Tag: landbouw

  • Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Het verbouwen van voedsel in de stad kan een middel zijn om honger tegen te gaan, de voedselaanvoerketen te verkorten en tot dan toe verdeelde gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen. ‘Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s.’

    Door middel van stedelijke landbouw kunnen mensen hun intense teleurstelling in de regering opvangen en meer zelfvoorzienend worden, zeggen stadstuinders en wetenschappers. En nu de kosten voor levensonderhoud in Zuid-Afrika de pan uit rijzen en ook de werkloosheidscijfers tot grote hoogte stijgen, moeten de stadsbewoners zo snel mogelijk aan de slag om de dichtstbijzijnde stoep in een moestuin te veranderen.

    Als het voedsel eenmaal is geoogst, is de volgende stap om het uit te delen, en dan zullen als vanzelf de apartheid en de op klassenverschillen gebaseerde ruimtelijke segregatie verdwijnen, zegt Djo BaNkuna, een stoeptuinder uit Pretoria. In zijn achtertuin en op de stoep voor zijn huis verbouwt hij bananen, kruiden, avocado’s, spinazie, biet, zoete aardappel en uien. Hij en zijn vrouw, een maatschappelijk werkster, delen alles vervolgens uit in Soshanguve en omstreken, aan gezinnen met een kind aan het hoofd of gezinnen waarvan de ouders geen werk hebben.

    ‘Velen van ons hebben geen idee van de honger die er heerst. De tranen springen in mijn ogen als ik een kind van vijf zie dat al twee dagen niet heeft gegeten, hier in Soshanguve, niet ver van het winkelcentrum. Er zijn gezinnen met een meisje van dertien aan het hoofd, en dat meisje heeft dan de zorg voor vijf andere kinderen, die overdag naar het winkelcentrum gaan om te kijken of er nog wat restjes eten bij elkaar geschraapt kunnen worden. Ons land staat er heel slecht voor,’ zegt BaNkuna.

    BaNkuna kwam in november in de publiciteit toen de politie hem beval de groente uit te trekken die hij op de stoep voor zijn huis had geplant, en in plaats daarvan bloemen of gras te planten. Daarnaast moest hij een boete betalen van vijfhonderd rand [zo’n dertig euro]. Toen BaNkuna beide weigerde, moest hij voor de rechter verschijnen. De rechter trok de zaak tegen hem in.

    ‘Ik ben groot voorstander van tuintjes, maar onze overheid is niet bepaald vooruitstrevend op dat gebied. Het evangelie van de grote winkelketens zit er zo in geramd dat mensen niet langer op zichzelf en de natuur durven te vertrouwen, terwijl we geschikte grond hebben die ons in voedsel kan voorzien,’ zegt hij.

    Ui, kool en aardappel

    ‘Als je eenmaal een ui en kool hebt, heb je verder alleen nog maar gekookt maismeel nodig. En vervolgens kom je tot de ontdekking dat je geen maismeel nodig hebt, maar een aardappel die je ook zelf hebt geplant. Die drie dingen samen vormen een maaltijd. In Soshanguve word ik vaak vreemd aangekeken als ik zeg dat ik de kool heb verbouwd in mijn eigen stoeptuin. Voor velen van ons komt voedsel uit het winkelcentrum.

    Melissa Britz is een van de oprichters van Oppieyaart (In de tuin), een achtertuin vol medicinale kruiden, met de nadruk op inheemse planten. Samen met haar partner Lucelle Campbell heeft ze alles aangeplant in hun achtertuin in Elsies River, op de Kaapse Vlakte.

    ANP 427929419
    – Oogsten op een stadsboerderij in Banda Atjeh, Indonesië. Meer mensen in Indonesië hebben hun toevlucht genomen tot stadslandbouw omdat de aanhoudende Covid-19-pandemie hen dwong thuis te blijven. © Sepa / Hotli Simanjuntak

    Het project heeft zich nog niet uitgebreid naar de stoep, maar ze maken en distribueren wel compost om andere stadstuinders te helpen en om de vruchtbaarheid van de zanderige grond te verhogen in dit gebied, dat zich van nature niet echt leent voor het verbouwen van groente. In de achtertuin liggen enorme hopen compost, bestaande uit bladeren, gebruikte zakjes rooibosthee, gemaaid gras en groenteafval van de buren. Alles wat het Oppiyaart-team niet composteert, wordt gebruikt om mulch te maken. Zowel compost als mulch wordt gratis uitgedeeld.

    ‘Een van de belangrijkste dingen voor mensen die net beginnen, is de aarde beschermen tegen de zon, want er zit leven in de aarde: organismen, wormen, bacteriën en schimmels, die allemaal gevoelig zijn voor licht en de warmte van de zon. Het makkelijkste is om mulch te maken van wat er ook maar voorhanden is in het gebied waar je woont,’ zegt Britz.

    Zanderige grond houdt geen water vast en door de klimaatverandering en het veranderde patroon van regenval, moeten stadstuinders zorgen dat de grond meer water kan vasthouden, zegt ze.

    ‘Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen’

    Britz heeft net gember geoogst die acht maanden heeft gegroeid. Ze pakt een handvol van de donkerbruine, vochtige aarde waar de gember in heeft gestaan – het resultaat van haar inspanningen om de aarde te verrijken, van zanderig naar meer leemachtig. Ze voedt de aarde ook met wormenmest. ‘Een wormenfarm hoeft niet duur te zijn. We hebben een oude badkuip vol wormen, en zo komen er weer voedingsstoffen in de aarde.’

    Voor beide projecten wordt regenwater opgevangen in bakken, lege vaten en emmers die ze op de hoeken van het huis zetten, waar het water uit de goten loopt. Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen, zeggen ze.

    Robert Wolfe, die ook in het Oppieyaart-team zit, giet het regenwater vervolgens in lege frisdrankflessen, die hij opslaat om de tuinen in de droge maanden van water te kunnen voorzien. ‘We hadden bijna een hele kamer vol tweeliterflessen,’ zegt Britz.

    BaNkuna’s huis heeft geen dakgoten, maar als het hard regent verzamelt hij zo’n duizend liter water per nacht door domweg emmers bij de hoeken van zijn huis te zetten.

    Vers en organisch

    Het is van groot belang dat zo veel mogelijk mensen een tuintje bij hun huis aanleggen, aldus Munyaradzi Chitakira, een expert op het gebied van klimaatbestendige middelen van bestaan in rurale en stedelijke omgevingen, en verbonden aan Unisa (Universiteit van Suid-Afrika). ‘De voedselprijzen blijven maar stijgen en er is steeds meer werkloosheid. Het is heel belangrijk dat mensen nadenken over manieren om hun gezin van voedsel te voorzien. Vers en organisch voedsel is van groot belang, ook omdat je er zelf controle over kunt uitoefenen.’

    annie spratt GaLzDCnA5EI unsplash
    – Eten verbouwen op de stoep of in de achtertuin is voor velen een manier om zelfvoorzienend te worden. © Unsplash

    ‘Als je geen land hebt, gebruik dan emmers en blikken of iets anders waarin je iets kunt verbouwen, zodat je niet alles hoeft te kopen,’ zegt Chitakira. Hij voegt eraan toe dat gemeentebesturen zouden moeten zorgen voor stukjes grond en voor bewakers, zodat er buurttuinen kunnen worden aangelegd.

    Lokale buurttuintjes zijn van cruciaal belang om te komen tot kortere distributieketens

    Veel kleine moestuintjes vormen een integraal deel van klimaatbestendige stedelijke landbouw. Ze vormen een buffer tegen klimaatschokken omdat ze voedselzekerheid bieden aan gezinnen die lijden onder de gevolgen van de klimaatverandering. De gewassen zelf zorgen voor een vermindering van broeikasgassen, een effect dat nog eens wordt versterkt doordat er minder groente van commerciële boeren in vrachtwagens door het land vervoerd hoeft te worden.

    Ook Juanee Cilliers, een specialist stedelijke landbouw, denkt dat lokale buurttuintjes van cruciaal belang zijn om te komen tot kortere distributieketens en duurzamere vormen van landbouw.

    Uit onderzoek is al gebleken dat bestaande moestuintjes een waardevolle rol spelen in de economische en sociale ontwikkeling van bepaalde gemeenschappen. ‘Het potentieel van deze innovatieve markten is nog niet onderzocht, maar ze zouden een katalysator kunnen blijken voor stedelijke gemeenschappen in Zuid-Afrika, en ze zouden kansen kunnen bieden op het gebied van voedselzekerheid, werkgelegenheid, empowerment en ondernemingszin,’ aldus Cilliers.

    Gezamenlijke inspanning

    BaNkuna heeft onderzocht hoe de stijgende werkloosheidscijfers hebben geleid tot hongersnood, zelfs in dorpen in de buurt van Tzaneen in Limpopo – een vruchtbare streek met veel regen – waar de inwoners van oudsher hun eigen gewassen verbouwen en zelfredzaam zijn. ‘Ik kwam tot de ontdekking dat zelfs daar dorpskeukens moeten worden geïnstalleerd, omdat er honger heerst. Als je maismeel met zout moet eten, is dat niet fijn. Sterker nog, het is erg pijnlijk,’ zegt hij.

    Hoewel een groot deel van de bevolking kampt met extreme honger, collectief geschokt is door de ongekende corruptie die welig tiert binnen de overheid, en de gevolgen ondervindt van de klimaatverandering en de noodlottige modderstromen, zegt BaNkuna dat ze nooit de hoop mogen opgeven dat ze het land weer gezond kunnen maken door gezamenlijke inspanning – om te beginnen moet er een einde worden gemaakt aan het achterhouden van voedsel.

    ‘We moeten zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid’

    ‘Het is nergens voor nodig om voedsel achter te houden. Het is een eerste levensbehoefte, net als zuurstof. Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s en de Ngobeni’s zullen weer gaan praten met de Mahmoods. Zo zullen we de kloof overbruggen die is geslagen door ruimtelijke segregatie,’ zegt hij.

    Momenteel interviewt BaNkuna andere stoeptuinders voor een boek. Onlangs heeft hij een vrouw ontmoet die honderd meter stoep heeft bebouwd. De oogst zal genoeg zijn voor honderd gezinnen.

    ‘We moeten echt zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid. Ja, natuurlijk kun je zeep kopen in de supermarkt. Dat is normaal. Maar er is geen enkele reden om een ui of een zoete aardappel te kopen,’ besluit hij.

  • Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Hoe volkstuiniers de natuur kunnen redden (en ons nader tot elkaar kunnen brengen)

    Er is al heel lang een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Tuiniers zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels. Het aanplanten van groente en fruit is niet alleen duurzaam, het kan ook de gemeenschapszin bevorderen.

    In het uiterste noorden van Duitsland leidt midden in het stadscentrum van Kappeln an der Schlei een klein straatje naar een eerder grijze dan groene idylle. Een kille stilte hangt over verlepte hortensiastruiken en kale fruitbomen, over afgeoogste tuinbedden en leeggehaalde kassen. Alles wacht hier op het voorjaar, als het eindelijk weer kiemt, geurt en zoemt. Alles wacht op het moment dat hier weer gewerkt kan worden aan een betere toekomst.

    Een betere toekomst? Het idee dat tuinders een avant-garde zouden kunnen zijn en hun voorjaarsplannen relevant voor het landelijk beleid, lijkt op zo’n braaf volkstuincomplex op het eerste oog nogal vergezocht. Maar over volkstuintjes kan ook groot worden gedacht. Zo kan het samen bezig zijn sociale verdeeldheid tegengaan. Je leert er niet alleen met anderen tot democratische besluitvorming komen maar je leert ook de natuur kennen en de gevaren die haar bedreigen. Insecten en vogels vinden er hun leefgebied, bomen gaan met hun microklimatologische koeling de dreigende opwarming van de aarde tegen. En je kunt zelfs nog groter denken: de beheerders van kleine en ook grotere tuinen kunnen met zaaigoed en nieuwe inzichten bijdragen aan een duurzame landbouw. Zelfs bij de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) spreken experts al van een nieuwe, door tuinders geïnspireerde landbouwrevolutie.

    Spitten voor utopia: al heel lang is er een beweging gaande die veel verder reikt dan de volkstuin alleen. Iedereen die weleens in hobby-, school- en kasteeltuinen komt, die met landbouwwetenschappers, historici, beheerders van stadsparken, directeuren van milieuorganisaties, boeren, pedagogen en ontwikkelingsexperts praat, weet het. Zij zetten in op een nieuwe ‘Internationale’ met lokale wortels: tuinders aller landen, verenigt u!

    De omheinde tuinkabouterparadijzen werden decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken

    Op het complex in Kappeln weten ze al heel lang dat het aanplanten van groente en fruit de gemeenschapszin kan bevorderen. Het volkstuincomplex was 207 jaar geleden wat we tegenwoordig een sociale innovatie zouden noemen. De dominee van het stadje stelde toen aan enkele verpauperde gezinnen een stuk grond ter beschikking op het terrein van de kerk, vertelt verenigingsvoorzitter Frank Unterspann. Omdat dat stuk collectief beheerd en de pacht gezamenlijk opgebracht diende te worden, sommeerde de dominee de toekomstige gebruikers om woordvoerders te kiezen en stelde hij een overeenkomstig contract op. Duitslands oudste moestuinvereniging was een feit, en daarmee een waarborg tegen al te grote nood.

    Inmiddels kent Duitsland 13.500 van zulke verenigingen, met in totaal bijna 900.000 leden. Tegenwoordig streven die niet meer naar voedselzekerheid, maar ‘zoekt iedereen er zijn eigen kleine beetje rust’, zoals Frank Unterspann dat noemt. Dansen in de meimaand, grillen en barbecueën: vanwege zulk soort rituelen werden de omheinde tuinkabouterparadijzen decennialang door de rest van de samenleving enigszins meewarig bekeken.

    Verandering

    Maar dat er iets aan het veranderen is valt ook te lezen in de welig tierende, rijk geïllustreerde tuinliteratuur. Steeds vaker houden de schrijvers daarvan zich bezig met een ‘humusrevolutie’ of met ‘klimaatbeschermingsbedden’ die ‘toekomstbestendig’ moeten zijn. Naast strakke coniferen moeten er volop permaculturen, compost en terra preta te vinden zijn. In verenigingskantines wordt fel gediscussieerd over de vraag of chemische bestrijdingsmiddelen zijn toegestaan en geven de mensen elkaar tips over hoe het in de praktijk ook zonder kan. Ook in Kappeln hebben leden van het eerste uur geen Nackensteak en Rostbratwurst meer op hun grill liggen maar paprika en halloumi, en leveren ze met zakjes zaad, schoffel en gieter een bijdrage aan de oplossing van grote wereldproblemen.

    Dat die wereldwijde problemen ook gevolgen hebben voor de tuinen, horen we van Sven Hannemann. Hij is parkbeheerder bij slot Sanssouci in Potsdam. In de hete zomers die ons te wachten staan moeten we onze bloemperken misschien wel laten verpieteren, zegt hij, anders zal er niet voldoende water zijn om alle bomen naar behoefte te beregenen. Daarvoor werden ook oude tappunten weer uitgegraven.

    Honderden bomen hebben in de voorbije drie droge jaren schade opgelopen. Sven Hannemann houdt stil bij een eik die wortel schoot ten tijde van de Dertigjarige Oorlog. Hij schrikt bij de aanblik van de diepe groeven die een schadelijk insect in de schors heeft gemaakt: ‘Als het niet zo droog was geweest, zou de boom zich hebben kunnen verdedigen,’ zegt de parkbeheerder bezorgd. ‘Nu zal hij waarschijnlijk niet lang meer te leven hebben.’

    Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden?

    Wandelend door de lanen en velden van zijn slotpark wijst Hannemann nu eens links op rode beuken met te lichte kronen, dan weer rechts op sparren met bruine takken, en vóór zich op boomgroepen waarin bepaalde exemplaren gekortwiekt moeten worden. Zulke decimeringen slaan harde wonden in de door tuinarchitecten als Peter Joseph Lenné zo weloverwogen vormgegeven landschappen en zichtassen.

    Daarom maken de tuinarchitecten van het Fürstlich Greizer-park en het Slotpark Nymphenburg zich al net zoveel zorgen als hun collega’s in Potsdam. Hoelang kunnen zij hun taak om de monumentale tuinarchitectuur voor het nageslacht te bewaren nog waarmaken; parken die de uiteenlopende machtsconcepten en natuurfilosofieën van afgelopen eeuwen vertegenwoordigen? Hoelang kunnen zij in historische parken die zeldzame oude bomen behouden, waaronder in februari de winterakonieten en in het voorjaar de lelietjes-van-dalen ontspruiten; de loofrijke velden, sloten, kunstmatige meren en met riet begroeide oeverzones, waar duizenden uit kaalgeslagen landbouwgrond verdreven organismen beschutting vinden?

    Ook om die reden zijn de historische tuinen uitgegroeid tot een proeftuin voor klimaataanpassing en soortenbescherming. Zo trekt in het EU-onderzoeksproject I-React (Bescherming cultuurgoederen tegen extreme weersomstandigheden en vergroting van hun weerbaarheid) de Stichting Pruisische Paleizen en Tuinen Berlin-Brandenburg samen op met verschillende Fraunhofer-Instituten en het Climate Service Center in Geesthacht. Geodata en weersimulaties moeten uitwijzen welk risico op schade bomen de komende jaren lopen als gevolg van dreigende stortregens en stormen.

    ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen’

    De Potsdammers zetten nu boomkwekerijen op waar klimaatbestendiger inheemse soorten worden getest. Of ze gaan doelbewuster om met groenafval. Sven Hannemann houdt stil bij een groep jonge bomen die dreigde te verdrogen en daarom verplant werd naar een natter stuk in het park. Ze staan nu in een dikke laag compost: ‘Zo stimuleren we plant-schimmelsymbiosen en bouwen we bewuster nieuwe humus op.’

    Over hun problemen hebben de parkbeheerders niet alleen contact met wetenschappers maar ook met veel volkstuinders die nog oude soorten kweken en met bodembiologie experimenteren. Of profiteren zij van de ecosysteemkennis bij herders. Hun kuddes zien we nu vaker met zachte, groeibevorderende tred over de ooit vorstelijke weiden trekken. Vrijwilligers bij het onderbemande parkbeheer verzamelen takken die na een storm overal op de gazons liggen. Zij maken net zo goed deel uit van de nieuwe tuinbeweging – en sinds kort zelfs schoolkinderen.

    Vlak naast de Koninklijke Hofkwekerij van Sanssouci ligt een groot gezamenlijk moestuinbed. De groep die het heeft aangelegd noemt zich simpelweg Acker (akker). Het idee komt van landbouwwetenschapper Christoph Schmitz. Hij zag in hoe belangrijk en hoe miskend de tuin is als plek om te leren. In GemüseAckerdemien (groente-‘akkerdemieën’) zoals hier in Potsdam of in Indoor-Gemüseklassen (indoorgroentelessen), waarbij de gewassen in de school zelf ontspruiten, brengen zogeheten AckerCoaches onderwijzers en leerlingen bij hoe ze snijbiet en spinazie, Chinese kool en koolrabi, citroenmelisse en salie kunnen kweken. Landelijk adviseren ze bijna vijfhonderd scholen en kinderdagverblijven. Dankzij deze impuls zijn er veel nieuwe schooltuinen aangelegd. Ze bieden hoop op een generatie voor wie duurzaamheid een vanzelfsprekendheid is. ‘Wie als kind in aanraking komt met de natuur is eerder geneigd die als volwassene te beschermen,’ zegt Christoph Schmitz vol overtuiging.

    ‘Guerrilla gardeners’

    Want als stadskinderen kennismaken met tuinieren, groeien naast nieuwsgierigheid, doorzettingsvermogen en zelfbewustzijn ook andere deugden voor een tijd van schaarse hulpbronnen: kennis van planten- en diersoorten, van bodemleven en gezonde voeding. Plezier in experimenteren. Waardering voor voedsel. Respect voor de onomstotelijke wetten en grenzen van de natuur, voor dood en ontkiemend leven, voor kringlopen. En voor langetermijndenken: ‘Ik kan het u allemaal aanraden: word tuinder,’ schreef de Amerikaanse zaadgoedkweker en minister van Landbouw Henry A. Wallace in de jaren dertig. ‘Dan zult u nooit sterven want u moet wel blijven leven om te zien wat er komend jaar gebeurt.’

    Zeker sinds de ontsteltenis over het verdwijnen van de bij leggen ook steeds meer volwassen stedelingen een tuinbed aan; en dat niet alleen op hun balkon of in hun voortuin. Ze gebruiken groenstroken of een braakliggend terrein in de stad. Een van de allereersten waren de revolutionaire guerrilla gardeners. Zij dropten zaadbommen, waaruit tussen het grijs van de stad kleurige bloeimengsels ontsproten. Zonder daarvoor toestemming te hebben plantten ze gewoon groenten, bloemen en struiken aan op elke plek langs de straat waar het asfalt ook maar verwijderd kon worden. Hoeveel gezamenlijke, huur-, wijk- en andere tuinen zijn er sindsdien als moderne volkstuinvarianten in stadswijken ontstaan? ‘Tot nu toe is dat niet precies vastgelegd,’ zegt Verena Exner van de Duitse Federale Milieustichting (DBU). ‘Maar we zien een duidelijk groeiende belangstelling.’

    De DBU zal het weten, ze heeft de tuinbeweging die volgens Exner ‘tal van facetten’ heeft, de wind in de rug gegeven. Naast een project met historische tuinen promoot zij overal in het land ook andere modellen zoals initiatieven voor het beplanten van daken en gevels, experimenten met ‘microlandbouw’ in een stedelijke omgeving of hulp aan kleine ondernemers om de biodiversiteit van hun groen te vergroten.

    Tuinieren biedt ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen

    Stadstuinders willen vooral buiten bezig zijn en gezond eten. Maar van het Tempelhofer Feld in Berlijn tot aan de Osnabrücker ‘vredestuinen’, van de Keulse Veedelsgarten tot aan het Münchense o’pflanzt is! biedt tuinieren ook de mogelijkheid om mensen ‘dwars door alle culturen, leeftijdsgroepen en lagen heen’ met elkaar in gesprek te brengen, zegt Exner. Daarbij gaat het er niet altijd zonder spanningen aan toe, maar in ieder geval ontstaat er over de notoire bubbels heen een publieke ruimte.

    ‘Crises maken de sociale verbeelding los,’ schrijft publicist Mathias Greffrath in een essay over utopieën. Tuinprojecten onder de paraplu van ‘voedseltafels’ zijn zodoende ook in contact gekomen met andere groepen. Zo’n vijfenveertig van zulke initiatieven willen al een ‘eetbare stad’ creëren of een ‘klimaatvriendelijk en sociaal rechtvaardig voedselsysteem’ opzetten.

    Iets soortgelijks gebeurt ook elders in de wereld. In New York of Lagos moet urban gardening ervoor zorgen dat arme mensen gezond te eten krijgen, net als twee eeuwen terug in Kappeln. In het Indiase Kerala willen politici daktuinen omdat veel burgers bang zijn voor giftige pesticiden uit de grootschalige groenteteelt. Hier komen we op een terrein waar de tuinbeweging misschien wel haar grootste effect sorteert: de landbouw. Op veel plaatsen baant een paradigmawisseling zich al een weg.

    Verzilte, uitdrogende, eroderende grond en overbemest oppervlaktewater, het verdwijnen van soorten en variëteiten, een gigantisch energieverbruik, hoge CO2– en methaanemissies: wereldwijd zijn de verwoestende langetermijngevolgen van de inzet van landbouwchemicaliën in monoculturen en de verergering van die problemen als gevolg van klimaatverandering duidelijk zichtbaar. In de strijd tegen deze bedreiging van ons bestaan kan het diversiteitsprincipe van de tuin belangrijke impulsen geven ‘om de planeet voor mensen bewoonbaar te houden’, schrijft Jürgen Renn.

    In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’

    Deze wetenschapshistoricus zet momenteel een Max Planck Instituut voor Geo-Antropologie op poten om het antropoceen te bestuderen; het tijdperk waarin de mens als dominant levend wezen macht uitoefent over elke vierkante millimeter grond. In het fossiele tijdperk waren tuinen nog ‘hulpbron, toevlucht en plek van een tegencultuur’ tegenover het gejaagde bestaan van alledag, zegt Renn. Overdag verrichtten mensen vervreemd hun arbeid, ’s avonds spitten zij om tot rust te komen. In het nieuwe mensentijdperk zouden tuinen zich ontwikkelen tot ‘plekken van compensatie voor de uitbuiting van de natuur’. Plekken dus die kunnen bijdragen aan herstel van bodem, water en lucht – en dat niet alleen in de volkstuin, maar ook op landbouwgrond. De wetenschapper hoopt op een omwenteling, zoals de neolithische revolutie die voor de landbouw heeft gebracht.

    Een herculestaak! Maar veel bedrijven experimenteren hier al mee. Ze verbouwen minder graan- en marktgewassen en vervangen deze door allerlei soorten peulvruchten en groenten, fruit- en notenbomen, bessen of andere struiken. Hoe geraffineerder de samenstelling van zo’n agro-ecologisch gemengd fruit- en boslandbouwsysteem, hoe beter ter plekke specifieke planten elkaar van schaduw en water kunnen voorzien, elkaar op natuurlijke wijze bemesten en beschermen tegen schadelijke insecten. De diversiteit in akkerbouw zorgt vervolgens ook nog voor diversiteit aan organismen op en in de grond.

    Zulk afzien van landbouwchemicaliën is arbeidsintensiever dan de conventionele landbouw, de technologieën ervoor moeten eerst nog worden ontwikkeld en tot nog toe betaalt alle moeite zich nauwelijks uit. Europese boeren die grote oppervlakten intensief bewerken, zouden een begin kunnen maken door in plaats van drie afwisselend zes of acht verschillende producten te telen. Ook kunnen zij bomenrijen op hun akkers planten. In de rendabeler groente- en fruitteelt kunnen tomaten en basilicum al op hetzelfde veld groeien, wijnranken kunnen zich rond appelbomen slingeren en bonen om maïsstengels, die het goed doen naast aardappelen.

    Voor armere landen, waar de meeste boeren van één of twee hectare voornamelijk hun eigen gezin voeden en slechts een deel van hun producten lokaal op de markt brengen, zijn complexere diversiteitssystemen daarentegen nu al kansrijk.

    Andhra Pradesh

    Zo wil Andhra Pradesh, een van de grootste deelstaten van India, stap voor stap voor alle boeren soortenrijke akkers met verschillende niveaus invoeren. In het beste geval groeien daar dan palmbomen met daaronder mango’s en papaja’s, en een niveau lager mais, kalebassen, yams, kurkuma, sperziebonen en andere groenten. Moringabomen en linzen zorgen voor de stikstof die planten nodig hebben om te groeien. Chili en ui verdrijven schadelijke insecten. Een eigen brouwsel van rundveemest, mineralen en planten zorgt voor vruchtbare grond.

    Een ander voorbeeld is Tsjaad. De Sahel wordt steeds droger, veel velden leveren nauwelijks nog iets op en arme boeren zijn afhankelijk van duur importvoedsel uit Libië. Om ze daar minder afhankelijk van te maken blaast men nu een oeroude vergeten teelt nieuw leven in. Dadelpalmen moeten zowel voor vruchten zorgen als voor bouwmateriaal in de vorm van hout en vezels. In de schaduw van deze bomen worden granaatappels en sinaasappels geplant, tomaten en bladgroenten, geneeskruiden en specerijgewassen. In dit project werken tuinders uit Noord-Afrikaanse oaseculturen samen met landbouwwetenschappers uit Bayreuth. De bijdrage van deze wetenschappers bestaat uit de levering van druppelsystemen voor irrigatie die gevoed worden door pompen op zonne-energie.

    Dit soort projecten kunnen vaak relatief snel de opbrengsten vergroten. Als een natuurramp een deel van de oogst ruïneert, zijn er altijd nog andere planten over om zelf te eten of te verkopen. Met de kwaliteit van het voedsel verbetert tevens de ‘planetaire gezondheid’, zoals dat in het jargon van de Verenigde Naties heet.

    Zal de wereld dan binnenkort echt opbloeien? Of is dit gewoon een door stedelingen gedroomde utopie? In feite fungeerde de tuin vaak genoeg als projectiescherm voor dromen. Dat begon niet pas met het verlangen van escapistische romantici die in ‘tuinen die over rotsen heen / in schemerende priëlen verwilderen’ (Eichendorff) het vuil van de vroeg-industriële samenleving ontvluchtten. Nazi’s projecteerden op de moestuin hun sociaal-darwinistische uitsluitingsslogans. Marxisten streefden naar een wetenschappelijk onderbouwde controle over de natuur met behulp van technologie. In dat opzicht verschilde het socialistische blok in elk geval niet heel veel van de kapitalistische klassenvijand. Die verdreef pas echt elk kruidje uit het veld. Bij een blik erwten voor 19 cent heeft elke peul uit eigen teelt het nakijken.

    Tuinen én wildernis

    Maar met de ecologische crises faalt nu ook de kapitalistische utopie van de grenzeloze groei die de agrarische concerns en investeerders een tijdlang op kosten van de natuur in de schoot geworpen kregen. Daarom groeit het verlangen naar een nieuwe visie met inbegrip van concrete verwachtingen en praktische stappen om de ecologische crises te overwinnen – die dan niet meer zo volkomen verlammend lijken. Naar een nieuwe, toch al redelijk concrete paradijsutopie van diversiteit op kleine schaal. Bedenkingen daartegen komen van natuurbeschermers: het Paradijs in de Bijbelse metafoor is nu juist niet door de mens ontworpen. In plaats van meer tuinen zou er vooral meer wildernis moeten zijn. Meer onbebouwde grond voor – al naar gelang – goddelijke of ‘ongerepte’ natuur.

    Max Planck-onderzoeker Jürgen Renn is zo’n man met bezwaren: door zich over de hele wereld te vestigen, door de aarde uit te putten en technologisch te transformeren heeft de mens allang een nieuwe aardatmosfeer gecreëerd die ‘haar natuurlijkheid verloren’ heeft en waarbij ‘de planeet zelf tot tuin gemaakt’ is.

    En dus moet de machtigste soort, de mens, allebei herscheppen: tuin én wildernis.

    Over één punt zijn alle betrokkenen bij de opkomende tuinbeweging het eens: ze moet steun krijgen vanuit de politiek. Daar zijn veel ideeën over. Zo kan een jaarlijks door de minister van Landbouw uit te brengen verslag met betrekking tot de staat van historische parken en stadsplantsoenen (vergelijkbaar met het Waldbericht van de Duitse regering), publiek de aandacht trekken, schade voorkomen en initiatieven aanmoedigen.

    In Hamburg hebben gemeente, wijkbesturen en ondernemingen zich ondanks de bevolkingsgroei en de bouwhausse contractueel verplicht tot behoud van het stedelijk groen. Düsseldorf heeft een soortenbeschermingsfunctionaris aangesteld, een speciaal contactpunt dat groepen die een stedelijk tuinproject willen opzetten helpt op hun weg door de stedelijke bureaucratie. En natuurlijk helpt geld ook. De federale overheid heeft haar subsidiepot vorig jaar al verdrievoudigd van 300 miljoen euro naar 900 miljoen euro. Het Bundesverband Garten-, Landschafts- und Sportplatzbau vraagt daarbovenop een ‘groen miljard’ voor meer stedelijk groen en klimaatbescherming via het herinrichten van parken.

    Geld helpt om meer deskundig parkpersoneel aan te stellen nu als gevolg van de opwarming van de aarde sterkere onderhoudsinspanningen vereist zijn. Er is ook geld nodig voor onderzoek naar agro-ecologische teeltwijzen – wereldwijd. En met geld zou de landbouwsteun van de EU welbewust de diversiteitslandbouw en de ontwikkeling van een markt hiervoor moeten bevorderen.

    Want eigenlijk is het heel simpel. Decennialang hebben we het landschap kaalgeslagen – nu moeten we het weer inrichten.

  • Waarom het ene land rijk is en het andere arm

    Waarom het ene land rijk is en het andere arm

    Oded Galor deed onderzoek naar de economische geschiedenis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden. Volgens de Israëlisch-Amerikaanse econoom hebben samenlevingen die diversiteit accepteren meer succes.

    Al lange tijd houden vooraanstaande denkers zich keer op keer bezig met twee fundamentele vragen. De eerste luidt: welke oorzaken leidden tot de industriële revolutie waarmee de mensheid zich wist te bevrijden uit een onvermijdelijk lijkende armoedeval? En de tweede: waarom profiteren niet alle landen in gelijke mate van de vruchten van materiële welvaart, die onder andere tot uiting komen in een hogere levensverwachting, een betere gezondheid en al met al een aangenamer leven? Juist in een tijd waarin veel economen zich steeds vaker lijken te wijden aan steeds specifiekere onderzoeken, verdient de poging deze belangrijke vragen van de mensheid te willen oplossen grote waardering.

    Oded Galor houdt zich er al decennialang mee bezig. Met zijn ‘uniforme groeitheorie’ draagt de uit Israël afkomstige, en sinds vele jaren aan de Amerikaanse Brown University docerende econoom de overtuiging uit dat een betrouwbare en volledige kennis van de mondiale economische ontwikkelingsfactoren slechts mogelijk is wanneer we de primaire drijvende krachten achter het gehele ontwikkelingsproces in beschouwing nemen, en niet alleen die van bepaalde perioden. De uniforme groeitheorie omvat ‘de reis van de mensheid sinds het verschijnen van de homo sapiens in Afrika, ongeveer 300.000 jaar geleden, door het hele verloop van de geschiedenis heen’.

    Nadat Galor gedurende vele jaren in deels zeer ambitieus opgezette wetenschappelijke artikelen zijn thesen heeft ontwikkeld, zoekt hij nu met een toegankelijk geschreven werk (De reis van de mensheid) een breder publiek.

    Voorwaarde voor economische bloei

    Je zou tegen Galors pretentie in kunnen brengen dat het niet ontbreekt aan plausibele verklaringen voor de ontwikkeling van welvaart en ongelijkheid. Een bekende stelling, gepopulariseerd door de Nobelprijswinnaar Douglas North, ziet in het bestaan van instituties die eigendomsrechten garanderen, een juridisch kader scheppen voor een profijtelijk samenleven en de concentratie van economische macht verhinderen een allesbeheersende voorwaarde voor een positieve economische ontwikkeling.

    Enkele jaren geleden hebben Daron Acemoglu en James Robinson in hun bestseller Waarom naties mislukken het begin van de industriële revolutie in Engeland verklaard uit gunstige institutionele veranderingen na de Glorious revolution van het jaar 1688. Men kan in het zoeken naar sporen van institutionele veranderingen nog verder teruggaan. Economiehistoricus Werner Plumpe uit Frankfurt onderkent in zijn boek over het kapitalisme (Das kalte Herz) in de vroegmiddeleeuwse herendienstwetgeving van de Karolingers een ontwikkeling die samen met andere invloeden, veel later in het noordwesten van Europa de voorwaarden schiep voor een economische opbloei.

    Een tweede interpretatie richt zich op de geografische omstandigheden van het economisch handelen. In zijn boek Arm en rijk verklaart de evolutiebioloog Jared Diamond de vroege bloei van de Mesopotamische cultuur met gunstige klimatologische omstandigheden voor de akkerbouw. De opkomst van Europa is volgens hem te danken aan een gefragmenteerde geografie, die de vorming van duurzame grote rijken verhinderde.

    De landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling

    Galor wijst de op instituties en geografie gebaseerde verklaringen zeker niet af. Hij beschouwt ze als nuttig om afzonderlijke ontwikkelingen te verhelderen, maar volgens hem bezitten ze geen omvattende verklarende kracht. Zo verklaren, vanuit Galors gezichtspunt, de institutionele veranderingen wel waarom de industriële revolutie juist in Engeland uitbrak, maar niet waarom die industriële revolutie zich überhaupt voordeed.

    Galors verklaring is gebaseerd op een allesbeheersende rol van de technische vooruitgang en de bereidheid van de mensen om daarop in te haken, vooral door scholing. Toen ongeveer 60.000 jaar geleden mensen Oost-Afrika begonnen te verlaten en zich over de wereld verspreidden, bleef hun aantal lange tijd gering. Twaalfduizend jaar geleden bevolkten naar schatting slechts 2,5 miljoen mensen de aarde. Deskundigen duiden deze periode die tot de industriële revolutie duurde aan als de ‘malthusiaanse plafond’, ter herinnering aan de Britse econoom Thomas Malthus. De meeste mensen worstelden om te overleven; planning van het leven op langere termijn was helemaal niet mogelijk. Elke verbetering van de economische situatie verhoogde het aantal kinderen dat hun eerste levensjaren overleefde. Volgens Malthus’ beroemde formule groeide de bevolking in een meetkundige reeks (1,2,4,8….), maar het aanbod van voedingsmiddelen slechts met een rekenkundige reeks (1,2,3,4…). Een toename van de bevolking moest daarom wel tot een zware crisis leiden omdat er niet genoeg te eten was voor het snel groeiende aantal hongerige monden. Lange tijd maakte de mensheid niet echt vorderingen: de landbouw in het jaar 1000 bracht nauwelijks meer op dan de landbouw rond het begin van de jaartelling. De meeste mensen leefden gevaarlijk dicht bij het minimale bestaansniveau.

    Storm onder de oppervlakte

    Toch zou het fout zijn om de tijd tot aan het uitbreken van de industriële revolutie te beschouwen als een volledige stilstand in economisch opzicht, net zo min als men zich de industriële revolutie moet voorstellen als een plotselinge explosie van economische dynamiek. Galor spreekt van een ‘storm onder de oppervlakte’. Voor de industriële revolutie verliep de technische vooruitgang slechts langzaam, maar ze was er wel. Ze toonde zich niet in een toename van materiële rijkdom voor veel mensen – de meesten bleven straatarm – maar de vooruitgang was zichtbaar in het vermogen een groeiende bevolking te voeden. Aan het begin van onze jaartelling leefden er naar schatting ongeveer 200 miljoen mensen op aarde, rond het jaar 1600 zouden het er toch al 600 miljoen kunnen zijn geweest.

    Toen begon zich langzaam een dynamiek te ontwikkelen, want het aanbod en de vraag naar technologie hangen af van de bevolkingsgrootte. Hoe meer mensen er zijn, hoe meer hoofden iets nieuws kunnen bedenken. Met de groei van de bevolking nemen ook de mogelijkheden toe van een arbeidsdeling die de productiviteit verhoogt. Tegelijkertijd ontstaat door een groeiende bevolking ook de economische prikkel om innovatieve producten te ontwikkelen omdat het aantal potentiële kopers toeneemt. Een op gang komende technische vooruitgang zorgt voor steeds meer prikkels om verdere innovaties te ontwikkelen.

    Zo kwam het tot de industriële revolutie, die er veel begrijpelijker uitziet als ze niet als een plotselinge eruptie wordt opgevat, maar als een langdurig proces. Er is in deze fase op geen enkel tijdstip sprake geweest van een ‘schok’, schrijft Galor. ‘Weliswaar voltrok zich de overgang, in verhouding tot de hele geschiedenis van de mens, heel snel, maar de toename van de productiviteit in deze periode voltrok zich in kleine stapjes. In het begin van de industriële revolutie groeide de bevolking vanwege de toenemende technologische veranderingen wel sprongsgewijs, maar het gemiddelde inkomen groeide slechts in zeer bescheiden mate, precies zoals de malthusiaanse theorie voorspelde.’

    De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing

    Het slechten van de malthusiaanse plafond lukte pas ongeveer een eeuw later, toen de bevolkingsaanwas in de opkomende industrielanden terugliep, en daardoor het inkomen per capita konden stijgen. Volgens de opvatting van Galor was het de omgang met de technologie die deze verandering tot stand bracht. Want de mensen begonnen te begrijpen dat een succesvolle omgang met de technische vooruitgang een duidelijk betere scholing vereiste. In plaats van hun materiële hulpbronnen te verbruiken in kinderrijke gezinnen gaven veel mensen de voorkeur aan kleinere gezinnen die het mogelijk maakten de middelen te investeren in de opleiding van de kinderen. Samen met de materiële vooruitgang verbeterden de levensomstandigheden en de levensverwachting. Steeds meer mensen beschikten over spaargeld; pas nu werd een vooruitziende planning van het leven mogelijk. De vooruitgang van de mensheid berust in wezen op het samenwerken van technologie en scholing. Technische vooruitgang staat niet alleen bevolkingsgroei toe, ze heeft ook invloed op de samenstelling van de bevolking.

    Maar industrialisering kan ook een valkuil zijn. Galor haalt als voorbeeld Noord-Frankrijk aan, dat bij het begin van de industrialisering, toen het bijvoorbeeld veel textielindustrie bezat, tot de rijkste delen van het land behoorde. Die fabrieken vroegen veel eenvoudige arbeid, maar dwongen niet tot een steeds betere scholing om gelijke tred te kunnen houden met de steeds modernere technologieën. Tegenwoordig zijn die regio’s rijk waar de toepassing van technische vooruitgang het betalen van hogere arbeidslonen toestaat. 

    Galor is duidelijk geen aanhanger van historisch determinisme: niets is voorbestemd. Geen samenleving heeft altijd materiële rijkdom gekend; omgekeerd is ook geen samenleving gedoemd om voor altijd tegen de mathusiaanse plafond te blijven aanlopen.

    Diversiteit

    Waarom zijn sommige landen dan al lange tijd rijk terwijl andere zich nooit wisten te bevrijden uit de ijzeren greep van de armoede? Voor Galor luidt het antwoord: het komt in een samenleving aan op een optimale mate van diversiteit, verbonden met het vermogen om vaak duizenden jaren oude tradities te overwinnen. Hij geeft een interessant voorbeeld. Voordat mensen enkele duizenden jaren geleden de ploeg uitvonden, deelden mannen en vrouwen het werk op het land. Omdat het voor gebruik van de ploeg lichaamskracht nodig was, waardoor mannen voor deze bezigheid in het voordeel waren, bevorderde de uitvinding van de ploeg in de visie van Galor een arbeidsdeling waarbij de man zich meer concentreerde op het werk op het veld, en de vrouw op het werk in het huis. Vanwege de verschillende bodemgesteldheden speelde de ploeg in de Europese geschiedenis in het zuiden een belangrijkere rol vroeger dan in het noorden. De observatie dat de beroepsmatige emancipatie van de vrouw in moderne samenlevingen in het noorden van Europa vandaag sterker ontwikkeld is dan in het zuiden verklaart Galor dan ook met de verschillen in het gebruik van de ploeg in de landbouw van vele jaren geleden.

    Diversiteit heeft in de visie van de econoom aanzienlijke voordelen, maar die hebben hun prijs. Diversiteit in samenlevingen, in combinatie met opleiding(sniveau) verhoogt de kans op technische vooruitgang. De Verenigde Staten, waar studenten uit vele landen ook aan de beste universiteiten kunnen studeren, zijn een schoolvoorbeeld voor deze stelling. Maar diversiteit kan eveneens gepaard gaan met aanzienlijke kosten in de vorm van sociale spanningen, zoals ook juist in de Verenigde Staten is waar te nemen. De samenlevingen in andere landen laten diversiteit slechts met tegenzin toe; vaak zijn ze economisch dan ook niet succesvol.

    ‘Waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen omvattende hervormingen vaak in het honderd’

    Een succesvol recept voor het oplossen van deze problemen ligt volgens Galor niet algemene beleidsaanbevelingen, zoals ze in het verleden niet zelden door internationale organisaties werden uitgesproken. ‘Privatisering van de industrie, liberalisering van de handel en het vastleggen van eigendomsrechten kunnen groeibevorderende maatregelen zijn voor landen waarin al sociale en culturele voorwaarden voor economische groei bestaan, maar daar waar deze voorwaarden ontbreken, waar de sociale samenhang zwak en corruptie wijd verbreid is, lopen zulke omvattende hervormingen vaak in het honderd’, schrijft de econoom.

    ‘Geen hervorming, al is die nog zo efficiënt, zal een verarmd land in een handomdraai veranderen in een vooruitstrevende economie, want het grootste deel van de kloof tussen ontwikkelingslanden en industrielanden komt voort uit al millennia bestaande processen. Institutionele, culturele, geografische en sociale kenmerken uit een ver verleden hebben de beschavingen voortgestuwd op hun verschillende historische wegen en hebben de verschillen in welvaart tussen de naties verdiept.’ Een goede politieke strategie om de armoede te overwinnen is niet eenvoudig, maar ze is naar het inzicht van Galor wel mogelijk. De boodschap van zijn boek is optimistisch.

    Oded Galor, De reis van de mensheid. Waar welvaart en ongelijkheid vandaan komen, in vertaling van Pon Ruiter en Linda Broeder, is in maart 2022 verschenen bij De Bezige Bij.

  • De toekomst van de landbouw op een steeds warmere planeet

    De toekomst van de landbouw op een steeds warmere planeet

    Om de voedselvoorziening op peil te houden houden moet de landbouw zich aanpassen aan een opwarmende aarde. Want door klimaatverandering is de landbouwproductiviteit sinds 1971 met een vijfde verminderd.

    Tom Eisenhauer weet nog dat hij meer dan tien jaar geleden door Manitoba reed, een provincie in Centraal Canada. Rond zijn auto strekten zich akkers vol koudweergewassen uit, zoals tarwe, erwten en koolzaad. Velden met voedzame gewassen als mais en soja, die winstgevender zijn, waren schaars en lagen op grote afstand van elkaar. 

    Nu ziet het er heel anders uit. Meer dan 5300 vierkante kilometer is ingezaaid met soja en zo’n 1500 met mais. Eisenhauers bedrijf Bonnefield Financial hoopt te profiteren van de manieren waarop klimaatverandering de Canadese landbouw beïnvloedt. Het bedrijf koopt landbouwgrond op en verpacht die aan boeren, in Manitoba en elders in het land. Het bedrijf gokt erop dat een warmer klimaat de waarde van zijn aangekochte grond geleidelijk zal doen stijgen, omdat boeren in staat worden gesteld waardevoller gewassen te verbouwen dan ze van oudsher gewend zijn. Het is lang niet het enige bedrijf dat daarop inzet. De klimaatverandering kan land dat ooit onvruchtbaar en onproductief was vanwege de kou in een ware hoorn des overvloeds veranderen. Ze kan ook grote schade aanrichten in regio’s die miljoenen mensen voeden.

    Sinds 1700 is het areaal aan akker- en weidegrond vervijfvoudigd

    De hoeveelheid grond die wordt gebruikt om voedsel te produceren neemt al eeuwenlang toe. Sinds 1700 is het areaal aan akker- en weidegrond vervijfvoudigd. De meeste groei dateert van halverwege de twintigste eeuw. Vanaf de jaren zestig hebben het grootschalige gebruik van kunstmest en de ontwikkeling van productievere graan- en rijstsoorten er in combinatie met een grotere beschikbaarheid van irrigatiemiddelen, pesticiden en machinerie voor gezorgd dat boeren een veel beter rendement konden halen uit de akkers die ze al bewerkten. De afgelopen decennia hebben technologieën als genome editing en betere dataverwerking de oogsten nog verder opgestuwd.

    De wereldwijde temperatuurstijging die aan het eind van de twintigste eeuw is begonnen, heeft de productiviteitstoename vertraagd maar niet tot stilstand gebracht. Volgens een recente studie van Cornell University in de staat New York heeft de door menselijk handelen veroorzaakte klimaatverandering de landbouwproductiviteit sinds 1971 met een vijfde verminderd.

    Tegenwind

    De ‘tegenwind’ die door klimaatverandering wordt veroorzaakt zal alleen maar sterker worden, zegt Ariel Ortiz-Bobea, een van de auteurs van de studie. Hun onderzoek wees uit dat elke fractie van een graad extra schadelijker is voor de voedselproductie dan de vorige. Dat is vooral slecht nieuws voor voedselproducenten op plekken waar het al warm is, zoals de tropen. Een andere studie voorspelt dat met elke graad die de temperatuur wereldwijd stijgt, de maisoogst zal dalen met 7,4 procent, de tarweoogst met 6 procent en de rijstoogst met 3,2 procent. Deze drie gewassen leveren twee derde van alle calorieën die de mensheid consumeert.

    De komende decennia zullen er meer monden zijn om te voeden. Het Institute for Health Metrics and Evaluation, een Amerikaanse onderzoeksgroep, schat dat de wereldbevolking zal stijgen van 7,8 miljard nu naar 9,7 miljard in 2064 (om vervolgens weer te dalen). De groeiende middenklasse in veel ontwikkelingslanden eist een gevarieerder en ruimer voedselaanbod.

    Daarom zijn de manieren waarop landbouwarealen onder invloed van de opwarming van de aarde zullen veranderen zo belangrijk. Doordat de tropen zich uitbreiden, zullen de regenpatronen in de subtropen veranderen. Met name door de snelle opwarming van de polen komt er met dezelfde snelheid landbouwgrond in hogebreedtegraadregio’s beschikbaar. De noordelijkste delen van Amerika en China warmen minstens twee keer zo snel op als het wereldwijde gemiddelde. Zoals de ervaring van Eishenhauer in Manitoba uitwijst, verplaatsen gewassen zich als reactie al steeds verder poolwaarts.

    Lees ook:

    Een studie van Colorado State University die in 2020 in het blad Nature werd gepubliceerd constateerde aanzienlijke veranderingen in de verdeling van verschillende van regen afhankelijke gewassen in de periode 1972-2012, toen boeren andere beslissingen begonnen te nemen over welke gewassen ze waar plantten. De maisproductie bijvoorbeeld breidde zich uit van het zuidoosten van Amerika naar het noordelijke middenwesten. Tarwe is dankzij nieuwe irrigatiemethodes in zo’n sterke mate naar het noorden opgerukt dat het de opwarming de loef afsteekt: de warmste plekken waar het momenteel wordt verbouwd zijn koeler dan de warmste plekken waar het in 1975 groeide. 65 procent van alle eiwitten die aan vee worden toegediend is afkomstig van sojabonen. Deze wonderbonen zijn zowel in noordelijke als zuidelijke richting opgerukt, nu nieuwe rassen en andere vindingen het verbouwen ervan ook in tropische regio’s mogelijk maken. De gebieden in China waar rijst wordt verbouwd hebben zich sinds 1949 steeds verder naar het noorden uitgebreid. Ook wijndruiven en andere vruchten zijn naar het noorden gemigreerd.

    De stoutmoedigste investeerders zien kansen in landen waar momenteel totaal geen landbouw plaatsvindt

    Volgens Eisenhauer tellen investeerders steeds grotere bedragen neer voor Canadese landbouwgrond om zich in te dekken tegen de klimaatrisico’s die ze elders lopen. Martin Davies van Westchester, een groot landbouwinvesteringsbedrijf, zegt dat hij in veel andere delen van de wereld overeenkomstige trends ziet.

    De stoutmoedigste investeerders zien kansen in landen waar momenteel totaal geen landbouw plaatsvindt. Momenteel kent wereldwijd maar een derde van alle boreale regio’s, een bioom van hoofdzakelijk coniferenbossen dat uitgestrekte gebieden ten zuiden van de poolcirkel beslaat, temperaturen die hoog genoeg zijn om de meest winterharde graangewassen te verbouwen, zoals haver en gerst. Dit zou zich tot 2099 kunnen uitbreiden tot drie kwart, volgens een in 2018 in het blad Scientific Reports gepubliceerde studie (zie kaart). Het aandeel van boreaal land waar landbouw mogelijk is, zou zich in Zweden kunnen uitbreiden van 8 tot 41 procent. In Finland zou het kunnen toenemen van 51 tot 83 procent.

    Pogingen om deze gebieden te bebouwen zullen mensen alarmeren die de boreale bossen willen behouden. En door het kappen van zulke bossen en het omploegen van de grond die eronder ligt zal kooldioxide vrijkomen. Maar de klimatologische gevolgen zijn niet zo eenvoudig als ze lijken te zijn. De noordelijke bossen absorberen meer zonnewarmte dan open landbouwgrond, omdat de door sneeuw bedekte landbouwgrond licht terugkaatst naar de ruimte (in bossen ligt de sneeuw onder de bomen en schijnt de zon er niet zo recht op). Maar dat het kappen van boreale bossen de klimaatverandering misschien niet zal verhevigen zegt niets over de mate waarin het de biodiversiteit, het ecosysteem of het leven van met name inheemse bosbewoners kan beïnvloeden.

    Klimaatverandering als zegen

    Sommige regeringen popelen om de klimaatverandering te gelde te maken. Rusland ziet hogere temperaturen al lange tijd als een zegen. President Vladimir Poetin pochte eens dat die Russen in staat zou stellen minder geld aan bontjassen te besteden en meer graan te verbouwen. In 2020 schetste een ‘nationaal actieplan’ voor klimaatverandering op welke manieren het land ‘de voordelen ervan kon benutten’, zoals door het uitbreiden van de landbouw. Sinds 2015 is Rusland de grootste tarweproducent ter wereld, voornamelijk vanwege de hogere temperaturen.

    De Russische regering is al begonnen met het verpachten van duizenden vierkante kilometers grond in het verre oosten van het land aan Chinese, Zuid-Koreaanse en Japanse investeerders. Een groot deel van het ooit onvruchtbare land wordt nu gebruikt voor het verbouwen van sojabonen. Het grootste deel daarvan wordt geïmporteerd door China, dat daardoor minder afhankelijk wordt van import uit Amerika. Sergej Levin, de Russische onderminister van Landbouw, heeft voorspeld dat de waarde van de sojaexport uit het verre oosten van Rusland in 2024 zeshonderd miljard dollar zal belopen. Dat zou dan bijna vijf keer zoveel zijn als in 2017. Ook het bestuur van Newfoundland en Labrador, een provincie op het noordoostelijke puntje van Canada, probeert de uitbreiding van landbouw te bevorderen naar land dat nu nog door bossen wordt bedekt.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/activisten-leggen-voedselsysteem-bloot

    Behalve door middel van hogere temperaturen is er nog een manier waarop de veranderingen die de mensheid in de atmosfeer veroorzaakt zulke projecten een zetje kunnen geven. Kooldioxide is niet alleen maar een broeikasgas; het is ook de grondstof voor de fotosynthese die planten in staat stelt te groeien en zich te voeden. Voor de meeste planten betekent meer kooldioxide meer groei. De toename van kooldioxide gedurende de afgelopen eeuw heeft tot een duidelijk meetbare ‘wereldwijde vergroening’ geleid dankzij de planten die het meest van meer kooldioxide profiteren. Maar dat is niet onverdeeld goed. Grotere oogsten hoeven geen voedzamer oogsten te zijn.

    Bovendien zal de klimaatverandering de regenpatronen veranderen. Daarvan hoeven plannen voor meer landbouw in noordelijke klimaten niet per se te profiteren. Veel gebieden die mild genoeg worden voor landbouw zullen uiteindelijk met watergebrek te kampen krijgen, althans zonder intensieve irrigatie. Andere zullen te veel water krijgen. Gewassen zijn niet de enige organismen waarvan het bereik zich uitbreidt naarmate de temperatuur stijgt: epidemieën en ziektekiemen, die vaak door koude winters worden gedood, verspreiden zich ook. Ook de bodem is van belang. De beste grond tref je meestal aan op lagere breedtegraden, niet in het uiterste noorden.

    Nieuwe landbouwgrond

    Sommige nieuwe landbouwgrond staat op het punt gerealiseerd te worden. Maar de ontginning van afgelegen regio’s van Siberië, om maar een voorbeeld te noemen, waar een groot deel van de bestaande infrastructuur al wegzakt en uiteenvalt vanwege de smeltende permafrost, zal traag en kostbaar zijn. Ook zullen afgelegen boerenbedrijven veel meer werknemers moeten aantrekken en huisvesten. Ze zullen in toenemende mate aangewezen zijn op buitenlandse migranten, een idee dat stemmers in veel rijke landen niet bepaald zal aanspreken.

    Al met al zal de noordwaartse uitbreiding van landbouwgrond de schade die klimaatverandering voor de landbouw impliceert maar tot op zekere hoogte beperken. De maatschappijen die er het meest van zullen profiteren zijn ook nu al het rijkst. Arme contreien, die veel meer afhankelijk zijn van inkomsten van de export van landbouwproducten, zullen eronder lijden.

    Er zal een veel groter scala van aanpassingen nodig zijn om voedsel even overvloedig, gevarieerd en betaalbaar te houden als vandaag de dag. Daartoe zullen pogingen behoren om gewassen bestand te maken tegen hogere temperaturen, bijvoorbeeld door slimmere veredelingswijzen, innovaties op irrigatiegebied en bescherming tegen barre weersomstandigheden. Ook zullen zowel rijke als arme landen het verminderen van de voedselverspilling tot prioriteit moeten verheffen (volgens schattingen van de VN Landbouw- en Voedselorganisatie wordt meer dan een derde van al het voedsel weggegooid). Het alternatief zal een wereld zijn die meer honger heeft en ongelijker is dan op dit moment, en misschien wel ooit in het verleden.

    Lees ook:

  • Zo krijgen we honger de wereld uit: minder vlees, meer afwisseling

    Zo krijgen we honger de wereld uit: minder vlees, meer afwisseling

    De wereldvoedselproductie is voldoende voor 12 miljard mensen, 3 miljard meer dan er nu op de wereld zijn. Desondanks lijdt bijna 10 procent honger. Hoe kunnen we onze voedselvoorziening in de toekomst veiligstellen?

    De keuze van redacteur Diederik Samwel

    ‘Erg bijzonder vond ik het door Silvia Liebrich geschreven stuk “Zo krijgen we honger de wereld uit: minder vlees, meer afwisseling” van Süddeutsche Zeitung. Naast alle deprimerende journalistiek die misstanden bloot legt – onmisbaar uiteraard! – voor de afwisseling een artikel met een positieve, oplossingsgerichte strekking.’

    Rundvlees uit Zuid-Amerika, appels uit Nieuw-Zeeland, rijst uit Azië. Als je boodschappen doet in een supermarkt neem je als vanzelfsprekend artikelen uit de hele wereld mee naar huis. En heb je de indruk dat voedsel altijd en overal beschikbaar is. Dat dat niet zo hoeft te zijn, merkt de consument maar zelden. Zo’n moment was er bijvoorbeeld wel aan het begin van de pandemie, toen bloem en gist opeens niet meer op hun gebruikelijke plek in het schap lagen. Maar eigenlijk is graan op geen enkel moment echt schaars geweest, de noodsituatie was, in ieder geval in Duitsland, alleen het gevolg van irrationele hamsterwoede. Wat je in de rijke westerse landen makkelijk kunt verdringen, kan in armere landen, waar de voedselketen in de regel een stuk kwetsbaarder is, catastrofale gevolgen hebben.

    Levensmiddelen zijn hernieuwbare grondstoffen, waarvan de productie en eerlijke verdeling de komende decennia een grote uitdaging wordt. Het goede nieuws: de huidige wereldvoedselproductie is voldoende voor 12 miljard mensen, dus 3 miljard meer dan er nu op de wereld zijn. Het slechte nieuws is dat desondanks bijna 10 procent honger lijdt.

    Hoe kunnen we een groeiende wereldbevolking te eten geven zonder ecosystemen, watervoorraden en het klimaat geweld aan te doen? En wat betekent dat voor de voedselvoorziening in de toekomst? Een overzicht van de mogelijkheden.

    Verspilling is funest

    Veel voedsel is al bedorven voordat het bij de consument aankomt. ‘Al met al komt zo’n 40 procent van het voedsel dat op de wereld wordt geproduceerd nooit op een bord terecht,’ aldus een recent bericht van het WWF. Dat betekent dat wereldwijd elk jaar 2,5 miljard ton voedsel verloren gaat. 1,2 miljard ton daarvan verdwijnt al in de landbouw, de rest bij het transport, de verwerking, in de handel en thuis. Die verspilling is ook slecht voor het klimaat: ruim 10 procent van de globale uitstoot van broeikasgassen komt op het conto van de voedselverspilling. 

    De politiek ziet het probleem wel, maar daarmee is het nog niet verdwenen. De hele voedselketen moet op zijn verantwoordelijkheden worden aangesproken, eist het WWF. ‘Alleen met elkaar, van de akker tot op het bord, kunnen we het doel bereiken om vóór 2030 wereldwijd de hoeveelheid voedsel die verloren gaat, te halveren.’ Deze taak is onderdeel van de 17 duurzaamheidsdoelen van de Verenigde Naties, de zogeheten Sustainable Development Goals (SDG’s). Maar de weg daarnaartoe is lang. Daarvoor moeten ook de consumenten hun gedrag wezenlijk veranderen, want nog steeds belandt 40 procent van het voedsel bij mensen thuis in de vuilnisbak. 

    Lees ook:

    Milieubeschermers eisen dan ook een informatieoffensief om de bevolking, bijvoorbeeld via het onderwijs, te informeren en hun bij te brengen wat de gevolgen van onze voedingsgewoonten zijn. Daarnaast is het nodig door middel van systematische registratie, via publiekrechtelijke organisaties bijvoorbeeld, vast te leggen waar in de voedselketen voedsel bederft en hoe dat kan worden voorkomen. Een groot probleem in arme landen is ook dat veel voedsel al bederft terwijl het onderweg is van de akker naar de afnemer, bijvoorbeeld omdat het niet permanent wordt gekoeld.

    Op wereldniveau krimpt het landbouwareaal. Hiervoor zijn veel oorzaken aan te wijzen. Voor steden en dorpen is ruimte nodig, verder brengt de klimaatcrisis in veel regio’s de oogsten in gevaar en is water in sommige gebieden zo schaars dat er haast niets meer groeit. Daar komt bij dat er steeds meer gewassen worden verbouwd die niet als voedsel dienen, maar tot brandstof, bouwmateriaal of grondstof voor bijvoorbeeld aardolievrije kunststoffen worden verwerkt. Alleen al in Duitsland is volgens een opgave van het Duitse ministerie van Economische Zaken het areaal voor industrie- en energiegewassen in de afgelopen 20 jaar meer dan verdrievoudigd tot 2,67 miljoen hectare, een trend die over de hele wereld zichtbaar is. Ter vergelijking: het totale landbouwareaal in de Bondsrepubliek is nog geen 17 miljoen hectare. Experts gaan ervan uit dat de concurrentiestrijd tussen voedselgewassen en gewassen voor ander gebruik heviger zal worden. Dat vereist regelgeving. Weliswaar vragen internationale organisaties als de Verenigde Naties nadrukkelijk om voorrang te geven aan de voedselproductie, maar hoe dat moet worden gerealiseerd, is nog volkomen onduidelijk.

    Eén vleeseter veroorzaakt net zo veel broeikasgassen als twee veganisten

    Kunstvlees uit het laboratorium gold tot voor kort als duur speelgoed voor dappere startups. Maar intussen zijn sommige projecten al zo ver dat de eerste porties voor betaalbare bedragen worden opgediend. Zo serveert een restaurant in Singapore sinds kort voor omgerekend 14 euro een soort ravioli met gekweekt kippenvlees. Ter vergelijking: in 2013 kostte het produceren van een in-vitroburger nog een kwart miljoen euro. Niet zonder reden wordt in die branche voor miljarden geïnvesteerd. Geen enkel ander voedingsmiddel belast het ecosysteem en het klimaat zozeer als vlees. Dus zijn er alternatieven nodig. Kweekvlees is één mogelijkheid, maar ook insecten kunnen in de toekomst een belangrijke leverancier van eiwitten worden.

    Lees ook:

    Vaststaat dat de vleesproductie op de wereld beslissend zal zijn voor hoeveel mensen er kunnen worden gevoed. Volgens het Duitse ministerie van Milieu veroorzaakt één vleeseter net zo veel broeikasgassen als twee veganisten. Hoe enorm de invloed van de veeteelt is, blijkt uit het onderzoek van Joseph Poore en Thomas Nemecek, dat in 2018 in Science werd gepubliceerd. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat vlees- en melkproducten slechts 18 procent uitmaken van de hoeveelheid calorieën die een mens tot zich neemt. Maar daarvoor wordt wel 83 procent van het beschikbare landbouwareaal gebruikt. Anders gezegd: als iedereen veganist was, zou het landbouwareaal met 75 procent omlaag kunnen.

    Verscheidenheid

    Meer opbrengst op hetzelfde areaal is de grote droom van de agro-industrie. Met de ‘groene revolutie’ na de Tweede Wereldoorlog is dat gelukt. Door nieuwe teeltmethoden en massaal gebruik van kunstmest en pesticiden schoten de opbrengsten omhoog. Een toename die later ook door het gebruik van gentechniek niet kon worden geëvenaard. Sinds het invoeren daarvan woedt er een bittere strijd, onder meer over de vraag of de groeiende wereldbevolking meer gediend is met ecologische landbouw of met gentechniek. Het combineren daarvan kost vooral de aanhangers van biologische landbouw moeite. Maar er zijn uitzonderingen, zoals de Zwitserse agronoom en ecopionier Urs Niggli. ‘Geen enkele afzonderlijke plant, geen enkel individueel zaadje kan ervoor zorgen dat we de wereld in de toekomst duurzamer kunnen voeden,’ citeerde tijdschrift Geo hem recentelijk.

    Meer verscheidenheid op de akker, in het onderzoek en in het denken. Dat is wat ook andere landbouwdeskundigen willen. Rijst, tarwe en maïs zijn voor de voedselvoorziening van de mens onontbeerlijk. Samen voorzien ze in bijna de helft van de menselijke behoefte aan calorieën. De grote agroconcerns concentreren zich daarom al decennialang op het verder ontwikkelen van deze drie granen. Andere, vooral regionaal belangrijke gewassen als maniok, gierst en bakbananen krijgen nauwelijks aandacht. Howard-Yana Shapiro, een Amerikaanse onderzoeker, vindt dat verkeerd. Voor zijn werkgever Mars Inc., van de chocobars, heeft hij een paar jaar geleden het DNA van de cacaoplant ontsleuteld. Maar daar had hij een voorwaarde aan verbonden: geen patent en geen gebruiksvergoeding. Het resultaat van zijn werk moest gratis ter beschikking komen van onderzoekers op de hele wereld.

    Vervolgens ging hij aan de slag om het erfelijke materiaal van honderd Afrikaanse voedingsgewassen te ontsleutelen om de teelt ervan te kunnen verbeteren. Het is het alternatief voor het businessmodel van de agro-industrie, die haar onderzoeksresultaten achter slot en grendel houdt. Maar zulke prille aanzetten tot opensource-onderzoek kunnen een revolutie teweegbrengen in de teelt van landbouwgewassen en tevens de toekomstige voedselvoorziening veiligstellen. 

    Lees ook:

  • In Singapore bestel je kip gekweekt in het laboratorium

    In Singapore bestel je kip gekweekt in het laboratorium

    Singapore is hard op weg het Silicon Valley van de foodtech te worden. De kleine stadstaat wil vanaf 2030 30 procent van zijn voedsel lokaal produceren – met behulp van alternatieve eiwitbronnen, kweekvlees en verticale boerderijen.

    Het is een warme avond in Singapore en bij restaurant 1880 aan de oever van de rivier genieten chique gasten van gerechten met intrigerende namen als ‘bosgrond’ en ‘overstroomde toekomst’. Maar de echte sterren van de avond zijn twee minder flamboyant klinkende hoofdgerechten: chicken and waffles en chicken bao.

    De gebakken kip op de borden is stevig en gemakkelijk met een vork uit elkaar te trekken. Maar dit is geen gewoon kippenvlees. Het is gemaakt van stamcellen uit een kippenveer en opgekweekt in een speciale bioreactor.

    De aanwezigen in het restaurant behoren tot de eerste betalende gasten die kippenvlees uit een laboratorium voorgeschoteld krijgen.

    ‘Ik had niet verwacht dat ik dit ooit nog eens op het bord van een consument zou zien liggen’

    Kaimana Chee, chef-kok bij Eat Just, de in San Francisco gevestigde culinaire start-up die de kip heeft gefabriceerd, heeft geholpen bij de bereiding van het diner. ‘Ik was tot tranen toe geroerd, want ik had niet verwacht dat ik dit ooit nog eens op het bord van een consument zou zien liggen,’ zegt hij tegen Nikkei Asian Review.

    DO 2 1 1

    Vanwege alle belemmerende regels en het wereldwijde wantrouwen tegenover in het laboratorium gekweekt vlees was de 43-jarige Chee ervan overtuigd dat het jaren zou duren voor er groen licht kwam. Hij dacht dat het bij Eat Just, waar hij in 2016 kwam werken, zijn missie was om inspirerende gerechten te bedenken die ‘het zaadje moesten planten voor een volgende generatie’. Dus toen Singapore in december 2020 als eerste land de verkoop van dit type eiwit goedkeurde, was Chee stomverbaasd. 

    Veel waarnemers in deze bedrijfstak waren minder verrast. ‘Het is geen toeval dat Singapore de eerste markt ter wereld voor kweekvlees is,’ verklaart Mirte Gosker van het non-profit Good Food Institute Asia Pacific (GFI APAC). ‘De overheid heeft geïnvesteerd in een gunstig ecosysteem voor voedselinnovatie.’

    Betrouwbare voedselvoorziening

    Dat Singapore zich op het terrein van laboratoriumvlees en eiwitalternatieven – gemaakt van planten, insecten, algen en schimmels – begeeft, is onderdeel van een welbewust beleid om in de toekomst veerkrachtiger te zijn als er zich schommelingen voordoen in het voedselaanbod.

    De stadstaat heeft in Azië het voortouw genomen in de zoektocht naar een betrouwbare voedselvoorziening. Volgens schattingen van de Verenigde Naties zijn in deze regio meer dan 350 miljoen mensen ondervoed, terwijl zo’n 1 miljard mensen in 2019 te kampen kregen met matige of ernstige voedselonzekerheid, waarbij het moeilijk was om aan eten te komen of ze daadwerkelijk zonder voedsel kwamen te zitten, soms dagenlang. De uitdaging is nog urgenter geworden sinds het coronavirus toesloeg, waardoor de voedselonzekerheid in Azië nog groter is geworden en overheden alarmerende voorproefjes hebben gekregen van de manier waarop een crisis de voedselvoorraden kan bedreigen.

    Een van de maatregelen die Singapore heeft genomen is dat het nu voedsel importeert uit meer landen dan voorheen: ongeveer 170 landen en regio’s, zo’n 30 meer dan in 2004.

    In het jaar 2030 moet 30 procent van de Singaporese voedselbehoefte lokaal geproduceerd zijn

    Singapore streeft er ook naar om zelfvoorzienender te worden. In maart 2019 kondigde de stadstaat de doelstelling ‘30 in 30’ aan: in het jaar 2030 moet 30 procent van de Singaporese voedselbehoefte lokaal geproduceerd zijn, terwijl dat nu 10 procent is.

    ‘Veerkracht betekent het vermogen hebben om verstoringen in de voedseltoevoer op te vangen,’ zegt Paul Teng, expert op het gebied van voedselzekerheid bij de Nanyang Technological University (NTU) in Singapore. 

    Toen Teng en zijn collega’s rond 2005 onderzoek gingen doen naar voedselveerkracht, lag de focus vooral op voedselzekerheid. ‘Niemand luisterde toen naar ons,’ vertelt hij. 

    Het is een subtiel, maar belangrijk verschil. Als het om voedselzekerheid gaat, is de situatie in het rijke Singapore behoorlijk gunstig: het staat negentiende op de lijst van landen met de hoogste voedselzekerheid die in 2020 is opgesteld door de Economist Intelligence Unit – maar dat wil niet zeggen dat Singapore achterover kan leunen. ‘De strategie van de overheid was indertijd: ‘Als we ons bbp vergroten en de middelen hebben om voedsel te kopen, dan hoeven we ons geen zorgen te maken, want er zal altijd wel ergens voedsel te koop zijn,’ vertelt Teng. ‘Dat is allemaal goed en wel als er geen verstoringen plaatsvinden in de voedselproductie en in de aanvoerketen.’

    Maar grote prijsschommelingen tijdens de financiële crisis van 2008, de exportstop van Maleisië op vis in 2014 en andere gebeurtenissen hebben kwetsbaarheden blootgelegd. En toen kwam de pandemie.

    Buffer

    ‘Covid-19 heeft wereldwijd verstoringen veroorzaakt, doordat sommige exportlanden de uitvoer van bepaalde voedingswaren gingen verbieden om aan hun eigen binnenlandse behoefte te kunnen voldoen, of doordat ze in lockdown gingen,’ zegt Melvin Chow, topman bij de afdeling voedselinfrastructuur, -ontwikkeling en -management van de Singapore Food Agency. Volgens hem zou het vergroten van de voedselproductie volgens de ‘30 in 30’-strategie zorgen voor een buffer om verstoringen in het buitenland op te vangen. Maar meer voedsel kweken is gemakkelijker gezegd dan gedaan in Singapore, dat 50 bij 27 kilometer groot is. Dit op twee na dichtst bevolkte gebied ter wereld heeft maar 1 procent van zijn land beschikbaar voor landbouw.

    De stadstaat, die altijd behendig heeft weten om te gaan met zijn beperkte ruimte en hulpbronnen, wil nu zijn ‘capaciteiten op het gebied van wetenschap en technologie aanwenden om innovatieve oplossingen te ontwikkelen’, zegt Chow. En daar komen Eat Just en vergelijkbare start-ups om de hoek kijken. ‘Voor eiwitten die gebaseerd zijn op planten en cellen heb je veel minder ruimte en hulpmiddelen nodig om toch evenveel voedsel te produceren als met traditionele voedselbronnen,’ zegt Bernice Tay, hoofd voedselfabricage bij Enterprise Singapore, een overheidsorganisatie die zich bezighoudt met de ontwikkeling van kleine en middelgrote bedrijven.

    De overheid wil de voedseltechnologie graag stimuleren en heeft tot 2025 144 miljoen Singaporese dollar (ruim 90 miljoen euro) vrijgemaakt voor voedselgerelateerde R&D-programma’s. Enterprise Singapore is ook een samenwerking aangegaan met verscheidene mondiale investeringsmaatschappijen, waaronder Big Idea Ventures, dat een fonds van 50 miljoen dollar (ruim 42 miljoen euro) heeft voor alternatieve eiwitten. 

    ‘Singapore begint zich een plek te veroveren als het Silicon Valley van de foodtech’

    In april heeft Singapore de Future Ready Food Safety Hub (FRESH) opgericht, een samenwerkingsverband tussen overheid, bedrijfsleven en de academische wereld, om onderzoek te doen naar de veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen en het onderzoek van de bedrijven zelf te ondersteunen. En vanaf september 2021 biedt NTU in samenwerking met GFI APAC studenten de mogelijkheid om een semester lang eiwitalternatieven te bestuderen en kennis op te doen over de commerciële mogelijkheden ervan. 

    Andre Menezes, medeoprichter van Next Gen Foods, een in Singapore gevestigd bedrijf dat in maart 2021 op soja gebaseerde kippendijen op de markt bracht, noemt de stad een ‘compleet ecosysteem op een heel klein, dichtbevolkt eiland’.

    ‘Singapore begint zich een plek te veroveren als het Silicon Valley van de foodtech, zegt Menezes, wiens kippendijproduct nu in meer dan 45 plaatselijke restaurants op de kaart staat. In februari haalde Next Gen Foods 10 miljoen dollar op bij een groep investeerders, waaronder de Singaporese maatschappij Temasek International. Het is het grootste investeringsbedrag tot nu toe voor een bedrijf in op planten gebaseerde voedseltechnologie. In juni opende Next Gen Foods nieuwe vestigingen in Hongkong, Macao en Kuala Lumpur.

    Binnenboerderijen

    Er zijn in Singapore de afgelopen twee jaar meer dan vijftien bedrijven gestart die ‘nieuwe’ eiwitten produceren. Naast Eat Just en Next Gen Foods zijn dat internationale spelers zoals de Californische producent van zuivelvervangers Perfect Day en de bedrijven Shiok Meats en Gaia Foods, die in Singapore zelf zijn opgekomen en respectievelijk werken aan de productie van gekweekte vis, schelp- en schaaldieren en gekweekt rood vlees.

    Nog een pijler onder de ‘30 in 30’-doelstelling van Singapore is hightech indoorlandbouw in stedelijk gebied. Er bestaan al 31 van dergelijke ‘boerderijen’, 28 voor groenten en 3 voor vis.

    Het feit dat de boerderijen binnen zijn, maakt ze ‘bestand tegen enkele van de gevolgen van klimaatverandering’, zegt Chow. Ze maken gebruik van smart technologieën die ‘het mogelijk maken om meer te verbouwen met minder’, met opbrengsten die per hectare grond tien tot vijftien keer zo hoog liggen als bij traditionele landbouw of op land gevestigde viskwekerijen.

    Een van die boerderijen, Commonwealth Greens, kan jaarlijks wel honderd ton groenten oogsten, bijna 1 procent van alle bladgroenten die ter plaatse worden verbouwd. In hoge ruimtes van een groot bedrijfspand verbouwt het bedrijf rijen groene mosterdplanten, snijbiet, zuring en verschillende soorten sla in plastic bakken. Elke groeibak is ongeveer een meter lang en heeft zijn eigen strip felle ledlampen die vanaf het plafond omlaaghangen als verticale jaloezieën.

    ‘Met het Internet der Dingen kunnen we grote hoeveelheden data verzamelen die van levensbelang zijn voor de planten’

    Voor in elke ruimte liggen de ‘hersens’ van de boerderij: twee sensoren. De ene regelt luchttemperatuur, vochtigheidsgraad, koolmonoxidegehalte en zuurgraden. De andere bepaalt de hoeveelheid en de samenstelling van de vloeibare voedingsstoffen die aan de planten worden toegediend.

    ‘Onze technologie maakt gebruik van het Internet der Dingen, waardoor we grote hoeveelheden data kunnen verzamelen die van levensbelang zijn voor de planten,’ vertelt Sven Yeo, medeoprichter en hoofd technologie van Archisen, het agritechbedrijf dat deze boerderij runt. ‘Voor elk gewas dat we verbouwen hebben we iets dat we een recept noemen.’ Dit is in wezen een reeks parameters: licht, pH, temperatuur enzovoort, die Yeo en zijn team precies afstemmen om een plant zo te laten groeien dat die ‘zijn maximale voedingswaarde en smaakprofiel haalt’.

    Het op hydrocultuur gebaseerde systeem verbruikt 95 procent minder water en 85 procent minder meststoffen dan traditionele, op aarde gebaseerde systemen. Volgens voorstanders bieden indoorboerderijen en alternatieve eiwitten betere opbrengsten en schoner vlees, met minimaal of helemaal geen gebruik van de pesticiden, antibiotica of hormonen die in de tegenwoordige voedselproducten zitten.

    ‘Klanten staan tegenwoordig veel kritischer tegenover het voedsel dat ze eten’

    ‘Klanten staan tegenwoordig veel kritischer tegenover het voedsel dat ze eten,’ zegt Aileen Supriyadi, onderzoeker van marketingresearchbureau Euromonitor International. Met name sinds de recente coronapandemie, en nu de Afrikaanse varkensgriep de veestapels in de regio bedreigt, maken consumenten zich meer zorgen over voedselveiligheid. Toch zijn veel mensen ook sceptisch, vooral tegenover gekweekt vlees. In een YouGov Omnibus-onderzoek onder 1068 inwoners van Singapore in december 2020 zei 48 procent van de ondervraagden dat ze zulk vlees niet zouden eten. Uit een onderzoek van Euromonitor in 2020 bleek dat 36,5 procent van de consumenten in Azië/Oceanië een voorkeur had voor geheel natuurlijke producten, tegen 33,3 procent in Europa en 28,4 procent in Noord-Amerika.

    Maar voor Singapore bieden de hightechboerderijen goede mogelijkheden om de voedselproductie op te voeren.

    Sommige experts denken dat ook andere Aziatische landen er profijt van zouden kunnen hebben. Indoorboerderijen zijn niet nieuw. Volgens Teng van NTU bestaan er in heel Azië al zo’n vierhonderd. Maar deze compacte landbouwmethode met haar hoge opbrengsten komt vooral goed van pas in sterk verstedelijkte gebieden waar de koopkracht groot is en vastgoedprijzen hoog zijn, aldus Yeo van Archisen.

    Jakarta is een goed voorbeeld, zegt Christian Prokscha, oprichter van Eden Towers, dat daar in februari een verticale boerderij begon. ‘Je kunt dingen verbouwen op de heuvels buiten Jakarta,’ zegt hij, ‘maar het probleem is dat je logistieke lijnen dan heel lang zijn.’

    Voor indoorboerderijen zijn vooral de kosten van de gebouwen en de geavanceerde apparatuur een grote uitdaging, zegt Yeo. Singapore heeft de afgelopen jaren genereuze subsidies verstrekt, en lanceerde nog in april een fonds van 60 miljoen Singaporese dollar (37,5 miljoen euro), dat ondernemers die een boerderij willen beginnen helpt de eerste bouwkosten op te brengen. Maar weinig Zuidoost-Aziatische landen hebben zulke diepe zakken als Singapore.

    Als het om ‘nieuwe’ eiwitten gaat vormen de hoge verkoopprijzen ook een hoge horde om te nemen. Niettemin is Azië bij uitstek geschikt om te profiteren van de verschuiving naar eiwitalternatieven, aldus Gosker van GFI APA, die wijst op de ‘vruchtbare landbouwgronden, uitgebreide infrastructuur en productiekracht, wereldvermaarde innovatiecentra en ongeëvenaarde marktvolume. Lokale producenten kunnen nu een vrijwel ongelimiteerd aantal verschillende ingrediënten krijgen, die volgens nieuwe en innovatieve methodes verwerken en zo de volgende generatie plantaardige vleesvervangers maken – allemaal op hetzelfde stukje van de wereld.’

  • Volgens China is leegloop Hongkong ‘normaal’ | Maersk bestelt groenere schepen

    Volgens China is leegloop Hongkong ‘normaal’ | Maersk bestelt groenere schepen

    China: ‘Vertrek van tienduizenden is normaal

    Tijdens een bezoek aan Hongkong ontkende een hoge Chinese regeringsfunctionaris dat tienduizenden inwoners de stad hebben verlaten vanwege de door Beijing opgelegde nationale veiligheidswet. De regering van de stadstaat maakte eerder deze maand bekend dat ruim 89.000 mensen uit Hongkong zijn vertrokken sinds de invoering van de veiligheidswet, twaalf maanden geleden. Maar volgens Huang Liuquan, van het Bureau voor Zaken aangaande Hongkong en Macau, hebben de twee zaken niets met elkaar te maken, schrijft South China Morning Post.

    ‘De ontwikkeling van Hongkong is weer op de goede weg’

    ‘Sommigen suggereren dat mensen Hongkong hebben verlaten omdat ze ontevreden zijn over de uitvoering van de nationale veiligheidswet en het vertrouwen in de ontwikkeling van de stad hebben verloren. Ik denk niet dat dat juist is’, aldus Huang. ‘Inwoners hebben hun rustige en veilige leven hervat, de principes van de rechtsstaat zijn duidelijk gemaakt en de sociale orde is hersteld. De ontwikkeling van Hongkong is weer op de goede weg. Dit zijn onmiskenbare feiten.’

    Huang beweerde dat een uittocht van tienduizenden inwoners normaal is voor een internationaal georiënteerde stad, zeker tijdens een pandemie.

    Lees ook:


    Maersk bestelt groenere schepen

    Het Deense Maersk, de grootste rederij ter wereld, investeert 1 miljard Britse pond, circa 1,17 miljard euro, in CO2-neutrale containerschepen. Het bedrijf bestelt acht containerschepen die kunnen varen op groene methanol en op traditionele bunkerbrandstof, bericht The Guardian. Volgens Maersk, dat onder meer goederen verscheept voor H&M Group en Unilever, leidt de vervanging van oudere door fossiele brandstoffen aangedreven schepen, tot een vermindering van zeker 1 miljoen ton CO2 per jaar.

    ‘Deze order bewijst dat er nu goede CO2-neutrale oplossingen beschikbaar zijn’

    De bestelling van de schepen bij Hyundai Heavy Industries in Zuid-Korea, is vooralsnog de grootste stap om de scheepvaartindustrie, die verantwoordelijk is voor bijna 3 procent van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, CO2-arm te maken. De scheepvaart reageerde relatief traag op oproepen om het gebruik van fossiele brandstoffen te verminderen, deels omdat schonere alternatieven schaars en duurder zijn. ‘Deze order bewijst dat er nu goede CO2-neutrale oplossingen beschikbaar zijn’, aldus Søren Skou, CEO van Maersk. De acht schepen, elk met een capaciteit van 16.000 containers, worden naar verwachting aan het begin van 2024 opgeleverd.

    Lees ook:

    10 miljard yuan voor Chinese boeren

    Pinduoduo, het grootste technologieplatform in China dat boeren en distributeurs rechtstreeks met consumenten verbindt, kondigde vorige week aan 10 miljard yuan, circa 1,3 miljard euro, te doneren aan de landbouwsector. Direct daarna steeg de beurskoers met 22 procent. De donatie komt overeen met instructies van president Xi Jinping om sociale ongelijkheid aan te pakken, schrijft Le Courrier International.

  • Steunbetuiging aan Afghaanse kunstenaars | Algerije verwijt Marokko ‘vijandige acties’

    Steunbetuiging aan Afghaanse kunstenaars | Algerije verwijt Marokko ‘vijandige acties’

    Oproep voor steun aan Afghaanse kunstenaars

    Een groep van 350 kunstenaars, filmmakers, artiesten, schrijvers en curatoren heeft de Amerikaanse regering in een open brief verzocht om hulp te bieden aan Afghanen werkzaam in de culturele sector die op de vlucht zijn voor de taliban. De groep, die zich Arts for Afghanistan noemt, roept de Amerikaanse regering op om ‘alles te doen’ om ‘het vertrek van Afghanen die risico lopen, te bespoedigen’ en om daarbij ook ‘kunstenaars, filmmakers, artiesten en schrijvers’ op te nemen, aldus ArtNet News.

    ‘De stemmen van kunstenaars worden als gevaarlijk beschouwd omdat ze de macht de waarheid zeggen’

    Volgens de briefschrijvers namen cultuurwerkers al vóór de overname door de taliban grote risico’s bij het weergeven van de ervaringen en het verwoorden van de ambities van Afghanen, daartoe vaak aangemoedigd of gesteund door de Amerikaanse regering.

    Volgens politicoloog Eric Gottesman, een van de ondertekenaars, ‘worden de stemmen van kunstenaars als gevaarlijk beschouwd omdat ze de macht de waarheid zeggen’. De briefschrijvers vragen de Amerikaanse regering om de uitgifte van visa voor artiesten te versnellen.


    Draghi bepleit humanitaire hulp voor Afghanistan

    De Italiaanse premier Mario Draghi wil dat Italië de middelen die bestemd waren voor de Afghaanse strijdkrachten nu inzet voor humanitaire hulp. Tijdens een digitaal overleg vroeg hij leiders van G7-landen hetzelfde te doen. Hij voegt eraan toe dat de door Italië voorgezeten G20 de G7 zouden kunnen helpen om andere belangrijke spelers zoals Rusland, China, Saoedi-Arabië, Turkije en India bij de plannen te betrekken, schrijft het Italiaanse persbureau ANSA. Dit alles omdat er een enorme inspanning nodig is op het gebied van immigratie.

    Draghi wil er zorg voor dragen dat internationale organisaties ook na de deadline van 31 augustus toegang houden tot Afghanistan.

    Lees ook:


    Algerije en Marokko ruziën

    Algerije heeft vorige week de diplomatieke betrekkingen met Marokko verbroken op beschuldiging van ‘vijandige acties’. Algerije beweerde vorige week al dat de dodelijke bosbranden die op 9 augustus uitbraken tijdens een zinderende hittegolf, het werk waren van ‘terroristische’ groepen. Een daarvan wordt gesteund door Marokko, schrijft Al-Jazeera.

    De bosbranden hebben ten minste negentig mensen het leven gekost

    De bosbranden in Algerije hebben tienduizenden hectaren bos verwoest en aan ten minste negentig mensen het leven gekost, waaronder meer dan dertig soldaten. Volgens de Algerijnse autoriteiten zijn branden aangestoken door de onafhankelijkheidsbeweging MAK uit de Berberse regio Kabylië, die zich uitstrekt langs de Middellandse Zeekust ten oosten van de hoofdstad Algiers.

  • Irene Nonay, van apotheker tot agro-influencer

    Irene Nonay, van apotheker tot agro-influencer

    Irene Nonay besloot enkele jaren geleden om de familieboerderij in Noord-Spanje over te nemen. Nu deelt ze haar dagelijks leven in de amandelvelden op sociale media. ‘Ik wil laten zien waar ons eten vandaan komt.‘ De derde in onze reeks inspirerende persoonlijkheden.

    Irene Nonay groeide op tussen de amandelbomen op de familieboerderij in Bardenas Reales, in de Noord-Spaanse regio Navarra, door de Spaanse onlinekrant El Español beschreven als ‘een van de mooiste plekken op het [Iberische] schiereiland’. Als kind vergezelde ze haar grootvader Arturo op het veld, en onthulde hij haar ‘de geheimen van de aarde’.

    Maar toen ze ouder werd besloot Nonay om farmacie te studeren in Pamplona, ​​​​een stad dicht bij huis. Ze wilde apotheker worden, was een Erasmusstudent, oefende het beoogde beroep enkele jaren uit, tot ze ‘op een dag, overweldigd door (…) de onzekere toekomst van de velden van haar grootouders’ besloot om boerin te worden, schrijft de Spaanse zakenkrant El Economista. ‘Sindsdien wijt ze zich met ziel en zaligheid aan het verbouwen van graan en broccoli en aan de twintig hectare amandelbomen die ze in de regio van Bardenas Reales cultiveert.’

    Hoewel het leven als apotheker meer zekerheid bood, heeft de 28-jarige Nonay een goede reden voor ‘haar keuze om boerin te worden’, vervolgt El Español. En die wil ze graag overbrengen op sociale media.

    ‘Ik zag dat het vaak niet bekend is welk pad een voedingsmiddel volgt totdat het in de schappen van de supermarkt ligt’

    ‘Ik zag veel onwetendheid in de samenleving. Ik zag dat het vaak niet bekend is welk pad een voedingsmiddel volgt totdat het in de schappen van de supermarkt ligt’, aldus Nonay. Daarnaast zag ze ‘dat veel mensen vanwege hun afstand tot de natuur niet de mogelijkheid hebben om te zien wat ik meemaak. Ik wil laten zien wat het inhoudt om in de eenentwintigste eeuw boer te zijn’. 

    Ook wil ze het idee bestrijden dat degenen die op het land werken dat doen omdat ze geen andere keuze hebben. Dat is volgens haar en andere zogeheten agro-influencers een achterhaald idee, dat desonanks nog altijd overheerst.

    Twitter in de velden

    Inmiddels heeft Nonay 5760 volgers op Twitter, op Instagram is dat aantal 2460. Haar posts laten ondanks de idyllische beelden ook zien dat het plattelandsleven niet zo idyllisch is als het lijkt, legt ze uit aan El Español. ‘We hebben weliswaar een goede kwaliteit van leven doordat we in de open lucht zijn en in contact met de natuur staan maar de dagen kunnen erg zwaar zijn’, verzekert Nonay. ‘Je moet je heel goed informeren en je echt bewust zijn van de hardheid van het leven op het platteland om hiervoor te kiezen.’

    De groep agro-influencers wordt in Spanje steeds groter, meldt El Economista. Er zijn tientallen jongeren die over hun leven op het platteland posten, en het aantal volgers neemt elke dag toe.

    ‘De posts zijn bijna altijd gekruid met een mengeling van zorgvuldige humor en fijne ironie die onfeilbaar is om een like te verdienen’, aldus de krant. Maar er is ook veel aandacht voor de onderwaardering van het werk dat duizenden professionals verrichten, waardoor anderen toegang hebben tot dagelijkse producten als een sinaasappel of een biefstuk. ‘Dit werk zichtbaar maken en er een reële waarde aan geven is het gezamenlijke doel dat, ondanks de fysieke afstand, al deze influencers op internet met elkaar verbindt. Op deze manier willen ze een nieuwe generatie boeren aantrekken en de ontvolking van het platteland bestrijden.’

    Lees ook de ander stukken uit onze reeks inspirerende persoonlijkheden:

  • Chili droogt op door avocado’s voor het buitenland

    Chili droogt op door avocado’s voor het buitenland

    Chili kampt al jaren met een grote droogte en een tekort aan water, wat in belangrijke mate aan de dorstige avocado-industrie te wijten is. Bovendien is door privatisering de drinkwaterrekening torenhoog. Toch zijn de bewoners van het dorpje Petorca blij met de kansen die de avocado hen biedt.

    Avocadodroogte

    In 2016 publiceerden wij een longread over de ‘oergezonde waterslurper’: de geliefde avocado. De bekendste soort superfood die er is, maar blijkbaar zijn voor de productie enorme hoeveelheden water nodig, waardoor de landen van herkomst, zoals Brazilië, Chili, Spanje, Zuid-Afrika en Peru, gevaar lopen.

    Deze reportage over een Chileens dorpje maakt duidelijk hoe ingewikkeld het probleem is. Zo zijn de bewoners als de dood dat door slechte pers mensen stoppen met avocado’s eten.

    Net buiten Petorca, een dorp in de gelijknamige provincie op ruim drie uur rijden ten noorden van de hoofdstad, ligt plantage La Chimba. Aan weerszijden van de ingang staan metershoge palmbomen. Achter hoge hekken groeien de avocado’s. Ook hier hebben ze een aanhoudend tekort aan water. 

    Hector Cavieres is opzichter, hij wijst naar boven en zegt: ‘Daar zijn we de bomen aan het snoeien. We hadden vijftig hectare maar we snoeien terug tot dertig hectare. Die bomen doen niks meer vanwege de droogte. Op deze manier kunnen ze een jaar overleven zonder water. Mocht het gaan regenen, dan gaan ze weer groeien.’

    Chincolco22 1
    Chimbaplantage, Chincolco, Chili.

    Iets hoger op de heuvel klinkt onafgebroken het geluid van kettingzagen. Het heeft iets treurigs, al die gekortwiekte gezonde bomen. Drie mannen zagen stug door. Als een van hen even stopt om het zweet van zijn voorhoofd te vegen, vertelt hij dat ze per omgezaagde boom betaald krijgen. ‘We tellen zelf de bomen, per rij staan er dertig. Voor een grote boom krijgen we meer dan voor een kleine.’ Op de vraag of hiermee een redelijk salaris te verdienen valt zegt hij een beetje aarzelend: ‘Jawel. Er wordt op heel veel plaatsen gesnoeid omdat er geen water is.’

    Het afgelopen jaar heeft La Chimba 700.000 kilo avocado’s geoogst. ‘Alle mooie avocado’s zijn voor de export,’ vertelt Cavieres, ‘als ze niet de goede maat hebben, kunnen we ze niet exporteren. Weinig water en de droogte leveren een kleinere avocado op, die blijven in Chili. Dit jaar kunnen we maar ongeveer 10 procent van het aantal van vorig jaar exporteren, zo’n 80.000 kilo.’ Cavieres gaat weer aan het werk, op zijn crossmotor scheurt hij tussen de avocadobomen weg.

    Zwaar werk

    Tijdens de oogst van de avocado’s werken hier vijfentwintig mensen die zijn ingehuurd via een soort uitzendbureau. Met lange stokken waaraan een net en een soort schaar zitten, verdwijnen ze tussen de bomen. Stevige zakken hangen aan hun schouders, hier worden de losgeknipte avocado’s in verzameld. Wanneer de zak vol is sjouwen ze hem naar de weegschaal. Hoe voller, hoe beter.

    Een meisje schrijft op een wit vel papier hoeveel kilo iemand geplukt heeft. Aan het einde van de dag telt ze alles op en wordt er uitbetaald. 

    De mannen, en een enkele vrouw, werken gestaag en veelal zwijgend door. Een van de mannen zegt: ‘Als je alleen lagere school hebt, kun je eigenlijk alleen in de landbouw werken en dan betaalt een avocadoplantage het best. Het ligt aan de grootte van de avocado wat we verdienen. Meestal rond de 24 euro per dag. Maar dan moet je goede en grote avocado’s hebben.’

    Hij knikt: ‘Ja, het is zwaar werk.’ En weg is hij weer, tijd is hier geld.

    Het is een slecht avocadojaar voor La Chimba. Ook hier verlangt men naar regen. 

    Lees ook:

    Een kilometer of twintig noordwaarts staat het bedrijf Agricola Santa Juana. Een grotere speler op de avocadomarkt. Met een heus ontvangstkantoor en een receptioniste. Ze belt haar meerdere maar die laat weten niets te willen zeggen. Buiten hangt een van de chefs over zijn autoportier en vertelt dat ze slechte ervaringen hebben met een Duits tijdschrift waarin werd opgeroepen de avocado niet meer te eten. 

    ‘Als het niet gaat regenen moeten we ons water ergens anders vandaan halen, uit de zee bijvoorbeeld’

    Manuel Montenegro (65) uit Chincolco ziet ook voordelen van de avocadoplantages in de regio. De werkgelegenheid bijvoorbeeld. ‘Verder is hier weinig werk. Er zijn alleen avocado’s, noten en cactussen.’

    Zijn dochter woont even verderop, vertelt hij. Al twintig jaar, in een wijkje waar veel alleenstaande vrouwen met of zonder kinderen wonen. Werken bij een avocadoplantage gaf deze vrouwen financiële onafhankelijkheid. Manuel knikt: zeker, dat is belangrijk, met eigen geld hebben ze geen man meer nodig. De verdiensten van zijn dochter zijn ongeveer 420 euro per maand. 

    Dat het watertekort een probleem is voor de regio zal hij niet ontkennen. ‘Sí, claro, avocado’s hebben veel water nodig. Dat heeft absoluut consequenties. Als het niet gaat regenen moeten we ons water ergens anders vandaan halen, uit de zee bijvoorbeeld.’

    Chincolco27 1 1 1 1

    Complex van factoren

    Op de vraag of de grote avocadotelers ook schuld hebben aan het watertekort geeft watermanagementspecialist Ricardo Ferreira uit La Ligua een ontwijkend antwoord. De problematiek van de provincie Petorca is een complex van factoren, zegt hij. Zo is een groot aantal waterrechten toegekend aan landbouwbedrijven zonder de resultaten van eerdere studies over de hoeveelheid water in de bekkens mee te nemen. ‘Ook daarom is er nu een tekort aan water.’

    Andere oorzaken zijn volgens hem het gebrek aan regen en het ontbreken van een bergketen in de provincie Petorca die het mogelijk zou maken om waterreserves vast te houden.

    Over de privatisering van water zegt Ferreira: ‘De huidige waterwet stamt nog uit de tijd van de dictatuur. Water mag als product worden verhandeld. De overheid levert gratis waterrechten aan private partijen en dat maakt het voor de overheid moeilijk om de watervoorraden te beheren. Het is dus van groot belang dat de grondwet gewijzigd wordt en er een nieuwe waterwet komt, zodat de overheid op democratische wijze het beheer over het water krijgt. Want nu kunnen waterrechten ook gekocht, verkocht of geleased worden zonder dat er rekening wordt gehouden met plaatselijke prioriteiten, zoals de behoefte aan drinkwater.’

    Lees ook:

    Er moeten verschillende acties ondernomen worden om het beheer van de watervoorraden te verbeteren en om nieuwe bevoorradingsbronnen te genereren.

    Ontzilting van zeewater is een initiatief dat ongetwijfeld belangrijk is, denkt Ricardo Ferreira. Zeker voor menselijke consumptie. Voor de landbouw zou het nog beter onderzocht moeten worden, maar de uitvoeringskosten zijn zeer hoog.

    Zout

    Ook Paula Quiroz (70) denkt dat het gebruik van ontzout zeewater een oplossing voor het watertekort zou kunnen zijn. ‘Hemelsbreed zitten we hier op zestig kilometer van de oceaan. We zitten niet zo hoog in de bergen, dus het kan niet heel moeilijk zijn om het water hierheen te brengen. We zijn te afhankelijk van regen die er niet is.’

    Wat te doen met al het zout? ‘Daar kunnen bakstenen van gemaakt worden,’ oppert Paula, ‘of we verkopen het aan landen waar het veel sneeuwt.’

    Ze lacht om haar laatste opmerking maar ze meent het wel, want ook zij maakt zich zorgen. Het grondwater daalt, de landbouw slaat steeds diepere putten, soms wel tot honderdvijftig meter diep. 

    Chincolco31 1 1

    Paula daalt de houten trap af die vanuit haar keuken naar de tuin leidt. Ze stapt over het betonnen irrigatiekanaal waar een keer per week water doorheen stroomt vanuit een verderop gegraven put. Omdat Paula relatief dicht bij die put zit, krijgt zij nog water maar de mensen die verder weg wonen moeten het zonder stellen, ‘daar komt het water niet eens’. 

    De dorre takjes op de droge grond knisperen onder haar voeten bij iedere stap die ze zet. ‘Kijk,’ zegt ze en ze buigt zich voorover naar een zwarte tuinslang met hele kleine gaatjes. ‘Dankzij dit irrigatiesysteem kan ik nog een paar fruitboompjes houden.’ Sinds een maand heeft ze deze slang in haar tuin. Heel langzaam, druppel voor druppel, komt er water uit de gaatjes. 

    Tegenwoordig moeten we ook betalen aan de fabriek die het water reinigt, voor de elektriciteit die dat kost en voor de leidingen

    Water is duur, en aan deze kant van het dorp is het nog duurder ‘dan beneden’, waar de bewoners water krijgen via een ander bedrijf. ‘Wij hebben een coöperatie voor het drinkwater,’ zegt Paula. ‘Vroeger was het goedkoop, toen betaalden we alleen het opgepompte water. Tegenwoordig moeten we ook betalen aan de fabriek die het water reinigt, voor de elektriciteit die dat kost en voor de leidingen.’ 

    De dorpsbewoners willen zich aansluiten bij een zonnepanelenproject om de kosten omlaag te brengen. Deze projecten worden gesubsidieerd door de overheid. 

    Chincolco13 1 1
    Paula Quiroz: ‘Dankzij dit irrigatiesysteem kan ik nog een paar fruitboompjes houden.’

    Van Paula’s tuin is nog maar een fractie beplant. Het grootste gedeelte ligt braak. Aan de randen groeien nog cactussen. Die krijgen haar afwaswater om te drinken. ‘Want ik wil echt niet dat mijn cactussen doodgaan.’

    Het is rond een uur of drie als Paula in haar oude Peugeot stapt. Ze klemt haar handen strak om het stuur en rijdt met dertig kilometer per uur naar haar zussen beneden in het dorp voor het dagelijkse theeritueel.

    Kleine groene oase

    Jorge Castro (70) brengt regelmatig hooi en stro bij Maria Roderiquez (78), die boven op een berg woont. Jorge rijdt met zijn pick-up kilometers over een onverharde weg, steekt de droge rivierbedding over en vervolgens gaat het omhoog, de bergen in. 

    Maria staat al op de uitkijk. Een struise dame met een verweerde, gebruinde huid zoals alleen mensen kunnen hebben die buiten wonen, daar waar de zon veel schijnt en de wind vaak waait. Ze leunt op een stok. Aan verschillende bomen zijn honden vastgebonden. Ze blaffen hard tegen elkaar op tot Maria en Jorge uit hun zicht verdwijnen. Maria gaat maté maken, een traditionele Argentijnse thee met kruiden en vooral ook veel suiker. Als Maria geen maté drinkt, krijgt ze hoofdpijn, zegt ze. Geboren en getogen is ze op deze plek. Zeven kinderen heeft ze er grootgebracht, en ze is hier alle dagen, behalve die ene keer per maand dat ze ‘naar beneden’ gaat om olie, thee, suiker en rijst te halen. 

    Ze slurpt van haar maté en knikt: ‘Ja, er is heel veel veranderd. Ik heb geen groenten meer in de tuin, vijf jaar geleden had ik nog mooie grote aardappelen. Maar de waterput is helemaal opgedroogd.’ Ook heeft Maria bijna geen dieren meer vanwege de droogte. Die eten een baal hooi per dag. ‘Ik kan geen dertig hooibalen per maand kopen van tien euro per stuk.’

    Toch prijst Maria zich gelukkig, zij kan het afvalwater opvangen uit de even verderop gelegen kopermijn. Daarmee heeft ze een kleine groene oase gecreëerd naast haar golfplatenhuisje, met druivenranken als afdak tegen de brandende zon.

    Chincolco06 1
    Maria Roderiquez: ‘Ik heb geen groenten meer in de tuin, vijf jaar geleden had ik nog mooie grote aardappelen. Maar de waterput is helemaal opgedroogd.’

    ‘Als ik hier drinkwater voor moest gebruiken dan zou ik een hele hoge waterrekening hebben. Ik dank God voor het water uit de mijn.’ 

    Nee, Maria gaat hier nooit meer weg. Onlangs zei een kleinkind tegen haar: ‘Oma, als u doodgaat dan kom ik hier wonen.’ Maria lacht: ‘Hij heeft erover nagedacht want hij wil een opvang voor gepensioneerde geiten beginnen.’

    Ze kijkt op haar horloge, dat aan haar schort geknoopt zit. Het is kwart voor twaalf, ze wil gaan koken.

    Brandbrief 

    Barbara Astudillo (31) opgegroeid in de provincie Petorca, is ecofeministe en onderzoeker bij Fundación Territorios Colectivos. Ze voert al jaren actie. ‘Want in het gebied waar ik zoveel van hou, worden de mensen- en milieurechten geschonden zodat men geen toegang heeft tot water.’

    Astudillo is van mening dat Chili nu prioriteit moet geven aan klimaatveranderingswetten en vermindering van het water- en energieverbruik van grote industrieën. Ook zij vindt dat de grondwet moet worden aangepast, maar er is in Chili gebrek aan politieke wil om veranderingen teweeg te brengen. 

    ‘Stop met de privatisering van water,’ zegt ze, ‘transformeer het naar een nationaal bezit waarbij de consumptie door burgers en de ecologische belangen vooropstaan. Maak de economie daaraan ondergeschikt.’

    Chincolco01 1 1 1 1
    Chincolco, Chili.

    Onlangs heeft ze een brandbrief gestuurd naar de speciaal rapporteur van de VN voor water en hygiëne Leo Heller. Daarin schrijft ze onder meer dat met name de gemeenten Cabildo, La Ligua en Petorca al jarenlang te lijden hebben onder het watergebruik van de agrobusiness, door de aanplant en het telen van citrusvruchten en avocado’s.

    Er groeien nog wat cactussen maar zelfs die hangen er een beetje treurig bij

    Dorpen zitten zonder watervoorziening als gevolg van accumulatie van grote hoeveelheden zoet water in boven- en ondergrondse kanalen voor deze agro-industriële bedrijven. Regelmatig zijn ze aangeklaagd door nationale en internationale organisaties zoals het bekende Chileense Modatima. De leiders van deze milieuactivistische organisatie worden niet zelden vervolgd en soms zelfs met de dood bedreigd. 

    Veel gezinnen worden tegenwoordig bevoorraad met een tankwagen, vijftig liter per persoon per dag. ‘Ja, natuurlijk is dat veel te weinig,’ zegt Barbara, ‘maar het is complex om met gebrek aan overheidsbeleid en investeringen de watercrisis in dit gebied te bestrijden.’

    Onlangs heeft het geregend in de provincie Petorca, voor het eerst in zestien jaar.

    ‘Maar het water bereikte de rivieren van onze vallei niet,’ verzucht ze. ‘Het bleef achter in de bassins van de avocado- en citrusfruittelers. Betaald met het geld van alle Chilenen om de grote ondernemers van het land te subsidiëren. We moeten de wereld écht anders in gaan richten.’

    Verloren paradijs

    Aan de onverharde weg tussen Petorca en Chincolco staat achter een hek het huisje van Zoila Lemus (73). De hond blaft onophoudelijk, zoals eigenlijk overal. Zoila woont hier samen met haar dochter en haar twee kleindochters. Alle bomen in haar tuin zijn dood, zo ook alle groene planten. Er groeien nog wat cactussen maar zelfs die hangen er een beetje treurig bij. 

    Het huisje kijkt uit op gortdroge bergen. Aan het einde van de vorige eeuw waren deze bergen veel groener. Maar men kapte alle bomen om de huizen te verwarmen en om te koken. Niemand plantte ooit een boom terug. 

    Zoila’s woning staat aan de oever van een rivier waar al twintig jaar geen water meer door stroomt. Ze pakt een ingelijste foto van een kastje. ‘Kijk,’ zegt ze, ‘de rivier was vroeger prachtig, we konden er zelfs in zwemmen. Onze tuin stond vol bomen en rozen in allerlei kleuren. We verbouwden alles zelf: tarwe voor het brood, bonen, mais, linzen, aardappelen, uien, knoflook, courgettes. Gewoon om zelf te eten en om in te maken. Nu kan ik hier niks meer laten groeien. We wonen in een woestijn zonder water. Alle putten die we gegraven hebben zijn opgedroogd.’

    Chincolco12 1 1 1 2
    Zoila Lemus: ‘De rivier was vroeger prachtig, we konden er zelfs in zwemmen. Onze tuin stond vol bomen en rozen in allerlei kleuren.’

    Zoila en haar familie krijgen vijftig liter water per dag om te koken, te wassen en te douchen. ‘Je kunt je beter wassen met een bakje water. Haren wassen kost heel veel water, we gebruiken een sok om ons haar nat te maken.’

    Tot voor kort kwam er een tankwagen om het water te brengen maar Zoila heeft sinds een maand een nieuwe waterput. Met een automatisch systeem dat niet goed werkt. ‘Soms hoor je water, soms hoor je niks. Maar het bedrijf dat de meter heeft geïnstalleerd geeft niet thuis.’

    Maar heeft ze, als het systeem goed zou werken, dan wel genoeg water?

    Zoila schudt haar hoofd: ‘Nee, er komt een liter water per seconde langs voor acht families.’ 

    Ze legt uit hoe het met de waterrechten in Chili zit. Het gaat zoals gezegd om een wet die nog stamt uit de tijd van de dictator Pinochet. Je kon je toen inschrijven voor water: een boer met bijvoorbeeld drie hectare grond had recht op drie ‘delen’ water. ‘Maar,’ zegt Zoila, ‘dat ging over oppervlaktewater. Ook voor het ondergrondse water kon je rechten kopen maar dat wisten de boeren niet. Het recht op ondergronds water is stiekem verkocht aan grote bedrijven. Die eisen nu alles op en oppervlaktewater is er allang niet meer. De regering moet nu de rechten kopen van die bedrijven zodat ze het water kan verdelen. Al die bedrijven verdienen er nog meer aan. En ik heb geen “recht” op water. Dat is waarom de mensen de grondwet willen veranderen.’

    Soms is er een project vanuit de overheid. Zo zouden Zoila en haar buren ook een waterleiding krijgen, er was bijna 35.000 euro voor beschikbaar. Verschillende aannemers en onderzoekers zijn langs geweest om te bestuderen hoe dat zou moeten. Al het geld is opgegaan aan onderzoek en er is verder niks gebeurd.

    Buiten blaft de hond. ‘Pasqalle!’ roept Zoila, ‘de hond!’ De oudste kleindochter hoort het niet. Ze is doof. Ze kunnen het niet bewijzen maar Zoila is ervan overtuigd dat het komt omdat haar dochter, toen drie maanden zwanger, op de avocadoplantage liep op het moment dat er een vliegtuigje overvloog met pesticiden.

    Ze trekt haar kleindochter even stevig tegen zich aan, de hond buiten is inmiddels stil.

    Auteur: Karin Stroo

    Foto’s: Goedele Monnens

  • Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Welke lessen voor de toekomst kunnen we trekken uit 2020? De Israëlische denker en historicus Yuval Noah Harari zet ze op een rijtje en komt tot een heldere conclusie: de enige reden waarom deze pandemie uit de hand is gelopen, is de politiek.

    Keuze uit het archief

    Na het rampjaar 2020 dacht de wereld dat 2021 het jaar zou worden dat we ‘samen corona onder controle zouden krijgen’ (dixit de Rijksoverheid). Er was immers een keur aan uitstekend werkende vaccins ontwikkeld. Niets bleek minder waar, er zijn nieuwe, besmettelijkere, varianten als delta en omikron opgekomen en het coronabeleid heeft geen een derde, vierde en zoveelste golf kunnen voorkomen.

    Had de politiek maar Yuval Noah Harari geluisterd. Lees zijn profetische woorden en oplossingen voor de coronacrisis.

    Door velen wordt de vreselijke tol die het coronavirus heeft geëist gezien als bewijs van de hulpeloosheid van de mens ten opzichte van de natuur. Maar in feite heeft 2020 aangetoond dat de mensheid verre van hulpeloos is. Epidemieën zijn niet langer onbedwingbare natuurkrachten. Dankzij de wetenschap zijn ze nu tot op zekere hoogte te controleren.

    Waarom zijn er dan zoveel sterfte- en ziektegevallen geweest? Vanwege slechte politieke beslissingen.

    Vroeger hadden mensen als ze met een plaag als de Zwarte Dood werden geconfronteerd, geen idee wat de oorzaak was of wat ertegen kon worden gedaan. Toen de griep van 1918 toesloeg, slaagden de beste wetenschappers ter wereld er niet in het dodelijke virus te identificeren, waren veel maatregelen die werden genomen nutteloos en liepen pogingen om een ​​effectief vaccin te ontwikkelen op niets uit.

    Met covid-19 was dat heel anders. De eerste alarmbellen over een mogelijke nieuwe epidemie klonken eind december 2019. Op 10 januari 2020 hadden wetenschappers niet alleen het verantwoordelijke virus geïsoleerd, maar ook het genoom ervan gesequenced en de informatie online gepubliceerd. Binnen enkele maanden werd duidelijk welke maatregelen de infectieketens konden vertragen en stoppen. Binnen minder dan een jaar waren er verschillende effectieve vaccins in massaproductie. In de oorlog tussen mens en ziekteverwekker is eerstgenoemde nog nooit zo machtig geweest.

    Het leven naar online verplaatst

    Naast de ongekende prestaties van de biotechnologie, heeft het coronajaar ook de kracht van informatietechnologie onderstreept. Vroeger kon de mensheid epidemieën zelden stoppen, omdat de infectieketens niet in realtime konden worden gevolgd en omdat de economische kosten van langdurige lockdowns te hoog waren. In 1918 kon je mensen die de gevreesde griep kregen in quarantaine plaatsen, maar je kon de presymptomatische of asymptomatische dragers niet traceren. En als je de hele bevolking van een land destijds zou hebben bevolen enkele weken binnen te blijven, zou dat hebben geleid tot economische ondergang, sociale instorting en massale hongersnood.

    In 2020 daarentegen maakte digitale surveillance het veel gemakkelijker om de verspreiding te volgen en te lokaliseren, wat quarantaine zowel selectiever als effectiever maakt. Belangrijker is nog dat automatisering en het internet langdurige lockdowns mogelijk maakten, althans in ontwikkelde landen. Hoewel de ervaring in sommige delen van de wereld deed denken aan plagen uit het verleden, heeft de digitale revolutie in een groot deel van de ontwikkelde wereld alles veranderd.

    Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden

    Neem de landbouw. Duizenden jaren lang was de voedselproductie afhankelijk van menselijke arbeid, en ongeveer 90 procent van de mensen werkte in de landbouw. Tegenwoordig is dit in ontwikkelde landen niet langer het geval. In de VS werkt slechts ongeveer 1,5 procent van de mensen op boerderijen, en dat is niet alleen genoeg om iedereen in e igen land te voeden, maar ook om van de VS een belangrijke voedselexporteur te maken. Bijna al het werk op de boerderij wordt gedaan door machines, die immuun zijn voor ziekten. Lockdowns hebben dus maar een kleine impact op de landbouw.

    Stel u een tarweveld voor tijdens het hoogtepunt van de Zwarte Dood. Als je de landarbeiders zou vragen om in de oogsttijd thuis te blijven, komt er honger. Als je ze vraagt om te komen oogsten, kunnen ze elkaar besmetten. Wat te doen?

    forest simon ZzOtl6FSpLs unsplash 1 1
    © Unsplash

    Stelt u zich nu hetzelfde tarweveld voor in 2020. Een enkele maaidorser met GPS-besturing kan het hele veld veel efficiënter oogsten – en zonder kans op infectie. Terwijl in 1349 een gemiddelde boerenknecht ongeveer vijf bushel per dag oogstte [ca. 35 liter], vestigde een maaidorser in 2014 een recordoogst door dertigduizend bushels per dag te oogsten. Bijgevolg had covid-19 geen significante invloed op de wereldwijde productie van basisvoedsel zoals tarwe, maïs en rijst. 

    Om mensen te voeden, is het niet voldoende om graan te oogsten. Je moet het ook vervoeren, soms over duizenden kilometers. Gedurende het overgrote deel van de geschiedenis was handel een van de grootste boosdoeners in tijden van epidemieën. Dodelijke ziekteverwekkers trokken de wereld over op koopvaardijschepen en karavanen. De Zwarte Dood liftte bijvoorbeeld van Oost-Azië naar het Midden-Oosten langs de Zijderoute, en het waren Genuese koopvaardijschepen die de ziekte vervolgens naar Europa brachten. Het grote risico met de handel was dat elke wagen een bestuurder nodig had, tientallen zeelieden nodig waren om zelfs kleine zeeschepen te besturen, en overvolle schepen en herbergen broeinesten van ziekten waren.

    In 2020 kon de wereldhandel min of meer vlot doorlopen, doordat er maar heel weinig mensen bij betrokken waren. Een grotendeels geautomatiseerd hedendaags containerschip kan meer ton vervoeren dan de koopvaardijvloot van een heel vroegmodern koninkrijk. In 1582 had de Engelse koopvaardijvloot een totaal laadvermogen van 68.000 ton en waren er ongeveer 16.000 bemanningsleden nodig. Het containerschip OOCL Hong Kong, gedoopt in 2017, kan zo’n 200.000 ton vervoeren met een bemanning van slechts 22 personen. 

    Cruiseschepen met honderden toeristen en vliegtuigen vol passagiers hebben weliswaar een grote rol gespeeld in de verspreiding van covid-19. Maar toerisme en reizigers zijn niet essentieel voor de handel. Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden. Terwijl het internationale toerisme in 2020 kelderde, daalde het volume van de wereldwijde maritieme handel met slechts 4 procent.

    Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele

    Automatisering en digitalisering hebben een nog grotere impact gehad op de dienstverlening. In 1918 was het ondenkbaar dat kantoren, scholen, rechtbanken of kerken konden blijven functioneren als ze gesloten waren. Hoe kun je lesgeven als leerlingen en docenten thuis zitten? Nu weten we het antwoord. De overschakeling op online kende veel nadelen, niet in de laatste plaats de immense mentale tol die deze eiste. En het heeft ook tot voorheen onvoorstelbare problemen geleid, zoals advocaten die als kat voor de rechtbank verschenen. Maar het feit dat het überhaupt kan, is verbazingwekkend.

    In 1918 bewoonde de mensheid alleen de fysieke wereld, en toen het dodelijke griepvirus hierdoorheen trok, konden we nergens heen vluchten. Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele. Toen het coronavirus door de fysieke wereld circuleerde, verlegden velen een groot deel van hun leven naar de virtuele wereld, waar ze veilig waren voor het virus.

    Mensen zijn natuurlijk nog steeds fysieke wezens en niet alles kan worden gedigitaliseerd. Het covid-jaar heeft de cruciale rol benadrukt die vaak slechtbetaalde beroepen spelen bij het in stand houden van de menselijke beschaving: verplegers, sanitairwerkers, vrachtwagenchauffeurs, kassiers, bezorgers. Er wordt vaak beweerd dat elke beschaving slechts drie maaltijden verwijderd is van barbarij. In 2020 vormden bezorgers de dunne rode lijn die de beschaving bij elkaar hield. Ze werden onze belangrijkste verbinding met de fysieke wereld. 

    Het internet houdt stand

    Wanneer we activiteiten online automatiseren, digitaliseren en verschuiven, stelt dat ons bloot aan nieuwe gevaren. Een van de meest opmerkelijke gegevens van het covid-jaar is dat het internet niet kapot ging. Als we plotseling de hoeveelheid verkeer op een fysieke brug vergroten, kunnen we verkeersopstoppingen verwachten, misschien dat hij zelfs instort. In 2020 verschoven scholen, kantoren en kerken bijna van de ene op de andere dag naar online, maar het internet hield stand.

    We staan ​​hier nauwelijks bij stil, maar dat moeten we wel doen. 2020 heeft ons geleerd dat het leven kan doorgaan, zelfs als een heel land fysiek op slot zit. 

    manuel peris unsplash 1 1
    © Unsplash

    Probeer je nu eens voor te stellen wat er gebeurt als onze digitale infrastructuur crasht.

    Informatietechnologie heeft ons veerkrachtiger gemaakt tegenover organische virussen, maar het heeft ons ook veel kwetsbaarder gemaakt voor malware en cyberoorlogvoering. Mensen vragen vaak: ‘Wat is de volgende pandemie?’ Een aanval op onze digitale infrastructuur is een vooraanstaande kandidaat. Het duurde enkele maanden voordat het coronavirus zich over de wereld verspreidde en miljoenen mensen besmette. Onze digitale infrastructuur kan in één dag instorten. En scholen en kantoren konden snel naar online verschuiven. Maar hoeveel tijd denkt u nodig te hebben om van e-mail terug te schakelen naar snailmail? 

    Wat telt?

    Het coronajaar heeft een nog belangrijkere beperking van onze wetenschappelijke en technologische kracht blootgelegd. Wetenschap kan de politiek niet vervangen. Bij beleidsbeslissingen moeten we rekening houden met veel belangen en waarden, en aangezien er geen wetenschappelijke manier is om te bepalen welke belangen en waarden het zwaarst wegen, is er geen wetenschappelijke manier om te beslissen wat we moeten doen.

    Bij de beslissing om een ​​lockdown af te kondigen, is het bijvoorbeeld niet voldoende om te vragen: ‘Hoeveel mensen zullen worden besmet met covid-19 als we geen lockdown opleggen?’ We moeten ook de vraag stellen: ‘Hoeveel mensen zullen in een depressie belanden als we wel een lockdown opleggen? Hoeveel mensen zullen te lijden hebben onder slechte voeding? Hoeveel van ons zullen school missen of hun baan verliezen? Hoevelen zullen worden mishandeld of vermoord door hun echtgenoten?’

    Zelfs als al onze gegevens nauwkeurig en betrouwbaar zijn, moeten we ons altijd afvragen: ‘Wat tellen we? Wie beslist wat er moet worden geteld? Hoe beoordelen we de cijfers ten opzichte van elkaar?’ Dit is meer een taak van de politiek dan van de wetenschap. Het zijn politici die de medische, economische en sociale afwegingen in evenwicht moeten brengen en met een alomvattend beleid moeten komen.

    Net zo creëren ingenieurs nieuwe digitale platforms die ons helpen te functioneren tijdens een lockdown, en nieuwe bewakingstools die ons helpen beschermen tegen virussen. Maar digitalisering en toezicht brengen onze privacy in gevaar en openen de weg voor de opkomst van ongekende totalitaire regimes. In 2020 is massasurveillance zowel legitiemer als gebruikelijker geworden. Het bestrijden van de epidemie is belangrijk, maar zijn we bereid onze vrijheid ervoor op te geven? Het is de taak van politici en niet van de ingenieurs om de juiste balans te vinden tussen nuttige bewaking en dystopische nachtmerries.

    Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​monitoringsysteem op te zetten om uitgaven te controleren, geloof het dan niet

    Drie basisregels kunnen ons een eind op weg helpen in de bescherming tegen digitale dictaturen, zelfs in tijden van een pandemie. Ten eerste, wanneer u gegevens over mensen verzamelt – vooral over wat er in hun eigen lichaam gebeurt – moeten deze gegevens worden gebruikt om deze mensen te helpen in plaats van hen te manipuleren, te controleren of te schaden. Mijn persoonlijke arts weet veel zeer persoonlijke dingen over mij. Dat vind ik prima, want ik vertrouw erop dat mijn arts deze gegevens in mijn voordeel gebruikt. Mijn arts mag deze gegevens niet aan een bedrijf of politieke partij verkopen. Zo zou het ook moeten zijn met elke vorm van een ‘pandemische toezichthoudende autoriteit’ die we eventueel instellen.

    Ten tweede moet toezicht altijd twee richtingen op bewegen. Als het toezicht alleen van boven naar beneden gaat, stevenen we af op een dictatuur. Dus wanneer het toezicht op individuen wordt vergroot, moet tegelijkertijd het toezicht op de overheid en grote bedrijven groter worden. 

    Screen Shot 2021 03 19 at 1.06.41 PM

    In de huidige crisis verdelen regeringen enorme bedragen. Het proces van toewijzing van middelen moet transparanter worden gemaakt. Als burger wil ik gemakkelijk kunnen inzien wie wat krijgt en wie beslist waar het geld naartoe gaat. Ik wil ervoor zorgen dat het geld naar bedrijven gaat die het echt nodig hebben, in plaats van naar een grote concern waarvan de eigenaren bevriend zijn met de een of andere minister. Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​dergelijk monitoringsysteem op te zetten, geloof het dan niet. Als het niet te ingewikkeld is om te monitoren wat jij doet, is het ook niet te ingewikkeld om te monitoren wat de overheid doet.

    Ten derde: sta nooit toe dat te veel gegevens op één plaats worden geconcentreerd. Niet tijdens de epidemie, en ook niet daarna. Een datamonopolie is een recept voor dictatuur. Dus als we biometrische gegevens over mensen verzamelen om de pandemie te stoppen, moet dit worden gedaan door een onafhankelijke gezondheidsautoriteit in plaats van door de politie. De resulterende gegevens moeten gescheiden worden gehouden van andere grote dataopslagplaatsen van ministeries en grote bedrijven. 

    Zeker, dit zal tot extra werk en inefficiëntie leiden. Maar inefficiëntie is een kenmerk, geen bug. U wilt de opkomst van digitale dictatuur voorkomen? Houd de dingen dan altijd een beetje inefficiënt.

    Verantwoordelijkheid

    De ongekende wetenschappelijke en technologische successen van 2020 hebben de coronacrisis niet kunnen oplossen. Ze veranderden de epidemie van een natuurramp in een politiek dilemma. Toen de Zwarte Dood miljoenen slachtoffers maakte, verwachtte niemand veel van de koningen en keizers. Ongeveer een derde van alle Engelsen stierf tijdens de eerste golf van de Zwarte Dood [en naar schattingen geldt dat gemiddelde voor alle landen van Europa], maar dit zorgde er niet voor dat koning Edward III van Engeland zijn troon verloor. Het lag duidelijk buiten de macht van heersers om de epidemie te stoppen, dus niemand gaf hen de schuld van een mislukking.

    Maar vandaag heeft de mensheid de wetenschappelijke instrumenten om covid-19 te stoppen. Verschillende landen, van Vietnam tot Australië, hebben bewezen dat de beschikbare instrumenten de epidemie zelfs zonder vaccin kunnen stoppen. Deze tools hebben echter een hoge economische en sociale prijs. We kunnen het virus verslaan, maar we weten niet zeker of we bereid zijn de kosten van de overwinning te betalen. De wetenschappelijke verworvenheden hebben dus een enorme verantwoordelijkheid op de schouders van politici gelegd.

    De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden

    Helaas zijn te veel politici deze verantwoordelijkheid niet nagekomen. De populistische presidenten van de VS en Brazilië bijvoorbeeld bagatelliseerden het gevaar, weigerden gehoor te geven aan experts en voedden in plaats daarvan samenzweringstheorieën. Ze kwamen niet met een degelijk federaal actieplan en saboteerden pogingen van staats- en gemeentelijke autoriteiten om de epidemie een halt toe te roepen. De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden.

    In het VK lijkt de regering aanvankelijk meer bezig te zijn geweest met de brexit dan met covid-19. Ondanks al haar isolationistische beleid, slaagde de regering-Johnson er niet in Groot-Brittannië te isoleren van het enige wat er echt toe deed: het virus. Mijn thuisland Israël heeft ook geleden onder politiek wanbeheer. Net als Taiwan, Nieuw-Zeeland en Cyprus is Israël in feite een ‘eilandland’, met gesloten grenzen en slechts één hoofdtoegangspoort – Ben Gurion Airport. Op het hoogtepunt van de pandemie heeft de regering van Netanyahu echter toegestaan ​​dat reizigers de luchthaven passeren zonder quarantaine of zelfs maar een behoorlijke screening, en nagelaten een eigen lockdownbeleid af te dwingen.

    Zowel Israël als het VK hebben vervolgens een voortrekkersrol gespeeld bij het uitrollen van de vaccins, maar hun eerdere verkeerde inschattingen hebben een grote tol geëist. In Groot-Brittannië heeft de pandemie het leven gekost aan 120.000 mensen, waarmee het op de zesde plaats in de wereld staat qua gemiddelde sterftecijfers. Ondertussen heeft Israël het zevende hoogste gemiddelde aantal bevestigde gevallen, en nam het om de ramp het hoofd te bieden zijn toevlucht tot een ‘vaccins for data’-deal met het Amerikaanse bedrijf Pfizer. Pfizer stemde ermee in om Israël te voorzien van voldoende vaccins voor de hele bevolking, in ruil voor enorme hoeveelheden waardevolle gegevens, wat bezorgdheid opwekte over privacy en datamonopolie. De transactie toonde maar weer eens aan dat de gegevens van burgers nu een van de meest waardevolle staatsbezittingen zijn. 

    Hoewel sommige landen veel beter presteerden, is de mensheid als geheel er tot dusver niet in geslaagd de pandemie in te dammen of een wereldwijd plan te bedenken om het virus te verslaan. De eerste maanden van 2020 waren alsof we een ongeluk in slow motion zagen gebeuren. Moderne communicatie maakte het voor mensen over de hele wereld mogelijk om in realtime de beelden te zien, eerst uit Wuhan, vervolgens uit Italië en daarna uit steeds meer landen – zonder dat daar wereldwijd leiderschap op volgde om te voorkomen dat een catastrofe de wereld zou overspoelen. De tools waren er, maar politieke wijsheid ontbrak maar al te vaak.

    Vaccinatienationalisme

    Een van de redenen voor de kloof tussen wetenschappelijk succes en politiek falen is dat wetenschappers wereldwijd samenwerkten, terwijl politici de neiging hadden om ruzie te maken. Terwijl ze onder veel stress en in grote onzekerheid werkten, deelden wetenschappers over de hele wereld vrijelijk informatie en vertrouwden ze op elkaars bevindingen en inzichten. Veel belangrijke onderzoeksprojecten werden uitgevoerd door internationale teams. Een grootschalig onderzoek dat de doeltreffendheid van lockdownmaatregelen aantoonde, werd bijvoorbeeld uitgevoerd door onderzoekers van negen instellingen: één in het VK, drie in China en vijf in de VS.

    Daarentegen zijn politici er niet in geslaagd een internationale alliantie tegen het virus te vormen en overeenstemming te bereiken over een mondiaal plan. De twee grootste grootmachten ter wereld, de VS en China, hebben elkaar beschuldigd van het achterhouden van essentiële informatie, het verspreiden van desinformatie en complottheorieën, en zelfs van het opzettelijk verspreiden van het virus. Talrijke andere landen hebben naar het schijnt gegevens over de voortgang van de pandemie vervalst of achtergehouden.

    ‘In deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang’

    Het gebrek aan wereldwijde samenwerking manifesteert zich niet alleen in deze informatieoorlogen, maar nog meer in conflicten over de schaarse medische apparatuur. Hoewel er zeker gevallen van samenwerking en vrijgevigheid zijn geweest, is er geen serieuze poging gedaan om alle beschikbare middelen te bundelen, de wereldwijde productie te stroomlijnen en een rechtvaardige distributie van voorraden te garanderen. In het bijzonder vaccinnationalisme creëert een nieuw soort wereldwijde ongelijkheid tussen landen die hun bevolking kunnen vaccineren, en landen die dat niet kunnen.

    Het is triest om te zien dat velen een simpel feit over deze pandemie niet begrijpen: zolang het virus zich overal blijft verspreiden, kan geen enkel land zich echt veilig voelen. Stel dat Israël of het VK erin slaagt het virus binnen zijn eigen grenzen uit te roeien, maar het blijft zich verspreiden onder honderden miljoenen mensen in India, Brazilië of Zuid-Afrika. Een nieuwe mutatie in een afgelegen Braziliaanse stad zou het vaccin ineffectief kunnen maken en kunnen resulteren in een nieuwe golf van infectie.

    In de huidige noodsituatie zal een beroep op louter altruïsme waarschijnlijk niet prevaleren boven nationale belangen. Maar in deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking echter geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang.

    Antivirus voor de wereld

    Dscussies over wat er in 2020 is gebeurd, zullen jarenlang worden gevoerd. Maar mensen van alle politieke kampen zouden het eens moeten zijn over ten minste drie hoofdlessen.

    Ten eerste moeten we onze digitale infrastructuur beschermen. Die is onze redding geweest tijdens deze pandemie, maar kan omslaan in de bron van een nog veel grotere ramp.

    Ten tweede zou elk land meer moeten investeren in zijn volksgezondheidssysteem. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar politici en kiezers slagen er soms in de meest voor de hand liggende les te negeren.

    Ten derde moeten we een krachtig wereldwijd systeem opzetten om pandemieën te controleren en te voorkomen. In de eeuwenoude oorlog tussen mensen en ziekteverwekkers vormt het lichaam van ieder mens de frontlinie. Als die linie ergens op de planeet wordt doorbroken, brengt dat ons allemaal in gevaar. Zelfs de rijkste mensen in de meest ontwikkelde landen hebben er persoonlijk belang bij de armste mensen in de minst ontwikkelde landen te beschermen. Als een nieuw virus van een vleermuis naar een mens springt in een arm dorp in een afgelegen jungle, kan de ziekte binnen een paar dagen op Wall Street rond woekeren.

    Het geraamte van zo’n wereldwijd antivirussysteem bestaat al in de vorm van de Wereldgezondheidsorganisatie en verschillende andere instellingen. Maar de budgetten die dit systeem ondersteunen zijn beperkt, en het heeft nauwelijks politieke macht. We moeten dit systeem politieke invloed geven en veel meer geld, zodat het niet volledig afhankelijk zal zijn van de grillen van zelfzuchtige politici. 

    Als bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen

    Zoals eerder opgemerkt, vind ik niet dat experts die daar niet voor zijn gekozen de taak moeten krijgen cruciale beleidsbeslissingen te nemen. Die taak moet voorbehouden blijven aan politici. Maar een onafhankelijke wereldwijde gezondheidsautoriteit zou het ideale platform zijn om medische gegevens te verzamelen, mogelijke gevaren in de gaten te houden, alarm te slaan en onderzoek en ontwikkeling te sturen.

    Veel mensen zijn bang dat covid-19 het begin markeert van een golf van nieuwe pandemieën. Maar als de bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen. De mensheid kan het ontstaan van nieuwe ziektes niet voorkomen; dit is een natuurlijk evolutieproces dat al miljarden jaren aan de gang is en ook in de toekomst zal doorgaan. Maar vandaag de dag beschikt de mensheid over de kennis en instrumenten die nodig zijn om te voorkomen dat een nieuwe ziekteverwekker zich verspreidt en omslaat in een pandemie.

    Als covid-19 zich in 2021 desondanks blijft verspreiden en miljoenen slachtoffers maakt, of als een nog dodelijkere pandemie de mensheid treft in 2030, zal dit noch een oncontroleerbare natuurramp zijn, noch een straf van God. Het zal een menselijk falen zijn, en om precies te zijn een falen van de politiek.

    In #179, april 2020, publiceerden wij ‘Lakmoesproef van burgerschap’, Harari’s voorspellingen voor het jaar waarop hij hier terugblikt. U leest het hier.

  • Aanbevolen door de redactie. Humboldts dichterlijke ziel & Meer

    Aanbevolen door de redactie. Humboldts dichterlijke ziel & Meer

    De meeste mensen kennen hem slechts van Duitse straatnaambordjes, maar The New Atlantis laat zien waarom je meer wilt weten over Alexander von Humboldt, de invloedrijke wetenschapper-avonturier met de ziel van een dichter. Verder: het geïllustreerde liefdesverhaal van Gertrude Stein en Alice B. Toklas & meer aanraders van de 360-redactie

    Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, ziet en hoort, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, fotoreportages en podcasts die wij deze week tijdens het speuren naar mooie journalistiek zijn tegengekomen.

    ‘Het brein van een wetenschapper, de ziel van een dichter’

    Bergketens zijn naar hem vernoemd, steden, watervallen en honderden dieren- en plantensoorten. Alexander von Humboldt (1769–1859) was een onwaarschijnlijk veelzijdige wetenschapper, ontdekkingsreiziger, poëet en De uitvinder van de natuur (Andrea Wulf, Atlas Contact). 

    The New Atlantis brengt hem terug uit de vergetelheid en eert hem terecht met een uitgebreid en gedetailleerd artikel. Humboldts bevindingen zijn nog altijd actueel. Aangeraden door editor at large Katrien Gottlieb.

    Alexander von Humboldt by Friedrich Georg Weitsch 1
    Een portret van Alexander von Humboldt door Friedrich Georg Weitsch (1806). – © Alte Nationalgalerie, Berlijn / Wikimedia

    Een liefdesverhaal

    Maira Kalman (1949) is een Amerikaanse, in Israël geboren, illustrator, schrijver, kunstenaar en ontwerper. Ze maakte naam met haar buitengewoon speelse, grappige en luchtige illustraties voor onder meer The New York Times en The New Yorker en ze tekende en illustreerde tal van (kinder)boeken. Onlangs publiceerde ze een prachtig boek over de liefde tussen Gertrude Stein en Alice B. Toklas aan het begin van de twintigste eeuw in Parijs, waarin ook beroemdheden als Hemingway, Matisse en Picasso de revue passeren. De culturele site Brainpickings besprak het boek en haalt een prachtige zin aan van Kalman: ‘This is a love story. You know. How two people, joined together, become themselves’. Een aanrader van redacteur IJsbrand van Veelen.

    fdfb 987x1500 2

    Persoonlijk essay over een eeuwig controversieel meesterwerk

    The New Yorker publiceerde ‘Nabokov, Steinberg, and Me’ van schrijver en humorist Ian Frazier, uit het nog te verschijnen Lolita in the Afterlife: ‘een levendige verzameling van scherpe en essentiële moderne stukken over dit eeuwig provocerende boek’, aldus de uitgever. Getipt door hoofdredacteur Laura Weeda.

    Nabokovs Lolita, waarin de veertiger Humbert Humbert een jury toespreekt die moet oordelen over zijn relatie met de twaalfjarige Lolita, zorgde bij verschijning in 1955 al voor ophef, vooral vanwege de jonge leeftijd van de naamgever. Later ontsteeg het boek de schandaalsfeer en was er vooral aandacht voor de hoogstaande literaire kwaliteit, maar anno 2021 is hier uiteraard weer verandering in gekomen. In de bundel bekijken schrijvers Lolita vanuit politiek standpunt en gaat het over de witheid van de hoofdpersonages, machtsverhoudingen en seksueel trauma.

    Frazier vertel hoe hij het boek, mede omdat zijn moeder, docent Engels, het droevig en gruwelijk vond, steeds opnieuw verslond. Het was vormend voor de manier waarop hij als puber naar meisjes keek en zelfs voor de woorden waarin hij over hen dacht. Pas veel later gaat hij inzien wat zijn moeder bedoelde. Hij begint zijn geliefde Lolita met andere ogen te lezen, en de oorspronkelijke Russische Nabokov, voor zijn gevoel, te doorzien. Waarom noemt hij Lolita’s latere man een ‘kreupele’? En waarom was deze oorlogsveteraan bovendien doof? Was zij wel een nymfomaan, bestaan die überhaupt?

    9781984898838

    Voor eeuwig wachten aan de grens

    In de laatste aflevering van de Spaanstalige podcast El Hilo volgen we het verhaal van Moisés en Meya, die in 2019 van Honduras naar de Verenigde Staten probeerden te emigreren met hun anderhalf jaar oude dochter. Ze wilden een veiliger leven voor hun familie, weg van bendes, mishandeling door de politie en armoede. Maar Mexico stuitten ze op de muur van het anti-immigratiebeleid van de regering-Trump en zijn ‘Blijf in Mexico’-beleid. Sindsdien wachten ze aan de Mexicaans-Amerikaanse grens tot hun asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Een tip van redacteur Joep Harmsen.

    Naast Moisés en Meya komen in de podcast fotojournalist Tomás Ayuso en Fernanda Echávarri van Mother Jones aan het woord over de impact is van het immigratiebeleid van de afgelopen vier jaar en wat we kunnen verwachten van Joe Bidens nieuwe koers op dat gebied.

    Ga naar het Instagramaccount van de Hondurese fotojournalist Tomás Ayuso @tomas_ayuso voor beelden bij het verhaal. En zie ook zijn reportage uit 2018 voor National Geographic, waarin Ayuso verslag doet van zijn reis met een migrantenkaravaan.


    De schoonheid van de landbouw

    Daan Roosegaardes meest recente kunstwerk GROW is een eerbetoon aan de schoonheid en het belang van de agrarische sector. GROW ontvouwt zich als een lichtgevend ‘droomlandschap’. Omringd door duisternis golven rode en blauwe lichten over een enorme akker. Het project is geïnspireerd op wetenschap die aantoont dat specifieke lichtrecepten groei van gewassen kunnen stimuleren en weerstand kunnen verbeteren. Een aanrader van art director Majel van der Meulen.

  • Een nieuwe kijk op de Libanese landbouw

    Een nieuwe kijk op de Libanese landbouw

    Libanon heeft veel geïnvesteerd in de landbouw om de bevolking in voedsel te voorzien. Het aantal inwoners is flink toegenomen door de zo’n 1,5 miljoen Syrische vluchtelingen die het heeft opgevangen. Vooral plaatselijke injecties in kassen en de teelt van groenten en aardappelen hebben gezorgd voor meer inkomsten en werkgelegenheid.

    Op een moment dat de corrupte en incompetente politieke elite de financiële en bancaire sector van Libanon heeft doen instorten, waardoor het land failliet is en een groot deel van de bevolking verstoken is van voedsel en de meest basale voorzieningen, heeft onderzoek naar een duurzaam economisch model de hoogste prioriteit. En een nieuwe kijk op de Libanese landbouw is daarbij van wezenlijk belang.

    Al bijna een decennium lang heeft Libanon de grootste moeite om de voedselzekerheid van zijn bevolking te waarborgen, het gevolg van twee opeenvolgende crises, die overigens verschillende implicaties hebben gehad. Om te beginnen is de vraag naar voedingsmiddelen sterk toegenomen door de crisis in Syrië, die in 2011 begon en inmiddels voor een toestroom van anderhalf miljoen vluchtelingen heeft gezorgd. Maar deze extra druk op de voedselvoorziening heeft ook een positief gevolg gehad: om aan de toenemende vraag naar voedsel te voldoen, hebben de Libanezen steeds meer in de landbouw geïnvesteerd, met name in kassen en de teelt van groenten en aardappelen. Deze plaatselijke investeringen hebben voor nieuwe inkomsten gezorgd en de Syrische vluchtelingen aan werk geholpen. Ondanks een gebrek aan planning en politieke visie (een constante sinds het eind van de burgeroorlog) heeft de Libanese landbouwsector een antwoord weten te vinden op de problemen op het gebied van voedselzekerheid, voor een zekere mate van sociale stabiliteit gezorgd en het platteland veerkracht gegeven.

    Mogelijke instorting

    De voedselveiligheid van de Libanezen en de Syrische vluchtelingen wordt onmiskenbaar bedreigd door de financiële crisis en de val van het Libanese pond, vorig jaar. Tussen oktober 2019 en oktober 2020 is de consumentenprijsindex met 140 procent gestegen, terwijl de prijzen van voedingsmiddelen met een factor vier zijn vermenigvuldigd. Toch heeft een onderzoek dat we afgelopen september deden bij een grote supermarktketen ons geleerd dat ondanks deze prijsstijging de consumptie van versproducten zoals aardappels, tomaten en komkommers stabiel is gebleven ten opzichte van 2018 en 2019, in tegenstelling tot de consumptie van verwerkte producten. Maar daar blijkt alleen uit in hoeverre de stedelijke middenklasse de crisis financieel het hoofd weet te bieden, in een land waar volgens een schatting van de Wereldbank respectievelijk 45 procent en 22 procent van de huishoudens arm en extreem arm is. Bijna een kwart van die extreem arme Libanese huishoudens slaat een maaltijd per dag over.

    In Libanon wordt veel gebruikgemaakt van vluchtelingen als goedkope arbeidskrachten. Door de leiding van de vluchtelingenkampen worden ze gekoppeld aan lokale boeren. De omstandigheden zijn zwaar, de arbeiders verdienen maximaal 8 dollar per dag en maken dagen van 15 uur
    Syrische vluchtelingen rooien aardappelen op een Libanese boerderij. In Libanon wordt veel gebruikgemaakt van vluchtelingen als goedkope arbeidskrachten. Door de leiding van de vluchtelingenkampen worden ze gekoppeld aan lokale boeren. De omstandigheden zijn zwaar, de arbeiders verdienen maximaal 8 dollar per dag en maken dagen van 15 uur. 
    © Eva Parey / Sopa Images / LightRocket / Getty

    Een ineenstorting van de lokale voedselproductie ligt op de loer. Want door de financiële crisis zijn niet alleen de voedselprijzen gestegen, maar wordt ook de Libanese voedselproductiecapaciteit bedreigd. Sinds halverwege de jaren negentig hebben de leveranciers van landbouwgrondstoffen de nadruk gelegd op een productiemodel dat sterk afhankelijk is van geïmporteerde zaden en planten, kunstmest, pesticiden en irrigatiesystemen. Het model werd gesteund door de centrale bank en de bancaire sector van Libanon, die deze grondstoffenleveranciers kredieten verschaften die zij op hun beurt weer omzetten in leningen aan agrariërs. Dit systeem is nu in ingestort, met als gevolg dat de landbouwproductiecapaciteit in Libanon gevaar loopt.

    Zo zijn de productiekosten van groenten volgens onze berekeningen in 
    2020 met 40 procent toegenomen ten opzichte van 2019. Tegelijkertijd hebben de leveranciers van grondstoffen en andere landbouwproductiemiddelen een gemiddelde verkoopdaling van 40 procent gesignaleerd, wat erop duidt dat hun klanten op kosten besparen, bijvoorbeeld door af te zien van voorgenomen investeringen, hun landbouwgrond in te krimpen of over te stappen op minder kostbare gewassen als tarwe. Globaal heeft de landbouwsector de eerste klappen van de financiële crisis gedeeltelijk kunnen opvangen door de verhoogde productiekosten te compenseren met prijsverhogingen.

    Desondanks is er een groot risico dat de productie in de loop van 2021 zal instorten: wanneer de wisselkoers van het Libanese pond op het huidige niveau blijft, zullen de exploitatiekosten volgens onze berekeningen met 175 procent toenemen en die van nieuwe investeringen in de groenteproductie met 350 procent. Bovendien zouden de hoge grondstoffenprijzen de grote, op export gerichte landbouwbedrijven bevoordelen, terwijl het land vooral behoefte heeft aan kleine duurzame bedrijven, in de vorm van coöperaties, die voor de plaatselijke markten produceren.

    Coherente hervorming

    Tot dusver zijn het vooral niet-statelijke actoren, zoals de civil society en Hezbollah (de laatste via een oproep tot een ‘agrarische en industriële jihad’) die op deze situatie hebben gereageerd, al heeft het Libanese ministerie van Landbouw er afgelopen september enige aandacht aan besteed in zijn strategieplan voor de komende vijf jaar. Dit strategieplan richt zich op vijf pijlers, waarvan voedselzekerheid er voor de eerste keer één is. De andere pijlers zijn technische verbeteringen ter verhoging van de agrarische en agro-industriële productiviteit, versterking van de concurrentiepositie van de agro-alimentaire ketens, betere aanwending van natuurlijke hulpbronnen en vergroting van de sectorcapaciteit.

    De Libanese regering neigt ernaar strategieën te ontwikkelen die op donateurs zijn gericht, donateurs die kieskeurig te werk gaan bij het kiezen van hun financieringsdoelen. Terwijl de Libanese landbouw meer behoefte heeft aan een coherente en nationale wetgevende en institutionele hervormingsstrategie, met een omvang die vergelijkbaar is met die van de regering van Foead Shebab in de jaren zestig.

    Een van de belangrijkste aspecten van deze hervorming zou het uitvaardigen zijn van een wet die bedrijven op het gebied van landbouw en veeteelt een officiële status geeft, evenals het werk in die sectoren. Ongeveer 90 procent van de Libanezen – en bijna alle Syriërs – die in de landbouw werkzaam zijn, doet dat op informele basis. Agrarische arbeid is niet aan regels gebonden, en dientengevolge bestaat er geen enkele wettelijke omschrijving van agrarische beroepen of bedrijfsuitoefening, wat vooral impliceert dat werknemers in de sector geen enkele sociale bescherming genieten. De wet zou dus moeten voorzien in regels en aanvaardbare arbeidsvoorwaarden voor Libanese en buitenlandse werknemers in de agrarische sector, waaronder een zorg- en pensioenverzekering.

    De meeste landbouwgrond in Libanon is in handen van rijkste 10 procent

    Een tweede maatregel zou moeten voorzien in heldere en rechtvaardige regelingen op het gebied van het grondbezit en -gebruik. Tweederde van de landbouwgrond is momenteel in handen van de rijkste 10 procent grootgrondbezitters, die sterke politieke banden hebben. Maar de landbouwsector zelf bestaat enerzijds uit een handjevol grote bedrijven en aan de andere kant uit tienduizenden gefragmenteerde boerderijtjes met weinig kapitaal, vooral ook omdat het erfrecht verbrokkeling in de hand werkt. Dit productiepatroon heeft niet alleen bepaalde gevolgen voor schaalgrootte en productiviteit, maar ook voor het milieu, omdat het leidt tot overmatig gebruik van producten die de bodem en het water vervuilen. Een derde maatregel zou het wettelijk makkelijker moeten maken om coöperaties te vormen en voor regels moeten zorgen die de autonomie en de groei daarvan bevorderen.

    Meer in algemene zin zouden er ook structurele hervormingen moeten worden doorgevoerd die de concurrentiedynamiek in de sector versterken en een einde maken aan de kartels. Ook zouden er heldere regels moeten komen voor de verkoop van landbouwproducten wanneer die eenmaal zijn geoogst, zoals transparante prijsinformatie, prijzen die zijn gebaseerd op de kwaliteit van de producten en fytosanitaire keuring. Door dit soort hervormingen zouden de agrariërs voor hun afzet minder afhankelijk worden van commerciële partijen. Want die laatste zijn in grote mate verantwoordelijk voor wat er na de oogst met de producten gebeurt, zoals sortering, koeling, transport et cetera, en bepalen als gevolg daarvan voor een groot deel de toegevoegde waarde van de producten, zodat producenten vaak genoodzaakt zijn die in de oogsttijd, wanneer er een overmatig aanbod is, tegen een lage prijs te verkopen.

    Tot dusver heeft zowel de politiek als een deel van de civil society vooral op de huidige crisis gereageerd door de landbouw en de herwaardering van de aarde de hemel in te prijzen, vooral tijdens de lockdown. Kortom, door de burgers zelf verantwoordelijk te stellen voor hun voedselveiligheid. Dit ideaal van zelfvoorziening is niet alleen onrealistisch maar ook funest, omdat het de staat ontheft van zijn verantwoordelijkheid. Terwijl stijgende grondstoffenprijzen de kloof vergroten tussen kleine bedrijfjes en de grote, op export gerichte ondernemingen, loopt Libanon het risico dat er een nieuwe belangrijke bevolkingsgroep in de armoede wordt gestort en dat er een sector verloren gaat die heeft bewezen werkgelegenheid te scheppen en bij te dragen tot vrede onder de bevolking.

  • Kan de aarde 10.000.000.000 mensen voeden?

    Kan de aarde 10.000.000.000 mensen voeden?

    In 2050 zullen er naar verwachting tien miljard mensen op aarde wonen. Kunnen we die allemaal te eten geven zonder dat we onze planeet vernietigen?

    Alle ouders herinneren zich nog het moment dat ze voor het eerst hun baby in hun armen hielden – dat verkreukelde gezichtje, het gloednieuwe mensje dat je vanonder de ziekenhuisdeken aankijkt. Ik strekte mijn handen uit en drukte mijn dochter tegen me aan. Ik was zo overweldigd dat ik nauwelijks meer tot denken in staat was.

    Later liep ik naar buiten, om moeder en kind te laten slapen. Het was drie uur in de ochtend, eind februari in New England. Het trottoir was glad en er viel een ijzige motregen. Net toen ik wilde oversteken kwam er een gedachte in me op: wanneer mijn dochter zo oud is als ik nu, lopen er op aarde zo’n tien miljard mensen rond. Abrupt hield ik stil. Ik dacht: Hoe moet dat?

    In 1970, toen ik op de middelbare school zat, leed ongeveer een op de vier mensen honger – of was ‘ondervoed’, om de term van de Verenigde Naties te gebruiken. Nu is dat cijfer gedaald naar ongeveer een op de tien mensen. In die vierenhalve decennia is de gemiddelde levensduur van mensen wereldwijd met meer dan elf jaar toegenomen; een verbijsterende stijging, die zich voornamelijk voltrok in arme 
gebieden. Honderden miljoenen inwoners van Azië, Latijns-Amerika en Afrika zijn de armoede ontstegen en behoren nu tot een middenklasse. Die welvaartsgroei is niet gelijkelijk of rechtvaardig verdeeld: 
miljoenen en miljoenen mensen zijn nog steeds níét welvarend. Toch is zo’n toename van rijkdom nooit eerder voorgekomen. Niemand weet of deze groei kan doorgaan en of onze huidige welvaart houdbaar is.

    Op dit moment heeft de wereld 7,6 miljard inwoners. De meeste demografen verwachten dat het er rond 2050 zo’n tien miljard zullen zijn. Daarna gaat de bevolkingsaanwas waarschijnlijk afvlakken. Als soort zijn we dan op ‘vervangingsniveau’: gemiddeld krijgt elk stel dan precies genoeg kinderen om zichzelf te vervangen. Ondertussen, zeggen economen, moet de ontwikkeling van de wereld doorgaan, hoe ongelijk verdeeld ook. Dat betekent dat wanneer mijn dochter zo oud is als ik nu, een aanzienlijk percentage van 
de tien miljard mensen op de wereld tot de middenklasse behoort.

    De dialoog over het milieu is verworden tot een serie woedende monologen, waarbij geen van beide 
partijen bereid is de ander iets toe te geven

    Net als alle ouders wil ik graag dat mijn kinderen 
een prettig leven hebben als ze volwassen zijn. Maar op de parkeerplaats van het ziekenhuis leek die kans me opeens heel klein. Tien miljard monden, dacht ik. Nog eens drie miljard middenklassers erbij met trek. Hoe kan die trek ooit gestild worden? En dat is nog maar een deel van de vraag. De hele vraag is: hoe kunnen we iedereen geven wat hij nodig heeft 
zonder de planeet onleefbaar te maken?

    Terwijl mijn kinderen opgroeiden, boden mijn journalistieke opdrachten me de gelegenheid om van 
tijd tot tijd met deskundigen uit Europa, Azië en de Amerika’s over deze vragen te praten. In de loop van deze gesprekken begon ik in te zien dat de antwoorden onder te verdelen zijn in twee brede categorieën.

    Deze categorieën zijn (althans, naar mijn idee) terug te voeren op twee mensen, allebei Amerikanen, uit de twintigste eeuw. Deze twee hebben elkaar nauwelijks gekend en hadden geen hoge pet op van elkaars werk. Maar ze zijn voor een groot deel verantwoordelijk voor het ontstaan van de intellectuele blauwdrukken die instellingen over de hele wereld vandaag de dag als uitgangspunt nemen voor hun zoektocht naar oplossingen voor onze dilemma’s op het gebied van milieu. Helaas geven hun blauwdrukken 
volkomen verschillende antwoorden op de vraag 
hoe we moeten overleven. Die twee mensen waren William Vogt en Norman Borlaug.

    Vogt, geboren in 1902, legde de basis voor de ideeën van de moderne milieubeweging. In het bijzonder stichtte hij het ‘apocalyptisch milieuactivisme’ zoals hoogleraar Bevolkingswetenschap Betsy Hartmann van Hampshire College het heeft genoemd – de overtuiging dat de mensheid de mondiale ecosystemen zal vernietigen, als ze niet drastisch haar consumptie terugdringt en de bevolkingsaanwas tegengaat. 
In zijn veel verkochte boeken en hartstochtelijke toespraken betoogde Vogt dat de welvaart niet onze grootste verdienste is, maar ons grootste probleem. Als we meer van de aarde blijven nemen dan dat ze kan geven, zei hij, is het onvermijdelijke resultaat grootschalige, wereldwijde vernietiging. ‘Minderen! Minderen!’ was zijn mantra.

    Borlaug, die twaalf jaar na Vogt werd geboren, 
werd het symbool van het ‘techno-optimisme’ – de opvatting dat wetenschap en technologie, als ze op de juiste manier worden toegepast, zullen zorgen voor een uitweg uit onze problemen. Hij was de bekendste figuur in het onderzoeksgebied waaruit 
in de jaren zestig de Groene Revolutie voortkwam, die combinatie van hoogrenderende gewassen en nieuwe landbouwtechnieken die ervoor zorgde dat de graanoogsten over de hele wereld sterk toenamen en zo tientallen miljoenen mensen behoedde voor de hongerdood. Welvaart was voor Borlaug niet het probleem maar de oplossing. Alleen door rijker te worden en meer kennis te vergaren kan de mensheid de wetenschap scheppen die onze milieuproblemen kan oplossen. ‘Innoveren! Innoveren!’ was zijn oproep.

    Beide mannen vonden dat ze nieuwe wetenschappelijke kennis aanwendden in de strijd tegen de 
mondiale crisis. Maar daarmee houdt de gelijkenis op. Voor Borlaug was de menselijke vindingrijkheid de oplossing voor onze problemen. Eén voorbeeld: als boeren de geavanceerde methoden van de Groene Revolutie gebruikten om hun opbrengsten per hectare te vergroten, zouden ze volgens hem niet meer 
zo veel hectaren hoeven te bebouwen. Dit idee heet in wetenschappelijke kringen nu de ‘Borlaug-hypothese’.

    De opvattingen van Vogt stonden hier lijnrecht tegenover. Hij zag de oplossing in het gebruiken van ecologische kennis voor schaalverkleining. In plaats van meer graan verbouwen om meer vlees te produceren, moet de mensheid ‘lager aan de voedselketen eten’, zoals Vogts navolgers het uitdrukken, om zo de druk op de ecosystemen van de aarde te verlichten. Op dit punt verschilde Vogt van mening met zijn voorganger, Robert Malthus, en diens bekende 
voorspelling dat samenlevingen onvermijdelijk door hun voedselvoorraad heen raken omdat ze altijd te veel kinderen zullen krijgen. Vogt gaf een andere wending aan de discussie en zei dat we straks misschien wel genoeg voedsel kunnen telen, maar dat 
de prijs daarvoor de vernietiging van de mondiale ecosystemen zal zijn.

    Ik noem de aanhangers van deze twee opvattingen voor mezelf de ‘Tovenaars’ en de ‘Profeten’. De 
Tovenaars, die het model van Borlaug aanhouden, ontdekken nieuwe technologische oplossingen; de Profeten, die naar Vogt kijken, wijzen op de gevolgen van onze roekeloosheid.

    Borlaug en Vogt bevonden zich tientallen jaren lang in dezelfde kringen, maar spraken zelden over elkaar. Hun eerste en enige ontmoeting, halverwege de jaren veertig, leidde tot een meningsverschil, en onmiddellijk daarna deed Vogt pogingen om het werk van Borlaug stop te laten zetten. Voor zover 
ik weet hebben ze daarna nooit meer een woord gewisseld. Allebei verwezen ze in openbare speeches naar de ideeën van de ander, maar ze noemden 
nooit elkaars naam. Vogt hekelde de anonieme wetenschappers die de problemen van de wereld alleen maar verergerden en die volgens hem ‘deluded’ (misleid) waren. Borlaug noemde zijn tegenstanders ‘Luddites’.

    Beide mannen zijn inmiddels overleden, maar de strijd tussen de twee stromingen is alleen maar feller geworden. In de ogen van de Tovenaars is de nadruk die de Profeten op minder consumeren leggen oneerlijk, onverschillig tegenover de armen, zelfs racistisch (omdat de meeste mensen die honger 
lijden niet-blank zijn). De lijn van Vogt, zeggen zij, is een weg naar achteruitgang, beperking, armoede en honger – naar een wereld waarin miljarden mensen in ellende leven ondanks de wetenschappelijke kennis die hen zou kunnen bevrijden. Profeten zeggen misprijzend dat het geloof van de Tovenaars in de vindingrijkheid van de mens onnadenkend en dom is, en zelfs ingegeven wordt door hebzucht (omdat de weigering om over de ecologische grenzen heen te gaan slecht zou zijn voor de winsten van grote bedrijven). Hoog-intensieve industriële landbouw à la 
Borlaug kan op de korte termijn misschien succesvol zijn, maar uiteindelijk zal de ecologische afrekening des te harder aankomen, zeggen de Profeten. De uitputting van bodem en watervoorraden door roekeloos overmatig gebruik leidt tot de ecologische ineenstorting, die op zijn beurt wereldwijde maatschappelijke aardschokken zal veroorzaken.

    Tovenaars stellen daar tegenover: Dat is precies de wereldwijde humanitaire crisis die wij voorkomen! Beide partijen slingeren elkaar steeds heftiger beschuldigingen naar het hoofd en 
de dialoog over het milieu is verworden tot een serie woedende monologen, waarbij geen van beide 
partijen bereid is de ander iets toe te geven. Dat zou nog tot daaraan toe zijn, ware het niet dat het over het lot van onze kinderen ging.

    1. Norman Borlaug (1914-2009). ‘Innoveren, innoveren’, was zijn credo. © Art Rickerby / Getty Images; 2. William Vogt (1902-1968). ‘Minderen, minderen’, was zijn mantra. – © Getty
    1. Norman Borlaug (1914-2009). ‘Innoveren, innoveren’, was zijn credo. © Art Rickerby / Getty Images

    Vogt manifesteerde zich voor het eerst in 1948, met de publicatie van Road to Survival, het eerste moderne we-gaan-er-allemaal-aanboek. Daarin introduceerde hij het begrip ‘draagkracht’, dat de basis vormt van de huidige milieubeweging. Draagkracht, vaak ook ‘ecologische beperkingen’ of ‘de grenzen van de planeet’ genoemd, houdt in dat elk ecosysteem een grens heeft aan wat het kan produceren.

    Overschrijd die grens te lang en het ecosysteem wordt verwoest. Naarmate het aantal mensen toeneemt, zo schrijft Vogt in Road to Survival, zal onze behoefte aan voedsel de draagkracht van de aarde te buiten gaan. De gevolgen zullen rampzalig zijn: erosie, verwoestijning, uitputting van de grond, het uitsterven van soorten en besmetting van water, en dat alles zal vroeg of laat tot enorme hongersnoden leiden. Schrijvers als Rachel Carson (auteur van Silent Spring en een vriendin van Vogt) en Paul Ehrlich (auteur van The Population Bomb) schaarden zich achter hem, en zo werd Vogts betoog over het overschrijden van de grenzen de bron waaruit de huidige wereldwijde milieubeweging voortkwam – de enige ideologie die is overgebleven uit de vorige eeuw.

    Toen Road to Survival verscheen, was Borlaug als jonge plantkundige betrokken bij een tot dan toe nogal kwijnend project ter verbetering van de Mexicaanse landbouw. Met financiële steun van de Rockefeller Foundation probeerde het project de arme maïsboeren van het land te helpen. Borlaug was in Mexico voor een afgeleide van dat project, dat te maken had met tarwe – of liever met zwarte roest, een schimmel die de oudste en gevaarlijkste bedreiging is voor tarwe (de Romeinen brachten al offers om de god van de zwarte roest gunstig te stemmen). In de Verenigde Staten werd zwarte roest meestal door de kou onschadelijk gemaakt, maar in het warmere Mexico was de schimmel een voortdurende plaag die elk voorjaar door wind de grens over werd geblazen en dan Amerikaanse tarwevelden besmette.

    Als enige onderzoeker in het Rockefeller-project die zich met tarwe bezighield, kreeg Borlaug zo weinig geld dat hij maandenlang in schuren en op akkers moest bivakkeren. Maar halverwege de jaren vijftig lukte het hem om een tarweras te kweken dat resistent was tegen veel soorten roest. En bovendien ontwikkelde hij een ras met veel kortere stengels dan gebruikelijk. Voor die tijd groeide het zwaar bemeste tarwe zo snel dat de stengels dun en slap werden en gemakkelijk omwaaiden. De omgevallen planten konden zich niet meer oprichten, rotten weg en gingen dood. Het kortere, stevigere tarwe van Borlaug kon grote hoeveelheden mest opnemen en die extra groei ging niet in de stengels of wortels zitten, maar in de aren en korrels. In de eerste testen haalden boeren soms letterlijk tien keer zoveel tarwe van hun akkers. De oogsten namen zo hard toe dat een functionaris van USAID deze stijging in 1968 de ‘Groene Revolutie’ noemde, waarmee hij een naam gaf aan het fenomeen dat zo bepalend zou worden voor de twintigste eeuw.

    Het meest ingrijpende effect had de Groene Revolutie in Azië, waar de Rockefeller Foundation en de Ford Foundation op de Filipijnen het International Rice Research Institute (IRRI) oprichtten. In die tijd leed minstens de helft van de Aziatische bevolking honger en gebrek; op veel plekken namen de oogsten van de boeren niet toe of liepen ze zelfs terug. Regimes die nog maar kort geleden het koloniale juk hadden afgeworpen, kampten met communistische opstanden, met name in Vietnam. Amerikaanse leiders dachten dat de aantrekkingskracht van het communisme lag in de belofte van een betere toekomst. Washington wilde laten zien dat het kapitalisme de beste voedingsbodem was voor ontwikkeling. Het IRRI was bedoeld om met de allerbeste onderzoeksteams een moderne rijstteelt te ontwikkelen die snel ingevoerd kon worden en voor hervormingen in Azië zou zorgen – ‘een Manhattan Project voor voedsel’, zoals historicus Nick Cullather het uitdrukte.

    In navolging van Borlaug ontwikkelden onderzoekers van het IRRI nieuwe rijstvariëteiten met een hoge opbrengst. Deze verspreidden zich in de jaren zeventig en tachtig snel door Azië, en de rijstoogsten verdriedubbelden bijna. Meer dan 80 procent van alle rijst die nu in Azië wordt verbouwd is oorspronkelijk door het IRRI ontwikkeld. De bevolking van het continent is enorm toegenomen, en dan nog consumeren Aziatische mannen, vrouwen en kinderen nu gemiddeld 30 procent meer calorieën dan bij de oprichting van het IRRI. Seoul en Shanghai, Jaipur en Jakarta: glanzende wolkenkrabbers, dure hotels, straten vol verkeer en fel neonlicht – alles gebouwd op een fundament van in het laboratorium gekweekte rijst.

    Hadden de Profeten ongelijk gehad? Was het begrip draagkracht een angstige hersenschim? Nee. Zoals Vogt had voorspeld, leidde de grote sprong voorwaarts in productiviteit tot enorme milieuschade: verdroging van waterhoudende lagen, een overdaad aan meststoffen, aquatische dode zones en verarmde en drassige grond. Erger nog, vanuit menselijk standpunt, was dat landbouwgrond door de snelle productiviteitsstijging meer waard werd. Opeens was die grond de moeite van het inpikken waard – en dat was precies wat elites in plattelandsgebieden vaak deden, door arme boeren van hun land te verdrijven. De Profeten betoogden dat de Groene Revolutie de hongercrisis alleen maar uitstelde; dit was een eenmalig succesje en geen permanente oplossing. En, zo zeggen de Profeten, onze groeiende aantallen en de toegenomen welvaart betekenen dat onze oogsten nu opnieuw een sprong moeten maken – ja, een tweede Groene Revolutie, voegen de Tovenaars daar opgewekt aan toe.

    Wat te doen?

    De wereldbevolking zal in 2050 slechts 25 procent groter zijn dan nu, maar volgens veel voorspellingen moeten de boeren de voedselproductie met 50 tot 100 procent verhogen. Dat komt voornamelijk doordat met de grotere welvaart de vraag naar dierlijke producten zoals kaas, zuivel, vis en vooral vlees is verveelvoudigd – en het telen van voer voor dierhouderij vraagt veel meer land, water en energie dan het simpelweg verbouwen van planten voor menselijke consumptie. Het is niet te voorspellen hoeveel meer vlees de miljarden mensen van morgen willen consumeren, maar als ze ook maar enigszins zo carnivoor zijn als de westerlingen van nu, zal de opgave enorm zijn. Even enorm, zo waarschuwen de Profeten, als de natuurrampen op de planeet die het gevolg zijn van de pogingen om de honger van de wereld naar hamburgers en bacon te stillen: verwoeste landschappen, conflicten om water en landroof, waardoor boeren in arme landen zonder middelen van bestaan komen te zitten.

    Wat te doen? Sommige strategieën die beschikbaar waren tijdens de eerste Groene Revolutie zijn dat nu niet meer. Boeren kunnen niet meer zoveel méér land bebouwen, want vrijwel elke bereikbare hectare geschikt boerenland is al in gebruik. Ook kan de toepassing van kunstmest niet nog verder worden opgevoerd; die bemesting wordt overal, behalve in sommige delen van Afrika, al te veel gebruikt en veroorzaakt vervuiling van rivieren, meren en oceanen. Ook de bevloeiing van akkers kan nauwelijks worden uitgebreid – waar land geïrrigeerd kan worden, gebeurt dat meestal al. Voor de Tovenaars is de inzet van genetische modificering om productievere gewassen te ontwikkelen de beste koers. De Profeten zien dat als een zekere weg naar een nog grotere overbelasting van de draagkracht van de planeet. We moeten juist de andere kant op, zeggen zij: minder land gebruiken, minder water verspillen, ophouden die twee vol te pompen met chemische middelen.

    Het is alsof de mensheid opeengepakt zit in een bus die met hoge snelheid door dichte mist rijdt. Ergens verderop is een afgrond: een rampzalige ommekeer in het lot van de mensheid. Niemand kan precies zien waar de afgrond gaapt, maar iedereen weet dat de bus ergens zal moeten omkeren. Het probleem is alleen dat de Tovenaars en Profeten het er niet over eens zijn welke kant het stuurwiel op gerukt moet worden. Allebei weten ze zeker dat de ideeën van de ander de bus over de rand zullen jagen. En terwijl zij zitten te kibbelen, komen er steeds meer passagiers bij.

    Bijna iedereen eet elke dag, maar te weinig mensen denken er ooit over na hoe dat kan. Als landbouwgeschiedenis op school een verplicht vak was, zouden meer mensen de naam kennen van Justus von Liebig, die halverwege de negentiende eeuw vaststelde dat de hoeveelheid stikstof in de grond de groei van een plant bepaalt. Wetenschapshistorici hebben Von Liebig ervan beschuldigd dat hij zijn data vervalste en de ideeën van anderen pikte – en dat klopt ook wel, voor zover ik weet. Maar hij was ook een visionair, die de relatie tussen de menselijke soort en de natuur wezenlijk heeft veranderd. Nogal dweperig, maar met een vooruitziende blik stelde Von Liebig zich een nieuw soort landbouw voor: landbouw als tak van natuur- en scheikunde. Grond was gewoon een basis met de natuurkundige eigenschappen die nodig zijn om wortels vast te houden. Doe daar stikstofhoudende stoffen bij –fabrieksmatig geproduceerde kunstmest – en je krijgt automatisch reusachtige oogsten. In termen van vandaag zette Von Liebig de eerste schreden in de richting van chemisch gereguleerde industriële landbouw – een vroege versie van Tovenaarsdenken.

    Maar er bestond geen duidelijke methode om de stikstofhoudende stoffen te produceren die de planten moesten voeden. Die technologie kwam voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog van twee Duitse scheikundigen: Fritz Haber en Carl Bosch. Allebei zouden ze later nog een Nobelprijs voor Scheikunde winnen, en die hadden ze ook ruimschoots verdiend: het Haber-Boschproces, zoals het wordt genoemd, was absoluut de belangrijkste technologische innovatie van de twintigste eeuw. Vandaag de dag is het Haber-Boschproces verantwoordelijk voor bijna alle kunstmest in de wereld. Iets meer dan 1 procent van de mondiale industrie is daaraan gewijd. ‘Die 1 procent,’ heeft futuroloog Ramez Naam wel eens gezegd, ‘verdubbelt zo’n beetje de hoeveelheid voedsel die de wereld kan telen.’ Volgens een schatting van milieuwetenschapper Vaclav Smil zijn de stikstofhoudende meststoffen van het Haber-Boschproces verantwoordelijk voor ‘het overgrote deel van het voedsel van bijna 45 procent van de wereldbevolking.’ Meer dan drie miljard mannen, vrouwen en kinderen – een onvoorstelbaar grote wolk van hoop en angst, herinneringen en dromen – danken hun bestaan aan twee Duitse scheikundigen van wie de meeste mensen nooit hebben gehoord.

    Het succes werd op de voet gevolgd door de narigheid. Zo’n 40 procent van de mest die in de afgelopen zestig jaar is uitgestrooid, is niet door planten opgenomen. Het spoelde in rivieren of kwam in de vorm van stikstofoxiden in de atmosfeer terecht. Meststof die in water belandt, blijft zijn werk doen: de mest stimuleert de groei van algen, onkruid en andere organismen in het water van rivieren, meren of oceanen. Wanneer die afsterven, zakken ze naar de bodem, waar microben hun resten consumeren. Op dit manna van dode algen en planten maken deze microben zo’n sterke groei door, dat hun ademhaling zuurstof onttrekt aan de lagere diepten, waardoor het andere leven daar grotendeels sterft. Stikstof van boerderijen in de Amerikaanse Midwest stroomt elke zomer met de Mississippi mee naar de Golf van Mexico, waar het een zuurstofwoestijn veroorzaakt die in 2016 bijna 18.000 vierkante kilometer besloeg. Het jaar daarna werd in de Golf van Bengalen, voor de oostkust van India, een nog grotere dode zone ontdekt – bijna 60.000 vierkante kilometer.

    Stikstofoxide uit kunstmest die opstijgt in de lucht is een belangrijke bron van vervuiling. Hoog in de stratosfeer gaat het een verbinding aan met ozon en neutraliseert zo de ozonlaag die het leven op het aardoppervlak beschermt door kankerverwekkende ultraviolette stralen tegen te houden. Zonder de klimaatverandering, meent wetenschappelijk publicist Oliver Morton, zou die territoriumuitbreiding van stikstof waarschijnlijk ons grootste milieuprobleem zijn.

    Rijen groenten in AeroFarms’ indoor vertical farming facility in Newark, Verenigde Staten. – © Bryan Anselm / HH
    Rijen groenten in AeroFarms’ indoor vertical farming facility in Newark, Verenigde Staten. – © Bryan Anselm / HH

    Tegen dat stikstofterritorium was al fel verzet gerezen voordat Haber en Bosch respectievelijk in 1918 en 1931 hun Nobelprijs kregen. De leider van dat verzet was de Engelse boerenzoon Albert Howard (1873-1947), die het grootste deel van zijn carrière de officiële botanicus van Brits-Indië was. Howard en zijn vrouw Gabrielle, een aan Cambridge opgeleide plantenfysioloog, hielden zich in India bezig met het kweken van nieuwe variëteiten tarwe en tabak, de ontwikkeling van nieuwe typen ploegen en het ontwikkelen en uittesten van een supergezond dieet voor ossen. Tegen het eind van de Eerste Wereldoorlog waren zij ervan overtuigd dat aarde niet alleen maar een basis was voor chemische toevoegingen. Het was een vernuftig, levend systeem dat een zeer complexe mengeling van voedingsstoffen uit plantaardig en dierlijk afval vroeg: restanten van de oogst, mest. De Howards legden hun ideeën vast in de Law of Return, zoals zij het noemden: ‘de getrouwe terugkeer van al het beschikbare plantaardige, dierlijke en menselijke afval naar de aarde’. Wij zijn afhankelijk van planten, planten zijn afhankelijk van aarde, en aarde is afhankelijk van ons. Het Agricultural Testament van de Howards uit 1943 werd het fundament van de biologische beweging.

    Tovenaars zetten Howard weg als charlatan en warhoofd, net als Jerome I. Rodale – een niet al te succesvolle ondernemer uit New York die ook uitgever en toneelschrijver was, theorieën over tuinieren ontwikkelde, met voeding experimenteerde en Howards ideeën publiceerde in boeken en tijdschriften. Het is waar dat hun bevlogenheid ingegeven was door een bijna religieus geloof in een natuurlijke, aan grenzen gebonden orde. Maar als hij het levende karakter van aarde bezong, doelde Howard op het geheel dat aardeorganismen vormen, de dynamische relaties tussen plantenwortels en de aarde daaromheen, en de fysieke structuur van humus, die ervoor zorgt dat aardedeeltjes in luchtige klonters aan elkaar kleven, waardoor water wordt vastgehouden en er niet doorheen loopt. Dat was allemaal heel concreet en het was allemaal onbekend toen Liebig de basisdeeën achter de chemische landbouw vormde. De stelling die Howard in zijn vele boeken en toespraken poneerde, dat door industriële landbouw het platteland ontvolkt raakte en een oudere manier van leven werd verstoord, klopte ook, al waren zijn tegenstanders het niet met hem eens over de vraag of dit verkeerd was. Tegenwoordig lijkt het erop dat de Profeten met hun angst dat de industriële landbouw de grond zou uitputten, een vooruitziende blik hadden: uit een belangrijk onderzoek van de Food and Agriculture Organisation (FAO) van de VN bleek dat eenderde van alle landbouwgrond in de wereld minder vruchtbaar is geworden.
    Aanvankelijk was een verzoening tussen de twee verschillende zienswijzen misschien mogelijk geweest. Het is voorstelbaar dat Borlaugiaanse Tovenaars zouden overwegen om dierenmest en andere natuurlijke stoffen aan de grond toe te voegen, en dat Vogtiaanse Profeten bereid zouden zijn om chemicaliën te gebruiken als supplement bij een verantwoorde omgang met grond. Maar dat gebeurde niet. De twee partijen scholden elkaar de huid vol en raakten steeds verder van elkaar verwijderd. Ze zetten een conflict in gang dat ook in de eenentwintigste eeuw voortduurt – en steeds feller is geworden, nu er overal genetisch gemodificeerde gewassen worden toegepast. Het betreft niet alleen een conflict tussen twee filosofieën, twee benaderingswijzen van technologie, twee manieren van denken over de vraag wat de beste manier is om meer voedsel te produceren voor een groeiende bevolking. Het gaat over de vraag of de instrumenten die we kiezen het overleven van de planeet verzekeren, of juist de ondergang ervan versnellen.

    Terwijl de Tovenaars pal stonden voor kunstmatige bemesting en de Profeten die juist van de hand wezen, deelden zij dezelfde onwetendheid: niemand wist waaróm planten zo afhankelijk zijn van stikstof. Pas na de Tweede Wereldoorlog ontdekten wetenschappers dat planten voornamelijk stikstof nodig hebben om het eiwit rubisco te maken, een prima ballerina in het ballet van interacties dat de fotosynthese is.

    Als kind leer je op school dat planten bij fotosynthese energie van de zon gebruiken om CO2 en water te scheiden en uit de afzonderlijke componenten 
daarvan de bestanddelen te vormen die nodig zijn voor de productie van wortels, stengels, bladeren en zaden. Het enzym rubisco speelt een sleutelrol in 
dit proces. Enzymen zijn biologische katalysatoren. Als lukraak overstekende voetgangers die een auto-ongeluk veroorzaken maar zelf ongedeerd blijven, veroorzaken enzymen biochemische reacties zonder daarbij zelf te veranderen. Rubisco haalt CO2 uit de lucht, stopt die in de fotosynthesedraaikolk, en gaat dan nog meer CO2 halen. Omdat deze activiteit 
bepalend is voor het proces, voltrekt de fotosynthese zich in het tempo van rubisco.

    Helaas is rubisco naar biologische maatstaven een luilak, een slome duikelaar, een bankhanger. Terwijl enzymmoleculen normaal gesproken duizenden reacties per seconde katalyseren, nemen rubisco-moleculen hooguit twee of drie keer per seconde de moeite om zich met een reactie te bemoeien. Erger nog, rubisco is een kluns. Zeker twee van de vijf keer pakt rubisco per ongeluk zuurstof op in plaats van CO2, waardoor de reactieketen van de fotosynthese wordt verbroken en opnieuw moet beginnen – een verspilling van energie en water. Jaren geleden sprak ik voor een artikel in een tijdschrift met biologen over fotosynthese. Niemand had een goed woord over voor rubisco. ‘Zo’n beetje het meest incompetente enzym van de wereld,’ zei een onderzoeker. ‘Niet bepaald het paradepaardje van de evolutie,’ 
zei een andere. Om die luiheid en onhandigheid van rubisco het hoofd te bieden, maken planten er een heleboel van, en daarvoor hebben ze veel stikstof nodig. Rubisco vormt de helft van het gewicht van het eiwit in veel plantenbladeren – men zegt vaak dat dit het meest voorkomende eiwit ter wereld is. Naar schatting bevatten alle planten en micro-
organismen samen meer dan 5 kilo rubisco voor elke persoon op aarde.

    Je zou verwachten dat de evolutie rubisco wel 
verbeterd zou hebben. Niets daarvan. Maar ze heeft wel een omleiding gecreëerd: C4-fotosynthese 
(C4 verwijst naar de koolstof-4-molecule die hierin een rol speelt). C4 is tegelijkertijd een biochemisch knutselwerkje en een slim mechanisme om plantengroei te stimuleren, en betekent een totale reorganisatie van de bladanatomie. Wanneer CO2 een C4-blad binnenkomt, wordt het aanvankelijk niet door 
rubisco gegrepen, maar door een ander enzym dat het gebruikt om een stof te vormen die vervolgens in speciale, met rubisco gevulde cellen diep in het blad wordt gepompt. Deze cellen bevatte vrijwel geen zuurstof, dus kan rubisco hier niet miskleunen en 
de verkeerde molecule grijpen. Zo worden precies dezelfde suikers, zetmeel en cellulose geproduceerd als bij gewone fotosynthese, maar dan veel sneller. C4-planten hebben minder water en meststoffen nodig, omdat ze geen water verspillen aan de 
vergissingen van rubisco. In het soort evolutionaire convergentie waar biologen alert op zijn, is C4-fotosynthese onafhankelijk ontstaan in meer dan zestig soorten. Maïs, amarant, bloedgierst, suikerriet en Bermudagras – al die verschillende planten hebben C4-fotosynthese ontwikkeld.

    Niemand kan met zekerheid voorspellen hoeveel extra rijst de boeren in 2050 moeten verbouwen, maar er wordt rekening gehouden met een stijging van 40 procent

    Dit is het botanische equivalent van de eerste maanraket: wetenschappers over de hele wereld doen nu pogingen om van rijst een C4-plant te maken – een die sneller groeit, minder water en bemesting nodig heeft en meer korrels produceert. De reikwijdte en de het belang van dit project kunnen niet onderschat worden. Rijst is het belangrijkste voedingsmiddel van de wereld, het hoofdgewas voor meer dan de helft van de wereldbevolking, een voedingsmiddel dat zo diep in de Aziatische cultuur verankerd is dat de woorden ‘rijst’ en ‘maaltijd’ zowel in het Chinees als in het Japans varianten van elkaar zijn. Niemand kan met zekerheid voorspellen hoeveel extra rijst de boeren in 2050 moeten verbouwen, maar er wordt rekening gehouden met een stijging van 40 procent, op basis van de groeiende bevolkingsaantallen en de toenemende welvaart, waardoor mensen die vroeger arm waren de mogelijkheid krijgen om basisvoedingsmiddelen die minder in aanzien staan, zoals gierst en zoete aardappelen, te verruilen voor rijst. Ondertussen neemt de hoeveelheid grond waarop rijst kan worden geteeld af, doordat steden steeds meer platteland in beslag nemen, dorstige mensen rivieren draineren, boeren overgaan op gewassen die meer geld opleveren en steeds meer landbouwgrond door de klimaatverandering woestijn wordt. Een tekort aan rijst zou een humanitaire catastrofe 
betekenen waarvan de gevolgen in de hele wereld voelbaar zijn.

    Het C4 Rice Consortium is een poging om dat te voorkomen. Dit consortium, grotendeels gefinancierd door de Bill & Melinda Gates Foundation, is 
het meest ambitieuze project op het gebied van genetische manipulatie. Maar de term ‘genetische manipulatie’ dekt niet de hele lading van het project. De genetische manipulatie die meestal in het nieuws komt, heeft te maken met grote bedrijven die individuele pakketjes genetisch materiaal, meestal van een uitheemse soort, in een gewas stoppen. Het bekende voorbeeld is de Roundup Ready-sojaboon van 
Monsanto, die een snippertje DNA bevat van een 
bacterie die was aangetroffen in een afvalwaterbassin in Louisiana. Door dat snippertje vormt de plant in zijn bladeren en stelen een chemische stof die 
het effect van Roundup, het veelgebruikte onkruidverdelgingsmiddel van Monsanto, tegengaat. Dankzij dat uitheemse gen kunnen boeren Roundup over hun soja-akkers sproeien en zo onkruid verdelgen, terwijl het gewas niet wordt aangetast. Afgezien van dat ene smaakloze, geurloze niet-giftige eiwit dat ze produceren, zijn Roundup Ready-sojabonen identiek aan gewone sojabonen.

    Wat het C4 Rice Consortium probeert te doen met rijst verhoudt zich tot de bekende genetisch gemodificeerde gewassen als een Boeing 787 tot een papieren vliegtuigje. Hierbij knutselen wetenschappers niet met individuele genen om zaden te verrijken, maar proberen ze een nieuwe draai te geven aan 
de fotosynthese, een van de meest fundamentele levensprocessen. Omdat C4 zich in zo veel verschillende soorten heeft ontwikkeld, denken wetenschappers dat de meeste planten voorlopers van C4-genen moeten hebben. De hoop is dat dit ook geldt voor rijst, en dat het Consortium de slapende C4-genen daarin weet te identificeren en wakker te schudden – door een pad te volgen dat de evolutie al vele malen eerder heeft gekozen. Ideaal gezien zouden onderzoekers dan de al aanwezige, slapende stukjes 
genetisch materiaal in rijst (of sterk daarop lijkende genen van soorten die nauw verwant zijn maar gemakkelijker om mee te werken) activeren om nieuwe en productievere soorten te creëren. Gewone rijst, Oryza sativa, wordt dan iets anders, zeg Oryza nova. Geen bedrijf zal van het resultaat profiteren; 
het International Rice Research Institute, waar een groot deel van het onderzoek plaatsvindt, zal zaden voor de gemodificeerde rijstsoort gratis weggeven, zoals het indertijd ook heeft gedaan met de rijst van de Groene Revolutie.

    Zelfbemestende maïs

    Tijdens mijn bezoek aan IRRI, zo’n 50 kilometer ten zuidoosten van Manilla, waren veel mensen bezig met datgene waar de wetenschap zo goed in is: een probleem in individuele stukjes hakken en om vervolgens die stukjes zelf te lijf gaan. Sommige medewerkers lieten rijst ontkiemen in petrischaaltjes.

    Anderen probeerden toevallige variaties in bestaande rijstrassen te vinden die nuttig zouden kunnen zijn. Weer anderen bestudeerden een modelorganisme, een C4-soort gras, Setaria viridis. Setaria groeit snel en heeft geen speciale rijstvelden nodig, maar kan in gewone aarde worden gekweekt. Het is in het laboratorium gemakkelijker om mee te werken dan rijst. 
Er waren experimenten om verschillen te meten in fotosynthetische chemicaliën, in de mate van groei van verschillende variëteiten, in het overbrengen van biochemische markers. Een stuk of vijf mensen in witte jassen stonden zaden te sorteren op een grote tafel, korreltje voor korreltje. Anderen waren buiten op akkers, waar ze experimentele rijstvelden 
verzorgden. Alle parafernalia van de hedendaagse biologie waren aanwezig: flatscreens, zoemende koelkasten en vriezers, tafels vol bakjes met slijmerig DNA-materiaal, strips van Dilbert en XKCD op de whiteboards geplakt, een Verenigde Naties aan 
roddelende studenten in de kantine, een rij blazende airco’s voor de ramen.

    Aan het hoofd van het C4 Rice Consortium staat 
Jane Langdale, moleculair genetica aan de faculteit voor Plant Sciences in Oxford. Volgens haar wijzen 
de eerste bevindingen erop dat een stuk of twaalf genen een belangrijke rol spelen in bladstructuur, 
en misschien nog tien genen eenzelfde rol hebben in de biochemie. Allemaal moeten ze worden geactiveerd op een manier die de bestaande, gewenste eigenschappen van de plant niet aantast, maar die de genen hun activiteiten laat coördineren. De volgende, even moeilijke stap is dan om rijstvariëteiten te kweken waarbij de extra groei door de C4-fotosynthese leidt tot meer korrels, en niet tot meer wortels of langere stengels. Ondertussen moeten de variëteiten ook resistent zijn tegen ziekten, gemakkelijk te 
kweken zijn en smakelijk gevonden worden door de doelgroepen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika.

    ‘Ik denk wel dat het allemaal kan gebeuren, maar misschien ook niet,’ zei Langdale. Ze wees er meteen op dat ook als C4 tegen onoverkomelijke hindernissen oploopt, dit niet de enige biologische maanraket is. Zelfbemestende maïs, graan dat in zout water kan groeien, verbeterde microbiële bodemecosystemen – het wordt allemaal onderzocht. De kans dat een van deze projecten succes heeft is misschien klein, 
zo is de gedachte, maar de kans dat ze allemaal 
mislukken is even klein. Het Tovenaarsproces dat Borlaug in gang heeft gezet, is wat Langdale betreft nog steeds in volle gang.

    De wereldbevolking zal in 2050 slechts 25 procent groter zijn dan nu, maar volgens veel voorspellingen moeten de boeren de voedselproductie met 50 tot 100 procent verhogen. Dat komt voornamelijk doordat met de grotere welvaart de vraag naar dierlijke pr
    De wereldbevolking zal in 2050 slechts 25 procent groter zijn dan nu, maar volgens veel voorspellingen moeten de boeren de voedselproductie met 50 tot 100 procent verhogen. Dat komt voornamelijk doordat met de grotere welvaart de vraag naar dierlijke proteïne toeneemt.

    Al zolang Tovenaars en Profeten ruziën over het 
voeden van de wereld, komen de Tovenaars met het argument dat landbouw op de Profeet-manier eenvoudigweg niet voldoende voedsel kan produceren voor morgen. De afgelopen twintig jaar hebben 
tientallen onderzoeksteams de opbrengsten van industriële en biologische landbouw tegen elkaar afgezet. Deze onderzoeken zijn op hun beurt gecombineerd en beoordeeld – een lastige procedure: 
onderzoekers gebruiken verschillende definities voor ‘biologisch’, vergelijken verschillende soorten boerderijen en nemen verschillende kosten in hun analyses op. Niettemin blijkt uit elke combinatie en vergelijking van data die ik heb gezien, dat boerderijen in Profeet-stijl minder calorieën per hectare opbrengen dan boerderijen in Tovenaar-stijl.

    Soms is het verschil klein, soms behoorlijk groot. Het is duidelijk wat dat betekent, vinden de Tovenaars. Als boeren twee keer zoveel voedsel moeten telen om de tien miljard 
monden te voeden, zouden ze te zeer bepekt worden wanneer ze zich moeten houden aan de regels van Sir Albert Howard ter bescherming van het ecosysteem.

    Profeten fronsen hun voorhoofd over deze logica. In hun ogen is het dwaasheid om landbouwsystemen uitsluitend te beoordelen op basis van hoeveelheid calorieën per hectare. Die maatstaf houdt geen 
rekening met het soort kosten dat Vogt heeft benoemd: uitspoeling van kunstmest, achteruitgang van watervoorraden, inklinken en eroderen van 
de bodem en overmatig gebruik van pesticiden en 
antibiotica. Hij houdt geen rekening met de verwoesting van plattelandsgemeenschappen. Hij laat de vraag of het voedsel smakelijk en voedzaam is buiten beschouwing.

    Tovenaars antwoorden daarop dat C4-rijst per geproduceerde calorie minder kunstmest en water nodig heeft – en beter voor het milieu is dan conventionele gewassen. Dat is alsof je de brand probeert te blussen die je zelf hebt aangestoken, door er minder benzine overheen te gooien! zeggen de Profeten.

    Eet gewoon minder vlees! Tovenaars vinden het idee om boerderijen te diversifiëren en zo natuurlijke ecosystemen na te bootsen, totale onzin: alleen door hyperintensieve, industriële grootschalige landbouw met superproductieve, genetisch gemodificeerde gewassen kunnen we de wereld van morgen voeden.

    Productiviteit? zeggen de Profeten. Wij komen met onze eigen maanraket! En inderdaad, dat doen ze.

    Tarwe, rijst, haver, rogge en de andere algemeen bekende granen zijn eenjarigen, die elk jaar opnieuw gezaaid moeten worden. De wilde grassen daarentegen, die vroeger de prairie bedekten, zijn meerjarig: ze komen elke zomer terug, wel tien jaar lang. Omdat meerjarige grassen een wortelsysteem vormen dat tot diep in de grond reikt, houden ze de aarde beter vast en zijn ze minder afhankelijk van regenwater en voedingsstoffen aan de oppervlakte – oftewel irrigatie en kunstmest – dan eenjarige grassen. Veel van deze soorten zijn ook beter bestand tegen ziekten. Omdat ze niet elke lente nieuwe wortels hoeven te vormen, komen meerjarige grassoorten eerder en sneller boven de grond dan eenjarige. En omdat ze in de winter niet afsterven, gaat hun fotosynthetische activiteit door in de herfst, als die van eenjarigen ophoudt. Ze kennen dus een langer groeiseizoen. 
Ze zouden even productief kunnen zijn als graan van het Groene Revolutie-type, volgens de Profeten, maar dan zonder het land te verwoesten, het schaarse water op te zuigen of grote doses vervuilende, 
energie-intensieve meststoffen nodig te hebben.

    Net als destijds Borlaugs programma in Mexico verzamelde het Rodale Institute, de oudste Amerikaanse organisatie die onderzoek doet naar biologische landbouw, eind jaren tachtig 250 monsters van tarwe kweekgras (Thinopyrum intermedium). Dit meerjarige neefje van broodtarwe werd in de jaren dertig als veevoer vanuit Azië op het westelijk halfrond geïntroduceerd. Peggy Wagoner, pionier op het gebied van plantenteelt en landbouwkundig onderzoek die samenwerkte met onderzoekers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw, plantte monsters, 
hield de opbrengst daarvan bij en kruiste de best presterende planten met elkaar, in een poging een commercieel toepasbare meerjarige te maken. 


    Wagoner en het Rodale Institute gaven het stokje in 2002 door aan het Land Institute in Salina, Kansas, een landbouwkundig non-profitonderzoekscentrum dat zich tot doel heeft gesteld om conventionele landbouw te vervangen door methoden die verwant zijn aan wat er in natuurlijke ecosystemen gebeurt. Het Land Institute heeft zich sindsdien, in samenwerking met andere onderzoekers, beziggehouden met de ontwikkeling van tarwegras. Het heeft zijn nieuwe variëteit tarwe kweekgras zelfs een naam gegeven: Kernza.

    Net als C4-rijst zal ook tarwegras misschien niet 
aan de verwachtingen van zijn scheppers voldoen. Tarwegraskorrels zijn qua formaat een kwart van tarwekorrels, soms nog minder en hebben een dikkere zemellaag. Anders dan tarwe groeit tarwegras in een donkere massa dicht gebladerte dat de akker bedekt; die dikke laag vegetatie beschermt de aarde en houdt onkruid weg, maar gaat ook ten koste van de hoeveelheid tarwe die de plant produceert. Om tarwegras bruikbaar te maken voor boeren, zullen kwekers het formaat van de korrel moeten vergroten, de bouw van de plant moeten veranderen en de eigenschappen die goed zijn voor het maken van brood moeten verbeteren. Er is slechts langzaam vooruitgang geboekt. Omdat tarwegras meerjarig is, is er niet in één seizoen een oordeel over te vormen – daar gaan jaren overheen. Het Land Institute hoopt in de jaren twintig van deze eeuw zaaiklaar, broodwaardig tarwegras klaar te hebben, met korrels die twee keer zo groot zijn als nu (wat nog steeds maar half zo groot is als gewone tarwekorrels), maar niemand weet zeker of dat gaat lukken.

    Het domesticeren van tarwegras is een kwestie 
van lange adem. Andere plantveredelaars hebben geprobeerd een kortere weg te vinden: een hybride van broodtarwe en tarwegras, waarin ze de grotere, overvloedige korrel van de eerste en de resistentie tegen ziekten en de meerjarige levenscyclus van de tweede met elkaar hoopten te verenigen. De twee soorten produceerden samen net vaak genoeg levensvatbare nakomelingen om biologen in Noord-Amerika, Duitsland en de Sovjet-Unie halverwege de vorige eeuw decennia lang te laten proberen nuttige hybriden te kweken, zonder succes. Aangemoedigd door nieuwe ontwikkelingen in de biologie begon het Land Institute rond de eeuwwisseling opnieuw, samen met onderzoekers in landen rond de noordelijke Stille Oceaan en Australië. Ik was op bezoek bij Stephen S. Jones van de Washington State University, kort nadat hij en zijn collega’s een wetenschappelijke naam hadden gegeven aan een onlangs ontwikkelde en geteste hybride: Tritipyrum aaseae (de soortnaam verwijst naar de baanbrekende graangenetica 
Hannah Aase). Er valt nog veel werk te doen; Jones verwachtte dat op zijn vroegst de kinderen van mijn dochter het brood van T. aaseae zouden kunnen eten.

    Afrikaanse en Latijns-Amerikaanse onderzoekers krabben zich achter de oren als ze over deze projecten horen. Met kun pogingen om meerjarige granen te kweken die de oogsten moeten vergroten kiezen de Profeten de moeilijke weg, zegt Edwige Botoni, onderzoeker aan het Permanent Interstate Committee for Drought Control in the Sahel (CICDCS) in 
Burkina Faso. Tijdens haar reizen langs de randen van de Sahara heeft Botoni veel nagedacht over de vraag hoe je mensen het beste kunt voeden met de opbrengst van kwalitatief slechte grond. Een deel van het antwoord is volgens haar om het voorbeeld te volgen van de succesvolle boerderijen in tropische gebieden als Nigeria en Brazilië. Terwijl boeren in 
de gematigde zone zich concentreren op granen, richten tropische telers zich op knollen en bomen, die over het algemeen productiever zijn dan granen.

    Appels, kastanjes en papaja’s zijn productiever dan tarwe, maar je kunt er geen cake van maken. – © Getty Images
    Appels, kastanjes en papaja’s zijn productiever dan tarwe, maar je kunt er geen cake van maken. – © Getty Images

    Denk aan cassave, een grote knol, ook bekend als maniok, mogo of yuca. Qua productiviteit staat 
cassave op de elfde plaats van belangrijkste gewassen in de wereld, en de plant wordt in grote delen van Afrika, Azië en Latijns-Amerika verbouwd. Het 
eetbare deel groeit onder de grond; hoe groot de knol ook is, de plant zal nooit omvallen. Gemeten per 
hectare overtreffen cassaveoogsten ruimschoots die van tarwe en andere granen. Die vergelijking is niet eerlijk, omdat cassaveknollen meer water bevatten dan tarwekorrels. Maar zelfs als je dat in aanmerking neemt, produceert cassave veel meer calorieën per hectare dan tarwe. (De aardappel is een noordelijk equivalent. In 2016 was de gemiddelde calorieopbrengst per hectare van de aardappeloogst in Amerika meer dan tien keer zo groot als die van tarwe.) 
‘Ik weet niet waarom niet aan dit alternatief wordt gedacht,’ zegt Botoni. Cassave is in veel culturen niet vertrouwd, maar de introductie ervan is ‘gemakkelijker dan het kweken van geheel nieuwe soorten’.

    Hetzelfde geldt in veel opzichten voor boomgewassen. Een volgroeide McIntosh-appelboom kan wel 350 tot 550 pond appels per jaar leveren. Fruittelers planten in het algemeen vier- tot vijfhonderd bomen per hectare. In goede jaren kan dit 70 tot 130 ton fruit per hectare opleveren. Tarwe levert maar 3 ton per hectare. Net als cassave en aardappelen bevatten appels meer water dan tarwe, maar de calorie-opbrengst per hectare is nog steeds groter. Zelfs papaja’s en bananen zijn productiever dan tarwe. 
Net als bepaalde noten, zoals kastanjes. Van appels, kastanjes en papaja’s kun je geen knapperige baguettes maken of brosse tortilla’s, of luchtige cake, maar het grootste deel van het graan dat tegenwoordig wordt verbouwd, is bestemd voor sterk bewerkte producten als diervoeder, ontbijtgranen, zoete stroop en ethanol – en daarvoor zijn oogsten van vruchten en knollen ook prima te gebruiken.

    Wil ik ervoor pleiten dat boeren over de hele wereld hun veldjes tarwe, rijst en maïs verruilen voor akkers met cassave, aardappels en zoete aardappels en boomgaarden vol bananen-, appel- en kastanjebomen? Nee. Wat ik wil zeggen is dat Profeten over veel methoden beschikken om aan de behoeften van morgen te voldoen. Deze alternatieve wegen zijn ingewikkeld, maar dat geldt ook voor de weg van de Tovenaars die moet uitkomen bij C4-rijst. Het grootste obstakel voor de Profeten is iets anders: arbeidskracht.

    Elke generatie beslist over de toekomst, maar de keuzes die de generatie van mijn kinderen maakt, zullen zo lang doorklinken als demografen kunnen voorzien

    Sinds het eind van de Tweede Wereldoorlog was het beleid van de meeste nationale overheden gericht op het verminderen van arbeidskracht in de landbouw (communistisch China was daarop lang een uitzondering). Het doel was boerderijen in stand te houden en te mechaniseren, waardoor de oogsten zouden toenemen en de kosten omlaag zouden gaan, vooral de kosten voor arbeidsloon.

    Boerenarbeiders die niet langer nodig waren, zouden naar de steden verhuizen, waar ze beter betaalde banen konden vinden in fabrieken. Volgens het borlaugiaanse ideaal zouden zowel de overblijvende boeren als de fabrieksarbeiders zo meer gaan verdienen, de eersten door het telen van meer en betere gewassen, de tweede groep dankzij het beter betaalde werk in fabrieken. De natie als geheel zou er wel bij varen: een grotere export van industrie- en landbouwproducten, 
goedkoper voedsel in de steden, een overvloedig 
aanbod van arbeidskrachten.

    Er bleken ook nadelen: bij steden in ontwikkelingslanden ontstonden sloppenwijken vol ontheemde gezinnen. En in veel regio’s, ook in het grootste deel van de ontwikkelde wereld, liep het platteland leeg, precies zoals de Borlaugianen hadden bedoeld – zij wilden immers de landarbeiders bevrijden zodat die hun eigen dromen konden najagen. In de Verenigde Staten daalde het aandeel van de beroepsbevolking in de landbouw van 21,5 procent in 1930 naar 
1,9 procent in 2000; het aantal boerderijen nam met bijna tweederde af. De gemiddelde omvang van de overgebleven boerderijen nam toe ter compensatie van dat kleinere aantal. Ondertussen weefden staten overal ter wereld een heel web van belastingvoordelen, leningen, trainingsprogramma’s en directe 
subsidies aan grote boeren voor de aanschaf van grootschalige landbouwmachines, het opslaan van voorraden chemicaliën en het telen van bepaalde door de overheid bevoordeelde gewassen voor de export. Deze structuren blijven in stand, en dus roeien Vogtiaanse boeren tegen de stroom op.

    Volgens de visie van Vogtianen zorgt goede landbouw in de allereerste plaats goed voor de grond. Dat vraagt om kleinere stukken land met verschillende gewassen en is dus moeilijk te realiseren als je je richt op de massaproductie van een enkel gewas. Voor een werkelijke uitbreiding van deze vorm van landbouw zou op zijn minst een deel van de mensen wier ouders en grootouders het platteland verlieten, moeten terugkeren. Deze arbeidskrachten moeten een fatsoenlijk loon verdienen, en dat zou de kosten opdrijven. Enige arbeidsbesparende mechanisatie is mogelijk, maar geen enkele kleine boer die ik heb gesproken denkt dat het mogelijk is om het met zo weinig arbeidskrachten te doen als in de grote 
industriële landbouwbedrijven. Het hele systeem kan alleen groeien als de wet- en regelgeving verandert en gebruik van arbeid gaat aanmoedigen. Dat soort grote, maatschappelijke veranderingen is niet makkelijk te realiseren.

    En daar ligt de kern van het al tientallen jaren durende debat tussen de Tovenaars en de Profeten. Weliswaar wordt er voortdurend gepraat in termen van calorieën per hectare en behoud van ecosystemen, maar het meningsverschil dat daaraan ten grondslag ligt gaat over de aard van de landbouw – en daarmee over de vraag welke vorm de samenleving moet krijgen. Voor borlaugianen is landbouw een soort nuttig gezwoeg dat zo veel mogelijk 
vergemakkelijkt en verminderd moet worden om een maximale vrijheid te realiseren. Voor vogtianen is landbouw bedoeld voor het in stand houden van de verschillende ecologische en menselijke leefgemeenschappen die altijd, sinds de eerste landbouwrevolutie meer dan tienduizend jaar geleden, de bakermat van het leven zijn geweest. Het mag zwaar werk zijn, het is werk dat de band van de mens met de aarde versterkt. Deze twee standpunten zijn als lijnen die elkaar kruisen maar niet in hetzelfde vlak liggen.

    Tovenaar of Profeet?

    Mijn dochter is nu negentien jaar en tweedejaars student. In 2050 is ze van middelbare leeftijd. Het is aan haar generatie om de instituties, de wetten en gebruiken te bepalen die de basisbehoeften van de mensheid in de wereld van tien miljard kunnen 
vervullen. Elke generatie beslist over de toekomst, maar de keuzes die de generatie van mijn kinderen maakt, zullen zo lang doorklinken als demografen kunnen voorzien. Tovenaar of Profeet? Voor deze generatie zal het niet zozeer gaan over wat haalbaar is, maar over wat ze het juiste vindt.

    Auteur: Charles C. Mann
    Vertaler: Annemie de Vries

    Dit artikel is een bewerking van het meest recente boek van Charles C. Mann, The Wizard and the Prophet.

    The Atlantic
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 430.000

    Halverwege de negentiende eeuw opgericht door schrijvers Harriet Beecher Stowe en Ralph Waldo Emerson. Naast journalistiek ook ruimte voor poëzie en beeld.

  • Homo Sapiens

    Homo Sapiens

    In 2050 wonen naar verwachting bijna 10 miljard mensen op aarde. Een abstract en duizelingwekkend aantal met tien nullen waarvan de consequenties niet te overzien zijn.

    Hoe kan die groeiende wereldbevolking gevoed worden en gaat dat de draagkracht van de aarde niet te boven? Met deze vragen houden wetenschappers zich al jaren bezig. Wordt 
het een nieuwe agrarische revolutie of krijgen de volgende generaties straks wat moderne laboratoria hun voorzet? Profeten en tovenaars voorspellen dat meer mensen het zullen moeten stellen met minder vruchtbare grond. Het is dus maar goed ook dat straks niet de boer en het seizoen bepalen wat er op ons bord komt, maar de industrie. Er worden nu al talloze pogingen gedaan om van rijst – het hoofdgewas voor meer dan de helft van de wereldbevolking! – een plant te maken die sneller groeit, minder water en bemesting nodig heeft en meer korrels produceert. Op die manier is de mens minder afhankelijk van erosie, verwoestijning, uitputting van de grond, het uitsterven van soorten en besmetting van water, wat allemaal vroeg of laat tot enorme hongersnoden leidt.

    Wij atoomsplitsers, celkwekers en ruimtevaarders zouden wellicht beter naar de planten moeten luisteren

    Sinds de bestseller Homo Sapiens van Yuval Noah Harari begrijpen wij dat de Agrarische Revolutie, over het algemeen beschouwd als een sprong voorwaarts, evolutionair gezien weliswaar een succes was – de gigantische toename van voedselproductie veroorzaakte een bevolkingsexplosie – maar dat slechts de happy few er uiteindelijk van profiteerde omdat de rest zaaiend en oogstend alle ontberingen opving. Betekent dit dat we ook nieuwe land- en tuinbouwrevoluties op wereldschaal met een korrel zout moeten nemen? De agrarische revolutie was ook bedoeld om het leven en de voedselvoorziening van de volgende generaties te vergemakkelijken. Niemand weet het, omdat niemand de consequenties op de lange termijn kan overzien. Wij atoomsplitsers, celkwekers en ruimtevaarders zouden wellicht beter naar de planten moeten luisteren. Hun communicatie moeten imiteren. Een tomatenplant bijvoorbeeld die belaagd wordt door een vijandige aardrups, laat een cocktail van vluchtige stoffen ontsnappen die door planten in de buurt wordt opgepikt. Buurt- en soortgenoten die deze waarschuwing ‘horen’, produceren glycoside, dat er weer voor zorgt dat er een gifstof vrijkomt die de vijandige rupsen afschrikt. Niks RoundUp, Monsanto of genetische manipulatie. Een sojaplant die last heeft van bladluis laat een ‘inbraakalarm’ klinken, dat troepen bladluisetende lieveheersbeestjes aantrekt. En dat geldt niet alleen voor de welgestelde planten.

    Auteur: Katrien Gottlieb
    gottlieb@360international.nl