Debatcentrum de Balie organiseert een avond rondom de vraag: ‘Kan de journalist ook activist zijn of moet hij/zij er juist voor waken om voorbij de grenzen van objectieve verslaggeving te gaan?’ Theoretisch is het zo dat wie de wereld wil veranderen de politiek in gaat, en wie wil vertellen wat er in de wereld gebeurt journalist wordt. In de praktijk wordt dat onderscheid, voor zover het ooit heeft gewerkt, snel afgebroken.
Een simpel bewijs dat journalistiek de samenleving beïnvloedt is het getal 48. Dat is volgens de Columbia Journalism Review het aantal journalisten wereldwijd dat in 2016 werd vermoord door lieden die van zulke beïnvloeding niet gediend waren. Regimes of criminele organisaties omzeilen de wet makkelijker zolang daar niet over wordt bericht.
Een ander voorbeeld is wellicht LREM, de politieke partij van de Franse president Emmanuel Macron. LREM wil zichzelf een ‘mediastructuur’ geven. De partij gaat zelf redacteuren en camjo’s rekruteren en samenwerking zoeken met de regionale pers, meldt l’Express. Een tactiek die overigens door Al-Qaida en IS al veel langer wordt gebruikt. Of Macron zelf hoofdredacteur wordt, is nog niet bekend.
DiCaprio, die zijn naamsbekendheid wil inzetten om aandacht te vragen voor milieukwesties, zou je een activistisch acteur kunnen noemen
Er zijn wereldwijd meer signalen dat de zogeheten participerende journalistiek de toekomst heeft. Dat is journalistiek met de nadrukkelijke bedoeling om verandering teweeg te brengen, activistisch dus. Veelgenoemde voorbeelden zijn het motto dat de Washington Post tegenwoordig in zijn masthead heeft staan: democracy dies in darkness en de rubriek die The New York Times eerder dit jaar begon onder de simpele titel The Truth. Beide initiatieven zijn onverbloemde reacties op het presidentschap van Trump.
De belangrijkste gast in de Balie zal Ian Urbina zijn, onderzoeksjournalist van de NYT. Urbina publiceerde in de zomer van 2015 een serie van vier lange verhalen over mensenrechtenschendingen en andere misstanden op open zee. Daarvoor voer hij mee op vele schepen. Over het leven van de bemanning vertelde hij aan Longform: ‘De bemanning is net een stam, met eigen normen, een taal, afgunsten. Alsof het mensen uit een vreemd land zijn, maar dan zonder grondgebied. De bemanning lijkt op een volk van nomaden, of bannelingen. Een volk met bijzonder strikte hiërarchieën; aan boord weet je: de kapitein is God.’
Die serie, The Outlaw Ocean, wordt op dit moment verfilmd door Leonardo DiCaprio in samenwerking met Netflix. Dat meldt de Hollywood-nieuwssite The Tracking Board ‘op basis van bronnen dicht bij The Tracking Board’. DiCaprio, die zijn naamsbekendheid wil inzetten om aandacht te vragen voor milieukwesties, zou je een activistisch acteur kunnen noemen.
De artikelen van Urbina maakten niet alleen duidelijk dat op de woeste baren de mens zich als een woesteling gedraagt, maar vooral dat er buiten de territoriale wateren volstrekte onduidelijkheid heerst over welke wetten er gelden. Onder andere Greenpeace gebruikte de informatie die Urbina boven water had gehaald in campagnes. Misschien vond hij zijn onderwerpen met hulp van Greenpeace of andere organisaties. Maakt dat Urbina tot een activist? Vragen die aan de orde zullen komen op 18 september in De Balie, Amsterdam.
DOCUMENTAIRE – Pipi Langkous woont alleen
Documentaire over het Zweedse model
Cineast Erik Walter Gandini draagt het noordelijke en het zuidelijke in zich. Hij is half Italiaans, half Zweeds. Over het Italië onder Berlusconi maakte hij de gelauwerde documentaires Videocracy en The Evilness of Banality. Nu pakt hij zijn andere vaderland aan, met The Swedish Theory of Love. In deze film onderzoekt Gandini het beeld van Zweden als een land waar geluk nog heel gewoon is en de mensen naar elkaar omkijken. Er bestaan cijfers die dat beeld meedogenloos tegenspreken. Volgens onderzoek van het Rode Kruis bijvoorbeeld voelt 40 procent van de volwassen Zweden zich alleen.
The Independent haalt dat cijfer aan bij een interview met Gandini. Daarin legt de filmmaker uit hoe het mis is gegaan met Zweden. ‘Het is het idee dat we vrij van elkaar zouden moeten zijn, dat jongeren al heel vroeg in staat moeten zijn om het ouderlijk huis te verlaten, dat vrouwen nooit afhankelijk mogen zijn van hun man of andersom, en ouders niet van hun kinderen. (…) Dat is een politiek project maar ook een existentiële vraag.’ Gevolg: 47 procent eenpersoonshuishoudens, doorgeschoten individualisme en, in Gandini’s woorden ‘een gesegregeerde samenleving. De binnenstad van Stockholm is blank, de voorsteden zijn zwart.’
De film die Gandini over deze situatie maakte, bestaat uit een aantal anekdotes die met ironie worden gebracht: een inspecteur die probeert nabestaanden te vinden van mensen die in eenzaamheid zijn gestorven, een mevrouw die sperma bestelt bij de spermabank, een groepje hippies dat in het bos probeert contact met elkaar te maken. ‘Alles bij elkaar opgeteld maakt hij niet echt een punt’, oordeelt The Guardian.
LITERATUUR – Conrad op zee
Memoires van de schipper-schrijver
111 jaar geleden, in 1906, verscheen The Mirror of the Sea, het eerste deel van de memoires van Joseph Conrad. De auteur van Heart of Darkness en Lord Jim was twintig jaar lang zeeman geweest voordat hij begon te schrijven, en stond zijn leven lang in een vurige relatie met de zee. Die relatie wilde hij beschrijven ‘met de openhartigheid van een biecht in het stervensuur’.
Toen Conrads zee-memoires in een nieuwe paperbackeditie verschenen na decennia van afwezigheid in de Engelstalige boekhandel, schreef de Ottawa Citizen: ‘Conrads proza heeft altijd in de categorie love it or hate it gezeten, vanwege het eigenaardige taaltje dat hij bezigt, ongetwijfeld als gevolg van het feit dat het Engels zijn vierde taal was, na het Pools, het Russisch en het Frans.’ Des te knapper dat Lisette Graswinckel The Mirror of the Sea nu heeft vertaald voor uitgeverij Van Oorschot. De Nederlandse titel luidt De zee, een spiegel.
In een prachtig klein essay in The New York Times schrijft Maya Jasanoff over haar werk aan een boek over Conrad, de zee en haar eigen ervaring aan boord van een zeilschip. Ze staat stil bij de passage in Heart of Darkness waarin Marlow, die met een stoomschip de Congo op moet varen, een boek vindt in een hut langs de rivier. Vreemd genoeg is het een soort handleiding zeilen. Marlow verliest zichzelf in het boek, dat voor hem een tegengif is tegen de verschrikkingen van zijn missie met het stoomschip. Conrads eigen tijd op zee, noteert Jasanoff, viel samen met de overgang van zeil- naar stoomschepen. Solidair met het onderwerp van haar boek betreurt zij die overgang. Ze kotst haar ziel uit haar lijf van zeeziekte, die acuut ophoudt als het schip waarop zij is aangemonsterd de motor uitzet en op de zeilen verder gaat. Ze waagt zich weer aan dek en kijkt uit over het eindeloze blauw.
‘Als ik hoor beweren dat alles verandert (of zou moeten veranderen) in het digitale tijdperk, dan kijk ik naar de oceaan. De economie van de eenentwintigste eeuw is meer dan ooit afhankelijk van scheepvaart, die 90 procent van de wereldhandel voor z’n rekening neemt. Data “de ether in sturen” betekent data door kabels sturen die op de zeebodem liggen, net als in de tijd van het telegram. De oceaan toont ook de tekortkomingen in de vooruitgang. Hier verdrinken duizenden vluchtelingen op zoek naar een beter leven. Hier floreren slavernij en piraterij onder het oog van de moderne wet. Hier vervuilen en vernietigen plastic en chemicaliën de ecosystemen. En het is hier dat moeder Aarde, op een manier die zelfs Conrads verbeelding te boven zou gaan, ons met een stijgende zeespiegel de rekening presenteert van onze keuze voor fossiele brandstoffen in plaats van voor de oneindige voordelen van de wind.’
FILM – Als de rap je roept
Opmerkelijke muziekfilm
Volgens Variety is Geremy Jasper een van de regisseurs om de komende jaren in de gaten te houden. Zijn debuutfilm Patty Cakes wordt op 29 augustus vertoond in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten (Bozar). De film gaat over een mollig blond meisje uit New Jersey met een droom: freestyle rapper worden. Variety noemt de film bij voorbaat een ‘publiekslieveling’. De rol van Patty wordt gespeeld door de Australische Danielle Macdonald. Jasper ontdekte haar ergens halverwege de tien versies die hij van zijn script maakte. In The New York Times vertelt Macdonald dat zij Jasper hielp bij het vormgeven van zijn personages, totdat hij haar vroeg voor de hoofdrol. De actrice kan maar één verklaring bedenken: ‘Ik denk dat hij gewoon een heel loyaal persoon is.’ Of, oppert de NYT, iemand die talent herkent als het voor hem staat. Destijds zei Macdonald dat ze niet kon geloven dat ze de rol had. Maar inmiddels, zo meldt The Hollywood Reporter, heeft het succes van Patty Cakes haar al een volgende grote rol opgeleverd.
Slechte journalisten hebben Trump groot gemaakt, zei voormalig hoofdredacteur van de Britse Times, Sir Harold Evans, tegen de NRC. Evans was zijn leven lang geëngageerd journalist en zette het ambacht voornamelijk in als controle op de macht.
Tot de macht hem ging controleren. Rivaal Rupert Murdoch had de krant met valse beloften overgenomen en Evans vertrok een jaar later naar de VS. Hij volgt de pers op de voet, huiveringwekkend vindt hij de verschuiving van het publieke belang de waarheid te kennen naar het politieke en commerciële belang van de eigenaren. Precies de reden dat hij zijn geliefde krant verliet. Engagement hoort bij journalistiek, vindt hij nog altijd. Daarom is hij juryvoorzitter van de European Press Prize, en daarom is hij sinds Good Times, Bad Times (1984) mijn held.
Als het inderdaad waar is dat slechte journalisten Trump groot hebben gemaakt, wat kunnen goede journalisten dan bereiken? Ook daar heeft Evans natuurlijk een antwoord op, en 360 knikt met hem mee. Ons enige wapen is de taal; nu die taal ook wordt gebuikt om te misleiden en het publiek een rad voor ogen te draaien, is het des te belangrijker dat het tegenwicht gewicht heeft. Want, en ik citeer Sir Evans nog één keer: ‘Goede woorden onthullen iets, ze omschrijven de werkelijkheid.’
Florence Aubenas overschrijdt de grens van de taal. Ze ondergaat de werkelijkheid
Laten wij nou net een reportage hebben gevonden die niets meer en zeker niets minder doet. De Franse journaliste Florence Aubenas (157 dagen in Irak gegijzeld geweest, wat ze afdoet als een bedrijfsongeval) peilde op z’n walraffiaans de stemming in het Frankrijk van Emmanuel Macron simpelweg door er te zijn en te luisteren.
Frankrijk kiest aanstaande zondag in twee etappes voor de tiende keer een nieuwe president, in een sterk veranderd politiek decor. De Parti Socialiste, die nu nog de dienst uitmaakt in het Élysée, is onder het presidentschap van Hollande ingestort en heeft een kansloze kandidaat gesteld. Van de ooit machtige Parti Communiste resteren nog 7 van de 577 zetels in het parlement. De traditionele gaullisten hebben elders onderdak gezocht. Opvallend is dat En Marche! van (sociaal-liberaal) Macron en La France insoumise (Opstandig Frankrijk) van Jean-Luc Mélenchon, een afvallige socialist en nu links-radicaal, zich niet afficheren als politieke partij, maar als ‘beweging’. Er is en er zal nog veel over de verkiezingen te lezen en te horen zijn.
Florence Aubenas overschrijdt de grens van de taal. Ze ondergaat de werkelijkheid. En legt dan pas de vox-populipuzzel vakkundig in elkaar. Als dat nou eens een nieuwe beweging in de journalistiek mocht worden.
De rumoerige entree van Donald Trump in het Witte Huis op 20 januari, en zijn vertrek over acht jaar (of over drie maanden), speelt zich af tegen de achtergrond van een betrekkelijk nieuw fenomeen: de ‘big data’, de gedigitaliseerde versie van Orwells Big Brother.
In onze numerieke samenleving is de eenling op administratief niveau gereduceerd tot een cijfercode, die afwijkt van of correspondeert met andere cijfercodes, waaruit machines met bijna de snelheid van het licht een heel individueel mensbeeld samenstellen, compleet met alle afwijkingen en voorkeuren, gewoonten, leefomstandigheden, burgerlijke staat, inkomen, opleidingen, competenties, gedragingen in verleden en heden, meningen, lidmaatschappen, abonnementen, familieverbanden – kortom, met alles wat het individu uniek maakt, en vooral ook met alles waarin dit individu afwijkt van dan wel overeenkomt met anderen.
Die big data verstrekken wij voor het overgrote deel zelf, misschien onbewust maar uit vrije wil, en in steeds overvloediger mate, voornamelijk, maar niet uitsluitend, via ‘sociale’ media. Kijk om u heen, in de trein, in de wachtkamer bij de dokter, in het café, op het werk, kijk naar voorbijgangers, te voet, in de auto, op de fiets, iedereen kijkt vroeg of laat naar een oplichtend schermpje.
Politico-journalist Jack Shafer noemde de vernieuwde verhouding tussen politiek en journalistiek “het grootste cadeau sinds de uitvinding van het declaratieformulier”
Het beschikken over al die gegevens kan zijn nut hebben. In het medisch-wetenschappelijk onderzoek, bijvoorbeeld, en bij uitstek in de reclame zijn individuele gegevens, gebundeld tot consumentenclusters, goud waard – en dus ook in de politieke marketing, het aan de man/vrouw brengen van een partij of een kandidaat. In de Verenigde Staten, waar ondanks het tijdsverschil alles nog steeds een halfuur eerder gebeurt dan elders, bestaat een bedrijf dat beschikt over big data van 220 miljoen van de 320 miljoen Amerikaanse burgers. Directeur is grootste geldschieter en vriendje van de Amerikaanse president.
Daar begint het griezelig te worden. Data kan worden (en wordt) gebruikt voor het beïnvloeden van de uitkomst van een politiek proces. Het kan conflicten tussen verschillende gemeenschappen aanwakkeren en het nieuws bepalen. Al was het maar om de aandacht te verleggen.
Brrr. Gelukkig is de journalistieke lente aangekondigd. Oplagen stijgen. We willen niks missen. Politico-journalist Jack Shafer noemde de vernieuwde verhouding tussen politiek en journalistiek ‘het grootste cadeau sinds de uitvinding van het declaratieformulier’. Boven zijn artikel stond: ‘Trump Is Making Journalism Great Again’.
Zo’n honderdvijftig Turkse journalisten zijn gevangengezet. Akin Atalay van Cumhuriyet vertelt over de erbarmelijke omstandigheden waaronder hij vastzit en een procureur die hem aan de inquisitie doet denken.
De mooie dagen liggen voor ons, vrienden, de dagen vol zon.* Vandaag is het mijn honderdste dag. De honderdste dag dat ik samen met mijn collega’s achter de tralies zit. Gevangenschap tijdens de noodtoestand betekent slechtere omstandigheden, meer beperkingen, meer onrechtvaardigheid, meer problemen. Een week telt 168 uur. Een van deze uren breng ik door in gezelschap van mijn advocaten, onder het toeziend oog van een bewaarder. En ander is gewijd aan onze familie, met wie we communiceren via een telefoon, gescheiden door een dik raam. De resterende 166 uur zitten we in de cel in gezelschap van onze twee medegevangenen. Ieder contact met de buitenwereld is verboden.
Toch zijn de mensen van Cumhuriyet beter af dan heel wat anderen. Sinds het begin van onze gevangenschap worden we onvoorwaardelijk gesteund door de krant. We hebben onze familie en onze vrienden. We hebben onze vrienden van de [sociaaldemocratische] CHP die ons bezoeken wanneer ze maar kunnen, en honderden advocaten die wachten tot het bezoekuur aanbreekt. We mogen ook de post lezen die onze naasten ons sturen en de artikelen die de krant publiceert. Woorden om onze dankbaarheid te betuigen schieten tekort. We willen onze familie bedanken, onze vrienden, onze krant, voor hun onvoorwaardelijke steun tijdens deze beproeving.
Zo is het nu gesteld met de rechtvaardigheid en het recht in ons land. Maar dat is maar tijdelijk
We hebben onszelf niets te verwijten. We hebben nooit iets misdaan, wettelijk noch moreel. We zijn nooit betrokken geweest bij enige criminele activiteit en hebben ons door niemand laten misbruiken, ook niet door Gülen. We zijn aangeklaagd door een procureur, Murat Inam, die de taak van procureur verwart met die van inquisiteur, terwijl hij er zelf van wordt verdacht bij de gülenistische beweging te behoren. We volharden in onze strijd, die niet tegen de rechterlijke macht is gericht maar tegen de apathie van de rechterlijke macht.
De rechterlijke macht en het recht zijn in dienst van de machthebbers gesteld. Wij zijn opgesloten vanwege onze journalistieke activiteiten, omdat we onze plicht hebben gedaan door onze mening te geven en kritiek te uiten. Een rechter en een procureur die geen respect hebben voor recht of menselijkheid zijn even funest voor de samenleving als een gelovige die niet in God gelooft funest is voor zijn religie. Zo is het nu gesteld met de rechtvaardigheid en het recht in ons land. Maar dat is maar tijdelijk. Wij gevangenen zijn de hand zand die men op de doodskist van deze onrechtvaardige periode zal gooien. De mooie dagen liggen voor ons, vrienden, de dagen vol zon. Een broederlijke groet aan allen.
– Akin Atalay, Blok No. 9 van het strafgevangenis Silivri
Zoals u weet gebruiken we bij 360 Magazine het liefst zo veel mogelijk bronnen. Hoe veelzijdiger het perspectief, hoe beter. Maar in deze eerste digitale editie van 2017 maken we een uitzondering. De eerste zeven artikelen in deze Reader zijn gewijd aan slechts één krant: het Turkse Cumhuriyet.
Dat we onze kolommen zo ruimhartig openstellen voor deze publicatie heeft – het zal u niet verbazen – alles met de politieke situatie in Turkije te maken. Sinds de mislukte coup in juli vorig jaar heeft president Erdogan de oorlog verklaard aan hem onwelgevallige journalisten. Veel van hen zijn ontslagen, zo’n honderdvijftig van hen gevangengezet. Een halfjaar na het begin van de zuiveringscampagne is Cumhuriyet nog de enige overgebleven oppositiekrant van formaat.
Ook Cumhuriyet – oplage 51.000, gevestigd in Istanboel – kwam er niet zonder kleerscheuren vanaf. De krant werd bedreigd en geïntimideerd, en elf medewerkers zitten intussen vast. Maar het oudste dagblad van Turkije blijft trouw aan zijn missie, die al beschreven stond in het allereerste nummer: het verdedigen de democratie en het bestrijden van degenen die haar bedreigen.
Onder hoofdredacteur Can Dündar, die begin 2015 aantrad, werd de krant een speerpunt van het centrumlinkse verzet tegen Erdogan
Al sinds de oprichting in 1924 vertolkt Cumhuriyet in Turkije de stem van de seculiere kemalisten, die staan voor de erfenis van de grondlegger van de Turkse Republiek: Kemal Atatürk. De krant is pro-Koerdisch en pro-Armeens, en wordt – uniek in Turkije – uitgegeven door een onafhankelijke stichting. Onder hoofdredacteur Can Dündar, die begin 2015 aantrad, werd de krant een speerpunt van het centrumlinkse verzet tegen Erdogan.
Maar Dündar werd in november 2015 gearresteerd nadat hij foto’s had gepubliceerd van wapens die naar Syrië werden getransporteerd. Nadat hij in 2016 werd vrijgelaten, nam hij ontslag en vluchtte naar Duitsland, waar hij onlangs de nieuwe site Özgürüz (‘Wij zijn vrij’) oprichtte (waarvan een van de eerste artikelen verscheen in 360 Magazine in # 115).
Negen van de Cumhuriyet-journalisten die werden opgepakt.
Terwijl Erdogan-gezinde Turkse politici hun Nederlandse aanhang oproepen om ‘ja’ te stemmen bij het komende referendum op 16 april, roepen de journalisten van Cumhuriyet krachtig op om dat niet te doen. Als Erdogan nog meer macht krijgt, waarschuwen zij, zal in Turkije ‘een autocratisch regime ontstaan dat de politieke, culturele en economische toekomst van het land in gevaar brengt, en waar rechtszekerheid en vrijheid op losse schroeven komen te staan’.
Dat leek ons wel een boodschap om even bij stil te staan voor de (Turks-)Nederlandse lezer.
Verder vindt u in deze goedgevulde Reader zoals altijd prachtige verhalen uit alle werelddelen. Tot in de volgende papieren editie op 23 maart.
De hoofdredacteur van uw lijfblad was afgelopen weekeinde te gast op het festival in Ferrara, waar giornalisti di tutto il mondo drie dagen lang de wereldproblematiek bespraken.
De bescheiden stad in de Italiaanse provincie Emilia-Romagna ligt aan de spoorlijn van Bologna naar Venetië, in de vlakte van de Po. Een middeleeuwse vesting, eeuwenoud en onaangedaan, met een Corso ‘breed en recht als een zwaard’ (Giorgio Bassani, 1916-2000).
Achter de aarden wal lijkt de wereld waarover journalisten en schrijvers het hebben ver weg. Geen immigrant te zien, behalve Roma’s die onverschrokken om een aalmoes vragen. (En mocht iemand geen contant geld hebben, dan lopen ze wel even mee naar de pinautomaat. Nessun problema.) Nu staan de ramen open en zijn de rolluiken opgetrokken, en bewijst Internazionale, de grote en sterke broer van 360, met zijn festival hoeveel belangstelling er is voor wat zich buiten de stadspoorten afspeelt. In een jaloersmakende samenwerking met tientallen sponsors, de plaatselijke middenstand en het lokale bureau voor toerisme zet het weekblad al tien jaar lang het in de tijd gestolde dorp in oktober op zijn kop. Er zijn overal lezingen, debatten, films en fora die je geheel gekleed in hun merchandise met gratis te verkrijgen coupons kunt bezoeken.
Op de Piazza Municipale willen honderden Italianen weten wat journalist Paul Mason denkt dat zal volgen, nu het kapitalisme kunstmatig in leven wordt gehouden
Bij het aanbreken van de dag slingert er al een Anne Frank Huis-achtige rij van de Via San Romano tot vlak aan het Palazzo dei Diamanti, een patriciërshuis met in diamantvorm geslepen stenen. Op de Piazza Municipale willen honderden Italianen weten wat journalist Paul Mason denkt dat zal volgen, nu het kapitalisme kunstmatig in leven wordt gehouden op de intensive care. Even later hangen ze aan de lippen van Julia Cagé, docent aan de Parijse Grande école SciencesPo, die waarschuwt voor de toenemende mediaconcentratie en pleit voor een belastingvoordeelregeling voor onafhankelijke media. De zaal van de Apollo Cinema zit vol als David Rieff (Amerikaans schrijver en journalist), Natalie Nougayrède (voormalig hoofdredacteur van Le Monde) en Jonathan Freedland (The Guardian) de globale woede begrijpen maar een obstakel noemen voor een gezonde parlementaire democratie. Of Donald Trump vergelijken met de malafide Broadwayproducent Max Bialystock in Mel Brooks’ The Producers (1968), die onverwacht en onbedoeld met de musical ‘Springtime for Hitler’ een hit maakte, terwijl hij juist op een flop aanstuurde.
De giornalisti di tutto il mondo staan niet meer op het dorpsplein van Ferrara, maar dat ze nog lang niet zijn uitgepraat kunt u lezen op de volgende pagina’s.
Onze missie precies honderd edities geleden was de beste journalistieke stukken uit het buitenland te brengen, niet over het buitenland. Omdat de werkelijkheid overal anders is, en wie slechts door één bril kijkt, vroeg of laat bijziend wordt (Jaap Toorenaar).
Dit streven drukten we elke twee weken af, linksonder in het colofon. En laten we wel wezen: de noodzaak om ons te informeren over wat er buiten de grenzen gebeurt, is de afgelopen jaren niet kleiner geworden.
In nog geen vijf jaar hebben we honderdmaal de deadline (net) gehaald, honderd keer met kritische blik het resultaat bekeken, honderdmaal geconstateerd dat het ‘naar behoren was, maar nog beter kan’.
In die vijf jaar is het beeld dat de wereld en dat Europa ‘ons’ biedt er niet rooskleuriger op geworden. In 2011 leek met de Arabische Lente een nieuw tijdperk aan te breken. Op het Tahrirplein in Cairo heerste de sfeer van de Place de la Bastille na een reis van twee eeuwen in een tijdcapsule. In de Verenigde Staten was het ondenkbare gebeurd: een zwarte president in het Witte Huis, nog vol optimisme halverwege zijn eerste termijn. De Europese Unie strekte zich uit van de Atlantische Oceaan tot aan de Zwarte Zee. De eenentwintigste eeuw leek aan de mensheid toe te behoren.
de toekomst is niet aan bange mensen en pessimisten. Maar aan de dwarsliggers, de onafhankelijke geesten, de rebellen en de onruststokers
Maar het beeld is gekanteld. De lente in de Arabische wereld heeft niet tot aan een zomer gereikt. In het Witte Huis zetelt een vermoeide Barack Obama, die met al zijn beschaafdheid geen ijzer met handen heeft kunnen breken. En in de politieke coulissen van Washington stampt nu een olifant door de porseleinkast. God Bless America. In Afrika waart de oude demoon van droogte en hongersnood weer rond. De crisis in het Midden-Oosten is heviger en bloediger dan ooit en dreigt collateral damage in Europa aan te richten, onder andere door de onafzienbare stroom vluchtelingen en de dreiging van terreur. Het Europese project hapert mede daardoor en dreigt ten onder te gaan door gebrek aan visie en een overmaat aan nationaal eigenbelang. En dat herlevend nationalisme veroorzaakt grote politieke verwarring, ook in Nederland.
Er kan in honderd nummers veel gebeuren. Er is in honderd nummers veel gebeurd, waarvan wij dankzij dappere en begaafde collega’s overal ter wereld kond hebben gedaan. Als er terugbladerend één gemene deler te vinden is, is het deze: de toekomst is niet aan bange mensen en pessimisten. Maar aan de dwarsliggers, de onafhankelijke geesten, de rebellen en de onruststokers, aan allen die met genialiteit en soms met gevaar voor eigen leven bijdragen aan een iets betere wereld. Want die zijn er; ook tussen die soms zo zwaarwegende pagina’s brengen zij licht en maken het verschil.
Met een diepe buiging in het algemeen en voor iedereen die meegewerkt heeft aan 100 keer 360 in het bijzonder, ontkurken wij een fles, nemen een slok en kijken vanaf morgen weer met open blik over de grenzen naar signalen uit de wereld zoals die door de internationale media worden afgegeven.
Een achttienjarig meisje vertelt dat ze is verkracht onder bedreiging met een mes. Vervolgens zegt ze dat ze het allemaal heeft verzonnen. Daar begint dit verhaal, dat werd bekroond met een Pulitzerprijs 2016.
12 MAART 2009
Lynnwood, Washington
Er komt die dag niemand met haar mee naar de zitting, behalve haar pro-deoadvocaat. Ze is achttien jaar, haar wordt een ernstige overtreding ten laste gelegd, waarvoor ze tot een jaar gevangenisstraf kan krijgen.
Overtredingen krijgen meestal maar weinig aandacht. Haar zaak is een van de 4859 zaken die in 2008 zijn voorgekomen in de Lynnwood Municipal Court, een rechtbank die tot doel heeft ‘om mensen zich beter te laten gedragen – om Lynnwood een prettigere, veiligere en gezondere plek te maken om te wonen, te werken, te winkelen en te recreëren’.
Maar haar overtreding heeft de kranten gehaald en daarmee komt de nieuwsgierigheid los, maar ook, wat erger is, de hoon. De zaak maakt korte metten met de onlangs verworven onafhankelijkheid die zo belangrijk voor haar is na een geschiedenis van pleeggezinnen. De zaak maakt korte metten met haar gevoel van eigenwaarde. Elke keer dat de telefoon begint te rinkelen lijkt er weer iemand de vriendschap te willen opzeggen. Een vriendin uit de eindexamenklas belt op met de vraag: Hoe kun je over zoiets liegen? Marie – zo heet ze, Marie – zegt geen woord. Ze luistert alleen maar, hangt dan op. Zelfs haar pleegouders beginnen aan haar te twijfelen. Ze begint aan zichzelf te twijfelen, vraagt zich af of er misschien iets mis is met haar.
Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest
Ze heeft aangifte gedaan van verkrachting, in haar eigen appartement, door een man die haar heeft vastgebonden en een prop in haar mond heeft gedaan. Wanneer de politie haar confronteert met enkele tegenstrijdigheden in haar verhaal, zegt ze dat het misschien een droom is geweest. Vervolgens geeft ze toe het hele verhaal te hebben verzonnen. Een nieuwszender laat weten: ‘Een vrouw in West-Washington heeft toegegeven dat ze het verhaal over een verkrachting eerder deze week uit haar duim heeft gezogen.’ Vervolgens wordt ze aangeklaagd voor het doen van een valse aangifte. Dat is de reden dat ze in de rechtbank moet verschijnen, waar ze al dan niet op een schikkingsvoorstel kan ingaan.
Haar advocaat is verbaasd dat ze is aangeklaagd. Haar verhaal heeft niemand geschaad – er is niemand opgepakt, er is zelfs niemand verhoord. Hij gokt dat de politie zich geschoffeerd voelt. De politie vindt het niet fijn om haar tijd te verdoen.
Het aanbod van de openbaar aanklager is als volgt: als Marie zich het komende jaar aan bepaalde voorwaarden houdt, wordt de aanklacht ingetrokken. Ze moet psychologische hulp zoeken omdat ze heeft gelogen. Ze komt voorwaardelijk vrij, maar zal onder toezicht staan. Ze moet zorgen dat ze niet in de fout gaat, dat ze geen wetten overtreedt. En ze moet 500 dollar betalen voor de gerechtelijke kosten.
Marie wil niets liever dan dit alles achter zich laten. Ze gaat in op het schikkingsvoorstel.
5 JANUARI 2011
Golden, Colorado
Iets na enen op een winterse dag in januari 2011 loopt rechercheur Stacy Galbraith naar een rij eentonige appartementencomplexen, op een flauwe helling in een voorstad van Denver. Op de grond ligt her en der wat sneeuw. Het is winderig en vrieskoud. Ze is hier omdat er aangifte is gedaan van een verkrachting.
Galbraith ziet het slachtoffer staan in een waterig zonnetje voor de deur van haar appartement op de begane grond. Ze is jong, gekleed in een bruine, lange jas. In haar ene hand heeft ze een tas met spullen. Ze ziet er kalm uit, onaangedaan. Galbraith stelt zichzelf voor. Overal in het appartement zijn mensen van de forensische dienst in de weer. Galbraith stelt voor om samen met het slachtoffer in een anonieme politieauto te gaan zitten die even verderop staat, zodat ze enige beschutting hebben tegen de ijzige wind.
De vrouw vertelt Galbraith dat ze 26 is, dat ze een technische opleiding volgt aan een nabijgelegen college en dat ze nu vakantie heeft. De vorige avond was ze alleen thuis geweest. Nadat ze een bonenschotel had gemaakt als avondeten, ging ze lekker in bed naar een paar afleveringen kijken van Desperate Housewives, gevolgd door The Big Bang Theory. Uiteindelijk was ze in slaap gesukkeld. Om een uur of acht schrok ze wakker doordat er een man op haar rug dook, die haar tegen de matras drukte. Hij droeg een zwart masker, een soort sjaal die hij om zijn hoofd had gebonden. Hij had een pistool in zijn hand, zilverkleurig met zwart. ‘Niet gillen. Eén kik en je bent er geweest,’ zei hij tegen haar.
Hij wist precies wat hij deed. Hij bond haar handen losjes op haar rug. Uit een grote, zwarte tas haalde hij lange kousen, doorzichtige plastic pumps met roze strikken, glijmiddel, een doosje vochtige doekjes en een flesje water. In de vier uur die volgden verkrachtte hij haar herhaaldelijk. Hij legde het allemaal vast met een digitale camera en dreigde de beelden online te zetten als zij naar de politie zou gaan. Na afloop zei hij dat ze haar tanden moest poetsen en moest douchen. Tegen de tijd dat ze uit de badkamer kwam, was hij verdwenen. Hij had al haar beddengoed meegenomen. Eén uiterlijk kenmerk stond haar haarscherp voor de geest: een donkere plek op zijn linkerkuit, zo groot als een ei.
DNA
Geschokt hoort Galbraith de vrouw aan. De verkrachting is zo beestachtig; de dader zo bedreven. Er is geen tijd te verliezen. Galbraith zit vlak naast de vrouw, voor in de auto, en ze haalt voorzichtig een paar wattenstaafjes over het gezicht van de vrouw om eventueel DNA-materiaal te verzamelen. Vervolgens brengt ze haar naar het St. Anthony North-ziekenhuis. De vrouw krijgt een speciaal medisch-forensisch onderzoek om nog meer DNA-bewijsmateriaal te vergaren. Voor ze met de verpleegster meegaat zegt Galbraith: ‘Ik vermoed dat hij dit eerder heeft gedaan.’
Galbraith keert terug op de plaats delict. Er zijn een handvol agenten en mensen van de forensische dienst bezig. Ze doen buurtonderzoek, maken foto’s in het appartement, keren vuilnisbakken ondersteboven, zoeken overal naar DNA-materiaal, op de muren, op de ramen. Ze zien voetsporen in de sneeuw, die van en naar de achterkant van het appartement lopen, over een kaal terrein. Ze spuiten fluorescerende oranje verf in de voetstappen, zodat ze duidelijk te zien zijn, en maken foto’s. Het is allemaal niet veel. Maar beter dan niets. Een van de agenten zegt dat hij naar het toilet wil. ‘Niets daarvan, gewoon doorwerken!’ zegt Galbraith.
Als Galbraith die avond naar huis gaat, blijft ze maar malen. ‘Wie is deze man?’ vraagt ze zich af. ‘Hoe krijg ik hem te pakken?’ Galbraith neemt geregeld verkrachtingszaken op zich. Ze is zelf getrouwd, heeft kinderen. Ze kan zich goed inleven in de slachtoffers, die in overgrote meerderheid vrouw zijn. De meesten zijn verkracht door een vriendje of een oude vlam, of door iemand die ze hebben ontmoet in het uitgaansleven. In deze gevallen draait het vaak om de vraag of de vrouw al dan niet heeft ingestemd. Heeft de vrouw ‘ja’ gezegd? Vaak een lastige vraag voor zowel politie als openbaar ministerie. Een jury zal niet zomaar iemand naar de gevangenis sturen als het zijn woord is tegen dat van het slachtoffer. Verkrachting door een onbekende komt veel minder vaak voor – slechts in zo’n 13 procent van de gevallen. Maar goed, nu is er het verhaal van deze vrouw. Vertelt ze de waarheid? Of is het een verzinsel, om een uit de hand gelopen seksueel avontuur goed te praten?
In die zin zijn verkrachtingszaken onvergelijkbaar met de meeste andere misdrijven. Er wordt niet alleen geoordeeld over de vraag of de beklaagde schuldig is, maar ook over de vraag in hoeverre het slachtoffer geloofwaardig is. En op het lange, precaire traject van misdrijf naar veroordeling is het de politie die als eerste de feiten weegt. Het is aan de rechercheur om erachter te komen of het slachtoffer al dan niet de waarheid spreekt.
Galbraith heeft een eenvoudige stelregel: luisteren en verifiëren. ‘Er wordt vaak gezegd: je moet je slachtoffer geloven, je moet je slachtoffer geloven,’ aldus Galbraith. ‘Maar ik geloof niet dat dat de juiste insteek is. Volgens mij gaat het erom dat je naar je slachtoffer moet luisteren. En dan in het verhaal meegaan, of het weerleggen, al naar gelang het verdere verloop.’
Als ze thuiskomt, heeft haar man David de afwas gedaan en de kinderen naar bed gebracht. In de woonkamer laten ze zich ieder op een bank ploffen. Galbraith vertelt wat er die dag is gebeurd. De verkrachter is slim te werk gegaan, hij heeft geprobeerd alle DNA-sporen op de plaats delict te wissen. Voor hij vertrok heeft hij de studente laten zien hoe hij binnen is gekomen, via een glazen schuifdeur. Hij heeft gezegd dat ze het beste een balkje in de sponning kan leggen om toekomstige indringers buiten de deur te houden. Het slachtoffer heeft hem omschreven als een gentleman, zegt Galbraith. Het zal nog knap lastig worden om hem te pakken te krijgen, denkt ze.
David Galbraith is wel gewend aan dit soort naargeestige verhalen. Ze werken tenslotte allebei bij de politie. Hij werkt in Westminster, zo’n 20 kilometer naar het noordoosten. Golden en Westminster zijn slaapsteden, ingeklemd tussen de wolkenkrabbers in het centrum van Denver en de oprijzende Rockies.
Dit keer is het anders dan anders. Terwijl David het verhaal aanhoort, komen de details van de zaak hem onrustbarend bekend voor. Hij zegt tegen zijn vrouw dat ze de volgende ochtend meteen contact moet opnemen met het bureau waar hij werkt. ‘Wij hebben er precies zo een,’ zegt hij.
Lynnwood, Washington
Ze weet niet of ze op de kleuterschool heeft gezeten.
Ze weet dat ze honger heeft geleden en hondenvoer heeft gegeten.
Ze zegt dat ze op haar zesde of zevende onder pleegzorg is komen te vallen.
Het rapport over Marie – opgesteld door een psychologisch expert die vijf uur lang met haar heeft gepraat – is opgetekend met een klinische afstandelijkheid, en het gaat met name over haar leven voordat ze werd ondergebracht bij pleeggezinnen…
Ze heeft haar biologische vader slechts één keer gezien.
Ze zegt dat ze maar weinig weet over haar biologische moeder, die Marie naar eigen zeggen geregeld achterliet bij allerlei vriendjes.
Ze is zowel seksueel als lichamelijk mishandeld.
… en daarna: volwassenen, verzorgenden en hulpverleners die komen en gaan, enkele schokkende ervaringen, al dan niet gepaard gaand met misbruik, en een algeheel gebrek aan stabiliteit.
‘Ik ben als kind heel veel verhuisd,’ zegt Marie in een interview. ‘Ik heb ook in groepsverband gewoond. Dat laatste twee keer, en ik denk in een stuk of tien, elf pleeggezinnen.’
‘Ik gebruikte een stuk of zeven verschillende drugs. En Zoloft is een drug voor volwassenen – dat gebruikte ik op mijn achtste.’
Marie heeft twee halfbroers en een halfzus van moeders kant. Soms werd ze samen met haar broers en haar zus in een pleeggezin geplaatst. Maar meestal werden de kinderen uit elkaar gehaald.
Niemand legde haar ooit echt uit waarom ze moest verhuizen, of wat er aan de hand was. Ze moest gewoon weer ergens anders heen.
Toen Marie de puberleeftijd bereikte, leek er een einde te komen aan de jaren van onrust. Haar pleegouders wilden haar adopteren. ‘Ik was echt dol op die mensen en ik maakte veel vrienden,’ zegt Marie.
Veel kinderen zien als een berg op tegen de eerste dag op de middelbare school. Marie stond echt te popelen. Ze mocht alle vakken volgen die ze wilde. Ze had vriendinnen. Ze had eindelijk het gevoel dat ze erbij hoorde.
Maar op die eerste dag kwam er een maatschappelijk werkster naar school om Marie te vertellen dat het pleeggezin niet langer als zodanig mocht functioneren. Marie kon niet langer bij hen blijven wonen. De maatschappelijk werkster kon er verder niets over zeggen.
‘Ik moest vooral heel hard huilen,’ zegt Marie. ‘ Ik kreeg iets van twintig minuten om mijn spullen te pakken en te vertrekken.’
In afwachting van een structurelere oplossing trok Marie in bij Shannon McQuery en haar man in Bellevue, een welvarende hightechvoorstad van Seattle. Shannon, een makelaar die al langere tijd pleegkinderen in huis had, kende Marie van bijeenkomsten voor kinderen met een moeilijke achtergrond, en ze voelde zich op een bepaalde manier met Marie verwant.
Shannon en Marie waren allebei ‘een beetje maf’, om Shannons eigen woorden te gebruiken. ‘We konden om elkaar lachen en we hadden veel lol samen. We leken in veel dingen op elkaar.’ Ondanks alles wat Marie had doorgemaakt was ze niet verbitterd, zegt Shannon. Ze hield contact met eerdere pleeggezinnen. Ze was prima in staat om een gesprek te voeren met volwassenen. Ze ging ’s ochtends zonder problemen naar school.
‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien’
Maar al was Shannon nog zo dol op Marie, ze wist ook dat ze niet zou kunnen blijven, omdat ze al een ander pleegkind in huis hadden dat erg veel aandacht behoefde. ‘We vonden het echt heel erg dat we haar niet bij ons konden houden,’ zegt Shannon.
Na een paar weken bij Shannon te hebben gewoond ging Marie naar Peggy Cunningham, die als kinderadvocaat werkte in de daklozenopvang. Ze woonde in Lynnwood, een kleinere voorstad op zo’n 20 kilometer ten noorden van Seattle. Marie was Peggy’s eerste pleegkind.
‘Ik had gerekend op een baby. Ik had al een wiegje staan – en opeens kreeg ik een meid van zestien,’ zegt Peggy lachend. ‘Maar het was prima. Ik heb een achtergrond in de geestelijke gezondheidszorg en ik had jaren en jaren met kinderen gewerkt. Waarschijnlijk dachten ze bij jeugdzorg: Zij kan het wel aan. Zodoende.’
In het begin wilde Marie helemaal niet bij Peggy wonen. Marie was gewend aan andere kinderen om zich heen. Peggy had geen kinderen. Marie was dol op honden. Peggy had twee katten. ‘In het begin botsten we nogal,’ zegt Marie. ‘Ik was niet bepaald de makkelijkste. Ik heb het gevoel dat mensen vaak een ander beeld van mij hebben dan ikzelf.’
Peggy, die een vuistdik rapport had gekregen over Maries achtergrond, stond er eigenlijk van te kijken hoe goed ze het deed. Marie had belangstelling voor jongens, tekenen en muziek – of het nou popmuziek, country of gospel was. ‘Ze was heel vrolijk en een en al energie, maar er waren ook momenten dat ze heel geladen was,’ zegt Peggy. Marie wilde niets liever dan erbij horen, wat voor vrijwel alle kinderen geldt. Ze wilde per se een heel vrouwelijke, witte jas met een bontkraag hebben, omdat ze dacht dat meisjes er zo bij hoorden te lopen, maar toen dat niet het geval bleek te zijn, liet ze de jas in de kast hangen.
Peggy begreep algauw dat de middelbare school waar Marie op zat niet echt geschikt voor haar was – ‘echt van die meidenkliekjes,’ aldus Peggy – en ze ging op zoek naar een school die beter bij haar paste. Daar had Marie het naar haar zin. Ze onderhield nauw contact met Shannon, die grappend zei dat Peggy en zij Marie samen opvoedden – Shannon voor de leuke dingen (laten we lekker gaan varen) en Peggy voor de regels (ik wil dat je zo en zo laat thuis bent).
Prettig gezelschap
Via via leerde Marie Jordan Schweitzer kennen, een scholier die een bijbaantje had bij McDonald’s. Uiteindelijk kregen ze verkering. ‘Ze was gewoon heel prettig gezelschap. Het was altijd leuk om met haar te praten,’ zegt Jordan.
Volgens Marie zelf was de gelukkigste tijd van haar leven zo rond haar zestiende, zeventiende, en de gelukkigste dag van haar leven was misschien wel de dag die ze doorbracht met haar beste vriendin, die ook in de bovenbouw zat en haar de fijne kneepjes van het fotograferen bijbracht.
‘Ik kon echt uren op het strand zitten om naar de ondergaande zon te kijken. Ik deed niets liever. Ze heeft een foto genomen die ik echt prachtig vind. We waren naar het strand gegaan, het was een uur of zeven ’s avonds, ik weet niet wat ons bezielde, maar ik ging het water in, sprong op uit de golven en gooide mijn haar naar achteren.’
Marie maakte haar school niet af maar probeerde in plaats daarvan een soort staatsexamen te doen. Ze was zeventien en ging tot diep in de nacht uit, wat Peggy zorgen baarde. Er ontstonden spanningen in huis. In het voorjaar van 2008 werd Marie achttien. Ze kon bij Peggy blijven wonen, als ze zich aan bepaalde regels zou houden. Maar Marie wilde op zichzelf gaan wonen.
Op internet stuitte Peggy op een programma dat onlangs in het leven was geroepen: Project Ladder. Het was het jaar daarvoor opgezet om jongvolwassenen die in pleeggezinnen waren opgegroeid te helpen met de overgang naar een zelfstandig bestaan. Projectmedewerkers zouden de deelnemers bij de hand nemen en ze leren wat de valkuilen waren bij dingen als boodschappen doen, omgaan met een creditcard of een verzekering afsluiten. ‘De spelregels van het leven,’ noemt Marie het. Een van de mooie dingen van Project Ladder was dat men ook zorgde voor gesubsidieerde woonruimte, met voor iedere deelnemer een tweekamerappartementje. ‘Het was een godsgeschenk,’ zegt Peggy.
Er waren maar een paar plekken, maar Marie wist een plekje te bemachtigen. Ze vond het wel een beetje eng, maar alle huiver werd overwonnen door een gevoel van trots. Ze nam haar intrek in de Alderbrooke Apartments, een rustiek complex dat adverteert met een nabijgelegen winkelcentrum en uitzicht op de watervallen. Marie kreeg ook haar eerste baantje, bij [groothandelsketen] Costco, waar ze de klanten bepaalde producten mocht laten proeven. Ze zat er niet mee om zes uur onafgebroken op de been te zijn. Ze vond het leuk om met mensen te kletsen, zonder de druk om iets te moeten verkopen.
Veel kinderen die uit huis zijn geplaatst raken aan de drugs of belanden in de gevangenis. Maar Marie was er goed doorheen gekomen. ‘Het was fijn om zelfstandig te wonen, zonder alle regels die je in pleeggezinnen hebt,’ zegt Marie. ‘Dit was echt vrijheid. Het was te gek.’
6 JANUARI 2011
Golden, Colorado
De ochtend na de verkrachting in Golden haast Galbraith zich naar haar werk om de tip van haar man na te trekken. Om 9:07 uur stuurt ze een mail naar de politie in Westminster. De onderwerpregel is de klemmende vraag: ‘Overeenkomsten verkrachtingszaken?’
Rechercheur Edna Hendershot in Westminster is net aan haar bureau gaan zitten nadat ze, zoals gebruikelijk, langs Starbucks is gereden voor een Venti, upside-down, skinny caramel macchiato. Ze leest de e-mail, en haar gedachten gaan terug naar vijf maanden eerder, een frisse dinsdag in augustus 2010. In verband met de aangifte van een verkrachting gaat ze naar een appartementencomplex in een arbeiderswijk in het noordwesten van haar stad. Daar vertelt een 59-jarige vrouw dat ze thuis lag te slapen toen er ineens een man boven op haar sprong. Hij droeg een zwart masker. Hij bond haar handen vast. Hij pakte haar roze Sony Cyber-shot-camera en maakte foto’s van haar. Na afloop zei hij dat ze onder de douche moest gaan. Hij zette een keukenwekker zodat ze wist wanneer ze onder de douche vandaan mocht komen. ‘Ik denk niet dat je in de toekomst je ramen nog open laat staan,’ zei de indringer tegen de vrouw, van wie onlangs de man was overleden.
Krachten bundelen
Er is meer. Hendershot herinnert zich dat tijdens het onderzoek naar deze zaak een agent haar wees op een voorval in oktober 2009, in Aurora, een voorstadje aan de andere kant van Denver. Destijds had een 65-jarige vrouw de politie verteld dat ze in haar eigen huis was verkracht door een man die een zwart sjaaltje om zijn gezicht had geknoopt. Hij had foto’s genomen en gedreigd die op internet te zetten. Tijdens de aanval mepte hij een gele teddybeer van een tafel in haar slaapkamer. ‘Je moet hulp zoeken,’ had de vrouw gezegd, die huismoeder was bij een studentensociëteit. ‘Daar is het al te laat voor,’ had de man geantwoord.
Rechercheurs willen een zaak soms voor zich houden, uit angst dat er bepaalde details uitlekken die het onderzoek in gevaar kunnen brengen. Ze zijn zich soms niet eens bewust van het bestaan van de FBI-database die jaren geleden is opgezet om recidivisten te pakken, of ze maken er domweg geen gebruik van. Uit onderzoeken blijkt dat het bij een kwart tot twee derde van de verkrachters niet om een eenmalig misdrijf gaat.
Hendershot ziet gelukkig meteen de meerwaarde van samenwerking en de inzet van alle mogelijke middelen. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ zegt ze. Galbraith denkt er precies zo over. Haar korps is betrekkelijk klein – niet veel meer dan veertig agenten voor een stadje met twintigduizend inwoners. Niets ligt meer voor de hand dan de krachten te bundelen. ‘Ik heb er geen moeite mee om hulp in te roepen,’ zegt Galbraith. ‘Laten we alles op alles zetten om hem te pakken.’
Een week later zitten Galbraith, Hendershot en rechercheur Scott Burgess uit Aurora samen aan een vergadertafel op het politiebureau van Westminster. Ze leggen hun bevindingen naast elkaar. De beschrijvingen van de verkrachter komen overeen. Net als zijn werkwijze. En er is nog een houvast: de vrouw in de zaak van Galbraith is gedurende de hele, afschuwelijke ervaring scherp gebleven, heeft geprobeerd zo veel mogelijk details te onthouden. Het fototoestel dat de verkrachter gebruikte staat haar scherp voor de geest. Een roze, digitale Sony-camera – een omschrijving die overeenkomt met het toestel dat is gestolen uit het appartement van het slachtoffer in Westminster.
Galbraith en Hendershot ontmoeten elkaar voor het eerst op die bespreking. De jacht op de verkrachter smeedt een sterke band tussen de twee rechercheurs – beide vrouwen functioneren in een mannenwereld. In Amerika bestaat het politieapparaat voor gemiddeld zo’n 13 procent uit vrouwen. Het is nog altijd een echt mannenbolwerk, vaak met een hiërarchische en militaristische structuur. Maar de beide vrouwen hebben zich een plaats weten te verwerven binnen deze organisatie. Ze zijn opgeklommen.
Het klikt meteen tussen beide vrouwen. Ze dragen allebei het hart op de tong. Ze maken veel grappen en zijn goedlachs. Galbraith is jonger. Ze is een en al energie. ‘Die stormt met 150 kilometer per uur een bepaalde kant op,’ zegt een collega. Hendershot heeft meer ervaring. Ze heeft al meer dan honderd verkrachtingszaken gedaan. Ze is behoedzaam, onvermoeibaar, precies – de vrouwen vullen elkaar perfect aan. ‘Met 150 kilometer per uur zie je soms bepaalde broodkruimels over het hoofd,’ aldus dezelfde collega.
De aanvankelijke pogingen om de verkrachter op te sporen leveren weinig op. De politie in Galbraith weet beelden te bemachtigen van een beveiligingscamera waarop de ingang is te zien van het gebouw waar Galbraiths slachtoffer is belaagd. Een collega-rechercheur bekijkt meer dan twaalf uur korrelig beeldmateriaal. Hij registreert heel nauwgezet 261 auto’s en mensen die in de nacht van het voorval zijn gekomen of gegaan. Er is één aanwijzing die misschien bruikbaar is. In de uren vlak voordat de zon opkomt, duikt tot tien keer toe een witte Mazda pick-up op in de beelden. Misschien de verkrachter die wachtte tot de vrouw in slaap was gevallen? Maar pogingen om de eigenaar van de auto te achterhalen zijn vruchteloos. Het nummerbord is onleesbaar.
In de weken die volgen lopen steeds meer sporen dood. Hendershot probeert het met de database die is bedoeld om verkrachters te pakken door zaken in verschillende jurisdicties aan elkaar te koppelen. Het levert enkele doodlopende sporen op. De frustratie neemt toe. ‘Hij gaat nog een slachtoffer maken,’ sombert Galbraith.
Honingraatmotief
Eind januari besluiten de rechercheurs dat ze hun onderzoeksterrein moeten verbreden. Hendershot vraagt een van de misdaadanalisten van haar korps om bij andere korpsen naar soortgelijke misdrijven te speuren. De analist stuit op een incident in Lakewood, ook een voorstad van Denver, dat ongeveer een maand voor de verkrachting in Westminster heeft plaatsgevonden. Destijds heeft de politie de zaak afgedaan als een inbraak. Maar in dit nieuwe licht bezien heeft het veel weg van een mislukte poging tot verkrachting, en de dader vertoont veel overeenkomsten met de beschrijving van de verkrachter. De analist stuurt Hendershot een berichtje. ‘Ik moet je spreken.’
In het rapport staat te lezen hoe een 46-jarige kunstenares in haar eigen huis is belaagd door een man met een mes. Hij draagt een zwart masker. Hij probeert haar polsen vast te binden. Maar als de man even de andere kant op kijkt, springt de vrouw uit haar slaapkamerraam. De val van bijna drie meter levert haar drie gebroken ribben en een klaplong op, maar ze weet te ontkomen.
Op de plaats delict treffen onderzoekers enkele sporen die heel misschien als bewijsmateriaal kunnen dienen. Vlak voor het misdrijf zijn er zware buien gevallen. In de zompige grond onder het slaapkamerraam van de vrouw vindt de politie voetafdrukken. Op het raam zien ze een honingraatmotief.
Een honingraatmotief. Hendershot gaat ermee aan de slag. De onderzoekers in Westminster hebben soortgelijke afdrukken aangetroffen op het raam van het appartement van het slachtoffer. Hendershot laat de afdrukken vergelijken. De afdrukken van beide plaatsen delict komen overeen. Ze lijken ook overeen te komen met de afdrukken van een stel Under Armour-handschoenen die een rechercheur in Lakewood, heel toevallig, bij Dick’s Sporting Goods heeft gezien.
Galbraith laat de voetafdrukken natrekken die in Lakewood zijn aangetroffen. Ze komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw bij het appartement van haar slachtoffer in Golden. Ze stuurt afdrukken van de schoenen naar crimeshoe.com, een website die beweert een onderzoek vooruit te kunnen helpen door ‘in één simpele stap’ van een niet nader geïdentificeerde voetafdruk op een plaats delict te komen tot zeer gedetailleerde informatie over de schoen in kwestie. De site, die inmiddels ter ziele is, laat weten dat de afdrukken afkomstig zijn van de Adidas ZX 700 mesh, een schoen die in maart 2005 op de markt is gekomen.
Er ontstaat een hechte samenwerking: wanneer rechercheur Stacy Galbraith en brigadier Edna Hendershot tot de conclusie komen dat de verkrachtingen het werk zijn van een veelpleger, zoeken ze de samenwerking met andere rechercheurs in Colorado teneinde hem te pakken te krijgen. ‘Twee mensen, of drie, of vier, zien soms meer dan één, nietwaar?’ aldus Hendershot.
De man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent
Eind januari 2011 hebben de rechercheurs vier verkrachtingen met elkaar in verband gebracht, allemaal gepleegd in voorsteden van Denver, in een periode van vijftien maanden. Het spoor begint in Aurora, ten oosten van Denver, op 4 oktober 2009, met de 65-jarige vrouw. Dan wordt het negen maanden later weer opgepikt, zo’n 35 kilometer naar het westen, waar de verkrachter de kunstenares in Lakewood belaagt. Weer een maand later wordt de 59-jarige vrouw verkracht in Westminster, zo’n 15 kilometer noordelijker. En tot slot, in januari 2011, volgt de aanval op de 26-jarige vrouw in Golden, dik 20 kilometer ten zuidwesten van Westminster. Als je een kaart zou tekenen, is het bijna alsof de verkrachter vanuit Denver alle windrichtingen heeft willen bestrijken.
Galbraith en Hendershot proberen door middel van DNA-materiaal de verkrachter te identificeren. Ze hebben de plaatsen delict aan een grondig onderzoek onderworpen. De forensische dienst zoekt naar sporen op ramen, deurkrukken, zelfs op stortbakken van de wc – alles wat de verkrachter maar kan hebben aangeraakt.
Maar de man weet hoe de politie te werk gaat, misschien is hij zelf ook wel een agent. Hij weet hoe hij moet zorgen dat hij geen DNA-materiaal achterlaat. Hij gebruikt vochtige doekjes om zijn sperma weg te vegen. Hij gebiedt de vrouwen te douchen. Hij neemt hun kleren en beddengoed mee als hij weggaat.
Hij is heel nauwgezet. Maar niet onfeilbaar. De verkrachter heeft minieme sporen achtergelaten. De technici weten drie monsters van zogeheten ‘touch DNA’ veilig te stellen – slechts zeven of acht huidcellen die met behulp van moderne laboratoriumtechnieken kunnen worden geanalyseerd.
Een van de monsters is afkomstig uit de keuken in Westminster. Een tweede monster is afkomstig van het slachtoffer in Golden. Een derde van de teddybeer in Aurora.
11 AUGUSTUS 2008
Lynnwood, Washington
Net even voor negen uur op een maandagochtend reageren twee politiemannen in Lynnwood op een melding van een verkrachting in de Alderbrooke Apartments. Er zijn al een aantal agenten ter plaatse om de plaats delict veilig te stellen. Buiten staat een agent van de hondenbrigade. De hond probeert een geur op te pikken. De politiemannen, brigadier Jeffrey Mason en Jerry Rittgarn, hebben het slachtoffer, Marie, op de bank aangetroffen, onder een deken, zo nu en dan huilend. Haar pleegmoeder, Peggy Cunningham, is bij haar. Ook Wayne Nash is aanwezig, haar case manager van Project Ladder.
Marie, die net drie maanden daarvoor achttien is geworden, vertelt de politie dat ze een groot deel van de avond met haar vriendje Jordan aan de telefoon heeft gezeten. Nadat ze eindelijk in slaap is gevallen, schrikt ze wakker van een man met een mes – die haar vervolgens vastbindt, blinddoekt, een prop in haar mond doet en haar verkracht. Volgens haar gebruikte de man een condoom. Over hoe haar belager eruitzag kan Marie maar weinig zeggen. Blanke man, grijze trui. Ze heeft het idee dat de verkrachting heel lang duurde, zegt Marie tegen de politie, maar ze weet het niet zeker. Het is allemaal een grote waas.
Richtlijnen
Marie zegt dat ze, nadat de verkrachter eenmaal is vertrokken, met haar voet een schaar uit de onderste la van een kast heeft weten te halen en zichzelf heeft weten te bevrijden, waarna ze Jordan heeft gebeld. Jordan nam niet op, dus heeft ze haar pleegmoeder gebeld en vervolgens de bovenbuurvrouw, die meteen naar beneden is gekomen en het alarmnummer heeft gebeld.
Mason, die op dat moment 39 is, heeft tot dan toe voornamelijk gepatrouilleerd en drugszaken gedaan. Zijn langste betrekking was bij een klein korps in Oregon, waar hij bijna negen jaar heeft gewerkt en een onderscheiding heeft gekregen voor betoonde moed. Hij komt in 2003 te werken in Lynnwood, bij de narcoticabrigade. Zes weken voordat de melding van Marie binnenkomt, wordt hij gepromoveerd tot brigadier – en overgeplaatst naar de recherche. Tot nog toe heeft hij slechts meegewerkt aan een of twee verkrachtingszaken. Bij deze zaak moet hij de leiding nemen.
Rittgarn werkt al elf jaar bij het korps, de laatste vier jaar als rechercheur. Hij heeft eerder gewerkt als technicus in de ruimtevaartindustrie. Daarvoor werkte hij bij het korps mariniers, als specialist helikopterelektronica.
Het politiekorps van Lynnwood heeft 79 beëdigde agenten, op een inwonertal van rond de 34.000. In 2008 is Maries zaak een van de tien aangiften van verkrachting die bij het korps binnenkomen; met zo weinig meldingen beschikt het korps niet over een apart team voor seksuele geweldsmisdrijven.
Tegen de tijd dat Marie aangifte doet, hebben specialisten in seksueel geweld allerlei protocollen opgesteld waarin wordt benoemd waar de problemen en de gevoeligheden schuilen bij het onderzoek naar een verkrachtingszaak. In deze richtlijnen, die voor alle politiekorpsen beschikbaar zijn, komen veelgemaakte vergissingen aan de orde.
Zoals in een van de richtlijnen staat, moeten de onderzoekers er niet van uitgaan dat het slachtoffer per definitie hysterisch is in plaats van kalm, dat ze duidelijk zichtbare tekenen van lichamelijke verwondingen vertoont of dat ze in staat is alles tot in detail te beschrijven. Sommige slachtoffers halen details door elkaar of zullen zelfs terugkomen op hun woorden. De politie moet ook vooral niet denken in stereotypen – dat een volwassen slachtoffer geloofwaardiger is dan een puber, bijvoorbeeld.
De politie moet de slachtoffers niet verhoren of dreigen met het gebruik van een leugendetector. Een leugendetectortest is met name onbetrouwbaar wanneer mensen getraumatiseerd zijn, en kan het vertrouwen van het slachtoffer in het politieapparaat schaden. In veel staten is het gebruik ervan verboden bij mensen die het slachtoffer zijn van een verkrachting.
‘Het was net alsof ze het script voorlas van een aflevering van Law & Order’
Wanneer de politiemensen door Maries appartement lopen, zien ze dat een glazen schuifdeur aan de achterkant niet op slot is, en dat deze een heel klein stukje openstaat. De deur biedt toegang tot een platje, met een houten hekje dat onder het vuil zit – op één stuk na, van ongeveer een meter breed, waar zo te zien iemand overheen is geklommen die al doende het hekje heeft schoongeveegd. Op het bed vindt de politie een schoenveter – kennelijk gebruikt om Marie vast te binden. Boven op een computermonitor treffen ze een tweede veter aan, vastgeknoopt aan een onderbroek: de blinddoek of de prop in haar mond. Beide veters zijn afkomstig uit Maries zwarte tennisschoenen die in de woonkamer staan. Naast het bed ligt een mes met een zwart heft. Marie zegt dat het mes van haar is – het is afkomstig uit haar keuken, en dit is het mes waarmee de verkrachter haar heeft bedreigd. De politie vindt Maries handtas op de vloer van de slaapkamer, haar portemonnee op het bed en haar voorlopige rijbewijs, dat om de een of andere reden uit haar portemonnee is gehaald, in de vensterbank van de slaapkamer.
Mason zegt tegen Marie dat ze naar het ziekenhuis moet voor een medisch onderzoek, wat standaard is bij verkrachtingszaken. Nadat Marie is vertrokken, samen met haar pleegmoeder en haar case manager, helpen de rechercheurs bij het onderzoeken van de plaats delict. Op zoek naar een condoom of de verpakking van een condoom kijkt Rittgarn in de badkamer en in vuilnisbakken op de nabijgelegen heuvel, maar het levert niets op. Ondertussen heeft de hond een spoor gevolgd in zuidelijke richting, naar een kantoorgebouw, maar ook de hond kan de politie niet dichter bij de identiteit van de verkrachter brengen.
In het ziekenhuis neemt het medisch personeel meer dan tien huidmonsters. Er wordt getest op hepatitis, chlamydia en hiv. Maria krijgt [de antibiotica] Zithromax en Suprax, omdat ze mogelijk is blootgesteld aan seksueel overdraagbare aandoeningen, en ze krijgt een morningafterpil.
In het medisch rapport wordt melding gemaakt van verwondingen aan Maries polsen en haar vagina. De blauwe plek op haar rechterpols meet 6,5 centimeter, die op haar linkerpols 7 centimeter. Tijdens het onderzoek, zo staat in het verslag te lezen, is Marie ‘alert en helder, en niet volkomen overstuur’.
Aandacht trekken
Op de dag dat ze aangifte doet van verkrachting belt Marie met Shannon, haar voormalige pleegmoeder, zodra ze terug is uit het ziekenhuis. ‘Ze belde me en zei: “Ik ben verkracht,”’ herinnert Shannon zich. ‘Volkomen emotieloos. Alsof ze vertelde dat ze net een broodje had gesmeerd.’ Omdat Marie niet hysterisch is, of zelfs maar overstuur, vraagt Shannon zich af of Marie wel de waarheid vertelt.
De volgende dag, wanneer Shannon bij Marie thuis komt, wordt die twijfel alleen nog maar versterkt. Wanneer Shannon de keuken binnenkomt, ontwijkt Marie haar blik. ‘Dat vond ik nogal merkwaardig,’ zegt Shannon. ‘We omhelsden elkaar altijd, en ze keek mensen ook altijd recht aan.’ In de slaapkamer gedraagt Marie zich net als anders, en niets wijst erop dat er zich daar iets afschuwelijks heeft afgespeeld. Buiten ‘rolde Marie lachend en giechelend door het gras’, zegt Shannon. Als de twee nieuw beddengoed gaan kopen – het andere beddengoed is door de politie in beslag genomen als bewijsmateriaal – ontsteekt Marie in razernij omdat ze niet hetzelfde overtrek kan vinden. Waarom zou je elke dag opnieuw tegen dezelfde lakens en sprei willen aankijken als je op dat beddengoed bent verkracht? denkt Shannon bij zichzelf.
Ook Peggy weet niet goed raad met Maries houding. Toen Marie haar die eerste dag belde, nog voor de politie was gearriveerd, ‘zat ze te huilen en kon ik haar nauwelijks verstaan’, zegt Peggy. ‘Ze had echt zo’n heel klein stemmetje, en ik wist het niet goed. Op de een of andere manier leek het gemaakt… in zekere zin had het ook iets heel overdrevens.’ Peggy heeft inmiddels nieuwe pleegkinderen in huis – twee zussen, allebei tieners. Niet lang daarvoor is Marie een keer met Peggy en de zussen en Peggy’s vriend gaan picknicken. Zoals Peggy het zich herinnert probeerde Marie de hele middag de aandacht naar zich toe te trekken. Zozeer zelfs dat Peggy zich nu afvraagt of dit misschien ook een poging is om aandacht te trekken, maar dan wanhopiger.
Als Peggy die ochtend als een speer naar het appartement gaat, treft ze Marie huilend op de vloer aan. ‘Het was heel gek, want ik ging naast haar zitten en ze vertelde me wat er was gebeurd en toen – ik kijk heel veel naar Law & Order en ik had gewoon het gevoel dat er iets niet klopte,’ zegt Peggy. ‘Het was net alsof ze me het script voorlas van een aflevering van Law & Order.’ Deels komt dat door wát Marie vertelt. Waarom zou een verkrachter schoenveters gebruiken om haar vast te binden? En deels komt het door de manier waaróp Marie het vertelt: ‘Ze was zo afstandelijk, alsof het haar echt op geen enkele manier raakte.’
De twee vrouwen die hebben geholpen Marie groot te brengen bellen elkaar. Peggy zegt tegen Shannon dat ze vraagtekens heeft bij het verhaal. Shannon zegt dat ze ook zo haar twijfels heeft. Geen van beiden kennen ze Marie als iemand die liegt – overdrijven, oké, om aandacht vragen, oké – maar nu horen ze van elkaar dat ze niet de enigen zijn die zich afvragen of Marie dit heeft verzonnen.
Op 12 augustus, de dag nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting, gaat de telefoon van brigadier Mason. Degene die belt laat weten ‘dat [Marie] een geschiedenis heeft van aandachttrekkerij, en de beller vraagt zich af of de “verkrachting” werkelijk heeft plaatsgevonden’, schrijft Mason later. In Masons verslag staat niet wie het telefoontje heeft gepleegd – maar het is Peggy.
Ze belt de politie om haar twijfels kenbaar te maken. Vervolgens gaat Mason naar haar huis om haar te spreken. Peggy licht de politie in over haar twijfels en verzoekt om anonimiteit. ‘Ik wilde niet dat het bij Marie terecht zou komen,’ zegt Peggy. ‘In feite wilde ik gewoon mijn burgerplicht doen. Snap je? Ik wilde niet dat ze allemaal tijd en middelen zouden steken in iets wat, nou ja, wat uiteindelijk gewoon een persoonlijke tragedie zou blijken.’
Mason heeft bovendien een tip gekregen dat Marie niet gelukkig is in haar appartement. Mogelijk wil ze de verkrachting gebruiken om andere woonruimte te krijgen.
Op 13 augustus vervoegt Marie zich op het politiebureau van Lynnwood en legt een geschreven verklaring af, waarin ze beschrijft wat er is gebeurd. De verklaring is slechts één pagina. Maar voor Mason staat er een cruciale passage in. Marie schrijft dat haar belager heeft gezegd dat ze zichzelf kan bevrijden als hij weer weg is:
Zodra hij weg was, pakte ik met mijn mond mijn telefoon (die vlak naast mijn hoofd lag) en probeerde Jordan terug te bellen. Hij nam niet op, dus belde ik mijn pleegmoeder… Ze kwam meteen naar me toe. Ik verbrak de verbinding en probeerde mezelf te bevrijden.
Dat komt niet helemaal overeen met wat Marie eerder aan Mason heeft verteld. Ze heeft eerder verklaard dat ze heeft geprobeerd Jordan te bellen nádat ze de veters had doorgeknipt. In deze geschreven verklaring zegt ze echter dat ze hem heeft gebeld terwijl ze nog is vastgebonden.
Later die dag praat Mason met Rittgarn, zijn collega-onderzoeker, en hij zegt dat hij er nu – op basis van de tegenstrijdigheden in Maries verhaal, en op basis van informatie die hij van Peggy en Jordan heeft gekregen – van overtuigd is dat Marie het verhaal heeft verzonnen.
De angst voor valse aangiften van verkrachting kent een lange geschiedenis binnen het rechtssysteem. Rond 1600 waarschuwde de Engelse opperrechter Matthew Hale al dat verkrachting ‘een beschuldiging is die makkelijk wordt gedaan maar moeilijk valt te bewijzen, en waar de beschuldigde partij zich nog moeilijker tegen kan verweren’. In Amerika lazen rechters deze zogeheten Hale-waarschuwing altijd voor aan juryleden – tot aan de jaren tachtig van de vorige eeuw. Uit recent onderzoek blijkt echter dat er betrekkelijk zelden een valse aangifte wordt gedaan. Uit cijfers van de FBI komt naar voren dat de politie jaarlijks zo’n 5 procent van de verkrachtingszaken geheel of ten dele ongegrond verklaart. Sociaal wetenschappers die de politierapporten heel grondig hebben uitgeplozen en methodologisch doortimmerde methoden gebruiken, komen met vergelijkbare percentages, van onder de 10 procent.
De volgende ochtend gaat Mason naar het huis van Jordan om met hem te praten. Jordan vertelt de rechercheur dat hij en Marie al een paar maanden uit elkaar zijn, maar nog altijd goed bevriend zijn. Volgens Masons uitgeschreven rapport zegt hij op geen enkel moment dat hij aan Maries verhaal twijfelt. Wél zegt hij dat Marie hem heeft verteld dat ze, toen ze die ochtend probeerde te bellen, haar tenen had gebruikt omdat ze was vastgebonden.
Later die dag – 14 augustus, drie dagen nadat Marie aangifte heeft gedaan van verkrachting – belt Mason haar op, met de vraag of ze kunnen praten. Hij zegt dat hij haar kan komen ophalen en dat ze vervolgens naar het bureau kunnen gaan.
‘Moet ik me zorgen maken?’ vraagt Marie aan de rechercheur.
9 FEBRUARI 2011
Westminster, Colorado
Op 9 februari 2011 komen meer dan tien agenten en rechercheurs van het Colorado Bureau of Investigation samen in de vergaderkamer van het politiebureau in Westminster om de voortgang van het onderzoek te bespreken.
Het staat er niet al te best voor. Na vijf weken speurwerk zijn er nauwelijks aanknopingspunten en is er niet één verdachte. De analyse van het touch DNA heeft gemengde resultaten opgeleverd. Het onderzoek heeft het aantal mogelijke verdachten beperkt tot mannen die behoren tot één en dezelfde familie, van vaderskant. Maar er is niet genoeg genetisch materiaal om één iemand aan te wijzen. De resultaten kunnen dan ook niet worden ingevoerd in de nationale database van de FBI om te kijken of er een match is met een verdachte.
Galbraith heeft goede hoop. In ieder geval hebben ze nu iets concreets. Het is een en dezelfde dader. ‘Het is een doorbraak,’ zegt ze. ‘Maar het is nog niet genoeg.’
Wanneer de vergadering ten einde loopt, staat een jonge misdaadanalist van het korps in Lakewood op van haar stoel. Ze heeft gezocht naar meldingen uit de afgelopen zes maanden, voertuigen of mensen die zich verdacht hebben gedragen binnen een straal van vierhonderd meter van het huis van het slachtoffer in Lakewood. Ze heeft iets gevonden. Maar ze weet niet of het belangrijk is.
Drie weken voor de poging tot verkrachting in Lakewood heeft laat op de avond een vrouw de politie gebeld met de mededeling dat er een verdachte pick-up geparkeerd stond in de straat, met een man erin. De politie ging een kijkje nemen, maar de man was verdwenen. De agent maakte summier melding van het voertuig. Wat de aandacht van de analiste had getrokken was de plek waar de pick-up had gestaan. Hij stond een half huizenblok van het huis van het Lakewood-slachtoffer, naast een kaal terrein dat grensde aan de achtertuin van het slachtoffer.
Het betrof een witte Mazda pick-up uit 1993.
Hij stond op naam van een man uit Lakewood, ene Marc Patrick O’Leary.
Het onderzoek belandt ogenblikkelijk in een stroomversnelling. Kunnen de rechercheurs O’Leary’s Mazda in verband brengen met de korrelige beelden van de witte Mazda op de beelden van de beveiligingscamera in Golden? Aaron Hassell, de rechercheur die op de Lakewood-zaak zit, gaat als een speer terug naar zijn bureau. De patrouillewagens in Lakewood hebben camera’s die automatisch een foto maken van elk nummerbord dat ze passeren. Het resultaat is een doorzoekbare database van duizenden nummerborden die zijn gekoppeld aan een bepaald moment en een bepaalde plek. Hassell tikt het nummerbord in uit het politierapport van Lakewood: 935VHX. Hij heeft beet. Een patrouillewagen in Lakewood heeft een foto gemaakt van O’Leary die naast zijn witte Mazda staat, op de oprit van zijn huis – een kleine twee uur nadat in augustus de weduwe in Westminster is belaagd.
Op beelden van een bewakingscamera in Golden, Colorado, is te zien hoe een Mazda pick-up uit 1993 rondjes rijdt om een appartementencomplex waar een 26-jarige studente is verkracht. De rechterzijspiegel lijkt verbogen.
Hassell stuurt de foto door naar Galbraith. Heel nauwgezet vergelijkt zij de witte Mazda van O’Leary met die van de beveiligingscamera. Op een still is goed te zien dat het spiegeltje aan de passagierskant van de Mazda is beschadigd. Precies als bij de auto van O’Leary. Beide voertuigen hebben een trekhaak. Beide hebben dezelfde vlekken op de achterkant – misschien een bumpersticker die eraf is getrokken.
‘Dat is ’m,’ zegt Galbraith.
Hendershot komt tot de ontdekking dat de patrouillewagen in Lakewood de foto heeft gemaakt toen O’Leary op weg was naar een nabijgelegen vestiging van het Department of Motor Vehicles [DMV, een soort rijksdienst voor het wegverkeer]. Uit de gegevens van het DMV blijkt dat O’Leary nog geen vier uur na de belaging in Westminster een foto heeft laten nemen voor zijn rijbewijs. Op de foto zien we een man van 1 meter 85 met bruine ogen. Hij is 32 jaar en hij weegt 100 kilo. Hij draagt een wit T-shirt. Zijn uiterlijke kenmerken komen overeen met de beschrijvingen die de slachtoffers hebben gegeven. En de weduwe in Westminster heeft tegen Hendershot gezegd dat haar belager een wit T-shirt droeg.
Hendershot wil geen overhaaste conclusies trekken. ‘Het is zeer bemoedigend, ik ben heel blij,’ zegt ze. Maar: ‘Het is nog niet zeker, voor mij staat het nog niet vast dat dit ook echt onze man is.’
Tijdens de 24 uur die volgen probeert een handvol onderzoekers met vereende krachten al het mogelijke over O’Leary aan de weet te komen. O’Leary heeft geen strafblad. Hij staat niet bekend als zedendelinquent. Hij heeft in het leger gediend.
Die avond zitten Galbraith en haar man David weer op de bank in hun woonkamer. Op hun laptop zoeken ze naarstig naar informatie over O’Leary – ieder met behulp van een andere zoekmachine. Het duurt niet lang of David heeft iets gevonden. In september 2008 heeft O’Leary een pornowebsite gekocht. Ze vragen zich af of daar foto’s van zijn slachtoffers op staan.
De rechercheurs willen proberen aan O’Leary’s DNA te komen. Hoewel het onzuivere DNA-materiaal dat ze op de plaatsen delict hebben aangetroffen niet voor honderd procent gelinkt kan worden aan dat van O’Leary, kan wel aangetoond worden dat de misdaden vermoedelijk zijn begaan door een mannelijk lid van zijn familie. Als de politie O’Leary’s mannelijke familieleden kan uitsluiten, kunnen de misdrijven met een hoge mate van waarschijnlijkheid aan O’Leary zelf worden toegeschreven. ‘We kunnen hem nog altijd niet met zekerheid als dader aanwijzen,’ zegt Hendershot.
Op de ochtend van vrijdag 11 februari houden agenten het huis van O’Leary in de gaten. Het is een klein, gelijkvloers huis met grijze buitenmuren, een half blok van een benzinestation, een plaatwerkerij en een slagerij, in een armoedige buurt. Er staat een laag hek van draadgaas om het huis. Hoge, winters kale bomen torenen boven het huis uit. Net na het middaguur zien de agenten een vrouw en een man die op O’Leary lijkt het huis verlaten. Ze volgen het stel naar een nabijgelegen restaurant en zien hen eten. Als de twee klaar zijn met eten gaan de agenten snel naar binnen. Ze grissen de glazen van tafel. Op de rand moeten sporen van zijn DNA zitten.
Het huis waar Marc O’Leary woonde met zijn broer, die sterk op hem leek. Maar dat wisten de FBI-agenten niet toen ze op zijn deur klopten.
Terwijl de agenten achter de man aan gaan van wie ze denken dat het Marc O’Leary is, klopt een andere FBI-agent op de deur van het huis. Hij is van plan een camera bij het huis te installeren en wil er zeker van zijn dat er niemand thuis is. Onverwacht doet een man de deur open. Hij lijkt op Marc O’Leary. In de war gebracht, grijpt de agent terug op een beproefde smoes. Hij zegt tegen de man dat hij langs de deuren gaat om mensen te waarschuwen dat er een inbreker in de buurt actief is. De man stelt zich voor. Hij heet Marc O’Leary. Zijn broer, Michael O’Leary, is net weggegaan om met zijn vriendin te gaan lunchen. O’Leary bedankt de agent voor de informatie en doet de deur weer dicht.
Het opduiken van Michael is verwarrend. De rechercheurs wisten niet dat Michael met zijn broer samenwoonde. Of dat zij zo op elkaar leken. Ze besluiten Michaels DNA van de glazen bij het restaurant te vergelijken met het DNA dat op de plaatsen delict is gevonden. De monsters gaan naar analisten van het speciale rechercheteam in Colorado. Normaal gesproken duurt het maanden voor de uitslag van een DNA-analyse terugkomt. Maar in dit geval werken ze de hele nacht door. Tegen twee uur op zaterdagmiddag hebben ze de uitslag. Het DNA van het glas komt overeen met het DNA dat bij de slachtoffers is gevonden. Een man uit de familie O’Leary is de dader. Maar welke?
Galbraith sluit de vader van de twee broers uit – die is te oud en woont in een andere staat. Maar Michael kunnen ze nog niet als verdachte afschrijven. Het is mogelijk dat hij de verkrachtingen heeft begaan. Of zelfs dat Michael en Marc hebben samengewerkt. De rechercheurs hebben meer informatie nodig.
Haastig stelt Galbraith een huiszoekingsbevel op om het huis van de broers te mogen binnenvallen. Het is buiten al donker wanneer ze ermee klaar is. Ze belt de rechter die weekenddienst heeft. Hij wil per se dat ze hem een fax stuurt. Galbraith rent naar een supermarkt in de buurt van haar huis om het bevel door te faxen. De rechter tekent het op zaterdagavond om tien uur.
Ze weet precies wat ze zoekt. Ze vertrouwt het geheugen van haar slachtoffer. De donkere plek op zijn kuit. Ze mailt een misdaadanalist van een ander politiebureau: ‘Ik móét het been van die kerel zien. Heel nodig!’
14 AUGUSTUS 2008
Lynnwood, Washington
Als iemand vraagt of hij zich zorgen moet maken, dan is dat meestal ook zo, weet rechercheur Mason uit ervaring.
Als Mason, samen met rechercheur Rittgarn, om half vier ’s middags Marie gaat ophalen, vinden ze haar zittend op het gras voor haar flatgebouw. De drie gaan naar het politiebureau van Lynnwood, waar de twee politiemannen Marie meenemen naar een vergaderkamer.
Te oordelen naar het rapport dat Mason hierover later opmaakt, duurt het niet lang voor hij Marie confronteert met de verschillen tussen haar eigen verklaringen en die van andere getuigen. Marie zegt dat ze niets afweet van tegenstrijdigheden. Maar ze vertelt het hele verhaal nog een keer – alleen zegt ze deze keer dat ze gelooft dat de verkrachting heeft plaatsgevonden en niet dat ze het zeker weet. In tranen beschrijft ze haar verleden – al die pleegouders, haar verkrachting als zevenjarige, het feit dat ze nu op zichzelf woont, dat ze zich alleen voelt. Rittgarn zegt tegen Marie dat haar verhaal niet overeenkomt met het bewijsmateriaal. Hij zegt dat hij denkt dat ze het verhaal heeft verzonnen – zomaar ineens, zonder dat ze het van plan was. Hij vraagt haar of er echt wel een verkrachter rondloopt in de buurt, waar de politie naar op zoek moet. ‘Nee,’ antwoordt Marie met zachte stem en neergeslagen ogen.
‘Gezien haar antwoorden en lichaamstaal was duidelijk dat [Marie] over de verkrachting loog’, schrijft Rittgarn later.
Zonder Marie op haar rechten te wijzen – u hebt recht op een advocaat, u hebt het recht om te zwijgen – vragen de rechercheurs Marie om het ware verhaal op te schrijven, waarin ze toegeeft dat ze gelogen heeft, in feite dus dat ze een misdaad heeft begaan. Ze stemt toe en ze laten haar een paar minuten alleen. Op het formulier vult ze haar naam, adres en social security-nummer in en dan schrijft ze, onder andere:
Ik praatte die avond met Jordan aan de telefoon over zijn dag en over van alles. Na mijn gesprek met hem begon ik na te denken over alles, ik was over mijn toeren en ik vond het ook eng om in mijn eentje te wonen. Toen ik ging slapen, droomde ik dat er iemand inbrak en me verkrachtte.
Als de politiemensen terugkomen, zien ze dat Marie de verkrachting in haar nieuwe verklaring beschrijft als een droom, niet als een leugen.
‘Waarom heb je niet opgeschreven dat je het verhaal verzonnen hebt?’ vraagt Rittgarn.
Marie zegt huilend dat ze echt geloofde dat de verkrachting had plaatsgevonden. Ze bonkt met haar vuisten op tafel en zegt dat ze het ‘behoorlijk zeker’ weet.
‘Behoorlijk zeker, of echt zeker?’ vraagt Rittgarn.
‘Misschien is de verkrachting wel gebeurd en heb ik het verdrongen,’ zegt Marie.
‘Wat vind je dat er moet gebeuren met iemand die liegt over zoiets als dit?’ vraag Rittgarn aan Marie.
‘Ik heb misschien therapie nodig,’ zegt Marie.
Mason komt terug op het bewijsmateriaal. Hij vertelt Marie dat haar beschrijving van het telefoontje naar Jordan anders is dan wat Jordan erover heeft gezegd.
Marie kijkt omlaag, met haar hoofd in haar handen. Dan ‘schieten haar ogen heen en weer, alsof ze naar een antwoord zoekt’.
De politiemannen herhalen nog eens wat ze eerder heeft gezegd – hoe gespannen ze was, hoe eenzaam – en uiteindelijk lijkt het erop dat Marie zich ontspant. Ze houdt op met huilen. Ze lacht zelfs een beetje. Ze verontschuldigt zich – en is bereid een nieuwe verklaring te schrijven, waarin ze er geen twijfel over laat bestaan dat ze gelogen heeft.
Er zijn veel spanningen in mijn leven op dit moment en ik had zin om met iemand uit te gaan, maar niemand kon, dus heb ik dit verhaal verzonnen, en ik had niet verwacht dat het zo veel gevolgen zou krijgen. Ik weet niet waarom ik niet iets anders ben gaan doen. Dit is nooit de bedoeling geweest.
Kennelijk zijn de rechercheurs met deze verklaring wel tevreden. Rittgarn schrijft later: ‘Op basis van ons verhoor van Marie en de inconsequenties die brigadier Mason in sommige verklaringen heeft aangetroffen, wisten we zeker dat Marie ons nu naar waarheid vertelde dat ze niet verkracht was.’
‘Alsjeblieft, kom me halen, voordat ik iets stoms doe’
Marie heeft het gevoel dat de ondervraging uren heeft geduurd. Ze doet wat ze altijd doet als ze onder druk staat. Ze zet de knop om, zoals zij het noemt, en onderdrukt alle gevoelens waar ze geen weg mee weet. Vóór haar bekentenis dat ze het verhaal heeft verzonnen, kan ze de twee politiemannen niet recht aankijken. Erna kan ze dat wel. Dan lacht ze tegen hen. Ze gaat naar het toilet en wast haar gezicht. Het is een opluchting geweest om de knop om te zetten, en zo kan ze tenminste weg.
De volgende dag zegt Marie tegen Wayne Nash, haar case manager bij Project Ladder, dat de politie haar niet wilde geloven. Ze begrijpt dat ze in moeilijkheden verkeert en zegt dat ze een advocaat wil. In plaats daarvan nemen de medewerkers van Project Ladder contact op met brigadier Mason. Die vertelt hun dat het verhaal van Marie niet wordt ondersteund door het bewijsmateriaal en dat ze haar verhaal heeft teruggetrokken.
Maar nu wil Marie niet van wijken weten. Op 18 augustus, een week nadat ze haar verkrachting heeft gemeld, heeft ze een gesprek met twee medewerkers van Project Ladder, en tegenover hen houdt ze vol dat ze de verklaring waarin ze haar verhaal intrekt, onder dwang heeft geschreven. Met zijn drieën gaan ze naar het politiebureau, zodat Marie haar intrekking weer kan intrekken – met andere woorden: tegen de politiemensen kan zeggen dat ze de eerste keer de waarheid heeft gesproken.
De medewerkers van het programma blijven buiten wachten, terwijl Marie een gesprek heeft met Rittgarn en een andere agent.
Afschrikken
Rittgarn vraagt Marie wat er aan de hand is. Marie zegt dat ze wel degelijk is verkracht – ze begint te huilen en vertelt dat ze steeds beelden heeft van die man boven op haar. Ze wil een leugendetectortest ondergaan. Rittgarn vertelt Marie dat ze, als ze niet voor die test slaagt, naar de gevangenis moet. En bovendien zal hij dan Project Ladder aanraden om haar huisvestingsondersteuning in te trekken.
Marie laat zich afschrikken. De politiemensen begeleiden haar naar beneden, waar de vertegenwoordigers van Project Ladder haar vragen of ze verkracht is. Marie zegt nee.
Na het bezoek aan het politiebureau ontdekt Marie dat ze nog steeds niet alles achter de rug heeft. De mensen van Project Ladder zeggen tegen Marie dat ze, als ze in het programma wil blijven – en haar gesubsidieerde woning wil behouden – ook nog tegenover iemand anders een bekentenis moet afleggen.
Later die dag wordt in het wooncomplex een bijeenkomst georganiseerd, waar Maries medebewoners in een kring bij elkaar zitten. Marie doet wat haar is gezegd en vertelt de mededeelnemers van Project Ladder dat ze over de verkrachting heeft gelogen. Ze hoeven zich geen zorgen te maken, zegt ze tegen de groep. Er loopt daarbuiten niemand rond die haar iets heeft aangedaan en die hun vervolgens iets aan kan doen.
Als er al enig medeleven aanwezig is in de ruimte, dan merkt Marie dat maar bij één persoon, de jonge vrouw die rechts van haar zit. Verder blijft het pijnlijk, ondraaglijk stil.
Na de bijeenkomst loopt Marie naar het huis van een vriendin. Onderweg komt ze over een brug. Ze overweegt te springen. ‘Waarschijnlijk de enige keer in mijn leven dat ik alleen maar dood wilde,’ zegt ze nu. Ze belt een vriendin: ‘Alsjeblieft, kom me halen, voordat ik iets stoms doe.’ Daarna smijt Marie haar telefoon over de brugleuning.
Later die maand volgt nog een laatste verrassing. Marie krijgt een brief waarin staat dat ze voor de rechter moet komen. Ze is aangeklaagd wegens het doen van valse aangifte, waar een maximumstraf van een jaar cel op staat. De tenlastelegging is ondertekend door brigadier Mason. De afhandeling van de zaak is overgedragen aan een klein juridisch bureau dat door de stad Lynnwood is ingehuurd om overtredingen te vervolgen.
Mason heeft niet al te diep nagedacht over zijn besluit om de zaak voor te laten komen. Hij is ervan overtuigd dat Marie heeft gelogen. De politie heeft veel tijd en geld besteed aan het natrekken van die leugen. Volgens de wet is haar leugen een misdaad. Zo simpel is het.
Er zijn geen harde cijfers over het aantal keren dat de politie een vrouw arresteert wegens het doen van valse aangifte van verkrachting, en ook niet over het aantal keren dat het openbaar ministerie dit soort zaken voor de rechter brengt. Die gegevens worden nergens bijgehouden. Maar vooraanstaande politieorganisaties dringen aan op voorzichtigheid bij dit type aanklachten. Volgens de International Association of Chiefs of Police en de FBI moet er eerst grondig onderzoek worden gedaan, voordat een aangifte van verkrachting als onwaar wordt bestempeld. Politiemensen moeten even hard hun best doen om een leugen te bewijzen als om een waarheid te bewijzen.
In de praktijk zullen veel politiediensten alleen in extreme omstandigheden besluiten de vrouw te vervolgen – bijvoorbeeld wanneer het gaat om een zaak die veel publiciteit heeft gekregen en waarin de reputatie van een verdachte ernstig is geschaad, of wanneer de politie heel veel middelen heeft moeten inzetten om onderzoek te doen. Die terughoudendheid komt voort uit de overtuiging dat het grootste probleem bij verkrachtingszaken niet de valse aangiftes zijn, maar het niet doen van aangifte. Slechts eenvijfde tot eenderde van alle verkrachtingen wordt bij de politie aangegeven, zo blijkt uit landelijk onderzoek. Een reden daarvoor is dat vrouwen bang zijn dat de politie ze niet gelooft.
Binnen enkele dagen nadat ze haar verkrachting heeft aangegeven, zegt Marie haar baan bij Costco op. Ze kan het niet opbrengen om daar te staan, mensen aan te kijken, verloren en verward als ze zich voelt. Nu stapelen de nare gevolgen zich op.
Project Ladder verplicht haar om elke avond vanaf negen uur thuis te blijven en zich twee keer zo vaak bij de medewerkers te melden.
De media schrijven over haar zaak, zonder haar naam te noemen. (‘Politie: aangifte verkrachting Lynnwood was bedrog’, kopt de Seattle Post-Intelligencer.) Maries beste vriendin van de middelbare school – de vriendin die haar heeft leren fotograferen en die de foto van haar heeft gemaakt waarop ze uit de golven opduikt – maakt een webpagina waarop Marie voor leugenaar wordt uitgemaakt, met een foto van Maries Myspace-pagina, de politieverslagen, Maries volledige naam. Wanneer iemand haar op de site wijst, krijgt Marie een aanval van razernij en slaat haar appartement kort en klein.
Marie gaat niet meer naar de kerk. ‘Ik was kwaad op God,’ zegt ze nu. Ze verliest haar belangstelling voor fotografie. Ze durft de deur niet meer uit. ‘Op een avond probeerde ik wel alleen naar de winkel te lopen, en toen kreeg ik een soort hallucinatie dat iemand me volgde,’ vertelt ze. ‘Ik was doodsbang. Ik kwam niet verder dan vijfhonderd meter van mijn huis. Toen rende ik terug.’ Thuis vermijdt ze de slaapkamer, ze slaapt liever op de bank met het licht aan.
‘Ik kwam in een donker gat terecht,’ zegt ze. Zelfvertrouwen maakt plaats voor zelfhaat. Ze gaat roken, drinken, wordt dik.
Voor Marie is dit een vertrouwde reactie, die ze nog kent van de jaren waarin ze misbruikt werd als kind, en van haar jaren in pleeggezinnen, waarin ze van gezin naar gezin werd gestuurd en van school naar school. Zich afsluiten. Het binnen houden. Doen alsof er niets ergs is gebeurd, alsof niets haar ooit raakt. Omdat ze altijd zo naar normaliteit verlangt, begraaft ze de pijn.
Peggy en Shannon laten haar niet vallen, maar er is wel iets veranderd. Marie weet dat ze allebei aan haar verhaal hebben getwijfeld, zelfs nog eerder dan de politie.
Het huis van Shannon is voor Marie lang een toevluchtsoord geweest, een plek waar ze tot rust kon komen. Marie en Shannon maakten vaak lange wandelingen in het bos of gingen er met de boot op uit, en dan eindigden ze hun dag bij Shannon thuis. Maar nu is Shannons man bang dat hij vals beschuldigd zal worden, en hij besluit dat het beter is als Marie niet langer bij hen blijft slapen. ‘Dat risico loop je, als je pleegouder wordt,’ zegt Shannon.
Shannon is degene het haar moet gaan vertellen. Ze vindt het verschrikkelijk om de boodschap over te brengen. Marie vindt het verschrikkelijk om de boodschap te krijgen.
Begin oktober, nog geen twee maanden nadat Marie in staat van beschuldiging is gesteld wegens het doen van valse aangifte, meldt een 63-jarige vrouw in Kirkland, ten oosten van Seattle, dat ze in haar appartement is verkracht. De vreemde droeg handschoenen. Hij had een mes. Hij bond de vrouw vast – met haar eigen veters. Hij nam foto’s en dreigde die op internet te zetten. De afgelopen twee of drie maanden, zegt de vrouw tegen de politie, had ze het gevoel dat iemand haar volgde.
Shannon ziet een reportage over de verkrachting op het journaal en is onthutst. Haar vader is vroeger hoofd van de politie geweest in Kent, ten zuiden van Seattle. Ze is opgegroeid met de politie, vertrouwt de politie, weet hoe die werkt. Ze gaat naar haar computer, zoekt het nummer op en belt – onmiddellijk – om de politie in Kirkland te attenderen op het verhaal van Marie en op de overeenkomsten met deze zaak.
Shannon belt ook met Marie en raadt haar aan om ook contact op te nemen met de politie in Kirkland. Dat heeft Marie nooit gedaan.
‘Ik was gewoon te bang,’ zegt Marie nu. Ze heeft al zo veel moeten doorstaan. Ze kan zichzelf er niet toe brengen om weer met de politie te gaan praten. Maar ze zoekt wel op internet op wat er met de vrouw in Kirkland is gebeurd. Als ze het verhaal leest, moet ze huilen.
Uiteindelijk belt een agent uit Kirkland Shannon terug. Naar aanleiding van Shannons tip hebben rechercheurs uit Kirkland contact opgenomen met hun collega’s in Lynnwood en daar hebben ze te horen gekregen dat het slachtoffer in Lynnwood geen slachtoffer was, dat het verhaal verzonnen was.
Een van de rechercheurs die aan de zaak in Kirkland werken, is Audra Weber. Zij weet nog dat ze twee keer de recherche in Lynnwood heeft gebeld en daar te horen kreeg dat ze het verhaal van Marie niet geloofden. ‘Ik vertrouwde gewoon op hun oordeel, dacht, nou ja, het is hun zaak, zij kennen de bijzonderheden, ik niet,’ zegt Weber nu. Maar ze weet nog dat ze ‘tamelijk geschokt’ was toen ze hoorde dat ze Marie in staat van beschuldiging hadden gesteld. Ze liet het er maar bij en hing op, met de gedachte: Oké, ik hoop dan maar dat dit goed voor jullie uitpakt, jongens.
13 FEBRUARI 2011
Lakewood, Colorado
Om kwart over acht ’s morgens klopt Galbraith op de deur van O’Leary. ‘Politie! Huiszoekingsbevel, doe open!’ schreeuwt ze een paar keer. Achter haar staan zeven agenten, tegen het huis aan gedrukt, met hun wapen in de aanslag.
Na een tijdje doet O’Leary de deur open. Hij kijkt verward en geschrokken als hij naar buiten stapt, de felle winterzon in. Twee honden, een kleine pitbull en een shar-pei, huppelen achter hem aan. Hij draagt een grijs capuchonvest, een slobberige grijze trainingsbroek en grijze sloffen. Hij is alleen.
Galbraith trekt hem opzij en gaat met haar handen langs zijn lichaam om hem te fouilleren. Als ze bij zijn benen komt, stroopt ze zijn broekspijp op om te kijken.
Daar is het, op O’Leary’s linkerkuit: een donkere moedervlek, met het formaat van een groot kippenei.
Het is hem. Hij is de verkrachter. Galbraith steekt even haar duimen omhoog.
Als een FBI-agent hem aanspreekt, beroept O’Leary zich meteen op zijn recht op een advocaat. Galbraith heeft zich inmiddels achter O’Leary gemanoeuvreerd. Om vijf over half negen doet ze hem de handboeien om. ‘U staat onder arrest wegens inbraak en aanranding in de stad Golden op 5 januari 2011,’ zegt ze tegen hem. O’Leary wordt in een politiewagen gezet en overgebracht naar de Jefferson County Jail.
Galbraith heeft die dag nieuwe schoenen aan. Altijd als ze daar voortaan naar kijkt, denkt ze terug aan de arrestatie van O’Leary. Het was voor haar belangrijk dat zij degene was die hem arresteerde. ‘Ik denk dat ik de blik op zijn gezicht wilde zien. En ik wilde dat hij wist: we hebben je doorzien.’
‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,” vertelt Galbraith. “Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, goddank’
De huiszoeking bevestigt het onderzoek van de rechercheurs. In O’Leary’s klerenkast wordt een paar Adidas ZX 700-schoenen gevonden. De zolen komen overeen met de voetafdrukken in de sneeuw in Golden en buiten het raam in Lakewood. Ze vinden een paar Under Armour-handschoenen met honingraatpatroon. In de badkamer ligt een zwarte sjaal, zo geknoopt dat hij als masker kan dienen.
‘Hij was militair, dus hij was heel ordelijk,’ vertelt Galbraith. ‘Dit was het netste huis dat ik ooit heb doorzocht. Zo ordelijk, dat we steeds dachten: O, goddank.’
Ook de verhalen van de slachtoffers worden bevestigd. De meesten hadden een blanke man beschreven met groene of bruine ogen, rond de 1 meter 80, van rond de 110 kilo. Ze hadden verteld dat ze vastgebonden waren. Ze zeiden dat hij hun ondergoed had gestolen. In het huis van O’Leary ontdekken de politiemensen een zwart Ruger .380-kaliber pistool, een roze Sony Cyber-shot-camera en een grote rugzak, naast vochtige doekjes en glijmiddel. Verstopt in een onderdeel van een stereo-installatie in zijn kast vinden de rechercheurs een verzameling vrouwenondergoed. Trofeeën.
Die avond rijdt Hendershot naar ‘haar’ slachtoffer, de 59-jarige weduwe in Westminster, om haar het nieuws te gaan vertellen. De vrouw heeft het jaar daarvoor haar man verloren aan kanker. Ze heeft geen familie in de buurt wonen. Ze is nog steeds niet hersteld van de geestelijke en lichamelijke kwellingen die ze heeft doorstaan tijdens de verkrachting. Hendershot heeft met haar afgesproken bij restaurant Denny’s. Daar treft ze haar in een donkere hoek, waar ze in haar eentje zit te eten.
‘Ik kwam binnen en ze was superblij om me te zien, en ik vertelde het haar. Ik bedoel, ik krijg nog steeds kippenvel als ik eraan denk,’ zegt Hendershot nu. ‘Ik zei tegen haar: “Het is voorbij. Het is voorbij. We hebben hem.”’
Bewijsmateriaal: de politie vindt in O’Leary’s huis materiaal om mensen te boeien, een roze Sony Cyber-shot-camera, Adidas- schoenen en een grote rugzak.
Begin maart weet een forensisch computerspecialist de documenten te kraken die O’Leary op zijn harde schijf heeft opgeslagen. Hij vindt een map ‘meisjes’, met foto’s die O’Leary heeft genomen van zijn slachtoffers in Golden en Westminster. Galbraith herkent ze meteen.
Maar dan stuit Galbraith op een foto van een vrouw die ze niet herkent. Het is een jonge vrouw – veel jonger dan de slachtoffers in Colorado, een tiener misschien nog. Op de foto’s is te zien dat ze doodsbang is en vastgebonden en gekneveld op een bed ligt. Galbraith voelt zich misselijk worden. Hoe komt ze erachter wie dit meisje is? Hoe kan ze gerechtigheid voor haar krijgen?
Ze bekijkt alle beelden, en dan vindt ze een antwoord. Het is een foto van het tijdelijke rijbewijs van de vrouw, dat op haar borst is gelegd. Haar naam staat erop. En haar adres.
Lynnwood, Washington.
11 AUGUSTUS 2008
Lynnwood Washington
Hij komt altijd in de uren vóór de zon op gaat, staat dan te wachten bij haar appartement, bij haar slaapkamer, hoort haar telefoneren, wacht tot ze in slaap valt.
Het is een droge nacht, dus hij kan het zich gemakkelijk maken. De muur is dun, dus hij kan haar stem horen. Een paar keer verlaat hij zijn plek, even maar, anders ziet iemand hem misschien rondhangen.
Hij houdt van bomen, want die zorgen voor beschutting, en er staan er meer dan genoeg rond de Alderbrooke Apartments. In een appartement heb je niet zoveel privacy als in een huis, maar het heeft ook voordelen. Al die ramen, om te beginnen. En al die glazen schuifdeuren – belachelijk makkelijk open te krijgen als ze niet op slot zitten, wat zo vaak het geval is.
Ze is niet echt zijn type. Dat heeft hij al eerder gezien, toen hij haar slaapkamer binnen gluurde. Maar hij besteedt zo veel tijd aan jagen (zo noemt hij het, jagen), honderden uren, misschien wel duizend, dat hij zichzelf heeft getraind om zo veel mogelijk vrouwen, jong of oud, in zijn fantasieën toe te laten. Dan is al dat werk niet voor niets.
Hij heeft al eerder vrouwen begluurd en bij hen ingebroken, maar de volgende stap zetten is iets anders. Hij heeft geleerd van eerdere mislukkingen – op een keer kwam er een man binnen terwijl hij daar stond, met zijn masker op, voor de deur van de slaapkamer van de vrouw die hij had willen verkrachten – dus nu doet hij eerst nauwlettend onderzoek: hij gluurt door ramen, breekt vooraf al een keer in, verzamelt informatie. Jaren later zouden rechercheurs aantekeningen in zijn mobiele telefoon vinden over zijn observatie van een ander doelwit (zijn woord) waarin precies stond wanneer ze in welke kamer was, welke lampen uit of aan waren, welke ramen en luiken open stonden of dicht waren, of haar vriend er was of niet. ‘V in pyjama, game over,’ had hij op een avond geschreven.
Hij bladert altijd snel door de persoonlijke papieren van een doelwit. Zo komt hij achter haar geboortedatum en kenteken. Hij begluurt haar terwijl ze televisie kijkt. En aan het eind van de jacht, voor hij zijn daad begaat, loopt hij nog even snel door het huis, voor wat hij zelf pre-combat inspection noemt – hij verkent het slagveld, om zich ervan te vergewissen dat er geen wapens binnen bereik van het slachtoffer zijn.
Hij is al in de ban van afwijkende fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende
Even voor zonsopkomst hoort hij dat het telefoongesprek is afgelopen. Hij wacht nog even terwijl het stil blijft, klimt dan over het hek en glipt door de glazen schuifdeur die niet op slot zit. In het volgende halfuur, terwijl zij slaapt, bereidt hij zich voor, hij pept zichzelf op om nu wel de volgende stap te zetten.
Hij heeft haar weken eerder voor het eerst gezien, door een raam, toen hij buiten bij haar appartement rondsloop. Sindsdien heeft hij twee keer bij haar ingebroken, beide keren door diezelfde glazen deur.
Hij heeft een term voor wat hij gaat doen: ‘verkrachtingstheater’. Hij is al in de ban van afwijkende fantasieën sinds hij als kind zag hoe Jabba de Hutt Prinses Leia tot slaaf maakte en ketende. Wat moet er van je worden als je op je vijfde al fantaseert over handboeien, heeft hij zich vaak afgevraagd. De eerste keer dat hij bij een huis inbrak, was hij pas acht jaar. Het gaf hem zo’n kick. Sindsdien heeft hij in zeker tien andere huizen ingebroken.
Reservist
Nu is hij dertig, een veteraan uit het leger – infanterie, twee keer uitgezonden naar Zuid-Korea – die heeft getekend bij de reservisten, maar zich al maanden niet heeft gemeld.
In de keuken loopt hij naar het messenblok en trekt uit de bovenste rij, uiterst links, een mes met een zwart handvat. In de woonkamer haalt hij de veters uit haar zwarte tennisschoenen en zet de schoenen terug. Een rechercheur schrijft later in zijn rapport: ‘De schoenen stonden naast elkaar tussen het uiteinde van de bank en de slaapkamerdeur, op hun zolen, alsof ze daar zo waren neergezet (en niet waren verplaatst).’
Hij gaat gewoon netjes en ordelijk te werk, zoals altijd.
Hij rijgt een van de schoenveters door een slipje.
Dan stapt hij de slaapkamer binnen.
Rond zeven uur in de ochtend staat hij in de deuropening van haar slaapkamer, met in zijn linkerhand, op schouderhoogte, een mes.
Hij kijkt toe hoe ze wakker wordt.
Kijk de andere kant op, zegt hij tegen Marie – en dat doet ze. Ga op je buik liggen, zegt hij. Dat doet ze – en dan gaat hij schrijlings op haar zitten, terwijl hij het mes voor haar gezicht houdt.
Doe je handen achter je rug, zegt hij. Ze doet het. Hij bindt haar polsen vast en bedekt haar ogen. Hij propt een lap in haar mond om geluiden te dempen.
Dat was een interessant gesprek dat je daarnet had, zegt hij, om haar te laten weten dat hij al een tijdje heeft staan luisteren, wachten.
Het is niet zo slim om de deur van het slot laten, zegt hij.
Draai je weer om, zegt hij – en dat doet ze, en dan verkracht hij haar, en terwijl hij haar verkracht, gaat hij met zijn gehandschoende handen over haar lichaam.
Hij legt haar voorlopige rijbewijs op haar borst en maakt foto’s van haar.
Als hij klaar is, zegt hij dat hij de foto’s op internet zal zetten als ze het aan de politie vertelt, zodat haar kinderen, als ze kinderen heeft, ze kunnen zien.
Hij haalt de prop uit haar mond en doet de blinddoek af, terwijl hij haar beveelt haar ogen af te wenden en haar hoofd in het kussen gedrukt te houden.
Een van de laatste dingen die hij zegt, is dat het hem spijt. Hij zegt dat hij zich stom voelt, dat het in zijn hoofd beter leek.
Hij gaat de kamer uit, loopt naar de voordeur en is weg.
EPILOOG
O’Leary heeft schuld bekend aan 28 aanklachten wegens verkrachting en daarmee verbonden misdrijven in Colorado. Op 9 december 2011, bijna een jaar na zijn arrestatie, wordt O’Leary veroordeeld tot 327½ jaar gevangenisstraf wegens de verkrachtingen in Colorado – het wettelijk maximum. Hij verblijft nu in de Sterling Correctional Facility, in de kale, afgelegen noordoostelijke hoek van Colorado. Hij komt nooit meer vrij.
In een verhoor door de politie na zijn veroordeling doet O’Leary zijn verkrachtingen gedetailleerd uit de doeken. Hij beschrijft het gevoel dat hij had nadat hij een oudere vrouw had verkracht: ’Het was of ik net mijn Thanksgiving-diner op had,’ zegt hij.
Ander politiedistrict
De politie kan wel wat lessen van hem leren. Hij schept op over de maatregelen die hij heeft genomen om niet opgespoord te worden. Hij wist dat zijn DNA bij het leger bekend was. Dus zorgde hij dat hij geen sporen genetisch materiaal achterliet. Hij besefte ook dat politiebureaus onderling vaak niet communiceren. Dus pleegde hij met opzet elke verkrachting in een ander politiedistrict.
De vijf andere verkrachtingen – één in Washington, vier in Colorado – dateren allemaal van na de de verkrachting van Marie. ‘Als Washington iets beter had opgelet, was ik waarschijnlijk eerder in beeld gekomen,’ zegt O’Leary.
Vanuit Colorado brengt Galbraith O’Leary niet alleen in verband met de verkrachting in Lynnwood, Washington, maar ook met die in het nabijgelegen Kirkland. Daarvoor doorzoekt ze samen met een misdaadanalist van Washington State een database op onopgeloste zaken die vergelijkbaar zijn met de misdaden van O’Leary. Vervolgens vindt ze de naam van het slachtoffer uit Kirkland in een versleuteld document op O’Leary’s computer.
O’Leary bekent schuld in beide zaken in Washington. In juni 2012 wordt hij veroordeeld tot veertig jaar cel voor de verkrachting in Kirkland en tot 28½ jaar voor de verkrachting van Marie in Lynnwood.
Marc O’Leary zit in de gevangenis in het afgelegen noordoosten van Colorado.
Als duidelijk is dat O’Leary verantwoordelijk is voor de verkrachting in Lynnwood, laat Steven Jensen, hoofd van de politie in Lynnwood, een extern onderzoek uitvoeren naar de manier waarop zijn korps het politieonderzoek heeft afgehandeld. In een rapport, dat nog niet eerder openbaar is gemaakt, schrijft brigadier Gregg Rinta, hoofd van de afdeling Zedendelicten bij het openbaar ministerie in Snohomish County, dat ‘het slachtoffer regelrecht gedwongen is om toe te geven dat ze heeft gelogen over de verkrachting’.
Het is geen wonder dat Marie haar verklaring introk, schrijft Rinta, gezien de ‘intimidatie’ en de ‘bedreigingen’ waaraan ze is onderworpen. De rechercheurs hebben van ‘onbetekenende inconsequenties’ – die vaak voorkomen bij slachtoffers – grote tegenstrijdigheden gemaakt, terwijl ze sterk bewijs dat de misdaad wel degelijk had plaatsgevonden, negeerden. Wat betreft hun dreigement dat Marie de gevangenis in zou moeten en zelfs haar huis kon kwijtraken als ze niet slaagde voor de leugendetectortest, schrijft Rinta: ‘Die beweringen zijn wreed en ongelooflijk onprofessioneel. Ik kan geen enkele rechtvaardiging voor die beweringen bedenken.’
Jensen gelast ook een intern onderzoek, dat al even vernietigend oordeelt. Mason heeft zich veel te sterk laten beïnvloeden door het telefoontje van Peggy. Het tweede verhoor van Marie door de rechercheurs was ‘bedoeld om de bekentenis van een valse aangifte uit te lokken’. De aanklacht wegens het doen van valse aangifte kwam voort uit een ‘eigen behoefte om te scoren’.
Ondanks de harde woorden van beide onderzoeken werden er tegen niemand bij de politie van Lynnwood disciplinaire maatregelen genomen.
In een recent interview heeft Steve Rider, de huidige baas van de recherche in Lynnwood, Maries zaak ‘een grote misser’ genoemd, die door de mensen van het korps diep wordt betreurd: ‘Kun je je voorstellen, zij had die beestachtige al verkrachting moeten doorstaan – en dan zeggen wij ook nog tegen haar dat ze liegt. Dat is vreselijk. Wij hebben dit beroep gekozen om mensen te helpen, niet om ze pijn te doen.’ Politieman Rodney Cohnheim van bureau Lynnwood heeft over Marie gezegd: ‘Ze is twee keer geslachtofferd.’
Brigadier Mason is terug bij de narcotica-afdeling, waar hij aan het hoofd staat van een speciaal team. Als we hem interviewen in dezelfde ruimte waarin hij zeven jaar eerder Marie voor zich had, zegt hij: ‘Het was niet aan haar om mij te overtuigen. Achteraf gezien was het aan mij om de zaak tot op de bodem uit te zoeken – en dat heb ik niet gedaan.’
Volgens Rider is er naar aanleiding van Maries zaak veel veranderd in de manier van werken en de cultuur bij zijn korps. Politiemensen volgen nu een extra cursus over verkrachtingsslachtoffers. Een verkrachtingsslachtoffer krijgt onmiddellijk bijstand van een advocaat die verbonden is aan een plaatselijk zorgcentrum. Rechercheurs moeten ‘onweerlegbaar bewijs’ hebben dat er een leugen in het spel is, voordat ze een aangifte als ongeloofwaardig afdoen, en een aanklacht wegens valse aangifte moet worden goedgekeurd door hun superieuren. ‘We hebben hier heel veel van geleerd. En we willen niet dat dit ooit nog iemand overkomt,’ aldus Rider.
Rittgarn, die al voor de arrestatie van O’Leary de politie Lynnwood had verlaten, wilde niet meewerken aan een interview voor dit verhaal. Dat geldt ook voor Zachor & Thomas, het juridisch bureau dat de vervolging van Marie uit naam van Lynnwood afhandelde.
In 2008 was de zaak van Marie een van de vier gevallen bij de politie Lynnwood die het predicaat ongegrond kregen, volgens cijfers van de FBI. Tussen 2008 en 2012 werden 10 van de 47 aangiftes van verkrachting bij de politie Lynnwood ongegrond verklaard – 21,3 procent. Dat is vijf keer zo hoog als het nationaal gemiddelde van 4,3 procent in diezelfde periode bij politiedistricten met een vergelijkbare hoeveelheid inwoners. Volgens Rider is zijn bureau sinds Marie voorzichtiger geworden met het ongegrond verklaren van een zaak. ‘Ik durf te zeggen dat we heel wat grondiger onderzoek doen naar onze zaken dan veel andere politiekorpsen,’ zegt hij. ‘We letten nu extra goed op dat we tot de juiste conclusies komen.’
Het Jefferson County Courthouse, waar Marc O’Leary tot 3271⁄2 jaar gevangenisstraf is veroordeeld. Hij komt nooit meer vrij.
Tweeënhalf jaar nadat Marie gebrandmerkt werd als leugenaarster, zoekt de politie van Lynnwood haar op in het zuiden van Seattle, en vertelt haar het nieuws: haar verkrachter is gearresteerd in Colorado. Ze geven haar een envelop met informatie over hulp aan verkrachtingsslachtoffers. Ze zeggen dat haar strafblad zal worden gewist. En ze overhandigen haar 500 dollar, als vergoeding voor de kosten van de rechtszaak. Marie stort in – ze voelt zich tegelijkertijd geschokt, opgelucht en woedend.
Later maakt Shannon met Marie een wandeling in het bos en zegt tegen haar: ‘Het spijt me zo dat ik aan je heb getwijfeld.’ Marie vergeeft het haar meteen. Ook Peggy biedt haar verontschuldigingen aan. Ze wenst nu dat ze nooit haar twijfels aan de politie kenbaar had gemaakt. ‘Want ik denk dat als ik mijn mond had gehouden, zij hun werk hadden gedaan,’ zegt ze.
Marie daagt de stad voor de rechter en treft een schikking voor 150.000 dollar. ‘Een kwestie van risicomanagement,’ zegt een advocaat van Lynnwood tegen The Herald in Everett, Washington.
Marie is naar een andere staat verhuisd, heeft haar groot rijbewijs gehaald en is trucker geworden. Ze is getrouwd en afgelopen oktober hebben zij en haar man hun tweede kind gekregen. Op haar verzoek wordt haar huidige woonplaats niet bekendgemaakt.
Voordat ze uit Washington vertrekt om haar leven een nieuwe start te geven, maakt Marie een afspraak voor een gesprek bij het politiebureau van Lynnwood. Ze gaat naar een vergaderkamer en wacht af. Rittgarn heeft de dienst dan al verlaten, maar Mason komt binnen, met een blik ‘als een geslagen hondje’, volgens Marie. ‘Hij wreef met zijn handen over zijn hoofd en zag er letterlijk uit alsof hij zich schaamde voor wat ze hadden gedaan.’ Hij zegt tegen Marie dat hij er spijt van heeft – ‘diepe spijt’, aldus Marie. Ze gelooft dat hij het oprecht meent.
Tijdens een recent interview vraagt iemand aan Marie of ze overwogen heeft de verkrachting niet aan te geven.
‘Nee,’ zegt ze. Ze wilde eerlijk zijn. Ze wilde zo veel mogelijk onthouden. Ze wilde de politie helpen. ‘Om te zorgen dat niemand anders dit zou overkomen,’ zegt ze. ‘Zodat ze op zoek zouden gaan naar de man die mij dit had aangedaan.’
T. Christian Miller werkt sinds 2008 als verslaggever voor ProPublica. Voor die tijd was hij elf jaar in dienst bij de Los Angeles Times. Daar schreef hij onder andere over de presidentscampagne van 2000 en was hij drie jaar bureauchef, verantwoordelijk voor tien landen in Zuid- en Centraal-Amerika.
Ken Armstrong is onderzoeksjournalist met een Pulitzerprijs op zijn naam. Hij heeft voorheen voor The Seattle Times gewerkt en voor de Chicago Tribune, waar het onder andere aan zijn werk te danken was dat de gouverneur van Illinois verschillende executies uitstelde en later de dodencellen sloot. Hij bekleedde de McGraw-leerstoel voor schrijven op Princeton en was Nieman Fellow op Harvard.
Na dertig jaar voor The New York Times te hebben gewerkt lanceerde Bill Keller in 2014 een nieuw project: een non-profitnieuwskanaal gewijd aan de behandeling van criminelen binnen het Amerikaanse rechtssysteem. Met deze site wil Keller een levendiger debat bereiken over het optreden van politie, rechtbank en gevangenissen in de VS. De naam verwijst naar de jurist Thurgood Marshall (1909-1993), een liberale voorvechter van burgerrechten die erop hamerde dat bescherming door de wet het meest fundamentele recht is in een vrije maatschappij. Het aantal gedetineerden in Amerika wordt slechts geëvenaard door dat van Noord-Korea, en racisme binnen het rechtssysteem is er aan de orde van de dag. Ook weigert het systeem zijn eigen fouten te corrigeren. De site is volledig onafhankelijk, en bestaat dankzij donaties van stichtingen en individuen, maar is niet neutraal. Medewerkers zijn zonder uitzondering van mening dat het Amerikaanse rechtssysteem dringend behoefte heeft aan serious rethinking.
Er hoort weliswaar geen oorkonde bij en ook geen wisseltrofee, maar iedere twee weken deelt 360 meerdere journalistieke prijzen uit; door geselecteerde artikelen uit alle hoeken en windstreken te laten reïncarneren op onze pagina’s. Dit nummer om te beginnen aan de Britse journalist Julian Borger voor zijn reconstructie die leest als een spannende thriller, over hoe de Bosnische generaal Ratko Mladic veertien jaar lang op vrije voeten kon blijven.
Het tegenovergestelde van een fremdkörper dus om dit keer volop aandacht te besteden aan het werk van genomineerden voor de European Press Prize. De prijs is in het leven geroepen om de Europese kwaliteitsjournalistiek, gedrukt of online, een duw in de rug geven. Er valt van alles op de media aan te merken, en dat wordt ook genoeg gedaan, maar dat zij als onafhankelijk, controlerend en informerend orgaan van cruciaal belang is in het openbaar debat, mag niemand ontkennen. Alles wat ons verre van de echoput houdt, elk initiatief dat kwaliteit ondersteunt en helpt te garanderen, mag een duw in de rug krijgen.
Redelijk nieuw, voor mij, en waarschijnlijk ook voor veel van de inzenders, is de toenemende behoefte aan ‘constructieve journalistiek’. Dat die behoefte er is, weet de redactie van 360 inmiddels als geen ander. Nee, geen 56 pagina’s kommer en kwel, arme lezer! roepen we vaak als het aanbod ons steeds verder het zwarte gat in trekt. Er gaat toch nog wel ergens iets goed?
Blijkt de Deense journalist Cathrine Gyldensted al vijf jaar het gezicht van de ‘constructieve journalistiek’ te zijn. Pas sinds januari ook in Nederland: Gyldensted geeft les aan de hogeschool Windesheim in Zwolle.
Haar claim is dat de media over het uitzonderlijke berichten, het afwijkende, en geen realistisch beeld geven van de wereld. Houd de feiten in de gaten, zegt zij, maar vertel de lezer vervolgens ook: wat nu?
Gouden regel, maar of de berichtgeving over terroristische aanslagen of het vluchtelingenprobleem daar optimistischer van wordt, is nog zeer de vraag. Wat wel tot een goed humeur stemt is de nijver van sommige journalisten, de kwaliteit van de inzendingen en de toegevoegde waarde van de eindeloze interactieve mogelijkheden die nu voorhanden zijn, gehonoreerd in de categorie Innovatie.
En, eerlijk is eerlijk, waar wij deze week ook heel blij van werden is de advertentie van Porsche op pagina 7 (zie beeld bovenaan).
Op 14 april worden in Praag de winnaars bekendgemaakt van de European Press Prize, die jaarlijks de beste journalistiek bekroont uit 47 landen. Een prijs, kortom, die 360 zelf bedacht had kunnen hebben, en die we van harte ondersteunen. Uit de shortlist van 33 producties maakten we onze eigen selectie, zoals u dat van ons gewend bent.
De selectie van 360:
360 Magazine selecteerde uit elke categorie één verhaal, behalve bij de Innovation Award. Van deze webproducties bieden we u een voorproefje op papier, en een link naar de betreffende site. Sommige artikelen zijn omwille van de ruimte ingekort.
De European Press Prize (EPP) bekroont jaarlijks de beste journalistiek uit 47 Europese landen.
De EPP werd in 2012 opgericht en is inmiddels toe aan zijn vierde editie.
Doel van de prijs is om kwaliteitsjournalistiek te stimuleren en de beste journalisten van Europa een podium te geven. Er zijn vier categorieën (zie hieronder) plus een speciale juryprijs. Winnaars ontvangen 10.000 euro, dit mag besteed worden aan een journalistiek project naar keuze. De oprichters van de EPP zijn Vereniging Veronica, Stichting Democratie en Media, The Guardian Foundation, MDIF, Thomson Reuters Foundation, Politiken en Jyllands Posten. De jury staat onder voorzitterschap van Sir Harold Evans, voormalig hoofdredacteur van The Sunday Times.
In het westen gelden de troepen van de ‘Islamitische Staat’ als symbool van het kwaad. In Irak is dat anders; daar zijn veel mensen banger voor hun vijanden. De staat valt uiteen – en in Bagdad wordt een smalle straat tot frontlinie.
Ten einde raad zit ik op het bed van mijn hotelkamer in Bagdad, mobieltje in de hand. Mijn hand trilt. Ik wil het nummer van de redactie in Hamburg bellen, en tik steeds weer verkeerd. Een paar minuten geleden ben ik gebeld. ‘Goedendag,’ zei een ambtenaar van het Bundeskriminalamt [de federale recherche] in Berlijn. ‘Er dreigt een ontvoering voor u en uw fotograaf.’ De ontvoerders zouden onze namen en ons hotel kennen. Wie ons bedreigde wist hij niet. Wanneer ze ons wilden kidnappen ook niet. Waarschijnlijk kon het elk moment gebeuren.
Haastig pakken we in: passen, geld, notities, camera’s. De ritssluiting van de rugzak zit vast. Ik trek en ruk. Ik hoor voetstappen voor mijn deur. Ik luister. De voetstappen verwijderen zich. Ik loop naar het raam, zie beneden bij de ingang een groep jonge mannen die naar boven kijken. Ze lachen. Als ik even later nog eens naar beneden kijk, zijn ze verdwenen. Uit de Duitse ambassade komt het bericht dat men overweegt een bewapend konvooi te sturen om ons te redden. Zo eindigt ons onderzoek.
Bagdad was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden
Reizen naar Irak zijn al jaren reizen naar een wereld in verval. Maar zelden heeft een reis in dit land me zo van mijn stuk gebracht. Bagdad, een metropool met zeven miljoen inwoners, was ooit het centrum van Irak. Nu is het een frontstad geworden. De meeste uitvalswegen zijn geblokkeerd of extreem onveilig. De strijders van Islamitische Staat belegeren Bagdad in het westen en in het noorden. Ze hebben duizenden mensen vermoord en een paar dagen geleden is de antieke vestingstad Hatta verwoest. Hun bulldozers veranderden de millennia oude gebouwen in stof.
Wat vanuit Europa vaak lijkt op een strijd tussen fanatieke en gematigde moslims, is feitelijk een conflict tussen de beide grote geloofsrichtingen in de islam. Voor IS strijden uitsluitend soennieten, de belangrijkste soennitische stammen hebben met de fanatici een gelegenheidsverbond gesloten. Het Iraakse leger, waarin aanhangers van beide geloofsrichtingen samen dienden, is grotendeels uiteengevallen omdat de meeste soennieten hun eenheden in de steek hebben gelaten. De verdediging van de stad is overgenomen door een inderhaast samengesteld leger van sjiitische milities. Ze konden de opmars van IS tot staan brengen en maken zich nu op voor een tegenoffensief. Er dreigt een grote catastrofe in het Midden-Oosten: de definitieve ineenstorting van Irak. Een openlijke oorlog tussen soennieten en sjiieten. Elke overwinning in deze oorlog zou een nederlaag zijn.
Twee weken voor de dag waarop we horen dat we ontvoerd zullen worden, zien we voor het eerst de straat die heel onschuldig ‘Straat van de bomen’ heet, en die in werkelijkheid een straat van angst is. Die markeert in het westen de lijn waarlangs Irak uit elkaar wordt gerukt, de grens tussen sjiieten en soennieten, de grens tussen degenen die driemaal per dag bidden en degenen die het vijf keer doen. Tussen hen die bij het gebed de handen langs hun zij laten hangen en hen die ze voor hun buik vouwen. Tussen degenen die eeuwen geleden van mening waren dat slechts één familielid van de profeet Mohammed de opvolger van de godsdienststichter kon worden, en degenen die dat een ketterij vonden.
De Straat van de bomen is de grens tussen twee buitenwijken in het westen van Bagdad, het soennitische Ghasalija en het sjiitische Shuala. Slechts tien kilometer hiervandaan begint het kalifaat van IS. Hoe verder je de straat inrijdt, hoe moeilijker het wordt waanzin van redelijkheid, en redelijkheid van waanzin te onderscheiden. En hoe begrijpelijker de krankzinnigheid wordt die zoveel soennieten naar IS drijft.
Bij de toegang tot de Straat van de bomen danst een politieagent dromerig met uitgestrekte armen, op zijn rug een kalasjnikov. ‘Kom!’ zingt hij. ‘Vooruit!’ Hij draait om zijn as, hupt op de punten van zijn laarzen, regelt het verkeer met armgebaren, lacht. Als in trance staat hij daar tussen de betonblokken van zijn controlepost, die vaak het doel is van aanslagen. ‘Drugs,’ zegt Moataz, onze chauffeur, die veel meer is dan chauffeur. Moataz rijdt ons in zijn gele taxi de stad uit, tot aan het eind van de straat. Niet te snel, niet te langzaam, om maar niet op te vallen. Moataz is eenendertig, gemoedelijk en zo dik dat hij nauwelijks achter het stuur past. Hij woont in de buurt en kent de gevaren. De Straat van de bomen is nog geen tien meter breed. Aan beide zijden groeien palmen. De huizen links, waarin de soennieten wonen, verschillen op het eerste gezicht helemaal niet van die rechts, waarin de sjiieten leven. Bruine gebouwen met een verdieping, met kleine tuintjes en grote dakterrassen.
nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak.
Vrijwel niemand steekt de straat over. We rijden langs een voetbalstadion. Het werd in 2012 aan de sjiitische kant gebouwd als teken van verzoening, maar is nog nooit werd gebruikt omdat niemand daar durft te spelen. We passeren een soennitische moskee, waarvan de muren zwaar beschadigd zijn door granaatinslagen. Sjiitische milities hebben die in 2007 onder vuur genomen omdat zich er scherpschutters van Al-Qaida verschanst hadden. De imam werd onlangs op straat dood geschoten, nu vreest de opvolger voor zijn leven.
Aan de sjiitische kant woont de vijfentwintigjarige Muktada. Hij is een van de bewoners van de grensstraat die met ons durven te spreken. Over enkele dagen gaat Muktada trouwen; hij moet meubels kopen, beddengoed en sieraden. ‘Je moet niet bang zijn,’ zegt hij tegen zijn bruid, die na de bruiloft bij zijn familie zal intrekken. ‘Dan ben je bij mij, ik zal je beschermen.’
We zullen hem, zoals al onze gesprekspartners, buiten de wijk ontmoeten, op een plek die veilig is voor alle betrokkenen. Wij, de journalisten, vrezen ontvoerd te worden. Onze gesprekspartners zijn bang met ons gezien te worden. Dan zouden er snel geruchten kunnen ontstaan dat zij zich verhuren als spionnen voor westerse geheime diensten.
Door de autoruiten zien we nu aan de soennitische kant het huis van een kleuterschooljuf. Ook zij heeft het deze dagen druk. Het nieuwe schooljaar begint. Ze wil een groot feest geven om de tweehonderd nieuwe kinderen en hun ouders te verwelkomen. ‘Het feest,’ zal ze ons vertellen, ‘moet perfect worden.’
Twee wijken
De straat scheidt twee wijken die ooit deel wilden zijn van een trotse natie. Links, aan de soennitische kant, ligt Ghasalija, de ‘stad van de vrede’, een naam die de voormalige dictator en soenniet Saddam Hoessein de wijk gaf. Er wonen honderdduizend mensen. Eengezinswoningen met goed onderhouden tuinen verlenen Ghasalija de charme van een Amerikaanse buitenwijk. Voor de Amerikaanse invasie woonden hier militairen en academici. Ghasalija was opgezet als een organogram van de Iraakse staat. Er waren speciale gebieden voor piloten, atoomtechnici, journalisten en bewakers van de presidentiële paleizen. Toen al leefden hier vooral soennieten.
Rechts van de straat, aan de sjiitische kant, ligt Shuala, ‘de fakkel’, een wijk van armen en arbeiders, gebouwd voor de werknemers van de grote steenfabriek van de hoofdstad. Deze wijk, met tweehonderdduizend inwoners, is het Harlem van Bagdad. Onder Saddam waren de sjiieten uitgesloten van de meeste politieke functies. Steeds weer kwamen ze in opstand tegen de dictator, die tienduizenden van hen liet doden. En toch leefden toen in veel straten van Ghasalija en Shuala sjiieten en soennieten samen. Deze co-existentie bleef aanvankelijk intact na de invasie van de Amerikanen, maar begin 2006 verwoestte een aanslag de gouden moskee van Samarra, ten noorden van Bagdad, een van de grote heiligdommen van de sjiieten. De verdenking viel op soennieten; nog dezelfde dag begon het grote moorden, daarna volgde wraak op wraak. In de twee jaar daarna vonden alleen al in Ghasalija en Shuala duizenden mensen de dood.
De stad werd opnieuw verdeeld. Soennieten trokken naar soennieten, sjiieten naar sjiieten. Tijdens de Amerikaanse bezetting sloten Amerikaanse troepen delen van Ghasalija af met betonnen wallen, 32 kilometer lang. Ze probeerden de haat te isoleren, zoals de atoomindustrie radioactief afval isoleert. Ze goten hem in beton, om af te koelen.
Aan de rand van beide buitenwijken leven de Ashwatat, illegale inwoners, wier krottenwijken de stad omringen. De meesten zijn door de oorlog op drift geraakt; dagelijks worden het er meer. De soennieten onder hen vestigen zich aan de rand van Ghasalija, de sjiieten aan de periferie van Shuala. In de zone van de Ashwatat heeft de ontbinding van de Iraakse staat het eindstadium bereikt. De rechteloosheid van de houten hutten omgeeft de buitenwijken van de metropool als een meteorietenzwerm, oncontroleerbaar en onheilspellend.
Op de grens van de beschaving, in het stadskantoor aan de sjiitische kant, zit Muktada, de aanstaande bruidegom, achter een hoge wal van zandzakken. Hij spreekt goed Engels, heeft zijn haar met gel strak achterover gekamd. Elke dag hoort Muktada de klachten aan van vluchtelingen uit de omstreden provincies. Muktada is een poortwachter van de Iraakse bureaucratie: hij reikt aan nieuwe burgers de Tahid uit, het aanmeldingsformulier voor de burgerlijke stand.
Een soennitische in een zwarte chador staat druk gebarend voor hem. ‘Zonder je man kan ik je geen papieren geven!’ zegt Muktada. Ze is op de vlucht voor de belegeraars van Bagdad, zegt ze. Haar man mocht het dorp niet verlaten, IS zou dat verhinderen. ‘Hoe kan ik weten of hij niet voor IS vecht?’ zegt Muktada met een bitter lachje. ‘Mijn man is geen terrorist!’ zegt de vrouw en begint te huilen. ‘Ik ken je niet,’ zegt Muktada. Hij wuift haar weg. Soms verbaast hij zich over zichzelf, hoe hard hij kan zijn. ‘Dat is mijn werk,’ zegt hij.
Muktada’s leven volgt een vast stramien. Nooit komt hij in soennitische buurten; hij vreest herkend te worden als sjiiet. Hij drinkt zijn thee altijd in dezelfde cafés, waar hij altijd dezelfde vrienden treft. Mensen die hij kan vertrouwen.
In de Straat van de bomen is de angst gelijk verdeeld over beide zijden. Als we hem buiten de wijk ontmoeten, vertelt Muktada over de ontvoeringen. Daarbij gaat het allang niet meer om vriend of vijand, sjiiet of soenniet. De ontvoeringen hebben zich in Irak ontwikkeld tot een criminele bedrijfstak, zoals elders de drugshandel. Muktada vertelt over een dag waarop drie mensen gekidnapt werden, allen in de buurt van zijn huis. Een makelaar die ze uit zijn kantoor gesleept hebben, een twaalfjarige jongen die op weg naar school werd overvallen, en een voormalig officier die op straat liep. De ontvoerders trokken een zak over zijn hoofd en gooiden hem in de kofferbak van hun auto.
Hoe dichter de chaos van de gevechten de stad nadert, hoe meer ontvoeringen er plaatsvinden. Volgens een hoge regeringsambtenaar zijn er soms wel zeventig gevallen per dag. De meeste ontvoerden komen na betaling van hoge losgelden weer vrij.
Er zijn dagen waarop Muktada van zijn straat houdt. De familie van zijn verloofde, een achttienjarige sjiitische, woont maar een paar huizen verderop. ‘Jij bent de eerste vrouw in mijn leven,’ zegt hij altijd tegen haar. Een leugentje om bestwil. Zijn eerste vriendin, bekent hij ons, was een soennitische. Ze leerden elkaar kennen op de universiteit. Ze had een lief gezichtje, zei hij. En ze was slim. Maar de families waren ertegen.
Als Muktada uit het stadskantoor terugkomt in zijn wijk, gaat hij naar het huis van de familie van zijn verloofde. Ze houden elkaars hand vast en de moeder schenkt het paar thee in. Voor de verloving heeft het meisje alleen een foto gezien van Muktada. Hij beviel haar. Bovendien heeft hij een stabiel inkomen. Na de verloving duurde het drie dagen voor ze begon te praten. ‘Ik ga je silent girl noemen als je zo stil blijft,’ dreigde hij lachend. Zij lachte ook. Het ijs was gebroken.
Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom
Tijdens de rit terug naar ons hotel in het centrum van Bagdad explodeert 500 meter voor ons een bom. Een rookkolom stijgt op. Brandende auto’s maken de wolk steeds groter: uit de eerste rookkolom zwelt een tweede op, en een derde. Dan drijft de wind ze uiteen tot zwarte sluiers.
De bom zou zeven mensen gedood hebben, hoort Moataz, onze begeleider, later. Er was een politiepost aangevallen. In de kranten en op het internet vinden we er niets over. De Iraakse regering doet haar best om de schijn op te houden dat Bagdad veilig is.
Een paar jaar lang zag het ernaar uit dat de betrekkingen tussen sjiieten en soennieten genormaliseerd zouden kunnen worden. De soennieten uit Ghasalija begonnen de markt in het sjiitische Shuala weer te bezoeken, waar de groente heel goedkoop is. De sjiieten uit Shuala waagden zich weer op de Naffla-markt in het soennitische Ghasalija, die bekendstaat om zijn grote assortiment stoffen.
Maar de haat tussen soennieten en sjiieten vlamde op 28 februari 2013 weer op. In het grote stadion van Shuala ontplofte een bom te midden van de toeschouwers. De wedstrijd om de derde plaats van het lokale voetbalkampioenschap was juist begonnen. Zeventien mensen kwamen om, de meesten kinderen en jongeren. Er waren meer dan honderd gewonden.
De daders konden alleen soennieten zijn, meenden de sjiieten. Hun milities zwermden uit naar Ghasalija, ontvoerden tientallen mensen naar Shuala, lieten er enkele vrij tegen losgeld en vermoordden de anderen. De soennieten noemen de sjiitische wijk aan de andere kant van de straat nu ‘de stad waaruit de mensen niet terugkomen.’
De moordenaars gooien hun slachtoffers meestal op een stuk land naast de autoweg, dat bedekt is met vuilnis, bouwafval en dode dieren; bijna dagelijks vindt de politie daar lijken. In de afgelopen week, werd ons verteld, waren het dertien mannen, geboeid en geëxecuteerd.
Al jaren voelen de soennieten van Ghasalija zich tweederangsburgers. Ze verwijten de door sjiieten gedomineerde Iraakse regering dat de soennitische wijken worden achtergesteld. In het sjiitische Shuala wordt vuilnis opgehaald, in het soennitische Ghasalija niet. Daar kruien de inwoners hun afval zelf naar de rand van de wijk en verbranden het daar. Een vette rook hangt dan over de huizen.
Dat heeft niets te maken met achterstelling, zegt de sjiiet Muktada van het stadsbestuur: ‘Onze vuilnismannen durven Ghasalija niet in.’ Want ze zijn sjiieten. Het bestuur in het westen van Bagdad neemt geen soennieten in dienst, dat geldt ook voor de vuilnisophaaldienst.
Strijd tegen IS
In Ghasalija is geen ziekenhuis, en de kliniek in Shuala ligt zo ver in de sjiietenwijk dat de soennieten er niet heen durven. Dus brengen ze hun patiënten naar het ziekenhuis van Jarmuk, in het zuiden van Bagdad, ook de zwaargewonden. Dat is een uur rijden; sommigen sterven onderweg. In hun haat vuren soennieten granaten af op Shuala, altijd op vrijdag, de gebedsdag. En voeden daarmee alleen maar de wraaklust van de sjiieten.
‘Ghasalija moet gezuiverd worden,’ zegt sjeik Ahmed, leider van een sjiitische militie, in zijn hoofdkwartier in de binnenstad van Bagdad. Zijn militie is een van de tientallen sjiitische vrijwilligersformaties die in de afgelopen maanden zijn opgericht. In de zomer van 2014 riep grootayatollah Ali al-Sistani, de hoogste leider van de Iraakse sjiieten, alle Irakezen op tot de strijd tegen IS.
Terwijl het leger binnen een jaar inkromp van 210.000 tot 48.000 man, groeide na de oproep van de ayatollah het aantal bewapende militieleden tot naar schatting 120.000 strijders. Sjeik Ahmed beweert het bevel te voeren over 12.000 man. Veel van zijn strijders komen uit Shuala.
De sjeik loopt op krukken. Hij is onlangs aan het front op een mijn gestapt. De artsen wisten zijn been gelukkig te redden. Hij draagt een grijze baard, een witte tulband en een camouflagepak. ‘Ik ben nu generaal-majoor,’ zegt hij. ‘Ik leid een divisie.’ Eerder was hij een huurling in de Syrische burgeroorlog, waar hij aan de kant van de sjiitische dictator Bashar al-Assad vocht.
In de hal staan zes lijfwachten van de sjeik, in nieuwe kogelvrije vesten van het Amerikaanse leger, helemaal in het zwart. De sjeik zit achter een vrijwel leeg bureau. De Iraakse vlag aan zijn rechterzijde heeft hij speciaal voor de fotograaf van Die Zeit gekocht, zoals onze chauffeur Moataz vooraf telefonisch vertelde. Ook de villa waarin hij ons ontvangt, heeft hij alleen voor ons bezoek betrokken.
Sjeik Ahmed somt de veldslagen op die hij met succes tegen IS heeft gevoerd. Midden in zijn verhaal stokt hij en grijpt naar zijn rug, waar nog twee splinters van de mijn in zitten. Vlak bij de ruggengraat, zegt hij. Of wij niet een kliniek in Duitsland weten waar hij geopereerd kan worden?
Zijn smartphone, een witte Samsung, rinkelt. En blijft rinkelen. Tot nu toe heeft hij alle oproepen weggedrukt, maar nu zegt hij, na een blik op het schermpje: ‘Een ogenblik alsjeblieft’, en neemt de oproep aan.
‘Wij zijn klaar voor de overdracht van het geld,’ hoort onze begeleider Moataz de beller zeggen. De man spreekt met een smekende stem. ‘Wij zijn bereid om naar de afgesproken plek te komen.’
‘Er wordt aan gewerkt,’ zegt de sjeik. ‘Ik heb gasten.’
Hij beëindigt het gesprek, verontschuldigt zich voor de onderbreking en zegt dat de beller de eigenaar is van een ziekenhuis in Koerdistan, die hem heeft aangeboden de beide splinters gratis te verwijderen.
Schoolfeest
In Ghasalija, aan de soennitische kant van de Straat van de bomen, woont Raihana, de kleuterschooljuf. Moataz heeft ons haar bungalow aangewezen. Bij ons gesprek buiten de wijk draagt Raihana een bruin pak, dat ze combineert met een bruine hoofddoek. Haar ogen zijn donker omrand met kohl [een mengsel van roet en andere ingrediënten]. Ze zegt dat het bed in haar huis de plek is waar ze zich het veiligst voelt. Daar ligt ze urenlang, tussen dekens en kussens, terwijl de tv aanstaat. Alsof ze zo het rumoer van de wereld buiten een beetje kan dempen.
Het zijn de laatste vakantiedagen. Raihana vertelt over het geplande feest bij het begin van het nieuw schooljaar. ‘Wij zijn de enige kleuterschool in de buurt die zo’n feest geeft,’ zegt ze trots. Op vier vellen papier heeft ze alles genoteerd wat ze voor deze grote dag moet regelen. Het werk, zegt ze, is het enige wat haar in leven houdt.
De soennitische Raihana was ooit met een sjiitische man getrouwd. Twintig jaar geleden liep het huwelijk stuk, ook omdat haar familie altijd al tegen die verbintenis was. De uit hun huwelijk geboren zoon vluchtte in 2007 naar Jordanië. sjiitische milities waren haar huis binnengedrongen om hem mee te nemen. ‘Voor hen is hij een halve soenniet,’ zegt zijn moeder. Nu belt ze om de twee weken met hem. ‘Thuis wacht me alleen leegte. Mijn leven is eenzaamheid.’ Elke avond slikt ze tabletten om te kunnen slapen.
Raihana weet dat IS maar een paar kilometer verderop zit, dat de opstandelingen elk moment Ghasalija kunnen bezetten. De sjiieten zouden meteen de tegenaanval inzetten. Dagelijks legt Raihana geld opzij om te kunnen vluchten voor de straatgevechten. Naar de sjiitische woongebieden zou ze niet kunnen, omdat ze daar als soennitische vervolgd zou worden, zegt ze. En soennitische buurten in andere delen van Bagdad komen niet in aanmerking omdat IS ook daar invloed heeft. Dan zou alleen de binnenstad overblijven, waar aanhangers van beide geloofsrichtingen nog naast elkaar leven.
En toch is IS voor Raihana een gevaar dat ver weg lijkt in vergelijking met de bedreigingen in haar buurt. ‘Je gaat de straat op en denkt dat het veilig is. Maar plotseling gebeurt er iets, en je wordt ontvoerd,’ zegt ze. De dochter van een collega werd op weg naar school gekidnapt. Voor 10.000 dollar kon de moeder haar kind terugkopen. Een week geleden vonden politieagenten in een huis acht ontvoerde kinderen, opgesloten in de kelder. Raihana vertelt erover, maar niet lang. Dan gaat het weer over haar feest. Dat moet geweldig worden. De volgende morgen wil ze naar de markt om twee dozen in goudpapier verpakte toffees voor de kinderen te kopen. Ook wil ze vijftig kleine kaarsen kopen, zegt Raihana, en tweehonderd kartonnen bordjes en vijfhonderd ballonnen. ‘Ik zou willen dat de kinderen merken dat het een bijzondere dag is.’ De ballonnen zal ze oppompen, aan een touw knopen en boven de ingang van de school hangen. Ze moet morgen naar vier verschillende winkels voor die inkopen. Ze maakt zich zorgen of ze dat allemaal redt in een dag; acht controleposten moet ze passeren, en bij elke post wordt het verkeer opgehouden.
Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?
Onze begeleider Moataz rijdt ons na het gesprek naar het hotel. Het is laat geworden, hij is moe. Dan staat er midden op straat een politieagent die het verkeer tegenhoudt om een konvooi van de Veiligheidsdienst in te laten voegen. Moataz meent dat de agent hem een teken geeft om door te rijden. Hij geeft gas in plaats van te remmen. Met een ruk richt de agent zijn wapen op ons. We schreeuwen. Moataz stopt. Hij scheldt en trekt wit weg. In Bagdad voeren vele wegen naar de dood, vooral misverstanden.
Buiten de stad is de opmars van IS voorlopig tot stilstand gekomen. Maar nog altijd slagen de islamisten erin nieuw terrein te veroveren. Binnen twee weken vallen twee steden van elk 100.000 inwoners. Ook gematigde soennieten kunnen hun bewondering voor IS niet verhelen. ‘Hoe krijgen ze het voor elkaar?’ vraagt iemand uit de straat van de bomen. ‘Ze voeren tientallen veldslagen tegelijk en vechten tegen zeven legers.’
De strijders van IS namen bliksemsnel miljoenensteden in, wisten de grens tussen Irak en Syrië uit, en veranderden de kaart van het Midden-Oosten. De extremisten uit het buitenland die in de wereldpers figureren en de beruchte video’s maken, vormen maar een klein deel van de IS-strijders. De meeste manschappen worden geleverd door de grote soennitische stammen. Sinds de Amerikaanse invasie zijn er vier soennitische verzetsgroepen geweest. Die zijn nu allemaal versmolten met IS.
Het is vroeg in de morgen op de dag waarop Raihana snoepjes wil gaan kopen en Muktada zijn verloofde naar de juwelier wil brengen. Op deze dag verlaten wij de hoofdstad. Met een militair konvooi van de sjiitische Badr-militie rijden we de provincie Dijala in, die Bagdad verbindt met de Iraanse grens.
Drie weken geleden hebben de sjiieten het gebied op IS terugveroverd. De Badr-militie is de machtigste van hun strijdgroepen, naar eigen zeggen 50.000 man sterk, groter en slagvaardiger nog dan de militie van sjeik Ahmed. Een strijdgroep die zelfs een eigen tv-kanaal runt voor propagandadoeleinden. ‘Wees gerust!’ zegt een cameraman van de militie, met wie we in de jeep meerijden. ‘We hebben alle terroristen uitgeschakeld.’ De mediamensen van Al-Badr maken grappen en bediscussiëren de voordelen van de verschillende typen camera’s. Maar ze worden stil als we de controlepost aan de rand van Bagdad passeren en de stad verlaten.
Dit land draagt de sporen van vele oorlogen. De heuvelachtige vlakte waar we doorheen rijden, is bezaaid met betonnen wallen en hopen aarde. Steeds weer komen we langs wachttorens en politieposten, die vaak brandsporen van bomaanslagen dragen. ‘Dit is het begin van onze overwinning! We zullen de ene provincie na de andere bevrijden!’ roept generaal Muen al-Kadhimi bij onze eerste tussenstop tegen tachtig pas gerekruteerde vrijwilligers. ‘God en alle engelen kijken naar jullie!’ Het terugtrekkende IS heeft de bruggen over de rivieren opgeblazen. Ons konvooi steekt het water over op geïmproviseerde houtconstructies. We zien opgeblazen pantserwagens die naar men zegt van IS waren, maar misschien ook van het Iraakse leger. Op veldwegen en in irrigatiekanalen staan uitgebrande militaire voertuigen van Amerikaanse makelij. Overal wapperen de groene en zwarte vlaggen van de sjiieten, de kleuren van de veroveraars, want dit deel van Dijalas werd voor de oorlog overwegend door soennieten bewoond. ‘Saddam gaf ze zulke mooie huizen,’ peinst de cameraman. ‘En wij moeten in ellendige holen wonen.’
Aan het begin van een zijweg ligt het lijk van een man, half vergaan. Een sjiitische wachtpost staat er onaangedaan naast en staart naar ons konvooi. De dorpelingen die we passeren zijn allemaal beroofd. Dode geiten liggen in de beken.
De generaal wil ons een moderne gascentrale tonen, in 2013 gebouwd door het Franse Alstomconcern, in 2014 door IS veroverd en drie weken geleden terugveroverd door de Badr-militie. Nu houdt een kleine eenheid van het Iraakse leger de heuveltop bezet, waarop gastorens blinken. De generaal hangt ook hier de winnaar uit. De officier van de legereenheid laat hij nauwelijks aan het woord komen. Het is duidelijk wie het in deze veldtocht voor het zeggen heeft: niet meer het reguliere leger, maar de sjiitische milities. De reguliere soldaten die de fabriek tegen IS moeten beschermen, bewapend met niet veel meer dan kalasjnikovs, en omgeven door open veld, maken een timide indruk.
Slechts enkele uren eerder zijn op de enige weg naar de centrale drie springladingen geëxplodeerd. Blijkbaar heeft een IS-commando die op afstand tot ontploffing gebracht. Naar verluidt is een servicewagen van de elektriciteitscentrale getroffen. Er zouden vier gewonden zijn. Het konvooi houdt halt op de terugweg om de plek van de explosie te onderzoeken. Een van de chauffeurs ontdekt opeens een vierde, nog intacte bom: een geel plastic bakje in de greppel naast de weg. Vanuit de springlading leiden twee draden tot vlak bij de weg. De generaal beveelt snel verder te rijden. Mogelijk worden we door IS-strijders geobserveerd. Ze kunnen de bom elk moment laten ontploffen.
Aan de horizon branden intussen de dorpen. In drie windrichtingen zien we rookzuilen. Hele stukken straat staan in brand. ‘Die hadden daar waarschijnlijk kortsluiting,’ zegt de cameraman lachend. De term ‘kortsluiting’ heeft een speciale betekenis in Irak. Tijdens de eerste burgeroorlog in 2006 noteerde de politie in hun rapporten steevast ‘kortsluiting’ als oorzaak van de talloze branden. Maar iedereen wist dat het vuur bijna altijd was aangestoken door sjiitische of soennitische milities om elkaar wederzijds uit de wijken te verjagen.
Deze aanblik komt de generaal niet goed uit. Hij wilde met deze rit de beschuldigingen tegen zijn militie ontkrachten. De mensenrechtenorganisaties Amnesty International en Human Rights Watch beschuldigen de sjiitische Badr-brigades ervan de soennitische bevolking systematisch te verdrijven. De gebeurtenissen hier in de provincie Dijala lijken op die in de provincie ten zuiden van Bagdad, waar de Badr-militie IS al een half jaar geleden versloeg. Tienduizenden soennieten mogen sindsdien niet meer terug naar hun dorpen. Volgens de milities vanwege veiligheidsredenen. In werkelijkheid willen ze waarschijnlijk de sjiitische woongebieden uitbreiden. Wiens regime is erger, vragen steeds meer soennieten zich af: dat van de soennitische IS of dat van de sjiitische milities?
Daeshmarkt
Als we terug zijn in Bagdad, in het soennitische Ghasalija, laat kleuterjuf Raihana weten dat de kleine vierjarige jongens en meisjes de sjiieten al als vijanden begonnen te zien. ‘Sjiieten zijn net als apen,’ zeggen de kinderen. ‘Sjiieten hebben lange staarten in hun broek.’ Ze beledigen Ali, de profeet van de sjiieten. Als Raihana de kinderen ter verantwoording roept, hoort ze vaak: ‘Dat mag ik best zeggen, mijn vader zegt dat ook.’ Ze denkt dan goed na, welk kind ze terechtwijst. Ze vreest de woede van de vaders. ‘Je kunt niemand meer vertrouwen,’ zegt ze. ‘Soms geloof ik dat ik mezelf niet meer kan vertrouwen.’
Aan de andere kant van de straat, in het sjiitische Shuala, is een nieuwe markt geopend. De mensen noemen het de Daeshmarkt. Daesh is de Arabische afkorting voor IS. Daar verkopen de milities hun oorlogsbuit, alles wat ze zogenaamd op IS buitgemaakt hebben.
‘Iedereen weet dat dat gestolen goed is,’ zegt Abdullah, een taxichauffeur, die ook aan de straat van de bomen woont, aan de soennitische kant.
Abdullah vertelt dat de Daeshmarkt de koopjesmarkt van de sjiieten is geworden. Volgens hem verkopen ze daar wat ze in de veroverde dorpen van de soennitische bewoners geroofd hebben: tv’s, koelkasten, computers, auto’s.
Zo is elke marktdag in Shuala een vernedering voor de soennieten in Ghasalija. De granaten die van de soennitische kant afgevuurd worden op Shuala slaan vaak in op de markt. In het Iraakse parlement hebben soennitische afgevaardigden al weken geleden geëist dat de markt wordt gesloten – vergeefs.
Het had niet zover hoeven komen met het conflict tussen Ghasalija en Shuala, vertelt Abdullah als we hem treffen in een ijssalon in de binnenstad. ‘We hadden een echte kans.’ Toen het moorden in 2007 op z’n hoogtepunt was, vielen de Amerikanen Ghasalija binnen. Ze bouwden drie steunpunten en wierven 450 soennieten aan als politieagenten: de Ghasalija Guardians. Abdullah was een van hen. Zijn ogen lichten op als hij vertelt over die tijd. De Amerikanen leidden de agenten op, gaven hen uniformen, voertuigen en een fatsoenlijk salaris. De soennieten kregen een stukje macht over hun stadswijk terug. De macht die de Amerikanen hun met de val van Saddam Hoessein in 2003 ontnomen hadden.
De soennitische agenten beschermden Ghasalija tegen de aanvallen van de sjiitische milities en de Amerikanen tegen de aanvallen van Al-Qaida. Veel Al-Qaida-strijders zouden zich bij hun troepen hebben aangesloten. ‘De meeste van die jongens,’ zegt Abdullah, ‘geloven helemaal niet in die Al-Qaida-filosofie. Die geloven in het geld.’ De soennitische Ghasalija Guardians hielden ook de militanten onder de soennieten in toom, er waren nauwelijks nog aanslagen; de spanningen tussen soennieten en sjiieten verminderden. Maar in het jaar 2009 vertrokken de Amerikanen. ‘Ze lieten ons in de steek en leverden ons uit aan de sjiietenregering,’ zegt Abdullah.
De Ghasalija Guardians werden ontbonden. Veel van hun voormalige officieren werden vermoord. Abdullah kreeg het aanbod schoonmaker te worden in het ministerie van Transport. Hij wees het af en werd taxichauffeur.
De afbrokkelende muren van de voormalige Amerikaanse steunpunten zien eruit als de ruïnes van het oude Rome. Legerplaatsen en forten uit een voorbije tijd. Voor de Iraakse veiligheidsdiensten waren de militaire bases te groot. Overal in de wijk stuit men erop: resten van een verzonken rijk.
Hij zal niet nog eens tegen de islamisten vechten, zegt Abdullah, de soenniet. Hij zal het met IS op een akkoordje gooien. Met die lui valt te praten, met de sjiitische milities niet. Die onderhandelen niet met soennieten, ze vermoorden ze. ‘Dat is de keus die ik heb. Dan is IS voor mij beter,’ zegt hij, en neemt afscheid om zijn volgende klant af te halen.
Gespannen rust
Het welkomstfeest waar kleuterjuf Raihana dagenlang naartoe gewerkt heeft, is voorbij. Tot tranen geroerd vertelt ze hoe het was: om acht uur ’s morgens opende ze de grote poort. De nieuwe kinderen kwamen paarsgewijs binnen, ze hielden elkaars handjes vast. Ze droegen hun mooiste kleren, de jongens zwarte pakjes, de meisjes witte prinsessenjurkjes. Er speelde muziek, er brandden kaarsen. Op de tafels stonden bordjes met chocoladekoeken en schotels met snoepjes. Raihana hield een toespraak. ‘Mijn lieverdjes,’ begon ze. Ze spoorde de vierjarigen aan zich goed te verzorgen, hun kleren schoon te houden en hun nagels te knippen. En zich te excuseren als ze op fouten betrapt werden. Twee uur duurde het feest. Toen ging Raihana naar huis, zette de tv aan en sloot haar ogen.
Onze begeleider Moataz rijdt ons weer door de Straat van de bomen, die vandaag nog rustiger is dan anders. In de ochtenduren hebben onbekenden in Bagdad een soennitisch stamhoofd doodgeschoten. Hij had zich ingezet voor toenadering tussen de geloofsrichtingen. Hij en zijn lijfwachten werden dood gevonden onder een viaduct.
De vertegenwoordigers van de soennieten stellen de sjiitische Badr-militie verantwoordelijk. De militie ontkent. Er heerst een gespannen rust in de straat. Iedereen weet: het zal niet lang duren voor de soennieten wraak nemen, en dan de sjiieten weer. In Bagdad voedt de haat zich allang met zichzelf.
Op de middag van diezelfde dag zit ik op het bed in mijn hotelkamer, met mijn mobieltje in de hand. Het telefoontje van het Bundeskriminalamt uit Berlijn. Wie heeft ons verraden? Kleuterjuf Raihana? Bestuurssecretaris Muktada? De twee hotelgasten die ons de vorige avond in het restaurant zo’n onvriendelijke blik toewierpen? Moataz, onze chauffeur? Hij had zo veel mogelijkheden om ons uit te leveren aan onze ontvoerders, en hij heeft het niet gedaan. Nee, niet Moataz! Moataz niet, hoop ik.
Drie uur later vallen de portieren van de gepantserde limousine van de Duitse ambassade achter ons dicht.
Auteur: Wolfgang Bauer
Vertaler: Piet Meeuse
De namen en een paar levensomstandigheden van onze gesprekspartners zijn omwille van hun veiligheid veranderd.
Wolfgang Bauer (1970) is sinds 1994 freelancejournalist. Hij studeerde Islamstudies, Geografie en Geschiedenis. Bauer schreef onder meer voor Focus, Die Zeit, Neon, Greenpeace Magazin, Geo en National Geographic. Zijn werk werd veelvuldig bekroond.
Die Zeit
_Duitsland | dagblad, oplage 540.000 _
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.
Genomineerden in de categorie Distinguished writing award:
Paul Raymond & Jack Watling (Verenigd Koninkrijk):
The Struggle for Mali
Jonathan Stock (Duitsland):
Die Löwen vom Sindschar
Het Ierse volk stemde in 2015 in een referendum vóór het homohuwelijk. Columnist Fintan O’Toole schreef er drie bekroonde columns over, waarvan dit de laatste is.
De overweldigende meerderheid voor het Ja-kamp in het referendum over het homohuwelijk is niet zo mooi als ze lijkt. Ze is veel mooier.
Het kleine Ierland, dat het eerste land ter wereld wordt waar een directe volksstemming het huwelijk tussen mensen van hetzelfde geslacht mogelijk heeft gemaakt – het lijkt buitengewoon. Maar het gaat eigenlijk juist over het gewone. Ierland heeft opnieuw gedefinieerd wat het betekent om een gewoon mens te zijn. We hebben de wereld duidelijk gemaakt dat er een nieuw normaal is, dat ‘gewoon’ een groot, veelomvattend woord is, waarmee de natuurlijke verscheidenheid van de mensen wordt omhelsd en gekoesterd. LHBT’s [lesbisch, homo-, bi-, en transgender] zijn nu een geaccepteerd onderdeel van de heerlijke gewoonheid van het Ierse leven.
We hebben de wereld duidelijk gemaakt dat er een nieuw normaal is
Het lijkt een overwinning voor de tolerantie. Maar het is in feite het einde van het alleen maar tolereren. Tolerantie is wat ‘wij’ in onze genadige goedheid toestaan aan ‘zij’. Alsof je zegt: ‘Doe jij daar je eigen ding maar, dan vallen wij je niet lastig, zolang jij ons niet lastigvalt.’ Met dit klinkende ‘Ja’ verklaart Ierland dat het de tolerantie ver achter zich heeft gelaten. Het zegt dat er geen ‘zij’ meer is, LHBT’s zijn wij – onze zoons en dochters, vaders en moeders, broers en zussen, buren en vrienden. We hebben de kans gekregen om dat te zeggen. Ons werd gevraagd tolerantie te vervangen door burgerlijke gelijkheid. En wij hebben die kans met beide handen aangegrepen en aan ons hart gedrukt.
Het lijkt een overwinning voor de welsprekendheid. Er is inderdaad een schitterende burgerlijke campagne gevoerd. En die werd gekenmerkt door de meeslepende welsprekendheid van zo veel mensen die zich openhartig uitspraken via radiogolven en aan deuren. Het Ja-kamp ging niet in op provocaties en beledigingen, het steeg daar bovenuit. Veel mensen offerden hun privacy op en stelden hun meest intieme gevoelens bloot aan mogelijke openbare afwijzing. Hun moed en waardigheid gaven de doorslag.
Nationaal monument
Toch is dit niet een overwinning van de welsprekende verklaringen. In zijn diepste wezen is het een overwinning voor angstig gestamel. Waarom? Omdat de werkelijke verandering die Ierland de afgelopen twintig jaar heeft doorgemaakt, te danken is aan honderdduizenden van die pijnlijke, hortende gesprekken die beginnen met de gevreesde woorden ‘Ik moet je iets vertellen…’ Aan al die momenten van uit de kast komen aan de keukentafel, die aarzelende woorden, onderbroken door gesnik en gezucht, kille stiltes en angstige aarzelingen. Tijdens die onhandige, ongelukkige, vaak onafgemaakte gesprekken werden de waarheden die in deze campagne zo welsprekend zijn geformuleerd, voor het eerst geuit. En het is dankzij die gesprekken dat homo’s en lesbiennes ‘wij’ zijn geworden, onze kinderen, onze familie.
Het lijkt een overwinning voor liberaal Ierland op conservatief Ierland. Maar het is veel belangrijker dan dat. Het is het eind van die hele steriele, zinloze, onproductieve scheiding. Er bestaat niet langer een liberaal Ierland en een conservatief Ierland. De kloof tussen platteland en stad, tussen traditie en moderniteit, die het debat de afgelopen veertig jaar zo sterk heeft bepaald, is gedicht. Dit is een echt nationaal moment. In plaats van een liberaal en een conservatief Ierland, hebben we nu een fatsoenlijk, democratisch Ierland.
Het lijkt erop dat de LHBT’s eindelijk uit de kast komen. Maar eigenlijk is het meer dan dat: het is Ierland dat voor zichzelf uit de kast komt. We hadden een heimelijk, bang, verborgen zelf van optimisme en fatsoen, een zelf dat lang is overschaduwd door hypocrisie en abstractie en in bedwang gehouden door angst. Vrijdag is dit Ierland opgehouden bang te zijn voor zichzelf. De Nee-campagne ging helemaal over angst – de angst dat verandering slechts één voertuig kon hebben (de schandkar) en één bestemming (de hel). En deze keer heeft dat niet gewerkt. Paranoia en pessimisme hebben het ruimschoots verloren van het zelfvertrouwen en het optimistische geloof in zichzelf dat het Ierse volk zo lang voor zichzelf verborgen heeft gehouden.
Het lijkt een overwinning voor mondiaal kosmopolitisme. Maar in feite is het een overwinning voor de intimiteit. Het was de intimiteit die Ierland tot zo’n afschuwelijke plek om te leven maakte voor homo’s en lesbiennes, voor al diegenen die vanwege hun anders-zijn werden nagewezen en begluurd, over wie werd geroddeld. Maar intimiteit is een tij dat even krachtig is wanneer het zich de andere kant op keert. Toen LHBT’s eenmaal uit de kast kwamen, werden ze bekend. Ieren houden van wat ze kennen. Ze houden van het begrip ‘thuis’. Het prachtige schouwspel van al die mensen die op die vrijdag naar huis kwamen om te stemmen, belichaamde voor ons dat gevoel dat thuis de plek is waar het hart is – het sterke, kloppende hart van de menselijke verbondenheid.
De LHBT-gemeenschap heeft de hele Ierse democratie een van zijn mooiste dagen bezorgd
Tot slot lijkt het een nederlaag voor de religieuze conservatieven. Maar niemand heeft een nederlaag geleden. Niemand is minder waard geworden. De Ieren hebben in groten getale het idee verworpen dat onze republiek een ‘nulsomspel’ is, dat wat de één krijgt, van een ander afgenomen moet worden. Gelijkheid levert iedereen winst op – zelfs degenen die dachten dat ze die gelijkheid niet wilden. Mettertijd zullen degenen die nu bij deze kwestie een minderheid vormen, inzien hoe waardevol het is om te leven in een pluralistische democratie waarin minderheden worden gerespecteerd.
Door te blijven hameren op een onderwerp dat tot voor kort nog marginaal leek, heeft de LHBT-gemeenschap de hele Ierse democratie een van zijn mooiste dagen bezorgd. Ze heeft onze geteisterde republiek een nieuw gevoel van betrokkenheid gegeven, een nieuw zelfvertrouwen, een groter besef van wat allemaal mogelijk is. Ze heeft ons laten zien dat het ondenkbare wel degelijk bereikbaar is. Nu moeten we nog bedenken hoe we die angstaanjagende en opwindende uitdaging kunnen aangaan.
Auteur: Fintan O’Toole
Vertaler: Annemie de Vries
Fintan O’Toole (1958) is columnist en literatuur- en theatercriticus voor The Irish Times. Hij was theatercriticus voor The New York Daily News en schrijft regelmatig voor The New York Review of Books.
In 1859 de spreekbuis van protestantse nationalisten. Later van de unionisten. Tegenwoordig geldt de krant als gematigd liberaal / sociaaldemocratisch.
Genomineerden in de categorie Commentator Award
Maria Louka (Griekenland):
The Monster and Us
Eric Frey (Oostenrijk):
Kom- mentare zur Flüchtlingskrise
George Monbiot (Verenigd Koninkrijk):
Three Columns
Caroline de Gruyter (Nederland):
Hoe het linkse verhaal verdwenen is
‘Journalistiek versimpelt, fictie compliceert,’ aldus de Britse schrijver Julian Barnes onlangs in een interview met de Volkskrant. Zo is het inderdaad meestal. En dat is ook prima, want journalistiek gaat over feiten, en moet onthullen, uitleggen, duidelijkheid bieden. Maar soms lees je een journalistiek verhaal dat er óók in slaagt de complexiteit en de ambiguïteit van het leven te laten zien. Dat vragen oproept, in plaats van ze te beantwoorden.
Zo’n verhaal is het openingsverhaal van deze 360, dat we overnamen uit Die Zeit.
Twee journalisten van dat weekblad, Marc Brost en Andres Veiel, togen naar het hoofdkantoor van de Deutsche Bank om uit te vinden hoe deze ooit zo keurige onderneming een hoofdrolspeler werd in de kredietcrisis.
Het duo ging daarvoor niet te rade in de boardroom, maar in ‘het sterfhuis’, een bijkantoor waar voormalige bankiers hun laatste dagen slijten om het gevoel te hebben dat ze er nog een beetje bij horen.
Daar praktiseerden de twee the art of hanging out, zoals de meester in het genre, de Amerikaanse journalist Gay Talese, het ooit noemde. Dagen, weken, misschien wel maanden moeten ze hebben gepraat met mannen die niet wilden praten. Die, zoals het in het stuk wordt omschreven, ‘tegelijk praten en zwijgen’.
Grote nieuwe onthullingen doen Brost en Veiel dan ook niet. Maar door allerlei mooie kleine observaties, schetsen ze wel een beeld van de cultuur die ertoe heeft geleid dat er nu 6000 processen tegen de bank worden gevoerd.
In die cultuur draait veel om het verlangen naar macht en status (een eigen chauffeur, een kunstverzameling, een villa in de Taunus). Het is ook een cultuur waaruit je vanwege de wurgende groepsdruk nauwelijks kunt ontsnappen, zelfs niet als je al met pensioen bent. Net als in een kloosterorde houdt iedereen elkaar in de gaten. En wie het waagt uit de gemeenschap te treden, heeft geen leven meer. De enkeling die het probeerde, kreeg eindeloze processen aan zijn broek, en kijkt jaren later verbitterd terug.
Het is een keiharde wereld, maar ook een die in essentie weinig verschilt van die van veel andere bedrijven. Noch van menig krantenredactie, trouwens. Hetgeen bij de lezer de vraag oproept: waren die verguisde bankiers nou echt zulke schurken? Of zou ik in vergelijkbare omstandigheden hetzelfde hebben gedaan?
Zo’n verhaal moet zelfs Julian Barnes kunnen bekoren.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.