Tag: journalistiek

  • Het schandaal van Sri Lanka

    Het schandaal van Sri Lanka

    Vladimir Poetin en Anna Politkovskaja, Mohammed Bin Salman en Jamal Khashoggi: in autocratische en corrupte landen wordt de naam van vermoorde journalisten vaak in één adem genoemd met die van de machthebbers.
    Dit geldt ook voor de moord op een Sri Lankaanse journalist waarin de hand van de zittende president van Sri Lanka wordt vermoed. De dochter van de journalist vecht voor gerechtigheid.

    Op vrijdag 9 januari 2009 publiceerde The Hindu, met 2,24 miljoen lezers de op twee na grootste Engelstalige krant van India, dit nieuwsbericht:

    ‘COLOMBO: Lasantha Wickramatunga, hoofdredacteur van het Engelstalige Sri Lankaanse weekblad Sunday Leader, werd donderdagochtend door onbekende schutters vermoord in zijn auto toen hij op weg was naar zijn werk.

    Volgens de politie beschoten twee niet-geïdentificeerde personen op motorfietsen Wickramatunga en werd hij geraakt in de borst, het hoofd en de buik.

    Wickramatunga, een felle criticus van de regering van Mahinda Rajapaksa, stierf drieënhalf uur later in een ziekenhuis.

    De mediagemeenschap in het land is verontwaardigd over het falen van de regering om journalisten te beschermen en over de toenemende aanvallen op de pers.

    De Sri Lankaanse president Mahinda Rajapaksa veroordeelde de moord op Wickramatunga als een poging om zijn regering in diskrediet te brengen; oppositieleider en een voormalig premier Ranil Wickremesinghe beschuldigt de regering ervan critici het zwijgen op te leggen.

    Rajapaksa omschrijft Wickramatunga als een goede vriend en een moedige journalist en betoogt dat “dit gruwelijke misdrijf wijst op de ernstige gevaren die de democratische sociale orde van ons land bedreigen, en op het bestaan van krachten die tot het uiterste gaan in het gebruik van terreur en criminaliteit om ons sociale weefsel te beschadigen en het land in diskrediet te brengen”.

    Tijdens een persconferentie met andere oppositieleiders, zei Wickremesinghe dat de moord op de hoofdredacteur van Sunday Leader deel uitmaakt van een antidemocratisch complot.’

    Twaalf jaar later

    Precies twaalf jaar na de moord, op 8 januari van dit jaar, schreef The Hindu:

    ‘De dochter van een vermoorde Sri Lankaanse journalist heeft op 8 januari een klacht ingediend bij het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties over vermeende betrokkenheid van de overheid bij de dood van haar vader twaalf jaar geleden.

    Het in San Francisco gevestigde Center for Justice and Accountability diende de klacht in namens Ahimsa Wickrematunge, dochter van Lasantha Wickrematunge, die werd vermoord door een aan het leger gelieerde eenheid toen hij naar zijn werk reed.

    Lasantha Wickrematunge, hoofdredacteur van de inmiddels ter ziele gegane Sunday Leader, was een scherpe criticus van de huidige president Gotabaya Rajapaksa, die destijds minister van Defensie was. De oudere broer van Gotapaya Rajapaksa, de huidige premier Mahinda Rajapaksa, was destijds president.

    De moord op Lasantha Wickrematunge werd het symbool van vermeend machtsmisbruik en straffeloosheid door de overheid tijdens de burgeroorlog in Sri Lanka. Dit kwam prominent naar voren in een onderzoek dat in 2015 werd uitgevoerd door de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN-bureau.

    Volgens de klacht werd Lasantha Wickrematunge vermoord een paar dagen voordat hij zou getuigen in een lasterzaak die was aangespannen door Gotabaya Rajapaksa. Dit vanwege een artikel waarin zijn betrokkenheid wordt genoemd bij een corruptieschandaal rondom de aankoop van gevechtsvliegtuigen. Op dat moment vond de eindfase plaats van de decennialange burgeroorlog tussen Sri Lankaanse troepen en etnische Tamil-rebellen.

    Elk moment dat ze er gelegenheid toe hebben, dwarsbomen de broers het onderzoek naar de moord op de journalist. Een moord waar ze zelf op z’n minst baat bij hebben gehad

    Zowel de regeringstroepen als de verslagen rebellen zijn beschuldigd van ernstige schendingen van de mensenrechten.

    De Sri Lankaanse minister van Buitenlandse Zaken, admiraal Jayanath Colambage, zegt dat hij de klacht niet heeft gezien en vanwege de gevoelige aard ervan niet in staat is commentaar te leveren zonder de mening van zijn politieke leiders te kennen.

    Volgens de klacht hebben instanties voor wetshandhaving ofwel geen geloofwaardig onderzoek uitgevoerd, ofwel zich actief bemoeid met pogingen om onderzoek te verhinderen.

    Nadat Mahinda Rajapaksa in 2015 de presidentsverkiezingen verloor, werd een nieuw onderzoek gestart, maar een politieke machtsstrijd in de nieuwe regering verhinderde dat de zaak tot een einde kwam.

    Er is geen vooruitgang geboekt in het onderzoek sinds Gotabaya Rajapaksa tot president werd gekozen.’

    Klacht bij de VN

    Een journalist, diens onderzoek naar een corruptieschandaal rond de aanschaf van gevechtsvliegtuigen, een moord en twee broers die stuivertje wisselen om de macht. De ene Rajapaksa schopt het van Defensieminister onder zijn broer tot president van Sri Lanka en de andere Rajapaksa wordt na zijn presidentschap premier van het land.

    Elk moment dat ze er gelegenheid toe hebben, dwarsbomen de broers het onderzoek naar de moord op de journalist. Een moord waar ze zelf op z’n minst baat bij hebben gehad.

    Ahimsa Wickrematunge, schrijver en activist en dochter van de vermoorde journalist, laat het er niet bij zitten en diende begin dit jaar een klacht in bij het Comité voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties. Vorige week lichtte ze in een opiniestuk in The Washington Post de achtergrond toe. 

    ‘In 2007 onthulde mijn vader, Lasantha Wickrematunge, een van Sri Lanka’s meest onafhankelijke journalisten, een wapenovereenkomst waarbij de toenmalige minister van Defensie Gotabaya Rajapaksa meer dan $10 miljoen aan overheidsgeld verduisterde. Rajapaksa daagde hem voor de rechtbank wegens laster.

    Kort daarna werden de persen van mijn vader bij de Sunday Leader, waarvan hij hoofdredacteur was, midden in de nacht bestormd door een bende gemaskerde mannen. Twee van zijn medewerkers werden aangevallen en de persen werden in brand gestoken.

    ‘Een gat in mijn ziel’

    Op 8 januari 2009, enkele weken voordat mijn vader kon getuigen over de corrupte wapendeal, lokten officieren van de militaire inlichtingendienst hem in een hinderlaag toen hij naar zijn werk reed. Ze hebben hem vermoord, mijn familie verscheurd, een gat in mijn ziel gebrand en journalisten in heel Sri Lanka verlamd.

    Ik houd Rajapaksa verantwoordelijk, zoals ik duidelijk maakte toen ik stappen nam om Rajapaksa in Los Angeles aan te klagen voor zijn rol in de moord op mijn vader. Zijn verbijsterende verkiezing tot president van Sri Lanka in november 2019 heeft onmetelijke pijn veroorzaakt bij mij en mijn familie en schade toegebracht aan het weefsel van de Sri Lankaanse samenleving. (Toen een BBC-verslaggever Rajapaksa ondervroeg over de moord op mijn vader, ontweek hij de vraag en lachte wegwuivend.)

    Vorige week presenteerde Michelle Bachelet, Hoge Commissaris voor de Mensenrechten bij de Verenigde Naties, een rapport waarin een vernietigend oordeel werd uitgesproken over schendingen van de mensenrechten in Sri Lanka. Ze raadde de internationale gemeenschap aan om stappen te zetten en Sri Lanka verantwoordelijk te houden voor de aanhoudende nalatigheid om te voorzien in gerechtigheid voor de slachtoffers. In de komende weken beraadt de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties zich over een mogelijke reactie.

    Het filmpje waarin Rajapaksa de moord wegwuift. ‘Why are people so worried about one man?’

    Gruweldaden

    Toen Mahinda Rajapaksa in november 2005 tot president van Sri Lanka werd gekozen, wees hij zijn broer Gotabaya aan om het ministerie van Defensie van Sri Lanka te leiden. Onder hun toezicht vonden enkele van de ergste gruweldaden in Sri Lanka plaats en ze richtten zich systematisch op elke journalist die dapper genoeg was om zich tegen hen uit te spreken. 

    Na de electorale nederlaag van zijn broer in 2015 verdween hij korte tijd van het toneel, maar Gotabaya Rajapaksa, beschuldigd van oorlogsmisdaden, is nu opnieuw aan de macht. Het wegmoffelen dat volgde op de dood van mijn vader in 2009 gebeurde grondig en zorgvuldig, zoals blijkt uit mijn recente communicatie met de Verenigde Naties en uit documentatie van Human Rights Watch.

    Het autopsierapport sprak de bevindingen van het ziekenhuis over de doodsoorzaak tegen. Onderzoekers werden bedreigd. Bewijs werd vervalst en geplant. Twee onschuldige burgers die waren aangewezen als daders van de aanslag, werden later neergeschoten en hun lichamen zijn verbrand. Een ander werd gearresteerd en stierf in hechtenis.

    Voor de Sri Lankaanse rechterlijke macht is hij onaantastbaar

    Zes jaar na de moord op mijn vader, op 8 januari 2015, stemden Sri Lankanen het regime van Rajapaksa weg en kozen een nieuwe regering, geleid door president Maithripala Sirisena, die gerechtigheid beloofde aan de vele slachtoffers van wreedheden onder het voorgaande regime. Rechercheurs van de politie kwamen al snel op het spoor van een militair doodseskader, het Tripoli-peloton, dat naar verluidt onder toezicht stond  van Rajapaksa toen hij nog minister van Defensie was.

    Maar toen rechercheurs de rol van Rajapaksa aan het licht brachten, werd hun onderzoek belemmerd. Voor de Sri Lankaanse rechterlijke macht is hij onaantastbaar. Rechters braken met eeuwen van precedenten en vaardigden bevelen uit om zijn arrestatie te voorkomen. Toen juristen hem wilden ondervragen over de moord op twee mensenrechtenactivisten, legde een rechter hen het zwijgen op. Toen hij werd aangeklaagd wegens verduistering, kwamen nog meer rechters tussenbeide om het proces tegen hem te stoppen.

    Daarop besloot ik me tot Amerikaanse rechtbanken te wenden. Maar Rajapaksa had al een nieuwe campagne gelanceerd voor de presidentsverkiezingen. Zijn basis: wederopbouw van de inlichtingendiensten en vrijpleiting van inlichtingenofficieren die zijn beschuldigd van wreedheden. Vijftien maanden geleden zag ik met afgrijzen hoe Sri Lankanen de man kozen die ervan is beschuldigd mijn vader te hebben vermoord. Zijn nieuwe status als president heeft hem immuniteit gegeven.

    Straffeloosheid

    Als president verspilde Rajapaksa geen tijd om ervoor te zorgen dat straffeloosheid de wet van het land zou worden. Hij promoveerde rechters die hem boven de wet hadden geplaatst. Hij verleende gratie aan een soldaat die veroordeeld was voor oorlogsmisdaden wegens het doden van kinderen. Rechercheurs die dergelijke wreedheden onderzochten, zijn gevlucht of werden gearresteerd.

    Shani Abeysekara, een door de FBI opgeleide politieman die de recherche-afdeling van Sri Lanka leidde en die tot doorbraken kwam in verschillende kenmerkende onderzoeken, verdween achter slot en grendel op grond van valse beschuldigingen.

    In mei stelde Rajapaksa zelf het nieuwe hoofd van de Centrale Inlichtingendienst aan: een politieman die ervan is beschuldigd bewijsmateriaal over de moord op mijn vader te hebben verdoezeld. Dit alles vond plaats terwijl de internationale gemeenschap blijft verwachten dat Sri Lanka gerechtigheid zal bieden aan slachtoffers.

    Zijn eigen moord voorziend, schreef mijn vader voor zichzelf een overlijdensbericht waarin hij het betreurde dat moord ‘het belangrijkste hulpmiddel is geworden om de organen van vrijheid’ te beteugelen

    Organisaties van slachtoffers en de internationale gemeenschap zijn zich er terdege van bewust dat de verkiezing van Rajapaksa elke weg heeft afgesloten naar mensenrechten en verantwoordingsplicht in Sri Lanka. De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten en speciale rapporteurs van de VN, waarschuwen dat Sri Lankanen het alarmerende risico lopen van een herhaling van mensenrechtenschendingen uit het verleden, zolang krachtig internationaal optreden door buitenlandse regeringen en de Mensenrechtenraad, inclusief sancties, reisverboden en het instellen van een onafhankelijk internationaal verantwoordingsorgaan, uitblijft. 

    Zijn eigen moord voorziend, schreef mijn vader voor zichzelf een overlijdensbericht waarin hij het betreurde dat moord ‘het belangrijkste hulpmiddel is geworden om de organen van vrijheid’ te beteugelen. Twaalf jaar later, nu diezelfde organen op sterven na dood zijn, is het de hoogste tijd voor de wereld om een ​​grens te trekken bij het vermoorden van journalisten en om ervoor te zorgen dat moorddadige autocraten een prijs moeten betalen.

    Maar vandaag, nu ik zie hoe de moordenaars van helden als Anna Politkovskaja, Jamal Khashoggi en mijn vader elkaar op de schouders slaan op het wereldtoneel, lijkt het erop dat het vermoorden van een journalist niets anders is dan een overgangsritueel voor aankomende autocraten.’

  • Deze journalisten zitten vast omdat ze de moord op Rohingya’s onderzochten

    Deze journalisten zitten vast omdat ze de moord op Rohingya’s onderzochten

    Twee Reuters-journalisten uit Myanmar onderzoeken een geheime tip over een tienvoudige moord op Rohingya’s. Het resultaat is baanbrekende onderzoeksjournalistiek, maar door hun eigen volk werden ze als verraders gezien.

    Dit artikel werd geselecteerd voor The Investigative Reporting Award van European Press Prize, en verscheen eerder in onze Reader #18.

    Over de auteurs

    Wa Lone werkt sinds 2016 voor Reuters en schreef een reeks diepgaande verhalen in Myanmar, inclusief landroof door het machtige leger en de moord op de prominente politicus Ko Ni, evenals het blootleggen van bewijs van moordpartijen door soldaten in het noordoosten. Zijn rapportage over de crisis die uitbrak in de noordwestelijke staat Rakhine in oktober 2016, bezorgde hem een ​​gezamenlijke eervolle vermelding van de Society of Publishers in Azië in zijn jaarlijkse prijzen. Eerder werkte hij voor Myanmar Times.

    Kyaw Soe Oo, zelf boeddhistisch en afkomstig uit Rakhine, werkt sinds september 2017 samen met Reuters uit Myanmar. Hij heeft de impact van de aanslagen van 25 augustus op politie- en legerplaatsen in de noordelijke Rakhine besproken en gerapporteerd vanuit het centrale deel van de staat waar lokale boeddhisten segregatie hebben afgedwongen tussen Rohingya en Rakhine gemeenschappen. Hij werkte eerder voor Root Investigation Agency, een lokaal nieuwscentrum gericht op Rakhine-kwesties. Kyaw Soe Oo begon zijn rapporteringscarrière met het online Rakhine Development News.

    Laat in de middag van 12 december 2017 gaat de mobiele telefoon van Wa Lone. Het is een zekere Naing Lin, vicekorporaal bij het 8ste bataljon van de veiligheidspolitie van Myanmar.

    De politieman wil Wa Lone op korte termijn persoonlijk ontmoeten en met hem afspreken bij de bataljonskazerne in een buitenwijk van Yangon. In de voormalige hoofdstad begint de avond al te vallen over de gouden pagodespitsen. ‘Hij zei dat als ik niet meteen kwam,’ zou Wa Lone naderhand vertellen in de rechtszaal, ‘ik hem misschien niet meer zou kunnen spreken omdat hij binnenkort werd overgeplaatst naar een andere regio.’

    Wa Lone – rond gezicht met een grote bril – heeft wekenlang onderzoek gedaan naar het 8ste bataljon. Hij werkt aan een artikel over de moord op tien leden van de islamitische Rohingya-minderheid tijdens een militaire operatie in de westelijke deelstaat Rakhine. Hij heeft de hand weten te leggen op explosief materiaal: foto’s van de tien mannen voordat en nadat ze zijn vermoord.

    Lees ook:

    Op één foto zijn de lijken van de mannen te zien, doodgestoken en doodgeschoten, in een ondiep graf. Op een andere foto, genomen toen ze nog in leven waren, zitten ze op hun knieën. Op de achtergrond veel leden van het 8ste bataljon met automatische geweren.

    Voordat hij naar zijn afspraak met de vicekorporaal gaat, neemt hij contact op met de bureauchef van Reuters, Antoni Slodkowski, die zegt dat hij nog een journalist mee moet nemen. Deze journalist, Kyaw Soe Oo (27), komt uit Rakhine en werkt nog maar kort voor het nieuwsagentschap.

    Onbereikbare wereld

    De twee mannen vertrekken om 18.00 uur in de witte Nissan-SUV van de zaak. Ze rijden over een viaduct vanwaar je uitzicht hebt op het Inyameer, waaromheen de villa’s van de elite van Myanmar liggen, zoals de woning van de feitelijke leider van het land, Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi. Het is een onbereikbare wereld voor Wa Lone, zoon van een rijstboer uit een dorpje van een paar honderd inwoners.

    Halverwege de route naar de kazerne komt de SUV vast te zitten in het verkeer. Wa Lone voelt zich ongemakkelijk: waarom heeft de politieman er zo op aangedrongen dat hij meteen naar hem toe kwam? De journalisten overleggen of ze zullen omkeren, maar ze besluiten door te rijden.

    Om ongeveer 20.00 uur komen ze aan bij de ingang van de kazerne. Nadat ze hebben kennisgemaakt met Naing Lin en nog een politieman, gaan ze met de agenten mee naar een biertuin verderop in de straat. De mannen bestellen bier en viscrackers. Ze spreken over Rakhine, verklaart Naing Lin later voor de rechter. Hij vertelt de journalisten dat op 25 augustus 2017 Rohingya-rebellen een aantal politiebureaus hebben aangevallen.

    Screen Shot 2021 02 05 at 12.39.44 PM 1
    Wa Lone en Kyaw Soe Oo.

    Als het tijd is om te gaan, aldus Wa Lone, geeft Naing Lin hem een exemplaar van de Myanmar Alin, een door de staat gerunde krant, waarin enkele documenten zitten opgerold. Als de journalisten het restaurant verlaten, worden ze omsingeld door mannen in burger. ‘Dat zijn geheime documenten!’ roept een van hen. Wa Lone krijgt handboeien om, net als Kyaw Soe Oo. Ze worden in twee geparkeerde auto’s geduwd.

    Naing Lin herinnert zich die ontmoeting anders. Hij verklaart later voor de rechter dat Wa Lone hem op 12 december heeft opgebeld om een afspraak te maken, en dat hij tijdens zijn ontmoeting alleen met de twee journalisten in de biertuin was. Ook ontkent hij dat hij Wa Lone documenten heeft gegeven.

    Met hun arrestatie kwamen de twee journalisten terecht in het schemergebied tussen militair bestuur en burgerbestuur in dit etnisch verscheurde land met vijftig miljoen inwoners. Voor leiders in westerse hoofdsteden, van paus Franciscus tot de voormalige president van de VS Bill Clinton, zou hun opsluiting een test worden voor de persvrijheid in Myanmar en zou hun procesgang ook laten zien in hoeverre het land al op weg was een opener samenleving te worden. Op 9 juli 2018 bepaalde een rechter dat ze de Wet op de Staatsgeheimen hadden overtreden, en daarop staat een maximumstraf van veertien jaar.

    Hoop op vrijheid

    Rond 2010 gloorde er in Myanmar hoop voor het democratische proces in Zuidoost-Azië, een regio die al lange tijd werd gekenmerkt door regimes van autocratische leiders. In 2010 werd Aung San Suu Kyi vrijgelaten na vijftien jaar huisarrest onder militair bewind. In 2015 won haar partij met grote overmacht de verkiezingen.

    Voor de jongeren van Myanmar, zoals Wa Lone, zorgde die ommekeer na tientallen jaren meedogenloos militair bewind voor een plotselinge en historisch gezien nogal onwaarschijnlijke hoop op vrijheid. Maar het leger heeft de macht nooit helemaal losgelaten: in 2008 werd een grondwet van kracht waarin voor de militairen veel macht en de controle over enkele sleutelministeries was vastgelegd.

    Maar er kwam geen vrede in Myanmar. Dodelijke etnische conflicten, verborgen voor de rest van de wereld, maar zeer wreed aanwezig in het eigen land, woekeren nog altijd voort.

    Velen van de boeddhistische meerderheid minachten de Rohingya, ze zien ze als buitenlandse indringers uit Zuid-Azië

    In 2017 gaf de wijdverbreide haat jegens de bekendste minderheid van het land, de islamitische Rohingya, aanleiding tot een meedogenloze militaire campagne waardoor zo’n zevenhonderdduizend mensen moesten vluchten naar Bangladesh. Nu wordt Myanmar door de VN beschuldigd van veel moordpartijen, verkrachtingen en etnische zuiveringen. Ondanks deze beschuldigingen heeft Suu Kyi geen openlijke kritiek geuit op de militairen.

    Een woordvoerder van Aung San Suu Kyi, Zaw Htay, en een legerwoordvoerder reageerden niet op verzoeken om commentaar op deze reportage. Volgens Zaw Htay zijn de rechters in Myanmar onafhankelijk en krijgen de journalisten een eerlijk proces. De militairen hebben ontkend dat hun troepen in 2017 hebben deelgenomen aan etnische zuiveringen in de deelstaat Rakhine.

    Het verslag van Wa Lone en Kyaw Soe Oo over de moord op tien Rohingya-mannen werd in februari 2018 door Reuters gepubliceerd. Het artikel wekte misnoegen op bij de boeddhistische meerderheid waartoe de journalisten, Aung San Suu Kyi en de hoogste militaire leiders behoren. Velen van die meerderheid minachten de Rohingya, ze zien ze als buitenlandse indringers uit Zuid-Azië.

    Het was baanbrekende onderzoeksjournalistiek in Myanmar. Maar voor hun eigen volk was de zoektocht naar de waarheid van de journalisten een vorm van verraad. De dag na hun arrestatie werd de politie door de toenmalige president opgedragen de twee journalisten in staat van beschuldiging te stellen. Vervolgens verdwenen Wa Lone en Kyaw Soe Oo twee weken compleet van de radar.

    De twee kregen gevangenisstraf en zaten voornamelijk in de Insein-gevangenis in Yangon, een kolossaal, negentiende-eeuws gebouw uit de Engelse koloniale tijd waar duizenden politieke gevangenen opgesloten hebben gezeten, onder wie Aung San Suu Kyi voor een korte periode. Sinds januari 2017 hebben de twee journalisten al meer dan dertig keer voor de rechter moeten verschijnen.

    Het verhaal van de twee mannen en hun rol in het experiment met de persvrijheid in Myanmar is gereconstrueerd uit hun verklaringen en die van de politie in de rechtbank. Het is ook gebaseerd op andere verslagen van Wa Lone en Kyaw Soe Oo en op interviews met collega’s, familieleden en vrienden van de twee.

    Over deze reeks: ‘Myanmar Burning‘

    Deze intro maakt onderdeel uit van de reeks ‘Myanmar Burning’ van Reuters International, over de massamoorden op Rohingya in Myanmar en de gevangenname van de twee journalisten die hierover geschreven. De serie bestaat uit tien verhalen die steeds een ander aspect van deze zaak belichten. Wij publiceren in deze Reader het artikel Hatebook. De andere artikelen leest u hier. (in het Engels).

    Het vervolg op dit introductieverhaal kunt u hier lezen.

    Voor deze reeks won Reuters de Pulitzer Prize, vanwege de ‘scherpe weergave van de militaire eenheden en boeddhistische dorpsbewoners die verantwoordelijk zijn voor de systematische uitwijzing en moorden op Rohingya-moslims, uit Myanmar en de moedige verslaggeving die de verslaggevers in de gevangenis deed belanden’.

  • Hoe Neil Sheehan de Pentagon Papers bemachtigde

    Hoe Neil Sheehan de Pentagon Papers bemachtigde

    Het overlijden van de Amerikaanse journalist Neil Sheehan (1936 – 2021) op 7 januari in Washington raakte enigszins ondergesneeuwd door het nieuws over de bestorming van het Capitool door de hordes van Donald Trump een dag eerder. Maar met zijn dood mocht voor het eerst het verhaal worden weergegeven over de Pentagon Papers, die hij voor The New York Times wist te bemachtigen.
    Een verhaal over kopieermachines die crashten onder de last van nachtelijke documenten, aan een stoel vastgegespte stapels papieren tijdens een vlucht vanuit Boston en veelbetekenende initialen die in de barbecue van een diplomaat werden verbrand.

    DE PENTAGON PAPERS

    De Pentagon Papers waren een uiterst geheime studie door het Amerikaanse ministerie van Defensie naar de besluitvorming van Amerikaanse regeringen inzake de oorlog in Vietnam. Ze toonden aan dat de VS in het geheim de Vietnam-oorlog hadden uitgebreid met onder meer bombardementen op Cambodja en Laos, zonder daarover iets los te laten aan het thuisfront of de media.

    De geheime documenten, die de misleiding en leugens onthulden van vier opeenvolgende regeringen (Truman, Eisenhower, Kennedy en Johnson), waren gekopieerd door Daniel Ellsberg (1931), die eerder meewerkte aan het opstellen van de documenten. Ellsberg speelde ze vervolgens door aan Neil Sheehan, een journalist van The New York Times.

    Voor zijn onthulling van de Pentagon Papers werd Ellsberg aanvankelijk beschuldigd van samenzwering, spionage en diefstal van overheidseigendommen, en daarmee hing hem 115 jaar cel boven het hoofd. De aanklachten werden later afgewezen, nadat onderzoekers van het Watergate-schandaal ontdekten dat stafleden van president Nixon opdracht hadden gegeven om onwettige pogingen te ondernemen om Ellsberg in diskrediet te brengen.

    Deze gebeurtenis bracht het Hooggerechtshof tot een uitspraak die nog steeds wordt gezien als een mijlpaal in de relatie tussen de regering en de pers: de regering van Richard Nixon verbood de publicatie aanvankelijk, maar twee weken later besliste het Hooggerechtshof dat dat onrechtmatig was.

    Op de dag dat Neil Sheehan overleed, publiceerde Janny Scott in The New York Times het verhaal over hoe Sheehan zijn hand had weten te leggen op de Pentagon Papers. Eerder wilde hij dit niet vertellen. Pas in 2015 stemde hij er mee in om zijn verhaal te vertellen, op voorwaarde dat het niet tijdens zijn leven zou worden gepubliceerd.

    Geteisterd door scoliose en de ziekte van Parkinson, vertelde hij in een vier uur durend interview bij hem thuis in Washington een verhaal dat zó spannend en filmisch was, dat het zo uit de koker van Hollywood lijkt te komen.

    Dat zijn dood werd ondergesneeuwd door de bestorming van het Capitool door Trump-aanhanger, is een cynische speling van het lot. Waar Sheehan hoopte het einde van een bloedige oorlog te kunnen bespoedigen met de publicatie van de zogenoemde Pentagon Papers, lijken Trump-aanhangers uit op het tegenovergestelde.

    In 1969 kopieerde Daniel Ellsberg, een voormalig analist van het ministerie van Defensie, illegaal het gehele rapport over de besluitvorming van de VS over Vietnam, waaraan hij had bijgedragen toen hij voor de Rand Corporation werkte. Het rapport werd twee jaar daarvoor gemaakt in opdracht van de minister van Defensie, en het onthulde de mate waarin opeenvolgende regeringen van het Witte Huis de Amerikaanse betrokkenheid bij de oorlog hadden geïntensiveerd, terwijl ze hun eigen twijfels over de kansen op succes verborgen hielden. Ellsberg, die inmiddels een hartstochtelijk tegenstander van de oorlog was geworden, hoopte dat openbaarmaking er een einde aan zou maken.

    In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, heeft Ellsberg de documenten echter nooit aan The Times ‘gegeven’, stelde Sheehan nadrukkelijk in het interview. Ellsberg vertelde Sheehan dat hij ze wel mocht lezen, maar geen kopieën mocht maken. Dus smokkelde Sheehan de papieren uit het appartement in Cambridge, Massachusetts, waar Ellsberg ze had opgeborgen, om ze daarna illegaal te kopiëren en mee te nemen naar NYT.

    In de daaropvolgende twee maanden hield hij Ellsberg aan het lijntje. Hij vertelde hem dat zijn redacteuren beraadslaagden over de beste manier om het materiaal te presenteren en beweerde zelf vanwege andere opdrachten aan de zijlijn te staan. In werkelijkheid had hij zich verscholen in een hotelkamer in het centrum van Manhattan, met de documenten en met een snelgroeiend team van Times-redacteuren en verslaggevers die koortsachtig toewerkten naar publicatie.

    Toen Austin ontdekte dat zijn eigen krant op het punt stond zijn primeur te pakken, belde hij Ellsberg in paniek op

    De publicatie van het eerste deel van de Pentagon Papers op 13 juni 1971 overrompelde Ellsberg. Hij vermoedde dat dit het werk was van een andere Times-medewerker, Anthony Austin, met wie hij maanden eerder in het geheim passages had gedeeld. Austin had ervoor gekozen om dat aan niemand bij de krant te melden, zodat hij ze kon bewaren voor een boek over de oorlog dat hij aan het schrijven was.

    Toen Austin ontdekte dat zijn eigen krant op het punt stond zijn primeur te pakken, belde hij Ellsberg in paniek op. Ellsberg probeerde daarop Sheehan te bereiken, die tegen de deadline aanzat van het volgende deel. Sheehan negeerde de berichten van Ellsberg totdat hij wist dat het te laat zou zijn om de drukpersen nog te stoppen. Hij vroeg een redacteur hem te laten weten wanneer er 10.000 exemplaren waren gedrukt.

    ‘Hij had moeten doen wat ik deed’, zei Sheehan in het interview van 2015 ter rechtvaardiging van zijn misleiding van Ellsberg, die hij omschreef als ‘verscheurd tussen zijn verlangen om de documenten openbaar te maken en zijn angst om in de gevangenis te belanden’. In zijn pogingen zichzelf te beschermen, zo zei Sheehan, gedroeg Ellsberg zich roekeloos. Sheehan was bang dat Ellsberg onbedoeld iemand zou tippen. ‘Het was puur geluk dat hij niet het hele verhaal heeft verraden’, zei hij.

    In conflict met zichzelf

    Ellsberg had al eens eerder als bron voor Sheehan gefungeerd. Tijdens een bezoek aan Washington in maart 1971 belde Ellsberg hem op en vroeg of hij de nacht bij hem thuis kon doorbrengen. Tijdens een lange avond van gesprekken sloten de twee mannen een deal. Volgens Sheehan zou Ellsberg hem de papieren geven en als NYT ermee instemde ze te publiceren, zou de krant haar best doen om de identiteit van de bron te beschermen.

    Maar toen Sheehan in Cambridge arriveerde om de documenten op te halen, herinnerde hij zich, was Ellsberg van gedachten veranderd. Sheehan, zei hij, mocht ze wel lezen, maar geen kopieën maken, omdat, zoals Sheehan het omschreef, Ellsberg meende dat ‘The Times ze zou achteroverdrukken zodra hij ze uit handen gaf, en ermee zouden doen wat ze wilden.’ Hij zou ‘de controle kwijt zijn’.


    763

    Lees ook ‘De film die nu of nooit gemaakt moest worden’. Over The Post, waarin Ben Bradlee (Hanks) en Katharine Graham (Streep) van The Washington Post de Pentagon Papers eveneens publiceren (en wat The New York Times daarvan vond).


    In zijn memoires uit 2002, Secrets: A Memoir of Vietnam and the Pentagon Papers, schreef Ellsberg dat hij twijfelde of The Times de documenten volledig zou publiceren, zoals hij wilde. Hij was ook bang, voegde hij eraan toe, dat als hij de papieren zou overhandigen voordat The Times publicatie had toegezegd, iemand het Federal Bureau of Investigation zou inlichten, ‘of dat de FBI er op de een of andere manier lucht van zou krijgen en achter mijn andere kopieën aan zou gaan’.

    Volgens Sheehan leek het erop dat Ellsbergs bedenkingen te maken hadden met de angst ‘de gevangenis in te moeten’. ‘Hij had nog geen politicus om hem te beschermen.’

    Hij was volgens Sheehan ‘totaal in conflict met zichzelf.’

    Zijn ogenschijnlijk geheime bron had ‘sporen achtergelaten op het plafond, op de muren, overal’

    Ellsberg nam ook grote risico’s, volgens Sheehan. Hij had meerdere kopieën gemaakt en daarvoor nonchalant betaald met persoonlijke cheques. Hij had congresleden benaderd over het houden van hoorzittingen. ‘The Times kan deze man op geen enkele manier beschermen’, dacht Sheehan. Zijn ogenschijnlijk geheime bron had ‘sporen achtergelaten op het plafond, op de muren, overal’, zei hij.

    ‘Ik was bang dat hij vroeg of laat een politicus zou tegenkomen die rechtstreeks naar het ministerie van Justitie zou gaan’, aldus Sheehan. Die zou dan de procureur-generaal bellen en zeggen: ‘Hé, The New York Times heeft een soort van groot geheim onderzoek, en ze hebben dat van Dan Ellsberg.’

    Sheehan was zich ervan bewust dat hij snel moest handelen. Zodra er iets uitlekte, zou de regering naar de rechter stappen om de publicatie te blokkeren. Advocaten van The Times zouden dan ruzie krijgen met het ministerie van Justitie over geheim materiaal, waarvan noch de rechter noch het publiek het belang zou inzien.

    Sheehan besloot ‘dat dit materiaal nooit meer in een regeringskluis terecht zou komen’

    ‘O, ik was echt heel boos,’ herinnerde Sheehan zich. Net als Ellsberg had hij zich tegen de oorlog gekeerd en was hij van plan te doen wat hij kon om die te stoppen. ‘Dus ik was behoorlijk overstuur toen Ellsberg zei: “Je kunt lezen, aantekeningen maken, maar geen kopieën”’, vertelde hij. ‘En over het feit dat hij losgeslagen was.’

    Sheehan besloot ‘dat dit materiaal nooit meer in een regeringskluis terecht zou komen’.

    Terug in Washington nam hij Susan Sheehan, zijn vrouw en auteur voor The New Yorker, in vertrouwen. Hij herinnerde zich dat ze zei: ‘Als ik jou was, zou ik deze situatie onder controle zien te krijgen.’ Speel mee met Ellsberg, doe je best hem te beschermen, maar breng het materiaal naar The Times; ‘Fotokopieer het.’

    Hij keerde terug naar Cambridge om verder te lezen en aantekeningen te maken. Toen Ellsberg liet weten dat hij voor een korte vakantie zou vertrekken, vroeg Sheehan of hij in het appartement waar de documenten werden bewaard mocht blijven werken. Ellsberg stemde toe en gaf hem een sleutel. Hij herinnerde Sheehan nogmaals: geen kopieën.

    Sheehan zei niets.

    ‘Ik kende Ellsberg al heel lang en hij dacht dat ik volgens de regels handelde die men normaal hanteerde: de bron controleert het materiaal’, aldus Sheehan. ‘Hij realiseerde zich niet dat ik had besloten: “Deze man is gewoon onmogelijk. Je kunt het niet aan hem overlaten. Het is te belangrijk en hij is te gevaarlijk.”’

    Lange nacht in een kopieerzaak

    Toen hij wist dat Ellsberg zou vertrekken, belde Sheehan naar huis. ‘Kom maar hierheen,’ zei hij tegen zijn vrouw. ‘Ik heb je hulp nodig.’ Hij vroeg haar koffers, grote enveloppen en alle cash in huis mee te brengen. Ze vloog naar Boston en checkte onder een valse naam in bij een hotel. Sheehan zat in een motel, onder weer een andere naam.

    Van de chef van het Times-bureau in Boston kreeg hij de naam van een kopieerzaak die duizenden pagina’s zou kunnen verwerken. Hij vroeg de chef om hem honderden dollars aan onkostengeld te bezorgen voor een geheim project dat hij weigerde toe te lichten. Toen de chef de Times-redactie belde en de dienstdoende avond-redacteuren bereikte, weigerden ze het verzoek. Dus belde hij de Chef Binnenland thuis.

    ‘Geef hem het geld’, besloot die volgens Sheehan. Zonder verdere vragen.

    ‘Het was alsof iemand een emmer ijswater over de man had gegooid’

    Sheehan kopieerde de sleutel van het appartement voor het geval hij het origineel zou kwijtraken. Toen begon hij de zevenduizend pagina’s te kopiëren, eerst in een makelaarskantoor waar een kennis werkte, en daarna, met de hulp van zijn vrouw, in een kopieerwinkel in een buitenwijk. Hij vervoerde stapels bladzijden per taxi tussen het appartement en de kopieerwinkel, vervolgens naar een kluisje in het busstation van Boston en later naar een kluisje op de luchthaven van Boston.

    Nadat de machines in de kopieerwinkel onder de hoeveelheid waren bezweken, verhuisden de Sheehans naar een kopieerwinkel in Boston, gerund door een veteraan van de marine. Toen de man merkte dat de documenten geheim waren en nerveus werd, belde Susan Sheehan die in de copyshop was, haar man in het appartement.

    ‘Kom hierheen,’ zei ze.

    Hij haastte zich naar de kopieerwinkel en vertelde de manager dat hij het materiaal van enkele Harvard-professoren had geleend. Ze werden gebruikt voor een studie, zei hij, en er stond een tijdslimiet op de lening. De documenten, zo verzekerde hij de manager, waren allemaal vrijgegeven. Als oud-marineman leek de manager het te begrijpen.

    Op het vliegveld boekten de Sheehans een extra zitplaats voor hun vlucht naar huis waarin ze hun koffers met documenten vastsnoerden, in plaats van ze uit het zicht te moeten laten.

    Terug in Washington vertrok een collega van Sheehan naar New York met enkele voorbeelden van de documenten en een memo van Sheehan, om goedkeuring te vragen om door te mogen gaan.

    Sheehan en een redacteur betrokken een kamer in het Jefferson Hotel in Washington. Ze brachten daar een aantal weken door met het lezen en samenvatten van de documenten die ze hadden. Daarna werden ze naar New York geroepen om de hoofdredactie van de krant te informeren. Tijdens de bijeenkomst op het hoofdkantoor van The Times in West 43rd Street, merkte Sheehan dat de advocaat van het bedrijf geschokt was.

    ‘Het was alsof iemand een emmer ijswater over de man had gegooid,’ herinnerde Sheehan zich. ‘Hij was gewoon doodsbang voor wat ik in vredesnaam allemaal zei. Hij bleef maar zeggen: “Vertel ze dit niet. Ze zullen het geheim niet kunnen bewaren. Iemand zal erover praten. Misschien plegen we een misdrijf.”’

    ‘Geen enkel risico’

    Hij en de redacteur kregen een kamer toegewezen in het Hilton-hotel in het centrum van Manhattan om verder te werken. Al snel kwamen er nog een redacteur, drie schrijvers, bewakers en archiefkasten met cijfersloten bij. Uiteindelijk werkten tientallen mensen de klok rond in drie aangrenzende kamers. ‘We hebben alles in kaart gebracht,’ aldus Sheehan. ‘En we begonnen de boel aan te zwengelen.’

    Hij maakte er een gewoonte van om Ellsberg om de paar dagen te bellen ‘om te proberen hem op de boerderij te houden’, zoals hij het in 2015 uitdrukte. Sheehan maakte zich geen zorgen dat een andere krant met het verhaal zou komen, maar was wel bang dat Ellsberg met iemand zou spreken die aan de bel kon trekken voordat The Times kon publiceren.

    Dus verontschuldigde hij zich bij Ellsberg voor zijn schijnbare gebrek aan vooruitgang. Hij zei dat de hoofdredacteuren nog aan het bespreken waren hoe ze het beste verder konden gaan. Hij ging zelfs naar Cambridge, herinnerde hij zich, alsof hij nog meer aantekeningen wilde maken. Daar schold Ellsberg hem uit, volgens Sheehan. ‘Ik neem alle risico’s’, zei Ellsberg. ‘Jullie lopen geen enkel risico.’

    Een teken, en dan de start

    Een paar weken voor publicatie besloot Sheehan een teken aan Ellsberg te sturen. Hij wilde hem niet rechtstreeks vertellen dat The Times doorging, omdat hij vreesde dat de regering onbedoeld kon worden geïnformeerd door mogelijke reacties van Ellsberg. Maar hij wilde een soort ‘stilzwijgende toestemming’ van Ellsberg. ‘Het was een gewetenskwestie’, aldus Sheehan.

    Dus vertelde hij Ellsberg dat hij nu de documenten nodig had, niet alleen zijn aantekeningen. Ellsberg had gezegd dat hij ze pas zou overhandigen als hij er klaar voor was, wetende dat The Times dan zou doen wat hij wilde. En dit keer, toen Sheehan het vroeg, stemde Ellsberg toe.

    Sheehan meende dat de toestemming betekende dat Ellsberg begreep dat The Times nu elk moment kon gaan publiceren.

    ‘Het was bedoeld om Ellsberg een soort van waarschuwing te geven, zich te laten herinneren wat hij me had gezegd, en van mijn kant een beetje om mijn geweten te sussen,’ herinnerde Sheehan zich. ‘Misschien is het hypocriet, maar we zouden gaan drukken en ik wilde proberen hem te waarschuwen.’

    Ellsberg, zo zou blijken, had het teken niet opgepikt.

    In de vriezer

    Hij regelde dat Sheehan een compleet exemplaar van de historische documenten kon ophalen, weggeborgen in een appartement van de familie Ellsberg in Manhattan. Sheehan herinnerde zich dat hij de portier ‘het soort genereuze fooi’ gaf, ‘dat mensen ertoe beweegt te zeggen: “Ik weet van niets.” Omdat ik wist dat de FBI vroeg of laat zou proberen alle stukjes samen te voegen.’ 

    Hij nam op het laatste moment nog andere stappen om zijn sporen uit te wissen. Een kopie die in het huis van de Sheehans was opgeslagen, ging in de vriezer van een collega. Pagina’s van andere kopieën met de initialen van Ellsberg werden tot pulp vermalen in New Jersey of verbrand in de barbecue van een diplomaat uit Brazilië, vriend van de schoonvader van Sheehan.

    Uiteindelijk was Ellsberg verrast door de timing van de publicatie van de Pentagon Papers. Toen Sheehan eindelijk de telefoontjes van Ellsberg beantwoordde, kreeg hij alleen diens vrouw aan de lijn, die hem vertelde dat Ellsberg blij was met de presentatie van het materiaal, maar, zoals Sheehan het uitdrukte, ‘ongelukkig was over de monumentale dubbelhartigheid.’

    In het interview van 2015 zei Sheehan dat hij de identiteit van Ellsberg nooit heeft onthuld terwijl het project liep. Tegen zijn redacteuren sprak hij altijd alleen over ‘de bronnen’. Het was de journalist van een andere krant die de identiteit van Ellsberg uiteindelijk bekendmaakte, kort nadat het verhaal van de Pentagon Papers werd gepubliceerd.

    Betaald met bloed

    Sheehan sprak ook nooit over hoe hij aan de papieren was gekomen. In 2015 zei hij dat hij de versie van Ellsberg nooit heeft willen tegenspreken of hem in verlegenheid heeft willen brengen door diens gedrag en gemoedstoestand destijds te beschrijven.

    Gedurende zes maanden was er geen contact tussen de twee mannen. Kort voor Kerstmis 1971, aldus Sheehan, kwamen ze elkaar tegen in Manhattan. In een kort gesprek vertelde hij Ellsberg wat hij had gedaan.

    ‘Dus je hebt ze gestolen, net als ik,’ herinnerde hij zich de reactie van Ellsberg.

    ‘Nee, Dan, ik heb ze niet gestolen,’ antwoordde Sheehan. ‘En jij ook niet. Deze documenten zijn eigendom van de bevolking van de Verenigde Staten. Ze betaalden ervoor uit de nationale schatkist en met het bloed van hun zonen, en ze hebben er recht op.’

  • Afrikanen leven niet alleen om te sterven. Een reactie op The New York Times

    Afrikanen leven niet alleen om te sterven. Een reactie op The New York Times

    Als de berichtgeving over Afrika alleen maar bedoeld is voor lezers die een glimp willen opvangen van ‘hoe anders de andere helft leeft’, schrijft Mamka Anyona voor African Arguments, verliezen we de kans op echt internationalisme.

    Als ik niet al bekend was met de notoire reductionistische berichtgeving van de westerse media over het Globale Zuiden, dan zou ik versteld hebben gestaan ​​van het artikel in The New York Times dat op 4 januari werd gepubliceerd onder de kop ‘Een continent waar de doden niet worden geteld’. De centrale stelling daarin is dat de lage sterftecijfers door covid-19 in ‘Afrika’ komen doordat Afrikanen hun doden niet rapporteren.

    Het artikel suggereert dat het werkelijke sterftecijfer in landen op het continent van alles kan zijn, van de officieel gerapporteerde cijfers tot de zeer hoge aantallen die Europa en de Verenigde Staten melden. Dit impliceert dat in ‘Afrika’ de dood zo gewoon is, dat als ongeveer 1 op de 1000 mensen – het huidige officiële sterftecijfer door covid-19 in de VS – binnen een paar maanden zou sterven aan een voorheen onbekende ziekte, dat onopgemerkt en ongeregistreerd zou kunnen blijven.

    Rapportage noch analyse

    Het uitgangspunt van het artikel is verbluffend. Het noch een rapportage noch een analyse, aangezien het bewijs overwegend anekdotisch is. De kop is bizar en hekelt een heel continent, terwijl in de tekst slechts 3 van de 54 Afrikaanse landen aan bod komen. De onderliggende veronderstelling is dat als rijke landen hebben geleden, Afrika erger moet hebben geleden. En als dat niet het geval is, dan moet dat komen doordat het lijden onzichtbaar is gemaakt door een voor Afrika kenmerkende incompetentie.

    Deze weergave van het continent zal ook velen verbazen die hebben gezien hoe landen in respectievelijk Afrika en het Westen op de pandemie hebben gereageerd. Toen ik bijvoorbeeld eind januari 2020 naar Kenia vloog, waren op de luchthaven al protocollen voor temperatuurcontrole en contactopsporing in werking gezet. Tot in maart 2020 opereerden luchthavens in Europa en de VS daarentegen nog grotendeels zoals normaal.

    Het artikel biedt geen enkel bewijs dat de melding van sterfgevallen in Afrika minder nauwkeurig zou zijn dan waar dan ook

    Ik had deze winter een soortgelijke reiservaring. Toen ik met mijn gezin van Nairobi naar Tanzania wilde reizen, hadden we een negatieve testuitslag nodig om toegang te krijgen. Ik belde het National Influenza Center en een paar uur later kwam een ​​professional naar mijn huis om, gehuld in een volledig beschermend pak, onze monsters te verzamelen.

    Dit stond in schril contrast met mijn ervaring toen ik een maand eerder van New York naar Kenia was gereisd. In de VS kostte het moeite de benodigde PCR-test te doen. Toen dat eindelijk lukte, werd ik geholpen door een verpleegkundige wier enige bescherming tegen de honderden mogelijk besmette personen die ze elke dag onderzocht een ​​chirurgisch mondkapje was.

    Hoewel deze ervaringen anekdotisch zijn, kunt u zich mijn ontsteltenis voorstellen bij het lezen van het artikel in The New York Times.

    In mijn eigen land, Kenia, is het niet mogelijk om ‘dierbaren thuis in de tuin te begraven’, zoals het artikel suggereert

    Gezien de nieuwigheid van het coronavirus is het een gegeven dat elk land wereldwijd met hetzelfde probleem wordt geconfronteerd: hoe spoor je sterfgevallen als gevolg van covid-19 op, hoe classificeer en registreer je ze? Er wordt algemeen aangenomen dat het werkelijke sterftecijfer overal hoger is dan momenteel wordt gerapporteerd. Hoewel het artikel in de NYT impliceert dat gegevens die zijn verzameld door landen in Afrika zonder het internationale stempel van goedkeuring onbetrouwbaar zijn, biedt het geen enkel bewijs dat de melding van sterfgevallen in Afrika minder nauwkeurig zou zijn dan waar dan ook.

    Het verbeteren van bevolkingsregistratiesystemen is wereldwijd een grote uitdaging. Tussen landen bestaan echter enorme onderlinge verschillen. Sommige, zoals Egypte, Zuid-Afrika en de Seychellen, hebben een verplicht algemeen registratiesysteem; andere, zoals Nigeria en Niger, blijven achter, zoals het artikel terecht vermeldt.

    In mijn eigen land, Kenia, is het niet mogelijk om zonder een begrafenisvergunning ‘dierbaren thuis in de tuin te begraven’, zoals het artikel suggereert. Kenia bouwt bovendien aan een verplicht gedigitaliseerd systeem waarin de gegevens van alle inwoners worden vastgelegd, een project dat geavanceerder en ambitieuzer is dan dat van veel landen met een hoog inkomen.

    Dit laat ook zien dat officiële overlijdensregisters niet de enige manier zijn om ziekte​​uitbraken op te sporen. Overheidsfunctionarissen beschikken ook over andere middelen om afwijkende sterftepatronen te herkennen, waaronder bewakingssystemen die ongebruikelijke gebeurtenissen melden. Deze rapportage laat bijvoorbeeld zien hoe de ebola-uitbraak in 2014 werd getraceerd tot aan patiënt nul in het afgelegen dorp Gueckedou, in het zuidoosten van Guinee.

    Serieuze analyse

    Wat nog belangrijker is, is dat zelfs zonder adequate tests, diagnose en rapportage sterftecijfers als gevolg van covid-19 op een schaal zoals we die in westerse landen zagen, in elk van de 54 landen van Afrika reden tot ongerustheid zouden zijn. Afrikanen leven niet alleen om te sterven!

    De kwestie die in het artikel in The New York Times wordt aangesneden, vraagt om een serieuze analyse: welke factoren dragen bij aan de ziekte- en sterftecijfers als gevolg van covid-19 in Afrikaanse landen? Waarom verschillen die van eerdere voorspellingen? Er zal een genuanceerd antwoord komen, gebaseerd op bewijs dat steeds veelvuldiger uit vroege wetenschappelijke analyses naar voren komt.

    Demografie – de jeugdige bevolking van Afrika – speelt hierbij wellicht een grote rol, maar deze wordt in het artikel slechts terloops genoemd. Effectieve tegenmaatregelen van regeringen kunnen eveneens veel verklaren, maar die worden volledig buiten beschouwing gelaten.

    Veel landen hebben in een vroeg stadium strikte lockdowns ingevoerd. Innovaties op het gebied van detectie, beheer en toeleveringsketens hebben de reactie van landen verbeterd. Rwanda gebruikt robots om te helpen bij de diagnose. Andere landen maken gebruik van robuuste gezondheidszorgsystemen om de gemeenschap essentiële zorg te kunnen blijven bieden.

    Een ongekende samenwerking op het hele continent, onder leiding van de Afrikaanse Unie, heeft ook bijgedragen

    Een ongekende samenwerking op het hele continent, onder leiding van de Afrikaanse Unie, heeft ook bijgedragen aan het versterken van testen, ziektebeheer, bevoorrading en momenteel de voorbereiding op vaccinatie.

    Deze en vele andere positieve verhalen halen nauwelijks de krantenkoppen in de reguliere westerse berichtgeving. Zoals Nanjala Nyabola opmerkt in de Boston Review: ‘Misschien zorgt de schaduw die het westerse imperialisme nog altijd op het continent werpt, voor de luie neiging om Afrika te bezien door de lens van de rampzalige ervaringen van de Verenigde Staten en Europa, waardoor de aanname wordt versterkt dat Afrika het Westen nabootst (…) in plaats van dat het zijn eigen traject volgt, op basis van regionale en nationale omstandigheden.’

    Applaus

    Landen in Afrika blijven lijden onder de directe en indirecte gevolgen van de pandemie. Sommige leiders hebben slecht werk geleverd bij het beheersen van de epidemie en elk land heeft te maken met ernstige sociaal-economische beperkingen. Maar mocht je dan toch willen generaliseren, dan zou een applaus voor een goed uitgevoerde klus gepaster zijn.

    Zolang de berichtgeving over Afrika en andere delen van het Globale Zuiden zich richt op een publiek dat hunkert naar een glimp van hoe anders de andere helft leeft (of sterft), zullen dergelijke artikelen blijven verschijnen. Wat met deze imperialistische visie verloren gaat, is niet te overzien. De waardigheid van de mensen van een heel continent. Grondige analyse en de vergelijking van verschillende benaderingen om mondiale problemen op te lossen. Het vermogen om van elkaar te leren. De kans om onszelf te zien als onderdeel van een geheel, eerder soortgelijk in onze menselijkheid dan onderling verschillend. En de mogelijkheid tot echt internationalisme.

    Openingsbeeld: voertuigen staan op donderdag 7 januari 2020 in de rij bij een drive-thrutestlocatie in het Zuid-Afrikaanse Pretoria.

  • Christiane Amanpour: ‘Ik strijd voor de waarheid’

    Christiane Amanpour: ‘Ik strijd voor de waarheid’

    CNN-verslaggever Christiane Amanpour en voormalig oorlogscorrespondent is zich meer dan ooit bewust van de verantwoordelijkheid die zij heeft als journalist.  ‘Mijn aanwezigheid in Bosnië was zinloos geweest als ik niet bereid en in staat was de waarheid te laten zien.’

    ‘Toen CNN veertig jaar geleden begon, was de Koude Oorlog op zijn hoogtepunt. Onze oprichter Ted Turner wilde een internationale nieuwsorganisatie opzetten om in een van de angstigste periodes van de wereld mensen bijeen te brengen. De grootste angst in die tijd was de dreiging van een kernoorlog. Ik kwam in 1983 bij het team, rechtstreeks uit de collegebanken. Toentertijd dacht ik: “Geweldig, hier kan ik al doende het vak leren en dan zoek ik daarna een fatsoenlijke baan bij een echt netwerk.” Wist ik veel dat CNN tot de allergrootste zou gaan horen.

    Teds motto bij CNN was: “Leid, volg of ga uit de weg”. En ik heb altijd geprobeerd me daaraan te houden. Mijn eerste grote proef als buitenlandcorrespondent kwam toen ik in de zomer van 1990 op pad werd gestuurd. Binnen een paar maanden viel Saddam Hoessein Koeweit binnen, wat tot de eerste Golfoorlog leidde.

    Niemand is er ooit op voorbereid als een gewoon leven omslaat in een extreem leven. En een bestaan als oorlogs- en rampenverslaggever, dat is extreem. Je verkeert op de rand van het leven en dus op de rand van de dood. Het duurde even voordat ik als kersverse correspondent gewend was te leven tussen mensen die onder vuur lagen, op een plek waar iedereen slachtoffer kon zijn. Maar ik moest mijn werk doen, dus stap voor stap leerde ik en paste ik me aan.

    koshu kunii 6m9F6QrJskY unsplash
    Met de leus ‘No justice, no peace’ eisen Black Lives Matter- demonstranten gerechtigheid voor politiegeweld tegen zwarte Amerikanen. – © Koshu Kunii / Unsplash

    Lockdown

    Mijn volgende oorlog was in Bosnië, waar ik verslag deed vanuit Sarajevo, dat toen in volledige lockdown was.

    Je was ofwel aan het werk of je sliep in een soort slaapzaal in het enige hotel dat open was. Je kon elk moment door een sluipschutter op de korrel worden genomen of in een bombardement terechtkomen. En omdat de wereld niet wilde ingrijpen om een eind aan het geweld te maken, zeiden grootmachten als de Amerikanen, de Britten en de Fransen: “Alle strijdende partijen zijn even schuldig. En wij kunnen er niets aan doen.” Nou, ik kon ter plaatse met eigen ogen zien dat dat niet waar was. Er was een agressor en er waren slachtoffers. En ik realiseerde me al snel dat mijn aanwezigheid daar zinloos was als ik niet bereid en in staat was de waarheid te laten zien.

    Op dat moment heb ik geleerd dat het in de journalistiek niet om neutraliteit gaat. Je kunt niet neutraal zijn wanneer je getuige bent van iets als genocide. Het gaat om objectiviteit, bereid zijn alle kanten te onderzoeken. Maar je kunt niet alle partijen gelijk behandelen, als die duidelijk niet gelijk zijn. Het veranderde mijn hele kijk op mijn verantwoordelijkheid als verslaggever. En sindsdien is mijn mantra altijd gebleven: “wees waarheidsgetrouw, niet neutraal”.

    Deze manier van verslaggeving is niet zonder risico. Ik ben op plekken geweest waar werd geschoten, ik heb in malariagebieden gewoond, ik was in Rwanda toen daar de volkerenmoord plaatsvond en zwaar gedrogeerde mensen als gekken met machetes in het rond sloegen. En ook journalisten zijn soms doelwit.

    Lichtpuntjes

    Ja, het was vaak gevaarlijk, maar de andere kant van de medaille is dat ik heb geleerd om uit te kijken naar lichtpuntjes. Waar ik ook was, ik heb altijd geprobeerd dat kleine beetje menselijkheid te vinden. Ik put vreugde en troost uit de manier waarop mensen in tijden van narigheid bij elkaar komen. En zeker nu, met de coronapandemie, zien we dat volop gebeuren.

    In bepaalde opzichten is het alsof de ervaringen die ik als buitenlandverslaggever heb opgedaan een soort training waren voor de moeilijke omstandig-heden waarmee we nu te maken hebben. Het was training voor een lockdown, voor noodmaatregelen, en voor het op afstand per telefoon vergaren van feiten en informatie. Die overlevingstactieken zijn des te belangrijker omdat we nu te maken hebben met een ander soort vijand, die misschien nog wel verwoestender is, aangezien hij ervoor heeft gezorgd dat de hele wereld knarsend tot stilstand is gekomen.

    Dit is iets totaal anders dan alle oorlogen, rampen, epidemieën en andere ellende waarvan ik verslag heb gedaan. Het is altijd mijn instinct geweest om snel op pad te gaan naar wat er ook gaande was. Maar dit is anders dan een oorlog of terrorisme, waarbij je zorgt dat je ter plaatse bent en laat zien dat je niet bang bent. Nu zitten we allemaal achter gesloten deuren. Ik woon alleen en werk vanuit huis, dus ik begrijp de stress die veel mensen nu doormaken. En als journalist in het tijdperk-Trump, dat één eindeloze aanval vanuit het Witte Huis op de media is, ben ik scherper dan ooit op waarheid en feiten.

    Mensen hebben hun vertrouwen in deskundigen en instituties verloren.
    Er zijn zelfs mensen die vraagtekens plaatsen bij de wetenschap. Dat is in mijn ogen verschrikkelijk gevaarlijk. Juist nu is wetenschap het verschil tussen leven en dood. De afgelopen jaren hebben gewetenloze leiders onophoudelijk campagne gevoerd om de journalistiek verdacht te maken, om feiten verdacht te maken, maar we hebben nu meer dan ooit deskundigen nodig. Ik strijd voor de waarheid. Dat zal ik absoluut blijven doen. Het kan me niet schelen of de machthebbers me aardig vinden. Ik zal tot mijn laatste snik blijven vechten.

    Gerechtigheid

    Als buitenlandcorrespondent heb ik ook talloze demonstraties, manifestaties en revoluties verslagen. Toen ik tijdens de Arabische Lente reportages maakte over de protesten in landen als Libië, Irak en Libanon, benoemde ik wat er gaande was: een beweging van mensen die de straat op gingen tegen onrecht en voor gelijkheid en vrijheid. En dat is precies wat we op dit moment, sinds de brute moord op George Floyd, in de Verenigde Staten en over de hele wereld zien: een opstand voor gerechtigheid en tegen het straffeloos vermoorden van zwarte mensen.

    Mijn hele carrière lang ging het erom mensen rekenschap te laten afleggen: voor oorlogsmisdaden, voor mensenrechtenschendingen, voor ongelijkheid van ras en gender. Vandaar dat ik me altijd sterk met het rechtssysteem heb beziggehouden. En in mijn ogen is de protestleus “No justice, no peace” niet zomaar een kreet. Hij is van groot, wezenlijk belang. En hij drukt precies uit waar dit moment in de geschiedenis om gaat.

    Deze protesten bevatten een zeer belangrijk politiek element. Ze zijn bedoeld om tot verandering te leiden, dus we moeten doorgaan en we moeten de grote vragen stellen.

    Institutioneel racisme bestaat en het moet worden uitgeroeid. Dit is daarvoor het moment. En onze politieke leiders moeten luisteren.

    Eindelijk zien we dat landen hun verantwoordelijkheid nemen voor hun racistische slavernijverleden. Sinds de moord op George Floyd heb ik veel mensen uit de zwarte gemeenschap geïnterviewd, maar ook vooraanstaande witte leiders die zeggen: “Wij hebben dit veroorzaakt, dus wij moeten ook deelnemen aan het oplossen ervan.” Die samenwerking is uiterst belangrijk, want gerechtigheid bereik je niet met maar één groep of met een andere, dit gaat de hele samenleving aan.

    Ik zal mijn schijnwerper blijven richten op de Black Lives Matter-beweging, want ik wil niet zien dat politici, bedrijven of individuen slechts een “hashtagmoment” hebben. Dit is geen kwestie van “en nu weer over tot de orde van de dag”. We moeten onze wereld verbeteren. Politiegeweld is een symptoom van structureel racisme, gebaseerd op structurele armoede.

    Het systeem is zo ingericht dat de ene groep wordt onderdrukt zodat een andere kan bloeien. Ik vind dat we op alle maatschappelijke terreinen onze deuren moeten openzetten en onderwijs-, economische en professionele kansen toegankelijker moeten maken. Anders is het allemaal alleen maar lippendienst. En we kunnen het ons niet veroorloven om dit moment onbenut te laten.

    De twee pandemieën, die van het coronavirus en die van het racisme, hebben ons een enorme kans geboden. Nu moeten we intelligent genoeg, dapper genoeg, empathisch genoeg en eerlijk genoeg zijn om die kans te grijpen en te doen wat nodig is. We moeten weer ergens zien te komen waar deze hyperpartijpolitieke polarisatie, die zo giftig is, begint te vervagen.

    Ik hoop dat er licht is na dit alles. Ik hoop dat we de uitdaging aankunnen. En ik hoop echt dat we dankzij deze periode onze menselijkheid met andere ogen gaan bezien, of het nu gaat om klimaatverandering, mensenrechten, kapitalisme of gewoon de kwaliteit van het leiderschap dat we kiezen. De waarheid is dat de donkerste dagen soms de juiste soort verandering brengen.’

  • Twee miljoen Hongkongers zeggen nee tegen China

    Twee miljoen Hongkongers zeggen nee tegen China

    De menigte demonstranten had gelijk om een democratisch front te vormen tegen de koppigheid van Hongkongs bestuurder Carrie Lam en de macht van Beijing, vindt columnist An Tu.

    Keuze uit het archief

    Vandaag wordt het vijfentwintigste jubileum van de overdracht van Hongkong aan China gevierd, in het bijzijn van de Chinese president Xi Jinping. In Hongkong wordt vooral de verloren vrijheid betreurd. Na maanden van protesten in 2019 – tegen toenemende invloed van Beijing – sloeg de Chinese overheid terug met de invoering van een Nationale Veiligheidswet en de hervorming van het kiessysteem. Die werden gebruikt om tegenstanders te muilkorven, en de geleidelijke democratisering van Hongkong terug te draaien. Deze journalist van een van de belangrijkste kranten van Hongkong, dat ondanks de kritische houding nog altijd bestaat, zag de ontwikkelingen drie jaar geleden al aankomen. 

    De hele bevolking van Hongkong is te hoop gelopen, de scheidslijnen tussen de verschillende groepen zijn verdwenen en daardoor heeft de beweging resultaat geboekt. De reden voor deze volkswoede is op het eerste gezicht het wetsvoorstel dat uitlevering aan China mogelijk maakt. Dit zou een duidelijke aantasting zijn van de juridische onafhankelijkheid en de autonomie van Hongkong, die juist het hart vormen van het principe ‘één land, twee systemen’ (de basis van de verhouding tussen de vroegere Britse kolonie en Beijing).

    Maar belangrijker nog: de gebeurtenissen tonen de totale mislukking van de manier waarop de verhouding tussen de regering en de bevolking van Hongkong is georganiseerd. De autoriteiten en het ‘constructieve’ (lees: pro-Beijing-) kamp houden helemaal geen rekening met de stemmen van de oppositie die in de samenleving klinken, en in het Parlement (de LegCo, oftewel Legislative Council) worden de meningen van de prodemocratische, door de bevolking gekozen vertegenwoordigers niet gerespecteerd.

    De autoritaire houding van de ‘constructieve’ kliek en de brutale arrogantie van de leider weerspiegelen het falen van de parlementaire democratie in Hongkong, die al zo beknot is. (De parlementsleden moeten aan allerlei geografische en professionele criteria voldoen en dit complexe systeem is in het nadeel van de democraten. De leider wordt benoemd door Beijing.)

    Er is geen sprake meer van normale politieke omstandigheden, de conflicten tussen de bevolking en de regering zijn niet meer te sussen, en geen bemiddelaar kan nog een verzoening tussen de twee kanten bewerkstelligen.

    In Hongkong is de parlementaire democratie in feite geen ‘gewoon’ en ‘volwassen’ politiek systeem waarin een zekere mate van ‘onderhandelen’ mogelijk is tussen de bevolking en de regering; dat is alleen maar een illusie. Nu is het ware totalitaire en autocratische karakter van het regime aan het licht gekomen; er is alleen nog maar sprake van ‘regeringsgezag’, en dat betekent onvermijdelijk het einde van de ‘politiek’.

    Massale protesten in Hongkong. – © Getty
    Massale protesten in Hongkong. – © Getty

    Dat ‘einde van de politiek’ is reden voor teleurstelling en wanhoop. We hebben geen vertegenwoordigers meer die kunnen ‘onderhandelen’ met de totalitaire regering: de opinieleiders en de volksvertegenwoordigers hebben hun leidende rol totaal verloren (vooral sinds de Paraplurevolte van 2014, die uitliep op een bezetting van 79 dagen van het centrum van Hongkong om werkelijk algemeen kiesrecht af te dwingen). De bevolking moet dus rechtstreeks de strijd met de autoriteiten aangaan in een serieuze en wanhopige fysieke krachtmeting.

    Zo serieus was inderdaad de grote manifestatie van 9 juni, waarbij een miljoen mensen op de been kwamen. Er heerste een sfeer van stilzwijgende woede en wanhoop in die enorme stroom mensen. Onder die miljoen demonstranten dachten maar weinigen dat ze de herziening van de uitleveringswetgeving werkelijk konden verhinderen; de meesten demonstreerden eigenlijk zonder te weten of het iets zou uithalen.

    Ze kwamen niet zozeer om politieke druk op de regering uit te oefenen, maar vooral om gehoor te geven aan een diep gevoel van onmacht (tegenover de macht in Beijing), om uit hun isolement te breken en de angst te overwinnen dat ze weer verdeeld zouden raken en individueel zouden worden vervolgd door het totalitaire regime. Ook wilden ze de wereld laten zien dat de Hongkongers nog steeds in staat waren om zich te verzetten.

    En juist die ernst rond de acties heeft bij sommigen hun twijfels over het verzet weggenomen. Daarom zag je tijdens de bloedige confrontaties en gewelddadige botsingen op 12 juni jongeren in de frontlinie, in de rug gesteund door ouderen. Het gewelddadige optreden tegen dit collectieve verzet had af en toe het bloedige karakter van een slagveld, wat bijzonder schokkend was. De discussie ‘vreedzaam blijven’ tegenover ‘je met geweld verzetten’, die in de loop van de Paraplurevolte opkwam (in 2014), is nu door de harde werkelijkheid ingehaald.

    Dankzij deze opstand tegen de mogelijkheid dat burgers worden uitgeleverd aan China, hebben wij de juistheid kunnen constateren van het principe dat ‘soldaten zonder hoop verzekerd zijn van de overwinning’. Inderdaad, omdat de bevolking zich niet druk maakte over winnen of verliezen en niemand binnen de beweging de kans kreeg om individueel de vruchten van een eventuele overwinning te plukken, kon het verzet zich verspreiden en groeide er eensgezindheid over de oude scheidslijnen heen. De mensen zijn mee komen doen aan deze ‘laatste slag’, omdat ze hun woede wilden uiten. Zo is de beweging een strijd geworden voor waarden, ideeën en identiteit.

    De bevolking moet rechtstreeks de strijd met de autoriteiten aangaan in een serieuze en wanhopige fysieke krachtmeting

    In feite zijn er deze keer – duidelijker dan in 2014 – twee soorten verzet opgekomen en al is de ene kant het niet per se eens met de methoden van de andere, ze begrijpen en verdragen elkaar veel beter, en soms bewonderen ze elkaar zelfs. Het is gedaan met de absurde verspilling van energie aan interne discussies uit de tijd van de Paraplurevolte.

    Onder de noemer van het vreedzaam verzet hebben zich mensen uit alle geledingen van de samenleving verzameld, met sterk verschillende beweegredenen. Scholen, universiteiten, maar ook professionele, religieuze en maatschappelijke organisaties hebben via hun netwerken een ongekende mobilisatiekracht getoond en ouders hebben zelfs hun kinderen opgeroepen tot actie. In het buitenland is door veel verschillende kanalen aandacht aan de gebeurtenissen besteed, zodat de hele wereld ervan op de hoogte raakte.

    Ook was er grote steun vanuit de diaspora; de verschillende gemeenschappen in het buitenland vonden elkaar op basis van hun Hongkongse identiteit. Mensen hebben de gelegenheid aangegrepen om hun onderlinge band te versterken en een gemeenschap te vormen van mensen die in de eerste plaats Hongkonger zijn.

    De radicalere actievoerders hebben spontane organisaties ontwikkeld (zonder veel officiële status) die heel verschillende gezichten aannamen. Hun manier van actievoeren – direct, flexibel en gevarieerd – toonde hun onverzettelijke engagement, en al degenen die belang stellen in de problemen van Hongkong, werden getroffen door hun moed en vastberadenheid. Dankzij deze groepen is voor het oog van de hele wereld de bruutheid onthuld van dit regime, dat nu zijn fluwelen handschoenen heeft uitgetrokken.

    De combinatie van deze verschillende manieren van verzet heeft uiteindelijk geleid tot een nieuw moreel pact en vooral tot een nieuwe, hybride manier van actievoeren. Zo kon het gebeuren dat activisten de hele nacht leuzen scandeerden om hun protest uit te drukken, dat bewoners video’s gemaakt door bewakingscamera’s in hun wijk uitzonden om de bewegingen van de politie te laten zien, of hoe moeders vreedzaam bijeenkwamen als teken van protest tegen het geweld van de onderdrukking.

    De verschillende manieren van actievoeren hebben een nieuwe taakverdeling opgeleverd. In de zoektocht naar middelen om de gevestigde media te omzeilen, heeft het verzet de grote diversiteit van al die deelnemers benut en hun energie gebundeld. Nu is alleen de vraag of dit pact en deze nieuwe manier om zo veel verschillende mensen op de been te brengen, blijvend zullen zijn.

    © Afdeling Planning, regering van Hongkong

    © Afdeling Planning, regering van Hongkong

    Eén land, twee systemen

    Na de machtsoverdracht in 1997 beloofde moederschoot China de ex-kolonie als Speciale Administratieve Regio (SAR) vijftig jaar lang met rust te laten. Leider Deng Xiaoping stemde er bovendien mee in dat Hongkong zijn economische, politieke en juridische systemen, zijn burgerlijke vrijheden en een vrije pers zou behouden. Die autonomie kent Hongkong inderdaad, behalve bij echt belangrijke kwesties, dan heeft de Volksrepubliek het laatste woord. Dat de Communistische Partij zich steeds meer laat gelden, veroorzaakt al jaren veel protest. Hongkongers vinden dat hun autonomie steeds verder wordt uitgehold, terwijl die tot 2047 zou zijn gegarandeerd onder de formule ‘één land, twee systemen’.

  • De drie gouden regels van ‘Tatjana 911’

    De drie gouden regels van ‘Tatjana 911’

    Tatjana Sedych maakt al veertien jaar in haar eentje de onafhankelijke krant van de gemeente Vanino, in het Verre Oosten van Siberië. Dat leverde haar de Sacharovprijs op – maar ook een afgebrand huis en een aanslag op haar leven.

    Martijn Smiers, Rusland-correspondent van RTL4, tipte de redactie dit artikel: ‘Het verhaal van Tatjana viel mij op omdat dit Rusland in het klein is. Het land heeft uitstekende journalisten. Niet alleen in Moskou, maar ook in provinciesteden en dorpjes. Die journalisten verdienen weinig, worden vaak tegengewerkt door de plaatselijke autoriteiten en toch kiezen ze niet voor een comfortabel bestaan bij de staatsmedia. Zelfs niet als ze, zoals Tatjana, invalide zijn en een moordaanslag om hun oren krijgen.’

    In de markt tegenover de haven bedekken zo’n vijftien vrouwen hun houten kisten met een doek en leggen de eerste oogst erop: de nog niet opgegeten wintervoorraad jam, de door hun mannen gevangen vis en kiemplantjes. Ze verkopen puree van duindoornbessen, pijnboompitten in een schaal, gedraaide limoentakjes en blaadjes van rode bosbessen. Hun vis is een geschenk uit de Tatarski-baai: vandaag liggen er op de toonbank gedroogde komkommervisjes (die vangen ze in de winter en in de badkamer hangen ze de visjes aan een spijker te drogen), gedroogde regenboogspiering, gerookte roze zalm en krabben (tien euro voor een kilo). Al dagen wachten ze hier op de adelaarsvarens. Als de oogst begint, zijn ze er voor 30 cent per bos en worden ze in elk huis gebakken met ui en knoflook. Een deel van de varens wordt ingezouten voor de winter. De rest wordt opgestuurd naar de kinderen in Europees Rusland, in een pakketje, samen met gedroogde komkommervisjes.

    Langs de kraampjes, steunend op een wandelstok, loopt een vrouw. Ze begroet elke verkoper, vraagt of ze het niet koud hebben, hoe vandaag de handel gaat en ze deelt de krant uit. Dit is Tatjana Sedych, uitgever, redacteur en enig journalist van de plaatselijke krant Moje Poberezje (‘Mijn Kust’). Elke zaterdag heeft ze, hier op de markt, een ontmoeting met haar lezers.

    Een bevriende verkoper heeft de rolstoel al voor haar uitgeklapt. Die staat in de winkel ernaast en wacht daar op Tatjana, van zaterdag tot zaterdag. Ze bevestigt een blad met opschrift ‘Abonnement 2018’ aan haar wandelstok. De lezers komen non-stop naar Tatjana toe. De een klaagt over het leven, de ander vraagt of ze kan kijken naar haar lekkende dak, en weer een ander laat haar een medisch dossier zien.

    Moje Poberezje is een zwart-witte krant van aanvankelijk acht à tien pagina’s. Nu zijn het er vier: de drukkerij is duur. Het eerste nummer verscheen in januari 2004, en zowel toen als nu is dit de enige onafhankelijke krant in Vanino.

    Edelstenen

    Tatjana werd in 1958 geboren, op het eiland Sachalin, in een geologisch verkenningsdorp. Haar ouders waren opgeroepen om daar, in het Verre Oosten van Siberië, te werken. Ze woonden in het Noorden van Sachalin, in trailers, midden in de taiga. De bewoners noemden hun dorpje dan ook Razvedka (‘Verkenning’).

    In Razvedka was een medische post, een crèche en een schooltje met één grote klas voor alle kinderen. Om bij het station te komen, moest je eerst een aantal kilometer lopen over een onverharde weg. Als je geluk had kon je met de paardenslee. De trein – die bestond uit een locomotief en één wagon – ging één keer per dag: 28 kilometer naar het dorp Ocha en daarna nog eens 12 kilometer naar de haven Moskalvo, de rand van het eiland. Bussen waren er niet.

    Toen bij Tamara, de moeder van Tatjana, ’s nachts de weeën begonnen, werd ze in Razvedka op een paardenslee gezet en uit Razvedka naar het ziekenhuis in Moskalvo gebracht. Daar werd Tatjana geboren.

    Als er een ingezonden brief was waarin stond dat de autoriteiten niets deden, zeiden ze Tatjana dat de krant daarover niet ging schrijven. In die gevallen stuurde Tatjana zelf een antwoord. Iemand moest het doen

    Tatjana werd journalist na haar dertigste, toen ze al twee kinderen had. Ze verhuisde in 1991 naar Vanino met haar man, een militair die daarheen werd uitgezonden. Midden jaren negentig begon ze stukjes in te sturen bij de plaatselijke krant Voschod (‘Zonsopgang’). Later kwam de hoofdredacteur bij haar thuis langs en bood haar een baan aan.

    Ze werd aan het werk gezet bij de brievenrubriek. Daar moest ze ingezonden brieven lezen en interne memo’s schrijven met wat de lezers bezighoudt. Soms kwamen er artikelen naar aanleiding van een ingezonden brief. Soms werd een lezersbrief naar de plaatselijke autoriteiten gestuurd als alleen die het probleem konden oplossen.

    Maar als er een ingezonden brief was waarin stond dat de autoriteiten niets deden, zeiden ze Tatjana weleens dat de krant daarover niet ging schrijven. In die gevallen stuurde Tatjana dan maar zelf een antwoord. Iemand moest het doen.

    Toen Tatjana op een dag zag dat een collega haar artikel ter controle naar de autoriteiten stuurde, waarna het stuk niet gepubliceerd werd, besloot ze de krant te verlaten.

    Ze ging aan de slag bij een particuliere krant. Daar had ze weliswaar niet te maken met afhankelijkheid van de autoriteiten, maar wel met een baas en met zakelijke belangen. Om als journalist openlijk te kunnen schrijven over wat er aan problemen leefde onder de mensen, zag ze in, moest ze zelf een krant oprichten.

    Mama, brand!

    Het eerste nummer haalde ze zelf op bij de drukker. Ze slaagde erin om 900 exemplaren bij plaatselijke kraampjes te bezorgen. Om tien uur ’s avonds was ze thuis, bracht ze haar dochter naar bed, en schreef ze tot drie uur ’s nachts het tweede nummer. Om vier uur werd ze wakker van haar dochter, die schreeuwde. ‘Mama, brand!’

    De garage was in brand gestoken, het vuur verspreidde zich naar naar het huis. Toen ze wakker werden, stond de voordeur al in vuur en vlam. Voor alle ramen zaten tralies, behalve één: daardoor kropen ze naar buiten. Op de veranda lag het eerste nummer van de krant, een oplage van 10.000, die – net als de woning – in vlammen op ging. Van de auto bleef alleen een geraamte over.

    Na de brand ging Tatjana vaak naar de politie. Ze eiste een strafzaak, maar de daders zijn nooit gevonden.

    ‘Ik dacht: Daar sta je dan op straat en overal om je heen gaat het leven gewoon door. Maar er zijn toch daders? We hebben politie, de brandweer, justitie. Maar ze deden alsof er niets gebeurd was, alsof niemand het wat interesseerde, alsof iedereen het was vergeten.’

    Tatjana en haar dochter gingen noodgedwongen op de redactie wonen. Overdag werd er in het kantoor gewerkt; ’s avonds dweilden ze de vloer, legden ze een matras neer en gingen ze slapen.

    Aangezien de eerste oplage in de vlammen was opgegaan, was er geen omzet binnengekomen. Maar de drukkerij moest wel worden betaald. Tatjana had dus meteen een schuld.

    In die periode werd Tatjana gebeld door ‘De Jonge Verre Oosterling’, een loyale krant uit de stad Chabarovsk, die loyaal is aan de autoriteiten. Ze boden haar een baan aan, maar Tatjana weigerde resoluut: ‘Ik heb niet mijn eigen krant opgericht om mijn huis te laten afbranden en de boel te sluiten.’ Het tweede nummer kwam er, gewoon op tijd.

    Foto’s: © Viktoria Mikisja
    Foto’s: © Viktoria Mikisja

    Manifest

    De krant van Tatjana heeft een ongeschreven handvest, bestaande uit drie regels die Tatjana zelf heeft bepaald en nooit overtreedt.

    Regel 1: de mens, in voor- en tegenspoed, staat altijd voorop.

    Wanneer je in Vanino alles al hebt geprobeerd om je recht te halen en alle wegen zijn uitgeput, dan ga je naar Tatjana.

    Als je over het werk van Tatjana een actiefilm zou maken, dan zou zij de heldin zijn die strijdt tegen twee grote krachten: de autoriteiten van de gemeente Vanino en hun loyale pers. De autoriteiten hebben enorm veel macht. Gedurende de hele film proberen ze de heldin, die opkomt voor de plaatselijke bewoners die door de autoriteiten zijn vernederd, te gronde te richten. De machthebbers vinden dat een individu niets waard is, dat je er geen aandacht aan moet besteden. De heldin vecht voor de waarheid en voor de eer van de gewone man. Ze gelooft dat iedereen respect, aandacht en een stukje in de krant verdient. En ze wint keer op keer.

    Dat deed bijvoorbeeld een groep scholieren, die willen dat hun klas blijft bestaan, terwijl de autoriteiten hem willen sluiten aangezien het onrendabel is om zo weinig kinderen les te geven. Tatjana Sedych schrijft het ene artikel na het andere, plus nog een stuk of tien brieven naar alle instanties. Met vereende krachten lukt het de journalist, de ouders en activisten de klas te behouden. De kinderen kunnen nog steeds naar hun eigen dorpsschool.

    Er kwamen ook een keer vissers op de redactie die op de oever een kleine, gewonde zeehond hadden gevonden. Het beestje kruipt, schreeuwt van de pijn. Tatjana is al op zoek naar een auto en brengt hem naar een dierenarts.

    Wie beschermd wil worden tegen de politie, gaat ook naar Tatjana Sedych. Zelfs als dat de politie zelf is, zoals de agente die bij haar werk gewond raakte en daardoor vaak niet kan werken. Eerst kreeg ze een medische verklaring, daarna hebben ze haar ontslagen.

    Regel 2: schrijf de waarheid, wees nooit niet bang.

    De plaatselijke kranten zijn niet alleen afhankelijk van de autoriteiten omdat ze daar subsidie van krijgen, de journalisten wonen bovendien in dezelfde straat als de ambtenaren. Je relatie met hen verpesten, is zeer onverstandig. Als je vandaag iets verkeerds schrijft, geven ze morgen geen commentaar meer, word je niet meer uitgenodigd voor evenementen en heb je niets meer om over te schrijven. Bovendien ontmoet je de ambtenaren ’s avonds in de winkel of op de school van je kind.

    Maar Tatjana schrijft alles in haar kleine plaatselijke krant. Ze legt uit dat haar krant een informatieplatform is voor burgers die een beroep doen op de autoriteiten. Hier heerst geen enkele zelfcensuur, alles wordt afgedrukt opgeschreven zoals het is. Enkele voorbeelden van recente artikelen: ‘Wanneer gaan ze eindelijk een mensenleven op waarde schatten?’ – over het opheffen van een dorpsziekenhuis; ‘Ze zijn nog niet af of ze moeten al gerepareerd’ – over de nieuw aangelegde wegen; ‘Passagiers zijn slechts aanvullende lading’ – over de problemen met de veerboot tussen het vasteland en het eiland Sachalin.

    Regel 3: Kom in actie.

    Eigenlijk is dit een vreemde regel voor een journalist. In een land of regio waar de autoriteiten hun werk doen, hoeven journalisten geen actie te ondernemen. Maar Tatjana moet in Vanino een keuze maken: ofwel mengt ze zich in het leven van haar sprekers en biedt ze hulp, ofwel schrijft ze gewoon haar stukje. Tatjana heeft ervoor gekozen om in actie te komen.

    Nadat Tatjana stukken van de betreffende persoon heeft ontvangen gaat ze instanties schrijven en bellen. Hun antwoorden publiceert ze in haar krant. Ze gaat door tot het verhaal is afgerond.

    29

    In december werd ze gebeld door een vrouw die huilend vroeg: ‘Weet je nog dat er in januari op zee een zeilboot is gezonken? Daarbij is mijn zoon omgekomen.’ Het lichaam van haar zoon was aangespoeld in Japan. Sinds de ramp was er bijna een jaar verstreken, maar de ouders hadden het lichaam nog steeds niet terug.

    Het was een oude vissersboot. Alle opvarenden waren jongens uit de buurt. Op 7 januari vorig jaar, toen het schip begon te zinken, zond de kapitein een SOS-signaal uit. In de meldkamer hoorden ze de kapitein: ‘Aan iedereen, iedereen die mij hoort! We zijn in nood…’ De kapitein bleef nog een tijd aan de lijn – toen werd het stil. In de lokale media kwamen er berichten dat er een zeilschip was gezonken. Wat later werd gemeld dat de zoektocht naar de schippers was gestaakt.

    Igor Jasjin was negentien jaar, kwam net uit militaire dienst en besloot wat bij te verdienen als matroos op een zeilschip. Zijn lichaam spoelde aan op het noordelijkste puntje van Japan. In zijn duikpak werd zijn telefoon gevonden. Het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken werd geïnformeerd en al snel werd duidelijk uit welk dorp de jongen kwam. Zijn ouders deden een DNA-test en er was een match.

    Dat was begin februari, maar er was al bijna een jaar voorbij en het lichaam van de zoon was nog altijd niet overgebracht naar Rusland. Wat zijn ouders ook deden, niets hielp, ook niet de talloze telefoontjes naar het ministerie van Buitenlandse Zaken. En toen belde Igors moeder Tatjana.

    Tatjana maakte een reportage en een paar dagen later kwam de gouverneur naar Vanino. ‘Toen ik hem dit verhaal vertelde, was hij verbijsterd: “Dit kan bij ons toch niet gebeuren?” Dat kan dus wel. Ik vroeg de gouverneur om deze zaak onder zijn hoede te nemen. Uiteindelijk konden de ouders een week later hun zoon begraven. Maar ik denk soms wel: Wat zijn we toch een geduldig volk, want die ouders hebben bijna een jaar gewacht. In die tijd heeft zijn vader een hartaanval gehad.’

    Spoorloos verdwenen

    In 2007 zat de redactie van Moje Poberezje in een kantoor naast het plaatselijke veteranenhuis. Tatjana zag dat daar vaak een oude vrouw kwam die altijd werd weggejaagd. Een van de leiders van dat Veteranenhuis schreeuwde dan tegen die kleine vrouw: ‘Ga weg, u heeft hier niets te zoeken!’ Ze ging weg, kwam weer terug, en werd opnieuw de deur gewezen. Op een dag zag Tatjana hoe ze op de stoep zat te huilen. Tatjana bracht haar naar de redactie, gaf haar een glaasje water en liet haar vertellen.

    De vrouw heette Kifaja Salachova. Haar man, Sachabtdin Salachov, was een gedecoreerd oorlogsveteraan die hoog in aanzien stond. Na de oorlog belandde hij in Vanino. Hij werkte in de haven als bewaker, hij zat in een klein hokje. In 1972 was hij in zijn hokje vergeten de kookplaat uit te zetten. Hij verbrandde op zijn werk, levend.

    Vanaf dat moment verdween zijn naam uit meerdere lijsten met veteranen, alsof hij nooit heeft had bestaan. Maar Kifaja mocht bij de veteranenraad niet naar binnen, ze werd niet uitgenodigd voor feestdagen en ze kreeg het nabestaandenpensioen voor veteranen niet. De herinnering aan haar man was verdwenen uit de archieven en zijzelf werd uit de gemeenschap gezet, weggejaagd, onzichtbaar gemaakt. Ze vertelde dit aan Tatjana en huilde.

    Tatjana werd boos en begon de informatie te checken. Ze vond het portret van Sachabtdin Salachov in het schoolmuseum onder een stapel van soortgelijke veteranenfoto’s. Op de achterkant van het portret was andermans naam geschreven.

    In de administratie van de lokale overheid waren er geen documenten die bevestigden dat veteraan Salachov in het district had gewoond. Toen vroeg Tatjana informatie op in het Centrale Archief van het ministerie van Defensie: heeft deze veteraan bestaan? Drie maanden later kwam het antwoord: ja, hij heeft bestaan en hij heeft die-en-die onderscheidingen gekregen. Tatjana stelde dezelfde vraag in Tatarstan, van waaruit Sachabtdin Salachov was vertrokken voor militaire dienst: ook hier daar was het antwoord bevestigend. Na een paar maanden stapelde het bewijs zich op. Sachabtdin Salachov was officier, had twaalf dankbetuigingen gekregen van de opperbevelhebber, was onderscheiden met een medaille voor militaire verdiensten en de Orde van de Rode Ster.

    Met alle documenten en brieven ging Tatjana naar de districtsraad van veteranen en naar het gemeentebestuur. Weduwe Salachova werd weer opgenomen in de plaatselijke Veteranenraad en ze kreeg het nabestaandenpensioen. Vanaf dat moment zat ze bij feestdagen op de eerste rij.

    De mensen begrepen niet waarom ik dat gedaan had. Deze man had zijn hele leven in de cel gezeten en wilde nu opeens menselijk worden behandeld

    Tatjana ontving zelfs brieven uit de gevangenis. In de gemeente zijn er twee: ‘nummer een’ in Vanino en ‘nummer vijf’ in het naburige stadje Sovjetskaja Gavan. De gevangenen vroegen in hun brieven om hulp, klaagden, zochten een penvriend en vertelden verhalen uit hun leven. In de krant verscheen katern ‘de Rode Sneeuwbal’, met fragmenten uit die brieven.

    Op een dag kwam er een man naar de redactie die iets wilde vertellen: in zijn flat, op de begane grond, woonde een oude man zonder benen. Hij kon zijn huis niet uit. Dat deze invalide man zijn halve leven in de gevangenis had doorgebracht in de gevangenis, ontdekte Tatjana pas later, toen ze er langsging. In de kamer zaten mannen rond een tafel in het midden van de kamer kaart te spelen. Er hing een dikke laag sigarettenrook. Tatjana groette iedereen en stelde zich voor. Toen ze met de eigenaar van de kamer begon te praten, Pjotr, ging de rest van het gezelschap ervandoor. Met hem wilden ze niks te maken hebben. Hij woonde eigenlijk in een oude opslagruimte, maar aangezien er in de flat geen kamer vrij was, hadden de autoriteiten de invalide man nadat hij vrij was gelaten daar maar geplaatst.

    Maar de flat was zacht gezegd niet op rolstoelen ingesteld. Pjotr kon er de badkamer niet mee in en ook niet naar buiten. Hij ging nooit via de conciërgedeur naar buiten, maar klom in plaats daarvan uit het raam. Pal onder dat het raam had hij zijn oude auto geparkeerd. Hij klom op de vensterbank en daalde af, langs de muur, leunend op een trapladder, rechtstreeks zijn auto in. Hij liep al tegen de zestig. Tatjana hoorde zijn verhaal aan en beloofde na te denken over hulp.

    Toen Pjotr een keer in het ziekenhuis lag, huurde Tatjana twee klussers in. Ze kozen behang uit, kochten verf, kwasten en, plamuurmessen. De klussers verfden de meubels, poetsten de kroonluchter, plakten het behang, witten het plafond, vervingen het beddengoed en het servies. Het werd schoon en licht. En op de gang plaatsten de autoriteiten zelfs iets wat leek op een opritje voor rolstoelen.

    ‘Pjotr belde me later op. Hij was heel dankbaar en zei dat hij niet had verwacht dat iemand met zijn levensverhaal nog eens zou worden geholpen. Ze hadden me alles over hem verteld hoor, dat hij verschrikkelijke dingen heeft gedaan. Ik kreeg veel reacties op mijn onderneming in de trant van “Nou, ze heeft iemand gevonden om te helpen hoor…” De mensen begrepen niet waarom ik dat gedaan had. Deze man had zijn hele leven in de cel gezeten en wilde nu opeens menselijk worden behandeld. Dus schreef ik in mijn krant: “Waarom zou je iemand zelfs op die leeftijd niet kunnen laten begrijpen dat het leven ook anders kan zijn, dat je anders kan leven. En dat je op een menselijke manier kan worden behandeld.”’

    Hakken

    Tatjana’s onverzettelijkheid blijkt ook uit haar beslissing nooit in rolstoel over straat te gaan, ook al heeft ze sinds haar twaalfde geen linkerbeen meer. Ze loopt op krukken met een prothese. ‘Fysiek gezonde mensen en gehandicapten worden door anderen vaak als gelijken beschouwd. Maar we zijn niet gelijk, voor ons is alles zwaarder, elke beweging, elke verplaatsing. Veel mensen die iemand in een rolstoel zien, denken dat hij het zwaar heeft, maar wanneer ze iemand op krukken zien, denken ze er niet over na hoe zwaar hij het heeft. Diegene loopt immers. Maar iemand die loopt terwijl hij eigenlijk voor zijn gezondheid in een rolstoel zou moeten rijden, overwint zichzelf. Het is in Rusland onmogelijk om je in een rolstoel te verplaatsen.’

    Tatjana bestelt haar houten prothese in Chabarovsk, bij de enige prothesemaker in het Verre Oosten van Siberië, waar ze nog protheses maakten in de naoorlogse jaren. Haar prothese overleeft dienstreizen naar dorpjes en de taiga die ze op zoek naar verhalen bezoekt.

    Vroeger, wanneer de prothese het niet hield, vroeg Tatjana de havenarbeiders om hulp. Zij boorden een nieuw gaatje of schroefden de prothese weer vast. Later stopte ze in haar portemonnee een oude munt van drie kopeken – een grote sleutel meezeulen in haar handtas is onhandig – voor het geval de prothese losraakt of de voet eraf valt. Dan gaat ze een trappenhuis in, draait ze het met de munt weer vast en gaat weer verder.

    De prothese is als een pook: je kunt hem niet hoger of lager zetten. Toen Tatjana op hoge hakken wilde lopen, bedacht ze een oplossing – en ze vroeg een havenarbeider die te maken. Aan de onderkant van het scheenbeen zaagde hij twee stukjes eraf. Als Tatjana nu op hakken wil lopen, zet ze aan de achterkant van de prothese een kleine inham erop, waardoor er een hak ontstaat.

    Als je Tatjana naar haar gezondheid vraagt, fronst ze haar wenkbrauwen en verandert snel het gespreksonderwerp.

    12

    Haar zoon, Timur, noemt zijn moeder ‘Tatjana 911’, omdat ze altijd te hulp schiet. Samen met zijn zus, Zjanna, dringt hij erop aan dat ze dichterbij gaat wonen, in Europees Rusland. Timur woont aan de andere kant van het land, waar hij films maakt en een gezin heeft. Dochter Zjanna is stewardess in Moskou en heeft eveneens een kind. Beiden moedigen ze haar aan de krant te sluiten. ‘Je hebt genoeg mensen gered, je hebt lang genoeg over het mijnenveld gelopen, kom naar ons.’ Tatjana stelt de beslissing al lange tijd uit.

    ‘Ga je verhuizen?’ vraag ik haar.

    ‘Ik snap ook wel dat ik een dagje ouder word en dat mijn gezondheid niet meer is zoals vroeger, maar durf niet te stoppen. Ik hou van mijn papieren krant. Ook al is hij zwart-wit en primitief. De grootste groep lezers zit in kleine dorpjes, langs de spoorlijn, zij lezen de papieren krant, ze zitten niet op internet, ze hebben zelfs geen computer.’

    ‘Maar je kan toch verhuizen en op afstand werken?’

    ‘Waarom? In Europees Rusland barst het van de journalisten en media. Hier ben ik nodig.’

    ‘Je komt oorspronkelijk niet uit Vanino. Hoe komt het dat je van deze omgeving bent gaan houden?’

    ‘Misschien komt het door de liefde voor het vak. Daardoor leer je de omgeving kennen. Je wordt er verliefd op. Bijvoorbeeld op het uitzicht vanuit mijn raam. Daar wil ik eigenlijk nooit afscheid van nemen.’

    Vanuit haar raam heeft ze het mooiste uitzicht op de baai van Vanino.

    Auteur: Viktoria Mikisha
    Vertaler: Martijn Smiers

    Takie Dela
    Rusland | website | ruim 2 miljoen bezoekers per maand

    Takie Dela (‘Van die dingen’) is een Russische nieuwssite die in 2015 werd opgericht door een liefdadigheidsorganisatie. De website brengt dagelijks reportages over sociale problemen in Rusland, vaak longreads met foto’s, meestal aan de hand van persoonlijke verhalen. Bij sommige artikelen kunnen lezers direct doneren aan een goed doel dat met het verhaal te maken heeft.

  • Censuur in Egypte: kranten zonder kop

    Censuur in Egypte: kranten zonder kop

    Met de overname van de liberale krant Al-Masri Al-Youm heeft het regime de vrije pers definitief de nek omgedraaid. Zelfs een kop kan gevaarlijk zijn.

    Salah Diab, een van de eigenaren van Al-Masri Al-Youm (‘Egypte vandaag’) liet onlangs geen misverstand bestaan over de nieuwe koers van het Egyptische dagblad: ‘Wij staan zij aan zij met de staat, met de president. Vanaf nu willen wij geen enkel probleem hebben met de overheid,’ zo liet hij de redacteuren weten tijdens een korte toespraak waarin hij hun nieuwe chef Hamdi Rizk voorstelde.

    Rizk neemt de plaats in van Mohamed Al-Sayed Saleh, die was ontslagen vanwege een kop op de derde en laatste dag van de presidentsverkiezingen, die het ongenoegen van het bewind had gewekt: ‘De staat probeert de kiezers massaal naar de stembureaus te lokken’.

    Die kop kwam de krant te staan op een lastercampagne in andere Egyptische media. Rizk lijkt nu het dagblad te moeten redden. De aandeelhouders hebben hem gekozen vanwege zijn connecties binnen het staatsapparaat, en nog belangrijker: hij heeft ook voeling met het volk. Tegelijkertijd weet hij perfect het joviale heerschap uit te hangen dat in de hoogste machtskringen wordt gewaardeerd.

    ‘Het beetje vrijheid dat we na de revolutie van 25 januari 2011 hadden bevochten, is in één keer weggevaagd’

    Rizk, een columnist en oudgediende bij de krant, toonde moeiteloos aan berekend te zijn op de hem toegewezen taak. De eerste voorpagina onder zijn leiding bevatte geen koppen. In plaats daarvan verschenen er foto’s van twee dames, vergezeld van slogans in Egyptisch dialect. Onmiddellijk was duidelijk dat hij het traditionele, dwarse karakter van de krant volledig de kop wilde indrukken, zowel wat berichtgeving als wat koppen betrof. Kortom, onder Rizk is de krant veranderd van spreekbuis van de oppositie tot poedel van het regime.

    ‘Elke redacteur weet dat we in een overgangsperiode zitten. Niet alleen wat de voorpagina en de lay-out betreft, maar ook ten aanzien van de journalistieke koers,’ zegt een van de geïnterviewde journalisten, die al vijf jaar voor de krant werkt. ‘We snijden geen politieke onderwerpen meer aan, hebben het niet langer over mensenrechten of democratie. Het beetje vrijheid dat we na de revolutie van 25 januari 2011 hadden bevochten, is in één keer weggevaagd.’

    De crisis van Al-Masri Al-Youm weerspiegelt het lot van de hele Egyptische pers. De tweede termijn van president Abdel Fattah al-Sisi is nauwelijks begonnen of de detentie van journalisten en de boetes die de onafhankelijke pers treffen zijn weer terug van nooit werkelijk weggeweest. De zaak van Mohamed Aboe Zeid spreekt boekdelen. De winnaar van de UNESCO-prijs voor de persvrijheid in 2018 kwijnt al bijna vijf jaar weg in de gevangenis en het Openbaar Ministerie heeft de doodstraf tegen hem geëist. Hij werd gearresteerd terwijl hij verslag deed van de evacuatie van de sit-in op het plein Rabaa Al-Adawiya, tussen 14 en 16 augustus 2013, kort nadat de islamistische president Mohamed Morsi was afgezet. Die ontruiming mondde uit in een bloedbad.

    Al-Masri Al-Youm, hier met koppen, bij een kiosk in Cairo. – © Getty Images
    Al-Masri Al-Youm, hier met koppen, bij een kiosk in Cairo. – © Getty Images

    Tijdens de eerste termijn van Sisi (2014-2018) was het medialandschap al ingrijpend veranderd. Bedrijven die behoorden tot ‘soevereine organen’ – dat wil zeggen: het leger – namen bezit van particuliere televisiezenders, zo’n vijfhonderd websites werden gecensureerd, en Egyptische en buitenlandse journalisten kwamen voor de rechter. Het doel was om pro-revolutionaire stemmen het zwijgen op te leggen.

    En zo vond Egypte zichzelf in 2017 terug op de 161ste plaats van de 180 op de persvrijheidsranglijst van Reporters Without Borders. En het lijkt erop dat de situatie na Sisi’s herverkiezing alleen maar zal verergeren. Kranten hebben de opdracht gekregen meer redactionele ruimte te besteden aan ‘vrije tijd’, wat uiteraard ten koste zal gaan van politieke onderwerpen.

    Showbizz

    Al-Masry Al-Youm en Al-Shorouk, ooit sieraden van de Egyptische onafhankelijke pers, ooit spreekbuizen van liberale krachten in het land, hebben hun journalisten duidelijk gemaakt dat ze zich moeten richten op kunst en cultuur, inclusief showbizz, en op human interest, en dat zij de politiek moeten mijden.

    Onlangs haalde het maandblad Al-Hilal alle exemplaren van zijn laatste nummer van de schappen. Vier journalisten werden voor twee weken geschorst. Wat ze verkeerd hadden gedaan? In een artikel over ‘moeders van presidenten’ werd de naam van de moeder van president Sisi onder de verkeerde foto geplaatst.

    Toen Hosni Moebarak nog president was, hadden de media ‘de rode lijnen geïnternaliseerd’, in de woorden van Khaled Dawoud, journalist bij staatskrant Al-Ahram. ‘Je wist dat je het niet moest hebben over de president, het leger, de Palestijnse kwestie, de sektarische conflicten tussen moslims en kopten.’ Aan de andere kant hadden privémedia de ruimte om ruimte te geven aan figuren van de oppositie en op die manier ministers te bekritiseren. Sinds de overname van Sisi ‘kan het geringste blijk van een eigen mening zeer ernstige gevolgen hebben’.

    Auteur: Ahmed Hassan
    Vertaler: Carl Stellweg

    CONTEXT: Journalisten opgepakt

    ‘Het aantal arrestaties neemt de laatste drie weken snel toe’, aldus de Egyptische site Mada Masr. Zo zijn videoblogger Shadi Abouzeid, de politieke activisten Amal Fathi en Shadi al-Ghazali Harb, en de advocaat Haitham Mohamedine, die ook lid is van de beweging van Revolutionaire Socialisten, opgepakt. Daarnaast is Wael Abbas, een van de laatst overgebleven bloggers van de Tahrir-generatie, gearresteerd op beschuldiging van banden met een terroristische groep. Op basis van dezelfde beschuldiging werd een andere journalist, Ismail Alexandrani, veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf. In totaal worden momentel ten minste 33 journalisten, burgerjournalisten en bloggers momenteel vastgehouden in Egypte, meldt Mada Masr op gezag van Reporters Without Borders. Mada Masr, de enige onafhankelijke Egyptische website, wordt momenteel geblokkeerd.

    Daraj
    Libanon | daraj.com

    Daraj (‘Trap’) werd in 2017 in Beiroet opgericht en richt zich op onderzoek, reportages en onderwerpen die bij andere media in de regio ondergeschoven kindjes zijn: burgerrechten, gender, homoseksualiteit.

  • ‘Journalistiek is 
toe aan verandering’

    ‘Journalistiek is 
toe aan verandering’

    Ulrik Haagerup, voormalig directeur informatieve programma’s van de Deense publieke omroep, vindt dat de journalistiek toe is aan verandering. ‘Traditionele media vertellen een deprimerend verhaal. Het wekt wantrouwen en apathie op.’

    Le Temps: De digitale revolutie heeft de media-wereld op zijn kop gezet. U hebt gezegd dat de journalistiek in een crisis verkeert.

    Ulrik Haagerup: ‘De economische basis van de pers kalft af. Maar dat is niet het enige probleem waarmee de journalistiek te kampen heeft. De mensen hebben geen vertrouwen meer in ons. Ze geloven niet meer in de berichtgeving van de media. Tegelijkertijd neemt ook het vertrouwen in ons politieke systeem af, het populisme viert hoogtij, de angst neemt toe en er is een groeiende kloof tussen de 
werkelijkheid en de perceptie van die werkelijkheid bij de burgers. Verandering is dan ook onontkoombaar. Maar die verandering moet niet alleen van de anderen komen.’

    Moet de verandering van de journalisten komen?

    ‘Als journalisten doen we erg ons best om aan politici uit te leggen dat zij verantwoordelijk zijn voor de crisis waarin de democratie zich bevindt en dat zij moeten veranderen. Maar we moeten ook zelf in de spiegel kijken en opnieuw nadenken over de fundamenten van de journalistiek. Er is een reëel probleem met de manier waarop wij het vak uitoefenen. Constructieve journalistiek is een manier om met andere ogen naar het vak te kijken, zonder de basisprincipes van goede, evenwichtige en kritische journalistiek geweld aan te doen. Deze manier van journalistiek bedrijven kan ons een nieuwe rol geven in een tijd waarin de media zwaar onder vuur liggen.’

    Kunt u een voorbeeld geven van de crisis waarin de journalistiek zich bevindt?

    ‘Een Amerikaanse sportschoolketen heeft pas geleden aangekondigd dat ze televisies in de trainingsruimtes gaan verbieden; het bedrijf vindt dat het niet bij een gezonde levensstijl past om naar nieuws op 
tv te kijken. Wij hebben altijd geleerd dat een verantwoordelijke burger de krant leest, op de hoogte blijft van het nieuws, zowel lokaal als nationaal als 
internationaal. Vorig jaar heeft het Reuters Institute for the Study of Journalism van de Universiteit van Oxford een enquête gehouden onder miljoenen mensen die besloten hebben de traditionele nieuwsmedia links te laten liggen. Van de ondervraagden denkt 48 procent dat het een negatieve invloed heeft op hun geestelijk welzijn als ze het nieuws volgen; 37 procent zegt geen vertrouwen te hebben in de media en 28 procent denkt dat er toch niets aan alle problemen te doen is. Vooral jongeren en vrouwen vinden het verhaal dat de traditionele media vertellen deprimerend. Het wekt wantrouwen en apathie op.’

    ‘De mensen hebben het gevoel dat de wereld er veel slechter aan toe is dan eigenlijk het geval is’

    Waar zit het probleem in?

    ‘Zelfs de serieuze media zijn de wereld gaan filteren naar hun eigen opvattingen, en hebben zo een kloof geschapen tussen de werkelijkheid en de perceptie van die werkelijkheid bij het publiek. De mensen hebben het gevoel dat de wereld er veel slechter aan toe is dan eigenlijk het geval is. In die context is de constructieve journalistiek meer nodig dan ooit, gezien de gebeurtenissen rond president Trump en de Brexit.’

    Hoe zou de journalistiek met Trump moeten omgaan?

    ‘Hoe het komt dat Trump is gekozen, blijft voor een deel een raadsel. Maar duidelijk is dat hij heeft geprofiteerd van een ongekende gratis media-aandacht. Geen enkele presidentskandidaat heeft zo veel aandacht van de media gekregen. De reden daarvoor? Donald Trump wist in te spelen op de behoeften 
van de media. Elke keer als hij zijn mond opendoet, roept hij een controverse op. Hij maakt heel efficiënt en beter dan wie ook gebruik van de sociale media. Doordat hij zo buitensporig is, zijn zelfs de 
zogenaamd serieuze media in zijn ban geraakt.’

    Is de constructieve journalistiek een antwoord 
op Donald Trump?

    ‘Nee. Dit is geen anti-Trump-beweging. Wel is de verkiezing van Trump symbolisch voor wat de 
journalistiek oplevert wanneer ze alleen de uitersten belicht, wanneer ze voorrang geeft aan simplistische boodschappen, aan een zwart-witbeeld van de wereld. De wereld is complex. Als de media de indruk geven dat de wereld op instorten staat, moet je niet verbaasd staan dat de mensen zich zorgen maken, dat ze bang zijn hun baan te verliezen en denken 
dat er meer criminaliteit is dan ooit. In zo’n context is het voor een kandidaat gemakkelijk om te zeggen dat hij de oplossing heeft.’

    Zijn de media hiervoor verantwoordelijk?

    ‘Door de manier waarop zij de actualiteit filteren, effenen ze het pad voor figuren als Donald Trump. Wij vertellen alleen wat niet goed gaat. Dat wil 
niet zeggen dat we liegen, maar we schetsen geen compleet beeld van de werkelijkheid. Want de werkelijkheid van deze planeet is nog nooit zo positief geweest. De criminaliteit neemt af, het aantal 
verkeersongelukken is gedaald. In de geschiedenis van de mensheid zijn er nooit eerder zo weinig doden als gevolg van oorlog gevallen, en dat zelfs ondanks de tragedie in Syrië. Maar de mensen weten dat niet. Zij denken dat het juist van kwaad tot erger gaat. Of als ze gaan stemmen, baseren ze zich niet 
op de feiten, maar op wat zij dénken van de feiten.

    Daarom doen veel kandidaten in politieke functies geen moeite meer om de feiten te presenteren. Ze brengen alleen de perceptie over die zij het publiek willen inprenten. Die verschuiving grijpt steeds verder om zich heen en is heel gevaarlijk voor de democratie en de journalistiek. Zo wordt het falen van de journalisten zichtbaar. Carl Bernstein, een van de twee Washington Post-onderzoeksjournalisten in het Watergateschandaal, heeft eens tegen me gezegd: “Journalistiek is op zoek gaan naar de versie die het dichtst bij de waarheid komt, en die aan het publiek presenteren.” Het is tijd om de mediacultuur te veranderen.’

    Ulrik Haagerup schreef het boek Constructive News: How to Save the Media and Democracy with Journalism of Tomorrow en is directeur en medeoprichter van het Constructive Institute, ofwel het instituut voor constructieve journalistiek, in het Deense Aarhus.
    Ulrik Haagerup schreef het boek Constructive News: How to Save the Media and Democracy with Journalism of Tomorrow en is directeur en medeoprichter van het Constructive Institute, ofwel het instituut voor constructieve journalistiek, in het Deense Aarhus.

    Maak je de werkelijkheid niet mooier dan ze is, 
als je alleen maar goed nieuws brengt?

    ‘Constructieve journalistiek wil niet een soort Noord-Koreaanse journalistiek bedrijven. Het gaat erom 
dat we andere invalshoeken kiezen en ons op de 
toekomst richten in plaats van op het verleden. 
De journalistiek moet proberen een inspiratiebron 
te zijn. Onze taak als journalisten is om meer mensen bij het debat te betrekken, zodat we samen oplossingen kunnen vinden. Journalisten moeten daarin de rol van bemiddelaar en facilitator spelen.’

    Kan constructieve journalistiek wel samengaan met onderzoeksjournalistiek die de werkelijke zwaktes van de macht wil blootleggen?

    ‘David Boardman, de vroegere hoofdredacteur van de Seattle Times en de vader van de onderzoeksjournalistiek, drukte dat heel goed uit tijdens onze 
grote conferentie vorig najaar in Aarhus. Hij zei: 
‘De constructieve journalistiek sluit de cirkel van 
de onderzoeksjournalistiek.” Hij bedoelde dat 
journalistiek een tweerichtingsproces is dat de samenleving helpt zichzelf te corrigeren. Ja, het is ons werk om vraagtekens te plaatsen bij de macht, 
om aan te tonen waar die niet goed functioneert. Maar tot nu toe dachten wij meestal dat goede 
journalistiek ging om het opsporen van nieuwe 
problemen, zonder dat wij ons bezig hoefden te houden met de vraag hoe die opgelost moesten worden. Die leemte probeert constructieve 
journalistiek op te vullen.’

    Wat is het doel van het Constructive Institute waarvan u aan het hoofd staat?

    ‘Ons doel is even ambitieus als naïef. We willen in vijf jaar tijd de mondiale informatiecultuur veranderen. Dat het vertrouwen in de media is verdwenen is zo ernstig en gevaarlijk voor de democratie dat we geen vijf jaar meer kunnen afwachten. Willen journalisten gerespecteerd worden door de samenleving, dan moeten ze weten waar ze over praten. Dat vraagt om journalisten die hun eigen belangen ondergeschikt maken aan het gemeenschappelijk belang. Het is niet de roeping van de journalist om verhalen te 
verkopen aan adverteerders. En ook niet om een 
activist te zijn die probeert de manier waarop mensen denken te beïnvloeden.’

    U was bij een persontmoeting van de VN. Welke indruk hebt u daaraan overgehouden?

    ‘De VN vervullen een enorme taak, maar de communicatiecultuur tussen de woordvoerders van de VN 
en de internationale pers concentreert zich op wat de journalisten aan hun redactie kunnen ‘verkopen’: dramatische gebeurtenissen en voortdurende problemen. Het gevolg: de mensen over de hele wereld krijgen telkens weer het idee dat alles van kwaad 
tot erger gaat. We moeten de Bermudadriehoek van het populisme veranderen: politici, deskundigen en 
journalisten moeten een genuanceerd, realistisch en onderbouwd beeld geven van de werkelijkheid, om burgers te helpen de weg te vinden in onze bedreigde democratieën.’

    Het economische model van de pers staat zwaar onder druk. Hoe moeten de media gefinancierd worden?

    ‘Als Europeaan heb ik me grote zorgen gemaakt over het referendum van 4 maart in Zwitserland over de publieke omroep. Dat de Zwitsers, enigszins uit onwetendheid, ervoor konden kiezen om die vorm van journalistiek, de publieke omroep, af te schaffen, was heel gevaarlijk voor de cohesie van het land. Die cohesie heeft een prijs. Ik zeg niet dat de publieke omroep niet kan veranderen, dat je er geen kritiek op kunt hebben. Maar het was naïef om te denken dat de markt, Facebook en Google het Zwitserse publiek, ook op het platteland, even goed zouden kunnen informeren.’

    Auteur: Stéphane Bussard

    Le Temps
    Zwitserland | dagblad | oplage 49.000

    Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.

    CONTEXT: Referendum Omroepbijdrage

    De Zwitsers blijven een bijdrage betalen voor hun publieke omroep; bij een referendum stemde 71 procent tegen het voorstel om de Billagomroepbijdrage [genoemd naar het bedrijf dat de gelden incasseert, Billag ] af te schaffen. Elk huishouden in Zwitserland betaalt ongerekend zo’n 390euro per jaar voor de publieke omroep. Het voorstel kreeg warme bijval in het Italiaanssprekende kanton Tessin. In de Duits- en Franssprekende landsdelen was het enthousiasme een stuk minder. Weliswaar zijn de Zwitsers het erover eens dat de publieke omroep het wel wat zuiniger aan moet doen en dat een bijdrage voor de publieke omroep niet meer van deze tijd is, vooral door de opkomst van streamingdiensten als Netflix, maar een meerderheid vindt dat in alle taalgebieden programma’s van dezelfde kwaliteit moeten worden uitgezonden, waarvoor alleen de publieke omroep garant kan staan; 68 procent vreesde in de nieuwsvoorziening al te afhankelijk te worden van omroepen die geheel door het bedrijfsleven
    worden gesponsord.

  • Woord vooraf, met podcast

    Woord vooraf, met podcast

    Voor de derde keer op rij stelde 360 Magazine een eigen shortlist samen uit de nominaties van de European Press Prize, de prijs voor Europese kwaliteitsjournalistiek, in print of online.

    Klik hier om dit voorwoord te beluisteren in onze podcast.

    Vorig jaar lag de nadruk op constructieve journalistiek. De onderste steen boven halen, dat stond uiteraard voorop, maar de journalist diende zich ook te bekommeren over waar de lezer mee achterbleef. Hij of zij moest niet alleen naar de werkelijkheid kijken en daar verslag van doen, maar ook een uitweg of een oplossing schetsen. De blik vooruit. Was er misschien toch nog ooit sprake van een goede afloop? Zat er een stijgende lijn in? Zou er nu het in de krant gestaan had meer en betere aandacht voor zijn?

    Die trend is niet zichtbaar doorgezet, althans niet in de nominaties van de EPP onder het voorzitterschap van de door mij als studente Media Studies in Londen geadoreerde Harold Evans. Neemt u me mij niet kwalijk, Sir Harold Evans.

    Terug naar het oude ambacht, lijken juryleden en genomineerden gedacht te hebben. Onderzoek. Waarheidsvinding. Journalistieke nazorg. Wat is er gebeurd na het ernstige misbruikschandaal in de Engelse stad Rotherham? En waarom verloor het hoofd van de dienst openbaar vervoer in Boedapest het van een Russische fabrikant en is zijn stad nu opgezadeld met gebrekkige metrostellen waarvan de deuren onderweg openvliegen?

    Geen dijenkletsers, maar wel stuk voor stuk artikelen die je stap voor stap meenemen naar plaatsen en onderwerpen die anders onopgemerkt waren gebleven.

    Jonge immigranten op zoek naar een baan in Berlijn beoordelen per dag ongeveer duizend berichten die op Facebook als ontoelaatbaar worden gemeld. Minstens zulk ingrijpend werk als kinderpornorechercheurs verrichten

    Koploper onder de genomineerden is de Süddeutsche Zeitung die met drie artikelen, of beter gezegd met drie journalisten, onze shortlist domineert. Maar we kozen ook voor de Monsanto-papers, een vernuftig staaltje van de Franse krant Le Monde over de vuile oorlog tegen het agentschap voor kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie IARC, dat na jaren onderzoek tot de conclusie kwam dat het bestrijdingsmiddel glyfosaat schadelijk is voor het DNA, kankerverwekkend is bij dieren en ‘waarschijnlijk’ ook bij mensen – een conclusie die een bom legde onder de activiteiten van een van de grootste chemiereuzen ter wereld. Een onthutsend verhaal over geld, macht, politiek, wetenschap en corruptie, waarin uiteindelijk het agentschap voor kankeronderzoek wel eens het onderspit zou kunnen delven.

    Onmisbaar in deze beursgenoteerde tijd zijn de menselijke verhalen achter de ambitieuze techbedrijven die in hun zucht naar zo veel mogelijk bereik het niet zo nauw nemen met de arbeidsomstandigheden van hun ‘wisarbeiders’. Jonge immigranten op zoek naar een baan in Berlijn beoordelen per dag ongeveer duizend berichten die op Facebook als ontoelaatbaar worden gemeld. Minstens zulk ingrijpend werk als kinderpornorechercheurs verrichten, en zonder welke vorm van psychische begeleiding dan ook. Van een andere grootheid is de dappere reportage over een Libische krijgsheer die de oorlog verklaard heeft aan mensensmokkelaars.

    Een uiterst interessante analyse schreef Bastian Berbner in Die Zeit over hoe journalisten, de boodschappers van het nieuws, volop meewerken aan de verspreiding van terroristische propaganda. Moeten we zwijgen dan? Nee, natuurlijk. Dat is onmogelijk en druist in tegen elke journalistieke vuistregel. Berbner adviseert desinteresse, berichtgeving reduceren. Het is volgens hem de enige manier: zonder publieke belangstelling is een aanslag een ordinaire moord die snel van de voorpagina’s verdwijnt. Wat je noemt een conversation piece.

    Mis deze speciale reader niet. Wie weet lukt het u dan ook om ­– zoals Bert Wagendorp – na het lezen van 360 ‘telkens weer verrassend uit de hoek te komen’.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

    Beeld: Still uit de documentaire Enslaved Land uit de categorie Innovation Award.

    screenshot 2018 03 12 21 00 05
  • Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Moeten we stoppen met berichtgeving over terreuraanslagen?

    Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, hebben de daders zo veel mogelijk publieke belangstelling nodig. Daar komen wij journalisten in beeld, wij boodschappers van de terreur laten ons ge- en misbruiken voor propaganda van terroristen.

    Moeten we dan zwijgen? Nee, zegt Bastian Berbner van Die Zeit, we moeten afstompen. De belangstelling voor de aanslagen moet afnemen.

    Bewogenheid is eindig. Na de aanslag op het Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo kwamen voor een protestwake bij de Brandenburger Tor bijna twintigduizend mensen bijeen, die als solidariteitsbetuiging met de slachtoffers de Marseillaise zongen en T-shirts droegen met de tekst ‘Je suis Charlie’.

    Tien maanden later, toen terroristen opnieuw toesloegen in Parijs, kwamen er niet eens meer tweeduizend mensen naar de Brandenburger Tor. Wel keken er bijna tien miljoen mensen naar Brennpunkt [een soort extra journaal met achtergrondinformatie over bijzondere gebeurtenissen] op Das Erste.

    Enkele maanden later voerden terroristen aanslagen uit in Brussel en vervolgens in Londen, maar naar Brennpunkt keken in beide gevallen nog maar zes miljoen mensen en naar de Brandenburger Tor kwam vrijwel niemand meer.

    Nu, na Barcelona, trok Brennpunkt nog maar iets meer dan vier miljoen kijkers. Protestwaken werden niet meer gehouden.

    Er zijn ook zo veel aanslagen geweest de afgelopen twee jaar. Hannover, Essen, Würzburg, Ansbach, Berlijn, Hamburg, Kopenhagen, Londen, Nice, Brussel, Sint-Petersburg, Stockholm, Manchester, Londen, verscheidene keren Parijs, verscheidene keren Istanboel en dat zijn ze nog niet eens allemaal.

    Ergens onderweg is ons medelijden bekoeld

    We zien de beelden van de Ramblas in Barcelona, maar we kijken er inmiddels naar als naar een ongeluk op de snelweg. Een korte blik, een moment van ontzetting en daarna keren we terug naar onze emotionele comfortzone.

    Vreselijk hoe we afstompen, hè?

    Nee, niet vreselijk. Integendeel. Ik denk dat dat het beste is wat ons kan gebeuren.

    Als het gaat om de vraag hoe de aanslagen te voorkomen zijn, dan wordt meestal gesproken over strengere wetgeving, extra politieagenten en nieuwe apparatuur voor gezichtsherkenning. Hoewel iedereen weet dat niet alle aanslagplegers zich daardoor laten tegenhouden.

    Er is echter een veel effectiever middel voor terreurbestrijding. Een middel dat het terrorisme als geheel attaqueert en niet de individuele terroristen, het hart van de hydra en niet de vele koppen ervan.

    Je kunt het afstomping noemen. Ik zou het positiever formuleren: gerichte desinteresse.

    Dat klinkt in eerste instantie misschien cynisch, vooral voor de slachtoffers van terreuraanslagen en hun naaste verwanten. Maar je moet je realiseren hoe terrorisme functioneert – en afgelopen december in herinnering roepen.

    Anis Amri reed toen met een vrachtwagen in op de kerstmarkt op de Breitscheidplatz in Berlijn. Hij verpletterde kraampjes, reed mensen omver en wist aan politie en veiligheidsdienst te ontkomen. Evengoed wisten ze precies naar wie ze moesten zoeken. Op zijn vlucht bracht Amri een groet voor een bewakingscamera. En hij was zo vriendelijk om zijn paspoort in de vrachtwagen achter te laten.

    De aanslagpleger in Nice, die 86 mensen overreed, liet op zijn beurt zijn rijbewijs in de vrachtwagen liggen en in de vluchtauto van de aanslagplegers bij Charlie Hebdo vond de politie eveneens een paspoort.

    Terroristen die op de vlucht zijn en in plaats van hun identificatie te bemoeilijken hun paspoort laten zien?

    Natuurlijk is dat geen onachtzaamheid, geen fout die ze telkens weer begaan. De terroristen doen dat voor mensen zoals ik, voor ons journalisten. Net zoals ze videoboodschappen online zetten of beelden van de daad op Facebook plaatsen. Ze willen dat wij artikelen over hen schrijven, dat wij hun naam in zo groot mogelijke letters op de voorpagina afdrukken en een foto van hen erbij zetten. Ze willen dat het hele land over hen hoort, het liefst de hele wereld.

    Symbolisch en willekeurig

    Een misdaad wordt namelijk pas een terroristische daad door de publieke belangstelling. Een gewone moord en een die terreur moet zaaien lijken in wezen heel sterk op elkaar: de ene mens vermoordt een ander. Het verschil is het motief. Moorden, bijvoorbeeld uit begeerte of jaloezie, zijn gericht op heel specifieke personen, want anders hebben ze geen zin. De dader hoopt dat zijn daad zo min mogelijk mensen ter ore komt, het liefst niemand. Hoe geheimer, hoe beter.

    Bij een moord die een terreuraanslag moet worden, is het precies andersom. De slachtoffers zijn symbolisch en vaak willekeurig gekozen. Het kan iedereen overkomen, feestgangers, voetbalsupporters, tieners bij een popconcert. En de daad en de dader moeten bij zo veel mogelijk mensen bekend worden. Hoe openlijker, hoe beter.

    Een paar jaar terug was er een aanslag die bijna ten onder ging in het tumult rond de grote aanslagen in Brussel, Parijs en Berlijn, maar waarin zich de essentie van het terrorisme weerspiegelde. Een paar weken geleden ben ik naar de plaats van die aanslag gereden, naar Saint-Étienne-du-Rouvray, een dorp in de buurt van de Noord-Franse stad Rouen.

    Ik liep het uit forse steenblokken opgetrokken kerkje in, waar over een paar minuten de mis zou beginnen. Links voorin zat een man met gebogen rug, grijs haar en een grijze jas. Ik kende hem van televisie, had op internet foto’s van hem gezien en in Franse kranten over hem gelezen.

    Guy Coponet is 88 jaar oud. Na de dienst sprak ik hem aan en hij vertelde me wat er op deze plek was gebeurd.

    Die dag, 26 juli 2016, was er vrijwel niemand naar de dienst gekomen: alleen Coponet, zijn vrouw en drie nonnen. Maar Coponet verheugde zich erop, want zijn beste vriend, priester Jacques Hamel, stond voorin bij het altaar. Met zijn 85 jaar was Hamel allang met pensioen, maar soms viel hij nog in.

    Vlak voor het eind van de dienst vliegt de deur van de sacristie open en stormen twee in het zwart geklede mannen naar binnen. Ze hebben een mes in hun hand en schreeuwen ‘Allahoe akbar’. Een van de twee stort zich op de priester, die voordat de messteken hem treffen nog roept: ‘Ga weg, Satan!’ Vervolgens zakt Hamel ineen op het altaar en sterft.

    De aanslagplegers hebben een mens om het leven gebracht, maar tot nog toe zijn daarvan slechts vijf mensen getuige geweest: het echtpaar Coponet en de drie nonnen. Om ervoor te zorgen dat een misdaad terreur wordt, moet de daad zich onderscheiden van de dertien andere moorden die er gemiddeld per dag in Europa worden gepleegd, maar waarover je nauwelijks iets hoort.

    Vijf mensen moeten er miljoenen worden. Een eerste stap hebben de twee mannen in het zwart al gezet, want ze hebben de moord voorzien van symboliek: een priester, een kerk. Maar dat is niet voldoende.

    De man die Hamel heeft gedood, kijkt op van het lichaam, loopt naar Guy Coponet en drukt hem een smartphone in de hand; de camerafunctie is al gestart. Hij zegt: ‘Jij gaat filmen, opa!’ Guy Coponet richt de lens op het altaar en legt vast hoe de man boven het lichaam poseert.

    Een jihadist met een bebloed mes boven een dode priester op het altaar van een christelijke kerk in Europa – de islamisten kennen de kracht van deze beelden. Dat geldt ook voor Coponet. ‘Dit gaan ze op internet zetten, dacht ik, maar ik heb toch gefilmd. Wat had ik moeten doen?’

    Na een paar seconden komt de aanslagpleger terug en bekijkt de kwaliteit van de beelden. Hij zegt: ‘Bijna zonder trillen, opa!’ Dan steekt hij toe. Drie keer. In de arm, in de rug, in de nek. Coponet zakt bloedend op de vloer. Hij houdt zich dood en bidt.

    Dan richten de aanslagplegers zich op de vrouwen, die in shock tussen de kerkbanken staan. ‘Nu zijn wij aan de beurt, dachten we,’ herinnert zuster Huguette zich, een tengere vrouw van tachtig jaar. Maar de aanslagplegers beginnen te praten. Huguette zegt: ‘Een van hen droeg ons op: “Als jullie later op televisie komen, dan moeten jullie zeggen dat elke aanslag in Syrië wordt gevolgd door een aanslag in Frankrijk.” Toen wisten we dat we het er levend af zouden brengen.’


    Terrorisme is communicatie. Aanslagplegers willen een boodschap overbrengen. Niet zozeer aan hun directe slachtoffers, de drie nonnen of Guy Coponet en zijn vrouw, niet zozeer aan de mensen op de Breitscheidplatz en de concertbezoekers in de Bataclan, als wel aan alle anderen.

    In de nuchtere taal van de terrorismeonderzoekers worden de mensen voor wie deze boodschap is bedoeld de ‘geïnteresseerde derden’ genoemd. Bij veruit de meesten van ons, laten we zeggen 99 procent, neemt die interesse de vorm aan van angst, schrik en soms ook wraaklust. Als we de huilende zuster Huguette op televisie zien, als we horen hoe ze vertelt over het martelaarschap van de priester schudden we vol afgrijzen ons hoofd, houden we misschien wel geschokt een hand voor onze mond en betrappen we ons mogelijk op de gedachte: Dat moeten we die monsters betaald zetten!

    Dat is het moment waarop een misdaad terreur wordt.

    Misschien zullen we ons de volgende ochtend in de metro afvragen: Is die man met die baard iets van plan? Misschien gaan we een tijdje niet meer naar de kerk, omdat we bang zijn dat ons hetzelfde overkomt als Guy Coponet. Barcelona moet mooi zijn, maar is een andere reisbestemming niet veiliger? Moet je echt elk jaar naar een kerstmarkt?

    De gedachte volstaat. We waren niet aanwezig bij de aanslagen, we hebben niet gezien hoe Jacques Hamel in elkaar zakte, we hebben niet gehoord hoe het hout van de kerstkraampjes op de Breitscheidplatz versplinterde. Toch heeft de angst ons bekropen. We zijn geterroriseerd.

    En het is mijn schuld.

    Niet alleen die van mij natuurlijk, maar van ons journalisten, van mij en al mijn collega’s die over terrorisme berichten.

    De meeste mensen vernemen het nieuws van een aanslag via een pushbericht op hun smartphone, via de Tagesschau, van een stem uit de autoradio of door een blik in de krant. Maar ook wanneer politici zich erover uitlaten, wanneer bijvoorbeeld Angela Merkel een aanslag ‘ten scherpste veroordeelt’ of de minister van Buitenlandse Zaken zijn medeleven betuigt, zijn het journalisten die deze stemmen met hun camera’s en microfoons de huiskamer in brengen.

    Boodschappers van de terreur

    Het is pijnlijk om toe te geven, maar wij journalisten zijn de boodschappers van de terreur, via ons worden vijf bang gemaakte mensen miljoenen bang gemaakte, woedende, om wraak schreeuwende mensen, verspreid over de hele wereld. De Tagesschau berichtte over Hamel, net als CNN. Natuurlijk kan ik nu het beroemde zinnetje ‘Don’t shoot the messenger’ aanhalen, wat zo veel betekent als: de boodschapper heeft geen schuld aan de boodschap die hij overbrengt. Alleen in dit geval klopt dat niet.

    De hele handelwijze van de terroristen is gericht op verspreiding via de media. Ze willen ons journalisten ertoe bewegen zo veel, zo lang en zo sensationeel mogelijk te berichten. Daarom kiezen ze symbolische doelwitten. Daarom dwingen ze Guy Coponet om te filmen. Daarom laten ze de vrouwen leven. Wat is er schokkender dan huilende nonnen op televisie? De aanslagplegers van Rouen is één dode meer waard dan zes doden.

    Al in de jaren vijftig dacht een Algerijnse revolutionair er hardop over na wat beter zou zijn: tien vijanden doden in een afgelegen oord waarvan niemand getuige is, of één in Algiers, zodat mensen in verre landen en belangrijke politici er de volgende dag van horen. Hiermee formuleerde hij het leidmotief van het huidige terrorisme.

    De terroristen maken gebruik van ons journalisten. En wij laten ons gebruiken, steeds opnieuw.

    Terroristisch geweld is er altijd geweest, maar pas in de moderne tijd werd het een machtig fenomeen. Volgens historica Carola Dietze uit Braunschweig verspreidde het zich in de loop van de negentiende eeuw in eerste instantie ‘waar de transport- en de communicatietechnologie bijzonder vergevorderd waren en het politiek geïnteresseerde publiek zich zeer sterk had gemanifesteerd’.

    Dus: vooral in Europa.

    In 1858 gooide de revolutionair Felice Orsini in Parijs een bom naar de auto van de Franse keizer Napoleon III, in de hoop daarmee een volksopstand te ontketenen.

    In 1881 vermoordden anarchisten de Russische tsaar Alexander II toen hij in zijn koets door Sint-Petersburg reed.

    In 1914 schoot een Servische nationalist in Sarajevo de Oostenrijkse troonopvolger aartshertog Franz Ferdinand dood en gaf daarmee indirect de aanzet tot de Eerste Wereldoorlog.

    Alle drie de daden waren politieke moorden zoals die al millennialang werden gepleegd, maar met één verschil. De aanslagen vonden niet in het geniep plaats, maar in het openbaar, midden in Europese metropolen. Er waren honderden getuigen en via de kranten en telegrafen verspreidde het vreselijke nieuws zich binnen een paar dagen over het hele continent.

    Opeens hadden kleine terreurgroepen, zelfs individuen, een middel gevonden om met een geringe inspanning het wereldgebeuren te beïnvloeden. De publiciteit: het was een wapen geworden. Benut, naargelang de historische context, door fascistische, antikoloniale, nationalistische of communistische strijders.

    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.
    Een grote menigte verzamelde zich voor de Franse ambassade in Berlijn n.a.v. de schietpartij op de hoofdredactie van Charlie Hebdo op 7 januari 2015.

    Terroristen werden propagandisten van de daad, maar ook van het woord. Ulrike Meinhof, een van de leiders van de RAF, was journaliste. In juni 1970, nog voor de eerste terreuraanslagen van de groep, publiceerde Der Spiegel ongeredigeerde stukken uit een RAF-pamflet dat Meinhof had geschreven. Jaren later, in september 1977, zagen Duitsers die de televisie aanzetten een uitgeputte werkgeversvoorzitter Hanns-Martin Schleyer, die in doodsangst voorlas uit de Stuttgarter Zeitung. De RAF had hem ontvoerd. De groep maakte het Duitse publiek tot getuige van deze schandelijke vertoning en zette daarmee de Bondsregering onder druk.

    De geschiedenis van de media en die van de terreur zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Op elke mediatechnische doorbraak volgt een nieuwe vorm van terrorisme.

    Toen er voor het eerst live verslag van de Olympische Zomerspelen werd gedaan op televisie, in 1972 in München, vielen Palestijnen het Israëlische team aan. De beelden gingen de hele wereld over, niemand praatte meer over sport, iedereen had het over het Midden-Oosten.

    Toen halverwege de jaren negentig televisiezender Al-Jazeera was opgericht, stuurde Osama bin Laden zijn koeriers met boodschappen naar de redactie van het station. En zoals Der Spiegel Meinhofs woorden had afgedrukt, zo verspreidde Al-Jazeera het gedachtegoed van Bin Laden.

    Maar op een gegeven moment verminderde de belangstelling van de zender voor de lange teksten, waarop Bin Laden van strategie veranderde. Hij liet zijn strijders spectaculaire aanslagen uitvoeren, bomaanslagen op de Amerikaanse ambassades in Kenia en Tanzania, een aanval op een Amerikaans oorlogsschip en uiteindelijk, in september 2001, de succesvolste terreuraanslag uit de geschiedenis, die zo perfect was geënsceneerd dat geen redactie ter wereld een keus had. Nog vrijwel dagelijks worden de beelden wel ergens op televisie vertoond en met elke keer dat iemand de vliegtuigen de torens in ziet vliegen, doen de islamisten hun voordeel.

    De vorm van terrorisme die de islamisten bedrijven is de tot nog toe totalitairste. De RAF viel vertegenwoordigers van de politieke en economische elite aan, Bin Laden richtte zijn pijlen op iedereen die zich niet kon vinden in zijn radicale interpretatie van de islam. Niemand mocht zich veilig voelen, iedereen moest bang zijn.

    De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online

    Dan vindt er een beslissende ontwikkeling plaats. Meer dan honderd jaar lang hadden de terroristen de journalistieke filters moeten trotseren om het publiek te bereiken. Ze waren aangewezen op de berichtgeving in kranten en op de radio. Met de uitbreiding van internet komt daar verandering in.

    De eerste terreurgroep die dat systematisch benut, is de Iraakse tak van Al-Qaida. Wanneer hun leider, Abu Musab al-Zarqawi, in mei 2004 de Amerikaanse zakenman Nicholas Berg onthoofdt, wordt de video daarvan binnen 24 uur een half miljoen keer gedownload. De terroristen hebben een rechtstreekse manier gevonden om de schokkendste beelden in de hoofden van mensen over de hele wereld te prenten.

    Niet veel later komen er camera’s op de markt die niet groter zijn dan een luciferdoosje.

    Aanvankelijk filmen beoefenaars van extreme sporten daarmee hun spectaculaire skiafdalingen of skateboardsprongen, maar dan bevestigt de kruimelcrimineel Mohammed Merah in maart 2012 zo’n camera op zijn borst in de Zuid-Franse stad Toulouse. Hij filmt hoe hij in een joodse school een rabbi en drie kinderen doodschiet. Wanneer een speciale eenheid twee dagen later zijn woning omsingelt, is hij nog op zijn laptop bezig om de beelden te monteren.

    Even na middernacht weet Merah op een op andere manier het politiekordon te doorbreken. Hij zou kunnen vluchten, maar in plaats daarvan loopt hij naar de brievenbus om de USB-stick met de 24 minuten durende film naar het Parijse kantoor van Al-Jazeera te sturen. Daarna gaat hij terug naar zijn woning. Korte tijd later wordt hij doodgeschoten.

    Tegenwoordig stelt de zogenaamde Islamitische Staat zich niet meer tevreden met het simpelweg filmen van zijn opmars, aanvallen en executies. De propagandisten van IS maken opnames vanuit verschillende standpunten, monteren de beelden op een Hollywood-achtige manier, voorzien ze van dramatische muziek en zetten ze online.

    En wij journalisten verspreiden ze verder. De collega’s van de televisieredacties kunnen immers niet even voor een reportage naar het kalifaat rijden. Ze gebruiken dus de films die IS zelf maakt, weliswaar met klein in een hoekje geschreven ‘propagandavideo’, maar dat verandert niets aan het feit dat we beelden zien die IS van zichzelf schetst. Beelden van onthoofdingen, weliswaar geblurd, maar de fantasie vult de gaten op. Video’s van strijders die glimlachend in de camera kijken en vertellen hoe fijn ze het vinden om ongelovigen met botte sabels de keel door te snijden.

    Zo is IS in ons hoofd de belichaming van het kwaad geworden. Na de aanslag in Barcelona kopte The Times ‘Evil strikes again’. Het kwaad slaat weer toe. Niet een paar gesjeesde figuren, nee, het kwaad als zodanig, niet minder dan dat! Vreugdekreten bij de terroristen. Doel bereikt. Iedereen is bang.


    De effecten van dit soort berichtgeving zijn uitstekend gedocumenteerd. In een Israëlisch onderzoek ontdekten wetenschappers dat mensen die gruwelijke details van aanslagen op televisie zien symptomen van een posttraumatische stressstoornis ontwikkelen.

    Bij een ander wetenschappelijk onderzoek, eveneens uitgevoerd in Israël, deelde een psychologe meer dan tweehonderd mensen in twee groepen in. De ene groep liet ze nieuwsreportages over terrorisme zien, de andere overig politiek nieuws. De leden van de eerste groep vertoonden veel meer tekenen van angst.

    Uit enquêtes blijkt dat de Amerikanen tegenwoordig banger zijn voor terreur dan voor hittegolven en auto-ongelukken, hoewel die twee laatste verantwoordelijk zijn voor een veelvoud van sterfgevallen.

    Maar wat heeft IS eraan dat mensen in Europa of Amerika bang zijn?

    Bang gemaakte maatschappijen gedragen zich als een in een hoek gedreven hond, die panisch om zich heen bijt. Dat geldt treurig genoeg in het bijzonder voor democratieën, want daar slaat de angst van de mensen algauw om in eisen aan de politiek. Om niet zwak over te komen moet die iets doen, en vaak is dat te veel.

    Het beste voorbeeld is 11 september. In de eerste oktoberdagen van 2001 eiste volgens een enquête 92 procent van de Amerikanen een militaire reactie op de terreuraanslag. Wat volgde waren de oorlogen in Afghanistan en Irak. Een paar terroristen hadden de VS geprovoceerd, en als reactie werden complete landen aangevallen waarbij honderdduizenden mensen de dood vonden, grotendeels onschuldige slachtoffers van wie de families Amerika voortaan als vijand beschouwden. Hierna volgden Guantanamo, Abu Ghraib, het verraad aan de mensenrechten.

    Veel gemakkelijker hadden de VS het de ronselaars van de terreur niet kunnen maken, want die kregen een hele reeks valide argumenten aangereikt.

    Terroristen laven zich aan de escalatie. Ze provoceren, steken toe, vallen aan, tot ze een reactie krijgen. De RAF wilde met haar aanslagen de Duitse staat dwingen zijn vermeende nazigezicht te tonen. De islamisten willen de hele westerse wereld tot een grote slag bewegen. Ook de terroristen die nog nooit in Syrië of in Irak zijn geweest en in de kinderkamer of een achterafmoskee zijn geradicaliseerd, zien zichzelf als dappere soldaten in een heroïsche oorlog.

    Die oorlog bestaat niet. De strijd tegen het terrorisme is in werkelijkheid een confrontatie met enkele radicale misdadigers. Als we het militaire vocabulaire overnemen, zoals de toenmalige Franse president François Hollande die het na de aanslagen in Parijs over een ‘oorlogsdaad’ had, of zoals de Frankfurter Allgemeine Zeitung die na Barcelona opnieuw repte van een ‘oorlog tegen het westen’, dan doen we hun een groot plezier. We verheffen hen tot iets wat ze niet zijn.

    De vijf stappen van het terrorisme zijn dus: één, er wordt een aanslag gepleegd, twee, er wordt veel over bericht, drie, de berichtgeving leidt tot angst die op zijn beurt, vier, tot een overdreven reactie leidt en uiteindelijk, vijf, tot nieuw terrorisme.

    Als journalist zou je kunnen tegenwerpen dat op stap twee, berichtgeving, niet per se stap drie, angst, hoeft te volgen. Dat het erop aankomt hoe we berichten. Ook ik heb dit argument vaak gebruikt in discussies, maar als ik eerlijk ben beschouw ik het inmiddels als een goed klinkende uitvlucht. Het stelt ons geweten gerust, maar in werkelijkheid klopt het niet. Hoe moet ik over terreuraanslagen berichten zonder angst te zaaien?

    Schrijf ik over de dader – zoals de redactie van Bild die dezer dagen foto en naam van de vermoedelijke aanslagpleger in Barcelona publiceerde –, dan plaats ik hem op een voetstuk en maak ik de 99 procent bang (‘Stel dat er nog meer zijn zoals hij’).

    Bericht ik over de slachtoffers – zoals dezer dagen RTL-verslaggevers die het verhaal vertelden van de zevenjarige Julian uit Australië die in Barcelona omkwam –, dan voed ik eveneens de angst (‘Stel dat het mijn kind zou zijn’) en bovendien het verlangen naar wraak.

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden “Amri”, “Breitscheidplatz” en “kerstmarkt” roepen bepaalde beelden op

    Zelfs met een artikel als dit speel ik terroristen uiteindelijk in de kaart, want alleen al de woorden ‘Amri’, ‘Breitscheidplatz’ en ‘kerstmarkt’ roepen bepaalde beelden op.

    Er is daarom maar één oplossing: we zouden moeten voorkomen dat dit mechanisme überhaupt op gang komt. We zouden moeten stoppen met het berichten over terreuraanslagen.

    Laten we het ons heel even proberen voor te stellen: geen pushberichten meer op onze smartphone, geen bericht in de Tagesschau, geen Brennpunkt daarna, geen politici die arm in arm voor fotografen poseren en statements van medeleven afgeven, en mochten ze dat wel willen dan ontbreekt een microfoon. De Brandenburger Tor zou niet meer in de kleuren van het getroffen land worden verlicht, de aanslagplegers zouden geen reden meer hebben om zich helden te voelen; ze zouden verschrompeld zijn tot wat ze eigenlijk zijn – criminelen. En wij zouden allemaal gewoon verder leven alsof er niets was gebeurd. We zouden zonder angst de metro in blijven stappen, naar Barcelona blijven vliegen en naar de kerstmarkt blijven gaan.

    Een aanslag zou dan alleen rechtstreekse gevolgen hebben voor de familie van de slachtoffers, de ooggetuigen, het medisch personeel en enkele therapeuten – net als bij een auto-ongeluk. Dat kan altijd nog om honderden mensen gaan, maar in elk geval geen miljoenen meer. Na een kettingbotsing op de A8 zet niemand de Brandenburger Tor in de schijnwerpers. De angst zou zijn beteugeld. Onze maatschappij zou gezonder zijn.

    Het Werther-effect

    Dit gedachtespel is aangenaam en een kwelling tegelijk, vooral voor mij als journalist, want natuurlijk druist het in tegen hoe ik mijn beroep zie. Het is mijn taak om verslag te doen. Systematisch zwijgen zou een vorm van zelfopgelegde censuur zijn, die intern meteen aanleiding zou geven tot discussies over de persvrijheid.

    Wat vaak wordt vergeten is dat er een situatie is waarin wij journalisten dit soort zelfcensuur allang bedrijven – het alleen anders noemen.

    In 1974 kwam een Amerikaanse socioloog tot de ontdekking dat zich in de VS altijd buitengewoon veel mensen van het leven beroofden als vlak daarvoor een artikel over zelfmoord in The New York Times was verschenen. Hij noemde het fenomeen ‘het Werther-effect’, naar de gebeurtenissen rond de beroemde achttiende-eeuwse roman van Goethe, de waarschijnlijk gevaarlijkste bestseller uit de literatuurgeschiedenis. Destijds hadden veel lezers het voorbeeld van de vertwijfelde hoofdpersoon Werther gevolgd en zich een kogel door het hoofd gejaagd.

    Deze bevindingen werden in ontelbare onderzoeken bevestigd: hoe meer er over een zelfmoord wordt geschreven, hoe groter het aantal navolgers. Daarom hebben journalisten in veel landen afgesproken om maar heel beperkt over zelfmoorden te berichten.

    Toen bijvoorbeeld het aantal zelfmoorden in Wenen halverwege de jaren tachtig steeg, gaf een Oostenrijks voorlichtingsbureau een brochure uit waarin stond dat journalisten zich moesten onthouden van ‘sensationele’ berichtgeving, in geen geval details van de daad of een foto moesten publiceren en bovendien het artikel van een telefoonnummer moesten voorzien waar mensen hulp konden krijgen. De Oostenrijkse journalisten hielden zich eraan, het aantal zelfmoorden daalde met een derde en bleef vervolgens laag.

    Geen berichtgeving redt levens – bij het thema suïcide is dat voor ons journalisten voldoende reden om te zwijgen.

    Vier weken geleden stond er een interessant artikel in het gerenommeerde Journal of Public Economics over een onderzoek van Michael Jetter, een Duitse econoom aan de University of Western Australia. Jetter heeft 61.132 aanslagen uit de periode 1970-2012 tegen het licht gehouden aan de hand van de vraag of de terroristen door berichtgeving in de media tot hun daden waren aangezet. De conclusie: steeds wanneer er in de media bijzonder veel aandacht was besteed aan een aanslag, kwam het in de daaropvolgende zeven dagen tot nieuwe aanslagen, waarbij gemiddeld drie mensen de dood vonden.

    Jetter heeft daarmee het bewijs geleverd dat er ook bij terreuraanslagen een soort Werther-effect optreedt. Mediaberichtgeving brengt nieuw terrorisme voort. Anders gezegd: omdat wij verslag doen, sterven mensen. 99 procent van de geïnteresseerde derden mogen dan met angst en schrik reageren als ze op het avondjournaal de huilende non Huguette zien, maar er zijn ook mensen die in dezelfde situatie het tegenovergestelde voelen – enthousiasme. Als die mensen horen hoe de terroristen de priester doodstaken, hoe de aanslagplegers van Parijs bomvesten aandeden en zich bij het voetbalstadion opbliezen, dan zien ze dat als instructie. Die mensen zetten de televisie uit en gaan erop uit om te moorden.

    Er zouden minder aanslagen en minder doden zijn als wij journalisten zwijgzamer waren.


    De ochtend na de aanslag in Barcelona klikte ik door de nieuwssites op internet. Spiegel Online had de eerste zes artikelen aan de terreur gewijd, de online-edities van de Süddeutsche Zeitung en de Franfurter Allgemeine Zeitung eveneens, bij Die Zeit waren het de eerste vier, bij Bild ook, maar op de site van die laatste stonden ook nog een video en een galerij ‘De foto’s van de terreur’. Ik moest een heel stuk naar beneden scrollen alvorens iets te vinden over belastingen, de verkiezingsstrijd of de Bundesliga die die avond van start zou gaan.

    Een paar uur later stak een man op het marktplein van de Finse stad Turku in op negen voorbijgangers, van wie twee overleden. Of hij werd geïnspireerd door de aanslag in Barcelona is nog onduidelijk, maar er zijn zeker tekenen die daarop wijzen.

    Als terroristen mede worden aangespoord door onze reportages, waarom houden we er dan niet mee op? Waarom behandelen we zelfmoordterroristen als aanslagplegers en niet als zelfmoordenaars?

    Nu zou je daar tegen in kunnen brengen dat een zelfmoordenaar alleen zichzelf doodt en een zelfmoordterrorist ook vele anderen. De aanslagpleger slaat toe in de openbare ruimte; hij valt onze maatschappij aan en de mensen hebben het recht om dat te weten. Kortom, terrorisme is te belangrijk om het te verzwijgen.

    Ik heb dit altijd een valide argument gevonden, tot afgelopen zomer. Toen was ik een van de honderden journalisten die naar München reisden nadat een jongeman kort daarvoor negen mensen had doodgeschoten in het Olympia-Einkaufszentrum. Iedereen, ook ik, dacht: Daar is hij dan, de eerste grote terreuraanslag in Duitsland. De stad was in paniek, voor ons journalisten was het duidelijk dat dit onderwerp ons dagen en waarschijnlijk weken zou gaan bezighouden. Veel redacties stuurden de dag daarna nog versterking.

    Maar toen gebeurde er iets bijzonders. Het bleek dat de moorden geen terreuraanslag waren, maar een ‘klassiek’ geweldsincident – en meteen was alles anders: de mensen haalden opgelucht adem. Voor ons journalisten was het onderwerp opeens kleiner, de redacties reserveerden minder ruimte en veel collega’s vertrokken.

    En dat terwijl het aantal slachtoffers niet naar beneden was bijgesteld en het verdriet van de nabestaanden er niet minder op was geworden. Nog altijd was onduidelijk of er medeplichtigen of ingewijden waren, veel vragen waren nog onbeantwoord. Maar op een of andere manier was de druk van de ketel.

    We vinden terroristen veel gevaarlijker dan eenlingen die in het wilde weg om zich heen schieten, maar het risico om bij zo’n laatste geweldsincident om te komen is veel groter.

    In onze waarneming hebben we van iets relatief ongevaarlijks iets gevaarlijks gemaakt. Dat is een enorm succes voor de terroristen. Met hun propaganda hebben ze deze verkeerde voorstelling stevig in ons verankerd. Maar als het belang dat we toedichten aan een aanslagpleger geconstrueerd is, dan moeten we het ook kunnen deconstrueren, zodat we met dezelfde gemoedstoestand op de volgende terreuraanslag reageren als na het opgelucht ademhalen in München.

    Als we dat afgelopen juli al hadden gedaan, dan hadden we misschien moorden kunnen voorkomen. Het onderzoek van Michael Jetter naar het terroristische Werther-effect was destijds nog niet gepubliceerd. Maar toen ik het later las, moest ik terugdenken aan de zomer van afgelopen jaar, want de schietpartij in München was immers niet de eerste gewelddaad.

    Eerst viel een islamist mensen met een bijl aan in een regionale trein in Würzburg. Een golf van publiciteit.

    Vier dagen later München. Elk medium berichtte erover.

    Twee dagen later blies een aanslagpleger in Ansbach zich op.

    Het lijkt alsof het Werther-effect moeiteloos over ideologische kloven heen springt. Wie tot geweld neigt, imiteert een recent voorbeeld: een schutter dat van een islamist en een islamist dat van een schutter.

    Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel

    Natuurlijk maak ik me geen illusies. Een mediablackout voor terreur zal ons niet lukken. Het zou ook niet voldoende zijn als bijvoorbeeld Die Zeit de berichtgeving zou staken. Ook Der Spiegel, Der Stern, de Süddeutsche Zeitung, Bild, kortom alle Duitse media zouden moeten meedoen. En zelfs dat zou niet volstaan, want veel Duitsers stellen zich op de hoogte via de BBC, The New York Times of de Neue Zürcher Zeitung.

    En dan zijn er natuurlijk nog de sociale media, die aan de andere kant van het journalistieke filter opereren. Je kunt immers niet voorkomen dat iemand ‘Je suis Charlie’ twittert en dat iedereen dat kopieert. Of dat een ooggetuige een wiebelige video van dode mensen post, zoals na Barcelona.

    Je zou bloed zien of een aanslagpleger ‘Allahoe akbar’ horen roepen – ik moet er niet aan denken welk feest de leugenachtige media zouden vieren als er dan geen artikel over in de krant stond. De media zouden worden uitgemaakt voor een kartel dat informatie achterhoudt, en nog terecht ook.

    De terroristen weten dat wij niet anders kunnen – en daar maken ze gebruik van.

    Er is daarom maar één manier om de berichtgeving te reduceren, om eerst de journalisten en vervolgens de terroristen tot zwijgen te brengen: de belangstelling voor de aanslagen moet afnemen. We moeten afstompen.

    Daarom is elke aanval die ons koud laat, elke aanslag die we snel weer vergeten, elke dag waarop de Brandenburger Tor niet uit solidariteit in een vlag van licht is gehuld een stap in de goede richting. Als we na de volgende aanslag van de terreurbeelden naar voetbal zappen, dan moeten we dat niet met een slecht geweten doen. Maar met een goed gevoel.

    Auteur: Bastian Berbner
    Vertaler: Pieter Streutker

    Bastian Berbner won in 2015 de Duitse Reporter Award voor zijn buitengewoon goede interviews. Hij studeerde Arabisch en schrijft als freelancer voor onder meer Die Zeit. Ook maakt hij films.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.

  • Agenda

    Agenda

    Luisteren, zien, bezoeken.

    installation srgm art and china theater of the world 2017 dahnvo

    BEELDENDE KUNST | Na Ass-gate nu 
het Guggenheim

    Take My Breath Away
    Te zien t/m 9 mei in het Guggenheim, NYC

    Hier in Nederland kennen we kunstenaar Danh Vo beter van zijn rechtszaak met 
verzamelaar Kreuk dan van zijn kunstwerken. Kreuk sleepte de Deens-Vietnamese kunstenaar voor de rechter toen die niet over de brug kwam met een aangekocht kunstwerk. Toen Vo de zaak verloor maakte hij een groot werk aan de wand voor verzamelaar met de tekst: Shove it up your ass, faggot it. Dit werk moest het nét wat chiquere werk, dat hij eigenlijk voor een riant bedrag voor Kreuk zou maken, vervangen. Hoe dan ook, 
Ass-gate belemmerde het prestigieuze 
Guggenheim in New York klaarblijkelijk 
niet om de Vo een tentoonstelling te geven. 
In Take My Breath Away, te zien tot 9 mei 2018 (dus zat tijd voor dat midweekje Big Apple) toont Vo een overzicht van zijn werk van de afgelopen vijftien jaar.

    Fotografie, sculpturen en verschillende werken op papier laten zijn obsessie zien 
met onze veranderende wereld aan de hand van intieme, persoonlijke verhalen.

    Een van Vo’s bekendste werken is Vo Rosasco Rasmussen (2002 –) waarin hij trouwt 
met belangrijke mensen uit zijn leven en 
vervolgens direct weer van hen scheidt. 
Hij behoudt altijd de achternaam van zijn laatst gehuwde partner. 
Yuki Kho

    babes

    PODCAST | Art History Babes

    Er staat een nieuwe podcast op mijn favorietenlijst: 
Art History Babes. Is de naam goed gekozen en van deze tijd? Niet echt. Maar de babes maken deze ironische misstap ruimschoots goed met de inhoud. De podcast gaat over beeldende kunst. En hoewel praten over een visueel medium zonder het te zien altijd gek voelt, lossen ze dat bij deze podcast heel goed op door op hun website en instagram veel context voor het oog te bieden.

    De insteek is simpel: met 
plezier praten over kunstgeschiedenis, laagdrempelig en zonder stoffig taalgebruik. Als luisteraar voelt het alsof je bij de vier hosts aan tafel zit, net als zij nippend aan een glas rode wijn. Wat ze doen voelt als kunstgeschiedenis nieuwe stijl, en dat 
zit ’m niet alleen in het taalgebruik. In plaats van een periode uit de geschiedenis per aflevering te pakken heeft elke nieuwe show een totaal ander onderwerp. 
Van een kunstenaar die vol in de schijnwerpers wordt gezet tot een episode volledig gewijd aan drugsgebruik in de kunsten en de invloed ervan. Zeer relevant, aangezien het micro-dosen van 
lsd een ware hype is onder jonge kunstenaars en start-uppers van nu.

    The Art History Babes 
brengen tweemaal per week een nieuwe aflevering uit die te beluisteren is via een podcastapp. Wie er nog eentje zoekt, ik ben sinds kort hooked aan Podbean.


    FESTIVAL | International Journalism Festival

    Aanmelden of reserveren hoeft niet, wie in Perugia rondloopt tussen 11 en 15 april kan het festival niet missen. Toegang: gratis (ja, echt waar)

    Het jaarlijkse Journalism 
Festival in Perugia Italië is uitzonderlijk in haar categorie. Het is voor iedereen gratis toegankelijk én niet in een enorme conferentiezaal ergens in de periferie, maar 
in het hart van het pittoreske Perugia. Van het gemeentehuis tot lokale familiepensions, elk zaaltje wordt deze vier dagen benut. Altijd vindt het plaats in april, waardoor het weer al aangenaam is en de middagen lang en zonnig zijn. Maar goed, dat is ambiance. De inhoud, de inhoud daar gaat het immers om. Maar ook daarover is menig festivalganger te spreken. De tientallen panels en keynotes gaan over de toekomst van het vak, nieuwe research-middelen en hoe samenwerkingen versterkt kunnen worden. Hoe ze het doen weten we niet, maar elk jaar zit de line-up weer boordevol hotshots. Vorig jaar nog waren o.a. de CEO van The New York Times en de product director van Facebook er. Ja, Facebook is prominent op het festival aanwezig. Dubieus, maar 
ook handig. Waar Instagram online onbenaderbaar is, staan hier keurig echte mensen alle vragen over het medium te beantwoorden. Old boys social network.

    Het programma van dit jaar is net bekend: van een panel over diversiteit op redacties tot een interviewsessie over extreemrechts onder Trump.

    U ziet het, dit festival is niet alleen interessant voor wie 
in het vak zit, maar ook voor iedereen die met grote ogen naar het wereldtoneel kijkt en wil weten hoe de media daar een rol in spelen.

    1. Guerrilla Girls; 2. Cross-linx; 3. Chynna Rogers; 4. Düsseldorfer Schule.
    1. Guerrilla Girls; 2. Cross-linx; 3. Chynna Rogers; 4. Düsseldorfer Schule.

    Guerrilla Girls
    8 maart is het internationale vrouwendag, in het Stedelijk Museum Amsterdam geven de bekende kunstactivisten The Guerrilla Girls een lezing.

    Cross-linx
    Het Cross-linx festival in Eindhoven programmeert artiesten uit de avant-garde popscene. Een mix tussen electro, klassiek en triphop.
    Van 1 t/m 4 maart

    Chynna Rogers
    Chynna Rogers was model, maar kwam er door met muzikanten om te gaan achter dat ze zelf erg goed kan rappen. 
Nu toert ze de wereld over en is ze naast rapper ook liedjesschrijver en artdirector van haar eigen merk.
    8 maart in Paradiso

    Düsseldorfer Schule
    Huis Marseille toont verschillende werken van fotografen uit de Düsseldorfer Schule, een invloedrijke en eigentijdse visie van docenten Bernd en Hilla Becher, met leerlingen als Thomas Ruff en Andreas Gursky.
    Vanaf 9 maart

    Auteur: Yuki Kho

  • ‘Niemand wist hoe je over Trump moest schrijven. Ik wel’

    ‘Niemand wist hoe je over Trump moest schrijven. Ik wel’

    Deze week verscheen de Nederlandse vertaling van Fire and Fury, de onverbiddelijke bestseller over Donald Trump. Het Duitse weekblad Die Zeit sprak met auteur Michael Wolff over zijn toegang tot het Witte Huis, 
de kritiek op zijn boek en de wraakzucht van Trump.

    U beschrijft in uw boek de eerste maanden van Donald Trump in het Witte Huis, en u beweert dat hij mentaal niet in staat is om zijn werk te doen. U zet daarmee fundamentele vraagtekens bij het presidentschap van Donald Trump. Was dat uw opzet?

    ‘Het was niet mijn bedoeling Trump 
te beschadigen. Ik had met plezier een ander boek geschreven, over Trump 
als succesvol president. Eigenlijk had 
ik dat zelfs heel graag gedaan, want 
dat zou pas een bijzonder boek zijn geweest. Maar ik heb daar geen enkele aanwijzing voor gevonden.’

    Klopt het dat president Trump na het 
verschijnen van uw boek informatie heeft 
ingewonnen over uw afspraken met de pers? Houdt hij u in de gaten?

    (lacht) ‘Ja, blijkbaar wel. Als hij dat serieus meent, dan zal hij de afgelopen tijd veel tijd voor de televisie hebben doorgebracht.’

    Uw boek heeft enorme gevolgen. Trump heeft zijn voormalige chef-adviseur Steve Bannon zo goed als buitenspel gezet en 
probeert via Twitter te bewijzen dat hij mentaal stabiel is. Wat mogen we allemaal nog meer verwachten?

    ‘Dat weet ik eerlijk gezegd ook niet. Ik had dit allemaal totaal niet verwacht. Het gaat tenslotte maar over een boek. En veel van wat ik schrijf is absoluut niet nieuw.’

    U geeft heel wat voorbeelden die erop wijzen dat Trump geestelijk gestoord zou zijn. U schrijft dat hij oude vrienden van 
zijn golfclub niet meer herkent, dat hij voortdurend en steeds vaker hetzelfde 
zegt. Lijdt de president aan dementie?

    ‘Dat kan ik niet zeggen, ik ben geen arts. Maar als je een gesprek voert met iemand die voortdurend alles herhaalt, dan vind ik dat toch alarmerend.’

    ‘Toen ik zei dat ik een boek wilde schrijven, zei hij: ‘Een boe-oek?’ En verloor onmiddellijk zijn interesse’

    Kunt u iets meer vertellen over een van 
de keren dat u Trump in het Witte Huis hebt ontmoet?

    ‘Nee.’

    Waarom niet?

    ‘Omdat die ontmoetingen niet on the record waren, ze waren niet voor publicatie bedoeld. Hij begon telkens weer over de media. Als ik hem in de wandelgangen tegenkwam, begon hij bijvoorbeeld te klagen over de latenightshows… ik zei dus net dat ik niet over deze ontmoetingen zou praten en nu doe ik het toch, maar goed. Er was een grappig voorval toen hij eens begon te klagen over de uitzendingen van Saturday Night Live. Hij zei: “Die zijn slecht, die zijn zeer, zeer slecht.” En ik antwoordde: “Ach, dat is toch gewoon wat de mensen van dit programma verwachten.” Waarop hij antwoordde: “Maar ze zijn zeer, zeer slecht.” En ik zei: “Trekt u zich dat toch niet zo aan. Negeert u dat toch gewoon.” En hij keek me aan en zei: “Maar Michael, ze zijn zeer, zeer, zeer slecht.” En ik dacht: Okééé…’

    Hoe vaak hebt u hem ontmoet?

    ‘Niet zo vaak. Maar dat hoefde ook niet, want het boek gaat over wat mensen die elke dag met hem samenwerken over hem denken.’

    U kon de eerste maanden van zijn presidentschap bijna ongehinderd het Witte Huis binnenlopen. Hoe heeft u het voor elkaar gekregen om Trump van uw boekproject te overtuigen?

    ‘Ik heb hem na de verkiezingen gevraagd of ik een boek mocht schrijven over zijn eerste honderd dagen als president. Hij dacht eerst dat ik op zoek was naar werk. Maar toen ik zei, nee, nee, ik zoek geen baan, ik wil een boek schrijven, zei hij – ik herinner me dat nog heel goed: “Een boe-oek?” Toen verloor hij onmiddellijk zijn interesse. Daarna zei ik nog dat ik heel graag een boek wilde schrijven, en hij zei alleen nog: “Ach, ach, ja natuurlijk.” Ik heb Kellyanne Conway [een van Trumps belangrijkste adviseurs] daarvan op 
de hoogte gebracht en vervolgens dook ik op geregelde tijdstippen op in het Witte Huis.’

    Hoe moeten we ons dat precies voorstellen?

    ‘Ik liet gewoon afspraken maken voor mezelf. Ik zei dat ik met goedkeuring van de president aan een boek bezig was, en omdat niemand precies wist hoe de vork in de steel zat, kon ik daar bij momenten hele middagen gewoon gaan zitten en kijken hoe het er toegaat. Hoe vaker ze me zagen zitten, 
hoe meer ze me als een deel van het meubilair gingen beschouwen. Soms kwam iemand me zomaar iets vertellen en soms hing ik gewoon wat rond in de West Wing.’

    Kan dat zomaar? Is die niet streng beveiligd?

    (lacht) ‘Je kunt daar inderdaad zomaar rondlopen.’

    Wat deed u anders dan de andere journalisten in het Witte Huis?

    ‘Om heel eerlijk te zijn, stelde ik niet eens vragen. Ik zat daar op een bank in de hal te wachten op mijn afspraak en ik hield mijn ogen en oren open. Ik was als een spons die alles opzoog.’

    Waar was u het bangst voor?

    ‘Dat Rupert Murdoch, de grote mediabaas, lucht zou krijgen van mijn boek en Trump zou vertellen dat hij me eruit moest gooien. Ik vreesde dat Murdoch mijn achilleshiel was.’

    *Murdoch heeft u ooit lange tijd uitgebreid toegelaten tot zijn inner circle, waarna u een heel kritisch boek over hem hebt geschreven. *

    ‘Ja, en toch heeft hij Trump vreemd genoeg nooit voor mij gewaarschuwd. Hoewel ze regelmatig met elkaar telefoneren.’

    Afgezien van Trump zelf is het bijna onvoorstelbaar dat zoveel medewerkers openlijk met u over de president hebben gepraat.

    ‘Ik had het gevoel dat niemand wakker lag van een boek dat pas over een jaar of zo zou verschijnen. Soms hadden 
we een gesprek off the record, waarna 
ik vroeg om bepaalde uitspraken te mogen gebruiken voor het boek. Toen ze vroegen wanneer het zou verschijnen en hoorden dat dat pas over een jaar zou zijn, leek dat zo ver weg dat 
ze het allemaal prima vonden.’

    Michael Wolff. © Nathan Congleton / Getty Images
    Michael Wolff. © Nathan Congleton / Getty Images

    U schrijft dat de medewerkers van Trump heel anders over hem zijn gaan denken in 
de zes maanden dat u daar was. Hoezo?

    ‘In het begin vond iedereen het leuk om die eigenaardige, maar door het volk verkozen president bij te staan. De meesten kenden hem helemaal niet. 
Bij andere regeringen hadden de medewerkers al twee of drie jaar samengewerkt met de presidentskandidaat, voor hij het Witte Huis introk, maar Trump had niet zo’n ingewerkt team. Tijdens mijn laatste weken in het Witte Huis, toen Trumps medewerkers hem bij het dagelijkse werk hadden leren kennen, waren ze allemaal compleet gedesillusioneerd door zijn woedeaanvallen, zijn koppigheid en door het feit dat zijn kinderen uiteindelijk meer gezag hadden dan zijn ervaren medewerkers.’

    U schrijft dat alle medewerkers er inmiddels van overtuigd zijn dat er aan hun baas iets schort en dat hij niet voldoet aan de hoge eisen van het presidentschap. Waarom houden de meesten er dan niet mee op?

    ‘Aan de ene kant gaat het om hun carrière. Maar ik denk dat ze gewoon ook het ergste willen voorkomen. Ze zijn er om hem zoveel mogelijk op het goede spoor houden. Zijn medewerkers proberen Trump onder controle te houden, hoewel ze weten dat hij niet onder controle te houden is. Het zijn geen mensen die bewondering hebben voor de man voor wie ze werken. Ze zien het min of meer als hun taak het land voor Trump te beschermen.’

    Een van uw belangrijkste gesprekspartners in het Witte Huis was Steve Bannon, die u beschrijft als een briljant strateeg. Bannon moet toch precies geweten hebben met wie hij zo openlijk over Trump in gesprek ging en wat de risico’s daarvan waren.

    ‘Bannon raakte steeds gefrustreerder over Trump en hij zag hem in toenemende mate als een probleem voor zijn nationalistische project. Bannon was ervan overtuigd dat zijn kandidaat Roy Moore bij de tussentijdse verkiezingen voor de senaat in Alabama zou winnen en dat hij daarna afstand zou kunnen nemen van Trump. Want Moore had Bannon in zijn functie van kingmaker bevestigd. En Bannon zou mijn boek hebben gebruikt om zich te distantiëren van Trump, die hij steeds meer als een idioot begon te zien.’

    Bannon heeft intussen een van zijn 
uitspraken over Trumps oudste zoon, Donald Trump Junior, teruggenomen…

    ‘Nee, hij neemt die uitspraak niet terug, dat klopt niet. Hij zegt alleen dat zijn beschuldiging van landverraad niet tegen Donald Junior gericht was, maar tegen Paul Manafort [een andere Trump-adviseur]. Wat absurd is.’

    ‘Zijn medewerkers zien het als hun taak het land voor Trump te beschermen’

    Zou u Bannon die uitspraak op tape terug kunnen laten horen?

    ‘Hij weet dat ik dat opgenomen heb. En daarom heeft hij ook zijn andere uitspraken over Donald Trump Junior niet teruggenomen, bijvoorbeeld dat hij meteen zou breken bij een ondervraging door speciaal aanklager Robert Mueller. Bannon wil de schade beperken, maar hij kan zijn uitspraken niet terugnemen.’

    Veel journalisten hebben gepoogd Trump politiek te verklaren. Uw boek gaat bijzonder weinig over politiek…

    ‘Dat is puur en alleen omdat ik denk dat politiek Trump niet interesseert. Volgens mij moet je Trump niet proberen te verklaren door te beschrijven hoe hij de hervorming van het zorgstelsel aanpakt. Dat is niet het verhaal. De journalisten in Washington wisten van meet af aan niet hoe ze over Donald Trump moesten schrijven. Ik ontdekte hoe het moet. En het lijkt de lezers te overtuigen.’

    Volgens critici hebt u succes met uw boek omdat u Trumps tegenstanders bevestigt 
in hun afkeer.

    ‘Welnee, mijn boek bevestigt niets, 
het is Harry Potter!’

    ‘Hij is de eerste president in de geschiedenis van de Verenigde Staten die een klacht indient wegens smaad en schending van de morele levenssfeer’

    Eigenlijk komt uw argumentatie erop neer dat een man die zich gek en dom gedraagt, misschien gewoon gek en dom ís. Dat is gevaarlijk. The New York Times verwijt u dat uw kritiek niet gefundeerd is.

    ‘Ik denk dat The New York Times even verrast was door mijn boek als Trump zelf. De krant dacht dat het verhaal van Trump haar toebehoorde. En toen kwam ik op de proppen, een onafhankelijke journalist, een buitenstaander die niet tot de journalistieke en politieke kringen in Washington behoort. En nu zijn ze verontwaardigd dat ik er met de scoop van de eeuw vandoor ben gegaan.’

    Trump staat erom bekend dat hij erg wraakzuchtig kan zijn. Bent u niet bang voor bijvoorbeeld een onverwachte belastingcontrole?

    (lacht) ‘Ja, hij is echt heel wraakzuchtig. Hij heeft al een klacht tegen me ingediend! Hij is de eerste president in de geschiedenis van de Verenigde Staten die een klacht indient wegens smaad en schending van de morele levenssfeer. Naar mijn mening is dat een contradictie, als je president bent van de Verenigde Staten. Dus ja, hij is wraakzuchtig. Maar hij is ook incompetent, en daarom maak ik me niet echt zorgen.’

    En hoe zit het met extremistische Trump-aanhangers? Het huis van de vrouw die Roy Moore in Alabama ten val heeft gebracht door hem ervan te beschuldigen dat hij haar als kind heeft aangerand, is onlangs in vlammen opgegaan.

    ‘Die arme vrouw woont in Alabama, ik woon in Greenwich Village in New York. Ik woon niet te midden van de Trump-aanhangers. Ik denk dat een Trump-fanaat op West 9th Street nogal zou opvallen.’

    Oprah Winfrey heeft laten weten dat ze er ‘serieus over nadenkt’ in 2020 op te komen als presidentskandidaat voor de Democraten. Hebt u haar al een nieuw boekproject voorgesteld?

    (lacht) ‘Goed idee!’

    Auteur: Kerstin Kohlenberg
    Vertaler: Els Snick

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • Journalistiek in tijden van Facebook

    Journalistiek in tijden van Facebook

    Franklin Foer, broer van schrijver Jonathan Safran Foer, was hoofdredacteur van het tijdschrift The New Republic toen dat werd overgenomen door Facebookmiljonair Chris Hughes. In dit fragment uit zijn boek Ontzielde wereld beschrijft Foer hoe Hughes’ zucht naar digitale lezers het blad van de regen in de drup hielp.

    Chris Hughes was een mythische ridder – jongensachtig onschuldig, fantastisch rijk, intellectueel nieuwsgierig, onverwacht nederig en trots idealistisch. In mijn hele carrière bij The New Republic heb ik van zo’n weldoener gedroomd. Vele jaren lang dreven we van de ene eigenaarsgroep naar de andere, die stuk voor stuk het tijdschrift en zijn historische missie wilden redden. Maar deze investeerders ontbrak het aan de middelen om in onze toekomst te investeren of ze hadden onvoldoende vertrouwen om er volledig voor te gaan. We bleven onze edities ophoesten, maar steeds achtervolgd door het spookbeeld dat we in de handen van een Russische oligarch of een ideologische fanaticus 
zouden belanden. De eindeloze zoektocht naar een beschermheer putte me uit. Ik nam in 2010 ontslag als hoofdredacteur. Een jaar later ging The New Republic opnieuw dringend op jacht naar een nieuwe eigenaar. En toen kwam Chris binnenwandelen.

    Chris was niet alleen een redder: hij was een gezicht van de tijdgeest. Op Harvard had Chris een kamer gedeeld met Mark Zuckerberg, die hem tot een van de eerste werknemers van Facebook had gezalfd. Chris gaf ons duffe oude tijdschrift een millennium-fiat en een groter budget. Bovendien beschikte hij over een grondige kennis van de sociale media. We hadden het gevoel dat de hoop van de journalistiek op onze schouders rustte, die snakte naar een waardige oplossing voor alles wat haar mankeerde.

    Tijdens mijn kennismakingsgesprek met Chris dwaalden we doelloos door het centrum van Washington met papieren koffiebekers in de hand. Het was een warme lentedag. We gingen zitten op 
de stenen trappen van een Georgische kerk. In die eerste weken als eigenaar had Chris voor zichzelf een eindeloze luistertoer geboekt. Hij leek met iedereen te willen spreken die bij het tijdschrift had gewerkt of die er een duidelijke mening over kon hebben. Maar tijdens ons gesprek leek hij duidelijk meer te willen dan mijn advies. Hij liet doorschemeren dat hij me graag in mijn oude functie zou willen zien.

    De eigenaren van The New Republic waren altijd oudere mannen geweest, met veel geld en uitgesproken meningen. Chris was op een intrigerende manier anders. Hij was achtentwintig jaar oud, en door zijn leergierigheid leek hij zelfs nog jonger. ‘Toen ik hoorde dat The New Republic te koop was,’ zei hij tegen me, ‘ging ik naar de openbare bibliotheek van New York en begon te lezen.’ Hij vroeg microfiches van oudere jaargangen aan. Uit elk decennium van het honderdjarig bestaan van het tijdschrift selecteerde hij een tiental nummers om door te ploegen. De romantische geschiedenis van het tijdschrift – zijn legendarische lijst van schrijvers zoals Rebecca West, Virginia Woolf, Edmund Wilson, Ralph Ellison en James Wood – prikkelde zijn verbeelding en deed de hand op zijn knip verslappen.

    Hoewel hij sinds de beursgang van Facebook honderden miljoenen achter de hand had, leek hij niet geïnteresseerd in zijn rijkdom of er op zijn minst moeite mee te hebben. Hij schaamde zich altijd een beetje wanneer mensen erop wezen dat hij twee landgoederen en een ruime loft bezat; hij droeg 
vaak elke dag van de week dezelfde blazer.

    De bron van zijn fortuin bepaalde niet wie hij was. Hij sprak altijd met een ontwapenende afstandelijkheid over Facebook. ‘Ik breng niet veel tijd op de site door,’ bekende hij eens tijdens een etentje. Die ontboezeming vond ik heel innemend. Al snel begonnen we het tijdschrift opnieuw te kneden. We wilden onze eigen onmogelijk hoge verwachtingen waarmaken.

    Dolle jacht op kliks

    Binnen één generatie is de journalistiek beetje bij beetje opgeslokt. De dominante mediabedrijven uit onze tijd beschouwen zichzelf niet als erfgenamen 
van een grootse, van drukinkt doordrenkte traditie. Sommige noemen zichzelf liever technologiebedrijven. Deze herdefiniëring is niet alleen een kwestie van modieuze restyling. Silicon Valley heeft het beroep geïnfilltreerd, zowel van binnenuit als van buitenaf. In het afgelopen decennium is de journalistiek ongezond sterk afhankelijk geworden van Facebook en Google. De grote tech-bedrijven voorzien de journalistiek 
van een enorm percentage van haar publiek – en daarmee van een groot deel van haar inkomsten.

    Afhankelijkheid leidt tot vertwijfeling – een dolle, schaamteloze jacht op Facebook-kliks, een meedogenloos streven om vat te krijgen op de Google-algoritmen. Het leidt ertoe dat de media afschuwelijke deals sluiten, die lijken op noodzakelijke ingrepen voor zelfbehoud maar in feite alleen maar Facebook en Google de gelegenheid bieden hen 
nog steviger in de greep te houden. Media verlenen Facebook het recht advertenties te verkopen en geven Google toestemming artikelen rechtstreeks 
op zijn supersnelle server te publiceren.

    Wat deze deals zo afschuwelijk maakt, is de wispelturigheid van de tech-bedrijven. Ze veranderen graag snel en radicaal van koers, wat geweldig is voor hun winstcijfers, maar een ramp voor alle mediabedrijven die afhankelijk zijn van de platforms. Facebook bepaalt dat zijn gebruikers de voorkeur geven aan video boven woorden of dat zijn gebruikers ideologisch aangename propaganda verkiezen boven harde nieuwsfeiten.
    Wanneer Facebook op deze manier zijn koers wijzigt of wanneer Google zijn algoritmen bijstelt, verstoren ze onmiddellijk het webverkeer naar de media, met alle gevolgen voor de inkomsten van dien. Media weten dat ze aan de greep van Facebook zouden moeten ontsnappen, maar afhankelijkheid kweekt ook lafheid. De gevangene ligt op zijn brits te dromen van vluchtplannen die nooit zullen uitkomen.

    Het probleem is niet alleen financiële kwetsbaarheid. Het is de manier waarop de tech-bedrijven werkpatronen opleggen, de manier waarop hun invloed het ethos van een hele branche afstemt op hun behoeften, zoals lagere kwaliteitseisen en slechtere ethische bescherming. Ik had me nooit kunnen 
voorstellen dat ons tijdschrift die kant op zou gaan.

    De eerste dagen van mijn samenwerking met Chris waren opwindend. Als een druistige buitenstaander was hij niet geïnteresseerd in blinde navolging van traditionele wijsheid. Toen we de website van The New Republic gingen vernieuwen, kozen we voor een reactionaire benadering.
    Onze homepage zou niet op jacht gaan naar de klikgrage bezoeker. Integendeel, we zouden ons hevig verzetten tegen de impuls haar vol te plempen met een eindeloze stroom klikbare content, die met weinig gevoel voor hiërarchie over de pagina verspreid stond. Onze digitale bladzijden zouden schoonheid en eindigheid koesteren. Ze 
zouden elke ambitie om een breed publiek te trekken laten varen en brutaal het idealisme van ons project verkondigen – door Chris omschreven als niets minder dan het behouden van culturele ernst en het bedrijven van gedegen onderzoeksjournalistiek.

    © Studio Vonq
    © Studio Vonq

    Romantisch idealisme was niet genoeg om Chris tevreden te stellen. Hij heeft altijd geloofd dat hij van The New Republic een winstgevende onderneming kon maken – of in elk geval dat hij zo veel inkomsten zou kunnen genereren dat hij zijn succes kon uitbazuinen in persberichten die ons nog geweldiger zouden maken. Maar Chris’ retoriek over winst leek nooit helemaal oprecht. ‘Ik heb een bloedhekel aan het verkopen van advertenties,’ zei hij mij keer op keer. ‘Het geeft me een vunzig gevoel.’ En meer dan een jaar lang was hij bereid ruimhartig geld te spenderen.

    Achteraf gezien had ik strenger moeten zijn ten aanzien van de cheques die wij uitschreven – ik bedoel, die hij uitschreef. Het was te voorspellen dat frustratie onvermijdelijk de kop zou opsteken wanneer hij uiteindelijk eens goed naar zijn financiën zou kijken. Maar we hadden allebei onze zwakheden. Hij huurde graag kantoorruimte op toplocaties en nam graag topconsultants in de arm. Ik betaalde graag royale vergoedingen aan schrijvers om de wereld over te trekken en liet stukken schrijven alsof ik een extravagante hoofdredacteur uit New York was. Aangezien het venster van zijn liefdadigheid beslist zou sluiten, besloot ik snel veel mensen aan te nemen, onder wie enkele ervaren schrijvers en redacteuren die niet goedkoop waren. Maar het leek hem niets 
uit te maken. ‘Ik heb me nooit zo gelukkig of voldaan gevoeld,’ zei Chris tegen mij. ‘Ik werk met vrienden.’

    Op een dag was het zover. De cijfers haalden Chris in en hij voelde een dringende en begrijpelijke behoefte om winst te gaan maken. Aangezien Chris niets had met adverteren, weigerde hij veel geld uit te geven aan mensen die met het tijdschrift de boer op gingen. Het geld moest ergens vandaan komen – en dat ‘ergens’ was het web. Een drastische toename in 
sitebezoek moest het geld opleveren dat het gat kon dichten. We leefden plotseling in een microkosmos van de recente mediageschiedenis, in een gecomprimeerde periode die een decennium van pijnlijke transitie samenperste in een paar spannende maanden.

    Aan het begin van de eeuw stond het beroep op de rand van de afgrond. Door een reeks economische crises begonnen mediabedrijven alles in te zetten op een digitale toekomst, een toekomst waarin ze geen last hadden van het lompe, bureaucratische apparaat dat papieren publicaties eisten. Het crisisgevoel en het zicht op nieuwe kansen veranderden de oude redactiekamers snel. In de loop van een jaar of tien daalden de salariskosten voor journalisten en redacteuren met 1,6 miljard dollar. Tegelijkertijd verloor de journalistiek haar vitaliteit en stortte haar prestige in.
    Volgens een bepaald onderzoek was krantenverslaggever de ergste baan in de Verenigde Staten, erger nog dan houthakker en reclasseringsambtenaar. Door deze existentiële crisis moest de journalistiek zich bezinnen op haar bestaansreden. Heel die fraaie onafhankelijkheid leek plotseling een onbetaalbare luxe.

    Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule

    Om het webverkeer te laten groeien hadden we een nieuwe manier van denken nodig. Anders dan de televisie beschouwde de gedrukte pers de strategische jacht op een publiek als een te vermijden, vunzige, ietwat corrumperende bezigheid. Schrijvers en redacteuren lieten die jacht liever over aan de commerciële tak van hun bedrijf; zelf hielden ze zich er niet mee bezig. The New Republic koesterde een extreme versie van deze opvatting. Het blad was geboren als een elitetijdschrift – een bedenksel van intellectuelen uit een progressieve tijd, die hoopten de culturele en politieke standaarden van het land te verhogen. In de loop der decennia werd het haast een cultus om de kleine groep te bedienen die interesse had in inside-informatie over politiek en semi-intellectuele boekbesprekingen. Deze mengeling had nooit garant gestaan voor een erg omvangrijk publiek. In het grootste deel van zijn lange geschiedenis was het lezerspubliek van The New Republic zelfs te klein om het footballstadion van de University of Mississippi te vullen. Plotseling moesten we echter via onze website miljoenen lezers zien te bereiken. We moesten ons elitaire denken vaarwel zeggen en de massa’s in hun eigen omgeving tegemoet treden.

    Een groter publiek behoorde duidelijk tot de mogelijkheden. Dat was de les die de journalistiek aan het leren was. We konden de les zelfs terugbrengen tot een wiskundige formule. Jonah Peretti, de oprichter van BuzzFeed en de William Randolph Hearst van onze tijd, heeft die vergelijking als volgt geformuleerd: R = ßζ. De formule zou illustreren hoe een journalistiek stuk viraal kon gaan – hoe het door de sociale netwerken kon reizen en snel een massaal publiek bereiken, net zo snel als de pokken hun weg door Noord-Amerika hadden gevonden. Peretti’s formule was afkomstig uit de epidemiologie [in de epidemiologie staat ζ voor het aantal mensen dat in contact komt met een besmet persoon, en ß voor de kans op besmetting]. De verwijzing naar wetenschap was doelbewust. Met behulp van experimenten en een zorgvuldige bestudering van de data kon je wetenschappelijk bepalen welke stukken de meeste kans hadden viraal te gaan – of in elk geval een omvangrijk publiek te bereiken.

    De nieuwe wetenschap van het webverkeer was in feite een tak van de gedragspsychologie – mensen klikten zo snel dat ze niet altijd helemaal begrepen waarom ze zich meer aangetrokken voelden tot het ene stuk dan tot het andere. Ze lieten zich leiden door cognitieve vooroordelen, irrationele krachten, halfbewust genomen beslissingen. Om een lezer te verleiden moest je dus een beetje manipuleren, stiekem een beetje overredingskracht toepassen.

    Chris had kennis over viraliteit opgedaan via de site Upworthy. Hij had geld gestoken in de lancering van die website en meegeholpen er een internetsensatie van te maken – ‘de snelst groeiende mediastart-up die ik me kan herinneren’, zoals een van de vele kruiperige journalisten het omschreef. Upworthy produceerde niet veel origineels. Het haalde overal op het web video’s en tekeningen vandaan, meestal obscuur spul, en zette er koppen boven die ze aantrekkelijk maakten voor een zeer breed publiek. Deze content wilde een progressieve sfeer uitademen, ergens tussen ‘fantastisch’ en ‘belangrijk’. Upworthy nam het materiaal van anderen en gaf het de magische elementen die tot viraliteit leidden.

    klein03

    Magisch is niet het juiste woord. Psychologen hadden ontdekt hoe ze de onbedwingbare nieuwsgierigheid van mensen moesten opwekken. Mensen vinden onwetendheid niet erg, maar ze hebben er een hekel aan als hun informatie wordt onthouden. Upworthy ontwierp koppen die in lezers een primaire honger opwekten naar informatie die net buiten hun bereik lag. Het pionierde met een stijl die het de ‘nieuwsgierigheidskloof ’ noemde: door net voldoende informatie achter te houden kietelden de koppen lezers om door te klikken. Een klassiek voorbeeld: ‘Negen van de tien Amerikanen zijn onvoldoende op de hoogte van dit duizelingwekkende feit.’ Zes miljoen lezers konden zich niet bedwingen en volgden die link. (Het duizelingwekkende feit: de inkomensongelijkheid is veel groter dan de meeste Amerikanen denken.)

    De kop is uiteraard een aloude journalistieke kunstvorm. Maar Upworthy – en zijn talrijke na-apers – heeft deze kunstvorm op een positivistische maar strikte manier benaderd. Bij elk item dat het op zijn site plaatste, schreef Upworthy vijfentwintig verschillende koppen. Dankzij zijn software kon Upworthy ze automatisch alle vijfentwintig publiceren en bepalen welke ervan het meest aangeklikt werden. Op basis van deze resultaten ontdekte Upworthy syntactische patronen die vrijwel zeker hits opleverden. (Upworthy had enorm succes met varianten van de zin: ‘Je gelooft nooit wat er hierna gebeurde.’) Deze formuleringen waren zo effectief dat ze een gemeenplaats werden op het web. Sites gingen ze zo veel gebruiken dat lezers de trucs begonnen door te krijgen en de formules aan kracht verloren. En dat leidde weer tot verwoede pogingen om de volgende hitvoorspeller te ontdekken.

    Het belangrijke inzicht van Upworthy, BuzzFeed, Vox en andere opkomende internetgiganten was dat je redactioneel succes kon fabriceren: als je luisterde naar de data, was het mogelijk stukken te schrijven waarmee je een massaal publiek kon bereiken. Iedereen in de branche omarmde dit inzicht, zelfs bij nuchtere ondernemingen als The Washington Post. En het inzicht wist ook door te dringen tot The New Republic. Chris voegde een datagoeroe aan onze staf toe om de kans op virale hits te vergroten. In de wekelijkse vergaderingen leverde de goeroe onderwerpen aan die we volgens hem moesten aanpakken. Hij hield zorgvuldig in de gaten welke onderwerpen trending waren op Facebook, zodat wij content konden creëren die meeliftte op de golf van populariteit. Hij keek ook naar data uit het verleden om te zien wat het publiek een jaar geleden bezighield, zodat we stukken konden produceren die in het verlengde lagen van de seizoensinteresses van lezers. ‘Advertenties tijdens de Super Bowl zijn een ding,’ zei hij. ‘Hoe kunnen we daarop aansluiten?’ Of: ‘[Restaurantketen] Chipotle heeft geen varkensvlees meer en iedereen op de sociale media heeft het erover. Wat kunnen wij bijdragen?’ Dit soort vragen werden meestal beantwoord met een vijandig stilzwijgen.

    Hoewel ik niets ophad met deze strategie, bood ik er maar weinig verzet tegen. Chris moedigde ons nog steeds aan lange artikelen en staaltjes van gedegen onderzoeksjournalistiek te publiceren. Een paar derderangs prutsartikelen schrijven leek een kleine prijs om te betalen. Bovendien was zijn vraag volkomen redelijk. Respectabele media bewandelden hetzelfde pad. Dachten we werkelijk dat we beter waren dan Time of The Washington Post? Ze hadden allemaal een genre omarmd dat hij ‘hapklare content’ noemde: grafiekjes, lijstjes, video’s, snelle items die de aandacht wekten van de ‘verveelde bureauklevers’, zoals de branche ze noemde, of van de mensen die op metroperrons de tijd zaten te doden. Natuurlijk, het onderwerp kon serieus zijn, maar de presentatie moest snel en luchtig zijn, klaar om zich via Facebook te verspreiden. Chris was er vast van overtuigd dat we dit soort werk moesten produceren: het was immers gemakkelijk om hapklare content te produceren – en het kostte, in zijn ogen, weinig moeite. We moesten simpelweg de rest van het internet na-apen en over dezelfde schandalen schrijven en op hetzelfde actuele onderwerp inhaken als iedereen. De kliks zouden ons overstelpen, als we maar over onze eigen schaduw konden stappen en dezelfde fragmentjes van The Daily Show posten als iedereen, ingeleid door een aantrekkelijke kop en misschien voorzien van een of twee analyserende alinea’s om ons geweten te sussen. Een tirade van Jon Stewart mochten we niet missen. Chris’ logica was moeilijk te weerleggen. Alle andere media deden het. En ze deden het omdat het werkte. Wij moesten ervoor zorgen dat dingen werkten.

    Chartbeat

    Een van de symbolen van het nieuwe tijdperk zweefde boven mijn leven bij The New Republic. Het zat me de hele dag achterna. Elke keer wanneer ik ging zitten werken, keek ik er stiekem naar – en dat deed ik ook wanneer ik ’s morgens opstond, wanneer ik enkele minuten later mijn tanden poetste en nog weer later wanneer ik bij het urinoir stond. Soms keek ik alleen maar naar het uitslaan van de meter terwijl ik het stuk dat ik redigeerde verwaarloosde of de persoon aan de andere kant van mijn bureau negeerde. Mijn kijkgedrag was vaak een geval van wishful thinking. Ik hoopte dat de meter onverwacht de goede kant zou uitslaan ter illustratie van mijn talent om een winnaar uit te zoeken.

    Mijn meester heette Chartbeat, een site die redacteuren, schrijvers en hun bazen een realtime overzicht van het webverkeer biedt en laat zien hoeveel lezers elk afzonderlijk artikel heeft. De site suggereerde vrij duidelijk dat journalistiek een competitie is, een populariteitswedstrijd. De naald van de site gaf ons het gevoel dat ons tijdschrift een auto was: ofwel we kruipen op een slechte verkeersdag moeizaam tegen een helling op, ofwel we sjezen op ons gemakje naar een bevredigend eindcijfer.

    Dit is het vertrouwde verhaal van de Amerikaanse werkvloer. Analyse is de managementrevolutie van onze tijd. We leven in een wereld van alomtegenwoordige data die de basis vormen voor steeds grotere efficiency en productiviteit. Daarom hebben Chartbeat en tal van soortgelijke sites zo’n grote invloed op vrijwel elk tijdschrift, elke krant en elk blog. Het komt er bij Chartbeat op neer dat geen enkel stuk voldoende verkeer heeft – met wat aanpassinkjes, een betere kop, een betere benadering op de sociale media, een beter onderwerp, een beter betoog kan het altijd beter. Net als een manager die met een stopwatch bij de lopende band staat, zweven Chartbeat en zijn geestverwanten boven de redactiekamer.

    Dit was een gevaarlijke ontwikkeling. De journalistiek was in feite nooit een maatschappelijk gerichte onderneming geweest. Dat was alleen maar een mythe die redacteuren en schrijvers elkaar graag vertelden. Maar de mythe was wel belangrijk. Hij prikkelde de journalistiek om de macht uit te dagen. Hij voorkwam dat ze zich liet leiden door de nukken van het publiek. Hij schiep een cruciale mate van afstandelijkheid.

    klein02

    Deze generatie van op het internet geboren mediagiganten heeft niets op met het oude journalistieke ethos van onpartijdigheid. Het is niet zo dat deze bedrijven niet naar journalistieke grootsheid streven. BuzzFeed, Vice en The Huffington Post willen postmoderne kranten zijn. Ze investeren in uitstekende verslaggeving en hebben eersteklas journalisten in dienst. Maar ze proberen geen afstand te nemen van de druk van de markt. De jacht op het publiek is cruciaal voor hun missie. Ze willen de populariteitswedstrijd op het web winnen. Ze hebben toegestaan dat de eindeloze feedbackloop van het web – de nooit eindigende datastroom – bepalend is voor hun redactionele keuzes en investeringen.

    Wanneer een verhaal eenmaal de aandacht heeft gewekt, springen de media er gedachteloos bovenop. Ze schrijven met repetitieve razernij over het onderwerp en proberen er zo veel mogelijk kliks aan te onttrekken, totdat het publiek de belangstelling ervoor verliest.

    Een gedenkwaardig doch volkomen irrelevant voorbeeld: een protserige foto van een jager uit Minnesota die glimlachend bij het lichaam van een leeuw met de naam Cecil stond leverde meer dan 3,2 miljoen verhalen op. Alle nieuwsorganisaties – zelfs The New York Times en The New Yorker – probeerden de hysterie op te kloppen, in de hoop wat webverkeer te kunnen genereren. Hiervoor moesten ze telkens een volledig nieuwe invalshoek vinden, of een invalshoek die net nieuw genoeg was. Vox: ‘Kip eten is moreel verwerpelijker dan Cecil de leeuw doden’. BuzzFeed: ‘Een helderziende zegt dat ze met Cecil de leeuw heeft gesproken’. The Atlantic: ‘Van Cecil de leeuw tot klimaatverandering: een perfecte storm van verontwaardiging’.

    In bepaalde opzichten is dit slechts een digitaal opgewaardeerde versie van een ouderwetse media-tsunami. Een explosie van moralistische woede die grondig wordt uitgebuit. Maar de sociale media versterken de financiële prikkel om zich bij de huilende roedel aan te sluiten. Zelfs het kleinste mediakanaal zou in principe viraal kunnen worden en miljoenen lezers aantrekken als het zijn verhalen slim verpakt. Intellectuelere tijdschriften schudden zonder enig schuldgevoel artikelen over deze trending onderwerpen uit de mouw, zolang ze ze maar een beetje kunnen aankleden met een pochetje met academische pretenties of een sjaaltje van beredeneerde slimheid. De resultaten zijn bepaald niet oorspronkelijk. Net als in Hollywood stoppen organisaties tijd en geld in een formuleachtig product, een behoedzame imitatie van oudere successen. Joshua Topolsky, oprichter van Vox Media en The Verge, bejammerde deze insluipende homogenisering: ‘Alles oogt hetzelfde, leest hetzelfde en lijkt de concurrentie om dezelfde oogballen aan te gaan.’

    Donald Trump begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen

    Donald Trump is de culminatie van dit tijdvak. Hij begreep dat de media nu – meer dan op elk ander moment in de recente geschiedenis – het publiek moeten geven wat het wil, als een circus dat teert op onderbewuste neigingen en vooroordelen. Ook al toonden de media hun minachting voor de strapatsen van Trump, ze maakten van hem een markante figuur en een plausibele presidentskandidaat. Jarenlang hebben de media Trumps theorieën over de buitenlandse afkomst van president Obama rondgepompt, ook al waren die totaal nergens op gebaseerd. De media schonken eindeloos aandacht aan zijn eerste verdachtmakingen met betrekking tot immigranten, ook al wisten ze maar al te goed dat die provocaties een atmosfeer van paranoia en haat opwekten. Toen Trump eenmaal een plausibele kandidaat was geworden, moesten de media wel over hem berichten. Maar de media hadden hem in die positie gebracht. Verhalen over Trump leverden het soort webverkeer op dat de goden der data behaagde en dat het batig saldo ten goede kwam. Trump begon als Cecil de leeuw, en eindigde als president van de Verenigde Staten.

    Chris Hughes en ik zaten eens aan de ontbijttafel van een majesteitelijk Washingtons hotel te brainstormen over de kwaliteiten van The New Republic – The New Republic die we samen zouden scheppen. We hebben het nooit zo expliciet gesteld, maar we waren op zoek naar een gemeenschappelijke deler, naar een bijvoeglijk naamwoord dat alles kon omvatten wat we met het tijdschrift wilden. Het voelde alsof we op een rotonde zaten. Als er een whiteboard was geweest – en Chris is dol op whiteboards – had het waarschijnlijk vol gestaan met afgekeurde termen.
    Maar die waardeloze woordenstroom was het armzalige voorspel voor een creatieve doorbraak. Hij zei: ‘We zijn idealistisch. Dat knoopt ons legendarische verleden aan ons optimisme ten aanzien van oplossingen.’ Idealisme was een woord dat mijn hart deed smelten, en ik voelde een onbedwingbare vreugde bij het vooruitzicht dat we het met elkaar eens waren. ‘Boem. Dat is het.’

    We waren idealistisch over ons gedeelde idealisme. We hadden allebei bepaalde doelen die elkaar overlapten. We wilden allebei van The New Republic een bloeiend tijdschrift maken; we geloofden allebei in een activistische kijk op de Amerikaanse regering; we geloofden allebei dat het belangrijk was naar een kosmopolitischer cultuur te streven; we waren allebei enthousiast over het idee om long-form-journalistiek te bedrijven. Deze overeenkomsten waren voor ons voldoende om elkaar wijs te maken dat we hetzelfde idealisme deelden.

    Verbeterbaar

    Chris’ kijk op de wereld was in wezen technocratisch; de mijne was meer moralistisch en romantisch. Waar hij wel iets zag in het idee van long-form-journalistiek, geloofde ik er ideologisch in. Hij geloofde in systemen, in regels, efficiency, organogrammen, vergaderingen, productiviteitsinstrumenten. De wereld was in hoge mate verbeterbaar, maar we konden alleen vooruitgang boeken als we ons losmaakten van oververhitte emoties, scheldpartijen en excessieve partijdigheid. Deze kijk op de wereld plaatste hem op een ramkoers met de politiek geëngageerde intellectuele vrije geesten die ons kantoor bevolkten, die met overtuiging en op onmogelijke uren schreven en die zich stortten op onderwerpen die hun de meeste voldoening schonken, en niet per se op kletsverhalen die de massa het meest behaagden.

    Vlak voor het pijnlijke einde gaf Chris me zijn herziene visie op de toekomst van het tijdschrift en vertelde me waar zijn idealisme hem had gebracht. Hij was nu twee jaar eigenaar van The New Republic en begon wat ongedurig te worden. Resultaten, en daarmee bedoelde hij meer webverkeer en meer inkomsten, moesten sneller komen. ‘Om het tijdschrift te redden moeten we het tijdschrift veranderen,’ zei hij tegen me.
    Technologen en marketeers zouden een cruciale rol in het redactionele proces gaan spelen. Ze zouden onze journalistiek de ‘coole’ en ‘innovatieve’ eigenschappen geven die het blad populair zouden maken en een opvallende positie in de markt zouden geven. Dit vereiste uiteraard middelen, en die middelen moesten komen uit de pot met geld voor long-form-journalistiek. Ik was niet voorbereid op zijn plan of zijn omschrijving van The New Republic. ‘Wij zijn een technologiebedrijf,’ zei hij. Waarop ik antwoordde: ‘Dat klinkt niet als het soort bedrijf dat ik met mijn kwaliteiten zou kunnen leiden.’ Hij verzekerde me dat ik het aankon.

    Twee maanden later hoorde ik van een collega dat Chris mijn vervanger had aangenomen en dat mijn vervanger in New York met allerlei mensen lunchte om hun een baan bij The New Republic aan te bieden. Voordat Chris de kans had mij te ontslaan, nam ik zelf ontslag, en met mij bijna de hele redactionele staf van het tijdschrift. Hun idealisme dicteerde dat ze zich moesten verzetten tegen zijn idealisme. Ze wilden niet werken voor een tijdschrift met een moraal die meer aansloot bij die van de grote tech-bedrijven dan bij die van de journalistiek. Ze wilden best Facebook in de gaten houden, maar ze wilden niet hun baan erdoor laten bepalen. De heisa kreeg behoorlijk wat aandacht en ebde toen weg – slechts een hobbeltje in het streven van Silicon Valley om de journalistiek te verzwelgen.

    De overdaad aan data heeft het karakter van de journalistiek veranderd. Hij heeft haar tot een handelsartikel gemaakt, tot iets wat je kunt vermarkten, testen en aanpassen. Misschien hebben de media altijd al zo gedacht. Maar als die impuls altijd heeft bestaan, was hij op z’n minst afgeschermd. Tijdschriften en kranten beschouwden zichzelf altijd als een coherent iets, een nummer, een editie, een instelling. Niet als een uitgever van tientallen afzonderlijke stukken die ze elke dag via Facebook, Twitter en Google moesten verhandelen.

    Nadenken over het bundelen van artikelen tot een groter geheel was intellectueel bevrijdend. Als lezers niet geïnteresseerd waren in een reportage over kinderarmoede of een bericht uit Zuid-Soedan, was dat niet zo erg. Ze zouden je daarop niet beoordelen. Ze zouden zich misschien zelfs gevleid voelen omdat jij dacht dat ze zo’n artikel wel zouden willen lezen, ook al sloegen ze het meteen over. Redacteuren rechtvaardigden hoogstaande en wereldvreemde artikelen met het argument dat ze essentieel waren voor de ‘mix’.

    Nu worden opdrachten onderworpen aan een kosten-batenanalyse: zal het artikel voldoende verkeer genereren om de investering te rechtvaardigen? Deze analyse is soms expliciet en bewust, maar vaak ook onderbewust en ingebed in eufemismen. Het is de gedachtegang waardoor redacteuren verkondigen dat een idee ‘niet de moeite waard is’ of waardoor ze zich zorgen maken over hoe een artikel zal ‘vallen’.

    Het publiek voor de journalistiek is tegenwoordig misschien groter, maar het denkraam is kleiner.

    Auteur: Franklin Foer

    Dit is een bewerkt fragment uit Ontzielde wereld van Franklin Foer, 
dat onlangs verscheen bij uitgeverij 
De Bezige Bij.

  • Redactioneel

    Redactioneel

    270 uur gespreksstof in 130 optredens door 250 genodigden uit 40 landen: het Italiaanse weekblad Internazionale, de grote en sterke broer van 360, liet ook dit weekend con i giornalisti 
di tutto il mondo weer zien hoeveel belangstelling er bestaat voor wat zich buiten ieders stadspoort afspeelt.

    In de middeleeuwse vesting Ferrara slingert de eindeloze rij voor gratis coupons als een gordel van hoop over het eeuwenoude plaveisel. Hoop, omdat hier het hedendaagse Grote Eigen Gelijk niet lijkt te bestaan, en omdat de onverdraagzaamheid, die is opgebouwd uit vooroordelen ‘die afhankelijk van de omstandigheden kunnen worden gemanipuleerd’, hier ver te zoeken is.

    Weinig aannames houden namelijk stand in discussies waarin men echt bereid is te luisteren naar een ander perspectief, 
zo blijkt uit bijna alle openbare ontmoetingen tussen de journalisten en schrijvers die vanuit de hele wereld naar Ferrara zijn gekomen. Luister naar de Zuid-Koreaanse romancier Kim Young-ha, en het van-horen-zeggen-en-schrijven-beeld van ‘rocketman’ Kim Jong-un kapseist. Niet dat die nu meteen een Nobelprijs verdient, maar in ieder geval tempert Kim Young-ha de westerse angst voor het roekeloze gedrag van de Noord-Koreaanse dictator. In een kristalhelder debat tussen de schrijver, de zeer deskundige correspondent in Zuid-Korea Anna Fifield (The Washington Post) en Chang Kyung-sup, professor aan de Universiteit van Seoul, wordt alweer duidelijk dat we – of beter gezegd: dat de Zuid-Koreanen – allereerst bang moeten zijn voor de irrationaliteit van één man: de huidige president van de Verenigde Staten (lees ook het interview met Hilary Clinton).

    Het is een weekeinde van essentiële inzichten, waarna het nogmaals zo klaar als een klontje is dat er geen onomstotelijke waarheid bestaat

    Het is een weekeinde van essentiële inzichten, waarna het nogmaals zo klaar als een klontje is dat er geen onomstotelijke waarheid bestaat. Waar in Noord-Korea gedachten en personen ondergeschikt gemaakt worden aan de collectiviteit, koesteren wij de onnoemelijke waarde van het individuele denken en daarmee van individuele verantwoordelijkheid. Gezegend zijn wij dan ook met het recht de eigen instituties en beleidskeuzes – openbaar of confidentieel – uit te dagen en te bekritiseren, de essentie van een democratie. Lees het interview met voormalig systeembeheerder Edward Snowden, die een boekje opendeed over de omstreden praktijken van de Amerikaanse inlichtingendienst NSA, en geef hem eens ongelijk als hij zegt dat we de nieuwe politiek van angst moeten leren eten, zodat we hem vervolgens kunnen omzetten in een energie die de samenleving ten goede komt, in plaats van haar bang te maken en te verzwakken.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl

    Beeld: © Studio Vonq