Tag: innovatie

  • Lieveheersbeestjes en genoombewerking: de landbouw van de toekomst

    Lieveheersbeestjes en genoombewerking: de landbouw van de toekomst

    Hoe kunnen we de wereld voeden zonder de aarde te vernietigen? Onderzoekers werken aan superplanten en manieren om ongedierte te bestrijden zonder pesticiden.

    Op een milde novemberochtend laat Ludwig Hirschberg, 56 jaar, zich zakken op zijn veld. Hij knielt op zwarte aarde die schittert in de zon. De jonge wintertarwe is een paar centimeter hoog en glimt groen. Hirschberg steekt een plantje uit met zijn zakmes, houdt het tussen zijn vingers en zegt: ‘Ziet er goed uit.’ Sterke, gezonde wortels, veel scheuten. En, heel belangrijk, er groeit geen onkruid tussen de planten dat ze van licht en voedingsstoffen kan beroven. Hirschberg behandelde de grond vóór het zaaien met glyfosaat, een ‘totaal’ bestrijdingsmiddel dat elke vorm van onkruid doodt. Hij gebruikt ook fungiciden tegen schimmels als echte meeldauw, die de tarwe in de volgende groeistadia zouden kunnen aantasten.

    Hirschberg heeft het graag over de ‘gereedschapskist’ die boeren nodig hebben om goede oogsten te verkrijgen. Daar hoort veel kunstmest en gif bij; gemiddeld wordt in Duitsland bijna drie kilogram bestrijdingsmiddelen per hectare gebruikt [in Nederland was dat in 2020 gemiddeld 7,1 kilo per hectare].

    Dat heeft gezorgd voor een indrukwekkende toename van de oogsten in de afgelopen zestig jaar. Tegelijkertijd zijn de gevolgen van intensieve monocultuur verwoestend: veel bodems raken uitgeput. De biodiversiteit vermindert en daardoor neemt ook de veerkracht van ecosystemen af.

    Van boer tot bord

    Nu zijn politici begonnen de gereedschapskist van de boeren uit te mesten: in augustus heeft de Europese Commissie de zogenaamde ‘van boer tot bord’-strategie goedgekeurd. Tegen 2030 moeten landbouwers het gebruik van pesticiden met de helft en dat van meststoffen met minstens 20 procent verminderen. Inmiddels is er al een verbod ingesteld op sommige neonicotinoïden. Dat zijn zenuwstoffen die schadelijke insecten doden, maar die ook het richtingsgevoel van bestuivers zoals wilde bijen verminderen. In 2023 zal glyfosaat, na een lange en verhitte discussie, eindelijk worden afgeschaft, mede omdat de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de werkzame stof als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ beschouwt. Afgelopen zomer waren er luide protesten van boeren in heel Europa; in Nederland waren er zelfs gewelddadige rellen.

    Ludwig Hirschberg beheert het landgoed Perdoel, een van de oudste en grootste boerenbedrijven in Sleeswijk-Holstein, gelegen tussen bossen en meren. Hij is geen hardliner, voor hem is het vanzelfsprekend dat boeren meer moeten doen voor de biodiversiteit, bijvoorbeeld met bloeistroken, heggen en hagen, en gevarieerde vruchtwisseling. Hirschberg teelt al lange tijd tuinbonen, die stikstof in de bodem binden zodat er minder kunstmest nodig is. Maar, waarschuwt hij, ‘als de richtlijnen op zo’n ingrijpende manier veranderd worden, zullen we een groot deel van de opbrengsten verliezen en wordt voedsel nog duurder.’

    En dat dan uitgerekend vandaag de dag, nu mondiale crises zich toespitsen. In de oorlog tegen Oekraïne gebruikt Poetin genadeloos de graanvoorraden als wapen. En als gevolg van de klimaatverandering komen hittegolven en droogte steeds vaker voor. Door hittegolven in India dit voorjaar zijn de opbrengsten naar schatting met 10 tot 35 procent gedaald; in Duitsland is de graanoogst in het droogtejaar 2018 met 16 procent ingezakt.

    Maar hoe moet je de wereld voeden zonder de aarde te vernietigen?

    Wanneer conventionele gewassen eenmaal met ziekteverwekkers zijn geïnfecteerd, kunnen ze tot 50 procent van hun opbrengst verliezen

    Harold Verstegen is hoofd mondiale productontwikkeling bij zaadproducent KWS in Einbek, Nedersaksen. Het beursgenoteerde bedrijf heeft wereldwijd meer dan vijfduizend mensen in dienst, uiteenlopend van moleculaire biologen tot veldwerkers. Veredelaars zijn overal in de wereld op zoek naar de superplanten van de toekomst – planten die ondanks extreme weersomstandigheden een stabiele opbrengst geven en van nature resistent zijn tegen schadelijke organismen.

    ‘We screenen het genetisch materiaal van planten op wenselijke eigenschappen en veredelen ze vervolgens verder,’ legt Verstegen uit. Maar het duurt acht tot tien jaar voordat een nieuw ras op de markt kan worden gebracht. Verstegen wil dat proces gaan versnellen. Daartoe willen agro-ingenieurs zaadproducenten in staat stellen een in Duitsland omstreden methode toe te passen: groene genetische manipulatie.

    Simone Lange, onderzoeksmedewerker bij KWS, opent de deur van een van de vele kassen. Op de vloer staan honderden potten met tarweplanten van ongeveer een meter hoog, de aren verpakt in plasticfolie. Hier geldt veiligheidsniveau 2 voor ‘genetisch gemodificeerde organismen’ (GGO’s), die in de EU streng gereglementeerd zijn. ‘De tarwe mag niet openbloeien zodat ze geen andere planten kan bestuiven,’ zegt Lange.

    De zogenaamde Crispr-Cas-genschaar heeft de genetische samenstelling van de tarwe gewijzigd om het gewas resistenter te maken tegen schimmelziekten. Wanneer conventionele gewassen eenmaal met ziekteverwekkers zijn geïnfecteerd, kunnen ze tot 50 procent van hun opbrengst verliezen. Zodra de aren van de genetisch gemodificeerde tarwe rijp zijn, zal Simone Lange ze oogsten. ‘Elke aar bevat ongeveer vijftig tot zestig tarwekorrels,’ zegt ze. ‘De helft gaat naar resistentietests, de andere helft naar conserveringsveredeling.’

    Het betreft een project van Pilton, de Duitse vereniging van plantenkwekers, waarin schimmeltolerantie van tarwe wordt bestudeerd met behulp van nieuwe kweekmethoden. En het is ook een vertoning: kijk eens wat we kunnen, als je het ons maar toestaat.

    De mensen van KWS hadden iets meer dan twee jaar nodig om hun tarwe te ontwikkelen. Dat is aanzienlijk minder dan met conventionele kweekmethoden nodig is. Deze nieuwe tarwe zou kunnen betekenen dat boeren minder chemicaliën op de velden hoeven te gebruiken.

    Reële omstandigheden

    In 2023 wil de EU opnieuw beslissen of met Crispr-Cas gemodificeerde planten onder de GGO-regelgeving blijven vallen. Veel wetenschappers pleiten voor versoepeling. Hun belangrijkste argument is dat er met Crispr-Cas geen genoverdracht is van de ene plant naar de andere. Daarom zijn het geen ‘transgene organismen’. 

    De onderzoekers verzetten zich ook tegen het zwart-witdenken dat het debat domineert. Leopoldina, de Duitse Nationale Academie van Wetenschappen, en de Duitse Onderzoeksstichting vinden de algemene classificatie van genetisch gemodificeerde planten als GGO’s ‘ongegrond en onuitvoerbaar’. Ze pleiten voor een gedifferentieerde regelgeving die gericht is op de concrete veranderingen in de plant en niet alleen op de kweekmethode. En ze roepen op tot het vergemakkelijken van veldonderzoek. Alleen onder reële omstandigheden kan de genetische basis van eigenschappen als zout-, droogte- en hittetolerantie beter worden begrepen.

    Maar kan het nieuwe gereedschap daadwerkelijk aan de hoge verwachtingen voldoen? Voor schimmelresistentie in tarwe kregen de KWS-onderzoekers bijvoorbeeld een zogenaamde gen knock-out voor elkaar: een enkel deel van het genoom werd uitgeschakeld. Er zijn echter tientallen genen betrokken bij gewenste eigenschappen zoals droogteresistentie. Het is moeilijk om ze allemaal te veranderen. Vooral omdat het genoom van tarwe zeer complex is.

    Agro-ecoloog Angelika Hilbeck van de ETH Zürich vindt genoombewerking belangrijk, omdat het nieuwe wetenschappelijke inzichten zou kunnen opleveren. ‘Maar niemand heeft behoefte aan de huidige producten,’ zegt ze. Die verrijkten immers enkel de industrie. ‘We kijken vooralsnog altijd puur naar de plant, naar de genetica. Ik raad juist aan om naar buiten te kijken, naar het ecosysteem.’ Want planten zijn teamspelers.

    Het doel is vergroening van het conventionele landschap, niet de volledige omschakeling naar biologisch

    Wat dat betekent is te zien op een stoffig veld in Brandenburg. Op een warme dag iets eerder in het jaar sjokt Kathrin Grahmann in wandelschoenen door een zonnebloemveld en inspecteert ze de planten. Ze zijn gegroeid tot verschillende hoogtes, wat het oogsten bemoeilijkt. Maar ze dragen allemaal vruchten, volledig zonder pesticiden. ‘Het waren lieveheersbeestjes die hen redden van een bladluizenplaag,’ zegt Grahmann.

    De wetenschapper leidt een tienjarig project van het Leibniz Instituut voor Landbouwlandschapsonderzoek, onder de naam Patch Crop. Op 70 hectare bij Müncheberg in Brandenburg worden gerst, koolzaad, soja, tarwe, zonnebloemen, haver, lupinen, maïs en rogge verbouwd.

    Daartoe zijn 32 velden aangelegd van elk 76 bij 76 meter. Kleine percelen waarvan de onderzoekers hoge verwachtingen koesteren: ze willen uitzoeken hoe de interactie tussen planten, bodem, nuttige insecten en plagen het ecosysteem versterken. Bovendien werken de onderzoekers nauw samen met robotfabrikanten die kleine, autonome voertuigen ontwikkelen om onkruid te schoffelen en fruit te oogsten.

    ‘Voor ons is het bijzonder spannend om te zien wat er aan de grenzen van de velden gebeurt,’ zegt Grahmann. De lieveheersbeestjes, bijvoorbeeld, verzamelden zich aanvankelijk op het veld met de voorjaarshaver. Nadat dat gerijpt was, gingen ze naar de zonnebloemen en vonden daar hun volgende grote maaltijd, de bladluizen. Die brengen virussen over en veroorzaken bladverlamming, maar ze hadden geen schijn van kans.

    ‘Normaal wordt op een dergelijk gebied slechts één gewas geteeld,’ zegt Grahmann. Nuttige insecten zouden er niet lang blijven. Dat is anders bij dit experiment, waar de vruchtwisseling dicht bij elkaar plaatsvindt.

    Drones

    Maar diversiteit betekent veel werk. Om voordeel te halen uit het multiculturele veld, moet je het eerst begrijpen. En daarom wordt waarschijnlijk geen enkel ander landbouwgebied in Duitsland zo nauwkeurig gemeten als deze grond in Brandenburg. Hier liggen 180 sensoren begraven; zij sturen elk kwartier gegevens over temperatuur en bodemvochtigheid naar een radiomodule. Speciale apparaten – gaschromatografen – analyseren chemische verbindingen, zoals het stikstofgehalte in het sojaveld. Die plant behoort tot de peulvruchten en kan stikstof in de bodem vasthouden, waardoor op kunstmest wordt bespaard. Drones vliegen over de gebieden en observeren de groei en biomassa.

    ‘Ons doel is om landbouwers wetenschappelijk verantwoorde analyses te bieden die hen in staat stellen aan de EU-regelgeving te voldoen en toch stabiele opbrengsten te realiseren,’ zegt Grahmann. Ze zegt dat vergroening van het conventionele landschap het doel is, en niet de volledige omschakeling naar biologisch.

    Op sommige percelen worden kunstmest en pesticiden op de conventionele manier gebruikt. Bij andere wordt de hoeveelheid eerst met een derde, later met de helft verminderd; weer andere hebben extra bloeistroken. De onderzoekers tellen regelmatig hoeveel ongedierte zich op een plant heeft gevestigd. Ze willen drempelwaarden vaststellen. Landbouwers passen vaak uit voorzorg beschermingsmiddelen toe – de duurste vorm van ongediertebestrijding, voor zowel mens als natuur.

    De onderzoekers van het Leibniz-Instituut moeten gedurende twee jaar gegevens verzamelen voordat zij deze systematisch kunnen evalueren. Maar er zijn al bemoedigende aanwijzingen. ‘In wintertarwe gebruikten we 30 procent minder bestrijdingsmiddelen en behaalden we dezelfde hoge opbrengsten,’ vertelt Grahmann.

    Ludwig Hirschberg is sceptisch als hij zulke cijfers hoort. ‘In een droog jaar kan ik goed zonder pesticiden voor mijn tuinbonen, maar in een nat jaar lukt dat niet,’ zegt hij. Het is een vergissing te veronderstellen dat als iets één jaar werkt, het altijd zal werken, meent hij.

    In plaats van algemene verboden zou Hirschberg graag zien dat politici concrete doelen stellen voor de bescherming van soorten. ‘Hoeveel wouwen of brandganzen moeten hier in het district Plön waargenomen worden om te kunnen zeggen dat het niet langer bedreigde soorten zijn?’ Met dergelijke concrete doelstellingen zouden boeren veel meer betrokken en gemotiveerd zijn, meent hij. Daarvoor zouden ze pas echt hard werken.

  • Deze Deense partij wordt volledig aangestuurd door kunstmatige intelligentie

    Deze Deense partij wordt volledig aangestuurd door kunstmatige intelligentie

    Een groep Deense kunstenaars heeft de eerste politieke partij opgericht die volledig wordt aangestuurd door kunstmatige intelligentie. De Synthetische Partij heeft ter voorbereiding van de parlementsverkiezingen van 2023 zelfs een niet-virtuele vergadering gehouden.

    In de politiek pakken mensen complexe vraagstukken aan met verstand en gevoel en worden beslissingen genomen die voor de samenleving van belang zijn. Maar is er in Christiansborg [het paleis dat onder meer het Deense parlement en de kantoren van premier Mette Frederiksen huisvest] ook plek voor een politieke partij die uitsluitend door kunstmatige intelligentie wordt aangestuurd? Die vraag probeert kunstenaarscollectief Computer Lars te beantwoorden.

    In samenwerking met het technologische centrum MindFuture heeft het collectief de Synthetische Partij opgericht, die volledig wordt geleid door kunstmatige intelligentie. Het collectief, dat zich beweegt op de grens tussen kunst en politiek, neemt deze taak zeer serieus en heeft als doel een zetel in het Folketing [parlement] te veroveren.

    De kunstmatige intelligentie waarvan de Synthetische Partij gebruikmaakt is ontworpen en geprogrammeerd door Computer Lars. Deze kreeg allerlei teksten voorgelegd die op internet zijn gepubliceerd door kleine Deense partijen die niet aan de verkiezingen kunnen deelnemen. Zo werd de Synthetische Partij een smeltkroes van politieke standpunten en ideeën over democratie, waarmee ze zich onderscheidt van de andere partijen die in Christiansborg het politieke spel spelen.

    ‘De kunstmatige intelligentie is een samensmelting van wat gewone Denen op politiek vlak denken’

    ‘We hopen dat de Synthetische Partij het gevestigde politieke systeem kan veranderen door zeer verschillende burgers en hun politieke visies te vertegenwoordigen,’ zegt Asker Bryld Staunæs, een kunstenaar en filosoof die deel uitmaakt van Computer Lars. ‘De kunstmatige intelligentie is een samensmelting van wat gewone Denen op politiek vlak denken. Individuen hebben de neiging zichzelf te matigen, terwijl kunstmatige intelligentie juist een idee geeft van de werkelijke politieke opvattingen onder de bevolking.’

    Het collectief, legt hij uit, heeft de teksten van kleine partijen gebruikt omdat die meer reflecteren op de vraag wat politiek en democratie precies inhouden en de manier waarop de politiek georganiseerd zou moeten worden. Volgens hem hebben de gevestigde partijen zulke kwesties allang achter zich gelaten.

    Interactie

    Om de Synthetische Partij concrete en interessante beleidsstandpunten te laten ontwikkelen, moet Computer Lars interactie aangaan met mensen, zegt Asker Bryld Staunæs. ‘Hoe meer mensen verschillende vragen blijven stellen en hoe meer interactie er is, hoe meer de kunstmatige intelligentie in staat zal zijn om te lezen, te schrijven en te debatteren.’

    Waar komt het idee van deze politieke toepassing vandaan? Waarom niet gewoon een kunstwerk maken dat soortgelijke ideeën over technologie kan oproepen? De vertegenwoordiger van Computer Lars vindt het antwoord simpel: de politieke kant is onontkoombaar. Hij herinnert eraan hoe de Federatie van Bewust Luie Elementen [een Deense politieke partij die in 1979 werd opgericht door de komiek Jacob Haugaard] kunst en een flinke dosis humor gebruikte om kritiek te leveren op het arbeidsethos van de moderne samenleving. Haugaard werd in de jaren negentig in het parlement gekozen, met als programmapunten onder meer wind in de rug op fietspaden en grotere kerstcadeaus voor iedereen.

    ‘Als kunstenaars zich met politiek bezighouden, is dat om zaken onder de aandacht te brengen die gewoonlijk niet worden opgepikt’

    ‘Als kunstenaars zich met politiek bezighouden, is dat om zaken onder de aandacht te brengen die gewoonlijk niet worden opgepikt. Ons project moet wel politiek zijn, want het is moeilijk om op een andere manier algoritmen ter verantwoording te roepen en vast te stellen wie zij vertegenwoordigen,’ aldus Asker Bryld Staunæs. ‘Techgiganten als Google hebben onze berichten allemaal gelezen en al onze foto’s doorzocht. Zij zijn dus op de hoogte van de gedachten en standpunten van gewone mensen. Maar omdat veel algoritmen en kunstmatige intelligentie in het geheim werken, is het lastig bepalen welke politieke onderwerpen hier concreet uit voortkomen.’

    Computer Lars zal deze verborgen algoritmen zichtbaar maken, zodat we beter inzien wat het precies inhoudt om met machines te praten in plaats van met individuen.

    Verruimd kader

    Bovendien is het kunstenaarscollectief van mening dat het politieke en democratische kader verruimd kan worden en dat bestaande meningen die niet altijd worden gehoord, directer kunnen worden geuit. ‘De Synthetische Partij systematiseert de verschillende posities die kunstmatige intelligentie aan het licht brengt niet op basis van een ideologie, maar op basis van een reeks statistische gemiddelden. De partij geeft niet duidelijk aan wat mensen denken, maar geeft veel verschillende standpunten weer. Daar kunnen we dan direct op reageren,’ legt Asker Bryld Staunæs uit.

    De eerste verkiezingsbijeenkomst van de Synthetische Partij (met het oog op de parlementsverkiezingen, waar nog geen datum voor is vastgesteld maar die uiterlijk op 4 juni 2023 zullen worden gehouden) zal plaatsvinden in het gebouw van MindFuture tijdens de Vestegnenweek – een cultureel festival dat van 8 tot 18 september wordt gehouden in verschillende buurten in de westelijke voorsteden van Kopenhagen. Geïnteresseerde kiezers kunnen dan chatten met de kunstmatige intelligentie en zo helpen om de positie van de partij verder te ontwikkelen.

    Maar stel dat de Synthetische Partij uitsluitend kwalijke meningen verkondigt? Die zijn dan blijkbaar door verschillende mensen geuit. Wie wordt daar uiteindelijk verantwoordelijk voor gehouden? ‘Computer Lars is verantwoordelijk voor het censureren van bepaalde standpunten, maar ook personen die interactie aangaan met de kunstmatige intelligentie hebben in dit opzicht een verantwoordelijkheid. Het zou spijtig zijn als mensen opzettelijk op onplezierige dingen zouden aansturen,’ aldus Asker Bryld Staunæs.

    ‘Het is niet altijd leuk om te horen wat machines zeggen, maar het kan wel veel indruk maken’

    Hij gelooft dat de wereld bijna klaar is om deze technologie te verwelkomen. De afgelopen jaren zijn wij, gewone mensen, getuige geweest van de groei van voor een bredere doelgroep toegankelijke kunstmatige intelligentie, en zijn we steeds beter gaan begrijpen hoe algoritmen te werk gaan.

    Hij geeft toe dat er nog vaak moeilijkheden ontstaan wanneer mensen en machines moeten leren samenleven, maar hij gelooft niet dat machines zich tegen ons zullen keren en de planeet zullen overnemen. Integendeel, hij en Computer Lars denken dat we veel kennis kunnen vergaren als we kunstmatige intelligentie creatief gebruiken – vooral kennis over onszelf.

    ‘Veel mensen denken dat de enige betrouwbare uitspraken die van menselijke wezens zijn. Maar kunstmatige intelligentie is een versterkte manifestatie van bepaalde tendensen in ons gemeenschappelijk cultureel erfgoed,’ zegt hij. ‘Het is niet altijd leuk om te horen wat machines zeggen, maar het kan wel veel indruk maken, en zo kunnen we echt een samenleving creëren waarin ook zij meningen en standpunten bijdragen.’

    Lees ook:

  • Jonge Japanners redden openbare badhuizen. ‘Deze cultuur mag niet uitsterven’

    Jonge Japanners redden openbare badhuizen. ‘Deze cultuur mag niet uitsterven’

    Sinds de pandemie gaan oudere Japanners, de belangrijkste klanten van de sento, alleen nog maar de deur uit voor essentiële activiteiten. Daardoor dreigt een belangrijk aspect van de Japanse cultuur teloor te gaan. Een groep jongeren doet er alles aan om dit te voorkomen.

    Aira Masayuki (23) heeft vorig jaar een sento gerenoveerd in de wijk Shinagawa, in het hart van Tokio. Van kinds af aan was de badkamer zijn lievelingsvertrek, dus het was niet onlogisch dat hij zich als journalist ontpopte tot deskundige op het gebied van het Japanse openbare bad. Veel badhuisbeheerders die hij voor zijn werk interviewde, vertelden over hun zorgen: dat hun kinderen vanwege de economische problemen in de sector gedwongen zullen zijn een andere inkomstenbron te vinden. Masayuki ging toevallig werken voor het bedrijf Nikoniko Onsen, dat sento’s in Tokio renoveert. Toen zijn baas hem vroeg of hij misschien zin had om zich over het etablissement in Shinagawa te ontfermen, hoefde hij daar niet lang over na te denken.

    In zijn Tokyo Yokujo (‘Badkamers van Tokio’) heb je het gevoel weer in het Showa-tijdperk (1926-1989) te zijn beland, toen de sento een prominente plaats innam in het dagelijks leven van de Japanners. ‘In de ontvangstruimte zitten luidruchtige schoolmeisjes manga’s te bekijken en drinken oude mannen bier nadat ze met de krant in de hand van een bad hebben genoten’, schrijft Asahi Shimbun. De toegangsprijzen voor de sento worden door de overheid vastgesteld, voegt de krant eraan toe. ‘Beheerders moeten daarom het aantal klanten vergroten of specifieke diensten gaan aanbieden om financieel het hoofd boven water te kunnen houden.’

    Dankzij de initiatieven is de omzet van de sento na de renovatie met 300 tot 400 procent gegroeid

    Zodoende heeft Masayuki in zijn vestiging onder meer individuele sauna’s aangebracht. Daar kan de klant ongestoord ontspannen in een luxueuze omgeving. Muziekje erbij, geurolie bij de hand, zonder de aanwezigheid van anderen. Ook is voorzien in een plek waar geroosterde zoete aardappelen worden verkocht, een delicatesse in Japan, zeker ’s winters. Dankzij deze initiatieven is de omzet van de sento na de renovatie met 300 tot 400 procent gegroeid. ‘Ik ben zo blij dat ik voor een sento werk,’ zegt Masayuki. ‘Ik hoop dat deze vernieuwingen de sector kunnen helpen om te overleven.’

    Kinmachi-Yu, een andere sento, die al in 1943 werd geopend in het district Katsushika, in het oosten van Tokio, kon sluiting ternauwernood vermijden. De voormalige eigenaar van het bedrijf overwoog het, maar zijn dertigjarige zoon, Shintaro Yamada, die voorheen in de mediasector werkte, besloot in 2019 het stokje van zijn vader over te nemen, om te voorkomen dat de plek waaraan hij zo veel goede herinneringen bewaarde zou verdwijnen.

    Zo renoveerde Yamada het onderkomen van de sento, dat in beklagenswaardige staat verkeerde, waarna het aantal gezinnen onder de clientèle toenam. Het viel hem op dat veel mensen de regels niet kenden die in de sento dienen te worden gerespecteerd. Zo behoren bezoekers zich te wassen voor het baden en is het niet de bedoeling dat ze hun handdoek in het water achterlaten. Eind november belegde hij zelfs een seminar om de sento-cultuur aan gezinnen uit te leggen. ‘Deze kinderen kunnen hier later met hun eigen kinderen terugkomen. Ik zal deze activiteiten uiteraard voortzetten, zodat ook de sento-cultuur kan blijven bestaan,’ aldus Yamada.

    Sento-manager

    De existentiële crisis van de sento heeft ook de traditionele spelers in de sector tot actie bewogen. De Tokyo Sento Association, een organisatie die badhuiseigenaren samenbrengt, is dit jaar begonnen met een opleiding voor jongeren die sento-manager willen worden. Achttien mensen hebben al deelgenomen aan de eerste sessies, waarin ze hebben geleerd om onder realistische omstandigheden te werken. ‘De bedoeling is om jongeren op praktische wijze te laten kennismaken met ons vak, zodat deze cultuur niet zal uitsterven,’ zegt een lid van de vereniging.

  • De neuroloog die zichzelf liet opereren, en bijna zijn verstand verloor

    De neuroloog die zichzelf liet opereren, en bijna zijn verstand verloor

    De Amerikaanse neuroloog Phil Kennedy droomt ervan om cyborgs te creëren door elektroden in menselijke hersenen te implementeren. Omdat hij geen proefkonijn kan vinden, besluit hij zelf onder het mes te gaan. Maar dat pakt anders uit dan verwacht.

    Keuze uit ons archief

    360 is altijd gefascineerd door de laatste ontwikkelingen op het gebied van technologie en medische wetenschap, en door welke goede én slechte gevolgen die kunnen hebben.

    Dit artikel verscheen eerder in nr. 97 van 360 Magazine, april 2016.

    De hersenoperatie nam elfenhalf uur in beslag. Er werd begonnen op de middag van 21 juni 2014, en de operatie duurde tot aan de Caribische zonsopgang de volgende dag. Die middag, toen de verdoving was uitgewerkt, kwam de neurochirurg de kamer in, nam de bril met metalen montuur van zijn neus, hield hem vlak voor het gezicht van de patiënt en zei: ‘Hoe noemen we dit?’

    Phil Kennedy keek een paar tellen naar de bril. Toen gleed zijn blik naar het plafond, vervolgens naar de televisie. ‘Eh… eh… ai… aiee,’ stamelde hij na een poosje. ‘… aiee… aiee… aiee.’

    ‘Maak je niet druk, neem de tijd,’ zei de chirurg, Joel Cervantes, die zijn uiterste best deed rust uit te stralen. Opnieuw probeerde Kennedy antwoord te geven. Het leek alsof hij alle macht probeerde zijn hersenen aan de praat te krijgen, als iemand met keelpijn die grote moeite heeft met slikken.

    Ondertussen werd de chirurg beheerst door de pijnlijke gedachte: ‘Ik had dit nooit moeten doen’.

    ’s Werelds eerste cyborg

    Kennedy was een paar dagen eerder geland op het vliegveld van Belize – een aantrekkelijke, intelligente, precieze man van 66 met het wat afstandelijke, zelfverzekerde uiterlijk van een tv-dokter. Er was niets met hem aan de hand, er was geen enkele medische reden voor Cervantes om zijn schedel open te leggen. Maar Kennedy wilde een hersenoperatie ondergaan en hij was bereid daar dertigduizend dollar voor neer te tellen.

    Voor het eerst in de geschiedenis was iemand in staat te communiceren via een brein-computerinterface

    Kennedy was in het verleden zelf een beroemd neuroloog geweest. Eind jaren negentig had hij de wereldpers gehaald toen hij een aantal elektroden had geïmplanteerd in het hoofd van een verlamde man met het locked-insyndroom, waarna hij de man leerde met zijn gedachten een computercursor te bedienen. Kennedy noemde zijn patiënt ’s werelds eerste cyborg, en de media gaven hoog op van dit kunststukje: voor het eerst in de geschiedenis was iemand in staat te communiceren via een brein-computerinterface. Vanaf dat moment stond Kennedy’s hele leven in het teken van zijn droom om meer en betere cyborgs te maken en een manier te ontwikkelen om iemands gedachten volledig te digitaliseren.

    We schrijven de zomer van 2014. Kennedy heeft besloten dat hij zijn project alleen verder kan ontwikkelen wanneer hij het persoonlijk maakt. Om een doorbraak te forceren zal hij zich toegang moeten verschaffen tot een menselijk brein. Dat van hemzelf.

    Zodoende vliegt Kennedy naar Belize teneinde een operatie te ondergaan. Paul Powton, een plaatselijke sinaasappelboer en voormalig nachtclubeigenaar, ontfermt zich over de logistieke aspecten van Kennedy’s operatie, en Cervantes – de eerste uit Belize afkomstige neurochirurg – hanteert de scalpel. Powton en Cervantes zijn de oprichters van Quality of Life Surgery, een medische toeristenkliniek die chronische pijn en rugproblemen behandelt, en die tegenwoordig ook is gespecialiseerd in buikwandcorrecties, neusoperaties, liposuctie bij mannenborsten en andere cosmetische ingrepen.

    ‘Ik had het gevoel van: wat hebben we in godsnaam gedaan?’

    Aanvankelijk lijkt de operatie waarvoor Kennedy Cervantes in de arm heeft genomen – het implanteren van een stel elektroden met een behuizing van glas en goud, vlak onder het oppervlak van zijn eigen hersenen – goed te verlopen. Tijdens de operatie zelf zijn er weinig bloedingen. Maar het herstel wordt getekend door problemen. Na twee dagen zit Kennedy op de rand van zijn bed wanneer ineens zijn kaken beginnen te knarsen en te klapperen, en een van zijn handen begint te trillen. Powton is bang dat de aanval Kennedy een paar tanden zal kosten.

    Ook de taalproblemen houden aan. ‘Hij was niet meer te volgen,’ zegt Powton. ‘Hij was zich aan de lopende band aan het verontschuldigen, “sorry, sorry”, omdat hij niets anders kon zeggen.’ Kennedy kan nog wel lettergrepen zeggen, en wat losse woorden, maar hij lijkt het cement te zijn verloren dat alles aan elkaar moet plakken tot begrippen en zinnen. Wanneer Kennedy een pen pakt en probeert een briefje te schrijven, verschijnen er willekeurige letters op het papier.

    Aanvankelijk is Powton onder de indruk van wat hij Kennedy’s Indiana Jones-benadering van de wetenschap noemt: afreizen naar Belize, de standaardregels van wetenschappelijk onderzoek aan zijn laars lappen, zijn eigen hersenen in de waagschaal stellen. En nu lijkt hij duidelijk locked-in. ‘Ik was bang dat we onherstelbare schade hadden aangericht,’ zegt Powton. ‘Het gevoel van: wat hebben we in godsnaam gedaan?’

    Natuurlijk kende de in Ierland geboren Amerikaanse arts de gevaren veel beter dan Powton en Cervantes. Het was tenslotte Kennedy zelf die de elektroden met hun behuizing van glas en goud had ontwikkeld en die ze bij een handvol anderen had geïmplanteerd. De vraag was dus niet zozeer wat Powton en Cervantes Kennedy hadden aangedaan – maar eerder wat Phil Kennedy zichzelf had aangedaan.

    © Dan Winters
    © Dan Winters

    Al zo lang er computers zijn, zijn er ook mensen die op zoek zijn naar manieren om ze aan te sturen met onze eigen hersenen. In 1963 liet een wetenschapper van Oxford University weten een manier te hebben gevonden om menselijke hersengolven een eenvoudige diaprojector te laten bedienen. Ongeveer in diezelfde periode haalde José Delgado, een Spaanse neurochirurg van Yale University, de krant met een spectaculaire demonstratie in een stierenvechtarena in Córdoba.

    Delgado had een apparaat ontwikkeld, door hem een stimoceiver genoemd – een radiografisch bestuurd hersenimplantaat dat neurale signalen kon oppikken en de cortex kleine schokjes kon toedienen. Toen Delgado de arena betrad zwaaide hij met een rode doek om de stier uit zijn tent te lokken. Toen het dier aanviel drukte Delgado op twee knoppen van zijn zendertje. De eerste knop gaf een schokje aan de nucleaus caudatus, waardoor de stier tot stilstand kwam. Door de tweede knop draaide het dier zich om en sjokte weg in de richting van de muur.

    ‘De vraag is wat voor soort mensen we, in het ideale geval, willen creëren’

    Delgado droomde ervan zijn elektroden rechtstreeks aan te sluiten op de gedachten van de mens: om die te kunnen lezen, te kunnen veranderen, te kunnen verbeteren. ‘Het menselijk ras staat op een evolutionair keerpunt. Het zal niet lang meer duren of we beschikken over de macht om onze eigen mentale functies vorm te geven,’ zei hij in 1970 tegen The New York Times, nadat hij zijn implantaten had uitgeprobeerd op mensen met een geestesziekte. ‘De vraag is wat voor soort mensen we, in het ideale geval, willen creëren.’

    Het zal nauwelijks verbazing wekken dat het werk van Delgado veel mensen angst inboezemde. In de jaren die volgden zou zijn programma steeds meer in de verdrukking komen: het werd meer en meer omstreden, het werd steeds lastiger om aan geld te komen, en het onderzoek werd bemoeilijkt door de complexiteit van de hersenen, die niet zo makkelijk aan de praat bleken te krijgen als Delgado had verwacht.

    Ondertussen gingen wetenschappers met een iets minder hoog ambitieniveau – wetenschappers die enkel de signalen van de hersenen wilden decoderen, zonder via de neuronen de hele beschaving te willen sturen – door met het bedraden van de hersenen van laboratoriumdieren. Rond 1980 hadden neurowetenschappers ontdekt dat wanneer je een implantaat gebruikt om signalen op te vangen van groepen cellen in bijvoorbeeld de motorische schors van een chimpansee, je ook een middeling kunt maken van al die vuursignalen bij elkaar. Daaruit kun je afleiden hoe het dier een bepaald ledemaat wil gaan bewegen. Velen zagen dit als een eerste belangrijke stap op weg naar door de hersenen aangestuurde protheses bij de mens.

    Maar aan de traditionele hersenelektrode-implantaten die in veel onderzoek werden gebruikt kleefde een belangrijk bezwaar: de signalen die ze oppikten waren notoir instabiel. Omdat de hersenen een geleiachtige structuur hebben drijven cellen soms weg terwijl ze worden gemonitord, of ze sterven af ten gevolge van het letsel dat ze hebben opgelopen nadat ze in aanraking zijn gekomen met een scherp stukje metaal. Uiteindelijk kunnen de elektroden zo vol komen te zitten met aangekoekt littekenweefsel dat de signalen volledig wegvallen.

    Hij kwam op het idee om de hersenen ín de elektrode te trekken

    Phil Kennedy’s grote doorbraak – het bepalende moment in zijn carrière in de neurochirurgie, dat uiteindelijk het pad zou effenen naar een operatietafel in Belize – begon als een zoektocht naar de oplossing voor dit basale bio-engineeringprobleem. Hij kwam op het idee om de hersenen ín de elektrode te trekken en de elektrode op die manier stevig te verankeren in het brein. Daartoe bevestigde hij de uiteinden van enkele draden met tefloncoating in een hol, glazen buisje. In datzelfde buisje bracht hij een andere essentiële component in: een flintertje van de grote beenzenuw. Dit minieme stukje biomaterie diende om het neurale weefsel eromheen te activeren en te zorgen dat plaatselijke cellen met microscopische tentakels in die behuizing zouden dringen.

    Kennedy prikte geen elektriciteitsdraadjes in de hersenschors, maar hij probeerde zenuwcellen zover te krijgen dat ze hun slierterige aangroeisels om het implantaat heen slingerden en het op die manier op zijn plaats hielden – enigszins vergelijkbaar met een houten lattenwerk dat is ingekapseld door klimop. (Bij mensen verving hij het stukje bovenbeenzenuw door een chemische cocktail waarvan bekend is dat hij de neurale groei stimuleert.

    Het glazen buisje bleek ongekende voordelen te bieden. Onderzoekers konden hun bedrading nu langere tijd laten zitten. In plaats van fragmentarische informatie van de hersenactiviteit in het laboratorium, konden ze nu een leven lang luisteren naar het elektronische gebrabbel van de hersenen.

    Kennedy noemde zijn ontdekking de neurotropische elektrode. Niet lang nadat hij deze had ontwikkeld nam hij ontslag bij Georgia Tech en zette een biotechnologisch bedrijfje op, Neural Signals geheten. In 1996, na jaren van onderzoek met dieren, kreeg Neural Signals toestemming van de FDA om Kennedy’s elektroden te gebruiken bij mensen, als een mogelijk laatste redmiddel voor mensen die op geen enkele andere manier nog konden bewegen of praten. En in 1998 namen Kennedy en zijn medische compagnon, de aan Emory University verbonden neurochirurg Roy Bakay, de patiënt aan die hen wereldfaam zou verlenen binnen de wetenschap.

    Twee keer voor ja en één keer voor nee

    Johnny Ray was een 52-jarige aannemer en Vietnamveteraan die een beroerte had gekregen onder in zijn hersenen. Als gevolg daarvan was hij aan bed gekluisterd, lag hij aan de beademing en was hij volkomen verlamd, afgezien van een licht trekken met zijn gezicht en zijn schouder. Hij kon antwoord geven op eenvoudige vragen door twee keer met zijn ogen te knipperen voor ‘ja’ en één keer voor ‘nee’.

    Aangezien Rays hersenen op geen enkele manier in staat waren signalen door te geven aan zijn spieren, probeerde Kennedy Rays hoofd te bedraden om hem te helpen communiceren. Kennedy en Blake implanteerden elektroden in Rays primaire motorische schors, het weefsel dat elementaire, bewuste bewegingen coördineert. (Ze vonden de precieze plek door Ray eerst in een MRI-scanner te leggen en hem te vragen zich voor te stellen dat hij zijn hand bewoog. Vervolgens brachten ze het implantaat aan op de plek die het felst oplichtte op zijn MRI-scans.) Toen de buisjes eenmaal op hun plek zaten sloot Kennedy ze aan op een zendertje dat hij aan de bovenkant van Rays schedel had ingebracht, net onder de hoofdhuid.

    Kennedy was drie keer per week met Ray in de weer. Hij probeerde de golven van zijn motorische schors te decoderen en vervolgens om te zetten in bewegingen. Gaandeweg leerde Ray de signalen van zijn implantaat reguleren door middel van gedachten. Wanneer Kennedy hem aansloot op een computer was hij in staat op die manier een cursor op een scherm te besturen (zij het alleen op een lijn van links naar rechts). Vervolgens bewoog hij zijn schouder om een muisklik in gang te zetten. Op deze manier kon Ray letters aanwijzen op een toetsenbord op het scherm, en al doende was hij in staat heel langzaam woorden te spellen.

    https://www.youtube.com/watch?v=23pXqY3X6c8&ab_channel=KevinCrosby

    ‘Dit is echt spectaculair, een beetje Star Wars-achtig,’ zei Bakay in oktober 1998 tegen een publiek van collega-neurochirurgen. Een paar weken later presenteerde Kennedy de resultaten op het jaarlijkse congres van de Society for Neuroscience.

    Het Verbazingwekkende Verhaal van Johnny Ray – ooit locked-in, nu in staat om te communiceren – was voldoende om overal ter wereld de pers te halen. In december dat jaar waren zowel Bakey als Kennedy te gast in [het populaire ochtendprogramma] Good Morning America. In januari 1999 werd over hun experiment geschreven in The Washington Post. ‘Terwijl Philip R. Kennedy, arts en uitvinder, een verlamde man in staat stelt met zijn gedachten een computer te besturen’, begint het artikel, ‘lijkt het er even op dat er geschiedenis wordt geschreven in dit ziekenhuis, en dat Kennedy zich wel eens zou kunnen ontpoppen tot een tweede Alexander Graham Bell [Schots-Amerikaans uitvinder (1847-1922), oprichter van telefoonmaatschappij Bell].’

    Spraakprothese

    In de nasleep van het succes met Johnny Ray leek Kennedy nu echt voor een doorbraak te staan. Maar toen hij samen met Bakay implantaten aanbracht bij twee andere patiënten met het locked-insyndroom, in 1999 en 2002, gaf dat het project geen vleugels. (Bij de ene patiënt wilde de incisie niet dichtgroeien en moest het implantaat worden verwijderd; bij de andere patiënt was het ziekteverloop zo agressief dat Kennedy’s neurale opnamen nauwelijks enige waarde hadden.) Ray zelf overleed in het najaar van 2002, aan de gevolgen van een hersenaneurysma.

    Ondertussen werd in andere laboratoria wel vooruitgang geboekt met hersengestuurde prothesen, maar daar werden meestal andere materialen gebruikt – gewoonlijk kleine matjes, van een paar millimeter doorsnede, met daarop tientallen draadjes die in de hersenen worden geprikt. In de afmetingenoorlog die wordt gevoerd binnen de wereld van de neurale implantaten leken de glasbuisjeselektroden van Kennedy steeds meer de positie in te nemen van de Betamax-banden: een bruikbare, veelbelovende technologie die uiteindelijk niet levensvatbaar bleek.

    Het menselijk spraakvermogen is oneindig veel gecompliceerder dan het bewegen van een ledemaat

    Het verschil tussen Kennedy en de andere wetenschappers die met hersengestuurde interfaces werkten, zat hem niet alleen in de hardware. Het merendeel van zijn collega’s richtte zich op een enkel model van neuraal aangestuurde prothesen, het soort dat het Pentagon wilde financieren via Darpa: een implantaat dat een patiënt (of een gewonde veteraan) zou kunnen helpen bij het leren functioneren met kunstledematen. In 2003 was een laboratorium van Arizona State University erin geslaagd bij een aap implantaten aan te brengen die het dier in staat stelden met behulp van een hersengestuurde robotarm een sinaasappelpartje naar zijn mond te brengen. Enkele jaren later lieten onderzoekers aan Brown University weten dat twee verlamde patiënten hadden geleerd met hun implantaten een robotarm te bedienen, en wel met een dermate grote precisie dat ze een slok koffie uit een fles konden nemen.

    Maar Kennedy was minder geïnteresseerd in robotarmen dan in de menselijke stem. Rays met de geest bestuurde cursor had laten zien dat mensen met het locked-insyndroom hun gedachten kenbaar konden maken via een computer, ook al sijpelden die gedachten naar buiten met een slakkengangetje van drie tekens per minuut. Stel dat Kennedy een hersen-computerinterface zou weten te maken die net zo vloeiend zou functioneren als het spraakvermogen van gezonde mensen?

    In veel opzichten had Kennedy zichzelf een veel grotere uitdaging gesteld. Het menselijk spraakvermogen is oneindig veel gecompliceerder dan het bewegen van een ledemaat.

    Wat wij als een heel basale handeling beschouwen – het formuleren van woorden – vereist een gecoördineerde samentrekking en ontspanning van meer dan honderd verschillende spieren, variërend van de spieren van het middenrif tot de spieren in tong en lippen. Om een goed functioneerde spraakprothese te maken, zoals Kennedy voor ogen stond, zou een onderzoeker een manier moeten zien te vinden om met behulp van een handvol elektroden af te lezen hoe al die ingewikkelde processen in elkaar grijpen om gesproken taal voort te brengen.

    © Dan Winters
    © Dan Winters

    In 2004 probeerde Kennedy iets nieuws, toen hij zijn implantaten inbracht in de hersenen van nog iemand met het locked-insyndroom. Het betrof een betrekkelijk jonge man, Erik Ramsey, die als gevolg van een auto-ongeluk een beschadigde hersenstam had, net als Johnny Ray. Dit keer brachten Kennedy en Bakay de elektroden niet aan in het deel van de motorische schors dat de armen en de handen aanstuurt. Nu duwden ze de elektroden dieper naar binnen, door het hersenweefsel heen dat als een band om de grote hersenen loopt. Aan de onderkant van dit gebied ligt een groepje neuronen dat signalen stuurt naar de lippen en de kaak en de tong en het strottenhoofd. Daar werd Ramseys implantaat ingebracht, op zes millimeter diepte.

    Met dit apparaatje leerde Kennedy Ramsey eenvoudige klanken voortbrengen met behulp van een synthesizer. Maar Kennedy kon met geen mogelijkheid weten hoe Ramsey zich werkelijk voelde, of wat er precies in zijn hoofd omging. Ramsey kon antwoord geven op ja/nee-vragen door naar boven of naar beneden te kijken, maar deze methode leverde problemen op, omdat Ramsey last had van zijn ogen. Ook vielen de taaltesten op geen enkele manier te controleren. Hij had Ramsey gevraagd aan bepaalde woorden te denken terwijl hij de signalen van Ramseys hersenen vastlegde – maar Kennedy kon natuurlijk onmogelijk weten of Ramsey die woorden ‘echt’ had gezegd, in zijn gedachten.

    Ramseys gezondheid ging achteruit, en ook de elektroden van het implantaat in zijn hoofd werden er niet beter op. Naarmate de jaren verstreken kwam Kennedy’s onderzoek in de knel. Beurzen werden stopgezet, hij moest zijn onderzoekers en laboratoriummedewerkers de wacht aanzeggen; zijn compagnon, Baker, overleed. Kennedy werkte nu alleen, of met een tijdelijk ingehuurde medewerker. (Hij werkte ook nog in zijn neurologische kliniek, waar hij tijdens de gewone werkuren patiënten behandelde.) Hij was ervan overtuigd dat er weer een doorbraak zou volgen als hij maar een nieuwe patiënt zou weten te vinden – het liefst iemand die hardop kon praten, in ieder geval in het begin.

    Door zijn implantaat te testen bij iemand die, bijvoorbeeld, in het eerste stadium zat van een degeneratieve neurologische aandoening als ALS, zou hij de signalen van neuronen kunnen vastleggen terwijl de patiënt in kwestie praatte. Op die manier zou hij de correlatie kunnen achterhalen tussen elke afzonderlijke klank en de neurale signalen. Hij zou de tijd hebben om zijn spraakprothese te trainen – om het algoritme te verfijnen dat was bedoeld om de hersenactiviteit te decoderen.

    Maar nog voor Kennedy een ALS-patiënt had weten te vinden trok de FDA de vergunning voor zijn implantaten weer in. Met de nieuwe regels, zegt Kennedy, moest hij eerst aantonen dat de implantaten veilig en steriel waren – een vereiste waaraan hij niet kon voldoen zonder financiering, die hij niet had –, voordat hij zijn elektroden bij mensen mocht inbrengen.

    Wat kan het mij ook schelen, dacht hij. Ik probeer het gewoon op mezelf uit

    Maar daarmee was Kennedy’s ambitie nog niet verdwenen – integendeel, die was sterker dan ooit. In het najaar van 2015 bracht hij in eigen beheer een sciencefictionroman uit, 2051 geheten, waarin het verhaal wordt verteld van Alpha, een in Ierland geboren neurale-elektrodenpionier, zoals Kennedy zelf. Deze Alpha was, op de leeftijd van 107, hét voorbeeld van het succes van zijn eigen technologie: een brein dat is geïmplanteerd in een zestig centimeter grote life support-robot. De roman schetst in grote lijnen Kennedy’s droom: zijn elektroden zouden niet alleen een middel zijn om patiënten met het locked-insyndroom in staat te stellen om te communiceren, maar ze zouden ook de motor vormen van een betere, computergestuurde toekomst waarin mensen zouden voortleven als een brein in een metalen behuizing.

    Tegen de tijd dat Kennedy’s roman uitkwam, wist hij ook al wat zijn volgende zet zou worden. De man die beroemd was geworden met het implanteren van de allereerste hersen-computercommunicatie-interface in een menselijke patiënt, zou weer iets doen wat nog nooit eerder was gedaan. Alle andere mogelijkheden waren uitgeput. Wat kan het mij ook schelen, dacht hij. Ik probeer het gewoon op mezelf uit.

    Tweede operatie

    Een paar dagen na de operatie in Belize brengt Powton zijn dagelijkse bezoek aan het onderkomen waar Kennedy herstellende is van de operatie; een schitterende witte villa op loopafstand van de Caribische Zee. Kennedy’s herstel verloopt moeizaam: hoe meer hij zijn best doet om te praten, hoe meer hij locked-in lijkt. En het wordt duidelijk dat er niemand uit de Verenigde Staten zal komen om de dokter over te nemen uit de handen van Powton en Cervantes. Powton heeft Kennedy’s verloofde gebeld en haar verteld over de complicaties. Ze reageerde weinig toeschietelijk. ‘Ik heb geprobeerd het hem uit zijn hoofd te praten, maar hij wilde niet luisteren,’ zegt ze.

    Tijdens dit bezoek is er echter ineens een lichtpuntje. Het is een warme dag en Powton heeft een glas koele citroendrank meegenomen voor Kennedy. De twee mannen gaan de tuin in, waar Kennedy zijn hoofd in zijn nek legt en een tevreden zucht slaakt. ‘Heerlijk,’ flapt hij eruit na zijn eerste slok.

    Kennedy blijft moeite houden om de juiste woorden te vinden – hij kijkt bijvoorbeeld naar een potlood en zegt pen – maar hij gaat wel steeds vloeiender praten. Zodra Cervantes het idee heeft dat zijn cliënt weer voor ongeveer de helft de oude is, ontslaat hij hem uit de kliniek. Zijn enige angst, dat hij Kennedy voor het leven heeft beschadigd, blijkt niet bewaarheid. Het verlies aan talig vermogen waardoor de patiënt enige tijd locked-in was, bleek slechts een symptoom van een postoperatieve zwelling in de hersenen. Nu die onder controle is, zal het allemaal goed komen.

    Een paar dagen later is Kennedy weer aan het werk in zijn spreekkamer. De duidelijkste overblijfselen van zijn Midden-Amerikaanse avontuur zijn wat aanhoudende uitspraakproblemen en de aanblik van een kaalgeschoren hoofd met een verband. Dat verbergt hij echter geregeld onder een veelkleurige hoed uit Belize. De paar maanden die volgen blijft Kennedy medicijnen gebruiken die moeten voorkomen dat hij een attaque krijgt, en ondertussen wacht hij tot zijn neuronen de drie elektrodenbuisjes in zijn schedel zijn binnengedrongen.

    In oktober van datzelfde jaar vliegt Kennedy terug naar Belize om een tweede operatie te laten uitvoeren, dit keer om een inductiespoeltje en een zendertje te laten bevestigen aan de draadjes die uit zijn hersenen komen. De operatie verloopt probleemloos, al krabben Powton en Cervantes zich achter de oren als ze zien welke onderdelen Kennedy in zijn hersenen wil laten implanteren. ‘Ik keek ervan op dat ze zo groot waren,’ zegt Powton. De elektronica ziet er tamelijk log uit, een beetje retro. Powton, die in zijn vrije tijd wat met drones knutselt, kan nauwelijks geloven dat iemand zo’n ouderwets geval in zijn schedel wil laten naaien. ‘Ik had echt zoiets van: Jezus man, heb je nog nooit van micro-elektronica gehoord?’

    Zodra Kennedy voor de tweede keer huiswaarts keert na zijn reis naar Belize, begint hij met het imposante experiment waarbij hij zijn eigen data vergaart. De week voor Thanksgiving gaat hij naar zijn lab en weet een magnetische spoel en een ontvanger in evenwicht te houden op zijn hoofd. Vervolgens begint hij met het registreren van zijn hersenactiviteit terwijl hij bepaalde zinnen hardop uitspreekt – dingen als: ‘Volgens mij vindt ze de dierentuin heel leuk’ en ‘Er gaat niets boven een leuke baan’. Ondertussen drukt hij op een knopje om zijn woorden gelijk te schakelen met het neurale signaal – vergelijk het met het scènenummerbord van een filmregisseur, dat is bedoeld om beeld en geluid te synchroniseren.

    De zeven weken die volgen ontvangt hij gewoonlijk van acht uur ’s ochtends tot half vier ’s middags patiënten. De rest van de tijd gebruikt hij om zijn zelfbedachte reeks testjes te doorlopen. In zijn laboratoriumaantekeningen staat hij vermeld als onderzoeksobject PK, alsof hij zichzelf probeert te anonimiseren. Uit zijn aantekeningen blijkt dat hij op Thanksgiving en met Kerstmis naar het lab gaat.

    Het experiment duurt minder lang dan hij zou willen. De incisie in zijn schedel groeit niet helemaal meer dicht door de verzameling elektronica. Nadat Kennedy het gehele implantaat in totaal 88 dagen in zijn hoofd heeft zitten, gaat hij weer onder het mes. Dit keer bespaart hij zichzelf de reis naar Belize: voor een operatie omwille van zijn gezondheid is geen goedkeuring vereist van de FDA, en zijn verzekering dekt de kosten.

    Op 13 januari 2015 maakt een plaatselijke chirurg Kennedy’s schedel open, knipt de draadjes door die uit zijn schedel komen en haalt het spoeltje en het zendertje weg. Hij gaat niet in Kennedy’s cortex wroeten, op zoek naar de uiteinden van de drie glazen buisjes die daar zijn verankerd. Het is veiliger om die maar gewoon te laten zitten, ingekapseld door Kennedy’s hersenweefsel, zo lang hij leeft.

    Ik zie dat zijn knappe gezicht na de operatie een beetje scheef is gaan hangen

    Kennedy’s laboratorium bevindt zich in een lommerrijk bedrijventerrein aan de rand van Atlanta, in een pand met gele, overnaadse planken. Een uithangbord maakt duidelijk dat in Suite B het kantoor is gevestigd van het Neural Signs Lab.

    Wanneer ik Kennedy daar ontmoet, op een dag in mei 2015, is hij gekleed in een tweedjasje en een das met blauwe vegen. Zijn haar zit in een keurige scheiding en is naar achteren gekamd, waardoor een klein deukje zichtbaar is bij zijn linkerslaap. ‘Dat is gebeurd toen hij de elektronica erin zette,’ zegt Kennedy met een licht Iers accent. ‘De haak bleef hangen achter een stukje van de zenuw die naar mijn slaapspier loopt. Ik kan deze wenkbrauw niet optrekken.’ En inderdaad, ik zie dat zijn knappe gezicht na de operatie een beetje scheef is gaan hangen.

    Kennedy is bereid me de videobeelden te laten zien van zijn eerste operatie in Belize, die hij heeft opgeslagen op een ouderwetse cd-rom. Ik bereid me er geestelijk op voor om het opengelegde brein te zien van de man die naast me staat. Kennedy stopt het schijfje in de lade van een desktopcomputer die op Windows 95 draait. Vervolgens klinkt er een onheilspellend geknars, alsof iemand heel langzaam een mes aan het slijpen is.

    Het duurt een eeuwigheid voordat de schijf is gelezen – zo lang dat we tijd hebben om een gesprek te beginnen over zijn hoogst ongebruikelijke onderzoeksplan.

    ‘Wetenschappers zijn individualisten,’ zegt hij. ‘Je kunt geen onderzoek doen met een heel comité.’ Hij gaat verder en zegt dat Amerika ook is opgebouwd door individuen en niet door comités. Ondertussen neemt het gekreun van de diskdrive de klank aan van een wagon die over een hobbelig spoor van een helling dendert: ka-tsjoekke-tjoek, ka-tsjoekke-tjoek. ‘Kom op, apparaat!’ zegt hij en hij onderbreekt zijn eigen gedachtegang door ongedurig op een paar symbooltjes op het scherm te klikken. ‘Wát nou insert disc? Dat héb ik net gedaan!’

    ‘Als je vanuit wetenschappelijk oogpunt iets moet doen, moet je het gewoon doen en je niets aantrekken van alle negatieve geluiden’

    Hij vervolgt: ‘Volgens mij zien mensen hersenchirurgie ten onrechte als iets extreem gevaarlijks. Maar het is helemaal niet zo moeilijk.’ Ka-tsjoekke-tjoek, ka-tsjoekke-tjoek. ‘Als je vanuit wetenschappelijk oogpunt iets moet doen, moet je het gewoon doen en je niets aantrekken van alle negatieve geluiden.’

    Na lange, lange tijd verschijnt op het scherm een videoplayerprogramma en krijgen we een beeld te zien van Kennedy’s schedel, de hoofdhuid weggetrokken met klemmetjes. Het geknars van het apparaat heeft plaatsgemaakt voor het spookachtige, hoge geluid van een metalen bitje tegen bot. ‘O, ze zijn nog in mijn arme hoofd aan het boren,’ zegt hij, terwijl we op het scherm zien hoe zijn schedel wordt gelicht.

    ‘Het helpen van patiënten met ALS of het locked-insyndroom is één ding, maar daar houdt het voor ons niet op,’ zegt Kennedy, die overschakelt op het grotere plaatje. ‘Ons eerste doel is het spraakvermogen herstellen. Het tweede doel is het herstel van de motoriek, en daar zijn heel veel mensen mee bezig – dat zit eraan te komen, we hebben alleen nog betere elektroden nodig. En het derde doel zou dan zijn om betere versies van de mens te maken.’

    Hij spoelt versneld door naar een ander filmpje waarin we zijn hersenen zien, die zijn blootgelegd – een glinsterende massa weefsel waar allemaal bloedvaten overheen lopen. Cervantes steekt een elektrode in Kennedy’s neurale brei en trekt wat aan het draadje. Om de zoveel tijd verschijnt er een hand met een blauwe handschoen in beeld die met een Gelfoam-gaasje wat opborrelend bloed van de hersenschors dept.

    ‘Het brein zal oneindig veel krachtiger worden dan het brein waarover we nu beschikken,’ vervolgt Kennedy, terwijl we op het scherm zijn hersenen zien kloppen. ‘We halen onze hersenen los en verbinden ze met kleine computers die alles voor ons zullen doen, en het brein zal voortleven.’

    ‘Vind je dat een opwindend idee?’ vraag ik.

    ‘Nou en of,’ zegt hij. ‘Dit is enorme sprong voorwaarts.’

    Ik weet niet of ik het daar wel mee eens ben, denk ik, terwijl ik in Kennedy’s werkkamer naar zijn oude monitor kijk. Het lijkt haast alsof de technologie voortdurend nieuwe en betere manieren verzint om ons teleur te stellen, ook al wordt de techniek met het jaar geavanceerder. Mijn smartphone kan woorden en zinnen vormen op grond van mijn slordige vingerbewegingen. Maar nog altijd vloek ik om de vele vergissingen. (Hè godver, die ellendige autocorrectie!) Ik weet dat er veel betere technologie voor de deur staat dan Kennedy’s hortende computer, zijn logge elektronica en mijn Google Nexus 5-telefoon. Maar willen mensen echt hun hersenen daaraan toevertrouwen?

    Op het scherm steekt Cervantes nog een draadje in Kennedy’s hersenschors. ‘Een voortreffelijk chirurg, kijk alleen al naar die handen,’ zegt Kennedy als de film begint te lopen. Maar dan vergeet hij even ons gesprek over de evolutie om tegen het scherm te schreeuwen, als een sportliefhebber die voor de tv zit. ‘Nee, nee, niet doen, niet optillen,’ zegt Kennedy tegen het stel handen dat de operatie uitvoert op zijn hersenen. ‘Ik zou het nooit vanuit die hoek doen,’ licht hij toe, waarna hij zich weer op het scherm concentreert. ‘Druk hem er dieper in,’ zegt hij. ‘Zo ja, dat is genoeg. Niet verder duwen!’

    Niet meer in zwang

    Momenteel zijn invasieve hersenimplantaten niet meer zo in zwang. De voornaamste financiers van onderzoek naar neurale prothesen staan een methode voor waarbij een dun matje met elektroden, acht bij acht of zestien bij zestien, direct op het oppervlak van het brein wordt gelegd. Deze methode, elektrocorticografie genaamd, ofwel ECoG, levert een waziger, meer impressionistisch beeld op van de hersenactiviteit dan de methode van Kennedy. ECoG registreert niet de stemmen van afzonderlijke neuronen, maar luistert naar het grotere koor – of misschien beter gezegd, het comité – van honderdduizenden neuronen tegelijkertijd.

    Voorstanders van ECoG zeggen dat deze sporen van het koor voldoende informatie kunnen overbrengen om een computer te laten bepalen wat de hersenen van plan zijn – zelfs welke woorden of lettergrepen iemand wil gaan uitspreken. Het zou zelfs een voordeel kunnen zijn om de data een beetje bij elkaar te vegen: je moet je niet blindstaren op een weifelende violist terwijl je weet dat er een hele symfonie van neuronen nodig is om je stembanden en lippen en tong in beweging te zetten. Het ECoG-matje kan ook zonder gevaren langere tijd onder de hoofdhuid blijven zitten, misschien wel langer dan de elektroden van Kennedy. ‘We weten niet precies waar de grens ligt, maar het is zeker een kwestie van jaren of decennia,’ aldus Edward Chang, chirurg en neurofysioloog aan UC San Francisco. Chang is een van meest vooraanstaande figuren op dit terrein en hij is bezig een eigen spraakprothese te ontwikkelen.

    Afgelopen zomer, toen Kennedy data verzamelde voor een presentatie op de jaarlijkse bijeenkomst van de Society for Neuroscience, maakte een ander lab een nieuwe procedure bekend voor het gebruik van computers en schedelimplantaten om de menselijke spraak te decoderen. Brain-to-Text, heet het programma, dat is ontwikkeld in het Wadsworth Center in New York, in samenwerking met wetenschappers uit Duitsland en mensen van het Albany Medical Center.

    Er zijn tests gedaan met zeven epileptische patiënten bij wie een ECoG-matje was geïmplanteerd. Deze mensen werd stuk voor stuk verzocht iets hardop voor te lezen – stukken uit de Gettysburg Address, het verhaal van Humpty Dumpty, de inaugurele rede van John F. Kennedy, en een anoniem schrijven van een fan van de televisieserie Charmed – dit alles terwijl de neurale data werden vastgelegd. Vervolgens maakten de onderzoekers gebruik van het ECoG-beeld om software te programmeren teneinde neurale gegevens om te zetten in spraakgeluiden. De output daarvan werd ingevoerd in een voorspellend taalmodel – software die enigszins werkt zoals de spraakherkenningsapp op je mobiele telefoon – dat in staat was te raden welke woorden zouden volgen, op grond van wat eraan vooraf was gegaan.

    Het wonder geschiedde: het systeem bleek min of meer te functioneren. De computer spuwde flarden tekst uit die enige gelijkenis vertoonden met Humpty Dumpty, de brief van de Charmed-fan, en de overige teksten. ‘Er is een relatie,’ zegt Gerwin Schalk, een ECoG-expert, en coauteur van het onderzoek. ‘We hebben aangetoond dat dit een veel betere reconstructie geeft van gesproken tekst dan toeval.’ Uit eerder spraakprotheseonderzoek is gebleken dat individuele klinker- en medeklinkerklanken gedecodeerd konden worden uit de hersenen. Nu heeft Schalks team aangetoond dat het mogelijk is – zij het lastig en allesbehalve foutloos – om de stap te maken van hersenactiviteit naar volledige, gesproken zinnen.

    ‘Wil je zo’n apparaat echt vervangen door een hersenimplantaat van honderdduizend dollar dat een resultaat oplevert dat marginaal beter is dan puur toeval?’

    Maar zelfs Schalk geeft toe dat hiermee in het gunstigste geval slechts het principe is aangetoond. Het zal nog een hele tijd duren voordat iemand via een computer volledig uitgewerkte gedachten kenbaar kan maken, zegt hij. Het zal nóg langer duren voordat men daar het nut van zal inzien. ‘Denk maar aan spraakherkenningssoftware, wat al enkele decennia bestaat,’ zegt Schalk. ‘In de jaren tachtig van de vorige eeuw was het misschien voor 80 procent betrouwbaar, en als je het in termen van techniek bekijkt is dat geen geringe prestatie. Maar in de echte wereld heb je er niets aan,’ zegt hij. ‘Ik gebruik Siri nog altijd niet, domweg omdat het niet goed genoeg is.’

    Ondertussen zijn er veel eenvoudigere en effectievere manieren om mensen met spraakproblemen te helpen. Als een patiënt een vinger kan bewegen, kan hij berichten sturen in Morse. Als een patiënt de ogen kan bewegen, kan ze gebruikmaken van een smartphone die oogbewegingen volgt. ‘Die apparaten zijn spotgoedkoop,’ zegt Schalk. ‘Wil je zo’n apparaat echt vervangen door een hersenimplantaat van honderdduizend dollar dat een resultaat oplevert dat marginaal beter is dan puur toeval?’

    Ik probeer dit idee in overstemming te brengen met alle spectaculaire cyborgdemonstraties die in de loop der tijd hun weg naar de media hebben gevonden – mensen die koffie drinken met behulp van een robotarm, mensen die in Belize een hersenimplantaat laten plaatsen. De toekomst lijkt altijd zo dichtbij, net als een halve eeuw geleden toen José Delgado die arena betrad. In de nabije toekomst zijn we allemaal hersenen in een computer; in de nabije toekomst zullen onze gedachten en gevoelens worden geüpload op internet; in de nabije toekomst zal onze gemoedstoestand worden gedeeld en zullen die gegevens worden verhandeld. De contouren van deze wondere en angstaanjagende wereld tekenen zich al af aan de horizon – maar hoe dichterbij we komen, hoe meer het beeld in de verte lijkt te verdwijnen.

    Kennedy heeft geen boodschap aan de paradox van Achilles en de schildpad*. Hij neemt er geen genoegen mee om telkens maar tot halverwege de toekomst te komen. Daarom gaat hij onverdroten voort: teneinde ons voor te bereiden op de wereld waar hij over schreef in 2051 – de wereld die volgens Delgado niet lang meer op zich zal laten wachten.

    *Achilles en de schildpad
    De snelvoetige Achilles gaat een wedstrijd aan met een schildpad, waarbij de laatste en voorsprong krijgt. Van tevoren overtuigt de schildpad Achilles ervan dat hij nooit door hem kan worden ingehaald. Immers, als Achilles de benodigde afstand heeft afgelegd om bij de schildpad te komen, is die alweer verder, zodat hij ook die afstand moet afleggen, en wanneer hij daar is gekomen weer een nieuwe afstand, enzovoort. Het is een van Zeno’s wiskundige paradoxen, omdat theoretisch gezien de afstand tussen de twee weliswaar steeds kleiner wordt, maar Achilles de schildpad nooit in kan halen – wat in werkelijkheid uiteraard wel gebeuren zou.

  • Eindhoven heeft de nerds én de hippies

    Eindhoven heeft de nerds én de hippies

    Het succes van de slimme regio Eindhoven heeft ook 
de overkant van het Kanaal bereikt. Een verslaggever van The Guardian kwam er zijn licht opsteken.

    Als een banketbakker die een gigantische 
glazuurspuit hanteert, brengt Theo Salet de ene laag kleverige smurrie op de andere aan. Maar deze hoogleraar aan de Technische Universiteit Eindhoven is geen taart aan het maken, hij perfectioneert een techniek om het eerste 3D-geprinte betonnen huis ter wereld te bouwen.

    Het lijkt wel of er in de stad nauwelijks een maand voorbijgaat zonder innovatienieuws. Of het nu gaat om Salets plannen voor 3D-geprinte Stonehenge-achtige huizen, om de creatie van het ‘Brainport Smart District’ voor het testen van technologische en buurtinitiatieven of om een ‘living lab’ van camera’s, lampen en microfoons om het populaire uitgaans-gebied Stratumseind veiliger, levendiger en aantrekkelijker te maken, Eindhoven wil een stad zijn waar met de toekomst wordt geëxperimenteerd.

    Zo is het niet altijd geweest. Yasin Torunoglu, 
wethouder wonen, wijken, werk en ruimtelijke 
ontwikkeling, zegt dat de innovatiedrang van de stad uit het begin van de jaren negentig dateert, toen er twee grote werkgevers verdwenen: DAF ging failliet en Philips verplaatste de fabricage naar China. 
‘De ontslagbrieven vielen als reclamefolders in de brievenbus,’ zegt hij. ‘Dat was echt een moeilijke tijd. Toen besloten de burgemeester en de leiding van de Kamer van Koophandel en de universiteit de koppen bij elkaar te steken.’

    Om nieuwe bedrijven aan te trekken, zetten ze een stimuleringsfonds op dat was gebaseerd op een 
‘triple helix’-samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven en kennisinstituten. ‘Daar komt ons Brainport-idee vandaan, zodat we niet afhankelijk zouden zijn van twee of drie fabrieken, maar constant aan sociale kwesties zouden werken die zaken en banen zouden opleveren,’ zegt Torunoglu. ‘We zijn de stad geworden waar kennisintensieve bedrijven zich vestigen en samenwerken met ontwerpers: wij hebben de nerds en de hippies.’

    1. Stella Vie, een familie-zonnewagen van Solar Team Eindhoven. 
– © Bart van Overbeeke / HH; 2. Bezoekers van de 
Dutch Design Week bij Strijp-S. 
© Berlinda van Dam / HH; 3. Het robotvoetbalteam van de 
TU Eindhoven in2016. –  © Bart van
    1. Stella Vie, een familie-zonnewagen van Solar Team Eindhoven. 
– © Bart van Overbeeke / HH; 2. Bezoekers van de 
Dutch Design Week bij Strijp-S. 
© Berlinda van Dam / HH; 3. Het robotvoetbalteam van de 
TU Eindhoven in2016. – © Bart van

    Tegenwoordig ziet de stad tijdens de jaarlijkse Dutch Design Week zijn inwonertal van 227.000 meer dan verdubbelen, zijn er woningen en start-ups gekomen in de voormalige Philipsgebouwen in de wijk Strijp R en is er een bloeiende internationale gemeenschap ontstaan. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek bestond de Nederlandse bevolking in 2017 voor 22,6 procent uit immigranten van de eerste of tweede generatie. In Eindhoven bedroeg dat aantal 33,5 procent. Maar kent het leven in zo’n progressieve, innovatieve stad alleen maar voordelen, of vinden sommige inwoners het onprettig om zo onder het vergrootglas te liggen?

    Uit een recente rechtszaak blijkt dat Eindhoven geen utopia is. Zo heeft 
het te lijden onder ernstige luchtvervuiling. De stad heeft samen met de Technische Universiteit en ENS Cleain Air een systeem ontwikkeld dat fijnstofdeeltjes afvangt en onschadelijk maakt. ‘De beste testplek is een tunnel,’ zegt Bert Blocken, hoogleraar aan 
de faculteit Bouwkunde van de TU Eindhoven. ‘Daar vind je de hoogste luchtvervuilingsconcentraties; daarna komen parkeergarages en zeer smalle straten met hoge gebouwen aan weerskanten. Als je de luchtvervuiling daar afvangt, maakt dat een groot 
verschil voor alle mensen die in de omgeving wonen.’

    Het plan was aanvankelijk om een test te doen met dertig ventilatoren, maar dat leverde problemen op toen een Q-Park-garage op het laatste moment niet wilde meewerken. Maar de onderzoekers lieten zich niet afschrikken en bouwden een tent over de garage heen om de lucht op te vangen. Toen liet de garage zijn ventilatoren een andere kant op blazen. Er moest uiteindelijk een gerechtelijk bevel aan te pas komen om te zorgen dat de garage zijn ventilatoren in de testtent liet blazen totdat de metingen waren voltooid.

    ‘Je wilt niet ’s avonds thuiskomen en merken dat de gemeente een tent over je voortuin heen heeft gebouwd’

    Het verhaal illustreert dat zelfs in een stad die zich wil onderscheiden door slimme innovatie, lokale bedrijven en bewoners soms met voor- en nadelen worden geconfronteerd. ‘Je wilt niet ’s avonds thuiskomen en merken dat de gemeente een tent over je voortuin heen heeft gebouwd,’ merkt Mark van Haasteren, directeur van Q-Park Nederland, luchtig op. Maar zelfs Van Haasteren is een fan van wat hij een ‘zeer actieve en progressieve stad’ noemt, waar de gemeente samenwerkt met universiteit en bedrijfsleven om het stedelijke leven te verbeteren.

    Maar er spelen ook andere kwesties. Prof. Elphi Nelissen, decaan van de faculteit Bouwkunde van d
e TU Eindhoven, werkt aan het ‘Brainport Smart 
District’, dat zo’n drieduizend mensen zal huisvesten in vijftienhonderd woningen en meer dan 500 
miljoen euro zal kosten. ‘Databescherming is een van de belangrijkste dingen waarover we zo duidelijk mogelijk moeten zijn,’ zegt ze. ‘We willen een open dataplatform creëren waaruit alle bedrijven data kunnen halen. De mensen die in de wijk wonen, kunnen zelf besluiten of ze hun geanonimiseerde data willen delen. Als ze dat doen, hebben ze daar profijt van, hetzij financieel, hetzij in de vorm van betere dienstverlening.’ Nelissen zegt dat het 
project een budget van 100 miljoen euro extra moet inplannen voor continue research en om ‘de mensen die er wonen schadeloos te kunnen stellen als we fouten maken’.

    Monique Mols, hoofd Public Affairs van chips-
fabrikant ASML, voegt eraan toe dat hoewel hooggekwalificeerde banen voor werkgelegenheid in de toeleveringsindustrie en de dienstensector zorgen, de snelle groei ook ‘groeipijnen’ veroorzaakt. ‘De huizenprijzen stijgen, vooral in een gebied als Brainport Eindhoven, waar veel mensen naartoe verhuizen omdat het een banenmachine is. Wij kijken naar 
de huisvesting, de faciliteiten in het gebied en of we aantrekkelijk genoeg zijn om al die mensen binnenboord te houden; daar werken we hard aan.’

    ‘Longen van de Stad’

    En hoe denkt Jan Publiek erover? Stan Doomen, 
sinds twee jaar barman in de Tipsy Duck Pub aan het Stratumseind, is voorzichtig enthousiast over de straatmonitoringsystemen: ‘Er zijn veel mensen op dezelfde plek, dus af en toe gebeurt er wel iets. Ik vind privacy belangrijk, dus ik heb het niet zo op microfoons. Maar in dit geval kunnen die hun nut hebben.’

    Om de hoek van het luchtzuiveringsproject ‘Longen van de Stad’ is een stel bierdrinkende studenten nog nonchalanter. ‘Het is er een stuk veiliger op geworden,’ zegt de twintigjarige Dennis van Leenders. 
‘Ik vind het niet erg. Het is Eindhoven maar.’

    Auteur: Senay Boztas
    Vertaler: Peter Bergsma

  • Renault werkt in Utrecht aan de toekomst van de elektrische auto

    Renault werkt in Utrecht aan de toekomst van de elektrische auto

    De Franse autofabrikant experimenteert in Nederland met auto’s die rijden op zonne-energie.

    In een straat in de Utrechtse woonwijk Lombok, vlak bij een rustige gracht en een molen, staan elektrische Renaults Zoe geduldig te wachten aan hun oplader. Niets bijzonders? Toch wel: deze oplaadstations, beheerd door de plaatselijke start-up We Drive Solar, worden geheel gevoed met zonne-energie van panelen die door het bedrijf op de daken van de buurt zijn geplaatst. Nog bijzonderder is dat ze bidirectioneel zijn, zodat de stroom uit de accu van de auto kan worden teruggestuurd naar het net.

    We Drive Solar, dat niet alleen dit micro-elektriciteitsnet beheert maar ook een autodeeldienst met dertig elektrische voertuigen, is een van de bedrijven waarmee Renault in Nederland samenwerkt om een ecosysteem voor de elektrische auto te ontwikkelen, een markt waarin de Fransen in Europa een aandeel van 25 procent hebben. ‘Wij verzamelen hier de stukjes van een legpuzzel waarmee we onze klanten een eenvoudig en soepel elektrisch leven willen bieden, en die een waardevolle bijdrage levert aan het raakvlak tussen de wereld van de auto en die van de energie, in nauwe samenwerking met de steden,’ zegt Eric Feunteun, directeur elektrische auto’s van Renault.

    Opladen via smartphone

    De Franse autofabrikant is er, net als zijn concurrenten, van overtuigd: het produceren van elektrische auto’s alleen is niet genoeg. Om ze te verkopen moet je ook mobiliteitsdiensten en energiefaciliteiten ontwikkelen. Nederland, waar regering en steden het gebruik van elektrische auto’s bevorderen, is daarvoor een gunstige omgeving.

    ‘Eind 2018 zullen we 150 elektrische deel-Zoe’s hebben en gaan we onze solaire oplaadstations uitrollen over de hele regio Utrecht,’ zegt een zelfverzekerde Robin Berg, oprichter van We Drive Solar. Utrecht, dat de komende tien jaar verwacht te groeien van 350.000 naar 400.000 inwoners, ruimt in zijn nieuwbouwplannen plaats in voor solaire oplaadstations voor deelvoertuigen en hoopt op korte termijn duizend stations te realiseren.

    Vanaf eind november kunnen de 1800 Zoe-eigenaars in Nederland hun auto opladen vanaf hun smartphone. Renault nam in oktober een aandeel van 25 procent in de Rotterdamse start-up Jedlix, die een intelligente oplaad-app voor accu’s heeft ontwikkeld, ‘Z.E. Smart Charge’. Doel is de accu op te laden wanneer de elektriciteit het goedkoopst is en afkomstig uit hernieuwbare bronnen, en weer te stoppen als het tegendeel het geval is.

    ‘Voor elke dag – maar het kan ook in één keer voor alle dagen – voer je op je smartphone het tijdstip in waarop je 
je auto wilt gebruiken en het minimale aantal kilometers dat je wilt rijden, en programmeer je de laadalgoritmes,’ aldus Ruben Benders, algemeen directeur van Jedlix. Het bedrijf heeft in Nederland al een soortgelijke app ontwikkeld voor Tesla. ‘Iedereen heeft er baat bij: de beheerders van het elektriciteitsnet vermijden consumptiepieken of -dalen waarbij hernieuwbare energie wordt verspild, en de consumenten besparen veel geld.’

    © Renault
    © Renault

    De besparing is des te groter omdat de gebruikers van deze gratis dienst door de elektriciteitsleveranciers financieel worden beloond voor dit ‘afvlakken’ van de energieconsumptie, iets wat steeds belangrijker wordt naarmate er meer elektrische voertuigen komen. ‘We hebben berekend dat de bonus kan oplopen tot tweeduizend gratis kilometers per jaar,’ verzekert Feunteun.

    Om het systeem te laten functioneren moeten de elektriciteitsleveranciers samenwerken. Dat is in Nederland al het geval, maar nog niet in Frankrijk. Renault hoopt de Jedlix-app in 2018 in heel Frankrijk te kunnen uitrollen voor bijna 48.000 Zoe-eigenaars. Dat zou dan de eerste ‘smart charging-app’ in Frankrijk worden.

    De app zal nog belangrijker worden 
als hij het ook mogelijk maakt stroom van de auto terug te sturen naar het net, zodat de ‘spitsuren’ van de thuisconsumptie beter door de elektriciteitsleveranciers kunnen worden gereguleerd – iets waarmee We Drive Solar al experimenteert in zijn eigen netwerk. ‘Met duizend auto’s die verbonden zijn met bidirectionele oplaadstations van duizend woningen met zonnepanelen, bereikt een plaatselijk netwerk van hernieuwbare energie een evenwicht,’ zegt Berg. ‘De accu van een Zoe kan een huis een week van stroom voorzien.’

    ‘Na vijftien jaar zijn onze accu’s te zwak geworden voor een auto, maar dan kunnen ze nog tien jaar voor opslag worden gebruikt’

    Renault riep in oktober een nieuwe divisie in het leven, Renault Energy Services, om in deze intelligente netwerken te investeren en de elektrische mobiliteit verder te ontwikkelen. Behalve in Nederland gaat de autobouwer ook in andere landen partnerschappen aan. In Groot-Brittannië wordt samen met de start-up Powervault geëxperimenteerd met een manier om accu’s te hergebruiken voor het thuis opslaan van elektriciteit die is opgewekt door zonnepanelen op de daken van huizen. ‘Na vijftien jaar zijn onze accu’s te zwak geworden voor een auto, maar dan kunnen ze nog tien jaar voor opslag worden gebruikt,’ zegt Feunteun. Dit tweede leven staat nog in de kinderschoenen, maar de experimenten zijn strategisch belangrijk voor de Franse autofabrikant: over vijf jaar zullen er voor het eerst duizenden accu’s worden geretourneerd.

    Auteur: Grégoire Allix
    Vertaler: Peter Bergsma

    Le Monde
    Frankrijk, dagblad, oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • 1. Portugal staat weer stevig in de schoenen

    1. Portugal staat weer stevig in de schoenen

    Dankzij een heuse wederopstanding draait de Portugese economie weer op volle toeren. Het land slaagde erin oude industrieën (schoenen en textiel) dankzij innovatie, nieuwe technologie en betere dienstverlening succesvol te hervormen.

    Zo’n twintig of dertig jaar geleden schudden politici en bankiers meewarig het hoofd als ze het hadden over de belabberde nationale textiel-, en schoenenindustrie, de achterhaalde kurkwinning en de armetierige landbouw. Het waren ten dode opgeschreven sectoren, levend in het verleden en steunend op goedkope arbeidskrachten die onherroepelijk zouden verdwijnen als gevolg van de modernisering van het land. Nieuwe doppen van plastic of aluminium zouden kurk overbodig maken. Kortom, Portugal was een land met weinig grondstoffen en een achtergebleven boerenbedrijf dat voornamelijk naar subsidies hengelde.

    Dat was toen. Tegenwoordig is het land weer trots op de schoenen en de textiel die het maakt, op zijn populaire landbouwproducten en florerende kurkindustrie. Dat komt niet alleen maar doordat de sombere prognoses onjuist bleken, maar ook omdat duidelijk is dat werknemers, werkgevers en werkgeversorganisaties een bewonderenswaardig weerstands- en aanpassingsvermogen aan de dag hebben gelegd.

    Creatieve destructie

    De kosten waren enorm. De landbouw neemt momenteel nog maar 2 procent van het bbp voor zijn rekening, tegen 8 procent in 1986, het jaar dat Portugal lid werd van de Europese Unie. De machtige textielindustrie komt pas dit jaar voor het eerst weer in de buurt de recordexport van 2001, van 5 miljard euro. Na een decennium van hervormingen exporteert de kurksector eindelijk weer voor meer dan 900 miljoen euro. Maar het grootste succesnummer van de nationale economie is de schoenenindustrie, die haar buitenlandse export sinds 2010 met 34 procent zag groeien.

    De ontwikkelingen in deze sectoren doen denken aan wat de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter (1883-1950) ‘creatieve destructie’ noemde. In zogenaamde traditionele industrieën en in de landbouw moesten duizenden bedrijven hun deuren sluiten en verdwenen er tienduizenden arbeidsplaatsen. Dat was het directe gevolg van de eisen die de eenheidsmunt stelde, de liberalisatie van de wereldhandel, waardoor de Europese grenzen opengingen voor handelsmachten als China, en de stijgende loonkosten konden worden afgewend.

    Dit pijnlijke proces nam wel dertig jaar in beslag. Tussen 1985 en 2015 verdween in de kurkindustrie de helft van alle arbeidsplaatsen (er zijn er nog achtduizend over); in de 25 jaar sinds de grenzen opengingen voor import uit Azië gingen meer dan tweeduizend textielbedrijven failliet en verdween de helft van de arbeidsplaatsen in de sector, al met al zo’n 120.000 banen. In de landbouw was de schok niet minder groot: 500.000 hectare weinig vruchtbare grond kwam braak te liggen. Het aantal boerenbedrijven daalde in 35 jaar van 823.000 tot 250.000. In 1950 werkten er nog 1,5 miljoen Portugezen in de landbouw. Vandaag zijn dat er nog maar 120.000.

    Door het opengaan van de Europese grenzen en door de globalisering verloor Portugal een flink deel van zijn economische en commerciële activiteiten. Die waren sinds 1960 juist enorm gegroeid, nadat het land dankzij een akkoord met de Europese Vrijhandelsassociatie kon uitgroeien tot leverancier van textiel en schoeisel voor het rijke Europa. Vlak voordat het land lid werd van de Europese Unie, maakte de textielexport bijna een derde deel uit van het totaal – nu is dat nog maar 10 procent.

    Een werknemer aan de slag in de damesschoenenfabriek Helsar in Sao Joao da Madeira, Portugal. – © Getty
    Een werknemer aan de slag in de damesschoenenfabriek Helsar in Sao Joao da Madeira, Portugal. – © Getty

    Deze verliezen zeggen meer over de groei van andere bedrijfstakken dan over de teloorgang van traditionele sectoren. In andere Europese landen voltrok zich hetzelfde proces en in Portugal doet de ‘oude economie’ het dankzij de opstanding in vergelijking helemaal niet slecht. Als gevolg van economische ontwikkeling en modernisering zijn er altijd sectoren die moeten verdwijnen en plaatsmaken voor modernere, met meer innovatie en betere technologie, gebaseerd op intensief kapitaal in plaats van handwerk. Portugal combineerde twee recepten: het slaagde erin levensvatbare oude sectoren te behouden dankzij innovatieve producten, nieuwe technologie en betere dienstverlening.

    Bij deze transformatie liepen de meest flexibele en resistente bedrijven voorop. Zowel ondernemers uit het noorden 
als grootschalige landbouwers uit de provincies Alentejo en Ribatejo die de faillissementsgolf van de jaren tachtig en negentig overleefden, bleken over deze kwaliteiten te beschikken. Manuel Carlos is president van de organisatie van schoenenfabrikanten APICCAPS en de voornaamste ‘ideoloog’ van de omvorming van de sector van producent van gebruiksgoederen in een van luxegoederen. Hij herinnert zich dat zijn leden ‘een moeilijke tijd hadden’, maar dat deze ervaring hen ‘zeer bedreven’ maakte in het scherp prijzen, het opzetten van klantnetwerken en het omvormen van hun bedrijven.

    De overlevenden in de textielindustrie zagen in dat het traditionele wachten op opdrachten en produceren wat klanten vroegen op een catastrofe uitliep – China deed dat veel goedkoper. De truc was om zelf producten aan te bieden en niet te wachten op tot de opdrachten binnenkwamen. In de kurkindustrie leefde heel lang het idee dat Portugal het zich kon veroorloven om alles bij het oude te houden omdat het nu eenmaal de grootste kurkproducent ter wereld was. Dit conservatisme werd danig op de proef gesteld toen invloedrijke journalisten rond het jaar 2000 campagne gingen voeren tegen de bijsmaak van kurk en duizenden wijnproducenten van over de hele wereld dreigden over te stappen op doppen van plastic of metaal – de beroemde screwcaps. Het machtige bedrijf Corticeira Amorim overwoog zelfs om ook maar die bedrijfstak in te gaan. En in de landbouw ontdekte men dat het land qua graanproductie onmogelijk concurrerend kon zijn; andere gewassen waren nu eenmaal geschikter voor de Portugese bodem.

    In tegenstelling tot wat vaak in kranten werd beweerd, zijn de Europese moderniseringssubsidies niet alleen maar gebruikt om jeeps voor boeren en Porsches voor textielfabrikanten te kopen

    In tegenstelling tot wat vaak in kranten werd beweerd, zijn de Europese moderniseringssubsidies niet alleen maar gebruikt om jeeps voor boeren en Porsches voor textielfabrikanten te kopen. Met het geld konden kleine stuwdammen (en ook de grote van Alqueva) worden gebouwd, innovatieve bedrijven worden opgezet, nieuw geavanceerd materieel worden gekocht en kon er worden geïnvesteerd in technologieën waar bedrijven dringend behoefte aan hadden. De CEO van Corticeira Amorim, Antonio Amorim, vertelde hoe de kurkindustrie erin slaagde om de concurrentie van metalen en plastic schroefdoppen te boven te komen: ‘We zijn het probleem niet uit de weg gegaan. We zetten de afdeling Onderzoek en ontwikkeling aan het werk en investeerden veel, lanceerden nieuwe producten. Daardoor verbeterde op den duur de performance van kurken aanzienlijk.’

    De textielsector richtte zich niet langer op goedkope vaatdoeken en tafelkleden, en transformeerde zich tot een geoliede machine die zelf producten ontwikkelde om klanten aan te bieden, die innoveerde, bijvoorbeeld met hightechstoffen voor wedstrijdzwemmers of stoffen voor hardloopfanaten die de temperatuur aanpasten aan die van de buitenlucht. Het belangrijkste was echter een efficiënt logistiek apparaat, waardoor een Zweeds merk vandaag duizend paar schoenen kan bestellen en ze al enkele dagen later geleverd kan krijgen. In het technologisch centrum van de sector worden stoffen getest, materialen goedgekeurd en nieuwe componenten voor de toekomst ontwikkeld. Jarenlang was een goede samenwerking tussen wetenschap en industrie een luchtspiegeling geweest (en voor veel sectoren is het dat nog steeds). De textielindustrie sloeg echter de brug en gebruikte de opgedane kennis om stoelbekleding voor de duurste automerken te produceren, of vloerbedekking tegen prijzen waar de Chinese en Indiase concurrentie niet tegenop kon.

    Wat dit betreft was de schoenenindustrie misschien wel de sector die zich het meest opnieuw uitvond. Er werden innovatieve machines ontwikkeld, zoals een waarmee schoenzolen met behulp van een waterstraal konden worden gesneden – een technologie die nu ook geëxporteerd wordt. Demonstratiesessies in fabrieken voor andere ondernemers creëerden een cultuur van openheid waardoor men van elkaar kon leren, wat al snel resultaten bracht. Technici introduceerden vernieuwingen in de productielijnen van schoenenfabrieken, waardoor er verschillende modellen konden worden gemaakt zonder dat er nog technische pauzes hoefden te worden ingelast. Net als de textielindustrie is ook de Portugese schoenenindustrie in staat om kleine series laarzen of schoenen te produceren, zodat ook aan kleine orders kan worden voldaan. Aangezien importeurs graag hun lasten omlaag willen brengen door minder voorraden aan te houden, is dit zeer welkom.

    In de landbouw verliepen de veranderingen langzamer, maar de resultaten waren zo mogelijk nog spectaculairder. Het hielp dat er een nieuwe generatie ondernemers aantrad, al werkten bij de transformatie ‘nieuwe boeren en ondernemers samen met de gevestigde orde’, vertelt João Machado, president van de Portugese boerenfederatie CAP. Verenigingen als PortugalFresh hielpen om de productie te organiseren 
en de deur naar het buitenland open 
te zetten. Aangezien de landbouw 
naar verwachting tussen nu en 2050 zijn productie moet verdubbelen om het hoofd te bieden aan de groei van 
de wereldbevolking, is de sector weer op de radar gekomen als prioriteit. Sinds 2014 zet het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie in op productiestijging.

    Bekoorlijke zwanen

    Het landbouwareaal is geslonken en 
het aantal arbeidskrachten radicaal verminderd, maar daardoor is de landbouw efficiënter geworden, productiever, meer op het buitenland gericht en relevanter voor de economie. De oude obsessie met zelfvoorzienendheid van graan (basisvoedsel voor mensen en dieren) is voorbij, nu Portugal nog maar een vijfde deel van de tarwe en mais produceert die het consumeert. Maar de productie van andere gewassen explodeerde juist. In één decennium groeide Portugal bijvoorbeeld uit van netto-importeur van olijfolie tot de op drie na grootste exporteur ter wereld (436 miljoen euro in 2015). Groente en fruit – tien jaar geleden nog producten die niet veel deden – worden nu meer geëxporteerd dan wijn (1,3 miljard tegen 720 miljoen euro).

    Nu de strijd om het overleven is gewonnen, lijken de kurk-, textiel- en schoenindustrie goed voorbereid te zijn om ook in het mondiale strijdperk te overleven. Het geheim zit hem in specialisering, in design, in verbeterde dienstverlening en technologie – een recept dat zijn werkzaamheid heeft bewezen.

    Op het moment dat Portugal lid werd van de Europese Unie leek dit alles nog onvoorstelbaar: er werd neergekeken op deze sectoren, men beschouwde ze als ouderwets en ongeschikt voor het Europa van de eenentwintigste eeuw. Dankzij het doorzettingsvermogen van sommige Portugese ondernemers, en met hulp van Europees geld waarmee technologie kon worden gekocht en oude gewoontes afgeleerd, zijn de traditionele sectoren niet langer het lelijke eendje. Ze groeiden uit tot bekoorlijke zwanen waar in het veelbewogen landschap van de Portugese economie met bewondering en afgunst naar wordt gekeken. Uiteindelijk was, in de woorden van Mark Twain, het nieuws van hun dood schromelijk overdreven.

    Auteur: Manuel Carvalho
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    Público
    Portugal | dagblad | oplage 21.500

    In Portugal geroemd om zijn originaliteit en moderniteit, laat zich inspireren door de grote Europese kranten. Heeft ook een aparte versie voor jongere lezers: P3, in samenwerking met de Universiteit van Porto.

  • Vertrouwd vakwerk met nieuwe technieken

    Vertrouwd vakwerk met nieuwe technieken

    De zeven nominaties voor de European Press Prize in de categorie Innovatie betreffen journalistieke producties die de vernieuwing voor het merendeel zoeken in het gebruik van meerdere media: geschreven en gesproken tekst, foto, film, video, interactieve cartografie et cetera.

    Ook de informatiedragers hebben zo nu en dan een mengvorm: papier en digitaal vullen elkaar soms aan. Hoewel alle producties aan één auteur worden toegeschreven, is het duidelijk dat de meeste in groter of kleiner teamverband zijn vervaardigd, soms ook in internationale samenwerking.

    De genomineerden komen uit Hongarije, Georgië, Spanje (twee nominaties), Nederland, België en Noorwegen.


    innovation coda story natalia antelava

    Coda Story

    Coda Story van Natalia Antelava uit Georgië is niet alleen een voorbeeld van een zogeheten ‘crossmediale aanpak’ bij het volgen van crisissituaties in de wereld, maar ook van een internationale journalistieke samenwerking daarbij. Als motto heeft dit single-issueplatform ‘Stay on the story’, uitgaande van de even simpele als onduldbare werkelijkheid dat ‘crises niet eindigen als de journalisten weer uit het crisisgebied zijn vertrokken’. ‘Wij volgen één bepaalde crisis per keer, zetten er een team van internationale en lokale journalisten op dat de ontwikkelingen desnoods een jaar lang blijft volgen vanuit diverse gezichtspunten.’

    Het begrip ‘crisis’ wordt ruim genomen. Het eerste onderwerp dat Coda Story aanpakte, het ‘pilot project’, was de positie van seksuele minderheden, de LHBT, in de landen van de voormalige Sovjet-Unie. Inmiddels volgt het platform nog twee recente ontwikkelingen: de Disinformation Crisis in dit tijdperk van fake news en alternative facts, waarbij de Georgische hoofdstad Tbilisi als uitvalsbasis werd gekozen, en de wereldwijde vluchtelingencrisis, waarvoor een team vanuit Berlijn opereert. Coda Story werkt onder meer samen met het Center for Investigative Reporting van de universiteit van Berkeley, de Britse krant The Guardian, het fotopersbureau Magnum en de World Policy Journal van de Amerikaanse Duke University. ‘In dit tijdperk waarin het internet is verzadigd van opinie, richten wij ons op nauwgezette verslaggeving ter plekke. Ons doel is ingewikkelde gebeurtenissen uit te leggen, de conventionele verhalen te weerleggen, gedegen journalistiek te bevorderen en de persvrijheid te verdedigen.’


    innovation monitoring eu funded projects in hungary tamas bodoky

    Monitoring EU Funded Projects in Hungary

    Monitoring EU Funded Projects in Hungary (van de Hongaar Tamás Bodoky) is het werk van een vijftienkoppig team van de nieuwswebsite atlatszo.hu, dat naging wat er is gebeurd met de miljardensubsidies die Hongarije de laatste jaren vanuit Brussel heeft ontvangen voor allerlei projecten. De productie opent met een interactieve kaart van het land, waarop in kleur is aangegeven waar in het land het meeste geld uit de Europese ontwikkelings- en steunfondsen uiteindelijk terecht is gekomen, en of in die gebieden toevalligerwijs ook de meeste parlementsleden van de regerende partijen hun woonstee hebben.

    Dat bleek opmerkelijk genoeg ook het geval. Maar soms ging het nog iets verder dan dat. Zo werd aan het Balatonmeer met Europees geld een hotel gebouwd, terwijl gelijktijdig, pal daarnaast, door dezelfde aannemer en met dezelfde materialen ook de nieuwe woning voor een plaatselijke partijfunctionaris werd neergezet. In Boedapest werd een vierde metrolijn aangelegd – met aanzienlijke Europese financiële steun –, die iets duurder uitviel dan begroot. De kosten liepen gaandeweg op van 581 miljoen tot anderhalf miljard euro – en de geruchten over corruptie en verduistering zijn zeer hardnekkig. Tegen een dergelijke kostenoverschrijding kan zelfs Amsterdam met de Noord/Zuidlijn niet op.

    In één geval heeft Brussel in Hongarije het Europese bureau voor fraudebestrijding OLAF (Office de Lutte Anti-Fraude) ingeschakeld.

    innovation eldiario es s business model juan luis sanchez

    The business model of eldiario.es

    Een wat vreemde eend in de bijt is het genomineerde artikel The business model of eldiario.es, dat op naam staat van de Spanjaard Juan Luis Sánchez. Het betreft de financieringsmethode van een Spaanse nieuwswebsite, voortgekomen uit het mislukken van de papieren krant Público, die tussen 2007 en 2012 verscheen. De oprichter en hoofdredacteur van die krant, Ignacio Escolar, begon na de teloorgang van de krant de website eldiario.es met financiële steun van 20.000 ‘socios’ of ‘leden’. (Público zelf ging overigens ook door als website).

    ’Achter eldiario.es staat geen grote investeerders noch ondernemingen. Dat is het kenmerk van ons businessmodel: een mogelijkheid tot lidmaatschap, waardoor lezers worden uitgenodigd om deel te gaan uitmaken van een gemeenschap van burgers die dezelfde waarden delen, zoals gelijkheid, democratisering, sociale rechtvaardigheid en, de belangrijkste, de noodzaak van vrije, onafhankelijke journalistiek zonder belemmeringen’, schrijft Sánchez.

    Tot in het verre verleden zagen op grond van bovenstaand principe ontelbare andere publicaties het licht. Die noemden we toen kranten (of weekbladen, of tijdschriften). Die kranten hadden ook ‘leden’ die ‘abonnees’ werden genoemd. Verander dus ‘socios’ in ‘suscriptores’ en we zijn weer bij het oude verdienmodel van de krant.

    Sánchez noemt de betalende bezoekers van de site liever ‘onze partners in crime’ – ‘omdat we samen onafhankelijke journalistiek mogelijk maken’.


    innovation eu referendum tracker kate day

    EU referendum tracker

    EU referendum tracker van Kate Day is de Belgische inzending, maar heeft buitengewoon weinig met de zuiderburen te maken. Kate Day is een Amerikaanse die jarenlang werkte voor de Britse Telegraph Media Group in Londen, waar ze de eerste redacteur sociale media was van het dagblad The Daily Telegraph, eer ze overstapte naar het Brusselse kantoor van de Amerikaanse politieke nieuwsorganisatie Politico. Daar werd ze aangesteld als (meer commercieel dan redactioneel) verantwoordelijke voor de digitale activiteiten en de groei van de organisatie in Europa.

    Day groeide op in Californië en haar eerste baantje in de journalistiek was als verslaggever van de Los Altos Town Crier, de dorpsomroeper van Silicon Valley. Vandaar haar grote belangstelling voor digitale technologie. Dat nam niet weg dat ze haar journalistieke aandacht vervolgens verlegde naar kranten in India en Bangladesh, alvorens ze naar Europa kwam.

    Politico vestigde nog geen twee jaar geleden een Europees kantoor in de Brusselse Wetstraat. Day nam daar, haar achtergrond in Silicon Valley, Londen en Brussel combinerend, het initiatief om vanuit Politico voor Apple Wallet een toepassing te (laten) ontwikkelen waarmee gebruikers het laatste nieuws en vooral ook de uitslagen van het Britse referendum over een Brexit op de voet konden volgen. En dus slaakten korte tijd later meer dan tienduizend gebruikers van deze toepassing in honderd landen diepe zuchten of opgewonden kreetjes toen de uitslag van dit volksgericht bekend werd en had Politico Europe zich weer wat beter in de nieuwe markt gepositioneerd.

    innovation maldita hemeroteca clara jimenez cruz

    Maldita Hemeroteca

    Maldita Hemeroteca (Verdomd archief) van (onder anderen) de Spaanse Clara Jiménez Cruz begon in 2014 als een journalistiek project op Twitter, maar is inmiddels uitgewaaierd naar het populaire programma El Objetivo van de publieke televisiezender La Sexta en de nieuwswebsite eldiario.es. De journalistiek herneemt in dit programma zijn functie van luis in de pels van de (Spaanse) politiek. Politici worden geconfronteerd met hun uitspraken en standpunten uit het verleden en hun daadwerkelijke functioneren in de alledaagse politieke praktijk.

    Een voorbeeld: de Spaanse regering verhoogde kortgeleden de belastingen. Het programma dook in het ‘verdomde archief’ en vond er uitspraken van de regeringspartijen waarin deze de kiezers beloofden nooit en te nimmer de belastingen te verhogen, integendeel, zelfs tot belastingverlaging over te zullen gaan.

    ‘Ons doel is tweeledig,’ aldus de makers van Maldita Hemeroteca. ‘Enerzijds willen we politici dwingen ongerijmdheden in hun dagelijkse politieke handelen uit te leggen en hen zo noodzaken consistent te zijn, en anderzijds willen we het publiek wijzen op die politieke ongerijmdheden, zodat zij die consistentie van hun volksvertegenwoordigers zelf gaan eisen.’

    Het programma heeft nu rond 130.000 volgers op Twitter, een wekelijks blog op eldiario.es en is een vast onderdeel geworden van het tv-programma El Objetivo, dat op zondagavonden primetime wordt uitgezonden en gemiddeld twee miljoen kijkers trekt.


    The Baby in the Plastic Bag

    Ook de genomineerde inzending uit Noorwegen, ‘De baby in de plastic tas’, getuigt minder van innovatie dan van journalistiek graaf- en spitwerk, vasthoudendheid en commercieel inzicht. De tabloid Dagbladet formeerde een team onder eindredactie van Bernt Jakob Oksnes, dat zich baseerde op een fait divers uit oktober 1991, toen op een kerkhof in Oslo een pasgeboren baby in een plastic zak werd gevonden. Een kwart eeuw later reconstrueerde de krant de gebeurtenissen sindsdien: wie had het kind daar achtergelaten, wie was de moeder, wat was er van het jongetje geworden? Volgens Dagbladet vergde die reconstructie twee jaar en leidde tot een reeks ‘verhalen’ in de krant en op de website. ‘De serie was een record brekend succes in Noorwegen, met meer dat een miljoen unieke bezoekers online, omgerekend een vijfde van de Noorse bevolking. (…) Het project bewijst dat kwaliteitsjournalistiek ook geld kan opbrengen: halverwege de serie kregen mensen die ervoor betaalden het volgende hoofdstuk al te lezen voordat het gratis toegankelijk werd op de site. Die strategie stuwde de verkoop van digitale abonnementen meer op dan enig ander artikel uit het bestaan van de krant.’

    En dat is natuurlijk aangenaam, aangezien de oplage van de papieren Dagbladet sinds 1994 is gedaald van ruwweg 230.000 in 1994 naar 72.000 momenteel.


    innovation the turkish coup through the eyes of its plotters christiaan triebert

    The Turkish Coup through the Eyes of its Plotters

    The Turkish Coup through the Eyes of its Plotters coup-through-the-eyes-of-its-plotters werd gemaakt door de Nederlander Christiaan Triebert vanuit Kuala Lumpur, waar hij voor het schrijven van zijn masterscriptie journalistiek aan het King’s College was neergestreken omdat het leven in Londen hem als student te duur werd. Triebert is lid van de Britse onderzoeksgroep Bellingcat (opgericht in 2014 door Eliot Higgins, naam ontleend aan het gezegde ‘To bell the cat’), die vooreerst bekendheid kreeg door onthullingen over manipulaties met de radarbeelden van vlucht MA-17.

    Op de vrijdagavond en -nacht van de poging tot staatsgreep in Turkije in juli vorig jaar stuitte Triebert op de communicatie binnen een whatsappgroep van de opstandige militairen. Hij legde die gesprekken vast en toetste, met de bentgenoten van Bellingcat, de inmiddels vertaalde gesprekken in de volgende dagen en weken nauwgezet aan andere bronnen die op internet te vinden waren, inclusief foto’s en videomateriaal, vaak, zo niet doorgaans, afkomstig van amateurs.

    Zo ontstond een geverifieerd journalistiek verhaal over de mislukte coup zoals die werd beleefd door de militairen die er de aanstichters van waren, gelardeerd met feiten en omstandigheden uit andere, eveneens verifieerbare bronnen. Het verhaal vond vervolgens zijn weg over de wereld. ‘Wellicht nog belangrijker’, schrijft de jury, ‘is dat dit verhaal een licht werpt op de vernieuwende manier van verslaggeving, waarbij nieuwe open bronnen worden gebruikt om feiten te controleren en gebeurtenissen te onderzoeken.’

  • Googles zoektocht naar het perfecte team

    Googles zoektocht naar het perfecte team

    Waarom zijn sommige teams succesvol en falen andere hopeloos? Internetgigant Google zocht het uit en komt met verrassende conclusies.

    Julia Rozovsky was vijfentwintig jaar en onzeker over wat ze nou met haar leven aan moest toen ze besloot dat het tijd was voor verandering. Ze had een bachelor wiskunde en economie aan Tufts University in Massachusetts en had bij een bedrijf voor consultancy gewerkt, wat ze nogal onbevredigend vond. Daarna had ze gewerkt als onderzoeker voor twee professoren aan Harvard, wat leuk was maar 
ze kon er geen carrière opbouwen.

    Misschien paste een groot bedrijf beter bij haar, dacht ze. Of misschien was een academische carrière iets, of misschien moest ze gaan werken bij een start-up. Het was allemaal nogal verwarrend. Dus koos ze 
iets waarvoor ze geen beslissing hoefde te nemen: 
ze schreef zich in bij een paar businessopleidingen, en werd in 2010 aangenomen bij de Yale School of Management.

    Aardig zijn voor elkaar, daar draait het om – ook bij Google. – © PENSON / HH
    Aardig zijn voor elkaar, daar draait het om – ook bij Google. – © PENSON / HH

    Klaar om haar klasgenoten te leren kennen, kwam ze aan in New Haven en werd net als de andere nieuwe studenten op de eerste dag in een studiegroep ingedeeld. Studiegroepen vormen een gebruikelijk onderdeel bij de meeste mba’s, ze vormen voor de studenten een oefening in het samenwerken in teamverband. Studiegroepen zijn zorgvuldig samengesteld om studenten met verschillende achtergronden, zowel professioneel als cultureel, bij elkaar te brengen. Eigenlijk verschilden de studenten in haar groep 
niet zo heel erg van elkaar. Twee groepsleden waren managementconsultant geweest, net zoals Julia. 
Een ander had bij een start-up gewerkt. Ze waren allemaal slim, nieuwsgierig en sociaal. Hun overeenkomsten zouden het makkelijk maken om een band met elkaar te krijgen, hoopte ze. ‘Er zijn legio mensen die zeggen dat ze sommigen van hun beste businessschoolvrienden hebben leren kennen in hun studiegroep,’ zei Julia. ‘Maar zo ging het bij mij niet.’

    Groepsstress

    Bijna onmiddellijk voelde de studiegroep als een dagelijkse dosis stress. ‘Ik voelde me nooit helemaal ontspannen,’ vertelde ze. ‘Ik had altijd het gevoel dat ik mezelf moest bewijzen.’ Al snel ontstond er een dynamiek die haar zwaar irriteerde. Iedereen wilde zijn leiderschapskwaliteiten laten zien, dus wanneer de studiegroep een opdracht kreeg, was er een subtiele strijd over wie de baas was. ‘Mensen probeerden autoriteit uit te stralen door harder te praten, of door de ander heen te praten,’ zei Julia. ‘Misschien kwam het door mijn eigen onzekerheid, maar ik had het gevoel dat ik altijd uit moest kijken dat ik in hun buurt geen fouten maakte.’

    Dus begon Julia uit te kijken naar andere groepen om zich bij aan te sluiten. Iemand vertelde haar dat er studenten waren die een team aan het samenstellen waren om mee te doen aan ‘case-wedstrijden’ waarin studenten van de businessschool innovatieve oplossingen bedachten voor businessproblemen uit de ‘echte’ wereld. Teams kregen dan een case voor hun neus, waren een paar weken bezig met een businessplan en legden dat vervolgens voor aan belangrijke mensen uit de top van een bedrijf en professoren 
die dan bepaalden wie de winnaar was. Julia schreef zich in.

    Teams zijn succesvol als iedereen zich kan uitspreken en men rekening houdt met elkaars gevoelens

    Aan Yale waren er zo’n twaalf verschillende teams voor de case-wedstrijden. Julia sloot zich aan bij de groep waar een voormalig militair in zat, een onderzoeker van een denktank, de directeur van een non-profitorganisatie op het gebied van gezondheidseducatie en een medewerker van een vluchtelingenorganisatie. In tegenstelling tot haar studiegroep had iedereen hier een andere achtergrond.

    Maar ze werkten vanaf het begin prima samen. ‘Een van onze beste cases ging over Yale zelf,’ zei Julia. ‘Er was altijd een winkeltje met snacks geweest dat door studenten werd gerund, maar de universiteit ging de verkoop van eten overnemen en daarom sponsorde de businessschool een wedstrijd voor het omvormen van de studentenwinkel tot iets anders. We verzonnen allerlei gekke plannen. Niemand brandde een suggestie af, we vonden elkaars domme ideeën altijd geweldig.’ Uiteindelijk kwam Julia’s caseteam uit op het idee om de studentenwinkel om te bouwen tot een mini-gym, uitgerust met fitnessapparaten. Ze werden de winnaar en de mini-gym is er gekomen.


    Julia vond het altijd vreemd dat de twee teams zo anders vóélden. Beide groepen bestonden uit grofweg dezelfde soort mensen. Allemaal pientere lui 
en iedereen kon buiten de groep goed met elkaar opschieten.

    Er was geen reden te verzinnen waarom de dynamiek in Julia’s studiegroep zo competitief was terwijl de sfeer in het caseteam zo ontspannen was. ‘Ik kon niet bedenken waarom ze zo verschillend waren,’ vertelde Julia me. ‘Zo had het helemaal niet hoeven gaan.’

    Leiderschap

    Na het behalen van haar diploma ging Julia aan het werk bij Google, bij de afdeling Personeelsanalyse, die zo ongeveer alle aspecten van de tijdsbesteding van Googlemedewerkers bestudeerde. Het was haar taak de data te gebruiken om te doorgronden waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen.

    Zes jaar lang werd Google door het blad Fortune gerekend tot een van de beste bedrijven om voor te werken. De reden daarvoor was volgens de top van het bedrijf dat Google enorm veel geld besteedde om te onderzoeken hoe gelukkig en productief werknemers waren, zelfs nu er 53.000 mensen werkten. De afdeling Personeelsanalyse, onderdeel van Personeelszaken, hielp vast te stellen of werknemers tevreden waren met hun leidinggevenden en collega’s, of ze zich overwerkt voelden, intellectueel geprikkeld en eerlijk betaald, of de balans werk-privé wel goed zat en ze onderzochten nog honderden andere dingen.

    Individuele slimheid of sterk leiderschap bleek niet doorslaggevend

    De afdeling vervulde ook een rol bij besluiten over het aannemen en ontslaan van mensen en de analisten verschaften inzicht in wie promotie moest krijgen en wie wellicht te snel opgeklommen was. In de periode voordat Julia bij de afdeling kwam werken, had Personeelsanalyse bepaald dat Google een sollicitant maar vier keer hoefde te interviewen om te voorspellen, met een betrouwbaarheidspercentage van 86 procent, of hij of zij een aanwinst zou zijn voor het bedrijf.

    De afdeling had er met succes op aangedrongen betaald zwangerschapsverlof te verlengen van 12 tot 18 weken omdat computermodellen aantoonden dat een langer verlof het percentage nieuwe moeders dat stopte met werken met 50 procent zou verminderen. Het basisidee van de afdeling was om het leven bij Google een beetje beter en veel productiever te maken. Met genoeg data, zo dacht de afdeling Personeelsanalyse, zou ongeveer elk gedragsraadsel opgelost kunnen worden.

    Het grootste project van de afdeling Personeelsanalyse in de voorgaande jaren was een onderzoek – met de codenaam Project Zuurstof – dat bestudeerde waarom sommige managers effectiever werkten dan andere. De onderzoekers hadden uiteindelijk acht doorslaggevende managementvaardigheden ontdekt.

    
‘Zuurstof was een enorm succes voor ons,’ zei Abeer Dubey, manager bij Personeelsanalyse. ‘Het hielp om duidelijk te krijgen waardoor een goede manager zich onderscheidde van anderen en hoe we konden ondersteunen dat mensen zich verbeterden.’

    Een open kringgesprek op zijn tijd doet wonderen. – © PENSON / HH
    Een open kringgesprek op zijn tijd doet wonderen. – © PENSON / HH

    Project Zuurstof

    Uit Project Zuurstof bleek dat een goede manager:
    1. een goede coach is;
    2. kracht geeft en niet managet op microniveau;
    3. interesse en aandacht toont voor het succes en welzijn van zijn ondergeschikten; 
4. resultaatgericht is;
    5. luistert en informatie deelt;
    6. behulpzaam is bij loopbaanontwikkeling;
    7. een heldere visie en strategie voor ogen heeft;
    8. cruciale technische vaardigheden heeft.

    Het project was zelfs zo nuttig, dat ongeveer op het moment dat Julia werd ingehuurd Google met een andere reuzeonderneming begon, dit keer onder de codenaam Project Aristoteles.

    Dubey en zijn collega’s hadden opgemerkt dat veel Googlewerknemers het er in bedrijfsonderzoeken altijd maar weer over hadden hoe belangrijk hun team was. ‘Googlers zeiden dingen als: “Ik heb een fantastische leidinggevende, maar in mijn team liep het nooit zo lekker”, of: “Mijn leidinggevende is niet geweldig maar het team is zo goed dat het niet uitmaakt”,’ zei Dubey. ‘En dat was een soort eyeopener, omdat Project Zuurstof naar leiderschap had gekeken, maar niet had onderzocht hoe teams functioneren, of dat er misschien wel een perfecte verdeling bestaat voor allemaal verschillende mensen met een andere achtergrond.’ Dubey en zijn collega’s wilden uitzoeken hoe ze een perfect team konden samenstellen. Julia werd een van de onderzoekers van dit project.

    Het project begon met een breed overzicht van de wetenschappelijke literatuur. Sommige wetenschappers hadden ontdekt dat teams het beste functioneerden als ze vooral bestonden uit mensen die allemaal even introvert en extravert waren, terwijl andere hadden ontdekt dat een evenwichtige 
verdeling van persoonlijkheden de sleutel was. Er bestonden onderzoeken over het belang van teamleden met allemaal dezelfde smaak en hobby’s, 
en andere verheerlijkten juist diversiteit in groepen. Er was onderzoek dat beweerde dat teams moesten bestaan uit mensen die graag samenwerkten; maar ander onderzoek meldde dat groepen succesvoller waren als er een gezonde rivaliteit was tussen de leden. Kortom, het ging alle kanten op in de literatuur.

    Een middelmatig team dat goed samenwerkt, doet dingen die een superster nooit voor elkaar krijgt

    Maar hoe ze de data ook rangschikten, het was bijna onmogelijk om een patroon te ontdekken – of enig verband tussen succes en de samenstelling van een team. ‘We bekeken 180 teams uit het hele bedrijf,’ zei Dubey. ‘We hadden legio data, maar niets duidde erop dat een mix van specifieke karakters 
of vaardigheden of achtergronden enig verschil 
uitmaakte. Het “wie”-deel van de vergelijking leek 
er niet toe te doen.’

    Sommige productieve teams bij Google bestonden bijvoorbeeld uit vrienden die buiten het werk met elkaar sportten. Andere bestonden uit mensen die buiten de vergaderkamer praktisch vreemden voor elkaar waren. Sommige groepen prefereerden sterke leidinggevenden. Andere wilden een plattere structuur. Het meest verwarrend was wel dat sommige teams met bijna gelijke samenstelling en een overlap in teamleden een totaal verschillend niveau van effectiviteit hadden. ‘Bij Google zijn we goed in het vinden van patronen, maar hier waren geen duidelijke patronen,’ zei Dubey.

    Groepsnormen

    Dus Project Aristoteles ging over op een andere aanpak. Er kwam een tweede ronde wetenschappelijk onderzoek die zich concentreerde op zogenoemde ‘groepsnormen’. ‘Bij elke groep ontstaan op een gegeven moment collectieve normen over gepast gedrag’, had een team psychologen in Sociology of Sport Journal geschreven. Normen zijn de tradities, gedragsstandaarden en ongeschreven regels die uitmaken wat we doen. Als een team zwijgend overeenkomt dat het waardevoller is om verschil van mening te vermijden dan te discussiëren, is dat een norm die zichzelf bevestigt. Als een team een cultuur ontwikkelt die het uiten van een andere mening aanmoedigt en groepsdenken afwijst, zwaait een andere norm de scepter. Het individuele gedrag van teamleden – misschien gaan ze tekeer tegen autoriteiten of werken ze liever op zichzelf – wordt binnen een groep vaak overruled door de groepsnormen die 
respect voor het team aanmoedigen.

    De onderzoekers van Project Aristoteles stortten 
zich weer op hun data, analyseerden ze opnieuw, deze keer op zoek naar normen. Ze zagen dat het in sommige teams altijd geoorloofd was dat mensen elkaar onderbraken, bij andere moest er om beurten gesproken worden. Sommige teams vierden verjaardagen en begonnen elke bijeenkomst met informele gesprekjes. Andere kwamen meteen ter zake. Er waren teams met extraverte leden die zich tijdens bijeenkomsten voegden naar de bezadigde groepsnormen, en in weer andere kwamen introverte teamleden uit hun schulp zodra de bijeenkomsten begonnen.

    En sommige normen, zo lieten de data zien, correleerden consequent met een hoge effectiviteit van een team. Er was bijvoorbeeld een technisch ingenieur die de onderzoekers vertelde dat zijn teamleider ‘direct en recht door zee is, wat een veilige plek 
creëert om risico’s te durven nemen. […] Ze neemt ook de tijd om te vragen hoe het met ons gaat, te kijken hoe ze je kan helpen en ondersteunen.’ Dit was een van de effectiefste groepen binnen Google.

    Anderzijds vertelde een andere ingenieur de onderzoekers dat zijn ‘teamleider een slechte beheersing over zijn emoties heeft. Hij raakt in paniek over kleine dingen en probeert telkens de controle te grijpen. Ik zou niet graag autorijden met hem naast me, want hij zou het stuur proberen te pakken en de auto in de prak rijden.’ Dit team presteerde slecht. Maar de werknemers hadden het vooral over hoe de verschillende teams vóélden. ‘En dat vond ik begrijpelijk, misschien door mijn ervaringen aan Yale,’ zei Julia. ‘Ik had in een paar teams gezeten die me totaal uitputten, terwijl ik van andere groepen juist energie kreeg.’

    Het lijkt erop dat groepsnormen een doorslaggevende rol spelen voor de manier waarop deelname aan een groep ervaren wordt. Onderzoek door psychologen van Yale, Harvard, Berkeley, de University of Oregon en andere universiteiten geeft aan dat normen 
bepalen of we ons veilig of bedreigd voelen, krachteloos of opgewonden, gemotiveerd of ontmoedigd door de andere teamleden. Julia’s studiegroep aan Yale bijvoorbeeld, putte haar uit omdat ze altijd op haar hoede was vanwege de heersende normen – het gedoe over leiderschap, de druk om voortdurend te laten zien wat je kon, de neiging om steeds kritiek te leveren. Daartegenover kon in het caseteam iedereen vriendelijk en ongedwongen zijn door de daar gehanteerde normen, enthousiasme voor elkaars ideeën, door niet altijd kritiek te leveren, positief 
te zijn – of iemand nou leiderschap wilde uitoefenen of meer op de achtergrond wilde blijven. Samenwerken was hier makkelijk.

    Maar het was wel de vraag welke normen er het meest toe deden. Het onderzoek van Google had tientallen normen gevonden die belangrijk leken – maar soms spraken de normen van de verschillende effectieve teams die even succesvol waren elkaar tegen. Was het maar beter om iedereen naar believen te laten praten of zou een strenge leider 
de discussie moeten inperken? Was het effectiever 
als mensen openlijk met elkaar van mening verschilden of moesten conflicten worden afgezwakt? 
Wat waren de cruciaalste normen?

    Googlemedewerkers in het Europese hoofdkantoor van het bedrijf in Londen. © PENSON / HH
    Googlemedewerkers in het Europese hoofdkantoor van het bedrijf in Londen. © PENSON / HH

    Collectieve intelligentie

    Stel je voor dat je gevraagd bent om je bij een van twee teams aan te sluiten: A of B.

    Team A bestaat uit acht mannen en twee vrouwen, allemaal uitzonderlijk slim en succesvol. Als je een opname ziet waarin ze samenwerken, zou je welbespraakte professionals zien die elkaar niet in de rede vallen en zich beleefd en hoffelijk gedragen. 
Als er op een bepaald moment een vraag opkomt, is één persoon – duidelijk een expert op dat terrein – geruime tijd aan het woord terwijl alle anderen luisteren. Niemand onderbreekt hem. Als iemand anders van het onderwerp afdwaalt herinnert een collega hem aan de agenda, en stuurt het gesprek weer in de goede richting. Het team is efficiënt. De vergadering is precies op het afgesproken tijdstip afgelopen.

    Bij team B gaat het anders. Er zijn daar evenveel mannen als vrouwen, van wie sommigen succesvol in de top zitten, terwijl anderen middenmoters zijn die professioneel weinig gepresteerd hebben. In een video-opname zie je de leden van het team lukraak hun zegje doen in de discussie. Sommigen praten maar door, anderen houden het kort. Het gesprek 
is lastig te volgen omdat ze elkaar zo vaak in de rede vallen. Als iemand uit het team abrupt het onderwerp verandert of afdwaalt, sjeest de rest van de groep met hem dat zijpad op. De bijeenkomst wordt niet echt beëindigd: iedereen blijft gewoon zitten roddelen.

    Bij welke groep zou je je liever aansluiten?

    In 2008 vroeg een groep psychologen van Carnegie Mellon University en het MIT zich af of ze zouden kunnen ontdekken welke van de teams duidelijk beter was. ‘Omdat onderzoek, leidinggeven en veel andere taken steeds meer in groepen worden uitgevoerd – zowel in levenden lijve als “virtueel” – wordt het steeds belangrijker om te begrijpen wat bepalend is voor de groepsprestatie’, schreven de onderzoekers in 2010 in Science. ‘In de twintigste eeuw hebben 
psychologen belangrijke voortgang geboekt bij het definiëren en systematisch meten van individuele intelligentie. Wij hebben de statistische benadering die zij ontwikkelden voor het meten van individuele intelligentie, gebruikt om systematisch groepsintelligentie te meten.’

    Anders gezegd: de onderzoekers wilden weten of er een collectieve intelligentie bestaat die binnen een team ontstaat en die anders is dan de slimheid van welk individueel lid dan ook.

    Even geen teamwerk in Tech City, een andere Googlevestiging in Londen. – © Getty Images
    Even geen teamwerk in Tech City, een andere Googlevestiging in Londen. – © Getty Images

    Iedereen op zijn plek

    Om dit voor elkaar te krijgen ronselden de onderzoekers 699 mensen, verdeelden die in 152 teams 
en gaven elke groep een reeks opdrachten die verschillende vormen van samenwerking vereisten. 
De meeste teams begonnen met een brainstorm van tien minuten over de mogelijke gebruikswijze van een baksteen en kregen een punt voor elk uniek idee. Daarna kregen ze de opdracht een boodschappenritje te plannen alsof ze huisgenoten waren met slechts één auto. Ieder teamlid kreeg een andere boodschappenlijst en een plattegrond waarop de prijzen van verschillende winkels stonden. De enige manier waarop een team de hoogste score kon krijgen, was dat iedere persoon één felbegeerd artikel van zijn lijstje opofferde in ruil voor iets wat bij de hele groep in de smaak viel. Daarna werd de teams opgedragen tot een uitspraak te komen in een zaak waarbij een student-basketballer kennelijk zijn docent had omgekocht. Sommige teamleden vertegenwoordigden de belangen van de faculteit; andere spraken vanuit de sportsectie. De uitspraak die maximaal tegemoetkwam aan het belang van beide groepen werd met punten beloond.

    Al deze opdrachten vereisten de medewerking van het hele team, en elke opdracht vroeg om een andere manier van samenwerken. Tijdens de observatie van de groepen zagen de onderzoekers overal een andere dynamiek ontstaan. Een paar teams verzonnen tientallen slimme gebruikswijzen voor de baksteen, kwamen tot een uitspraak die iedereen tevreden stemde en hadden het boodschappenritje in een oogwenk gepiept. Andere bleven dezelfde functie voor de baksteen in steeds andere woorden beschrijven, kwamen tot uitspraken die sommige deelnemers links lieten liggen en het lukte hen niet om meer dan ijs en fruitmuesli te kopen omdat niemand concessies wilde doen. Interessant was dat wanneer teams één taak goed vervulden, ze de andere taken er ook goed van afbrachten. Omgekeerd leken de teams die één taak niet goed deden, alles niet goed te doen.

    De sterke teams bevatten ook meer vrouwen

    Je zou kunnen denken dat de ‘sterke teams’ succesvol waren omdat de leden ervan slimmer waren – dat groepsintelligentie misschien niets meer was dan 
de bij elkaar opgetelde individuele intelligentie van de afzonderlijke teamleden. Maar de onderzoekers hadden vooraf het iq van de deelnemers getest en ontdekt dat de individuele intelligentie niet correleerde met het groepsresultaat. Tien slimme mensen bij elkaar in een kamer zetten, betekende niet dat ze vraagstukken op een intelligentere manier oplosten – nee, die slimme mensen werden vaak overtroefd door groepen die bestonden uit mensen die lager scoorden op intelligentie, maar die als groep toch slimmer leken.

    Of je zou kunnen beweren dat de sterke teams vastberadener leiders hadden. Maar het onderzoek liet zien dat ook dat niet klopte. Uiteindelijk kwamen de onderzoekers tot de conclusie dat de sterke teams 
het niet alleen goed hadden gedaan door de aangeboren kwaliteiten van de teamleden, maar ook door de manier waarop ze met elkaar omgingen. 
Anders gezegd, de succesvolste teams hanteerden normen waardoor iedereen zich op zijn plek voelde.

    ‘Alles leidt naar bewijs voor een overkoepelend collectief intelligentie-element dat voor een breed scala aan taken de groepsprestatie verklaart’, schreven de onderzoekers in hun artikel in Science. ‘Een dergelijke collectieve intelligentie is een eigenschap van de groep zelf, niet van de afzonderlijke individuen.’ Het waren de normen, niet de mensen, die het team slim maakten. De juiste normen konden de collectieve intelligentie van een groep middelmatige breinen omhoogtrekken. De verkeerde normen konden als struikelblok fungeren voor een groep die bestond uit mensen die ieder afzonderlijk bijzonder slim waren.

    Maar toen de onderzoekers de opnames bekeken van de interacties van de sterke teams, zagen ze dat niet alle normen er hetzelfde uitzagen. ‘Het was opvallend dat een aantal zich heel anders gedroeg,’ zei Anita Woolley, hoofdauteur van het onderzoek. ‘In sommige teams zaten een paar slimmeriken die uitpuzzelden hoe ze het werk gelijk konden verdelen. Andere groepen hadden gemiddeld intelligente teamleden maar verzonnen een manier om zo goed mogelijk te profiteren van ieders relatieve kracht. Sommige groepen hadden een sterke leider. Bij andere groepen was het wat meer in beweging en nam iedereen een leiderschapsrol op zich.’

    Twee soorten gedrag

    Maar er waren twee soorten gedrag die bij alle sterke teams voorkwamen.

    Ten eerste: de leden van sterke teams waren zo ongeveer allemaal even lang aan het woord, een fenomeen dat de onderzoekers betitelden als ‘een evenredige distributie van gespreksbijdragen’. In sommige teams deed bijvoorbeeld tijdens de opdrachten iedereen zijn zegje. In andere groepen was het aandeel in de conversatie bij elke opdracht anders, maar uiteindelijk was iedereen wel ongeveer even lang aan het woord geweest. ‘Zolang iedereen de kans kreeg om iets te zeggen, presteerde het team goed,’ zei Woolley. 
‘Maar als er maar één iemand of een kleine groep 
de hele tijd het woord voerde, zakte de collectieve intelligentie.

    Niet bij elk gesprek hoefde er een gelijke inbreng te zijn, maar in totaal moest het wel in evenwicht zijn.’

    Ten tweede: de sterke teams hadden een ‘hoge gemiddelde sociale sensitiviteit’ – een hoogdravende manier om te zeggen dat de groepen intuïtief begrepen hoe teamleden zich voelden, gebaseerd op de manier van praten, hoe mensen zich voordeden en de uitdrukking op hun gezicht.


    Een van de makkelijkste manieren om sociale gevoeligheid te meten is om iemand foto’s te laten zien van de ogen van mensen en hun te vragen om te beschrijven wat die persoon denkt of voelt. Dit is 
een ‘test om te meten hoe goed iemand zich kan verplaatsen in iemand anders’ hoofd, en kan “afstemmen” op hun mentale staat’, schreef de bedenker van de ‘gedachten in ogen lezen’-test, Simon Baron-Cohen van de University of Cambridge. Mannen raden gemiddeld slechts 52 procent van de emoties van de persoon op de foto correct, vrouwen meestal 61 procent.

    Mensen in de sterke teams in Woolleys experiment scoorden bovengemiddeld bij de ‘gedachten in ogen lezen’-test. Ze leken te zien wanneer iemand van de kaart was of zich buitengesloten voelde. Ze vroegen elkaar waar de ander aan dacht. De sterke teams bevatten ook meer vrouwen.

    Maar terugkomend op de vraag bij welk team je je liever zou aansluiten ingeval je de keus kreeg tussen de serieuze club, het professionele team A, of het vrijere, meer informele team B: je zou het beste kunnen opteren voor team B. Team A is slim en zit vol effectieve collega’s. Individueel zullen de leden stuk voor stuk succesvol zijn. Maar als team neigen ze ernaar om hun individuele gedrag voort te zetten. Er is weinig aanleiding om te denken dat ze als groep een collectieve intelligentie zullen ontwikkelen, omdat uit niets blijkt dat iedereen een gelijke stem heeft in het geheel en dat de leden gevoelig zijn voor de gevoelens en behoeften van teamgenoten.

    Team B is in tegenstelling daarmee rommeliger. Mensen praten door elkaar heen, ze springen van de hak op de tak, ze zijn gezellig aan het doen in plaats van zich aan de agenda te houden. Maar iedereen praat zoveel als voor hem of haar nodig is. Ze voelen zich allemaal even gehoord en snappen elkaars non-verbale communicatie en manier van uitdrukken. Ze proberen te anticiperen op elkaars reactie. Team B mag dan minder individuele uitblinkers hebben, de som van de groep is veel groter dan de afzonderlijke delen.

    Psychologische vrijheid

    Tegen de zomer van 2015 hadden de onderzoekers van het Google Project Aristoteles twee jaar lang onderzoeken verzameld, vraaggesprekken gehouden, informatie vergeleken met data uit het verleden en statistieken geanalyseerd. Ze hadden tienduizenden afzonderlijke data nauwkeurig onderzocht en tientallen softwareprogramma’s ontworpen om de ontwikkeling te analyseren. Uiteindelijk waren ze zover om hun conclusies te openbaren aan de medewerkers van het bedrijf.

    Ze belegden een bijeenkomst in het hoofdkantoor in Mountain View. Duizenden medewerkers kwamen opdagen en nog veel meer keken via een videostream. Laszlo Bock, hoofd van de afdeling Personeelszaken bij Google, liep het podium op en bedankte iedereen voor zijn aanwezigheid. ‘Het belangrijkste wat jullie van dit onderzoek zouden moeten meenemen is dat het er in veel opzichten meer toe doet hóé een team werkt, dan wíé erin zit,’ zei hij.

    Voor hij het podium op ging, had hij nog wat tegen me gezegd: ‘We dragen allemaal een mythe mee in ons hoofd. We denken dat we supersterren nodig hebben. Maar dat kwam niet uit ons onderzoek. 
Als je een team middelmatige krachten neemt en 
je leert ze op de goede manier met elkaar werken, dan zullen ze dingen doen die een superster nooit voor elkaar zou krijgen. En er zijn nog andere mythen, zoals dat salesteams anders geleid moeten worden dan technische teams, of dat de beste teams het over alles wat ze doen eens moeten zijn, of dat goed presterende teams heel veel werk nodig hebben om zich betrokken te blijven voelen, of dat teamleden in elkaars nabijheid moeten werken.

    ‘We richten ons nooit op het debuggen van menselijke interactie. We zetten goeie mensen bij elkaar en hopen dan dat het gaat lukken, en soms is dat zo en soms niet, en meestal weten we niet waarom’

    Maar we kunnen nu wel zeggen dat dat niet klopt. De data laten zien dat er een universele waarheid is voor het slagen van sterke teams. Het is belangrijk dat alle leden van het team zich gehoord voelen, maar het lijkt niet veel uit te maken of ze echt ergens een stem in hebben of beslissingen nemen. De hoeveelheid werk of de nabijheid van teamleden maakt ook niet uit. Wat ertoe doet is dat ze gehoord worden en sociaal fijngevoelig zijn.’

    Bock liet op het podium een reeks afbeeldingen zien. ‘Er zijn vijf sleutelnormen die ertoe doen,’ vertelde hij het publiek.
    1. Teams moeten geloven dat hun werk belangrijk is.
    2. Teams moeten het gevoel hebben dat hun werk voor hen persoonlijk betekenisvol is.
    3. Teams hebben duidelijke doelen en afgebakende rollen nodig.
    4. Teamleden moeten weten dat ze op elkaar kunnen rekenen.
    5. Maar het belangrijkste: teams hebben psychologische veiligheid nodig.

    Om psychologische veiligheid te creëren, moesten teamleiders het juiste gedrag voordoen, zei Bock. Daarvoor konden ze checklists gebruiken die ontworpen waren door Google: teamleiders zouden de leden van hun team tijdens een gesprek niet moeten onderbreken, want daardoor ontstaat een interruptienorm; ze zouden moeten laten zien dat ze luisterden door het gezegde, nadat het teamlid uitgesproken was, samen te vatten; ze zouden eerlijk moeten zijn over wat ze niet wisten; ze zouden een bijeenkomst pas moeten afsluiten wanneer alle leden van een team ten minste één keer hun zegje hadden gedaan; ze zouden mensen die ontdaan zijn, moeten aanmoedigen hun frustraties te uiten, en leden van het team aanmoedigen om onbevooroordeeld te reageren; ze zouden conflicten tussen groepen niet moeten verdoezelen en ze door open discussie moeten oplossen.

    Op de checklist stonden tientallen tactieken. Maar ze draaiden allemaal om twee algemene principes: teams zijn succesvol wanneer iedereen het gevoel heeft zich te kunnen uitspreken en wanneer de leden laten zien dat ze rekening houden met elkaars gevoelens.

    ‘Er zijn veel kleine dingen die een leider kan doen,’ zei Abeer Dubey. ‘Kapt de leider mensen tijdens een vergadering af met de opmerking “Ik wil hier graag een vraag over stellen”, of wacht ze af tot iemand klaar is met zijn verhaal? Hoe reageert de leider op een ontdaan iemand? Dat zijn zulke subtiele dingen, maar ze kunnen een enorme impact hebben. Ieder team is anders, en het is niet ongebruikelijk in een bedrijf als Google dat technici of verkoopmedewerkers opgeleid zijn om de strijd aan te gaan voor datgene waar ze in geloven. Maar je moet wel de juiste normen hebben om verschil van mening productief in plaats van destructief te laten zijn. Anders wordt een team nooit beter.’

    Bewuster

    Drie maanden lang reisde Project Aristoteles van het ene naar het andere district, lichtte hun bevindingen toe en begeleidde teamleiders. De mensen aan de top van Google verschaften instrumenten die teams konden gebruiken om te evalueren of de leden zich psychologisch veilig voelden en werkoverzichten om teamleden en -leiders hun scores te helpen verbeteren.

    ‘Ik heb een achtergrond in kwantitatief onderzoek. Als ik iets moet gaan geloven, dan moet je me data geven om het te staven,’ zei Sagnik Nandy, die als hoofd van Googles afdeling Technische Analyse een van de grootste teams van het bedrijf leidt. ‘Dus het zien van al deze data heeft een ommekeer voor me betekend. Technici halen heel graag fouten uit software omdat we weten dat we met slechts een paar tweaks de effectiviteit met 10 procent verhogen. Maar we richten ons nooit op het debuggen van menselijke interactie. We zetten goeie mensen bij elkaar en hopen dan dat het gaat lukken, en soms is dat zo en soms niet, en meestal weten we niet waarom. Door Aristoteles debuggen we onze mensen nu. Het heeft de manier waarop ik vergaderingen leid totaal veranderd. Ik denk nu zoveel bewuster na over hoe ik laat zien dat ik luister, of ik interrumpeer, of hoe ik iedereen aanmoedig zijn zegje te doen.’

    Het project heeft ook effect op het team Aristoteles. ‘Een paar maanden geleden zaten we in een vergadering en maakte ik een fout,’ vertelde Julia Rozovsky me. ‘Geen grote fout, maar het was wel beschamend, en achteraf stuurde ik een berichtje rond waarin ik uitlegde wat er was misgegaan, waarom het was gebeurd en hoe we het zouden oplossen. Meteen daarna kreeg ik een e-mail van een teamlid met alleen maar “Au” daarin.

    Het was alsof ik een stomp in mijn maag kreeg. 
Ik was al ontdaan dat ik een fout had gemaakt, en deze mail appelleerde precies aan mijn onzekerheden. Maar omdat we al lang samenwerkten, mailde ik hem terug en zei: “Er gaat niets boven een flinke ‘au’ om het gevoel van ochtendlijke psychologische vrijheid te vernietigen!” En hij reageerde met: “Ik probeer gewoon even je veerkracht uit.” Dat zou bij iemand anders verkeerd gevallen kunnen zijn, maar hij wist dat dit precies was wat ik nodig had. Met een interactie van dertig seconden losten we de spanning op. Het is grappig om je in teamverband bezig te houden met een project over teameffectiviteit, want je kunt alles wat je leert al doende uitproberen. Ik realiseerde me dat zolang iedereen maar het idee heeft dat ze ook wat mogen zeggen en we echt laten zien dat we naar elkaar willen luisteren, je het gevoel hebt dat iedereen je steunt.’

    Auteur: Charles Duhigg

    Dit is een voorpublicatie uit Slimmer, sneller, beter – Het geheim van productiviteit thuis en op het werk, dat binnenkort verschijnt bij Ambo|Anthos. Vertaling: René van Veen, Louise Koopman

  • Veelkleuriger, vrouwvriendelijker, en vrijer

    Veelkleuriger, vrouwvriendelijker, en vrijer

    Welkom in deze 360 Reader,

    Gaat de wereld zoals we die kennen langzaam ten onder? Je zou het bijna denken bij het lezen van een paar artikelen uit deze 360 Reader, die vanaf heden het format van het tijdschrift volgt. Europa valt uit elkaar; Turkije is hard op weg een dictatuur te worden; China is dat al en vervolgt zijn dissidenten tot buiten de grenzen, en een piepjonge Franse imam verdedigt de behandeling van vrouwen door de islam met het argument dat vrouwen vóór de islam helemaal niets waard waren.

    Maar gelukkig zijn er, zoals altijd, ook andere stemmen, die de lezer weer wat moed geven. Zoals de dappere Algerijnse hoofdredacteur, die zijn geldverkwistende president op niet mis te verstane wijze oproept te delen in de opofferingen van zijn volk. Of de Mexicaanse zakenman, die onterecht in de gevangenis belandt en daar een bedrijfje opzet waarin gedetineerden een fatsoenlijk loon kunnen verdienen.

    Hoopvol is ook het stuk over ziektes die in de toekomst kunnen worden opgespoord met een simpele ademtest. Maar het allervrolijkste verhaal in deze editie is de reportage over de Engelstalige stripwereld. Daar wordt alles juist veel beter dan het ooit was: veelkleuriger, vrouwvriendelijker, en vrijer. Ook dat is een kant die de wereld opgaat. Veel leesplezier.

    Han Ceelen
    ceelen@360international.nl

  • Eiland Man mikt op zelfrijdende auto

    Eiland Man mikt op zelfrijdende auto

    Het Britse eiland Man, genesteld tussen Ierland en Groot-Brittannië, wil een testsite worden voor zelfrijdende auto’s.

    Phil Gawne, de minister van Transport van het eiland Man, werkt zestien uur per dag aan twee projecten die bij twee totaal verschillende tijdperken horen. Allereerst probeert hij de door paarden getrokken koetsen op het eiland, die nog dateren uit 1876, te redden. Daarnaast leidt Gawne een project om bedrijven aan te trekken die volledig zelfrijdende auto’s produceren, dus zonder stuur of pedalen.

    Dat is het leven van een bureaucraat op een van de eigenaardigste eilanden ter wereld. Het autonome eiland – dat genesteld ligt tussen Ierland en Groot-Brittannië – heeft een bevolking van bijna negentigduizend man en een oppervlakte van ongeveer de stad Chicago. Het beweert het oudste parlement ter wereld te hebben, dat al meer dan duizend jaar bestaat.

    We zijn hier graag vernieuwend. En we zijn ook graag onafhankelijk

    Omdat het eiland afhankelijk is van het toerisme moeten de koetsen blijven rijden. Maar auto’s zonder chauffeur zouden waarschijnlijk ook bezoekers aantrekken, en omdat het eilandbestuur zo klein is, kan het snel beslissingen nemen. Dat zou het tot een aantrekkelijke bestemming kunnen maken voor bedrijven die dat soort voertuigen ontwikkelen.

    ‘We zijn hier graag vernieuwend,’ zegt Gawne. ‘En we zijn ook graag onafhankelijk. Beide terreinen kunnen bevorderlijk zijn voor ons internationale imago en onze reputatie.’

    Gawne vertelt dat de regering in gesprek is geweest met diverse bedrijven die het eiland zouden willen voorzien van chauffeurloze auto’s. Benodigde aanpassingen van de eilandwetten zouden aan het begin van de zomer doorgevoerd kunnen zijn. Dat is snel vergeleken met het tempo van grotere landen, die soms dan ook bekritiseerd worden door bedrijven die autonome voertuigen ontwikkelen.

    Het eiland Man, ‘een van de eigenaardigste eilanden ter wereld’.
    Het eiland Man, ‘een van de eigenaardigste eilanden ter wereld’.

    Onderzoek

    Voor sommigen zou een klein eiland – zonder de treuzelende bureaucratieën en overvolle steden van grote naties – een voor de hand liggend lanceerplatform zijn voor de eerste, grootschalige, openbare testen met volledig autonome voertuigen.

    ‘Op een eiland kunnen dingen uitgeprobeerd worden waarvoor een stad niet geschikt is,’ zegt David Alexander, analist bij Navigant Research. ‘Op het vasteland zal er altijd iemand zijn die de grenzen van het experiment wil overschrijden en daarna gaat rondbazuinen dat autonome auto’s waardeloos zijn.’ Hij voegt er nog aan toe dat kleine eilandstaten zelf meestal geen nieuwe transportsystemen kunnen bekostigen. Daarom zou het bestuur waarschijnlijk gewillig staan tegenover een grote firma die bereid is om te investeren in de lokale infrastructuur.


    De regering van het eiland Man heeft een groep geformeerd om de verdiensten van de technologie te beoordelen en te bepalen welke wetten veranderd moeten worden en voor welke stimulansen bedrijven gevoelig zijn, bijvoorbeeld kantoorruimte of opslagplaatsen. Dat onderzoek, dat Gawne als ‘vrij dringend’ bestempelt, zal binnen een maand afgerond worden. Nieuwe regelgeving kan er dan binnen twee of drie maanden door zijn. Hij voorziet brede steun binnen de regering. ‘We zijn heel enthousiast. We zien veel potentiële voordelen voor het eiland,’ zegt hij. ‘Het bevordert ook het imago van het eiland Man.’

    Maar anderen waarschuwen dat de lancering van zelfsturende auto’s op een klein eiland mensen in de rest van de wereld niet zal overtuigen van de betrouwbaarheid van de technologie. Thilo Koslowski, analist van autonome auto’s bij Gartner, verwacht dat als bedrijven eenmaal klaar zijn om volledig zelfrijdende auto’s op de markt te brengen – wat volgens hem niet snel zal gebeuren – ze die eerst willen testen in een drukke stad op het vasteland. ‘Dat zal het echte bewijs zijn. De praktijk moet leren of de technologie betrouwbaar is in de echte wereld.’


    Bryant Walker Smith, hoogleraar rechten aan de universiteit van South Carolina, waarschuwt dat locaties die zelfrijdende auto’s willen aantrekken voorzichtig te werk moeten gaan. ‘Een van de misvattingen op dit gebied is dat een staat die een wet op autonoom rijden heeft aangenomen een voorsprong heeft. Je zou moeten laten zien dat je welwillend staat tegenover dit soort ontwikkelingen,’ zegt Smith. ‘Maar zo werkt het niet altijd.’

    Oppervlakkig

    In 2015 breidde Google zijn testen met zelfrijdende auto’s uit tot Austin, ondanks het feit dat Texas geen wet op het gebied van zelfsturende auto’s had aangenomen. Smith vindt nieuwe staatswetten in de VS op het gebied van autonome auto’s oppervlakkig, omdat vele daarvan geen kernpunten aanpakken. Kunnen auto’s bijvoorbeeld zo gebouwd worden dat ze net als menselijke chauffeurs wetten overtreden, zoals te hard rijden of dubbele strepen overschrijden in bepaalde situaties? En dan rest nog de vraag hoe je een passende veiligheidsnorm kunt vaststellen voor zelfrijdende auto’s.

    Dus al kunnen de auto’s uiteindelijk een optie zijn voor het eiland Man, het doet er waarschijnlijk verstandig aan te zorgen dat die door paarden getrokken koetsen voorlopig blijven rijden.

    Auteur: Matt McFarland
    Vertaler: Tineke Funhoff

    The Washington Post
    Verenigde Staten, dagblad, oplage 700.000
    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Je adem vertelt of je ziek bent

    Je adem vertelt of je ziek bent

    Goed nieuws voor wie bang is voor een injectienaald. In de toekomst kunnen ziektes waarschijnlijk worden gediagnosticeerd met een simpele ademtest.

    Onze adem verraadt veel over ons. Met elke uitademing stoot de mens grote hoeveelheden moleculen uit die iets prijsgeven over wat er in ons lichaam gebeurt. De afgelopen jaren mogen die op steeds meer belangstelling van de geneeskunde rekenen.

    Zürichse wetenschappers zijn nu een groot onderzoeksproject gestart. ‘Wat de adem prijsgeeft’, zo luidt de naam voor het gezamenlijke project van de Universiteit van Zürich, het Universitair Medisch Centrum (USZ) en de Federale Technische Hogeschool (ETH) – en het heeft ambitieuze doelen: in de toekomst moeten diverse ziektes gediagnosticeerd kunnen worden met een simpele ademtest. Goed nieuws dus voor wie bang is voor een injectienaald.

    We hebben ontdekt dat ieder mens een eigen ademafdruk heeft

    Een ademtest ontziet de patiënt, zelfs wie ernstig ziek is kan ademen in een buisje. Röntgenonderzoek of weefsel- en bloedafname zijn aanzienlijk meer belastend. Dat is het grote voordeel van deze methode. Maar wat de onderzoekers in de adem willen meten is daar meestal in kleinere concentraties aanwezig dan in bloed of ander lichaamsvocht. Daarom vormt de technische verwezenlijking van het systeem een grote uitdaging. Alleen uiterst gevoelige meetapparatuur en constant verfijndere analyse leveren betrouwbare gegevens op.

    Ademafdruk

    Het project in Zürich staat onder leiding van Renato Zenobi, hoogleraar analytische chemie aan de ETH, en Malcolm Kohler, directeur van de kliniek voor longziekten van het USZ. Voor de ademanalyse werkt Zenobi’s team met een massaspectrometer waarmee lading en gewicht van een deeltje bepaald kunnen worden. Voor dit doel is het apparaat van een mondstuk voorzien. Nadat een patiënt hierin heeft geademd, worden de nietige drupjes in de adem elektrisch geladen. De massaspectrometer meet dan de verhouding van de massa ten opzichte van de lading van een molecuul. Wanneer het apparaat gevoelig genoeg is, kunnen de onderzoekers op deze manier alle moleculen identificeren.

    ‘We hebben ontdekt dat ieder mens een eigen ademafdruk heeft,’ zegt Kohler. Wanneer iemand gezond is, blijft deze min of meer stabiel. Wat iemand eet, drinkt, inneemt of rookt, laat echter ook zijn sporen na in diens adem. Zo gaat het ook met ziektes. De moleculen waarnaar de wetenschappers op zoek zijn, ontstaan bij biochemische stofwisselingsprocessen die voortdurend in het lichaam plaatsvinden.

    Kankercellen hebben bijvoorbeeld een ander metabolisme dan gezonde cellen en scheiden dus andere moleculen af.

    adem02

    Al geruime tijd experimenteert men in de VS en Engeland met het trainen van honden die de geur van long- of borstkanker bij mensen op moeten sporen. De dieren krijgen een lange opleiding waarin ze leren reageren op de moleculen die een kankerpatiënt via zijn adem uitstoot. Zo werkt chemicus George Petri aan de universiteit van Pennsylvania met honden die de geurkenmerken van eierstokkanker moeten herkennen. Is die eenmaal vastgesteld, dan kunnen de onderzoekers de tumor ook via proeven met technische middelen opsporen.

    Omdat de ademanalyse nog in de kinderschoenen staat, moeten de wetenschappers eerst achterhalen wat ze eigenlijk zoeken. ‘Momenteel zijn we bezig met het identificeren van de signatuur van de meest verschillende ziektebeelden,’ zegt Kohler, die zelf pneumoloog is. Zo hopen de onderzoekers in de toekomst via de adem niet alleen longziektes te identificeren, maar ook stofwisselingsziektes als diabetes, nier- of leverfalen.

    De Oude Grieken zochten al naar tekenen van ziektes in de adem. Ook de traditionele Chinese geneeskunde is gebaseerd op reuksporen die door diverse aandoeningen in het menselijk lichaam worden achtergelaten. Als de nieren ziek zijn, ruikt de patiënt bijvoorbeeld naar ammoniak, bij leverkwalen naar grond. Een geur van vers brood kan wijzen op tyfus.

    Een voordeel van ademanalyse is dat de uitkomst snel kan worden vastgesteld

    ‘Het Zürichse project is heel boeiend en vernieuwend,’ meent Manuela Funke Chambour, chef-arts pneumologie in het academisch ziekenhuis van Bern. Ook haar ziekenhuis zou in de toekomst vaker van ademanalyse gebruik willen maken. Nu al gebruiken de artsen hier en in veel andere klinieken standaard een test waarbij ze de adem van astmapatiënten onderzoeken op een specifiek kenteken van ontsteking. Is de waarde hoog, dan vormt dat een aanwijzing voor de intensiviteit van de astmatherapie.

    Tijd winnen

    Een ander voordeel van ademanalyse is dat de uitkomst snel kan worden vastgesteld – bij ander laboratoriumonderzoek moeten de artsen vaak veel langer op resultaat wachten. Zo is er bij acute ziekteverschijnselen waardevolle tijd te winnen. Er kan bijvoorbeeld sneller worden vastgesteld of een patiënt antibioticum nodig heeft, en zo ja welk middel precies. Ook kan onnodig antibioticaverbruik en daarmee het ontstaan van resistenties worden voorkomen.

    De apparatuur die de Zürichers inzetten is nog heel duur. De uiterst gevoelige massaspectrometer kost circa 450.000 euro. In de toekomst moeten de apparaten kleiner, mobieler en goedkoper worden. Verschillende start-ups werken al aan sensoren voor draagbare apparatuur. De New Yorkse hoogleraar geneeskunde Michael Philips, die zich al langer met ademanalyse bezighoudt, heeft het bedrijf Menssana opgericht en het draagbare apparaat Breathlink ontwikkeld.


    De Zürichse onderzoekers hebben nog meer op het oog dan snel en pijnloos ziektes diagnosticeren. Er valt op dit gebied nog veel informatie te winnen, zegt Kohler. Zo laat ook de inwendige klok van de mens, een biologische tijdsaanduider, sporen na in de adem. ‘Als iemand inslaapt, kunnen we ineens 300 moleculen niet meer meten.’

    Vergezichten

    Maar vooralsnog richten ze zich op praktische toepassingen. Al geruime tijd weten we bijvoorbeeld dat geneesmiddelen niet op elk moment van de dag een even goed effect hebben. Onze adem, hopen de artsen, kan een nuttige indicatie zijn bij het vinden van de juiste dosering op het juiste moment van de dag. Ook kan adem de artsen vertellen of iemand zijn medicatie al dan niet genomen heeft. ‘Slechts een derde van alle patiënten met hoge bloeddruk slikt daadwerkelijk zijn medicijnen,’ zegt Kohler. De adem kan de arts verklappen of een therapie niet aanslaat, of dat er gewoon sprake is van nalatigheid bij de patiënt.

    Ook bij infectieziektes willen de Zürichers inzetten op ademonderzoek. Aan de hand van het onderzoek kan bijvoorbeeld worden bepaald of iemand met griep nog in de besmettingsfase is.

    Het zal nog wel even duren tot ademanalyse op grote schaal is doorgedrongen in de dagelijkse praktijk van een ziekenhuis. Maar Kohler is optimistisch: ‘Natuurlijk gaat het onderzoek in de geneeskunde met kleine stapjes. Maar om patiënten te helpen, moeten we ook vergezichten hebben.’

    Auteur: Alexandra Bröhm
    Vertaler: Marten de Vries

    Die Welt
    Duitsland, dagblad, oplage 202.000
    Profileert zich als conservatief. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt. In 1946 door de Britten in Hamburg opgericht.

  • 1. De toekomst van ons werk: een gezonde deeleconomie

    1. De toekomst van ons werk: een gezonde deeleconomie

    De deeleconomie zoals die nu bestaat deugt niet, vindt Pacific Standard. Deelnemers hebben nauwelijks zeggenschap en de winst vloeit naar een kleine groep aandeelhouders. Door een coöperatievere manier van werken kunnen we zelf de touwtjes in handen nemen.

    De internetcultuur blijkt de betekenis van doodgewone woorden te kunnen veranderen. ‘Democratisering’ betekent tegenwoordig dat meer mensen online vliegtickets of aandelen kunnen kopen, terwijl de associaties van weleer – juryrechtspraak en stemhokjes – naar de achtergrond zijn gedrongen. ‘Verdringing’ (of ‘disruptie’) wordt zonder blikken of blozen als iets positiefs bestempeld; men doelt niet op de ontslaggolven en de sociale ontwrichting die ontstaan wanneer het ene bedrijf het andere uit de markt drukt, maar slechts op het aansprekende verhaal van een David die een Goliath verslaat. En dan is er nog het ‘delen’. Vroeger deelden we goederen met mensen in onze leefomgeving. Delen is nu het woord dat wordt gebruikt voor de financiering van een techstart-up die ons in contact brengt met mensen die wij vervolgens kunnen betalen om hun huis, auto of lego te mogen gebruiken.

    De zogeheten deeleconomie had nog maar nauwelijks het licht gezien of velen beseften dat de slogans over vertrouwen en netwerken slechts een list waren om mensen geld afhandig te maken. Maar deze list verandert nog steeds de manier waarop we werken. Platforms zoals Uber en Amazon Mechanical Turk [een digitaal platform waarop je eenvoudige klusjes kunt uitbesteden] gebruiken het feit dat ze op internet zitten om niet alleen de douane te omzeilen maar ook de regels omtrent fatsoenlijke arbeidsvoorwaarden. Ze staan op het punt om werknemers op het gebied van arbeidsrecht meer dan een eeuw terug in de tijd te zetten. Maar dankzij datzelfde internet is dit het ideale moment om een economie van de grond te tillen waarin de deelnemers daadwerkelijk eigendom en daadwerkelijke zeggenschap delen.

    Deelnemers centraal

    Probeert u zich voor te stellen hoe anders Mechanical Turk eruit zou zien als de duizenden medewerkers ook mede-eigenaar van het platform zouden zijn. Ze zouden besluitvormingsapps kunnen gebruiken, zoals DemocracyOS of Loomio, om te beslissen aan welke beleidslijnen de werkgevers zich moeten houden. Ze zouden hun aandelen online kunnen beheren. Als het platform het goed doet, zouden ze kunnen beslissen hoeveel dividend ze zichzelf willen uitkeren en hoeveel ze willen investeren in onderzoek en ontwikkeling. Ze zouden ongekend gemotiveerd zijn om het platform bij potentiële klanten aan te prijzen. Het succes van het platform zou hun succes zijn. En zou Facebook er niet ook anders uitzien wanneer de gebruikers tevens eigenaar waren en zelf konden bepalen wat er met hun gegevens gebeurde? Of Uber?

    Het is allemaal mogelijk. Neem de in Denver gevestigde coöperatie Green Taxi, die zijn eigen app heeft om een taxi te bestellen – het gemak van Uber, met als verschil dat de chauffeurs niet zijn overgeleverd aan regels die zijn opgesteld door een vrijwel anoniem bedrijf dat een deel van de winst opstrijkt. Het Israëlische La’Zooz zit al meer in de hoek van de sciencefiction: het is een autodeelsysteem dat gebruikmaakt van de technologie die ten grondslag ligt aan de bitcoin, waarbij zowel bestuurders als meerijders mede-eigenaren worden.

    Zou Facebook er niet anders uitzien als de gebruikers tevens eigenaar waren?

    Onze economie bestaat meer en meer uit kortlopende klussen die slechter worden betaald en minder zekerheid bieden dan in het verleden. Coöperaties zijn een manier om de deelnemers centraal te stellen. Met de hulp van Bay Area’s Sustainable Economies Law Center is het bedrijf Loconomics bezig een alternatief voor TaskRabbit [eveneens een klusjesplatform] te ontwikkelen dat in handen is van de medewerkers.

    Voor zo ongeveer elk ouderwets bedrijfsmodel waar wij op leunen is er een coöperatievere manier van werken denkbaar. De Amazon-achtige marktplaats Fairmondo, gevestigd in Duitsland, is in handen van de gebruikers en is daarmee iets heel anders dan een monopolist die de strijd aanbindt met uitgevers. Social media-federaties zoals Diaspora en Friendica maken duidelijk dat we over alle functionaliteiten van Facebook en Twitter kunnen beschikken zonder de zeggenschap te verliezen over wat er gebeurt met alle privégegevens die we daaraan toevertrouwen.

    © Hajo
    © Hajo

    Er zijn offlineredenen waarom de grote onlineplatforms gewoonlijk niet zo in elkaar steken – het is in elk geval niet zo dat de technologie ontbreekt. De meeste techbedrijven verkopen hun eigendomsrechten en zeggenschap aan rijke investeerders, wier voornaamste belang is om snel veel geld te verdienen. Durfkapitalisten zijn dol op ondernemingen die snel kunnen groeien zonder al te veel gedoe met werknemers die een humane behandeling eisen. De Uber-investeerders zullen staan te juichen zodra ze de chauffeurs kunnen vervangen door zelfrijdende auto’s.

    We moeten onze cultuur en onze drijfveren weer met elkaar in balans brengen

    Wie de burelen van een groot techbedrijf betreedt, zou de indruk kunnen krijgen dat de egalitaire utopie werkelijkheid 
is geworden. Ontwikkelaars rijden op een stepje door immense kantoortuinen en besluiten ter plekke in welke van de vele projectgroepen, die voortdurend in ontwikkeling zijn, ze hun tijd willen steken. Men heeft het over de do-ocracy [een organisatiestructuur waarin mensen zelf hun rollen en taken kiezen] en de holacracy [een systeem dat autoriteit en besluitvorming verdeelt over zelfstandige, autonome teams].

    De internetcultuur heeft ons veel geleerd over samenwerken. Maar deze utopie strekt zich – op hier en daar een aandelenpakket na – niet uit tot eigendom en zeggenschap. Uiteindelijk is de onderneming erop gericht de winst te maximaliseren in het belang van de investeerders, die al dan niet betrokken zijn bij het daadwerkelijke product. De voorkant van het internet, waarin gelijkheid het motto lijkt, verhult het deprimerend vertrouwde bedrijfsmodel aan de achterkant.

    We hebben een keuze. We kunnen steeds meer de richting opgaan van Uber en Mechanical Turk, waar het werk geen zekerheid biedt, onpersoonlijk is en door anderen wordt ingevuld. Of we kunnen bouwen aan de onlinearbeidsplaatsen die een democratische samenleving verdient. Dat houdt in dat de mensen die de boel draaiende houden – of dat nu thuisgebruikers zijn of programmeurs op kantoor – een aandeel kunnen hebben in de beslissingen, en daar vervolgens ook de vruchten van kunnen plukken. Dat wil zeggen dat projecten gefinancierd worden met middelen die we als groep beheren, in plaats van terug te vallen op markten die ongelijkheid in de hand werken. Dat kan ook beteken dat er nog wel 
wat dotcomzeepbellen uit elkaar zullen spatten.

    Voor zo ongeveer elk ouderwets bedrijfsmodel is een coöperatievere manier van werken denkbaar

    Een coöperatiever internet ligt alleen binnen bereik als we onze cultuur en onze drijfveren weer met elkaar in balans weten te brengen – en daarnaast de woorden die we gebruiken een andere invulling geven. De overheid zou bijvoorbeeld voorrang kunnen geven aan aanbieders die in hun eigen beleid een werkelijk democratisch uitgangspunt hanteren. Techjournalisten kunnen besluiten zich niet langer positief uit te laten over disrupties in de markt die werknemers niet méér zeggenschap over hun bestaan geven. En wie de loftrompet steekt over de deeleconomie zou kunnen benadrukken dat bij het delen ook het eigendom zou moeten worden betrokken.

    Dit is eerder een praktische dan een ideologische uitdaging. Het gaat er niet om een starre, rechtlijnige praktijk te ontwikkelen. Waar het wél om gaat, is dat we een wereld scheppen waarin een jonge, veelbelovende ondernemer – iemand die niets liever wil dan iets nieuws en goeds in de markt zetten – inziet dat hij het beste volgens democratische principes te werk kan gaan.

    Auteur: Nathan Schneider
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Nathan Schneider schrijft over politieke, economische en religieuze ontwikkelingen in de VS. Hij was de eerste journalist die over Occupy Wall Street schreef voor o.a. Harper’s Magazine, The Nation, The New York Times en publiceerde daarover in 2013 Thank You, Anarchy: Notes from the Occupy Apocalypse.

    Pacific Standard
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 100.000
    Dit in 2008 opgerichte tijdschrift droeg tot 2012 de achternaam van oprichter Sara Miller McCune, die ook eigenaar is van de internationale uitgeverij Sage Publications. PS is onderdeel van de non-profitorganisatie Miller McCune Center for Research, Media and Public Policy. Vanuit de gedachte dat de wetenschap vaak oplossingen biedt op maatschappelijke problemen maakt deze publicatie belangrijke onderzoekresultaten inzichtelijk voor een breed publiek.

  • De coöperatie 2.0

    De coöperatie 2.0

    Coöperaties leken iets uit het verleden – denk aan Rabobank of onze woningbouwverenigingen. Maar de coöperatie is terug: overal ter wereld verenigen burgers zich in klusbedrijven, banken of woongemeenschappen. Volgens het Californische tijdschrift Pacific Standard is het hoog tijd dat ook deelbedrijven dit model ormarmen.

    1. De toekomst van ons werk: een gezonde deeleconomie
    De deeleconomie zoals die nu bestaat deugt niet, vindt Pacific Standard. Deelnemers hebben nauwelijks zeggenschap en de winst vloeit naar een kleine groep aandeelhouders. Door een coöperatievere manier van werken kunnen we zelf de touwtjes in handen nemen.

    2. Antikapitalist? Ik?
    De Oostenrijkse bankier Robert Moser kon zijn goedbetaalde baan niet langer verenigen met zijn principes. Hij nam ontslag en ging bij een coöperatieve bank werken.

    3. Een woongroep voor 1200 man
    Zürich loopt voorop als het gaat om coöperatieve woningen. De laatste aanwinst is een complex van 380 appartementen, compleet met meditatieruimte, filmzaal en wintertuin.

    4. Projectontwikkelaars buitenspel
    De initiatiefnemers van een nieuw coöperatief woonproject in Madrid hopen zich te wapenen tegen speculanten.

  • 8. Mirakel in de maak: wonderrijst

    8. Mirakel in de maak: wonderrijst

    Rijst is het gewas dat voorziet in meer dan de helft van de dagelijkse voedselbehoefte in Azië.

    In het licht van de verwachting van verdere bevolkingsgroei en klimaatverandering lijken er wonderen nodig om de miljarden Aziaten ook in de toekomst van voedsel te kunnen voorzien. Maar een dergelijk mirakel is in de maak: wonderrijst van het International Rice Research Institute (IRRI), gevestigd in de Filipijnen.

    De variëteit is ontwikkeld vanuit het internationale 3000 Rice Genomes Project, waarin de genetische eigenschappen van 3024 rijstsoorten uit 89 landen zijn vastgelegd. De jongste telg is de Swarna Sub1, bijgenaamd ‘onderwaterrijst’, gezien de resistentie van deze soort voor langdurige zeer natte omstandigheden. Er zijn volgens het IRRI al 5 miljoen boeren in India die deze soort verbouwen en er geweldige successen mee boeken.

    En er ligt nog het een en ander op de plank. De International Rice Genebank bevat meer dan 127.000 rijstvariëteiten waarmee zaadveredelingsbedrijven kunnen experimenteren om de juiste rijstsoort voor een gegeven gebied te ontwikkelen.

    Hoe succesvol de rijsttechnologie is, bewijzen onderzoekers van het Chinese Hunan Hybrid Rice Research Center, die oogstrecord op oogstrecord stapelen: van 700 kilo per mu (driekwart hectare) in het jaar 2000 
tot 800 kilo per mu in 2005 en 1026 kilo in 2015.

    Vertaler: Lambiek Berends