregon. ‘De mensen in Oregon vinden het belangrijk om te recyclen, het geeft ze het gevoel dat ze iets goeds doen voor onze planeet. Nu voelen ze zich in de steek gelaten.’ Na het Chinese invoerverbod is Rogue Disposal & Recycling beperkingen gaan opleggen aan het huishoudelijk afval dat ze innemen: geen plastic meer (op melkpakken na), geen glas meer en geen gemengd papier (zoals reclamefolders en cornflakesverpakkingen). Nu China niet meer actief is op deze markt, zijn de kosten van de recyclingprogramma’s verdriedubbeld, zegt Leebrick.

    Wereldwijd wordt ongeveer de helft van het plastic dat is bedoeld voor recycling overzees verhandeld, blijkt uit een recent onderzoek in wetenschappelijk tijdschrift Science Advances. Dat percentage is zelfs nog hoger aan de westkust van de Verenigde Staten: Californië exporteert tweederde van al het huishoudelijk afval dat in de recyclebakken belandt. Veel steden die in het verleden inkomsten genereerden uit hun recyclingprogramma’s, moeten nu vervoerders inhuren om van het materiaal af te komen. Waar een baal gemengd plastic van niet al te hoge kwaliteit begin 2017 in Californië nog 20 dollar per ton kon opleveren, kost het een jaar later 10 dollar om ervan af te komen. ‘Het Nationaal Zwaard-beleid dwingt ons onder ogen te zien dat recyclen geld kost,’ zegt Zoe Heller van CalRecycle, het overheidsrecyclingbedrijf van Californië. ‘Wat dit uiteindelijk betekent voor Californië, de Verenigde Staten en de rest van de wereld, is dat we een andere manier moeten vinden waarop we mondiaal tegen hergebruik aankijken.’

    Afvalverzamelaars zoeken plastic om te recyclen op Bantar Gebang, de grootste vuilnisbelt van Indonesië. – © Getty Images
    Afvalverzamelaars zoeken plastic om te recyclen op Bantar Gebang, de grootste vuilnisbelt van Indonesië. – © Getty Images

    Niemand is daar méér van doordrongen dan Steve Wong, ooit de plasticafvalkoning van China. Zijn imperium was goed voor zo’n 7 procent van de totale plasticafvalimport van China, met aandelen die volgens Wongs eigen schatting zo’n 900 miljoen dollar waard waren. Maar nu zit hij met schulden, na liquidatie van fabrieken en andere bezittingen. De wallen onder zijn ogen wijzen erop dat hij een zware tijd achter de rug heeft. De Engelsman, opgegroeid in Hongkong en werkzaam vanuit Los Angeles, is altijd onderweg. ‘Het leven is niet makkelijk,’ zegt hij. ‘Ik had wel gehoord van dat Chinese importverbod, maar ik had niet verwacht dat het zo hard zou aankomen, dat de recyclers het zo moeilijk zouden krijgen.’

    Wongs loopbaan ging hand in hand met de opkomst van China als recyclingcentrum van de wereld. Toen China eind vorige, begin deze eeuw uitgroeide tot een van de grootste producenten ter wereld, ontstond er een enorme vraag naar grondstoffen. Daarmee vormde het land een prima afzetmarkt voor al het materiaal dat werd vervaardigd in het recyclingprocedé: de plastic korrels die worden gemaakt van gerecycled materiaal, bijvoorbeeld, en waarvan schoenzolen kunnen worden gemaakt, en talloze andere alledaagse voorwerpen. De toenemende vraag viel samen met de toenemende recycling in de westerse wereld. Daarnaast was er nog een logistiek voordeel, dankzij de wereldwijde handel: de schepen die afgeladen met ‘Made in China’-goederen op weg gingen naar het Westen, keerden vaak terug met een vrijwel leeg ruim. Dit was een mooie gelegenheid om de containers te vullen met afval dat kon worden gerecycled. De eerste recyclingbedrijven in China maakten dikke winsten door in te spelen op deze mogelijkheid. De eerste vrouwelijke miljardair van China, Zhang Yin, wist haar imperium Nine Dragons op te bouwen door papier uit de Verenigde Staten te importeren en te verwerken in papierfabrieken in eigen land. De combinatie van een grote vraag, goedkope arbeidskrachten en soepele milieuwetgeving maakte van China de ideale plek om het afval van de wereld te recyclen. China en Hongkong samen importeerden tussen 1988 en 2016 81 miljard dollar aan plasticafval, volgens Science Advances.

    Kentering

    Enkele jaren geleden kwam er echter 
een kentering, toen China serieuze maatregelen begon te nemen tegen milieuverontreiniging. De recyclingindustrie raakte uit de gratie, wat deels was te wijten aan de corruptie en het feit dat men zich nauwelijks iets gelegen liet liggen aan het milieu, maar ook aan het feit dat Chinese politici niet langer wilden dat China werd gezien als de vuilnisbelt van de wereld. ‘De spullen die ze importeerden, noemden ze yang laji – “buitenlands afval” – maar hun eigen afval, ook als het van slechte kwaliteit was, noemden ze “grondstof”,’ zegt Wong. Ook wilde China meer grip krijgen op de eigen afvalverwerkingsindustrie. Op steeds meer plekken doken echter slecht geleide recyclingfabrieken op, 
die afvalwater loosden en de omgeving verontreinigden, ondanks herhaalde pogingen van de overheid om grote schoonmaak te houden binnen de sector. ‘Uiteindelijk drong het tot China door dat het land er al met al bij inschoot door 
al die troep binnen te laten,’ zegt Jim Puckett, die aan het hoofd staat van het Basel Action Network, een non-profitorganisatie die strijdt tegen de handel 
in gevaarlijk afval. ‘De verontreiniging van het grondwater en van de lucht 
brengen hoge kosten met zich mee.’

    In 2013 kwam China met een nieuw beleid, ‘Groen Hek’, dat de bestaande regelgeving op het gebied van recycling aanscherpte. Met Wongs bedrijf is het vanaf dat moment bergafwaarts gegaan, vertelt hij. Met de introductie van Nationaal Zwaard werd de situatie nog erger. ‘Ik ken mensen die failliet zijn gegaan,’ zegt hij. Sommige Chinese handelaren in afval zijn in de gevangenis beland als gevolg van de pogingen van de overheid om grote schoonmaak te houden binnen de bedrijfstak. ‘Er is mij te verstaan gegeven dat ik beter kan wegblijven.’ Wong heeft nog altijd een aandeel in de handel en zit meestal al voor zonsopgang aan de telefoon. Op de ochtend van onze afspraak heeft hij al twee containers gekocht met benzinetanks die uit oude auto’s zijn gehaald, en zestig containers met plastic afdekzeilen die in wijngaarden zijn gebruikt. ‘Ik sluit elke dag wel een paar dealtjes,’ zegt hij, al gaat het om veel kleinere bedragen dan hij in het verleden gewend was. Wel heeft hij een cynische kijk op de sector. ‘De handelaren die nog over zijn, zijn of arm, of het zijn sjacheraars,’ zegt hij.

    Verzet

    Nu China sinds begin dit jaar de deuren heeft gesloten, gaat veel van het plasticafval naar Zuidoost-Azië, dat nu dan ook met een nieuw soort milieucrisis kampt. Van de 1700 officiële importeurs in China heeft zeker eenderde zich inmiddels gevestigd in Zuidoost-Azië, schat Wong. De regio is overspoeld met plasticafval, in veel grotere hoeveelheden dan men aankan. In een periode van slechts een paar maanden is Maleisië uitgegroeid tot de grootste plasticafvalimporteur ter wereld, met hoeveelheden die inmiddels zeker twee keer zo groot zijn als wat China en Hongkong tot voor kort toelieten. Vietnam heeft de hoeveelheid geïmporteerd plasticafval vanaf begin 2017 in een jaar tijd zien verdubbelen, terwijl de scheepsladingen richting Indonesië met 56 procent zijn gestegen, zo blijkt uit gegevens die door de Financial Times zijn verzameld. Thailand is koploper: daar 
is de import gestegen met maar liefst 1370 procent.

    In de haven van Leam Chabang, aan de oostkust van Thailand, staat een verzengende zon boven een zesbaansweg en een spoor voor goederentreinen. Dit is de drukste haven van het koninkrijk en een belangrijke gateway voor vrije handel met de rest van de wereld – een pronkjuweel van de Thaise economie, die voor een belangrijk deel stoelt op export. Maar 
dit jaar heeft de haven zich ook op de kaart gezet bij Thaise milieugroeperingen: het is de voornaamste invoerhaven geworden voor ongekend grote hoeveelheden plastic, elektronisch afval en alle andere troep van de wereld. In mei 2018 heeft de politie een inval gedaan in terminal C3, waar zeven containers zijn doorzocht en waar elektronisch afval is aangetroffen – gevaarlijk materiaal, als het niet op de juiste wijze wordt verwerkt – dat bij de douane ten onrechte was aangemeld als plastic. Nu de invoer is toegenomen, groeit ook het verzet; de verschillende overheden in Zuidoost-Azië doen pogingen om de hoeveelheid binnenkomend afval in te perken. In Thailand probeert men de uitwassen onder meer tegen te gaan met dit soort invallen in afvalverwerkende industrieën, stortplaatsen en havens.

    De Thaise overheid heeft Financial Times laten weten dat er binnen twee jaar een verbod zal komen op de import van plastic. Het meeste plastic is in strijd met de door de overheid opgestelde regelgeving het land binnengekomen, aldus Banjong Sukreeta van het verantwoordelijke ministerie. ‘We zagen dat importeurs niet alleen plastic afval importeerden voor hun eigen fabriek, maar ook om het door te verkopen aan andere fabrieken die het vervolgens verwerken,’ zegt hij. ‘Dat is tegen de regels.’ Zoals ook bleek bij de politie-inval in Laem Chabang, doen sommige importeurs valse aangifte bij de douane en worden containers met plasticafval gebruikt als dekmantel 
om elektronisch afval het land in te smokkelen. ‘Bij onze inspecties van het plastic bleek dat in 95 procent van de gevallen de regels werden overtreden en er niet aan de gestelde eisen was voldaan,’ aldus Banjong.

    Illegale fabriekjes

    Ondertussen zijn in de buurt van de haven van Laem Chabang de plastic verwerkende fabriekjes als paddenstoelen uit de grond geschoten, wat leidt tot klachten van de plaatselijke bevolking over verontreiniging. Iemand die deze fabriekjes – die niet allemaal honderd procent legaal zijn – in de gaten houdt, is Penchom Saetang, de vrouw die aan het hoofd staat van non-profitorganisatie Ecological Alert and Recovery Thailand. In de 
acht provincies rondom de haven telt zij meer dan 1300 bedrijfjes die zich bezighouden met recycling, stortplaatsen of de verwerking van elektronisch afval. ‘Recycling is een goed uitgangspunt en een lovenswaardig streven,’ zegt ze. ‘Maar als recycling zo mooi is, waarom willen Amerika, Europa, Korea en Japan het afval dan per se exporteren naar het buitenland?’
    Het is een vraag die steeds meer mensen stellen en waar de overheden in de regio een antwoord op proberen te bedenken. Toen in het voorjaar van 2018 de balen plastic zich ophoopten 
in de havens van Vietnam, liet het land weten niet ‘de vuilnisbelt van de wereld’ te willen worden. Er werden geen vergunningen meer afgegeven voor de import van papier, plastic, metaal en ander afval. Ook Maleisië probeert iets te doen aan de talloze 
illegale recyclingfabriekjes die overal 
in het land opduiken om het plastic te verwerken waarin China geen trek meer heeft.

    Minister Yeo Bee Yin liet in de herfst van 2018 weten dat de overheid de import van plasticafval gaat stilleggen.

    Greenpeace Unearthed [Greenpeace’ platform voor onderzoeksjournalisme] trof Engels recyclemateriaal aan op Maleisische stortplaatsen, waaronder recyclingzakken uit Londense wijken als 
Hammersmith, Fulham, Kensington en Chelsea.

    Veel van de fabriekjes die uit de grond zijn gestampt, staan voor alles wat er mis is binnen de industrie. ‘We hebben het wel over de “cowboys” binnen de bedrijfstak,’ zegt Max Craipeau, een Franse handelaar in plastic die in Hongkong woont. ‘Hun manier van zakendoen is verwerpelijk. In Zuidoost-Azië zijn die lui nu vrijwel allemaal failliet, omdat de overheid hun handel heeft stilgelegd.’ Dit soort ‘cowboyondernemingen’ weet maar al te vaak onder milieuvoorschriften uit te komen, vertelt hij, zoals de verplichting om het afvalwater te zuiveren. Om plastic te recyclen moet het materiaal worden gewassen, waarbij afvalwater vol giftige stoffen vrijkomt. Ook moet het plastic worden verhit om er korrels van 
te maken, en daarbij kunnen chemische stoffen en giftige gassen vrijkomen. In Thailand hebben dit soort schimmige bedrijfjes zich inmiddels de woede van de bevolking op de hals gehaald. Begin vorig jaar werden de politie-invallen live op tv uitgezonden, waarna er een landelijk debat op gang kwam over het plastic en de enorme toename van elektronisch afval: oude computeronderdelen, keyboards en 
telefoons.

    Smerige rook

    Midden in de cassavevelden van Thathan, aan de oostkust van Thailand, liggen blauwe teerdoeken die de bergen elektronisch afval nauwelijks aan het oog weten te onttrekken. Volgens de plaatselijke bevolking kwamen er vlak na Nieuwjaar vrachtwagens vol e-afval – een stuk of tien, twintig per nacht. In april 2018 begon de Chinees-Taiwanese eigenaar 
van het bedrijf, He Jia Enterprise, met het verbranden van plastic e-afval, om er koper uit te winnen. 
Er hing een dikke deken van smerige rook over het dorp en sommige inwoners werden duizelig. ‘Het was echt zo’n lucht die in je neusgaten blijft hangen en waarvan je dan last krijgt,’ zegt Panpuch Srithat, een dorpsbewoner die een klein zaakje heeft. Terwijl zij met ons praat, rijdt er een lange vrachtwagen vol snoeren door het dorp. ‘Ze halen spullen die niemand wil hebben ons land in,’ vervolgt ze. ‘Zij strijken alleen maar winst op. En wie draagt de verliezen? Ons land draagt de verliezen.’

    Elektronisch afval is veel giftiger dan het doorsnee huishoudelijk afval, omdat er verschillende schadelijke stoffen in zitten, waaronder zware metalen zoals lood. Maar de factoren die het mogelijk hebben gemaakt dat het e-afval zijn weg kan vinden naar de landen die het slechtst toegerust zijn om het veilig te verwerken, zijn dezelfde die het mogelijk hebben gemaakt dat Zuidoost-Azië vorig jaar is overspoeld met ongewenst plastic. Mensen die zich inzetten voor het milieu, zoals Puckett van het Basel Action Network, zien daarin het bewijs dat het wereldwijde handelssysteem heeft gefaald. ‘Dit kan allemaal als gevolg van de vrije handel, een systeem dat het mogelijk maakt dat je spullen aan boord van een schip laadt en ze ergens naartoe brengt waar de 
controle veel minder streng is,’ zegt hij.

    Het management van He Jia heeft naar eigen zeggen niets verkeerd gedaan. De fabriek is in april 2018 in andere handen overgegaan, nadat er veel protest was gekomen. Winaaithorn Rakkbuathong, de algemeen directeur, vertelt ons dat de fabriek zich aan alle milieuvoorschriften en handelswetten houdt. Hij ontkent dat de fabriek afvalwater in de grond heeft laten lopen, zoals de dorpelingen beweren, en zegt dat alle medewerkers beschermende kledij dragen, zoals brillen, maskers en handschoenen. ‘Ooit van het Verdrag van Bazel gehoord?’ zegt hij, met een beleefde glimlach en een knikje. 
‘Volgens dat verdrag is het toegestaan 
om afval te importeren en te exporteren.’

    ‘Mensen hebben van alles en nog wat verscheept, naar overal en nergens, zonder zich af te vragen of men daar wel raad weet met al dat afval’

    Maar de tekst van het Verdrag van Bazel luidt anders dan wat Rakkbuathong hier beweert. Volgens het verdrag, dat in 1989 is opgesteld om de handel in gevaarlijk afval te reguleren, kan e-afval alleen naar ontwikkelingslanden worden verscheept na toestemming van de betreffende landen. Maar er staat niets in het verdrag over de handel in plastic, en zowel in Thailand als elders op de wereld wordt steeds meer gediscussieerd over de vraag of de huidige maatregelen afdoende zijn. ‘Mensen hebben van alles en nog wat verscheept, naar overal en nergens, zonder zich af te vragen of men daar wel raad weet met al dat afval,’ zegt Surendra Borad Patawari, die aan het hoofd staat van de Gemini Corporation, een Belgisch bedrijf dat handelt in plastic en staal. ‘We zouden verplicht moeten worden na te gaan of de importeurs wel over de nodige faciliteiten beschikken om te recyclen.’

    Nieuwe regelgeving zal vermoedelijk niet lang meer op zich laten wachten: begin 2018 diende Noorwegen een voorstel in om bepaalde soorten plastic toe te voegen aan de lijst van materialen die onder het Verdrag van Bazel vallen. Als dat voorstel wordt aangenomen, zal het verschepen van bepaalde soorten plastic afval alleen mogelijk worden als de ontvangende landen daar van tevoren mee instemmen. Ola Elvestuen, de Noorse minister van Milieu, vertelt ons dat het verdrag zou moeten worden aangewend om ‘de stroom van problematisch afval beter onder controle te krijgen’ – en dan wereldwijd. ‘Er worden immense hoeveelheden plasticafval verhandeld, en daarvan is veel gemengd. Het is verontreinigd, het is afval dat niet of nauwelijks in aanmerking komt voor hergebruik; die stroom moeten we beter onder controle zien te krijgen,’ zegt hij.

    Het voorstel van Noorwegen heeft al steun gekregen uit meer dan twintig landen, al is de EU tegen, net als veel 
handelaren in afval. Volgens Adina Adler, hoofd internationale betrekkingen aan het Institute of Scrap Recycling Industries in Washington D.C., zou dit beleid een verstikkende uitwerking hebben op de handel. ‘Afval is geen troep, het is geen rotzooi, het is iets waardevols,’ zegt zij. ‘Als het voorstel van Noorwegen wordt aangenomen, kan dat een precedentwerking hebben en tot meer beperkingen leiden. Een groot deel van de ontwikkelingslanden beschikt niet over de middelen om te recyclen. Dus zullen ze het afval voor zover mogelijk verzamelen en dan verschepen naar een ander land.’ Er zijn mensen die een afvaloorlog vrezen, nu meer en meer landen de deuren sluiten voor het afval. ‘We leven in een tijd van toenemend nationalisme, en deze importverboden horen daarbij,’ aldus Tom Szaky, ceo van TerraCycle, doelend op de stappen die in Zuidoost-Azië zijn genomen.

    In de Catharijnesingel voor TivoliVredenburg verschijnt binnenkort een enorme plastic walvis, gemaakt van vijf ton zwerfval uit de oceaan bij Hawaii.
    In de Catharijnesingel voor TivoliVredenburg verschijnt binnenkort een enorme plastic walvis, gemaakt van vijf ton zwerfval uit de oceaan bij Hawaii.

    De gevolgen van het besluit van China om de grenzen te sluiten voor westers afval, worden langzaam maar zeker duidelijk. Een van de gevolgen is een hausse aan investeringen in de recyclingfaciliteiten in het Westen. Nu China niet langer het afval van de hele wereld in ontvangst wil nemen, verschuift het zwaartepunt weer meer naar de VS, Europa en Japan. ‘Op de lange termijn 
zal dat positief uitpakken, omdat we 
ons sterker zullen moeten richten op onze eigen recyclingfaciliteiten,’ zegt Karmenu Vella, de Eurocommissaris die het milieu in zijn portefeuille heeft. Hij schat dat er in 2025 250 sorteerfaciliteiten extra nodig zullen zijn, en 300 recyclefabrieken. Bedrijven die de benodigde machines maken, zitten in de lift en krijgen meer opdrachten dan ze aankunnen.

    Dezelfde trend is zichtbaar in de Verenigde Staten, waar veel van de investeerders Chinezen zijn. Omdat ze in China zelf niet langer in staat zijn te voldoen aan de vraag naar papierpulp of plastic korrels, kopen de grootste recyclingbedrijven van China papiermolens of recyclingfabrieken in de VS. Nine Dragons, de grootste papier- en kartonproducent van China, heeft onlangs aangekondigd twee papiermolens in de Verenigde Staten te kopen, en is van plan daar 300 miljoen dollar in 
te investeren. Andere Chinese recyclingbedrijven hebben geïnvesteerd in recyclingfabrieken in 
Georgia, South Carolina, Alabama en Kentucky.

    De nieuwe Chinese bepalingen dwingen Amerikaanse afvalhandelaars en producenten ook om meer van het vuile werk zelf te doen, teneinde te 
voldoen aan de hoge eisen waartegen China nog wel bereid is afval toe te laten. George Adams, ceo van SA Recycling, een van de grootste Amerikaanse handelaren in metaalafval, zegt dat hij onlangs een nieuwe productielijn heeft opgezet om aluminiumafval te wassen voordat het naar China gaat. ‘Je kunt van mijn aluminium eten, zo schoon is het,’ zegt hij. Op andere plekken vinden soortgelijke veranderingen plaats: de Recology-faciliteit in San Francisco heeft onlangs 3 miljoen dollar geïnvesteerd in een optische sensor die het aantal onzuiverheden in de balen kan terugbrengen. En wat de handelaren betreft: velen zijn failliet gegaan of hebben afscheid genomen van de bedrijfstak, maar een enkeling heeft duidelijk garen gesponnen bij de verandering. Zoals Craipeau, de handelaar die opereert vanuit Hongkong. Hij heeft zijn focus verlegd naar de verkoop van plastic korrels – die niet onder de afvalban vallen – aan China. ‘Van de ene op de andere dag heeft China zichzelf getransformeerd van ’s werelds grootste verwerker van plasticafval tot ’s werelds grootse importeur van plastic korrels,’ licht hij toe. De vraag naar plastic korrels is groter dan ooit, omdat de fabrikanten er nog altijd behoefte aan hebben. Craipeau werkt momenteel samen met een recyclingfabriek in Indonesië en hij heeft plannen om binnenkort nieuwe fabrieken te openen in Polen en de VS.

    Ondertussen hebben veel recyclingprogramma’s voor huishoudelijk afval manieren gevonden om door te gaan, zij het soms in een licht gewijzigde vorm. ‘Ik krijg wel een beetje hoofdpijn van dat gedoe met China,’ zegt Slager, de ceo van Republic Services. ‘Maar aan de andere kant ben ik zonder meer opgetogen, omdat het ons wakker heeft geschud en ons ervan heeft doordrongen dat er iets moet veranderen binnen deze bedrijfstak.’ Een van de prioriteiten, aldus Slager, is om de toevoer schoner te krijgen, dus ervoor te zorgen dat mensen geen vervuild afval meer in de vuilnisbak gooien.

    Wake-upcall

    Sinds de jaren vijftig heeft de wereld meer dan 6,3 miljard ton aan plastic afval geproduceerd, waarmee plastic een van meest aanwezige door de mens gemaakte materialen op aarde is, naast staal en cement. De helft van die hoeveelheid is in de laatste zestien jaar geproduceerd, toen gebruiksvoorwerpen van wegwerpplastic een hoge vlucht namen, zo valt te lezen in de wetenschappelijke publicatie Production, Use and Fate of All Plastics Ever Made. 
Volgens auteur Roland Geyer is het Nationaal Zwaard-beleid een wake-upcall. ‘Ik heb de indruk dat het hergebruik van plastic voor het importverbod van China nooit echt succesvol was,’ zegt hij. Want zelfs vóór het verbod werd maar 10 procent van al het plastic in de Verenigde Staten hergebruikt. ‘Iets meer ons best doen met recyclen is niet voldoende.’ Beleidsmakers zijn al tientallen jaren bezig de inzameling van herbruikbaar afval te stimuleren en ervoor te zorgen dat een steeds hoger percentage van het huishoudelijk afval een andere bestemming kan krijgen dan de stortplaats 
of de vuilverbrandingsoven. Maar er klinken steeds meer geluiden dat we onze aandacht beter kunnen verleggen.

    ‘We zijn niet erg succesvol geweest op het gebied van recycling. Na veertig jaar hebben we het nog steeds niet helemaal voor elkaar,’ zegt zeilster Ellen MacArthur, die de Ellen MacArthur Foundation heeft opgezet, een organisatie die zich inzet voor een afname van de hoeveelheid plasticafval. ‘Er moet een fundamentele verandering plaatsvinden,’ zegt ze. Het probleem schuilt in het patroon van lineaire consumptie, waaraan de consument wereldwijd gewend is geraakt: grondstoffen uit de aarde halen, die gebruiken en weggooien. Volgens haar schuilt de oplossing in een ‘circulaire economie’, waarin grondstoffen niet zozeer worden geconsumeerd, maar worden hergebruikt. Haar ogen beginnen te stralen als ze beschrijft hoe dat er in de praktijk zou kunnen uitzien. De schappen in de supermarkt, die nu vol staan met plastic verpakkingen voor eenmalig gebruik, zouden een geheel andere aanblik bieden: eenvijfde van de verpakkingen zou herbruikbaar kunnen zijn, zoals een fles die opnieuw wordt gevuld. En de helft van de verpakkingen zou ontworpen kunnen worden met het oog op hergebruik.

    Een beter ontwerp van verpakkingsmateriaal zou een stap op de goede weg zijn, maar sommige mensen pleiten voor nog veel drastischere maatregelen. In de Recology-fabriek in San Francisco bekent Reed aan het einde van onze rondleiding dat hij na twintig jaar in deze branche een groot voorstander is geworden van ‘zero waste’. Hij gebaart naar een baal doorzichtige sandwichverpakkingen en zegt: ‘Ik koop al dat spul niet.’ In plaats daarvan slaat hij alles groot in en neemt hij zijn eigen flessen en zakken mee naar speciale winkels die voedsel en huishoudelijke producten per gewicht verkopen. Die manier van inkopen vindt al langere tijd navolging in Californië, en de laatste tijd ook in Europa. In Frankrijk en Italië is het aantal winkels dat niet-voorverpakte spullen verkoopt het afgelopen jaar enorm toegenomen. ‘Een van de belangrijkste lessen die we hebben geleerd van zero waste, is dat veel oplossingen zijn te vinden in het verleden,’ zegt Reed. ‘Vraag je eens af hoe het leven eruitzag in de tijd van je grootouders. Zij hadden geen wegwerpkoffiebekers, geen waterflesjes. En toch wisten ze in leven te blijven –uitstekend, zelfs.’

    Auteurs: Leslie Hook en John Reed

    CONTEXT: China treedt hard op tegen overtreders

    Per 1 januari 2018 verbood China de import van 24 soorten vaste afvalstoffen, waaronder karton, gemengd papier, sommige resten van de productie van ijzer en staal, bepaalde textielsoorten zoals wol en katoen, en acht soorten plastic, waaronder rollen verpakkingsplastic, polyethyleentereftalaat (pet) en polyvinylchloride (pvc). Per 31 december werden 32 soorten afval aan de lijst toegevoegd: auto- en scheepsonderdelen, houtafval, roestvrij staal, titanium en dergelijke. Vanaf 2020 mag geen enkele vaste afvalstof meer worden geïmporteerd, met uitzondering van afval dat onvervangbare stoffen bevat.

    De Chinese regering wil op die manier ‘tegemoet komen aan de bezorgdheid onder de bevolking en streven naar een groene ontwikkeling’, aldus het Chinese staatspersbureau Xinhua. Tegelijkertijd treedt de overheid streng op tegen overtreders, zegt het persbureau: in 2018 werden 718 verdachten gearresteerd 
die de bepalingen zouden hebben geschonden en werd 1,55 miljoen ton 
illegaal geïmporteerde vaste afvalstoffen in beslag genomen.

    Wereldbank
    Wereldbank

    Drijfscheiding

    Wat gebeurt als het afval uit de 
verschillende recyclingbakken van huishoudens is verzameld?

    De details verschillen per regio en per regering, maar meestal komt het grofweg hierop neer: als het afval uit de verschillende recyclingbakken van huishoudens is verzameld, wordt het gesorteerd in balen, die vervolgens worden verkocht, om te worden verwerkt tot iets anders. Een baal karton gaat naar een speciale papiermolen, waar het wordt gereinigd en vermalen tot papierpulp, dat wordt gebruikt om nieuw papier mee te maken. Het bedrijf dat het afval inzamelt, zal het op materiaal sorteren en sommige materialen – die van waarde zijn – verkopen aan handelaren, of aan fabrieken, waar een tweede ronde volgt van sorteren en reinigen. Vervolgens wordt het materiaal verkocht om verder te worden verwerkt, totdat het uiteindelijk bij de eindgebruiker komt: een producent die het materiaal gebruikt als basismateriaal voor een ander product.

    Plastic is een van de moeilijkste materialen om te recyclen. We maken in het dagelijkse leven gebruik van tientallen verschillende soorten plastic, en die moeten, voordat ze worden gerecycled, allemaal worden gescheiden. Nadat alles is gesorteerd, worden de balen naar een recyclingfabriek gestuurd, waar alles nogmaals wordt gewassen en gereinigd. En dan wordt het een stuk lastiger. Neem een plastic waterflesje, meestal gemaakt van pet, een van de waardevollere soorten plastic. Als de flessen in de fabriek komen, worden ze gewassen en in een chemisch bad gedompeld om de etiketten te verwijderen, waarna ze in stukken worden gehakt. Met behulp van drijfscheiding wordt het plastic van de doppen gescheiden van het plastic van de flessen. Aan het einde van het procedé heb je drie verschillende materialen over: dopscherven, flesscherven en etiketten. De laatste stap is om de scherven te ‘extruderen’, oftewel om te smelten tot korrels. Het kost energie om de scherven te verhitten, en ook kunnen er schadelijke stoffen bij vrijkomen, door de additieven in het plastic. Tot slot worden de korrels verkocht aan fabrikanten die ze als basismateriaal gebruiken. Het 
is mogelijk om dit allemaal op een milieuvriendelijke manier te doen: verantwoord omgaan met het afvalwater, de chemicaliën op verantwoorde wijze lozen 
en zorgen dat er geen giftige gassen vrijkomen. Als 
dat goed gebeurt, kost het minder energie en is het verbruik van natuurlijke bronnen lager dan bij het vervaardigen van nieuw materiaal. Maar als het niet zorgvuldig gebeurt, kunnen de gevolgen rampzalig zijn. (FT)

    Bas Emmen
    Bas Emmen

    Nederland

    Afvalscheiding cruciaal 
voor verwerking

    In Nederland ontstaat jaarlijks een hoeveelheid afval van 60 miljoen ton. Bijna 80 procent daarvan wordt bewerkt voor hergebruik, de rest wordt verbrand of gestort. Volgens de laatst beschikbare gegevens (over het jaar 2016) blijkt de totale hoeveelheid afval in Nederland nog jaarlijks toe te nemen.

    In 2016 steeg de hoeveelheid gestort afval met 20 procent, de hoeveelheid gestorte bouwstoffen met 29 procent, 
de hoeveelheid verbrand afval met 3 procent, de hoeveelheid vergist en gecomposteerd gft-afval met 6 procent, en de hoeveelheid verwerkte grond met 16 procent. Alleen de hoeveelheid verwerkte baggerspecie daalde: met 1 procent.

    Scheiding van soorten afval is in het verwerkingsproces van cruciaal belang. Die scheiding verloopt niet overal even soepel. Zo werd in het Land van Cuyk in 2015 al 89 procent van het afval gescheiden, terwijl dat in de grote steden beduidend minder was: in Amsterdam nauwelijks 28 procent, in Den Haag 27 procent en in Rotterdam 24 procent.

    Gemiddeld ligt in Nederland het scheidingspercentage op 58 procent. Het streven is deze hoeveelheid volgend jaar op te krikken naar ten minste 75 procent.

    (360 Magazine)

  • China ligt aan kop 
in nieuwe race om de ruimte

    China ligt aan kop 
in nieuwe race om de ruimte

    De landing van een Chinees ruimteschip op de achterkant van de maan begin januari betekent een doorbraak voor de ruimtevaart. China liep altijd achter op grootmachten VS en Rusland, maar zijn de rollen nu omgedraaid?

    JA

    De recente Chinese landing op de achterkant van de maan is meer dan alleen een wetenschappelijke doorbraak. Beijing geeft met zijn uitdijende ruimtevaartprogramma ook een sterk signaal af. ‘Dit is veel meer dan alleen een landing,’ zegt Alan Duffy, 
ruimtevaartdeskundige bij de Royal Institution of Australia. 
‘Het bewijst hoe volwassen de Chinese ruimtevaarttechnologie is geworden.’

    De geslaagde landing kwam voor veel wetenschappers als een verrassing: zij hadden verwacht dat die zou mislukken. Geen enkel land was ooit eerder op de achterkant geland. De moeilijkheid is dat die altijd van de aarde afgekeerd staat, wat direct radioverkeer onmogelijk maakt. Chinese onderzoekers wisten 
dit probleem echter te omzeilen door speciaal voor de communicatie met het Chang’e 4-ruimteschip en zijn verkenner een 
verbindingssatelliet te lanceren.

    Begin deze eeuw had vrijwel niemand verwacht dat China zo snel een koppositie in de ruimte zou gaan innemen, aangezien het land nooit veel interesse in ruimtevaart toonde. Toen China in 2003 voor het eerst astronauten in een baan om de aarde bracht, deden westerse waarnemers dit af als een futiele poging om achterstand op de Verenigde Staten en Rusland in te lopen. Maar terwijl het Chinese ruimtevaartprogramma steeds groter werd, nam in de twee landen die al succesvolle programma’s hadden het enthousiasme voor ruimtevaart juist af. In de Verenigde Staten en Rusland kromp het budget, in China groeide het. 
Al in 2007, lang voordat het land de krantenkoppen haalde met baanbrekende prestaties in de ruimte, lanceerde het verkenningsmissies om de achterkant van de maan te onderzoeken.

    En ondanks het veel kleinere budget staat het Chinese 
programma in veel opzichten nu al op gelijke hoogte met het Amerikaanse. Vorig jaar lanceerde China veertig ruimtemissies, ruim twee keer zoveel als in 2017. Deze verrassend snelle vooruitgang is volgens onderzoekers verklaarbaar doordat het land zich bewust richt op prestigeprojecten. Die moeten het land de status van ruimtegrootmacht bezorgen.

    China benadrukt dat het met de missies louter vredelievende bedoelingen heeft. Het Pentagon is daar echter minder van overtuigd en schreef in augustus vorig jaar dat het Chinese 
ruimtevaartprogramma ‘een cruciale rol speelt in moderne oorlogsvoering’. En terwijl de nasa nauw samenwerkt met Rusland, heeft het Amerikaanse Congres dergelijke samenwerkings-projecten met het Chinese ruimtevaartagentschap uit angst voor spionage verboden.

    De succesvolle Chinese landing is mogelijk een bedreiging voor het tanende Amerikaanse leiderschap in de ruimte, zij het niet op dezelfde manier als in 2007. ‘Dit gaat meer over prestige,’ aldus Duffy.

    Auteur: Rick Noack

    Washington Post | Verenigde Staten | dagblad | oplage 475.000
    De grootste krant van Washington en een van ’s werelds meest toonaangevende titels.

    adam minter 1

    Rick Noack is als buitenlandcorrespondent voor The Post grotendeels gevestigd in Berlijn, van waaruit hij schrijft over Australië, 
Nieuw-Zeeland 
en internationale veiligheid.

    Adam Minter is columnist voor Bloomberg. Hij schreef het boek Junkyard Planet: Travels in the Billion-Dollar Trash Trade, 
over de miljarden-industrie van onze afvalbergen.

    NEE

    De landing van het Chinese Chang’e-4 ruimteschip op de achterkant van de maan is een indrukwekkende technische prestatie die laat zien dat China een grootmacht in de ruimte is geworden. Het komende decennium wil het land een ruimtestation in een baan om de aarde brengen, sondes naar Mars en Jupiter sturen en asteroïdenmissies uitzenden. Voor 2030 staat een bemande maanmissie gepland en voor halverwege deze eeuw een permanente kolonie.

    De ambities van de nasa lijken daar schril bij af te steken. Sinds de laatste maanlanding van de Apollo in 1972 zijn Amerikaanse astronauten niet verder gekomen dan een baan om de aarde. 
Na ontmanteling van het spaceshuttleprogramma kunnen de Verenigde Staten het internationale ruimtestation ISS niet langer op eigen kracht bereiken. Nieuwe presidenten verlegden vaak hun prioriteiten, zodat de nasa dure missies, die al jaren gepland stonden, moest afbreken of herzien.

    Toch gaat het in veel opzichten ook wel goed met het Amerikaanse ruimtevaartprogramma. Een jaar of twaalf geleden stelde het Congres de nasa in staat om publiek-private samenwerkingen aan te gaan. Sindsdien adviseert het overheidsagentschap private ruimtevaartbedrijven en investeert het in hun activiteiten. Elon Musks SpaceX is het bekendste, maar er zijn tientallen bedrijven in de commerciële ruimte-industrie actief. Hun specialisme varieert van de lancering van kleine satellieten tot maanverkenning. De resultaten zijn spectaculair: naar 
schatting van de nasa zelf kostte de ontwikkeling van de Falcon 9-raket door SpaceX maar tien procent van wat het de nasa zou hebben gekost om die te bouwen. Ook elders levert de steun van de nasa veel op. In de komende weken lanceert SpaceX een capsule die Amerikaanse astronauten naar het iss-ruimtestation kan brengen. Ten minste twee andere bedrijven hebben plannen voor een eigen, commercieel, ruimtestation. Tegelijk is de nasa de pure wetenschap niet uit het oog verloren. Er zijn vier missies naar Mars gaande en een naar Jupiter, er cirkelt een sonde om 
de zon en twee ruimteschepen hebben de interstellaire ruimte bereikt. Geen enkel ander land, ook China niet, kan zich hiermee meten: de wetenschappelijke en technologische knowhow 
ontbreekt simpelweg.

    Zolang de vs de commerciële ruimtevaart blijft stimuleren en tegelijk met wetenschappelijke onderzoeksmissies steeds verder reikt, hoeft het land voorlopig niet bang te zijn om ingehaald te worden. Uiteraard heeft ook China het grote potentieel van de commerciële ruimtevaart ingezien en ontwikkelt het een eigen ruimte-industrie. Maar barst er inderdaad een nieuwe ruimterace los, dan hebben de Verenigde Staten alle kans die te winnen.

    Auteur: Adam Minter

    Bloomberg World View | Verenigde Staten | website | bloomberg.com
    Bloombergs blog World View schrijft uitvoerig over de opkomende markten, 
en wordt met toonaangevende schrijvers wereldwijd erkend als autoriteit op het gebied van Rusland, India en China.

  • Vanillekoorts: de keerzijde van het zwarte goud

    Vanillekoorts: de keerzijde van het zwarte goud

    Door de hoge vanilleprijs beleeft Madagaskar, de grootste producent ter wereld, gouden tijden. Maar de handel leidt ook tot veel criminaliteit, en gaat ten koste van het regenwoud.

    ‘Het is big business,’ zegt Dominique Rakotoson, een vanillehandelaar van de oude stempel uit Sambava, de uitdijende ‘vanillehoofdstad’ in het noordoosten van Madagaskar. Het drukke verkeer doet stofwolken en dunne plastic zakjes opwaaien, spiksplinternieuwe SUV’s razen voorbij, uit speakers dreunt Malagassische popmuziek. Maar nergens is er een vleugje vanille te bespeuren in deze tropische stad – alleen de geur van afval, en van geld. ‘Deze quatre-quatres [fourwheeldrives] zijn allemaal betaald van het “zwarte goud”,’ zegt Rakotoson met een gepijnigde glimlach. Veel inwoners hebben de afgelopen jaren goede zaken gedaan in vanille. ‘Mijn broer, een boer die nog niet eens zijn lagere school heeft afgemaakt, is in een mum van tijd miljardair geworden [in ariary, de lokale munteenheid]. Ik heb jarenlang in de hoofdstad gestudeerd terwijl anderen hier een fortuin vergaarden.’

    Dankzij de snel groeiende vraag in China en kritische westerlingen die hun neus ophalen voor kunstmatige smaakstoffen lijkt er een onstilbare honger te zijn ontstaan naar de aromatische specerij uit deze contreien. Madagaskar exporteert jaarlijks zo’n tweeduizend ton vanille, die wordt verwerkt in bakproducten, ijs en parfum. Naar verluidt zou vanille een van de geheime ingrediënten van Coca-Cola zijn. De prijzen zijn omhooggeschoten: de peulen van de oogst van vorig jaar werden voor 500 euro per kilo aan internationale levensmiddelenproducenten verkocht, het tienvoudige van de kiloprijs in 2013. In een land waar meer dan 80 procent van de bevolking onder de armoedegrens leeft, is deze vanillekoorts voor de telers een geschenk uit de hemel. Of niet?

    Boeren zijn als de dood om al hun harde werk in rook te zien opgaan, en ze zijn bang om slachtoffer te worden van een van de vele “vanillemoorden”

    ‘Hier ben ik nu mee getrouwd.’ Moira, een zeventigjarige weduwe uit het dorp Anjiamangotroka, prikt haar machete in de aarde waar ze pas geleden vanille-orchideeën heeft geplant. Met haar eerste oogst – het duurt drie tot vier jaar voordat de tropische slingerplant vruchten draagt – hoopt ze genoeg geld te verdienen ‘om een fatsoenlijk huis te kopen’. Ze is niet in de veronderstelling dat ze slapend rijk zal worden. ‘De teelt is erg arbeidsintensief.’ Het draait allemaal om handwerk. De delicate vanillebloemen bloeien maar één dag per jaar en moeten handmatig worden bevrucht. De plant komt oorspronkelijk uit Midden-Amerika en wordt alleen bevrucht door een lokale bijensoort die niet in Madagaskar gedijt. Na de bestuiving duurt het negen maanden voordat de groene vanillepeulen rijp zijn. Vervolgens worden ze geplukt en gefermenteerd. Ze moeten wekenlang in de zon drogen voordat ze hun aroma, en daarmee hun waarde, ontwikkelen. Het zonnige, vochtige klimaat in de regio Sava is perfect voor de kwetsbare, kostbare orchidee – zo perfect zelfs dat driekwart van de wereldproductie hiervandaan komt, meestal van kleine familiebedrijfjes zoals dat van Moira. Maar de afgelopen tien jaar is de teelt steeds riskanter geworden.

    ‘Het regent minder en het gewas groeit minder goed,’ legt Moira uit. De grootste kwaaddoeners zijn de cyclonen die tijdens de zomermaanden over het eiland razen. Vorig jaar werd de regio getroffen door de hevigste storm van de afgelopen tien jaar. Cycloon Enawo veroorzaakte landverschuivingen en overstromingen. Er vielen 81 doden, 250.000 huizen raakten verwoest. De cycloon vernielde een vijfde van alle oogsten en een derde van de vanilleoogst, waardoor de vanilleprijs nog verder omhoogschoot.

    ‘Dankzij Enawo is vanille peperduur geworden,’ zegt Charles Rambolarson, uitvoerend secretaris van het Nationaal Bureau voor Rampenbestrijding. ‘En alle andere levensmiddelen ook: de prijzen rijzen de pan uit. Bevolkingsgroepen die al kwetsbaar waren, lijden nu honger.’ Het is niet de eerste keer dat dit gebeurt: na een verwoestende cycloon in 2004 steeg de vanilleprijs van 20 euro naar meer dan 400 euro per kilo. Na de oorspronkelijke stijging zakte de kiloprijs terug naar 40 euro. ‘Het zal ook zeker niet de laatste keer zijn,’ benadrukt Rambolarson. ‘Door de klimaatverandering zijn de tropische stormen in kracht toegenomen.’


    Met de stijgende vanilleprijs is ook de vanilleroof gegroeid. ‘Het overkomt ons allemaal,’ zegt Emmanuel Zafihavama, een 55-jarige boer die een kleine vanilleplantage langs de weg naar Andapa beheert. ‘Hoe hoger de kiloprijs, des te vroeger in het jaar duiken dieven op om de peulen van de planten te grissen.’ Boeren zijn als de dood om al hun harde werk in rook te zien opgaan, vertelt hij, en ze zijn bang om slachtoffer te worden van een van de vele ‘vanillemoorden’. In zijn lommerrijke tuin, waar honderden helgroene vanilleplanten groeien, vertelt Zafihavama dat de boeren in zijn dorp de handen ineen hebben geslagen. ‘We hebben een burgerwacht opgericht om onze velden tijdens de vier maanden vóór de oogst dag en nacht te bewaken. We gaan op patrouille en slapen tussen de planten. Het is gevaarlijk en vermoeiend,’ zegt hij. ‘Het heeft totaal geen zin om bij de politie aangifte te doen. Ze spelen allemaal onder één hoedje.’ Boeren klagen dat dieven die ze in de kraag vatten en aan de politie overdragen zichzelf meteen vrijkopen.

    In de afgelopen jaren is de markt overspoeld met gestolen, onrijpe peulen, waardoor de gemiddelde kwaliteit van vanille uit Madagaskar is verslechterd. Om boeren ervan te weerhouden de vanillepeulen uit angst voor roof vroeg te plukken, heeft de regering voor elk dorp een oogstdatum vastgesteld. Van boeren die zich niet aan de regels houden wordt de oogst in beslag genomen of zelfs verbrand. Maar velen nemen dat risico op de koop toe.

    In Sambava wachten vanilledealers op de beruchte Rue Ambudimanga op klandizie. Het zijn jongemannen in gekleurde T-shirts, met spiegelzonnebrillen en gouden kettingen. De kleine koningen van deze morsige achterafstraat genieten zichtbaar van het geld en de roem die de handel hen oplevert. Een van hen, een twintiger die Prisco à l’Appareil [aan de telefoon] heet, veert op en trekt een bundeltje vanillestokjes uit zijn broekzak. ‘Topkwaliteit, slechts 1,5 miljoen ariary [ca. 390 euro] per kilo.’ Andere vanilledealers hebben vacuümverpakte pakketjes in hun tassen of lopen openlijk met kleine hoeveelheden in plastic zakjes rond. ‘De verkoop van vanille is niet zo relaxed als de jongens doen voorkomen,’ zegt Julio, een vader van vier. ‘Je moet uitkijken dat de vanillestokjes niet onder je neus vandaan worden gestolen. De baas weegt aan het einde van de dag de onverkochte waar. Als je een deel bent verloren, draai je er zelf voor op.’ ‘Niet iedereen is er geschikt voor,’ beaamt een groepje dealers eensgezind. Maar in Sambava, waar veel werkloosheid heerst, grijpen gelukszoekers hun kans. ‘Als je geen vanille verkoopt,’ zegt Prisco, ‘wacht je een zwaar leven. Hier is geen werk voor mannen.’ Er zijn alleen slecht betaalde baantjes in de bouw waarmee ze zich geen gouden horloges kunnen veroorloven.

    Ins en outs

    Max, een 21-jarige chauffeur, kent de ins en outs van de vanillehandel. ‘Je moet ten eerste de juiste mensen kennen.’ Hij voelt zich er te jong voor, haast hij zich te zeggen. ‘Voor mij is het op dit moment te riskant.’ Met een blik over zijn schouder leidt hij ons naar een magasin de vanilla; een vanillepakhuis. Van buiten ziet het eruit als een doodgewoon woonhuis: een roze villa met balkons, twee verdiepingen hoog, tussen de bescheiden houten huisjes. Omdat de patron weg is mogen we even een kijkje nemen. Binnen zitten ongeveer zestig vrouwen met haarnetjes en lichtgroene schorten aan lange tafels. Ze sorteren de zongedroogde vanille en bundelen ze in kleine pakketjes ter waarde van tienduizenden dollars, die in de hal worden ingepakt in grote dozen. Max is erg nerveus en loodst ons snel weer naar buiten. ‘De mensen zijn bang,’ zegt hij. Het is overduidelijk dat achter die roze muren iets illegaals plaatsvindt. Het is nu januari, en de laatste oogst was in juni. Als deze vanille niet meteen na de oogst is verwerkt en verkocht, is het dan gegarandeerd gestolen waar? Of heeft de baas de peulen meteen na de oogst vacuüm verpakt om ermee te speculeren?

    Dominique Rakotoson, de handelaar van de oude stempel, schuimbekt over de vanillespeculanten die grote hoeveelheden onrijpe en veelal gestolen peulen vacuüm verpakken om ze te conserveren. ‘Die gasten doen de peulen in Chinese plastic zakken en zuigen met een gewone stofzuiger de lucht eruit,’ zegt Rakotoson met overslaande stem. ‘En dan wachten ze rustig af tot de prijzen stijgen.’ Speculeren met onrijpe vanille is slecht voor de reputatie van de regio als producent van de hooggewaardeerde bourbonvanille, het neusje van de zalm, geprezen voor de zoete, intense smaak. Vacuüm verpakte groene peulen leveren een product op met een lager vanillinegehalte, en soms zelfs met een muffe smaak. Volgens Rakotoson wordt speculatie in de hand gewerkt door het gebrek aan overheidscontrole en welig tierende corruptie. ‘En het zijn niet alleen straatdealers in Sava die snel geld verdienen, er gaat een veel grotere handel achter schuil. Ga maar eens kijken in Antalaha,’ zegt hij. ‘Dan kun je het met eigen ogen zien.’

    vanille

    Met haar door palmbomen omzoomde lanen, de witte stranden en de grote villa’s die over de Indische Ocean uitkijken, ademt Antalaha, de tweede vanillestad in de regio Sava, een koloniale sfeer. Vanillemagnaten als Henri Fraise en Ramandriabe maken hier al decennia de dienst uit. Om hun marktaandeel te behouden moeten deze grote exporteurs concurreren met kapers op de kust, vooral uit China, India en Pakistan. De stad is schoon, chic en erg rustig. Toch is ons op het hart gedrukt hier niet de nacht door te brengen. Achter de zonnige façade gaat een duister geheim schuil: Antalaha staat bekend als het hart van de illegale handel in rozenhout. Driekwart van het resterende regenwoud van Madagaskar bevindt zich in deze regio. De drie nationale parken Marojejy, Macolline en Masoala hebben stuk voor stuk te maken met leegroof van beschermde tropische houtsoorten als palissander, ebben en rozenhout. De bomen worden illegaal naar China verscheept en verwerkt tot traditionele meubels die gretig aftrek vinden onder de groeiende middenklasse. Volgens schattingen uit recent onderzoek is in de illegale rozenhouthandel in de afgelopen twintig jaar bijna 1 miljard euro omgezet. Om deze enorme bedragen wit te wassen hebben de houtbaronnen volop in vanille geïnvesteerd; ze kopen de peulen tegen elke prijs op, waardoor de kiloprijs nog verder wordt opgejaagd. ‘Geld werd niet meer geteld maar gewogen, in stapels biljetten van 500 kilo,’ vertelt Rakotoson. ‘Het maakte hen niet uit hoeveel het koste. Krankzinnig. De boeren profiteerden ervan. De lokale speculanten profiteerden ervan. Elke dag dreven ze de prijzen iets verder op.’

    Als we Solfi, het jonge dorpshoofd van Ambohimanarina, een klein dorpje naast nationaal park Marojejy, naar de handel in rozenhout vragen, schiet hij overeind. Zijn ogen spuwen vuur. ‘Dat gebeurt hier niet meer,’ zegt hij. Deze reactie krijgen we vaker. De vraag wordt ongemakkelijk weggewuifd, men kijkt liever de andere kant op. Een dorpsbewoner die graag anoniem wil blijven schetst een ander beeld wanneer hij ons vertelt dat de illegale handel in rozenhout een van de bekendste ‘geheimen’ van de regio is. ‘Het hele dorp weet ervan maar omdat iedereen ervan profiteert, doet niemand zijn mond open. Je hoort hier vaak midden in de nacht vrachtwagens rondrijden. Wat hebben die hier om drie uur ‘s nachts te zoeken als er geen rozenhout wordt verhandeld?’

    Vorig jaar kwamen het Environmental Investigation Agency en Global Witness, twee internationale organisaties die tegen milieucriminaliteit strijden, met bewijzen dat er nog steeds illegale houtkap plaatsvindt. Ondanks eerdere intentieverklaringen van de regering om de illegale handel te bestrijden is er, zo stellen deze ngo’s, nog nooit een houtbaron door een rechtbank veroordeeld. Milieuactivisten die de rozenhoutmafia in de wielen rijden belanden daarentegen geregeld achter de tralies, of worden met de dood bedreigd. De woordvoerder van het ministerie van Milieu, Ecologie en Regenwouden begint ongemakkelijk op zijn stoel te schuiven wanneer we hem de vraag voorleggen wie de vermaarde houtbaronnen achter de georganiseerde criminaliteit en de vanille-investeringen zijn. ‘Het is een politiek probleem, begrijpt u.’ Hij verwijst ons naar de minister-president.

    ‘Vorig jaar was voor mij een topjaar. Al mijn kinderen kunnen nu naar school’

    Naar verluidt bezitten de regering en particuliere eigenaren tussen de 500 miljoen en 4 miljard euro aan rozenhout. Maar aangezien de export van rozenhout illegaal is onder het CITES-verdrag, de overeenkomst inzake de internationale handel in beschermde planten en dieren, kan de elite weinig aanvangen met hun spaarpotje. Dit jaar zal de regering het hervatten van de houtexport heroverwegen. Het feit dat dit vlak voor de aankomende presidentsverkiezingen is gepland, is ‘puur toeval,’ stamelt een nerveuze regeringsfunctionaris.

    Voor kleine boeren heeft de vanilleteelt in de afgelopen jaren eindelijk iets opgeleverd. ‘Vorig jaar was voor mij een topjaar. Al mijn kinderen kunnen nu naar school,’ zegt Zafihavama. ‘En het wordt alleen maar beter, als ik tenminste niet wordt bestolen.’ Glimmend van trots laat hij me zijn huisje zien, een kleine houten hut met één bed. In de eenvoudige ruimte staan zijn nieuwe aanwinsten: vijf gloednieuwe plastic stoelen, twee vitrinekasten en een computer met een aanzienlijke dvd-verzameling, vrijwel alle populaire kungfu-films.

    Maar de vanillehandel floreert ten koste van een van de waardevolste regenwouden ter wereld. Door de geografische isolatie van het eiland vind je hier een groot aantal planten en dieren die nergens anders voorkomen.

    Dasy Ibrahim, projectmanager van CARE, een internationale ngo die boeren begeleidt bij de overstap op klimaatslimme landbouw, noemt de combinatie van hoge werkeloosheid en armoede en het witwassen van grote hoeveelheden tropischhardhoutgeld ‘funest’. ‘De situatie in de vanillesector dreigt volledig uit de hand te lopen.’ Hij trekt een pijnlijk gezicht. ‘De vanillehandel is nog erger dan de cocaïnehandel.’

    Auteurs: Ingrid Gercama & Nathalie Bertrams
    Vertaler: Astrid Staartjes

    Openingsbeeld: © HH

    Lees ook Na Nederwiet ook Nedervanille? over Filip van Noort en zijn grootschalige vanillekweekplannen in Nederland.

    Mail & Guardian
    Zuid-Afrika | weekblad | oplage 41.000

    Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.

  • Afrika’s kleine mirakel

    Afrika’s kleine mirakel

    Mauritius, ooit een Nederlandse, Franse en Britse kolonie, viert dit jaar vijftig jaar onafhankelijkheid. In die halve eeuw wist het eiland alle verwachtingen te overtreffen. Maar kan het dit succes nu ook verder uitbouwen?

    Hoe Mauritius de sombere toekomstvoorspellingen wist te logenstraffen is een verhaal dat zich graag laat vertellen. Een paar jaar voor de onafhankelijkheid in 1968 schreef econoom en Nobelprijswinnaar James Meade het eilandje in de Indische Oceaan af als een hopeloos geval. Een paar jaar na de onafhankelijkheid noemde de schrijver V.S. Naipaul het een ‘overbevolkt barakkenkamp’.

    Toch toonde Mauritius hun ongelijk aan en werd het een van Afrika’s meest geprezen landen. Het scoort van alle Afrikaanse landen vaak het hoogst 
op het gebied van politieke vrijheden, de rechtspraak en de menselijke 
ontwikkeling. Er zijn al tien eerlijke verkiezingen gehouden en er hebben zeven vreedzame machtswisselingen plaatsgevonden. Vaak wordt het land aangehaald als toonbeeld van politieke stabiliteit en cohesie, met alle verschillende etnische groeperingen – hindoes, moslims, creolen en Mauritianen van Chinese of Franse oorsprong – die in betrekkelijke harmonie samenleven.

    In 2011 bracht het succes van het eiland Joseph Stiglitz ertoe een lyrisch artikel te schrijven over wat hij ‘het mirakel van Mauritius’ noemde. De Nobelprijswinnaar deed een beroep 
op de VS en andere ontwikkelde economieën om goed naar het land te kijken en te leren van Mauritius’ politiek op het gebied van gratis onderwijs, gezondheidszorg en het sterke sociale vangnet.

    Haalbaar doel

    Nu de vijftigste verjaardag nadert [deze is inmiddels gevierd op 12 maart jl.] is de huidige regering er begrijpelijkerwijs op uit om voort te bouwen op deze reputatie en erfenis. De regeringscoalitie onder leiding van premier Pravind Jugnauth (56) wil Mauritius in de komende jaren onder meer van een land met hogere middeninkomens een land met hoge inkomens maken. Voor een dapper buitenbeentje dat altijd de verwachtingen heeft overtroffen is dit zeer waarschijnlijk een haalbaar doel. Maar na vijftig jaar onafhankelijkheid zal Mauritius een nieuwe strategie moeten ontwikkelen als het verder 
wil groeien – zowel economisch als politiek – om niet in een midlifecrisis te belanden.

    De economische groei van Mauritius bedroeg de afgelopen vijf jaar een bescheiden 3 à 4 procent. De Bank of Mauritius heeft voor 2018 een groei van 4,2 procent voorspeld. Veel landen zouden daar jaloers op zijn, maar het is een opmerkelijke achteruitgang vergeleken met de onstuimige jaren tachtig en negentig, toen de economie dankzij de suikerindustrie, het toerisme, textiel en de financiële diensten fors groeide. De huidige regering hoopt dat de 
oceaaneconomie een vergelijkbare expansie zal opleveren. De gedachte 
is dat activiteiten zoals de visvangst, 
de winning van koolwaterstof en mineralen, de maritieme biotechnologie en de opwekking van duurzame energie het bruto binnenlands product de komende jaren omhoog zal stuwen.

    Tot dusver is de visteelt de belangrijkste ontwikkeling op dit front; er worden nu producten uitgevoerd naar Europa en de VS. Maar in het algemeen is het duidelijk dat er financiële en technische expertise vanuit het 
buitenland nodig is, willen er kapitaalintensievere ondernemingen van de grond komen. Zoals de Wereldbank in 2017 al in een rapport waarschuwde, 
‘is een verdubbeling van de oceaan-economie van Mauritius mogelijk en de moeite waard, maar zal die wel enige tijd kosten’.

    De centrale markt in Port Louis, de hoofdstad van Mauritius. – © Jean-Pierre / Hemis
    De centrale markt in Port Louis, de hoofdstad van Mauritius. – © Jean-Pierre / Hemis

    Bij zijn poging om buitenlandse investeerders aan te trekken heeft het eiland zeker wel voordeel bij het feit dat 
mondiale instellingen al lange tijd Mauritius’ stabiele regering, democratische structuur en openheid ten opzichte van het bedrijfsleven prijzen. Ook heeft het eiland er voordeel bij dat het in het verleden blijk heeft gegeven van visie en flexibiliteit ten aanzien van nieuwe economische uitdagingen. Of zoals het landenrapport van de Bertelsmann Stiftung’s Transformation Index (BTI) 2018 het formuleert: ‘In het verleden hebben regeringen van Mauritius bewezen zich creatief te kunnen aanpassen aan gewijzigde geopolitieke en geo-economische omstandigheden.’

    Op sociaal gebied is Mauritius geprezen om het feit dat verschillende etnische groepen harmonieus samenleven. Het feit dat er geen inheemse bevolking is, is hierbij waarschijnlijk een belangrijke factor, omdat geen enkele bevolkingsgroep een grote claim op het eiland kan laten gelden. Een andere belangrijke factor die bijdraagt aan de goede 
onderlinge relaties is de hoge bevolkingsdichtheid – 1,3 miljoen inwoners samengeperst op 2014 vierkante 
kilometer – die de behoefte aan vriendschappelijke verhoudingen vergroot.

    Maar de derde belangrijke factor is de stilzwijgende verdeling van de politieke macht. Zo ambiëren Mauritianen van Chinese of Franse afkomst over het algemeen geen politiek ambt en laten zo het politieke speelveld over aan ambitieuze hindoes, moslims en 
creolen. Dat voorkomt bepaalde 
spanningen en rivaliteit, hoewel het politieke systeem van Mauritius 
hierdoor wel altijd gedomineerd wordt door hindoemannen uit de middenklasse, terwijl de hindoegemeenschap maar net iets meer dan de helft van de bevolking uitmaakt. Sterker nog, ondanks het feit dat er zeven machtswisselingen zijn geweest, is de echte top van de Mauritiaanse politiek nog exclusiever. Achtenveertig van de 
afgelopen vijftig jaar is het land geleid door Seewoosagur Ramgoolam en 
vervolgens Anerood Jugnauth, en daarna door hun respectieve zonen Navin en Pravind.

    ‘Nieuwe en jongere politici, zonder nauwe banden met de heersende elite, kunnen bijdragen aan de verbetering van het imago van Mauritius als postkoloniaal succes’

    Hoewel dit plaatsvond tegen een 
achtergrond van grote democratische betrokkenheid en vitaliteit, zijn er ook signalen dat de Mauritianen het beu zijn dat het premierschap bijna geheel wordt gecontroleerd door slechts twee families. In januari 2017 droeg Anerood Jugnauth zonder enige inspraak van het electoraat de macht over aan zijn zoon. Omdat de grootste partij in de huidige coalitie, de Mouvement Socialiste Militant (MSM), wist hoezeer deze beslissing haar impopulair maakte en haar imago van corruptie en vriendjespolitiek versterkte, besloot de partij-leiding om niet mee te doen aan een tussentijdse verkiezing.

    Hoezeer de belangrijkste Mauritiaanse politici onderling ook mogen verschillen, over één onderwerp zijn ze het eens: de Chagoseilanden. Deze archipel had sinds 1814 deel uitgemaakt van het Mauritiaanse territorium. Maar enkele jaren voordat Mauritius onafhankelijk werd van Engeland, werden die eilanden onderdeel van het Brits Indische Oceaanterritorium (BIOT). Engeland leende het grootste eiland, Diego Garcia, aan de VS om het te gebruiken als militaire basis. Daartoe moesten vijftienhonderd eilandbewoners gedwongen verhuizen en werden ze gedumpt in Port Louis, de hoofdstad van Mauritius, en een klein gedeelte ook op de Seychellen.

    De Mauritiaanse politiek is er de 
afgelopen jaren niet zozeer op gericht geweest om de Amerikanen hun basis te ontnemen, als wel om de aanspraak van de Engelsen op de Chagoseilanden te betwisten en de afschuwelijke behandeling van de verbannen eilandbewoners aan de kaak te stellen. Een door Mauritius bij de VN ingediende resolutie om het Internationaal Gerechtshof een uitspraak te laten doen over de soevereiniteit van de 
Chagoseilanden werd in juni 2017 met 94 tegen 15 aangenomen. Interessant is dat de meeste Europese landen, waaronder Frankrijk, Duitsland en Italië, en ook China zich van stemming onthielden, ondanks aanzienlijke druk vanuit Engeland en de VS. Een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag wordt later dit jaar of in 2019 verwacht.


    Zoals uit de kwestie-Chagos en de economische vooruitgang en veerkracht van het land blijkt, heeft de onafhankelijkheid van Mauritius echt handen en voeten gekregen. Maar de vader-op-zoonmachtsoverdracht van vorig jaar en de vermeende betrokkenheid van de politieke elite bij corruptiepraktijken en drugsschandalen werpen een 
schaduw op de politieke toekomst 
van het land [deze maand nog trad 
president Ameenah Gurib-Fakim af vanwege een financieel schandaal].

    Hierdoor wordt het voor Mauritius steeds urgenter om het politieke leiderschap aan te passen. Zoals in het komende BTI-rapport staat: ‘Nieuwe en jongere politici, zonder nauwe banden met de heersende elite, kunnen bijdragen aan de verbetering van het imago van Mauritius als postkoloniaal succes, dat zich hoogstwaarschijnlijk nog zal voortzetten.’

    Na vijftig jaar onafhankelijkheid zijn de voorspellingen van Meade en Naipaul gelogenstraft. Maar het eiland verder uitbouwen tot een land met hoge 
inkomens zal misschien een grotere uitdaging zijn dan de huidige regering bereid is toe te geven.

    Auteur: Seán Carey

    African Arguments
    VK | africanarguments.org

    Site die in 2007 werd gelanceerd door de Royal African Society, een Britse stichting die zich inzet voor een beter begrip van het continent.

  • Trumps handelsoorlog speelt China in de kaart

    Trumps handelsoorlog speelt China in de kaart

    Het is begrijpelijk dat president Trump de Amerikaanse staal- en aluminiumindustrie wil beschermen tegen China, schrijft zakensite Bloomberg. Maar door de importtarieven te verhogen kiest hij voor een ‘Game of Thrones-oplossing’ waarmee hij zijn partners van zich vervreemdt.

    Gary Cohn had een van de zwaarste klussen in Washington: een impulsieve president die stond te popelen om een handelsoorlog te ontketenen daarvan proberen te weerhouden. Nu Cohn is opgestapt als directeur van Trumps Nationale Economische Raad, is de weg voor de president vrij om hoge tarieven te heffen op de import van staal en aluminium uit de hele wereld. Ook heeft Trump meer speelruimte gekregen om China te straffen voor vermeende diefstal van intellectuele eigendom. De Verenigde Staten zijn van plan Chinese investeringen in te dammen en uiteenlopende Chinese goederen hoge invoerbelastingen op te leggen, vertelden goed ingevoerde waarnemers op 6 maart aan Bloomberg News.

    Trump en de nationalisten naar wie 
hij luistert, zoals minister van Economische Zaken Wilbur Ross en handelsadviseur Peter Navarro, hebben een punt. De Amerikaanse staal- en 
aluminiumindustrie is zwaar getroffen door oneerlijke Chinese concurrentie. 
China heeft onder internationale druk een begin gemaakt met de sluiting 
van enkele staalfabrieken. Toch is de productiecapaciteit nog altijd twee keer zo groot als in 2006, het jaar waarin de Chinese staatsraad aan-
kondigde structurele overproductie 
te willen stimuleren. De aluminium-
productie volgt hetzelfde patroon.

    Veel critici doen Trumps belofte 
om de importtarieven te verhogen af als een truc om stemmen te winnen 
of als spierballenvertoon. Dat is het 
misschien ook wel, maar het is meer dan dat

    Trump en zijn adviseurs hebben ook gelijk wanneer ze zeggen dat economische macht uitoefenen een kwestie is van nationale veiligheid en dat China dat spelletje beter beheerst dan de VS. Het is China’s vaste gewoonte om 
buitenlandse bedrijven te dwingen hun intellectuele eigendom af te staan – de kroonjuwelen van elk bedrijf. 
Het is de prijs die ze betalen om zaken te mogen doen in het land. Met het project ‘Made in China 2025’ maakt China middelen vrij voor een scala aan geavanceerde technologieën, zodat 
het land minder afhankelijk wordt van potentiële vijanden als de VS en Japan. In de door het Pentagon opgestelde nationale defensiestrategie voor 2018 beschuldigen de VS China en Rusland ervan ‘de internationale orde van 
binnenuit te ondermijnen’.

    Trump verdient daarvoor alle lof, 
want veel critici doen zijn belofte 
om de importtarieven te verhogen af als een truc om stemmen te winnen 
of als spierballenvertoon. Dat is het 
misschien ook wel, maar het is meer dan dat. Niemand minder dan 
Michael Froman, de voormalige 
handelsadviseur van president Obama en bepaald geen vriend van Trump, zei op 5 februari: ‘Het is in het nationale belang om een sterke eigen staal- en aluminiumindustrie te hebben.’

    Nu is het tragische dat Trump niet China maar de VS tot mondiale steen des aanstoots heeft gemaakt. De nationale veiligheid als rechtvaardiging opvoeren om de invoertarieven te verhogen geeft andere landen het excuus om hetzelfde te doen, waardoor een 
gat ontstaat in het web van handelsovereenkomsten dat de VS de afgelopen decennia zo zorgvuldig hebben gesponnen. En de tarieven aan alle landen opleggen, waarmee Trump heeft gedreigd, slaat een bres in het gezamenlijke front van Amerikaanse handelspartners dat nodig is om 
China een toontje lager te laten zingen. ‘Het zal worden beschouwd als laatste en belangrijkste signaal dat de VS onder Trump niet langer een betrouwbare economische partner zijn,’ zegt Roland Rajah van het Lowy Institute, een in Sydney gevestigde denktank.

    Een Amerikaanse staalarbeider snijdt een nieuw-gegoten plaat staal af in een fabriek in Indiana. – Scott Olson / Getty Images
    Een Amerikaanse staalarbeider snijdt een nieuw-gegoten plaat staal af in een fabriek in Indiana. – Scott Olson / Getty Images

    Critici zijn er als de kippen bij om erop te wijzen dat China de op tien na grootste staalleverancier van de VS is en de op drie na grootste aluminium-leverancier. Trumps tarieven vormen een gevaar voor ongeveer ‘nul procent’ van de Chinese economie, schreef 
Tom Orlik van Bloomberg Economics op 1 maart. Canada, de grootste exporteur van beide metalen naar Amerika, zal 
er veel meer last van krijgen.

    Ineens laait de discussie op over een mogelijke handelsoorlog tussen de 
VS en enkele van hun trouwste bondgenoten. De voorzitter van de Europese Commissie, Jean-Claude Juncker, nam de stoere taal van Trump over tijdens een toespraak in Duitsland op 2 maart: ‘We gaan de tarieven voor bourbon, Harley-Davidson-motoren en Levi’s-spijkerbroeken verhogen. Wij kunnen ook stom doen. We zullen wel zo stom moeten zijn.’ De kop van de Londense krant City A.M. maakte een toespeling op het beroemde nummer ‘American Pie’ van Don McLean: ‘Hit the Chevy with a Levy, Tax Your Whiskey & Rye’.

    Trump twitterde uiteraard terug dat als Europa zou terugslaan, de VS op hun beurt de invoertarieven op 
Europese auto’s zouden verhogen. Op 5 februari zond hij een tweet de wereld in dat hij mogelijk een uitzondering zou maken voor Canada en Mexico als ze bereid waren een ‘nieuwe en eerlijke’ Noord-Amerikaanse vrijhandelsovereenkomst te ondertekenen. Dat ondergroef uiteraard zijn eerdere 
argument dat de tarieven noodzakelijk waren uit oogpunt van nationale 
veiligheid.

    Game of Thrones

    Dat westerse leiders elkaar te dom af proberen te zijn speelt China in de kaart en verklaart misschien waarom Chinese leiders zich relatief stil hebben gehouden. Liu He, een hoge gezant van president Xi Jinping, hield zich gedeisd toen hij Washington bezocht en opriep tot samenwerking. Zoals Napoleon zou hebben gezegd: loop nooit een tegenstander voor de voeten die een verkeerd besluit neemt.

    De reden waarom Trump zijn bondgenoten op handelsgebied blijft aanvallen, is dat hij handel ondanks de inspanningen van adviseurs als 
Cohn beziet vanuit een Game of Thrones-perspectief: als een oorlog waarin een van beide partijen móét verliezen. 
Volgens de trumponomics is export goed en import slecht. Een handelstekort wordt vooral gezien als een bewijs dat de andere partij te kwader trouw is.

    Bij welke docent economie Trump op Wharton ook in de collegebanken heeft gezeten, die zal de huidige situatie met afgrijzen aanschouwen. Twee partijen hebben voordeel bij een internationale transactie, anders zouden ze geen zaken met elkaar doen. Sterker nog: het is heel normaal dat landen een overschot hebben bij sommige partners en een tekort bij andere, precies zoals het hoofd van het huishouden een ‘handelstekort’ bij zijn of haar supermarkt, huisarts of tandarts heeft en een ‘handelsoverschot’ bij zijn of haar werkgever.

    Hoewel een handelstekort met een land natuurlijk niet op problemen wijst, is het voor de VS niet gezond 
om overal ter wereld een hardnekkig tekort te hebben. Betere handelsovereenkomsten kunnen die tekorten terugdringen, doordat ze barrières voor de export van Amerikaanse goederen en diensten wegnemen. Daar heeft Trump gelijk in.

    Maar de Amerikaanse handelstekorten laten ook zien dat het land er niet in slaagt genoeg geld over te houden om in fabrieken, woningbouw, wegen et cetera te investeren. Het handelstekort is het statistische broertje van een gebrek aan middelen: de VS moeten lenen om hun consumptie te financieren, in plaats van dat het land import betaalt met export. Op dat vlak gaat het de verkeerde kant op. De belastingverlagingswet die meer banen moet opleveren, eind 2017 triomfantelijk door Trump ondertekend, zal er alleen maar voor zorgen dat het nationale begrotingstekort toeneemt. Dat zorgt er volgens economen weer voor dat 
het gebrek aan middelen groter wordt, evenals het handelstekort. Als een 
eeneiige tweeling komen het begrotings- en het handelstekort uit ‘dezelfde zygote’, aldus de titel van een 
onderzoeksrapport van de bank 
JPMorgan Chase & Co op 2 maart.


    Door zich onder verwijzing naar het zelden gebruikte ‘lid 232’ van de 
Handelsexpansiewet van 1962 op de nationale veiligheid te beroepen, scheppen de VS een precedent voor het omzeilen van de regels van de Wereldhandelsorganisatie. De WHO is traag 
en lang niet altijd effectief, maar wanneer landen haar beginnen te negeren en elkaar om de oren slaan met hoge tarieven en quota, kan de wereldhandel met een schok tot stilstand komen. Dat zou iedereen parten spelen.

    ‘De nationale veiligheid moet als 
argument voor speciale gelegenheden achter de hand worden gehouden, zoals het hoort,’ zegt Nicole Lamb-Hale, voormalig staatssecretaris van Economische Zaken in de regering-Obama. ‘Andere landen zullen zeggen: “Amerika doet het, dus wij mogen het ook”,’ aldus Lamb-Hale, tegenwoordig directeur bij Kroll Inc., een onderzoeks- en beveiligingsbedrijf.

    Het idee dat de VS hun metaalproductie zouden moeten opvoeren om schepen, tanks en vliegtuigen te vervangen die in de strijd zijn verwoest, is Tweede Wereldoorlogdenken, aldus Jeff Bialos, partner bij advocatenkantoor Eversheds Sutherland in Washington en voormalig staatssecretaris van Defensie in de regering-Clinton. ‘Vandaag de dag gaat het om kwalitatief overwicht,’ zegt hij. Als het schieten begint, 
‘vechten we met wat we hebben’.

    ‘Doen hetzelfde als China’

    Dat Trump met een handelsoorlog dreigt, maakt het lastiger om gecoördineerd op te treden tegen de nationalistische Chinese handels- en investeringsagenda. Duitsland is sinds 2016 een stuk scherper op zijn beleid op 
het gebied van buitenlandse investeringen. In dat jaar verijdelden de VS 
de verkoop van Aixtron, een Duitse fabrikant van apparatuur voor de 
productie van halfgeleiders, aan een Chinees investeringsbedrijf door de aankoop van de Amerikaanse tak te dwarsbomen. In september stelde Commissievoorzitter Juncker een 
systeem voor de hele EU voor om directe investeringen vanuit het buitenland te screenen. Vorig jaar gaf Australië opdracht tot het opstellen van een 
landelijk register van kwetsbare overheidsbezittingen. Het register dient om bestuurders te informeren die moeten besluiten over transacties waarbij de nationale veiligheid in het geding kan zijn. De Australiërs waren zich namelijk rot geschrokken toen een Chinese investeerder rechtstreeks met de overheid van de Northern Territory onderhandelde over de lease – 99 jaar lang! – van Darwin, een haven pal onder de neus van de Amerikaanse marine.

    Maar op dit moment lopen de VS het gevaar hun morele gelijk inzake handel en investeringen kwijt te raken. Daniel Rosenthal, adviseur bij Kroll op het gebied van buitenlandse investeringen in de VS, zegt dat de VS China al jaren de les lezen omdat het de nationale veiligheid als excuus gebruikt. Rosenthal: ‘We ondergraven ons eigen standpunt, want intussen doen we precies hetzelfde.’

    Auteur: Peter Coy

    Bloomberg
    Verenigde Staten | bloomberg.com

    Opgericht door Michael Bloomberg, de burgemeester van New York. Richt zich op de zakelijke en financiële markt.

  • De grootste bloemenveiling ter wereld

    De grootste bloemenveiling ter wereld

    Aalsmeer is het epicentrum van de wereldwijde bloemenhandel. In een gigantisch gebouw worden dagelijks 27 miljoen bloemen verhandeld. El País kreeg een rondleiding door een labyrint van rozengeur en maneschijn.

    Het is elf uur ’s ochtends als een koelwagen achteruitrijdt en zich vasthaakt aan laad- en losdock nummer 17. De chauffeurs stappen uit, openen de containers en er komen 48.250 rozen tevoorschijn. De rozen komen uit Soria [Spanje], waar ze twee dagen eerder zijn geplukt, waarna ze via Frankrijk en België in twintig uur tijd naar Aalsmeer zijn vervoerd. Hier, in dit gigantische gebouw van 1,3 miljoen vierkante meter met 443 identieke laad- en losdocks waar dagelijks 27 miljoen bloemen de ruimte 
binnengaan en weer verlaten, wordt 
de lading gelost. Binnen vindt de transactie tussen verkopers en kopers plaats. Op de grootste bloemenveiling ter wereld gaan de bloemen van de teler naar de groothandel, worden vraag 
en aanbod samengebracht en de prijs bepaald. De bloemen en planten worden verwerkt volgens een uitgekiend logistiek proces in het gebouw. Dit 
proces begint met de komst van een vrachtwagen met volle stapelwagens die door loodsmedewerkers worden uitgeladen.

    De rozen uit Soria komen in bossen van tien. In elke rechthoekige emmer is plaats voor tachtig rozen, 
in elke stapelwagen passen er 1500. 
De rozen worden naar een koelcel gebracht met een temperatuur van vier graden boven nul, waar een laatste inspectie plaatsvindt. De beste rozen, van het type A1, met stelen van bijna een meter lang en dikke, openspringende knoppen, worden verfraaid met een kartonnen verpakking, waardoor de biedprijs wellicht hoger uitvalt.

    ‘Deze komen uit Ecuador, en die daar, dat zijn Afrikaanse rozen.’ Henk 
Lammers zit al 35 jaar in het vak en herkent de bloemen van de concurrent van veraf. Jaren geleden werkte hij 
als veilingkoper; daarna, in de jaren tachtig, opende hij in Madrid een groothandel en nu is hij in Nederland verantwoordelijk voor de transacties van Aleia Roses, een Spaans bedrijf dat in 2016 in de bloemenhandel is gestapt. Aleia Roses heeft in Soria een enorme kas waar de Red Naomi wordt geteeld, een van de meest gewilde rozen. Elke dag worden er honderdduizend rozen geoogst die bijna allemaal naar veilinghuis Aalsmeer worden getransporteerd, waar het bedrijf een eigen kantoor en koelcel heeft.

    Lammers is onze gids in dit gebouw. We volgen zijn kindjes in deze enorme machinerie in Aalsmeer. Vele kilometers leggen we af in een labyrint van gangen en ijskoude ruimtes, waar het altijd ruikt naar een tuin in de vroege ochtend.

    Jaaromzet 4,7 miljard

    Royal Flora Holland, de coöperatie 
die eigenaar is van de Aalsmeerse 
bloemenveiling, draait een jaaromzet van 4,7 miljard euro (dat is twee keer de omzet van de Spaanse boekenbranche). De geschiedenis van het veilinghuis gaat terug tot het einde van de negentiende eeuw en is onderwerp van het proefschrift ‘The Making of Dutch Flower Culture’ (later bewerkt tot het boek Holland Flowering) waar de Amerikaanse antropoloog Andrew Gebhardt in 2014 op promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. ‘Van de zes veilinghuizen (nu zijn dat er nog vier) die eigendom zijn van Flora Holland 
werken tienduizend personen per dag via Aalsmeer,’ schrijft Gebhardt in 
zijn onderzoek. ‘Dit is de grootste van allemaal. Het veilinghuis bedient de lokale, de regionale en de wereldmarkt. Zowel in Nederland als daarbuiten is Aalsmeer het gezicht van de bloemenindustrie, en in Aalsmeer vond de allereerste veiling van tuinbouw-
producten plaats.’

    Gebhardt vertelt dat de plaatselijke passie voor bloemen is geboren in de zeventiende eeuw, de Nederlandse Gouden Eeuw. Toen richtten de Nederlanders de blik naar buiten, hielden 
ze zich bezig met wetenschappelijk onderzoek en deden allerhande uitvindingen, koloniseerden ze gebieden én vochten ze tegen de Spanjaarden. 
De nouveaux riches importeerden 
exotische goederen en raakten geïnteresseerd in nieuwe vormen van vrijetijdsbesteding, zoals tuindecoratie. 
Er ontstond zelfs een run op tulpen 
uit Turkije, de zogeheten tulpenmanie, die aan de wieg stond van een van de eerste financiële zeepbellen. De prijzen van tulpenbollen schoten omhoog en er werd druk geïnvesteerd en gespeculeerd. Je kunt het vergelijken met de bitcoineuforie van nu. Maar in 1637 spatte de bloembollenzeepbel uit elkaar en zagen veel middenklassers hun spaargeld verdampen.

    Aalsmeer. De geveilde bloemen en planten worden door orderpikkers naar de transportlocatie gebracht voor vervoer naar de klanten. – © Bert Janssen / HH
    Aalsmeer. De geveilde bloemen en planten worden door orderpikkers naar de transportlocatie gebracht voor vervoer naar de klanten. – © Bert Janssen / HH

    Het was de opkomst van het protestantisme, van het kapitalisme en de markteconomie. Twee eeuwen later, toen de Aalsmeerse bloementelers hun eerste kassen bouwden (de eerste kas voor rozenteelt dateert uit 1896), besloten ze zich te verenigen in een coöperatie. Door hun oogst dagelijks op een veiling te verkopen konden ze tegenwicht bieden aan de machtspositie van de koper. Het veilinghuis Aalsmeer is in 1911 opgericht. Gebhardt: ‘Zonder veiling en zonder coöperatie zou de markt gedomineerd worden door de kopers.’ De in een coöperatie verenigde telers konden rekenen op een minimumprijs voor hun product, ze deelden het belang om een goed product te verkopen voor een redelijke prijs én ze waren immuun voor financiële zeepbellen: de snijbloem is een beperkt houdbaar product. Naarmate er minder oorlog werd gevoerd in Europa, de koopkracht steeg en de consumptiemaatschappij en 
globalisering zich consolideerden, groeide dit lokale initiatief.

    Momenteel is Nederland de op vier na grootste bloemenproducent ter wereld (na de Verenigde Staten, China, Japan en India), maar omgerekend per hoofd van de bevolking is de sector kolossaal.

    De bloemenindustrie bedraagt maar liefst 5 procent van het bbp. Nederland heeft 43 procent van de wereldwijde bloemenexport in handen en is daarmee met gemak marktleider. De omzetcijfers van 2016 van Flora 
Holland, de coöperatie die bijna alle veilingen in Nederland heeft opgeslokt, waren verpletterend. In dat jaar 
verkochten de vier veilingen samen 3,3 miljard rozen, 2 miljard tulpen, 1,2 miljard chrysanten en 1 miljard Afrikaanse margrieten. Een fors deel van die bloemen werd verhandeld 
via Aalsmeer. Nogal wat bloemen komen uit Kenia, Ecuador, Ethiopië 
en Colombia, na Nederland de grote exportlanden. Van daaruit vertrekken ze naar grootverbruikers als Duitsland, Groot-Brittannië en Frankrijk, waar snijbloemen een alledaags product zijn dat je in de supermarkt kunt kopen, legt Lammers uit, terwijl we nog steeds in de koelcel staan, die nu is volgeladen met zo’n zeventigduizend bloemen.

    Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om “te kijken en te voelen”: “Emoties sturen deze handel aan”

    Snijbloemen blijven een week of drie goed. Daarom moet de veilinglogistiek snel en nauwkeurig verlopen en mag het koelen niet onderbroken worden. Onmiddellijk na het lossen verschijnt er een elektrisch wagentje, zo eentje waar gemakzuchtige golfers in rijden, dat zich vasthaakt aan de 31 stapelwagens met de rozen uit Soria, en zo vormen ze, vastgekoppeld aan elkaar, een tientallen meters lange bloementrein die langzaam het gebouw in rijdt. 
Tijdens de rit kruist het treintje andere bloementreinen die allemaal een 
frisse, zoete geur verspreiden. 
Daarnaast zijn er fietsen waarmee je gemakkelijk de afstanden in de veiling kunt overbruggen.

    De rozen uit Soria worden naar een nieuwe koelcel gebracht, het voorportaal van de veiling – een ruimte 
die zo groot is dat je er een potje zou kunnen voetballen als er geen stellages met bloemen zouden staan en als de automatische deuren niet zomaar zouden openspringen om de zigzaggend door elkaar heen rijdende stapelwagens door te laten. In deze koelruimte staan alleen maar rozen, de rest van 
de snijbloemen gaan naar soortgelijke ruimtes. Hier blijven de rozen staan tot morgenochtend zes uur, wanneer de veiling begint. Om vijf uur ’s ochtends, een uur voor aanvang van de veiling, loopt een man langs de rijen rozen uit verschillende continenten. Hij staat stil, pakt een bos, betast de rozenblaadjes, zet de rozen terug in hun emmer en loopt door. Aan het eind van de rij slaat hij de hoek om en begint opnieuw. Een andere man zegt in zijn mobiele telefoon in het Frans ‘30 centimeter’, daarbij doelend op de stengel (hoe langer de stengel, hoe duurder de roos, want dan blijft de roos langer goed). Het zijn de kopers. Voordat de veiling begint inspecteren ze de bloemen. Een aantal jaren geleden, toen iedereen fysiek aanwezig was bij de veilingen, was het in deze ruimte 
net een mierenhoop. Nu wordt het merendeel van de bloemen via internet 
verhandeld. Maar veilingmeester Erik Wassenaar komt bijna altijd kijken. 
Hij draagt een jack en een spijkerbroek. Vandaag moet hij 1200 stapelwagens (vier miljoen rozen, vlak voor 
Valentijnsdag loopt dat aantal met 
50 procent op) verkopen. Voordat hij begint, loopt hij graag nog even de koelruimte in, om ‘te kijken en te voelen’: ‘Emoties sturen deze handel aan.’

    Red Naomi, Mystic Blue

    Even voor zessen loopt Wassenaar 
naar de koffieruimte, waar hij een paar geintjes maakt met zijn collega’s. 
Daarna loopt hij in zijn eentje zijn onpersoonlijke kantoor binnen en 
verruilt zijn nette schoenen voor een paar sneakers met platte zool. Zo kan hij het pedaal waarmee hij de veilingcontroles ijkt goed voelen. Op zijn tafel staan een toetsenbord met vreemde tekens en twee beeldschermen. Op het ene scherm staat een grote cirkel met een schaalverdeling van 1 tot 100, een voor elke eurocent. Dit is de veilingklok. Verkopen via de veilingklok is een Nederlandse uitvinding. De veilingmeester noemt een startprijs, laten 
we zeggen één euro. Daarna, als een digitale secondewijzer, telt de klok razendsnel cent voor cent af. In plaats van de prijs op te drijven, drukken de kopers aan de andere kant van het web op een knop als ze de juiste prijs te 
pakken hebben. Een angstaanjagend spel: je moet wachten tot de prijs zover is gezakt dat je zo min mogelijk hoeft af te rekenen, maar wacht je te lang, dan is een andere koper je voor. Dit 
vak vereist zelfbeheersing en stalen zenuwen.
    ‘Laten we het zo stellen: het is niet handig om de avond ervoor een paar biertjes gedronken te hebben,’ glimlacht onze gids. Dan klinkt er ineens een Japanse gong. De veilingmeester zet zijn koptelefoon op zijn hoofd en zegt: ‘Ladies and gentlemen! Pure Roses…’ Wat volgt gaat in het Nederlands, in korte zinnen: ‘minimale afname…, steel 50 centimeter…’ Onderwijl tikt Wassenaar op zijn toetsenbord en draait het bolletje rond en volgt de ene na de andere transactie. Tot zijn kantoortje dringen vaag de stemmen van de andere veilingmeesters door 
die in identieke veilingzalen zitten. Zo nu en dan neemt hij een slok koffie en prijst hij een partij aan op een speciale toon: ‘Red Naomi, Mystic Blue,’ zegt 
hij geheimzinnig in de microfoon. Na achttien minuten is Aleia Roses uit Soria aan de beurt. Hij pauzeert even om de spanning op te voeren, en 
daar gaan de partijen. In 3 minuten 
en 16 seconden worden er 41.320 eenheden verkocht, dat is 210 rozen per seconde. Die van de hoogste kwaliteit gaan voor 81,3 cent de deur uit, 
15 procent duurder dan de vorige keer.

    Intussen treedt er buiten zijn kantoor een machinerie in werking. In de koelcel worden de geveilde bloemenkarren op een rail getrokken en als onbemande spookhuiswagentjes door de ruimte geleid, richting de distributiehal. Dit is het kloppende hart van de markt: een hoge ruimte waar geen einde aan komt en waar zenuwslopende muzak klinkt, terwijl een wirwar van behendig bestuurde elektrische wagentjes de stapelwagens naar een volgende plek rijden, waar de bloemenpartij op een nieuwe stapelwagen wordt geladen en door andere elektrische wagentjes naar buiten worden gereden. In vijf uur tijd worden er vijftigduizend transacties gesloten; dat zijn 166 bewegingen per minuut. Aan boord van een van de elektrische wagentjes leidt de baas van het distributiecentrum, David Otten, ons de drukke werkvloer op waar men vlak langs elkaar rijdt en je getrakteerd wordt op een concert van gepiep, gezoem en gekletter. Otten zegt dat er 270 elektrische wagentjes rijden en dat het bij 284 link wordt. Elke bestuurder draagt een koptelefoon met een voice-systeem dat de instructies in zijn oor lispelt. Het is een vrouwenstem tegen wie de bestuurders terugpraten. 
‘Vaak,’ zegt hun baas, ‘fantaseren ze dat ze met een bloedmooie vrouw spreken.’ Een bijenkorfbrein dat een leger 
elektrische wagentjes aanstuurt. 
Otten wijst naar een poster met daarop de slogan ‘Samen vullen wij de wereld met bloemen’. Hij wil dat de werknemers trots zijn op wat ze doen. ‘Wij zorgen ervoor dat honderdduizenden cadeaus hun bestemming bereiken; 
wij vullen de wereld met emoties.’ Aangestuurd door kunstmatige 
intelligentie wordt er een regenboog vol dromen, beloftes, dood en teleurstellingen, liefkozingen, geboortes, relaties, leugens, hoop en prestaties 
de wereld in gestuurd.


    Het complete spectrum wordt bestreken, van rozen voor één euro tot die van de chique bloemist.

    Evenals in andere branches hebben digitalisering en globalisering bepaalde taken overbodig gemaakt; het 
personeel is in vijf jaar tijd met 
driehonderd man (zo’n 10 procent) gekrompen. Ook kalft de positie van Nederland als zenuwcentrum af: in 2005 was het land goed voor 50 procent van de wereldwijde export, dat is 7 
procent meer dan tegenwoordig. Maar het totale volume is toegenomen: er worden meer bloemen gekocht dan tien jaar geleden. En Aalsmeer is 
cruciaal. ‘De prijs in Aalsmeer is bepalend voor de rest van de wereld,’ legt Lambert van Horen uit, bloementeeltanalist bij de Rabobank. ‘Iedereen kijkt naar Aalsmeer, want het is de grootste veiling ter wereld. Net zoals een graankoper de markt in Chicago in de gaten houdt. Aalsmeer helpt de teler bij het nemen van zijn beslissingen: hier wordt bepaald welke kleuren en bloemen het goed gaan doen. Maar één ding is zeker: in de toekomst is deze fysieke ruimte overbodig.’ Van Horen legt uit dat veel bloemen niet meer naar Aalsmeer zullen komen. Een scherpe foto met de specificaties die 
de kopers online kunnen bekijken 
volstaat. Nog maar een van de veertien veilingen in Aalsmeer wordt fysiek bezocht. De volledig in bedrijf zijnde veiling houdt het midden tussen een saaie collegezaal en de controlekamer van een ruimtevaartagentschap. De kopers, zonder uitzondering mannen, zitten zwijgend op een tribune achter hun beeldscherm. Het is een steriel proces geworden. Vroeger konden ze 
de bloemen zien, ruiken en voelen.

    De koningin

    Ruud Haak (53) koopt al drie decennia lang bloemen, de laatste twintig jaar heeft hij zich toegelegd op de roos, 
ook wel de koningin van de bloemen-industrie genoemd (omzet in Nederland: 1,2 miljard euro). Je zou hem de rozenbroker van distributeur Hilverda De Boer kunnen noemen. Hij werkt vanuit de vestiging van het meer dan honderd jaar oude bedrijf aan de overkant van de weg. Elke ochtend van 
zes tot tien neemt Haak plaats in een donkere zaal vol beeldschermen en ergonomische stoelen, samen met een dozijn andere kopers, als ruimteverkeersleiders opgesteld in een halve cirkel. Hij heeft die ochtend voor aanvang van de veiling een kijkje genomen in 
de koelcel. Het aanbod viel tegen. Dan is het zaak de prijs niet te ver te laten zakken: snel reageren, anders blijf je met lege handen achter. Hij weet nog dat hij op Valentijnsdag zijn duurste rozen ooit heeft gekocht, ze liepen tegen de vier euro. ‘Voor dit soort soort werk bestaat geen opleiding – je hebt het of je hebt het niet,’ zegt Haak 
terwijl zijn vingers razendsnel over het toetsenbord vliegen om op de prijs 
te bieden die op het scherm wordt afgeteld.

    Na afloop toont hij de distributie-|afdeling waar alle bestellingen van die ochtend worden afgehandeld. In een doos ligt een bos rozen uit Soria, klaar voor transport naar bloemist Le Jardin des Fleurs in Rennes (Frankrijk). Een aantal andere emmers gaat naar de winkel van Ernst van Woerkom, vlak 
in de buurt. Al zijn bloemen komen uit Aalsmeer. Terwijl hij de doorns van 
de stelen afhaalt en de rozen op een houten tafel zet vertelt hij wat bloemen doen: ‘Bloemen maken emoties los. Ze kunnen je in een andere stemming brengen, ze spreken zonder iets te zeggen, ze kunnen een intens verdrietige gebeurtenis een beetje opfleuren.’ Stukje bij beetje vertelt deze 
bloemendecorateur, niet bloemist’ 
wat bloemen voor hem betekenen, een band die teruggaat tot zijn kindertijd, en over het door hem gemaakte bloemstuk dat elk jaar in Amsterdam aan Sinterklaas wordt aangeboden en, niet te vergeten, over de bloemendecoratie voor de koninklijke bruiloft van Letizia en Felipe in de Kathedraal van Madrid. Op de toonbank vouwt hij het bewijs open: knipsels uit het tijdschrift Hola. En daarnaast iets wat de aandacht trekt: twee rozen in de knop met zorg in een vaas geschikt. Te koop voor 
achtenhalve euro.

    Auteur: Guillermo Abril
    Vertaler: Henriëtte Aronds

    Openingsbeeld: Elke dag worden er honderdduizend rozen geoogst die bijna allemaal naar veilinghuis Aalsmeer worden getransporteerd. – © Bert Janssen / HH

    El País
    Spanje | oplage 397.000

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • Saffraan bloeit van Quebec tot Kosovo

    Saffraan bloeit van Quebec tot Kosovo

    Saffraan, de duurste specerij ter wereld, wordt al eeuwenlang verbouwd in Iran en Afghanistan. Maar de laatste jaren is er een hausse aan nieuwe producenten in landen als Canada, Nieuw-Zeeland en Kosovo. ‘Het is een heel opwindend product.’

    Micheline Sylvestre doet het anders dan de meeste saffraantelers. Waar de meesten hun bloemen ’s ochtends vroeg plukken, wacht zij tot later op de dag, als alle dauw is verdwenen. Vorig jaar, toen het vroeg in het seizoen sneeuwde, plukte Sylvestre er driehonderd terwijl 
ze met haar vader aan het schoffelen was. Twee jaar geleden kwam ze met de kerst nog bloemen tegen.

    Maar ze is ook in een ander opzicht verschillend. Sylvestre komt niet uit Iran, Afghanistan of Kasjmir, waar al eeuwenlang bijna alle saffraan ter wereld wordt geproduceerd. Ze woont in Lanaudière, 
Quebec, ruim honderd kilometer ten noorden van Montreal, en ze verbouwt al bijna vier jaar saffraan. Haar kwekerij, Emporium Safran, maakt deel uit 
van een golf van nieuwe saffraanbedrijven die het goed doen in Noord-Amerika, Europa en zelfs in Nieuw-Zeeland, waar de telers ook een ent-industrie ontwikkeld hebben. Canada’s eerste commerciële saffraankwekerij, Pur Safran, begon in 2014 in 
Quebec. Nu telt de provincie zo’n dertig producenten, volgens het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedsel in Quebec.

    In de VS zijn er de laatste vijf jaar zo’n honderd 
kwekerijen van de grond gekomen, en afgelopen maart organiseerde de universiteit van Vermont 
een saffraanworkshop waar mensen konden leren hoe je in Amerika saffraan teelt en verkoopt. 
Nieuw-Zeeland kent vijf grootschalige, commerciële producenten, en de regering meent dat saffraan het land in de toekomst kan helpen zich aan te passen aan de klimaatverandering. In Groot-Brittannië wordt weer binnenlandse saffraan geteeld na een tussenpauze van tweehonderd jaar. Kosovo, dat investeringen ontving van het Europese Ontwikkelingsfonds en het Amerikaanse Agentschap voor Internationale Ontwikkeling, ontdekte dat zijn 
saffraan de hoge internationale normen overtrof. 
En de waarde van de saffraanexport in de Europese Unie is sinds 2000 bijna verdriedubbeld.

    Duurste specerij ter wereld

    ‘Er is echt enorme belangstelling voor saffraan,’ zegt Sylvestre. ‘Het is een heel vreemd, opwindend en onvoorspelbaar product.’ Saffraan heeft de reputatie de duurste specerij ter wereld te zijn; in de VS gaat het kruid voor drieduizend dollar per vijfhonderd gram van de hand. Dat komt gedeeltelijk doordat 
het heel arbeidsintensief is: voor vijfhonderd gram saffraan zijn ruim 83.000 met de hand geplukte bloemen nodig.

    Hoewel het meestal in warmere klimaten wordt 
verbouwd – zo’n 85 procent van de saffraan wordt geteeld in Iran – doet saffraan het ook goed in 
koudere streken. Droge plekken met warme en koude seizoenen verdienen de voorkeur; vandaar dat het realistisch is om saffraan te telen in Canada. En het saffraanseizoen begint in de herfst, dus de verbouw kan gemakkelijk ingepast worden.

    Economisch potentieel

    Er is ook een markt voor saffraan, zegt Arash Ghalehgolabbehbahani, een wetenschappelijk medewerker aan de universiteit van Vermont die saffraan bestudeert. Volgens de VN hebben de VS in 2016 46 ton saffraan geïmporteerd. Een groot deel van de saffraan die op de markt komt, is vermengd. Daardoor is er ruimte voor de productie van hoogwaardige saffraan waar mensen zoals Sylvestre zich op toeleggen.

    In Nieuw-Zeeland maken Jo Daley en haar man deel uit van een handvol commerciële saffraantelers. Daley zag het oorspronkelijk als een hobby, maar in plaats van vijfhonderd saffraanbolletjes te planten, gingen ze er helemaal voor en plantten er veertigduizend. Ze waren sceptisch; voor zover zij wisten, waren ze de zuidelijkste telers in Nieuw-Zeeland. Maar de saffraan gedijde. Toen het getest werd op kwaliteit brak hun saffraan een record. ‘We hebben nu een enorme hoeveelheid,’ vertelt Daley, maar toch moet ze haar best doen om aan de vraag te voldoen. Op dit moment doet haar bedrijf Kiwi Saffron voornamelijk zaken met restaurants, cafés en cateraars.

    In de VS heeft de saffraanteelt een geschiedenis: Amish-gemeenschappen in Pennsylvania verbouwen de specerij al driehonderd jaar, vertelt Ghalehgolabbehbahani. Sylvestre heeft een van die Amish-
producenten ontmoet tijdens de workshop aan de universiteit van Vermont afgelopen maart. ‘Het was er afgeladen.’

    gettyimages 831353528

    Maar de belangstelling voor de teelt van saffraan verbreidt zich ver buiten de Amish-gemeenschap 
in de VS. Aan de universiteit van Vermont hebben Ghalehgolabbehbahani en entomologiedocent 
Margaret Skinner het Noord-Amerikaanse Centrum voor Saffraanonderzoek en -ontwikkeling opgezet. Ze houden een mailinglijst bij voor saffraantelers in Amerika, die nu driehonderd leden telt onder wie honderd actieve telers. De aandacht die saffraan trekt, wijst op erkenning van het economisch potentieel van het kruid en rechtvaardigt de pogingen om het lokaal te produceren.

    Vanwege Kosovo’s hoogwaardige saffraan tonen sommige telers daar al belangstelling voor buitenlandse markten, meldde een casestudy van USAID. 
In het zuiden van Groot-Brittannië werd de specerij vroeger in grote hoeveelheden verbouwd, maar dat stopte zo’n tweehonderd jaar geleden toen de culinaire smaak veranderde. Nu leggen commerciële kwekerijen zoals Norfolk Saffron zich weer toe op saffraan. In Zwitserland heeft het dorp Mund in 
de afgelopen tien jaar toeristen getrokken met de teelt van het kruid.

    Doordat saffraan in droge klimaten gedijt, is het 
een potentieel belangrijk gewas voor de toekomst in Nieuw-Zeeland, een land dat volgens het Nationale Instituut van Water en Atmosferisch Onderzoek 
economisch gezien het kwetsbaarste is voor droogte. De gesprekken van Ghalehgolabbehbahani met 
kwekers in Iran wijzen er ook op dat streken waarin saffraan wordt geproduceerd over het algemeen naar het noorden verschuiven. Dat betekent dat mensen aan de warmere randen van het gebied waarin 
saffraanteelt mogelijk is op meer moeilijkheden kunnen stuiten bij de productie, terwijl andere 
streken – waar het kruid vroeger niet groeide – saffraanvriendelijker worden.

    Recent onderzoek, dat erop wijst 
dat saffraan de behandeling van symptomen van alzheimer, depressie en premenstrueel syndroom kan verbeteren, kan de vraag naar de specerij vanuit de geneeskunde doen toenemen

    Ook de nieuwe streken waarin geëxperimenteerd wordt met saffraan kunnen met problemen te maken krijgen. Omdat de VS over het algemeen natter zijn dan gebieden waar saffraan doorgaans groeit, is het gewas gevoeliger voor ziekten en schimmel. Knaagdieren, die dol zijn op saffraanknollen en -bloemen, vormen een groot probleem. En volgens Ghalehgo-labbehbahani is het economisch gezien nog steeds verstandiger om saffraan uit Iran of Afghanistan te importeren als de specerij daar goedkoper is dan de saffraan die in de VS wordt geteeld.

    Maar Skinner en Ghalehgolabbehbahani zijn op 
zoek naar oplossingen voor die gevaren. Sylvestre en Saley hopen dat recent onderzoek, dat erop wijst 
dat saffraan de behandeling van symptomen van alzheimer, depressie en premenstrueel syndroom kan verbeteren, de vraag naar de specerij vanuit de geneeskunde zal doen toenemen. Ze wachten af. Saffraan heeft per slot van rekening pas een paar maanden nadat het geoogst en gedroogd is de meeste smaak. ‘Net als een goede wijn,’ zegt Sylvestre.

    Auteur: Olivia Miltner
    Vertaler: Tineke Funhoff

    OZY
    VS | ozy.com

    ‘Welkom bij het nieuwe nieuws’, luidt de slogan. Aneesh Raman, speech-writer voor Obama, 
werkte een tijd voor de nieuwssite.

  • Sinds wanneer zijn kauwgom en mayonaise luxeproducten?

    Sinds wanneer zijn kauwgom en mayonaise luxeproducten?

    Algerije heeft invoerbeperkingen ingesteld om de handelsbalans te herstellen. Maar een importstop op ‘luxeproducten’ als kauwgom en mayonaise hoort eerder thuis in Noord-Korea, schrijft Yazid Taleb.

    De Algerijnse minister van Handel Mohamed Benmeradi voert al maanden een intensieve mediacampagne voor zijn beleid van drastische invoerbeperkingen, waarvan het enige tastbare effect is dat het een economie van schaarste in ons land creëert.

    Onlangs lichtte de minister zijn project opnieuw toe aan de Commissie Financiën en Algérie Press Service, het nationale persbureau. Zo vernamen we dat het ministerie van Handel de binnenlandse productie wil beschermen door de invoer terug te brengen van 45 miljard dollar nu tot 41 miljard dollar eind dit jaar en 30 miljard dollar volgend jaar.

    Volgens de minister wordt de invoer van bepaalde producten ‘volledig beëindigd’. Het betreft ‘luxegoederen’ zoals zonnebloemzaden met een importwaarde van 25 miljoen dollar, mayonaise (20 miljoen dollar) en kauwgom (25 miljoen dollar). Mayonaise en kauwgom zijn dus luxegoederen in de ogen van de ambtenaren van het ministerie van Handel, die verder niet wil uitleggen langs welke wonderbaarlijke weg de invoerkosten met 15 miljard dollar zullen worden verlaagd. Want het invoerverbod op bovengenoemde drie producten levert in totaal niet meer dan 70 miljoen dollar op.

    Improvisatie

    Blijkbaar kunnen de ambtenaren van het ministerie van Handel niet tellen. Dat vermoeden hadden we al een tijdje, want eerder dit jaar kondigde Benmeradi dus al aan de invoer te willen terugbrengen tot zo’n 41 miljard dollar in 2017. Dat irreële cijfer spiegelde hij ook het parlement voor tijdens de indiening van het wetsvoorstel voor de begroting van 2018. Maar alle experts verkondigen al maanden dat de invoer dit jaar niet onder de 45 miljard uitkomt en dat het beleid van invoervergunningen een mislukking is. Zo hekelde Mouloud Hedir, een Algerijnse specialist in buitenlandse handel, het invoervergunningenbeleid. Het vergunningenstelsel heeft de import volgens hem niet noemenswaardig kunnen terugdringen en kent een groot aantal tekortkomingen, zoals ‘een gebrekkige afstemming en onduidelijke doelstellingen’ en ‘improvisatie’, die de zichtbaarheid en effectiviteit van genomen maatregelen niet ten goede komen. Veel van de beoogde beperkingen (bananen, ketchup, voedingspreparaten enzovoort) hebben volgens de deskundige ook ‘geen enkel verband met de doelstelling van aanzienlijke invoerbeperking’. Toegegeven, Mouloud Hedir wist toen nog niet wat voor ijzersterke troef het ministerie achter de hand had: een verbod op de invoer van kauwgom.

    Weg met die quota en algemene vergunningen, die nutteloze aanval op de invoer van chocola en bananen. De handelsbalans kan zeer waarschijnlijk al in 2019-2020 weer in evenwicht zijn

    Volgens de laatste cijfers over buitenlandse handel is het Algerijnse handelstekort al in de eerste negen maanden van dit jaar gehalveerd. Niet door een vermindering van de invoer, die al een jaar vrij stabiel is, maar door het herstel van de olieprijs sinds december 2016. In dit tempo zal ons handelstekort, dat in 2016 bijna 18 miljard dollar beliep, in 2017 rond 10 miljard dollar bedragen.

    Weg dus met die quota en algemene vergunningen, die nutteloze aanval op de invoer van chocola en bananen. De handelsbalans kan zeer waarschijnlijk al in 2019-2020 weer in evenwicht zijn, dankzij de realisering van een aantal grote industriële projecten (in het bijzonder op het gebied van staal, textiel en fosfaat) die de invoer aanzienlijk zullen terugdringen zonder dat het nodig is maatregelen te nemen die beter passen bij een economie van schaarste, en die niet meer inhouden dan een vlucht in invoerquota door hardleerse bureaucraten.

    De ervaringen van de afgelopen drie jaar leren dat een eenvoudige regelmatige aanpassing van de wisselkoers, zoals tussen eind 2014 en juni 2016 gebeurde, voldoende zal zijn om de gewenste daling van de invoer te bereiken. De relatieve stabilisering van de wisselkoers van de dinar, die een jaar geleden door de Algerijnse financiële overheid is doorgevoerd, stimuleert de invoer juist en kan de onbalans in de handel versterken. Uiteindelijk is hernieuwd economisch beheer van de nationale buitenlandse handel onvermijdelijk. In de tussentijd zal ons land ongetwijfeld veel schade hebben opgelopen door de bureaucratische doodlopende weg van invoervergunningen waarin de ambtenaren van het handelsministerie volharden.

    Sommige besparingen kunnen trouwens heel snel worden doorgevoerd: de salarissen, voordeeltjes en declaraties die Benmeradi en zijn medewerkers hebben ontvangen om projecten te bedenken die thuishoren in Noord-Korea en Venezuela.

    Auteur: Yazid Taleb
    Vertaler: Carl Stellweg

    Beeld: Op de markt in Algiers, Algerije. – © Ton Koene

    Algerie-Focus
    Verschijnt dagelijks | algerie-focus.com

    Dit Franstalige webzine, gelanceerd in november 2008, is de eerste interactieve krant van Algerije. ‘Informatie voor u en met u’, vermeldt de homepage. De onafhankelijke site verslaat het Algerijnse nieuws op politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied en biedt ook thematische dossiers. Naast een team in Algiers telt de redactie correspondenten in Parijs.

  • Poolse David tegen Deense Goliath

    Poolse David tegen Deense Goliath

    De Pool Ryszard Florek is de op een na grootste dakramenfabrikant ter wereld. Al jaren voert hij een verbitterde strijd met de Deense marktleider Velux over oneerlijke concurrentie. Dat Brussel hem hierin niet steunt beschouwt hij – en met hem de rest van Polen – als een groot onrecht.

    Hij ging nooit meer naar Brussel, had hij boos geroepen, en er een stroom verwensingen aan toegevoegd. Zelfs het woord ‘maffia’ viel. Maar nog geen vier weken later staat Ryszard Florek opnieuw in de aankomsthal van Zaventem. Een gedrongen man, midden zestig, weinig haar, weinig nek. Zijn toch al kleine ogen staan deze morgen nog wat slaperig, hij ziet er afwisselend vermoeid en strijdvaardig uit.

    Midden in de nacht is Florek thuis in het Poolse Nowy Sacz opgestaan. Zijn vrouw heeft twee boterhammen voor hem gesmeerd, daarna is hij in anderhalf uur met de auto naar Krakau gereden, daarvandaan naar Frankrijk gevlogen en uiteindelijk naar Brussel. Veel moeite, alleen maar om een vrouw te ontmoeten over wie hij zegt: ‘Ik vertrouw haar niet.’

    Ergens moeite voor moeten doen heeft hem nooit afgeschrikt, Florek is een man van de lange termijn. En had hij echt kunnen weigeren toen de EU-commissaris voor Mededinging hem voor een gesprek uitgenodigde? Margrethe Vestager is een van de machtigste vrouwen van de EU, en Florek heeft haar nodig. Of hij haar nu wel of niet vertrouwt. Daarom heeft hij zijn eerdere voornemen laten varen en is hij weer naar Brussel gekomen. De afgelopen jaren was hij hier al vier keer. ‘Dit is echt de laatste keer,’ zegt hij bezwerend.

    Oneerlijke concurrentie

    Florek is ondernemer. In het zuiden van Polen heeft hij een fabriek voor dakramen, Fakro, met 3400 werknemers de op een na grootste dakramenfabriek ter wereld. Na Velux, veruit de grootste speler op deze kleine, zeer gespecialiseerde markt. Al jaren voeren Fakro en Velux een verbitterde strijd. Om marktaandeel, winst, oneerlijke concurrentie, mogelijk om spionage.

    En niet in de laatste plaats gaat het over Europese cohesie. Want Fakro is een paradepaardje uit de nieuwe EU-landen, terwijl Velux uit het oude deel van de EU komt. De groep behoort tot de Deense VKR-holding, haar hoofdkantoor staat in Hørsholm, ten noorden van Kopenhagen. Het gevecht tussen de twee ondernemingen laat zien hoe snel de oude kloof tussen Oost en West weer kan opensplijten. 
Het verklaart ook waarom de huidige Poolse regering zo’n succes heeft met haar agressieve anti-Europese stemmingmakerij.

    Florek verwijt zijn concurrent dat deze misbruik maakt van zijn dominante positie en oneerlijke methodes gebruikt om Fakro te bestrijden. Daarom heeft hij vijf jaar geleden bij de EU een klacht ingediend vanwege oneerlijke concurrentie. Zijn hoop was dat de EU hem zou bijspringen en voor gerechtigheid zou zorgen, en dat ze hem zou compenseren voor de ongelijkheid tussen de opkomende onderneming uit het Oosten en de dominante reus uit het Westen. Maar de Commissie heeft nog steeds niets besloten, en hoe langer het onderzoek duurt, des te bozer Florek wordt – op Velux, zijn nare concurrent, op de EU, en op Margrethe Vestager, de commissaris voor Mededinging die hij vandaag voor het eerst ontmoet.

    Ryszard Florek komt uit Tymbark, een klein plaatsje in het zuiden van Polen, niet ver van de Slowaakse grens. Zijn vader was meubelmaker, zijn ouders hadden daarnaast een kleine boerderij. Dat was mogelijk omdat de communisten hier, ver van Warschau, oogluikend toestonden dat de mensen privé grond bezaten. Enthousiast vertelt Florek hoe hij als kind op het land van zijn tante appels ging plukken, die in kisten verpakte en daarna verkocht: ‘Mijn eerste onderneming!’ Na de val van het communisme heeft de regio enkele zeer succesvolle middelgrote bedrijven voortgebracht: een ijsfabriek, een vleesfabrikant, een
specialist in garagedeuren. En natuurlijk Florek, de dakramenkoning. Je moet je deze streek een beetje voorstellen als Baden-Württemberg: een broedplaats van zelfbewuste middenstanders. ‘De mensen werken hier harder dan elders,’ zegt Florek.

    © Fakro
    © Fakro

    Buitenlandse investeerders daarentegen hebben zich hier tot nu toe nauwelijks laten zien. Het landschap is prachtig, maar Nowy Sacz en Tymbark zijn nog altijd moeilijk te bereiken. Traag slingert de weg zich door het heuvelachtige land dat aan de Karpaten grenst; het maanzaad bloeit, appels hangen te rijpen. Overal langs de weg staan kerken en kruisen. Politiek is de streek stevig op de hand van regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS). De enige ondernemingen uit het Westen die de weg hiernaartoe hebben gevonden, zegt Frolek, zuigen geld weg in plaats van te investeren: ‘Lidl en [de Duitse drogisterijketen] Rossmann helpen niet om de economie te ontwikkelen, ze romen haar alleen af.’ Recht tegenover zijn fabriek heeft de Duitse supermarkt een filiaal geopend.

    Het bedrijfsterrein ligt aan de rand van Nowy Sacz. Ter ere van de komst van de Duitse verslaggever heeft Florek de zwart-rood-gouden vlag laten hijsen. In de entreehal staat op een witte, marmeren sokkel een gouden plaquette met de Poolse adelaar, een onderscheiding van de president. Florek vertelt: in 1977 mocht hij voor het eerst naar het Westen, hij was toen voorzitter van de academische sportbond aan de Technische Universiteit van Krakau. Een vriend zorgde voor een stage in Hannover. Daar zag de aankomend ingenieur dat wat zijn verdere leven zou bepalen: dakramen. Die waren tot dan toe in het Oosten onbekend, het communisme stopte de daken dicht met karton. Terug in Polen richtte Florek zijn eerste bedrijf op, een meubelfabriek, maximaal tien werknemers mocht hij aanstellen. Machines haalde hij uit Duitsland: een niet meer gebruikte kegelsnijder, een vierzijdige schaafmachine. Investeringen voor een toekomst die snel zou beginnen.

    Het begrip wereldmarkt moet je met een korreltje zout nemen, want lang niet elk klimaat en type woning is geschikt voor dakramen. Meer dan de helft wordt in Duitsland en Frankrijk verkocht

    In 1990, na de val van het IJzeren Gordijn, was Floreks grote moment aangebroken. Hij was 38, een man in zijn beste jaren, hij had ervaring en was ambitieus. Met open armen begroette hij de nieuwe, aanvankelijk ongebreidelde vrijheid: ‘In die tijd was alles toegestaan wat niet verboden was.’ In zijn garage ontwikkelde Florek het eerste dakraam. Samen met een partner richtte hij Fakro op. Zijn vrouw deed de boekhouding. Al snel waren de garage en de oude meubelmakerij te klein. Florek kocht het huidige terrein aan de rand van stad. De verkoopcijfers gingen snel omhoog, de inhaalvraag in Oost-Europa was groot. En stap voor stap waagde Fakro zich ook in het Westen. In 1997 produceerde hij voor het eerst meer dan honderdduizend dakramen.

    Ryszard Florek is een van degenen die in Oost-Europa bleven maar het kapitalisme snel omarmden. Ongetwijfeld een van de ‘winnaars van de Wende’ – tot Velux op het toneel verscheen.

    Eerlijk gezegd bestond Velux allang. De Deense ingenieur Villum Kann Rasmussen was er in 1941 in geslaagd iets te doen waarvan veel ondernemers alleen maar konden dromen: hij had een product uitgevonden en korte tijd later een bedrijf opgericht, waarvan de naam voortaan identiek was met het product. Dakramen en Velux zijn voor veel mensen hetzelfde. Al even sterk is de positie van het bedrijf. De Europese Commissie gaat ervan uit dat de Denen met hun dakramen in 2012 een wereldmarktaandeel van 72 procent hadden. Velux heeft zeventien fabrieken in negen landen, wereldwijd heeft de VKR-holding meer dan 14.000 werknemers. Het begrip wereldmarkt moet je overigens met een korreltje zout nemen, want lang niet elk klimaat en type woning is geschikt voor dakramen. Meer dan de helft wordt in Duitsland en Frankrijk verkocht.

    De markt in Oost-Europa was nog niet open, of Velux breidde uit naar Polen. In 1990 openden de Denen een kantoortje in Warschau. Toen Fakro net begon, was de westerse concurrent al aanwezig. In 1993, zegt Florek, attaqueerde Velux voor de eerste keer: de wereldmarktleider verlaagde de prijs van zijn standaardramen met 30 procent. De Poolse markt was voor Velux bijzaak, maar voor Fakro van levensbelang. ‘Dat was de eerste slag,’ zegt Florek. ‘Toen begreep ik dat het niet makkelijk zou worden en dat we zelf moesten groeien.’ Een paar jaar later kwam de tweede slag: Velux verplaatste een groot deel van zijn productie naar Polen. Voor Florek stond dit gelijk aan een oorlogsverklaring, maar voor de managers in Hørsholm was het een voor de hand liggend besluit: de productiekosten, vooral de lonen, waren in Oost-Europa een fractie van die in het Westen. Tel daarbij op dat Polen over enorme bossen beschikt. Polen beschikte dus niet alleen over goedkope arbeidskracht, maar ook over een massa grondstoffen.

    Het Westen dat het Oosten uitbuit: een verhaal dat in de Midden- en Oost-Europese landen tot op de dag van vandaag veel weerklank vindt en ook door de regering in Warschau graag wordt gebruikt. Die zou een deel van de economie het liefst ‘herpoloniseren’. Daarom heeft ze de op een na grootste bank van het land, een dochter van Unicredit, genationaliseerd. 
En ze heeft een ‘supermarktbelasting’ ingevoerd die uitsluitend op grote, buitenlandse detailhandelsketens is gericht. ‘We zijn niet principieel tegen buitenlandse investeringen. Maar kapitaal heeft altijd een paspoort,’ is de onderbouwing van Piotr Glinski, plaatsvervangend minister-president, voor het wantrouwen in buitenlandse beleggers en de poging van zijn regering om binnenlandse ondernemingen te beschermen. Aan de extra belasting voor zeer grote supermarkten heeft de EU-commissaris voorlopig een einde gemaakt.

    Velux heeft zich door deze vaderlandslievende koers niet laten afschrikken. Het Deense concern heeft nu vier productievestigingen in Polen, bijna uitsluitend voor de export. Daar, op de markt in Frankrijk, Duitsland en Rusland, wordt geconcurreerd. Van de oorspronkelijk bijna 25 fabrikanten van dakramen zijn er nog maar een handvol over. Velux heeft ook zijn bedrijf willen kopen, vertelt Florek, dat was in 1999. Maar de Pool wees dat af. Daarop is de strijd geëscaleerd.

    David en Goliath

    In dit debat beschouwt Florek zichzelf als de Poolse David die tegen de Deense Goliath vecht. Maar in plaats van zijn slinger te gebruiken, vertrouwde Florek op de belofte die de EU voor zijn land betekende: bindende regels en gelijke rechten voor toegang tot de interne Europese markt. In zijn ogen beschikt de EU over een geweldige macht. Inderdaad wordt de mededingingsautoriteit in Brussel over de hele wereld gevreesd, en Margrethe Vestager, de EU-commissaris, heeft daar haar aandeel in geleverd door de Amerikaanse internetgigant Google onlangs tot een recordboete van 2,2 miljard euro te veroordelen. Want tot de regels voor de binnenlandse markt hoort een apart hoofdstuk. ‘Ondernemingen die de markt beheersen’ mogen hun positie niet misbruiken, bijvoorbeeld door kleine ondernemingen met dumpprijzen uit de markt te drukken. Maar de mededingingsautoriteit moet wel kunnen bewijzen dat het om misbruik gaat: lage prijzen zijn niet per definitie verboden.

    Tien jaar geleden heeft de Europese Commissie de klachten tegen Velux voor het eerst onderzocht. Ze zag er toen, bij gebrek aan bewijs, van af om in te grijpen. Maar Florek is niet iemand die snel opgeeft en makkelijk grenzen accepteert. Het terrein waarop hij in de loop der tijd zijn bedrijf heeft opgebouwd ligt langs een spoorlijn, een lastig obstakel. Desondanks heeft Florek verder gebouwd: een tunnel van honderd meter lang en vijf meter breed verbindt het oude en het nieuwe fabrieksterrein. Volgens Florek is het ‘de eerste privétunnel van het land’.

    Zomer 2102 begint hij opnieuw en dient bij Brussel een tweede mededingingsklacht in. De opsomming van de vergrijpen die Florek zijn concurrent ten laste legt, is lang. Velux zou in het geheim prijsafspraken hebben gemaakt met de vakhandel. Door ontoelaatbare exclusiviteitsafspraken werden bouwmarkten en dakdekkersbedrijven gedwongen om geen Fakro-ramen meer in te zetten. Met een goedkoop merk, Rooflite, heeft Velux zogenaamd geconcurreerd, maar alleen om Fakro uit de markt te drukken. En helemaal bizar: om zijn Poolse concurrent in diskrediet te brengen zou Velux deze goedkope ramen hebben voorzien van een warrige, onbegrijpelijke montagehandleiding in het Pools. ‘De dakdekkers moesten denken: Poolse rotzooi!’ zegt Florek boos.

    Fabro-fabriek in Polen. – Fabro
    Fabro-fabriek in Polen. – Fabro

    Florek en zijn juristen hebben 184 gevallen van misbruik verzameld, het originele klaagschrift telt 300 pagina’s. De bijlagen beslaan nog eens 1100 pagina’s: documenten, cijferreeksen, getuigenverklaringen. Een voormalig werknemer van Velux verklaart bij notariële akte dat hij nog nooit voor een bedrijf heeft gewerkt dat zo tegen concurrenten te werk ging als Velux. Op de afleveringsbon voor een bouwmarkt staat: ‘Om te voorkomen dat Fakro-ramen worden gebruikt, bieden wij u Velux-ramen aan, waarbij we het prijsverschil door middel van een creditnota zullen vergoeden.’ Naar de mening van Florek zijn de bewijzen eenduidig en zijn de vergrijpen tegen het mededingingsrecht openlijk zichtbaar. De Commissie kan zo beslissen. Maar de Commissie beslist niet. Ze onderzoekt.

    Dus doet Fakro er nog een schepje bovenop, stuurt meer documenten, nog meer bewijs. Drie juristen van de onderneming en een advocatenkantoor in Krakau houden zich ermee bezig. Ook huurt Florek een Duitse advocaat in. Wellicht, hoopt hij, worden Duitsers in Brussel serieuzer genomen dan Polen. Bovendien hopen de rechtsgedingen tussen de firma’s zich op. Inbreuken op patenten, merkenrecht, voorlopige beschikkingen: meestal is de Deense onderneming de klagende partij. Advocaten van Fakro vergaderen met experts van de Europese Commissie, en in juli 2013 gaat Florek voor het eerst zelf naar België. ‘Wat moeten we doen als Brussel niet naar ons luistert?’

    In de eerste jaren na de toetreding van Polen tot de EU stijgt de omzet van Fakro nog, maar sinds enige tijd stagneert de verkoop van dakramen. In Duitsland, een van de belangrijkste afzetmarkten, zit het Poolse bedrijf al jaren in de rode cijfers. Florek zegt: ‘We zouden zo tweeduizend nieuwe mensen kunnen aannemen, als Velux ons niet zo tegenwerkte.’ Behalve dakramen produceert Fakro ook schuiftrappen, een markt waarop de Denen zich niet begeven.

    In december 2015 krijgt Florek eindelijk een brief. ‘Betreft: zaak AT.40026 − Velux’. Afzender is Johannes Laitenberger, directeur-generaal van de Brusselse mededingingsautoriteit. In 25 kantjes legt Laitenberger ‘namens de Commissie’ uit dat de EU tot nu toe niet voldoende aanknopingspunten heeft gevonden om een zaak tegen Velux te openen. Onder verwijzing naar Europese verdragen schrijft hij dat de Commissie slechts ‘beperkte middelen’ ter beschikking heeft en daardoor niet in staat is ‘bij ieder mogelijk vergrijp tegen het Europese mededingingsrecht een onderzoek te beginnen’. Ze moet ‘prioriteiten stellen’.

    De brief is een eerste waarschuwing, er ligt nog geen besluit. Maar Florek is sprakeloos. Uitgerekend de zogenaamd almachtige Commissie, die geweldige Brusselse machinerie die het tegen Google opneemt, zou niet genoeg middelen hebben om de zaak van een Poolse middenstander op te pakken? Drieënhalf jaar heeft hij zitten wachten, en nu legt een directeur-generaal hem uit dat zijn verzoek geen prioriteit heeft. De ondertoon die hij meent te horen is nog moeilijker te verdragen dan het vooruitzicht dat zijn klacht misschien wordt afgewezen. ‘Het gaat niet over onze levensstandaard, daar zorgen we zelf wel voor,’ zegt hij, ‘maar we willen gelijke kansen en gelijke rechten! We willen geen witte neger zijn!’ We, dat zijn de Midden- en Oost-Europeanen.

    Afrekening

    Het antwoord dat zijn advocaten opstellen lijkt op een afrekening. Ze verwijten de Commissie een ‘gebrek aan integriteit’, de Brusselse ambtenaren zouden ‘onbetrouwbaar’ handelen, ze zijn ‘onverschillig’, ‘oppervlakkig’ en ‘unfair’. De autoriteit veronachtzaamt haar taak en benadeelt kleinere bedrijven, vooral uit de nieuwe lidstaten, die juist extra bescherming nodig hebben. Want de westerse concurrentie heeft tenslotte tientallen jaren voorsprong.

    Door deze reactie wordt de klacht definitief tot een politieke kwestie. En de woede van Florek verandert het gebruikelijke perspectief volledig: terwijl de Europese Commissie de regering in Warschau voorhoudt dat die de rechtstaat ontmantelt, verwijt Florek de Brusselse autoriteit juist dat die het vertrouwen in het recht ondermijnt. ‘Dit is niet de Unie die we willen. Nu hebben we alleen Kaczynski nog’. Jaroslaw Kaczynski, voorzitter van de PiS, geldt in Warschau als de sterke man. Voor de meeste mensen in de westelijke EU-landen werkt hij als een rode lap. Florek weet dat heel goed, hij provoceert opzettelijk.

    Florek is geen aanhanger van de Poolse regeringspartij, hij heeft er nooit op gestemd. Maar in dit gevecht is elke ondersteuning welkom. En zijn verwijten passen prima in het verhaal dat de Poolse regering vertelt: de Europese Unie staat aan de kant van de grote concerns en de oude lidstaten. ‘Veel kleine landen hebben al moeten meemaken dat hun belangen in 
de EU met voeten werden getreden,’ zei Witold Waszczykowski, de Poolse minister van Buitenlandse Zaken, onlangs in een interview. Florek rekent voor dat het grootste deel van de winst en de waarde-creatie die Velux met zijn dakramen uit Polen realiseert, naar Denemarken gaat.

    Om zijn verwijten tegen de Europese Commissie te onderbouwen heeft Florek een onderzoek laten uitvoeren. Het heeft als titel: ‘(On)eerlijke concurrentie: Worden bepaalde landen door het Europese mededingingsrecht bevoordeeld?’ Een Poolse denktank heeft de mededingingszaken van de afgelopen jaren geanalyseerd en komt tot een verrassende conclusie. Sinds de toetreding van de Midden- en Oost-Europese landen heeft de Brusselse beschermer van de vrije concurrentie ‘nooit de kant van een onderneming uit de nieuwe lidstaten gekozen’, als die een klacht had ingediend tegen een onderneming uit de oude EU. In maart, bij zijn tot nu toe laatste bezoek aan Brussel, heeft Florek het rapport overhandigd. Naast hem zat Ryszard Legutko, Europarlementariër voor de PiS. ‘Het is bedroevend en schokkend dat ondernemingen uit het zogenaamde nieuwe Europa niet op gelijke behandeling kunnen rekenen,’ zei Legutko. Fakro is er een ‘stuitend voorbeeld’ van.

    In Brussel worden de verwijten beslist van hand de gewezen. ‘Een van de fundamentele principes van ons onderzoek is onpartijdigheid,’ zegt Margrethe Vestager. Dat betekent ‘dat we alle ondernemingen gelijk behandelen, of ze nu Europees zijn of uit het buitenland komen, of ze uit het oosten, het westen, het noorden of het zuiden van Europa komen.’ Nooit, en dat is heel belangrijk voor haar, heeft de Commissie zich aan de zijde van een onderneming geschaard, zoals in de studie wordt geformuleerd. ‘Wij staan aan de kant van de feiten en van de wet, en aan die van de Europese consument.’ Inderdaad is het onderzoek dat Florek in Brussel presenteerde slechts gebaseerd op een klein aantal gevallen. Er zijn sinds 2006 slechts vier zaken door de Commissie onderzocht waarbij een onderneming uit Oost-Europa een West-Europese onderneming verweet dat ze misbruik maakte van haar dominante marktpositie.

    ‘We betalen lokale belastingen, we geven meer dan vierduizend mensen werk, we investeren en we ontwikkelen een keten van toeleveranciers. Dat is allemaal pure meerwaarde’

    Niet ver van het vliegveld van Warschau, gemakkelijk bereikbaar voor zakenreizigers, ligt The Park: zes splinternieuwe kantoorgebouwen, veel glas, veel grind, met praktische hokjes voor rokers ertussenin. Carlsberg, Goodyear, IBM, het internationale kapitaal dat in Polen opereert heeft hier zijn bruggenhoofd. In een van de gebouwen op de eerste verdieping bevindt zich het bureau van Jacek Siwinski. Sinds vier jaar is hij directeur van Velux Polen; daarvoor heeft hij lang voor een Duitse firma gewerkt.

    Siwinski vraagt begrip voor het feit dat hij niet in detail op de beschuldigingen van Fakro kan ingaan. Het enige wat hij erover kwijt wil, is dit: ‘Alles waarvan Fakro ons beticht is ongegrond en niet gebaseerd op feiten.’ Siwinski weet ook dat daarmee niet alles gezegd is. Nu Floreks verwijten in steeds bredere kring aandacht trekken − zelfs de plaatsvervangend minister-president heeft zich erover uitgesproken − dreigt de Deense onderneming in Polen imagoschade te lijden. Ook Velux heeft daarom onderzoek laten doen, eveneens door een Pools instituut. In vijftig pagina’s worden het belang van de onderneming en het nut van buitenlandse investeerders voor de Poolse economie beschreven.

    We lezen het volgende. In de afgelopen vijf jaar heeft Velux in Polen 138 miljoen euro geïnvesteerd. Op de vier vestigingen werken intussen meer dan vierduizend werknemers, en zelfs het management bestaat vrijwel uitsluitend uit Polen. Daarmee werken er meer Polen bij Velux dan bij Fakro. Tot de eigenaardige aspecten van dit debat hoort dat in zekere zin Polen tegen Polen worden opgezet. Kostenefficiency was bij het besluit over de vestigingsplaats ook belangrijk, geeft directeur Siwinski toe, ‘maar inmiddels gaat het veel meer over kwaliteit’. Poolse arbeiders zijn goed opgeleid, het Poolse hout is uitstekend.

    Klopt het, zoals Florek beweert, dat de belasting en de winst vooral naar Denemarken vloeien? ‘Wij doen hetzelfde als lokale ondernemingen,’ antwoordt Siwinski. ‘We betalen lokale belastingen, we geven meer dan vierduizend mensen werk, we investeren en we ontwikkelen een keten van toeleveranciers. Dat is allemaal pure meerwaarde.’ Waar en hoeveel belasting Velux betaalt, verklapt hij niet.

    Maar een woordvoerder van de onderneming uit Hørsholm stuurt ongevraagd twee artikelen op uit een Deense krant, in Engelse vertaling. De Deense politie heeft een onderzoek ingesteld naar een voormalig medewerker van Velux op verdenking van industriële spionage, zo luidt het bericht. Via een Duitse tussenpersoon zou hij Fakro documenten met inside-informatie hebben aangeboden. Florek bevestigt dat hij inderdaad met de tussenpersoon heeft gebeld, maar zegt dat hij nooit documenten heeft ontvangen. Ook de Deense onderzoekers hebben zich nog niet bij hem gemeld. Hij vermoedt ‘een nieuwe provocatie van Velux. Die Denen zijn rovers.’

    Voor het hoofdkantoor van de Europese Commissie in Brussel wapperen 28 EU-vlaggen, een voor elke lidstaat. Een obelisk herinnert aan Robert Schuman, de ‘voorvechter van het verenigde Europa’. Ryszard Florek draagt een grijze aktetas; voor het gesprek met Margrethe Vestager wordt hij begeleid door drie juristen en een voormalig parlementslid dat nu voor Poolse firma’s lobbyt. De commissaris moet beslissen: ofwel haar autoriteit begint formeel een zaak tegen Velux, maar dan moeten de ambtenaren wel tamelijk zeker zijn van hun zaak, of ze wijst Floreks klacht af en speelt zodoende de EU-kritische krachten in Polen in de kaart. Dat Vestager zelf uit Denemarken komt en daardoor vooringenomen kan zijn, maakt de zaak er niet eenvoudiger op.

    Onrecht

    Mededingingszaken worden in Brussel uiterst discreet behandeld zolang er nog geen besluit is genomen. Florek ontmoet de commissaris op de tiende verdieping van het hoofdkantoor van het commissariaat, waar ze kantoor houdt. Een van de Poolse juristen moet tijdens het gesprek tolken, want Florek spreekt wel vloeiend Duits maar geen Engels. De commissaris en twee medewerkers zitten tegenover de Fakro-delegatie.

    Van tevoren heeft Florek aantekeningen gemaakt. Hij wil de commissaris nog eens de situatie van zijn bedrijf schetsen, maar hij wil vooral vertellen wat hij verwacht – van Europa, van de mededingingsautoriteit, van Vestager. Tot slot wil hij de bedrijfsresultaten van Fakro in Duitsland laten zien, die steeds slechter zijn geworden omdat Velux, naar zijn idee, unfair te werk gaat. ‘Wat moet ik doen?’ wil hij haar tot slot vragen. Maar de commissaris heeft een ander doel. Zij moet Florek erop voorbereiden dat ze hem mogelijkerwijs moet teleurstellen.

    De mededingingsautoriteit van de EU mag dan veel macht hebben, er werken maar achthonderd mensen. Dat is niet veel als je de grootste economie ter wereld wilt reguleren. De ambtenaren in Brussel moeten fusies controleren, staatshulp toetsen, het mededingingsrecht handhaven. Alleen al het [Duitse] Bundeskartellamt heeft 375 medewerkers, bijna de helft van dat in de EU, voor die paar nationale zaken. Het almachtige Brussel lijkt alleen van veraf een reus: hoe dichterbij je komt, hoe kleiner hij wordt. De Commissie moet daarom voor ieder individueel geval de afweging maken: hoe waarschijnlijk is het dat een onderneming heeft gezondigd tegen het mededingingsrecht? En, wat vaak over het hoofd wordt gezien: hoe waarschijnlijk is het dat dat vergrijp ook bewezen kan worden? ‘De Commissie moet haar zaken zo goed onderbouwen dat ze de toetsing door de rechters van de EU kan doorstaan,’ zegt Vestager nadrukkelijk.

    Aan de ene kant de emoties en belangen van een hartstochtelijk ondernemer, aan de andere kant de koele – vaak al te koele – ratio van de Brusselse autoriteit. In het kantoor van de commissaris stuiten die twee vanmiddag op elkaar. In Vestagers visie zou er al veel gewonnen zijn als Florek een beetje tot bedaren kon worden gebracht. En als hij ermee zou willen stoppen de EU in Polen als maffia te blijven aanduiden, zelfs als de Commissie uiteindelijk niet in zijn voordeel beschikt. Het gesprek duurt bijna twee uur, veel langer dan verwacht. Ongebruikelijk weinig spraakzaam haast Florek zich na afloop naar Zaventem. Heeft hij gelijk gekregen? Is de man uit Polen groot onrecht aangedaan? Of heeft hij zich vergaloppeerd?

    Ongetwijfeld speelt Velux het keihard. Of de Denen in strijd handelen met de regels voor de binnenlandse markt is voor een buitenstaander nauwelijks te zien. Maar de verwijten van Florek gaan veel verder dan hetgeen waarvoor Vestager verantwoordelijk is. De economische achterstand die de ‘nieuwe’ landen dertien jaar na hun intrede in de EU nog steeds hebben, kan ook door het mededingingsrecht niet worden opgeheven. Maar de strijd van Florek weerspiegelt een stemming die overal in Midden- en Oost-Europa heerst: het gevoel tweederangs Europeanen te zijn. Zijn aanklacht is niet alleen van belang voor Fakro, zegt Florek: ‘Heel Oost-Europa wacht op het resultaat.’

    Auteur: Matthias Krupa
    Vertaler: Izaak Hilhorst

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • De jacht op de glimworm

    De jacht op de glimworm

    Chinezen zijn dol op glimwormen. Ze worden losgelaten bij feesten en partijen, en er bestaan zelfs speciale themaparken rond de beestjes. Maar in de regio Jiangxi zijn ze aan het verdwijnen. De Chinese site Jiemian stelde een onderzoek in en legde een zeer winstgevende handel bloot.

    Op de middag van het Drakenbootfeest, op 30 mei, heeft Xie Shunli* zijn motor genomen om een hoofdlamp te kopen bij de plaatselijke ijzerwinkel. Deze man, die de vijftig nadert, is een van de glimwormenjagers van Huangpu, een gemeente in de stadsprefectuur** Ganzhou in de provincie Jiangxi in het zuidwesten van China. Velen van hen komen bij dezelfde ijzerwinkel hoofdlampen en glimwormennetten kopen. De eigenaar verschaft ze vaak informatie over mogelijke kopers. Maar de laatste tijd krijgt Xie Shunli steeds minder telefonische bestellingen, sinds online verkoopplatformen als Taobao, eigendom van de Chinese gigant Alibaba, onder maatschappelijke druk accounts van verkopers van levende glimwormen sluiten.

    Zoals voor de meeste insectenjagers is het voor Xie Shunli maar een nevenactiviteit. In 2003 liet hij een huis van twee verdiepingen bouwen van het geld dat hij had verdiend met zijn baan bij de provincie Guangdong, in het zuiden van het land. De afgelopen jaren is hij in zijn dorp gebleven om rijst te verbouwen en zich samen met vrienden aan de apicultuur te wijden. Ook is hij lid geworden van een toneelgezelschap van een stuk of tien mensen, dat caichaxi-stukken opvoert, een soort opera’s die typisch zijn voor de omgeving van Ganzhou en waarin de traditionele liederen figureren die worden gezongen tijdens de thé-oogst. Het gezelschap treedt op tijdens bruiloften en op markten, voor een dagelijkse gage van maximaal 5000 yuan (€ 627), oftewel 300 yuan (€ 37) per acteur. Dat is minder dan de glimwormenjacht oplevert. Als hij duizend insecten vangt en die voor minimaal dertig yuancent per stuk verkoopt, levert die activiteit hem meer dan 300 yuan per avond op.

    Schatrijk

    Vorig jaar is een neef van Xie Shunli tussenhandelaar in glimwormen geworden. Toen is Xie de avonden dat hij niet moet optreden op de insecten gaan jagen. Soms zou hij zelf ook wel tussenhandelaar willen worden, om meer te verdienen. De tussenhandelaren staan in contact met mogelijke klanten en sturen jagers op pad om glimwormen voor ze te vangen. Elke handelaar werkt met een bepaald aantal jagers die hij goed kent.

    Omdat de kleine insecten met het lichtgevende achterwerk de laatste jaren erg in trek zijn, met name bij de ingebruikstelling van onroerendgoedprojecten, in themaparken en op bruiloften, is er een bloeiende handel in ontstaan. In de belangrijkste habitats van glimwormen hebben gespecialiseerde handelaren winkeltjes geopend. Alleen al het stadje Huangpu telt er drie, en in het dorp Heshu zijn er ook twee – waaronder een van de neef van Xie Shunli. En in het stadje Xiaobu, ongeveer tien kilometer verderop, geniet een handelaar genaamd He Jianming bijzondere bekendheid. Zelfs mensen uit Huangpu komen hem hun vangst verkopen. Een grote tussenhandelaar kan gemakkelijk een miljoen yuan (€ 127.300) per jaar opstrijken. In de regio weet iedereen dat He Jianming schatrijk is geworden met deze handel.

    Deze tussenhandelaren hebben een gigantische markt op poten gezet. Volgens cijfers van Yue Hua, de oprichter van de vereniging ‘De Ecologische Glimwormenketen’, telde het online verkoopplatform Taobao eind juli 2016 96 verkopers van levende glimwormen, 58 meer dan een jaar ervoor. 29 van hen konden niet duidelijk aangeven waar hun waar vandaan kwam, maar 57 (85 procent) verhandelden glimwormen die afkomstig waren uit Ganzhou; de resterende tien verhandelden insecten uit de provincies Guanxi (in het zuiden van China), Yunnan (in het zuidwesten), Hubei (centraal-oosten) en Jiangsu (oosten).

    In juni 2016 verkochten alleen twee platforms van Alibaba al 17.424.101 glimwormen. Uitgaande van ongeveer een yuan per verkochte glimworm komt dat neer op een maandomzet van meer dan zeventien miljoen yuan (€ 2,16 miljoen). Een verkoopvolume dat zo groot was dat verscheidene sites, waaronder Taobao, ervan beschuldigd werden ‘uitroeiers van glimwormen’ te zijn. Media en milieuverenigingen wonden zich hierover op en hebben aan de bel getrokken. De vereniging van Yue Hua schreef een open brief aan het Chinese Staatsbosbeheer om de activiteiten van deze cyberhandelaren aan de kaak te stellen en aan te dringen op de snelle invoering van een wet ter bescherming van glimwormen. Onder druk van de publieke opinie heeft Taobao zijn verkopers afgelopen mei te kennen gegeven dat de handel in wilde glimwormen voortaan verboden was op het platform. Ze werden gewaarschuwd dat Taobao de handel in deze insecten vanaf 24 mei 2017 nauwlettend zou volgen en zo nodig accounts zou sluiten.

    Glimwormen bij de Linggu-tempel in de provincie Jiangsu in China. – © Sipa Asia / REX / Shutterstock
    Glimwormen bij de Linggu-tempel in de provincie Jiangsu in China. – © Sipa Asia / REX / Shutterstock

    We zijn in Xiaobu. Deze stadsprefectuur ademt een sfeer van grote rijkdom met haar onberispelijk schone hoofdstraat, waar enkele gemotoriseerde gemeenteagenten op en neer rijden. Deze agglomeratie, bekend om haar revolutionaire communistische verleden, geldt ook als ‘glimwormenparadijs’. Het merendeel van de insecten die men tegenwoordig in de glimwormenparken in de grote steden van China aantreft zou hiervandaan komen.

    De inwoners herinneren zich de tijd dat de bergen en het platteland tegen het vallen van de avond werden verlicht door een grote menigte glimwormen. Overal zag je ze, in de bossen, op de velden, op de rivieroevers… Maar inmiddels is er door op geld beluste lieden zo veel jacht op de schildvleugelige insecten gemaakt dat ze bezig zijn te verdwijnen. Hun aantal is fors gedaald, wat sommigen ertoe heeft gebracht hun jachtgebied te verleggen naar verder gelegen heuvels en bossen. De plaatselijke autoriteiten zijn de jacht op deze insecten de afgelopen twee jaar gaan verbieden, en nu ook de elektronische sites de verkoop ervan in de ban hebben gedaan neemt de eerst zo bloeiende glimwormenhandel langzaam maar zeker af. Als je ze ernaar vraagt zeggen de bewoners vrijwel unaniem: ‘Niemand hier handelt er nog in.’

    Om er zeker van te zijn doe ik me voor als een koper van glimwormen die op zoek is naar een tussenhandelaar. Een meisje is bereid me naar Zhang Jiaming te brengen. Als we bij diens deur zijn gearriveerd, verzekert ze me: ‘Hier vindt u ze wel.’ De heer des huizes is net zijn binnenplaats aan het vegen. Terwijl hij naar ons opkijkt bromt hij: ‘Die verkoop ik al een hele tijd niet meer!’ Het meisje maakt verbluft rechtsomkeert. Vorig jaar is er inderdaad op een avond stiekem een foto bij Zhang Jiaming gemaakt door een lid van een ecologische vereniging. Daarop is een gehurkte glimwormenjager te zien die bij het licht van een lamp zijn gevangen glimwormen telt, met de bedoeling ze te verkopen. De publicatie van de foto had rampzalige gevolgen voor de plaatselijke handel in deze insecten, die sindsdien totaal is ingestort.

    De man die deze foto in het geheim heeft gemaakt is niemand anders dan Yue Hua. De door hem opgerichte vereniging ‘De Ecologische Glimwormenketen’ omvat een groep vrijwilligers die zich inzetten voor de bescherming van glimwormen en hun habitat. De afgelopen jaren hebben ze op verschillende manieren geprobeerd het gebruik van deze insecten voor commerciële doeleinden te verhinderen. Volgens statistieken van de vereniging zouden van mei tot oktober 2015 in 65 steden, waaronder Beijing, Shenzhen en met name Xi’an, in totaal 72 keer glimwormen zijn vrijgelaten tijdens een commercieel evenement. Volgens gegevens in het prospectus van de organisatoren zouden op deze manier 2,987 miljoen insecten gedwongen zijn om weg te vliegen.

    Gevolgen voor het ecosysteem

    Op de avond van het Drakenbootfeest is Yue Hua dus naar het stadje Huangpu gegaan om onderzoek te doen. Hij verwachtte de glimwormenjagers op de rivieroever te kunnen bespieden, maar ‘het wordt moeilijk om ze te vinden, want de glimwormen zijn er zeldzaam geworden’, legt hij uit. Die avond heeft Yue Hua al met al maar één glimworm gezien. Door zijn ervaring kan hij de mannetjes en vrouwtjes van elkaar onderscheiden, en ook de soorten. Het is in de voortplantingstijd dat de glimwormen licht geven, aan het uiteinde van hun achterlijf. De mannetjes paraderen dan door de lucht, terwijl de vrouwtjes, die niet kunnen vliegen, zich schuilhouden in het kreupelhout. Wanneer een mannetje een vrouwtje van zijn eigen soort bespeurt, wisselt hij lichtsignalen met haar uit. Zo onderhouden ze zich met elkaar totdat het mannetje de exacte locatie van het vrouwtje heeft bepaald en naar haar toe vliegt om te paren.

    Om vrouwelijke glimwormen te vangen, die vochtige plekken opzoeken om hun eitjes te leggen, moeten de jagers door de rijstvelden waden, waar ze zijn blootgesteld aan insecten- en slangenbeten. Mannetjes zijn makkelijker te vangen. Je hoeft alleen maar een knipperende lichtbron te hebben, met dezelfde frequentie als die van henzelf, om ze in je net te lokken.

    Het gebeurt helaas vaak dat de glimwormen in de netten van de jagers belanden voordat ze hun paring zelfs maar hebben voltooid. Vervolgens worden ze door tussenhandelaren naar de kopers verstuurd, of dat nu beheerders van glimwormenparken in de grote steden zijn of organisatoren van commerciële evenementen. ‘Omdat ze niet in hun nieuwe omgeving kunnen integreren, sterven ze massaal,’ zegt Yue Hua spijtig terwijl hij in het holst van de nacht langs de rivier loopt. Aan de oever van deze rivier is hij opgegroeid, en hij kent het plaatselijke ecosysteem zeer goed. Om de glimwormen te beschermen is hij naar de plaatselijke overheden gegaan, maar die verschuilen zich achter het ontbreken van wetten en verordeningen op dit gebied.

    ‘Als je te veel exemplaren van een bepaalde soort aan de natuur onttrekt, heeft dat altijd gevolgen voor het ecosysteem,’ legt Yue Hua uit. Het kan zelfs fataal zijn voor de soort. Fu Xinhua, die als universitair docent verbonden is aan de School voor Botanische Wetenschap en Techniek van de Landbouwuniversiteit van Huazhong, in Wuhan in de provincie Hubei, en die door zijn collega’s als de ‘beste Chinese onderzoeker op het gebied van glimwormen’ wordt beschouwd en als ‘hun beste verdediger’, bevestigt de woorden van Hua en vraagt zelf ook al twee jaar aandacht voor de ernst van de situatie. De Chinese glimwormenpopulatie neemt in hoog tempo af en sommige soorten worden met uitsterving bedreigd.

    Een evenement in de provincie Szechuan waarbij ca. 100.000 glimwormen door kinderen worden losgelaten. Volgens het Insectenmuseum van West-China zullen ze vanwege verkeerde leefomstandigheden binnen drie weken alsnog doodgaan. – © Imagine China
    Een evenement in de provincie Szechuan waarbij ca. 100.000 glimwormen door kinderen worden losgelaten. Volgens het Insectenmuseum van West-China zullen ze vanwege verkeerde leefomstandigheden binnen drie weken alsnog doodgaan. – © Imagine China

    De dag na het Drakenbootfeest heeft Yue Hua een motor gehuurd en zich naar Huangpu begeven om zich voor te doen als glimwormenkoper. Nadat hij een hele ochtend heeft rondgelopen is hij onverrichterzake teruggekeerd. Tussen de middag is hij in een restaurant gaan eten waar hij een gesprekje met de eigenaar heeft aangeknoopt. Ze mochten elkaar en de restauranteigenaar besloot hem in contact te brengen met Wang Dafu. Na een telefoontje toonde Wang, inkoper van glimwormen voor de befaamde handelaar He Jianming, zich meteen bereid om te komen.

    Deze Wang was toevallig ook al eens op de foto gezet door Yue Hua, toen hij in 2016 op de binnenplaats van He Jianming insecten aan het tellen was die hij had gevangen. Toen Yue Hua hem het restaurant binnen zag stuiven was hij bang ontmaskerd te worden, maar Wang Dafu herkende hem niet: hij was destijds zo verdiept geweest in het tellen van zijn glimwormen dat hij niet op Yue had gelet.

    De zaak werd snel beklonken en ze spraken af dat Wang Dafu Yue Hua nog diezelfde avond zou meenemen op glimwormenjacht. Toen de avond gevallen was vertrokken ze per motor, Wang Dafu en de eigenaar van het restaurant met een bouwvakkershelm op. Onderweg kwamen ze geen enkel ander voertuig tegen, je hoorde alleen maar het geronk van hun twee motoren. Aan de rand van een rijstveld stopten ze. Omdat daar maar weinig jagers kwamen dacht Wang Dafu dat ze er wel glimwormen zouden kunnen vinden. De knipperlichten van de motoren werden aangezet, waardoor inderdaad vliegende glimwormen werden aangetrokken. Terwijl hij al zwaaiend met zijn zelfgemaakte net om de motoren heen liep wist Wang Dafu in rap tempo een mooie insectenoogst binnen te halen.

    Tegen negen uur ’s avonds reden ze terug. Het huis van Wang Dafu staat op het punt verkocht te worden, maar hij ontvangt zijn waar meestal niet thuis. Gebeurt dat wel, dan worden er zaken gedaan op het achterplaatsje. Het drietal ging binnen via de achterdeur, en Yue Hua zag op de binnenplaats heel wat glimwormenjagers die bezig waren hun vangst te tellen. Wang Dafu opende zijn net en begon zijn buit te inventariseren, met behulp van een ‘teller’ die uit twee aan elkaar gelijmde mineraalwaterflessen bestond. Toen hij klaar was met tellen stopte hij vijfhonderd glimwormen in een grote stopfles vol gingkgobladeren. Voordat hij de pot sloot deed hij er nog wat glimwormen bij, om degene te compenseren die zouden kunnen doodgaan tussen het moment van verzending en het moment dat ze in handen zouden komen van hun koper, de organisator van een evenement of een verliefde romanticus.

    Een dubbele deur geeft aan de ene kant toegang tot een ruimte die is verhuurd aan een winkeltje, en aan de andere tot een zaal die de eigenaar als restaurant gebruikt en ook om glimwormen aan de man te brengen

    Naast de enige groentemarkt van Huangpu bevindt zich een discreet verkooppunt van glimwormen, waarvan desondanks bijna alle inwoners het bestaan kennen. Het is gelegen aan de straatkant op de begane grond van een flatgebouw, en er is niets wat erop duidt dat er insecten worden verkocht. Een dubbele deur geeft aan de ene kant toegang tot een ruimte die is verhuurd aan een winkeltje, en aan de andere tot een zaal die de eigenaar als restaurant gebruikt en ook om glimwormen aan de man te brengen. Bij mijn aankomst staat de toegangsdeur wijdopen en is er niemand binnen. Na geruime tijd maken de vrouw en de schoondochter van de eigenaar hun opwachting.

    De schoondochter, die erg wantrouwend staat tegenover een vreemdeling als ik, kapt het gesprek af met het excuus dat haar man er niet is en dat zijzelf van niets weet. Maar haar schoonmoeder vertrouwt me toe dat ze de laatste tijd nauwelijks nog bestellingen krijgen. ‘Als we weten dat we er klanten voor hebben, kopen we glimwormen in, maar zonder bestellingen kopen we niets.’ Toch staan er onder een tafel vijf plastic stopflessen van ongeveer 25 centimeter hoog en 15 centimeter breed die gevuld zijn met gingkgobladeren. ‘Die zetten we van tevoren klaar,’ legt de vrouw des huizes uit. Omdat ze me er niet van verdenkt dat ik journalist ben, voegt ze eraan toe dat ze bestemd zijn voor haar neef in de stad Xiaobu, die glimwormen vangt. ‘Als u wilt, kunt u rechtstreeks contact met hem opnemen,’ zegt ze.

    De neef in kwestie is niemand anders dan de beroemde handelaar He Jianming, die de laatste tijd wat zorgen heeft. Volgens een artikel in de Beijing Qingnian Bao (‘Dagblad van de jeugd van Beijing’) geven de glimwormenverkopers op internet zich sinds dit jaar uit voor kwekers om niet de publieke opinie over zich heen te krijgen. Ze doen zelfs alsof ze daarvoor een vergunning hebben, maar de journalisten hebben ontdekt dat de plaatselijke overheid zulke documenten nooit heeft verstrekt. Bovendien hielden de cyberverkopers van Taobao en andere handelaren tot dat moment vol dat de op internet verkochte glimwormen in de natuur waren gevangen, en dat er geen kwekerijen bestonden.

    Volgens het onderzoek van de Beijing Qingnian Bao had de stad Lianyungang, in de provincie Jiangsu, eind mei de organisatie van een ‘glimwormenontmoeting’ aangekondigd, waar tienduizenden insecten zouden worden vrijgelaten. Toen de betrokken verenigingen protesteerden, lieten de organisatoren hun een document zien, overgelegd door de leverancier, waaruit de herkomst van de glimwormen moest blijken en het feit dat ze wettig verkregen waren. Daarbij viel het de journalisten op dat als ‘eigenaar van de koopwaar’ een zekere He werd genoemd, directeur van het bedrijf ‘Glimwormen, liefdesdroom’ en zogenaamd in het bezit van een ‘vergunning voor het kweken van glimwormen’; de koopwaar was overigens afkomstig uit de prefectuur Ningdu, in de provincie Jiangxi.

    Ter plaatse wordt het mij door heel wat inwoners bevestigd: ‘De eigenaar van “Glimwormen, liefdesdroom” is He Jianming.’ Als ik de laatste probeer te bellen, verschijnt op mijn schermpje: ‘Kwekerij en handelsonderneming Glimwormen, liefdesdroom.’ He verzekert me telefonisch dat al zijn glimwormen gekweekt zijn en dat hij nooit wilde glimwormen heeft verkocht…

    Auteur: Liu Chengwei
    Vertaler: Peter Bergsma

    • De namen van de geciteerde personen in dit artikel zijn veranderd, met uitzondering van die van He Jianming, Yue Hua en Fu Xinhua.
      • Een Chinese stadsprefectuur telt enkele tienduizenden inwoners. Xiabu heeft er bijvoorbeeld vijftienduizend.

    Jiemian
    Bejing | jiemian.com

    Jiemian is een ‘nieuwsstart-up’ die onlangs in China werd opgericht voor de onafhankelijke denker. De nadruk ligt op de technologie- en zakenwereld.

  • Waarom China geen droompartner is voor Europa

    Waarom China geen droompartner is voor Europa

    Sinds de verkiezing van Donald Trump schuift China zichzelf naar voren als alternatieve partner voor Europa. Maar op de Chinezen valt heel wat aan te merken, betoogt Steffen Wurzel.

    Bij zijn bezoeken aan Berlijn en Brussel verkocht de Chinese premier Li Keqiang zijn land als nieuwe droompartner voor Europa. Vrijhandel, globalisering, klimaatbescherming: waar de Amerikaanse president Donald Trump het laat afweten, presenteert China zich als voorvechter.

    Maar zo simpel is het niet.

    1. Klimaatbescherming

    De afgelopen jaren heeft China zijn achterstand ingelopen en heeft het grootscheeps geïnvesteerd in hernieuwbare energiebronnen. Nergens op aarde draaien meer windmolens, worden meer zonnepanelen gefabriceerd en meer elektrische auto’s verkocht dan in China. Maar nog altijd stoot het land de meeste CO2 uit en verbruikt het de meeste kolen ter wereld.

    De stroom voor elektrische auto’s produceren de Chinezen vooral in smerige kolencentrales. Energie-efficiëntie kent het land zo goed als niet. En vanwege het vaak verouderde elektriciteitsnet draaien veel van de uiterst geavanceerde windkrachtinstallaties in het noorden en het westen van het land volkomen zinloos omdat de opgewekte stroom niet kan worden afgevoerd.

    In China gelden deze waarden uitsluitend “binnen Chinese kaders”, wat gewoon betekent dat ze niet bestaan

    2. Economie

    Al over enkele jaren zal China de grootste economie ter wereld zijn. Om dat doel te bereiken gaat het land vaak nietsontziend te werk. Het protectionisme is de afgelopen jaren alsmaar toegenomen. Begin deze maand heeft de Europese Handelskamer in Beijng weer eens geklaagd dat veel buitenlandse ondernemingen zich ten opzichte van Chinese bedrijven steeds vaker onrechtvaardig behandeld voelen. En hieraan lijkt vooralsnog geen eind te komen.

    Met hun ambitieuze Made in China 2025-programma zal het regime in Beijing de reusachtige staatsondernemingen nog eens van vele miljarden subsidies voorzien. Tegenover zulk financieel geweld maken buitenlandse bedrijven geen enkele kans.

    Chinese politici benadrukken graag in mooie bewoordingen de win-winsituatie van een nauwe samenwerking tussen Europeanen en Chinezen. Daar mag veel van waar zijn, maar de Europeanen moeten wel oppassen dat deze win-winsituatie niet slechts ten gunste van één kant uitvalt, naar het motto: win-win wil zeggen dat de Chinees tweemaal wint.

    3. Westerse waarden

    In de derde plaats is er in zijn algemeenheid nog de vraag of Europa in plaats van op de VS wel sterker op China moet inzetten. Ik wil zeker niet ontkennen dat een verdere toenadering tussen Europa en China goed is en belangrijk. Beide hebben elkaar nodig.

    Maar China heeft Europa vooral economisch nodig. Maatschappelijk gezien staan de Amerikanen – ondanks Trump – nog altijd veel dichter bij ons dan de Chinezen. En laten we hopen dat dit zo blijft. Vrijheid, democratie, medezeggenschap, rechtsstatelijkheid en individuele mensenrechten – deze grootse waarden zijn door ons Europeanen en Amerikanen moeizaam bevochten. In China gelden deze waarden uitsluitend ‘binnen Chinese kaders’, zoals de leiders in Beijing steeds weer eufemistisch benadrukken.

    Hetgeen gewoon betekent dat deze waarden, zoals wij die begrijpen, in China niet bestaan. En vermoedelijk wordt dit ook niet heel snel anders. Integendeel. De druk op alles wat naar vrijheid ademt, neemt in China verder toe. De perscensuur wordt alsmaar scherper. Sinds begin deze maand is een nieuwe cyberwet in werking getreden, waardoor de Chinese staat nog meedogenlozer controle kan uitoefenen op het internet. En op 5 juni werd de 28e verjaardag van het bloedig neergeslagen protest op het Tiananmenplein ook dit jaar weer doodgezwegen. Elke vorm van herdenking zou door de staat verhinderd zijn, zo nodig met geweld.

    Wie in China de nieuwe droompartner voor Europa meent te zien, is dus overduidelijk te snel met zijn conclusies.

    Steffen Wurzel is correspondent in Sjanghai voor de Duitse radiozender ARD. Hij doet verslag over China, Hongkong en Macau.

    Auteur: Steffen Wurzel
    Vertaler: Marten de Vries

    Openingsbeeld: Jean-Claude Juncker en de Chinese premier Li Keqiang. – © EC / Audiovisual

    Tagesschau
    Duitsland | Tagesschau.de

    Journaal van de ARD-omroepen dat wordt uitgezonden op Das Erste. De eerste uitzending was op 26 december 1952 te zien bij de NWDR (Nordwestdeutscher Rundfunk).

  • Gamegekte

    Gamegekte

    Videogames die in de jaren negentig werden uitgebracht voor de Japanse spelcomputer Neo Geo, brengen tegenwoordig tienduizenden euro’s op. Wereldwijd zijn er maar vijf verzamelaars die hun collectie compleet hebben.

    Zeven jaar geleden sloot Shawn McCleskey uit Memphis een van de grootste deals in zijn carrière. McCleskey is een handelaar in 
zeldzame videogames, verzamelkaarten en antieke machinegeweren, en de manier waarop deze 
transactie plaatsvond zou regelrecht uit een roman van Ludlum kunnen komen. Een man met de schuilnaam Wolf maakte 55.000 dollar naar McCleskey over en verscheen enkele dagen later op Memphis International Airport met een metalen koffertje. 
De mannen troffen elkaar in de drukke aankomsthal en begaven zich, na een korte stop in een Chinees restaurant, naar het huis van McCleskey. Daar inspecteerde Wolf zijn aankoop: twee videogames 
die in 1996 waren uitgebracht voor de Neo Geo, 
een Japanse spelcomputer. Toen hij zich van de authenticiteit en de goede staat van de games had vergewist, opende Wolf zijn koffertje, speciaal 
ontworpen voor het vervoer van de 30 centimeter lange cassettes, en borg ze daarin op. ‘Alsof het om een zakje diamanten ging,’ vertelde McCleskey me onlangs. Een van de voorwaarden voor de verkoop was dat Wolfs identiteit geheim zou blijven.

    Net als de meeste dingen in de wereld worden videogames minder waard naarmate ze langer bestaan. De Neo Geo is een uitzondering op die regel, waarschijnlijk omdat de bijbehorende games voor verzamelaars de heilige drievuldigheid belichamen: kwaliteit, 
zeldzaamheid en een hoge prijs. Deze oude spelcomputer werd in 1991 door gamefabrikant SNK uit Osaka – die zijn geld vooral verdiende met machines voor arcadehallen – uitgebracht voor een verkoopprijs 
van 650 dollar (wat nu meer dan 1100 dollar zou zijn), als een soort gulle geste aan de fans. Waar andere spelcomputers van die tijd vereenvoudigde versies van de populairste arcadespellen boden, bleef de Neo Geo trouw aan zijn oorsprong, ook wat de hardware betreft. De forse gamecartridges zaten in grote plastic cassettes en kostten gemiddeld 250 dollar. Daardoor bleef de vraag beperkt en verschenen de games in kleine oplages, van soms niet meer dan een paar 
honderd stuks. (In 2003 verscheen de laatste officiële titel, Samurai Spirits Zero, al worden er door derden nog steeds nieuwe games voor het systeem geproduceerd.)

    McCleskey erfde op zijn negentiende een paar ton van zijn vader. De helft daarvan belegde hij in aandelen, de rest ging op aan cartridges voor zijn Neo Geo en kaarten voor het spel Magic: The Gathering. ‘Ik woonde toen nog bij mijn moeder in het souterrain,’ zegt hij. ‘Mijn familie en vrienden zagen me heel mijn erfenis verkwisten aan videogames. Ze vonden het weggegooid geld.’ Maar de laatste jaren is zijn aandelenportefeuille enorm in waarde gedaald en 
is Neo-Geo.com, de website met webwinkel die 
hij beheert, juist steeds meer gaan opbrengen. Afgelopen voorjaar verkocht McCleskey drie cartridges voor 45.000 dollar aan iemand in Zuid-Korea. ‘De 
Neo Geo trekt verzamelaars aan omdat je, veel meer dan met munten, postzegels en strips, soms jarenlang kunt zoeken zonder iets te vinden,’ zegt hij.

    Drie waardevolle Neo Geo-games: v.l.n.r. Last Blade 2, Engels ($ 5250); Metal Slug X, Engels ($ 5950); Art of  ghting 3, Japans ($ 725). – © neo-geo.com
    Drie waardevolle Neo Geo-games: v.l.n.r. Last Blade 2, Engels ($ 5250); Metal Slug X, Engels ($ 5950); Art of ghting 3, Japans ($ 725). – © neo-geo.com

    Het merendeel van de Neo Geo-games kan – niet officieel maar wel gratis – online worden gespeeld (op www.neogeofun.com), en veel van de bekendste en duurste titels zijn door SNK inmiddels ook voor andere spelsystemen uitgebracht, tegen een fractie van de oorspronkelijke prijs. Maar die beschikbaarheid lijkt geen effect te hebben op de verzamelaarsmarkt. Net als muziek, films en boeken zijn 
videogames door digitale distributie bevrijd van hun fysieke dragers – maar het verlangen naar iets tastbaars blijft bestaan. ‘Het is natuurlijk toch 
speciaal om die games op het oorspronkelijke systeem te spelen,’ zegt Yasuyuki Oda, een ervaren gamedesigner van SNK. ‘En zo’n rijtje games staat ook prachtig in je kast.’

    Maar ondanks die bloeiende verzamelaarsmarkt zijn er in de hele wereld maar vijf mensen die hun verzameling Neo Geo-games compleet hebben. Een van hen, Mahesak Puttirungsriwong, een 41-jarige wiskundeleraar uit Thailand, schat dat hij er de afgelopen 26 jaar zo’n 200.000 dollar aan heeft 
uitgegeven. ‘Het exacte bedrag weet ik niet,’ 
vertelde hij me. ‘Dat kan ik tegenover mijn vrouw ook maar beter zo houden.’ Puttirungsriwong completeerde zijn verzameling afgelopen april met een Europees exemplaar van Kizuna Encounter, een vechtgame die hij voor 30.000 euro kon overnemen van een vriend in Italië. (Er zijn nog geen tien exemplaren van deze cartridges in omloop.) 
‘Mensen die in hun jeugd over de Neo Geo hoorden vertellen, zijn nu volwassen en verdienen genoeg om hun droom van toen na te jagen,’ zei Puttirungsriwong. ‘En ze hebben het ervoor over. De vraag stijgt, en de prijzen stijgen mee.’

    Namaak

    De grote kloof tussen vraag en aanbod leidt natuurlijk ook tot namaak. De eerste grote golf 
van namaakgames voor de Neo Geo kwam een dikke tien jaar geleden. De bootleggers kochten de goedkope arcadeversie van zo’n game, haalden de chips van het moederbord en stopten die in een lege Neo Geo-cartridge. Met goede reproducties van het artwork en de handleidingen werden nietsvermoedende kopers om de tuin geleid. De laatste jaren heeft de productie van valse Neo Geo-games zo’n hoge vlucht genomen, dat er al iemand is die andere verzamelaars aanbiedt de echtheid van hun aankoop te controleren. Het is een grafisch ontwerper uit Palm Beach County in Florida met de schuilnaam ‘8man’: zijn identiteit geeft hij liever niet prijs, omdat hij ‘geen behoefte heeft aan een bezoekje van bepaalde figuren, als je begrijpt wat ik bedoel’. Hij heeft meer dan vijftig cartridges onderzocht en al flink wat volledige of gedeeltelijke namaak gevonden. ‘De bootleggers verpesten de hele markt,’ zegt hij. ‘Dat krijg je natuurlijk als een miljoen volgers van een YouTube-kanaal over retrogames massaal naar eBay rennen om die ene parel te bemachtigen waarover ze net een filmpje hebben gezien.’

    Naarmate verzamelaars beter doorkrijgen wat namaak is, worden de bootleggers, voornamelijk afkomstig uit Frankrijk en Duitsland, ook steeds opener over wat ze aanbieden. De vraag naar zeldzame titels is zo groot dat veel spelers welbewust honderden dollars betalen voor hun namaakschat, als ze daarmee hun verzameling compleet kunnen krijgen. De meeste bootleggers maken niet eens meer gebruik van de oorspronkelijke chips. Ze gebruiken moderne generieke onderdelen en 
zetten de bestanden van de games daarop. ‘De spelervaring is identiek,’ wist een Franse bootlegger me te melden. Toen ik het daar met Puttirungsriwong over had, toonde hij begrip voor die 
compleetheidsdrang van verzamelaars. Maar 
Oda reageerde vol afgrijzen. ‘Ik heb echt de pest aan die lui die bootlegs maken,’ zei hij.

    Als er weer eens een zeldzame game te koop is, verschijnen er honderden berichten op McCleskeys forum. ‘Ik heb relatief nieuwe verzamelaars op de markt zien verschijnen, die meerdere 
exemplaren van de zeldzaamste spellen opkopen,’ zegt hij. ‘Klassiek speculatief gedrag van mensen die het als belegging zien, en dat draagt bij aan 
de immer stijgende prijzen.’ Maar sommigen bekijken het hele gebeuren met de sceptische blik van de lichtelijk gegeneerde verzamelaar. ‘Dit zijn geen aandelen’, schreef iemand onlangs op het forum van Neo-Geo.com. ‘Uiteindelijk is het gewoon een hoop plastic en zijn wij allemaal het slachtoffer van onze nostalgie.’

    Auteur: Simon Parkin
    Vertaler: Frank Lekens

    The New Yorker
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 1.043.000

    Gericht op New York zelf, maar ook daarbuiten gretig gelezen. Bekend om zijn karikaturen, commentaar op de popcultuur en vele korte verhalen.

  • Chinese afvalsorteerders krijgen stank voor dank

    Chinese afvalsorteerders krijgen stank voor dank

    Honderdduizenden arme Chinezen vonden vanaf de jaren tachtig werk in de afvalrecycling. Sommigen werden er zelfs miljonair mee. Maar door dalende prijzen ligt de sector op zijn gat en zijn de sorteerders weer terug bij af.

    In de naargeestige straatjes van Beijing kom je rammelende driewielers tegen die zwaar beladen zijn met allerlei ‘gebruikte spullen’ 
en getooid met een groot kartonnen bord waarop in onbeholpen karakters ‘Afvalinzameling’ staat.

    Ook al kent Beijing al sinds de jaren vijftig afvalscheiding, de bewoners zijn er nog niet aan gewend. Vorig jaar produceerden de huishoudens in Beijing meer dan 7,9 miljoen ton afval en de hoofdstad wordt omringd door meer dan vierhonderd stortplaatsen. Elke dag beklimmen honderden mensen stinkende vuilnisbergen om met bekwame hand het afval te scheiden. Afvalrecycling is in de Chinese hoofdstad bijna volledig afhankelijk van deze bevolkingsgroep uit de provincies, die helemaal onder aan de maatschappelijke ladder staat. Met blote handen wroeten ze in het afval om recycleerbare voorwerpen te vinden die ze vervolgens voor enkele tienduizenden yuans [1 yuan = 0,14 euro] kunnen doorverkopen aan een afvalverwerkings- en behandelingsbedrijf.

    Tot dit leger van afvalsorteerders behoort de familie Zhou, afkomstig uit een dorpje in de buurt van Fuyang, in de provincie Anhui in Centraal-China. Twintig jaar geleden vestigde Zhou Shouyi zich op bijna vijftigjarige leeftijd met zijn gezin op een vuilstortplaats aan de zuidelijke rand van Beijing. Omdat hij wees was, kon hij in zijn dorp niet over landbouwgrond beschikken. Hij moest als metselaar werken om zo goed en zo kwaad als het ging zijn brood te verdienen. Eind jaren tachtig werd Shouyi’s linkerbeen verbrijzeld door een val uit een boom op een bouwplaats, zodat hij zijn werk verloor. Daarna, in 1995, verloor hij al zijn bezittingen bij een brand. Hij besloot zijn geluk in Beijing te beproeven.

    Shouyi vertrok met zijn vrouw en vier kinderen: zijn tweeling Bingyu en Bingqing, een achtjarige dochter van zijn jongere broer van wie haar ouders vanwege geldgebrek afstand wilden doen, en zijn zoon Bingjie, die op dat moment nog in de buik van zijn moeder zat. 
Op aanraden van iemand uit het dorp trok de familie Zhou naar het district Xihongmen, ten zuiden van de vijfde rondweg van Beijing, waar zich een immense vuilstort bevindt.

    Sloppenwijk

    Nadat hij zich had aangesloten bij 
het leger van afvalsorteerders in de hoofdstad, bouwde Shouyi op de stortplaats zelf een hut van resten plaatijzer, kapotte bakstenen en stukken hout die hij her en der had verzameld, net als al hun meubels en kleren. In dit krot werd hun zoon Bingjie geboren.

    De legers van afvalsorteerders streken begin jaren tachtig in de grote steden van China neer. Volgens een studie zou Beijing er wel 160.000 hebben geteld. Het merendeel was afkomstig uit de provincies Sichuan (in het zuidoosten), Henan (in het centrale oosten), Jiangxi (in het oosten) en Anhui. Vervolgens verdeelden deze afvalsorteerders zich op grond van hun geografische herkomst in diverse clans, die elkaar op leven en dood beconcurreren. 
Sommigen werkten zich dankzij 
de goudmijn die het afval kan zijn op tot ‘glaskoningen’, ‘plastickoningen’ 
en ‘ijzer- en aluminiumkoningen’, en werden miljonair. Anderen vestigden zich op grote stortplaatsen aan de rand van de stad, waarvan ze de grond dikwijls huren van productiebrigades van naburige dorpen. De percelen beslaan enkele vierkante kilometers en zijn 
opgedeeld in ontelbare bedrijfjes waar het afval wordt gescheiden en gerecycleerd.

    Van het tiental grote stortplaatsen rond de hoofdstad zijn er maar zeer weinige die over de vereiste vergunningen beschikken of zich tijdig hebben ingeschreven bij de Dienst Handel en Industrie. Deze dienst laat zich betalen voor de locatie en bekommert zich nauwelijks om de bescherming van het milieu. Ondanks het feit dat ze talrijke problemen veroorzaken (verstoring van de openbare orde, milieuvervuiling, vervalsing en het aanlengen van spijsolie), stellen de honderdduizend afvalsorteerders de overheid in staat jaarlijks enkele honderden miljoenen yuans te besparen op het verwerken van afval.

    Afvalsorteerders in Shanghai en in Beijing (onder) op hun kenmerkende driewielers. – © Getty
    Afvalsorteerders in Shanghai en in Beijing (onder) op hun kenmerkende driewielers. – © Getty

    Dankzij het harde werken van deze mensen is China uitgegroeid tot de grootste wereldmarkt voor recycling. Volgens statistieken van de Staatscommissie voor Ontwikkeling en 
Hervorming was in 2013 bijna de helft van het koper, meer dan de helft van het papier en bijna een derde van het aluminium in het land afkomstig van recycling van uit de Verenigde Staten en Japan geïmporteerd afval. Tussen de afvalkoninkrijken bestaat een strikte onderverdeling, en het zware en vuile werk is geen enkel beletsel om wat dan ook in te zamelen.

    Wang Weiping, vicevoorzitter van de Commissie Stedelijke Milieuzaken op het stadhuis van Beijing, houdt zich al meer dan veertig jaar bezig met de afvalverwerking in de hoofdstad. Tijdens de volksvergadering van de gemeente Beijing in 2016 legde hij uit dat de afvalsorteerders zich hebben opgedeeld in dertien clans, die zijn geconcentreerd in 82 ‘kampen’ van ongeveer tweeduizend huishoudens buiten de vierde rondweg. De grootste groep heeft de bijnaam ‘clan van Sichuan’ en bestaat uit ongeveer veertigduizend voormalige inwoners van de stad Bazhong. De tweede is die van Henan (zeventienduizend leden, voor het merendeel afkomstig uit het district Gushi). De samenlevingsregels tussen de verschillende clans zijn zeer strikt, en elke clan heeft zijn eigen werkterrein (glas, plastic, voorwerpen) waarvan niet mag worden afgeweken.

    Onderzoek van Wang Weiping heeft uitgewezen dat in 1999, toen Beijing 82.000 afvalsorteerders telde, deze bevolkingsgroep betrokken was bij meer dan 70 procent van de wetsovertredingen in de hoofdstad. ‘Als er niets viel in te zamelen, gingen ze stelen, en als ze niets konden stelen namen ze hun toevlucht tot geweld.’ Alles zamelden ze in: putdeksels, vangrails en zelfs elektriciteitskabels van de metro… 
ook al werden die nog gebruikt.

    Om een eind te maken aan deze chaotische situatie heeft Wang Weiping persoonlijk ontmoetingen georganiseerd met vertegenwoordigers van een tiental van deze clans. Ze kwamen tot de volgende afspraak: de clan van Sichuan zamelt huishoudelijk afval in, die van Henan zamelt voorwerpen in, die van Hebei houdt zich bezig met het recyclen van afval buiten de vierde rondweg en die van Jiangsu zamelt spijsolie in.

    Wat hij het meeste vreesde waren de leden van de ordedienst, bestaande uit eenvoudige burgers die in samenwerking met de overheid de openbare orde in de wijken handhaafden

    Zhou Shouyi, die zich onder aan de ladder van het systeem bevond, kon alleen maar datgene verzamelen wat de verschillende clans, de officiële diensten of de ongecontroleerde bendes hadden achtergelaten nadat 
ze eruit hadden gehaald wat er van hun gading was. Omdat hij zich moeilijk kon verplaatsen vanwege zijn 
geamputeerde linkerbeen, en omdat zijn vrouw aan verschillende kwalen leed, was het arbeidsvermogen van hun huishouden sterk afgenomen ten opzichte van dat van andere gezinnen. 
De beste oplossing was in de ogen van Shouyi om alleen kleinschalig te werken en geen lawaai te maken, verstopt tussen het afval. Toch schuimde hij soms met zijn bakfiets (nadat hij zijn prothese had aangedaan) woningblokken af om voorwerpen te zoeken die op straat waren gezet. Om toegang te krijgen tot de plekken waar het afval van een bepaald blok werd ingezameld en gescheiden, moest hij elke maand een geldbedrag betalen aan vertegenwoordigers van de plaatselijke reinigingsdienst. Bijna duizend afvalinzamelingsstations voor woonblokken in Beijing zijn volgens contract aan een kleine groep inzamelaars vergeven.

    Met de nadering van de Olympische Spelen van 2008 kregen Shouyi en zijn gezin de kans de stortplaats te verlaten, omdat er een woningblok zou worden gebouwd. Er werd hun geld geboden om naar een fatsoenlijker woning te verhuizen. Maar Shouyi weigerde.

    Zijn vrouw en hij hadden geen tijdelijke woonvergunning voor Beijing, 
en ze hadden meer kinderen dan volgens de geboortebeperkingsregels was toegestaan; ze stonden dus niet ingeschreven bij de gemeente en Shouyi was bang dat ze zouden worden teruggestuurd naar hun geboortedorp als men daarachter kwam. Maar wat hij het meeste vreesde, net als de andere afvalsorteerders, waren de leden van de ordedienst, bestaande uit eenvoudige burgers die in samenwerking met de overheid de openbare orde in de wijken handhaafden. Zij deelden lukraak boetes uit van soms wel enkele honderden yuans, vooral tijdens de periode van ‘zware repressie’ die aan de Olympische Spelen voorafging.

    Wat hem ook zorgen baarde, was dat hij ‘werkloos’ zou kunnen raken als hij op een aangenamer plek ging wonen. Voor Shouyi ging er niets boven de smerige en stinkende stortplaats waar hij discreet kon leven en een karige boterham kon verdienen. Het was hun fort.

    Toch is de schoolopleiding van de kinderen altijd een grote zorg voor de familie Zhou geweest. Shouyi zelf kent maar enkele karakters, terwijl zijn vrouw volledig analfabeet is. Maar hoe moesten ze schoolgeld betalen als ze met het sorteren van afval maar net de touwtjes aan elkaar konden knopen? Bovendien waren ze niet welkom in Beijing.

    In 2002 stond geen van hun vier kinderen bij de burgerlijke stand ingeschreven, zodat ze nog steeds niet naar school konden gaan, terwijl hun oudste (geadopteerde) dochter vijftien was, hun tweeling negen en hun zoon zeven. Drie jaar later besloot hun oudste dochter werk te gaan zoeken. Iemand had haar aangeraden naar de provincie Hebei te gaan. Waar precies? Om wat voor werk te doen? Haar familie had geen idee. Sinds haar vertrek hoorden ze nooit meer iets van haar. Ze probeerden de autoriteiten te waarschuwen, maar omdat hun dochter niet was ingeschreven bij de burgerlijke stand, werd hun aangifte niet in behandeling genomen.

    © Getty
    © Getty

    De tweeling, met alleen maar een basisschoolopleiding, was gedwongen om zwaar, gevaarlijk en slecht betaald werk te accepteren. In november 2011 kregen ze hun eerste officiële baantje als kwaliteitscontroleurs in een fabriek voor elektrische materialen in het district Daxing. De fabriek stond in een afgelegen gebied en werd in de winter niet verwarmd. De twee zusjes werkten twaalf uur per dag, met soms nachtdiensten, voor een salaris van 1600 yuan [220 euro], een schamele beloning voor alles wat ze te verduren kregen.

    Toen de tweeling jonger was, was een van hen, Bingqing, gewond geraakt aan haar rug doordat een vriendje op de basisschool een stoel naar haar had gegooid. Omdat ze in haar nieuwe baan twaalf uur achter elkaar keihard moest werken, kreeg ze vreselijke rugpijn. Toen ze niet meer kon, ging ze naar het ziekenhuis, waar röntgenfoto’s werden gemaakt die haar 3000 
yuan [410 euro] kostten. Maar die foto’s alleen vond de arts nog niet genoeg; 
hij gelastte een MRI-scan. Bingqing, die beducht was voor de kosten, probeerde hem om te praten. ‘Dat kan ik echt niet betalen. Zijn die foto’s niet genoeg?’ Maar de arts bleef onverbiddelijk en uit angst te veel uit te geven staakte Bingqing uiteindelijk de behandeling, wat haar bitter stemde.

    Bingyu moest ondertussen elke dag aandachtig naar de passerende onderdelen kijken. Korte tijd later kreeg ze een oogaandoening. De zusjes hielden het ondanks alles drie jaar vol en verlieten de fabriek pas in 2014, toen ze het werk fysiek niet meer aankonden.

    Zhou Shouyi, die momenteel 68 is, heeft zelf ook steeds vaker gezondheidsproblemen: hij is al diverse keren flauwgevallen tijdens het afval sorteren. De gezondheid van zijn vrouw is nog sneller achteruitgegaan; ze heeft het vaak benauwd en valt ook regelmatig flauw. Omdat haar gezichtsvermogen achteruit is gegaan, zitten haar handen vol littekens van brandwonden, veroorzaakt door kokend water dat ze eroverheen heeft gekregen. Maar ze weigert naar de dokter te gaan, omdat ze net als haar dochter bang is dat ze veel geld voor de geneesmiddelen moet betalen.

    Ontmanteling

    Vorig jaar, vóór het Chinees Nieuwjaar, nam Bingqing een dag vrij om haar vader te helpen tijdens zijn laatste afvalinzamelingsronde. Na een dag werken hadden ze nog geen 100 yuan [14 euro] verdiend, en Shouyi begreep dat hij zo niet langer door kon gaan. Tussen de SARS-epidemie van 2003 en de Olympische Spelen van 2008 kende hij in zijn beroep een gouden tijd, maar de laatste jaren was de overheid begonnen met de ontmanteling van grote recyclinglocaties. Bovendien nam in 2015 de vraag aanzienlijk af door de crisis in de maakindustrie en kelderden de afvalprijzen. ‘Wij staan helemaal onder aan de industriële ladder. Nadat we alles hebben gegeven, kunnen we ophoepelen!’ constateert een bittere Shouyi.

    De situatie is nog erger voor andere sorteerders, zoals die uit Gushi, concurrenten die Shouyi altijd erg benijdde. Terwijl hij voor zijn woning in een rij barakken in Dongxiaokou staat, 
kijkt meneer He, een inzamelaar, naar het braakliggende terrein dat zich voor hem uitstrekt en vraagt zich af of hij Beijing, waar hij toch meer dan tien jaar heeft gewoond, niet moet verlaten.

    Dongxiaokou ligt buiten de vijfde rondweg van Beijing en stond bekend als het ‘afvaldorp’, vooral bewoond door mensen uit Gushi in de provincie Henan. In de gouden tijd werd er afval ingezameld en gescheiden op een immens terrein van meer dan 33 hectare, waar enkele tienduizenden mensen elektronische en elektrische apparaten verwerkten die door Beijing waren afgedankt.

    In alle jaren dat hij in Dongxiaokou woont, heeft meneer He de activiteit zien afnemen. Vroeger bedroeg de maandelijkse huur voor een locatie 5000 yuan [690 euro] en kon je wel 10.000 yuan [1370 euro] per maand verdienen, maar tegenwoordig verdien je hooguit 3000 yuan [410 euro] als magazijnbediende in het naburige dorp, dat nog niet met de grond gelijk is gemaakt. Volgens meneer He ‘ligt de sector volledig op zijn gat’.

    Op hun drieëntwintigste hebben Bingyu en Bingqing allebei een vriendje (bezorgers van thuismaaltijden). Maar hoeveel ze ook van hen houden, ze zijn niet van plan met hen te trouwen

    De familie Zhou weet heel goed dat de afvalprijzen zijn gedaald: de prijs van een plastic waterfles (3 eurocent) is gedaald tot eenderde; glas brengt minder dan 20 yuan [2,75 euro] per 50 kilo op, terwijl de prijs van polyester met een hoge dichtheid is gekelderd tot 2 yuan [28 cent] per kilo, tegen vier keer zoveel vroeger.

    Maar Wang Weiping van de Commissie Stedelijke Milieuzaken is bang dat door het vertrek van deze kleine sorteerders uit Beijing de particuliere afvalinzamelingsbedrijfjes failliet zullen gaan, dat de plastic-, staal- en papierfabriekjes 
in de naburige provincie Hebei hun deuren zullen sluiten en dat de hoeveelheid te verwerken afval van Beijing aanzienlijk zal toenemen en voor ernstige problemen zal zorgen.

    Zoals Bingqing al lang geleden besefte, kon haar vader vroeger nog een klein beetje geld verdienen door vuile handen te maken als sorteerder, maar zal dat voor haar generatie niet langer weggelegd zijn. Beide zusjes hebben inmiddels een baan gevonden bij een fastfoodrestaurant in het district Changping, ten noorden van Beijing, op 80 kilometer van hun ouders. Ze verdienen 
er een mager salaris en hebben het zo druk dat ze vaak maar één keer per dag kunnen eten. Bingjie is toegelaten op een middelbare school in Beijing en zijn zusjes hebben maar één doel voor ogen: genoeg geld verdienen om zijn schoolgeld van 16.000 yuan [2200 euro] per jaar te kunnen betalen.

    Op hun drieëntwintigste hebben Bingyu en Bingqing allebei een vriendje (bezorgers van thuismaaltijden). Maar hoeveel ze ook van hen houden, ze zijn niet van plan met hen te trouwen. Want als ze een huwelijk sluiten met iemand die in dezelfde financiële omstandigheden zit als zijzelf, zullen ze nooit het maximale kunnen doen om hun kleine broertje te helpen. En waar zouden hun kinderen moeten wonen en naar school gaan? Ze willen er liever niet aan denken.

    Auteur: Zhao Han
    Vertaler: Peter Bergsma

    (Op verzoek van de betrokkenen zijn de namen van de familie Zhou gefingeerd.)

    Duanchuanmei
    Hongkong | theinitium.com

    Onafhankelijke nieuwssite voor de Chinezen van het vasteland. Waar de censuur niet bij kan komen.