Tag: immigratie

  • Op weg naar 
een nieuw leven

    Op weg naar 
een nieuw leven

    In een Extended Stay-hotel in Miami vertelt een Cubaans echtpaar over hun odyssee van tien maanden door vier landen, op weg naar een nieuw leven in de Verenigde Staten.

    De tranen stromen Regla Monte Rey (43) over de wangen, als ze terugdenkt aan de hachelijke tocht over de nachtelijke zee die zij en haar man met hun twee tienerzoons afgelopen zomer maakten naar een onbewoond eiland voor de kust van Puerto Rico. ‘Ik bad de hele tijd tot God, om ons te helpen, en ook tot alle orisha’s [Afro-Cubaanse religieuze geesten] die er maar zijn.’

    Als wij Monte Rey, haar man German Correoso (59) en hun zoons Kevin (15) en Kendry (14) tegenkomen, zijn ze net aangekomen in Miami. Vandaar volgen we ze verder, tot ze zich uiteindelijk zullen vestigen in Lancaster, Pennsylvania. Hun verhaal is het verhaal van tienduizenden Cubaanse gezinnen die elk jaar van het communistisch bestuurde eiland vertrekken, om gebruik te maken van een zeer gulle immigratieregeling voor Cubanen in de Verenigde Staten op grond van de Cuban Adjustment Act uit 1966.

    Er klinkt steeds meer kritiek op die wet, ook uit de hoek van Cubaanse ballingen die al veel langer in Miami wonen. Volgens hen maken economische migranten van het eiland er misbruik van. De afgelopen maanden is het aantal Cubanen dat naar de VS komt om een verblijfsvergunning aan te vragen explosief gestegen: mensen zijn bang dat die wet door de regering-Trump zal worden afgeschaft.

    Volgens cijfers van de Amerikaanse douane hebben zich vorig jaar zo’n 54.000 Cubanen als migrant bij Amerikaanse grensposten gemeld. Dat is twee keer zoveel als in het jaar daarvoor. Daarnaast komen er jaarlijks nog zo’n 30.000 Cubanen via de officiële kanalen naar de VS, met een door de ambassade verstrekt visum voor gezinshereniging, via politiek asiel of dankzij het wereldwijde programma waarin visa worden verloot. In Cuba zelf veroorzaakt de wet ondertussen verscheurde families en een leegloop aan Cubaans talent, van artsen tot honkballers.

    ‘Ik mis mijn dochter en mijn kleinkinderen zo,’ zegt Monte Reys moeder, Caridad Guerrero (61), die tegenover het vroegere huis van Correoso en Monte Rey woont in Vieja Linda, een arbeiderswijk met straten vol gaten aan de zuidelijke rand van Havana. ‘Hun vertrek heeft mijn leven verwoest. Ik zou ze daar heel graag willen opzoeken, maar niet om er ook te gaan wonen. Ik ben gelukkig hier in Cuba.’

    Verkeerde kant

    Toen Correoso, Monte Rey en hun twee zoons in september vorig jaar Cuba verlieten en op weg gingen naar de Verenigde Staten, hadden ze geen vastomlijnd reisplan. De twee voormalige leerkrachten hadden het geld voor de reis bij elkaar gebracht met de verkoop van al hun bezittingen, waaronder hun huis en hun auto. Gewapend met hun paspoort, wat contant geld en een koppige vasthoudendheid, begonnen ze aan de eerste etappe van hun reis: per vliegtuig over de Caribische Zee – maar wel de verkeerde kant op. In plaats van naar het noorden te vliegen, naar Miami, dat nauwelijks 300 kilometer van Havana ligt, gingen ze 3000 kilometer naar het zuiden, naar Guyana, een tropisch landje aan de noordkust van Zuid-Amerika. Dat is een van de drie landen waarvoor Cubanen geen visum nodig hebben (de andere twee zijn Trinidad en Rusland). Meteen na aankomst in de hoofdstad Georgetown stapten ze in een bus voor een rit van veertien uur door de jungle, naar de grens met Brazilië, een kleine 400 kilometer verder naar het zuiden. Eenmaal over de grens namen ze een taxi naar de stad Boa Vista en vandaar weer een vliegtuig, nu naar de hoofdstad Brasilia.

    Veel andere Cubanen ondernemen daarvandaan de gevaarlijke reis over de Amazone naar Colombia en dan door het ondoordringbare Darién-oerwoud naar Panama, maar Correoso en Monte Rey gingen liever op zoek naar andere mogelijkheden.

    ‘In Centraal-Amerika wemelde het van de Cubanen die hetzelfde wilden als wij,’ vertelt Correoso. ‘Maar dat werd steeds moeilijker toen eerst Nicaragua en daarna Costa Rica en Panama hun grenzen voor Cubanen sloten.’

    Het gezin bemachtigde een tijdelijke werkvergunning in Brazilië. De ouders werkten als bordenwasser in restaurants, de twee jongens gingen naar school. Maar in Brazilië blijven was voor hen geen optie. ‘We maakten ons grote zorgen over de veiligheid daar. Die was heel anders dan we in Cuba gewend waren,’ vertelt Monte Rey. In de negen maanden die volgden probeerden ze de volgende etappe van hun reis te regelen en uiteindelijk kozen ze voor een andere populaire smokkelaarsroute. Met hulp van vrienden en familie in de Verenigde Staten kochten ze in juli vliegtickets naar de Haïtiaanse hoofdstad Port-au-Prince. Daarvandaan namen ze een klein vliegtuig naar de tweede stad van Haïti, Cap-Haïtien, aan de noordkust, waar ze smokkelaars troffen die hen ’s nachts te voet de grens met de Dominicaanse Republiek over brachten.

    In hun krappe kamer, die bijna geheel in beslag wordt genomen door twee tweepersoonsbedden, zijn Correoso en Monte Rey een en al dankbaarheid voor de hulp die ze hebben gekregen, en vol ongeduld om verder te gaan met hun leven

    ‘We liepen en liepen, door de bergen en twee rivieren, terwijl we ons de hele tijd verborgen hielden. Twee gidsen hielpen ons, het was een donkere, maanloze nacht,’ vertelt Correoso.

    Ze bleven twaalf dagen in de Dominicaanse Republiek, onderweg naar het badplaatsje La Romana aan de zuidoostkust. Daar zijn smokkelaars met yolas, smalle bootjes met buitenboordmotoren, die migranten een overtocht bieden over de gevaarlijke Mona Passage, een drukke scheepvaartroute die de Dominicaanse Republiek scheidt van het Amerikaanse grondgebied van Puerto Rico. De familie wist dat de VS een natuurgebied op het eiland beheren en dat zij als Cubanen daar welkom zouden zijn.

    Ze vertrokken bij het invallen van de schemering, zestien mensen in een krappe open boot, in rijen naast elkaar, zonder de beschutting van een dek of hut. De Mona Passage is berucht om haar woelige zee en sterke stromingen. Terwijl de kust achter hen uit het zicht verdween, begonnen de golven aan de boot te rukken, zodat die heftig schommelde. ‘Dat waren de moeilijkste en gevaarlijkste acht uur die ik ooit heb doorgemaakt,’ vertelt Correoso. ‘De golven werden steeds hoger en op een gegeven moment dachten we dat we het niet zouden halen. Ik dacht dat de boot zou zinken. Mijn jongste zoon naast me klampte zich aan de bank vast, ik sloeg mijn armen om hem en zijn moeder heen; onze andere zoon lieten we op de bodem van de boot zitten, tussen onze benen.’

    Bij het krieken van de dag landden ze op het eiland Mona, op 26 juli. Uitgeput en opgelucht bleven ze op het strand zitten tot de zon opkwam, voor ze op zoek gingen naar de Amerikaanse kustwacht. Uren later, nadat ze te eten hadden gekregen, zaten ze aan boord van een Amerikaanse helikopter die hen naar San Juan vloog. De volgende halte: Miami.

    Cubaanse migranten in Costa Rica in 2015. Het land sloot onlangs de grenzen voor Cubanen. – © Getty
    Cubaanse migranten in Costa Rica in 2015. Het land sloot onlangs de grenzen voor Cubanen. – © Getty

    Wij ontmoeten Correoso, Monte Rey en de jongens drie weken na hun aankomst in Miami, in een hotel in de buurt van het vliegveld, waar ze zijn ondergebracht in het kader van een federaal programma voor Cubaanse migranten, dat onder leiding staat van kerkelijke hulporganisaties. Ze zijn in afwachting van een bericht over hun uiteindelijke verhuizing naar Lancaster in Pennsylvania, waar ze met hulp van de Church World Service, een protestantse hulporganisatie voor immigranten en vluchtelingen, een nieuwe plek hopen te vinden. Ze krijgen hulp bij het invullen van immigratieformulieren, waaronder een aanvraag voor een permanente verblijfsvergunning – de beroemde green card – en voor sociale voorzieningen, zoals een uitkering van drie maanden voor huisvesting en voeding. Het hotel zit vol Cubanen, sommigen zijn verbrand door de zon na hun reis over zee op een zelfgebouwd vlot naar de kust van Florida. In hun krappe kamer, die bijna geheel in beslag wordt genomen door twee tweepersoonsbedden, zijn Correoso en Monte Rey een en al dankbaarheid voor de hulp die ze hebben gekregen, en vol ongeduld om verder te gaan met hun leven.

    ‘Het was een geweldige verrassing om te merken hoeveel hulp Cubanen hier krijgen,’ zegt Monte Rey.

    Waarom zijn ze aan dit riskante avontuur begonnen? ‘De levensomstandigheden in Cuba zijn niet gemakkelijk en het werd steeds moeilijker voor ons,’ vertelt Correoso.

    Monte Rey gaf wiskunde en Correoso biologie, voordat ze een paar jaar geleden hun baan van 25 dollar per maand opgaven en op zoek gingen naar beter betaald werk. ‘We wilden iets gaan doen dat ons wat meer armslag zou geven. Dus stopten we met het onderwijs,’ vertelt Correoso. Hij vond eerst een baan als inspecteur bij het ministerie van Arbeid en Sociale Zekerheid, werkte daarna als directeur logistiek bij de cargoterminal op de luchthaven van Havana, en uiteindelijk als bestuurder van landbouwmarkten in zijn eigen provincie.

    ‘Een baan krijgen is niet zo moeilijk in Cuba; wat moeilijk is, is een baan krijgen die je iets oplevert. Soms voel je je een vreemdeling in je eigen land, omdat je allerlei dingen niet kunt doen die anderen zich wel kunnen veroorloven, zoals uit eten gaan in een goed restaurant of in een hotel logeren.’ Zijn vrouw voegt daaraan toe: ‘Zo is het in Cuba. Ik denk niet dat veel mensen nu om politieke redenen weggaan. Cubanen houden zich nauwelijks met politiek bezig.’ Toch zeggen ze allebei dat politiek wel een rol heeft gespeeld in hun besluit.

    ‘Misschien vluchten we voor een systeem waar we niet achter staan. Want als we één ding zeker weten, is het wel dat we geen communisten willen zijn, dat we het rare socialisme dat we daar hadden niet meer willen,’ zegt Correoso. Het tijdstip van hun vertrek had ook alles met politiek te maken, want de angst was groot dat de Cuban Adjustment Act binnenkort zou worden herroepen. ‘Veel Cubanen die naar de Verenigde Staten migreren, vrezen het ergste voor die wet,’ vertelt Monte Rey.

    ‘Iedereen beseft dat die weleens kan verdwijnen, want we hebben geen idee wat de regering-Trump gaat doen. We zien ook wel dat die wet niet eeuwig blijft bestaan.’

    Duizend dingen doorgemaakt

    De afgelopen twee jaar onder president Obama hebben er grote verschuivingen plaatsgevonden in het Amerikaanse Cubabeleid, zoals het herstel van de diplomatieke betrekkingen, maar volgens Correoso is er op straat in Cuba weinig veranderd. ‘Mensen verliezen de moed, ze zien hoe de tijd verstrijkt, er wordt niets opgelost en sommige problemen worden alleen maar nijpender.’ Nog steeds zijn er allerlei meningsverschillen tussen Cuba en de Verenigde Staten die onoverbrugbaar lijken,’ zegt hij, in een verwijzing naar het Amerikaanse economische embargo en de aanspraken van beide landen op hetzelfde grondgebied, zoals de Amerikaanse marinebasis in Guantánamo. ‘Wij gewone Cubanen zijn in dit conflict meegesleurd, we hebben het gevoel dat we in de val zitten.’

    Eind augustus hebben ze nog een keer hun spullen ingepakt, voor de verhuizing naar hun nieuwe thuis in Pennsylvania. Als ze er aankomen, krijgen ze een envelop met geld, de huissleutel en een kaart waarop belangrijke plekken staan aangegeven, zoals de plaatselijke supermarkt.

    ‘Zo heerlijk,’ zegt Monte Rey. ‘Ik heb het zo gemist om zelf te kunnen koken. Het enige wat hier nu nog ontbreekt is een dominospel, om het nog Cubaanser te maken.’ Voor hun eerste maaltijd maakt Monte Rey rijst met bonen, Correoso roostert varkensvlees – traditioneel Cubaanse kost.

    De jongens verheugen zich op hun nieuwe school – en op de winter. ‘Ik heb nog nooit sneeuw gezien. Het lijkt me fantastisch om sneeuw aan te raken,’ zegt Kendry. ‘Ik heb nog zo veel te leren,’ voegt hij eraan toe. ‘Later zal ik mijn kinderen vertellen over alles wat ik heb doorgemaakt. En op een dag ga ik naar Cuba en dan vertel ik iedereen daar, al mijn vrienden: ‘Ik heb duizend dingen doorgemaakt om te komen waar ik nu ben.’

    Terug in Havana vertelt Monte Reys moeder, Caridad Guerrero, hoe leeg haar leven is nu ze weg zijn. Haar dochter heeft geheimgehouden dat ze wilden gaan emigreren en vertelde het haar pas toen ze al in Brazilië zaten, per telefoon. Guerrero kon tijdens dat telefoontje nauwelijks een woord uitbrengen tegen haar dochter. ‘Mijn keel werd dichtgeknepen en ik hing op,’ vertelt ze, in de schommelstoel op haar veranda.

    Als bescherming van het huis heeft ze een kleine smeedijzeren presse-papier in de vorm van een pijl en boog bij de drempel van haar voordeur gezet. Het is een symbool van de Afro-Cubaanse god Ochosi. Het beeldje is van Monte Rey geweest en moet ook haar beschermen. Haar naam staat op het velletje papier dat eronder ligt. Moeder en dochter zijn allebei ingewijd als heiligen in de Santería-religie van Cuba.

    In een glazen vitrine tegen een muur in de tuin staat de manshoge menselijke figuur van Sint Lazarus, die gezien wordt als een helende god [Babalú-Ayé, in de Cubaanse Yoruba-religie]. Buiten in het park spelen kinderen op kapotte, roestige schommels, terwijl anderen zich op straat van de heuvel omlaag storten op chivichanas, zelfgemaakte houten skateboards. Straatverkopers prijzen luidkeels hun waren aan. ‘Hay papas [Er zijn aardappelen],’ roept een man. Twee andere mannen zijn verdiept in een partijtje schaak in de schaduw van een palmboom, met het schaakbord wiebelend op hun knieën. Een gezin maakt een pan vers varkensvlees klaar op een houtvuur aan de kant van de weg.

    Op de plaatselijke markt denkt men met genegenheid terug aan Correoso. ‘German is een goed mens,’ zegt Humberto Martinez (46). ‘Het leven is niet gemakkelijk en we wensen hem het beste toe.’ Gema Mora (33) herinnert zich haar vroegere buren nog goed. ‘Ze verdienen het om te zijn waar ze nu zijn,’ zegt ze. ‘Ze waren de beste kameraden die ik me kon wensen.’ Correoso en Monte Rey zijn de peetouders van haar vijfjarige dochter Leancy. Het meisje lacht als ze hun namen hoort. ‘Wanneer komt het vliegtuig mij ook ophalen?’ vraagt ze.

    De reis van Regla, German en hun kinderen. – © Courrier International
    De reis van Regla, German en hun kinderen. – © Courrier International

    Guerrero denkt met weemoed terug aan de momenten dat ze van haar werk in een café thuiskwam en iets te eten klaarmaakte voor Kevin en Kendry als die uit school kwamen. Dan keken de jongens naar tekenfilms op tv tot hun ouders thuiskwamen. Na hun vertrek was ze dodelijk ongerust, want ze had al te veel verhalen gehoord van op zee verdwenen of te lang van elkaar gescheiden families. Twee keer is ze in het ziekenhuis beland als gevolg van stress en haar diabetes. Ze heeft een duidelijke mening over illegale emigratie. ‘Ik zou willen dat mensen niet op die manier vertrokken. Waarom nemen ze dat risico?’ vraagt ze in haar schommelstoel, met de hond van haar buren op schoot. ‘Het belangrijkste is dat ze leven.’ Over hun toekomst maakt ze zich niet al te veel zorgen. ‘Het zijn intelligente, goed opgeleide mensen. Ze zijn allebei leraar, dus ik denk dat ze hun draai wel zullen vinden.’

    Ze hoopt dat ze ooit bij hen op bezoek kan gaan, maar beseft dat het niet makkelijk zal zijn om een visum te krijgen, vanwege het risico dat zij ook een beroep zal doen op de speciale regeling voor Cubanen. ‘Ik hoop dat ze ons ouderen ooit zullen laten komen en gaan, zodat iedereen die dat wil op familiebezoek kan gaan. Ik zou heel graag mijn kleinkinderen willen zien, dan kan ik op de dag dat ik doodga tenminste zeggen dat ik ze nog één keer heb gezien.’

    Ook al beklaagt ze zich over haar lot, over het leven in Cuba heeft ze weinig klachten. ‘Het is hier niet zo slecht,’ zegt ze, en ze merkt op dat ze niet hoeft te betalen voor haar diabeteszorg. Van haar salaris van 16 dollar per maand blijft weinig over nadat ze de rekening voor water en elektra heeft betaald. Maar ze heeft niet veel nodig. ‘Als je in dit land niet te eten hebt, komt dat omdat je niet werkt. Er is hier werk genoeg voor mensen die hun best doen. Er zijn veel ergere plekken. Kijk naar wat er gebeurt in Brazilië en Venezuela,’ zegt ze, doelend op het geweld, de politieke onrust en beschuldigingen van corruptie in die landen.

    Ondanks alles zeggen Correoso en Monte Rey dat Cuba altijd hun thuis zal blijven. ‘We houden erg veel van ons land en we zullen Cuba nooit vergeten. We hebben ook nooit gezegd dat we niet terug zullen komen,’ zegt Correoso. ‘We willen Cubanen blijven, we willen dat onze kinderen Cubanen zijn. We willen tot onze dood Cubaans blijven. Hij zwijgt even en schraapt zijn keel. ‘Als het ooit beter wordt in Cuba en er dingen veranderen, gaan we met alle plezier terug naar ons vaderland.’

    Epiloog

    Correoso en Monte Rey werken in Lancaster nu allebei parttime voor een onlinekledingwinkel. Beiden hebben een sollicitatie lopen voor een fulltimebaan. Ze hebben geen overheidsuitkering meer en betalen nu zelf hun huur. En ze hebben een auto gekocht, een tweedehands Mitsubishi. Afgelopen weekend was het in Lancaster twaalf graden onder nul. De jongens zijn nu vijftien en zestien en hebben voor het eerst in hun leven sneeuw gezien.

    Met dank aan Ana Maria Rodriguez in Lancaster en Pablo Cozzaglio in Havana.

    Auteur: David Adams
    Vertaler: Annemie de Vries

    Univisión
    VS | univision.com/noticias

    Spaanstalige website, gericht op de latinogemeenschap in de VS. Met veel aandacht voor onderwerpen als immigratie, Latijns-Amerika en Mexico.

  • Franse rellen: in dertig jaar is er niets veranderd

    Franse rellen: in dertig jaar is er niets veranderd

    In 1990 vonden de eerste rellen plaats in de Parijse voorstad Aulnay-sous-Bois. Sindsdien zijn de sociale en institutionele problemen die de oorzaak waren van dit geweld niet afgenomen.

    Eind 1990, begin 1991 vonden in een tiental Franse voorsteden geweldsuitbarstingen plaats, van Lyon tot Parijs. Die boezemden destijds veel angst in, omdat ze werden geassocieerd met woorden als ‘drugs’, ‘getto’, ‘stedelijk geweld’ et cetera.

    De ontwikkelingen die zich dezer dagen voltrekken in Aulnay-sous-Bois in het departement Seine-Saint-Denis zijn hiervan een klassiek voorbeeld; ze herinneren ons er alleen maar aan dat we in 27 jaar niets hebben geleerd en dat er niets is veranderd aan de sociale en institutionele problemen waardoor dit soort geweldsuitbarstingen regelmatig wordt uitgelokt.

    Het gaat altijd op dezelfde manier: op een dag is het buitensporige politiegeweld de druppel die de emmer doet overlopen – de emmer waarin de rancune van een groot deel van de bewoners van arme wijken zich dag in dag uit heeft opgehoopt. De politie wordt enkele dagen lang de belichaming van alle kwaad. ’s Nachts organiseren de opstandelingen zich en komt het tot een treffen.

    De politie probeert de ‘leiders’ te arresteren om anderen te ontmoedigen. Meestal pakken ze alleen de jongsten op of degenen die het minst hard rennen. Nadat die voor het parket zijn gebracht, wordt er meestal snelrecht toegepast en krijgen ze een fikse gevangenisstraf die niet in verhouding staat tot wat ze hebben gedaan. Alsof bepaalde rechters zich in de collectieve emotie meer bekommeren om de openbare orde dan om individuele vrijheid.


    Een man met een brandende afvalcontainer tijdens de onlusten in Parijs. – © Getty
    Een man met een brandende afvalcontainer tijdens de onlusten in Parijs. – © Getty

    Dat deze ontwikkeling helaas niet de laatste is in een heel oude reeks, komt doordat geen enkele regering de elementen van het scenario de afgelopen 27 jaar heeft veranderd. De arme wijken zijn nog altijd arm. De miljarden die in het beton van de ‘stadsvernieuwing’ zijn gestoken hebben niets veranderd aan de dagelijkse problemen van de bewoners. Om te beginnen de werkloosheid, die in veel wijken ruim de helft van de jongeren onder de dertig treft. De crisis van 2008 heeft de problemen alleen nog maar verergerd, omdat de bewoners van deze ‘gevoelige stadswijken’ er het hardst door zijn geraakt.

    Ook is er niets veranderd aan de discriminatie waardoor een deel van onze medeburgers nog altijd moeilijk toegang krijgt tot werk, huisvesting, goederen en diensten. Alleen is de etnisch-raciale discriminatie voor een deel vervangen door discriminatie op grond van godsdienst, die vooral vrouwen met een hoofddoek treft. In deze wijken zijn gezinnen nog altijd even bang dat hun kinderen mislukken op school – en terecht, want de ongelijkheid op onderwijsgebied is nog altijd even groot. Op een school in een welgestelde buurt slaagt meer dan 95 procent voor zijn eindexamen; in de ‘gevoelige wijken’, een paar kilometer verderop, slaagt minder dan 50 procent van de kinderen.

    Ook de relatie met de politie is nog altijd even slecht. Er is in 27 jaar niets veranderd, ondanks de ontelbare waarschuwingen, rapporten en boeken die over dit onderwerp zijn gepubliceerd. Ten eerste omdat meer politie in de wijk, waar de bewoners zowel hier als elders op aandringen, een politiek taboe is geworden. In 2002 heeft een bekende politicus, die nu overigens wordt verdacht van ernstige zakelijke fraude [Nicolas Sarkozy], dit beleid in diskrediet gebracht. Zijn opvolgers bij het ministerie van Binnenlandse Zaken hebben zijn gebod tot het eind van de conservatieve regeringsperiode gerespecteerd. Toen in 2012 de socialist François Hollande aan de macht kwam, hoopte men op verandering, omdat meer politie in de wijken een van zijn verkiezingsbeloftes was. Die is helaas niet ingelost en snel begraven door de nieuwe bewoner van het ministerie op het Place Beauvau, Manuel Valls.

    Rellen dringen alleen door tot de media als beelden op de sociale netwerken de autoriteiten verhinderen de woede- en wanhoopskreten bijtijds te smoren

    Frankrijk heeft dus nog steeds geen nationale politie die in staat is wijkagenten aan te stellen die dagelijks patrouilleren, te voet of op de fiets, die bewoners, middenstanders en verenigingsbestuurders ontmoeten, informatie inwinnen, diensten verlenen, maar ook boetes uitdelen en wetsovertreders zo nodig aanhouden.
    Nee, de bewoners zien nog altijd auto’s passeren die nooit stoppen, behalve om een controle uit te voeren. Ze kennen alleen maar een interventiepolitie, gevormd door jonge rekruten van elders, die zich tijdens hun opleiding hebben bekwaamd in ‘interventietechnieken’ en strafwetsregels, maar niet in conflictbeheersing of menselijke betrekkingen. Jongeren die vaak met angst in hun buik naar wijken worden gestuurd waar ze alleen oog hebben voor het (vaak reële) gevaar en niet voor de burgers, en waar ze blindelings te werk gaan, zonder aanziens des persoons.

    Onder deze omstandigheden doen zich dagelijks incidenten voor, maar die interesseren meestal niemand. Ze dringen alleen door tot de media als ze uitzonderlijk ernstig zijn en als beelden op de sociale netwerken de autoriteiten verhinderen de woede- en wanhoopskreten bijtijds te smoren.

    Zolang thema’s als veiligheid en geweld in de wijken er alleen maar toe dienen om politici carrière te laten maken, zolang de noodzaak van openbare orde elke analyse het zwijgen oplegt, zolang de politie hetzelfde type agenten naar de wijken blijft sturen en zolang de bewoners van de arme wijken met dezelfde problemen blijven kampen, kunnen we met een gerust hart voorspellen dat Aulnay-sous-Bois nog heel wat navolging zal krijgen.

    Auteur: Laurent Mucchielli
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • De breekbare vrede van Noord-Ierland

    De breekbare vrede van Noord-Ierland

    Twintig jaar lang kende Noord-Ierland politieke stabiliteit. Maar, zo constateerde The Guardian in de week dat premier Martin McGuinness opstapte en er nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven: het land wacht opnieuw een onzekere toekomst.

    De kerk staat op een eenzame heuvel aan één kant van de vallei. Aan de overzijde van de beek, aan de kant van het stadje, is de heuveltop bebouwd met herenhuizen. Iedere zondag marcheert een kleine delegatie van steeds oudere mannen, uitgedost met de regalia van de Oranje Orde, de heuvel af, van de kerk naar de beek. Zij vragen aan de op de brug gestationeerde politieman toestemming om hun weg naar het stadje te vervolgen, maar de politieman weigert steevast, beleefd doch beslist. Ze reiken hem dan een protestbrief aan en marcheren vervolgens weer terug naar de kerk.

    Soms kijken de mensen uit de nieuwbouwbuurten naar dit gratis vermaak, maar doorgaans nemen zij de moeite niet eens. In deze buurten wonen voornamelijk jonge gezinnen, die zich er nauwelijks van bewust zijn dat Drumcree Church ooit een van ‘s werelds grote brandhaarden was. De jaarlijkse mars vanuit het centrum van Portadown naar de kerk was een belangrijk symbool van de macht van de unionistische meerderheid in Noord-Ierland. De kerk, indrukwekkend maar niet mooi, is uiteraard protestants; de huizen in het stadje zijn in overgrote meerderheid van katholieken.

    De jaarlijkse mars in juli vindt nog steeds plaats, maar sinds het Goede Vrijdag-akkoord van 1998 mogen de organisatoren de traditionele route terug naar het stadje niet meer gebruiken. Ulster heeft nu twee decennia van wat buitenstaanders ‘vrede’ noemen achter de rug. De mondiale media strijken niet langer op Drumcree neer; de buren voelen geen angst. Maar dit duidt louter op de afwezigheid van conflicten, wat niet hetzelfde is als vrede. ‘Een wapenstilstand?’ zeg ik tegen Richard English, hoogleraar politicologie aan de Queen’s Unversiteit, Belfast. ‘Een verbeten wapenstilstand,’ antwoordt hij.

    Maar de aard van die wapenstilstand, en de verbetenheid ervan, verandert door het verstrijken van de tijd. De verhouding tussen protestanten en katholieken in Noord-Ierland is dramatisch veranderd: ooit was die 2:1, maar bij de volkstelling van 2011 zei 48 procent protestant te zijn en 45 procent katholiek. Hierdoor is het vrijwel zeker dat – misschien al binnen vier jaar – het traditionele protestantse overwicht zal ophouden te bestaan. In het district Craigavon, waartoe Portadown behoort, is nu een patstelling bereikt: 42,1 procent voor beide kampen. Dit betekent niet dat een verenigd Ierland voor de deur staat, maar het verandert de dynamiek van de politiek in Ulster volkomen.

    Dit vormt de onvermijdelijke achtergrond van het groezelige schandaaltje – ‘cash for ash’ genoemd – dat ogenschijnlijk verantwoordelijk was voor de recente val van de Noord-Ierse regering. De combinatie van onbekwaamheid en corruptie duidt erop dat de regeringen in Belfast en Dublin reeds gelijke tred met elkaar houden: de Ierse Republiek is voor de elite altijd al een goede plek geweest om zich met sjofele deals in te laten; in dit geval ging het om het boeken van aardige winsten dankzij het misbruik van goedbedoelde milieusubsidies.

    ‘Alles goed’

    Er is nog een andere factor die een bedreiging vormt voor de heerschappij van de protestanten. Dit werd mij al na een paar minuten duidelijk, toen ik voor het eerst in negen jaar door de hoofdstraat van Portadown liep. Het ongelukkige huwelijk waardoor Noord-Ierland wordt gedefinieerd bestaat niet langer uit twee partijen: er is tegenwoordig ook nog een derde. De ooit overwegend blanke straten van Portadown wemelen van de immigranten. Een plek waar het probleem was dat iedereen veel te veel wist van de plaatselijke geschiedenis kent nu een bevolkingsgroep (met een aandeel van bijna 10 procent) die hier niets van afweet. Aan de oever van de rivier de Bann staat een jonge Roemeen te vissen. Hij heeft het woord ‘Troubles’ [waarmee de onrust in Noord-Ierland van oudsher wordt aangeduid] nog nooit gehoord.

    Ze komen overal vandaan, en ze laten zich niet makkelijk categoriseren. Er zijn hoogopgeleide migranten die voor de farmaceutische firma Almac werken. Anderen werken bij de kippenslachterij van Moy Park. In het ziekenhuis vind je Zuid-Afrikanen en Filippijnen. De halal supermarkt van Portadown verkoopt voedsel dat varieert van Marokkaans tot Indonesisch; Oost-Europese goederen worden aan de specialisten overgelaten. De buurman, Saturnino Neves, een Braziliaanse kapper, knipt het haar van iedereen. ‘Alles goed in Ierland,’ zegt hij.

    Wachten op de jaarlijkse Oranjemars in Portadown, de protestantse optocht lokte vroeger veel geweld uit. – © Cathal McNaughton / Reuters
    Wachten op de jaarlijkse Oranjemars in Portadown, de protestantse optocht lokte vroeger veel geweld uit. – © Cathal McNaughton / Reuters

    Maar dat is niet de algemene ervaring. Het was een in Yorkshire geboren Pakistaan die me met afschuw vertelde hoe drie autochtone Noord-Ieren onlangs op straat een man uit Litouwen in elkaar hadden geslagen. De autochtone inwoners verwijten de Portugezen messentrekkerij, de Oost-Europeanen het leegvissen van de Bann, en de Roemenen zo’n beetje alles. Er doen verhalen de ronde dat de migranten naar binnen kunnen glippen via het lakse Dublin, en dat ze met minibusjes de grens oversteken.

    Portadown (bevolking 22.000) lijkt in veel opzichten op Engelse stadjes van soortgelijke omvang in de jaren vijftig. De grote ketens hebben de plaatselijke winkels nog niet uit de hoofdstraat verdreven, en de huizenprijzen zijn nog charmant ouderwets (een vrijstaande vierkamerwoning met uitzicht op Drumcree Church: 215.000 euro). Het restaurantaanbod stamt helaas ook nog uit de jaren vijftig, en is iets minder charmant.

    Ik raak bij de bushalte aan de praat met een dame met grijs haar. Ze klaagt dat er nu al te veel winkelketens in Portadown zijn neergestreken. ‘Is er verder nog iets veranderd?’ ‘Er zijn hier veel nieuwe gezichten,’ zegt ze, gniffelend om haar eigen discretie. Hoe gaan de gevestigde gemeenschappen dezer dagen met elkaar om? vraag ik. ‘Nou, je houdt je gewoon met je eigen zaken bezig, dus dat gaat wel.’ En toen kwam de bus haar redden.

    Maar in doorsneegesprekken verwijst de uitdrukking “onze gemeenschap” louter naar “ons”, en zeker niet naar de anderen

    In Portadown is het woord ‘gemeenschap’ beladen met dubbelzinnigheid. De meest prominente liefdadigheidswinkel heet ‘Portadown Cares … for our community’ (‘Portadown Geeft … om onze gemeenschap’). Dat betekent precies hetzelfde als waar dan ook. Maar in doorsneegesprekken verwijst de uitdrukking ‘onze gemeenschap’ louter naar ‘ons’, en zeker niet naar de anderen.

    Begin jaren zeventig was Portadown veelvuldig het toneel van ontploffingen en schietpartijen, vaak als gevolg van vetes tussen verschillende protestantse groeperingen. Zelfs nu kent het stadje nog vijf ‘vredesmuren’, die je optrekt als je echt een pesthekel hebt aan je buren. De herinnering aan moorden heeft dat effect.

    Zes maanden geleden werd de laatste Loyalistische muurschildering in het stadje verwijderd van zijn prominente plek aan Corcrain Road en vervangen door een nieuwe, waarin de soldaten uit Ulster die aan de Somme zijn gesneuveld worden herdacht. Volgens een persbericht van de regering was dit ‘een keerpunt voor de goede betrekkingen in het gebied’. Maar niet iedereen ziet dat zo. De nieuwe muurschildering is op zichzelf prachtig, maar de onderliggende boodschap is zeer agressief en sektarisch, op een manier die je klassiek-Noord-Iers zou kunnen noemen.

    Muurschildering van het Ulster Protestants League in Portadown, Noord-Ierland 2004. – © Wally Nelemans / Flickr
    Muurschildering van het Ulster Protestants League in Portadown, Noord-Ierland 2004. – © Wally Nelemans / Flickr

    Noord-Ierland bestaat maar om één reden als eenheid: als een vrijplaats voor een protestantse gemeenschap, die een eeuw geleden werd getraumatiseerd door het vooruitzicht te worden opgenomen in een door katholieken gedomineerd Ierland. Ulster noemt zichzelf graag Loyalistisch, hoewel de loyaliteit jegens de Kroon altijd meer het karakter heeft gehad van een transactie dan dat er sprake was van veel respect.

    Overvleugeld door de omvang van de katholieke gezinnen en de komst van de migranten, zijn de Loyalisten verbijsterd door de politieke ontwikkelingen. Na het recente ontslag van Martin McGuinness als vicepremier worden ze geconfronteerd met ongewenste verkiezingen, waarvan alom wordt verwacht dat ze in een verdere patstelling zullen eindigen en – vrij waarschijnlijk – tot het herstel zullen leiden van het rechtstreeks bestuur vanuit Londen.

    Toen McGuinness, zichtbaar ziek, zich uit de politiek terugtrok, kreeg hij op het journaal een overdreven eerbetoon van Ian Paisley, de zoon van zijn voormalige aartsvijand en regeringspartner dominee Ian Paisley. Je moest jezelf in je arm knijpen om je te herinneren dat McGuinness een man is van wie iedereen in Noord-Ierland, behalve wellicht hijzelf, gelooft dat hij IRA-lid is geweest. En ook, in de woorden van The Irish Times, ‘een meedogenloze commandant van een organisatie die verantwoordelijk is voor zo’n achttienhonderd moorden’.

    Östalgie

    Geen wonder dus dat de Oranjemannen zich gedesoriënteerd voelen. Velen hebben hun hoop op de Brexit gevestigd. Tijdens een phone-in op Radio Ulster deze week hoorde ik oudere luisteraars een soort Oost-Duitse östalgie tentoonspreiden, een onwaarschijnlijke nostalgie naar een afschuwelijk verleden. Eén beller eiste de terugkeer van de grensbewaking en verlangde naar de gelukzalige tijd dat Noord-Ierland vrij was van wapens, explosieven en drugs…

    De Brexit kan ook leiden tot een onafhankelijk Schotland, de meest natuurlijke bondgenoot van de unionisten in het Verenigd Koninkrijk. Hierdoor zou Ulster een nóg geïsoleerder aanhangsel worden dan ooit, en ingekapseld aan de zuidgrens. Onder zulke omstandigheden kan een pleidooi tegen een verenigd Ierland een absurde indruk maken.

    Bij de rivier trof ik visser Maurice McIlwaine, die hier veertig jaar geleden vanuit Belfast neerstreek en het destijds maar een dooie boel vond. Het is nu beter, meent hij: ‘Vroeger zat het hier vol gespuis. Tegenwoordig moet je een beetje verder zoeken om ze te vinden.’

    Ondertussen, terwijl de treurige mannen van Drumcree hun wekelijkse protestbrief afleveren, begint het oranje te vervagen. Protestants Ulster heeft weerstand weten te bieden aan de kogel en de bom, maar wordt nu geconfronteerd met de onverbiddelijke kracht van de demografie. Met andere woorden: het zou wel eens niet ten onder kunnen gaan door geweld, maar door seks.

    Auteur: Matthew Engel
    Vertaler: Menno Grootveld

    CONTEXT: Nieuwe lijn Sinn Féin

    Michelle O’Neill, vorige maand benoemd tot opvolgster van Martin McGuinness, is de eerste leider van Sinn Féin ‘die niet de bagage van de IRA met zich meezeult’, benadrukt The Irish Times. In tegenstelling tot haar voorganger – ooit leider van de IRA – heeft O’Neill nooit banden met de paramilitaire organisatie gehad, hoewel ook haar familie heeft geleden onder de Troubles: haar vader, betrokken bij de republikeinse beweging voor burgerrechten, zat gevangen na zijn arrestatie door de Britse strijdkrachten, en haar neef, wel lid van de IRA, werd doodgeschoten door het Britse leger.

    ‘Ik zie het als de taak van mijn generatie om de wonden van het verleden te helen,’ zei O’Neill in Belfast Telegraph. De verkiezingen van 2 maart zien er voor Sinn Féin veelbelovend uit. ‘De partij heeft zich opnieuw uitgevonden met de harde lijn jegens de Democratic Union Party (DUP) van eerste minister Arlene Foster, wier partij te lijden heeft gehad onder de schandalen rond subsidies voor duurzame energie. Als de verkiezingen inderdaad zo ‘grandioos’ zullen verlopen als de krant voorspelt, zou Michelle O’Neill, veertig jaar oud, wel eens de nieuwe premier kunnen worden.

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten, en een van de koplopers op het gebied van crowdsourcing in de journalistiek.

  • Als Europeaan ben je een tweederangsburger

    Als Europeaan ben je een tweederangsburger

    Het Europese burgerschap stelt weinig voor, en die situatie gaat al terug tot het oude Rome, schrijft Quartz -journalist Kabir Chibber. ‘Keizer Hadrianus zou niet gek hebben opgekeken van de verhoudingen in onze wereld.’

    Hoe verhoudt een stam zich tot de vreemdeling? Als je hem heel slecht behandelt, zal hij wegblijven. Als je hem heel goed behandelt, welke voorrechten geniet je dan nog als oorspronkelijke inwoner? Europa is veel verder gegaan dan zoeken naar een oplossing voor dit dilemma: momenteel vindt in Europa het grootste sociaalwetenschappelijke openluchtexperiment van de afgelopen twintig jaar plaats. In een culminatie van alle pogingen om na millennia van oorlogen een verenigd Europa te smeden, heeft de EU in 1993 niet alleen zichzelf in het leven geroepen, maar ook zonder al te veel ophef het geheel nieuwe concept van het Europees staatsburgerschap het licht doen zien – en zonder al te veel inhoudelijke discussie.

    Het Verdrag van Maastricht stelt het Europees burgerschap ‘boven het burgerschap van de Lid-Staten. Burger van de Unie is eenieder die de nationaliteit van een Lid-Staat bezit.’ Niet iedereen in de EU realiseert zich dat, maar het is wel zo. Het burgerschap van de EU brengt een aantal rechten met zich mee, waaronder de tot dan toe ongekende mogelijkheid om voor onbeperkte tijd waar dan ook in de EU te werken en te wonen. Dat betekent een juridische gelijkstelling met de burgers van de betreffende Lid-Staat, op alle vlakken behalve het actieve kiesrecht bij landelijke verkiezingen.

    Er zijn dus twee soorten vreemdelingen in de EU-Lid-Staten: de Europeaan en de niet-Europeaan. Sterker nog, de Europese immigrant beschouwt zichzelf helemaal niet als immigrant. Hij ziet zichzelf als een Europeaan – met dezelfde rechten als de lokale bevolking. Dat kan tot merkwaardige situaties leiden. In de nasleep van het referendum waarbij is besloten dat het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zal treden, vertelde Labour-kamerlid Stella Creasy over de campagnetijd in haar Londense kiesdistrict: ‘Walthamstow is er altijd trots op geweest een smeltkroes te zijn, maar nu zag ik een Somalische vrouw tekeergaan tegen een Hongaarse vrouw. Ze schreeuwde dat haar dochter geen werk kon vinden, 
en dat de Hongaarse moest oprotten naar haar eigen land.’

    In dit voorbeeld heeft iedereen een andere kijk op de zaak. Het van oorsprong Engelse Kamerlid zag twee buitenlanders tegen elkaar schelden. De Somalische vrouw zag hoe alle offers die ze de loop der jaren had gebracht om te zorgen dat haar dochter een echte Britse zou kunnen worden, teniet werden gedaan door een buitenlander. En de Hongaarse vrouw zag zichzelf vermoedelijk als een Europese in Europa, die werd uitgescholden door een buitenlandse. De meeste Europeanen in Engeland hadden waarschijnlijk het idee dat ze woonden in een land vol mensen die zichzelf ook als Europeaan beschouwden. Het feit dat een meerderheid vóór de Brexit heeft gekozen, toont aan dat dit allesbehalve het geval was. Dat heeft grote gevolgen, niet alleen voor het Europese project, maar voor iedereen die zich afvraagt wat burgerschap betekent in een wereld waarin allerlei stammen door elkaar heen leven.

    Onbekend fenomeen

    Immigranten die zichzelf niet als zodanig beschouwen, zijn eigenlijk een onbekend fenomeen in de geschiedenis, aangezien er vrijwel altijd toestemming nodig is geweest om je in het land van een ander te vestigen. Vóór 1708, het jaar waarin in Engeland de Foreign Protestants Naturalization Act werd aangenomen – teneinde onderdak te kunnen bieden aan de Franse Hugenoten die werden vervolgd door de katholieken – kon een buitenlander alleen staatsburger van het Verenigd Koninkrijk worden door directe tussenkomst van het parlement of door een verzoekschrift aan de koning. (Het hele idee van het ‘Verenigd Koninkrijk’ was betrekkelijk nieuw – de unie met Schotland was nog maar net twee jaar oud.) Door de nieuwe wetten (die in 1711 weer werden herroepen) werd het voor het eerst mogelijk om op legale wijze dezelfde rechten te verkrijgen als iemand die in het land was geboren. De reden die werd aangevoerd voor deze historische maatregel was dat ‘de aanwas van mensen een middel is om de rijkdom en de macht van een land te vergroten.’

    De economische drijfveren om naturalisatie toe te staan zijn in de afgelopen driehonderd jaar niet echt veranderd. Nadat in 1993 de EU in het leven is geroepen, is het aantal mensen dat naar het Verenigd Koninkrijk is geëmigreerd verdrievoudigd – van 75.400 in 1995 tot 223.000 in 2004, aldus Will Somerville in Immigration under New Labour. Die ontwikkeling is voor een groot deel te danken aan Tony Blairs New Labour-regering (1997-2007), die de deur openzette voor geschoolde immigranten.

    Maar het gold niet alleen voor de Maastricht-burgers van Europa; ook het aantal werkvergunningen voor immigranten van buiten de EU verdrievoudigde. De grootste verandering vond plaats in 2004, toen het Verenigd Koninkrijk zich als slechts een van de drie Lid-Staten verzette tegen beperkingen voor de acht Oost-Europese landen die zich dat jaar bij de EU aansloten. De overheid voorspelde dat er hooguit 13.000 Europeanen per jaar naar het Verenigd Koninkrijk zouden komen. In minder dan twee jaar kwamen er bijna 580.000 – waarvan ongeveer twee derde afkomstig uit Polen, volgens Sommerville. ‘Na 2004 volgde de grootste toestroom van immigranten in de Engelse geschiedenis, met als gevolg de snelste bevolkingsaanwas ooit’, schrijft historicus Robert Tombs.

    Nadiya Hussain (r.), winnaar van The Great British Bake O , beschouwt Engeland als thuis. Maar wat betekent het precies om Brits of Europeaan te zijn? – © Ray Tang / HH
    Nadiya Hussain (r.), winnaar van The Great British Bake O , beschouwt Engeland als thuis. Maar wat betekent het precies om Brits of Europeaan te zijn? – © Ray Tang / HH

    Zelfs nu nog kiest het Verenigd Koninkrijk ervoor om meer mensen van buiten Europa toe te laten dan mensen van binnen Europa. In tegenstelling tot de Europese immigranten komen de niet-Europese immigranten meestal het land binnen met een werkvergunning, die hun alleen het recht geeft in het Verenigd Koninkrijk te wonen zolang ze werk hebben. Ze hebben geen recht op een uitkering en als ze hun baan verliezen, raken ze hun verblijfsvergunning kwijt. Om meer rechten te verkrijgen, moeten ze een naturalisatieprocedure volgen. Een vereiste is dat ze een aantal jaar in het Verenigd Koninkrijk hebben gewoond, en sinds 2005 moeten ze ook een inburgeringstoets doen en een taaltoets (in Engeland is op een van de negen scholen Engels niet langer de moedertaal van het merendeel van de kinderen) en ze moeten een ceremonie bijwonen.

    Dit alles geldt niet voor inwoners van de EU. Die mogen zo lang ze willen in Engeland blijven en net zo veel of zo weinig nemen als ze maar willen: ze mogen werken zonder dat ze Engels te hoeven leren. Ze mogen ook hun gezin laten overkomen – met of zonder werk. Na drie maanden kunnen ze aanspraak maken op een uitkering. Ze mogen vrij in- en uitreizen; ze hoeven zich niet te conformeren aan vernederende visumaanvragen en grenscontroles.

    Er zijn momenteel 2,3 miljoen EU-arbeiders in Engeland – waarvan meer dan een miljoen afkomstig uit Oost-Europa. De Polen hebben de Indiërs ingehaald als grootste immigrantengroep. Maar hun omstandigheden zijn volkomen anders. Tussen 1998 en 2015 kwamen elk jaar opnieuw de meeste naturalisatieaanvragen voor rekening van Indiërs en Pakistani, afgaande op de cijfers van het Engelse ministerie van Binnenlandse Zaken. In het eerste decennium van deze eeuw werden er jaarlijks nog geen 20.000 aanvragen voor het Engelse staatsburgerschap gedaan door inwoners van alle Europese landen bij elkaar.

    Waarom zou hij zijn best moeten doen een Engelsman te worden en naar “Engelse tv” te kijken, terwijl hij zijn eigen taal en cultuur heeft? Dat is nergens voor nodig. De EU heeft Europeanen het recht van burgerschap verleend zonder enige verplichting

    Laatst kwam er een monteur bij mij thuis, in Londen, omdat er iets met mijn internetverbinding was. Hij vroeg of ik ook het televisiepakket van het bedrijf had. Dat had ik niet, en hij ook niet. ‘Thuis kijk ik via de schotel – naar de Poolse tv,’ zegt hij. ‘Ik kijk niet naar Engelse programma’s, omdat ik geen Engelsman ben.’ Daar valt niet tegenop te redeneren. Hij is een inwoner van Polen – en van Europa. Hij kan zich in elk van de (voorlopig nog) achtentwintig landen van Europa vestigen. Waarom zou hij zijn best moeten doen een Engelsman te worden en naar ‘Engelse tv’ te kijken, terwijl hij zijn eigen taal en cultuur heeft? Dat is nergens voor nodig. De EU heeft Europeanen het recht van burgerschap verleend zonder enige verplichting.

    Wat is dan de waarde van de manier waarop het al honderden jaren gaat – migratie door middel van naturalisatie? En daarbij gaat het niet alleen om juridische assimilatie, wat belangrijk is, maar ook om iets ongrijpbaarders als sociale en culturele integratie – een ouderwets streven om deel uit te gaan maken van een bepaalde stam. Engeland kent een lange traditie, die teruggaat tot de Hugenoten, waarin immigranten worden geaccepteerd en opgenomen in het Britse bestaan.

    Wanneer dat lukt, levert dat veel op – al kost het meestal enkele generaties om een Benjamin Disraeli [Britse premier van Joodse komaf] of een Zadie Smith [Engelse schrijfster met een Jamaicaanse moeder en een Engelse vader] voort te brengen. Nadiya Hussain is de dochter van immigranten uit Bangladesh, die in de jaren zestig van de vorige eeuw naar Engeland zijn gekomen en een afhaalrestaurant zijn begonnen. Ze draagt een hoofddoek en ze is uitgehuwelijkt. Los daarvan is ze de op een na bekendste moslim van het land [de bekendste is Zayn Malik, voormalig lid van boyband One Direction] nadat ze een bakwedstrijd op televisie heeft gewonnen – een programma dat wekelijks meer dan tien miljoen kijkers trekt. Veel Britser kan haast niet.

    Over de racistische opmerkingen die ze weleens naar haar hoofd geslingerd krijgt, zei Hussain onlangs: ‘Ik vind het fantastisch om Engels te zijn en ik vind het fantastisch om hier te wonen en dit is mijn thuis en dat zal het altijd blijven. Ongeacht al het andere wat mijn identiteit bepaalt, is dit mijn thuis. En ik wil dat mijn kinderen daar trots op zijn, en ik wil niet dat ze deze ballast meekrijgen.’

    Acteurs kruipen in de rol van Romeinse soldaten tijdens een herdenking van de Muur van Hadrianus in 2016. De 117 kilometer lange muur werd tussen 122 en 128 na Chr. gebouwd om de Romeinse noordgrens te beschermen. – © Ian Forsyth / Getty
    Acteurs kruipen in de rol van Romeinse soldaten tijdens een herdenking van de Muur van Hadrianus in 2016. De 117 kilometer lange muur werd tussen 122 en 128 na Chr. gebouwd om de Romeinse noordgrens te beschermen. – © Ian Forsyth / Getty

    Wat het precies betekent om ‘Brits’ te zijn, is nog altijd niet helemaal uitgekristalliseerd, ondanks alle stappen die sinds 1708 zijn gezet. Hoe kunnen we dan verwachten dat we allemaal ineens ‘Europeaan’ zijn geworden?

    Het probleem van het Europees burgerschap is dat er wel een Europees burgerschap bestaat, maar geen Europese identiteit. De EU heeft al haar energie gestoken in de economische kansen die de interne migratie bood, zonder te proberen een gevoel van verbondenheid te creëren. En dat leidt tot dingen als de Brexit.

    De ironie wil dat er na het referendum meer gelijkheid zal zijn tussen de Europeanen en de niet-Europeanen in Engeland. In de toekomst moeten ze allemaal een werkvergunning hebben om te mogen blijven. En met de toenemende angst over de hele wereld dat de Brexit misschien slechts de eerste stap is in een lange, aanhoudende reeks terugslagen van de globalisering, vragen veel mensen in Europa een paspoort voor zichzelf en hun kinderen aan in het land waar ze wonen. Ze komen tot de ontdekking dat naturalisatie misschien weleens de oplossing zou kunnen zijn voor hun post-Brexitzorgen.

    Maar wat betekent het dan eigenlijk om Europeaan te zijn? Minder dan ooit in brede kring werd gedacht. Veel boze Europeanen die in Londen wonen realiseerden zich tijdens de Brexit-campagne ineens hoe loos hun burgerschap was, toen bleek dat ze niet mochten deelnemen aan het referendum in het land waar ze al vele tientallen jaren woonden. Immer een buitenlander, zelfs thuis.

    Oude Rome

    Het burgerschap van Europeanen komt in werkelijkheid veel dichter in de buurt van het soort tweederangs burgerschap dat zijn oorsprong vindt in het oude Rome. Nadat Rome in 338 voor Christus een opstand had onderdrukt, kregen de inwoners van de naburige plaatsen in Latium en Campania iets toegekend wat ons vertrouwd in de oren klinkt: burgerschap zonder stemrecht (civitas sine suffragio), ook wel ‘Latijnse rechten’ genoemd.

    Mary Beard noemt het in SPQR, haar geschiedenis van Rome, ‘een verzameling rechten die waarschijnlijk al sinds mensenheugenis werden gedeeld door de Latijnse steden en die later een formele uitwerking kregen voor gemengde huwelijken met Romeinen, wederzijdse rechten om contracten te sluiten, de vrijheid om te reizen, enzovoort. Het was een soort middenweg tussen volledig burgerschap en de status van een buitenlander, of een hostis.’

    Deze Latijnse rechten verwaterden geleidelijk toen Rome alleenheerser werd. Men kreeg het burgerschap toegekend wanneer men Rome op wat voor wijze dan ook diende: in het leger, of als ambtenaar. Daarnaast kon slaven het burgerschap worden verleend nadat ze hun vrijheid hadden verkregen. Maar dat alles was een voortvloeisel uit het feit dat Rome een keizerrijk werd – en een dictatuur.

    Misschien valt er een les te leren voor de EU – die door Brexiteers geregeld wordt verweten een nieuw Rome te zijn –, namelijk dat het gezag in sterke mate gecentraliseerd zal moeten worden om tot een echt Europees burgerschap te komen. Anderzijds kwam het Romeinse Keizerrijk als eerste met het concept van vrij reizen door Europa. Het Romeinse rijk was een plek waar mensen, als nooit tevoren op zo’n enorme schaal, een huis konden bouwen, een vermogen konden vergaren en zelfs hun laatste rustplek konden vinden op duizenden kilometers van de plek waar ze waren geboren’, schrijft Beard.

    Voor wie denkt dat globalisering iets van de laatste tijd is: in een van die graven ligt een arbeider, Barates, die zich aan het einde van zijn leven in Engeland bevond, op zesenhalfduizend kilometer van zijn huis in Palmyra, in Syrië. Zijn vrouw, Regina, was geboren in Noord-Londen. Hun graven bevinden zich in het noorden van Engeland, niet ver van de resten van de Muur van Hadrianus, die in 120 na Christus is gebouwd als scheiding tussen het Romeinse Engeland en Schotland.

    Daaruit blijkt in ieder geval dat Engeland al heel erg lang buitenlanders verwelkomt, maar tevens muren bouwt om hen te weren.

    Auteur: Kabir Chibber
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Quartz
    Verenigde Staten | qz.com

    Deze ‘web-app’ werd in 2012 opgericht door onlinefanaten die met dit nieuwsportal in willen spelen op de nieuwe wereld, ontstaan na de wereldwijde financiële crisis. De redactie hecht aan eigentijdse criteria als transparantie en vernieuwing en wil de ‘voordelen van een vrij toegankelijk web combineren met de elegantie van een applicatie’. Gericht op economie en technologie.

  • Syriër in het koude Noorden

    Syriër in het koude Noorden

    De Syrische schrijver en journalist Odai Al Zoubi vluchtte in 2015 via Istanboel naar Denemarken. In dit verslag vertelt hij hoe het hem vergaat in Scandinavië.

    ‘Het Noorden is een beproeving, een oord van verveling.’ – Salim Barakat, Syrisch-Koerdische dichter (tegenwoordig gevestigd in Zweden)

    Ik ben begin 2015 in Istanboel aangekomen en er aan het eind van dat jaar weer weggegaan. Ik had niet bewust gekozen om me daar te vestigen en ook niet om er weg te gaan. Het was de wil van het lot, waarop wij geen enkele greep hebben.

    We staan bij het consulaat van Denemarken in Istanboel: Irakezen, Syriërs, Arabieren en Koerden. Er zijn hier geen Turken, die vragen hun visum aan via internet. De Irakezen vertellen me over hun vrees voor Syrië, hun liefde voor Homs en Damascus. In dit rustige gesprek is de soenniet die zich verzet tegen de sjiitische milities makkelijk te onderscheiden van de sjiiet die boos is op Islamitische Staat. De slecht Arabisch sprekende Syrische Koerden in het consulaat wachten op toestemming voor gezinshereniging.

    Een oude vrouw met een hoofddoek bidt tot God en roept daarmee nog meer verwensingen op. Een meisje van acht klampt zich aan haar vast, terwijl een nog jonger jongetje achter zijn moeder aan gaat die voor het loket van een Deense employé staat te wachten. De oma zegt tegen mij dat ze uit Ayn Tarma [een voorstad van Damascus] komt en vertelt me haar verhaal: ‘Mijn oudste dochter verzoekt om gezinshereniging zodat ze naar haar man in Denemarken kan gaan.’ Als haar dochter weggaat, zal de oma hier helemaal alleen wegkwijnen; gaat ze niet, dan zullen ze hier samen met de twee kinderen wegkwijnen. ‘Mijn enige zoon is zestien jaar en hij wil ook vertrekken. Ik wil het beste voor hem, maar wat moet ik doen als hij weggaat? Uit bedelen gaan? Zou jij dat voor je moeder willen?’ Ze richt zich niet echt tot mij, en verwacht ook geen antwoord. Ze smeekt God om haar terug te brengen naar het dorp waar ze vandaan komt: ‘In Ayn Tarma heb je alles wat je wilt, niemand heeft daar honger en de mensen houden van elkaar.’

    De dochter probeert haar zoontje over te halen om weer bij zijn oma te gaan staan. ‘Anders geven de Denen ons de papieren niet, wees stil, houd je mond nu. De Denen zijn niet zo lawaaiig als wij… Dit is al de vijfde keer dat we hier zijn, we wachten al twee jaar op die papieren, hopelijk lukt het deze keer.’ De Deense medewerker wenkt de moeder naar het loket en geeft haar de papieren. ‘Mabroek!’ [‘Gefeliciteerd!’] De vrouw barst in tranen uit. Haar twee kinderen volgen haar voorbeeld. Iedereen om hen heen feliciteert de vrouw, ook de Koerden in hun gebrekkige Arabisch en de Irakezen die geroerd zijn door dit tomeloze verdriet.

    Het kleine meisje fluistert: ‘Mama, ik wil niet naar Denemarken, ze zeggen dat het daar heel erg koud is.’ De moeder drukt haar huilend tegen zich aan: ‘De hele wereld is ijskoud.’

    Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: “In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?”

    Ik probeer uit te zoeken wat ik mee wil nemen in mijn derde ballingschap en ik vind: een aantekenboekje over mijn lezingen van tien jaar geleden, een oude, stoffige koffer die niet open is geweest sinds ik in Istanboel ben aangekomen, souvenirs uit Londen en Norwich, rekeningen voor mijn Engelse mobiele telefoon waar ik niets meer aan heb, tijdelijke arbeidscontracten bij een verre universiteit, officiële papieren en loonstrookjes, belastingoverzichten, verlopen visumaanvragen, tweehonderd Syrische ponden in biljetten en dirhams van de Emiraten, kaartjes van vrienden in Engeland, een verlopen paspoort dat ik niet durf weg te gooien uit angst dat een buitenlandse instantie me er om veiligheidsredenen naar zal vragen, een kruisje dat ik uit een Armeense kerk heb gestolen tijdens een verrassingsbezoek, verschillende dvd’s met films (Buñuel, Sofia Coppola), te krappe truien die ik van het ene continent naar het andere meesleep in de hoop dat ze ooit nog om mijn buik zullen passen die sinds mijn dertigste steeds dikker wordt, de laatste dichtbundel van Mahmoud Darwish [Palestijnse dichter, 1942-2008], en een van Al-Mutanabbi [Arabische dichter uit de tiende eeuw, bekend om zijn omzwervingen], een bloemlezing van gedichten van Borges, mijn master- en doctoraaldiploma, een paar basketbalschoenen die nog vrijwel nieuw zijn, al heb ik ze meer dan vijf jaar geleden gekocht, en het gevoel van een ballingschap die permanent wordt.

    Ik heb geen enkele foto bij me, zelfs niet op mijn computer of op mijn telefoon. Ik houd er niet van om rond te zeulen met herinneringen aan een verleden dat geen band heeft met het heden. Wie heeft behoefde aan foto’s als de herinneringen in het geheugen gegrift staan?

    Op het vliegveld van Kopenhagen loop ik ineens tussen mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen. Een beetje schutterig loop ik door, de kleine dichter met het gitzwarte haar en de gedrongen gestalte. Een aankondiging waarschuwt dat mensen met een Syrische of Somalische nationaliteit geen toeristenvisum kunnen krijgen, wat ook de reden is voor hun aanvraag. Alleen gezinshereniging is mogelijk, onder financiële en administratieve voorwaarden die even draconisch zijn als vernederend. Racisme is in Denemarken niet langer verborgen, het is nu even zichtbaar als dat van de Syriërs tegenover de Somaliërs. Mijn landgenoten vragen zich verbijsterd af: ‘Echt? Somaliërs en wij? Dat is idioot. Wij zijn beschaafd, goed opgeleid, wij zijn ambachtslieden en ondernemers… niet zoals die zwarte Afrikanen.’ Zelfs onze jarenlange oorlog heeft ons niet van onze fouten genezen.

    Staand voor de medewerker van de immigratiedienst bereid ik me voor op het zoveelste verhoor over mijn relatie met Islamitische Staat en andere vreemde vragen over mijn verleden en mijn toekomst, zoals op elke luchthaven waar ik mijn verdoemde Syrische paspoort liet zien. ‘Welkom in Denemarken, uw tweede vaderland. Ik wens u een prettig verblijf.’

    Ik geloof mijn oren niet: ‘Moet ik soms ergens anders heen waar ze me willen ondervragen?’ ‘Nee hoor. We moeten ons alleen wel verontschuldigen voor het slechte weer. Ik hoop dat u daartegen kunt.’

    Kopenhagen, stad van ‘mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen’. – © Francis Dean / Getty Images
    Kopenhagen, stad van ‘mooie lange slanke vrouwen en knappe blonde mannen’. – © Francis Dean / Getty Images

    Ik ben niet gewend aan dit klimaat. Hier in dit koude Noorden kampen de mensen voortdurend met depressies, een diepe narigheid die tot in de haarvaten van hun vermoeide geest trekt. In de winter lopen ze door de straten als witte spoken bedekt met menselijk vlees dat huivert van eenzaamheid. Ze hebben haast om thuis of op hun werk te komen en laten de straten leeg achter, als mooie ruïnes, schoon en geordend. Op de weinige warme dagen vertonen ze zich in de zon, als primitieve wezens die bij de eerste zonnestralen naar buiten komen. Hun zwijgzame stemming wordt jovialer en zuidelijker. Dan glimlachen en lachen ze zoals wij, de kinderen van het warme zuiden. Ze trekken hun kleren uit en gaan in de openbare parken liggen.

    Volgens de officiële documenten van de Deense overheid ben ik nu ‘immigrant’. Twee weken na mijn aankomst heb ik een afspraak met de medewerkster die mij de komende jaren onder haar hoede heeft en mijn ‘integratie’ in de Deense samenleving zal begeleiden. Ergens in mijn achterhoofd vraag een duiveltje geamuseerd: ‘In Damascus bent je nooit geïntegreerd, gaat het je hier dan wel lukken?’

    Zittend achter haar computer houdt de medewerkster officiële papieren in drie talen in haar handen: Arabisch, Engels en Deens. Ik ga tegenover haar zitten, gewapend met maar één document dat geen waarde heeft maar voor mij belangrijk is: mijn verdoemde paspoort. De bijeenkomst begint met het officieel voorlezen van mijn rechten en plichten. De administratieve papierwinkel heeft me altijd afgeschrikt. Het doet me denken aan de vernederingen in Syrië, elke keer als wij ons wilden inschrijven bij de universiteit, bij de vakbond of zelfs voor het registreren van een auto. Ik buig mijn hoofd en neem de domme houding van de vluchteling aan.

    De woordenstroom stokt: ‘Luistert u wel?’

    ‘Natuurlijk,’ antwoord ik.

    Even blijft het stil. ‘Heeft u psychische problemen?’

    Een stemmetje in mij weerstaat de lust om te antwoorden: ‘Tja lieverd, zoals alle Syriërs. Ik heb geen vrienden meer. Die zijn via de ballingschap verspreid geraakt, ik heb ze al in geen vijf jaar meer gezien.’ Ik stel mijn ondervraagster gerust: ‘Nee, nee, geen psychische problemen.’

    Zij pakt haar papieren weer op. ‘Hebt u een lichamelijke of geestelijke handicap waarvan wij moeten afweten?’ Het stemmetje binnenin mij fluistert: ‘Ja, ik durf het huis niet uit. Ik kan er niet tegen als iemand me vragen stelt over Syrië. Europeanen stellen ons vragen over Syrië alsof het over een Hollywood- of Bollywoodfilm gaat. Die blik, waarmee ze dan “O” zeggen en het gebaar waarmee ze vervolgens hun hand op onze schouder leggen, als uit medeleven.’

    Hardop: ‘Nee, alles is normaal.’

    ‘Kunt u terug naar Syrië?’

    ‘Dat weet ik niet. Als Turkije de grens openstelt, zou ik naar de noordelijke gebieden kunnen, die worden beheerst door de oppositie. Ik denk niet dat ik naar de gebieden kan gaan waar het regime de baas is. Maar er is geen formele aanklacht tegen mij.’

    Weer stilte. Voor me op het bureau liggen foldertjes, bedoeld voor vrouwen, in het Turks, Pasjtoe, Farsi, Arabisch en Urdu: ‘Als uw echtgenoot, uw broer of een ander familielid u slaat of verbaal mishandelt, kunt u contact met ons opnemen en dan kunnen wij u beschermen.’ Ik pak er een en laat het in mijn zak glijden.

    De vrouw glimlacht. ‘Laten we het over uw integratie hebben.’ Inwendig overweeg ik te antwoorden: ‘Ik zal u eens heel simpel uitleggen hoe het zit: de Syriër kan nergens integreren zolang zijn land in brand staat. Dat is logisch, mevrouw. Onze families, onze vrienden, onze straten, onze herinneringen, onze toekomst, onze muziek, onze godsdienst, ons land, onze grenzen, onze bedrijven, onze tradities, onze dialecten, onze literatuur, onze overtuigingen, de stem van onze voorouders, hun foto’s en hun graven, alles op de wereld dat belangrijk voor ons is, verdwijnt alsof het nooit heeft bestaan. Zelfs te midden van de mensen voelen wij ons alleen. Laat ons in deze oorlogsjaren met rust. We willen niet integreren en zelfs al zouden we het willen, we kunnen het niet.’ Ik antwoord uiteindelijk: ‘Ja, natuurlijk, dat is belangrijk.’

    ‘Hebt u problemen met aanpassen aan de Deense samenleving?’

    ‘Ik geloof het niet.’

    ‘Weet u dat zeker? Er bestaan verscheidene programma’s om de integratie makkelijker te maken en ik zou graag willen dat u daar eens naar kijkt.’

    Ze geeft me wat folders, die ik een beetje vermoeid doorblader. Vrijwilligers die je de stad willen laten zien, andere vrijwilligers die je Deens kunnen leren. Er worden bijeenkomsten georganiseerd over Denemarken, over de cultuur van het land, de keuken. Er zijn gesprekken voor psychologische ondersteuning…

    Deense waarden

    ‘Goed, laten we het dan nu over de komende vijf jaar hebben.’

    Ik, in mezelf: ‘Mijn lieve dame, laten we het van dag tot dag bekijken. Ik zit voor twee jaar goed met mijn visum, daarna zien we wel weer verder.’ Zij vraagt me of ik het contract dat de overheid me heeft voorgelegd wel heb gelezen. Dat ben ik kwijtgeraakt, maar ik antwoord bevestigend en zeg dat ik al het heb getekend.

    Zij weer: ‘Zolang u hier bent, mag u uw vrouw, uw kinderen of iemand anders niet slaan.’

    Ik, in mezelf: ‘En mag ik dat buiten Denemarken dan wel?’

    Zij: ‘Dat hoort bij onze waarden in Denemarken.’

    Ik, weer inwendig: ‘Ik zou wel eens willen weten wat de Deense waarden onderscheidt van de Zweedse of de Europese. Zijn dat niet dezelfde als die van de Arabieren en de islamieten die in Syrië wonen? Waarden kun je niet vastleggen in een contract dat je afsluit met een denkbeeldig wezen dat “de staat” heet.’

    Zij: ‘U verplicht zich om respect te hebben voor minderheden en alle verschillen…’

    Ik, in mezelf: ‘Hoe zit het dan met de Deens volkspartij [de Dansk Folkeparti], een extreemrechtse club die bij de parlementsverkiezingen van 2015 de tweede partij van het land is geworden? Die wil uit het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens stappen en de doodstraf weer invoeren. De groep heeft het openlijk over het inperken en onderdrukken van moslims. Deelt u die waarden?’ Dan hardop: ‘Natuurlijk zal ik de Deense waarden respecteren.’

    Hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés

    De Koerdisch-Syrische dichter Salim Barakat woont ver van alles vandaan in Zweden, waar hij zich in 1999 heeft gevestigd. Ik heb overwogen om contact met hem op te nemen en er daarna weer van afgezien. Ik denk aan zijn vreemde lot. Een Arabischtalige Koerd in een ver land. Hij schrijft nog steeds. Wie zijn lezers zijn hangt af van het onderwerp waar hij het over heeft. Sommigen bewonderen zijn totale en volmaakte beheersing van het strikt letterlijke Arabisch, terwijl anderen vinden dat zijn taal absurd is en leeg, een doel op zichzelf geworden. Toch drukt de man er een heel herkenbaar stempel op zowel voor het oog als voor het oor.

    De relatie met de taal is een zwakke plek van alle Arabieren die racistische mythen over de superioriteit van hun taal herhalen. Die mythe is terug te voeren op de religieuze oorsprong van het Arabisch en de tijd van de grote veroveringen. De taal van de Koran is gewapenderhand en via bekeringen opgedrongen aan volken en staten. Op dezelfde manier bestaan in het Westen racistische legendes over de superioriteit van de westerse talen ten opzichte van die van het Oosten. Het koloniale verleden blijft leven in de denkbeelden van het volk en van de academische wereld, die van het Oosten een gebied maken dat onderontwikkeld en anders is, en waarvan de taal nooit de vrije gedachte zal kunnen uitdrukken. Toch zijn volgens de moderne linguïstiek alle talen gelijk in hun vermogen om ideeën en gevoelens te formuleren, de voortgang van de moderne wetenschap te begrijpen en een gemeenschappelijke mystiek van alle volken uit te drukken. Geen taal is beter, preciezer, mooier, poëtischer, vrijer, opener of geslotener dan een andere.

    Ik hou van het Arabisch, niet omdat het een superieure taal is, maar omdat het mijn taal is. Net als Salim Barakat wil ik in geen andere taal schrijven. Maar hoe moeten we onze taal leven in een land waar die in verband wordt gebracht met terrorisme? We schamen ons om die taal te gebruiken op vliegvelden, op stations, in bussen en cafés. In ieder geval is het onmogelijk om in een land werk te vinden zonder de taal van dat land machtig te zijn. Het Deens is dus mijn toekomst. Een taal die onmogelijk is om uit te spreken, want hij mist de gutturale klanken waar mijn keel naar staat. Ik denk aan het lot van de ballingen die hun taal naar elders hebben gebracht: Nabokov, Cortázar, Ibsen, Marx of Bakoenin. Wat hebben zij met hun oorspronkelijke taal gedaan na tientallen jaren ballingschap?

    De Syrische hoofdstad Damascus, geboorteplaats van schrijver Odai Al Zoubi. – © Valery Sharifulin / Getty Images
    De Syrische hoofdstad Damascus, geboorteplaats van schrijver Odai Al Zoubi. – © Valery Sharifulin / Getty Images

    Ik fiets door de straten van de hoofdstad, met een waterdicht pak over mijn gewone kleren, net als de Europeanen. Kopenhagen heeft nooit oorlog of bezetting gekend, behalve die van de Duitse Führer. De stad heeft zich aan Hitler overgegeven om verwoesting te voorkomen, net als Parijs. Het centrum is rustig en veilig. Dit is de stad met het grootste percentage vrouwen in het politieke en economische leven, de beste sociale programma’s en het kleinste verschil tussen rijk en arm ter wereld. Hoe kun je níét van dit koude noordelijke landje houden?

    Ik ga in de bibliotheek zitten om _Woorden van dag en avond _van Naguib Mahfouz te lezen [Egyptische winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur; dit boek is niet vertaald]. Het is onmogelijk om niet de bezorgde blikken te zien van mensen die mij, met mijn dikke zwarte baard, iets in het Arabisch zien lezen. Vanuit de verte word ik in de gaten gehouden door gewapende mannen. De bibliotheek kijkt uit op de enige synagoge in Kopenhagen. Twee jaar geleden heeft een Deen van Palestijnse afkomst, die geboren was in Kopenhagen en betrokken bij drugshandel, joden aangevallen bij de ingang van de synagoge, roepend dat hij dat deed uit naam van Palestina en de islam. Er vielen doden en gewonden. Sindsdien wordt de synagoge bewaakt.

    Dit land is lange tijd homogeen geweest. Joden kwamen er pas laat naartoe. Vervolgens heeft de overheid na de Tweede Wereldoorlog Turken en Pakistanen binnengehaald om het zware werk te doen. De Palestijnen zijn gekomen tijdens de oorlogen in Libanon [1975-1990]. Zij werden in de jaren negentig gevolgd door Somaliërs en Eritreërs, tegelijk met Oost-Europeanen na de ineenstorting van de Sovjet-Unie. In diezelfde periode zijn ook de Koerden gekomen, op de vlucht voor de woede van het Turkse leger; vervolgens kwamen de Irakezen, Arabieren en Koerden die verjaagd waren door de oorlog tussen Irak en Iran en daarna door de Amerikaanse interventie. Nu zijn het de Syriërs.

    Ik kijk naar de joden met hun keppeltje. Glimlachende oude mannen die langzaam bewegen, kuis geklede vrouwen, die sterk contrasteren met de alomtegenwoordige naaktheid in dit land, verlegen jongeren die achter hun familieleden aanlopen. Niemand in deze stad lijkt zo sterk op ons als deze praktiserende joden.

    Ik ga naar buiten en loop door de straten. Geen gewapende wachters bij het parlementsgebouw. Een vredesactiviste staat hier elke dag te demonstreren tegen de regering. Ze roept leuzen tegen Amerika en voor Assad. Ik vraag haar wat ze van de chemische wapens vindt die de Syrische president volgens een rapport van de VN in het opstandige noorden van het land heeft ingezet. Ze antwoordt dat dat allemaal leugens zijn van voorstanders van Amerika en Israël. Ik loop door, verdwaald in een stad die ik nog slecht ken.

    Tranen

    In een smal straatje speelt een Egyptenaar met zijn zoon, die danst op een wijsje van Amr Diab [bekende zanger in Egypte]. Dan zet het kind het op een lopen en roept iets in het Deens, tot grote wanhoop van zijn vader: hij wil geen Arabische liedjes horen. Ik probeer vergeefs mijn tranen in te houden. Ik huil zonder reden. Mijn vrienden en geliefden zeggen dat ze voortdurend huilen. Degenen die naar Damascus gaan, huilen bij elk bezoek, zowel bij aankomst als bij vertrek. Degenen die er niet heen gaan, krijgen om het minste of geringste tranen in hun ogen, behalve om zichzelf. Wat moet je doen in een land waar Amr Diab ons aan het huilen brengt?

    Overal rijden fietsers, er hangt een gigantische poster van de Deense volkspartij met een foto van blonde en blanke Denen. Eenvormiger dan de inwoners van de hoofdstad, vertegenwoordigen zij de campagnes met een duidelijke boodschap: wij zijn de Deense familie. Onder een laagje beschaving borrelen de ergste vormen van fascisme en fanatisme. De leden van deze beweging willen dat de grenzen gesloten worden, dat vluchtelingen worden uitgezet en dat ook de islamitische immigranten het land uit worden gestuurd, net als zigeuners, of dat nu Roemenen, Polen of Bulgaren zijn. Ze beweren dat Denemarken al die armen niet kan helpen: waarom zou het land een last moeten dragen die zijn krachten te boven gaat? Iets in dit affiche blokkeert elke poging tot communicatie tussen ons en die Deense familie. De volkspartij blijft maar hameren op de superioriteit van een beschaving die twee eeuwen geleden de wereld heeft veroverd, en zo het lot van volken, landen en individuen heeft verstoord, die daarvan nog altijd niet zijn hersteld. Afrikanen, Indiërs en Inuit werden onderworpen, tot de Denen stuitten op andere Europeanen, de Engelsen.

    Nu verschijnen er partijen die nog extremistischer en gekker zijn dan de volkspartij. Een ongekende angst maakt zich meester van het land. De inwoners herkauwen even stom als nerveus het sprookje van een gelukkig land. Wij zijn superieur en gelukkig. Wij werken acht uur per dag en we houden van ons land. De rest van de wereld begrijpt niet dat wij gelukkig zijn, dat we hart hebben voor het milieu, dat wij goed zijn en open, dat we niets anders willen dat in dit land leven – alleen! Mensen staren zich blind op die zoektocht naar geluk en volmaaktheid. Niets is zo dodelijk voor het geluk als er dag en nacht naar zoeken, zonder de tijd te nemen om ervan te genieten of te denken aan het lot van je ongelukkige broeders, ver van dit ijzige en paradijselijke Noorden.

    Ik kom bij de kerk waar ik vlakbij woon. Aan de muur hangt een reusachtig affiche in regenboogkleuren, symbool van de homoseksuelen. Op een houten bankje daaronder speelt een oude Pakistaan met zijn kleinkinderen. Ergens vandaan klinkt klassieke muziek, Mozart misschien. Tientallen kinderen staan in de rij om met hun leerkrachten de straat over te steken. Het onschuldige lawaai van gelach, geschreeuw, gehuil. Straks zal mijn zoon zich bij die scholieren voegen, zonder vragen te hoeven beantwoorden zoals ik.

    De oude Pakistani tilt zijn kleindochter op en neemt haar op een holletje mee. De schaterlach van het kleine meisje weeft een onzichtbare draad tussen de kou van het Noorden en de warmte van het Zuiden. De blijheid van een kind omspant de hele wereld.

    Auteur: Odai Al Zoubi

    Deze Syrische journalist, schrijver en dichter werd in 1981 geboren in Damascus. Hij is medewerker van een groot aantal publicaties en websites van de Syrische oppositie. Met zijn literaire stijl heeft hij in de Arabische wereld al veel prijzen gewonnen. Hij is ook de auteur van een boek dat in 2016 is verschenen: As-Sam (De stilte, niet in het Nederlands vertaald). Al Zoubi, die in Engeland een doctoraal in de filosofie heeft gehaald aan de Universiteit van East Anglia, woont momenteel in Kopenhagen.

    auteur

    Al-Jumhuriya
    Turkije | aljumhuriya.net

    Al-Jumhuriya (De Republiek) is een website voor onderzoek en discussie die in maart 2012 in Istanboel is opgericht door een groep intellectuele Syrische ballingen, onder wie Yassin al-Haj Saleh, Nayla Mansour en Yassin Swehat. De site publiceert artikelen, enquêtes en wetenschappelijk onderzoek naar de politieke, sociale en culturele transformaties in Syrië en de rest van de Arabische wereld.

  • Vier redenen waarom Angela Merkel zich weer kandidaat moet stellen

    Vier redenen waarom Angela Merkel zich weer kandidaat moet stellen

    Iedereen is vervangbaar, maar niet op elk moment. Volgens _Die Zeit_-journalist Bernd Ulrich is het van groot belang dat Merkel nog even de macht behoudt: voor de democratie, voor de politiek, voor de partij en voor zichzelf.

    Het is zo klaar als een klontje. Angela Merkel heeft zich maandag door een slim gebaar van deemoed speelruimte verschaft, dus ze zal zich weer kandidaat stellen. Machtsbehoud, dat is de kern van de politiek en helemaal van haar, de machtspolitica bij uitstek. Dat wordt tenminste algemeen aangenomen. Maar zo eenvoudig is het raadsel 
Merkel niet op te lossen.

    Vrijwel op de kop af drie jaar geleden sprak ze in een televisiedebat de beroemde zin ‘Sie kennen mich’. Dat klopte niet. Terugblikkend is aannemelijk dat zelfs de kanselier drie jaar geleden niet eens precies wist wie ze die drie jaar zou zijn. Laat staan het grote publiek, dat altijd al problemen had met dat vreemde wezen uit het mentaal zo verre Oosten. Grif nam men genoegen met clichés. Enkele onderstromen uit haar levensverhaal bleven daar mogelijk achter verborgen.

    En zo ontstond in de loop der jaren het verwrongen beeld van de kille, onevenwichtige, maar wel vanuit het einddoel terugredenerende, superverstandige machtspolitica Merkel. Nog altijd wordt er zo tegen haar aangekeken, en dus wordt er simpelweg verondersteld dat ze zich weer kandidaat zal stellen, voor de vierde keer, verliefd op macht, berekenend, in hogere sferen. Maar of dat zo is…

    Leven

    In tegenstelling tot bijvoorbeeld Helmut Kohl, die zich graag in de mantel der geschiedenis hulde, behoort Angela Merkel tot het type postheroïsche politici. Ze verheerlijkt zichzelf niet zozeer, maar is ook niet bereid om zich helemaal op te offeren. Leven speelt ook een rol bij haar. Niet zoals bij de vicekanselier, die zich afmat met maandag de SPD, dinsdag het ministerie en woensdag zijn dochtertje Marie. Bij Merkel zijn het meer de lange golven. Eigenlijk heeft ze tot nog toe twee halve levens geleid: ingetogen in de DDR, en in de hoogste versnelling als toppolitica in het herenigde Duitsland. Met normaal en onvrij is Angela Merkel bekend, met vrij en abnormaal ook. Alleen een tamelijk goed, normaal leven in vrijheid heeft ze tot op heden niet kunnen leiden. Kunnen we er echt van uitgaan dat ze dat niet graag zou willen?

    En wel dringend. Tenslotte is ze ook nog de inmiddels langst regerende bondskanselier. Als je er tenminste rekening mee houdt dat het tempo van de politiek sinds Adenauer verviervoudigd en sinds Kohl nog eens verdubbeld is. Aannemelijk is dat dat de krachten soms enigszins te boven gaat.

    Angela Merkel zou dus alle reden 
hebben om te zeggen: ik wil hier weg.

    (Zoals overigens in deze tijden van openlijke haat en escalerende crises algemeen moet worden aangenomen dat bij vooraanstaande Duitse politici het streven naar macht minder sterk is dan de neiging om die te ontvluchten.)

    Een miljoen overwegend islamitische Arabieren het land binnenlaten, 
betekent je verantwoordelijk voelen voor die mensen en voor de landen waar ze vandaan komen

    Nu heeft Angela Merkel de pech dat 
ze als postheroïsche politica in een heroïsche tijd is beland. Duitsland, Europa, het hele Westen bevindt zich in de zwaarste crisis sinds 1945. Kan 
ze dan vertrekken? Eigenlijk niet. 
Maar als eerst de grootste crises bezworen moeten zijn voordat ze mag terugtreden, dan zou ze als bondskanselier honderd jaar moeten worden. Niemand gelooft tenslotte nog dat deze crises überhaupt crises zijn. Het gaat eerder om de nieuwe normaliteit.

    Evengoed zijn er vier goede redenen waarom Angela Merkel zich weer 
kandidaat moet stellen: democratische hygiëne, de eenheid in die Union 
[CDU/CSU], de internationale situatie 
in de komende twaalf maanden, en toch ook weer zijzelf.

    1. Voor de democratie
    In de merkeleske politiek heeft altijd een fundamentele contradictie gezeten: die tussen haar eigen behoedzaamheid, die ze zich in een goed betaalde bliksemopleiding tot toppolitica eigen 
heeft gemaakt, en, daartegenover, haar fundamentele overtuiging dat de (West-)Duitsers een beetje verwend zijn en zo nu en dan behoorlijk aangespoord en opgejut moeten worden. Eén keer heeft ze die tegenstrijdigheid deels weggenomen door alle voorzichtigheid te laten varen. Dat was in 2005, toen 
ze de neoliberale politiek van bondskanselier Schröder nog eens wilde 
overtroeven – en daarvoor bij de verkiezingen zwaar werd afgestraft.

    Tijdens haar kanselierschap heeft 
Merkel die fundamentele contradictie op een andere manier weggenomen. Haar programmatische politiek bleef vaag omlijnd en voorzichtig, maar ze maakte telkens weer kordaat gebruik van buitenlandse crises om haar beleid radicaal te wijzigen. Zo ging het bij 
de dienstplicht, bij de energieomslag en bij het Ruslandbeleid. Merkel, die verondersteld werd vanuit het einddoel terug te redeneren, werd een meester in de wording. Keer op keer nam ze risico’s, voor zichzelf en voor 
de Duitsers, zonder te weten waar ze zou uitkomen. Lichtelijk overdrijvend zou je over Merkels kanselierschap kunnen zeggen: crises beheerst ze, geen crises niet.

    Deze gang van zaken heeft een nadeel: de kiezers kunnen alleen maar stemmen over de waterige programmasoep, het onbelangrijke, en niet over het fundamentele. In de vluchtelingenkwestie is er uiteindelijk een draai gemaakt. Voor de laatste Bondsdagverkiezingen, en zelfs nog in het regeerakkoord, werd er gedaan alsof vluchtelingen geen groot probleem waren, alsof Duitsland tot op zekere hoogte door Dublin voor de wereldgeschiedenis werd beschermd. Op 4 september 2015 nam de kanselier echter een besluit van heel andere aard, met een draagwijdte die niet onderdoet voor de Westbindung, 
de Ostpolitik en de Duitse eenwording.

    © Getty
    © Getty

    Een miljoen overwegend islamitische Arabieren het land binnenlaten, 
betekent je verantwoordelijk voelen voor die mensen en voor de landen waar ze vandaan komen. De verantwoording op je nemen, niet voor een paar maanden, maar voor tientallen jaren. Bovendien betekent het een 
nog altijd positieve houding tegenover de globalisering, nu die niet meer eenzijdig in het voordeel van het Westen uitpakt en als het ware huiswaarts keert met vluchtelingen, economische concurrentie en terreur. Juist wie dit besluit ten diepste steunt, moet toch toegeven dat het dringend een democratische legitimatie behoeft, ook al 
is dat dan een legitimatie achteraf.

    Willy Brandt maakte na zijn Ostverträge de weg vrij voor nieuwe verkiezingen, Helmut Kohl deed dat na de Duitse eenwording en Gerhard Schröder na zijn ‘Agenda 2010’ – en nu is het de beurt van Angela Merkel. Anders zal het democratische deficit van haar vluchtelingenbeleid lange tijd voeding geven aan agressie – tegen haar, maar met name tegen de vluchtelingen, die dat toch echt niet hebben verdiend.

    2. Voor de partij
    Horst Seehofer [leider van de CSU en premier van de deelstaat Beieren] en Angela Merkel zorgen voor verdeeldheid in die Union, zo wordt gezegd. 
Dat getuigt van een beperkte kijk op 
de zaken. Het tegendeel is namelijk waar. In alle belangrijke westerse 
landen zijn de conservatieve partijen ten diepste verdeeld (de linkse en 
sociaal-democratische ook, maar om andere redenen en met andere consequenties). In de VS is de Republikeinse Partij van Donald Trump gewoonweg verscheurd, in Groot-Brittannië draaien de Tories nog altijd besluiteloos en richtingloos om de Brexit heen, in Frankrijk staat Nicolas Sarkozy inmiddels dichter bij de rechts-populistische Marine Le Pen dan zijn partijgenoot Alain Juppé. Daarmee vergeleken zijn CDU en CSU, Merkel en Seehofer, haast twee handen op één buik.

    Het zeer explosieve conflict binnen 
alle conservatief-liberale partijen 
over afsluiten of openstellen, over 
vernieuwing van de globalisering of het opgeven ervan, wordt in Duitsland van zijn scherpe kanten ontdaan doordat die tussen de nog altijd machtigste vrouw van Europa en een, vooruit, belangrijke regionale politicus wordt gevoerd. Merkel is de deksel op de 
hete pan. Zonder haar hernieuwde kandidaatstelling zou het conflict 
volledig tot uitbarsting komen en 
zou een scheuring in die Union waarschijnlijk zijn.

    De droom van enkele CSU’ers dat 
Wolfgang Schäuble de plaats van 
Merkel zou kunnen innemen, heeft haast iets aandoenlijks. De minister van Financiën heeft immers nog 
duidelijker dan de kanselier zelf de kant van de globalisering, de liberalen en het humanitaire realisme gekozen. Onlangs nog riep Schäuble de televisiekijkers toe: ‘De wereld is aan het 
veranderen. Er zullen nog veel meer immigranten komen!’

    Merkel is misschien niet de komende vijf jaar nodig, maar zeker wel de komende twaalf maanden

    3. Voor het Westen
    Volgens de huidige publieke opinie in Duitsland zou de kanselier niet zo veel op het internationale toneel moeten acteren, maar zich meer moeten bezighouden met binnenlandse aangelegenheden. Alsof de situatie in Turkije, de Griekse vluchtelingenkampen, Syrië en Libië geen rechtstreekse weerslag op Duitsland heeft, alsof de verkiezingen in de VS, de afwikkeling van de Brexit, het Italiaanse referendum over de grondwet en de verkiezingsstrijd in Frankrijk niet als een vos in een 
kippenhok de zogenaamd binnenlandse politiek van Duitsland zouden binnensluipen.

    De vraag is niet of ze minder internationale politiek zou moeten bedrijven, maar wat er van het Westen terechtkomt als Angela Merkel zichzelf over een paar weken vleugellam maakt door af te zien van haar vierde kandidatuur voor het kanselierschap. Iedereen is natuurlijk vervangbaar, maar niet op elk moment.

    Als begin december in Oostenrijk een rechts-populist tot president wordt gekozen, dan zal dat land politiek gezien in verwarring zijn. In elk geval is het dan vooralsnog handelings-onbekwaam. Ach nou ja, Oostenrijk, zou je kunnen zeggen, maar ook in Frankrijk zal de beginnende verkiezingsstrijd regeren onmogelijk maken. En mocht Marine Le Pen in mei 
daadwerkelijk worden gekozen, dan klapt misschien de EU wel. En dan ten slotte nog de VS: als Donald Trump op 
8 november wint, dan leven wij allemaal in een andere, slechtere wereld.

    Maar ook in het betere geval dat de alom impopulaire Hillary Clinton 
president wordt, zal zij heel lang nodig hebben om vaste voet te krijgen. En 
het is de vraag of Donald Trump zich koest houdt als hij heeft verloren. Nu lijkt het waarschijnlijker dat hij een op zijn minst verbale burgeroorlog begint.

    Kortom, het Westen beweegt zich een tijdlang langs de zelfkant van zijn 
volledige, collectieve handelings-
onbekwaamheid. Laten we het zo 
zeggen: een mooier moment voor de kanselier om zichzelf van de macht te beroven zouden zelfs Vladimir Poetin en Viktor Orbán niet kunnen bedenken. Merkel is misschien niet de komende vijf jaar nodig, maar zeker wel de komende twaalf maanden.

    4. Voor zichzelf
    Doorgaan, plicht, historie, verantwoording, last, discipline. Dergelijke begrippen op elkaar stapelen is voor postheroïsche politici uiteindelijk geen solide motivatie. Blijft dus de vraag of Angela Merkel nog iets ziet in een hernieuwde kandidatuur. In de taal van moderne voetbaltrainers: is ze nog nieuwsgierig naar zichzelf? Afgelopen maandag heeft de kanselier iets heel interessants gezegd: ‘We moeten onszelf nu dus als het ware overtreffen. Ook ik.’

    Inderdaad. Persoonlijk geldt voor Angela Merkel de regel van drie: normaal in onvrijheid, abnormaal in vrijheid en nog iets wat ontbreekt. Op politiek 
gebied geldt: ordentelijk regeren 
zonder grote ambities, geschiedenis maken zonder mandaat en motivering, en ook nog iets wat ontbreekt.

    De ontbrekende toon in haar muziek 
is de gelijkluidendheid van duiding 
en betekenis, van woord en daad, de omkering van haar informele verkiezingsmotto van 2009 en 2013: als 
Angela Merkel zich opnieuw kandidaat stelt, maakt ze met ‘asymmetrische demobilisatie’ geen kans meer; dit keer zou het asymmetrische mobilisatie moeten zijn. Jarenlang bedreef ze de metafysica slechts in de marge en 
filosofeerde ze hooguit op de achtergrond over haar politiek. Dit keer zou ze strijdbaar haar overtuiging, haar waarden en een programma moeten uitdragen. Zoals in 2005, maar nu 
beter – en voor een betere zaak.

    Sie schafft das.

    Auteur: Bernd Ulrich
    Vertaler: Pieter Streutker

    Beeld bovenaan: © Getty

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • Kom naar Portugal

    Kom naar Portugal

    In Europa schreeuwen lidstaten om beschermde buitengrenzen, of zelfs een onneembare muur om hun land. Portugal, daarentegen, zou juist graag vluchtelingen verwelkomen. Als die tenminste willen komen.

    Eén ding is zeker: vluchtelingen komen hier niet graag naartoe. Ondanks onze befaamde rust, onze hervonden economische groei en de schijnbare vooruitgang, hebben oorlogsvluchtelingen geen zin om in Portugal een nieuw leven op te bouwen. Er zijn hogere waarden in het geding.

    Een beetje onrustbarend is het wel, dat families die in gammele bootjes hun leven hebben gewaagd op zee en nu opeengepakt zitten in vluchtelingenkampen, toch niets van Portugal willen weten wanneer ze een enkele reis Lissabon aangeboden krijgen. Het vergt psychologisch inzicht om hun beweegredenen te begrijpen: voor wie alles op het spel heeft gezet is alleen het beste genoeg. Bijna allemaal verkiezen zij een verblijf in een opvangcentrum voor asielzoekers in een Midden-Europees land. Zij nemen voor zichzelf en voor hun kinderen de slechte levensomstandigheden, die in de wintermaanden alleen nog maar slechter zullen worden, op de koop toe. Schijnbaar is dat minder erg dan om in ons milde 
en zonnige klimaat te komen wonen. In ieder geval willen ze die stap niet zetten zolang de kans niet is verkeken om in een rijker noordelijk land onderdak te vinden. De keuze tussen lekker weer en een toekomst is snel gemaakt, en Portugal trekt daarbij aan het kortste eind. Onlangs kwamen de eerste berichten binnen: ‘De overgrote meerderheid van de asielzoekers op weg door Europa wil verder reizen naar Duitsland en Zweden.’ De televisie, de radio en de kranten pikten het thema op. De Serviço de Estrangeiros e Fronteiras [Dienst Vreemdelingen en Grenzen] erkent dat het met de opname van vluchtelingen niet erg wil vlotten.

    Hooguit vijftig

    Deels komt dat door allerlei bureaucratische rompslomp, maar ook (of vooral) omdat de vluchtelingen simpelweg weigeren om naar Portugal te reizen. Begin september kondigde de regering aan dat er bijna vijfduizend opgenomen zullen worden, maar in december zullen er hooguit vijftig vanuit Griekenland en Italië hiernaartoe komen. Vluchtelingen vertellen elkaar dat er in de noordelijke landen volop werk is en dat de levenstandaard er hoog is, terwijl men over Portugal eigenlijk weinig weet. Zo weinig, dat de Portugese ambassadeur in Griekenland, Rui Alberto Treno, 
naar een vluchtelingenkamp toog om vluchtelingen voor te lichten over wat hun na de aankomst op de Lusitaanse kusten* precies te wachten staat. Als een soort ambassadeur, die nu alleen geen buitenlandse investeerders moet aantrekken maar vluchtelingen moet overhalen om voor ons land te kiezen.

    Het idee om vluchtelingen te smeken om maar alsjeblieft naar ons land te komen is minder bizar dan het lijkt

    Het idee om vluchtelingen te smeken om maar alsjeblieft naar ons land te komen is minder bizar dan het lijkt, 
als de angst voor terrorisme en andere vooroordelen even opzij worden gezet. De geschiedenis leert dat het altijd voordelig is om migranten op te nemen. De voordelen zijn zowel direct als indirect. In het huidige geval is er zelfs een financiële prikkel aan verbonden, in de vorm van monetaire steun vanuit Europa. Voor elke migrant die besluit om naar Portugal te komen, ontvangt het land onmiddellijk 6000 euro, plus verdere steun tot in 2020. Als alle potentiële immigranten akkoord gaan – Portugal heeft zich bereid verklaard om 4754 mensen op te nemen – levert dit het land een bedrag van 28 à 70 miljoen euro op. Maar nog belangrijker dan deze financiële prikkels zijn de indirecte voordelen. Sinds mensenheugenis hebben landen baat gehad bij het opnemen van migranten. De Verenigde Staten, Canada, Brazilië, Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland hadden nooit kunnen worden wat ze nu zijn zonder de komst van Italiaanse, Russische, Chinese, Japanse, Portugese, Indiase, Marokkaanse en talloze andere migranten.

    Het arme, verouderde en luie Portugal, dat de handen vol heeft aan de typische sociale en economische problemen waar landen met een negatieve demografische groei en een lage productiviteit mee kampen, heeft veel te winnen bij de komst van migranten. De gebeurtenissen die deze enorme vluchtelingenstroom op gang brachten zijn verschrikkelijk – de oorlog 
in Syrië en de ontwrichting van de Maghreb zijn heuse tragedies –, maar de families die nu mogelijk naar Portugal komen zijn voor ons zeker ook een kans. Als ze tenminste wíllen komen.

    • Ironisch bedoeld: met deze dichterlijke term wordt verwezen naar het roemrijke zeevaartverleden van het land. Lusitaans is een archaïsche aanduiding voor Portugees.

    Auteur: José Manuel Diogo
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Foto boven: © Getty

    Jornal de Notícias
    Portugal | oplage 102.000

    Oudste en een van de meest gelezen kranten van Portugal. Heeft met vier regionale edities een gedifferentieerd publiek. De toon is overwegend rechts.

  • Roemeen zijn is een baan

    Roemeen zijn is een baan

    Al tien jaar rijdt de Roemeen Viktor Talic met een bestelbusje door Europa om mensen en goederen af te leveren. Zijn vijftig uur lange, vrijwel slapeloze reizen bieden een verontrustend maar ook inspirerend kijkje in de ziel van het continent.

    De held van dit verhaal lijkt ouder dan zijn 34 jaar. Hij heeft indrukwekkende bovenarmen en een vriendelijk voorkomen, en hij weet wat veel mensen denken als ze ‘Roemenië’ horen. Er zijn Europese landen met een slechte reputatie, er zijn landen met een bijzonder slechte reputatie en dan heb je nog Roemenië. Het is een land waar hoofden van het Nationale Anticorruptie Directoraat moesten aftreden op beschuldiging van corruptie en waar de premier wordt verdacht van witwaspraktijken. Onze man weet daar alles van, omdat hij heel Europa bereist. In politieke termen zou je kunnen zeggen dat hij voortdurend op weg is door een steeds verder integrerende Europese Unie.

    In 1992 had Roemenië nog 23 miljoen inwoners. Nu zijn dat er vier miljoen minder. Degenen die emigreerden profiteren van het feit dat Europa een onuitgesproken arbeidsverdeling kent die ongeveer als volgt werkt: overal waar ongeschoolde arbeiders nodig zijn, kijken werkgevers naar Roemenen.

    Zelfs de Duitsers. Als er geen Roemenen waren, zouden eigenaars van abattoirs tot aan hun borst tussen de varkenskarkassen staan. Als zij er niet waren, zouden projectontwikkelaars de glorieuze Duitse bouwhausse kunnen vergeten. Hetzelfde geldt voor asperge- en aardappeloogsten. In de ogen van de Roemeense emigranten is alles beter dan thuisblijven. Als gevolg daarvan is huis en haard verlaten het meest Roemeense wat een mens kan doen – en dat is helemaal niet moeilijk. Je hoeft alleen maar in een minibusje te klimmen en naar het Westen te hobbelen. Elke Roemeense stad kent honderden van deze busjes. Een enkele reis Duitsland kost 70 euro; Nederland en België 80 euro; Frankrijk, Italië en Portugal 120 euro. Een gigantische armada van Roemeense busjes koerst al jaren door Europa.

    Hier komt onze held om de hoek kijken, een held van de vrijheid, een held van de markteconomie – en op de een of andere manier, op zijn eigen manier, ook een held van Europa. Hij laat zich Viktor Talic noemen. Het zou onverstandig zijn, beweert hij, om zijn echte naam te gebruiken. Talic is op weg naar Portugal. Hij is meer dan alleen maar chauffeur van een busje, hij is ook expediteur, geldtransporteur en koerier – allemaal tegelijk. Met zijn Mercedes Sprinter vervoert hij acht landgenoten en een voorraad goederen van Punt A (Roemenië) naar Punt B (Portugal), een route die al veel Roemenen hebben gevolgd. Een deel van zijn klanten gaat zijn geluk voor het eerst buiten het vaderland beproeven, anderen vertrekken voor korte tijd om asperges te plukken of in de bouw of de diepvries-industrie te werken, of in wat voor sector dan ook. Weer anderen waren alleen maar even terug in Roemenië om formaliteiten af te handelen in Boekarest. Wanneer ze op weg gaan naar Portugal, vertrekken ze niet van huis, ze gaan naar huis. Talics kofferbak is altijd gevuld met pakketten.

    Viktor Talic on the road, achter het stuur van zijn Mercedes Sprinter. – © Thomas Grabka / Der Spiegel
    Viktor Talic on the road, achter het stuur van zijn Mercedes Sprinter. – © Thomas Grabka / Der Spiegel

    De meeste zijn cadeautjes voor familieleden in het buitenland, zelf geslacht, zelf gebreid en vooral zelf gedistilleerd. Alles wat hij vervoert, of het nu pakketten of personen zijn, wordt van deur tot deur bezorgd, ongeacht de eind-bestemming in Portugal.

    Dromen over het Westen

    Het is half mei en Talic staat met zijn bus in het centrum van zijn woonplaats Satu Mare, in het noordwesten van Roemenië. Zijn klanten zijn allemaal stipt op tijd, gedoucht, een beetje weemoedig, en allemaal hebben ze meer bij zich dan de afgesproken ene koffer. Het zijn er zeven, ieder met zijn eigen dromen over het Westen. Er is een jong echtpaar bij en een ouder echtpaar, een gezette vrouw die de hele vijftig uur lange rit geen woord zal zeggen en een afgetobde, magere man van het soort dat door Hollywood vaak als terroristische ‘mol’ wordt gecast.

    Er is ook een mooi meisje bij in een glanzend witte, met lovertjes afgezette outfit, eigenlijk een joggingpak. Van alle chauffeurs in Satu Mare biedt Talic de zwaarste reis. Zijn route van hier naar Portugal is ongeveer 4000 kilometer lang. Hij mijdt Italië, hoewel dat korter zou zijn. De carabinieri hebben in het verleden vanwege de geringste overtredingen Roemeense auto’s geconfisqueerd. Dan rijdt Talic liever 500 kilometer om. De laatste halte is altijd Portimão, op het zuidwestelijke puntje van Europa, waar Talics moeder inmiddels naartoe is verhuisd. Verder westelijk kun je in Europa bijna niet gaan. De rit duurt vijftig uur en het eerste Roemeense woord dat je onderweg leert is cinci, oftewel vijf. Dat is precies het aantal minuten pauze dat Talic neemt na het tanken.

    Het tweede woord is cincisprezece, oftewel vijftien, wat de lengte is van de eetpauzes. Wat slaappauzes betreft, daarvoor is maar drie uur ingeruimd, overmorgen in het noorden van Spanje. De rest van de tijd blijft Talic wakker.

    ‘Krankzinnig, vind je niet?’ zegt Talic.

    Een vrouw in de Roemeense plaats Brasov steekt de weg over. – ©  Dennis Jarvis / Flickr
    Een vrouw in de Roemeense plaats Brasov steekt de weg over. – © Dennis Jarvis / Flickr

    Talic is een held van de vrijheid, een held van de markteconomie en een held van Europa

    Kostwinner

    Vijftig uur om 4000 kilometer door Europa te reizen in een oude groene Mercedes Sprinter met 1,2 miljoen kilometer op de teller. De stoelen zijn keihard en versleten, de tweeassige aanhanger is tot de rand gevuld. En dan is er nog de Roemeense discopop die op volle sterkte aan staat en eindeloos wordt herhaald, zodat Talic niet in slaap valt voordat hij Noord-Spanje bereikt.

    In Frankrijk mijdt hij de snelwegen – die zijn te duur – wat betekent dat het land met de grootste oppervlakte van Europa via landwegen wordt doorkruist. Tien uur pauze in Portugal is alles wat Talic zichzelf gunt voordat hij omdraait en weer op huis aan gaat. Dat komt neer op 8000 kilometer rijden, honderd uur achter het stuur, in iets meer dan vijf dagen. Is dit krankzinnig, suïcidaal of een gewone gang van zaken?

    Talic is een aardige man die zich niet klein laat krijgen door de miljoen kilometer die hij achter het stuur heeft gezeten. Hij begrijpt dat mensen kritiek hebben op zijn manier van leven en legt uit dat hij niet altijd chauffeur is geweest. Hij zegt dat hij een goede leerling was met een wiskundeknobbel. Maar op een dag, toen zijn vader een boom aan het omzagen was, viel er een tak van een eik op diens achterhoofd zodat zijn beide ogen uit hun kassen werden gedrukt. Hij viel voorover op zijn nog draaiende kettingzaag, een rode Drujba van Sovjetmakelij die zijn hart aan flarden reet.

    Talic was destijds veertien jaar. Een week nadat zijn vader omkwam in het bos ging hij van school; vier jaar lang voorzag hij met de zware Drujba in het levensonderhoud van zijn familie. Daarna ging hij naar Portugal en werkte in de bouw. Talic vertelt het verhaal op liefdevolle toon. Hij is niet iemand die overdrijft; vijftig uur later, op het zuidwestelijke puntje van Europa, bevestigt zijn moeder het hele verhaal met tranen in haar ogen. Voor iemand die als kind zijn familie onderhield met een kettingzaag lijken 4000 kilometer lange reizen door Europa zo krankzinnig nog niet. Eigenlijk is het best een prettig baantje. Talic start de bus. De overladen Mercedes kraakt en schokt, maar hij rijdt. Algauw bereiken we Hongarije.

    Een Roemeense seizoenarbeider oogst komkommers bij een bedrijf in het Duitse Vetscha. - © Patrick Pleul
    Een Roemeense seizoenarbeider oogst komkommers bij een bedrijf in het Duitse Vetscha. – © Patrick Pleul

    Acht mobieltjes

    Bij de grens verroert niets of niemand zich. Het is een warme dag en de Hongaarse douaniers zweten in hun blauwe uniform en laten zien hoe langzaam iemand in een paspoort kan bladeren. Talics baas, de eigenaar van het Mercedes-busje, staat voor ons in de rij, in een VW Passat. Hij rijdt altijd mee tot de grens, omdat hij de mensen van de douane het beste kent. Wanneer Talic niet verder komt bij de Hongaarse tolpoort, stapt voor ons zijn baas uit zijn auto en begroet een van de douane-beambten. Ze omhelzen elkaar. Ze kennen elkaar. Een korte babbel, een snelle blik in het paspoort.

    Er zit iets tussen de bladzijden, dat de douanier met geoefende vingers pakt. Twee minuten later kan Talic de rij verlaten en terwijl hij passeert, wenst de Hongaar in zijn uniform de Roemenen in de Mercedes vrolijk een goede reis. Talic leunt voorover en zet de muziek harder. Hij heeft een usb-stick met honderden uren Roemeense folkpop in de radio gestoken. Voor westerse oren is het honderden uren lang hetzelfde liedje. Talic lijkt het mooi te vinden, de anderen staren tevreden naar de eentonige Hongaarse Pannonische steppe.

    En dan rijden we Oostenrijk binnen.

    Talics mobieltjes liggen op het dashboard, acht in getal: twee Roemeense, een Duitse, een Franse, een Spaanse en drie Portugese. Als een klant een pakket in Portugal wil laten bezorgen, belt hij of zij Talic. Dat kan ook als Talic al onderweg is. Dan maakt hij een kleine omweg. Voor veel Roemenen is Talic een van de weinige banden die ze nog met thuis hebben. Natuurlijk zijn er Facebook, WhatsApp en vaste buitenlandtarieven voor mobiele telefoons, maar die nemen de heimwee niet weg. Tot Talics klanten behoren gastarbeiders die zeven dagen per week vijftien uur per dag in een veld in het Portugese Alentejo werken. Soms geven ze hem alleen maar pakketten ter bezorging om even Roemeens met hem te kunnen praten en een band met hun vaderland te voelen.

    Voor Talic is de EU geen monster dat in Brussel woont, het is een zee van mogelijkheden

    Hun land, hun regels

    Na Oostenrijk komt Duitsland. ‘Waarom gaat iedereen eigenlijk altijd vrijdags op weg?’ vraagt het mooie meisje zich hardop af. Ze heeft al in Duitsland gewerkt, in het zuiden, in een conservenfabriek. Daar verdiende ze 8,50 euro per uur aan de lopende band en was ze niet officieel in dienst. Maar ze was 400 euro van haar loon kwijt aan een piepklein kamertje in een stacaravan naast de fabriek. Dat kamertje van tien vierkante meter moest ze delen met een andere Roemeense. Ze merkte dat een minimumloon van 8,50 euro niet betekent dat je ook 8,50 euro verdient. Het betekent alleen dat sommige bedrijven moeilijker doen, en je maar 6 euro betalen.

    De armada van Roemeense busjes maakt zich op voor Duitsland, of meer in het bijzonder voor de politieagenten daar. Anders dan de Hongaren laten de Duitsers zich niet omkopen. Natuurlijk zijn er boetes, 50 euro, zelden meer. Het probleem zijn de eerlijke agenten. Alleen in Duitsland neemt een politieman de moeite om een bestelbusje vol Roemenen aan te houden op de Autobahn om te zien of de auto of de aanhanger te zwaar beladen is. Talic vindt de Duitsers niet bijzonder gemeen. Of lastig. Ze zijn gewoon correct, zegt hij. Een eenvoudige rekensom verklaart het vertrek op vrijdag: een chauffeur heeft ongeveer tien uur nodig om de 900 kilometer van de Hongaarse grens naar Passau af te leggen. Als je aan het begin van de middag uit Roemenië vertrekt, ben je vlak na zonsondergang in Duitsland. Een Roemeens nummerbord is ’s nachts moeilijker te herkennen en een deel van de Duitse agenten is in het weekend vrij, de mooie Duitse Autobahn is leeg, de kans dat je niet wordt aangehouden is groot.

    En voordat zaterdagochtend de zon opgaat, zijn de Roemenen alweer weg. Talic vindt het goed wat de Duitsers doen. Hun land, hun regels, zegt hij, niets mis mee. Hij ziet zijn werk als sport. Hij wil zijn dochter in Roemenië het beste van het beste geven, zodat ze later naar de universiteit kan en in een mooi huis kan wonen. Als hij zich aan de Duitse regels zou houden, zou dat onmogelijk zijn. Dus doet hij wat hij moet doen. Zoals Duitsland ook doet wat het moet doen, en Europa. Het is eigenlijk doodeenvoudig.


    Je komt bij wijze van spreken weinig mensen tegen die zo hartstochtelijk Europeaan zijn als Viktor Talic. Voor hem is de Europese Unie geen monster dat in Brussel woont, het is een zee van mogelijkheden. Veel mensen die met hem zijn meegereden keren een paar jaar later misschien in een grote auto terug naar Roemenië en trekken in een groot huis dat ze zich nooit zouden hebben kunnen veroorloven als ze het land niet hadden verlaten. Dus wie zegt dat de Europese droom niet werkt?

    Een graanveld in Roemenië. -  © Florin Gorgan / Flickr
    Een graanveld in Roemenië. – © Florin Gorgan / Flickr

    Varkens

    Terwijl het busje Frankrijk binnenrijdt gaat de radio aan. Talic tankt goedkope benzine in de buurt van Montluçon in de Auvergne. In plaats van te douchen gaat hij naar de drogisterijafdeling van een supermarkt en spuit parfum op zijn bovenarmen. Helaas doen de andere passagiers hetzelfde. Nu ruikt het buisje naar een parfumoutlet op het hoogtepunt van de zomer.

    In Frankrijk heeft Talic nooit problemen. Als hij voor de politie aannemelijk kan maken dat hij alleen maar op doorreis is en over een paar uur in Spanje zal zijn, laten ze hem passeren. Hij heeft maar één keer gedoe gehad. ‘Dat was met de varkens.’

    Algauw was bekend geworden dat je Talic alles kon meegeven. Twee euro per kilo, dat was de enige regel. Vorig jaar rond deze tijd kreeg hij een telefoontje van een Roemeen die in een slachthuis in de buurt van Lissabon werkte. De baas daar weigerde de lonen van de Roemeense werknemers te betalen en zei dat ze hem maar voor de rechter moesten slepen. De Roemenen hadden een ander idee: ze besloten zijn varkens te stelen. Ze timmerden een enorme houten kist, stopten er veertien levende varkens in en gaven alles aan Talic, die de gestolen waar vastsjorde op zijn aanhanger.

    Omdat alle betrokkenen besloten dat de reis van 4000 kilometer van Portugal naar Roemenië nogal lang was voor de varkens, besloten ze de varkens naar een kennis in Parijs te sturen. Talic en de varkens werden betrapt tijdens een politiecontrole. Een gendarme hield hen aan en vroeg om de verklaring van een dierenarts. Talic, die hem begrepen had, toonde hem de autopapieren en legde uit dat de zending voor Parijs was bestemd. De politieman schudde zijn hoofd en liet Talic doorrijden met zijn varkens.

    ‘Ze hebben het allemaal overleefd,’ zegt Talic. ‘De reis althans.’
    En zo rijden we Spanje binnen.

    De waanzin begint

    Na het vijfendertigste uur verstrijkt de tijd in dikke klonten. Bilbao, Valladolid, Salamanca, de steden trekken voorbij. Nu rijdt de bus in elk geval weer over de snelweg. Niemand let op de tijd, niemand lijkt zich erom te bekommeren of de rit ooit voorbij zal zijn. Spanje is het ergste deel van de reis. De passagiers hangen als verdoofd op hun stoel. De gespreksonderwerpen zijn al sinds Bazel uitgeput. Dit is het moment waarop de mensen zich afvragen waarom ze zich hiervoor 120 euro voor hebben betaald. Een vlucht zou twee keer zoveel hebben gekost. Nooit heeft het fijner gevoeld om in Portugal aan te komen. De waanzin begint. Van nu af aan blijft geen van Talics acht mobieltjes stil. Iedereen weet dat hij op zondagmiddag in Portugal arriveert. Iedereen wil weten wanneer zijn pakket, zijn familielid, zijn vriendje komt. Soms belt Talic met drie mensen tegelijk.

    Nadat hij het oudere echtpaar en de magere man in een dorp in de buurt van Lissabon heeft afgezet, rijdt Talic de Portugese hoofdstad in. Daar wachten verscheidene klanten hem op met hun auto om hun pakketten in ontvangst te nemen. Dertig, veertig Roemenen belegeren zijn Mercedes. Hij deelt het ene na het andere pakket uit en neemt een paar nieuwe in ontvangst.


    Zondagavond vroeg eindigt de rit in Portimão, een toeristenoord in de buurt van de Algarve waar de Portugese bouwhausse heeft geresulteerd in een paar oerlelijke torenflats. In een daarvan woont Talics moeder. Zijn zus en stiefbroer wonen onder haar.


    Talics moeder werkt voor 5 euro per uur als schoonmaakster in een hotel. De nieuwbouw waarin ze woont is nog niet klaar, maar ze wil onder geen beding terug naar Roemenië, ze is hier gelukkig. Talic zit naast haar aan de keukentafel en is te moe om te praten. Morgenochtend om acht uur gaat hij terug naar Roemenië. Hij zegt dat hem net iets te binnen is geschoten. Over de vraag hoe het is om Roemeen in Europa te zijn. Hij weet het antwoord. Roemeen in Europa zijn heeft niets met nationaliteit te maken. Roemeen zijn is een baan.

    Juan Moreno