Een groep wetenschappers heeft een plan voorgesteld om stofdeeltjes van de maan de ruimte in te schieten om op die manier de zonnestralen van de aarde af te buigen. Dit zou een mogelijke oplossing zijn voor de klimaatopwarming, schrijft The Guardian.
Het schijnbaar bizarre concept, dat in een nieuw onderzoek wordt uiteengezet, houdt in dat in de ruimte een ‘zonneschild’ wordt gecreëerd. Dat moet gebeuren door miljoenen tonnen stof van de maan te delven en het vervolgens ‘met een ballistisch apparaat’ naar een punt in de ruimte te schieten op ongeveer een miljoen kilometer van de aarde, waar de zwevende stofkorrels het inkomende zonlicht gedeeltelijk zouden blokkeren.
Er moeten ieder jaar miljoenen tonnen stof de ruimte in geschoten worden om een zonneschild in stand te houden
Om dit project uit te voeren moet er heel wat gebeuren. Zo zou er ergens tussen de zon en de aarde een nieuw ruimtestation moeten komen om ‘stofhopen in goede banen te leiden zodat ze zo lang mogelijk het zonlicht kunnen afschermen’, aldus een onderzoeker, geciteerd door de Britse krant. Ook zouden er ieder jaar miljoenen tonnen stof de ruimte in geschoten moeten worden om dit zonneschild in stand te houden.
Niet iedereen ziet echter brood in dit idee. Volgens Frank Biermann, professor Global Sustainability Governance aan de Universiteit Utrecht, kan het geen oplossing zijn voor het klimaatprobleem. ‘Wat we nodig hebben, is een aanzienlijke vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, waarvoor snelle technologische vooruitgang en sociaaleconomische veranderingen nodig zijn. De maan afgraven is niet de oplossing’, citeert The Guardian. Ook zou het plan de aandacht afleiden van het werkelijke probleem: het verbranden van fossiele brandstoffen.
Als wij ons voedingssysteem niet radicaal veranderen kunnen we de strijd tegen klimaatverandering niet winnen, zegt de Britse milieuactivist George Monbiot. Ten eerste moeten we af van de veeteelt. Zijn boek Regenesis is een fundamentele kritiek op de landbouw.
Voor een veganist vertoont George Monbiot een opmerkelijke verachting voor veel dieren. Kippen, vooral hun mest, houdt hij verantwoordelijk voor het veranderen van hele ecosystemen in weerzinwekkende riolen. Koeien ziet hij als ‘reusachtige machines die koolstof vrijmaken en veel land bezetten’. Zelfs honingbijen zijn voor hem productiedieren die grote schade aanrichten aan het milieu doordat ze wilde insectensoorten verdringen.
Voor zijn documentairefilm Apocalyps Cow heeft hij zelfs een keer een ree geschoten en gegeten. Het stond hem weliswaar vreselijk tegen, schreef hij in The Guardian, hij had liever gehad dat een wolf dat voor hem had opgeknapt, maar ‘het voelde juist om dit dier te eten. Het doden ervan veroorzaakt geen ecologische schade, integendeel.’ Waar het leefde, in de Schotse hooglanden, was het aantal reeën geëxplodeerd en het aantal bomen waarvan ze de spruiten eten was daardoor extreem afgenomen. Dankzij de jacht op het wild heroverden de bomen het land nu weer ‘met een opmerkelijke snelheid’.
Maar Monbiots grootste vijanden zijn schapen. Dat ligt vooral aan de enorme ruimte die ze nodig hebben. In Groot-Brittanië wordt vier miljoen hectare bergland benut als schapenweide, dat is twee keer zo veel oppervlakte als alle steden, fabrieken, opslagloodsen, tuinen, parken, straten en vliegvelden bij elkaar beslaan. Sinds er – ook door royale landbouwsubsidies – in de twintigste eeuw schapen werden losgelaten op het Britse hoogland, zijn ze effectieve verwoesters gebleken van ecologische niches. Omdat de dieren zich bij voorkeur voedden met ontkiemende bomen zouden ze die streken in de loop van de tijd hebben veranderd in ‘dode zones’, waarin behalve een enkele grassoort nauwelijks nog iets groeit.
Maar het ernstigste probleem van deze vorm van landbouw is de schamele opbrengst ervan. Om met lamsvlees 100 gram proteïne te produceren is er 185 m2 land nodig, ongeveer 26 keer zoveel als voor kippen nodig is en 84 keer zoveel als voor soja. In calorieën omgerekend betekent dat dat 22 procent van de totale Britse landbouwgrond de Britten voorzien van 1 procent van hun proteïnebehoefte.
Nerd
George Monbiot is een echte nerd als het om zulke cijfers gaat. Als journalist en milieuactivist is hij in Groot-Brittannië allang een begrip; sinds 1996 behoren zijn columns tot de vaste inventaris van The Guardian. De stilistische scherpte waarmee hij zich onderscheidt, richt zich ook graag tegen zogenaamd gelijkgezinden. In zijn boek Regenesis keert hij zich nu tegen al die bioboeren die nog geloven in het project van een duurzame landbouw. Want voor Monbiot is de landbouw als zodanig ‘de meest verwoestende menselijke activiteit die de aarde ooit heeft meegemaakt’. De ruimte die zij inneemt, ziet hij als ‘de belangrijkste van alle milieuproblemen’.
Hoe zorgen we voor een voedselproductie die het klimaat ontziet?
Regenesis. Feeding the World without Devouring the Planet van George Monbiot verscheen in 2022 bij uitgeverij Allen Lane.
Dat dit onderwerp in het klimaatdebat tot op heden verregaand verwaarloosd werd in vergelijking met de energietransitie, ligt ook aan het feit dat deze verwoesting van de bodem, in tegenstelling tot het delven van fossiele grondstoffen, al duizenden jaren wordt geromantiseerd. Ook al heeft ze allang industriële proporties aangenomen, toch laat de agrarische cultuur ons nog altijd het beeld zien van een boerenidylle, bijna alsof de uitbuiting van de natuur zelf iets heel natuurlijks is. Bovendien is juist de biologische landbouw deel van het probleem: hoe voordelig ze ook is voor dieren en bodemkwaliteit, ze verergert het ruimtebeslag. Als middel om gras in proteïne te veranderen zijn schapen en runderen erbarmelijk inefficiënt; als ze in de wei gehouden worden, groeien de dieren nog langzamer en gebruiken ze veel meer ruimte. ‘Er is nauwelijks een landbouwproduct dat schadelijker is voor het milieu dan biologisch rundvlees van weidevee’, aldus Monbiot.
Wat zijn boek zo interessant maakt, is behalve het concrete onderwerp ook het koelbloedige realisme waarmee hij het thema beziet. Vaak ligt Monbiots standpunt voorbij de ideologische bastions van waaruit het debat over klimaatverandering gevoerd wordt. Tegenover de illusie van een groene groei wordt ofwel onthouding geplaatst, of men speelt de milieubescherming uit tegen de existentiële behoeften van grote delen van de wereldbevolking. Monbiots inzichten zijn zonder meer radicaal. Het effectiefste middel om CO2 uit de atmosfeer te halen is volgens hem het reduceren van de oppervlakte aan landbouwgrond tot een minimum; het moet worden veranderd in natte gebieden en bossen. In een vorig boek, Feral. Searching for Enchantment on the frontiers of rewilding, beschreef hij zijn visioen van een verwildering op grote schaal van weiden en velden om de ineenstorting van het klimaat en de zogeheten zesde grote soortensterfte te voorkomen. Daarbij hoorde ook de terugkeer van olifanten naar Europa.
Een fragment uit de documentaire Apocalypse Cow van George Monbiot over soleïne.
Potentieel
In Regenesis. Feeding the World without Devouring the Planet gaat het hem nu om de vraag die daar noodzakelijk uit volgt: hoe valt zijn utopie te verenigen met het voeden van een voortdurend groeiend aantal mensen? Hoe zorgen we voor een voedselproductie die het klimaat ontziet – en niet alleen voor degenen die zich duur biologisch voedsel kunnen veroorloven? Het is duidelijk, zo rekent Monbiot voor, dat we het landbouwoppervlak met 76 procent zouden kunnen reduceren als iedereen zou ophouden vlees en zuivelproducten te consumeren. Maar hoewel hij zelf allang vegetarisch eet en de trend van vermindering van de vleesconsumptie in rijke landen aanhoudt, denkt hij niet te kunnen rekenen op een snelle bewustzijnsverandering die de opwarming van de aarde tijdig zou kunnen stoppen.
Dus wat te doen? Op zoek naar alternatieve manieren om de bodem te gebruiken presenteert Monbiot een paar geëngageerde boeren die het is gelukt hun land door creatieve verbouwingsmethoden niet alleen ecologisch gezonder, maar ook productiever te maken. Ook in deze portretten doorbreekt hij de gangbare clichés: zijn helden zijn op het eerste gezicht bioboeren uit het boekje, die hun velden met houtsnippers in plaats van fosfaat bemesten, of ze sparen ze met een directzaadmethode in plaats van ze te verwoesten door te ploegen. Maar ze zijn vooral pioniers van een experimentele landbouw in hun pogingen met veldonderzoek in de letterlijke zin van het woord en met wetenschappelijke nauwkeurigheid de complexiteit van de bodem te begrijpen en te benutten.
Slechts 10 procent van de duizenden diersoorten in de bodem zou geïdentificeerd zijn
De succesvolle aanzetten van deze pioniers, dat weet Monbiot ook, bieden geen model voor de industriële productie van voedingsmiddelen die nodig is voor het voeden van de wereldbevolking. Maar ze geven een idee van het potentieel dat een transformatie van de agrarische cultuur in zich bergt. En ze laten zien hoezeer de kennis van de leefruimte onder onze voeten en van de betrekkingen tussen aarde, bacteriën, planten en micro-organismen, van de soortenrijkdom en de vruchtbaarheid van dit ecosysteem is verwaarloosd.
Tot op heden zou slechts 10 procent van de duizenden diersoorten in de bodem geïdentificeerd zijn, schrijft Monbiot. Als er al middelen voor het onderzoek van de bodem beschikbaar gesteld worden, dan is het in hoofdzaak om ‘nieuwe manieren te vinden om ze te doden’; voor bestrijdingsmiddelen. Hij verlangt daarentegen ‘de integrale ontwikkeling van een nieuwe agronomie’, een soort ‘verkenningsprogramma van de aarde’, dat ‘in plaats van Mars in een tweede aarde te veranderen, de oppervlakte van onze eigen planeet onderzoekt’.
Het is dus niet zo verrassend dat Monbiot de oplossing van het voedselprobleem verwacht van een technologie die elke bioboer moet toeschijnen als een sciencefictiondystopie: proteïne uit microbiële fermentatie. In Finland bezoekt hij een bedrijf met de naam Solar Foods, dat uit lucht, zon en een paar bacteriën een sterk geconcentreerd eiwitpoeder maakt. Om dat zogeheten soleïne te verkrijgen, worden bacteriën gevoed met waterstof en kooldioxide uit de lucht; door fermentatie ontstaat uiteindelijk het proteïnepoeder. Het procédé is niet eens erg nieuw, het werd al in de jaren zestig ontwikkeld door de NASA, maar pas nu wordt duidelijk hoe nuttig het kan zijn.
Problematisch is dat het maken van waterstof veel energie verbruikt – en veel ruimte, wanneer men daarvoor zonne-energie gebruikt. Niettemin, rekent Monbiot voor, zou voor de productie van proteïne door bacterieculturen 1700 maal minder land nodig zijn dan voor soja, de ruimtelijk gezien meest efficiënte plantaardige bron van proteïne.
Met dalende prijzen voor zonne-energie zou ook de prijs voor de proteïne van Solar Foods en concurrenten dalen tot het niveau van soja en een goed alternatief voor plantaardige of dierlijke voeding worden. Soleïne zou juist in armere, warme landen voordelig en ‘regionaal’ geproduceerd kunnen worden. En als het ooit ook cultureel geaccepteerd wordt, dan zouden op culinair gebied heel nieuwe mogelijkheden ontstaan: ‘Hapjes die smaken als biefstuk, maar de textuur hebben van Jacobsschelpen,’ stelt Monbiot zich voor; of ‘een mousse die op de tong smelt als pannacotta, maar smaakt naar Iberische ham’.
Farmfree
Veel van zijn critici zien zijn visioen als naïef. Het maken van waterstof is gewoon te duur en bovenal zou zo’n soort voedsel uit het laboratorium een uitnodiging zijn aan de voedingsconcerns die het huidige voedselsysteem beheersen om de productie nog ongebreidelder te monopoliseren met patenten. Monbiot is zich van dit gevaar bewust, maar dat verandert voor hem niets aan de noodzaak en de mogelijkheden van de voedselvoorziening met zulke ‘farmfree’-producten. ‘Deze verandering zal zich waarschijnlijk linksom of rechtsom wel voltrekken, hoe heftig de verdedigers van de oude orde ook verzet bieden. Die volgt gewoon uit een onstuitbare economisch logica. Het is aan ons om dit proces snel en rechtvaardig vorm te geven’, schrijft hij.
Daartoe moet nog slechts één tegenstander overwonnen worden – de langdurige cultuur van verheerlijking van akkerbouw en veeteelt. ‘Een van de grootste bedreigingen voor al het leven op aarde is de lyriek,’ beweert Monbiot, en hij zet uiteen hoe sinds de bucolische gedichten van Theocritus in de Griekse oudheid de mythe ontstond van een harmonieus herdersleven, met schaapherders ‘die hun trage uren doorbrengen met zingen, fluitspelen en vooral met onderdoorgaan aan onbeantwoorde liefdes’. Tegenwoordig zijn de motieven van de pastorale lyriek zo diep geworteld dat ze in de vorm van kinderboeken en westerns, kinderboerderijen en boerderijspeelgoed nog altijd geweldig floreren. Het zijn verhalen die zelfs een overtuigde stadsbevolking zichzelf ‘zonder een zweem van onbehagen vertelt’.
Dat zijn futuristische voorstelling van een voedingsmiddelenproductie de complete cultuur van de mensheid ter discussie zou stellen, is eveneens een bezwaar dat Monbiot vaak te horen krijgt. Ja, zou hij daar wellicht op antwoorden. Precies!
De Amerikaanse journalist David Wallace-Wells boezemde in 2017 angst in met zijn boek De onbewoonbare aarde. Nu schrijft hij met iets meer optimisme. De voorspellingen over de opwarming van de aarde van een aantal jaar geleden vallen minder apocalyptisch uit dan gedacht. Wat betekent dat voor onze toekomst?
Je kunt nooit echt in de toekomst kijken, je kunt er alleen over fantaseren en vervolgens proberen de nieuwe wereld te begrijpen zodra die zich aandient. Een paar jaar geleden klonken de klimaatvoorspellingen voor deze eeuw nog vrij apocalyptisch. De meeste wetenschappers waarschuwden voor een opwarming van de aarde met vier of vijf graden als de wereld op de oude voet doorging. Dat zou zo ingrijpend zijn dat er niet alleen voedselcrises, toenemende hittestress en economische en andere conflicten tussen staten werden voorspeld, maar dat we volgens sommigen afstevenden op de totale ondergang van de beschaving, einde oefening voor de mensheid. (Misschien hebt u hier zelf al eens nachtmerries over gehad of er voortekenen van ontwaard in uw nieuwsfeed.)
Nu de aarde inmiddels al 1,2 graden is opgewarmd, schatten wetenschappers dat de opwarming deze eeuw waarschijnlijk op ergens tussen de twee en drie graden zal uitkomen. (Een schatting die wordt bevestigd in een VN-rapport dat eind oktober werd uitgebracht in de aanloop naar de klimaattop COP27 in het Egyptische Sharm-el-Sheikh.) Met wat meer gezamenlijke daadkracht kan het nog iets lager uitvallen, en met wat pech en minder daadkracht ook iets hoger. Die getallen klinken misschien abstract, maar waar het op neerkomt is dit: dankzij de verbluffende daling van de prijzen voor groene energie, een waarlijk wereldwijde politieke mobilisatie, een scherpere blik op de toekomst van onze energie en serieuze aandacht voor dit thema bij wereld-leiders zijn we er in amper vijf jaar tijd in geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren.
In amper vijf jaar tijd zijn we erin geslaagd de te verwachten opwarming van de aarde bijna te halveren
Decennialang werd het denken over de toekomst van het klimaat gedomineerd door enerzijds een kinderlijk naïef geloof dat we heus wel op de oude voet zouden kunnen doorleven, en anderzijds het doemdenken over een ecologische eindtijd waarin het leven of het bestaan van misschien wel miljarden mensen gevaar zou lopen. De afgelopen jaren zagen we deze twee uitersten ook terug in de klimaat-modellen. Als we de meest ambitieuze doelen van het akkoord van Parijs maar zouden halen en de opwarming onder de anderhalve graad konden houden, zo was de algemene gedachte, zou ons leven min of meer bij het oude kunnen blijven. Maar als we niet snel iets aan de uitstoot van broeikasgassen deden en de opwarming lieten stijgen tot boven de drie of zelfs vier graden, zouden we onze ondergang tegemoet gaan.
Tragisch uitstelgedrag
Geen van beide scenario’s lijkt nu nog erg waarschijnlijk. De meest angstaanjagende voorspellingen zijn onwaarschijnlijk geworden door de vergroening die nu al plaatsvindt, en de meest hoopvolle zijn inmiddels nauwelijks nog haalbaar door tragisch uitstelgedrag. Het aantal haalbare toekomst-scenario’s wordt snel kleiner, en dat geeft ons een duidelijker beeld van wat ons te wachten staat: een nieuwe, ernstig verstoorde wereld, met een bevolking van miljarden mensen en een klimaat dat ver afstaat van het oude normaal, maar dat gelukkig nog lang niet tot een echte apocalyps hoeft te leiden.
De afgelopen maanden heb ik tientallen gesprekken gevoerd – met klimaatwetenschappers, economen en beleidsmakers, met opiniemakers en activisten, en met schrijvers en filosofen – over die nieuwe wereld en hoe we ons die moeten voorstellen. De meest stimulerende en ruimdenkende kijk op het vraagstuk kwam misschien wel van Kate Marvel van de NASA, een van hoofdauteurs van de vijfde National Climate Assessment [het periodieke milieurapport voor de Amerikaanse overheid]. ‘De wereld wordt wat wij ervan maken,’ zegt Marvel. Zelf kom ik steeds weer terug bij drie aanknopingspunten om de mogelijke toekomstroutes enigszins mee in kaart te brengen.
De doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn
Ten eerste: de doemscenario’s voor de temperatuurstijging die tot voor kort heel reëel leken, lijken dat inmiddels een stuk minder te zijn. Dat is ontegenzeggelijk goed nieuws en, in een tijd van wanhoop en klimaatpaniek, een ondergewaardeerd teken van de vooruitgang die al geboekt is en die van mondiaal belang is.
Ten tweede, en dit is minstens zo belangrijk: de meest waarschijnlijke toekomstscenario’s behelzen nog steeds een mate van opwarming die lange tijd rampzalig werd geacht – een bewijs van het mondiale onvermogen om de opwarming binnen ‘veilige’ grenzen te houden. Door decennialang bijna geen maatregelen te nemen hebben we die kans verspeeld. En wat misschien nog zorgwekkender is: hoe meer we te weten komen over de mogelijke gevolgen van zelfs een relatief beperkte opwarming, des te akeliger en problematischer die lijken te zijn. In het persbericht bij het recente VN-rapport werd voorspeld dat een opwarming van meer dan twee graden zal resulteren in ‘onafzienbaar leed’.
Ten derde heeft de mensheid nog steeds heel veel zelf in de hand: hoe warm het zal worden en hoeveel inspanningen we ons getroosten om elkaar tegen die dreigingen en verstoringen te beschermen. Als we erkennen dat een werkelijk apocalyptische opwarming van de aarde nu een stuk minder waarschijnlijk lijkt dan nog maar enkele jaren geleden, halen we de toekomst uit het domein van de mythevorming en brengen haar terug in de arena van de geschiedenis: iets waarin en waarover we strijd kunnen leveren, een verhaal van zowel welvaart als leed – al zullen die niet gelijkelijk over iedereen worden verdeeld.
Klimaatpolitiek
Het is niet zo gemakkelijk om dit beeld helemaal helder te krijgen. Deels omdat klimaatactie nog een open vraag blijft, deels omdat het moeilijk is de schaal van de klimaatverandering af te wegen tegen mogelijke reacties van de mens, en deels omdat we niet meer zomaar kunnen teruggrijpen op dat handige narratieve stramien van apocalyps versus het oude normaal. Maar door het hele palet aan mogelijke klimaatscenario’s te beperken, verruilen we de ene verzameling onzekerheden (over de mate van opwarming) voor een andere: die van politieke keuzes en menselijke reacties daarop. We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken. Dat begint nog steeds met het terugdringen van de broeikasgassen, maar het is niet langer redelijk om te denken dat het daarbij kan blijven. De politiek van vergroening zal zich ontwikkelen tot een politiek die ook kijkt naar wat er daarna moet gebeuren, op het vlak van klimaatadaptatie, financiering en rechtvaardige verdeling (om maar enkele kwesties te noemen). Lange tijd leek de toekomst van de wereld af te hangen van het welslagen van de vergroening, maar een duidelijk pad naar een toekomst met twee of drie graden opwarming betekent dat die toekomst nu ook afhangt van wat we gaan doen als het zover is. Met andere woorden: onze toekomst hangt af van een nieuwe en breder georiënteerde klimaatpolitiek.
We weten nu veel beter welke mate van opwarming we ongeveer kunnen verwachten, en dat stelt ons beter in staat er oplossingen voor te bedenken
‘We leven in een verschrikkelijke wereld, en we leven in een prachtige wereld,’ zegt Marvel. ‘Het is een verschrikkelijke wereld die nu al meer dan één graad is opgewarmd. Maar ook een prachtige wereld waarin we beschikken over heel veel manieren om stroom op te wekken die goedkoper, rendabeler en makkelijker toepasbaar zijn dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Er verschijnen uiterst geloofwaardige artikelen in wetenschappelijke tijdschriften die betogen dat een snelle overstap naar hernieuwbare energie per saldo geen kostenpost zal zijn, maar een winstmaker,’ zegt ze, en ze schudt haar hoofd alsof ze het zelf bijna niet kan geloven. ‘Als je me dat vijf jaar geleden had verteld, had ik gedacht: wauw, dat is een wonder.’
Hoe is dat zo gekomen? Om te beginnen heeft de wereld er werk van gemaakt om af te stappen van steenkool.
Steenkoolgebruik
In 2014 werkte klimaatwetenschapper en podcastmaker Justin Ritchie nog aan zijn proefschrift. Daarin vroeg hij zich af waarom zo veel klimaatmodellen rekenden op een grote piek in het steenkoolgebruik in de eenentwintigste eeuw. Iedereen wist wel dat de decennialange economische groei van China op steenkool dreef, maar wetenschappers die zich met de energietoekomst bezighielden, betwijfelden toen al of datzelfde model ook voor alle andere opkomende landen van kracht zou zijn, en al helemaal of de rijke landen ooit weer structureel op steenkool zouden terugvallen.
Alleen was dat inzicht nergens terug te vinden in de mix van economische, demografische en materiële veronderstellingen over toekomstige ontwikkelingen die als basis diende voor de talrijke modellen waarmee klimaat-wetenschappers prognoses maakten over de klimaatgevolgen, onder meer voor het VN-klimaatpanel IPCC. Het opvallendste voorbeeld was een emissievoorspelling getiteld RCP8.5, die uitging van een op z’n minst vijfvoudige groei van het steenkoolverbruik in de loop van deze eeuw. Dit was het somberste scenario, waarin de mens geen enkele maatregel nam – in de wetenschappelijke literatuur en door journalisten wel betiteld als het ‘business as usual’-scenario. Toen Ritchie en zijn promotiebegeleider in 2017 hun onderzoek publiceerden in het tijdschrift Energy Economics, gaven ze het de suggestieve ondertitel: ‘Zijn gevallen van een enorme toename in steenkoolverbruik nog aannemelijk?’ Gezien de huidige ontwikkelingen is het antwoord daarop nu simpelweg: nee.
Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie
Al jaren leefden er vragen over de toekomst van steenkool, vooral bij de mensen die meenden dat in prognoses over duurzame energie de groei van wind- en zonne-energie belachelijk laag werd ingeschat. Maar de inmiddels brede scepsis over de somberste doemscenario’s voor de uitstoot van broeikasgassen is toch vooral terug te voeren op het kleine groepje mensen dat het werk van Ritchie las en daarmee Twitter op ging. Onder hen Roger Pielke Jr., een hoogleraar milieukunde die door de Republikeinen vaak als deskundige wordt opgeroepen bij hoorzittingen in het Congres over het klimaat. En ook de uitgesproken Britse investeerder Michael Liebreich, oprichter van een door Michael Bloomberg opgekocht bedrijf voor groen beleggingsadvies, die in 2019 op sociale media steeds luidkeels riep dat RCP8.5 ‘gelul’ is. En tot slot de wat ingetogener klimaatwetenschappers Zeke Hausfather en Glen Peters, die in 2020 een opiniestuk in Nature publiceerden waarin ze stelden dat ‘het “business as usual”-verhaal misleidend is’. (Ik had het jaar daarvoor een artikel gepubliceerd waarin ik hetzelfde spoor volgde.)
Het aanpassen van de vooronderstellingen die als basis voor modellen dienen, is misschien niet de meest aansprekende vorm van klimaatactie. Maar Hausfather schat dat het naar beneden bijstellen van die aannames verantwoordelijk is voor ongeveer de helft van de vastgestelde vooruitgang die we hebben geboekt, en dat alleen de andere helft te danken is aan oplossingen afkomstig van technologie, overheidsbeleid en de markt.
Neem om te beginnen de technologie. Energienerds hoef je het niet meer te vertellen, maar buiten dat wereldje beseft bijna niemand hoe snel en drastisch de kosten van technieken voor groene energie zijn gedaald. Dat is net zo’n verbluffend en misschien ook wel net zo’n belangrijk verhaal als dat van de nieuwe mRNA-vaccins, die binnen enkele maanden werden ontwikkeld en verspreid om de wereldwijde pandemie te bestrijden.
Zonne-energie
De kosten van zonne-energie en van de technologie van lithiumbatterijen zijn sinds 2010 met ruim 85 procent gedaald, en die van windenergie met ruim 55 procent. Het Internationaal Energieagentschap heeft onlangs voorspeld dat zonne-energie ‘de goedkoopste bron van elektriciteit in de geschiedenis’ zal worden. En volgens een rapport van [de onafhankelijke financiële denktank] Carbon Tracker woont 90 procent van de wereldbevolking op plaatsen waar nieuwe groene energie goedkoper zou zijn dan nieuwe vuile energie. Ter vergelijking: als de benzineprijs net zo sterk was gedaald, zou de [Amerikaanse] prijs aan de pomp, die in 2010 bijna 3 dollar per gallon bedroeg, nu gezakt zijn tot onder de 50 cent.
De markten hebben dit ook door. Het volume aan investeringen in groene energie is dat van de investeringen in fossiele brandstoffen dit jaar voorbij-gestreefd, ondanks de stormloop op gas en het ‘terugvallen op steenkool’ als gevolg van de Russische inval in Oekraïne. Na decennia van dalingen zijn de kosten van duurzame productie nu weer een klein beetje gestegen door problemen in de toeleveringsketen, maar de algehele trend is toch met het blote oog zichtbaar: er worden wereldwijd genoeg fabrieken voor zonnepanelen gebouwd om daarmee de zonne-energie te produceren die nodig is om de opwarming onder de twee graden te houden. En het aantal zonneparken dat de VS in de planning hebben, is groter dan de totale mondiale capaciteit van dit moment. Liebreich heeft het al over een kantelpunt, waarna het toekomstplaatje van energie er volledig anders uit zal zien.
Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid
Al bijna net zo ingrijpend zijn de veranderingen in de wereld van politiek en overheidsbeleid. Vijf jaar geleden had nog bijna niemand gehoord van Greta Thunberg en de schoolstakingen van Fridays for Future, van Extinction Rebellion en de Sunrise Movement. Toen was er geen serieuze discussie over de Amerikaanse Green New Deal en de Europese Green Deal, er werd nog niet eens gefluisterd over het ‘Fit for 55’-programma [waarmee de EU de uitstoot van broeikasgassen wil terugdringen], de Inflation Reduction Act van de VS [die in feite neerkomt op een klimaatwet] of de belofte van China dat zijn uitstoot vanaf 2030 zal afnemen. Een paar prominente wereldleiders waren klimaatsceptici. Er was bijna geen land ter wereld dat serieus sprak over het elimineren van alle broeikasgassen, het gesprek ging alleen over verlaging van de emissie en veel landen hadden het daar niet eens serieus over. Inmiddels is meer dan 90 procent van het mondiale bbp en ruim 80 procent van de mondiale uitstoot van broeikasgassen gebonden aan diverse toezeggingen te streven naar nettonuluitstoot, die elk een historisch ongekend tempo van vergroening beloven.
Nu zijn dat grotendeels nog papieren toezeggingen, die op de korte termijn veel te vrijblijvend zijn om te kunnen doorgaan voor echte maatregelen en meer weg hebben van een minzame uitsteltactiek. Maar je kunt toch spreken van een nieuw tijdperk voor klimaatactie als de overgrote meerderheid van de wereldleiders zich genoodzaakt ziet om zulke beloften te doen – onder druk van demonstranten, van de angst bij het brede publiek en de wensen van kiezers, en ook steeds meer onder druk van de krachtige logica van nationaal eigenbelang. Wat vroeger vooral een moreel moetje leek, wordt nu steeds meer gezien als een economische kans, zozeer dat er zelfs al sprake is van geopolitieke rivaliteit. Toen Boris Johnson nog premier van het Verenigd Koninkrijk was, zei hij dat hij zijn land het ‘Saoedi-Arabië van de windenergie’ wilde maken. En de Inflation Reduction Act is vooral gericht op versterking van de Amerikaanse concurrentiepositie op het vlak van groene energie. China, dat al bijna evenveel capaciteit voor de productie van duurzame energie aan het opbouwen is als de rest van de wereld bij elkaar, maakt ook 85 procent van alle zonne-panelen ter wereld (en verkoopt bijna de helft van alle elektrische voertuigen die wereldwijd worden gekocht). Volgens een recent artikel over de energietransitie in het wetenschappelijk tijdschrift Joule kan snellere vergroening de wereld in 2050 al biljoenen dollars opleveren.
Andere kant op
Met voorspellingen koop je nog niets. Maar ze sturen ons wel een andere kant op. Marshall Burke, een klimaatwetenschapper aan de Stanford-universiteit die verontrustende voorspellingen heeft gedaan over de kosten van het broeikaseffect (bijvoorbeeld dat het mondiale bbp door klimaatverandering een kwart lager kan uitvallen), zegt dat hij de grafieken die hij in zijn colleges gebruikt heeft moeten aanpassen en dat hij zijn prognoses van enkele jaren terug nu al moet herzien. ‘Het klimaatprobleem is een gevolg van keuzes van de mens, en de winst die we nu boeken is daar ook een gevolg van,’ zegt hij. ‘En die keuzes moeten we toejuichen. Het is nog niet genoeg. Maar het is wel verbazingwekkend.’
Kernfusie in Frankrijk
Gaat het misschien in Zuid-Frankrijk gebeuren, in de gemeente Saint-Paul-lès-Durance, 30 kilometer ten noordoosten van Aix-en-Provence?
Daar bouwen ruim dertig landen sinds 2010 aan een installatie voor kernfusie, een proces dat van nature voorkomt in de zon en de sterren, maar dat bijzonder moeilijk is na te bootsen op aarde. Mocht het lukken, dan is de winst enorm. Kernfusie belooft een vrijwel onbeperkte vorm van energie die, anders dan fossiele brandstoffen, geen broeikasgassen uitstoot en, in tegenstelling tot de huidige kernsplijting, de wereld niet opzadelt met langdurig gevaarlijk kernafval. Slechts 1 gram brandstof levert het equivalent op van 8 ton olie aan fusie-energie. Ofwel: een rendement van 8 miljoen op 1, aldus CNN .
Experts waren altijd terughoudend over de vraag wanneer fusie-energie op grote schaal beschikbaar zal zijn. Tot februari van dit jaar. Toen berichtten Britse wetenschappers een recordhoeveelheid van 59 megajoule fusie-energie te hebben opgewekt die gedurende vijf seconden in stand te werd gehouden in een reusachtige, donutvormige machine die een ‘tokamak’ wordt genoemd. Het was slechts genoeg om één huis een dag lang van energie te voorzien, en er ging meer energie in het proces zitten dan eruit kwam. Maar het bewijs was geleverd dat kernfusie inderdaad mogelijk is op aarde. Alle ballen op Zuid-Frankrijk dus.
Ook Matthew Huber van de Purdue-universiteit, een van de klimaatwetenschappers achter het idee dat hitte en vochtigheid een drempelwaarde kunnen bereiken die fataal is voor het menselijk voortbestaan, zegt dat hij zich tegenwoordig een stuk minder zorgen maakt dan vroeger. Al denkt hij op basis van de lange geschiedenis van onze planeet nog wel dat de aarde eerder drie dan twee graden zal opwarmen. ‘Sommige collega’s hebben bij die drie graden iets van: O nee, dat is verschrikkelijk, we doen het helemaal verkeerd!’ zegt hij. ‘En dan zegt iemand als ik: Nou ja, vroeger dachten we dat we afstevenden op vijf graden. Dan is drie graden dus al winst.’
Wel een schrijnend soort winst. ‘Het goede nieuws is dat we beleid hebben gemaakt waarmee de voorspelde gemiddelde mondiale temperatuur significant naar beneden kan worden bijgesteld,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Katharine Hayhoe, een van de hoofdauteurs van meerdere National Climate Assessments in de VS, en een evangelisch christen met een zekere faam als een soort klimaatfluisteraar van centrumrechts. Het slechte nieuws, zegt ze, is dat we ‘de snelheid en de hoogte van de extremen systematisch hebben onderschat’. Zelfs als de temperatuurstijging beperkt blijft tot twee graden, zouden de extremen volgens haar ‘overeen kunnen komen met wat je zou hebben voorspeld bij een opwarming van vier tot vijf graden’.
Sneller en extremer
‘De dingen gebeuren sneller en extremer,’ beaamt de Britse econoom Nicholas Stern, die in 2006 leiding gaf aan een belangrijk onderzoek naar klimaatrisico’s. Met groene technologie ‘hebben we het groeiverhaal van de eenentwintigste eeuw in handen,’ zegt hij. Maar hij maakt zich zorgen over de toekomst van het Amazonegebied, het smelten van de CO2-rijke permafrost in het Noordpoolgebied en de instabiliteit van de ijskappen: stuk voor stuk potentiële kantelpunten ‘die ons boven het hoofd kunnen groeien’. ‘Met elk IPCC-rapport is het weer erger dan je dacht, ook als je al dacht dat het heel erg was,’ zegt hij. ‘Een opwarming van twee graden betekent niet per se het einde van de mensheid, maar er gaan dan wel veel doden vallen, je krijgt veel migratiestromen, veel conflicten om ruimte en water.’
‘We zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat al onder water’
‘Ik bedoel, we zitten nu nog niet eens op anderhalve graad, en een derde van Pakistan staat toch al onder water?’ zegt de Nigeriaans-Amerikaanse filosoof Olufemi O. Taiwo, die de afgelopen jaren veel heeft geschreven over klimaatrechtvaardigheid in de context van herstelbetalingen voor slavernij en kolonialisme. ‘Als je kijkt naar wat we nu al zien bij nog geen twee graden opwarming: dat geeft geen enkele aanleiding tot optimisme.’
Wat allemaal weer een heel andere kijk op de nabije toekomst oplevert, ook dat is waar. De wereld zal steeds warmer worden en het resultaat daarvan steeds schadelijker, zelfs al wordt de vergroening zodanig versneld dat we de meest ambitieuze doelstellingen halen: een halvering van de uitstoot in 2030 en twintig jaar later netto nul. ‘Die jaartallen, 2030, 2050, die zeggen helemaal niets,’ aldus Gail Bradbrook, een van de Britse oprichters van Extinction Rebellion. ‘Waar het om gaat is de totale hoeveelheid CO2 in de lucht, en die is al veel te hoog. Die jaartallen kunnen worden gebruikt als excuus om het probleem op de lange baan te schuiven. Maar het belangrijkste is dat we op dit moment schade aanrichten, en dat we absoluut zo snel mogelijk een eind moeten maken aan alle activiteiten die de situatie verergeren.’
Het is allemaal dus maar net hoe je ernaar kijkt. In de toekomst zal het klimaat er slechter aan toe zijn dan nu, maar beter dan veel mensen tot voor kort hadden gedacht. De wereld is harder op weg om te vergroenen dan we ooit voor mogelijk hielden, maar nog lang niet snel genoeg om ernstige problemen te voorkomen. Zelfs als we met gemak onder de twee graden blijven, gaan we nog een roerige toekomst tegemoet, met zodanige verstoringen van het natuurlijk evenwicht dat die een gevaar kunnen vormen voor veel maatschappelijke en politieke zeker-heden die we al generaties lang vanzelfsprekend vinden.
Extreem weer
Delhi telde het afgelopen voorjaar 78 dagen met temperaturen van boven de 100 graden Fahrenheit (37,8 graden Celsius), en de kans op zo’n maandenlange hittegolf is door de klimaat-verandering dertig keer zo groot geworden. Op het noordelijk halfrond is de kans op droogte twintig keer zo groot geworden. Resultaat: droge rivierbeddingen van de Yangtze en de Donau tot de Colorado. Ineens kwamen er gedumpte lijken bloot te liggen in Lake Mead, en voetafdrukken van dinosaurussen in Texas, explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in Duitsland en een ‘Spaans Stonehenge’ in Guadalperal. In landbouwgebieden op meerdere continenten stonden gewassen zo te stoven in de zon dat oogsten geheel of gedeeltelijk mislukten. Alleen al in de stad Phoenix stierven honderden mensen van de hitte; in Engeland, Portugal en Spanje waren het er meer dan duizend.
Wekenlang stond een derde van Pakistan blank door overstromingen na de moessonregens, wat tientallen miljoenen mensen op de vlucht dreef en de katoen- en rijstoogst verwoestte. Allemaal factoren die meer dan bevorderlijk zijn voor het aanwakkeren van migratie, conflicten en besmettelijke ziekten in een land dat het toch al moeilijk heeft – een land dat in zijn hele industriële bestaan ongeveer evenveel CO2 heeft uitgestoten als de Verenigde Staten alleen al in dit jaar. In het Caribisch gebied en de Stille Oceaan groeiden tropische stormen in nog geen 36 uur uit tot hevige orkanen.
Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden?
China zuchtte maandenlang onder zo’n intense hitte dat, zoals een meteoroloog het mooi verwoordde, ‘er in de hele wereldgeschiedenis van het klimaat niets ook maar in de verte mee vergelijkbaar is’. Net als met de pandemie probeerde China de verstoringen van het dagelijks leven zo veel mogelijk te verbloemen. Maar doordat fabrieken werden stilgelegd, voelde de rest van de wereld toch de gevolgen in de toe-leveringsketens voor halfgeleiders, geneesmiddelen, zonnecellen, iPhones en Tesla’s. Allemaal productieketens die dus al in de problemen kwamen bij een opwarming van slechts 1,2 graden.
Hoe zal de wereld er dan uitzien bij een opwarming van twee graden? Extreem weer, nog heviger en veel vaker dan nu. Verstoringen en ontwrichting op bijna alle niveaus, van bacteriologisch tot geopolitiek. Honderden miljoenen mensen die ten prooi vallen aan leed en onrecht, omdat de baten van industriële activiteit zich ophopen in die delen van de wereld die juist niet onder de ergste gevolgen lijden. Innovatie ook, waaronder nieuwe oplossingen die we ons nu nog niet kunnen voorstellen, en een beetje nieuwe welvaart, zij het minder dan als de aarde niet zou opwarmen. Gewenning aan rampen die steeds groter zullen zijn en meer schade aanrichten, en daardoor wellicht een zekere moeheid als het gaat om medeleven met de in het mondiale Zuiden aangerichte ravage, uitmondend in het soort antisociale afstandelijkheid die dit soort salondiscussies mogelijk maakt.
Apocalyptisch denken
Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven – en dan met klimaatverstoringen die steeds groter en schadelijker worden, die we het hoofd zullen bieden met een nog onbekende combinatie van mislukking en succes, verdriet en nieuwe kansen.
‘Wat het Westen altijd parten speelt is het eindtijddenken – de zondeval, het christendom en zo,’ zegt Tim Sahay, een in Mumbai geboren klimaatexpert en medeoprichter van het nieuwe tijdschrift The Polycrisis. ‘Dat is onuitroeibaar, wij zien alleen de mogelijkheden voor doemdenken.’ De uitdagingen zijn groot en reëel, en komen voor een onevenredig deel op het bordje van de ontwikkelingslanden, zegt hij, maar de uitkomst staat niet bij voorbaat vast, althans niet per se. ‘We denderen de donkere berg af,’ zegt hij. ‘Ergens is dat natuurlijk eng, maar het kan op zoveel verschillende manieren aflopen. Ik vind het allemaal heel spannend. Wat voor steden zal Brazilië bouwen? Wat voor land wordt Indonesië?’
Apocalyptisch denken kan verleidelijk zijn, maar het zal toch een wereld worden waarin wij nog steeds leven
Er zijn plaatsen waar de klimaatretoriek zachter begint te klinken – of misschien moet je het juist harder noemen, omdat existentiële abstracties plaatsmaken voor keihard realisme. In 2009 zei Mohamed Nasheed als president van de Malediven op de klimaattop in Kopenhagen nog: ‘Hoe kunt u mijn land vragen om uit te sterven?’ Tegenwoordig klinkt hij pragmatischer. Hij wijst op de noodzaak van klimaat-financiering – geldelijke steun van ontwikkelingsbanken en noordelijke instituties om de groene transitie en de weerbaarheid van de lokale bevolking te stimuleren – en filosofeert over de noodzaak van lastenverlichting voor arme landen door schulden kwijt te schelden. Ook stimuleert hij wetenschappelijk onderzoek naar genetisch gemodificeerd koraal dat beter bestand is tegen het opwarmende water.
Mia Mottley, de premier van Barbados, neemt het op tegen het IMF en de Wereldbank en spoort andere kwetsbare landen aan om het ook harder te spelen. Greta Thunberg, het onverzettelijke gezicht van het klimaat-activisme, heeft onlangs haar steun bevestigd voor het in gebruik houden van bestaande kerncentrales. En Rupert Read, ooit woordvoerder van Extinction Rebellion, roept inmiddels op tot de vorming van een ‘gematigde vleugel’ in de klimaatbeweging. De klimaatwet die de Verenigde Staten uiteindelijk kreeg, behelsde geen Green New Deal, geen zware CO2-heffing of strenge regelgeving voor vermindering van de uitstoot, maar een breed vertakt, op positieve prikkels gebaseerd vergroeningspakket dat ook steun omvat voor kernenergie en zelfs voor CO2-opslag, wat voor ‘klimaatlinks’ lange tijd taboe was.
Problematische puinhoop
Dit klinkt misschien alsof er nu sprake is van een groeiende consensus, en tot op zekere hoogte is dat ook zo. Maar de wereld waar dit over gaat is nog steeds een problematische puinhoop. Economisch historicus Adam Tooze heeft het afgelopen jaar het woord ‘polycrisis’ populair gemaakt als aanduiding voor de lawine aan grote uitdagingen die de fundamentele stabiliteit en continuïteit van de wereldorde bedreigen. De Franse president Macron, de belichaming van soepel neoliberaal optimisme, heeft de huidige roerige tijd al getypeerd als ‘het einde van de overvloed’. De voormalig voorzitter van het Europees Parlement Josep Borrell gebruikte ‘radicale onzekerheid’ als omschrijving voor ons tijdsgewricht, en vergeleek Europa later ook nog met een ‘tuin’ in de ‘jungle’ van de wereld, waarbij hij waarschuwde dat ‘de jungle de tuin kan binnendringen’.
India: Industrieel eigenbelang
Het laatste land waarvan je een energierevolutie verwacht, is wellicht India.
Het haalt immers bijna driekwart van zijn elektriciteit uit steenkool en heeft 39 nieuwe kolencentrales in aanbouw. India veroorzaakt de op twee na grootste uitstoot van broeikasgassen ter wereld en verbrandt meer steenkool dan enig ander land behalve China. Op de klimaatconferentie vorig jaar in Glasgow blokkeerde India voorstellen om het gebruik van steenkool af te bouwen. Maar toch deed de Indiase premier Narendra Modi op diezelfde conferentie een belofte die, als hij wordt nagekomen, van zijn land één groene energiecentrale zal maken. Volgens Modi heeft India tegen 2070 een ‘nettonuluitstoot’. Grootspraak? Niet als het aan India’s grootste industriëlen ligt, de multimiljardairs Gautam Adani en Mukesh Ambani, schrijft The Economist.
Adani beweert dat zijn bedrijven tegen 2030 zo’n 70 miljard dollar zullen besteden aan groene energie in India. Met bijna 5 gigawatt (GW) aan zonne-energiecapaciteit sinds medio 2021 staat zijn divisie Adani Green Energy nu al op gelijke hoogte met het Italiaanse Enel Green Power, als ’s werelds grootste ontwikkelaars van zonne-energie. Ambani laat zich ook niet onbetuigd en is van plan 80 miljard dollar te besteden aan schone energie in India. Hij wil in 2025 20 GW aan zonne-energiecapaciteit hebben gebouwd, die volledig door zijn eigen bedrijven zal worden gebruikt.
De Amerikaanse klimaatgezant John Kerry heeft, wellicht per ongeluk, erkend dat de kosten van klimaatschade in het mondiale Zuiden al in de ‘biljoenen’ lopen. Hij noemde dat bedrag niet om aan te geven hoeveel steun die regio nodig heeft, maar om te illustreren waarom de noordelijke landen die schade niet zullen vergoeden. (Hij voegde eraan toe dat hij weigert zich daar schuldig over te voelen.) Schrijver en activist Bill McKibben is bang dat de transitie, ook al wordt die nu opgevoerd tot een snelheid die voorheen ondenkbaar was, toch niet snel genoeg zal komen: ‘Het gevaar bestaat dat je straks een wereld hebt die draait op zon en wind, maar in wezen nog steeds een defecte planeet is.’ De prangendste vraag is nu of dit defect gerepareerd kan worden – of we de komende verstoringen in de hand weten te houden en de talloze miljoenen mensen die erdoor worden bedreigd weten te beschermen. Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?
Ons technisch vernuft heeft de wereldwijde ecologische ontwrichting veroorzaakt; kan dat vernuft ons nu ook behoeden voor de gevolgen ervan?
Middelen daarvoor zijn er genoeg – een schier eindeloos aantal. Aangezien het grootste deel van de infrastructuur in de wereld berekend is op klimaatomstandigheden die nu al achter ons liggen, vergt het een mondiaal bouwproject om ons tegen klimaatverstoringen te beschermen. Met de aanleg van waterwerken tegen overstromingen bijvoorbeeld, zowel op natuurlijke wijze met mangrovebossen en wetlands als op kunstmatige wijze met dijken en dammen, zeeweringen en zeesluizen. Strengere bouwvoorschriften voor woningen, robuustere bouwmaterialen en stedenbouwkundige ontwerpen die meer rekening houden met het weer. Spoorlijnen, asfaltwegen en alle andere soorten infrastructuur die hittebestendig worden gemaakt. Betere systemen om het weer te voorspellen en voor extremen te waarschuwen. Zuiniger waterbeheer, ook in uitgestrekte landbouwgebieden zoals in het westen van de Verenigde Staten. Koelcentra, droogtebestendige gewassen en effectievere investeringen in noodhulp voor wat Juliette Kayyem, een voormalige ambtenaar van het Amerikaanse departement voor Binnenlandse Veiligheid, ons nieuwe ‘tijdperk van rampen’ noemt.
Stormen richten steeds meer schade aan, mede doordat we maar blijven uitbreiden en bouwen in de richting van wat wel het uitdijende middelpunt van de storm wordt genoemd. Dat onrustbarende patroon zie je zowel bij opkomende stadjes langs de kust van Florida als in de delta van Bangladesh: steeds meer mensen die zich ophopen op plaatsen waar ze gevaar lopen, soms tegen beter weten in.
Optimistischere klimaatwaarnemers wijzen er vaak op dat we ons dan misschien wel steeds meer blootstellen aan extreem weer, maar dat het aantal doden als gevolg van natuurrampen niet toeneemt. Sterker nog: dat is zelfs spectaculair gedaald, van gemiddeld zo’n vijfhonderdduizend doden per jaar een eeuw geleden tot ongeveer vijftigduizend nu – terwijl het aantal klimaatgerelateerde natuurrampen volgens de Wereld Meteorologische Organisatie vervijfvoudigd is.
Trend
Maar of deze trend zich in een wereld met twee graden opwarming zal voortzetten is niet duidelijk. Met de orkaan Ian kreeg een welvarend en goed voorbereid stukje van het mondiale Noorden dit jaar bijvoorbeeld te maken met zijn dodelijkste orkaan sinds 1935. De drastische daling in het aantal dodelijke slachtoffers van natuurgeweld vond vooral plaats tussen de jaren twintig en de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen het zakte tot net onder de honderdduizend. In de afgelopen vijftig jaar, toen de destabilisering van ons weer als gevolg van de opwarming van de aarde begon, is het veel minder scherp gedaald. En de daling was nog lager – of misschien zelfs nul, afhankelijk van de cijfers waarnaar je kijkt en hoe je die interpreteert – in de laatste drie decennia, toen de temperatuurstijging sterker werd en de wereld opgewarmd raakte tot boven de leefbare bandbreedte waarbinnen de temperatuur op aarde zich gedurende heel de geschiedenis van de mensheid had bevonden.
Bij veel initiatieven wordt prioriteit gegeven aan kortetermijnbeperking van het klimaatrisico
Misschien betekent dit dat de wereld het laaghangend fruit van de adaptatie al grotendeels heeft geoogst. Betere meteorologische voorspellingen en waarschuwingssystemen hebben we immers al: daardoor werd het aantal doden als gevolg van recente moessons in Bangladesh en orkanen in Florida drastisch beperkt. De mondiale kosten van de klimaatschade lopen al in de biljoenen, en in ontwikkelingslanden kan de rekening voor adaptatie in 2030 al 300 miljard dollar per jaar bedragen. In Texas is men in Galveston begonnen met de aanleg van de ‘Ike Dike’ om de haven te beschermen, à raison van 31 miljard dollar. New York denkt aan een stelsel van stormvloedkeringen. Kosten: 52 miljard. Met andere woorden, de opwarming maakt adaptatie nu al moeilijker en duurder, en het zou weleens heel moeilijk of zelfs onmogelijk kunnen blijken om de in de vorige eeuw geboekte vooruitgang voort te zetten tot in de volgende.
Het laatste IPCC-rapport, van afgelopen februari, stelt dat er ‘vooruitgang bij de planning en invoering van adaptatiemaatregelen’ is geboekt, maar waarschuwt ook dat ‘bij veel initiatieven prioriteit wordt gegeven aan onmiddellijke kortetermijnbeperking van het klimaatrisico, wat de kans op transformationele adaptatie verkleint’ – oftewel: middelen die worden besteed aan reparatie en aanpassing van bestaande structuren zijn niet meer beschikbaar voor nieuwe infrastructuur en herhuisvesting. ‘In sommige ecosystemen zijn de harde grenzen van de adaptatie al bereikt,’ stelt het IPCC: ‘met de toenemende opwarming van de aarde zullen de verliezen en de schade toenemen en zullen ook andere natuurlijke en menselijke systemen tegen de grenzen van hun adaptatievermogen aanlopen’.
Menselijke aanpassing
‘Wat we bij het huidige niveau van opwarming zien, geeft volgens mij al een indruk van waar de grenzen van de menselijke aanpassing liggen,’ zegt Fahad Saeed van Climate Analytics. Deze Pakistaanse wetenschapper uit Islamabad zag zijn land het afgelopen halfjaar ten prooi vallen aan maandenlange extreme hitte, misoogsten en overstromingen als gevolg van moessonregens waardoor een derde van het land blank stond, een miljoen huizen werd verwoest en 30 miljoen mensen ontheemd raakten. De totale schade is geraamd op minstens 40 miljard dollar: 11 procent van Pakistan bbp in 2021. ‘Je kunt je niet voorstellen wat er gaat gebeuren als de opwarming anderhalve graad bereikt,’ zegt hij. ‘Nog extremere situaties? Dan krijg je nog meer verwoesting.’
‘Twee graden is een stuk beter dan vier graden,’ zegt Michael Oppenheimer, een van de klimaatwetenschappers die in 1988 de inmiddels legendarische waarschuwing voor het broeikaseffect aanboden aan de Amerikaanse Senaat. ‘En anderhalve graad is nog beter dan twee graden. Maar in beide gevallen betekent dat niet dat er niets meer te doen valt.’
Oppenheimer heeft zich de laatste jaren steeds meer beziggehouden met de vraag wat we moeten doen en waaraan we kunnen afmeten hoe het ervoor staat met onze adaptatie. ‘Hoe goed kunnen we tegenwoordig omgaan met een situatie waarin overstromingen niet eens in de honderd jaar maar vaker plaatsvinden?’ vraagt hij zich af. ‘Niet zo goed.’ Hij vindt dat we hogere eisen aan onszelf moeten stellen, dat we het niet normaal mogen gaan vinden dat een orkaan in Florida honderd levens kost. Extreme natuurrampen ontwikkelen zich nu veel sneller, en dat betekent dat ‘succes niet langer een kwestie is van hoe goed je op zo’n gebeurtenis bent voorbereid en hoe goed je die te boven komt, maar ook hoe snel’. Hij verwijst naar het IPCC-rapport uit 2019 over de oceanen, waarin stond dat overstromingen die ooit tot de categorie ‘eens in de honderd jaar’ werden gerekend, rond 2050 in veel delen van de wereld jaarlijks zouden plaatsvinden. ‘Dus je moet alles weer op orde krijgen voordat de volgende toeslaat, in een situatie waarin die volgende overstroming datzelfde jaar nog kan plaatsvinden – en in het ergste geval dezelfde maand nog. Op sommige plaatsen overstroomt het op den duur al bij hoogtij.’
Woorden voor klimaatverdriet
Het begon met ‘solastalgia’, een samentrekking van het Engelse solace [troost] en nostalgia [nostalgie].
Die term werd door de Australische filosoof Glenn Albrecht bedacht voor de pijn die mensen voelen door veranderingen in hun nabije leefomgeving, zoals het verlies van een lievelingsplek. Kunstenaars Alicia Escott en Heidi Quante gingen een stap verder: met hun Bureau of Linguistical Reality bedachten ze, samen met mensen over de hele wereld, duizenden woorden om gevoelens van klimaatverdriet te beschrijven, schrijft Smithsonian Magazine.
Hun project begon acht jaar geleden, toen ze geen woorden konden vinden om hun zorgen over de droogte in Californië te beschrijven. In 2015 reisden ze tijdens het klimaatakkoord naar Parijs, waar ze een mobiel kantoor inrichtten. Gekleed in bijpassende jumpsuits hingen ze spandoeken en borden op met de naam van hun project en begonnen ze gesprekken met iedereen die nieuwsgierig was naar hun activiteiten. Het leverde fraaie resultaten op: Yonderlonging – rouwen om een grote open ruimte waarvan je vreest dat die snel zal verdwijnen. Morbique – het morbide verlangen om naar plekken te reizen voordat ze veranderen door klimaatverandering. Shadowtime – het plotse bewustzijn van de mogelijkheid dat de nabije toekomst drastisch anders zal zijn dan het heden.
Meer woorden vind je op hun website, waar je zelf ook bijdragen kunt leveren: bureauoflinguisticalreality.com
‘Dan wordt herstel iets heel anders dan waar we tegenwoordig aan denken,’ zegt Oppenheimer. ‘Dan krijg je een totaal andere leefsituatie en moet je accepteren dat sommige plekken bijna continu blank staan. Of je verwezenlijkt de droom die sommige mensen over adaptatie koesteren, dat we het leven totaal anders inrichten. De hele opzet van productie en infrastructuur, totaal anders.’
Adaptie
Als je maar lang genoeg over adaptatie praat, komt het gesprek vanzelf op kwesties die vrij technisch klinken. Kunnen er nieuwe dijken worden aangelegd, kunnen de kwetsbaarste gemeenschappen worden verplaatst? Kunnen landbouwgronden worden verplaatst, kunnen er nieuwe droogtebestendige zaden worden ontwikkeld? Kan een infrastructuur voor afkoeling soelaas bieden tegen de nieuwe hitterecords, en kunnen waarschuwings-systemen voorkomen dat er doden vallen door natuurrampen? Wat kunnen we verwachten van innovatie bij de aanpak van milieuproblemen die ongekend zijn in onze geschiedenis?
Maar de fundamentelere vragen hebben misschien eerder betrekking op de verdeling van middelen. Wie krijgt die zaden? Wie kan die dijken bouwen, en wie loopt er gevaar als ze niet voldoen of niet gebouwd worden? En wat is het lot van de mensen die het zwaarst door de opwarming worden getroffen? Het politieke debat over dit soort vraagstukken wordt grofweg geschaard onder de noemer ‘klimaatrechtvaardigheid’: in hoeverre zal de klimaatverandering de nu al buitensporige ongelijkheid in de wereld versterken en verdiepen, en in hoeverre kunnen de landen in het mondiale Zuiden zich ontworstelen aan de nu al onrechtvaardige situatie die de klimaatwetenschapper Farhana Sultana ‘klimaatkolonialiteit’ noemt?
‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie’
‘De grootste politieke ontwikkeling die zich zal voordoen is migratie,’ zegt filosoof Taiwo. ‘In de prognoses die ik heb gezien voor ontheemding bij twee graden opwarming, zowel voor migratie binnen landen als voor migratie over grenzen heen, gaat het over tientallen zo niet honderden miljoenen. En ik denk niet dat we al een politiek discours hebben over de implicaties daarvan.’
De schattingen hierover lopen enorm uiteen, en die verscheidenheid is een van de duidelijkste tekenen dat ondanks alle kennis die we over de toekomst van ons klimaat hebben opgebouwd, heel veel van de complexe en elkaar versterkende effecten van de opwarming nog steeds schuilgaan achter de onvermijdelijke onzekerheid die rond de reactie van de mens hangt. Op de korte termijn zal migratie volgens het IPCC waarschijnlijk vooral het gevolg zijn van sociaaleconomische omstandigheden en falend bestuur. ‘Er zal sprake zijn van een, laten we zeggen sociaal-ecologische druk op een schaal die een stuk groter is dan wat we nu zien,’ zegt Taiwo. ‘Of dat zich vertaalt in mensenstromen binnen landen en daarbuiten, of het zich vertaalt in grootschalige adaptatiestrategieën waarvoor we nog geen politiek kader hebben, of simpelweg in sterfte op een schaal waarvoor we dat ook niet hebben, of in een combinatie van al die zaken – wie het weet mag het zeggen. Misschien is er een andere mogelijke uitkomst van deze combinatie van spanningen bij twee graden opwarming. Zoals grotere weerbaarheid en duurzaamheid van lokale gemeenschappen, en innovatie op het gebied van energie en politiek, landbouw en cultuur.
Uit kwetsbare landen hoor je al een generatie lang steeds variaties op één simpel thema: dat de rijke landen de schade moeten compenseren. ‘Het is niet alleen een kwestie van aanpassen,’ zegt de Keniaanse klimaatactivist Elizabeth Wathuti, ‘want je kunt niet van mensen vragen dat ze zich aanpassen aan het verlies van hun huis. Hun huizen worden weggespoeld, hun vee en hun kinderen worden meegesleurd. Ze gaan dood. Hoe moeten ze zich daaraan aanpassen? En misoogsten, hoe kun je je daaraan aanpassen? Hoe kun je je aanpassen aan honger? Als je twee dagen niet hebt gegeten, is dat geen kwestie van aanpassen.’
Sahay, van het tijdschrift The Polycrisis, beschrijft een wereld met een door de klimaatverandering opgestookte machtsstrijd waarin allianties van minder ontwikkelde landen de rijkere mogendheden tegen elkaar uitspelen, een soort geestelijke erfgenaam van de door Indonesië aangevoerde beweging van niet-gebonden landen tijdens de Koude Oorlog. Hij noemt de opkomende alliantie van ongebonden landen rond Brazilië, Rusland, India en China (BRIC) ‘een nieuwe troefkaart’ en schetst de mogelijkheid van een nieuwe groep ‘elektrostaten’, als opvolger van de oliestaten van de vorige eeuw, die agressief zullen onderhandelen over de toegang tot hun eigen hulpbronnen.
‘Westerlingen gaan er klakkeloos van uit dat mensen in het mondiale Zuiden zich wel tegen fossiele brandstoffen zullen keren als ze zwaar worden getroffen door een klimaatramp,’ zegt de Indiase romanschrijver Amitav Ghosh, die ook een aantal indringende essays over het onrecht van het broeikasprobleem op zijn naam heeft staan. ‘Maar dat is volkomen uit de lucht gegrepen. In het Zuiden beseft iedereen dat toegang tot energie het verschil bepaalt tussen armoede en geen armoede. Daar beschouwt niemand fossiele brandstoffen als het grote probleem. Daar wordt juist het veel te kwistige gebruik van fossiele brandstoffen door het Westen als het grote probleem gezien.’
Onvoorstelbare toekomst
‘We leven in een onvoorstelbare toekomst,’ zegt essayist Rebecca Solnit, die zich in haar werk steeds meer richt op de politieke en sociale uitdagingen van klimaatverandering. ‘Zaken die tot voor kort nog onmogelijk, ondenkbaar of onwaarschijnlijk werden geacht, zijn inmiddels volkomen normaal.’ Tegenwoordig merkt ze dat ‘mijn hoop vooral neerkomt op radicale onzekerheid’, zegt ze. ‘Je ziet dat de wereld niet zo kan doorgaan, dat is waar. Maar dat betekent niet dat de wereld niet kan doorgaan. Het betekent dat de wereld wel zal doorgaan, niet zoals ze nu is, maar in een nu nog onvoorstelbaar veranderde gedaante.’
Een conservatief perspectief
Moet het Westen herstelbetalingen doen aan ontwikkelingslanden vanwege aangerichte klimaatschade?
Niet als het aan de aartsconservatieve columnist Allison Pearson van de Britse Telegraph ligt. De recente klimaatconferentie in Sharm-el-Sheikh vindt ze ‘een gigantische oplichterstruc die door de mondiale elites wordt losgelaten op goedgelovige bevolkingsgroepen die de gedachte aan een groenere, schonere wereld mooi vinden (wie niet?), maar die nog steeds geen idee hebben van de enorme kosten en opofferingen die komen kijken bij het behalen van nul uitstoot’.
Het Westen wordt volgens haar ’verantwoordelijk gehouden voor miljardenbetalingen aan landen waar het slecht weer is, omdat wij fabrieken hebben uitgevonden. En auto’s.’ Buigen voor dergelijke ‘emotionele chantage door ontwikkelingslanden terwijl je eigen landgenoten met enorme problemen kampen is niet alleen verkeerd, maar ook immoreel’. Vervolgens schrijft ze in een denkbeeldige brief aan de regering van Pakistan: ‘Als u volhardt in uw oneerlijke eisen voor “klimaatherstel”, stellen wij voor dat u ons royalty’s betaalt voor het volgende: de verbrandingsmotor, spinmachines, stoomkracht, asfalt, spoorwegen, auto’s, vliegtuigen, radio, televisie, computers, geneesmiddelen en het world wide web.’
De conclusie: ‘Het is uiteraard absurd om compensatie te eisen voor alles wat het Verenigd Koninkrijk aan de wereld heeft bij- gedragen. Even absurd is het toezeggen van miljarden die we eenvoudigweg niet hebben om historische “schadeclaims” af te handelen.’
Toen ik in 2017 terugkeek op meerdere decennia van politiek onvermogen, hield ik de politieke mobilisatie van de afgelopen vijf jaar nog niet voor mogelijk. Als je me toen had verteld over de radicale versnelling van groene technologie die ophanden was, had ik je misschien wel willen geloven, maar zou ik vooral verbaasd zijn geweest. Maar redenen voor optimisme mogen geen redenen zijn om achterover te leunen. Integendeel, want de bijgestelde verwachtingen zijn niet alleen een blijk van hoeveel er de afgelopen vijf jaar is veranderd, maar ook van hoeveel er de komende vijf, vijfentwintig en vijftig jaar nog meer kan veranderen.
De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt
Twee graden opwarming is niet onvermijdelijk. Het kan nog steeds zowel beter als slechter uitpakken. De meeste recente analyses voorspellen dat er met het huidige beleid nog ongeveer een halve graad bij komt. Er moet dus veel meer worden gedaan om dat doel te halen, en nog meer om de wereld onder de twee graden opwarming te houden, zoals in het akkoord van Parijs werd beloofd. (Doordat de benodigde maat-regelen uitbleven of te lang zijn uitgesteld, zal zelfs het IPCC-scenario dat was bedoeld om de opwarming tot anderhalve graad te beperken nu de prognose opleveren dat we die anderhalve graad al in het volgende decennium overschrijden.) En omdat de vergroening weer kan stokken en het klimaat gevoeliger kan blijken te zijn dan verwacht, is ook een uitkomst van drie graden opwarming nog steeds mogelijk, zij het iets minder waarschijnlijk dan tot voor kort werd gedacht.
De totale uitstoot van broeikasgassen daalt nog steeds niet, en er is nog een hele weg te gaan om van de toekomstige piek tot nul te komen. Daardoor zijn al deze aanpassingen van de verwachtingen voorlopig nog vooral theorie – een nieuwe reeks lijnen die we naïef op een whiteboard tekenen terwijl we wachten tot ze werkelijkheid worden. Zowel dit jaar als volgend jaar zal de totale uitstoot waarschijnlijk een nieuwe recordhoogte bereiken. Dat betekent dat er op dit moment meer schade wordt toegebracht aan het toekomstige klimaat van onze planeet dan op enig ander moment in de geschiedenis. Het zal allemaal eerst erger worden voordat het zich stabiliseert.
Maar we krijgen wel een steeds duidelijker beeld van de klimaatverandering, en hoe dreigend dat er ook uitziet, we zullen die nieuwe wereld begaanbaar moeten maken – door stappen te zetten om de schade te beperken en ons met adaptaties te beschermen tegen wat niet meer te voorkomen valt. Met vier graden opwarming lijken de gevolgen onoverkomelijk. Met twee graden opwarming ligt niet het hele voortbestaan van de mensheid in de waagschaal, maar verandert alleen het landschap waarin we onze nieuwe toekomst moeten bouwen.
‘We hebben al een lange weg afgelegd en we hebben nog een lange weg te gaan,’ zegt de Canadese klimaatwetenschapper Hayhoe. ‘We zijn al halverwege de helling, het was buffelen. Rust even uit, geef jezelf een schouderklopje, en kijk dan weer omhoog: daar moeten we naartoe. Dus voorwaarts, mars.’
Een van ’s werelds meest vervuilende landen investeert grootschalig in schone technologie. De Indiase premier Modi wil in 2030 de emissie met een miljard ton verminderen.
India haalt bijna driekwart van zijn elektriciteit uit steenkool en heeft 39 nieuwe kolencentrales in aanbouw. Het graaft en verbrandt meer van het spul dan enig ander land behalve China. Op de klimaatconferentie vorig jaar in Glasgow was het land het stinkdier op het tuinfeest en blokkeerde het pogingen om de brandstof die het meest verantwoordelijk is voor de opwarming van de aarde geleidelijk af te schaffen.
Die met roet besmeurde onverzettelijkheid leidt echter af van een opmerkelijke, tegengestelde trend. Terwijl zijn ondergeschikten steenkool verdedigden, deed de Indiase premier Narendra Modi in Glasgow een reeks beloften die, als ze worden nagekomen, van zijn land een groene energiecentrale zullen maken. Zijn belofte dat India tegen 2070 een ‘nettonuluitstoot’ van broeikasgassen (ghg’s) zal hebben, sprong het meest in het oog. Het betekent dat elke emissie die tegen die tijd nog niet is geëlimineerd, op de een of andere manier zal worden gecompenseerd.
Modi onderbouwde zijn streven met twee strenge doelstellingen voor 2030: de emissie met een miljard ton verminderen ten opzichte van nu. Daartoe is meer dan een verdrievoudiging nodig van de niet-fossiele energieproductie (waaronder kernenergie en waterkracht, naast wind- en zonne-energie): van ruwweg 150- naar 500GW.
Nationale missie
India veroorzaakt de op twee na grootste uitstoot van broeikasgassen ter wereld. Als het de doelstellingen van Modi haalt, zou het niet alleen zijn eigen energiemix radicaal hebben omgegooid, maar ook een grote impuls hebben gegeven aan de wereldwijde inspanningen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Bovendien heeft Modi het tot een ‘nationale missie’ verklaard om ‘groene waterstof’ te ontwikkelen. Dat is een schone brandstof op basis van hernieuwbare energiebronnen die industrieën die hardnekkige vervuilers blijven, kan helpen CO2-vrij te worden. Maar hoe plausibel zijn deze ambities?
India’s totale opwekkingscapaciteit, zowel schoon als vuil, bedraagt nu slechts 400GW. Modi wil dus in slechts acht jaar tijd een compleet tweede elektriciteitsnet aan groene stroom opbouwen. Om dat doel te bereiken, moet India ongeveer 500 miljard dollar investeren in schone energie en verbeteringen aan het net, aldus een schatting van onderzoeksbureau Bloomberg New Energy Finance (BNEF).
Een dergelijke prestatie zou niet ongekend zijn. China ging van 44GW aan zonnecapaciteit naar 300GW in zes jaar, en in elf jaar van 50GW aan windenergie naar 330GW. Maar het werd geholpen door een enorme productiebasis in hernieuwbare energie en door een economie die excelleert in het sturen van kapitaal naar begunstigde industrieën – voordelen die India niet heeft.
India een van de goedkoopste plekken ter wereld om zonne-energie te produceren
Hernieuwbare energie groeit razendsnel in India. De opwekkingscapaciteit voor zonne-energie is sinds 2012 vervijftigvoudigd tot bijna 50GW eind vorig jaar. In de eerste helft van 2022 kwam daar nog eens 7,4GW aan zonne-energie bij. Wat betreft nieuwe opwekkingscapaciteit hebben hernieuwbare energiebronnen de steenkool al verdrongen. De capaciteit van nieuwe zonne-, wind- en waterkrachtcentrales die vorig jaar werden gebouwd, was bijna dubbel zo groot als die van nieuwe kolengestookte centrales (zie grafiek 1).
Maar om de doelstellingen van Modi te halen, gaan de investeringen in hernieuwbare energiebronnen niet snel genoeg. De 11GW aan hernieuwbare capaciteit die in 2021 werd toegevoegd, is veel minder dan de vereiste jaarlijkse toename. Toch zijn er goede redenen om de nieuwe groene revolutie van India serieus te nemen.
Om te beginnen is het terugdringen van de uitstoot niet het enige motief om het energiesysteem van India te herzien. Modi wil ook de productie aanjagen en de kosten voor geïmporteerde brandstof terugdringen. ‘Hoe lang zullen we op het gebied van energie afhankelijk blijven van anderen?’ vroeg hij tijdens zijn toespraak op Onafhankelijkheidsdag medio augustus. India besteedde vorig jaar meer dan 4 procent van het bbp aan de invoer van fossiele brandstoffen: bijzonder vervelende kosten voor een land met een aanhoudend tekort op de lopende rekening.
Vergroening van de energievoorziening zou ook bijdragen tot vermindering van de luchtverontreiniging, een dodelijke plaag voor veel inwoners. De Wereldgezondheidsorganisatie gaat ervan uit dat de luchtverontreiniging in 93 procent van het land ver boven haar richtlijnen ligt. Het Britse medische tijdschrift The Lancet publiceerde in 2019 een studie waaruit blijkt dat jaarlijks meer dan een miljoen Indiërs sterven als gevolg van luchtverontreiniging. De verstikkende smog die vooral in deze tijd van het jaar een groot deel van Noord-India bedekt, is een eeuwig hoofdpijndossier voor de regering.
Het mooie is dat een grote verschuiving naar hernieuwbare energiebronnen de kosten van elektriciteitsopwekking kan helpen drukken. Dankzij het zonnige klimaat en de lage arbeidskosten is India een van de goedkoopste plekken ter wereld om zonne-energie te produceren. In een analyse van het Internationaal Energieagentschap (IEA), waakhond annex denktank voor energieverbruikende landen, werd zelfs geconcludeerd dat, als de effecten van overheidssubsidies buiten beschouwing werden gelaten, alleen de Verenigde Arabische Emiraten met India kunnen wedijveren (zie grafiek 2). Dat betekent dat zonnecentrales een goedkopere optie zijn voor nieuwe elektriciteitsopwekking in India dan kolen- of gascentrales. Stroom uit windmolens is in India weliswaar niet de goedkoopste ter wereld, maar ook altijd nog minder kostbaar dan stroom uit fossiele brandstoffen.
Bovendien komt de Indiase regering met allerlei inventieve beleidsmaatregelen om investeringen in schone energie te stimuleren. Een van de grote obstakels voor een herziening van de elektriciteitsindustrie is de erbarmelijke toestand van de bedrijven die elektriciteit distribueren (DISCOMS). Veel van die staatsbedrijven zijn zo goed als failliet en hebben een gezamenlijke schuld van zo’n 73 miljard dollar. Het lijken niet de veiligste partijen voor investeerders die schone energie willen verkopen. Daarom heeft de regering van Modi een mechanisme ingevoerd waardoor de federale regering van India in feite fungeert als financiële buffer bij nieuwe langetermijncontracten voor de levering van hernieuwbare energie aan het net. Ook wordt het zonne- en windgeneratoren toegestaan om de DISCOMS volledig te omzeilen en energie rechtstreeks te verkopen aan fabrikanten van groene waterstof.
In augustus hield India een van ’s werelds grootste veilingen voor grootschalige batterijopslag
Om het immer aanwezige probleem van bureaucratie en NIMBY’isme [een alles-is-best-maar-niet-hiermentaliteit; ‘not in my backyard’] in India te overwinnen, zetten ambtenaren schone-energieparken op met aansluitingen op het net zorgen ze ervoor dat de nodige vergunningen snel geleverd worden. De regering maakt ook gebruik van ‘omgekeerde’ veilingen om investeringen in hernieuwbare energie tegen de laagst mogelijke kosten te maximaliseren: ontwikkelaars geven aan welke minimumprijs zij bereid zijn te aanvaarden voor de stroom die ze opwekken, en de laagste biedingen winnen. Soortgelijke veilingen zijn gehouden voor groene stroom ‘rond de klok’, dat wil zeggen: hernieuwbare energie in combinatie met een of andere vorm van energieopslag, om de wisselvalligheid van wind en zon het hoofd te kunnen bieden.
Het beleid werkt. Investeerders zoals Adani Group, een van India’s grootste conglomeraten, haasten zich bijvoorbeeld naar een park voor hernieuwbare energie in Kutch, een zonovergoten en winderige regio in de deelstaat Gujarat. Met een geplande productie van 30GW wordt dat het grootste gecombineerde wind- en zonnepark ter wereld.
India zal dit jaar bij zijn veilingen voor zonne-energie waarschijnlijk aanbiedingen ontvangen voor de bouw van opwekkingscapaciteit van meer dan 25GW. Dat is ruim tien keer zoveel als in enig ander land (zie grafiek 3). In augustus hield India een van ’s werelds grootste veilingen voor grootschalige batterijopslag.
Hardwerkende industriëlen
Het enthousiasme van investeerders is een sterke aanwijzing dat de groene ambitie van India meer is dan gebakken lucht. Mukesh Ambani, de baas van Reliance Industries, een ander wijdvertakt conglomeraat, glunderde in zijn laatste bericht aan zijn aandeelhouders: ‘We zullen in dit decennium de meest betaalbare groene energie ter wereld hebben, en dan zullen onze oplossingen naar andere landen worden geëxporteerd.’
Mundra, een drukke haven in Kutch ontwikkeld door Adani Group, vat de veranderde prioriteiten van de Indiase industriëlen samen. Het is een van de drukste kolenhavens ter wereld, die twee enorme kolencentrales in de buurt bedient. Maar er staat ook een nieuwe fabriek voor zonnepanelen, een proefinstallatie voor de bouw van windturbines van 160 meter hoog op land (behorend tot de grootste ter wereld) en nieuwe gebouwen waar apparatuur voor de productie van waterstof zal worden gemaakt.
‘Wij heten u welkom in een toekomst die wordt aangedreven door de ZONNE-REVOLUTIE’ schreeuwt een reclamebord. Adani ‘realiseert hier de hele toeleveringsketen’ voor schone energie, zegt Arun Kumar Sharma, een senior manager.
Gautam Adani, de oprichter en voorzitter van de groep – wiens persoonlijke fortuin van meer dan 100 miljard dollar hem tot een van de rijkste mensen ter wereld maakt – beweert dat tegen 2030 zijn bedrijven 70 miljard dollar zullen besteden aan groenvoorzieningen in India. Met bijna 5GW aan zonne-energiecapaciteit vanaf medio 2021 staat zijn divisie Adani Green Energy nu al op gelijke hoogte met het Italiaanse Enel Green als ’s werelds grootste ontwikkelaar van zonne-energie.
Ambani laat dat niet op zich zitten en is van plan 80 miljard dollar te besteden aan schone energie in India. Reliance heeft, net als Adani Group, munt geslagen uit fossiele brandstoffen. Maar nu ontwikkelt het een cluster voor schone energie in Jamnagar, een andere haven in Gujarat, waar ook het enorme petrochemische complex van het bedrijf is gevestigd. Ambani wil in 2025 20GW aan zonne-energiecapaciteit gebouwd hebben, die volledig door de groep zelf zal worden gebruikt. ‘Zodra het op schaal is bewezen,’ zegt hij, ‘zijn we bereid onze investeringen te verdubbelen.’ Investeringsbank Morgan Stanley omschrijft de strategie van Ambani als het ‘volledige spectrum’, dat zich uitstrekt van de productie van zonnepanelen en batterijen tot de ontwikkeling van apparaten om groene waterstof te maken en te gebruiken.
Niet alleen Indiase giganten omarmen de groene visie van Modi; ook kleinere bedrijven investeren fors. Het bedrijf Greenko bijvoorbeeld, bouwt ’s werelds grootste netwerk voor grootschalige energieopslag met behulp van een technologie die pumped hydro wordt genoemd. Daarvoor wordt stroom van zonnepanelen of windmolens gebruikt om water in hoge reservoirs te pompen. Door het water naar beneden te laten stromen, kunnen turbines aan het draaien worden gebracht om stroom op te wekken wanneer er elektriciteit nodig is. Mahesh Kolli, voorzitter van Greenko, zegt dat in 2025 het bedrijf 5 miljard dollar zal investeren om 50GW aan opslagcapaciteit te bouwen.
ArcelorMittal Nippon Steel, een Indiase joint venture van staalgiganten uit Europa en Japan, heeft onlangs een overeenkomst van 600 miljoen dollar gesloten met Greenko om een van zijn fabrieken 24 uur per dag van schone stroom te voorzien. Het bedrijf koos niet alleen voor deze optie omdat de stroom groen zal zijn, maar ook omdat het goedkoper is dan de bouw van een kolencentrale.
Op langere termijn ziet Kolli zijn technologie als de oplossing voor de wisselvalligheid van stroom die door windmolens en zonnepanelen wordt opgewekt. Hij wil een landelijke, op het net aangesloten ‘energiecloud’ bouwen, vergelijkbaar met de datacloud van Amazon. Als er geen wind is of het is in Gujarat bewolkt, dan kunnen de pompcentrales van het bedrijf in Andhra Pradesh, in het zuiden, via het nationale net een compenserende hoeveelheid schone stroom leveren aan aluminiumsmelterijen in Odisha, in het oosten, die worden geëxploiteerd door Hindalco Industries, een grote nieuwe klant. In tegenstelling tot Amerika, waar slechts beperkte verbindingen tussen regionale netten bestaan, heeft India een goed geïntegreerd nationaal net, waardoor een dergelijk idee haalbaar is. De IEA verwacht dat India in 2026 meer pompwaterkracht heeft dan enig ander land.
India begint binnenlandse toeleveringsketens voor schone energie te ontwikkelen. Pune bijvoorbeeld, een stad in de deelstaat Maharashtra, waar al een cluster van fabrikanten van auto-onderdelen is gevestigd, wordt ook een centrum voor schone energie. Siddharth Mayur, inwoner en oprichter van H2E Power en homiHydrogen, ontwikkelde accu’s voor elektrische motorscooters en autoriksja’s die wanneer ze leeg zijn, snel kunnen worden vervangen door volledig opgeladen accu’s. Hij maakt nu stacks, een onderdeel van brandstofcellen (waarmee uit waterstof elektriciteit kan worden gegenereerd), en helpt de lokale productie van andere onderdelen te bevorderen. ‘Volgend jaar zal 98 procent worden gemaakt binnen een straal van 60 kilometer van waar wij zitten in Pune,’ zegt hij.
Ravi Pandit, voorzitter van KPIT, een Indiaas softwarebedrijf dat grote, buitenlandse autofabrikanten als klant heeft, denkt dat het goedkope software- en engineeringtalent dat enkele decennia geleden India’s succes in de informatietechnologie aanwakkerde, nu ook zal helpen bij groene energie. Mede dankzij de wijdverbreide wens om de productie niet te veel in China te concentreren, wijst hij erop dat buitenlands kapitaal en technologie binnenstromen.
Het leeuwendeel van de 500 miljard dollar die nodig is om de doelstellingen van Modi te halen, moet waarschijnlijk uit het buitenland komen
Veel van de investeringen zijn gericht op groene waterstof, waarmee grote industrieën zoals de staal- en kunstmestindustrie hopelijk CO2-uitstoot kunnen uitbannen. India produceert daar nu nog bijna niets van, hoewel het wel ongeveer 7 miljoen ton gewone waterstof per jaar verbruikt. Die wordt met behulp van fossiele brandstoffen gemaakt. Investeerders denken dat India een goede plek is om groene waterstof te produceren, aangezien het proces veel schone energie vereist, die de Indiase zonne-industrie goedkoop kan leveren. India produceert ook weinig aardgas, dus er zijn weinig lobbyisten die campagne voeren tegen de ontwikkeling van een concurrerende industrie. De regering heeft beloofd steun te geven aan groenewaterstofbedrijven in een gedetailleerd plan dat binnenkort wordt bekendgemaakt.
Met de hulp van Stiesdal, een Europees bedrijf voor schone technologie, bouwt Reliance een grote fabriek in Jamnagar om elektrolyse-apparatuur te produceren. De apparaten, aangedreven door schone elektriciteit van de geplande zonneparken van Reliance, zullen vervolgens worden gebruikt om groene waterstof te produceren. Ambani beweert dat die investeringen van India binnen tien jaar het eerste land zullen maken dat groene waterstof produceert voor 1 dollar per kilo, tegen de huidige kosten van meer dan 4 dollar per kilo. Hij wuift sceptici weg door te wijzen op zijn recente succes bij het leveren van gegevens aan mobiele telefoons voor ’s werelds laagste prijs.
Indian Oil, een energiereus in staatshanden en de grootste verbruiker van vuile waterstof in het land, kondigde in augustus aan ook in de groenewaterstofbusiness te stappen. Het bedrijf is van plan om in 2046 25 miljard dollar te hebben geïnvesteerd in deze en andere schone technologieën, als onderdeel van de poging om in dat jaar nettonulemissies te behalen. ‘Wij maken van India een centrum voor groene waterstof,’ zegt S.M. Vaidya, voorzitter van het bedrijf.
Eerste elektrolytische cellen
Ook buitenlandse investeerders zijn enthousiast. John Cockerill, een Belgisch technologiebedrijf, ging met Greenko een joint venture aan om jaarlijks voor 2GW aan elektrolyseapparatuur te produceren. Ohmium, een Amerikaanse start-up die elektrolyseert, heeft zijn enige fabriek in India staan. Het hoopt tegen het einde van dit jaar een jaarlijkse productie van 2GW te behalen. Het bedrijf exporteerde onlangs naar Amerika de eerste elektrolytische cellen die India ooit produceerde en verwacht binnenkort ook zendingen naar Spanje te gaan doen.
De Amerikaanse investeringsbank Goldman Sachs nam een belang in ReNew Power, een bedrijf in hernieuwbare energie dat met Indian Oil samenwerkt aan de plannen voor groene waterstof. TotalEnergies, een grote Franse oliemaatschappij, kocht een kwart van een divisie van Adani Group die groene waterstof ontwikkelt.
Indiase groenewaterstofbedrijven wagen zich zelfs in het buitenland. Acme Cleantech Solutions, een pionier op het gebied van zonne-energie, stapte over op de productie van schone brandstoffen. Samen met Scatec, een Noors bedrijf voor schone energie, investeert het meer dan 6 miljard dollar in de productie van groene ammoniak (een afgeleide van groene waterstof) in Oman. Het project is het eerste in zijn soort dat als CO2-neutraal is gecertificeerd. Het kreeg ook commerciële bevestiging toen Yara, een Noorse kunstmestgigant, in juli een langetermijncontract afsloot om de groene ammoniak te kopen.
Rystad voorspelt dat India in 2025 meer dan 8GW aan elektrolyse-apparatuur per jaar zal produceren (ruwweg de helft van de geplande productie van wereldleider Europa). Investeringsbank Sanford C. Bernstein schat dat in 2030 de waterstofmarkt in India 15 tot 20 miljard dollar per jaar waard kan zijn. Hoewel hij niet zo optimistisch is als Ambani, denkt Bernstein dat ‘minder dan 2 dollar per kilo haalbaar lijkt tegen het einde van het decennium’.
Niet risicoloos
Er kan nog veel misgaan. Om te beginnen is het mogelijk dat de Indiase tycoons niet al hun grote beloften nakomen om miljarden uit te geven aan de nieuwe groene revolutie. Onderzoeksbureau CreditSights uitte zijn bezorgdheid over de hoge schuldenlast van de Adani Group. Vooral nu de rente wereldwijd stijgt, kunnen Indiase conglomeraten moeite krijgen om enorme investeringen in schone energie te financieren.
En zelfs als de miljardairs zo gul spenderen als ze hebben beloofd, zal het leeuwendeel van de 500 miljard dollar die nodig is om de doelstellingen van Modi te halen, waarschijnlijk uit het buitenland moeten komen. Buitenlandse investeerders zien India niet als risicoloos. De roepie is in de loop der jaren gestaag in waarde gedaald, waardoor het rendement voor buitenlanders is afgenomen. Modi’s neiging om sektarische spanningen aan te wakkeren, brengt politieke risico’s met zich mee. En ook buitenlandse beleggers kunnen de pijn gaan voelen als de rente stijgt en de wereldeconomie vertraagt.
Toch groeit de Indiase economie sneller dan die van China. De vraag naar elektriciteit stijgt zo snel dat het land in 2040 evenveel opwekkingscapaciteit gebouwd moeten hebben als de Europese Unie momenteel bezit, al dan niet groen. De ongeveer 30 miljard dollar die India volgens BNEF jaarlijks moet investeren in hernieuwbare energiebronnen om de doelstelling van Modi te halen, is weliswaar een ontzagwekkend bedrag naar lokale maatstaven maar is slechts een tiende van het geld dat vorig jaar wereldwijd in wind- en zonne-energie werd gestoken.
Het is nog vroeg voor India’s tweede groene revolutie, maar de eerste stappen zijn al gezet. Pandit merkt op dat het Westen een voorsprong van honderd jaar had in de conventionele automobielindustrie. Het was een lange, zware strijd voor Indiase bedrijven om hun achterstand in te halen en te kunnen concurreren. Maar op veel terreinen van schone technologie heeft India geen vergelijkbaar nadeel. Pandit voorspelt dan ook dat het land zal excelleren. ‘India gaat voor waterstof doen wat China deed voor accu’s.’
In de energiecrisis is het stoken van hout booming. Wat betekent dat voor de bossen, het klimaat en de gezondheid?
Wie zich de laatste tijd met brandhout heeft ingedekt voor de winter moest dieper in de buidel tasten dan normaal. Binnen een jaar zijn de prijzen voor brandhout en pallets op sommige plekken tot 85% gestegen, zoals het Duitse bureau voor de statistiek in september liet weten. De consumentenprijzen stegen in dezelfde periode gemiddeld met 7,9%. Houtplaatjes voor verwarming met houtsnippers werden zelfs 133% duurder.
Deze ontwikkeling is deels het gevolg van de verhoogde vraag naar hout sinds de oorlog in Oekraïne en de energiecrisis, maar is al langere tijd gaande: sinds het jaar 2000 is de behoefte aan brandhout meer dan verdubbeld. Welke implicaties heeft dit?
De bossen
De vergunning om hout te kappen in beschermde bossen wordt meestal alleen gegeven voor ‘duurzaam’ gebruik. Maar als er veel vraag is, wordt er vaak meer uit de bossen gehaald dan goed voor ze is. In het ergste geval raakt het bos zodanig gestresst dat het afsterft wanneer daar invloeden als bijvoorbeeld hitte en droogte bovenop komen.
Iets dergelijks geldt voor zuivere productiebossen, zoals monoculturen van sparren die aangeplant worden om in de vraag naar hout te voorzien. Zulke bossen zijn per definitie armer aan diersoorten dan gemengde bossen. Bovendien zijn ze vatbaar voor droogte, stormen of schadelijke insecten als de bastkever.
Uit een oogpunt van soortenbescherming is het dus belangrijk om over meer ongebruikte bossen te beschikken. Daar zijn bijvoorbeeld veel meer verschillende korstmossen, paddenstoelen en kevers te vinden dan in productiebossen. Ongebruikte bossen zijn bovendien essentieel voor dieren en planten die aangewezen zijn op dood hout, dat in de productiebossen vrijwel ontbreekt.
Het klimaat
Op het eerste gezicht is de klimaatbalans van hout volstrekt duidelijk: een boom stoot bij verbranding alleen het CO2 uit dat het eerder uit de lucht heeft gehaald. Maar de realiteit is complexer. Bij verbranding komt de CO2 rechtstreeks in de lucht, terwijl de koolstof in de groeifase over een periode van decennia daaruit werd opgenomen. En het duurt jaren tot de boom die daarna groeit het CO2 weer terughaalt. Als hout klimaatneutraal moet zijn, moet je dus kijken naar de actuele netto balans: komt er minder biomassa bij dan er in dezelfde periode gekapt wordt, heb je een probleem. Zo leidde bijvoorbeeld het landgebruik in Finland in 2021 in eerste instantie tot extra uitstoot van CO2 doordat er gewoon te veel bomen gekapt werden.
Maar zelfs bij een evenwichtige balans betwijfelen veel experts of houtverbranding op grote schaal goed is voor het klimaat. In veel gevallen zouden bossen waarschijnlijk meer koolstof kunnen opslaan als er minder hout geoogst werd. Of dat opweegt tegen het feit dat hout fossiele brandstoffen vervangt, is niet altijd te zeggen, te meer omdat hout relatief inefficiënt verbrandt.
Om die reden heeft het europarlement in september voorgesteld om rechtstreeks uit het bos afkomstig hout niet meer als duurzaam te laten gelden – alleen restanten uit zagerijen mogen de ecostatus behouden, net als hout dat uit het bos gehaald wordt ter bestrijding van schadelijke insecten en als brandpreventie. De bosbouw protesteerde: waarom gelden houtresten uit de zagerij als duurzaam, maar die uit het bos niet? En hoe moeten kleine bosbezitters de dringend nodige overgang naar een klimaatbestendig mengbos financieren als ze de gekapte sparren nog maar in beperkte mate op de markt kunnen brengen?
De haarden
Alleen al van maart tot juli werden werden ongeveer 700.000 kachels in Duitsland geïmporteerd, de meeste uit China, waarvan ongeveer een kwart wordt doorverkocht naar Europese landen. Deze kachels worden lang niet alleen in oudere gebouwen gebruikt; in een op de tien nieuwe woningen werd een open haard ingebouwd, meestal als secundaire verwarming.
Emissies
Al in 2019 waarschuwde de Nationale Wetenschapsacademie Leopoldina dat de emissies van fijnstof uit houtverbranding ‘aanzienlijk’ bijdroegen aan de ‘rechtstreekse fijnstofemissie in steden’. Daarmee worden deeltjes bedoeld met een doorsnede van minder dan 2,5 micrometer (PM2,5). Terwijl de emissies van fijnstof door het verkeer door het gebruik van uitlaatfilters gestadig verminderden, zou de uitstoot door houtverbranding stagneren of zelfs toenemen, stelt Leopoldina. Bovendien stootten de kachels in het dagelijks leven vaak duidelijk meer fijnstof uit dan werd aangegeven. Dat zou onder andere komen door minderwaardige brandstoffen, verkeerd stoken met sterke rookontwikkeling en een slecht gereguleerd verbrandingsproces.
De gezondheid
Bij het verbranden van hout ontstaan ultrafijne deeltjes die diep in de longen binnendringen en zware ziektes kunnen veroorzaken. Verwarmen met hout wordt wel vergeleken met passief roken, en gezien als zeer schadelijk voor de luchthygiëne.
Bovendien komt fijnstof van de buitenlucht ook de binnenruimte in, zegt epidemioloog Annette Peters, die bij het Helmholtz-Zentrum in München de gezondheidseffecten van luchtvervuiling onderzoekt. Bij slechte ventilatie ontstaat een aanzienlijke belasting door fijnstof in binnenruimtes als gevolg van houtverbranding.
Maar fijnstof is niet het enige gezondheidsrisico. Bij de houtverbranding komen ook polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in de lucht, zegt milieu-epidemioloog Barbara Hoffmann. Deze stoffen gelden als kankerverwekkend.
De producenten van houtkachels maken vaak reclame door erop te wijzen dat de verbrandingsgassen bijna volledig worden afgevoerd. ‘Onder optimale laboratoriumomstandigheden klopt het dat de nieuwste kachels een geringe emissie in de binnenruimte hebben,’ zegt Hoffmann, ‘maar wie heeft die optimale omstandigheden en de nieuwste kachel?’ Vaak is het hout niet droog genoeg, brandt het niet goed, en bij het poken in het vuur ontsnapt er dan toch een vlaag schadelijke stoffen door de open klep.
‘De gevolgen op korte termijn zijn dezelfde als bij de luchtvervuiling buiten: je krijgt hoofdpijn, gaat hoesten en – als je al luchtwegproblemen hebt – mogelijk astma-aanvallen met ademnood,’ aldus Hoffman. Omdat de kans op ontsteking in de bloedvaten stijgt, wordt de bloedstolling versterkt, wat het risico op hartinfarcten en beroertes verhoogt. Op lange termijn kunnen chronische bronchitis, COPD en andere longziekten ontstaan. Bij kinderen en ongeborenen zijn stoornissen in de groei en in de geestelijke ontwikkeling beschreven, en bij oude mensen wordt het verval van cognitieve vaardigheden versneld, tot dementie toe.
Het begin
Een van de voordelen van haardvuur is het mentale effect dat het op mensen heeft. Om het vuur zitten is een van de oudste menselijke tradities die nog bestaan. Archeologische vondsten tonen aan dat de mens al minstens een miljoen jaar geleden het vuur leerde beheersen. Het vuur bracht warmte en licht in koude perioden, bood ’s nachts bescherming tegen roofdieren en maakte de mens van prooi tot jager. Paleontoloog Charles Brain berichtte ooit over verschillende aardlagen, aangetroffen in een grot in Zuid-Afrika. In de oudste laag lagen complete botten van roofkatten en botsplinters van oermensen die blijkbaar waren opgegeten. De jongere laag daarboven bevatte sporen van vuur. Hier lagen complete menselijke beenderen en botsplinters van grote katachtigen; de mens was tot de top van de voedselketen opgeklommen.
Onderzoekers zijn het erover eens dat het vuur de mens heeft gemaakt tot wat hij nu is. Dankzij de mogelijkheid te koken kon hij over meer voedselbronnen beschikken. Hij kon volstaan met kleinere tanden en een korter darmkanaal, had minder calorieën nodig voor de spijsvertering en hoefde minder afstanden af te leggen om voedsel te vinden. En zo kon hij des te langer rond het vuur zitten, waar werd gegeten en volop verhalen werden verteld. Dat rustgevende en huiselijke gevoel van bij het vuur te zitten ervaren we nog altijd.
Door financiële deals aan te gaan, krijgen ontwikkelingslanden mogelijk een grotere rol in de strijd tegen klimaatverandering. Met natuurbehoud kunnen landen als Belize hun schulden aflossen.
Belize stond aan de rand van een economische afgrond. Door de pandemie belandde het land in de ergste recessie die het ooit meemaakte, waardoor de regering dreigde failliet te gaan.
De oplossing kwam uit onverwachte hoek, toen een lokale zeebioloog aan premier Johnny Briceño een vernieuwend voorstel deed. Haar nonprofitbedrijf zou het land geld lenen waarmee het schuldeisers kon terugbetalen, zolang de regering beloofde een deel van het uitgespaarde bedrag te gebruiken om de zee te beschermen.
In Belize vallen daaronder oceanen, bedreigde mangroves en kwetsbare koraalriffen.
Het is een nieuw soort aanpak. Door deals als deze, die bekendstaan als blue bonds, kan een groeiend aantal ontwikkelingslanden hun schuld aflossen door in natuurbehoud te investeren. Zo krijgen ze langzaamaan een grotere rol in de strijd tegen klimaatverandering.
‘Nu verdwijnt ons geld niet meer in de zakken van obligatiehouders, maar werken we mee aan milieubescherming’
‘De deal gaf ons ademruimte,’ vertelt Briceño. ‘Nu verdwijnt ons geld niet meer in de zakken van obligatiehouders, maar werken we mee aan milieubescherming.’
Simpel gezegd hebben blue bonds hetzelfde effect als de herfinanciering van een hypotheek. Net als vele andere landen heeft Belize de overheidsuitgaven lange tijd deels gefinancierd door internationale obligaties te verkopen. Met de obligaties, die in feite een soort schuld zijn, kan een overheid wel kapitaal aantrekken maar wordt zij vaak decennialang opgezadeld met hoge rentebetalingen.
In concrete zin houdt de bluebondsdeal in dat de Amerikaanse non-profitorganisatie Nature Conservancy aan Belize meer dan 350 miljoen dollar leent, waarmee het internationale obligaties ter waarde van meer dan een half miljard dollar terug moet kopen.
Nature Conservancy kon die lening financieren via Credit Suisse, een bank in Zürich, die het geld op zijn beurt ophaalde door nieuwe obligaties te verkopen aan milieubewuste klanten.
Evenwicht
De deal levert Βelize 200 miljoen dollar op, wat bijna een tiende is van de jaarlijkse nationale productie. Het geld kan aan allerlei zaken besteed worden, mits Belize van 30 procent van zijn wateren een beschermd gebied maakt door industrieën als visserij en de bouw in te perken. Het land heeft tevens toegezegd jaarlijks 4,2 miljoen dollar uit te geven aan het behoud van biodiversiteit in deze beschermde gebieden.
Kleine en arme landen kampen vaak met een reeks van onderling samenhangende problemen: buitensporige schulden enerzijds en milieuaantasting anderzijds. Voorstanders van de deal hopen dat financiële en milieu-georiënteerde stimulansen dergelijke problemen kunnen tegengaan en kunnen bijdragen aan duurzame groei.
Toch blijft de roep om milieubehoud in de knel komen met de eisen van de toerisme- en visserij-industrie, beide essentieel voor de Belizaanse economie. Milieufinanciering kent dus nog altijd een aantal grote uitdagingen.
‘Je kunt niet zomaar overal aan natuurbehoud gaan doen en voor ons geen werkplek overlaten,’ zegt Ian Palacio, een Belizaanse visser.
Palacio (43) woont in het schitterende Turneffe Atoll, een groot, marien reservaat met talloze eilandjes waarop mangroven groeien. Het is sinds de deal een beschermd gebied. De eilandengroep ligt aan het grootste koraalrif van het westelijk halfrond en wemelt van de soorten vis, van kreeft dolfijnen en zeekoeien, en er groeien zeldzame bomen.
‘Behoud is goed, maar we moeten de voordelen ervan wel kunnen voelen’
‘Behoud is goed, maar we moeten de voordelen ervan wel kunnen voelen,’ aldus Palacio.
Vanuit eenvoudige, houten kampen tussen de mangroven varen Palacio en zijn collega’s tijdens het visseizoen dagelijks uit om kreeften te vangen. Die vormen het belangrijkste aandeel van de Belizaanse visserij.
De vissers gebruiken technieken die door de eeuwen heen weinig zijn veranderd: ze duiken naar houten platforms die op de zeebodem liggen en grijpen daar schaaldieren. Ook gebruiken ze lange stokken om kreeftenvallen mee naar hun boten te slepen.
Zo’n twaalf toezichthouders patrouilleren in het reservaat. Ze controleren visvergunningen en gaan de grootte van gevangen kreeften na, zodat de kreeftpopulatie op peil wordt gehouden. Naar eigen zeggen hebben ze meer benzine, personeel, portofoons en wapens nodig om het reservaat beter te kunnen beschermen. Door het tekort aan brandstof kunnen de kustwachters het zich nauwelijks veroorloven hun uitkijkpost te verlaten.
‘Als we de middelen eenmaal hebben, kunnen we het nodige evenwicht in het ecosysteem bereiken,’ zegt Valdemar Andrade, de beheerder van het reservaat.
Recordtempo
Nature Conservancy sloot in september haar derde bluebondsdeal met Barbados, een ander klein land in de Cariben, dat net als Belize grote schulden heeft en de dreiging van klimaatverandering voelt. Ook landen met grotere economieën, waaronder Ecuador en Sri Lanka, gingen soortgelijke deals aan.
Regeringsambtenaren en milieugroeperingen hopen dat dergelijke regelingen gemeengoed worden. Zo zou klimaatverandering een belangrijke factor kunnen worden binnen de manier waarop particuliere investeerders, multilaterale organisaties zoals het Internationaal Monetair Fonds en soevereine schuldeisers zoals China, leningen van soms wel biljoenen dollars aanbieden aan en terugvorderen van armere landen.
‘Door de manier waarop financiën wereldwijd geregeld zijn, kunnen landen gewoon geen werkelijk voordeel behalen door in de natuur te investeren,’ aldus Slav Gatchev, hoofd van de afdeling duurzame schulden bij Nature Conservancy.
De zogenaamde schuld-voor-klimaatruil stond lang bekend als een financiële niche. Tijdens de pandemie kwam de deal echter op de voorgrond te staan. Doordat economieën wereldwijd op instorten stonden, werden ontwikkelingslanden gedwongen in recordtempo nieuwe schulden aan te gaan. Ondertussen kregen ze steeds minder inkomsten binnen, waardoor de kans op terugbetaling afnam.
Het idee om ontwikkelingslanden schuldverlichting te bieden in ruil voor klimaatstappen ontstond in de jaren tachtig en was hoofdzakelijk bedoeld voor de bescherming van regenwouden.
Volgens Gatchev is het verschil dat landen in het bluebondsmodel geen bescheiden, eenmalige schuldvermindering krijgen. Sterker nog, wereldwijde financiële markten zetten hun middelen in om de financiering van natuurbehoud mogelijk te maken.
Het eerste land dat een bluebondsdeal aanging is de Seychellen, een eilandengroep in de Indische Oceaan. Inmiddels is het land er volgens Nature Conservancy in geslaagd 30 procent van zijn wateren te beschermen, waardoor kwetsbare soorten nu een toevluchtsoord hebben. In ongeveer de helft van de beschermde gebieden is menselijke activiteit ofwel verboden ofwel sterk beperkt.
Bij elkaar opgeteld hebben Belize en Barbados inmiddels 683 miljoen dollar aan schulden terugbetaald
Toch zeggen economen en natuurbeschermers dat deze financiële deals slechts een fractie van de oplossing zijn voor alle dringende, wereldomvattende problemen.
Bij elkaar opgeteld hebben Belize en Barbados inmiddels 683 miljoen dollar aan schulden terugbetaald. Volgens de Wereldbank is dat maar 0,03 procent van wat ontwikkelingslanden eind 2020 verschuldigd waren aan particuliere schuldeisers.
En de 134 miljoen dollar die de twee landen de komende twintig jaar voor het behoud van de zee hebben uitgetrokken, is een nog kleinere fractie van de 125 biljoen dollar die volgens de Verenigde Naties wereldwijd besteed moet worden om tegen 2050 een nettonuluitstoot te bereiken en de ergste gevolgen van klimaatverandering terug te draaien.
Aantrekkelijk
Volgens sommige economen kan schuldverlichting geen blijvend effect hebben op kleine landen die van toerisme afhankelijk zijn, tenzij ze meer variatie aanbrengen in hun economie en de nationale productiviteit verhogen.
Het algemene effect dat de bluebondsdeals op het klimaat hebben, is bovendien maar beperkt. Regeringen krijgen jaren de tijd om aan te tonen dat hun natuurbehoud verbeterd is en zijn niet verplicht de menselijke activiteiten in hun wateren fors in te perken.
Toch kunnen dergelijke initiatieven wel degelijk voor klimaatactie zorgen. Volgens voorstanders zorgt milieu-georiënteerde schuldverlichting ervoor dat de financiële belangen van internationale investeerders en kleine landen op één lijn komen te liggen, waardoor regeringen meer overheidsuitgaven kunnen doen en in de richting van duurzame groei worden geduwd.
‘Hoe zou erosie van stranden ooit een politieke prioriteit kunnen worden als we tegelijkertijd dringend de scholings- en vaccinatiegraad moeten verhogen?’ vraagt Henry Mooney, een Caribisch econoom bij de Inter-Amerikaanse Ontwikkelingsbank, zich af. ‘Het geld dat nu voor natuurbehoud opzij is gezet, was anders ergens anders aan besteed.’
Volgens mensen die bluebondsdeals afsluiten, moeten landen zich wel aan de overeenkomsten houden: schuldeisers kunnen claims indienen bij internationale rechtbanken als regeringen hun financiële verplichtingen en afspraken rondom natuurbehoud niet nakomen. Dat maakt de regelingen minder riskant voor grote vermogensbeheerders en pensioenfondsen.
De blue bonds zijn daardoor extra aantrekkelijk voor westerse investeerders die geld willen verdienen aan positieve doelen, zoals natuurbehoud.
‘Investeren is geen altruïstische aangelegenheid, investeerders geven niet zomaar geld weg,’ zegt Ajata Mediratta, partner van Greylock Capital Management, een Amerikaanse investeerder die betrokken was bij de Belizaanse blue bonds-deal.
Volgens Christopher Coye, een belangrijke financiële ambtenaar in Belize, hebben de deals ervoor gezorgd dat het land zijn schuld aanzienlijk heeft kunnen verminderen en dit jaar de grootste begroting ooit heeft kunnen opstellen. De sociale uitgaven zijn weer op hetzelfde niveau als vóór de pandemie en de economie zal dit jaar naar verwachting met bijna 6 procent groeien.
Om aan de voorwaarden van de overeenkomst te voldoen, verbood het land de eilandjes waarvan een groot deel van het koraalrif in overheidsbezit is, te verkopen. Daarnaast is er 2070 vierkante kilometer aan beschermd zeegebied bij gekomen en heeft de regering zich voorgenomen tegen 2026 een aanvullende 5000 vierkante kilometer te gaan beschermen.
‘Investeren is geen altruïstische aangelegenheid, investeerders geven niet zomaar geld weg’
Natuurbehoud is er dus op vooruitgegaan. Toch zijn veel eilanden in het nieuw beschermde gebied al verkocht en veranderd in resorts of privévilla’s. Ondanks de bluebondsdeals zijn bovendien veel visgebieden grotendeels intact gelaten, wat grote schade toebrengt aan het zeelandschap.
De grootste aanwinst van de bluebondsdeal zijn volgens Julie Robinson, inwoner van Belize en landelijk manager bij Nature Conservancy, niet alleen de financiële voordelen en het natuurbehoud, maar vooral de kans om de nationale identiteit opnieuw vorm te geven. Door de pandemie kwam de toerismesector van de ene op de andere dag stil te liggen, wat veel inwoners naar de visserij en landbouw dreef. Dat bracht de waarde en kwetsbaarheid van de natuurlijke rijkdom van Belize aan het licht, zo stelt ze.
‘Als Belizaan wil ik ervoor zorgen dat we als land kunnen groeien en bloeien,’ vervolgt Robinson. ‘Ik hoop dat we met deze obligatieovereenkomst een stap terug kunnen doen en kritisch nadenken over onze toekomst. Wat voor soort ontwikkeling willen we doormaken?’
Natuurrampen kunnen volgens nieuw onderzoek leiden tot een toename van autocratieën. De vrees bestaat dat de klimaatcrisis dit alleen maar zal verergeren, aldus The Guardian.
Het onderzoek, dat deze maand is gepubliceerd in het Journal of Development Economics, onderzocht gegevens van 47 kleine eilandstaten, onder meer in de Stille Oceaan, Zuidoost-Azië en het Caribisch gebied, van 1950-2020. Zo werd het verband geschat tussen extreme weersomstandigheden, zoals cyclonen en zware stormen, en de mate van democratie in een land.
Mehmet Ulubaşoğlu, hoogleraar economie aan de Australische Deakin University, is een van de coauteurs van het rapport. ‘Na een natuurramp is er vaak sprake van een soort wederzijds overeengekomen onderdrukking, tussen de regering en de bevolking. De regering komt tussenbeide om hulp te bieden, maar ziet dit ook als een kans politieke en burgerlijke vrijheden te beperken.’
Tegen de tijd dat je begint te herstellen van de storm is er weer een nieuwe storm en begint het opnieuw
De onderzoekers geven aan dat hun bevindingen tot op zekere hoogte verklaren waarom stormgevoelige kleine eilandlanden over de hele wereld, zoals Haïti, Fiji en de Filippijnen, lange tijd politiek onderdrukt zijn gebleven. Ulubaşoğlu: ‘Je kunt niet echt je hoofd omhoog houden als burgers, want tegen de tijd dat je begint te herstellen van de storm is er weer een nieuwe storm en begint het opnieuw.’
De situatie kan verergeren door de klimaatcrisis. ‘Er gaan mensenlevens en eigendommen verloren, de infrastructuur wordt aangetast, maar deze schokken treffen ook het politieke systeem. Dat is de overkoepelende les hier.‘
De inzet van het leger in de nasleep van een natuurramp vaak dient om de democratische praktijken in de landen uit te hollen, aldus Ulubaşoğlu. ‘Het leger is uiteraard getraind voor deze noodsituaties en veel landen over de hele wereld zet hun leger in bij rampen. Maar de vraag is hoe je ze na de rampen weer terug naar hun kazernes krijgt. Deze stormautocraten lijken dit rampenmilitarisme naar een hoger niveau te tillen.’
Data zijn de grootste schat van de digitale samenleving. Ze worden opgeslagen in gigantische serverfarms. Wat particuliere ondernemingen ermee doen bedreigt niet alleen het milieu, maar ook de democratie.
Wie inzicht wil krijgen in de problemen van de toekomst, de bedreiging van de democratie en het controleren van burgers, hoeft maar te kijken naar de toekomststad die architectenbureau Snøhetta momenteel in Noorwegen plant. Op het eerste gezicht lijkt het ontwerp geenszins problematisch, integendeel. Uit de nevel doemt een reusachtig gebouw op dat enigszins doet denken aan de beroemde Neue Nationalgalerie in Berlijn, alleen lijken de pilaren in dit ontwerp op berkenstammen. Door een moerassig landschap loopt iemand op het gebouw af. Alles is groen en idyllisch. Het gigantische gebouw zelf is een serverpark, een datacentrum. Snøhetta ontwierp het voor het Nokia-concern, vastgoedontwikkelaar Miris en twee Scandinavische bouwbedrijven. Het geheel heet The Spark, en voor het eerst moet een datacentrum het centrum van een kleine stad worden en een paar woonwijken voorzien van de enorme warmte die bij het koelen van de servers als afvalproduct vrijkomt. De serverfarm vormt ‘zowel het lichaam als de hersenen’ van de nieuwe stad, jubelen de architecten. Boven op de hersenen groeien groenten en waterlelies: op het openbare dakterras komen een contemplatieve zenvijver en bloemperken. Op deze manier moet ‘de menselijke factor in ons gedigitaliseerde, door smartphones beheerste leven, worden teruggebracht’, aldus de architecten.
Dat in de serverracks in de eerste plaats de problemen worden gefabriceerd – dankzij manipulatie op basis van data die gebruikers van mobiele telefoons opzettelijk verslaafd maken – waarvan het omhulsel van The Spark hen daarboven met vijver en wortelen wil genezen, is slechts een van de vele paradoxen van deze nieuwe wereld. Is het een goed idee dat burgers hun data, de basis voor participatie en politiek in het digitale tijdperk, afstaan aan particuliere bedrijven in ruil voor gratis verwarming, een beetje zenpraat en een gratis ecowortel?
Datacentra zijn de zetel van de macht
Tot dusver toonde het publiek weinig belangstelling voor datacentra. Toch zijn deze voor het digitale tijdperk wat het kasteel was voor de middeleeuwen: de zetel van de macht. In de moderne consumptiemaatschappij draaide het om de kantoortorens van de grote concerns; de wolkenkrabbers van Woolworth en Chrysler waren al van veraf te zien, als uitroeptekens achter de verkondiging wie het in het kapitalisme voor het zeggen had. De huidige digitale revolutie verandert alles radicaler dan ooit, de invloed van digitale concerns op de economie en de politiek is overduidelijk, maar deze verschuivingen hebben zich nog niet afgetekend in de steden. Verscholen, op het platteland of aan stadsranden maakt de bouw van datacentra echter een bliksemsnelle groei door: in 2019 waren er alleen al in de Verenigde Staten ruim 3 miljoen datacentra en meer dan 500 hyperscalers; extreem grote datacentra.
Dat de centra liever onzichtbaar bleven heeft vele redenen. Een daarvan is de milieuvervuiling die wordt veroorzaakt door het immateriële internet en zijn luchtige clouds. Datacentra verbruiken ondanks alle inspanningen om klimaatneutraal te worden namelijk nog steeds buitensporige hoeveelheden energie. Het internet brengt nu al meer schade toe aan het milieu dan alle luchtverkeer. Als het wereldwijde web een land was, zou het wat betreft elektriciteitsverbruik en de uitstoot van klimaatgassen meteen na de Verenigde Staten en China komen. Vooral servers en datacentra verbruiken enorme hoeveelheden: in Europa is hun energiebehoefte tussen 2010 en 2020 met 55 procent gestegen tot 87 terawattuur. 2 procent van alle broeikasgasemissies in de wereld is uitsluitend toe te schrijven aan serverfarms, 8 procent van de wereldwijd geproduceerde elektriciteit gaat naar het transport van data op eindapparaten.
Volgens het klimaatrapport van Frankfurt zal de stad zijn energiedoelstellingen niet halen vanwege de elektriciteitsvraag van zijn servers. In 2020 hebben de serverfarms in Frankfurt 60 procent meer elektriciteit verbruikt dan alle 400.000 huishoudens in de stad, en die hoeveelheid loopt nog op. Hoe groter de hoeveelheid data die nodig zijn voor Big Data, cloudcomputing en kunstmatige intelligentie, hoe gigantischer de opslagbehoefte. Steeds meer kleine en middelgrote bedrijven slaan hun data elders op, grote bedrijven bouwen de hardware zelf. De grootste hyperscaler is Amazon Web Service (AWS). Dit cloudplatform levert een forse bijdrage aan Amazons bedrijfsresultaat, méér dan de pakketverzending: ongeveer twee derde van Amazons beurswaarde is te danken aan AWS. De op een na grootste hyperscaler is Azure (Microsoft), Google volgt op de derde plaats.
Collectieve schat
Digitale concerns verzamelen niet alleen de data van hun gebruikers, ze bouwen ook de raffinaderijen waar ze worden opgeslagen en geanalyseerd en behandelen deze data in de streng beveiligde faciliteiten als hun privé-eigendom. Dat is niet probleemloos, alleen al omdat op deze manier het digitale gedrag van burgers wordt voorspeld en gemanipuleerd. En aangezien deze ondernemingen bijna allemaal in de Verenigde Staten of in China zijn gevestigd, staat niet alleen de technologische, maar ook de economische en politieke soevereiniteit van Europa op het spel.
Het feit dat data de brandstof en de grootste economische schat van het digitale informatietijdperk zijn, staat in schril contrast met de naïviteit waarmee gewone burgers uit gemakzucht op de ‘accepteer alles’-optie klikken en zo hun gegevens prijsgeven. Toch hebben veel onderzoekers indrukwekkend beschreven hoe mensen kunnen worden gemanipuleerd op basis van de analyse van gedragsgegevens, hoe algoritmes raciale vooroordelen en sociale ongelijkheid vergroten en helpen bij de verspreiding van nepnieuws. In haar studie Dirty Data, Bad Predictions beschrijft Rashida Richardson hoe in de Verenigde Staten zelfs politiebureaus die zich schuldig hebben gemaakt aan ‘vooringenomen racistische of anderszins illegale’ praktijken data blijven verstrekken voor de ontwikkeling van nieuwe geautomatiseerde systemen die agenten ondersteunen in hun werk. Datamisbruik kan fatale, zelfs dodelijke gevolgen hebben. Uit een onderzoek van Berkeley bleek dat algoritmes in de Verenigde Staten Latino’s en mensen uit zwarte gemeenschappen bij voorbaat afkeuren wanneer zij zich aanmelden voor een leegkomende woning. Naar verluidt zijn er onder hen namelijk meer wanbetalers.
Als data de grootste collectieve schat van een digitale samenleving zijn – goud, olie, de grondstof van de eenentwintigste eeuw, het basismateriaal voor bedrijfsleven en politiek – en het bezit ervan de waarborg is voor democratie en transparantie, moeten ze dan niet worden behandeld als gemeengoed, als deel van de openbare infrastructuur? Als we niet willen dat de gezondheidszorg van burgers in de toekomst wordt overgenomen door Google-werknemers en het vervoer door Uber – en dat de enorme winsten van beide bedrijven richting de Verenigde Staten stromen – hebben we regulering nodig van het tot nu toe wildwestachtige wegvloeien van data, en hebben we instellingen nodig die de digitale soevereiniteit van Europa (en, net zo belangrijk, van Afrika) kunnen garanderen ten opzichte van Amerikaanse en Chinese concerns: Europa’s eigen techbedrijven, meer kwantumcomputers, betere algoritmes én datacentra die deel uitmaken van de openbare infrastructuur.
In zijn essay Big data for the people: it’s time to take it back from our tech overlords pleit Ben Tarnoff ervoor dat de maatschappij, en niet de industrie, bepaalt of en hoe haar hulpbronnen worden gebruikt – big data vormen daarop geen uitzondering. Het zou voldoende zijn om data publiek goed te noemen. Bedrijven kunnen doorgaan met het verfijnen ervan en worden betaald om ze te analyseren, maar op onze voorwaarden en ‘ten behoeve van ons welzijn’. Maar wie definieert dit ‘welzijn’? Wie bepaalt of de analyse van persoonsgegevens voor een gezondheidsapp in het belang is van het ‘welzijn’ van de gebruiker (zoals de providers zouden beweren) dan wel dient om hem bang te maken en ertoe aan te zetten meer producten en apps te kopen die de gezondheid helpen verbeteren en zo de kassa’s van diezelfde providers te vullen? De staat? De burger? Vooral inwoners van het mondiale zuiden moeten de soevereiniteit over hun data veiligstellen en deze ‘nationaliseren’, betoogt Ulises Ali Mejias, directeur van het Institute for Global Engagement aan de State University van New York. Niet alleen olie, kostbare aardmetalen en grondstoffen, maar ook data worden daar op grote schaal gewonnen door westerse en Chinese concerns: er is sprake van een nieuw datakolonialisme.
In tijden van datakapitalisme is een openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid
Alleen al daarom is er dringend behoefte aan een publieke plaats waar zichtbaar wordt hoe sterk gegevensopslag en macht met elkaar verweven zijn, hoe groot het gevaar is de controle te verliezen en hoe belangrijk het is om de data niet te verzamelen op de servers van grote particuliere ondernemingen, maar decentraal in handen van burgers te leggen. Alleen op die manier is een nieuwe rol voor burgers mogelijk, een nieuwe rijkdom voor iedereen. Maar hoe zou deze publieke plaats er dan uit kunnen zien?
Het is de taak van de staat om iets nieuws te bouwen dat alle onbegrijpelijke technologieën die meer dan wat ook een stempel drukken op het leven, zichtbaar en begrijpelijk maakt: een hybride gebouw bestaande uit een datacentrum, bibliotheek en museum van de toekomst, een nieuwe onderwijsinstelling waar de gehele bevolking, scholieren en politici kunnen leren hoe gevaarlijk het heersende bedrijfsmodel van het digitale kapitalisme is voor democratie en zelfbeschikking. Deze openbare serverfarm zou programmeerscholen, tentoonstellingsruimten en onderzoeksfaciliteiten kunnen huisvesten en eveneens een centrum kunnen zijn voor digitale soevereiniteit. Ook in kleinere steden en dorpen zouden lokale gedecentraliseerde servers nieuwe openbare plaatsen kunnen worden, zoals gemeenschapshuizen, dorpsscholen en bibliotheken dat ooit waren.
De enorme hitte die vrijkomt bij het koelen van de data zou ook hier de basis kunnen vormen voor een volledig nieuwe openbare – en niet, zoals bij The Spark, particulier geëxploiteerde – architectuur: bibliotheken, sporthallen, kassen, zwembaden, een collectieve dorpshuiskamer, overkoepelde tropische altijd groene woongebieden. In tijden van datakapitalisme zou zo’n openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid zijn, zoals het stadhuis dat ooit was als tegenwicht voor het kasteel van de feodale heer; een schatkamer van het digitale tijdperk waarin data als collectief eigendom, als ‘publiek goed’ worden beschouwd.
Deze tekst is een fragment uit het boek van Niklas Maak: Servermanifest Architectur der Aufklärung: Data Centra als Politik-maschinen. Met een voorwoord van Francesca Bria. Hatje Cantz Verlag, 112 blz. met vele afbeeldingen, € 17,99. Het boek is op 13 juni 2022 verschenen.
Er wordt gesproken over compensaties voor arme landen
In Egypte is zondag de VN-klimaattop COP27 van start gegaan. Vertegenwoordigers uit bijna tweehonderd landen, ngo’s en lobbyisten praten de komende dagen over wat landen gaan doen om de klimaatverandering en de opwarming van de aarde de komende decennia het hoofd te bieden, schrijft persbureau Reuters.
Een van de belangrijkste agendapunten is de compensatieregeling voor arme landen. Volgens veel landen in Zuidoost-Azië en Afrika hebben zij veel meer te lijden onder de klimaatverandering, terwijl zij er veel minder aan hebben bijgedragen dan de veel meer geïndustrialiseerde rijke landen. Vorig jaar, op de COP26 in het Schotse Glasgow, was zo’n regeling nog onbespreekbaar voor veel rijke landen.
Sceptici en klimaatactivisten beweren dat de COP27 slechts een momentopname is waarop rijke landen zich kunnen presenteren als pleitbezorger voor een schonere wereld, terwijl deze landen in werkelijkheid maar weinig zouden doen om de opwarming van de aarde tegen te gaan. Zo zou er maar weinig terechtkomen van het terugdringen van de uitstoot van fossiele brandstoffen en krijgen ontwikkelingslanden nog altijd te weinig steun van rijkere landen om hun economieën te verduurzamen.
De Egyptische regering is bezig met ingrijpende stadsvernieuwingsprojecten in Caïro, en daarvoor worden tot woede van de inwoners honderden ficussen, acacia’s en palmbomen gekapt, aldus Middle East Monitor. Door verschillende historische wijken worden snelwegen aangelegd. Eind september is begonnen om Lotus, een openbaar park in buitenwijk Madinet Nasr, te verwijderen. Er komt een parkeerplaats voor terug.
Bij de vernietiging van al deze groene gebieden heeft geen enkel overleg met de bewoners plaatsgevonden
Tussen augustus 2019 en januari 2020 verloor de wijk Heliopolis bijna 400.000 vierkante meter aan groen, een oppervlakte van meer dan vijftig voetbalvelden. Experts en bewoners zijn bezorgd over het milieu omdat de bomen hielpen de luchtvervuiling te verminderen en de temperaturen in de stad te verlagen. Bij de vernietiging van al deze groene gebieden heeft geen enkel overleg met de bewoners plaatsgevonden.
Alle ruimte wordt vrijgemaakt voor nieuwe snelwegen die worden aan-gelegd naar het prestigeproject van president Abdul Fatah al-Sisi: de nieuwe administratieve hoofdstad. Alleen al de snelwegen hebben naar verluidt zo’n 450 miljoen euro gekost.
‘Poetin gebruikt etnische minderheden’
Russische slachtoffers van de oorlog in Oekraïne vallen voornamelijk onder minderheden die door Poetin zijn gemobiliseerd, aldus Victoria Maladaeva van de ngo Free Buryatia Foundation (FBF), een belangenvereniging van tegenstanders van de oorlog uit de autonome Russische republiek Boerjatië in Siberië, bericht Al Jazeera.
Volgens Maladaeva noemt Poetin zichzelf een nationalist, ‘hij praat altijd over hoe geweldig de Russische cultuur en de Russische taal zijn, maar ontkent dat er meer dan 20 miljoen mensen van andere nationaliteiten in Rusland zijn’. Uit onderzoek van FBF zou zelfs ‘etnische genocide’ blijken. ‘Statistisch gezien hebben Dagestan, de autonome republiek Toeva en de republiek Boerjatië, waar minderheden wonen, het hoogste dodental.’
Moskou, met 17 miljoen inwoners, telt krap 50 slachtoffers. Boerjatië, 980.000 inwoners, al 364. ‘De kans dat een Boerjaat sterft in de oorlog is 7,8 keer groter dan die voor een etnische Rus; voor een Toevaan is dat 10,4 keer.’
Rapapawn
De animatiestudio Rapapawn van Óscar Raña en Cynthia Alfonso ontstond in 2017 als experiment: ‘om te kijken of we onze tekeningen konden laten bewegen’. Dat is gelukt, bewijzen de vele grote projecten waaraan de studio de afgelopen tijd heeft meegedaan. Improvisatie en intuïtie zijn fundamenteel in hun werkwijze. Het duo begint zonder aanvankelijk plan maar laat ‘de dingen gaandeweg vorm krijgen, zonder wiskundige formule’. De videoclip voor Mundo Prestigio’s La Maison du Bonheur – een abstracte film waarin vormen op muziek in elkaar overgaan – was de eerste keer dat ze digitaal ‘risograaf-effecten’ toepasten, een duurzame druktechniek die intense kleuren oplevert.
Vastgelijmd aan een dinosaurus
Ook in Duitsland roeren activisten zich op openbare plekken: in het Berlijnse Natuurhistorisch Museum lijmden twee klimaatactivisten zich op de laatste zondag van oktober vast aan de steunbalken van het skelet van een dinosaurus, schrijft Freie Presse. Daarop waarschuwde het museum de politie. Tegen de twee vrouwen van 34 en 42 jaar zijn aanklachten ingediend voor huisvredebreuk en schade aan eigendommen. De vrouwen, gehuld in oranje vesten, hadden een spandoek bij zich met de tekst: ‘Wat betekent het als de regering dit niet aankan?’
In een reactie zei de protestgroep Letzte Generation: ‘Net als de dinosauriërs destijds worden wij bedreigd door klimaatveranderingen waartegen we niet bestand zijn. Als we niet willen uitsterven, moeten we nu handelen.’ In Groot-Brittannië en Nederland zorgen klimaatactivisten eveneens voor controverse met hun acties.
De Brug van Salvini. En Berlusconi. En Mussolini.
Wat heeft extreemrechts in Italië toch met een brug naar Sicilië? Na Mussolini en Berlusconi gaat Matteo Salvini het nu proberen, schrijft The Guardian. Net geïnstalleerd als minister van Infrastructuur in de extreemrechtse regering van Giorgia Meloni, heeft hij het even oude als controversiële plan afgestoft om een gigantische, miljarden kostende brug te bouwen tussen Sicilië en het vasteland, ondanks dat het project door allerlei voorgangers is verworpen vanwege hoge kosten, milieu-effecten, technische onuitvoerbaarheid en dergelijke.
De bouw van de brug zou zo’n 100.000 nieuwe banen opleveren
Tegen staatsomroep RAI zei Salvini op 25 oktober: ‘Een van mijn doelstellingen is de komende vijf jaar werkzaamheden te starten voor de bouw van il ponte sullo Stretto di Messina,’ ofwel: de brug over de Straat van Messina. ‘De vervuiling en het tijdverlies door het transport met veerboten, kost mensen in een jaar meer dan het zou kosten om de brug te bouwen,’ meent hij. Bovendien zou de bouw van de brug zo’n 100.000 nieuwe banen opleveren.
Waarschijnlijk waren de oude Romeinen de enigen wie het ooit lukte een verbinding over de Stretto aan te leggen. Plinius de Oudere schreef althans dat in 251 voor Christus een brug van boten en vaten werd gebouwd om 140 olifanten die de Romeinen tijdens de Eerste Punische Oorlog hadden buitgemaakt op de Carthagers, van Sicilië naar Rome te vervoeren. Bijna 2000 jaar later droomde de Italiaanse dictator Benito Mussolini van een brug, maar hij kreeg het niet voor elkaar. Silvio Berlusconi wist in de jaren negentig gedeeltelijke financiering uit Brussel voor een project van 6 miljard euro binnen te halen, maar zijn opvolger Romano Prodi stopte het project. Heel verstandig, zo blijkt, want wetenschappers hebben vorig jaar op de zeebodem een breuk gelokaliseerd die in 1908 voor een verwoestende aardbeving zorgde met 120.000 slachtoffers – de grootste seismische ramp van de twintigste eeuw. Precies op die plek staat de brug van Salvini gepland.
Israëlische zorgen om extreemrechts in Zweden
De extreemrechtse partij Zweden Democraten kreeg bij de verkiezingen vorige maand ruim 20 procent van de stemmen en speelt nu een sleutelrol in de nieuwe Zweedse regering, want de minderheidscoalitie van de Middenpartij, de liberalen en de christendemocraten is afhankelijk van hun steun, schrijft Haaretz. En dat kan problematisch worden voor de betrekkingen met Israël: vorig jaar maakte Ziv Nevo Kulman, de Israëlische ambassadeur in Zweden, namelijk al duidelijk dat Israël geen betrekkingen wenst te onderhouden met partijen die ‘wortels hebben in het nazisme’.
De Zweden Democraten – opgericht in 1988 en in Zweden momenteel de op een na grootste partij na de sociaaldemocraten – zijn ontstaan in extreemrechtse en neonazistische kringen. Sinds de partij populair is geworden probeert zij die wortels te verbergen door zichzelf ‘nationalistisch en sociaal-conservatief’ te noemen. Dat neemt echter niet weg dat hoge partijfunctionaris Björn Söder twijfels uitte over de ware ‘Zweedsheid’ van de naar schatting 20.000 leden tellende Joodse gemeenschap in het land. En een lokale politica van de partij, Gunilla Wassénius, ondertekende een petitie waarin wordt beweerd dat Zweden is geïnfiltreerd door zionistische belangen die aansturen op een genocide op blanken. En dan was er nog mediaster en gekozen partijlid Rebecka Fallenkvist, die Anne Frank in een Instagrambericht ‘immoreel’ en ‘de geilheid zelve’ noemde. De Israëlische ambassade in Stockholm zegt dat ‘Israël uitstekende relaties heeft met veel leden van de nieuwe regering’ maar: ‘we zijn bezorgd over de opkomst van extreemrechts’.
Temperaturen in Europa stijgen harder dan elders in de wereld
Waar temperaturen wereldwijd omhoog gaan, zijn ze de afgelopen decennia vooral hard gestegen in Europa. Dat schrijft Deutsche Welle op basis van een rapport van de Wereld Meteorologische Organisatie (WMO), een onderzoeksorganisatie gelieerd aan de VN. Ondanks dat Europa de uitstoot van broeikasgassen aanzienlijk heeft verminderd, is de temperatuur op het continent in de afgelopen dertig jaar twee keer zo hard gestegen als elders in de wereld.
Volgens de WMO stegen de temperaturen in Europa tussen 1991 en 2021 gemiddeld met 0,5 °C per decennium. Gletsjers in de Alpen zouden in dezelfde periode ruim dertig meter aan dikte hebben verloren door de opgelopen temperaturen. De organisatie wijst erop dat de extreme hittegolven van de afgelopen jaren de komende jaren nóg vaker kunnen gaan voorkomen.
Tussen 1990 en 2020 wisten EU-landen de uitstoot van broeikasgassen wél drastisch te verminderen: met 31 procent, volgens het WMO-rapport. ‘Europa kan een sleutelrol spelen om tegen het midden van de eeuw een koolstofneutrale samenleving tot stand te brengen en zo de Overeenkomst van Parijs na te leven,’ zei secretaris-generaal van de WMO Petteri Taalas bij de presentatie van het rapport.
Wereldwijd meer investeringen in groene alternatieven
‘Hoewel sommige landen dit jaar meer kolen verbranden als reactie op aardgastekorten door de inval van Rusland in Oekraïne, zal dat effect naar verwachting van korte duur zijn’, schrijft The New York Times. De energiecrisis als gevolg van oorlog in Oekraïne zal de wereldwijde overgang van fossiele brandstoffen naar schonere technologieën als wind, zon en elektrische voertuigen waarschijnlijk eerder versnellen dan vertragen. Die conclusie trekt het Internationaal Energieagentschap (IEA) in zijn jaarlijkse World Energy Outlook, een rapport van 524 bladzijden dat de wereldwijde energietrends tot 2050 voorspelt.
Een belangrijke reden is dat veel landen dit jaar op de stijgende prijzen voor fossiele brandstoffen hebben gereageerd door de inzet voor groene alternatieven te vergroten. In de Verenigde Staten heeft het Congres in het kader van de recente Inflation Reduction Act meer dan 370 miljard dollar aan uitgaven voor CO2-besparende technologieën goedgekeurd. Japan werkt aan een nieuw programma voor ‘groene transformatie’, waarmee onder andere kernenergie en waterstof kunnen worden gefinancierd. Zowel China als India en Zuid-Korea heeft zijn nationale doelstellingen voor hernieuwbare energie en kernenergie verhoogd.
Toch vindt de verschuiving naar schonere energiebronnen niet snel genoeg plaats om enkele van de meest ernstige en onomkeerbare risico’s van klimaatverandering, zoals grootschalige misoogsten of instorting van ecosystemen, te voorkomen, aldus het agentschap. Op basis van het huidige beleid wordt verwacht dat het wereldwijde gebruik van steenkool de komende jaren begint af te nemen. Ook zal de vraag naar aardgas tegen het einde van dit decennium een hoogtepunt bereiken en het gebruik van olie zal tegen het midden van de jaren 2030 afvlakken, verwacht het IAE.
Nu de klimaatverandering de Golfregio heter en droger maakt, nemen de Verenigde Arabische Emiraten het voortouw bij pogingen om meer water uit wolken te persen. Andere landen haasten zich om bij te blijven en het eveneens op commando te laten regenen.
Iran maakte zich al jaren zorgen over andere landen die een van hun vitale waterbronnen zouden roven. Dat bleek niet te gaan over een stuwdam stroomopwaarts, of een aquifer (een waterhoudende grondlaag) die werd afgetapt. In 2018, tijdens een verzengende droogte en stijgende temperaturen, concludeerden enkele hoge ambtenaren dat iemand water uit hun wolken aan het stelen was.
‘Zowel Israël als een ander land is bezig om de Iraanse wolken niet te laten regenen,’ zei brigadegeneraal Gholam Reza Jalali, een hoge functionaris in de machtige Revolutionaire Garde, tijdens een toespraak in 2018.
Het niet bij naam genoemde land was de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Dat was begonnen met een ambitieus programma rondom cloud seeding, waarbij chemicaliën in wolken worden geïnjecteerd in een poging neerslag te forceren. De verdenkingen van Iran zijn niet verrassend, gezien de spanningen tussen de meeste landen rond de Perzische Golf, maar het echte doel van de VAE was niet om water te stelen, maar gewoon om het te laten regenen op uitgedroogde gebieden.
Wanhopig op zoek
Terwijl het Midden-Oosten en Noord-Afrika langzaam uitdrogen, zijn landen in de regio een wedloop begonnen om chemicaliën en technieken te ontwikkelen die hen hopelijk in staat zullen stellen regendruppels te persen uit wolken die anders vruchteloos boven hun hoofd blijven zweven. In twaalf van de negentien landen in de regio valt gemiddeld minder dan 25 centimeter neerslag per jaar; dat is een daling van 20 procent in de afgelopen dertig jaar. De regeringen van deze landen zijn wanhopig op zoek naar extra zoet water, en cloud seeding wordt door velen gezien als een snelle manier om het probleem aan te pakken.
Rijke landen zoals de Emiraten investeren honderden miljoenen dollars in deze pogingen. Andere landen sluiten zich aan bij de wedloop, in de hoop hun deel van de regenval niet mis te lopen doordat anderen de hemel al hebben drooggelegd. Dit alles vindt plaats ondanks de terechte vraag of de techniek wel voldoende regenval genereert om de moeite en de kosten te legitimeren.
Marokko en Ethiopië hebben programma’s voor cloud seeding, evenals Iran. Saoedi-Arabië is onlangs met een grootschalig programma begonnen en een zestal andere landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika overweegt eveneens om van de techniek gebruik te maken.
Het land probeert wolken te laten regenen boven de Yangtze-rivier, die op sommige plaatsen opdroogt
China heeft het meest ambitieuze programma ter wereld, met als doel ofwel regen te stimuleren ofwel de hagel in de helft van het land een halt toe te roepen. Het land probeert wolken te laten regenen boven de Yangtze-rivier, die op sommige plaatsen opdroogt.
Hoewel het idee achter cloud seeding al 25 jaar bestaat, zeggen deskundigen dat de werking ervan nog steeds moet worden bewezen. De zorgen dat één land wolken zou kunnen droogmaken ten koste van andere, verderop gelegen landen, worden door hen verworpen.
De levensduur van een wolk
De levensduur van een wolk, in het bijzonder de cumulus (stapelwolk), die het meest waarschijnlijk regen produceert, is zelden langer dan een paar uur, zeggen atmosferische wetenschappers. Soms houden wolken langer stand, maar zelden lang genoeg om een ander land te bereiken, ook niet in de Perzische Golf, waar zeven landen dicht bij elkaar liggen. Maar verschillende landen in het Midden-Oosten wuiven de twijfels van de experts weg en gaan door met hun plannen om zo veel mogelijk druppels uit de vaak wat zuinige wolken te persen.
Tegenwoordig is de VAE de onbetwiste leider in de regio. Al in de jaren negentig erkende de heersende familie van het land dat het bezit van een overvloedige watervoorziening net zo belangrijk is om de status van het land als financieel en zakelijk centrum aan de Perzische Golf te kunnen behouden als de enorme olie- en gasreserves. In 1960, toen er nog geen honderdduizend mensen woonden, was er genoeg water om de bevolking van het kleine land te onderhouden. Maar de bevolking groeide en bedroeg in 2020 bijna tien miljoen inwoners. Ook de vraag naar water steeg. De inwoners van de Emiraten gebruiken nu ruwweg 557 liter per persoon per dag, vergeleken met een wereldgemiddelde van 177 liter, aldus een onderzoek in 2021 dat door de VAE werd gefinancierd.
Als er meerdere potentieel regen dragende wolken worden gesignaleerd, stuurt het centrum meer dan één vliegtuig de lucht in
Momenteel voldoen ontziltingsinstallaties aan de vraag. Maar de bouw van zo‘n installatie kost 1 miljard dollar of meer en vereist enorme hoeveelheden energie om te kunnen draaien, vooral vergeleken met cloud seeding, aldus Abdulla Al Mandous, directeur van het Nationaal Centrum voor Meteorologie en Seismologie in de Emiraten en leider van het cloud seeding-programma. Na twintig jaar van onderzoek en experimenten voert het centrum zijn cloud seeding-programma uit op basis van bijna militair aandoende protocollen. Met roulerende diensten staan negen piloten stand-by, klaar om de lucht in te gaan zodra meteorologen in de bergachtige gebieden van het land een beloftevolle wolkenformatie zien – idealiter van wolken die kunnen opbouwen tot een hoogte van 12.500 meter.
Aangezien veelbelovende wolken in het Midden-Oosten niet zo gebruikelijk zijn als in veel andere delen van de wereld, moeten de piloten elk moment klaarstaan. ‘We zijn 24 uur per dag beschikbaar. We wonen op dertig tot veertig minuten van de luchthaven en vanaf het moment dat we hier aankomen duurt het 25 minuten voordat we in de lucht zijn,’ zegt kapitein Mark Newman, een ervaren cloud seeding-piloot uit Zuid-Afrika. Als er meerdere potentieel regen dragende wolken worden gesignaleerd, stuurt het centrum meer dan één vliegtuig de lucht in.
Twee middelen
De VAE passen twee middelen toe om aan regen te komen: het traditioneel gebruikte zilverjodide en een nieuwe gepatenteerde stof die is ontwikkeld aan de Khalifa-universiteit in Abu Dhabi en waarvoor gebruik is gemaakt van nanotechnologie. Volgens onderzoekers van de universiteit is die stof beter aangepast aan de hete, droge omstandigheden in de Perzische Golf. De piloten injecteren het materiaal in de basis van de wolk, waardoor krachtige opwaartse luchtstromen de wolk tienduizenden meters omhoog kunnen stuwen.
In theorie bindt het ingespoten materiaal, dat bestaat uit hygroscopische (water aantrekkende) moleculen, zich aan de deeltjes waterdamp waaruit een wolk is opgebouwd. De gecombineerde deeltjes worden iets groter en trekken op hun beurt meer deeltjes waterdamp aan, totdat er druppels ontstaan die uiteindelijk zwaar genoeg zijn om neer te kunnen vallen als regen. En dat zonder dat het geïnjecteerde materiaal merkbare gevolgen heeft voor het milieu, aldus de wetenschappers.
Dat is de theorie. Maar in de wetenschappelijke wereld twijfelen veel mensen aan de doeltreffendheid van cloud seeding in het algemeen. Een groot struikelblok voor veel atmosferische wetenschappers is de moeilijkheid, of misschien zelfs wel de onmogelijkheid, om een nettotoename van de regenval vast te stellen. ‘Het probleem is dat als je eenmaal bent gaan injecteren, je niet kunt zeggen of de wolk anders ook zou hebben geregend,’ zegt Alan Robock, atmosferisch wetenschapper aan de Rutgers-universiteit in New Jersey en expert in het evalueren van klimaattechnische strategieën.
Israël, een pionier op het gebied van cloud seeding, stopte in 2021 na vijftig jaar met zijn programma
Een ander probleem is dat de hoge cumuluswolken die ’s zomers het meest voorkomen in en rond de Emiraten, zo turbulent kunnen zijn dat het moeilijk is om te bepalen of het injecteren enig effect heeft, zegt Roy Rasmussen, senior wetenschapper en expert op het gebied van wolkenfysica aan het National Center for Atmospheric Research in Boulder, Colorado.
Israël, een pionier op het gebied van cloud seeding, stopte in 2021 na vijftig jaar met zijn programma, omdat het in het beste geval slechts een marginale toename van neerslag leek op te leveren. Het was ‘economisch niet efficiënt’, zegt Pinhas Alpert, emeritus hoogleraar aan de Universiteit van Tel Aviv, die een van de uitgebreidste studies van het programma heeft uitgevoerd.
1947
De eerste experimenten met cloud seeding begonnen in 1947, toen wetenschappers van General Electric in het kader van een militair contract zochten naar manieren om vliegtuigen bij koud weer ijsvrij te maken, en om mist te creëren om troepenbewegingen aan het oog te onttrekken. Sommige van de gebruikte technieken werden later in Vietnam ingezet om het moessonseizoen te verlengen, in een poging het de Noord-Vietnamezen moeilijker te maken hun troepen te bevoorraden.
Hoewel de onderliggende wetenschap van cloud seeding rechttoe-rechtaan oogt, zijn er in de praktijk talloze problemen. Zo hebben niet alle wolken het potentieel om regen te produceren, maar ook een wolk die geschikt lijkt voor cloud seeding kan onvoldoende vocht bevatten. Een ander probleem is dat regendruppels in een warm klimaat kunnen verdampen voordat ze de grond bereiken.
Soms kan het effect van cloud seeding groter zijn dan verwacht, waardoor er te veel regen of sneeuw valt. Of de wind kan draaien en de wolken wegvoeren van het gebied waar cloud seeding plaatsvond, waardoor er mogelijk ‘onbedoelde gevolgen’ ontstaan, aldus een verklaring van de American Meteorological Society.
‘Je kunt een wolk veranderen, maar je kunt hem niet vertellen wat hij moet doen nadat je hem veranderd hebt,’ zegt James Fleming, atmosferisch wetenschapper en wetenschapshistoricus aan Colby College in Maine. ‘Hij kan sneeuw opleveren; de neerslag kan verstrooid raken. Hij zou stroomafwaarts kunnen gaan; hij zou een storm in Boston kunnen veroorzaken,’ zegt hij, verwijzend naar een cloud seeding-experiment van jaren geleden boven Mount Greylock in de Berkshire Mountains, in het westen van Massachusetts.
Dit lijkt ook in de Emiraten te zijn gebeurd in de zomer van 2019, toen cloud seeding waarschijnlijk zulke zware regens in Dubai had gegenereerd dat er water moest worden weggepompt uit overstroomde woonwijken en een luxueus winkelcentrum.
Ondanks de bestaande problemen met het verzamelen van gegevens over de doeltreffendheid van cloud seeding zegt Al Mandous dat de methoden van de Emiraten ten minste 5 procent meer regen per jaar opleveren, en hoogstwaarschijnlijk nog veel meer. Maar hij erkent dat er gegevens over veel meer jaren nodig zijn om de wetenschappelijke gemeenschap tevreden te kunnen stellen.
Tijdens het afgelopen nieuwjaarsweekend, aldus Al Mandous, viel cloud seedingsamen met een storm die in drie dagen zo’n 14 centimeter regen produceerde – dat is meer neerslag dan de VAE doorgaans in een jaar ondervindt.
Zoals het hoort in de traditie van al die wetenschappers die hebben geprobeerd het weer te veranderen, is hij altijd optimistisch. Er is inmiddels een nieuwe nanosubstantie ontwikkeld, en als de Emiraten gewoon meer wolken voor cloud seeding zouden kunnen krijgen, dan zouden ze misschien meer regen voor het land kunnen genereren, zegt hij.
Maar waar zouden die extra wolken dan vandaan moeten komen?
‘Wolken maken is erg moeilijk,’ erkent hij. ‘Maar wie weet, misschien zal God ons iemand sturen die een idee heeft hoe we dat voor elkaar kunnen krijgen.’
Er is al heel lang een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Tuiniers zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels. Het aanplanten van groente en fruit is niet alleen duurzaam, het kan ook de gemeenschapszin bevorderen.
In het uiterste noorden van Duitsland leidt midden in het stadscentrum van Kappeln an der Schlei een klein straatje naar een eerder grijze dan groene idylle. Een kille stilte hangt over verlepte hortensiastruiken en kale fruitbomen, over afgeoogste tuinbedden en leeggehaalde kassen. Alles wacht hier op het voorjaar, als het eindelijk weer kiemt, geurt en zoemt. Alles wacht op het moment dat hier weer gewerkt kan worden aan een betere toekomst.
Een betere toekomst? Het idee dat tuinders een avant-garde zouden kunnen zijn en hun voorjaarsplannen relevant voor het landelijk beleid, lijkt op zo’n braaf volkstuincomplex op het eerste oog nogal vergezocht. Maar over volkstuintjes kan ook groot worden gedacht. Zo kan het samen bezig zijn sociale verdeeldheid tegengaan. Je leert er niet alleen met anderen tot democratische besluitvorming komen maar je leert ook de natuur kennen en de gevaren die haar bedreigen. Insecten en vogels vinden er hun leefgebied, bomen gaan met hun microklimatologische koeling de dreigende opwarming van de aarde tegen. En je kunt zelfs nog groter denken: de beheerders van kleine en ook grotere tuinen kunnen met zaaigoed en nieuwe inzichten bijdragen aan een duurzame landbouw. Zelfs bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) spreken experts al van een nieuwe, door tuinders geïnspireerde landbouwrevolutie.
Spitten voor utopia: al heel lang is er een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Iedereen die weleens in hobby-, school- en kasteeltuinen komt, die met landbouwwetenschappers, historici, beheerders van stadsparken, directeuren van milieuorganisaties, boeren, pedagogen en ontwikkelingsexperts praat, weet het. Zij zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels: tuinders aller landen, verenigt u!
De omheinde tuinkabouterparadijzen werden decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken
Op het complex in Kappeln weten ze al heel lang dat het aanplanten van groente en fruit de gemeenschapszin kan bevorderen. Het volkstuincomplex was 207 jaar geleden wat we tegenwoordig een sociale innovatie zouden noemen. De dominee van het stadje stelde toen aan enkele verpauperde gezinnen een stuk grond ter beschikking op het terrein van de kerk, vertelt verenigingsvoorzitter Frank Unterspann. Omdat dat stuk collectief beheerd en de pacht gezamenlijk opgebracht diende te worden, sommeerde de dominee de toekomstige gebruikers om woordvoerders te kiezen en stelde hij een overeenkomstig contract op. Duitslands oudste moestuinvereniging was een feit, en daarmee een waarborg tegen al te grote nood.
Inmiddels kent Duitsland 13.500 van zulke verenigingen, met in totaal bijna 900.000 leden. Tegenwoordig streven die niet meer naar voedselzekerheid, maar ‘zoekt iedereen er zijn eigen kleine beetje rust’, zoals Frank Unterspann dat noemt. Dansen in de meimaand, grillen en barbecueën: vanwege zulk soort rituelen werden de omheinde tuinkabouterparadijzen decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken.
Verandering
Maar dat er iets aan het veranderen is valt ook te lezen in de welig tierende, rijk geïllustreerde tuinliteratuur. Steeds vaker houden de schrijvers daarvan zich bezig met een ‘humusrevolutie’ of met ‘klimaatbeschermingsbedden’ die ‘toekomstbestendig’ moeten zijn. Naast strakke coniferen moeten er volop permaculturen, compost en terra preta te vinden zijn. In verenigingskantines wordt fel gediscussieerd over de vraag of chemische bestrijdingsmiddelen zijn toegestaan en geven de mensen elkaar tips over hoe het in de praktijk ook zonder kan. Ook in Kappeln hebben leden van het eerste uur geen Nackensteak en Rostbratwurst meer op hun grill liggen maar paprika en halloumi, en leveren ze met zakjes zaad, schoffel en gieter een bijdrage aan de oplossing van grote wereldproblemen.
Dat die wereldwijde problemen ook gevolgen hebben voor de tuinen, horen we van Sven Hannemann. Hij is parkbeheerder bij slot Sanssouci in Potsdam. In de hete zomers die ons te wachten staan moeten we onze bloemperken misschien wel laten verpieteren, zegt hij, anders zal er niet voldoende water zijn om alle bomen naar behoefte te beregenen. Daarvoor werden ook oude tappunten weer uitgegraven.
Honderden bomen hebben in de voorbije drie droge jaren schade opgelopen. Sven Hannemann houdt stil bij een eik die wortel schoot ten tijde van de Dertigjarige Oorlog. Hij schrikt bij de aanblik van de diepe groeven die een schadelijk insect in de schors heeft gemaakt: ‘Als het niet zo droog was geweest, zou de boom zich hebben kunnen verdedigen,’ zegt de parkbeheerder bezorgd. ‘Nu zal hij waarschijnlijk niet lang meer te leven hebben.’
Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden?
Wandelend door de lanen en velden van zijn slotpark wijst Hannemann nu eens links op rode beuken met te lichte kronen, dan weer rechts op sparren met bruine takken, en vóór zich op boomgroepen waarin bepaalde exemplaren gekortwiekt moeten worden. Zulke decimeringen slaan harde wonden in de door tuinarchitecten als Peter Joseph Lenné zo weloverwogen vormgegeven landschappen en zichtassen.
Daarom maken de tuinarchitecten van het Fürstlich Greizer-park en het Slotpark Nymphenburg zich al net zoveel zorgen als hun collega’s in Potsdam. Hoelang kunnen zij hun taak om de monumentale tuinarchitectuur voor het nageslacht te bewaren nog waarmaken; parken die de uiteenlopende machtsconcepten en natuurfilosofieën van afgelopen eeuwen vertegenwoordigen? Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden, waaronder in februari de winterakonieten en in het voorjaar de lelietjes-van-dalen ontspruiten; de loofrijke velden, sloten, kunstmatige meren en met riet begroeide oeverzones, waar duizenden uit kaalgeslagen landbouwgrond verdreven organismen beschutting vinden?
Ook om die reden zijn de historische tuinen uitgegroeid tot een proeftuin voor klimaataanpassing en soortenbescherming. Zo trekt in het EU-onderzoeksproject I-React (Bescherming cultuurgoederen tegen extreme weersomstandigheden en vergroting van hun weerbaarheid) de Stichting Pruisische Paleizen en Tuinen Berlin-Brandenburg samen op met verschillende Fraunhofer-Instituten en het Climate Service Center in Geesthacht. Geodata en weersimulaties moeten uitwijzen welk risico op schade bomen de komende jaren lopen als gevolg van dreigende stortregens en stormen.
‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen’
De Potsdammers zetten nu boomkwekerijen op waar klimaatbestendiger inheemse soorten worden getest. Of ze gaan doelbewuster om met groenafval. Sven Hannemann houdt stil bij een groep jonge bomen die dreigde te verdrogen en daarom verplant werd naar een natter stuk in het park. Ze staan nu in een dikke laag compost: ‘Zo stimuleren we plant-schimmelsymbiosen en bouwen we bewuster nieuwe humus op.’
Over hun problemen hebben de parkbeheerders niet alleen contact met wetenschappers maar ook met veel volkstuinders die nog oude soorten kweken en met bodembiologie experimenteren. Of profiteren zij van de ecosysteemkennis bij herders. Hun kuddes zien we nu vaker met zachte, groeibevorderende tred over de ooit vorstelijke weiden trekken. Vrijwilligers bij het onderbemande parkbeheer verzamelen takken die na een storm overal op de gazons liggen. Zij maken net zo goed deel uit van de nieuwe tuinbeweging – en sinds kort zelfs schoolkinderen.
Vlak naast de Koninklijke Hofkwekerij van Sanssouci ligt een groot gezamenlijk moestuinbed. De groep die het heeft aangelegd noemt zich simpelweg Acker (akker). Het idee komt van landbouwwetenschapper Christoph Schmitz. Hij zag in hoe belangrijk en hoe miskend de tuin is als plek om te leren. In GemüseAckerdemien (groente-‘akkerdemieën’) zoals hier in Potsdam of in Indoor-Gemüseklassen (indoorgroentelessen), waarbij de gewassen in de school zelf ontspruiten, brengen zogeheten AckerCoaches onderwijzers en leerlingen bij hoe ze snijbiet en spinazie, Chinese kool en koolrabi, citroenmelisse en salie kunnen kweken. Landelijk adviseren ze bijna vijfhonderd scholen en kinderdagverblijven. Dankzij deze impuls zijn er veel nieuwe schooltuinen aangelegd. Ze bieden hoop op een generatie voor wie duurzaamheid een vanzelfsprekendheid is. ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen,’ zegt Christoph Schmitz vol overtuiging.
‘Guerrilla gardeners’
Want als stadskinderen kennismaken met tuinieren, groeien naast nieuwsgierigheid, doorzettingsvermogen en zelfbewustzijn ook andere deugden voor een tijd van schaarse hulpbronnen: kennis van planten- en diersoorten, van bodemleven en gezonde voeding. Plezier in experimenteren. Waardering voor voedsel. Respect voor de onomstotelijke wetten en grenzen van de natuur, voor dood en ontkiemend leven, voor kringlopen. En voor langetermijndenken: ‘Ik kan het u allemaal aanraden: word tuinder,’ schreef de Amerikaanse zaadgoedkweker en minister van Landbouw Henry A. Wallace in de jaren dertig. ‘Dan zult u nooit sterven want u moet wel blijven leven om te zien wat er komend jaar gebeurt.’
Zeker sinds de ontsteltenis over het verdwijnen van de bij leggen ook steeds meer volwassen stedelingen een tuinbed aan; en dat niet alleen op hun balkon of in hun voortuin. Ze gebruiken groenstroken of een braakliggend terrein in de stad. Een van de allereersten waren de revolutionaire guerrilla gardeners. Zij dropten zaadbommen, waaruit tussen het grijs van de stad kleurige bloeimengsels ontsproten. Zonder daarvoor toestemming te hebben plantten ze gewoon groenten, bloemen en struiken aan op elke plek langs de straat waar het asfalt ook maar verwijderd kon worden. Hoeveel gezamenlijke, huur-, wijk- en andere tuinen zijn er sindsdien als moderne volkstuinvarianten in stadswijken ontstaan? ‘Tot nu toe is dat niet precies vastgelegd,’ zegt Verena Exner van de Duitse Federale Milieustichting (DBU). ‘Maar we zien een duidelijk groeiende belangstelling.’
De DBU zal het weten, ze heeft de tuinbeweging die volgens Exner ‘tal van facetten’ heeft, de wind in de rug gegeven. Naast een project met historische tuinen promoot zij overal in het land ook andere modellen zoals initiatieven voor het beplanten van daken en gevels, experimenten met ‘microlandbouw’ in een stedelijke omgeving of hulp aan kleine ondernemers om de biodiversiteit van hun groen te vergroten.
Tuinieren biedt ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen
Stadstuinders willen vooral buiten bezig zijn en gezond eten. Maar van het Tempelhofer Feld in Berlijn tot aan de Osnabrücker ‘vredestuinen’, van de Keulse Veedelsgarten tot aan het Münchense o’pflanzt is! biedt tuinieren ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen, zegt Exner. Daarbij gaat het er niet altijd zonder spanningen aan toe, maar in ieder geval ontstaat er over de notoire bubbels heen een publieke ruimte.
‘Crises maken de sociale verbeelding los,’ schrijft publicist Mathias Greffrath in een essay over utopieën. Tuinprojecten onder de paraplu van ‘voedseltafels’ zijn zodoende ook in contact gekomen met andere groepen. Zo’n vijfenveertig van zulke initiatieven willen al een ‘eetbare stad’ creëren of een ‘klimaatvriendelijk en sociaal rechtvaardig voedselsysteem’ opzetten.
Iets soortgelijks gebeurt ook elders in de wereld. In New York of Lagos moet urban gardening ervoor zorgen dat arme mensen gezond te eten krijgen, net als twee eeuwen terug in Kappeln. In het Indiase Kerala willen politici daktuinen omdat veel burgers bang zijn voor giftige pesticiden uit de grootschalige groenteteelt. Hier komen we op een terrein waar de tuinbeweging misschien wel haar grootste effect sorteert: de landbouw. Op veel plaatsen baant een paradigmawisseling zich al een weg.
Verzilte, uitdrogende, eroderende grond en overbemest oppervlaktewater, het verdwijnen van soorten en variëteiten, een gigantisch energieverbruik, hoge CO2– en methaanemissies: wereldwijd zijn de verwoestende langetermijngevolgen van de inzet van landbouwchemicaliën in monoculturen en de verergering van die problemen als gevolg van klimaatverandering duidelijk zichtbaar. In de strijd tegen deze bedreiging van ons bestaan kan het diversiteitsprincipe van de tuin belangrijke impulsen geven ‘om de planeet voor mensen bewoonbaar te houden’, schrijft Jürgen Renn.
In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’
Deze wetenschapshistoricus zet momenteel een Max Planck Instituut voor Geo-Antropologie op poten om het antropoceen te bestuderen; het tijdperk waarin de mens als dominant levend wezen macht uitoefent over elke vierkante millimeter grond. In het fossiele tijdperk waren tuinen nog ‘hulpbron, toevlucht en plek van een tegencultuur’ tegenover het gejaagde bestaan van alledag, zegt Renn. Overdag verrichtten mensen vervreemd hun arbeid, ’s avonds spitten zij om tot rust te komen. In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’. Plekken dus die kunnen bijdragen aan herstel van bodem, water en lucht – en dat niet alleen in de volkstuin, maar ook op landbouwgrond. De wetenschapper hoopt op een omwenteling, zoals de neolithische revolutie die voor de landbouw heeft gebracht.
Een herculestaak! Maar veel bedrijven experimenteren hier al mee. Ze verbouwen minder graan- en marktgewassen en vervangen deze door allerlei soorten peulvruchten en groenten, fruit- en notenbomen, bessen of andere struiken. Hoe geraffineerder de samenstelling van zo’n agro-ecologisch gemengd fruit- en boslandbouwsysteem, hoe beter ter plekke specifieke planten elkaar van schaduw en water kunnen voorzien, elkaar op natuurlijke wijze bemesten en beschermen tegen schadelijke insecten. De diversiteit in akkerbouw zorgt vervolgens ook nog voor diversiteit aan organismen op en in de grond.
Zulk afzien van landbouwchemicaliën is arbeidsintensiever dan de conventionele landbouw, de technologieën ervoor moeten eerst nog worden ontwikkeld en tot nog toe betaalt alle moeite zich nauwelijks uit. Europese boeren die grote oppervlakten intensief bewerken, zouden een begin kunnen maken door in plaats van drie afwisselend zes of acht verschillende producten te telen. Ook kunnen zij bomenrijen op hun akkers planten. In de rendabeler groente- en fruitteelt kunnen tomaten en basilicum al op hetzelfde veld groeien, wijnranken kunnen zich rond appelbomen slingeren en bonen om maïsstengels, die het goed doen naast aardappelen.
Voor armere landen, waar de meeste boeren van één of twee hectare voornamelijk hun eigen gezin voeden en slechts een deel van hun producten lokaal op de markt brengen, zijn complexere diversiteitssystemen daarentegen nu al kansrijk.
Andhra Pradesh
Zo wil Andhra Pradesh, een van de grootste deelstaten van India, stap voor stap voor alle boeren soortenrijke akkers met verschillende niveaus invoeren. In het beste geval groeien daar dan palmbomen met daaronder mango’s en papaja’s, en een niveau lager mais, kalebassen, yams, kurkuma, sperziebonen en andere groenten. Moringabomen en linzen zorgen voor de stikstof die planten nodig hebben om te groeien. Chili en ui verdrijven schadelijke insecten. Een eigen brouwsel van rundveemest, mineralen en planten zorgt voor vruchtbare grond.
Een ander voorbeeld is Tsjaad. De Sahel wordt steeds droger, veel velden leveren nauwelijks nog iets op en arme boeren zijn afhankelijk van duur importvoedsel uit Libië. Om ze daar minder afhankelijk van te maken blaast men nu een oeroude vergeten teelt nieuw leven in. Dadelpalmen moeten zowel voor vruchten zorgen als voor bouwmateriaal in de vorm van hout en vezels. In de schaduw van deze bomen worden granaatappels en sinaasappels geplant, tomaten en bladgroenten, geneeskruiden en specerijgewassen. In dit project werken tuinders uit Noord-Afrikaanse oaseculturen samen met landbouwwetenschappers uit Bayreuth. De bijdrage van deze wetenschappers bestaat uit de levering van druppelsystemen voor irrigatie die gevoed worden door pompen op zonne-energie.
Dit soort projecten kunnen vaak relatief snel de opbrengsten vergroten. Als een natuurramp een deel van de oogst ruïneert, zijn er altijd nog andere planten over om zelf te eten of te verkopen. Met de kwaliteit van het voedsel verbetert tevens de ‘planetaire gezondheid’, zoals dat in het jargon van de Verenigde Naties heet.
Zal de wereld dan binnenkort echt opbloeien? Of is dit gewoon een door stedelingen gedroomde utopie? In feite fungeerde de tuin vaak genoeg als projectiescherm voor dromen. Dat begon niet pas met het verlangen van escapistische romantici die in ‘tuinen die over rotsen heen / in schemerende priëlen verwilderen’ (Eichendorff) het vuil van de vroeg-industriële samenleving ontvluchtten. Nazi’s projecteerden op de moestuin hun sociaal-darwinistische uitsluitingsslogans. Marxisten streefden naar een wetenschappelijk onderbouwde controle over de natuur met behulp van technologie. In dat opzicht verschilde het socialistische blok in elk geval niet heel veel van de kapitalistische klassenvijand. Die verdreef pas echt elk kruidje uit het veld. Bij een blik erwten voor 19 cent heeft elke peul uit eigen teelt het nakijken.
Tuinen én wildernis
Maar met de ecologische crises faalt nu ook de kapitalistische utopie van de grenzeloze groei die de agrarische concerns en investeerders een tijdlang op kosten van de natuur in de schoot geworpen kregen. Daarom groeit het verlangen naar een nieuwe visie met inbegrip van concrete verwachtingen en praktische stappen om de ecologische crises te overwinnen – die dan niet meer zo volkomen verlammend lijken. Naar een nieuwe, toch al redelijk concrete paradijsutopie van diversiteit op kleine schaal. Bedenkingen daartegen komen van natuurbeschermers: het Paradijs in de Bijbelse metafoor is nu juist niet door de mens ontworpen. In plaats van meer tuinen zou er vooral meer wildernis moeten zijn. Meer onbebouwde grond voor – al naar gelang – goddelijke of ‘ongerepte’ natuur.
Max Planck-onderzoeker Jürgen Renn is zo’n man met bezwaren: door zich over de hele wereld te vestigen, door de aarde uit te putten en technologisch te transformeren heeft de mens allang een nieuwe aardatmosfeer gecreëerd die ‘haar natuurlijkheid verloren’ heeft en waarbij ‘de planeet zelf tot tuin gemaakt’ is.
En dus moet de machtigste soort, de mens, allebei herscheppen: tuin én wildernis.
Over één punt zijn alle betrokkenen bij de opkomende tuinbeweging het eens: ze moet steun krijgen vanuit de politiek. Daar zijn veel ideeën over. Zo kan een jaarlijks door de minister van Landbouw uit te brengen verslag met betrekking tot de staat van historische parken en stadsplantsoenen (vergelijkbaar met het Waldbericht van de Duitse regering), publiek de aandacht trekken, schade voorkomen en initiatieven aanmoedigen.
In Hamburg hebben gemeente, wijkbesturen en ondernemingen zich ondanks de bevolkingsgroei en de bouwhausse contractueel verplicht tot behoud van het stedelijk groen. Düsseldorf heeft een soortenbeschermingsfunctionaris aangesteld, een speciaal contactpunt dat groepen die een stedelijk tuinproject willen opzetten helpt op hun weg door de stedelijke bureaucratie. En natuurlijk helpt geld ook. De federale overheid heeft haar subsidiepot vorig jaar al verdrievoudigd van 300 miljoen euro naar 900 miljoen euro. Het Bundesverband Garten-, Landschafts- und Sportplatzbau vraagt daarbovenop een ‘groen miljard’ voor meer stedelijk groen en klimaatbescherming via het herinrichten van parken.
Geld helpt om meer deskundig parkpersoneel aan te stellen nu als gevolg van de opwarming van de aarde sterkere onderhoudsinspanningen vereist zijn. Er is ook geld nodig voor onderzoek naar agro-ecologische teeltwijzen – wereldwijd. En met geld zou de landbouwsteun van de EU welbewust de diversiteitslandbouw en de ontwikkeling van een markt hiervoor moeten bevorderen.
Want eigenlijk is het heel simpel. Decennialang hebben we het landschap kaalgeslagen – nu moeten we het weer inrichten.
Grootste overheidsmaatregel tegen benzine en diesel tot nu toe
‘De staat waar de meeste auto’s en vrachtwagens in de Verenigde Staten worden gekocht’ staat op het punt om afscheid te nemen van nieuwe voertuigen met verbrandingsmotoren, merkt Vox op. Dit is de grootste overheidsmaatregel tegen benzine en diesel tot nu toe in de VS.
Alle nieuwe auto’s die in Californië worden verkocht, moeten uiterlijk in 2035 emissievrije voertuigen zijn, volgens een wet die donderdag is aangenomen door de California Air Resources Board (Carb). Met meer dan 40 miljoen consumenten in Californië hebben de normen van de staat een impact op de productie in het hele land.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.