Tag: landbouw

  • Nieuwe journalistiek

    Nieuwe journalistiek

    In deze categorie wordt journalistieke vernieuwing bekroond. Denk aan nieuwe vertelvormen, grensoverschrijdende samenwerkingen, maar ook aan ideeën die de financiële basis van kwaliteitsjournalistiek zelf versterken.


    Jailed for a Like ( Gevangen voor een Like)

    De ‘Gevangen voor een Like’-videoreeks vertelt de indrukwekkende verhalen van gewone Russen die vervolgd worden of zelfs gevangen gezet zijn voor hun socialemediagebruik. De video’s, waarin beeld en kunst worden gecombineerd, laten zien hoe het Kremlin probeert de vrije meningsuiting online te onderdrukken.


    Enslaved Land (Onderworpen land)

    ‘Enslaved Land’ onthult de schadelijke praktijken achter de productie van vijf verschillende gewassen die in Europa op grote schaal worden geconsumeerd – palmolie, suiker, koffie, cacao en bananen. Een belangrijk project dat laat zien wat de consequenties zijn van het eten op ons bord.


    Finding Bana; Proving the existence of a 7-year-old girl in Eastern Aleppo (Op zoek naar Bana: het bestaan bewijzen van een zeven jaar oud meisje in Aleppo)

    Te midden van de fysieke oorlog in Syrië ontstond een informatieoorlog over het Twitteraccount @AlabedBana. Het account beweerde te tweeten namens Bana, een zevenjarig meisje in belegerd Oost-Aleppo. Kan het echt waar zijn dat Bana bestaat?


    The Smuggling Game (Het smokkelspel)

    Miljoenen mensen ontvluchten conflicten en armoede. Ze leggen hun lot in de handen van mensensmokkelaars die gevaarlijke kat-en-muisspelletjes spelen met grensautoriteiten, bekend als ‘het spel’. ‘Het smokkelspel’ onthult het proces achter de gevaarlijke reis die ondernomen wordt door mensen op zoek naar een veilig leven, en diegenen die daarvan profiteren.

  • De Monsanto Papers

    De Monsanto Papers

    Eind vorig jaar publiceerde de Franse krant Le Monde de artikelenserie ‘De Monsanto Papers’, een onderzoek naar de oorlog die de multinational in biotechnologie Monsanto is begonnen om zijn succesproduct glyfosaat, een onkruidverdelgingsmiddel (handelsnaam: RoundUp), te behoeden voor een wereldwijd verbod. Onder meer probeert Monsanto, met hoofdvestiging in de VS, op alle mogelijke manieren het IARC kapot te maken, de VN-organisatie voor kankeronderzoek die drie jaar geleden de gevaren van glyfosaat aantoonde.

    DEEL 1: Operatie Vergiftiging

    ‘We zijn al eerder aangevallen, we hebben te maken gehad met lastercampagnes, maar dit keer zijn we het doelwit van een georkestreerde campagne waarvan de schaal en duur ongekend zijn.’ De glimlach van Christopher Wilde verdwijnt snel. Door het raam van het hoge gebouw waar het International Agency for Research on Cancer (IARC) zijn hoofdkantoor heeft, zijn de daken van de Franse stad Lyon te zien, die zich tot ver achter zijn lange gestalte uitstrekken.

    Wild is directeur van het agentschap. Hij weegt elk woord en spreekt met de ernst die bij de situatie past. Sinds twee jaar ligt zijn instituut zwaar onder vuur: de geloofwaardigheid en integriteit van het IARC worden in twijfel getrokken, de deskundigen worden belasterd en bestookt door advocaten, en de financiële situatie is ernstig verzwakt.

    Al bijna een halve eeuw is het IARC, onder auspiciën van de WHO, de wereldgezondheidsorganisatie, belast met het inventariseren van kankerverwekkende stoffen. Maar nu begint het eerbiedwaardige agentschap te wankelen onder de aanval.

    De vijandelijkheden begonnen op een specifieke datum: 20 maart 2015. Die dag maakte het IARC de conclusies bekend van zijn ‘Monografie 112’. De bevindingen verbijsterden de hele wereld. Anders dan de meerderheid van de regelgevende agentschappen verklaarde het IARC dat het meest gebruikte pesticide op de planeet genotoxisch is (schadelijk voor het DNA), kankerverwekkend voor dieren en ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ voor mensen.

    Dit pesticide is glyfosaat, het belangrijkste bestanddeel van Roundup, het kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto, een van de bekendste bedrijven ter wereld. Glyfosaat is ook het product waarmee de hele agrochemische industrie valt of staat. Het wordt al meer dan veertig jaar gebruikt en is aanwezig in maar liefst 750 producten die door ongeveer honderd bedrijven in meer dan 130 landen worden verkocht.

    Het fundament van Monsanto

    Tussen 1974, toen het op de markt kwam, en 2014 is het glyfosaatgebruik toegenomen van 3200 tot 825.000 ton per jaar. Een dramatische toename die het gevolg is van het massaal overstappen op zaden die genetisch zijn gemodificeerd om glyfosaat te kunnen verdragen – ‘Roundup Ready’-zaden.

    Van alle agrochemische bedrijven die getroffen zouden kunnen worden door een beperking van – of verbod op – de verkoop van het product, is er maar één waarvan het voortbestaan op het spel staat.

    Monsanto, dat glyfosaat heeft ontwikkeld, heeft er het fundament van zijn economische model van gemaakt. Het bedrijf verdient enorm veel geld met de verkoop van Roundup en de bijbehorende zaden.

    Toen het IARC bekendmaakte dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is, reageerde het bedrijf dus ongemeen fel. In een verklaring werd het werk van het IARC afgedaan als ‘pseudowetenschap’ – het ‘selectief verzamelen’ van data, gebaseerd op een ‘vooringenomen benadering’, dat ‘na slechts enkele uren discussie’ tot de conclusie had geleid.

    Nooit eerder trok een bedrijf de integriteit van een onder de vleugels van de Verenigde Naties opererend agentschap in zulke grove bewoordingen in twijfel. De strijd was geopend – althans in het openbaar.

    Want in zijn eigen burelen sloeg Monsanto een heel andere toon aan. Het bedrijf wist heel goed dat een groep deskundigen van het IARC een vol jaar bezig was geweest met de evaluatie van het glyfosaat en vervolgens dagenlang had overlegd in Lyon. De IARC-procedures schrijven voor dat bedrijven die door het onderzoek naar een product getroffen kunnen worden, het recht hebben bij deze slotvergadering aanwezig te zijn.

    Voor de glyfosaatevaluatie had Monsanto een ‘waarnemer’ gestuurd, de epidemioloog Tom Sorahan, hoogleraar aan de Universiteit van Birmingham, die door het bedrijf soms wordt ingeschakeld als adviseur.

    In het rapport dat Sorahan op 14 maart 2015 naar zijn bazen stuurde, verzekerde hij dat alles volgens de regels was verlopen.

    ‘Ik vond de voorzitter, de vicevoorzitters en de uitgenodigde deskundigen erg vriendelijk en bereid om te reageren op al het commentaar dat ik leverde,’ aldus Sorahan in een e-mail aan een leidinggevende van Monsanto. Deze e-mail is opgenomen in de ‘Monsanto Papers’ – een verzameling interne documenten van het bedrijf die een rechtbank in de VS begin 2017 openbaar heeft gemaakt in het kader van lopende processen.

    ‘De vergadering verliep volgens de richtlijnen van het IARC,’ vervolgde de waarnemer. ‘Dr. Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het IARC, is goed bekend met de IARC-richtlijnen en staat erop dat deze worden nageleefd.’

    RoundUp op de lopende band. Het belangrijkste bestanddeel van dit kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto is glyfosaat, volgens IARC ‘vermoedelijk kankerverwekkend’. – ©  Jasper Juinen/Bloomberg via Getty Images
    RoundUp op de lopende band. Het belangrijkste bestanddeel van dit kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto is glyfosaat, volgens IARC ‘vermoedelijk kankerverwekkend’. – © Jasper Juinen/Bloomberg via Getty Images

    Sorahan leek erg in te zitten over het idee dat zijn naam verbonden zou kunnen worden met Monsanto’s reactie op het IARC-besluit: ‘Ik wil niet dat uw pr-afdeling op enigerlei manier naar mij verwijst’, schreef hij, al voegde hij er meteen aan toe dat hij ‘met alle plezier wilde helpen bij het formuleren van verklaringen die u wilt afleggen’ voor de onvermijdelijke tegenaanval die het bedrijf op touw zette.

    Enkele maanden later ontvingen de niet-Amerikaanse wetenschappers die lid van het IARC-panel over glyfosaat waren geweest allen dezelfde brief. Daarin droeg Hollingsworth, het advocatenkantoor van Monsanto, hun op alle dossiers ter beschikking te stellen die betrekking hadden op hun werk aan ‘Monografie 112’. Concepten, commentaren, data: alles dat door het computersysteem van het IARC was gegaan. ‘Indien u verzuimt de dossiers te overleggen,’ waarschuwden de advocaten, ‘dragen wij u op alle redelijke stappen te zetten die in uw vermogen liggen om al dergelijke dossiers in ongeschonden staat te bewaren voor het geval een Amerikaanse rechtbank formeel om inzage vraagt.’

    ‘Ik vond uw brief intimiderend en kwalijk,’ reageerde een van de wetenschappers op 4 november 2016. ‘Uw toon kwam mij berispend en onhoffelijk voor, zelfs naar huidige maatstaven gemeten.’ De schrijfster, de patholoog Consolato Maria Sergi, hoogleraar aan de Universiteit van Alberta in Canada, vervolgde: ‘Ik beschouw uw brief als verwerpelijk omdat u daarin op kwaadaardige wijze een onafhankelijke groep deskundigen angst probeert in te boezemen.’

    De auteurs zijn een eskadron propagandisten die nauwe banden onderhouden met agrochemische bedrijven en conservatieve denktanks, bekend om hun belangrijke rol in het zaaien van klimaatscepsis

    Amerikaanse leden van de IARC-werkgroep werden met maatregelen geconfronteerd die nog ‘intimiderender’ zijn. In de VS geeft de wet op de vrijheid van informatie (FOIA) elke burger onder bepaalde omstandigheden het recht inzage te eisen in documenten van openbare instellingen en hun werknemers: memo’s, e-mails, interne rapporten et cetera.

    Volgens onze informatie hebben de advocatenkantoren Hollingsworth en Sidley Austin sinds november 2015 alleen al vijf verzoeken ingediend bij de National Institutes of Health (NIH) waar twee deskundigen van de groep werkzaam zijn. Ook bij het milieubeschermingsagentschap CalEPA in Californië, de A&M-universiteit in Texas en de Staatsuniversiteit van Mississippi zijn verzoeken ingediend met betrekking tot andere wetenschappers.

    Sommige van deze instellingen zijn door advocaten van Monsanto zelfs gedagvaard in het kader van het lopende glyfosaatproces – en daarmee gedwongen bepaalde interne documenten over te leggen.

    Zijn deze intimiderende manoeuvres bedoeld om de kritiek tot zwijgen te brengen?

    Wereldberoemde wetenschappers die gewoonlijk openstaan voor mediaverzoeken hebben niet op de verzoeken van Le Monde gereageerd – zelfs niet als het om vertrouwelijke interviews ging. Sommigen waren bereid te praten, maar alleen buiten kantooruren via een privélijn.

    Leden van het Amerikaanse Congres hebben de FOIA niet nodig om federale wetenschappelijke instellingen ter verantwoording te roepen. De Republikein Jason Chaffetz, voormalig lid van het Huis van Afgevaardigden en voormalig voorzitter van de Toezichts- en Hervormingscommissie van het Huis, schreef op 26 september 2016 aan Francis Collins, de directeur van de NIH. De IARC-besluiten hebben ‘veel controverse en paniek gezaaid’, aldus Chaffetz. En ondanks zijn verleden van ‘controverses, herroepingen en inconsistenties’ ontvangt het IARC een ‘aanzienlijke hoeveelheid belastinggeld’ van de NIH.

    Van het jaarlijkse budget van veertig miljoen euro van het IARC is inderdaad 1,2 miljoen afkomstig van de NIH. Om die reden verzocht Jason Chaffetz de NIH-directeur gedetailleerd verantwoording af te leggen voor alle NIH-betalingen aan het IARC.

    Weggelopen uit een roman van Le Carré

    Diezelfde dag werd de brief van Chaffetz met instemming begroet door de American Chemistry Council (ACC), het verbond van Amerikaanse chemiebedrijven. Als machtige lobbyorganisatie van de Amerikaanse chemische industrie, waarvan Monsanto lid is, zegt de ACC ‘te hopen dat de NIH ‘licht zal werpen op de nauwe en enigszins ondoorzichtige relatie’ tussen het IARC en Amerikaanse wetenschappelijke instellingen.

    De chemielobby had in Chaffetz een waardevolle bondgenoot gevonden. In maart schreef het voormalige Congreslid naar het hoofd van een andere federale onderzoeksorganisatie – het National Institute of Environmental Health Sciences (NIEHS) – met het verzoek verantwoording af te leggen voor het onderzoek dat de instelling had gefinancierd naar de schadelijke effecten van bisfenol A, een chemische verbinding die veel wordt gebruikt voor bepaalde plasticsoorten.

    Hoe kun je een instelling beter onschadelijk maken dan door haar geldkraan dicht te draaien? In de maanden na de publicatie van ‘Monografie 112’ benaderde CropLife International, een organisatie die wereldwijd de belangen behartigt van pesticideproducenten en zaadveredelingsbedrijven, enkele vertegenwoordigers van de 25 lidstaten die de raad van bestuur van het IARC vormen om te klagen over de kwaliteit van het werk van het agentschap.

    Deze zogeheten ‘Deelnemende Staten’ financieren zo’n zeventig procent van het totale IARC-budget. Volgens het IARC zijn minstens drie daarvan – Canada, Nederland en Australië – benaderd. Geen van drieën heeft op de verzoeken van Le Monde om commentaar gereageerd.

    Heel 2016 lang maakten figuren die leken weggelopen uit een roman van John Le Carré hun opwachting in de glyfosaatsaga. In juni woonde iemand die zich voordeed als journalist maar zich niet als zodanig registreerde, de conferentie bij waarmee het IARC in Lyon zijn vijftigste verjaardag vierde. Terwijl hij zich onder wetenschappers en internationale ambtenaren bewoog, zocht de man naar details over het functioneren van het IARC, de financiering ervan, het monografieprogramma enzovoort.

    Enkele maanden later, eind oktober 2016, dook de man opnieuw op – ditmaal bij de jaarlijkse conferentie van het Ramazzini Institute, een vermaard en gerespecteerd instituut voor kankeronderzoek dat nabij de Italiaanse stad Bologna is gevestigd. Waarom in vredesnaam het Ramazzini? Misschien omdat het Italiaanse instituut enkele maanden eerder had aangekondigd zelf een carcinogeniteitsstudie naar glyfosaat te zullen verrichten.

    Christopher Watts – zo heet de man – stelde vragen over de onafhankelijkheid van het instituut en zijn financieringsbronnen. Omdat hij een e-mailadres gebruikte dat eindigde met ‘@economist.com’ trokken degenen die hij benaderde zijn banden met het prestigieuze Britse weekblad The Economist niet in twijfel. Tegen wetenschappers die om details vroegen, zei Watts dat hij voor de Economist Intelligence Unit (EIU) werkte, een adviesbureau dat een dochteronderneming is van de Britse persgroep.

    De EIU bevestigde dat Watts inderdaad enkele rapporten had geschreven, maar was ‘niet in staat te bevestigen in welke hoedanigheid hij aanwezig was’ bij de twee conferenties. ‘In die tijd werkte hij aan een verhaal voor The Economist, dat uiteindelijk niet werd gepubliceerd.’ Vreemd genoeg meldde de redactie van het weekblad dat ‘er niemand met die naam bij ons werkt’.

    Het enige dat duidelijk lijkt is de naam van een bedrijf dat Watts eind 2014 oprichtte: Corporate Intelligence Advisory Company. Volgens de bedrijfsgegevens is Watts’ privéadres in Albanië. Vragen van Le Monde wenste hij niet te beantwoorden.


    Binnen enkele maanden deden ten minste vijf figuren zich voor als journalist, onafhankelijk onderzoeker of vertegenwoordiger van een advocatenkantoor, om wetenschappers en onderzoekers te benaderen die betrokken waren bij het werk van het IARC. Alle vijf waren ze op zoek naar zeer specifieke informatie over de procedures en financiering van het agentschap.

    Een van hen, Miguel Santos-Neves, werkt voor een in New York gevestigd economisch inlichtingenbureau genaamd Ergo. Volgens een bericht in The New York Times uit juli 2016 werd Santos-Neves tijdens een justitieel onderzoek in de VS in zijn kraag gevat wegens het gebruiken van een valse identiteit.

    Namens Uber had Santos-Neves onderzoek gedaan naar iemand die een proces tegen het bedrijf had aangespannen en daarbij diens werkomgeving onder valse voorwendselen had ondervraagd. Ergo reageerde niet op verzoeken om opheldering van Le Monde.

    Net als Christopher Watts zijn twee zusterorganisaties met een bedenkelijke reputatie niet alleen in het IARC geïnteresseerd maar ook in het Ramazzini Institute. Het Energy and Environmental Legal Institute (E&E Legal) doet zich voor als een non-profitorganisatie die tot doel heeft ‘degenen ter verantwoording te roepen die excessieve en destructieve overheidsregulering nastreven gebaseerd op politieke vooringenomenheid, pseudowetenschap en hysterie’. De Free Market Environmental Law Clinic op haar beurt zegt ‘een tegenwicht te willen vormen tegen de procesbeluste milieubeweging die aanstuurt op een economisch funest reguleringsregime in de Verenigde Staten’.

    Volgens Le Monde hebben beide organisaties maar liefst zeventien FOIA-verzoeken ingediend bij de NIH en het Amerikaanse Environmental Protection Agency (EPA). Ze hebben tijdens hun indringende en bureaucratisch-juridische guerrillaoorlog de correspondentie van verscheidene Amerikaanse ambtenaren opgeëist waarin de termen ‘IARC’, ‘glyfosaat’ of ‘Guyton’ voorkomen. (Kathryn Guyton is de IARC-wetenschapper die verantwoordelijk is voor de ‘Monografie 112’.)

    Ze zijn op zoek naar de kleinste details op het gebied van beurzen, toelages en andere financiële en niet-financiële betrekkingen tussen deze Amerikaanse agentschappen, het IARC, enkele wetenschappers en het Ramazzini Institute.

    ‘Laat niets op zijn beloop’

    De beide organisaties worden geleid door David Schnare, een overtuigd klimaatscepticus die bekendstaat om het bestoken van klimaatwetenschappers. In november 2016 verruilde Schnare E&E Legal tijdelijk voor het transitieteam van Donald Trump. Steve Milloy, ook een van de leiders van de organisatie, is een bekende figuur in het kleine wereldje van door de tabaksindustrie gefinancierde propaganda. Toen hun gevraagd werd naar hun motieven en financieringsbronnen, antwoordde de bestuursvoorzitter van E&E Legal per e-mail: ‘Hallo, we zijn niet in deelname geïnteresseerd.’

    De aandacht voor deze FOIA-verzoeken wordt versterkt door opiniepagina’s van enkele media. Een daarvan, The Hill, is verplichte leesstof voor elke politieke speler in Washington D.C. De auteurs zijn een eskadron propagandisten die volgens de vereniging US Right to Know (USRTK) sinds lange tijd nauwe banden onderhouden met agrochemische bedrijven en conservatieve denktanks, zoals het Heartland Institute en het George C. Marshall Institute, beide bekend om hun belangrijke rol in het zaaien van klimaatscepsis.

    In hun geschriften worden precies dezelfde argumenten gebruikt. En soms zelfs dezelfde zinnen: de ‘flutwetenschap’ van een IARC dat verscheurd wordt door belangenverstrengeling en ‘alom wordt bekritiseerd’ – maar zonder ooit te zeggen door wie.

    De advocaten die bij de Amerikaanse processen betrokken zijn, onthulden dat Monsanto zich ook van discretere middelen bedient. Toen ze onder ede op vragen moesten antwoorden die werden gesteld door advocaten van mensen die hun kanker aan Roundup wijten, openbaarden bestuurders van het bedrijf het bestaan van een vertrouwelijk programma dat erop was gericht alle kritiek te weerspreken en dat ‘Laat niets op zijn beloop’ is gedoopt.

    De transcripties van deze hoorzittingen blijven vertrouwelijk. Maar memo’s van de betrokken advocatenkantoren verschaffen iets meer duidelijkheid. Ze tonen aan dat Monsanto bedrijven van derden inschakelt die ‘mensen in dienst hebben die geen band met de bedrijfstak hebben, maar op hun beurt positieve commentaren posten bij nieuwsartikelen en op Facebook, waarin Monsanto, zijn chemische producten en zijn genetisch gemodificeerde organismen worden verdedigd’.

    Wind in de zeilen door Trump

    De afgelopen maanden is de coalitie tegen het IARC gegroeid. Eind januari 2017, een paar dagen na de inauguratie van Donald Trump in het Witte Huis, heeft het Amerikaanse chemieverbond ACC zich erbij aangesloten. Op sociale netwerken heeft de chemische lobby in de VS een nieuwe aanval geopend in de vorm van een ‘Campagne voor Accuratesse bij Gezondheidsonderzoek’, met een eigen website en Twitteraccount. Het doel daarvan heet een ‘hervorming’ van het monografieprogramma van het IARC te zijn. De machtige lobbyorganisatie heeft de fluwelen handschoenen uitgetrokken: ‘Een plak spek of een staaf plutonium? Volgens het IARC is het één pot nat.’ De tweet vervolgt met een fotomontage waarin twee fluorescerende groene staven in een bord eieren met spek worden gedoopt. In oktober 2015 had het IARC bewerkt vlees inderdaad als ‘kankerverwekkend’ aangemerkt en rood vlees als ‘vermoedelijk kankerverwekkend’, net als glyfosaat.

    Voelen deze chemische en agrochemische bedrijven zich misschien almachtig omdat ze toegang hebben tot de inner circle rond president Trump? De belangrijkste Amerikaanse lobbyist van het Amerikaanse chemieverbond, Nancy Beck, kreeg een hoge post binnen EPA, het federale bureau dat toeziet op chemische veiligheid en vervuilingspreventie en de supervisie heeft over het glyfosaatdossier.

    En werd Andrew Liveris, de baas van Dow Chemical, niet door Donald Trump persoonlijk aangesteld om diens werkgelegenheidsproject ‘Manufacturing Jobs Initiative’ te leiden?

    De machine lijkt de wind in de zeilen te krijgen door de komst van Trump.

    Eind maart richtte de Texaanse Republikein Lamar Smith, voorzitter van de Commissie Wetenschap, Ruimtevaart en Technologie van het Huis van Afgevaardigden, zich tot de inmiddels afgetreden minister van Volksgezondheid Tom Price. Smith richtte zijn pijlen op de financiële banden tussen het Nationale Instituut voor Milieu- en Gezondheidswetenschappen (NIEHS) en het Ramazzini Institute om, zo schreef hij, ‘de garantie te krijgen dat subsidieontvangers de hoogste maatstaven van wetenschappelijke integriteit hanteren’.

    Het verzoek van dit Congreslid was voldoende, zo schreven propagandisten Julie Kelly en Jeff Stier, om het Congres een officieel onderzoek te laten instellen naar de ‘obscure organisatie’ die het Ramazzini Institute is.

    In hun artikel, dat kort daarna in de National Review verscheen, vielen ze zowel NIEHS-directeur Linda Birnbaum aan omdat deze een ‘chemofobische agenda’ zou voeren, alsook haar voormalige mededirecteur Christopher Portier, die als ‘een bekende anti-glyfosa-atactivist’ werd omschreven. Beiden werden ‘Rammazini-adepten’ genoemd.

    Volgens Kelly en Stier is dit een nieuw voorbeeld van de ‘politisering van de wetenschap’. Het verhaal werd ook door anderen overgenomen, inclusief Breitbart News, de ultrarechtse website die mede is opgericht door Steve Bannon, de voormalige hoofdstrateeg van het Witte Huis.

    Dat het Institute of Collegium Ramazzini (de twee worden in de artikelen door elkaar gehaald) als een ‘obscure organisatie’ wordt omschreven of als ‘een soort Rotaryclub voor activistische wetenschappers’, getuigt in het beste geval van onwetendheid en is in het ergste geval van een leugen. Het Collegium Ramazzini, in 1982 opgericht door Irving Selikoff en Cesare Maltoni, twee zwaargewichten op het gebied van gezondheidsonderzoek, is een academie met 180 wetenschappers die gespecialiseerd zijn in arbeids- en milieugeneeskunde.

    Linda Birnbaum en Christopher Portier zijn lid van het Collegium. Hetzelfde geldt voor Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het IARC, en vier andere leden van de Monografie 112-werkgroep, stuk voor stuk toonaangevende wetenschappers op hun respectievelijke gebieden.


    De lancering van een langdurige toxicologische studie naar glyfosaat door het Ramazzini Institute in mei 2016 heeft een organisatie die vermaard is om zijn kankerexpertise tot doelwit gemaakt. Het hoofd van de onderzoeksafdeling van het instituut, Fiorella Belpoggi, is een van de weinige wetenschappers die bereid waren Le Monde te woord te staan: ‘We zijn maar met weinigen, we hebben geen geld, we zijn gewoon goede wetenschappers en we zijn niet bang.’

    Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de aanvallen op het Ramazzini en het IARC zullen stoppen. Na glyfosaat staan andere strategische chemicaliën op de ‘prioriteitenlijst’ van het IARC voor de periode 2014-2019. Daartoe behoren andere pesticiden, en ook bisfenol A (BPA) en aspartaam.

    Het NIEHS is toevallig een van de grootste financiers ter wereld van onderzoek naar de toxiciteit van BPA. En de studie die de wereld waarschuwde voor de kankerverwekkende eigenschappen van de zoetstof aspartaam werd enkele jaren geleden uitgevoerd door… het Ramazzini Institute.

    ‘Ik had me niet eerder gerealiseerd dat we zo belangrijk zijn,’ fluistert Fiorella Belpoggi, ‘maar als je het IARC, het NIEHS en het Ramazzini Institute kwijtraakt, raak je drie symbolen van onafhankelijke wetenschap kwijt.’

    Een soort wetenschap die een bedreiging is geworden voor economische belangen ter waarde van honderden miljarden euro’s.

    DEEL 2: Een bittere oogst

    Veilig voor nieuwsgierige blikken stak de woede van Monsanto de Atlantische Oceaan over via optische kabels. Diezelfde dag werd een bericht dat naar een oorlogsverklaring riekt naar de directeur van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in Genève gestuurd, een moederinstelling van het IARC.

    Bovenaan de brief prijkte het beroemde groene takje dat wordt omlijst door een oranje rechthoek: het logo van Monsanto. ‘Wij begrijpen dat IARC-deelnemers opzettelijk tientallen studies en publiekelijk beschikbare onderzoeksresultaten hebben genegeerd die de conclusie ondersteunen dat glyfosaat geen bedreiging vormt voor de menselijke gezondheid,’ aldus een beschuldigende Philip Miller, vicevoorzitter van de afdeling Globale Regelgevende en Overheidszaken van Monsanto.

    Een van de punten die hij tijdens een ‘dringend noodzakelijke ontmoeting’ besproken wilde zien, was ‘welke stappen met onmiddellijke ingang kunnen worden ondernomen om de uiterst discutabele conclusies van dit rapport te rectificeren’, en zelfs ‘een verantwoording voor alle financiering van de classificering van glyfosaat door het IARC, inclusief donoren’.

    De rollen waren omgedraaid: nu was het de internationale organisatie die verantwoording moest afleggen tegenover het bedrijf.

    In de zomer van 2015 deed CropLife International, de lobbyorganisatie voor de agrochemische sector waarvan Monsanto lid is, de intimidatie nog eens dunnetjes over in een brief. Dwingende eisen en versluierde dreigementen wisselden elkaar af.

    Bastion van onafhankelijkheid en integriteit

    Het IARC heeft het allemaal al eerder gezien. Het is niet voor het eerst het doelwit van kritiek en aanvallen – die horen nu eenmaal bij de reputatie van het agentschap. Hoewel de evaluaties van het IARC geen regelgevende waarde hebben, kunnen ze soms een bedreiging zijn voor enorme commerciële belangen.

    De best gedocumenteerde aanval betreft passief roken, waarover het IARC aan het eind van de jaren negentig een evaluatie uitbracht. Maar zelfs op het hoogtepunt van de confrontatie met de machtige tabaksindustrie waren de gebruikte wapens betrekkelijk onschuldig. ‘Ik werk al vijftien jaar bij het IARC, en zoiets als er de afgelopen twee jaar is gebeurd heb ik nog nooit gezien,’ zegt Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het agentschap.

    Het zou moeilijk zijn het IARC af te schilderen als een controversieel agentschap dat omstreden is binnen de wetenschappelijke gemeenschap en zich laat leiden door ‘anti-industriële’ vooringenomenheid. In de ogen van de overweldigende meerderheid van de wetenschappelijke wereld – kankerspecialisten en andere gezondheidsonderzoekers – is het agentschap een bastion van onafhankelijkheid en integriteit.

    ‘Ik kan me eerlijk gezegd geen rigoureuzer en objectiever manier voorstellen om tot collectieve wetenschappelijke oordelen te komen,’ zegt epidemioloog Marcel Goldberg, een onderzoeker van INSERM, het Franse nationale instituut voor gezondheidsonderzoek dat bij diverse monografieën betrokken is geweest.

    Voor al die monografieën brengt het IARC zo’n twintig onderzoekers uit verschillende landen bijeen, die niet alleen worden geselecteerd op grond van ervaring en wetenschappelijke competentie, maar ook omdat ze vrij zijn van belangenverstrengeling.

    Bovendien baseert het IARC zijn opinies op studies uit wetenschappelijke tijdschriften en sluit het vertrouwelijke, door de industrie gesponsorde studies uit. Dat geldt niet voor de meeste regelgevende agentschappen, die juist een beslissend gewicht kunnen toekennen aan studies die worden gesteund door de bedrijfstak waarvan de producten worden onderzocht. En één daarvan is EFSA, het officiële EU-agentschap dat belast is met de risicobepaling omtrent pesticiden.

    In de herfst van 2015 moest de Europese Unie beslissen of ze haar glyfosaatvergunning met ten minste tien jaar zou verlengen. Als basis voor die beslissing werd veel belang gehecht aan de opinie van EFSA over glyfosaat. In november kon Monsanto opgelucht ademhalen. De conclusies van EFSA weerspraken die van het IARC: EFSA concludeerde dat glyfosaat genotoxisch noch kankerverwekkend was.

    Maar kort daarna moest Monsanto opnieuw de adem inhouden.

    Professor Portier wordt achtereenvolgens omschreven als een “activist”, een “rat”, een “demon”, een “slungel”, een “huurling” en zelfs een “ettertje” dat zich “als een worm heeft ingevreten” in de IARC-vrucht

    Enkele weken later uitte een honderdtal wetenschappers in een gerespecteerd tijdschrift zware kritiek op de EFSA-conclusies, waarin talrijke tekortkomingen werden geconstateerd. Achter het initiatief zat een Amerikaanse wetenschapper die als ‘uitgenodigd specialist’ had meegewerkt aan de monografie van het IARC. Op hem concentreerden zich nu de aanvallen.

    In milieugezondheidskringen is Christopher Portier bepaald geen onbekende. ‘Ik heb hier en daar gelezen dat Chris Portier niet competent zou zijn, en dat is waarschijnlijk een van de belachelijkste dingen die me ooit onder ogen zijn gekomen,’ zegt Dana Loomis, adjunct-directeur van het monografieprogramma van het IARC. ‘Hij heeft veel analytische tools ontwikkeld die overal worden gebruikt om toxicologische studies te interpreteren!’

    Portier is zo’n wetenschapper wiens cv niet op minder dan dertig bladzijden past. Hij heeft meer dan tweehonderd wetenschappelijke publicaties op zijn naam en is directeur geweest van het National Center for Environmental Health, het US Agency on Toxic Substances en mededirecteur van het NIEHS en het National Toxicology Program. ‘Dat is zonder twijfel een unieke carrière,’ zegt Robert Barouki, directeur van een toxicologische onderzoeksunit van INSERM.

    De pas gepensioneerde Christopher Portier biedt momenteel zijn diensten aan als deskundige en adviseur aan verscheidene internationale organisaties, waaronder het Environmental Defense Fund (EDF), een Amerikaanse niet-gouvernementele milieuorganisatie.

    En uitgerekend deze man moest het doelwit worden van een aanval…

    Op 18 april 2016 publiceerde het nieuwsagentschap Reuters een lang artikel over het IARC, waarin het agentschap als een ‘semiautonoom’ WHO-agentschap werd omschreven dat zich schuldig maakte aan ‘het in verwarring brengen van consumenten’.

    Het artikel refereerde aan ‘zorgen over mogelijke belangenverstrengeling bij het IARC: het gaat om een adviseur van het agentschap die nauwe banden heeft met het Environmental Defense Fund, een Amerikaanse protestbeweging tegen pesticiden’.
    ‘Critici,’ schreef Reuters, ‘betogen dat het IARC hem niet bij het onderzoek naar glyfosaat had mogen betrekken.’

    Opmerkelijk detail: het nieuwsagentschap – dat niet op verzoeken van Le Monde wilde reageren – citeerde intussen drie wetenschappers die het instituut afbrandden, zonder ook maar één keer te melden dat die alle drie bekende adviseurs van de bedrijfstak zijn.

    Maar wie zijn die naamloze ‘critici’? In werkelijkheid kan de kritiek op het IARC worden herleid tot de blog van David Zaruk, een voormalige lobbyist voor de chemische industrie die op een bepaald moment voor het pr-bedrijf Burson-Marsteller werkte.

    In Brussel, waar hij woont, is Zaruk berucht om zijn beledigende taal (de auteurs van dit artikel zijn diverse keren zijn doelwit geweest). Hij was de eerste die tegen de belangenverstrengeling van Portier protesteerde, waardoor de opinie van het IARC naar zijn mening wordt ondergraven. En hij heeft de Amerikaanse wetenschapper er herhaaldelijk van langs gegeven in maar liefst twintig lange posts over glyfosaat – om nog maar te zwijgen van zijn tweets.

    Professor Portier wordt achtereenvolgens omschreven als een ‘activist’, een ‘rat’, een ‘demon’, een ‘slungel’, een ‘huurling’ en zelfs een ‘ettertje’ dat zich ‘als een worm heeft ingevreten’ in de IARC-vrucht. In Zaruks ogen is het agentschap een ‘wondkorst’, en ‘hoe meer je eraan pulkt, hoe meer pus je eruit ziet komen’, omdat het IARC ‘besmet is door overmoed, gepolitiseerde activistische wetenschap en vooringenomenheid tegen de bedrijfstak’.

    Zaruk zegt ‘drie contacten’ bij Monsanto te hebben, maar ontkent dat hij betaald is voor wat hij heeft geschreven. ‘Ik heb geen cent gekregen voor mijn blogs over glyfosaat,’ schreef hij in een e-mail aan Le Monde. In april 2017 publiceerde hij opnieuw een felle aanval op ngo’s, Christopher Portier en enkele journalisten, die hij verluchtigde met een foto van nazi’s die boeken verbrandden op het Obernplatz in Berlijn in 1933.

    Zaruks onsamenhangende verhalen hadden gemakkelijk gecontroleerd en ontkracht kunnen worden. Maar de prestigieuze garantie van een Reuters-artikel stond borg voor hun brede verspreiding.

    Binnen een paar weken werden de beschuldigingen van belangenverstrengeling geciteerd in de Londense Times, The Australian en in de VS in National Review en The Hill, ondertekend door Bruce Chassy, emeritus-hoogleraar van de door Monsanto gesubsidieerde Universiteit van Illinois – zo blijkt uit vertrouwelijke documenten waarop de vereniging US Right to Know in september 2015 de hand legde.

    Campagne tegen IARC, voor ‘Accutaresse bij Gezondheidsonderzoek’, met als doel ‘hervorming’ van het monografieprogramma van IARC.
    Campagne tegen IARC, voor ‘Accutaresse bij Gezondheidsonderzoek’, met als doel ‘hervorming’ van het monografieprogramma van IARC.

    Zaruks ‘werk’ werd ook geciteerd op de opiniepagina van het tijdschrift Forbes, ondertekend door een bioloog die banden onderhoudt met het Hoover Institution, een aan de Republikeinse Partij gelieerde denktank. Zijn naam duikt op in vrijgegeven archieven van de tabaksindustrie. Op dat moment bood deze man aan columns te schrijven of op nationale media te verschijnen om ‘te communiceren over risico’s en wetenschap’. Tarieven tussen de $ 5000 en $ 15.000.

    De aanvallen van de Brusselse blogger vonden ook weerklank bij bekende propagandawebsites, zoals American Council on Science and Health en Genetic Literacy Project. Het laatste publiceerde, met behulp van aan de fabrikanten van pesticiden en biotechnologische producten verbonden pr-mensen, een artikel over Christopher Portier en het IARC, ondertekend door Andrew Porterfield, die zichzelf heel eenvoudig omschrijft als ‘communicatieadviseur voor de biotechnologische industrie’.

    En hoe zit het met de suggestie dat er bij Portier belangenverstrengeling zou spelen? Heeft het Environmental Defense Fund – via hem – meegewerkt aan het besluit van het IARC om glyfosaat als ‘mogelijk kankerverwekkend’ te classificeren?

    ‘Omdat hij een band had met deze organisatie, had Portier de status van “uitgenodigd specialist”,’ verklaart Kathryn Guyton, die leiding gaf aan het opstellen van ‘Monografie 112’ van het IARC. Dat betekent dat hij werd geraadpleegd door de werkgroep, maar niet betrokken was bij de beslissing om de chemische stof in een bepaalde categorie te classificeren. Echte belangenverstrengeling is er wel degelijk – maar elders.

    In mei 2016, terwijl de pers en de bloggers druk bezig waren de verdenking van kwade praktijken op het IARC te laden, was het de beurt aan een andere groep VN-deskundigen om hun mening te geven. De Joint Meeting on Pesticides Residues (JMPR), een gezamenlijk initiatief van de WHO en de FAO, de voedsel- en landbouworganisatie van de VN, die de risico’s meet die zijn verbonden aan voedsel (en niet aan blootstelling via inademing, huidcontact et cetera), pleitte glyfosaat vrij.

    Bijna een jaar eerder had een coalitie van ngo’s de WHO gewaarschuwd voor belangenverstrengeling bij de JMPR. Drie leden daarvan werken samen met het International Life Science Institute (ILSI), een wetenschappelijke lobbyorganisatie die wordt gefinancierd door grote agrarische, biotechnologische en chemische bedrijven – van Mars tot Bayer en van Kellogg tot Monsanto.

    Toxicoloog Alan Boobis van het Britse Imperial College fungeerde als co-voorzitter van de JMPR, maar ook als voorzitter van de raad van bestuur van het ILSI. Angelo Moretto van de Universiteit van Milaan was rapporteur bij de JMPR terwijl hij ook als bedrijfsadviseur werkte en lid was van de raad van de bestuur van een door het ILSI gecreëerde instelling. Vicky Dellarco, ook lid van de JMPR, was bedrijfsadviseur en lid van diverse ILSI-werkgroepen.

    JMPR-deskundigen zijn naar verluidt aan dezelfde onafhankelijkheidsregels gebonden – die tot de strengste ter wereld behoren – als die welke door het IARC worden gehanteerd, namelijk de WHO-regels. Omdat ze de geloofwaardigheid en de besluiten van een instelling kan beïnvloeden, is schijnbare belangenverstrengeling even ernstig als feitelijke belangenverstrengeling.

    Maar op een vraag van Le Monde antwoordde de WHO dat ‘geen enkele deskundige werd geacht conflicterende belangen te hebben die deelname aan de JMPR in de weg zou staan’.


    Hilal Elver en Baskut Tuncak namen geen genoegen met dit antwoord. Zij zijn respectievelijk speciale VN-rapporteur voor het Recht op Voedsel en speciale VN-rapporteur voor Gevaarlijke Stoffen en Afval.

    ‘Wij verzoeken de WHO beleefd uit te leggen hoe zij precies tot de conclusie is gekomen dat de banden van de deskundigen met de bedrijfstak geen duidelijk of potentieel belangenconflict vormden volgens haar eigen regels’, luidde de reactie van deze twee deskundigen op een vraag van Le Monde. ‘Sterke, duidelijke en transparante procedures inzake belangenverstrengeling zijn essentieel voor de integriteit van het systeem’, verklaarden ze, om de VN-organisaties vervolgens ‘aan te sporen’ die procedures ‘te herzien’.

    Deze twee deskundigen schreven in hun rapport over het recht op voedsel dat er enkele ‘ernstige verdenkingen’ bestaan ‘ten aanzien van geleerden die zijn “omgekocht” om de discussie over de bedrijfstak in andere banen te leiden’.

    Dit rapport, dat in maart 2017 werd overhandigd aan de Mensenrechtenraad van de VN, benadrukte ook dat ‘inspanningen van de pesticide-industrie hervormingen hebben gedwarsboomd en de wereldwijde beperking van pesticiden hebben lamgelegd’.

    Het in diskrediet brengen van het IARC, zijn werkgroepen en de kwaliteit van zijn wetenschappelijke bevindingen – het zijn allemaal ‘inspanningen’ die van strategisch belang zijn, en zelfs van levensbelang, voor Monsanto.

    Monsanto wordt dicht op de hielen gezeten door verscheidene Amerikaanse advocatenkantoren die slachtoffers (of hun nabestaanden) vertegenwoordigen die zijn getroffen door het non-hodgkinlymfoom (NHL), een zeldzame vorm van kanker die de witte bloedlichaampjes aantast en die te wijten zou zijn aan de blootstelling aan glyfosaat.

    Voor die advocaten is ‘Monografie 112’ van het IARC een belangrijk bewijsstuk. Voor Monsanto zou ‘Monografie 112’ een grote rol kunnen spelen bij het uiteindelijke vonnis. De schadeloosstelling voor de achthonderd klagers in de VS – een aantal dat volgens Timothy Litzenburg, advocaat bij The Miller Firm, tegen het eind van het jaar ‘waarschijnlijk’ tot tweeduizend gestegen zal zijn – kan in de miljarden dollars lopen.

    Vertrouwelijke memo’s, spreadsheets en interne resumés: al met al tien miljoen pagina’s uit de archieven en computers van Monsanto heeft het bedrijf tot dusver aan de rechtbank moeten overleggen.

    Uit de massa documenten, die druppelsgewijs worden vrijgegeven en die samen de ‘Monsanto Papers’ vormen, blijkt hoe het bedrijf zich teweer wil stellen. Neem dit ‘vertrouwelijke’ PowerPoint-document, gedateerd 11 maart 2015, met afbeeldingen waarop een beïnvloedingsstrategie wordt uitgestippeld in de vorm van ‘Wetenschappelijke Projecten’. Naast andere ideeën wordt een ‘uitvoerige evaluatie van het kankerverwekkende potentieel’ van glyfosaat genoemd door ‘geloofwaardige wetenschappers’ en ‘zo mogelijk via het concept van een deskundigenpanel’. Dat zou inderdaad gebeuren.

    In september 2016 verscheen er een serie van zes artikelen in het wetenschappelijk tijdschrift Critical Reviews in Toxicology. Daarin werd glyfosaat vrijgepleit. Maar zou er een andere conclusie mogelijk zijn geweest, gezien het feit dat de publicatie openlijk werd ‘gesponsord en gesteund’ door Monsanto?

    De auteurs waren de zestien leden van het ‘glyfosaatdeskundigenpanel’ aan wie Monsanto de taak toevertrouwde de glyfosaatmonografie van het IARC te ‘herzien’. Ze werden gerekruteerd door Intertek, een adviesbureau dat is gespecialiseerd in de productie van wetenschappelijk materiaal voor bedrijven die met regelgevende of juridische problemen kampen ten aanzien van hun producten. Monsanto en zijn bondgenoten riepen ook de hulp in van Exponent en Gradient, twee andere bureaus die zich bezighouden met ‘productverdediging’.

    Het op PowerPoint geëtaleerde crisismanagement voorzag bovendien in de publicatie van een artikel over het IARC zelf: ‘Hoe is het gevormd, hoe functioneert het, ze zijn niet met hun tijd meegegaan, ze zijn archaïsch en niet meer nodig.’

    De wetenschapper die als mogelijker auteur werd geopperd, heeft tot dusver niets over de kwestie gepubliceerd. Maar een artikel dat perfect aan de vijandige specificaties beantwoordt verscheen in oktober 2016 in een klein tijdschrift.

    Het classificeringssysteem van het IARC is ‘ouderwets’ en ‘dient wetenschap noch maatschappij’, schreven de tien auteurs. ‘Zo kan het eten van bewerkt vlees in dezelfde categorie vallen als zwavelmosterdgas.’ De benadering van het IARC, zeiden ze, is de bron van ‘angst voor de gezondheid, onnodige economische kosten, het verlies van nuttige producten, het hanteren van strategieën met hogere gezondheidskosten en het besteden van publieke middelen aan onnodig onderzoek’.

    Het was een zeer ongebruikelijke toon voor een wetenschappelijk tijdschrift. Dat komt wellicht doordat Regulatory Toxicology and Pharmacology een speciaal soort publicatie is. Niet alleen telt de redactieraad talrijke vertegenwoordigers en adviseurs van het bedrijfsleven, de hoofdredacteur, Gio Gori, is een bekende figuur in de geschiedenis van de tabaksindustrie.

    Het blad, dat eigendom is van de machtige wetenschappelijke uitgeversgroep Elsevier, is het officiële orgaan van een zogenaamd wetenschappelijk genootschap, de International Society of Regulatory Toxicology & Pharmacology (ISRTP). De website van het genootschap bevat geen significante informatie en noch Gori, noch ISRTP, noch Elsevier reageerde op vragen van Le Monde. Daarom valt niet eens te achterhalen wie de leiding heeft – laat staan waar het geld vandaan komt. Maar de laatste keer dat ISRTP zijn sponsors publiceerde, in 2008, bleek Monsanto een van de zes goede gevers.

    Wat de tien auteurs van het artikel betreft, sommigen hebben gewerkt – of werken nog steeds – voor de Zwitserse groep Syngenta, een lid van de ‘glyfosaat-taskforce’ van fabrikanten van glyfosaathoudende producten. Anderen zijn zelfstandig adviseur. Weer anderen zijn geleerden die betrokken zijn bij de activiteiten van de wetenschappelijke lobbyorganisatie ILSI. Daartoe behoren Samuel Cohen, hoogleraar oncologie aan de Universiteit van Nebraska, Alan Boobis, co-voorzitter van de JMPR en Angelo Moretto, rapporteur van diezelfde JMPR.

    ‘We zijn zo langzamerhand in de merkwaardige situatie beland dat elke band met een bedrijfstak automatisch wordt beschouwd als een bewijs van vooringenomenheid, corruptie, verwarring zaaien, verdraaiing of wat dan ook’

    Deze drie wetenschappers zetten door. Een paar maanden later publiceerden ze op de propagandawebsite Genetic Literacy Project, die ook plaats had geboden aan de persoonlijke aanvallen op Christopher Portier, een tekst waarin werd gezegd dat het IARC moest worden ‘opgeheven’. Het agentschap werd beschuldigd van het zaaien van ‘chemofobie’ onder het publiek. Als het agentschap niet wordt hervormd, schreven ze, ‘zou het IARC in het regelgevend museum moeten worden bijgezet waar het thuishoort, tezamen met andere historische artefacten als de T-Ford en de telefoon met draaischijf’.

    In wetenschappelijke kringen is het goed gebruik dat de auteur van de eerste versie van een tekst de verantwoordelijk neemt voor alle wijzigingen die erin worden aangebracht, tot de laatste correcties aan toe. Welke van de auteurs heeft deze twee teksten geschreven – gepubliceerd door het wetenschappelijk tijdschrift en de website Genetic Literacy Project? ‘Dat kan ik me niet herinneren,’ antwoordde Alan Boobis toen Le Monde hem ernaar vroeg. Hij legde uit dat het ‘een heel proces’ was geweest, en dat er ‘in de loop van het jaar heel wat aan de tekst was geschaafd’.

    Dit is ‘wel een beetje een schoktactiek,’ erkende Boobis. Toen hem werd gevraagd waarom het artikel op deze website was gepubliceerd, gaf Boobis toe dat Genetic Literacy Project niet bekendstond om zijn accuratesse, maar hij legde uit dat de tekst was geweigerd door een wetenschappelijk tijdschrift.

    Hun argumenten zijn identiek aan die van Monsanto en zijn bondgenoten. ‘We zijn zo langzamerhand in de merkwaardige situatie beland dat elke band met een bedrijfstak automatisch wordt beschouwd als een bewijs van vooringenomenheid, corruptie, verwarring zaaien, verdraaiing of wat dan ook,’ antwoordde Boobis.

    En is Monsanto uit op de ‘opheffing’ van het IARC? Het bedrijf wenste de vragen van Le Monde niet te beantwoorden.

    Auteurs: Stéphane Foucart en Stéphane Horel
    Vertaler: Peter Bergsma

    Foucart en Horel werken beiden voor Le Monde. Foucart is gespecialiseerd in milieuwetenschappen, Horel in Europese beleidsvorming.

    Le Monde won met de serie de Prix Varenne Presse quotidienne nationale.

    Openingsbeeld: Een pesticide verspreidende tractor in Duitsland. – © Sean Gallup / Getty Images

    Le Monde
    Frankrijk | dagblad | oplage 345.000

    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

    CONTEXT: Overname Monsanto door Bayer bijna rond

    Het Duitse chemieconcern Bayer AG onderhandelt sinds vorig jaar over de overname van het Amerikaanse Monsanto voor een bedrag van 66 miljard dollar (54 miljard euro). Tot dusver werd die aankoop vertraagd door de Europese Commissie, die beducht is voor trustvorming. Maar begin maart liet Bayer weten dat het concern in het tweede kwartaal van dit jaar de koop zal kunnen sluiten omdat het tegen die tijd aan alle voorwaarden van de Commissie zal hebben voldaan.

    Volgens Werner Baumann, de CEO van Bayer, heeft het bedrijf inmiddels de toestemming voor de aankoop verworven van meer dan de helft van de dertig antitrustinstanties die het groene licht voor de deal moeten geven. Onder meer zal Bayer daartoe een deel van de activiteiten verkopen aan BASF, de andere Duitse chemiereus. Het betreft vooral de landbouwzaadveredeling. Baumann verwacht dat Bayer nog enkele andere bedrijfsonderdelen onder licentie bij andere ondernemingen zal onderbrengen.

    Relevante artikelen uit 360:

    1. 99: Dossier: Hoe gevaarlijk is glyfosaat?
    1. 127: Wéér controverse rond Monsanto-middel

    Reader # 09: Is het recept van Monsanto uitgewerkt?

  • Na nederwiet ook nedervanille?

    Na nederwiet ook nedervanille?

    Filip van Noort van de landbouwuniversiteit Wageningen wil op grote schaal vanille gaan kweken in Nederland. Een lucratief idee, want het goedje kost 600 euro per kilo. De Zwitserse krant Le Temps zocht hem op in het Westland.

    Lange groene lianen strijken in de tuinbouwkas langs de bezoekers in laboratoriumkleding en met overschoenen aan. ‘Je hoeft je neus niet dicht te houden, er valt toch niets te ruiken,’ fluistert Filip van Noort van de landbouwuniversiteit Wageningen. In grote experimentele kassen in Bleiswijk, een uurtje rijden van de universiteit, kweekt de landbouwkundige papaja, peper en medicinale cannabis.

    Maar zijn grootste zorg gaat uit naar vanille, waarvan hij het productieproces steeds beter onder de knie krijgt. Als alles goed gaat, zullen er over niet al te lange tijd naast de Nederlandse tulpenvelden reusachtige vanillekassen verrijzen: echte ‘nedervanille’.

    Op dit moment komt nog 80 procent van alle vanille van het straatarme eiland Madagaskar. De vanilleteelt is daar goed voor 200.000 banen. In 2016 exporteerde het land 1600 ton vanille met een marktwaarde van zo’n 850 miljoen euro. De prijs van vanille steeg tussen 2010 en 2015 van 25 euro per kilo tot wel 600 euro. Dankzij deze prijsexplosie kunnen de kwekers op het eiland met één oogst miljonair worden.

    De nieuwe vanillebaronnen rijden nu in grote dure auto’s door het stadje Antalaha, het centrum van de vanilleteelt in het noordoostelijke deel van het eiland. In maart vorig werd 30 procent van de oogst vernield door de cycloon Enawo, maar deze ramp maakte het product alleen nog maar waardevoller, al leed de kwaliteit er wel onder. ‘In Nederland gaan we vanille van constante kwaliteit produceren,’ voorspelt Van Noort. ‘Door de gecontroleerde productie in kassen zijn kwantiteit en kwaliteit van het product gegarandeerd. Voor de voedselindustrie is dat een groot voordeel.’

    In een ruimte die nog het meest op 
een hamam lijkt, “stomen” de peulen onder grote dekplaten uit tot ze een mooie glanzende, bruine kleur hebben

    Filip van Noort is nog nooit op Madagaskar geweest. Zijn successen bij het telen van de plant dankt hij vooral aan het werk van de Israëlische onderzoekster Daphna Havkin. Zij werkt al 25 jaar aan de transformatie van de vanilleplant en organiseert elke twee jaar een symposium over vanilline, het molecuul dat de plant zijn karakteristieke aroma geeft. De industrie is er trouwens allang in geslaagd om artificiële vanilline te maken en op de markt te brengen, maar die haalt het volgens de fijnproevers absoluut niet bij het natuurproduct. Van Noort vond ook inspiratie in de kweekmethode van de Mexicaanse botanist Juan Hernandez, die in verschillende klimaten vanille probeert te kweken.

    In Nederland probeerde Van Noort in de kassen een zacht en constant klimaat te scheppen dat zoveel mogelijk de omstandigheden in het struikgewas van een tropisch woud imiteert. Welke temperatuur is ideaal, welke vochtigheidsgraad, wat voor soort licht, welke voeding, hoe zuur moet de grond zijn? En hoe kan de orchidee Vanilla planifolia eigenlijk het best groeien? Hangend? Kronkelend over de aarde in de kas? 
Of klimmend langs kale pvc-pijpen? ‘Vaak moet je maanden of zelfs een jaar wachten om de effecten van kleine wijzigingen waar te nemen in de omstandigheden waarin je de plant laat groeien,’ zegt Van Noort.

    Voor het bereiken van de juiste vochtigheid in de kas gebruikt Van Noort luchtbevochtigingsapparatuur, en boven in zijn kassen hangen reflecterende schilden. Daarmee wordt het invallende licht op alle gedeelten van de plant gericht en de schilden sluiten zich zodra de buitentemperatuur onder de 10 °C komt, zodat de warmte in de kas blijft hangen.

    © Getty
    © Getty

    ‘Voor andere experimenten, met frambozen en tomaten, gebruik ik ledverlichting. Het is bewezen dat die het gehalte aan vitamine C in bepaalde vruchten verhoogt. Als ik het hele jaar door vanille zou kunnen produceren, dus twee oogsten in plaats van één, 
zou ik die verlichting ook gebruiken, maar helaas lukt dat nog niet.’

    Van Noort verwacht dat kwekers, zodra de productie uit het experimentele stadium komt, energiezuinige geothermie zullen gaan gebruiken, zoals dat in de grootschalige Nederlandse tuinbouw al gangbaar is. Zelf stond hij aan de basis van het innovatieve prototype beglazing dat momenteel in het nabije Wateringen in de orchideeënkas Ter Laak wordt gebruikt. ‘De glasplaten van het dak zijn optisch geslepen. Ze zetten een deel van het invallende licht om in warmtestralen, die gericht staan op een rooster van buizen met water. In de zomer wordt dit water ondergronds bewaard en ’s winters voor verwarming gebruikt,’ legt de eigenaar van de kas Eduard ter Laak uit.

    Bestuiving met de hand

    Geheel volgens Europese regelgeving is Filip van Noorts vanille niet transgeen. De plant groeit op de klassieke manier en komt in twee jaar tot wasdom, waarna de bloei maar één dag duurt. De wetenschapper bestuift zijn planten vooralsnog met de hand. Twee maanden later draagt de plant dan dikke groene peulen. Op het moment dat 
die beginnen te vergelen, zijn ze klaar om te worden geplukt.

    Om een aromarijk vanille te verkrijgen, hebben de peulen aandachtige zorg nodig. Van Noort droogt ze uiteraard niet in de zon, maar in een klimaatkamer, waar hij de temperatuur en 
de vochtigheid kan controleren. ‘Om 
ze te drogen, plaats ik ze een paar minuten in een ruimte van 63° C en laat ze daarna een paar dagen in zeer vochtige lucht bij 50° C uitwasemen.’

    In een ruimte die nog het meest op 
een hamam lijkt, ‘stomen’ de peulen onder grote dekplaten uit tot ze een mooie glanzende, bruine kleur hebben. Wanneer Van Noort een van de platen oplicht, stroomt een sterke, zoete vanillegeur de ruimte binnen en is hij op slag gelukkig. Zijn onderzoek wordt financieel gesteund door twee tuinbouwers, twee tomatentelers en een Nederlandse specerijenhandelaar, gezamenlijk opererend onder de naam The Dutch Vanilla Producers.


    Natuurlijk vanille-extract wordt gebruikt in banket, koekjes, toetjes, suiker en likeur, maar ook in cosmetica, vanwege de antioxidanten. ‘Door vanille in een kas te produceren kun 
je het vanillegehalte sturen. Het is een stofje dat bijvoorbeeld ook helpt tegen mondinfecties. We werken samen met onderzoekers uit Wageningen om die effecten te bestuderen.

    Mijn belangrijkste motivatie is toch wel om een plant volledig te leren kennen. Ik ga uit van zeer lokale variëteiten, die in principe niet op een andere breedtegraad kunnen groeien. Dan probeer ik pesticides overbodig te maken en het rendement te maximaliseren. Het is erg duur om een kas in bedrijf te houden, dus je moet zo efficiënt mogelijk werken.’

    Van Noort geeft zichzelf nog een jaar om zijn studie af te ronden en aansluitend een jaar om de productie te optimaliseren. ‘Als mijn aanpak werkt, zet dat de huidige producerende landen aardig onder druk.’

    Auteur: Jordan Pouille
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Le Temps
    Zwitserland | dagblad | oplage 49.000

    Krant voor Franstalige Zwitsers. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden.

  • 1. Portugal staat weer stevig in de schoenen

    1. Portugal staat weer stevig in de schoenen

    Dankzij een heuse wederopstanding draait de Portugese economie weer op volle toeren. Het land slaagde erin oude industrieën (schoenen en textiel) dankzij innovatie, nieuwe technologie en betere dienstverlening succesvol te hervormen.

    Zo’n twintig of dertig jaar geleden schudden politici en bankiers meewarig het hoofd als ze het hadden over de belabberde nationale textiel-, en schoenenindustrie, de achterhaalde kurkwinning en de armetierige landbouw. Het waren ten dode opgeschreven sectoren, levend in het verleden en steunend op goedkope arbeidskrachten die onherroepelijk zouden verdwijnen als gevolg van de modernisering van het land. Nieuwe doppen van plastic of aluminium zouden kurk overbodig maken. Kortom, Portugal was een land met weinig grondstoffen en een achtergebleven boerenbedrijf dat voornamelijk naar subsidies hengelde.

    Dat was toen. Tegenwoordig is het land weer trots op de schoenen en de textiel die het maakt, op zijn populaire landbouwproducten en florerende kurkindustrie. Dat komt niet alleen maar doordat de sombere prognoses onjuist bleken, maar ook omdat duidelijk is dat werknemers, werkgevers en werkgeversorganisaties een bewonderenswaardig weerstands- en aanpassingsvermogen aan de dag hebben gelegd.

    Creatieve destructie

    De kosten waren enorm. De landbouw neemt momenteel nog maar 2 procent van het bbp voor zijn rekening, tegen 8 procent in 1986, het jaar dat Portugal lid werd van de Europese Unie. De machtige textielindustrie komt pas dit jaar voor het eerst weer in de buurt de recordexport van 2001, van 5 miljard euro. Na een decennium van hervormingen exporteert de kurksector eindelijk weer voor meer dan 900 miljoen euro. Maar het grootste succesnummer van de nationale economie is de schoenenindustrie, die haar buitenlandse export sinds 2010 met 34 procent zag groeien.

    De ontwikkelingen in deze sectoren doen denken aan wat de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter (1883-1950) ‘creatieve destructie’ noemde. In zogenaamde traditionele industrieën en in de landbouw moesten duizenden bedrijven hun deuren sluiten en verdwenen er tienduizenden arbeidsplaatsen. Dat was het directe gevolg van de eisen die de eenheidsmunt stelde, de liberalisatie van de wereldhandel, waardoor de Europese grenzen opengingen voor handelsmachten als China, en de stijgende loonkosten konden worden afgewend.

    Dit pijnlijke proces nam wel dertig jaar in beslag. Tussen 1985 en 2015 verdween in de kurkindustrie de helft van alle arbeidsplaatsen (er zijn er nog achtduizend over); in de 25 jaar sinds de grenzen opengingen voor import uit Azië gingen meer dan tweeduizend textielbedrijven failliet en verdween de helft van de arbeidsplaatsen in de sector, al met al zo’n 120.000 banen. In de landbouw was de schok niet minder groot: 500.000 hectare weinig vruchtbare grond kwam braak te liggen. Het aantal boerenbedrijven daalde in 35 jaar van 823.000 tot 250.000. In 1950 werkten er nog 1,5 miljoen Portugezen in de landbouw. Vandaag zijn dat er nog maar 120.000.

    Door het opengaan van de Europese grenzen en door de globalisering verloor Portugal een flink deel van zijn economische en commerciële activiteiten. Die waren sinds 1960 juist enorm gegroeid, nadat het land dankzij een akkoord met de Europese Vrijhandelsassociatie kon uitgroeien tot leverancier van textiel en schoeisel voor het rijke Europa. Vlak voordat het land lid werd van de Europese Unie, maakte de textielexport bijna een derde deel uit van het totaal – nu is dat nog maar 10 procent.

    Een werknemer aan de slag in de damesschoenenfabriek Helsar in Sao Joao da Madeira, Portugal. – © Getty
    Een werknemer aan de slag in de damesschoenenfabriek Helsar in Sao Joao da Madeira, Portugal. – © Getty

    Deze verliezen zeggen meer over de groei van andere bedrijfstakken dan over de teloorgang van traditionele sectoren. In andere Europese landen voltrok zich hetzelfde proces en in Portugal doet de ‘oude economie’ het dankzij de opstanding in vergelijking helemaal niet slecht. Als gevolg van economische ontwikkeling en modernisering zijn er altijd sectoren die moeten verdwijnen en plaatsmaken voor modernere, met meer innovatie en betere technologie, gebaseerd op intensief kapitaal in plaats van handwerk. Portugal combineerde twee recepten: het slaagde erin levensvatbare oude sectoren te behouden dankzij innovatieve producten, nieuwe technologie en betere dienstverlening.

    Bij deze transformatie liepen de meest flexibele en resistente bedrijven voorop. Zowel ondernemers uit het noorden 
als grootschalige landbouwers uit de provincies Alentejo en Ribatejo die de faillissementsgolf van de jaren tachtig en negentig overleefden, bleken over deze kwaliteiten te beschikken. Manuel Carlos is president van de organisatie van schoenenfabrikanten APICCAPS en de voornaamste ‘ideoloog’ van de omvorming van de sector van producent van gebruiksgoederen in een van luxegoederen. Hij herinnert zich dat zijn leden ‘een moeilijke tijd hadden’, maar dat deze ervaring hen ‘zeer bedreven’ maakte in het scherp prijzen, het opzetten van klantnetwerken en het omvormen van hun bedrijven.

    De overlevenden in de textielindustrie zagen in dat het traditionele wachten op opdrachten en produceren wat klanten vroegen op een catastrofe uitliep – China deed dat veel goedkoper. De truc was om zelf producten aan te bieden en niet te wachten op tot de opdrachten binnenkwamen. In de kurkindustrie leefde heel lang het idee dat Portugal het zich kon veroorloven om alles bij het oude te houden omdat het nu eenmaal de grootste kurkproducent ter wereld was. Dit conservatisme werd danig op de proef gesteld toen invloedrijke journalisten rond het jaar 2000 campagne gingen voeren tegen de bijsmaak van kurk en duizenden wijnproducenten van over de hele wereld dreigden over te stappen op doppen van plastic of metaal – de beroemde screwcaps. Het machtige bedrijf Corticeira Amorim overwoog zelfs om ook maar die bedrijfstak in te gaan. En in de landbouw ontdekte men dat het land qua graanproductie onmogelijk concurrerend kon zijn; andere gewassen waren nu eenmaal geschikter voor de Portugese bodem.

    In tegenstelling tot wat vaak in kranten werd beweerd, zijn de Europese moderniseringssubsidies niet alleen maar gebruikt om jeeps voor boeren en Porsches voor textielfabrikanten te kopen

    In tegenstelling tot wat vaak in kranten werd beweerd, zijn de Europese moderniseringssubsidies niet alleen maar gebruikt om jeeps voor boeren en Porsches voor textielfabrikanten te kopen. Met het geld konden kleine stuwdammen (en ook de grote van Alqueva) worden gebouwd, innovatieve bedrijven worden opgezet, nieuw geavanceerd materieel worden gekocht en kon er worden geïnvesteerd in technologieën waar bedrijven dringend behoefte aan hadden. De CEO van Corticeira Amorim, Antonio Amorim, vertelde hoe de kurkindustrie erin slaagde om de concurrentie van metalen en plastic schroefdoppen te boven te komen: ‘We zijn het probleem niet uit de weg gegaan. We zetten de afdeling Onderzoek en ontwikkeling aan het werk en investeerden veel, lanceerden nieuwe producten. Daardoor verbeterde op den duur de performance van kurken aanzienlijk.’

    De textielsector richtte zich niet langer op goedkope vaatdoeken en tafelkleden, en transformeerde zich tot een geoliede machine die zelf producten ontwikkelde om klanten aan te bieden, die innoveerde, bijvoorbeeld met hightechstoffen voor wedstrijdzwemmers of stoffen voor hardloopfanaten die de temperatuur aanpasten aan die van de buitenlucht. Het belangrijkste was echter een efficiënt logistiek apparaat, waardoor een Zweeds merk vandaag duizend paar schoenen kan bestellen en ze al enkele dagen later geleverd kan krijgen. In het technologisch centrum van de sector worden stoffen getest, materialen goedgekeurd en nieuwe componenten voor de toekomst ontwikkeld. Jarenlang was een goede samenwerking tussen wetenschap en industrie een luchtspiegeling geweest (en voor veel sectoren is het dat nog steeds). De textielindustrie sloeg echter de brug en gebruikte de opgedane kennis om stoelbekleding voor de duurste automerken te produceren, of vloerbedekking tegen prijzen waar de Chinese en Indiase concurrentie niet tegenop kon.

    Wat dit betreft was de schoenenindustrie misschien wel de sector die zich het meest opnieuw uitvond. Er werden innovatieve machines ontwikkeld, zoals een waarmee schoenzolen met behulp van een waterstraal konden worden gesneden – een technologie die nu ook geëxporteerd wordt. Demonstratiesessies in fabrieken voor andere ondernemers creëerden een cultuur van openheid waardoor men van elkaar kon leren, wat al snel resultaten bracht. Technici introduceerden vernieuwingen in de productielijnen van schoenenfabrieken, waardoor er verschillende modellen konden worden gemaakt zonder dat er nog technische pauzes hoefden te worden ingelast. Net als de textielindustrie is ook de Portugese schoenenindustrie in staat om kleine series laarzen of schoenen te produceren, zodat ook aan kleine orders kan worden voldaan. Aangezien importeurs graag hun lasten omlaag willen brengen door minder voorraden aan te houden, is dit zeer welkom.

    In de landbouw verliepen de veranderingen langzamer, maar de resultaten waren zo mogelijk nog spectaculairder. Het hielp dat er een nieuwe generatie ondernemers aantrad, al werkten bij de transformatie ‘nieuwe boeren en ondernemers samen met de gevestigde orde’, vertelt João Machado, president van de Portugese boerenfederatie CAP. Verenigingen als PortugalFresh hielpen om de productie te organiseren 
en de deur naar het buitenland open 
te zetten. Aangezien de landbouw 
naar verwachting tussen nu en 2050 zijn productie moet verdubbelen om het hoofd te bieden aan de groei van 
de wereldbevolking, is de sector weer op de radar gekomen als prioriteit. Sinds 2014 zet het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie in op productiestijging.

    Bekoorlijke zwanen

    Het landbouwareaal is geslonken en 
het aantal arbeidskrachten radicaal verminderd, maar daardoor is de landbouw efficiënter geworden, productiever, meer op het buitenland gericht en relevanter voor de economie. De oude obsessie met zelfvoorzienendheid van graan (basisvoedsel voor mensen en dieren) is voorbij, nu Portugal nog maar een vijfde deel van de tarwe en mais produceert die het consumeert. Maar de productie van andere gewassen explodeerde juist. In één decennium groeide Portugal bijvoorbeeld uit van netto-importeur van olijfolie tot de op drie na grootste exporteur ter wereld (436 miljoen euro in 2015). Groente en fruit – tien jaar geleden nog producten die niet veel deden – worden nu meer geëxporteerd dan wijn (1,3 miljard tegen 720 miljoen euro).

    Nu de strijd om het overleven is gewonnen, lijken de kurk-, textiel- en schoenindustrie goed voorbereid te zijn om ook in het mondiale strijdperk te overleven. Het geheim zit hem in specialisering, in design, in verbeterde dienstverlening en technologie – een recept dat zijn werkzaamheid heeft bewezen.

    Op het moment dat Portugal lid werd van de Europese Unie leek dit alles nog onvoorstelbaar: er werd neergekeken op deze sectoren, men beschouwde ze als ouderwets en ongeschikt voor het Europa van de eenentwintigste eeuw. Dankzij het doorzettingsvermogen van sommige Portugese ondernemers, en met hulp van Europees geld waarmee technologie kon worden gekocht en oude gewoontes afgeleerd, zijn de traditionele sectoren niet langer het lelijke eendje. Ze groeiden uit tot bekoorlijke zwanen waar in het veelbewogen landschap van de Portugese economie met bewondering en afgunst naar wordt gekeken. Uiteindelijk was, in de woorden van Mark Twain, het nieuws van hun dood schromelijk overdreven.

    Auteur: Manuel Carvalho
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    Público
    Portugal | dagblad | oplage 21.500

    In Portugal geroemd om zijn originaliteit en moderniteit, laat zich inspireren door de grote Europese kranten. Heeft ook een aparte versie voor jongere lezers: P3, in samenwerking met de Universiteit van Porto.

  • Soja verwoest Argentijnse bodem

    Soja verwoest Argentijnse bodem

    In de buurt van Argentijnse sojaplantages komen steeds meer overstromingen voor. Volgens de autoriteiten ligt het aan de klimaatverandering. Milieubeschermers wijzen naar de intensieve landbouw.

    Het is een cyclus van regenval, overstromingen, boeren die het klimaat de schuld geven, economische schade die in de miljoenen loopt en een regering die subsidies uitdeelt en maatregelen belooft. En bij de volgende storm begint de cyclus opnieuw. De laatste weken waren de regio’s Córdoba, Santa Fe en Buenos Aires aan de beurt. ‘Het komt niet door het klimaat, maar door het de manier waarop hier landbouw en veeteelt bedreven wordt,’ stelt de Argentijnse milieurechtenorganisatie Naturaleza de Derechos. Andere milieuorganisaties hebben erop gewezen dat door de macht van de Argentijnse landbouwsector de ontbossing in het land sneller gaat dan waar ook ter wereld. Uit onderzoek blijkt dat veranderend grondgebruik de oorzaak is van de vele overstromingen.

    In maagdelijk bosgebied absorbeert de grond wel driehonderd millimeter water per uur, gewone weidegrond (met grazend vee) maximaal honderd millimeter. Een sojaveld absorbeert slechts dertig millimeter per uur, zo stelde het Nationaal Instituut voor Landbouw- en Veeteelt Technologie (INTA) vast. Volgens Nicolas Bertram van INTA, een van de auteurs van de studie, is ‘de wateroverlast er niet aan te wijten dat er te weinig waterwerken zijn uitgevoerd en al evenmin aan overvloedige regenval, maar vooral aan de enorme groei van het landbouwareaal in de laatste decennia’.

    Natuur de schuld

    ‘Stijging van het grondwater in de pamparegio: meer regenval of veranderd grondgebruik?’ luidt de titel van het onderzoeksrapport (de tweede auteur is Sebastián Chiacchiera). De twee wetenschappers onderzochten hoeveel regen de afgelopen veertig jaar viel en hoe het grondgebruik veranderde (sojacultuur verdrong op grote schaal de veeteelt). Bertram vertelt: ‘Het grondwaterpeil lag eerst op tien meter diepte, nu nog maar op één meter. De aarde is verzadigd en kan geen water meer opnemen. Het is alsof we eerst een grote teil hadden waar we één emmer water in gooiden. Nu is de teil tien keer zo klein, maar we legen er nog steeds dezelfde emmer water in.’

    Na een overstroming in Córdoba in 2015 gaf toenmalig gouverneur José Manuel de la Soja de natuur de schuld: ‘Het was een tsunami uit de hemel.’ Volgens landbouwkoepelorganisatie Aapresid waren de recente overstromingen, waarbij de landbouwsector zwaar getroffen werd, het gevolg van een ‘klimaatcatastrofe’.

    Horacio Brignone van de campagne Paren de Fumigar (die ageert tegen bestrijdingsmiddelen) vindt dat de overheid behalve met de landbouwsector ook met andere partijen om te tafel moet gaan zitten. ‘De sector krijgt subsidie als schadeloosstelling voor overstromingen die zij zelf heeft veroorzaakt. Ze proberen het water tegen te houden met subsidies, export en “productie”. Dit gebeurt telkens weer, maar de werkelijke oorzaken worden niet aangepakt.’

    In een persbericht schrijft natuurbeschermingsorganisatie Cepronat, die ook deelneemt aan de campagne Paren de Fumigar: ‘Het agrarisch-biotechnologisch model verergert de overstromingen. Door gebruik van transgene gewassen, bestrijdingsmiddelen en directe inzaaiing stijgt de grondwaterspiegel. De monocultuur van soja en de chemicaliën die daarbij worden gebruikt maken de grond ondoordringbaar. Het water wordt niet meer opgenomen, en dat leidt op den duur tot overstromingen.’

    Soja-oogst bij Buenos Aires. – © HH
    Soja-oogst bij Buenos Aires. – © HH

    Het persbericht werd al in augustus 2015 geschreven maar het werd deze week opnieuw verstuurd. Carlos Manessi van Cepronat legt uit waarom: ‘Het is nog even actueel als toen en daarom geven we het nog eens uit.’ Hij verwijt de landbouwsector en de politiek alleen maar naar klimaatverandering en El Niño te wijzen als oorzaak.

    Volgens de wereldvoedselorganisatie van de Verenigde Naties hoorde Argentinië bij de tien landen op de wereld die de afgelopen 25 jaar het meeste kapten. Er verdween 7,6 miljoen hectare bos, een gemiddelde van 300.000 hectare per jaar. Hernán Giardini van Greenpeace zegt erover: ‘Elk jaar zien we weer grote overstromingen. Dat is niet toevallig: het is geen natuurlijk fenomeen. Het komt doordat dit land geen milieupolitiek heeft om bossen en andere natuurgebieden tegen branden, houtkap, sojateelt, intensieve veehouderij en projectontwikkelaars te beschermen.’

    De stad Chabás ten zuiden van Santa Fe is als geen ander door de overstromingen getroffen. De inwoners blokkeerden onlangs een nationale snelweg en eisten infrastructurele projecten, kanalen en pompen om het overtollige water af te voeren. Een van de actievoerders vertelt: ‘Chabás staat midden in een zee van soja. Het water kwam van het land gestroomd terwijl het in de stad niet eens regende. In twee uur tijd stond zeventig procent van de straten onder water.’

    Córdoba is een van de zwaarst getroffen provincies. Milieu-advocaat Dario Avila, lid van een mensenrechtencomité, schampert: ‘Wat toevallig. Telkens weer in gebieden met intensieve landbouw, in het hart van de sojateelt.’ De regionale overheid heeft zojuist een wet aangenomen om meer bos te kappen en de landbouwsector nog meer ruimte te geven.

    Auteur: Dario Aranda
    Vertaler: Valentijn van Dijck

    Página 12
    Argentinië | dagblad | oplage 90.000

    Belangrijkste linkse krant van Argentinië. Veel nadruk op mensenrechten. Heeft vaak briljant gemonteerde foto’s op de cover, bedoeld om een jong publiek aan te trekken.

    CONTEXT: Zorgen over Amazone

    De afgelopen 25 jaar ‘heeft de sojaproductie grote happen genomen uit het oerwoud en de savanne van Mato Grosso’, schrijft website Mongabay. Mato Grosso, een Braziliaanse deelstaat in het westelijk Amazonegebied, is een van de gebieden met de hoogste biodiversiteit ter wereld. Tegelijk is het volgens Mongabay een van de regio’s waar de honger van de landbouwsector het grootst is. Tussen 1991 en 2016 groeide het landbouwareaal voor soja er van 1,2 tot 9,4 miljoen hectare. In 2006 besloten de Braziliaanse voedingssector, ngo’s en de regering samen tot een moratorium. Desondanks groeide het soja-areaal in de staat nog steeds aanzienlijk.

  • Oergezonde waterslurper

    Oergezonde waterslurper

    De avocado is hét lievelingsvoedsel van dit moment, geliefd om zijn gezonde vetten bij vegetariërs en andere bewuste eters. Maar de massale consumptie van avocado’s is desastreus voor het milieu.

    Elke tijd heeft zijn eigen lievelingsvoedsel. In de vijftiger jaren, in Duitsland het decennium van de geforceerde vrolijkheid, troonde op de toetjes, op de punchtaarten en de kaashapjes een cocktailkers, een van kleur- en smaakstoffen doordrenkte vrucht. In de jaren zeventig ontdekten de Duitsers de buitenwereld en de spaghetti. In de jaren tachtig werd de gerookte zalm een massaproduct, wat perfect paste in het neoliberale tijdperk, toen rijkdom voor iedereen – nou ja, voor velen – binnen handbereik leek.

    Wat is tegenwoordig het lievelingsvoedsel? Daarop zijn natuurlijk meerdere antwoorden mogelijk. Een daarvan luidt: de avocado. Dat is vooral omdat de avocado niet van een dier komt. De avocado behoort tot de belangrijkste ingrediënten van de veganistische keuken met haar uitgesproken gevoeligheid ten aanzien van dieren en natuur. De avocado kan namelijk de problematische ingrediënten boter en eieren vervangen. Er zijn nu kookboeken met titels als Mijn recepten voor een betere wereld [een vertaling van The Kind Diet van Alicia Silverstone] en bakrecepten die aanbevolen worden met de oproep ‘Geniet van de klassieke taarten en cakes zonder spijt of slecht geweten’. De avocado is de vrucht van de wereldverbeteraars, ook geliefd bij velen die geen veganist zijn, maar af en toe het gevoel willen hebben in harmonie te zijn met de wereld en met zichzelf.

    De avocado geldt als ongelooflijk gezond, een superfood, net als chiazaad, quinoa, goji- en acaibessen. – © Roberto Machado Noa / Getty
    De avocado geldt als ongelooflijk gezond, een superfood, net als chiazaad, quinoa, goji- en acaibessen. – © Roberto Machado Noa / Getty

    Zo komt het dat de avocado figureert als de grote ster in kooktijdschriften en op kookblogs; dat hij op het sociale netwerk Pinterest het meest geliefde voedsel van 2015 was, en dat er intussen in Duitsland waarschijnlijk geen Fair Trade-cafetaria meer bestaat zonder avocadotoast op de kaart. In 2010 werd in Duitsland 28.000 ton avocado’s geïmporteerd, in 2015 was dat 45.000 ton. In de winter komen ze uit Brazilië, Chili en Spanje, in de zomer uit Zuid-Afrika en Peru. De vrucht is net zo vanzelfsprekend geworden als een aardappel.

    De avocado geldt – en dat is de belangrijkste reden voor zijn succes – als ongelooflijk gezond, een superfood, net als chiazaad, quinoa, goji- en acaibessen. Superfoods zouden super zijn voor het hart en de bloedsomloop en werken tegen kanker en rimpels, reden waarom sommige zelfs in de vorm van capsules te koop zijn bij drogisterijketens. Met het begrip superfood wordt vooral een gevoel verkocht: het gevoel dat met deze voedingsmiddelen van ergens ver weg de oorspronkelijkheid teruggebracht zou worden in de westerse industriële samenleving, de natuurlijkheid en de gezondheid die tegenwoordig niet meer als voorwaarden voor een goed leven worden beschouwd, maar blijkbaar als een waarde op zich.

    De avocado, misschien wel het meest geliefde superfood, is inderdaad heel gezond. Hij bevat zoveel onverzadigde vetzuren, vitamines en mineralen dat het lijkt of hij de mens van al zijn kwalen wil genezen. Hoewel hij romig is als een volle pudding, maakt hij niet dik. Diëtistisch is hij zo onschuldig als een blaadje sla. Tot zover de avocadofantasie.

    Zuid-Afrika

    Vlieg je vanuit Duitsland elf uur in zuidelijke richting naar Johannesburg, en van daar verder, een stukje naar het noorden, naar Polokwane in de Zuid-Afrikaanse provincie Limpopo, dan zie je de andere kant van het avocadoverhaal.

    De wegen zijn stoffig, de kuilen zo diep en talrijk dat je ertussendoor moet slalommen. Maar opeens verandert het landschap. Geen schraal struikgewas meer, geen dood gras en geen golfplaathutten van de Zoeloes, geen overreden honden meer langs de weg, in plaats daarvan avocadobomen zo ver het oog reikt. Allemaal even groot, net twee meter, de bladeren verzadigd donkergroen, alsof ze onkwetsbaar zijn voor stof en droogte.

    Kilometers ver moet je rijden om het centrum van het avocadorijk te bereiken. In de buurt van een oord dat Mooketsi heet woont in een bungalow de koning, Tommie van Zyl. Hij is de eigenaar van farm ZZ2, die behoort tot de grootste avocadoleveranciers van Europa. Tommie van Zyl is een grote, stevige man van 57 jaar in kaki broek en gestreken overhemd. Als hij het vertrek betreedt, zwijgt zijn personeel. Spreekt hij, dan kijken ze hem dienstvaardig aan. Aan de wanden van het kantoor hangen stillevens in olieverf, voornamelijk van avocado’s, die zijn dochters hebben geschilderd, met niet heel vaste hand, maar als Van Zyl ze aan de gast toont, knikken de medewerkers waarderend.

    Hoe is het hem gelukt om dit stukje aarde zulke grote hoeveelheden van een zo weelderige vrucht af te dwingen?

    Toen Van Zyls grootvader in het begin van de twintigste eeuw de boerderij begon, verbouwde hij aardappelen voor de lokale markt. ‘ZZ2’ was het registratienummer dat hem door de autoriteiten werd toebedeeld. Van Zyls vader zag in zijn jonge jaren in dat tomaten lucratiever waren dan aardappelen. Op de aardappeloogst moet je maandenlang wachten, tomaten groeien snel en kunnen het hele jaar door aangeplant worden. In 1953 haalde zijn vader de eerste oogst binnen. Toen hij in 2005 stierf liet hij zijn erfgenaam de grootste tomatenkwekerij van het zuidelijk halfrond na.

    Tommie van Zyl vroeg zich af wat hij nog meer verbouwen kon. De markt voor tomaten was verzadigd. Maar verder weg, in Europa, leken de mensen avocado’s lekker te vinden. ZZ2 moest groeien, en Tommie van Zyl zag een kans.

    De avocado is de vrucht van de rijke boeren

    Maar avocado’s kweken is niet gemakkelijk. Het is zelfs heel gecompliceerd. Avocado’s verlangen van de kweker aandacht, intelligentie en kapitaal. Tommie van Zyl was er klaar voor.

    Om te beginnen groeit een avocadoboom niet zomaar. ZZ2 had land genoeg, maar het ontbrak aan bomen. Daarom is er bij ZZ2 sinds enige tijd een boomkwekerij.
    De scheuten ontstaan doordat men ze in een pikdonkere ruimte laat geloven dat ze wortels zijn die zich onderaards uitbreiden. Een van de kwekers heeft de taak om met een zaklamp in deze donkere ruimte de scheuten uit te kiezen die klaar zijn voor de volgende stap. In een andere ruimte, die in zachtgroen licht baadt, zodat de schok voor het plantje niet te groot is, worden met een wattenstaafje hormonen aangebracht. Met een scheermesje schaaft de tuinier iets van de bleke huid af en stipt het aan opdat het boompje groot en sterk wordt. Dan brengt hij het in een van de broeikassen. Belangrijk is dat de kweker, voor hij de deur doorgaat, in een desinfecteerbad stapt. Hij mag met zijn schoenen geen ziekteverwekkers in de avocadokraamkamer binnenbrengen.

    Omdat de wortels van de avocadoboom heel kwetsbaar zijn, wordt de scheut op die van een andere, gewonere plant, bijvoorbeeld van een appelboom, geënt.

    Is het gelukt een boom te kweken en wil je die in de grond planten, dan moet je erop letten dat de bodem vrij van stenen is. Een avocadoboom stoort zich aan stenen in de bodem zoals de prinses aan de erwt. Met zware apparatuur wordt de aarde gezeefd. Als de stam uitgegroeid is, moet hij met een zonwerende verf worden bestreken. De avocadoboom kan niet tegen te veel zon.

    Tommie van Zyl draagt zijn zoon Bertie op de gast over de landerijen te rijden. Bertie, begin dertig, een agronoom die in Amerika is afgestudeerd, heeft een nieuwe auto, een reusachtige witte pick-up in luxe-uitvoering. Nog niet zo lang geleden heeft zijn vader hem tot ‘Head of Avocados’ benoemd. Niet alleen zijn avocado’s Berties passie, deze beslissing van de baas was ook een teken aan de wand: avocado’s zijn de toekomst van de onderneming. Tot dusver maakten tomaten 70 procent van de omzet uit en avocado’s 30 procent. In de komende jaren moet die verhouding verschuiven in de richting van 50/50, minstens.

    De pick-up rijdt door dunbevolkt land, passeert een paar Zoeloes die langs de weg lopen. Algauw gaat het zo steil bergopwaarts dat de auto bijna rechtop staat. Van bovenaf hebben we een uitzicht over het dal en de aangrenzende hellingen. De aarde is vers omgewoeld. Hier moeten nieuwe avocadobossen ontstaan.

    Deze bossen worden als volgt aangelegd: de aarde wordt in kaarsrechte lijnen opgeschud, op regelmatige afstanden worden er stokken in gestoken, aan elke stok komt een boompje. Dan kunnen de planten aangesloten worden op een bewateringssysteem dat met een iPad kan worden bediend. De bomen moeten als soldaten in het gelid staan, zegt Bertie.

    Duidelijker kun je niet gedemonstreerd krijgen dat het avocadobedrijf een hightechbranche is geworden. Een branche die mijlenver verwijderd is van de natuurlijkheid en duurzaamheid waar de avocado voor staat, en ook van de kleinschalige regionale landbouw waar men zo graag de lof van zingt. De avocado is de vrucht van de rijke boeren. Dat er überhaupt zo veel avocado’s naar Europa worden geëxporteerd is alleen mogelijk doordat in de Zuid-Afrikaanse landbouw onder zeer ongelijke condities wordt geproduceerd. Slechts enkele bedrijven – de meeste in het bezit van blanke Afrikaners – worden steeds groter, zoals de ZZ2-farm. Zij kunnen investeren, de natuur onderzoeken en begrijpen. Veel kleine bedrijfjes, van zwarten, leggen het loodje.

    Delen van de bevolking leven zonder stromend water omdat de regering niet doet wat Tommie van Zyl voor zijn avocado’s doet

    Een kilogram tomaten heeft gemiddeld genoeg aan ongeveer 180 liter water. Een kilogram sla aan ongeveer 130 liter. Een kilogram avocado’s verbruikt 1000 liter. Dat betekent: 1000 liter water voor tweeënhalve avocado. En er is weinig water in Limpopo. Sinds vier jaar is er zelfs minder dan ooit. Het fenomeen El Niño, versterkt door de klimaatverandering, brengt hitte en droogte.

    Als gevolg van El Niño verdorstten in het afgelopen jaar duizenden runderen in Zuid-Afrika. De oogsten vielen zo enorm tegen dat het land een basaal voedingsmiddel als mais, dat het vroeger exporteerde, nu moet importeren. Delen van de bevolking leven zonder stromend water omdat de regering niet doet wat Tommie van Zyl voor zijn avocado’s doet: hij heeft een dertig kilometer lange pijplijn aangelegd die het water uit de bergen naar het dal brengt.

    De vraag die als een donkere wolk boven de avocadobusiness hangt, luidt: wanneer zullen de gebruikers in de westerse industrielanden merken dat ze een ecologisch hoogst dubieuze vrucht tot symbool van bewuste voeding hebben gemaakt? Wanneer zullen ze zich van de avocado afkeren?

    Het water is niet het enige probleem. Er is ook de weg die de vrucht aflegt voordat hij in een Duitse supermarkt verkocht wordt. Een ZZ2-avocado rijdt van haar geboortegrond in het noorden van het land met de vrachtwagen naar Durban aan de kust in het zuidoosten. Dan wordt hij op een schip geladen dat hem naar Rotterdam brengt. De overtocht duurt 26 dagen. Gedurende die hele reis ligt de avocado bij een comfortabele 6 graden in een van stroom voorziene container waarin naast de temperatuur ook de luchtvochtigheid en het CO2-gehalte gecontroleerd worden – een energievretend transport.

    De vraag is hoe dit misverstand kon ontstaan.

    Slagroom

    Wanneer de omslag kwam is niet meer precies te zeggen. In haar boek The Queen of Fats beweert auteur Susan Allport dat het in het jaar 2003 was. Nadat men decennialang had geloofd dat je om slank en gezond te zijn weinig vet moest eten, meende men nu dat je vooral van koolhydraten moest afzien. Opeens waren vetten gezond, koolhydraten werden verantwoordelijk gesteld voor de epidemie van overgewicht. Het tijdperk van vetarm was voorbij, de lightproducten die de levensmiddelenindustrie lang goede winsten hadden opgeleverd verdwenen uit de schappen van de supermarkt. De vrucht met een vetgehalte als slagroom kon aan haar opmars beginnen.

    Steeds opnieuw zijn het de op gezondheidsadviezen berustende voedingstrends die de markt aanzwengelen. En elke revolutie voedt de hoop op een volgende.
    Ja, superfoods als de avocado zijn bijzonder goed voor de gezondheid. Maar wie graag avocado eet, zal daarom nog niet voor ernstige ziekten gespaard blijven. Het begrip superfood verdoezelt het feit dat er eigenlijk geen fruit en geen groente is die geen positieve werking op het menselijk lichaam heeft. Ook inheemse appels en bijvoorbeeld rode biet zijn voortreffelijke leveranciers van vitaminen en mineralen.

    Maar bij het eten gaat het om veel meer dan alleen om het voorzien in wat het lichaam nodig heeft. De keuze van voedingsmiddelen diende altijd al eveneens om zich te onderscheiden. In de middeleeuwen at de adel niets wat uit de aarde kwam, maar wel boomvruchten en zangvogels. Tegenwoordig, in een vergevorderd stadium van globalisering, gaat het om het exotische, en om het behoren tot de avant-garde, die haar wereldwijsheid demonstreert door gojibessen uit Tibet (‘50 gram is voldoende om je ijzerbehoefte te dekken’) door haar muesli te mengen, of muffins te bakken met Peruaans macapoeder (‘sporters gebruiken maca om hun prestaties te verbeteren, terwijl slimmeriken van maca houden omdat het de geest scherp houdt’).

    Dat in de afgelopen jaren steeds meer schapruimte voor de avocado werd ingeruimd, heeft ook te maken met wat er gebeurt in een geheimzinnig gebouw met donkere gevels dat als een reusachtige architectenvilla oprijst tussen de voortuintjes en de kleine kassen in Maasdijk, in de buurt van Rotterdam. Hier is Nature’s Pride gevestigd, een van de grootste importeurs van exotisch fruit en groenten in Europa.

    Hier groeide de avocado uit tot wat hij nu is.

    Een kilogram tomaten heeft gemiddeld genoeg aan ongeveer 180 liter water. Een kilogram sla aan ongeveer 130 liter. Een kilogram avocado’s verbruikt 1000 liter. – © Roberto Machado Noa / Getty
    Een kilogram tomaten heeft gemiddeld genoeg aan ongeveer 180 liter water. Een kilogram sla aan ongeveer 130 liter. Een kilogram avocado’s verbruikt 1000 liter. – © Roberto Machado Noa / Getty

    Een avocado kan niet rijpen aan de boom. Tot hij geoogst wordt, is hij keihard, reden ook waarom geen schadelijk insect zich ervoor interesseert en pesticiden nauwelijks nodig zijn. Een voordeel dat tegelijk lange tijd een nadeel was. De avocado-eters van voorgaande generaties herinneren zich de hardheid van de vrucht nog wel: je kocht de avocado en moest dan twee of drie dagen, of zelfs een week wachten tot hij eetbaar was. Als je een avocado wilde eten moest je dat eigenlijk op de kalender inplannen.

    Was dat zo gebleven, dan was de avocado nu nog de ongenaakbare exotische vrucht die hij toen was. Maar hier, bij Nature’s Pride, veranderde men hem in een fastfood, een soort voedsel zo praktisch als een broodje kaas.

    Als de avocado na zijn bijna vier weken durende reis uit Afrika in de haven van Rotterdam aankomt, wordt hij overgeladen in een vrachtwagen die hem naar Maasdijk, dertig kilometer verderop, vervoert. De vrachtwagen rijdt achteruit naar een van de laadplatformen van Nature’s Pride. Daar neemt de ripening master, de rijpmeester, de avocado’s in ontvangst, die op dat moment nog zo hard als kokosnoten zijn. De meester pakt een avocado en snijdt hem met een klein mesje doormidden. Het gaat om de huid die om de ronde pit groeit: afhankelijk van hoe dik die is, moet de avocado kortere of langere tijd de rijpkamer in.

    De rijpkamer is een onopvallende opslagruimte achter een metalen rolluik. Daarin staan de avocadokisten drie meter hoog opgestapeld. Achterin is een soort windmachine ingebouwd. Die verdeelt het gas ethen gelijkmatig door de ruimte. Ethen is een grondstof van veel bestrijdingsmiddelen en werd vroeger voor narcoses gebruikt. Voor Nature’s Pride is ethen niet minder dan een godsgeschenk. Eindelijk had men een mogelijkheid gevonden om de avocado te rijpen tot het punt waarop de koper van alle zorg bevrijd is. Het gas is in geringe hoeveelheden volkomen onschadelijk. Het is wat uit een banaan komt als die rijpt – iedere huisvrouw weet dat je bananen gescheiden van andere vruchten en groenten moet bewaren.

    Zes dagen lang blijft de avocado gemiddeld in de kamer. De temperatuur beweegt zich tussen 6 en 25 graden, volgens berekeningen die Nature’s Pride niet vrijgeeft. De rijpmeester zegt dat de variërende opslagtemperatuur berust op onderzoek en ervaring, maar er komt ook feeling aan te pas. Er vindt een soort stille communicatie met de avocado plaats. Zijn beroep is vergelijkbaar met dat van een affineur of kaasmaker, die de kaas beklopt, eraan ruikt, erop drukt en op die manier met de kaas communiceert over de vraag wanneer de smaak zich optimaal heeft ontwikkeld.

    Voor de handelaars is het belangrijk dat de groenige niet met de zwart-bruine avocado’s in één kist liggen, want de ervaring leert dat de consument alleen die groenten en fruit vertrouwt die er als gekloond uitzien

    Als de rijpingstijd voorbij is, wordt met ultrasonore trillingen onderzocht of de avocado’s, ondanks alle voorzichtigheid, vanbinnen geen donkere vlekken hebben. Ten slotte worden de avocado’s automatisch op kleur gesorteerd. Voor de handelaars is het belangrijk dat de groenige niet met de zwart-bruine avocado’s in één kist liggen, want de ervaring leert dat de consument alleen die groenten en fruit vertrouwt die er als gekloond uitzien. Als de avocado’s alle tests hebben doorstaan, worden ze door de meestal Poolse arbeiders van de lopende band geraapt en in kisten gesorteerd. Een arbeider kan er 52 per minuut pakken en hij werkt acht uur per dag. De avocado’s moeten allemaal in dezelfde hoek, een beetje schuin, met het smalle uiteinde naar boven, in de kist liggen – keurig in het gelid, zoals de Zuid-Afrikaanse bomen. Dan plakt een andere arbeider een sticker op de donkere schil van de avocado’s, waarop de koning der vruchten een laatste bevel uitvaardigt: ‘Eet mij, ik ben rijp!’ staat erop.

    Sinds Nature’s Pride zijn rijpkamers heeft, zijn de omzetten geëxplodeerd. Op de Duitse markt werd in 2015 bijna een derde meer avocado’s verkocht dan het jaar ervoor. Daarmee is de avocado de mango en de papaja ver voorbijgestreefd.

    © Getty
    © Getty

    Enige tijd geleden gaf Nature’s Pride een bekroond architectenbureau uit Amsterdam de opdracht voor een nieuw gebouw voor de onderneming. Het gebouw, in gedekte kleuren, met minimalistisch gewelfde gevels, is energieneutraal. Het spoelwater van de toiletten wordt uit regenwater gewonnen, zo staat op kleine bordjes die naast de wc’s in huis zijn aangebracht. Op het grote platte dak slaan zonnecellen het zonlicht op. Tussen de perken lavendel heeft de firma een vlindertuin aangelegd die beschikbaar is voor wetenschappelijk onderzoek. Vlak daarnaast staan elektrische Tesla’s geparkeerd, die een vermogen kosten.

    De zorg om het milieu, zo kan hier worden vastgesteld, is vooral een statussymbool in bepaalde kringen. Bescherming van het milieu is niet meer dan een gebaar, een verhaal dat men zichzelf vertelt en waarvan het werkelijkheidsgehalte helemaal niet meer wordt onderzocht.

    Wat de avocado werkelijk te vertellen heeft, is een nuchter, ook wat deprimerend inzicht: als het echt ernst was met de milieuvriendelijke keuken, dan zou men van een vrucht als de avocado moeten afzien. Zelfs een biologische avocado is een van ver gekomen, mateloze drinkster. In plaats van exotische vruchten te eten zou men de armeluiskeuken opnieuw moeten ontdekken. Witte kool, raapstelen. We zouden eraan moeten wennen dat supermarktmedewerkers op de vraag naar tomaten antwoorden: ‘Hebben we niet, buiten het seizoen. Over twee maanden weer.’ Misschien zou het zelfs verstandig zijn om terug te grijpen – Duits trauma – op de provinciale keuken van de vijftiger jaren, toen het in de trappenhuizen naar doodgekookte groenten rook omdat wat in het koude noorden groeit – wortels, knolrapen, kolen – oneindig lang gekookt moesten worden.

    Dadelplantages

    Het ziet er niet naar uit dat het echt zover zal komen. Nature’s Pride heeft zich voorgenomen nog meer avocado’s te verkopen. Nog lang niet alle Duitse huishoudens hebben die smaak ontdekt. Als het zover is, als ze eindelijk normaal zijn, zullen de avocado’s hun charisma waarschijnlijk grotendeels kwijt zijn. De karavaan zal verder trekken, de avant-garde zal naar iets nieuws omzien. Dat nieuwe zal wel niet de kool zijn.

    Bij Nature’s Pride gokt men op kiwi’s. Die zijn wel wijd en zijd bekend, maar bij aankoop vaak overrijp of te hard. Als men het rijpingsproces optimaal maakt, zoals bij de avocado, zou dat iets kunnen worden.

    Bij ZZ2 in Limpopo zien ze meer in dadels. Dadels bevatten veel mineralen en vitaminen en smaken zoet: het zou kunnen dat ze populair worden als gezonde snack. Er zijn al dadelplantages in Namibië opgekocht.

    Dadels hebben nog meer water nodig dan avocado’s.

    Auteur: Elisabeth Raether
    Vertaler: Piet Meeuse

    Beeld bovenaan: Avocado’s kweken is niet makkelijk. Een avocadoplantage zoals deze verlangt aandacht, intelligentie en kapitaal. – © Brett Gundlock / Getty Images

    Die Zeit
    Duitsland, dagblad, oplage 540.000

    De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet. Voormalig bondskanselier Helmut Schmidt levert regelmatig bijdragen.

  • 1. Is glyfosaat kankerverwekkend?

    1. Is glyfosaat kankerverwekkend?

    Glyfosaat is het succesvolste en meest verkochte pesticide ter wereld. Na een grondige beoordeling van wetenschappelijke onderzoeken kan de conclusie worden getrokken dat de pesticide ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is. Fabrikanten en producenten zoals Monsanto proberen linksom dan wel rechtsom het tegendeel te bewijzen. Op de volgende pagina’s het hoe, wat en waarom.

    Van de eerste signalen tot het besef ‘Sven, er is iets mis met je kudde’ was een sluipend proces. De 34-jarige Sven Krey, blozend, vol gezicht, zit in zijn keuken. Naast de hoekbank staat een kinderstoel, aan de muur hangen foto’s van zijn bruiloft. Door het raam valt zacht zonlicht, maar Krey huivert. Hij krijgt kippenvel als hij terugdenkt aan de horrortaferelen op zijn boerderij.

    De bakstenen boerderij van Krey heeft een rieten dak en ligt vlak achter de dijk langs de Elbe, in de buurt van de Noordzee. Een idyllische plek, waar horrortaferelen ver te zoeken lijken te zijn. De oprit houden de Kreys zo schoon dat hun twee kinderen met gewone schoenen naar de koeienstal kunnen lopen. De afgelopen vijf jaar bezochten dierenartsen en adviseurs het rundvee en de landbouw langs dezelfde weg. Eerst liep de melkproductie van zijn 150 koeien terug, vertelt Krey. Toen vielen de dieren af, 30, 40 kilo, kregen ze diarree en zweren aan de uiers zo groot als een handpalm, en ze hadden last van lamme poten.

    2014 was het dieptepunt. Zes noodslachtingen. De rest van de kudde was dermate aangeslagen dat Krey lijsten moest gaan bijhouden om het overzicht over het leed te behouden. Een dode koe was hem haast liever dan een levende, want een levende kost geld.

    Schaamte

    Geen enkele boer praat graag over dood en ziekte in zijn stal. Behalve de zorg om de dieren is er de schaamte: ‘Je denkt dat je als boer tekort bent geschoten,’ zegt Sven Krey.

    Krey heeft lang overwogen of hij met zijn verhaal naar buiten zou treden. Hij wil, zo zegt hij, zijn ‘hart eens goed luchten’. De diepe vertwijfeling, maar ook de enorme opluchting toen iemand eindelijk een mogelijke oorzaak voor de horrortaferelen gaf.

    Iets meer dan een jaar geleden bracht dierenarts Achim Gerlach uit Burg in Sleeswijk-Holstein voor de eerste keer een bezoek aan de boerderij van de Kreys. Gerlach bespeurde tekenen van een chronische vergiftiging bij de koeien: afstervend weefsel bij tepels, staarten, oren. Problemen met de maag en de hoeven. Symptomen die de dierenarts in de maanden daarvoor vaker was tegenkomen. Een of andere substantie in het voer leek de dieren ziek te maken. Hij liet de urine van de koeien onderzoeken. In alle monsters werden hoge concentraties van de stof glyfosaat aangetroffen.

    Een conflict tussen milieuactivisten en landbouwlobbyisten heeft zich ontwikkeld tot een controverse tussen wetenschappers en wetenschappers

    We wanen ons in het tijdperk van de digitalisering en ook in het tijdperk van de terreur en de vluchtelingen. Maar vrijwel ongemerkt is enkele tientallen jaren geleden nog een tijdperk op aarde begonnen. Het tijdperk van het glyfosaat. Glyfosaat is het succesvolste en meest verkochte pesticide ter wereld. In 1974 is het door het Amerikaanse concern Monsanto onder de naam Roundup in de Verenigde Staten op de markt gebracht, en tegenwoordig wordt het wereldwijd gebruikt. Het pesticide heeft zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste aanjagers van de conventionele landbouw. Amerikaanse maisfarmers, Indiase katoenboeren, Argentijnse sojamagnaten en Duitse graanbouwers, allemaal besproeien ze hun akkers met glyfosaat. Het middel doodt namelijk de vogelmuur, het beemdgras, de melganzenvoet en de akkervederdistel. Het doodt nagenoeg elke soort van onkruid, overal ter wereld.

    En mogelijk niet alleen onkruid.

    Sinds lange tijd gaan er geruchten, zijn er aanwijzingen en worden er in meer of mindere mate serieus te nemen verdenkingen geuit dat glyfosaat niet alleen gewassen vernietigt, maar ook schadelijk is voor mens en dier. Aanknopingspunten zijn bijvoorbeeld de zieke koeien op de boerderij van Sven Krey. Het zijn allemaal twistpunten in een ideologische strijd die rond dit pesticide is ontbrand. ‘Glyfosaat is dodelijk, het moet ogenblikkelijk worden verboden!’ zeggen milieubeschermers. ‘Glyfosaat redt levens, verhoogt de landbouwopbrengsten en waarborgt de wereldvoedselvoorziening!’ antwoorden landbouwfunctionarissen en ondernemersverbonden. Waar het lange tijd aan heeft ontbroken in deze strijd tussen ecologische en conventionele landbouw was het oordeel van een wetenschappelijke instantie waardoor de waarheid van de propaganda zou worden gescheiden.

    © Giorgio Cravero
    © Giorgio Cravero

    In maart van dit jaar meldde zich het Internationale Instituut voor Kankeronderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Na een grondige beoordeling van wetenschappelijke onderzoeken was het tot de conclusie gekomen dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ was.

    Code donkeroranje dus, en ook nog precies op het juiste moment. De komende maanden moet de Europese Commissie namelijk een besluit nemen of het gebruik van glyfosaat in Europa toegestaan blijft.

    Met de uitspraak van de WHO leek het besluit in het nadeel van glyfosaat uit te gaan pakken. Maar niet veel later kwam ook het Bundesinstitut für Risikobewertung in Berlijn met zijn oordeel: glyfosaat was ‘niet carcinogeen’. Half november sloot de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid, die in het Italiaanse Parma zetelt, zich hierbij aan: glyfosaat was ‘waarschijnlijk niet kankerverwekkend’.

    Waarschijnlijk kankerverwekkend. Waarschijnlijk niet kankerverwekkend. Een conflict tussen milieuactivisten en landbouwlobbyisten heeft zich ontwikkeld tot een controverse tussen wetenschappers en wetenschappers. Daartussenin staan politici en consumenten, die zich afvragen: Wie heeft er gelijk? Is glyfosaat werkelijk een gevaar voor onze gezondheid? Veroorzaakt het echt kanker? Of is het toch onschadelijk? En in welke mate worden we eigenlijk blootgesteld aan die stof?

    De ontdekker van dichloordifenyltrichloorethaan kreeg in 1948 de Nobelprijs voor de Geneeskunde. Inmiddels is het geclassificeerd als “waarschijnlijk kankerverwekkend”

    Een eerste antwoord wordt gegeven achter een gevel van bakstenen, glas en staal: in het Medizinisches Labor Bremen. Bij dit particuliere instituut werkt scheikundige Hans-Wolfgang Hoppe, een boekhouder van de chemische stoffen die ons omgeven. Ze bevinden zich in ons eten, in onze meubels, in onze kleding, in vershoudfolie, muurverf en kinderspeelgoed. En bijna allemaal zijn ze ook terug te vinden in ons lichaam. Momenteel houdt Hoppe zich bezig met de vraag in welke hoeveelheden Duitsers glyfosaat binnen krijgen.

    Hoppe loopt langs glimmende, zachtjes brommende apparaten die eruitzien als koelkasten, maar even duur zijn als een eengezinswoning. Elk van deze dure apparaten is gebouwd voor de opsporing – in bloed of urine – en de analyse van een bepaalde stof.
    Zoals polychloorbifenyl, kortweg pcb. ‘Dat was een megakwestie,’ zegt Hoppe. Pcb’s deden decennialang dienst als weekmakers en brandvertragers in verven, lakken en kunststoffen. Kleine hoeveelheden kunnen al ernstige schade toebrengen aan de lever en de groei van kinderen vertragen. Sinds 2001 zijn pcb’s wereldwijd verboden, maar nog altijd bevinden ze zich in het milieu, in de voedselketen, en treft Hoppe ze in menselijk bloed aan.

    Of dichloordifenyltrichloorethaan, kortweg ddt, het ooit meest gebruikte insecticide ter wereld, waarvan de ontdekker in 1948 de Nobelprijs voor de Geneeskunde kreeg. Inmiddels is het geclassificeerd als ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ en sinds de jaren zeventig in de meeste industrielanden verboden.

    © Giorgio Cravero
    © Giorgio Cravero

    Of lindaan, een insecticide en houtbeschermingsmiddel waarvan al lange tijd werd vermoed dat het ernstige ziekten veroorzaakte en dat in juni van dit jaar door de WHO als ‘kankerverwekkend’ werd bestempeld.

    Het zijn korte verhalen over het kalf en de put die Hans-Wolfgang Hoppe vandaag in zijn laboratorium vertelt. Chemische substanties kwamen in de wereld terecht. Vroege waarschuwingssignalen werden genegeerd. Pas toen mensen ernstig ziek werden, startten wetenschappers een grondig onderzoek naar de werkingsmechanismen. Uiteindelijk kwam het tot verboden, die al veel eerder opgelegd hadden kunnen worden.

    Als de kankeronderzoekers van de WHO het bij het rechte eind hebben, dan herhaalt dit patroon zich in het geval van glyfosaat.

    Bij officieel levensmiddelenonderzoek is glyfosaat opgedoken in oesterzwammen, bloemkool, aardbeien, grapefruits, citroenen, pinda’s, vijgen, linzen, bosuien, kievietsbonen, aardappels, tarwe, rogge, gerst en haver. Drie jaar geleden onderzocht het tijdschrift Öko-Test verschillende graanproducten op glyfosaat. In 14 van de 20 producten werden sporen aangetroffen, onder andere in tarwemeel, havervlokken en broodjes. In voedingsmiddelen die vrijwel iedereen dagelijks eet. Hoppe vindt het verbazingwekkend dat de stof zelfs het bakproces doorstaat.

    Hoe zwaar de Duitse bevolking met glyfosaat wordt belast, is nog niet door de autoriteiten onderzocht. Dat is opvallend als je bedenkt dat geen enkel ander pesticide meer in het milieu terechtkomt. Hans-Wolfgang Hoppe heeft de urine van negentig medewerkers van zijn laboratorium op glyfosaat getest. In circa 70 procent van de monsters werden concentraties aangetroffen. Hij gaat ervan uit dat dit resultaat ongeveer overeenkomt met het Duitse gemiddelde.

    In plaats van de ploeg

    In Duitsland belandt glyfosaat op bijna 40 procent van het totale landbouwoppervlak, ongeveer 6000 ton per jaar. Biologische boeren maken geen gebruik van het pesticide, maar bij conventionele landbouwers neemt het de plaats in van de ploeg. In plaats van het onkruid vóór de zaai machinaal te verwijderen, doden ze het langs chemische weg. Het meest wordt glyfosaat echter in landen gebruikt waar de teelt van gengewassen is toegestaan, zoals in de Verenigde Staten, Brazilië en Argentinië. Daar planten de boeren genetisch gemodificeerde graansoorten die glyfosaat weliswaar opnemen, maar er niet dood aan gaan. Zo kunnen de boeren hun akkers na de zaai met het pesticide besproeien en weer opgekomen onkruid vernietigen. De tarwehalmen, mais en sojaplanten blijven gewoon staan. Alleen al het teeltoppervlak voor gensoja is in de afgelopen twintig jaar van 0 naar wereldwijd ruim 90 miljoen hectare gestegen. Zo’n 22 miljoen hectare daarvan, twee derde van de oppervlakte van Duitsland, strekt zich uit in Argentinië.

    Argentinië is een glyfosaatland, en daarom is Avila Vazquez deze herfst naar Duitsland gekomen.

    Een zachte novemberavond in Berlijn. De Argentijnse kinderarts Avila Vazquez heeft zijn jasje uitgetrokken en plaatsgenomen in een conferentiezaal van de organisatie Brot für die Welt. Vazquez is hier omdat hij weet dat de Europese Commissie weldra een besluit zal nemen over de hernieuwde toelating van glyfosaat. Hij hoopt daar invloed op uit te kunnen oefenen. Hij wil de Europeanen waarschuwen.

    Avila Vazquez is hoofd van de intensive care voor pasgeborenen in een kliniek in de Argentijnse provinciehoofdstad Córdoba. Eerst viel hem op dat steeds meer baby’s met misvormingen ter wereld kwamen. Vervolgens stelde hij vast dat de moeders van die kinderen vaak uit landelijke gebieden kwamen, uit dorpen als Monte Maíz.


    In Berlijn drukt Vazquez op een toets van zijn laptop. Op het scherm verschijnen de witgepleisterde huizen van een dorp: Monte Maíz, 8000 inwoners, omgeven door een grote groene zee van miljoenen sojaplanten.

    Vazquez spreekt Spaans, een tolk vertaalt in het Duits. De duidelijkste taal spreken echter de beelden. Een bloederig gezwel aan de borst van een vrouw. Een zuigeling met een open ruggetje. Ten slotte een foto die een relatie moet leggen tussen een agrarisch landschap en menselijk leed: een opslagplaats met jerrycans pesticide.

    ‘Glifosato,’ zegt Avila Vazquez.

    In oktober 2014 ging Vazquez samen met andere wetenschappers de deuren langs in Monte Maíz. Ze vroegen de bewoners naar leefgewoonten en ziekten. Ze kwamen erachter dat in dit dorp drie keer zo veel mensen kanker kregen als gemiddeld in Argentinië. En dat de vrouwen twee keer zo veel misvormde baby’s ter wereld brachten als statistisch kon worden verwacht. Er zijn geen grootschalige onderzoeken uitgevoerd die een relatie aantonen tussen glyfosaat en misvormingen of kanker. Maar Avila Vazquez laat vanavond in Berlijn twee landkaarten zien. Op de ene zijn de gebieden gemarkeerd waar in Argentinië heel veel soja wordt verbouwd en heel veel glyfosaat wordt gesproeid. Op de andere de gebieden waar bovengemiddeld veel mensen aan kanker overlijden. De kaarten zien er nagenoeg identiek uit.

    Jaarlijks wordt er 35 tot 40 miljoen ton gensoja uit Noord- en Zuid-Amerika naar de EU geëxporteerd. De teelt van gengewassen is hier weliswaar vrijwel geheel verboden, maar de invoer ervan niet. De gensoja belandt als meel of tot sojaschroot geperst in de troggen van Europese runderen, varkens en kippen. Ook de koeien op de boerderij van Sven Krey in Sleeswijk-Holstein hebben jarenlang dit voer gegeten. Was het dus inderdaad het glyfosaat dat zijn dieren ziek maakte?

    Schrikbeeld

    Twee kantooretages in het Düsseldorfse stadsdeel Rath: het Duitse hoofdkantoor van het Amerikaanse concern Monsanto. Buiten duwt de storm tegen de ramen, binnen stralen twee mannen een geruststellend optimisme uit. ‘We kennen het middel glyfosaat al heel erg lang en we kennen het heel erg goed,’ zegt Holger Ophoff, manager van de afdeling Wet- en Regelgeving van Monsanto Duitsland. ‘Glyfosaat is al meer dan veertig jaar op de markt en wordt wereldwijd voortdurend gecontroleerd en toegelaten,’ zegt Thoralf Küchler, woordvoerder van Monsanto Duitsland.

    Inderdaad hebben wetenschappers van het Amerikaanse concern al decennia geleden ontdekt hoe glyfosaat ingrijpt in de stofwisseling van gewassen: het gaat de vorming van een enzym tegen dat verantwoordelijk is voor de opbouw van vitale aminozuren. Zonder dat enzym gaan gewassen binnen enkele dagen dood. Een glyfosaatmolecule bestaat uit glycine, een aminozuur en fosfonzuren, een verbinding die Monsanto begin jaren zeventig liet patenteren. Inmiddels is het patent bijna overal verlopen. Naast het Monsanto-product Roundup zijn er alleen al in Duitsland circa tachtig andere middelen met glyfosaat op de markt, met namen als Taifun forte, Dominator ultra en Dr. Stähler Unkraut-frei. De producten zijn er in grote jerrycans voor boeren en in kleine flessen voor hobbytuinierders.

    In Europa fabriceren momenteel veertien ondernemingen glyfosaat. Maar voor geen van deze ondernemingen is de stof ook maar bij benadering zo belangrijk als voor Monsanto. Monsanto levert namelijk niet alleen maar glyfosaat, het verkoopt ook het genetisch gemodificeerde zaaigoed dat bestand is tegen het pesticide – onder de naam Roundup Ready, klaar voor Roundup. Als het gebruik van glyfosaat niet langer werd toegestaan, dan zou Monsanto niet alleen maar geen Roundup meer kunnen afzetten. De boeren zouden dan ook geen reden meer hebben om genmais, gengraan en gensoja te kopen. Het businessmodel van Monsanto zou ineenstorten.

    Zieke koeien. Misvormde kinderen. Een concern dat om financiële redenen alles in het werk moet stellen om zijn product op de markt te houden

    In Europa is de omzet van het concern relatief gering, maar als de Europese Commissie besluit om het pesticide niet langer toe te laten, dan zouden andere landen kunnen volgen, niet in de laatste plaats vanwege de toenemende druk van consumenten. Dat is het schrikbeeld van Monsanto. Op het Duitse hoofdkantoor van het concern in Düsseldorf nemen de Monsanto-werknemers Ophoff en Küchler vandaag om beurten het woord. Ze variëren hun woordkeuze. Maar eigenlijk zeggen ze met vrijwel elke zin hetzelfde, ongeacht de vraag.

    Küchler: ‘We hebben er alle vertrouwen in dat glyfosaat opnieuw wordt toegelaten.’

    Ophoff: ‘De onschadelijkheid van glyfosaat is door een ongekende hoeveelheid informatie en onderzoeken aangetoond.’

    Zieke koeien. Misvormde kinderen. Een concern dat om financiële redenen alles in het werk moet stellen om zijn product op de markt te houden. Dat zijn de elementen van vrijwel elk verhaal over het gevaarlijke, giftige glyfosaat. Maar het zijn geen wetenschappelijke bewijzen. De koeien op de boerderij van Sven Krey zouden in theorie ook door andere stoffen ziek kunnen zijn geworden. De inwoners van het Argentijnse dorp Monte Maíz worden niet alleen blootgesteld aan glyfosaat. De sojaboeren daar gebruiken ook insecticiden, misschien zijn die en niet glyfosaat schadelijk voor de afwijkingen en ziekten.

    Daarom is het nu de hoogste tijd om de strijd tussen de wetenschappers eens te belichten – en als eerste naar Lyon te rijden, naar een kantoortoren die ver uitsteekt boven de andere gebouwen in het zuidoosten van de Franse stad. Beneden, bij de hoofdingang, hangt een bordje: IARC. International Agency for Research on Cancer. Het Instituut voor Kankeronderzoek van de WHO.

    © Giorgio Cravero
    © Giorgio Cravero

    Op de vijfde verdieping werkt de Amerikaanse Kathryn Guyton, hoofd toxicologie van het IARC. Op haar bureau ligt het 92 pagina’s tellende rapport over glyfosaat, waaraan 17 wetenschappers uit 11 landen hun medewerking hebben verleend. Het team stond onder haar leiding. Drie uur lang zal ze uit de doeken doen hoe de kankeronderzoekers steeds meer tot het oordeel kwamen dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is.

    Het IARC heeft sinds begin jaren zeventig tegen de duizend chemicaliën, levens- en genotsmiddelen en milieufactoren zoals uv-straling en fijnstof onderzocht. Telkens werd dezelfde procedure gehanteerd. Ook bij glyfosaat. ‘We maken geen uitzonderingen,’ zegt Guyton.

    Voor hun beoordeling hebben de wetenschappers van het IARC alle onderzoeken naar glyfosaat bestudeerd die tot nog toe in vaktijdschriften zijn gepubliceerd. Zoals epidemiologische onderzoeken, die een relatie leggen tussen bepaalde ziekten en mogelijke invloeden. Volgens Guyton bleek uit drie onderzoeken dat boeren en landarbeiders die aan het pesticide blootgesteld waren geweest een licht verhoogd risico hadden om kanker aan het lymfestelsel te krijgen, het zogenaamde non-Hodgkinlymfoom. In dit geval beoordeelden de IARC-onderzoekers de relatie tussen oorzaak – glyfosaat – en effect – kanker – slechts als ‘aannemelijk’ en niet als ‘vaststaand’. Maar, zegt Kathryn Guyton erbij, ‘we zien sterke, gezonde mannen die het land opgaan en vervolgens kanker krijgen’. Het risico voor ouderen, zieken en kinderen zou veel groter kunnen zijn. Die bevolkingsgroepen zou je bij de beoordeling in het achterhoofd moeten houden.

    Er zijn ook gegevens uit Colombia. Daar heeft de regering herhaaldelijk glyfosaat laten gebruiken om op grote schaal cocaïneplantages te vernietigen. Uit onderzoek onder bewoners van de betreffende gebieden kwamen veranderingen in de erfmassa van hun bloedcellen aan het licht. Dergelijke schade kan ertoe leiden dat een cel zich ongecontroleerd gaat delen – en er uiteindelijk een tumor ontstaat.

    P = 0,001

    Een andere aanwijzing zijn de dierproeven. Kathryn Guyton slaat de betreffende pagina van het rapport op. In een langdurig experiment waarbij muizen voer met glyfosaat kregen, ontwikkelden de mannetjes een niertumor. Kathryn Guyton omcirkelt een afkorting aan het eind van het onderzoek: P = 0,001. P staat voor probability, waarschijnlijkheid, 0,001 betekent dat de kans dat de groei van de tumoren niet door glyfosaat is veroorzaakt 1 op 1000 is. Hoe de onderzoekers dat weten? Net als mensen krijgen ook muizen vaker kanker naarmate ze ouder worden. Maar de geconstateerde niertumor is bij muizen zo zeldzaam dat hij naar alle waarschijnlijkheid alleen maar door glyfosaat kan zijn veroorzaakt. Bij een ander experiment ontwikkelden muizen die glyfosaat kregen toegediend eveneens een kwaadaardige, ongebruikelijke tumor, dit keer in het bindweefsel. Twee onderzoeken die onafhankelijk van elkaar een relatie tussen glyfosaat en de vorming van tumoren aantonen: volgens de criteria van het IARC ten aanzien van dierproeven is daarmee de carcinogeniteit van een stof voldoende bewezen.

    Vandaar ook het oordeel van het IARC: ‘Waarschijnlijk kankerverwekkend.’

    De vraag is nu hoe het mogelijk is dat het Bundesinstitut für Risikobewertung, kortweg BfR, en de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid, kortweg EFSA, tot een heel andere conclusie komen.

    Allereerst moet worden opgemerkt dat de EFSA in haar oordeel vrijwel volledig is afgegaan op een rapport van het BfR. Het oordeel werd dus geveld door het Duitse instituut in Berlijn.

    Wanneer we echter de voorlichtingsdienst van het BfR bellen met het verzoek om een gesprek, wordt dat geweigerd. Het BfR verwijst ons naar de rubriek ‘vragen en antwoorden over de beoordeling van gezondheidsrisico’s van glyfosaat’ op zijn website. Daar heeft het BfR de conclusies van zijn rapport samengevat.

    Nadat de EFSA in november haar beoordeling van glyfosaat had afgegeven, twitterde Fraley: “Science wins!” Dat het vooral zijn eigen onderzoeken waren waarop hij zich daarmee beriep, zei hij niet

    Dat rapport over de mogelijke giftige uitwerking van glyfosaat is maar liefst 947 pagina’s lang. Op het eerste gezicht wekt het de indruk van een enorme zorgvuldigheid, maar bij nadere inspectie blijkt dat het BfR het rapport helemaal niet zelf heeft opgesteld. Dat is het werk van de Glyphosate Task Force, de werkgroep glyfosaat. Dat klinkt op zijn beurt als een interdisciplinair gremium, maar ook dat is een misvatting. Het Glyphosate Task Force is een samenwerkingsverband van de fabrikanten van gewasbeschermingsmiddelen, of beter gezegd de ondernemingen die verzocht hebben glyfosaat binnen de EU te mogen verkopen.

    Het 947 pagina’s tellende rapport bestaat in essentie uit samenvattingen van onderzoeken naar de effecten van glyfosaat op de gezondheid waarvoor de ondernemingen zelf opdracht hebben gegeven.

    Nu hoeven onderzoeken naar pesticide die door fabrikanten van pesticide zijn gefinancierd niet per definitie onbetrouwbaar te zijn. Je zou je alleen graag zelf een beeld ervan willen vormen. Maar dat is vrijwel niet mogelijk, want de onderzoeken zijn nooit openbaar gemaakt. En veel gegevens erover – opstellers, uitvoerend laboratorium – zijn in het rapport van het BfR zelfs zwart gemaakt.

    Wel heel goed leesbaar is de conclusie: niet kankerverwekkend.

    Tegen deze achtergrond krijgt een uitspraak van Robert Fraley, de plaatsvervangend bestuursvoorzitter van Monsanto, een heel eigen betekenis. Nadat de EFSA in november haar beoordeling van glyfosaat had afgegeven, die grotendeels berustte op de onderzoeken van de fabrikant, twitterde Fraley: ‘Science wins!’ De wetenschap heeft gewonnen! Dat het vooral zijn eigen onderzoeken waren waarop hij zich daarmee beriep, zei hij niet.

    hh 45596603

    Het glyfosaatrapport van de Task Force dat het BfR overnam, was al voor het oordeel van het Instituut voor Kankeronderzoek verschenen. Toen het IARC tot de conclusie was gekomen dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ was, voegde het BfR een addendum toe, een aanvulling op het oorspronkelijke rapport. Hierin ging het BfR ook uitvoeriger in op onderzoeken die niet door de industrie gefinancierd waren en die het in de wetenschap gebruikelijke publicatieproces hadden doorlopen. Ze waren door vakmensen beoordeeld en publicatiewaardig bevonden. Het waren de onderzoeken waarop het oordeel van de IARC berust. De epidemiologische onderzoeken waaruit de wetenschappers rond Kathryn Guyton een ‘aannemelijke’ relatie tussen glyfosaat en het ontstaan van kanker bij mensen afleiden, dicht het BfR slechts ‘geringe bewijskracht’ toe.

    Wat betreft de twee experimenten met muizen, die volgens de IARC-onderzoekers het kankerpotentieel van glyfosaat aantonen, is het BfR van mening dat de tumoren niet zijn terug te voeren op het glyfosaat. Als motivatie haalt het BfR andere experimenten aan waarbij muizen zonder toediening van glyfosaat vergelijkbare tumoren ontwikkelden. Maar die experimenten vonden niet in een vergelijkbaar tijdsbestek, niet met dezelfde muizensoort en niet in hetzelfde laboratorium plaats. De argumentatie van het BfR druist daarmee in tegen wetenschappelijke richtlijnen. En juist op deze argumentatie berust het nog altijd geldende oordeel van het BfR: ‘niet kankerverwekkend’, wat de EFSA met ‘waarschijnlijk niet kankerverwekkend’ ietwat voorzichtiger formuleerde.

    Je zou graag van de medewerkers van het BfR willen weten waarom ze een deel van de onderzoeken nauwelijks bewijskrachtig vinden en het andere deel met behulp van een twijfelachtige argumentatie verwerpen. Maar ondanks een nieuwe poging weigert het BfR commentaar te geven op het thema glyfosaat.

    De wind

    Afgelopen week kwam het tot protest. Er werd een open brief aan de pers gestuurd. De geadresseerde: Eurocommissaris Vytenis Andriukaitis van Gezondheid en Voedselveiligheid. De afzender: 96 wetenschappers, onder wie epidemiologen, toxicologen, moleculair biologen en statistici van centra voor kankeronderzoek en universiteiten in vijfentwintig landen. De boodschap: de aanpak van de Europese autoriteiten met betrekking tot glyfosaat is ‘wetenschappelijk onacceptabel’; de beoordeling wordt niet gedekt door de beschikbare gegevens en is bovendien niet op een transparante manier tot stand gekomen.

    Er valt niet zoveel in te brengen tegen de mening van deze wetenschappers. En daarom valt er ook niet zoveel in te brengen tegen het oordeel van het IARC dat glyfosaat waarschijnlijk kankerverwekkend is. Is het verhaal van het gevaarlijke, giftige glyfosaat dan inderdaad waar?

    Laten we nog eens goed kijken naar wat het IARC precies doet. De kankeronderzoekers van het instituut houden zich alleen maar bezig met de vraag of een bepaalde stof in staat is kanker te verwekken. Ook als ze die vraag met ‘waarschijnlijk wel’ beantwoorden, zoals in het geval van glyfosaat, wordt daarmee nog niets gezegd over de waarschijnlijkheid dat de ziekte daadwerkelijk optreedt. Hoe hoog het risico is, hangt vooral af van hoe sterk en hoe lang iemand blootgesteld is aan de betreffende stof en hoeveel hij ervan binnenkrijgt.

    Zo nemen de mensen in het Argentijnse dorp Monte Maíz het pesticide niet alleen tot zich via voedingsmiddelen. De sojaboeren besproeien hun velden vanuit vliegtuigjes, keer op keer. De wind voert de gifwolken naar de dorpen, de bewoners ademen met de lucht ook het pesticide in. Aangenomen mag worden dat ze veel meer glyfosaat binnenkrijgen dan een Duitser die ’s ochtends een of twee broodjes van conventioneel geproduceerd meel eet. Enkele weken geleden heeft het IARC ook voor heel iets anders de beoordeling ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ afgegeven: rood vlees. Ook varkenslapjes, runderbraadworsten en kookham hebben vanuit wetenschappelijk oogpunt het potentieel om tumoren te veroorzaken. Maar de deskundigen zijn het erover eens dat iemand bij beperkte consumptie geen groot risico loopt daadwerkelijk ziek te worden.


    Zelfs IARC-onderzoekster Kathryn Guyton, die van mening is dat glyfosaat waarschijnlijk kankerverwekkend is, schat het daadwerkelijke bedreigingspotentieel van het pesticide laag in. Zo bekeken zou je het middel niet per se hoeven verbieden, zoals ook de consumptie van rood vlees geoorloofd blijft. De classificatie door het IARC hoeft niet noodzakelijkerwijs het einde van glyfosaat in Europa te betekenen. Het zou mogelijk volstaan om bindende grenswaarden vast te stellen.

    Wonderlijk genoeg zijn die er al. Hoewel het BfR van mening is dat glyfosaat niet in staat is kanker te verwekken, beschouwt men het middel niet als volkomen ongevaarlijk. Mogelijk veroorzaakt het andere ziekten. Daarom zijn er maximale waarden gedefinieerd – maar op basis van niet altijd even logische criteria. Zo mag een kilo tarwe met tien milligram glyfosaat zijn belast, maar een kilo rijst met slechts een honderdste van die hoeveelheid. Dat verschil kan ermee te maken hebben dat er in Europa niet zo veel rijstboeren, maar wel heel veel tarwevelden zijn. En sommige boeren besproeien de halmen nog vlak voor de oogst met glyfosaat. Ze doden de gewassen om ze sneller te kunnen verwerken.

    Toch zou je de grenswaarden opnieuw kunnen vaststellen en daarbij ook rekening houden met het gevaar van kanker.

    Dat zou een oplossing kunnen zijn. Als de EU-verordening 1107/2009 er niet al was.

    Deze verordening regelt de beschikbaarstelling van gewassenbeschermingsmiddelen. Volgens de verordening mag een stof alleen worden toegelaten als hij niet in de categorieën ‘bekendstaand als kankerverwekkend’ of ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ valt. Als bewijs volstaan volgens EU-verordening 1272/2008 twee onderzoeken met dierproeven die onafhankelijk van elkaar een oorzakelijk verband tussen een bepaalde stof en een verhoogde tumorfrequentie aantonen.

    En dat is nu precies het geval bij glyfosaat, namelijk de twee experimenten met muizen.

    Wel of niet verdedigbaar

    De gedachte achter deze strenge bepaling is dat de individuele consument zelf kan bepalen hoeveel rood vlees hij eet, hoeveel alcohol hij drinkt en hoeveel sigaretten hij rookt. Maar bij een gewassenbeschermingsmiddel als glyfosaat ligt dat anders. Behalve mensen die uitsluitend biologische producten tot zich nemen, kan niemand bij benadering overzien welke hoeveelheid pesticide hij of zij binnenkrijgt.

    Omdat de Europese Commissie moeilijk EU-verordeningen naast zich neer kan leggen, heeft ze de keuze uit slechts twee mogelijkheden. Of de Commissie beweert dat de beoordelingen van het BfR en de EFSA wetenschappelijk verdedigbaar zijn en glyfosaat dus onschadelijk is, of ze trekt de toelating van het pesticide in en ontneemt de conventionele landbouw daarmee een van haar belangrijkste productiemiddelen.

    Auteur: Anke Sparmann
    Vertaler: Pieter Streutker

    Beeld bovenaan: © Giorgio Cravero

    Achter het verhaal

    Centrale vragen: Is glyfosaat daadwerkelijk kankerverwekkend? Hoe komen de wetenschappers tot hun conclusies?

    Duur van het onderzoek: Twee maanden.

    Uitgangspunt: Onze verslaggeefster stuitte op internet op een seminar van de Landwirtschaftskammer, met als thema ‘Glyfosaat – heeft het invloed op de gezondheid van dieren?’ De organisator verwees Anke Sparmann naar dierenarts Achim Gerlach. Toen ze hem vroeg of hij boeren kende van wie dieren mogelijk ziek waren geworden door het eten van voer met glyfosaat, kwam hij meteen met een heel rij namen. De raadselachtige vergiftigingen zijn een wijdverbreid fenomeen, aldus Gerlach.
    Voor dit artikel heeft Die Zeit contact gezocht met tal van kankerexperts, toxicologen en ambtenaren van federale instanties en ministeries. De meesten wilden niet met naam en toenaam worden geciteerd, maar waren alleen bereid tot achtergrondgesprekken. De meest gebruikte zin tijdens deze gesprekken was ‘ik benijd niemand die in de kwestie glyfosaat een besluit moet nemen’, of iets soortgelijks.

    Melkveehouder Sven Krey uit Sleeswijk-Holstein heeft een besluit genomen. Hij gebruikt geen overzees voer meer. Zijn koeien zullen geen glyfosaat meer binnenkrijgen.
    Krey verbouwt nu zelf eiwitrijk veevoer, zoals erwten en bonen. Geen grammetje gensoja komt er bij hem nog de stal in, zegt hij. De boer staat tussen zijn koeien, waarvan enkele er eng mager uitzien. Krey ziet echter tekenen van herstel. Hij wijst naar een vrijwel wit dier. ‘Vroeger was die koe nauwelijks te zien in het donker, zo grauw en dof was het vel. Nu glanst ze weer.’ En hij voegt eraan toe dat hij weer trots is om boer te zijn.

    Die Zeit
    Duitsland | dagblad | oplage 540.000

    Het is opvallend dat in de Britse bezettingszone in Duitsland al in 1946 twee weekbladen werden opgericht, beide in Hamburg, die van grote politieke en culturele invloed zijn geweest in het naoorlogse Duitsland en nog altijd een florerend bestaan leiden: Der Spiegel en Die Zeit.

    Het laatste blad heeft in deze tijd de charme van het formaat: nog altijd broadsheet. En nog een opvallend trekje: jarenlang werd het blad geleid door een vrouw, telg uit een adellijk Pruisisch geslacht: gravin Marion Dönhoff, vrijwel sinds de oprichting bij het blad betrokken, hoofdredacteur van 1968 tot 1972 en tot aan haar dood in 2002 uitgever. Die laatste functie vervulde zij vanaf 1983 samen met oud-bondskanselier Helmuth Schmidt (die ook tot aan zijn dood in 2015 aanbleef ). Die Zeit heeft vanaf de oprichting een liberale koers gevaren, met soms een lichtelijk rechtse, maar vaker een wat linkse inslag. Het blad heeft de laatste jaren een oplage van een half miljoen exemplaren.

  • 8. Mirakel in de maak: wonderrijst

    8. Mirakel in de maak: wonderrijst

    Rijst is het gewas dat voorziet in meer dan de helft van de dagelijkse voedselbehoefte in Azië.

    In het licht van de verwachting van verdere bevolkingsgroei en klimaatverandering lijken er wonderen nodig om de miljarden Aziaten ook in de toekomst van voedsel te kunnen voorzien. Maar een dergelijk mirakel is in de maak: wonderrijst van het International Rice Research Institute (IRRI), gevestigd in de Filipijnen.

    De variëteit is ontwikkeld vanuit het internationale 3000 Rice Genomes Project, waarin de genetische eigenschappen van 3024 rijstsoorten uit 89 landen zijn vastgelegd. De jongste telg is de Swarna Sub1, bijgenaamd ‘onderwaterrijst’, gezien de resistentie van deze soort voor langdurige zeer natte omstandigheden. Er zijn volgens het IRRI al 5 miljoen boeren in India die deze soort verbouwen en er geweldige successen mee boeken.

    En er ligt nog het een en ander op de plank. De International Rice Genebank bevat meer dan 127.000 rijstvariëteiten waarmee zaadveredelingsbedrijven kunnen experimenteren om de juiste rijstsoort voor een gegeven gebied te ontwikkelen.

    Hoe succesvol de rijsttechnologie is, bewijzen onderzoekers van het Chinese Hunan Hybrid Rice Research Center, die oogstrecord op oogstrecord stapelen: van 700 kilo per mu (driekwart hectare) in het jaar 2000 
tot 800 kilo per mu in 2005 en 1026 kilo in 2015.

    Vertaler: Lambiek Berends

  • Het TPP-akkoord is een farce

    Het TPP-akkoord is een farce

    De Amerikaanse econoom en Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz vindt dat het omstreden Trans Pacific Partnership (TPP) weinig met ‘vrije’ handel te maken heeft.

    Onderhandelaars en ministers van de Verenigde Staten en elf andere landen rond de Grote Oceaan proberen het eens te worden over de laatste details van het veelomvattende nieuwe Trans-Pacific Partnership (TPP). Een nuchtere analyse laat zien dat het met deze grootste handels- en investeringsovereenkomst uit de geschiedenis niet zo eenvoudig ligt als het lijkt.

    Vaak hoor je dat het TPP-verdrag enorm belangrijk is voor de ‘vrijhandel’. Maar in werkelijkheid beoogt het verdrag de handel en investeringen van de deelnemers te sturen, en daarin de belangen te dienen van de machtigste ondernemerslobby’s uit deze landen. Vergis je niet: uit de belangrijkste discussiepunten waar de onderhandelaars nog steeds over ruziën blijkt dat dit alles weinig met ‘vrije’ handel te maken heeft.

    Farmaceutische bedrijven mogen hun monopolies op gepatenteerde medicijnen verlengen, soms zelfs voor onbeperkte tijd

    Nieuw-Zeeland dreigde uit de onderhandelingen te stappen vanwege het handelsbeleid van de Verenigde Staten en Canada inzake zuivelproducten. Australië is niet blij met Amerikaanse en Mexicaanse regelgeving met betrekking tot de handel in suiker. En de Verenigde Staten op hun beurt zijn niet blij met de Japanse regels voor de handel in rijst. In de desbetreffende landen hebben deze industrieën aanzienlijke groepen kiezers achter zich. En dat is nog maar het topje van de ijsberg: het TPP-verdrag staat voor een agenda die vrijhandel juist tegenwerkt.

    Geheimzinnige termen

    Neem om te beginnen de voorgenomen uitbreiding van intellectuele eigendomsrechten voor grote farmaceutische bedrijven, zoals die prominent figureerde in gelekte versies van de ontwerptekst. Uit economisch onderzoek blijkt overduidelijk dat er na de verwerping door het Amerikaans hooggerechtshof van het patent van Myriad op het BRCA-gen een stoot innovatie volgde, met betere tests tegen lagere prijzen als resultaat. In het TPP-verdrag worden juist bepalingen opgenomen die eerlijke competitie tegengaan en zo de prijzen voor consumenten in de Verenigde Staten en elders in de wereld opdrijven – het tegenovergestelde van vrijhandel dus.

    In het TPP-akkoord zal veranderde regelgeving worden vastgelegd voor de handel in medicijnen, gevat in geheimzinnige termen als ‘patentkoppeling’, ‘data-exclusiviteit’ en ‘biologica’. Daar profiteren farmaceutische bedrijven van, doordat zij hun monopolies op gepatenteerde medicijnen mogen verlengen, soms zelfs voor onbeperkte tijd. Ook kunnen zij de verkoop van goedkope generieke medicijnen, en die van andere met een ‘biologisch vergelijkbare’ werking, blokkeren. De Verenigde Staten zullen het TPP-akkoord aangrijpen om de medicijnhandel ten gunste van hun farmaceutische industrie te reguleren.

    Ook voor de tabaksindustrie proberen de Verenigde Staten via het TPP-akkoord gunstige handelsvoorwaarden af te dwingen. Jarenlang hebben Amerikaanse tabaksproducenten arbitrageregelingen voor buitenlandse investeerders, overeengekomen binnen akkoorden als TPP, gebruikt om antirookwetgeving te omzeilen. Deze vorm van Investor-State Dispute Settlement (ISDS, beslechting van conflicten tussen investeerders en staten) geeft buitenlandse investeerders het recht om nationale overheden aan te klagen en aan bindende private arbitrage te onderwerpen, zodra regelgeving in hun ogen het verwachte rendement op investeringen verlaagt.

    Multinationale ondernemingen noemen ISDS noodzakelijk om hun eigendomsrechten te beschermen in landen zonder solide wetgeving of een betrouwbaar rechtssysteem. Maar dat is flauwekul. De Verenigde Staten willen hetzelfde mechanisme benutten voor een vergelijkbare megadeal met de Europese Unie: het Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP), ook al staat de kwaliteit van het Europese rechtssysteem buiten kijf.

    Uiteraard verdienen investeerders – waar ze ook komen – bescherming tegen onteigening of discriminerende regelgeving. Maar ISDS gaat veel verder: ook als de regelgeving niet discriminatoir is, ja zelfs als er winst wordt gemaakt met schadelijke praktijken, kan een verplichte compensatie van investeerders worden afgedwongen als hun verwachte rendement lager uitvalt.

    Rechtszaken

    Philip Morris voert momenteel rechtszaken tegen Australië en Uruguay (geen TPP-partner), omdat deze landen gezondheidswaarschuwingen op sigaretten verplicht hebben gesteld. Een paar jaar geleden besloot Canada van verplichte gezondheidswaarschuwingen af te zien nadat er met soortgelijke juridische stappen was gedreigd.

    Er ligt een sluier van geheimzinnigheid over de TPP-onderhandelingen en het is nog onduidelijk of er bij de toepassing van ISDS voor tabak een uitzondering zal worden gemaakt. Maar los daarvan, deze bepaling belemmert nationale overheden bij hun fundamentele taak de gezondheid en veiligheid van burgers te beschermen, economische stabiliteit te waarborgen en het milieu te beschermen.

    Stel je voor wat er zou zijn gebeurd als deze bepalingen hadden gegolden net nadat de dodelijke effecten van asbest waren ontdekt. In plaats van de productie onmiddellijk te staken en de slachtoffers te compenseren, had de overheid producenten dan moeten betalen om hun burgers niet te doden. Belastingbetalers zouden er dubbel voor zijn opgedraaid: eerst voor de geleden gezondheidsschade als gevolg van asbest en daarna nog een keer voor de compensatie van de lagere winst van asbestfabrikanten na een verbod van de overheid op een levensgevaarlijk product.

    Het is niet verwonderlijk dat Amerika met internationale verdragen handelsbelemmeringen opwerpt in plaats van vrijhandel te stimuleren. Dat is wat er gebeurt als alle partijen behalve het bedrijfsleven buiten beleidsbeslissingen worden gehouden – niet in de laatste plaats onze gekozen volksvertegenwoordigers in het Congres.

    Auteurs: Joseph E. Stiglitz en Adam S. Hersh
    Vertaald door: Valentijn van Dijk

    Stiglitz is een Amerikaans econoom, auteur en in 2001 winnaar van de Prijs van de Zweedse Rijksbank voor economie. Hij is met name bekend om zijn kritische standpunten over globalisering en over internationale organisaties als het Internationaal Monetair Fonds.

    Project Syndicate
    Tsjechië, www.projectsyndicate.com
    Nonprofitorganisatie van verschillende kranten die commentaar en analyses bieden op het gebied van economie, internationale politiek, wetenschap en cultuur. Aan de artikelen zijn vaak grote namen verbonden van experts, activisten, Nobelprijswinnaars, politiek of zakelijk leiders, enzovoort. Het syndicaat bestaat momenteel uit bijna 450 kranten in 150 countries, met een totaaloplage van 50 miljoen.

  • 1. Hoe Dolores in Uschi veranderde

    1. Hoe Dolores in Uschi veranderde

    De serie Seinfeld is in Amerika immens populair. NBC bood Jerry Seinfeld 5 miljoen per aflevering om door te gaan toen hij besloot te stoppen. Maar in Europa werd de sitcom nooit echt een hit. Is de humor te verfijnd, te Amerikaans? Of zijn de woordgrappen gewoon te moeilijk te vertalen?

    Zoals veel van Jerry’s vriendinnen in Seinfeld was Dolores een typische tv-schoonheid: glanzend roodblond haar, grote blauwe ogen, volle lippen en onbetaalbare jukbeenderen. Jerry’s vriendinnen waren bijna altijd een aanleiding voor grappen over de valkuilen van het daten en Jerry’s egoïsme, en dat is bij Dolores niet anders: Jerry wil graag met haar naar bed, maar heeft verzuimd om bij hun ontmoeting te vragen hoe ze heet. En als ze eenmaal aan het daten zijn, durft hij niet meer te bekennen dat hij haar naam niet weet. Hij zoekt stiekem in haar handtas naar een legitimatiebewijs, maar dat levert niets op. Hij vraagt zijn vrienden om zich aan haar voor te stellen, in de hoop dat zij zich vervolgens ook aan hen voorstelt: doet ze niet. Hij heeft maar één aanwijzing: ze heeft hem verteld dat ze als kind met haar naam werd gepest. ‘Maar ja, dat kun je verwachten als je naam rijmt op een vrouwelijk lichaamsdeel.’ Jerry, George en Kramer breken zich alle drie het hoofd over dat raadsel: Celeste? Aretha? Bovary? Mulva? [Rijmt op respectievelijk breast, urethra, ovary en vulva] Pas als ze doorkrijgt dat Jerry haar naam niet weet en ze hem verontwaardigd de bons geeft, schiet het hem ineens te binnen: Dolores!

    In die op 18 maart 1993 uitgezonden aflevering liep Dolores voorgoed Jerry’s leven uit. Maar twee jaar later kwam ze Sabine Sebastian het leven zuur maken: Sebastian moest voor alle 180 afleveringen de Duitse nasynchronisatievertaling verzorgen. En de taak om een van de grappigste sitcoms die ze kende voor haar landgenoten toegankelijk te maken, bezorgde haar heel wat hoofdbrekens: vanwege al die grappen die berusten op woordspelingen, typisch Amerikaanse gebruiken of verwijzingen naar de joodse geschiedenis. De eerste twee aspecten noopten haar om in de vertaling grote vrijheden te nemen, en het laatste was een constante bron van onenigheid tussen haar en de redacteur.

    Dolores was een van de grootste opgaven waarvoor Sabine zich gesteld zag. Er is in het Duits geen vrouwelijk lichaamsdeel dat op Dolores rijmt, en met een fantasienaam help je de grap om zeep. Dat Jerry’s vrienden de maffe suggestie ‘Bovary’ aandragen, wil nog niet zeggen dat ook Sabine zomaar iets kon verzinnen. Dat zijn zo de dagelijkse dilemma’s in het leven van de Seinfeld -vertaler. En dit was een van de lastigste.

    Een programma over niks

    Seinfeld is minder aansprekend voor een internationaal publiek dan de gemiddelde Amerikaanse sitcom. In Latijns-Amerika is de serie wel populair, maar in Duitsland, Frankrijk, Italië en Nederland is het nooit een grote hit geworden. Twintig jaar nadat de serie is gestopt, groeit het Amerikaanse publiek er nog steeds mee op, omdat de herhalingen niet van de buis te slaan zijn. In Europa is het meer een cultserie die alleen in de nachtelijke uurtjes te zien is. De humor van Seinfeld is blijkbaar te verfijnd, te Amerikaans en te veel op taalspelletjes gericht om makkelijk vertaalbaar te zijn. Nu de serie vanaf deze zomer ook gestreamd wordt, krijgt ze een tweede kans op een internationale doorbraak. Maar het is veelzeggend dat ze wordt gestreamd door Hulu, en niet door Netflix: Netflix is al in tientallen landen ter wereld actief, Hulu is alleen beschikbaar in de VS en Japan.

    Niets is zo moeilijk naar andere talen en culturen te vertalen als een grap. Een goed nasynchronisatiescript voor een Amerikaanse sitcom is meer dan een letterlijke vertaling. Het script moet dezelfde betekenis, hetzelfde gevoel, hetzelfde verhaal overbrengen – de hersenen van de kijker zo prikkelen dat die erom moet lachen, ook al zijn die hersenen in een heel andere cultuur gemarineerd. En de humor van Seinfeld is zo uniek dat de vertaalproblemen nog groter zijn dan normaal. Aan de Radboud Universiteit is een onderzoek naar kijkersreacties uitgevoerd waaruit bleek dat Nederlandse kijkers van Seinfeld niet altijd meelachten met de lachband. Vaak hadden ze de grap niet door. En kijkers die wel meelachten, vertelden onderzoekster Elke van Cassel soms dat het alleen kwam doordat de personages hen deden denken aan Amerikanen die ze kenden.

    Kramer (Michael Richards), George (Jason Alexander), Elaine (Julia Louis-Dreyfus) en Jerry (Jerry Seinfeld).
    Kramer (Michael Richards), George (Jason Alexander), Elaine (Julia Louis-Dreyfus) en Jerry (Jerry Seinfeld).

    Seinfeld was eigenlijk, zoals de personages zelf ook zeiden, ‘een programma over niks’: over vier egocentrische New Yorkers die eindeloos doordrammen over alledaagse irritaties en de do’s en don’ts van de sociale omgang. Mag je een huurmoordenaar inschakelen om van de irritante hond van een buurman af te komen? Heeft die vrouw neptieten of niet? Hoelang houd je het vol om niet te masturberen? En wedden dat het je niet lukt?

    Toen NBC in 1989 de eerste afleveringen uitzond, leek het typisch iets waar je van moest houden. Een serie die was voorbestemd om hoogstens een culthit te worden, zonder de simpele, direct begrijpelijke humor van The Cosby Show, Roseanne of Cheers, de populairste sitcoms van dat moment. De humor van Seinfeld berustte vooral op subtiel woordspel, seksuele toespelingen die altijd impliciet blijven (zo spreken de personages niet over onthouding van masturbatie maar over ‘meester van je domein’ blijven) en de ontleding van de omgangsvormen van een heel specifieke groep New Yorkers: onsympathieke New Yorkers.

    Maar de serie waarvan NBC in 1989 nog weinig verwachtte, ontpopte zich in de jaren negentig tot een onwaarschijnlijk groot succes, mede doordat ze de narcistische, op consumptie gerichte tijdgeest zo goed weergaf. Het succes duurde negen jaar, toen zette Jerry Seinfeld er zelf een punt achter (hoewel NBC hem 5 miljoen dollar per aflevering had geboden om nog een seizoen door te gaan). De vier hoofdpersonen werden een begrip: Jerry de pietlut (Jerry Seinfeld), George de kluns (Jason Alexander), Kramer de clown (Michael Richards) en Elaine de wijsneus (Julia Louis-Dreyfus). In het laatste seizoen piekten de kijkcijfers met 38 miljoen kijkers per aflevering. De grote finale, waar in 1998 reikhalzend naar werd uitgezien, was een van de meest bekeken en meest becommentarieerde tv-programma’s van de afgelopen twintig jaar.


    Zelfs naaste rivaal Friends – waarvan het idee volgens Larry David en Jerry Seinfeld van hen was ‘gejat’ – had niet dat wat Seinfeld uniek maakt. Ja, het zijn allebei series over een groepje jonge vrijgezellen in New York. Maar waar Friends altijd een traditionele structuur met een hoofd- en een subplot heeft, beschrijft het verhaal in Seinfeld doorgaans een bizarre slalom, om dan aan het eind allerlei schijnbaar ongerelateerde elementen weer bij elkaar te brengen in een bijna choreografische ontknoping. En de feelgoodsfeer die bij Friends toch wordt nagestreefd, werd in Seinfeld gemeden als de pest. Daarmee was het een van die zeldzame programma’s die zowel vernieuwend als immens populair zijn. Toen het aan het buitenland werd doorverkocht, leek het dan ook een kwestie van tijd voordat het de wereld zou veroveren. Want wat Amerika doet, dat doet de hele wereld na. Zo is het toch?

    Sabine Sebastian hoopte van wel. Sebastian, een hartelijke vrouw die lijkt op Emma Thompson, werkt als regisseur, scriptschrijver en soms als stemacteur in de Duitse nasynchronisatie. Ze ontsluit Amerikaanse films en tv-series voor haar landgenoten en kent de valkuilen van een letterlijke vertaling, zeker bij sitcoms. Sommige taalgrappen zijn makkelijk over te zetten: als Elaine op zoek is naar een spongeworthy minnaar, klinkt het Duitse schwämmchen-würdig net zo komisch. Maar het is niet altijd zo simpel. Het Canadese vertaalbureau LingoStar noemt als voorbeeld een grap uit Friends waarin Monica iemand met een gigantische verlovingsring ziet en grapt: ‘Lieve hemel, je kunt niet eens meer zien waar de Titanic hem heeft geraakt.’ In de vertaling werd dat: ‘Jeetje, het is een ijsberg.’

    Het vertalen van één aflevering van 22 minuten kostte drie werkdagen, 18 uur in totaal

    Sebastian deed veel werk voor Brandtfilm, een Berlijns bedrijf dat de nasynchronisatie van Amerikaanse sitcoms als M*A*S*H en The Odd Couple verzorgde. In 1995 vroegen ze haar de regie te doen voor hun nieuwste project, Seinfeld. Sebastian was helemaal weg van die serie. Ze vond het sarcasme in de eerste aflevering al meteen erg leuk, en genoot steeds meer naarmate de humor verfijnder werd en de serie ook zichzelf op de hak ging nemen, met als toppunt de afleveringen waarin de personages een eigen sitcom ontwikkelen, Jerry getiteld. Ze voelde zich een geluksvogel dat ze deze klus had gekregen en wist dat Brandtfilm ook bofte met haar: het resultaat wordt altijd beter als de vertaler een fan is. Sebastian wilde haar landgenoten dolgraag leren Seinfeld te waarderen.

    Met haar acteurs en vertalers werkte ze zich door de vijf seizoenen heen die in Amerika al waren uitgezonden. Ze zouden eerst die achterstallige seizoenen opnemen, en vervolgens iedere zomer de jaargang die het voorbije seizoen in Amerika was uitgezonden. Maar het liep al snel spaak, vertelde ze me later. Ze was niet blij met de scripts van de Duitse dialoogvertalers. Hun vertalingen waren te letterlijk. Een kleine woordnuance kan soms veel verschil maken, dus bracht ze tijdens de opnamen veel veranderingen aan. Toen ze eenmaal bij het achtste seizoen waren aanbeland, besloot ze alles zelf te vertalen. Ook haar cast droeg een steentje bij: Oliver Feld als Jerry, Traudel Haas als Elaine, Detlef Bierstedt als George en Klaus-Dieter Klebsch als Kramer. Als zij een zinnetje niet grappig genoeg vonden, maakten ze er zelf iets beters van. De acteurs vormden een hechte club, net als hun Amerikaanse tegenhangers. (Jaren later hernamen ze allemaal hun rol voor de nasynchronisatie van Curb Your Enthusiasm, waarin de cast van Seinfeld ook weer opduikt.)

    Naarmate de acteurs beter op elkaar ingespeeld raakten, kwamen ze steeds vaker met suggesties voor verbeteringen. Sebastian nam vaak hele scènes mee naar huis om ze ’s avonds verder bij te schaven. Aan Dolores had ze natuurlijk een hele kluif, maar uiteindelijk vond ze een oplossing die in het Duits volkomen natuurlijk klinkt: van Dolores (wat in het Engels rijmt op clitoris) maakte ze Uschi (wat rijmt op muschi, een vulgair woord voor vagina). Uschi, kort voor Ursula, is een vrij gangbare Duitse naam. Past perfect.

    Lipsynchroon

    Niet alle Amerikaanse tv-series in het buitenland worden nagesynchroniseerd. Soms worden ze ondertiteld, en soms gebeurt het allebei: dan kunnen de zenders kiezen welke van de twee vertaalde versies ze uitzenden. Volgens het Israëlische vertaalbureau Trans-That kiezen landen als Frankrijk, Duitsland, Italië en Spanje eerder voor het duurdere nasynchroniseren, terwijl kleinere landen als België, Zwitserland en Nederland de voorkeur geven aan ondertitels. In de nasynchronisatielanden heeft die techniek vaak een lange geschiedenis, die teruggaat tot de begindagen van de filmindustrie. In de jaren dertig, toen in Europa veel Amerikaanse films werden vertoond, hing de groeiende voorkeur voor nasynchronisatie samen met de nationalistische wens om de eigen taal en culturele identiteit te beschermen. Nasynchronisatie werd in die landen een hele industrie. Tegenwoordig heb je stemacteurs die zich in bepaalde Amerikaanse sterren specialiseren, zodat het publiek bij een Tom Cruise-film automatisch ook de stem van die ene stemacteur verwacht.

    Behalve in specifieke genres, zoals anime, krijgen Amerikaanse kijkers eigenlijk nooit nagesynchroniseerde programma’s voorgeschoteld. Ten eerste kijken Amerikanen vooral naar Amerikaanse media. En daarbij heeft nasynchronisatie toch altijd iets lomps wat Amerikanen tegenstaat. Nasynchronisatie en ondertiteling hebben ieder zo hun voor- en nadelen. Bij nasynchronisatie heb je meer vrijheid om de vertaling toe te snijden op de cultuur van de doelgroep. Bij ondertitels krijgt de kijker de oorspronkelijke stemmen mee, en daardoor ook alles wat die aan buitentalige informatie overbrengen. Sommige kijkers lezen graag ondertitels, anderen hebben er een bloedhekel aan.

    Maar al biedt nasynchronisatie nog zulke voordelen, het is een helse klus om het lipsynchroon te krijgen. Het probleem is namelijk niet alleen dat een letterlijke vertaling soms niet werkt: de vertaling moet ook precies even lang duren als de oorspronkelijke tekst, en moet zo veel mogelijk bij de zichtbare mondbewegingen van de acteurs passen. Extra lastig wanneer je een bondige taal als het Engels moet vertalen in een breedsprakige taal als het Duits. En omdat Seinfeld zo veel tekst bevatte, was een goede vertaling des te belangrijker.

    Het maken van een nasynchronisatiescript is zo bewerkelijk dat het bijna een wonder lijkt dat Sebastian ook maar één aflevering vertaald kreeg. En ze moest er 180 doen. Met het Amerikaanse script in haar ene hand en een letterlijke Duitse vertaling in haar andere bedacht ze zinnetjes die grappig waren én de mondbewegingen van de acteurs volgden. Vervolgens sprak ze die op haar laptop in terwijl ze de aflevering afspeelde. Soms moest ze één enkele zin wel honderd keer opnieuw afspelen. Eindeloos terugspoelen op de dvd. De hele dag zat ze te kijken en zinnetjes uit te proberen en haar beste vertalingen in de microfoon te brullen. De tekst was bedoeld om te worden uitgesproken, dus met alleen opschrijven kom je er niet. Zin voor zin, woord voor woord probeerde ze Seinfeld op die manier voor de Duitse kijker te ontsluiten. En als ze de aflevering af had, liet ze haar ingesproken tekst uittypen. Omdat sitcoms heel veel dialoog bevatten, kan het vertalen van één aflevering meer werk opleveren dan van een complete actiefilm – en dat gold dubbel en dwars voor Seinfeld. Het grote aantal close-ups, waarin de kijker de mond van de acteur ziet bewegen, vormde een extra complicatie. Het vertalen van één aflevering van 22 minuten kostte drie werkdagen, 18 uur in totaal.

    Misschien is het ook wel een compliment voor Seinfeld dat het zo moeilijk te exporteren valt

    Maar waar het maken van een lipsynchrone tekst vooral een kwestie is van eindeloze inzet en geduld, bleken sommige culturele verwijzingen onoplosbare problemen op te leveren. Vooral verwijzingen naar joodse zaken vormden een uitdaging. ‘De Duitsers hebben een bepaald je-weet-wel met joden,’ legde Sebastian uit. Sommige grappen over dat thema vond haar redacteur te ver gaan. ‘Dat kunnen we beter niet zo zeggen,’ zei die dan. ‘Dat vinden Duitsers misschien krenkend.’ Maar Sebastian was het daar niet mee eens, vertelde ze me: ‘Van mij mogen ze gekrenkt zijn. Zij hebben het gedaan!’ Zij kon Seinfelds ongegeneerde grappen over de joodse geschiedenis wel waarderen. Maar als ze die zonder meer wilde overnemen, moest ze in de clinch met haar redacteur. Een strijd die ze soms verloor. Het stak allemaal heel nauw. Der Suppen-Nazi? Oké, goed. Een bedekte toespeling op een oom die de kampen heeft overleefd? Misschien toch liever niet. Ook een complete aflevering waarin George voor neonazi werd aangezien was een probleem. Evenals verwijzingen naar de tv-serie Holocaust en naar Schindler’s List. Of neem de voice-over van Elaines gedachten in de aflevering ‘The Subway’, als de metro vastzit: ‘We zitten hier opgesloten… Ik krijg geen adem, straks val ik flauw. Rustig aan, hij gaat zo wel weer rijden. Denk aan de mensen in de concentratiekampen, wat die niet allemaal hebben doorstaan.’

    Soms trok Sebastian aan het langste eind en moest de redacteur erkennen dat ze er niet omheen konden. In een van de eerste seizoenen zegt Seinfeld in het stand-upgedeelte dat de nazi’s ‘twee verschillende Hitlergroeten hadden. Je had de standaard Hitlergroet, en daarnaast de nonchalante versie, voor op kantoor.’ Daar konden ze niks anders van maken, want hij onderstreepte zijn woorden door de Hitlergroet te maken.


    Te intelligent

    Toen de door Sebastian vertaalde afleveringen in 1996 eenmaal in Duitsland werden uitgezonden, werd de serie nooit meer dan een klein cultsucces. De Duitse zenderprogrammeurs leken niet goed te weten wat ze ermee aan moesten: eerst werd het om tien voor zeven uitgezonden, toen om kwart voor zes, en uiteindelijk om elf uur ’s avonds. Toen werd de serie geschrapt, om twee jaar later terug te keren, eerst om tien over één ’s nachts, toen een tijdje om zes uur ’s avonds, en daarna weer om kwart voor middernacht. En zoals de Nederlandse wetenschapper Van Cassel schreef, in een artikel over de redenen waarom Seinfeld in Nederland en Duitsland nooit is aangeslagen: die ‘besluiteloosheid leek eerder een gevolg dan een oorzaak van het gebrek aan interesse bij de kijker. Zowel Nederlandse als Duitse zenders hebben minstens één keer geprobeerd Seinfeld op primetime uit te zenden, maar blijkbaar werden de kijkcijfers daar niet beter van.’

    Sebastian denkt niet dat de serie de Duitsers niet aansprak omdat de hoofdpersoon joods is. Maar van de humor ging in de vertaling onvermijdelijk iets verloren, en ze denkt dat de serie ook ‘te intelligent’ was voor het Duitse publiek. Dat houdt niet zo van sitcoms, het kijkt liever naar het ongecompliceerde drama van politieseries als Alarm für Cobra 11 of Der letzte Zeuge en medische actieseries als Medicopter 117. Ook Alf – de David Hasselhoff van de sitcoms – was in Duitsland populairder dan in Amerika. En Who’s the Boss? was er ook een groot succes. Maar sarcasme en de subtiele humor van maffe plots spreekt in Duitsland geen groot publiek aan. Sebastian heeft ook de nasynchronisatie verzorgd voor de wrange Britse comedy Absolutely Fabulous: ook geflopt in Duitsland.

    In Duitsland blijft Seinfeld waarschijnlijk dus alleen in de vroeg uurtjes te zien (om kwart voor vier ’s nachts of kwart voor acht ’s ochtends op de kabelzender TNT Serie). De kijkers die de serie desondanks volgen, zijn fanatiek genoeg om te garanderen dat deze niet helemaal van tv verdwijnt. Op internetfora worden de vertalingen ook uitgebreid met het Engelse origineel vergeleken. ‘Volgens mij was de vertaling de reden dat Seinfeld in Duitsland nooit is aangeslagen,’ reageert Der Olli op het blog van scenarioschrijver Ken Levine. Een andere Duitser neemt het voor de vertaling op en citeert als voorbeeld een slimme vondst: ‘In één aflevering was er een leraar die de achternaam van George Constanza uitsprak als CantStandYa. In de Duitse versie werd dat iets anders, daar noemde hij hem Kotztanzo. Dat is net zo grappig en drukt precies hetzelfde uit (namelijk dat de leraar een hekel aan George heeft en daarom zijn naam zo verbastert).’ Op YouTube-pagina’s met fragmentjes uit het programma zijn de discussies minder diplomatiek. ‘In het Duits vind ik er niks aan,’ schrijft daar iemand, ‘maar in het Engels is Seinfeld mijn favoriete serie.’

    ‘Elke keer als ik iets schrijf, probeer ik _Seinfeld_ te schrijven’

    De moeite die het Sebastian kostte om de serie in Duitsland aan de man te brengen, toont wel aan hoe moeilijk het is om Seinfeld te vertalen. Maar ook in Engeland was het geen groot succes. De serie werd daar op telkens wisselende tijdstippen uitgezonden in de randen van de nacht, en moest vaak wijken voor snooker. Naar het schijnt werd ze alleen door Britse komieken trouw gevolgd.

    In 2012 zei schrijver-acteur David Baddiel in een interview in The Guardian dat Seinfeld in de jaren negentig onder collega’s in comedyclubs vaak onderwerp van gesprek was. Sam Baine, co-auteur van de series Peep Show en Fresh Meat, zegt zijn scripts naar die van Seinfeld te modelleren: gelaagde plots, met die kenmerkende absurde wending die alle losse eindjes toch weer aan elkaar knoopt. Graham Linehan, de schrijver en regisseur van The IT Crowd en Father Ted, noemde Seinfeld in hetzelfde artikel ‘de grappigste tv-serie ter wereld. Elke keer als ik iets schrijf, probeer ik Seinfeld te schrijven.’


    Cultstatus

    Met de globalisering van het tv-aanbod en de toename van het aantal kabelzenders kan ook Seinfeld zijn cultstatus op de internationale markt te gelde maken. Hoewel de serie in Nederland nooit een succes werd, heeft ze inmiddels een trouwe kijkersschare opgebouwd op de Nederlandse tak van Comedy Central. En ook in Frankrijk werd de serie in 2013 na tien jaar voor het eerst weer uitgezonden. De nieuwe comedyzender Enorme TV brengt Seinfeld op woensdagavond met nasynchronisatie en op zaterdag met ondertitels. Woordvoerster Julie Cantin legde me uit dat Seinfeld ‘een publiek vereist dat vertrouwd is met de Amerikaanse cultuur en de stand-uptraditie’. Maar volgens haar valt uit berichtjes in de sociale media af te leiden dat Seinfeld ‘in Frankrijk ook fans heeft’.

    Toch zal Seinfeld in Frankrijk nooit zo’n instituut worden als in de VS. Misschien is het toch niet niks, waar de serie eigenlijk over gaat. Of misschien is het een heel erg Amerikaans soort niks. Dat kan verklaren waarom het vooral op Amerika gerichte Hulu naar verluidt wel 160 miljoen dollar over had voor de streamingrechten, terwijl het internationaal opererende Netflix al snel afhaakte. (Netflix heeft niet op vragen gereageerd.) Internet maakt de wereld kleiner en steeds meer mensen spreken Engels, maar onze populaire cultuur, en vooral de finesses van onze humor, kunnen we alleen met anderen delen als we elkaar ook echt begrijpen. En zelfs als we dezelfde taal spreken, blijken onze grappen soms ‘onvertaalbaar’ te zijn, of gewoon niet aan te slaan.

    Misschien is het ook wel een compliment voor Seinfeld dat het zo moeilijk te exporteren valt. Hoe subtieler en vernieuwender de humor, des te moeilijker die te vertalen is. In veel landen waar Seinfeld nauwelijks aanslaat, zijn conventionelere series als Friends en The Cosby Show al jarenlang een groot succes. De tenenkrommende relatieperikelen van Ross en Rachel zijn in elke taal herkenbaar. Maar Mulva is alleen maar Mulva in het Engels.

    Auteur: Jennifer Armstrong
    Vertaler: Frank Lekens

    Jennifer Armstrong is als auteur en recensent gespecialiseerd in popcultuur.

    The Verge | New York
    VS, theverge.com
    The Verge is een toonaangevende technologiewebsite die zich naar eigen zeggen ‘op het snijpunt tussen technologie, wetenschap, kunst en cultuur’ beweegt. Je vindt er naast nieuwsberichten en diepgravende reportages ook recensies van de nieuwste hightechproducten (tablets, smartphones en software), podcasts en veel videomateriaal. The Verge werd opgericht in 2011 en is in handen van de Amerikaanse mediagroep Vox Media.

  • 2. Mandarijn, my dear Watson

    2. Mandarijn, my dear Watson

    Tweehonderd onbetaalde amateurondertitelaars, zogenaamde Cumberbitches, hebben de Britse serie Sherlock in China toegankelijk gemaakt voor een uitdijend netwerk van miljoenen fans. Een operatie die zich afspeelt langs de marge van de illegaliteit.

    Aan de blik van Benedict Cumberbatch valt moeilijk te ontkomen in het kleine, wat sjofele slaapkamertje van de 26-jarige Cassie in de stad Wuhan, in Centraal-China. De Sherlock -ster kijkt je dromerig aan vanaf het omslag van een nummer van het blad Time dat om esthetische redenen boven Cassies bureautje is blijven hangen.

    Cassie is niet zomaar een Cumberbitch [zelfgekozen bijnaam van de fans van acteur Benedict Cumberbatch]. Ze geeft leiding aan iSherlock, een groep van zo’n tweehonderd onbetaalde amateurondertitelaars die hun leven wijden aan het vertalen van het universum van de tv-serie Sherlock in het Chinees, voor 59.000 volgers op Weibo, de Chinese versie van Twitter.

    69 miljoen Chinezen kijken online naar Sherlock

    ‘De plots van Sherlock zijn intrigerend en de helden zijn aantrekkelijk door hun charisma,’ vertelt Cassie me. ‘Ik heb de oorspronkelijke boeken gelezen, en toen kwam de serie – en ik voelde me meteen aangesproken. Ik heb nog nooit een hoofdpersoon op zo’n manier uiting aan zijn gevoelens zien geven.’ Vorig jaar stonden betrekkelijk kleine groepen van amateurondertitelaars zoals iSherlock nog heel erg in de schaduw van de grotere, invloedrijkere ondertitelingsorganisaties. Maar sinds de Chinese overheid die grote organisaties hard heeft aangepakt wegens schending van het auteursrecht, zijn de kleintjes steeds belangrijker geworden.

    Vorig jaar werd zowel ondertitelingsportal Shooter.cn als YYeTs, een reusachtige organisatie die gebruikmaakte van de diensten van duizenden onbetaalde amateurondertitelaars, gesloten door de nationale toezichthouder op auteursrechten. YYeTs lag in 2013 al onder vuur, en in datzelfde jaar werd een andere groep, Silu HD, opgeheven. Acht leidinggevenden werden gearresteerd.

    © Yuan Liyang
    © Yuan Liyang

    De grote organisaties van Chinese amateurondertitelaars ontstonden aan het begin van deze eeuw, als gevolg van een toenemende belangstelling voor buitenlandse tv-series als Friends. Ze werden voornamelijk opgezet door jonge Chinezen die in het buitenland studeerden. Omdat de centrale regering weinig belang hechtte aan kunst – president Xi Jinping opperde kortgeleden nog dat Chinese kunst in de eerste plaats het socialisme moet dienen – en veel populaire series van de officiële kanalen weerde, werden de ondertitelaars belangrijke doorgeefluiken voor buitenlandse cultuur.

    ‘De overheid verbood een groot aantal series zonder ons specifieke redenen te geven, dus werden de ondertitelaarsgroepen de echte ambassadeurs voor het verspreiden van buitenlandse cultuur,’ aldus Cassie. ‘De overheid heeft gewoon weinig belangstelling voor het bevorderen van kunst. Wij lijken dat gat te hebben opgevuld.’

    De overheid houdt streng toezicht op wat er wordt uitgezonden, al is het makkelijker geworden om via de officiële kanalen naar tv-series en films met Chinese ondertitels te kijken. Streamingsites als Iqiyi en Youku bieden legale versies aan van series als Sherlock, wat betekent dat amateurondertitelaarsgroepen als iSherlock allang niet meer kunnen volstaan met het toegankelijk maken van één enkele serie.

    ‘Ik zie momenteel niet veel grotere groepen met miljoenen volgers,’ aldus Zack Lin, die werkzaam is in de filmindustrie in Beijing. Voor haar masterscriptie aan de Universiteit van Warwick deed ze onderzoek naar de Chinese publieke belangstelling voor Sherlock en amateurondertitelaarsgroepen. ‘De mensen zijn de programma’s die ze willen zien elders gaan halen, omdat dat nu mogelijk is,’ voegt ze eraan toe. ‘Vroeger zag je die dingen niet op de grote websites en moest je ondergronds gaan. Maar voor de series die niet populair zijn is er nog ruimte voor amateurondertitelaars.’

    Het is niet eenvoudig om als iSherlock-vrijwilliger te worden geaccepteerd

    Om de aandacht te trekken van de 69 miljoen Chinezen die online naar Sherlock kijken, moet iSherlock concurreren met andere amateurondertitelaarsgroepen zoals AllForBC. Maar iSherlock heeft een gezonde aanhang van hardcorefans van de serie weten te behouden door ze een constante stroom van informatie aan te bieden over Sherlock -acteurs als Benedict Cumberbatch en Martin Freeman. Naast de afleveringen vertalen ze interviews, nieuwsartikelen en talkshowoptredens, waarmee ze in wezen hun eigen sociale netwerk van gelijkgestemde fans creëren. ‘Je komt in het echte leven maar zelden mensen tegen die dezelfde interesses hebben als jij,’ zegt Cassie, die vaak iSherlock-leden in levenden lijve ontmoet. ‘Het maakt me gelukkig dat ik iets voor andere fans kan doen omdat ik goed Engels kan. Ik heb hier een heleboel vrienden aan overgehouden.’

    Alle iSherlock-vrijwilligers werken vanuit huis, terwijl Cassie toezicht houdt op zaken als transcriptie, nieuwsgaring, postproductie en design. De meeste vrijwilligers zijn studenten en ongeveer eenderde woont in het buitenland. Maar verder houdt Cassie geen gedetailleerde profielen van de leden bij.

    Totaal verschillend

    Zodra een nieuwe aflevering van Sherlock in het Engels online beschikbaar is, komt het iSherlock-team in actie. Nadat de bronvideo is opgedeeld krijgen vertalers een specifiek tijdssegment om te ondertitelen. Zij sturen hun werk vervolgens naar correctoren en mensen van de postproductie, die alles aan elkaar plakken met videoconversieprogramma’s als Format Factory en Time Machine. Dat is een tijdrovend proces, maar het gaat in de eerste plaats om goede vertalingen, niet om snelheid. Engels en Mandarijn zijn totaal verschillende talen, wat betekent dat je je niet alleen heel bewust moet zijn van verschillen in emoties en culturele achtergrond, maar ook moet beschikken over een grote taalvaardigheid. Of ondertitels accuraat zijn is op zichzelf altijd subjectief. Dat is een van de redenen waarom er zowel op officiële als op inofficiële kanalen vaak veel verschillende versies van dezelfde aflevering beschikbaar zijn.

    Sommige gebruikers willen eenvoudige vertalingen en raken gehecht aan groepen die die leveren. Anderen willen dieper graven. ‘In Sherlock kom je bijvoorbeeld veel culturele verwijzingen en uitdrukkingen in slang tegen die de meeste Chinezen onbekend zijn, zodat we nadere uitleg moeten geven in aparte ondertitels,’ zegt Lin. ‘Sommige ondertitelaars willen alleen maar zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke betekenis blijven. Maar een ander soort ondertitelaar zal gebruikmaken van Chinees slang en alles vereenvoudigen, zodat mensen het makkelijker begrijpen.’

    Alle iSherlock-vrijwilligers werken vanuit huis. © Yuan Liyang
    Alle iSherlock-vrijwilligers werken vanuit huis. © Yuan Liyang

    Sherlock is erg populair hier in China,’ zegt Cassie. ‘En omdat er verschillende amateurondertitelaarsgroepen van Sherlock bestaan, hebben mensen verschillende ideeën en meningen over dezelfde zinnen. De ene ondertitelaar voelt de emoties van acteurs beter aan dan andere. Iedereen kan zijn favoriete versie kiezen, maar de wezenlijke kwaliteit van de vertaling is onze eerste zorg.’

    Het is niet eenvoudig om als iSherlock-vrijwilliger te worden geaccepteerd; kandidaten moeten een strenge vertaaltest doen die online wordt afgenomen door een ervaren lid. ‘Het valt niet mee,’ zegt Cassie. ‘De acteurs in Sherlock spreken snel, wat een echte uitdaging is. Ongeveer de helft zakt en de helft slaagt. In mijn eigen test sprak het personage heel snel met een sterk accent, waardoor ik zenuwachtig werd en de betekenis van sommige slanguitdrukkingen moest opzoeken.’ Cassie zegt dat ze ongeveer eenderde van haar tijd voor iSherlock werkt, dat in 2012 werd opgericht. ‘Ik voel duidelijk meer druk sinds ik vorig jaar de leiding heb gekregen, vooral nu we steeds meer volgers op Weibo krijgen,’ zegt ze. ‘De voormalige leidinggevende heeft grote verwachtingen van me. Maar ik voel me niet echt een leider, omdat we een vrijwilligersgroep zijn. We zijn democratisch en luisteren naar de ideeën en meningen van alle leden.’

    Auteursrechtkwesties

    Cassie geeft toe dat groepen als iSherlock op de lange termijn betere vooruitzichten hebben dan de grotere groepen die zwaar onder vuur liggen, maar zoals veel mensen in China heeft Cassie weinig benul van auteursrechtkwesties. Ze schippert heen en weer tussen verklaringen als ‘We overtreden min of meer de wet [als we een video reproduceren] omdat het productieteam veel werk heeft gedaan en we geen toestemming hebben’ en ‘De meeste video’s die we vertalen zijn openbaar op internet beschikbaar – het valt moeilijk te bepalen of we inbreuk op het auteursrecht maken.’ (Dat laatste is niet waar: het zonder toestemming reproduceren van een video die je niet zelf hebt gemaakt geldt als inbreuk op het auteursrecht.)

    In China zijn de wetten vaak opzettelijk vaag en worden ze alleen maar serieus genomen als er streng de hand aan wordt gehouden. Amateurondertitelaarsgroepen werden jarenlang met rust gelaten, waardoor ze zich tot molochs als YYeTs konden ontwikkelen, totdat er plotseling hard werd ingegrepen. ‘Ondertitelaarsgroepen bevonden zich in China altijd al in een schimmig gebied, dus als de overheid iets kan doen om ze te reguleren is dat goed nieuws,’ zegt Cassie. ‘Maar ze zouden dat beter kunnen doen door de boel te coördineren. Ze zouden fans over de regels moeten informeren. Je kunt niet plotseling strenge regels gaan opleggen als er al enorme fangroepen in China bestaan. Ze kunnen niet in één klap zo ver gaan.’

    Maar dat hebben ze wel gedaan, en als de overheid uiteindelijk kleinere groepen als iSherlock gaat aanpakken, zegt Cassie, zal ze de eventuele opheffing ‘gewoon accepteren’. Maar dat is voorlopig onwaarschijnlijk, tenzij het aantal volgers van de groep zodanig toeneemt dat het als een ernstige bedreiging voor het auteursrecht wordt beschouwd. En trouwens, ook al zou iSherlock geen ondertitelde Sherlock -afleveringen meer mogen produceren, dan heeft het inmiddels zo’n sterk netwerk van bezeten fans opgebouwd dat het gemakkelijk onder een ander mom door zou kunnen gaan, bijvoorbeeld als een fanclub die artikelen deelt en fanatieke Cumberbatch-aanhangers verenigt.

    ‘Ik hoop gewoon dat we een legale manier vinden om ons werk voort te zetten,’ zegt Cassie. ‘Benedict is een toegewijd acteur. Als je naar zijn spel kijkt, voel je precies wat hij wil uitdrukken. We hopen dat we iets kunnen blijven doen om de hoofpersonen van deze serie te helpen.’

    Auteur: Jamie Fullerton
    Vertaler: Peter Bergsma

    Motherboard
    VS, motherboard.vice.com
    Onlinetijdschrift en videokanaal voor technologie, wetenschap en ‘de mens’. In 2009 gelanceerd door Amerikaans mediabedrijf Vice.

  • De Syrische moordmachine, een getuigenis

    De Syrische moordmachine, een getuigenis

    Caesar, een Syrische militaire fotograaf, smokkelde schokkend bewijsmateriaal uit de kerkers van Bashar al-Assad waar duizenden burgers werden gemarteld en vermoord. Alles werd methodisch in kaart gebracht en gefotografeerd. Door onder andere Caesar. Hij vertelde zijn aangrijpende verhaal voor het eerst aan The Guardian.

    Keuze uit het archief

    Na het begin van de Syrische burgeroorlog was Bashar al-Assad door zijn wrede optreden tegen de eigen bevolking een paria in de Arabische wereld. Daar is nu echter verandering in gekomen. Regeringsleiders uit de regio gingen op bezoek in Damascus en Syrië is weer toegetreden tot de Arabische Liga. Dit artikel uit 2015 laat zien waarom het onvoorstelbaar is dat Al-Assad weer wordt gerehabiliteerd. Zijn regime heeft inmiddels een half miljoen moorden op zijn geweten en zeven miljoen ontheemden.

    Twee jaar lang, tussen 2011 en 2013, heeft de voormalige Syrische militaire fotograaf die bekend is geworden onder de naam Caesar, met behulp van een politiecomputer duizenden foto’s gekopieerd van gedetineerden die in de gevangenissen van Bashar al-Assad dood werden gemarteld. In de pers zijn talloze verhalen verschenen over de man die erin was geslaagd om verbijsterend bewijsmateriaal van misdaden tegen de menselijkheid het land uit te smokkelen – met gevaar voor eigen leven en dat van zijn familie – maar hij was nog nooit geïnterviewd.

    Twee jaar lang maakte deze man maand in, maand uit foto’s van gemartelde, uitgemergelde en verbrande lichamen. Zijn opdracht was om de lijken te fotograferen zodat de foto’s bij het dossier van de gevangene konden worden gevoegd. Daarna kopieerde hij deze foto’s in het geheim en zette ze op usb-sticks, smokkelde die verstopt in zijn schoen of zijn riem zijn kantoor uit en gaf ze aan een vriend die ze het land uit kon krijgen.

    De terroristen van IS tonen hun wreedheden pontificaal in de sociale media; de Syrische staat verbergt zijn wandaden in de stilte van zijn kerkers. Voordat Caesar hiermee begon, had niemand van binnenuit bewijzen geleverd van het bestaan van de Syrische moordmachine. Maar deze foto’s en documenten waren vernietigend.

    Ik moest die Caesar zien te vinden. De spectaculaire opmars van IS en het groeiende aantal terroristische aanslagen overschaduwden de onthullingen over de wreedheden van het Syrische regime. Het conflict telde al meer dan 220.000 doden. De helft van de burgerbevolking had zijn huis moeten verlaten, anderen waren gebombardeerd, hun steden en dorpen bestookt door het leger van Assad. De foto’s van Caesar konden de misdaden van Damascus weer onder de aandacht brengen. Hij moest gevonden worden. Journalisten van overal ter wereld waren al naar hem op zoek. Ik wist dat het moeilijk zou zijn – en dat was het ook. Tweemaal had ik mijn zoektocht bijna opgegeven, maar ik ben doorgegaan, want deze man moest echt gehoord worden. Zijn getuigenis is essentieel als we willen begrijpen hoe door en door slecht het regime is.

    De groep die Caesar beschermde – leden van de Syrische Nationale Beweging, een gematigde islamitische oppositiepartij – begreep dat het mij niet te doen was om een primeur te scoren, maar dat ik wilde afdalen in de duisternis. Ik wilde de Syriërs een stem geven en iets wezenlijks doen voor de komende generaties. Na enkele maanden onderhandelen kreeg ik toestemming voor een ontmoeting met Sami, de man die het nauwst met Caesar had samengewerkt, de vriend die hem de twee jaar dat dit project duurde had gesteund. Ik heb met Sami geskypet, vier keer, uren achter elkaar. Na een half jaar was Caesar bereid om te praten.

    De eerste bijeenkomst verliep gespannen: zij waren op hun hoede, ik was bang om hen ‘kwijt te raken’ als ik de verkeerde vragen zou stellen – als ik te snel met te gedetailleerde vragen zou komen. Maar uiteindelijk heeft Caesar verscheidene keren met me gesproken, bij elkaar meer dan veertig uur. En die gesprekken heb ik opgenomen. Het resultaat is een poging om de waarheid boven tafel te halen. Maar het is nog maar een begin. Dit is zijn verhaal.

    Ik ben Caesar

    Ik ben Caesar. Ik werkte vroeger voor het Syrische regime, als fotograaf bij de militaire politie in Damascus. Ik ga u vertellen over mijn werk voor de opstand en de eerste twee jaar van de opstand, maar ik kan niet alles onthullen, want misschien herkent het regime me aan de hand van bepaalde details. Ik ben een vluchteling in Europa. Ik ben bang dat ze me zullen vinden en uit de weg zullen ruimen, of wraak zullen nemen op mijn familie.

    Voor de oorlog bestond mijn werk uit het fotograferen van de locatie en het slachtoffer van een misdaad of een ongeluk waarbij militair personeel betrokken was. Bij een zelfmoord bijvoorbeeld, of een verdrinking, een verkeersongeval of een brand. Maak een foto van die man, of van dat object, zei de rechercheur als we op de plek waren aangekomen. Ons werk was een aanvulling op hun werk. Als er bijvoorbeeld geschoten was in een kantoor, fotografeerden we de plek waar het lichaam was gevonden, en daarna fotografeerden we het lijk in het mortuarium om te laten zien waar de kogel het lichaam was binnengedrongen en weer had verlaten. Ook fotografeerden we bewijsmateriaal, zoals een vuurwapen of een mes. Als het om een verkeersongeluk ging, maakten we foto’s van de locatie en de auto. Daarna gingen we terug naar kantoor en werd er een proces-verbaal opgemaakt, met onze foto’s erbij. Dat werd dan naar de militaire rechtbank gestuurd, zodat de juridische procedure kon beginnen.

    Expositie van de foto’s van Caesar.
    Expositie van de foto’s van Caesar.

    Destijds was die dienst populair onder de lagere rangen. Veel van hen wilden graag bij ons werken, omdat je er niet hard hoefde te werken. Om de twee, drie dagen hadden we een klus, en de keus was aan ons of we een uniform droegen of niet. De hogere rangen stonden niet te trappelen. Er was weinig aanzien verbonden aan het leiding geven aan fotografen en archivarissen, en de militaire politie genoot sowieso weinig gezag – anders dan de inlichtingendiensten. Bovendien hadden we in ons werk niet te maken met gewone burgers, dus er was geen mogelijkheid om smeergeld te innen, zoals bij de douane bijvoorbeeld, of bij een ministerie. En we hadden geen invloed op de veiligheidsdiensten of het leger.

    In de hogere rangen had men weinig belangstelling voor ons werk – onze afdeling telde niet mee. Dat was er gewoon een van de vele. De militaire politie kende tientallen afdelingen. Alleen in Damascus al waren er minstens dertig: fotografen, chauffeurs, monteurs, sportinstructeurs, de brigade die gevangenen vervoert tussen de verscheidene onderdelen van de militaire inlichtingendienst, enzovoort. Maar de belangrijkste mensen zijn natuurlijk degenen die de leiding hebben over het onderzoek en de gevangenissen.

    Op een dag vertelde een collega dat we lichamen van burgers zouden gaan fotograferen. Hij had net in de provincie Daraa (waar de eerste grote vredesdemonstraties plaatsvonden) de lijken van demonstranten gefotografeerd; dat was in de eerste week van de burgeroorlog, in maart of april 2011. Huilend vertelde hij me: ‘De soldaten takelden de lichamen vreselijk toe. Ze stampten er met hun laarzen op en schreeuwden: “Klootzakken!”’

    Hij wilde niet terug – hij was bang. Toen ik de opdracht kreeg om de foto’s te maken, kon ik met eigen ogen zien wat hem zo van streek had gemaakt. De officieren zeiden dat de doden terroristen waren; maar dat was niet zo, het waren gewoon demonstranten. De lijken werden opgeborgen in het mortuarium van het militaire hospitaal Tishreen, niet ver van het hoofdkwartier van de militaire politie.

    In het begin hadden de lijken nog wel een naam, maar na een tijdje – na een paar weken of een maand – kregen ze alleen een nummer. In het mortuarium haalde een soldaat de lichamen uit de koelladen, plaatste ze op de betegelde vloer zodat wij ze konden fotograferen, en legde ze daarna weer terug. Wanneer ze ons opriepen voor een fotosessie, was er vóór ons altijd al een patholoog-anatoom bij de lichamen geweest. Net als wij droegen ze geen uniform, maar het waren officieren. De eerste paar maanden waren het lagere officieren, maar toen werden ze vervangen door officieren van een hogere rang.

    Wanneer de lichamen aankwamen in het ziekenhuis, kregen ze altijd twee nummers, geschreven op een stukje tape of met viltstift rechtstreeks op hun voorhoofd. De tape was van een slechte kwaliteit en liet vaak los. Het eerste nummer was dat van de gevangene, het tweede van de afdeling van de inlichtingendienst waar hij gevangen had gezeten. De patholoog-anatoom, die al eerder op de ochtend was aangekomen, gaf hem dan nog een derde nummer, voor zijn medische rapport. Dat was het belangrijkste nummer voor ons dossier. De andere twee waren vaak nauwelijks leesbaar of gewoon onjuist. Soms werd er een vergissing gemaakt. De patholoog-anatoom schreef het medische nummer op een kaartje. Hij, of iemand van de inlichtingendienst, zette het kaartje naast het lijk of hield het in zijn hand terwijl wij de foto namen. Dat zijn de handen die je ziet op de foto’s die ik naar buiten heb gesmokkeld. Soms zie je zelfs de voeten van de patholoog-anatoom of van de veiligheidsagent naast het lijk.

    Sommigen hadden diepe sneeën, bij anderen waren de ogen uitgestoken, hun tanden kapot geslagen

    De pathologen-anatomen waren onze superieuren. We mochten niet met ze praten, laat staan vragen stellen. Als een van hen ons een opdracht gaf, voerden we die uit. Dan zeiden ze bijvoorbeeld: ‘Fotografeer deze lichamen van nummer 1 tot en met 30, en dan wegwezen.’ Om de identificatie te vergemakkelijken voor iemand die de dossiers doorzocht, maakten we meerdere foto’s van ieder lijk – een van het gezicht, een van het hele lichaam, een van opzij, een van de borst, een van de benen. De lichamen waren geordend op afdeling – zo was er bijvoorbeeld een plek voor afdeling 215 van de militaire inlichtingendienst en een voor de inlichtingendienst van de luchtmacht. Dat vergemakkelijkte het fotograferen en het archiveren.

    Ik had nog nooit zoiets gezien. Voor de opstand martelde het regime gevangen om informatie los te krijgen, nu martelden ze om te doden. Ik zag sporen van brandende kaarsen, een keer de ronde afdruk van een kookplaatje dat ze op iemands gezicht en zijn haar hadden gedrukt. Sommigen hadden diepe sneeën, bij anderen waren de ogen uitgestoken, hun tanden kapot geslagen, je kon de sporen zien van de startkabels waarmee ze waren geslagen. Er waren etterende wonden, alsof die nooit waren behandeld en waren gaan ontsteken. Soms zaten de lichamen onder het bloed dat er nog vers uit zag. Kennelijk waren die mensen kort tevoren overleden.

    rtr4su4n

    Ik moest vaak even pauzeren om niet in huilen uit te barsten. Dan hield ik mijn gezicht onder de kraan. Thuis ging het ook niet zo goed met me. Ik was veranderd. Van nature ben ik heel kalm, maar nu was ik snel geïrriteerd – bij mij ouders, mijn broers en mijn zussen. Echt, ik was doodsbang. Beelden van de dingen die ik overdag had gezien, kwamen steeds weer terug. Ik stelde me voor dat mijn broers en zussen die lijken waren. Ik werd er ziek van.

    Ik kon er niet meer tegen en ik besloot te gaan praten met mijn vriend Sami.

    Vanaf een bepaald moment werden de lijken naar het militaire hospitaal Mezzeh gebracht, dat veel groter is dan het Tishreen. De officiële naam is Hospital 601. Terwijl het Tishreen op vijf minuten rijden van ons kantoor lag, kostte het ons een half uur om bij het Mezzeh te komen. Het was makkelijker om de lichamen in het Tishreen te fotograferen, omdat er in het mortuarium, of als dat vol was in de gangen, geen daglicht kwam. Bij het Mezzeh werden ze in de buitenlucht op de grond gekwakt, op een van de locaties waar de auto’s werden onderhouden. Het ziekenhuis staat aan de voet van de heuvel waar de presidentiële garde zijn basis heeft. Op sommige foto’s is die heuvel te zien, met het wachtershuisje en de bomen die aan de rand van het terrein staan. Het presidentiële paleis ligt erachter, een eindje heuvelopwaarts. Naast het fotograferen van de lichamen moesten we ook dossiers van ze aanleggen. We moesten de foto’s printen, sorteren op categorie, op kaarten plakken en dan archiveren. We gingen methodisch te werk: iemand printte de foto’s, een andere plakte of niette ze op een kaart en een derde schreef de rapporten. Onze superieuren tekende die en dan stuurden we ze naar de militaire rechtbanken. Voor de opstand hadden we alleen te maken met de lichamen van soldaten. Daarna deden we hetzelfde werk, maar dan met de lijken van burgers.

    De aantallen namen toe, vooral na 2012. Het werk ging maar door. De officier die de leiding had over onze afdeling schreeuwde ons toe: ‘Waarom is het werk niet af? De lijken stapelen zich op! Vooruit, schiet op!’ Hij dacht dat we een beetje aan het lanterfanten waren, maar we konden echt niet sneller. Er kwamen steeds meer lijken, en omdat er mensen uit onze dienst overliepen naar de rebellen, bleven we met steeds minder over. De garage bij het Mezzeh slibde dicht met lijken waar we niet aan toekwamen. In de hete zon bleven die lijken niet lang goed, vooral als ze er al een paar dagen lagen. Zelfs de soldaten raakten ze niet meer aan – ze verschoven ze met de punten van hun laarzen, respectloos. De lijken lagen te rotten. We zagen een keer een vogel pikken in het oog van een lijk. Ook insecten stortten zich op de lijken. En de stank… die raakten we niet meer kwijt, daar werden we gek van. Maar we moesten ermee om zien te gaan, en ten slotte werd het gewoon een onderdeel van ons leven.

    Niets voelen

    We werkten van acht uur ’s morgens tot twee uur ’s middags, dan een pauze tot zes of zeven uur ’s avonds en daarna werkten we nog tot tien uur op kantoor. We maakten lange dagen omdat we alles af wilden krijgen, want we wisten dat er de volgende dag weer nieuwe lichamen moesten worden gefotografeerd.

    Een paar keer per week bracht ik de foto’s naar Sami. Wanneer ik alleen op kantoor was, zette ik ze op een usb-stick die ik van hem had gekregen, maar ik was altijd bang dat er iemand binnen zou komen die zou zien wat ik aan het doen was. Als ik wegging, verstopte ik de stick in mijn schoen of in mijn riem. Onderweg naar huis kwam ik langs vier of vijf militaire controleposten. Ik was doodsbang. Ik wist niet wat ze zouden doen. De soldaten konden me net zo goed gaan fouilleren, ook al had ik een legerpasje.

    Op een computerscherm naar de foto’s kijken was nog pijnlijker dan het fotograferen van de lichamen. Daar buiten, met al die lijken om ons heen, konden we niet even rustig aan doen. De patholoog-anatoom joeg ons op, en agenten van de veiligheidsdiensten bekeken ons en letten op onze reacties. In Syrië houdt iedereen iedereen in de gaten. En omdat we geen vragen mochten stellen, was het makkelijker om foto’s te maken als we niet goed naar de verwondingen keken; het was makkelijker om te proberen niets te voelen.

    Terug op kantoor hadden we echter de tijd – niemand die ons lastigviel. Als we dan die foto’s afdrukten en ze op die kaarten plakten, konden we niet meer wegkijken. Het was verschrikkelijk. We zagen het vlak voor ons: de gevangene kwam voor onze ogen weer tot leven. We konden het lichaam goed bekijken, we zagen de martelingen voor ons, we voelden de klappen. Daarna moesten we het verslag schrijven – alsof wat we hadden gezien nog steviger in ons geheugen werd geprent. Na een maand in de cel was het gezicht van een gedetineerde volkomen veranderd – zozeer zelfs dat we hem niet langer herkenden.

    ‘Hoe bedoel je, hij leeft nog? Wat moet ik nu? Dat gooit mijn hele nummering in de war!’

    Een vriend van me overleed in de gevangenis. We fotografeerden zijn lichaam zonder te weten wie hij was. Pas veel later, toen ik voor zijn vader discreet op zoek ging naar informatie over hem, besefte ik dat zijn foto door onze handen was gegaan en dat ik hem niet had herkend. Hij had maar twee maanden in de gevangenis gezeten. En hij was iemand die ik, voordat hij was gearresteerd, bijna dagelijks zag.

    De militaire politie had zijn vader verteld dat zijn zoon in de gevangenis was overleden. Dat wilde de vader niet geloven. Ik moest hem vertellen dat het echt waar was: ‘Ik heb contact gezocht met het militaire hospitaal en zij hebben bevestigd dat uw zoon dood is.’ Sterker nog, ik had in onze archieven gekeken en de foto gevonden. Dat mocht ik hem natuurlijk niet vertellen. Niemand wist dat elk lijk van een gedetineerde standaard werd gefotografeerd voordat het in een massagraf werd gedumpt.

    Op een dag was een van mijn collega’s bij het Mezzeh. Lijken lagen er naast elkaar. Toen hij er overheen gebogen stond, kreeg hij de indruk dat er een nog leefde. Die ademde heel zachtjes. ‘Moet ik hem wel fotograferen? Hij leeft nog,’ zei mijn collega tegen de soldaten die verantwoordelijk waren voor het vervoer van de lijken.

    De patholoog-anatoom arriveerde en was woedend. ‘Hoe bedoel je, hij leeft nog? Wat moet ik nu? Dat gooit mijn hele nummering in de war!’ Hij was boos omdat hij de medische nummers al in zijn aantekenboekje had geschreven. ‘Rustig maar,’ zei een soldaat. ‘Ga nog even een kopje thee drinken, en als je terugkomt is alles geregeld.’ Toen hij terugkwam, maakten ze de laatste foto’s.

    In het begin vonden we het afschuwelijk. Walgelijk. Ik kon drie, vier dagen nauwelijks een hap door mijn keel krijgen. Toen werd het onze dagelijkse routine, stopten we onze emoties weg, Dat was de enige manier om door te kunnen gaan. Wat moesten we anders? Als we onze gevoelens zouden uiten, werden we gearresteerd, doodgemarteld en kwamen we bij de andere lijken te liggen. Ook waren we bang voor onze vrienden en familie.
    Mijn team bestond uit ongeveer twaalf fotografen. We steunden elkaar, maar konden elkaar ook niet helemaal vertrouwen. Soms zaten een paar van ons met elkaar te fluisteren, maar ze lieten wel de deur van het kantoor open voor het geval iemand zou denken dat ze samenspanden tegen het regime. We zeiden tegen elkaar: ‘Op de dag des oordeels moeten we verantwoording afleggen over onze daden: “Wat hebt u al die jaren onder het misdadige regime gedaan? Waarom bent u gebleven?”’ We waren bang. Wat konden daar nu op antwoorden?

    Die twee jaar zat ik tussen twee vuren. Ik was bang om opgepakt te worden door de rebellen omdat ik voor het regime werkte, en om gearresteerd te worden door het regime omdat ik al dat bewijsmateriaal over de martelingen verzamelde. Mijn leven werd van twee kanten bedreigd – en mijn familie liep ook gevaar.

    We wilden de foto’s naar buiten brengen, zodat de nabestaanden wisten dat hun dierbaren waren overleden. Ze moesten weten wat er in die gevangenissen en detentiecentra aan de hand was. Als het regime van Bashar al-Assad valt, kun je er zeker van zijn dat ze zullen proberen al het bewijsmateriaal te vernietigen.

    Het regime dacht er niet aan dat ons werk weleens tegen hen gebruikt kon worden

    Ik heb me vaak afgevraagd waarom het regime die foto’s wilde bewaren. Waarom werden al die gedetailleerde beschrijvingen van de lijken genoteerd en de foto’s gearchiveerd? Ik ben maar een eenvoudige burger, geen politicus, en ik zal u een eenvoudig antwoord geven. De inlichtingendiensten en de veiligheidsdiensten werken niet samen. Ze weten niet van elkaar wat ze doen. Elke dienst is verantwoordelijk voor zijn eigen organisatie en is er alleen op uit zijn eigen belang te dienen. Vijftig jaar lang heeft de militaire politie de details geregistreerd van de dodelijke ongevallen waarbij het leger betrokken was. Het regime archiveert alles, opdat er niets wordt vergeten. Daarom worden die sterfgevallen geregistreerd. De foto’s zijn nuttig voor rechters en onderzoekers. Ze maken hun dossiers helemaal compleet. Als een rechter een keer een zaak moet heropenen, hebben ze die dossiers nodig. Na het begin van de revolutie en tijdens de oorlog gingen we gewoon op dezelfde voet verder. Maar het regime dacht er niet aan dat ons werk weleens tegen hen gebruikt kon worden.

    De veiligheidsdiensten voelen zich onaantastbaar. Ze kunnen zich niet voorstellen dat ze ter verantwoording zullen worden geroepen voor hun wandaden. Ze weten dat het regime veel belangrijke steun geniet. En ze hadden nooit gedacht dat die foto’s naar buiten zouden komen en overal ter wereld bekeken konden worden.
    Sterker nog, ik vraag me af of de bazen van de veiligheidsdiensten niet nog dommer zijn dan we denken. Ze hebben het zo druk met het terroriseren van demonstranten, het plunderen van de bevolking en het moorden dat ze zijn vergeten dat hun wandaden worden gedocumenteerd. Neem de gifgasaanval op Ghouta! Degenen die daarvoor verantwoordelijk waren, wisten dat er bewijzen zouden komen van wat ze hadden gedaan – en toch lanceerden ze die raketten.

    Tijdens de twee jaar dat ik in het geheim die documenten kopieerde, was ik bang voor mijn eigen veiligheid en die van mijn familie. Ik was dat pad nu eenmaal ingeslagen en er was geen weg terug. Ik wist dat ik er op een dag mee zou stoppen, maar wist niet wanneer. Dat moment schoof ik steeds voor me uit. Maar uiteindelijk realiseerde ik me dat ik weg moest.

    Lees ook:

  • De schat van de Andes

    De schat van de Andes

    De aardappel komt uit Peru, laat daar geen misverstand over bestaan. Er zijn duizenden soorten, en ze hebben allemaal een eigen naam. Ze zijn gezond, goed tegen de honger en trotseren vorst, hagel en droogte. Boer Julio Hancco, alias El Señor de las Papas uit Cuzco, Peru, teelt driehonderd soorten. Alsof het zijn zonen zijn.

    Julio Hancco teelt driehonderd aardappelsoorten en hij kent ze allemaal bij naam: schoondochtersverdriet, rode zwijnenpruim, koeienhoorn, opgelapte muts, harde slof, neus van de zwarte lama, varkensei, caviafoetus, babyvoer om van de borst te komen. Dit zijn geen Latijnse namen, maar namen die de boeren geven om de aardappel op zijn uiterlijk, smaak, karakter en relatie met andere dingen in te delen. Bijna alle aardappelsoorten die Hancco in de Andes, in zijn geboortestreek Cuzco, op ruim 4000 meter hoogte teelt hebben inmiddels een naam. Maar soms is er een nieuwe soort of is eentje met de tijd zijn identiteit kwijtgeraakt, en dan mag El Señor de las Papas, de Heer van de Aardappels, een naam verzinnen.

    Met de ‘puka Ambrosio’ – puka is ‘rood’ in het Quechua – bewees hij eer aan zijn neef Ambrosio Huahuasonqo, die door een val van een brug om het leven kwam. De naam in het Quechua geeft zijn karakter goed weer: huahuasonqo betekent ‘kinderhart’. Hancco baseerde zich op de Griekse naam Ambrosios om hem te typeren, zijn neef is ‘onsterfelijk’ voor hem. De puka Ambrosio is langwerpig, zacht, een beetje zoet en lichtgeel van binnen met in de kern een rode kring. Het is een van de favorieten van Julio Hancco, een boer die alleen Quechua spreekt, ondanks zijn Latijnse voornaam (Julius betekent ‘met sterke wortels’).

    In zijn huis, vlak na de oogst op een middag in de lente van 2014, tilt hij een hand op die zo groot en rimpelig is als de schors van een boom en wijst naar een bord op tafel. ‘Als een zoon,’ zegt hij. ‘De aardappel is als een zoon.’

    Aardappeloogst in de Andes. © Thomas O'Neill
    Aardappeloogst in de Andes. © Thomas O’Neill

    In het raamloze stenen vertrek met zijn oude tafel en fornuis is het zo donker dat niet te zien is of hij het lachend zegt of juist een plechtig gezicht trekt. Zijn vrouw zit op een krukje en roert in de pan op het fornuis. Op tafel ligt een handvol puka Ambrosio’s koud te worden. Ze zijn heerlijk, maar de meeste Peruanen kunnen ze nooit proeven.

    Het is bekend dat de aardappel uit Peru komt en dat de boeren in de Andes meer dan drieduizend soorten verbouwen, maar daar houdt onze kennis op. We weten waar een iPhone wordt gemaakt, wie de rijkste man ter wereld is, wat voor kleur het oppervlak van Mars heeft, hoe de zoon van Messi heet, maar we weten bijna niets van het voedsel dat we dagelijks tot ons nemen. Als het waar is dat we zijn wat we eten, weten de meesten van ons niet wie we zijn. Wie in Peru naar de markt gaat, aarzelt vooral of hij witte of gele aardappels zal nemen. Gaat hij voor de Huayro – bruinpaars, om met een saus te eten met vrienden rond de ‘aardappelcocktail’, ze zijn zo groot als een champignon – of voor het patriottische gevoel door een zak inheemse aardappels te kopen die op ruim 3,5 kilometer hoogte zijn verbouwd. Maar net als overal ter wereld is ook hier patat erg populair; in Peru, in het land waar de meeste aardappelsoorten ter wereld worden geteeld, werd in 2014 24.000 ton voorgekookte aardappel geïmporteerd: voor de snackbars, om patates frites van te maken.


    Julio Hancco kijkt naar de besneeuwde bergrug voor zijn huis en slaat even zijn ogen neer, zoals zoveel mensen in de stad doen als ze langs een kerk komen: alsof ze inwendig een kruis slaan, met terloopse eerbied. Men heeft Hancco, een boer van 62 jaar, de beschermengel van de kennis, de bewaker van de biodiversiteit, een ster-boer genoemd. Op het gastronomisch festival Mistura werd hij bekroond met de Gouden Spaanse Peper, en wetenschappers uit Italië, Japan, Frankrijk, België, Rusland, de Verenigde Staten en producenten uit Bolivia en Ecuador zoeken hem in de boerengemeenschap Pampacorral op om te achterhalen hoe hij het voor elkaar krijgt om zo veel verschillende soorten aardappel te produceren.

    In de ruimte

    Hancco woont op 4200 meter boven de zeespiegel, aan de voet van de besneeuwde Sawasiray, in een landschap van gele aarde, schrale heuvels en enorme rotsen waar misschien een enkele Europese ingenieur kan komen, maar geen auto of elektrisch licht. Degenen die hem willen bezoeken, moeten onderweg uitstappen en een kleine kilometer steil omhoog klimmen. Buiten adem en duizelig bij gebrek aan zuurstof staan ze meestal voor zijn hutje. Op die hoogte stroomt het bloed trager en waait de wind harder. In de zomer wordt het smeltwater zo koud dat het pijn doet aan je handen. In de winter daalt de temperatuur tot 10 graden onder nul. Hancco moet zo’n 5 kilometer lopen naar een plek waar bomen groeien, vervolgens de stronken in stukken zagen en ze per paard naar zijn huis vervoeren. Voor gas moet hij naar de asfaltweg afdalen en een busje nemen naar Lares, het dichtstbijzijnde dorp, op ruim 20 kilometer, waar hij soms ook brood, rijst, groenten en fruit koopt, alles wat bij hem niet groeit. Het enige dat het goed doet op de hoge grond die hij van zijn ouders heeft geërfd, is de aardappel.

    De aardappel is het eerste gewas dat de NASA in de ruimte teelde om het vermogen zich aan andere omgevingen aan te passen te testen. De teelt is de belangrijkste en meest verbreide van alle niet-graangewassen ter wereld. Het levert meer voedsel per hectare op dan welk ander product ook. De begraven-schat-van-de-Andes die Europa van de honger redde, het belangrijkste voedsel van de troepen van Napoleon, de basis van de Spaanse tortilla, de Italiaanse gnocchi, de Joodse knishes, de Franse puree en zelfs van de primitieve Russische wodka. Het is ook het gerecht dat Thomas Jefferson in de negentiende eeuw in gebakken repen aan zijn gasten in het Witte Huis voorzette, de wortel van de paarse bloem die Marie Antoinette in haar haar stak om te pronken tijdens haar wandelingen in de tuinen van Versailles, het gewas waaraan in Duitsland drie musea zijn gewijd, in België twee, in Canada twee, in de Verenigde Staten twee en in Denemarken één.

    © Thomas O'Neill
    © Thomas O’Neill

    De aardappel inspireerde Pablo Neruda tot een van zijn odes (‘Universele lekkernij, je verwachtte mijn zang niet / want je bent blind, doof en begraven’), James Brown tot een nummer (‘Ik ben weer terug / en maak aardappelpuree’), Van Gogh tot twee schilderijen, en het is de kiem van duizenden zaden die met duizenden andere soorten onder de grond in een berg in het Noorse noordpoolgebied worden bewaard om de rijkdom van de aardappel te behoeden tegen toekomstige natuurrampen.

    Hancco koestert het gewas als een zoon, maar ziet zijn jongste zonen de teelt niet voortzetten, omdat ze geen zin hebben in een leven vol offers in ruil voor een hap eten. Hijzelf zegt dat hij liever alleen achterblijft en zijn zeven kinderen naar de stad ziet vertrekken, waar ze minder zwaar en beter betaald werk kunnen krijgen.

    ‘Sommige boeren stoppen met de aardappel en gaan het toerisme in’

    Op een ochtend vijftien jaar geleden maakte Julio zijn zoon Hernán wakker en zei dat hij een steen ter grootte van een voetbal vanaf hun huis naar de Calca-pas moest dragen, anderhalf uur lopen naar het zuiden. Hernán Hancco, de een-na-oudste zoon, was toen dertien en ging voor het eerst mee om in Calca, het belangrijkste commerciële centrum van de streek, aardappels te verkopen. Wilden ze er om zeven uur ’s morgens zijn, dan moesten ze om drie uur op pad en vier uur lopen, en Hernáns vuurdoop bestond erin dat hij die enorme steen tot halverwege meedroeg. Het was een proeve van uithoudingsvermogen en aanvaarding waaraan de boeren hun zonen van oudsher onderwerpen. Een traditie die niet meer bestaat, zal Hernán later zeggen, terwijl hij zijn laatste pak Sumaj-chips – gemaakt van inheemse aardappels – verkoopt op een markt met organische producten die zondags in Lima wordt gehouden. Julio’s tweede zoon verhuisde een kleine tien jaar geleden naar de hoofdstad. Hij kwam er aan met 400 sol op zak – ongeveer 130 dollar – en het voornemen boekhouden en Engels te gaan studeren. Hij heeft deze studies nooit kunnen afmaken, de verkoop van de aardappels die zijn familie verbouwde slokte al zijn tijd op.

    Met Hernán in Lima besparen zijn ouders en zijn oudste broer Alberto de provisie die tussenhandelaren vragen en betalen ze alleen voor het transport van de aardappels. Dan nog is de winst miniem. Maar de boeren zonder hulp hebben het zwaarder. ‘Daarom stoppen sommigen met de aardappel,’ zegt hij, ‘en gaan het toerisme in.’ In het toerisme gaan wil volgens hem zeggen dat je je als pakezel verhuurt aan vreemdelingen die naar Cuzco komen om het pad van de Inca’s te lopen. De boeren dragen de rugzakken en koffers van de toeristen, zodat die makkelijker naar de voet van de Machu Picchu kunnen klimmen. Voor vier dagen bagage dragen kunnen ze 200 sol krijgen, plus nog eens 200 fooi. Zo’n 130 dollar totaal. Met een zak van 12 kilo inheemse aardappels verdienen ze gewoonlijk 20 sol. Zo’n 6,50 dollar.


    De kuiltjes in aardappels heten ogen, maar we kijken nooit naar de ogen van aardappels. Aardappels hebben wenkbrauwen boven hun ogen. Ze hebben een navel, sproeten en een rond, gedrongen, ovaal, elliptisch of lijzig lijf. De populairste aardappel in het noorden van Tenerife, Spanje, is de ‘schone met de roze ogen’. De Zwarte Homp, uit Chili, heeft een heleboel diepe ogen en geplette wenkbrauwen. De Asterix, uit Holland, heeft een rode schil, geel vlees en oppervlakkige ogen. Alle aardappels worden beschreven volgens hun kenmerken, als een persoon. Ooit waren ze wild, bitter en onsmakelijk. De officiële naam nu luidt Solanum tuberosum. De aardappel behoort net als de tomaat, de aubergine en de Spaanse peper tot de familie van de nachtschade [solanum], die zo heet omdat de bladeren, steel, vruchten en spruiten solanine bevatten, een giftige stof die beschermt tegen ziekten, insecten en andere natuurlijke vijanden. Bij hoge doses kan solanine dodelijk zijn voor een mens, maar voor zover bekend is nog nooit iemand gestorven aan het eten van aardappels. Achtduizend jaar geleden domesticeerde de Andesbewoner de aardappel, toen de homo sapiens daar experimenteerde met landbouw, een nieuwe poging om aan voedsel te komen. De bewoners van de Peruaanse hoogvlakte leerden als eersten hun aardappels zo te veredelen dat ze niet langer giftig waren maar groter werden en sappig.

    Op een middag pootte journalist en voedseldeskundige Michael Pollan in zijn tuin een aardappel die hij via een catalogus had gekocht, en hij vroeg zich af of hij nu die aardappel had gekocht, of dat de aardappel hem had verleid om hem te poten. Pollan, de schrijver die onze manier van kijken naar eten heeft veranderd, denkt dat ‘de uitvinding van de landbouw’ mogelijk door de planten is bedacht om ons namens hen te laten bewegen en denken. Vanuit de planten bezien, schrijft hij in The Botany of Desire, dient de mens wellicht als instrument voor hun overlevingsstrategie, niet veel anders dan de hommel die door een bloem wordt aangetrokken en fungeert om het stuifmeel met de genen van die bloem te verspreiden.

    Bondgenoten

    Deze winterochtend in 2014 op Hancco’s land, met zicht op een hoop lamamest, is het juister om Andesboeren te zien als bondgenoten van de aardappel, en niet als hun temmers. Het is zaterdagochtend, half acht; Hancco, zijn twee oudste zonen en hun buurman Julian Juárez kauwen op cocabladeren en drinken brandewijn voor ze hun dagtaak beginnen: lamamest naar een perceel gepote aardappels een kilometer verderop brengen, om de grond te bemesten. De wachtende lama’s naast ons weten al wat er gaat gebeuren. De mannen pakken hun schop en laden de mest in een paar zakken die tot aan hun middel komen. Ze vullen 39 zakken, knopen ze goed dicht, sjorren zak voor zak op een lamarug, leiden de beesten naar het perceel, maken de balen los, verdelen de mest, vouwen de zakken dicht, verzamelen de touwen, brengen de lama’s terug naar de meststapel en het verhaal begint van voren af aan. Er zijn twee tochten en zes werkuren nodig voordat vier mannen, twee vrouwen, drie honden en veertig lama’s twee hectare hebben bemest. Zoals de stoet beladen lama’s, met de boeren ernaast, over de berg vordert, denk je aan een bijbels tafereel uit een oude film over de Stille Week. De associatie is in twee opzichten vals: er zijn lama’s noch aardappels in de Bijbel (vandaar dat de rechtzinnigste gelovigen weigerden toen Catherina de Grote van Rusland haar onderdanen beval aardappels te telen). Maar kennis zet aan tot ketterij, als je hebt gezien hoe vier boeren zes uur lang bezig zijn een aardappelveld te bemesten.

    © Thomas O'Neill
    © Thomas O’Neill

    Vele generaties Hancco hebben deze strook in Cuzco sinds het begin van de wereld bewoond. Julio erfde de grond, de dieren en meer dan zestig aardappelsoorten van zijn ouders. De afgelopen vijftien jaar heeft hij zijn erfenis uitgebreid tot wel driehonderd soorten. Om nog meer soorten te kweken moest hij al zijn vernuft inzetten. Zijn land bestaat net als dat van bijna alle boeren in de Andes uit wat onregelmatige lapjes grond die over verschillende hoogten verspreid liggen. Aan die complicatie schrijft men het vakmanschap van de boeren in de hoge Andes toe: op een terrein dat een en al helling is, krijgt ieder bebouwbaar hoekje zijn portie zon, vocht en wind. Het land is aan de ene kant blootgesteld aan zonlicht en ligt aan de andere kant in de schaduw. Een reusachtige rots verhindert de doorstroom van regen naar een bebouwbare strook en beschermt de andere tegen de wind. Om het in dit gebied te redden moesten de boeren hun kansen om zich te voeden wel vergroten. Ze pootten verschillende aardappels op hun landjes, leerden iedere plant zorgvuldig te observeren, experimenteerden met duizenden soorten en groeiden uit tot de koningen van de genetische rijkdom op weerbarstige grond. Zo bezwoeren ze de toekomst: meer aardappels betekende meer kans om de maaltijd veilig te stellen bij plagen en ziekten, vorst, hagel en droogte. De boeren in de Andes hadden niet, zoals onze industriële landbouw, het oogmerk de natuur te beheersen, maar pasten zich aan.

    ‘Niemand zorgt voor de natuur,’ zegt Hancco, terwijl hij naar de besneeuwde Sawasiray kijkt en bukt om een handvol aarde van de grond te rapen. Hij heeft net de laatste zak mest over de pootgrond uitgestrooid, een strook die is bedekt met groen mos dat meegeeft als je er op drukt. Het gaat om hellende grond, midden op een bergflank, zonder enige beschutting. Hancco kan zijn teelttechnieken en natuurlijke pesticiden gebruiken tegen ziekten en plagen, maar hij kan zijn aardappels niet beschermen tegen hagel of vorst. De laatste tijd wordt het erger, zegt hij: het klimaat is grilliger en onvoorspelbaarder geworden.

    In de jaren zestig, toen Julio Hancco een kind was en samen met zijn vader begon met aardappels telen, was hij dol op brood: de jonge Hancco bewerkte zijn eigen voren om geld te verdienen en brood te kunnen kopen als de verkopers langskwamen met hun handel. Een Peruaan at in die tijd gemiddeld zo’n 120 kilo aardappels per jaar. In de twintig jaar erna daalde de consumptie, en de terugval kwam in de jaren tachtig in een versnelling toen de boeren op de vlucht voor het terrorisme naar de stad trokken. Rond 1990, tijdens het presidentschap van Alberto Fujimori, bereikte de aardappelconsumptie een historisch dieptepunt: zo’n 50 kilo per persoon per jaar. Rijst en vermicelli verdrongen de aardappel. ‘Vermicelli heeft meer status, een kippenpoot eten is deftiger dan cavia eten, en zo raakte de aardappel uit de gratie,’ zegt Celfia Obregón Ramírez, voorzitter van het Pueruaanse Verbond voor Duurzame Ontwikkeling en initiator van de Nationale Dag van de Aardappel.

    42 66177474

    Vergeleken met de witte rijst, de gele vermicelli en de bleke kip kregen de aardappels met hun donkere schil opnieuw het stigma van achterstand en armoede dat ze eeuwenlang hadden gehad, sinds ze door de conquistadores werden ontdekt en in de zestiende eeuw naar Europa kwamen, naar men vermoedt in het ruim van een Spaans schip. Het duurde twee eeuwen voordat op het hele Oude Continent de aardappel als gangbaar voedsel werd geconsumeerd. Ieder Europees land had zijn eigen geschiedenis van afstoting en aantrekking: men zag de aardappel als onkuis en lustopwekkend, als oorzaak van lepra, als heksenvoedsel, goddeloos, voer voor wilden. Maar Ierland omarmde de aardappel van meet af aan: de boeren, door de Engelsen beroofd van de weinige bruikbare grond die ze hadden, stierven van de honger bij hun pogingen voedsel te onttrekken aan de schamele grond die hun restte. Met de komst van de aardappel eind zestiende eeuw – vermoedelijk in het kielzog van de Engelse piraat Walter Raleigh – kregen de Ieren het voor elkaar op een beetje armzalige grond voedsel voor een heel gezin plus het vee te produceren. Eerst redde de aardappel Ierland van de honger. Daarna kreeg hij de schuld van de armoede; de bevolking groeide in één eeuw van 3 naar 8 miljoen inwoners, omdat de ouders hun kinderen met het weinige dat ze hadden wisten te voeden.

    De Amerikaanse schrijver Charles Mann vertelt dat de econoom Adam Smith, een bewonderaar van de aardappel, onder de indruk was toen hij zag hoe gezond Ieren waren terwijl, ze bijna niets anders dan aardappels aten. ‘We weten nu waarom,’ zegt Mann in zijn boek 1493: Uncovering the New World Columbus Created: de aardappel is gezonder dan welk ander eenzijdig voedsel ook. Hij bevat alle nodige voedingsstoffen behalve vitamine A en D, die je uit melk kunt halen. En het dieet van de arme Ieren in de tijd van Smith, aldus Mann, bestond hoofdzakelijk uit aardappels en melk. De aardappel, die inmiddels in meer dan 150 landen wordt verbouwd, levert meer voedsel per oppervlakte-eenheid dan rijst of mais. Eén aardappel bevat de helft van de vitamine C die een volwassene per dag nodig heeft. In sommige landen, zoals de Verenigde Staten, bevat hij bovendien meer vitamine C dan citrusvruchten, want die zijn industrieel en van slechte kwaliteit. Wat er bij een voedingsmiddel toe doet, vertelt landbouwkundige Obregón Ramírez, is de droge materie en de voedingswaarde: zo heeft een gewone witte aardappel 20 procent droge materie en de rest is water. Dat betekent dat een aardappel van 100 gram goed is voor ongeveer 20 gram voedsel. De inheemse aardappels, die op grote hoogte worden verbouwd in extremere klimaatomstandigheden dan de commerciële soorten, bestaan uit 30 à 40 procent droge materie. Ze zijn twee keer zo voedzaam als een gewone aardappel en bevatten een flinke dosis ijzer, zink en vitamine B. Maar inheemse aardappels leveren natuurlijk minder op, ze zijn moeilijker te vervoeren en de eindprijs ligt hoger. Wij geloven echter nog in het sprookje dat je van aardappels dik wordt en snappen niet waarom we voor een aardappel meer zouden betalen.

    Het echte thuisland van een mens is niet zijn jeugd: het is het eten uit zijn jeugd

    In studies over de Peruaanse aardappel wordt almaar gehamerd op de noodzaak de duizenden soorten en de teelttechnieken te beschermen, om de duidelijke reden dat ze in de loop der eeuwen door de boeren zijn ontwikkeld om ook in de extreemste klimaatomstandigheden – bij vorst, hagel en droogte – voedsel te garanderen. Want dat is wat men wereldwijd van de klimaatverandering verwacht: honger en extreme omstandigheden. Maar er is een egoïstischer reden om ze te willen koesteren: ze zijn lekker. Anders dan bij de productie van fabrieksaardappelen op grote schaal, verbouwen de boeren in de Andes hun aardappels met het oog op eigen consumptie, om eerst hun gezinnen te voeden en de rest te verkopen. Dan Barber, een chef-kok uit New York en het icoon van de beweging ‘van de boerderij naar de tafel’, zegt dat je zonder goede ingrediënten niet goed kunt koken. De stijl van een kok doet er niet toe: wie een betere smaak zoekt, zoekt de beste ingrediënten. ‘En dus,’ zegt Barber, ‘ben je op zoek naar goede landbouw.’ In Peru, waar gastronomie is uitgegroeid tot een erezaak en een kwestie van zelfrespect, wordt meer dan 70 procent van wat men aan tafel eet – fruit, groenten, granen, knollen en peulvruchten – door kleine boeren geproduceerd. De boom van de Peruaanse keuken, die het land de laatste tien jaar met trots vervulde, is de boom van de ingrediënten van de Peruaanse keuken. Toch heeft de regering maar 2,3 procent in de begroting van 2015 gereserveerd voor kleinschalige landbouw, het laagste percentage sinds 2010.

    Alles vers

    Het echte thuisland van een mens is niet zijn jeugd: het is het eten uit zijn jeugd. Op een zondagmorgen om zeven uur, voordat de werkdag begint, zet Hancco’s vrouw ons dit ontbijt voor: rijstepap, brood met gebakken ei, eigen oogst aardappels, alpacakarbonaadjes en aardappelmeelsoep – een paar bittere aardappels die door het barre weer zijn uitgedroogd met wat schapenvlees. Hancco en zijn zonen Hernán en Wilfredo, die de hele dag op het land moeten werken, nemen twee keer van de soep. Hancco wijst naar de borden, kijkt me aan en zegt dan in het Spaans: ‘Kijk, vers vlees. Verse aardappel. Vers water. Alles vers.’ Hancco grapt dat hij, als hij jonger was, in de stad of in een ander land zou gaan wonen. Maar vraag je hem er in ernst naar, dan zegt hij nee, hij zou zijn dieren niet in de steek laten. En hier, zegt hij, eet hij tenminste wat hij wil. Hier eet hij aardappel, varkensvlees, alpaca, cavia, konijn. In de stad is het een en al vermicelli, rijst, koekjes. ‘Dat is geen voedsel, maar chemische troep,’ zegt hij in het Quechua, terwijl Hernán vertaalt.

    El Señor de las Papas was twee keer in Italië, op uitnodiging van Slow Food, een internationale beweging die ageert tegen industrieel voedsel en zich inzet voor het herstel van de smaak en de traditionele voedselproductie. Met behulp van de Peruaanse Bond van Ecologische Boeren en Slow Food konden Hancco en zijn zonen honderden zakken chips van inheemse aardappels bereiden en verpakken om in Italië te verkopen. Inmiddels worden zijn landbouwtechnieken, dezelfde die de boeren van de Andes eeuwenlang in praktijk brachten en die Hancco vervolmaakte voor zijn eigen aardappelsoorten, erkend als ecologisch productiesysteem.

    Steeds als Hancco aan een evenement in Peru deelneemt, krijgt hij te horen dat zijn werk belangrijk is voor iedereen. De laatste vijftien jaar kregen Hancco en de andere boeren uit de streek steun van ngo’s om hun aardappels te telen en verkopen, aan water te komen, aanpassingen te zoeken voor de gevolgen van de klimaatverandering en richtlijnen te ontwikkelen voor de toekomst van het familiebedrijf. Julio Hancco oogstte erkenning, er hangen een paar krantenartikelen bij zijn zonen in de kamer, hij ontving veel bezoek van buitenlanders, maar tot noemenswaardige maatregelen van regeringszijde heeft het niet geleid. Er is nauwelijks iets veranderd in de arbeidsvoorwaarden, ook niet voor de duizenden andere boeren die net als hij overal ter wereld om hun werk worden bewonderd.

    Auteur: Eliezer Budasoff
    Vertaler: Barber van der Pol

    Eliezer Budasoff is een Argentijnse auteur en redacteur. Zijn werk werd onder meer beloond met de Nuevas Plumas-prijs (voor krantenartikelen) en verscheen in vele grote Spaanstalige kranten.

    Etiqueta Negra
    Peru, maandblad, oplage 7000
    Een tijdschrift voor mensen met een springerige geest. Heeft de ambitie de New Yorker van Latijns-Amerika te worden.

  • Vijf manieren waarop de farmaceutische industrie haar macht misbruikt

    Vijf manieren waarop de farmaceutische industrie haar macht misbruikt

    Kanker kan in de nabije toekomst een ziekte worden die te genezen is. Maar de farmaceutische industrie belemmert onderzoek. Voor de grote concerns met een marktpositie net zo stevig als die van Google en Amazon, is het belangrijk snel nieuwe lucratieve producten op de markt te brengen. Een aanklacht van professor Karl Lauterbach.

    Bij uitdagingen voor de Duitse gezondheidszorg wordt meestal gedacht aan dementie of het tekort aan verplegend personeel. Kanker is daarentegen een taboeonderwerp. Echter, 60 tot 70 procent van de kankergevallen is niet te voorkomen, ook al is de preventie nog zo goed; een op de twee volwassenen uit de generatie babyboomers zal op enig moment in zijn leven kanker krijgen. Mensen uit de generaties daarvoor zijn meestal aan andere ziekten gestorven, terwijl de kinderen van de babyboomers waarschijnlijk de eersten zullen zijn die vrijwel allemaal kunnen genezen van kanker.

    Wetenschappelijk onderzoekers uit de generatie babyboomers ontraadselen momenteel de fascinerend logische, maar dodelijke wetten van de ziekte. Zij zullen echter in veel gevallen nog niet gered kunnen worden door deze inzichten. Zij vormen een sandwichgeneratie. Kanker is hun epidemie.

    In de afgelopen tien jaar zijn er al veel nieuwe medicijnen tegen kanker ontwikkeld waarmee een behandeling op maat kan worden gegeven. Chemotherapie tast zowel gezonde als zieke cellen aan, de nieuwe medicijnen alleen de voor kwaadaardige groei noodzakelijke interne communicatie van de kankercellen of de communicatie met het immuunsysteem. Al deze innovatieve geneesmiddelen – of het nu gaat om antistoffen, tyrosinekinaseremmers of checkpointremmers – kosten echter jaarlijks tussen de 50.000 en 150.000 euro per patiënt.

    Jubelstemming

    Tot nog toe zijn er in Duitsland maar weinig van deze middelen op de markt, en ze helpen ook maar een minderheid van de kankerpatiënten. Al in 2017 gaan in de VS nog eens 120 medicijnen de laatste fase van klinisch onderzoek in, en dat zullen er in de toekomst nog veel meer worden. Bij de farmaceutische concerns heerst een jubelstemming, want de nieuwe medicijnen tegen kanker drijven de aandelenkoersen van de bedrijven op, en zelfs met geneesmiddelen tegen zeldzame kankersoorten worden miljardenwinsten gemaakt. Het is met afstand de lucratiefste markt voor de gehele branche, met winstmarges tussen de 25 en 50 procent.

    gettyimages 463580702

    Hoewel het behalen van een hoge omzet met innovatieve geneesmiddelen niet per se afkeurenswaardig is – het gaat om een groeimarkt in een verouderende maatschappij en er zijn eerste successen in de strijd tegen een tot nog toe ongeneeslijke ziekte – krijgen de concerns van de kankerindustrie momenteel toch zware kritiek te verduren. Toonaangevende kankerspecialisten en wetenschappers die deze medicijnen toepassen en voor een deel zelfs hebben ontwikkeld, zijn verontwaardigd. En inderdaad kunnen de farmaceutische ondernemingen vijf verwijten worden gemaakt:

    1. De hoge prijzen hebben niets te maken met het uiteindelijke profijt van de betreffende medicijnen. Gemiddeld verlengen ze het leven van de patiënten met slechts een paar weken of maanden. Zeldzame uitzonderingen zoals imatinib (Glivec) bij chronische myeloïde leukemie doen hier niets aan af. Tot genezing komt het bijna nooit, omdat de patiënten meestal na korte tijd resistent worden tegen de medicijnen; de tumor komt dan vaak des te sterker terug. Door agressieve marketing en daarop toegesneden studies wordt het profijt van de medicijnen stelselmatig door artsen en patiënten overschat. Er worden onrealistische verwachtingen gewekt.

    2. De hoge prijzen zijn niet te rechtvaardigen met het argument van hoge onderzoekskosten. De farmaceutische industrie beweert weliswaar per medicijn ontwikkelingskosten van meer dan een miljard dollar te hebben (aldus lobbyisten tegen leden van de Duitse Bondsdag), maar de daadwerkelijke onderzoekskosten bedragen slechts 100 à 200 miljoen dollar per medicijn, wat in de eerste maanden na toelating op de markt al weer is terugverdiend.

    In Duitsland zijn nieuwe medicijnen tegen kanker tot wel veertig keer zo duur als oude

    3. De concerns misbruiken hun macht op de markt. Er zijn maar vijf tot tien grote internationale ondernemingen die nieuwe geneesmiddelen tegen kanker op de markt kunnen brengen. Kleinere bedrijven zijn te traag in de toelatingsprocedure. Hun ontbreekt het geld en de invloed op wetenschappers en overheid. De kerncompetentie van de kankerindustrie is niet haar onderzoek, maar omvat haar kapitaal en haar contacten. Onderzoek naar kanker wordt onder enorme tijdsdruk en daardoor tegen zeer hoge kosten gedaan, en de toelating van medicijnen op de markt gebeurt steeds sneller, meestal al na slechts één klinisch onderzoek. De farmaceutische middenstand in Duitsland staat bij deze wedloop volledig buitenspel. Enkele grote concerns, in samenwerking met Amerikaanse topuniversiteiten, dicteren de prijzen van nieuwe geneesmiddelen tegen kanker voor de hele wereld. Hun marktpositie is net zo stevig als die van Google of Amazon.

    4. De farmaceutische bedrijven belemmeren zelfs vaak het onderzoek. Buitenstaanders denken dat de belangrijkste nieuwe geneesmiddelen in de oncologie afkomstig zijn van de researchafdelingen van die bedrijven. In werkelijkheid echter zijn ze het resultaat van onderzoek aan universiteiten en onderzoeksinstituten van de overheid. De belangrijkste nieuwe medicijnen tegen kanker zijn ontwikkeld door de Harvard Medical School, de Universiteit van Californië in Berkeley en de universiteiten van Oregon en Texas, in vrijwel alle gevallen met ondersteuning van het National Cancer Institute in Maryland. De farmaceutische bedrijven geven daarentegen slechts 1,3 procent van hun omzet uit aan fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Ze willen snel nieuwe lucratieve producten op de markt brengen. Zo worden reeds bekende werkzame stoffen enigszins gemodificeerd en voor nieuwe indicaties toegelaten, wat geld en wetenschappers onttrekt aan het dringend noodzakelijke fundamentele onderzoek. Terwijl de concerns de hoogste winsten uit de geschiedenis behalen, beklaagt Harold E. Varmus, voormalig directeur van het Amerikaanse National Cancer Institute, zich erover dat belangrijke fundamentele onderzoeken wegens geldgebrek worden gestaakt; projecten die uitmaken wanneer kanker te genezen zal zijn. In Duitsland is voor fundamenteel wetenschappelijk onderzoek zo weinig geld beschikbaar dat alleen nicheontwikkelingen mogelijk zijn. Daar komen nog overdreven hindernissen in verband met de privacybescherming bij, die het verzamelen van de noodzakelijke genetische informatie bij patiënten bemoeilijken. Al met al moet er veel meer geld in fundamenteel kankeronderzoek worden gestoken dan nu het geval is, om bijvoorbeeld te begrijpen hoe patiënten resistent worden tegen medicijnen. Pas dan zal de ziekte in de nabije toekomst daadwerkelijk te genezen zijn.

    5. De hoge prijzen zijn funest voor de gezondheidszorg. Toonaangevende Amerikaanse kankerspecialisten en de American Society of Clinical Oncology (ASCO) doen publiekelijk een beroep op de politiek en de farmaceutische industrie om de prijzen te verlagen, omdat ze anders hun patiënten niet meer kunnen behandelen. De financial toxicity van de nieuwe geneesmiddelen is ook een bedreiging voor onze gezondheidszorg. In Duitsland zijn de nieuwe medicijnen tegen kanker tot wel veertig keer zo duur als de oude. De extra kosten zullen door de voorziene combinatie van werkzame stoffen verder exploderen. Als we van de jaarlijks te verwachten 600.000 nieuwe kankerpatiënten maar ongeveer de helft met de nieuwe combinaties van medicijnen behandelen, moet er rekening worden gehouden met meerkosten tot wel 45 miljard euro per jaar.


    Uiteindelijk zouden veel patiënten maar enkele weken of maanden langer leven. Daarbij komt nog dat hun kwaliteit van leven door de innovatieve behandeling in vergelijking met een palliatieve behandeling of een minder agressieve chemotherapie vaak zelfs verslechtert. Tot nog toe zijn er ook geen gegevens beschikbaar die antwoord geven op de vraag of de op de Amerikaanse topuniversiteiten behaalde, vaak zeer geringe levensduurverlengingen ook in de dagelijkse praktijk blijken. Het ontbreekt aan gegevens, experts, kwaliteitsbewaking en vooral aan onafhankelijk onderzoek, ook na de toelating van de geneesmiddelen op de markt.

    In de coalitie [van CDU/CSU en SPD] hebben we dit megathema tot nog toe niet behandeld; er vindt een stroeve dialoog met de farmaceutische industrie plaats, waarbij het nog geen enkele keer over de nieuwe medicijnen tegen kanker is gegaan. De industrie ontwijkt het onderwerp. De huidige vergoedingsrichtlijnen van de verzekeraars hebben hun werking verloren. We moeten daarom ogenblikkelijk handelen.

    Noodzakelijk

    Noodzakelijk is een beter, langer onderzoek naar nieuwe geneesmiddelen tegen kanker voordat deze op de markt worden gebracht. De regels van het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) moeten onafhankelijk van de farmaceutische industrie worden herzien. En er moet verder onderzoek worden gedaan naar de behandelresultaten van de medicijnen, ook na de toelating ervan, om te voorkomen dat de verkeerde patiënten worden behandeld.

    Patiënten moeten realistisch en onafhankelijk van de farmaceutische industrie worden voorgelicht over de nieuwe therapieën; dan zouden veel mensen besluiten af te zien van de behandeling.

    De palliatieve geneeskunde moet worden geïntensiveerd voor ongeneeslijk zieke patiënten, en de strijd voor een betere preventie en vroegtijdige herkenning moet harder worden gevoerd, vooral tegen de tabaksindustrie. Roken veroorzaakt in Duitsland nog altijd een veelvoud van de sterfgevallen door kanker, die door deze gerichte therapie zouden kunnen worden gered.

    En ten slotte moet er een verlaging van de veel te hoge prijzen worden gerealiseerd. Om te voorkomen dat de landen van Europa tegen elkaar worden uitgespeeld, zou een nieuw op te richten centrale instelling Europese prijzen moeten vaststellen, net als bij de toelating. Daarbij zou het profijt van de geneesmiddelen moeten worden afgezet tegen alle alternatieven.

    Als we de prijzen voor de nieuwe geneesmiddelen tegen kanker ook in de toekomst laten dicteren door de industrie, dan moeten de miljarden op een andere plek worden bezuinigd, bijvoorbeeld in de verpleging of bij de preventie. Voor de prijs van een behandeling die het leven vaak maar met enkele weken verlengt, kunnen enkele verpleegkundigen een jaar lang worden betaald.

    Auteur: Karl Lauterbach
    Vertaler: Pieter Streutker

    Karl Karl Lauterbach (52) is arts en hoogleraar Gezondheidseconomie en klinische epidemiologie aan de Universität Köln. Hij is ook de gezondheidsdeskundige van de SPD-fractie in het Duitse parlement. Zijn nieuwe boek Die Krebs-Industrie – wie eine Krankheit Deutschland erobert is onlangs bij Rowohlt Verlag verschenen.

    Der Spiegel
    Duitsland, weekblad, oplage 976.000
    Een belangrijk onderzoekstijdschrift, opgericht in 1947 en uiterst onafhankelijk, dat verscheidene politieke schandalen aan het licht heeft gebracht.