Tag: LITERATUUR

  • Een bul in de bajes: maffiosi verlaten cum laude de gevangenis

    Een bul in de bajes: maffiosi verlaten cum laude de gevangenis

    In zwaar beveiligde gevangenisafdelingen volgen criminele die lange straffen uitzitten een studie om de tijd te doden. Zo ontstond de meest hoogopgeleide generatie maffiosi ooit.

    Er is een maffia die in niets lijkt op de maffia zoals we die kennen, te weten onbehouwen en dom: die van Bernardo Provenzano’songrammaticale en cryptische pizzini [gecodeerde briefjes waarmee maffiosi onderling communiceren], of de boerse maffia van Totò Riina, iemand die zichzelf graag aan anderen mocht voorstellen met de mededeling dat hij slechts lagere school had gehad. 

    In hun schuilplaatsen hadden ze altijd wel een Bijbel, en soms troffen degenen die voortvluchtigen opspoorden in een enkele lade exemplaren aan van I Beati Paoli [een historische roman over een middeleeuwse Siciliaanse sekte die door sommigen wordt gezien als voorloper van de maffia] of Calvello il bastardo van William Galt, alias Luigi Natoli. Voor hen heilige teksten, eerder maffialiteratuur dan literatuur óver de maffia. Andere lectuur werd niet aangetroffen.

    900x1200
    Historische roman over een middeleeuwse Siciliaanse sekte die door sommigen wordt gezien als voorloper van de maffia.

    Maar de bazen die zijn opgegroeid in de schaduw van de Corleonesi hebben geen voorbeeld genomen aan diezelfde Corleonesi. In moeilijke tijden zochten ze hun toevlucht tot scholing, en in de kwarteeuw dat ze opgesloten zaten in cellen die niet veel meer dan holen zijn, bevonden ze zich uitsluitend in het gezelschap van Fjodor Dostojevski en de gebroeders Karamazov, Lev Tolstoj, Italo Svevo, Boris Pasternak, Luigi Pirandello, Duitse filosofen, protestantse theologen, Virgilius en Immanuel Kant.

    En zo ontstond op de extra beveiligde gevangenisafdelingen de hoogstopgeleide generatie maffiosi ooit. Begerig naar kennis verslinden de zonen van het ‘41 bis-regime’ [‘hard gevangenisregime’ oftewel isolement, naar artikel 41 bis van de Italiaanse wet op het gevangenisbeheer], alles wat aan papier is toevertrouwd. Ze zijn frequente bezoekers van gevangenisbibliotheken en ze pressen hun advocaten dagelijks om aanklagers en rechters-commissarissen te bewegen hun verlof en gunsten te verlenen door universiteitsdiploma’s en studiepunten te overleggen.

    De wet heeft de deuren van hun cellen voor altijd gesloten, maar die van het onderwijs wijd geopend

    Laatste in de rij is de boss Filippo Graviano, die zijn verzoekschrift vergezeld deed gaan van zijn bul in de economie en een certificaat van deelname aan een cursus finance. Terwijl buiten steeds minder wordt gelezen, lezen ze binnen steeds meer. De mannen van de oude ‘Cupola’ [de commissie van maffiabazen] leren, verdiepen zich in de geschiedenis en de mysteries van het geloof en studeren cum laude af in de geesteswetenschappen. De wet heeft de deuren van hun cellen voor altijd gesloten, maar die van het onderwijs wijd geopend. 

    Onkruid

    Veelzeggend is het verhaal van Giuseppe Grassonelli, opgetekend door collega Carmelo Sardo in Malerba (Onkruid), een prachtig boek over de Agrigentijnse boss van Porto Empedocle. Toen hij voor de eerste keer naar het eiland Pianosa werd gestuurd, op 15 november 1992, vond hij onder het matras van zijn brits een exemplaar van Oorlog en vrede. Hij begon het te lezen, maar begreep de woorden niet en barstte van wanhoop in tranen uit.

    81xhxJVXF0L
    De memoires van Grassonelli met als titel Malerba (onkruid) als bijnaam.

    Om te ontkomen aan de hel van zijn nooit eindigende straf begon hij te studeren. Na vijftien jaar isolement studeert hij af op ‘De Napolitaanse revolutionaire opstanden van 1799 en het “oproer” in de provincies van het Koninkrijk’. Na een eerste graad in de letteren zal Grassonelli binnenkort ook zijn tweede krijgen, in de filosofie. Het is de culturele revolutie van de Siciliaanse maffia.

    Een ander die aanvankelijk amper in staat was zijn handtekening te zetten, is de beroemde Gaspare Spatuzza, de maffioso uit Palermo die nep-spijtoptant Vincenzo Scarantino ontmaskerde en wiens bekentenis leidde tot de herziening van het proces inzake de moordaanslag op antimaffiarechter Paolo Borsellino. Tegenwoordig kleedt hij zich altijd in het zwart, als een priester, en in zijn boekenkast staan Misdaad en straf, boeken van de Italiaanse filosofen Giovanni Reale en Dario Antiseri, en de geschriften van Joe Dispenza over kwantumfysica. 

    De laatste keer dat hij buiten de gevangenis werd gezien, was in de buurt van Misilmeri, een dorp in de buurt van Palermo waar hij samen met een vriend een man had laten oplossen in zoutzuur. Zijn handlanger vertelde de rechters tot in detail over de moord en zei over Spatuzza: ‘Meteen na de moord had Gaspare honger en vroeg me om iets te gaan kopen; hij zette zijn tanden in een broodje, at met één hand en roerde met de andere.’ Dus met de ene hand hield hij zijn sandwich vast en met de andere hand roerde hij met een houten pollepel in de kuip waarin het lijk aan het oplossen was. Een macaber verleden. Volgens iedereen die bekend is met de wreedheden uit zijn vroegere leven is Gaspare een ander mens geworden. 

    Cum laude

    Calogero, een van broers van Giovanni Brusca [de maffioso die onder meer de bom tot ontploffing bracht die een einde maakte aan het leven van openbaar aanklager Giovanni Falcone], heeft zich ingeschreven bij de letterenfaculteit. Antonio Tusa, de neef van Piddu Madonia, de boss van Caltanissetta, heeft zich ingeschreven bij landbouwkunde; de maffiosi Giancarlo Giugno uit Niscemi en Carlo Marchese uit Riesi schreven zich in bij respectievelijk geneeskunde en rechten. 

    Tommaso Spadaro, de ‘koning van Kalsa’ (een wijk in Palermo), studeerde niet lang voor zijn dood op 72-jarige leeftijd af in de gevangenis van Spoleto, waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzat voor de moord op een onderofficier van politie. Hij was een voormalig sigarettensmokkelaar en de bazen hadden hem bij de Porta Nuova-familie gehaald vanwege zijn schepen en zijn oude contacten met de Camorra. Don Masino, oftewel Tommaso Buscetta, studeerde op een haar na cum laude af. De titel van zijn scriptie luidde: ‘Het mensbeeld in het gedachtengoed van Gandhi’. 

    Levenslange gevangenisstraf of niet, de leden van de cosa nostra zijn ervan overtuigd dat ze vroeg of laat vrij zullen komen

    Maar wat drijft maffiosi er, naast de beperkingen van het 41 bis-gevangenisregime, toe om zo waanzinnig hard te studeren? Deskundigen zeggen: levenslange gevangenisstraf of niet, de leden van de cosa nostra zijn ervan overtuigd dat ze vroeg of laat vrij zullen komen. 

    Een paar jaar geleden kwamen de kranten met het opzienbarende nieuws dat Pietro Aglieri van de Corleone-clan cum laude was geslaagd voor zijn tentamen over de geschiedenis van het christendom, en dat hij in de Rebibbia-gevangenis zelfs complimenten had gekregen van de drie professoren in de commissie. Geen al te grote opgave voor de grootste filosoof van de Siciliaanse maffia, strateeg van de ‘zachte dissociatie’ (spijtoptant zijn zonder iemand te beschuldigen) die hij de toenmalige nationale antimaffia-aanklager Pierluigi Vigna beloofde. Hij was al sinds zijn actieve leven ten prooi aan een mystieke crisis, woonde in een hol waar hij een altaar had laten bouwen en kreeg terwijl hij werd gezocht bijna dagelijks bezoek van een monnik van de Orde van Ongeschoeide Karmelieten. 

    Aglieri had laten weten dat hij, als hij zichzelf ooit zou aangeven, niet naar de politie zou stappen maar naar de aartsbisschop van Palermo, Salvatore De Giorgi. Wat had hij, in de tijd dat hij voortvluchtig was, beter kunnen lezen dan het complete oeuvre van Edith Stein, de Duitse karmelietes en filosofe die in 1942 stierf in Auschwitz? Een maffiose intellectueel avant la lettre. 

    Net als die ander, als het tenminste waar is wat hem wordt toegeschreven, de beruchte, ongrijpbare Matteo Messina Denaro, hoofdrolspeler in een indrukwekkende correspondentie met Antonino Vaccarino, voormalig burgemeester van Castelvetrano en eigenaar van een bioscoop, die werd gearresteerd voor drugshandel. In opdracht van de geheime dienst schreef burgemeester Vaccarino onder het pseudoniem Suetonius brieven aan een mysterieuze ‘Alessio’, die niemand minder was dan Matteo. 

    Hij citeerde de Aeneis, bediscussieerde Toni Negri, beschouwde Bettino Craxi als ‘de beste politicus die Italië heeft gekend’. En hij haalde, vanuit zijn optiek niet te onpas, in elke brief de woorden aan van [de Braziliaanse schrijver] Jorge Amado: ‘Er is niets lagers dan rechtspraak die twee handen op één buik is met de politiek.’

    Het is een genuanceerde manier van denken die botst met de botheid van een Totò Riina, de primitiviteit van een Leoluca Bagarella en het groteske taalgebruik van Provenzano in zijn cryptische briefjes aan vrienden: ‘Sendi, kan jij me zeggen, jouw maat, die we in de lente ontmoet hebben, hij zal het wel weten, die groente, die we cichorei noemen, als hij kan vinden waar de aarde die cichorei draagt, kan hij dan wat zaadjes voor me bewaren, voor als het ontploft?’ Enzovoort.

    Doctorandus

    Die herontdekte berichten, en zijn manie – of wellicht was het noodzaak, om dreigende telefoontaps en andere afluistermethodes te omzeilen – om velletjes papier vol te kladden, kwamen Provenzano zelfs op een sneer van Riina te staan: ‘Mijn dorpsgenoot? Een beste man, al schrijft hij te veel.’

    Maar een mens verandert niet altijd door scholing. Zo is Cesare Lupo, maffioso uit Brancaccio en zwager van de bazen Giuseppe en Filippo Graviano, tijdens zijn opsluiting in Catanzaro afgestudeerd aan de Magna Graecia-universiteit met een scriptie over ‘Afpersing’. Hij wilde zijn diploma met champagne vieren, de gevangenis-directeur gaf hem een cola. Lupo was zo’n grote kenner van afpersing dat hij kort na zijn vrijlating opnieuw voor eenzelfde misdaad werd gearresteerd door agenten van de recherche van Palermo. 

    Dertig jaar na alle bloedbaden zijn ze allemaal ‘doctorandus’

    Dertig jaar na alle bloedbaden zijn ze allemaal ‘doctorandus’, de bazen van de cosa nostra. Wie weet, misschien hebben ze de oude Luciano Liggio tot voorbeeld genomen, de eerste maffiagevangene die een paar boeken in zijn cel had. Toen hij in de jaren zeventig werd gehoord door de parlementaire antimaffiacommissie, liet Liggio zich voorstaan op zijn kennis: ‘Ik heb van alles gelezen, over geschiedenis, filosofie, pedagogiek. De klassiekers. Ik heb Charles Dickens en Benedetto Croce gelezen.’ Om vervolgens, implicerend dat hij nooit een bekentenis zou ondertekenen, geheimzinnig te fluisteren: ‘Maar wie ik het meest bewonder is Socrates, iemand die nooit iets heeft geschreven, net als ik.’ 

    GettyImages 174303425
    Arrestatie van de crimineel Luciano Leggio in Milaan, 1974. © Adriano Alecchi / Mondadori / Getty
  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen, of online te vinden zijn.

    Popicoon keert terug naar zijn oorsprong 

    Roman verpakt in een liedje van drie minuten

    MUZIEK | Experimenteren en het verkennen van genres vormt een rode draad in de ruim veertigjarige carrière van de Britse singer-songwriter Elvis Costello (67). Althans, zo denkt Tony Clayton, criticus van The Irish Times, erover. Daarom is het volgens Clayton een verademing dat Costello met zijn nieuwste, tweeëndertigste album A Boy Named If teruggrijpt naar de postpunk en new wave van eind jaren zeventig: ‘Met songs die meteen vlam vatten en daarna aangenaam blijven smeulen.’

    In The Sydney Morning Herald schrijft Barry Divola dat Elvis Costello (artiestennaam van Declan MacManus) de critici die hem de laatste jaren een terugkeer naar de stijl van zijn allereerste platen adviseerden op hun wenken bedient. ‘Hoewel hij switcht tussen psychede-lische rock, geëxalteerde ballads en theatrale songs, blijft het album coherent en wordt het nergens gekunsteld.’

    Ook Eric Debarnot van de Franse cultuursite Benzine concludeert dat Costello na talrijke omzwervingen terug is bij zijn oude liefde, ‘energieke rock met venijnige en zelfs gewelddadige songteksten’. Of de muzikant in zijn hang naar nostalgie zichzelf kopieert? ‘Welnee, daar zijn de songs veel te sterk voor en zijn teksten te briljant en urgent.’

    ‘Wie durft er te beweren dat Costello een leeftijd heeft bereikt om gas terug te nemen?’ schrijft John Murphy op de Britse site musicOMH. De muzikant komt naast het album namelijk ook met een kinderboek vol sprookjes voor volwassenen rond hoofdpersonage If (Imaginary Friend). Heel toepasselijk, vindt Murphy: ‘Want Costello is er een meester in om verhalen te verpakken in liedjes van drie minuten. Luister maar naar My Most Beautiful Mistake, daar zit haast een hele roman in.’ 

    Elvis Costello & The Imposters, A Boy Named If is eind januari verschenen.

    Door Diederik Samwel

    Elvis Costello


    Odyssee van een moderne gastarbeider

    Klimaatfictie over wereldwijde honger naar energie

    LITERATUUR | Wenzel werkt al jaren op een olieplatform, wanneer voor de kust van Marokko zijn liefdespartner Mátyás verdwijnt, overboord geslagen tijdens een storm. De directie overweegt niet eens een reddingspoging, waarop Wenzel ontslag neemt en door Europa gaat reizen. Om Mátyás’ familie te bezoeken, zijn verleden onder ogen te komen en zichzelf te vinden. Dat is het uitgangspunt van Hoe hoog het water stijgt, de debuutroman van de Duitse dichter Anja Kampmann. 

    Kampmanns eigenzinnige taalgebruik, ongewone beelden en vreemde gedachtensprongen zorgen voor een ongrijpbaar gevoel van ongefundeerdheid, vindt Andrea Heinz in Der Standard: ‘Precies zoals Wenzel zich moet voelen.’ Heinz beschouwt het boek als een aanklacht tegen het kapitalisme. ‘Hoe bedrijven rijk worden door de wereldwijde honger naar energie, terwijl dat ten koste gaat van de arbeiders.’ Fiona Bell van Chicago Review komt tot dezelfde conclusie. Al moest ze ook denken aan de boeken van James Baldwin en andere ‘grote gay romans’. Met dit verschil dat Kampmann homoseksualiteit niet probeert af te zetten tegen opvattingen in een heteromaatschappij of cultuur- of klassenverschillen wil aanstippen, schrijft Bell. 

    Anja Kampmanns debuutroman Hoe hoog het water stijgt verscheen half februari bij Prometheus, 
    in vertaling van Roland Fagel.

    Door Diederik Samwel


    Felle kritiek op Nollywood na nieuwe release

    Na dertig jaar wil het publiek iets nieuws 

    SERIE | Na de release van de Nigeriaanse serie Chief Daddy 2 op Netflix ging er een storm van tweets onder de hashtag #WeWantNewNollywood de sociale media over, meldt OkayAfrica. De eerste reeks van de komedie bracht 385 miljoen naira (ruim 800.000 euro) op en in Nigeria werd reikhalzend uitgezien naar het vervolg. Maar fans spotten met ‘de montage, het acteerwerk en de dunheid van de plot’, aldus de Afrikaanse culturele en politieke nieuwssite. Nollywood-films zouden steeds hetzelfde recept toepassen: populaire acteurs, welvarende buitenwijken en droneopnames van oriëntatiepunten. ‘Dit zijn legecalorieënproducties’, aldus de site.

    Ook Africa Arguments uitte felle kritiek: ‘De Nigeriaanse filmindustrie is grotendeels gebouwd op het nastreven van de grootst mogelijke commerciële levensvatbaarheid, in plaats van artistieke expressie en integriteit’. Het pan-Afrikaanse platform brengt in herinnering dat Nollywood werd geboren na een film uit 1992, Living in Bondage, over een man die zijn vrouw ritueel offerde om rijk te worden. Na het plotselinge succes volgde een hele reeks films die alle waren gebaseerd op het ‘goed triomfeert over kwaad’-principe.

    De site merkt ook op dat Nigeria, ondanks het feit dat het de op een na grootste filmindustrie ter wereld heeft, geen geloofwaardige filmscholen heeft. ‘Er is ruimte nodig voor kritiek en discussie, zoals filmclubs en filmfestivals. Kortom, het land moet investeren in zowel zijn toekomstige filmmakers als zijn toekomstige bioscoopbezoekers’, om tegemoet te komen aan een veeleisender publiek. 

    Chief Daddy 2 is te zien op Netflix.

    Door Laura Weeda

    wp 1641033115587647185584885767074


    Het verleden heeft een toekomst’

    Raoul Peck doorbreekt opnieuw de stilte 

    DOCUMENTAIRE | ‘Het bestaan van deze film is een wonder,’ verklaart de Haïtiaanse filmmaker Raoul Peck in de vierde en laatste aflevering van zijn nieuwe documentairereeks Exterminate All the BrutesThe Intercept beaamt zijn uitspraak. ‘Tot voor kort was het onmogelijk voor te stellen dat een van de grootste bedrijven ter wereld – [kabel- en satellietoperator] AT&T, eigenaar van HBO (…) – zo’n film zou financieren en uitzenden.’ Time spreekt van ‘de meest radicale en intellectueel stimulerende documentaire die ooit voor televisie is gemaakt’.

    In 2017 werd Peck meermaals bekroond voor zijn documentaire I Am Not Your Negro, geïnspireerd op de geschriften van James Baldwin. Met zijn nieuwe werk neemt hij ons mee op ‘een geweldige reis door de tijd en over continenten’, aldus het Amerikaanse weekblad The Nation. ‘De serie is een onverbiddelijke aanklacht tegen racisme, genocide, kolonialisme en de plunderingen van het imperialistische en postimperialistische kapitalisme.’ Peck ‘interpreteert de geschiedenis als het verslag van de overwinnaars en beschouwt de Amerikaanse nationale mythologie als fictie gebaseerd op verondersteld racisme’, schrijft The New Yorker.

    Bij de manier waarop hij dit doet, heeft onder meer The New York Times bedenkingen. Behalve de ‘enigszins monotone vertelling’ betreurt het dagblad ‘de neiging van documentaires om ideeën uit te buiten die in een korte film meer kracht zouden hebben’. Veel van de door de filmmaker ontwikkelde argumenten zijn al bekend, vervolgt de krant. Het resultaat zou daarmee niet ten goede komen aan een didactiek.

    The Nation denkt daar anders over. ‘Het verleden heeft een toekomst’, kopt het blad. ‘Voor Peck is het doel (…) om het bewustzijn te vergroten en verandering teweeg te brengen’, benadrukt The New Yorker. ‘Wat hier aan de kaak moet worden gesteld is niet zozeer de realiteit van de genocide op de inheemse Amerikanen, of de realiteit van slavernij, of zelfs de realiteit van de Holocaust; wat aan de kaak moet worden gesteld zijn de gevolgen van deze realiteiten in ons leven en ons leven van vandaag’, aldus Peck zelf.

    Hoewel The New Yorker de kritiek van The New York Times deelt, is het eindvonnis positief: ‘De stilte doorbreken is het doel van de film, en dat is gelukt. Hoe Peck het verhaal van witte suprematie vertelt is minder belangrijk dan de alomvattende en indringende kijk die hij biedt.’ 

    Exterminate All the Brutes is onder meer te zien op Arte.tv

    Door Laura Weeda

    9a723a56 7579 4b77 aa63 c9367fba5d16


  • De culturele revolutie van 1922, het jaar dat ons denken voorgoed veranderde

    De culturele revolutie van 1922, het jaar dat ons denken voorgoed veranderde

    Precies een eeuw geleden publiceerden James Joyce, T.S. Eliot, Ludwig Wittgenstein en Virginia Woolf werken die de koers van de moderne roman, poëzie en filosofie van richting veranderden.

    ‘Wie vraagt zich af of Kritiek van de zuivere rede is geschreven in het jaar zeventienhonderd zus of zeventienhonderd zoveel?’ Dat zei Ludwig Wittgenstein tegen Bertrand Russell toen hij had gehoord dat zijn Tractatus logico-philosophicus voor de zoveelste keer was geweigerd. Hij was tweeëndertig en overtuigd van de waarde van zijn werk: ‘Ik denk dat ik een definitieve oplossing heb voor onze problemen.’ Hij doelde op niets minder dan de problemen waarmee de filosofie al eeuwenlang worstelde. Vandaar dat hij er niet om maalde dat zijn boek over ‘twintig dan wel honderd jaar’ uitgegeven zou worden. Waar hij geen zin in had, was om zelf voor de kosten op te draaien. ‘Het was aan mij om dit boek te schrijven; het is nu aan de wereld om het via de gebruikelijke weg te aanvaarden.’ Uiteraard was geld niet het probleem: Wittgenstein kwam uit een van de rijkste families van Europa. Het probleem was zijn ‘arrogantie’, zo zei hij zelf, plus de overtuiging dat de filosofische goegemeente nog niet klaar was voor die krap honderd pagina’s. Tot de groep mensen die er niets van zouden begrijpen behoorden de hoogleraren en, tot zijn verdriet, een van hen in het bijzonder: de door hem zo bewonderde Gottlob Frege, de goeroe van de wiskundige logica. ‘Hij begrijpt niets van mijn werk en ik weet niet hoe ik het hem nog moet uitleggen,’ schreef hij in een brief.

    De Tractatus was in 1918 voltooid, maar het werk zou pas in oktober 1921 worden gepubliceerd in het tijdschrift Annalen der Naturphilosophie. De titel was in het Duits vertaald en de tekst was voorzien van een voorwoord van Russell, die het werk omschreef als ‘een gebeurtenis die geen enkele serieuze filosoof aan zich voorbij zou mogen laten gaan’. De Britse denker was een van de toonaangevende intellectuelen van Europa en had zijn faam aangewend om de tekst van zijn vriend gepubliceerd te krijgen. Deze had toen al besloten zijn academische carrière vaarwel te zeggen om te gaan werken als tuinman in een klooster vlak bij Wenen. Ofschoon zijn mentor in Cambridge had geluisterd naar Wittgensteins norse instructies – ‘ik ga niet langer mijn best doen om het onder te brengen bij een uitgeverij (…), doe ermee wat je wilt’ – aarzelde Wittgenstein niet om de publicatie vervolgens te bestempelen als een ‘pirateneditie’ en de uitgever een ‘oplichter’ van formaat te noemen. Desalniettemin stemde hij in met een tweetalige editie die in 1922 in Londen werd uitgegeven, dit keer met de Spinoza-achtige titel in het Latijn, op voorstel van een andere vooraanstaande collega, George Edward Moore. Wittgenstein, die niet tevreden was over de vertaling, had inmiddels een nieuwe baan in het Oostenrijkse dorpje Trattenbach, niet ver van de Hongaarse grens, waar hij onderwijzer was op een lagere school. Daar begon hij met het schrijven van een Wörterbuch für Volksschulen, het enige werk dat naast de Tractatus tijdens zijn leven werd gepubliceerd. Nog datzelfde cursusjaar werd er een seminar aan gewijd op de Universiteit van Wenen en vijf jaar later werd het uitgegeven in het Chinees.

    Annus mirabilis

    De perikelen rondom de uitgave van Wittgensteins debuut laten zien hoe willekeurig jaartallen zijn. Het zou goed kunnen dat niemand zich in de toekomst afvraagt in welk decennium van de twintigste eeuw het werd uitgegeven, maar feit is dat 1922 dankzij de publicatie in boekvorm het annus mirabilis van de westerse cultuur werd. In dat jaar verschenen er nog twee werken die voor een revolutie zorgden in de romankunst en de poëzie: Ulysses van James Joyce en The Wasteland [in het Nederlands vertaald als Het barre land] van T.S. Eliot. Wat waren de overeenkomsten? Ze werden geschreven na de Eerste Wereldoorlog, ze waren het product van persoonlijke crises, ze geven uitdrukking aan de desintegratie van de aangename ‘wereld van gisteren’ en ze laten zien dat de oorlog zich op andere wijze voortzette op een ander soort slagveld: de taal.

    ‘De mensen keerden met stomheid geslagen terug van het slagveld,’ schreef [de Joods-Duitse filosoof] Walter Benjamin. ‘Ze waren niet in staat om te communiceren over wat ze hadden meegemaakt.’ Goede economische, materiële, morele en politieke vooruitzichten waren verdwenen als gevolg van inflatie, hongersnood, tirannie en de loopgravenoorlog. ‘Een generatie die nog met de paardentram naar school was gegaan, stond weerloos in een landschap waarin met uitzondering van de wolken alles anders was geworden; en in het midden daarvan, in een krachtenveld van verwoestende explosies en stromingen, bevond zich het nietige, broze menselijk lichaam.’ Wat er tussen 1914 en 1918 was gebeurd had het denken lamgeslagen, een gevoel dat [de Oostenrijkse schrijver] Hugo von Hofmannsthal al een decennium eerder tot uitdrukking had gebracht in zijn beroemde Brief van Lord Chandos: ‘Er is, kort samengevat, het volgende met mij aan de hand: ik ben het vermogen om te kunnen denken of coherent ergens over te kunnen praten volledig kwijtgeraakt.’ Iets soortgelijks deed zich in 1922 voor in de Spaanse taal, toen [de Peruaanse dichter] César Vallejo zijn radicale dichtwerk Trilce publiceerde. In datzelfde jaar, maar dan aan andere kant van het esthetisch spectrum, kreeg Jacinto Benavente de Nobelprijs voor de Literatuur ‘vanwege de voorbeeldige wijze waarop hij de illustere traditie van het Spaanse toneel heeft voortgezet’.

    Het onzegbare bestaat uiteraard, maar drukt zich niet uit: het toont zich

    Ludwig Wittgenstein, die de structuur van zijn Tractatus aan het Poolse front op papier zette, hield vol dat alleen mensen die ooit zélf identieke of vergelijkbare gedachten als hij hadden gehad zijn boek konden begrijpen. Dat wil zeggen dat wat gezegd kan worden helder kan worden gezegd en dat waarover men niet kan spreken men moet zwijgen. Waar Kant probeerde de grenzen van het kenvermogen van de mens aan te tonen, probeerde Wittgenstein helder te omschrijven wat wel of geen zinvolle taal is. Hij was ervan overtuigd dat er een relatie bestond tussen de structuur van de werkelijkheid en de structuur van taal, en hij was van mening dat een grondige analyse van de taal de filosofie zou beperken tot taalkritiek. Al het andere – ethiek, esthetiek, psychologie, religie – zou onderwerp worden van speculatie, intuïtie, pseudokennis. Het onzegbare bestaat uiteraard, maar drukt zich niet uit: het toont zich. ‘Dat is het mystieke.’

    Wittgenstein was net zo overtuigd van het belang van zijn werk als James Joyce dat was van het zijne. Van het belang én van de moeilijkheidsgraad. De boutade van de Ierse auteur dat hij zijn werk had geschreven om specialisten driehonderd jaar lang te entertainen is beroemd. Hij nam het klassieke verhaal bij uitstek, de Odyssee, dat hij sublimeerde, parodieerde, demonteerde en verdichtte. De tien jaar die de homerische held erover deed om zwervend van eiland naar eiland uiteindelijk terug te keren naar huis, werden in Ulysses teruggebracht tot één dag (16 juni 1904) en één stad (Dublin). 

    Aan de hand van dialogen, monologen, traditionele vertellingen, grapjes, naast elkaar geplaatste citaten, reclameslogans, diepe overpeinzingen en nauwkeurige beschrijvingen verhaalt de roman van de lotgevallen en gedachten van Stephan Dedalus, Leopold Bloom en Marion (Molly) Bloom, de vrouw van Stephan. Om er geen twijfel over te laten bestaan dat de drie hoofdpersonen Joyce’ persoonlijke versie van Telemachus, Odysseus en Penelope waren, stuurde Joyce naar twee van zijn vrienden een overzicht van beide werken met daarin de overeenkomsten tussen zijn werk en dat van Homerus: de impliciete titels van de episoden, de tijdstippen waarop ze plaatsvinden, de literaire technieken die hij in elk daarvan had gebruikt en hun relatie met delen van het menselijk lichaam, de kunst, de wetenschap en symbolen. Het eiland van Calypso zou Blooms huis zijn, het eiland van Circe een bordeel, de smalle zeestraat van Scylla en Charibdis de Nationale Bibliotheek en het land van de Cyclopen een pub.

    Marcel Duchamp

    Het is geen toeval dat een andere belangrijke beeldenstormer, vader van de hedendaagse kunst Marcel Duchamp, tussen 1915 en 1923 aan een kunstwerk werkte dat vaak wordt beschouwd als zijn particuliere versie van Penelopes verzet tegen haar vrijers: La mariée mise à nu par ses célibataires, même (The large glass). Terwijl de beeldende kunsten in plaats van het doek en het marmer nu vluchtig en broos materiaal zoals het menselijk lichaam begonnen te gebruiken, diende zich in de literatuur de crisis van het traditionele realisme aan. De wereld was aan diggelen gevallen en niemand kon nog met goed fatsoen en uit volle overtuiging de lof zingen van de zegeningen van haar harmonie. In misdaadromans begon de taal waarin ze waren geschreven de hoofdverdachte te worden. Is het niet in hoge mate symbolisch dat Duchamps glaswerk van bijna drie meter tijdens een verhuizing doormidden brak?

    Toen Virginia Woolf de klassieke roman Nacht en dag (1919) publiceerde, nadat ze in de gedurfde roman De uitreis (1915) ‘een zo gevarieerd en ongeordend levenstumult als maar mogelijk was’ had nagestreefd, kwam [de Brits-Nieuw-Zeelandse schrijfster] Katherine Mansfield met een scherpzinnig oordeel: ‘We dachten dat deze wereld voorgoed was verdwenen, dat het onmogelijk was haar nog te vinden in de grote oceaan van de literatuur, een boot die zich niet bewust is van wat er was gebeurd. Maar hier hebben we Nacht en dag, fris, nieuw, subliem, een roman in de Engelse traditie die we bewonderen, die ons oud doet voelen en ons de rillingen bezorgt: we hadden nooit gedacht dat we er met een nieuwe blik naar zouden kijken.’ Woolf publiceerde Jacobs kamer in het iconische jaar 1922 en vanaf toen reeg zij het ene hoogtepunt van de moderne literatuur aan het andere: Mevrouw Dalloway, Naar de vuurtoren, Orlando, De golven, romans waarin ze de grenzen slechtte tussen handeling, lyriek en denken en zo voorbijging aan de genres die daarbij hoorden: de roman, de poëzie en het essay.

    De kunst van vandaag heeft meer te danken aan Duchamp dan de literatuur aan Joyce

    Er zijn nu honderd jaar voorbij van de door Joyce aangekondigde driehonderd jaar hermeneutisch entertainment. De Ierse schrijver had later spijt van de homerische schema’s die al decennialang zijn te vinden in veel edities van Ulysses. Een van de eerste en bekendste lezers van de roman toen die nog in wording was, was de dichter T.S. Eliot, die op zijn beurt inzag dat hij zich had vergist door verklarende noten toe te voegen aan een ander revolutionair boek uit 1922: Het barre land. Terwijl ze juist graag wilden dat hun werk als autonome teksten werden gelezen en dat daarbij zelfs de daarin ogenschijnlijk weerspiegelde werkelijkheid buiten beschouwing zou worden gelaten, sprak zowel de romanschrijver als de dichter desondanks meer tot de verbeelding van geleerden dan tot die van de lezers. ‘Verschillende critici,’ zo zei Eliot zelf jaren later, ‘hebben mij de eer verschaft het gedicht te interpreteren als een kritiek op de contemporaine wereld. Voor mij was het slechts de uitlaatklep voor een persoonlijke en totaal onbetekenende klacht tegen het leven; het is niet meer dan een ritmische jammerklacht.’

    In de verzen van zijn gedicht vind je zenuwcrises, Keltische mythen, de zoektocht naar de Graal, Dante en Shakespeare in een gekmakende stedelijke ambiance. [De Amerikaanse dichter] Ezra Pound, die de dag waarop Joyce de laatste punt in Ulysses zette markeerde als het einde van de christelijke jaartelling, snoeide paradoxaal genoeg de meest evidente Joyceaanse elementen weg uit Het barre land zonder het kenmerkende mythische geraamte te elimineren. Ook schrapte hij de persoonlijkere opwellingen en bracht daarmee de veelheid aan registers voor het voetlicht, in een onmogelijke poging om een equivalent te creëren van het kubisme in de schilderkunst. Niet voor niets was de eerste titel die Eliot in gedachten had He Do the Police in Different Voices. In een werk vol citaten was deze titel uiteraard ook een citaat, en wel uit de roman Onze wederzijdse vriend van Charles Dickens.

    Nobelprijs

    In 1948 kreeg T.S. Eliot de Nobelprijs voor de Literatuur. Zijn faam en invloed als dichter, criticus en uitgever waren zo groot dat hij in Minnesota een lezing gaf voor een publiek van veertienduizend mensen. Decennialang was je, als je westerse poëzie schreef, voor of tegen hem. En soms allebei, want met Vier kwartetten remde hij radicaal zijn avant-gardistische impulsen af, op zoek als hij was naar een synthese van denken en lyriek. Ook Wittgenstein zag kans om zijn ideeën te herzien in zijn theorie over het spelen met taal. Als die theorie er niet was geweest, zouden de analytische filosofie en het werk van auteurs als Thomas Bernhard, Peter Handke en Ingeborg Bachmann er anders hebben uitgezien.

    In 1993 maakte [de Britse regisseur] Derek Jarman de film Wittgenstein, met Karl Johnson (de latere Cato in de serie Rome) in de rol van de filosoof, Michael Gough in die van Bertrand Russell en Tilda Swinton in die van diens vriendin Ottoline Morrell. Het script, waar [de Britse literatuurwetenschapper] Terry Eagleton aan meeschreef, wisselt rigiditeit af met humor en vat aldus de twee systemen van de Weense denker samen: in zijn poging om de wereld te reduceren tot zuivere logica schept een man een wereld zonder onvolmaaktheden en onbepaaldheden, een extensie van wit en blinkend ijs. Wanneer hij besluit om de door hem geschapen wereld te verkennen, zet hij een stap en valt achterover. Hij had geen rekening gehouden met de wrijving. Het ijs was glad, vlak en vlekkeloos, maar je kon er niet op lopen.

    James Joyce deed geen stap achteruit en verhoogde in Finnegans Wake de inzet van Ulysses. In Lecciones de literatura universal (Lessen uit de wereldliteratuur), een boek onder redactie van Jordi Llovet, vatte Joyce’ Catalaanse vertaler Joaquim Mallafrè de les van de Ierse schrijver als volgt samen: ‘Aan de vooravond van de audiovisuele cultuur is Finnegans Wake misschien wel het laatste grote moment van het Gutenberg-tijdperk. Mede doordat de visuele cultuur meer oraal is dan schriftelijk, ontdekken we in Joyce het eerste grote, eeuwigdurende en vernieuwende spel van stemmen en woorden.’ De toonaangevende kunst van vandaag heeft meer te danken aan Duchamp dan de toonaangevende literatuur aan Joyce, omdat zijn erfenis – bij tijd en wijle eveneens een wereld van ijs – nog maar voor een klein deel is omarmd. Er is nog maar een eeuw voorbij. De roman heeft er nog twee te gaan om het proces te voltooien.

  • De 27e keer dat Toby Obed stierf

    De 27e keer dat Toby Obed stierf

    Over de misstanden in Canadese internaten voor Inuït-kinderen is de laatste jaren steeds meer bekend. Er werden verschillende massagraven gevonden. Toby Obed is een van de overlevenden. Een voorpublicatie uit het verhaal over zijn leven (en vele doden).

    Over de auteur

    In de reportages van de Poolse Joanna Gierak-Onoszko (1980) staan vaak mensenrechten en maatschappelijke kwesties centraal. Ze publiceert regelmatig in weekblad Polityka, dagblad Gazeta Wyborcza, het literaire non-fictietijdschrift Pismo en het reportageblad Non/fiction. Ze woonde een aantal jaar in Canada en schreef daar haar literaire debuut Het 27 keer sterven van Toby Obed (Dowody na Istnienie, 2019) over hoe werd omgegaan met de kinderen van de inheemse Canadese bevolking. Geschat wordt dat ongeveer 150.000 kinderen het slachtoffer zijn geworden van lichamelijk en psychisch geweld en seksueel misbruik.

    Het boek belandde in 2020 op de shortlist van de prestigieuze Nike-prijs en won de publieksprijs.

    Als Toby Obed eindelijk wakker wordt, is het al lente.

    Hij ligt op zijn rug in ongesteven beddengoed en herkent het plafond en de muren om hem heen niet. Net was hij nog in een kalme kunstmatige slaap, maar nu zijn zijn neuronen witheet en proberen alle informatie tegelijk te verwerken.

    Waar ben ik? Waarom doet het pijn? Zal het eindelijk overgaan?

    Toby kijkt om zich heen, zoekt naar het uitzicht uit het raam, een aanknopingspunt. Maar zijn blik dwaalt steeds af naar het midden van het bed. Dat is de plek waar zijn armen en benen zich zouden moeten bevinden, maar de deken waarmee Toby is toegedekt ligt vlak.

    Toby denkt dat hij hallucineert – dat gebeurt soms als je flink gedronken hebt. Hij wil in zijn ogen wrijven en heft zijn armen.

    Maar onder zijn linker elleboog is niets meer.

    Hij kijkt naar rechts. Wat er van zijn andere hand over is, zit in dik verband.

    ‘Wacht eens even! Waar zijn mijn benen? Wat hebben jullie verdomme met mijn armen gedaan?!’

    Een vrouw in een wit schort buigt zich over het bed.

    ‘Wat ben ik blij dat je wakker bent! We wisten niet of dat nog zou gebeuren. Toby, we zijn in het ziekenhuis in St. John’s, in de hoofdstad van Newfoundland en Labrador. Het is al maart. Je bent net tweeëntwintig geworden. En ik kan je zeggen dat je echt iets te vieren hebt.’

    Maar Toby is het oneens met dat het al maart is en ook met zijn nieuwe ingekorte lichaam. Hij kan zich niet herinneren dat iemand die veranderingen met hem heeft besproken.

    Het laatste dat hij zich herinnert is een feest in Happy Valley-Goose Bay, ruim zestienhonderd kilometer ten noorden van het bed dat van nu af aan altijd veel te lang zal lijken.

     * * * 

    Goose, zoals het stadje in de volksmond heet, ligt op het schiereiland Labrador – het deel van Canada dat in het oosten aan de Atlantische Oceaan en in het noorden aan het Noordpoolgebied grenst. Er wonen iets meer dan achtduizend mensen. Goose is het resultaat van het samenvoegen van twee plaatsen: Happy Valley en Goose Bay, maar de idyllische naam van het stadje is misleidend. Want de aanleiding van zijn bestaan is oorlog.

    In de jaren veertig stond in de kranten dat er in de Labradorzee torens van Duitse U-boten waren gezien. Nu de VS aan de oorlog deelnam was het duidelijk dat er in deze regio zo snel mogelijk een sterke militaire basis moest komen voor de verdediging van het continent. Voor de bouw werden mannen uit dorpen in heel Labrador naar Goose gehaald. Ze werkten in verschillende ploegendiensten. De bevoorrading had berekend dat ze vier- tot vijfduizend pakjes sigaretten per dag nodig hadden.

    De arbeiders kregen een fractie van het loon dat de mensen die in de binnenlanden werkten verdienden, maar ze morden niet. Ze klaagden maar over één ding: voor hun vertrek naar de bouw hadden ze hun huizen moeten afsluiten. En dat betekende dat ze voor vertrek hun honden hadden moeten afmaken.

    In 1943 beschouwde men Goose als het grootste vliegveld ter wereld. Na de oorlog bleef het een belangrijk knooppunt van de lucht-, asfalt- en zeewegen van Labrador. In vredestijd hielden NAVO-eenheden hier oefeningen en de door het leger beheerde terreinen zouden moeten dienen als reservelandingsplaats voor ruimtevaartuigen van de NASA.

    Maar Goose bleef voor altijd een reservestad. De oorlog ging eraan voorbij, er landde geen ruimteveer en in 2010 vertrokken de eenheden van de NAVO van de basis. Nu kom je hier voor satelliettelefoons – die zijn gratis te leen als je de omgeving gaat verkennen, wat het werk van de politie en de reddingsteams moet vereenvoudigen als een toerist verdwaalt. Tijdens lange tochten door Labrador kun je onderweg in Goose kariboeworstjes of gepaneerde kabeljauwtongetjes eten. Vroeger was het armeluisvoedsel, maar nu is het een chic hapje van 13 dollar per portie.

    Dat is nu Labrador, het Grote Land. Hier hoor je de Aarde bewegen, zeggen ze.

    Maar het stadje met de naam Happy Valley-Goose Bay bracht Toby Obed geen geluk. Hier stierf Toby voor de zesentwintigste keer.

    Dat was vlak voor hij tweeëntwintig werd, achttien jaar na zijn eerste dood.

    * * * 

    Als je in een piepkleine nederzetting van walvisjagers in het afgelegen Labrador woont, is een uitstapje naar Goose een hele afwisseling. Toby ging er zijn neef opzoeken. Ze hadden elkaar lang niet gezien en trokken een fles open. Toen kwam er een vriend: ‘Hoe is het? Laten we drinken.’

    Ze dronken.

    De rest zal door de verpleegster worden verteld.

    ‘De politie heeft je pas de volgende dag in de sneeuw gevonden. Ze waren ervan overtuigd dat je dood was.’

    Toby kwam in het Miller Center terecht, een ziekenhuis voor oorlogsveteranen waar chirurgen, fysiotherapeuten, psychologen en prothesemakers verminkten terugslepen naar het leven. De artsen hielden Toby twee maanden lang in een kunstmatig coma om hem zo uit zijn diepe hypothermie te krijgen.

    ‘Dat is gelukt, maar we hebben je moeten amputeren’, zegt de verpleegster aan zijn bed.

    ‘Mens, ik weet niet waar je het over hebt. Geef me mijn benen terug! Geef me onmiddellijk mijn arm terug!’

    ‘Je bent een gelukskind, Toby. Ik leef erg met je mee.’

    * * * 

    Sinds die nacht is er een kwarteeuw verstreken. In het voorjaar van 2018 is Toby Obed zevenenveertig, en zijn vijfhonderd Inuit uit het Dal van de Hoop zijn spiegel.

    Voordat de Europeanen hier arriveerden (onder wie de Portugese ontdekkingsreiziger João Fernandes Lavrador) woonden er op dit grondgebied inheemse gemeenschappen, zoals de Inuit en de Innu. Beide groepen noemden elkaar eskimo’s, wat rauwvleeseters betekent. Dat begrip werd overgenomen door witte antropologen en archeologen voor wie de Eskimo’s een algemene, brede benaming voor de mensen van het Noorden was: van Labrador, het Canadese Poolgebied en Alaska tot aan Kamtsjatka.

    In sommige Europese landen wordt het woord nog altijd gebruikt. In Canada daarentegen hoor je dat niet meer te zeggen, omdat het opgedrongen, discriminerend en beledigend is. De inwoners van de noordelijke provincies worden nu genoemd zoals ze zelf willen. In hun taal, ofwel het Inuktitut, betekent inuk mens, en inuit gemeenschap.

    En zo ziet Toby Obed hen en zichzelf: niet als museumstukken, maar als mensen. Hij zoekt hun gezelschap op, want ze zijn voor hem tegelijk een spiegel en identiteitsbewijs, belangrijker dan zijn Canadese paspoort.

    ‘Ik vind het fijn als een buurman terloops opmerkt dat ik net zo’n gezicht trek als mijn moeder. Of dat ik net zo loop als mijn vader, dat we van een afstand niet van elkaar te onderscheiden zijn. Dan ben ik zo gelukkig! Want dat betekent dat zij hebben bestaan – en dat ik een overblijfsel van hen ben.’

    Als Toby zijn moeder wil zien, raakt hij met zijn rechterhand zijn wang aan. Een gladde, strakke huid, zonder poriën, zonder ook maar een rimpel. Hoge, prominente jukbeenderen. Daarboven diepgelegen smalle ogen, verscholen onder dikke zwarte wenkbrauwen. Toby’s haar is als peper en zout. Zwart en helder wit, niets ertussenin. Dik en stug, tot aan zijn kleine driehoekige kin.

    Had zijn moeder zulk draadachtig haar? Zulke kleine ogen, zo zwart dat je maar moeilijk de pupil van de iris kunt onderscheiden?

    Dat weet Toby niet.

    ‘Ik heb geen enkele foto. Ik herinner me niet hoe ze eruitzag. Ik weet dus niet waar ik vandaan kom, en waarom.’

    * * * 

    De naam Tobijah betekent in het Hebreeuws ‘Jahweh is goed’. Een woord van troost voor iemand die alles heeft verloren en geen hoop meer heeft. Volgens het Oude Testament wordt Tobias blind, en gemarteld smeekt hij God te mogen sterven. Maar God heeft andere plannen met hem. De Schrift leert dat het grote lijden van Tobias geen straf voor hem is, maar een welgemeende beproeving. De liefhebbende God zendt eerst kwellingen, maar voorziet op zijn tijd een beloning voor gehoorzaamheid en loyaliteit. Het is een didactisch verhaal – de dreunen van het lot moet je opvatten als tekenen van de barmhartige God.

    Die profetische naam kreeg Toby van zijn moeder.

    Ze had vijf kinderen. Kinderen die moeite hadden om het thuis uit te houden. Hun ouders besteedden niet al te veel aandacht aan hen. Ze dronken. Emily en Sonny, ofwel Zoontje, waren een jaar of tien ouder dan de rest. Zij zorgden voor de kleintjes: Sara, Elias en Tobias.

    Hoe kwamen ze in zo’n afgelegen nederzetting voor walvisjacht aan zulke namen?

    Vroeger heette die plek Arvertok, wat in de taal van de Inuit de Walvissenplek betekent. Er werd op walvissen gejaagd in de wintermaanden – de Inuit woonden dan in diep in de rauwe, ongastvrije grond verborgen huizen die maar deels boven het oppervlak uitstaken. Ze zochten daar beschutting tegen de snijdende wind, en in de lente, als het zeehonden- en walvissenseizoen was afgelopen, trokken ze dieper het land in. Ze namen tenten van zeehondenhuid mee en gingen jagen op vleesrijke kariboes. Ze raapten de karige vruchten die de toendra mondjesmaat verschafte en bereidden zich voor op het doorstaan van de volgende winter.

    Suikerziekte, aderverkalking, kanker – dat waren ook geschenken die de witte kolonisten met zich meebrachten

    Dat ritme werd verstoord door de bewoners van het Oude Continent, Duitse mennonieten uit Moravië, missionarissen met een protestantse arbeidsethiek. Ze waren hier gebracht door de imperatief hun rijkdom te vergroten en de kerkelijke schola te vullen. Ze begrepen de mensen die ongehaast de cyclus van de natuur volgden niet. Ze verlangden er vurig naar om in naam van de handel onder zware omstandigheden te zwoegen: in Europa was grote vraag naar echte, warme bontjassen. Daarmee werd een fortuin verdiend, dat nu in Canada ‘oud geld’ wordt genoemd. De Moravische kolonisten waren verrukt over de ondiepe wateren vol zeehonden en de dichte bossen vol vossen. In 1782 doopten ze de Walvissenplek om in het Duitse Hoffenthal, het Dal van de Hoop.

    Ze brachten hetzelfde mee als de meeste anderen die van zichzelf zeiden dat ze nieuwe landen ontdekten: het woord Gods, gereedschap, wapens, groente en ziektes.

    Suikerziekte, aderverkalking, kanker – dat waren ook geschenken die de witte kolonisten met zich meebrachten. Labrador is ze tot op de dag van vandaag niet te boven gekomen.

    De mennonieten veroverden de gebieden met de hoorn en de trombone. Ze geloofden dat met Haydn en Bach als bondgenoten de Inuit verrukt zouden raken over de barokmissen en ze hun ziel zouden openstellen voor een hun onbekende God. Tot op de dag van vandaag kun je in het kleinste gehucht een blaasorkest vinden dat in de woestenij van de Canadese toendra Bachcantaten speelt.

    De missionarissen deelden graag hun bladmuziek, maar ze zeiden dat het hun God niet beviel hoe er in de huishoudens met elkaar geslapen werd: zonder sacrament, met meerderen tegelijk, in het bijzijn van de kinderen. Volgens de lokale traditie was een levenspartner precies zoals het klinkt: een compagnon, iemand met wie het leven draaglijker was of überhaupt mogelijk. Het gezin was een onderneming om te overleven, maar de mensen wilden naar bed met degenen die ze aantrekkelijk vonden, niet per se met de mensen met wie ze samenwerkten om te overleven. Soms woonden er meerdere gezinnen onder één dak en waren genegenheid en seks binnen handbereik.

    De missionarissen uit Moravië waren gekomen om hun mee te delen dat ze in zonde leefden en God beledigden, die zijn volk in de hitte door de woestijn had geleid. De bewoners van deze gebieden begrepen niet wat een zonde was en hadden nog nooit een woestijn gezien.

    De Duitse kolonisten zijn er nu niet meer – ze hebben de oorlog met het handelsimperium Hudson’s Bay Company (HBC) om de vachten verloren en hebben het Grote Land verlaten. Van hen zijn grafstenen, resten van de houten gebouwen van de mennonitische missie en de gewoonte om Inuitkinderen Bijbelse namen te geven achtergebleven. Na verloop van tijd, toen de Britse monarchie dit deel van de wereld in haar macht kreeg, werd de naam veranderd – van Hoffenthal in Hopedale.

    Er is hier niet veel meer veranderd dan dat.

    * * *

    In 1975 stond er opeens een politieagent in een rood uniform op de drempel en zei: ‘Kinderen, jeugdzorg is geweest, we moeten jullie meenemen.’

    Toby’s ouders waren verrast, want ze kwamen onaangekondigd. Geen gelegenheid om in te pakken, geen gelegenheid om afscheid te nemen.

    ‘We gingen zoals we er toen bij liepen. Later hoorden we dat ouders dergelijke situaties eigenlijk geen keuze hadden. Op het niet meegeven van de kinderen stonden straffen, waaronder hechtenis en het intrekken van de uitkering, waarvan de meeste gezinnen in de omgeving leefden. Of we ons verzetten? Dat weet ik niet meer. Of we huilden? We huilden allemaal. Emily was dertien, Sonny vijftien, en ik pas vier. Toen, in 1975, in de deuropening bij de laarzen van de agent van de bereden politie, stierf ik voor het eerst.

    We stapten in een klein vliegtuig dat op water kon landen. We vlogen een kilometer of tweehonderd naar het zuiden, naar North West River. Eerst brachten ze ons naar het ziekenhuis. Daar werd nagekeken of alles met ons in orde was. Routineonderzoek: of er geen actieve infecties waren, parasieten, ondervoeding. En of niemand ons kwaad had gedaan.

    Natuurlijk werden we gescheiden, mijn broers en zussen waren van een andere leeftijdscategorie. Ik begreep het niet. ’s Ochtends had ik nog familie, en nu was ik ineens alleen, terwijl ik pas vier jaar oud was. Alles wat ik weet van het leven, heb ik daar geleerd, in het internaat, in het juniorenhuis in North West River. Dat waren verplichte lessen die ik niet wilde. Rekenen en grammatica deden er nog het minste toe, je moest vooral snel door zien te krijgen wie je vriend was en wie je beter kon mijden. Waar je heen moest en hoe, en achter welke deur je nooit mocht komen. Wat je mocht zeggen en waar je jarenlang over moest zwijgen. Ik was een kleuter toen ik begreep dat ik, net zoals ik onbewust en automatisch ademhaalde, onophoudelijk en instinctmatig in de gaten moest houden of ik veilig was. Ik controleerde constant of ik niet in gevaar was. In zulke omstandigheden loeit er constant een alarm in je hoofd.’

    Toby Obed, een Canadees uit Labrador, zegt niet over zichzelf dat hij de Yale-school heeft afgerond die in North West River door de liefdadigheidsorganisatie Grenfell werd geleid.

    Hij zegt: ‘Ik ben een overlever. Ik heb het overleefd, ik ben in leven gebleven.’

    * * *

    Toby vertelt over school alsof er een veer is losgesprongen, alsof er een la met mappen vol politiedocumentatie is opengeschoten. Hij praat en praat, kalm, systematisch, alsof hij verslag uitbrengt van iets wat een ander is overkomen. Hij gaat bijna twee uur lang door.

    In Toby Obeds vroegschoolse herinneringen komen niet veel kaligrafie-oefeningen, lessen over scheepsbouw of zelfs het verplichte corvee in de koeienstal voor.

    De volgende sleutelwoorden komen wel steeds terug:

    zwiep, klets, pats (zo klapte de zweep); 

    taal, accent, slaag (voor het spreken van Inuktitut kreeg je ervan langs); 

    cel, duisternis, honger (een triade die elk kind zonder uitzondering verlamt).

    Ik hoor van Toby dat in je broek plassen van angst helemaal geen beeldspraak is.

    In zijn herinneringen komt een persoon in het bijzonder naar voren: een lerares, Miss Devil, Juffrouw Duivel.

    ‘Ze liet ons toekijken’, zegt Toby. ‘Ik wilde niet kijken, maar geen kind mocht zijn gezicht afwenden.’

    ‘Je bent vier, zes, tien jaar oud en je weet dat niemand, maar dan echt niemand zich voor je interesseert’

    Toby vat zijn schooltijd als volgt samen: ‘De volwassenen van buiten wisten het. Ze deden er niets aan.’

    Wat er binnen de houten wanden van Grenfell gebeurde was een verschrikking, maar werd mettertijd de norm. Maar je kon er echter niet aan wennen dat er niemand in de buurt was aan wie je erover zou kunnen vertellen. En die je niet zozeer om redding, om ingrijpen kon vragen, want daar hoopten de kinderen al niet meer op, maar om wat troost.

    Toby wachtte op mededogen, dat jarenlang niet kwam. Ook had hij niet het gevoel iemand dierbaar te zijn.

    ‘Je bent vier, zes, tien jaar oud en je weet dat niemand, maar dan echt niemand zich voor je interesseert.’

    Toen dachten de kinderen dat er van de door de liefdadigheidsorganisatie gerunde school geen bevrijding mogelijk was. Maar een zomer was het geld op en werd de instelling gesloten. Dat was in 1979 of 1980, de bronnen stemmen niet overeen.

    Er zijn in Canada geen kindertehuizen. De oplossing waren pleeggezinnen, waar de kinderen rechtstreeks van de kostschool heen werden gestuurd. Uiteraard zonder rekening te houden met familiebanden.

    De kinderen Obed maakten geen kans om samen te blijven. Wie wilde er nu voor een paar gebroken Inuit-kinderen zorgen? 

    Ze werden opnieuw gescheiden, deze keer voor jaren. De kinderen verloren elkaar volledig uit het oog. Die vakantie raakten ze echt alles kwijt, werden de laatste lijntjes verbroken. Toby zag zijn zus Sara pas zevendertig jaar later terug.

    ‘Ze maakten ons gezin helemaal kapot’, zegt Toby. ‘Ik was acht toen mijn leven opnieuw ten einde kwam.’

    Dat was tijdens de Koude Oorlog. In de Canadese bossen werden legereenheden ondergebracht, Goose Bay werd uitgebreid, er werden militairen gestationeerd. Velen van hen hadden al een vrouw, maar nog geen kinderen. Ze konden zorgen voor de beschermelingen van de school in het dennenbos.

    Toen Toby bij het eerste pleeggezin terechtkwam was hij acht jaar oud en dacht hij dat zijn lijdensweg ten einde was, dat hij nu een thuis zou krijgen. Maar in plaats daarvan verplaatsten ze hem van de ene verzorgers naar de andere.

    ‘De acht jaar die volgden heb ik bij twintig gezinnen gewoond. Gemiddeld eens in de vierenhalve maand verhuisde ik, of eerder – werd ik verhuisd. Wat ik wilde, wat ik ervan vond, vroegen ze niet. We werden behandeld als meubels, als obstakels, als zakken met vuilnis.

    In elk huis was het weer anders, maar ik werd geloof ik overal geslagen’, herinnert Toby zich. ‘Ik was niet klein meer, ik hoefde niet meer gespaard te worden. Ik ging al naar de tweede klas, dus ze konden me flink op m’n sodemieter geven. Dat verdiende ik op zich ook: ik begreep niet wat er tegen me gezegd werd. Ik wist niet hoe ik ze tevreden moest stellen. Ik probeerde ernaar te gissen, ik probeerde me aan te passen, maar ik was machteloos.’

    Uiteindelijk wende hij eraan. Het werd dus routine: eten, slapen, school, slaag. Nepmoeders en nepvaders sloegen met de riem en sloegen met de hand voor van alles en nog wat. Hoe je de klappen moest ontwijken, hoe je moest overleven leerde Toby van twintig gespierde, sportieve mannen die werden gesteund door twintig vooruitziende, toegewijde echtgenotes.

    Toby’s lichaam was sterk, dat hielp hem erdoor. Zijn geest was hem ook goedgezind, de meeste huizen heeft hij kunnen vergeten. Toby weet dat ze ergens zijn, hij ze in zich draagt als wild vlees, als littekens, als kanker. Maar zijn hoofd heeft hem ervan afgesneden. In het dagelijks leven ziet hij ze niet, zijn de ziektehaarden niet vast te stellen. Maar Toby weet dat ze nog altijd schade aanrichten, net als gezwellen die bij onderzoek niet te zien zijn.

    Van alle twintig gezinnen kan Toby er misschien vijf of zes voor de geest halen. Aan sommige heeft hij goede herinneringen. Hij gelooft dat ze hun best deden. Bijvoorbeeld enkele nepmoeders. Soms waren ze aardig, kookten ze, wilden ze Toby’s stijve dikke haar kammen.

    Als achtjarige had Toby het overlevens-abc voor kinderen onder de knie: hij loog, stal en bedroog

    ‘Rot op, zei ik, laat me met rust. Niet jij, maar mijn echte moeder zou me nu over mijn hoofd moeten aaien. Maak dat je uit m’n buurt komt, zei ik. Ook sommige nepvaders deden hun best. Soms maakten ze tijd voor me vrij. Probeerden me uit te leggen dat ik zelf om problemen vroeg. Dat spijbelen en weglopen nergens goed voor waren. Maar ik had geen zin om te luisteren. Ik neem het ze niet kwalijk. Ik was geen kind om van te houden, want waarvoor ook?’

    Als achtjarige had Toby het overlevens-abc voor kinderen onder de knie: hij loog, stal en bedroog. Hij vocht veel. De school in Goose waar hij toen op zat, was voor hem één grote boksring. Hij vocht vier, vijf keer per dag, dag in dag uit. En hij verloor nooit, hij was altijd degene die anderen tot bloedens toe sloeg. Hij hield niet op voor hij zeker wist dat ze pijn hadden. De kinderen op school zeiden dat Toby gevaarlijk was. Dat beviel hem wel. Vechten was die opening, die lichtflits, het moment waarop hij even sterk was en er iets van hem afhing. Hij werd dan overweldigd door geluk. Hij voelde geen pijn, het waren de anderen die leden. Ze leden, omdat hij zo beslist had.

    Dat zorgde ervoor dat hij zich kon wapenen voor de middag en avond. Want na school moest hij natuurlijk terug naar zijn pleeggezin en was hij degene die ervan langs kreeg. Maar er waren meer straffen, alledaagse, gewone. Meestal moest hij gewoon zijn mond houden en naar zijn kamer gaan. Ze stuurden hem weg, hij kreeg geen eten. Dat is zogenaamd alleen vervelend, geen marteling.

    ‘Weet je, een of twee keer kun je het best zonder avondeten doen. Maar zelfs als duidelijk is dat je het ergste, vervelendste kind bent, wil je niet de hele tijd honger hebben. Met een kind kun je alles doen. Het is voldoende om hem niet genoeg te eten te geven.’

    Jarenlang was hij ervan overtuigd dat hij slecht was, dat hij het niet verdiende om niet geslagen te worden, niet gestraft. Later drong tot hem door dat de militairen vaak moesten verhuizen. Er kwamen orders, en dan werden de in huis opgenomen kinderen en hun zaken achtergelaten. Maar niemand die dat aan de kinderen uitlegde. Die waren er dus van overtuigd dat ze steeds opnieuw werden verlaten, omdat ze net zo veel waard waren als knellende of afgedragen pantoffels.

    Terugkeren naar zijn vader en moeder was geen optie. De jaren gingen voorbij, maar zijn ouders hielden niet op met drinken. De autoriteiten lieten de kinderen niet terug naar huis gaan, maar er werd ook niet veel gedaan om de ouders te steunen. De kinderen uit huis plaatsen: dat was een radicale en eenvoudige, en vrijwel de enige mogelijke therapie.

    ‘Toen, mijn hele jeugd en nog vele jaren daarna, was ik kwaad. Agressief. Ik voelde me gekwetst en verworpen. Waarom konden anderen bij hun moeder blijven maar ik niet? Waarom konden anderen een normaal leven hebben, alleen ik niet?’

    Toen had Toby er nog geen idee van dat er in de omgeving meer dan duizend kinderen waren zoals hij.

    Deze vertaling kwam tot stand in samenwerking met CELA, Connecting Emerging Literary Artist.

  • Hoe de pandemie het populair futurisme veranderde

    Hoe de pandemie het populair futurisme veranderde

    Speculatieve non-fictie was lange tijd vooral gericht op de beperkte perspectieven en doelstellingen van het bedrijf – en dus op het verdienen van geld. Mede door de pandemie kunnen we het populaire genre mogelijk aanwenden voor een betere toekomst.

    De pandemie, die in veel opzichten vreemder is dan sciencefiction, heeft veel discussie uitgelokt over de rol van speculatieve fictie bij onze toekomstvoorstellingen. Waar sommigen in de mogelijkheden die zulke verhalen voorspiegelen antwoorden zien op onzekere tijden, vragen anderen zich af waar deze dystopische visioenen eindigen. Maar misschien is het net zo relevant om ons weer eens in de speculatieve non-fictie te verdiepen, een zich constant ontwikkelend genre dat we als ‘populair futurisme’ zouden kunnen betitelen.

    Wat zijn de kenmerken van een ‘populair-futuristisch’ boek? Het schetst mogelijke toekomstperspectieven, belicht nieuwe belangwekkende trends en belooft manieren waarop zelfs niet-gespecialiseerde lezers deze inzichten op hun eigen leven en werk kunnen toepassen. Zo’n boek heeft waarschijnlijk een fascinerend omslag, in een stijl die dateert van het werk dat met recht en reden een pionier in dit genre kan worden genoemd en nog altijd toonaangevend is: Toekomstshock van Alvin Toffler. Dit boek, dat het concept ‘futurisme’ populair maakte in de mainstreamcultuur en in de zakenwereld en kortgeleden zijn vijftigste verjaardag vierde, verscheen in de meest veelkleurige versies, zodat het als een neonregenboog in het oog zou springen vanuit de schappen van de boekwinkels. Andere titels hebben een kinetische belettering die je vanaf de pagina tegemoet vibreert alsof ze zich met hoge snelheid verplaatst. De toon van de boeken houdt meestal het midden tussen start-uppitch en zelfhulpmantra en straalt het profetische zelfvertrouwen uit van de teruggekeerde tijdreiziger.

    Wat er komen gaat

    Hoewel hun inhoud mee verandert met de tijdgeest, blijft datgene wat ons in populair-futuristische boeken aantrekt hetzelfde: we willen allemaal weten wat er komen gaat. Ze boren de oeroude kracht van de toekomst aan om ons te boeien en bang te maken, op zo’n manier dat onze hedendaagse angsten erdoor worden gesust en aangewakkerd. Zoals alle populair-wetenschappelijke of zelfhulpteksten beloven ze signaal van ruis te scheiden en geven ze ons wat geruststellende (zij het illusoire) controle in een chaotische wereld. Ze laten zien wat de toekomst ons brengt, ook al oogt het heden nog als zo’n warboel.

    Maar de belangrijkste belofte die ten grondslag ligt aan de canon waarvan Toekomstshock de eersteling is, is dat lezers zich met de juiste vooruitziende blik niet alleen kunnen voorbereiden op wat komen gaat, maar er ook van kunnen profiteren. Deze onschuldige vorm van handelen met voorkennis stelt de toekomst voor als een bulkgoed, als een oefening in tijdsbeoordeling waarbij kennis van nieuwe ontwikkelingen financieel voordeel oplevert. Het is geen toeval dat de auteurs van zulke boeken traditioneel een wit, mannelijk en kapitalistisch wereldbeeld hebben; velen van hen werken als in de toekomst gespecialiseerde consultants in het grijze gebied tussen zakenwereld, overheid, technologie, reclame en sciencefiction. 

    Deze zakelijke benadering is tot nu toe dominant in het populair futurisme, maar dat zou wel eens kunnen veranderen. Het afgelopen jaar is er een verbazingwekkend groot aantal nieuwkomers aangetreden, wat gek genoeg voor de hand ligt in een tijd waarin grote onzekerheid heerst over wat er morgen zal gebeuren, om over het komende decennium nog maar te zwijgen. Kan zo’n traditioneel zelfgenoegzaam genre nog enige troost bieden, laat staan deugdelijke inzichten?

    De confrontatie met een tsunami van veranderingen maakte de meeste mensen angstig, gedesoriënteerd en ontregeld

    Om die vraag te beantwoorden moeten we terug naar Toekomstshock. Hoewel de titel ons tegenwoordig nog maar vagelijk bekend voorkomt, werd het boek na zijn publicatie in juli 1970 algauw wereldberoemd. Het ging in miljoenen exemplaren over de toonbank, er werd een door Orson Welles ingesproken documentaire van gemaakt en de titel inspireerde Curtis Mayfield tot een song [Future Shock]. Het boek gaf mede aanzet tot een genre dat nog altijd bloeit en bezorgde Toffler een decennialange carrière als auteur, deskundige en consultant. Herlezing van Toekomstshock toont aan dat het boek niet alleen de kiem heeft gelegd voor de powerpointprofetieën van de TED Talk-cultuur en een hele bedrijfstak van toekomstconsultants heeft gecreëerd, maar ook onze toekomstvisie heeft vormgegeven.

    Ook als fysiek object was het opvallend. Het was zo’n vijfhonderd pagina’s dik, het omvangrijke register niet meegerekend. Het was kleurrijk en, nou ja, futuristisch, tot het ronde maar robotachtige lettertype van de titel aan toe, dat was gebaseerd op het MICR-font [Magnetic Ink Character Recognition], ontworpen om door zowel mensen als machines te kunnen worden gelezen. Futurist Scott Smith herinnert zich dat hij als jongen de lijvige paperback op het nachtkastje van zijn ouders zag liggen en deze er zowel eng als verleidelijk vond uitzien; half grappend zegt hij dat hij er zijn beroepskeuze aan dankt.

    Alvin Toffler, de auteur wiens naam in onuitwisbare letters op het omslag prijkt, was een journalist uit Brooklyn die in het begin van zijn carrière samen met zijn vrouw Heidi schreef over progressieve politiek en de arbeidersbeweging. Ze werkten samen aan een trilogie waarvan Toekomstshock het eerste deel was, maar Heidi werd pas in een later boek officieel erkend als auteur. Dat zelfs een toekomstgericht powerkoppel in dit opzicht verbazingwekkend ouderwets was, bewijst maar weer eens dat we allemaal bevattelijk zijn voor de blinde vlekken van onze tijd, net als Toekomstshock.

    Het kernbetoog van het boek is wellicht herkenbaar, misschien omdat Toffler het zo overtuigend beargumenteerde dat het een cliché is geworden: de wereld veranderde in een exponentieel toenemend tempo, waardoor mensen in ‘shock’ raakten en worstelden om het hoofd boven water te houden. In elk geval in de westerse landen onderging de maatschappij een ingrijpende historische verandering toen de industriële revolutie plaatsmaakte voor de informatie-economie; die verandering werd op haar beurt versneld door nieuwe technologieën op het gebied van massacommunicatie. De confrontatie met een tsunami van veranderingen maakte de meeste mensen angstig, gedesoriënteerd en ontregeld. Het boek probeerde deze nieuwe toestand te doorgronden, de ‘bronnen en symptomen’ ervan bloot te leggen en mogelijke manieren te bedenken om de effecten te verzachten.

    Hij maakt van de toekomst de meest spectaculaire show op aarde, en je zou wel gek zijn als je wegkeek

    De belangrijkste strategie om de toekomstshock te bestrijden, aldus Toffler, was om zich met extra kracht op de toekomst zelf te richten. Hij riep overheidsinstanties op om grootschalige toekomststudies te financieren, sciencefictionauteurs om meer methodische toekomstvoorspellingen in hun boeken op te nemen en Amerikaanse scholen om toekomstgerichte lessen te geven (als tegenwicht tegen geschiedenislessen). ‘Om zulke beelden in het leven te roepen en daarmee de impact van een toekomstshock te verzachten,’ schreef hij, ‘moeten we allereerst zorgen dat speculeren over de toekomst iets respectabels wordt.’

    Dit was geen nieuwe uitdaging; ook H.G. Wells had zich moeite getroost te benadrukken dat de systematische poging om mogelijke toekomsten te projecteren op basis van hedendaagse gegevens een vorm van wetenschap zou kunnen zijn, en niet alleen maar waarzeggerij. Maar dankzij Tofflers boek werd het futurisme een mainstreamfenomeen, dat zich niet beperkte tot militair gebied (zoals de nucleaire scenario’s die de RAND Corporation als eerste uitwerkte), maar ook op de ‘zachte’ sectoren van het dagelijks leven toepasbaar was, van ‘politiek en speelplaatsen tot skydiven en seks’.

    Maar behalve door zijn inhoud vond Toekomstshock ook veel weerklank door zijn stijl. Naar het voorbeeld van de Canadese mediatheoreticus Marshall McLuhan, wiens vermogen om grote ideeën in pakkende soundbites te presenteren onmiskenbaar een inspiratiebron was, maakte Toffler van het medium de boodschap. Zijn toon is evenzeer gealarmeerd als energiek, professoraal als ademloos. Hij spreekt van een ‘vuurstorm van verandering’, van het ‘zinderende schokeffect’ van nieuwe ideeën, van ‘pijlsnel groeiende’ populaties; zijn taalgebruik wedijvert met de voortstuwingssnelheid die hij beschrijft. Hij gebruikt pakkende termen als ‘ad-hoccratie’; hij maakt van de toekomst de meest spectaculaire show op aarde, en je zou wel gek zijn als je wegkeek.

    Zelfs wanneer Toffler de potentiële gevaren van versnelde verandering schildert, zoals ongelukken op boorplatforms of besluitvormingsalgoritmen, en de noodzaak van regelgeving benadrukt, gelooft hij dat oplossingen gelegen zijn in een grondige oriëntatie op toekomstige transformaties. ‘De kracht van de technologische ontwikkelingsdrang is te groot om door vooruitgangssceptici te worden gestopt,’ schrijft hij, en ondanks de soms waarschuwende toon definieert het boek op een bedwelmende manier de voorwaarden voor zijn eigen wereldbeeld. ‘Is dit allemaal overdreven?’ luidt zijn beroemde vraag. ‘Ik denk het niet.’

    Optimaliseren

    Zoals de krachtige stijl van Toekomstshock een bestseller heeft gemaakt, zo heeft het succes van het boek de weg gebaand voor een heel genre dat met de beslommeringen van elk navolgend tijdperk is mee veranderd. Eén subgenre van populair-wetenschappelijke boeken die snel na Toekomstshock verschenen, was sterk gericht op het voorspellen van consumentengedrag, te beginnen in 1982 met Megatrends van John Naisbitt en eindigend in 1991 met The Popcorn Report van de nestrix van de trendspotters: Faith Popcorn.

    Met de eerste dot.com-boom werd technologie een algemener thema, ongetwijfeld geholpen door het zelfbeeld van Silicon Valley als de plek waar de toekomst haar beslag krijgt. Deze nieuwe fase van het genre gaf de prioriteit aan innovaties op hardware- en softwaregebied, en sommige titels begonnen de wildste technologische grenzen op te zoeken, zoals The Age of Spiritual Machines (1999) van Ray Kurzweil en Physics of the Future (2011) van Michio Kaku. Maar of hij nu zakelijk banaal of cybergnostisch is, de klassieke populair-futuristische canon vooronderstelt een publiek dat industrieën wil ontmantelen met behoud van de status quo. Zelfs futuristen als Kurzweil, een van de herkenbaarste hedendaagse auteurs en een erfgenaam van Toffler, presenteren ideeën die revolutionair lijken – de uniciteit, de mogelijkheid van onsterfelijkheid – in een taal die wordt beperkt door individualistisch ondernemersdenken. Alles is doordesemd van de logica van het optimaliseren van alles en iedereen, zelfs van onze ziel.

    Gedurende het grootste deel van hun geschiedenis hebben deze boeken zich vooral op de beperkte perspectieven en doelstellingen van het bedrijfsmatige futurisme gericht. Vaak onder invloed van de agenda van haar klanten, concentreert de toekomstbranche zich op het oplossen van de problemen waarvoor ze is ingehuurd. Omdat ze zijn voortgekomen uit organisatieadviesbureaus en oververhitte start-ups, zijn futuristen meer geïnteresseerd in, en kunnen ze zich gemakkelijker een voorstelling maken van ruimtekolonies en het eeuwige leven – voor sommigen een rechtstreekse weg naar winst – dan van een kwestie als het afschaffen van gevangenissen.

    (Een nieuwe ster aan Tofflers toekomstversnellingsfirmament, maar zonder zijn weloverwogen zorgen te delen, is The Future Is Faster Than You Think van Peter Diamandis en Steven Kotler, waarin ademloos wordt beschreven hoe nieuwe technologieën zoals kunstmatige intelligentie ertoe zullen leiden dat de mensheid ‘een grotere omwenteling zal meemaken en meer rijkdom zal creëren dan in de afgelopen honderd jaar’. Wie met de omwenteling wordt geconfronteerd en naar wie de rijkdom gaat is niet moeilijk te raden. Problemen als klimaatverandering, stelt het boek, kunnen te lijf worden gegaan met zich steeds verder ontwikkelende gadgets, zoals goedkopere zonnepanelen en brandweerdrones.)

    Kathedraaldenken

    Maar terwijl de regels en de definitie van het ‘toekomstdenken’ veranderen en zich verspreiden via andere stemmen, geografieën en ideologische structuren, verandert het populair-futuristische boek mee – en treedt het soms uit Tofflers voetsporen, als het al niet een geheel nieuwe weg inslaat.

    Vorig jaar verscheen After Shock, een officiële hommage aan Toekomstshock. De bundel bevat lovende maar zeker ook kritische woorden van de hand van meer dan honderd hedendaagse futuristen en denkers. Het boek How to Future: Leading and Sense-Making in an Age of Hyperchange van Scott Smith en Madeline Ashby staat voor een stap in een andere richting en beschrijft strategieën voor het begeleiden en creëren van verandering in verschillende contexten, die zich lang niet altijd beperken tot het commerciële en technologische domein. Het is een bewonderenswaardige poging om tot een ‘toekomsthandleiding’ voor verschillende doelgroepen en doelstellingen te komen, geïllustreerd met de toepassing van bijvoorbeeld scenarioplanning, een in de Koude Oorlog door militairen ontwikkelde methodologie, op terreinen als non-profitmanagement en gezondheidszorg. De casestudy’s en procesbeschrijvingen zijn verhelderend, al gaat de gedetailleerdheid soms te ver voor de niet-academische lezer die het in de naaste toekomst niet als handboek zal gebruiken.

    Ook het veelgenoemde idee van ‘langetermijndenken’ duikt in diverse recente boeken op als een cruciaal middel om een andere existentiële dreiging te lijf te gaan: de klimaatcrisis. In De goede voorouder roept filosoof Roman Krznaric kalm op tot een heroriëntering op de toekomst, niet ten bate van onszelf (zoals typerend is voor het populair-futuristische boek), maar van onze verre nazaten. Hij gebruikt de term ‘kathedraaldenken’ voor reusachtige projecten die niet tijdens ons eigen leven zullen worden afgerond, maar waarmee nu wel hoognodig een begin moet worden gemaakt, vergelijkbaar met het werk van verschillende generaties aan de middeleeuwse kathedralen die hun achterkleinkinderen pas voltooid zouden zien.

    Waar in boeken als Toekomstshock de toekomst wordt beschreven als een reusachtige golf die onontkoombaar en verpletterend op ons af raast, is de centrale metafoor in het boek van Krznaric (dat soms leest alsof je door een stil bos dwaalt) de eikel. Het gaat erom dat je bijvoorbeeld niet alleen maar bomen plant (al wordt herbebossing letterlijk een cruciaal langetermijnproject genoemd), maar ook het belang en het potentieel van het huidige moment benadrukt, hoe gebrekkig ook, om de toekomst te beïnvloeden.

    Interactieve kaartspellen zijn misschien wel beter dan een boek in staat de vreemde, veranderlijke manieren te belichamen waarop de toekomst zich ontvouwt

    Het meest inventief wordt dit thema misschien wel onderzocht in populair-futuristische projecten die de grenzen van het boek volledig overschrijden. Een daarvan is Afro-Rithms from the Future, een digitaal kaartspel dat spelers uitdaagt toekomstscenario’s te bedenken met een expliciete focus op zaken als sociale rechtvaardigheid en ongelijkheid. Tot het team dat het spel heeft ontwikkeld behoren futurist, acteur en kunstenaar Ahmed Best en Lonny Brooks, universitair hoofddocent Communicatie aan de California State University. Het spel maakt gebruik van afrofuturistische denkwijzen en kunstvormen om radicale visies op een rechtvaardiger wereld te stimuleren en groepsdiscussies uit te lokken over het veranderen van de huidige situatie om zover te komen. De kosmische, bontgekleurde kaarten zijn uitnodigend en in scherp contrast met het beeld van blauwe lasers dat maar al te vaak de standaardesthetiek van de ‘toekomst’ vormt. Interactieve kaartspellen en collectieve verhaalprojecten zijn misschien wel beter dan een lineair boek in staat de vreemde, veranderlijke, participatieve manieren te belichamen waarop de feitelijke toekomst zich ontvouwt.

    Ook voordat de coronapandemie begin 2020 over de wereld begon te razen, hadden de catastrofale vooruitzichten voor de planeet – klimaatverandering, opkomend nationalisme, systemische ongelijkheid, technologie die meer problemen veroorzaakt dan oplost – iedere hoop op een stabiele toekomst al de bodem ingeslagen. Maar een heel klein lichtpuntje is misschien dat dit het jaar kan worden waarin we het duidelijkst beseffen dat we op een geheel nieuwe manier over de toekomst zullen moeten praten, als we die rechtvaardig en duurzaam willen maken voor iedereen. Net als in 1970 wordt de toekomst momenteel gevormd door ingewikkelde interacties van mensen, systemen, gemeenschappen en materiële en milieuomstandigheden – en door de verhalen waardoor die interacties worden beïnvloed.

    Dit nieuwe hoofdstuk van populair futurisme toont zijn blijvende aantrekkingskracht als een vertrouwd dialect, ook al is de boodschap die het genre brengt nu van een andere urgentie. Misschien kan het nog altijd nieuwe toekomstperspectieven voor een gezondere wereld bieden, maar die moeten dan wel net zo levendig en onweerstaanbaar overkomen als Toekomstshock vijftig jaar geleden. Waar Toffler en zijn volgelingen de versnelde, door winstbejag gedreven toekomst duizelingwekkend maakten, probeert de volgende generatie denkers deze paradox op te heffen en tragere, meer op herstel en gemeenschapszin gerichte toekomsten te verzinnen, die even onweerstaanbaar zijn.

  • Philip Roth schreef het liefst over zichzelf. Wat blijft er dan nog over voor een biograaf?

    Philip Roth schreef het liefst over zichzelf. Wat blijft er dan nog over voor een biograaf?

    Philip Roth, die in 2010 stopte met schrijven en acht jaar later op 85-jarige leeftijd overleed, wist niet zeker of hij wel wilde dat er een biografie over hem werd geschreven. Hij was gewend zijn eigen verhaal te vertellen.

    Waarom Lodewijk Asscher zo van Philip Roths werk houdt

    ‘De angst voor besmetting. Fake news. De paniek omdat niemand precies weet hoe het virus zich verspreidt. Hoe de Italianen de ziekte kwamen verspreiden. De angst om anderen te besmetten en de bittere verwijten. Je leest erover in Nemesis, de laatste roman van Philip Roth. Tien jaar voor covid maar huiveringwekkend actueel. Ik herlas het in het voorjaar van 2020. En echt, het helpt om de psychologie te begrijpen van de tijd waarin we leven.

    Als klein jongetje wilde ik zelf schrijver worden. (Of rechtsbuiten bij Ajax, een droom die nog korter duurde, maar dat terzijde.) Een wereld creëren anders dan de onze maar met zo veel gelijkenis dat je het verschil soms niet meer ziet. In plaats daarvan belandde ik in de politiek. Maar de kunst een andere mogelijkheid te suggereren is me blijven fascineren. Het is het instrument dat de politicus soms van de schrijver leent.

    De schrijver die dit het beste kon? Philip Roth. “Stel je voor”, is wat hij je altijd lijkt voor te houden. Roth schreef over de moderne verwarring rond ras en identiteit – wokeness – zouden we nu zeggen, in zijn verbluffende The Human Stain. Als je het nu herleest is het griezelig actueel hoe Coleman Silk van de universiteit verjaagd wordt. Roth liet zien hoe het had kunnen gaan als een ander dan Roosevelt president was geweest tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar zijn The Plot Against America leek ook in heel veel opzichten het Amerika van Donald Trump te beschrijven.

    In de boeken die Roth tussen 1974 en 2007 schreef over de oversekste Amerikaans Joodse schrijver Nathan Zuckerman speelt hij met zijn eigen levensverhaal. Je merkt dat hij het interessanter vindt hoe het had kunnen zijn dan hoe het was. Maar ook dat hij zichzelf schetst als een tamelijk egomane en onaangename man.

    Waarom ik zo van zijn werk hou? Om de grote thema’s die hij hanteert. Om het Amerika dat hij beschrijft. Om de dromerige beelden van zijn kinderjaren als joods jongetje in Newark. Om de humor in zijn taal.

    Na zijn dood in 2018 verscheen er al de bittere aanklacht van zijn ex-vrouw Claire Bloom. Zij laat zien hoe onaangenaam het was in zijn echte leven te figureren. Nu is er – eindelijk – de biografie van Blake Bailey. “Ik wil niet dat je me rehabiliteert. Maak me gewoon interessant.” Met dit citaat en deze opdracht begint Bailey zijn kolossale werk. Gelukkig maar, ik verheug me erop het te lezen en zo een glimp op te vangen van al die gefrustreerde, monomane, aantrekkelijke en weerzinwekkende personages uit de romans van Philip Roth, van wie ik in de loop der jaren ben gaan houden als van familie.’

    GettyImages 50425948
    Philip Roth en zijn vrouw Claire Bloom in hun woonkamer in New York. – © Ian Cook / Getty Images

    Hij, de koning van het zitvlees, zat al vanaf zijn studententijd 340 dagen per jaar zijn nalatenschap bij elkaar te typen, ruim dertig boeken over hoofdpersonen die veel weg hadden van hemzelf: een kind van Newark, een seculiere jood, de jongste van twee broers, een kinderloze vrijgezel die in dit land zonder pogroms alle vrijheid had om zijn lusten en zijn egomanie uit te leven. Die boeken vormden in twee opzichten zijn nalatenschap: hij had geen kinderen, dus zijn oeuvre is het enige wat hem overleeft; en op hun pagina’s was in zekere zin zijn hele leven vervat.

    Hij hamerde er altijd op dat je zijn werk niet autobiografisch moet lezen, maar produceerde wel een oeuvre vol dubbelgangers en fictieve alter ego’s, speelde voortdurend verstoppertje in zijn fictie. In Operation Shylock (1993) reist een hoofdpersoon genaamd Philip Roth af naar Israël om de confrontatie aan te gaan met een dubbelganger die ook Philip Roth heet en die een vredesplan voor het Midden-Oosten aan het uitventen is terwijl hij zich uitgeeft voor de echte Roth. Zijn memoires uit 1988, The Facts, een van zijn weinige werken die niet fictief lijken te zijn, gaan vergezeld van begeleidende brieven aan en van zijn fictieve alter ego Nathan Zuckerman. Toen hij aan die memoires begon, schreef hij een correspondent dat hij helemaal klaar was ‘met de schmink en de pruik en de opplakbaard’ van fictie – een impliciete erkenning dat zijn personages vermomde versies van hemzelf waren.

    Provocateur

    Uiteindelijk besloot Roth dat er toch een biografie moest komen, want hij wilde dat de mensen hem zouden kennen zoals hij was. Zijn fictie nodigde uit tot misverstanden, maar hij was gekwetst als hij verkeerd begrepen werd. Door op het platteland van Connecticut te wonen kreeg hij de naam een kluizenaar te zijn, maar Roth was een man met een onstilbare behoefte aan contact, onvermoeibaar bezig om mensen voor zich in te nemen, te verleiden.

    Nicole Krauss schreef na zijn overlijden over ‘de oprechte aandacht waarmee hij luisterde’ en ze noemde hem ‘het meest genereuze publiek dat iemand zich kan wensen’. In gezelschap was hij een plagerige grappenmaker, een meester van de imitatie en de anekdote, de belichaming van wat Zadie Smith, nog zo’n schrijfster met wie hij op late leeftijd bevriend raakte, de ‘rothiaanse geest’ noemde: ‘vol karakters en verhalen en humor en geschiedenis en seks en razernij’. Een roemruchte provocateur die wel graag wilde dat mensen hem aardig vonden, of ten minste zijn gelijk erkenden – want hij had nog heel wat rekeningen te vereffenen met ex-vrouwen en, niet geheel toevallig, ook met een ex-biograaf.

    Roth had al met twee eerdere biografen gebroken, een derde proberen te strikken en tegen een vierde met een rechtszaak gedreigd

    In 2012, toen hij Blake Bailey beloofde om hem deelgenoot te maken van zijn privépapieren, zijn vrienden, zijn adresboekje en zijn diepste gedachten, had Roth al met twee eerdere biografen gebroken, een derde proberen te strikken en tegen een vierde met een rechtszaak gedreigd. Maar Bailey, die brutaalweg zelf bij de bejaarde auteur had aangeklopt en een begripvol gehoor bleek te zijn, wist Roth voor zich in te nemen. En zo verschijnt in april nu Philip Roth: de biografie.

    Dat is al Baileys vierde biografie van een Amerikaanse schrijver: de oud-leraar heeft zich ontpopt als een van de grote literaire biografen van Amerika. In 2003 debuteerde hij met A Tragic Honesty: The Life and Work of Richard Yates, dat hielp om de auteur van Revolutionary Road eindelijk de roem te bezorgen die hem in zijn lange leven van armoede en dronkenschap steeds was ontglipt. Zes jaar later kwam Bailey op de proppen met de biografie van een andere twintigste-eeuwse zuipschuit met een literair talent vanjewelste, John Cheever. En toen hij voor het eerst kwam kennismaken met Roth, had hij net de laatste hand gelegd aan zijn biografie van Charles Jackson, vooral bekend van de toepasselijk getitelde klassieker The Lost Weekend uit 1944, gebaseerd op zijn eigen ervaring met comazuipen. Een van Roths eerste vragen toen Bailey zijn aanzoek kwam doen, was dus: ‘Schrijf je ook weleens over mensen die niet continu dronken zijn, of dood?’ ‘Jij zou de eerste zijn,’ zei Bailey daarop.

    Volledige toegang

    De aanduidingen ‘geautoriseerd’ en ‘ongeautoriseerd’ hebben in de literaire wereld beide een negatieve bijklank: bij een ‘geautoriseerde biografie’, geschreven met medewerking van de erven of de gebiografeerde persoon zelf, denk je immers aan een braaf en vleiend portret, en bij een ‘ongeautoriseerde biografie’ verwacht je vuige roddels. Baileys biografieën zijn geautoriseerd. ‘Mensen gebruiken “geautoriseerd” wel als diskwalificatie, alsof je dan onder de plak zit van je hoofdpersoon of de erven,’ vertelde Bailey me. ‘Ik heb andere afspraken gemaakt.’ Hij stelde dezelfde eisen als hij bij de nabestaanden van Yates en Cheever had gedaan: vrije en volledige toegang tot Roth, tot zijn papieren, al zijn familie en vrienden, en iedereen die hij verder wilde spreken – ook mensen die Roth niet per se welgezind waren.

    En Roth stemde toe. Hij omarmde hun samenwerking met de gedrevenheid van iemand die het einde voelt naderen – maar hij probeerde zijn biograaf ook voor zich in te nemen. In de omgang met geliefden, vrienden of collega’s van wie hij iets gedaan wilde krijgen, kon Roth botheid afwisselen met uitbundige jovialiteit. Bij Bailey liet hij zich vooral van zijn aardige kant zien en betoonde hij zich even toeschietelijk als hij afwerend was geweest tegen zijn andere biografen in spe.

    In de laatste zes jaar van zijn leven beantwoordde hij al zijn vragen, vaak met paginalange brieven, hij belde Bailey voortdurend op en gaf hem documenten waarin de erven wellicht nooit meer iemand inzage zullen geven. Roth wist wat voor soort biografie hij wilde, en nadat hij jarenlang met andere aspirant-biografen in de clinch had gelegen, gooide hij het bij Bailey over een andere boeg: hij bedolf hem onder de aandacht en palmde hem in met de hartelijkheid die hij reserveerde voor vertrouwelingen. Hij gaf zich aan hem over in de hoop dat het zou opleveren wat hij wilde: zijn versie van de waarheid.

    Groots in zijn hartelijkheid, onredelijk in zijn rancune en achteloos in zijn hardvochtigheid

    In februari bracht ik in Virginia een bezoek aan Bailey in zijn huis in het historische hart van Portsmouth, op loopafstand van de Elizabeth River, vlak bij Chesapeake Bay. We hebben daar in zijn woonkamer met elkaar gepraat en pizza gegeten, met inachtneming van de anderhalve meter. Op de salontafel lag The Wes Anderson Collection, Matt Zoller Seitz’ rijk geïllustreerde boek over het werk van die regisseur. In Baileys huis zelf hing ook een andersoneske sfeer, rommelig en pre-digitaal: overal boeken, geen tv te bekennen. In de kamer achter me stond een kleine vleugel, waar Bailey na een dag noeste schrijfarbeid vaak op speelt. Hij woont er met zijn vrouw en hun dochter van zestien, een beagle en een kat die nergens te bekennen was.

    Na het eten draaide ik wat rondjes in een van Roths oude Eames-fauteuils, die Bailey van hem heeft geërfd. Het bijbehorende voetenbankje staat bekend als ‘Nicole’s plekje’ – naar Nicole Kidman, een goede vriendin die daar zat als ze bij Roth op bezoek kwam. Toen ik vroeg of ik de papieren van Roth mocht zien, nam Bailey me mee naar de tweede verdieping en opende de kasten langs de muren buiten zijn werkkamer: honderden archiefmappen vol materiaal. Bailey moet dat straks allemaal weer teruggeven aan Roths executeurs-testamentair (zijn agent Andrew Wylie en Julia Golier, ooit Roths geliefde en daarna een goede vriendin), en die kunnen dan besluiten om ze te vernietigen. Bailey heeft ook kopieën van documenten in de archieven van Princeton University, waar ze openbaar toegankelijk waren tot dat archief in 2019 op verzoek van Wylie werd gesloten en de inhoudsbeschrijving van de website gehaald.

    De aanblik van zes jaar aan gegevens over het leven van één man voelt een beetje alsof je een reusachtige legpuzzel ziet die de vloer van een balzaal in beslag neemt: een indrukwekkend gezicht, maar je moet er niet aan denken hoeveel werk daarin is gaan zitten. Onderzoek doen naar een schrijversleven is een traag proces, een mengeling van ouderwets journalistiek handwerk en eindeloos spitten in archieven. Bailey heeft de meeste boeken van Roth ettelijke malen gelezen – alleen daarin gaan al honderden uren werk zitten. ‘Je moet mensen durven benaderen alsof je ze een verzekering wilt aansmeren,’ zei Bailey. ‘Dat is een rol die ik wel kan spelen en ik kan er ook van genieten, maar ik zit net zo lief wekenlang in mijn eentje te werken zonder een mens te zien. Dat is een handige combinatie voor een biograaf.’

    Kloosterplicht

    Zijn talent als archieftijger resulteert in een boek dat een uitputtend en minutieus gedetailleerd beeld geeft van Roths leven: van de saaiheid van zijn militaire dienst in de jaren vijftig tot zijn catastrofale huwelijken en zijn strijd tegen depressie. Hij zet Roth vaak meelevend neer als een man van strikte discipline (dat befaamde arbeidsethos, het schrijven als een soort heilige kloosterplicht) die ook wild uit de band kon springen (hij had een slippertje met Ava Gardner en liet Jackie Kennedy een blauwtje lopen). Alle perikelen rond zijn financiën, zijn vetes en zijn psychoanalyse krijgen we tot in het kleinste detail voorgeschoteld. De figuur die zo naar voren komt, is een man die groots kan zijn in zijn hartelijkheid, onredelijk in zijn rancune en achteloos in zijn hardvochtigheid.

    Zijn eerste reactie was ‘Notes for My Biographer’, een verweerschrift ter lengte van een boek

    Amerika kent weinig schrijvers zoals Bailey, de traditie van de literaire biografie stelt hier niet veel voor. ‘Voor zover we weten,’ schreef Rachel Donadio in 2007 in The New York Times Book Review, waren er op dat moment geen biografieën op handen ‘van Cormac McCarthy, E.L. Doctorow, Don DeLillo, Toni Morrison, Thomas Pynchon, Salman Rushdie of John Updike’. Sindsdien is alleen over Updike een grote biografie verschenen. Afgezien van Bailey en een handjevol anderen – zoals Roths goede vriendin Judith Thurman, die biografieën heeft geschreven van Isak Dinesen en Colette – zijn er maar weinig Amerikanen die uitblinken in dit genre.

    In Groot-Brittannië heb je auteurs als Claire Tomalin, Michael Holroyd en Hermione Lee, die alom geprezen biografieën hebben geschreven van respectievelijk Dickens, Shaw en Virginia Woolf. Britten zijn heerlijk voyeuristisch in hun belangstelling, ze willen lezen over het leven dat hun schrijvers leiden. De Britse tabloids doken er meteen bovenop toen Martin Amis in 1994 zijn literair agent verruilde voor een nieuwer en blitser model (Andrew Wylie toevallig). Het seksleven van Philip Larkin, of het gebrek daaraan, trok nationale aandacht. Maar in de Verenigde Staten is Roth een van de weinige schrijvers wiens privéleven vaak over de tong ging. (Wat weten we nou over het privéleven van Jonathan Franzen of Lorrie Moore?) Wij nemen onze schrijvers serieus, wat wil zeggen dat we hun werk belangrijker achten dan hun leven.

    Niet zo gek dus dat bij ons de taak om de traditie van de literaire biografie hoog te houden toeviel aan een mislukte romanschrijver. Bailey, in 1963 in Oklahoma geboren, wilde aanvankelijk acteur worden. Maar onderweg naar een auditie voor de Matt Dillon-film Tex las hij op zijn zestiende The Great Gatsby, en eenmaal bij de auditie aangekomen leek acteren hem ‘een knap suffe ambitie’. (De auditie was geen succes.) Hij ging studeren aan Tulane University, werd leraar op een middelbare school in New Orleans, probeerde een roman te schrijven en raakte idolaat van Frederick Exley. ‘Ik voelde een diepe verbondenheid’ met Exley, schreef hij in 2014 in het autobiografische The Splendid Things We Planned: ‘zijn drankzucht, zijn ziekelijke interesse in sport, zijn minachting voor de alledaagse sleur – die hele puberale narcistische roes.’

    ‘Hij wilde Richard Yates zíjn, niet over Richard Yates schrijven,’ zei Elizabeth Kaplan, zijn eerste agent. Maar succes had hij alleen gehad met non-fictie, vooral met een artikel in het blad Spy over het schrikbewind dat de vrouw van Revlon-tycoon Ron Perelman bij de verbouwing van haar huis uitoefende over de aannemers. ‘Schrijf een voorstel voor een boek over iets wat jou hevig interesseert,’ had Kaplan tegen hem gezegd, zo vertelde Bailey. ‘En wat mij op dat moment hevig interesseerde, was Richard Yates.’

    In 1999 kwam hij in contact met Yates’ middelste dochter, Monica, die het fijn vond dat Bailey geen wetenschapper was: ze hield de academische wereld verantwoordelijk voor haar vaders smadelijke teloorgang. Ze verleende hem haar medewerking en Bailey kreeg een contract met een uitgever. In april 2000 werd Revolutionary Road heruitgebracht en Baileys uitgever gokte erop dat de biografie kon meesurfen op de verhoopte nieuwe aandacht voor Yates.

    ‘Eind januari 2001 tekende ik het contract en ik kreeg tot 15 maart 2002 voor het onderzoek en het schrijven van het boek,’ zei Bailey. ‘Vanaf dat moment was ik veertien maanden lang elk uur van de dag met Yates bezig, behalve onder het eten of op de wc.’ A Tragic Honesty: The Life and Work of Richard Yates verscheen uiteindelijk in juli 2003. Yates verrees uit het graf om in de hemel van de literaire canon te worden opgenomen en Bailey werd geprezen omdat hij in zijn biografie de vinger legde op de narratieve spanning in het schrijversleven – in het geval van Yates een leven van armoede en eenzaamheid, de hele dag typen en sigaretten paffen en ’s avonds aftaaien naar de kroeg. Het boek was dat jaar een finalist in de categorie biografie van de National Book Critics Circle Award. Bailey was leraar af.

    Nadat critica Janet Maslin de Yates-biografie lovend besproken had in The New York Times, nam haar man, de schrijver Benjamin Cheever, Bailey mee uit eten en vroeg of hij misschien ook over zijn vader John wilde schrijven. Dat wilde Bailey wel en in 2009 verscheen de biografie van Cheever. Roth, die op het punt stond om zijn laatste roman te publiceren en bang was nooit meer een geschikte biograaf te vinden, las het boek met bewondering.

    ‘Ik denk dat Philip voor Blake heeft gekozen omdat hij zijn boek over Cheever had gelezen en dat voortreffelijk vond,’ zei Benjamin Taylor, een vriend van Roth, die in diens laatste jaren een medische volmacht van hem had en de auteur van Here We Are: My Friendship with Philip Roth. ‘Ik weet nog dat hij tegen me zei, toen hij dat uit had: “Hij velt geen oordeel over zijn hoofdpersoon – hij laat hem gewoon zijn gang gaan. Fatsoenlijk of onfatsoenlijk, net wat hij zelf wil. Zonder daar een moralistische visie op te plakken.” En hij zei ook: “Dat is het soort ruimdenkendheid dat ik nodig heb in een biografie.”’ Of zoals Bailey het zelf formuleerde: ‘Cheever gaat in mijn boek hard onderuit, maar blijft in de kern toch een sympathiek personage.’ Roth hoopte dat het voor hem ook zo zou uitpakken. ‘Als je de volledige waarheid over iemand vertelt, toon je die persoon in al zijn menselijkheid,’ zei Bailey. ‘Philip dacht dat dat ook voor hem zou gelden.’

    In 1996 was Leaving a Doll’s House verschenen, de memoires van de Engelse actrice Claire Bloom, Roths ex-vrouw. Zij schetst een vrij genuanceerd beeld van de ontsporing van hun liefde, waarin ze ook zichzelf niet ontziet, maar bij recensenten en lezers ontstond het beeld van Roth als een manipulatieve minnaar die wrede emotionele spelletjes speelde. Zijn eerste reactie was ‘Notes for My Biographer’, een verweerschrift ter lengte van een boek, dat hij aan zijn uit-gever Houghton Mifflin verkocht. Vervolgens ging hij op zoek naar een biograaf. ‘Ik dacht: iemand moet dit verhaal rechtzetten, anders blijft dit hét verhaal,’ zei hij later tegen Bailey.

    GettyImages 600005236 1
    Philip Roth in New York. – © Getty

    Flatteus portret

    Roth vroeg het eerst aan Ross Miller, literatuurdocent aan de University of Connecticut en een goede vriend, die jarenlang voorlopige versies van zijn romans te lezen kreeg en de Library of America-uitgave van zijn verzameld werk had geredigeerd (al had hij daarbij slecht werk geleverd, zo vond Roth, die daarom zelf maar de redactionele teksten aan-leverde waarvoor Miller verantwoordelijk was). Roth wilde een flatteus portret en hoopte dat Millers loyaliteit zou opwegen tegen zijn gebrek aan talent. Maar volgens Roth werkte Miller er maar sporadisch aan: toen Roth hem in 2009 voorgoed van zijn taak onthief, had hij blijkbaar nog maar elf van Roths kennissen geïnterviewd. En toen Roth de opnamen van die gesprekken afluisterde, schrok hij zo van de in zijn ogen belabberde interviewtechniek dat hij weer aan een lang schotschrift begon, een nooit gepubliceerde aanval op Miller getiteld ‘Notes on a Slander-Monger’ (‘Aantekeningen over een lasteraar’). Met de vriendschap kwam het niet meer goed en Roth bleef tot zijn laatste snik op Miller afgeven.

    Miller wilde hier niet op reageren. Toen ik Wylie vroeg of de erven hem een proces zouden aandoen als hij mij te woord stond, zei hij: ‘Daar wil ik echt niet op ingaan.’ Maar helemaal ongegrond lijkt die vrees niet. In 2011 had Roth meer dan zestigduizend dollar aan advocaten uitgegeven om gedaan te krijgen dat Ira Nadel, een Amerikaanse literatuur-wetenschapper die tegenwoordig in Canada doceert, één enkel zinnetje schrapte uit zijn Critical Companion to Philip Roth – een zinnetje over Roths veronderstelde ‘angst om emotioneel door een vrouw te worden overweldigd’, waarmee Nadel doelde op de vrouw die lange tijd een verhouding met Roth had gehad en het model was geweest voor Drenka, de seksueel vrijgevochten minnares in Sabbath’s Theater. Nadel had ook plannen voor een biografie en kreeg van Wylie te horen dat hij niet mocht citeren uit Roths werk en dat geen van Roths intimi hem ooit zou helpen.

    ‘Ik ben ook geen biseksuele alcoholist van deftige puriteinse komaf, maar ik heb toch een biografie van John Cheever geschreven’

    Ondanks zijn weerzin jegens Miller en minachting voor Nadel (die de schrijver in zijn vorige maand verschenen biografie afschildert als een man die doodsbenauwd is voor intimiteit) bleef Roth zoeken naar de ideale biograaf. Hij besprak het met een hoogleraar aan Stanford University, Steven Zipperstein, die zegt dat hij geen geautoriseerde biografie wilde schrijven (al werkt hij nu toch aan zijn eigen biografie van Roth). In 2010 kreeg hij een toezegging van Hermione Lee, die biografieën op haar naam heeft van Virginia Woolf en Edith Wharton. Maar daar kreeg hij al snel weer spijt van. Het zat hem dwars dat ze er pas aan kon beginnen als ze haar boek over Penelope Fitzgerald had voltooid, ook al had ze dat vooraf gezegd. En er was nog iets. ‘Hij wilde niet de geschiedenis ingaan als een man die iets tegen vrouwen had,’ kreeg ik te horen van een schrijver die bevriend was geweest met Roth. ‘En hij was bang dat dat wel zou gebeuren als zijn biograaf een feministe was.’

    In 2012, toen Lee dacht dat Roth zijn biografie nog aan haar had verpand, stuurde Bailey hem een e-mail nadat hij van schrijver James Atlas, ook een oude en inmiddels met Roth gebrouilleerde vriend, gehoord had over de breuk tussen Roth en Miller. (Atlas lijkt niet op de hoogte te zijn geweest van Roths afspraak met Lee, die mij niet te woord kon staan omdat, zo liet ze weten, haar hoofd ‘momenteel vol zit met Tom Stoppard’.) Zodra Bailey wist dat Roth misschien op zoek was naar een biograaf, wilde hij die klus. ‘Alles kwam gewoon samen,’ zei hij: dat Roth nog beschikbaar was en dat hij ‘al vanaf jonge leeftijd helemaal weg was’ van zijn werk. Roth nodigde hem uit in zijn flat in New York, en daarna nog een keer in zijn huis in Connecticut. In de Upper West Side vroeg hij Bailey waarom een 
    niet-jood uit Oklahoma zijn biografie zou moeten schrijven, waarop Bailey zijn antwoord paraat had: ‘Ik ben ook geen biseksuele alcoholist van deftige puriteinse komaf, maar ik heb toch een biografie van John Cheever geschreven.’

    ‘Er staan natuurlijk dingen in die hij onverteerbaar zou hebben gevonden’

    Roth was blij met zijn nieuwe man. Hij had de publicatie van ‘Notes for My Biographer ’ al afgeblazen en vrienden gevraagd hun exemplaren terug te sturen. Bailey kreeg een kopie van dat manuscript, en van ‘Notes on a Slander-Monger’, en nog veel meer materiaal. De afspraak is dat hij anderhalf jaar na het verschijnen van de biografie alles moet retourneren aan de erven. Julia Golier, een van de twee executeurs-testamentair, zegt dat zij en Wylie dan op basis van hun interpretatie van Roths wensen zullen beslissen wat er moet worden vernietigd en wat er naar de Library of Congress gaat. Over ‘Notes for My Biographer’ en ‘Notes on a Slander-Monger’ (in feite Roths ongepubliceerde werk) zei ze desgevraagd: ‘Er is gerede kans dat we die vernietigen. Dat besluit nemen Andrew en ik als het zover is.’

    Achtenveertig keer wordt ‘Notes for My Biographer’ door Bailey in de biografie aangehaald. Dat betreft vooral passages over Claire Blooms kritiek op hem. Veel van die citaten zijn onschuldig en sommige zijn zelfs complimenteus (Roth vond zijn ex bijvoorbeeld ‘een geboren schrijfster’). ‘Notes on a Slander-Monger’ wordt maar achttien keer aangehaald. Deze onbekende manuscripten zijn misschien niet explosief van aard, maar ze zijn zonder meer van belang – ze gaan immers over Roths twee grote relatiebreuken (na het fiasco van zijn vroege eerste huwelijk): de echtscheiding van Bloom en de breuk met Miller. En het is niet duidelijk hoeveel exemplaren van deze teksten nog in omloop zijn. Roths vriendin Claudia Roth Pierpont, de auteur van Roth Unbound: A Writer and His Books (2013), leek zich niet goed raad te weten met mijn vraag of zij nog een exemplaar had: ‘Er zwerven nog wel exemplaren rond. Ik heb er geen.’

    In Baileys archiefkasten bevinden zich nu in ieder geval nog exemplaren van deze teksten, en van ‘Slander-Monger’ ligt er ook een exemplaar achter slot en grendel op Princeton, onderdeel van de verzameling Roth-gerelateerde documenten die Benjamin Taylor in 2018 aan de universiteit heeft verkocht. Het jaar daarop werd dat archief op last van Wylie gesloten en Taylor weet niet of Princeton het ooit nog zal heropenen. Volgens een woordvoerder is de universiteit ‘nog in gesprek met de erven’. Wylie noch de advocaat van de erven, Perley H. Grimes Jr., wilde hier iets over kwijt. Het is net alsof Roths wilskracht de schrijver heeft overleefd en hij over het graf heen blijft drammen en dwingen. Zijn lichaam vergaat, maar zijn oude kennissen respecteren zijn wensen en bewaren een respectvol stilzwijgen.

    Bij wetenschappers zal altijd de frustratie blijven knagen dat slechts één man zijn volledige oeuvre heeft mogen zien – niet alleen alle titels die nog in de winkel liggen, maar ook de ongepubliceerde geschriften.‘Exclusiviteitsbiografie!’ foetert Jacques Berlinerblau, een hoogleraar van Georgetown University die in september ook een boek over Roth publiceert, The Philip Roth We Don’t Know: Sex, Race, and Autobiography. ‘Volledige inzage in alle documenten, en daarna worden ze verbrand!’ Dat zou zonde zijn. Miller was in de jaren tachtig en negentig een belangrijke meelezer van Roths romans in wording; en omdat het beeld van Roth als vrouwenhater in sterke mate op het boek van Bloom berust, lijkt het erop dat het eindoordeel daarover voorgoed moet worden opgeschort.

    Bailey is ook de enige die een 101 pagina’s tellend verslag heeft gelezen dat speciaal voor hem werd geschreven door de vrouw die de inspiratiebron was voor Sabbaths minnares Drenka. Bailey mocht die herinneringen alleen in haar bijzijn lezen. ‘Ik mocht ze niet eens meenemen naar de wc,’ zei Bailey. Roth had met niemand zo’n lange verhouding als met deze vrouw, zelfs niet met zijn twee echtgenotes, en Bailey heeft geen idee wat zij gaat doen met haar manuscript, waarin ze een naargeestiger figuur schetst dan de Mickey Sabbath die Drenka’s minnaar is.

    ‘In Sabbath is de seks vrolijk en speels,’ schreef Bailey me, terwijl je in haar versie van het verhaal ‘vooral leest dat Philip (om maar wat te noemen) wilde dat zij aan de telefoon luisterde hoe hij zich in Londen zat af te trekken terwijl zij in Connecticut’ aan het werk was, met patiënten in haar fysiotherapiepraktijk.

    De Roth die uit Baileys onderzoek naar voren komt, was soms harteloos tegenover geliefden en vrienden zowel als vijanden. Hij zag er geen been in om hun levens als voer voor zijn boeken te gebruiken. Als ze daar bezwaar tegen maakten, zoals de romanschrijver en trouwe discipel Alan Lelchuk op den duur deed, toonde Roth geen berouw. Hij was een meester van de onmin, getuige zijn ruzies met Lelchuk, met Atlas en natuurlijk met Miller. Hij kon emotioneel veeleisend zijn en zijn medeleven met anderen was ondergeschikt aan zijn eigen behoeften. Hij had iets van een jengelend kind: hij wilde bijvoorbeeld dat Bloom meer tijd met hem doorbracht en minder met haar tienerdochter Anna. Hij was vaak blind voor zijn eigen tekortkomingen en de wrevel die hij zelf veroorzaakte: hij noemde Anna in een brief ‘strontvervelend’, zonder oog te hebben voor de rol die hij zelf in de familieruzie speelde.

    Deze versie van Roth, als een man met sterke seksuele driften, een brandend gevoel van slachtofferschap, een talent voor nietsontziende woede en een beperkt inlevingsvermogen, doet denken aan zijn meest onverzadigbare personages – Portnoy, Zuckerman en Sabbath met name. Roth schreef geen autobiografische romans, maar hij lijkt zijn tekortkomingen en turbulente leven wel te hebben gebruikt als stof voor zijn fictie, waarin hij zijn eigen beperkingen wilde etaleren op de enige manier die hij kon, in de enige taal waarover hij beschikte.

    Roth wist heel goed dat Bailey over al deze dingen zou schrijven, maar sputterde toch zelden tegen. Een van de zeldzame ruzies die hij met Bailey kreeg, ging erover dat de vrouw die model had gestaan voor Drenka niet onder haar echte naam in de biografie wilde worden opgevoerd. Roth meende dat ze hem in gesprekken met Bloom en Bailey had belasterd en wilde niet dat ze zich achter haar anonimiteit kon verschuilen. ‘Ik wees Philip erop dat hij niet in de positie verkeerde om zulke eisen te stellen,’ zei Bailey, ‘en daarmee was de kous af.’

    Boeiend

    Kwam dat misschien doordat hij als schrijver wist wat ervoor nodig is? Dat als de vergetelheid zijn grootste angst was – en dat ís de grootste angst van elke schrijver – hij niet alleen bewonderenswaardig maar vooral boeiend moest zijn? Hij wordt in dit boek herinnerd als een mens: hilarisch, ongrijpbaar, oprecht aardig maar ook wispelturig en vals. Een man, geen levenloos monument. ‘Er staan natuurlijk dingen in die hij onverteerbaar zou hebben gevonden,’ zei Bailey. ‘Maar hij zou uiteindelijk hebben ingezien dat de ideale biografie die hem voor ogen stond alleen gerealiseerd had kunnen worden als hij hem zelf had geschreven – wat hij in een ideale wereld natuurlijk ook het liefst had gedaan.’ 

    boekcover

    Vertalers Frank Lekens en Lidwien Biekmann hebben zich ontfermd over de 880 biografische pagina’s die binnenkort bij de Bezige Bij verschijnen. Blake Bailey kreeg toegang tot Roth’s persoonlijke archief en sprak vrienden, geliefden en collega’s.

    Ook met Roth zelf sprak hij veelvuldig over liefde, de dood en de literatuur. En ook over hoe pleitbezorger werd voor dissidente schrijvers uit het Oostblok en zijn literaire carrière bijna ontspoorde door zijn eerste huwelijk. 


    Ondanks dat de Amerikaanse uitgever de biografie op 21 april uit de handel heeft genomen nadat Bailey werd beschuldigd van seksuele intimidatie en misbruik, publiceren wij dit interview waarin immers de nadruk ligt op Roth, aan wie we graag onverminderd aandacht besteden. Om dezelfde reden zal De Bezige Bij het boek als gepland uitgeven.

  • ‘Ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’ Philip Roth, de biografie

    ‘Ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’ Philip Roth, de biografie

    Op 22 april verschijnt de Nederlandse vertaling van de biografie van Philip Roth door Blake Bailey. Met dank aan De Bezige Bij publiceren wij alvast de proloog. Over Portnoy’s Complaint, waar Roth naar eigen zeggen best zonder had gekund, de Nobelprijs, die hij uiteindelijk nooit kreeg en Roth als brave jongen.

    Op 23 oktober 2005 werd in Newark Philip Roth Day gevierd. Twee bussen vol fans deden de Philip Roth Tour en reden langs betekenisvolle plekken – Washington Park, de openbare bibliotheek, Weequahic High School – waar de inzittenden om beurten relevante passages uit zijn werk voorlazen. De rit eindigde bij Summit Avenue 81, het huis van zijn vroegste jeugd, waar iedereen uitstapte en Roth luid werd toegejuicht toen hij zelf in een limousine arriveerde.

    ‘Kom hier en geef me een kus!’ zei Roberta Harrington, de huidige eigenares van het huis, en Roth liet haar de rest van de dag niet meer van zijn zijde wijken. Na enkele woorden van burgemeester Sharpe James, voor wie Roth grote bewondering had (‘typische burgemeester van een grote stad, met alle bluf en sluwheid die daarbij horen’), trok Roth de zwarte doek weg om de plaquette te onthullen die op het huis was aangebracht: ‘In dit huis speelden zich de eerste levensjaren af van Philip Roth, een van de grootste Amerikaanse schrijvers van de twintigste en eenentwintigste eeuw.’ Daarop stak het gezelschap de straat over naar de kruising met Keer Avenue, waar een groen straatbord op de hoek aangaf dat dit kruispunt voortaan Philip Roth Plaza heette. 

    Vervolgens was er een receptie in het bibliotheekfiliaal uit Roths kindertijd, aan Osborne Terrace, waar de burgemeester plaatsnam achter het spreekgestoelte: ‘Jullie jochies van Weequahic denken dat wij van de South Side niet kunnen lezen,’ zei hij tegen Roth, doelend op de overwegend zwarte school waarop hijzelf had gezeten in de tijd dat Roth naar Weequahic High ging. En hij las (‘heel mooi’) iets voor uit The Counterlife

    ‘Als je uit New Jersey komt,’ had Nathan gezegd, ‘en je schrijft dertig boeken en je wint de Nobelprijs, en je eindigt je leven als een man van vijfennegentig met witte haren, dan is het hoogst onwaarschijnlijk maar niet onmogelijk dat ze na je dood besluiten een parkeerplaats langs de Jersey Turnpike naar je te vernoemen. En dan wordt er inderdaad misschien nog lang na je overlijden aan je gedacht, maar vooral door kleine kinderen achter in een auto als die zich naar voren buigen om tegen hun ouders te zeggen: “Stop eens, alsjeblieft, stop eens bij Zuckerman – ik moet plassen.” Op meer onsterfelijkheid moet je als romanschrijver uit New Jersey realistisch gezien echt niet hopen.’ 

    Tot slot nam Roth zelf het woord: ‘Vandaag is Newark mijn Stockholm en die plaquette mijn prijs. Ik zou niet blijer kunnen zijn met eender welk eerbewijs me waar ook ter wereld ten deel zou kunnen vallen. Meer valt er niet te zeggen.’ Een paar dagen eerder had zijn vriend Harold Pinter de Nobelprijs gewonnen. 

    De grote Israëlische filosoof Gershom Scholem ging zelfs zover om te opperen dat Portnoy’s Complaint de opmaat zou vormen naar een tweede Holocaust

    ‘Roth is een schrijver wiens kracht en vaardigheid veel groter zijn dan zijn toch al niet geringe reputatie,’ had de vooraanstaande Britse criticus Frank Kermode acht jaar eerder geschreven na lezing van American Pastoral, de roman over de verloedering van Newark en het grotere verlies van Amerika’s onschuld in de jaren zestig die Roth de Pulitzer Prize had opgeleverd. Misschien dacht Kermode aan een oudere roman, die zich ook in Newark afspeelt en waarop Roths reputatie nog steeds voor een groot deel berust: Portnoy’s Complaint, zijn bestseller uit 1969 over een joodse tiener met een moedercomplex en een voorliefde voor blonde sjikses, die zich aftrekt in een stuk lever (‘Ik heb het avondeten van mijn eigen familie genaaid’). Veel van Roths latere werk was mede een reactie op de verlammende roem van dat boek – op de wijdverbreide gedachte dat dit geen fictie was maar bekentenisliteratuur, en de in sommige delen van het joodse establishment vigerende opvatting dat Roth een antisemitische propagandist was van het kaliber Goebbels en Streicher. De grote Israëlische filosoof Gershom Scholem ging zelfs zover om te opperen dat Portnoy’s Complaint de opmaat zou vormen naar een tweede Holocaust. 

    Gezien de magistrale omvang van zijn uiteindelijke oeuvre – eenendertig titels – begon Roth op den duur oprecht te wensen dat hij Portnoy nooit gepubliceerd had. ‘Ik had ook zonder dat boek best een serieuze carrière kunnen hebben, en dan was ik ontkomen aan die stortvloed aan krenkende bagger’ – al die verwijten van joodse zelfhaat, vrouwenhaat en algehele frivoliteit. ‘Ik had een boek geschreven over seks en aftrekken en zo, dus nu was ik een potsenmaker of een pornoschrijver. Maar ik heb ze er uiteindelijk toch onder gekregen. De fuckers.’ 

    ***

    Roth was een van de laatsten van een generatie hemelbestormende romanschrijvers, onder wie zulke vrienden en deels ook rivalen als John Updike, Don DeLillo en William Styron (zijn buurman in Litchfield County, Connecticut), en het is aannemelijk dat zijn werk de meeste kans maakt om de tand des tijds te doorstaan. In 2006 legde The New York Times Book Review aan zo’n tweehonderd ‘schrijvers, recensenten, redacteuren en andere literatuurkenners’ de vraag voor wat zij ‘het beste Amerikaanse fictieboek van de afgelopen vijfentwintig jaar’ vonden. Zes van de tweeëntwintig boeken op de uiteindelijke ranglijst waren van Roth: The Counterlife, Operation Shylock, Sabbath’s Theater, American Pastoral, The Human Stain en The Plot Against America. ‘Als we ze naar de beste fictieschrijver van de afgelopen vijfentwintig jaar hadden gevraagd,’ schreef A.O. Scott in het begeleidende essay, ‘had Roth gewonnen.’ 

    Maar Roths schrijversloopbaan omspande natuurlijk een veel langere periode dan die vijfentwintig jaar, want die was al in 1959 begonnen met Goodbye, Columbus, waarmee hij op zijn zesentwintigste de National Book Award won. Zijn derde roman, Portnoy’s Complaint, prijkte op de in 1998 door de Modern Library uitgebrachte lijst van de honderd beste Engelstalige romans van de twintigste eeuw, en zowel American Pastoral als Portnoy haalde in 2005 ook de door het weekblad Time samengestelde ranglijst van de honderd beste Amerikaanse romans. In de vijfenvijftig jaar van zijn schrijversloopbaan heeft Roth in zijn ontwikkeling een verbluffende veelzijdigheid aan de dag gelegd: na de rake satire van zijn vroege verhalen in Goodbye, Columbus schreef hij eerst twee sombere realistische romans (Letting Go en When She Was Good) die vooral sterk onder de invloed stonden van respectievelijk Henry James en Flaubert – curieuze leerjaren als je dat werk vergelijkt met de bizarre kluchtigheid van de Portnoy-periode die erop volgde (met Our Gang en The Great American Novel), het kafkaëske surrealisme van The Breast, de virtuoze komedie van de Zuckerman-reeks (The Ghost Writer, Zuckerman Unbound, The Anatomy Lesson, The Prague Orgy), het onnavolgbare metafictionele spel van The Counterlife en Operation Shylock, en de uiteindelijke synthese van al zijn kwaliteiten in de meesterlijke en in essentie tragische Amerikaanse trilogie American Pastoral, I Married a Communist en The Human Stain. En in de laatste tien jaar van zijn schrijverschap bleef hij romans afleveren – bijna elk jaar nog één – met indringende bespiegelingen over sterfelijkheid en noodlot. Al met al biedt zijn oeuvre ‘het meest ware beeld van het leven in onze tijd’, zoals de dichter Mark Strand het in 2001 verwoordde bij de uitreiking aan Roth van de Gold Medal van de American Academy of Arts and Letters. 

    Roth betreurde de misvatting dat hij in de kern een autobiografische schrijver was

    Roth betreurde de misvatting dat hij in de kern een autobiografische schrijver was, al schiep hij daarover zelf ook graag verwarring door zijn romans vol te stoppen met allerhande fictieve alter ego’s die sterk op hem leken, tot het terugkerende personage ‘Philip Roth’ aan toe. Sommige romans waren allicht iets autobiografischer dan andere, maar Roth zelf was een veel te ongrijpbare figuur om hem op één enkel personage vast te pinnen, en er is betrekkelijk weinig bekend over het werkelijke leven waarop heel dat enorme oeuvre dan zou zijn gebaseerd. Tot op zekere hoogte zat die verwarring hem erg dwars. ‘Ik ben evenmin “Alexander Portnoy” als ik de “Philip Roth” ben van het boek van Claire [Bloom],’ somberde hij na de publicatie van Leaving a Doll’s House, de smadelijke memoires van de actrice van wie hij was gescheiden. Als hij dat Portnoy-imago niet had gehad, zou zijn ex het volgens Roth ‘nooit gewaagd hebben om op de proppen te komen’ met een portret van hem dat zo’n schril contrast vormt met het beeld van de ‘gedisciplineerde, stabiele en verantwoordelijke’ persoon dat hij altijd van zichzelf had. 

    Interview met de auteur

    In ons aankomende meinummer, dat 29 april verschijnt, publiceren wij een interview met Blake Bailey, de befaamde biograaf, waarin hij onder andere ingaat op de vraag hoe autobiografisch Roths werk eigenlijk was.

    Dat is beslist ook de manier waarop Roth geportretteerd is in de postume sleutelroman van Janet Hobhouse, The Furies, waarin een van de personages een op Roth geënte beroemde schrijver is. Midden jaren zeventig had hij een affaire met Hobhouse – ze woonden toen in hetzelfde gebouw, niet ver van het Metropolitan Museum – en zij heeft misschien wel het meest afgewogen portret geschetst van deze man die, hoe beroemd hij ook was, de publiciteit vooral schuwde. De verteller in haar roman beschrijft ook de conventionelere kanten van de charme van deze Jack/Roth (‘niet alleen zijn snelheid van denken, maar die speelsheid, die bereidheid om te springen en duiken en met een soepele polsbeweging het spel op gang te houden’), maar ze valt toch vooral voor zijn ‘monnikenleven’, de mate waarin ‘zijn hele bestaan draait om de twee pagina’s die hij van zichzelf elke dag moet schrijven’: ‘Ik zat hunkerend te denken aan dat gereguleerde, bijna ascetische leven dat zich twee verdiepingen lager afspeelde: het ernstige geblader in literaire tijdschriften als de schemering viel, het geritsel van buitenlandse correspondentie in een jamesiaanse gewijde stilte.’ 

    Roth beschouwde zichzelf juist als het tegendeel van antisemitisch en misogyn, en hij had sowieso weinig op met dat soort hokjesdenken. Over het zogenaamde ‘monnikenleven’ van hem schreef hij bijvoorbeeld aan een vriend: ‘Mijn reputatie als “kluizenaar” was altijd al belachelijk.’ Het kwam er vooral op neer dat hij liever ‘zalig’ aan het werk was in een landelijke omgeving dan dat hij ‘over [zich]zelf zat te kletsen met mensen in New York of in praatprogramma’s op tv’. Maar hij was vaak zeer betrokken bij de buitenwereld: in de jaren zeventig reisde hij herhaaldelijk naar Praag en sloot daar vriendschap met dissidente schrijvers als Milan Kundera en Ludvík Vaculík, wier boeken hij in het Westen onder de aandacht bracht in de jarenlang door hem geredigeerde Penguin-reeks Writers from the Other Europe. Toen hij een relatie had met Bloom, verdeelde hij zijn tijd tussen Londen, New York en zijn buitenhuis in Connecticut, en was hij daarnaast af en toe wekenlang in Israël om stof op te doen voor zijn romans The Counterlife en Operation Shylock. En in de jaren daarna reisde hij waar hij maar heen wilde om informatie te vergaren over onderwerpen die varieerden van het maken van handschoenen tot taxidermie en grafdelven; voor zijn boek Patrimony ging hij zelfs op een voorleestournee om dat ook eens te ervaren. Maar het grootste deel van zijn schrijversloopbaan zag er wel zo uit als Hobhouse het beschreef: overdag noest aan de arbeid achter zijn bureau, ’s avonds in gezelschap van een vrouw – liefst ook verdiept in een boek, als het aan Roth lag. ‘Wat had ik anders moeten doen om niet voor kluizenaar te worden uitgemaakt?’ schreef hij. ‘Elke avond uit eten in Elaine’s?’ 

    Roth wist er wel een kleurrijk liefdesleven op na te houden, waarover hij vaak sprak ‘met een soort beminnelijke dromerigheid’, zoals Samuel Johnson volgens zijn biograaf Boswell mijmerde over zijn lievelingskat Hodge. Maar hij bleef toch ook altijd de geliefde zoon van Herman en Bess – een ‘innemende, analytische, brave jongen die iedereen zo charmant naar zijn hand wist te zetten’, zoals zijn alter ego Zuckerman hem afkeurend beschrijft in The Facts – een man zo rechtschapen dat hij tweemaal een rampzalig huwelijk aanging met vrouwen die volstrekt niet bij hem pasten, niet in de laatste plaats omdat zij het zo graag wilden. (En dat terwijl hij een hele reeks partners afwees die veel beter bij hem zouden hebben gepast.) Ondertussen bleef hij zich ook steeds afzetten tegen zijn eigen braafheid, precies zoals omschreven in de klinische definitie van ‘Portnoy’s klacht’: ‘een aandoening waarin intens beleefde ethische en altruïstische impulsen voortdurend strijden met extreme seksuele, vaak perverse verlangens’. Nogmaals, Portnoy is nog de minst autobiografische figuur in die galerij, die onder meer ook Zuckerman, Kepesh en Tarnopol omvat, maar al die personages zijn wel behept met een vergelijkbare gespletenheid. De grootste drijfveer van Roth zelf was echter altijd het dienen van zijn eigen genie – in weerwil van alle vurige verlokkingen des vlezes die hem ook niet vreemd waren. ‘Philip zei een keer iets over Willy, de man van Colette,’ zei zijn vriendin Judith Thurman. ‘Hij had het over het fin de siècle, die hele wereld die bol stond van de erotiek, en hij zei: “Dat was wel zo mooi! Ze liepen de godganse dag rond in een roes.” En hij bedoelde een seksuele roes. Stel je voor dat je heel muzikaal bent en op straat de taxi hoort rijden in C-klein en de bus in G-groot, en je hóórt dat allemaal – en vertaal dat dan naar een antenne voor erotiek.’ 

    ***

    Een jaar na de voltooiing van zijn Amerikaanse trilogie ontving Roth, net als Willa Cather, William Faulkner en Saul Bellow voor hem, de hoogste onderscheiding van de Amerikaanse Academy of Arts and Letters, de gouden medaille voor fictie. Het jaar daarop, in 2002, ontving hij tijdens de uitreiking van de National Book Awards de Medal for Distinguished Contribution to American Letters, en hij gebruikte die gelegenheid om ‘een hardnekkig misverstandje’ recht te zetten: ‘Ik heb mijzelf nooit, nog niet één zin lang, als een Amerikaans-joodse of een joods-Amerikaanse schrijver beschouwd,’ zei hij in een goed voorbereide toespraak, ‘net zomin als ik denk dat Theodore Dreiser of Ernest Hemingway of John Cheever zichzelf beschouwden als Amerikaans-christelijke of christelijk-Amerikaanse schrijvers.’ Susan Rogers, zijn voornaamste vriendin in die tijd, herinnerde zich dat Roth wel twee of drie maanden aan die toespraak had zitten schaven en hem ‘minstens zes keer’ aan haar had voorgelezen. Na zijn Amerikaanse trilogie – door sommigen zijn ‘brief aan Stockholm’ genoemd – groeide de consensus dat Roth als romanschrijver op eenzame hoogte stond. Maar dat liet Stockholm onberoerd. ‘Het kind in mij is er dolblij mee,’ had Bellow over literaire prijzen in het algemeen en de Nobelprijs in het bijzonder gezegd, ‘de volwassene in mij blijft sceptisch.’

    Roth maakte die leus tot de zijne, maar kon toch ook niet de gedachte verdringen aan het opvallendste verschil tussen zijn schrijverschap en dat van Bellow – zeker niet nadat Bellows weduwe hem de hoge hoed cadeau had gedaan die haar man in Stockholm had gedragen, en die een vaste plaats kreeg op een luidspreker van de stereo-installatie in Roths apparte ment. (Toen hem werd gevraagd of de hoed hem paste, zei hij: ‘Nee, Sauls hoed past mij niet. Hij is een veel betere schrijver.’) Aan het einde van zijn leven wandelde Roth af en toe (uiterst langzaam) van zijn appartement in de Upper West Side naar het Museum of Natural History en terug, en rustte dan op bijna alle bankjes onderweg even uit – ook het bankje bij de roze gedenksteen waarop het museum alle Amerikaanse winnaars van de Nobelprijs laat graveren. ‘Wat is die eigenlijk foeilelijk, hè?’ merkte een vriendin een keer op. ‘Ja,’ zei Roth, ‘en hij wordt met de dag lelijker.’ ‘Waarom hebben ze die steen hier eigenlijk gezet?’ Roth lachte: ‘Om mij te pesten.’

    Philip Roth. De biografie, door Blake Bailey, verschijnt op 22 april bij De Bezige Bij in een vertaling van Lidwien Biekmann en Frank Lekens.

  • Dansende wortels en een vork die telkens explodeert

    Dansende wortels en een vork die telkens explodeert

    In het hartverwarmende universum van de Engelse tekenaar Glen Baxter (76), excuseer, Colonel Baxter, kan alles. Zijn nieuwste boek New Ways with Vegetables and Other Disasters is opnieuw een staaltje onverstoorbare (Britse) humor en weergaloos taalgevoel. Voor zijn kleurpotloodtekeningen bestaan niet genoeg superlatieven.

    Wie altijd de humor kan vinden of een draai weet te geven aan een tragische situatie of aan de saaie tijd die wij nu noodgedwongen beleven, is in het bezit van een waardevol stuk gereedschap. Glen Baxter (Leeds, 1944) grosseert erin. Er vast is geen enkele publicatie van hem te vinden die zonder te grinniken kan worden bekeken. Maar Baxter is geen komiek, dat zou zijn kwaliteit als kunstenaar tekortdoen. Wat hij tekent interesseert hem, daarna ontstaat de grap pas. Per toeval. Baxter koestert, zoals dat heet, het kind in hemzelf en kijkt met die onbevangen blik naar de dingen om hem heen. Vooral naar wat hij als klein jongetje ook al niet begreep. Dat fascineerde hem.

    Net zoals hij in zijn jeugd gegrepen werd door het witte doek in de bioscoop of de avonturenboeken in de bibliotheek. Amerikaanse glamour, westerns en de volstrekt eigen humor van de Marx Brothers. Favoriet was Biggles, een serie avonturenboeken over de fictieve piloot James Bigglesworth, geschreven door de Britse schrijver W.E. Johns. Het eerste verscheen in 1932; 96 delen zouden volgen, totdat de auteur in 1968 overleed, naar verluidt tijdens het schrijven van deel 97. Het originele taalgebruik van Johns, die zijn personages bijvoorbeeld ‘Algy, the Hon. Algernon Montgomery Lacey’ en ‘Ginger Hebblethwaite’ noemde en ellenlange woorden gebruikte, was een bron van inspiratie voor de kolonel.

    screenshot 2021 01 29 at 11 52 49

    Eten

    Over New Ways with Vegetables and Other Disasters schreef hij speciaal voor 360 over zijn verhouding tot eten.

    ‘In de loop der jaren heb ik een eindeloze stroom tekeningen over eten gemaakt. Het was mijn Nederlandse uitgever Jaco Groot die voorstelde er een boek van te maken. Onze relatie gaat terug tot 1978, toen hij mij uitnodigde in Amsterdam om een boek te maken met de titel Atlas. Dat was het begin van een serie tekeningen onder de titel Great Culinary Disasters Of Our Time, gebaseerd op een aantal maaltijden die ik op mijn reizen kreeg voorgeschoteld. Sindsdien ben ik te vinden op het foodfestival in het Franse Bourg-en-Bresse, waar sommige foodtekeningen werden tentoongesteld.’

    Safari

    ‘Het was daar dat ik de grote voedselhistoricus Alan Davidson ontmoette, wiens boeken een enorme inspiratie voor mij zijn geweest. In 1991 kreeg ik een tentoonstelling in Poitiers en raakte in de ban van de lokale keuken van de streek, Poitou-Charentes. Mijn gastheer nam me mee op een gastronomische safari, gelukkig inclusief de wereldberoemde oesters van het Franse eiland Île d’Oléron, evenals de lokale cognac en de fantastische geitenkaasboerderijen daar.

    Er wordt zo veel geweldig ambachtelijk eten gemaakt. Ik ben blij om te zien dat lokaal gekweekte seizoensproducten nog steeds floreren en speerpunt blijven in de renaissance van het ambacht. Ik heb de streken verkend en mijn tekeningen vier keer per jaar in het tijdschrift L’Actualité Nouvelle-Aquitaine gepubliceerd.’

    Een broodje haring bij een van de stalletjes langs de Amsterdamse grachten

    ‘Onlangs heb ik de fantastische chef Pierre Gagnaire ontmoet, die een wonderbaarlijk lekker diner voor mij en mijn vrouw heeft gemaakt in zijn restaurant Gordes in Parijs. Pierre is echt een kunstenaar. We werken samen aan een boek.’

    ‘Dus mijn avonturen in voedselland gaan gestaag door. Maar uiteindelijk keer ik altijd terug naar een van mijn favoriete plekken om te mogen proeven van wat voor mij een van ‘life’s great pleasures’ betekent: een broodje haring bij een van de stalletjes langs de Amsterdamse grachten. Zo ziet de hemel er voor mij uit.’

    screenshot 2021 01 29 at 11 54 16

    Humor

    Glen Baxter publiceerde in 2012 het boek Colonel Baxter’s Dutch Safari bij het veertigjarige jubileum van zijn uitgeverij De Harmonie. Bijna elk Nederlands begrip is er in een absurdistische versie terug te vinden. Wim de Bie, een groot fan en verzamelaar van Baxters werk, schreef het voorwoord bij deze bundeling. Uitgenodigd voor een lunch door De Bie zou Baxter grappend gezegd hebben: ‘Krijg ik dan eindelijk het Baxtermuseum eens te zien.’

    Bij aankomst hing er op de voordeur inderdaad een bordje ‘Baxter Museum’ en Wim de Bie verwelkomde Baxter verkleed als suppoost. Hij kreeg een toegangskaartje en elke bezoeker moest naam en adres achterlaten in een daarvoor bestemd boek. Binnen stonden Kees van Kooten en Jan Mulder, met de handen achter hun rug, heel serieus naar zijn tekeningen te kijken. Over humor gesproken.

    New Ways with Vegetables and Other Disasters van Glen Baxter verschijnt bij uitgeverij De Harmonie.

  • Aanbevolen door de redactie. De beste Afrikaanse boeken & meer

    Aanbevolen door de redactie. De beste Afrikaanse boeken & meer

    Een vierdelige radioserie van de BBC over wat waarde eigenlijk is in tijden van kredietcrisis, coronacrisis en klimaatcrisis. De beste Afrikaanse boeken van 2020 volgens African Arguments & meer aanraders van de 360-redactie.

    Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, podcasts en radioshows die wij deze week zijn tegengekomen.

    Wat is waarde?

    Mark Carney, speciaal gezant van de Verenigde Naties voor het klimaat en financiën en voormalig gouverneur van de Bank of England, geeft een serie lezingen op de Britse zender BBC Radio 4 over wat waarde eigenlijk is. In vier afleveringen probeert hij een antwoord te geven op deze vraag en onderzoekt hij hoe ons idee van waarde van invloed is op de kreditcrisis, de coronacrisis en de klimaatcrisis.

    Editor at large Katrien Gottlieb: ‘Niet alleen vertelt Carney hoe waarde door de eeuwen heen steeds van gedaante verwisselde maar ook kijkt hij vooruit naar een postcoronawereld waarin financiële marktwaarde vermoedelijk scherp tegenover de waarde van het maatschappelijk welzijn komt te staan.’

    Alles over Afrikaanse muziek

    De Zuid-Afrikaan Sean Jacobs, universitair docent Internationale Betrekkingen aan The New School in New York, begon in 2009 met de site Africa is a Country. Het platform biedt boeiende en verrassende verhalen over Afrikaanse politiek, cultuur en samenleving, die vaak haaks staan op de manier waarop westerse media naar Afrika kijken. 
    Sinds eind vorige maand is op de site ook het maandelijkse radioprogramma Africa Is a Country Radio te horenDaarin duikt Chief Boima, muziekproducent, dj, schrijver en cultureel activist uit Sierra Leone, in de muziek en de culturele politiek van het Afrikaanse continent.

    Africa Is a Country Radio levert een een heerlijke mix op van muziek en interviews met musici, historici en journalisten. Warme aanrader in deze barre maand waarin we niet naar de zon mogen reizen,’ aldus redacteur IJsbrand van Veelen.

    De beste Afrikaanse boeken

    Opnieuw komt African Arguments, het pan-Afrikaanse nieuws- en debatplatform, met een lijst van de beste Afrikaanse boeken van 2020.

    Een aanrader van hoofdredacteur Laura Weeda: ‘Vorig jaar tipten we ze al in ons magazine; de beste Afrikaanse boeken van het jaar, een overzicht van African Arguments, het onlinetijdschrift dat zich inzet voor een beter begrip van het continent. Dit jaar bevat de lijst weer veel voor ons onbekende namen en dus nieuwe zienswijzen.

    Een goed voorbeeld is Traveling when black van Nanjala Nyabola. Geen reismemoires’, zoals ze zelf aanstipt, maar een reeks essays die ras, identiteit, privileges en migratie onderzoeken. “Hoe zwart zijn betekent dat men zich kan mengen in Haïti of Burkina Faso, maar tegelijkertijd discriminatie van de ergste soort ervaart en elders zelfs de dood riskeert. Dit zijn niet alleen haar verhalen, maar die van velen, die de lezer voortdurend uitdagen om vragen te stellen en de wereld vanuit verschillende perspectieven te bezien.” Laat dat nou net de missie van 360 zijn.’

     Het boek doet ook denken aan het fotografieproject van Johny Pits, die door Europa reisde op zoek naar de “zwarte gemeenschappen”. Nog een tip: zijn werk is vanaf morgen tot 3 januari te zien in De Balie.’

    Chinas Rebel City The Hong Kong Protests South China Morning Post 1 1
    video still uit documentaire China’s Rebel City: The Hong Kong Protests van de South China Morning Post.

    Rebellerend Hongkong

    De documentaire China’s Rebel City: The Hong Kong Protests van de South China Morning Post vertelt het verhaal over de pro-democratische protesten in Hongkong vanaf het de demonstraties tegen het uitleveringsverdrag met China in 2019 tot nu. Aan het woord komen activisten en pro-democratische politici, maar ook pro-Chinese regeringsadviseurs en de korpsleider van de politie van de stadstaat aan de Zuid-Chinese Zee.

    ‘Verplichte kost als je alles over de situatie in Hongkong wilt weten,’ tipt redacteur Joep Harmsen. ‘Het is heel bijzonder voor een documentaire over zo’n gepolariseerde kwestie dat de hoofdrolspelers van beide kampen aan het woord komen. Ook is het inspirerend om te zien hoe Hongkongers blijven strijden voor hun democratie die steeds verder wordt ingeperkt.’

  • ‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’

    ‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’

    Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk over wat haar moedertaal, het Pools, voor haar betekent. Of is het vadertaal? ‘Met het masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad.’

    De bewustwording van de eigen taal, met haar voordelen en gunsten maar ook haar beperkingen en rariteiten, lijkt op een langdurig psychoanalytisch proces. Dat is de bagage die door ons, schrijvers, wordt gedragen. Ze is niet afhankelijk van onze schuld of verdienste, maar ze spruit voort uit dezelfde bron die ons ooit tot een bepaalde plek, tijd of levensvorm heeft gebracht.

    Zo beschouwd, is de taal een literair fatum. Binnen in de taal kunnen wij slechts tot op bepaalde hoogte onszelf zijn (en ‘onszelf zijn’ schijnt een belangrijk beginsel van onze cultuur te vormen). Grotendeels zijn wij afhankelijk van iets machtigers waarop wij geen invloed kunnen uitoefenen.

    Het is dus niet verwonderlijk dat filosofen uiteindelijk God, het bestaan, ‘waarom iets in plaats van niets’ achter zich hebben gelaten en zich met de taal gingen bezighouden.

    Vaak maken schrijvers de fout om de taal als een eigen territorium te beschouwen; een oeroceaan waaruit onze individuele gedachten komen zoals de eerste aminozuren. Maar het blijkt dat de meridiaan van de taal al buiten onze invloed was vastgesteld.
    In de taal is men gegooid.

    Zo ben ik in het Pools gegooid. Ik ben geboren en opgegroeid in het westen van Polen, in een mengeling van culturen en dialecten; in gebieden die pas na de Tweede Wereldoorlog bij de rest van het land zijn gaan behoren. Maar volgens linguïsten spreken wij daar in Laag-Silezië, in die smeltkroes van culturen, een voorbeeldig Pools.

    Ik spreek geen dialect en ik heb geen accent. Ik beheers geen enkele vreemde taal goed genoeg om haar voor mijn literatuur te gebruiken. Ik ben eentalig. In een andere taal schrijven, zou ik niet kunnen. Ik kan in twee buitenlandse talen communiceren, maar deze
    communicatie is vereenvoudigd en verloopt moeizaam.

    Patchworktaal

    In het Bureau International des Poids et des Mesures in Sèvres, bij Parijs, met zijn verzameling sjablonen en proto-types, zou ik kunnen fungeren als het voorbeeld van een perfect Poolssprekende. Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools. Een objectief standpunt is dat niet.

    Het Pools behoort tot de grote groep van Slavische talen en vanzelfsprekend ook tot de Indo-Europese talen. Geschreven Pools begon zich relatief laat te vormen, vanaf de twaalfde eeuw. Daarbij speelde de rooms-katholieke kerstening van Polen een belangrijke rol. Het Pools heeft het Latijnse alfabet aangenomen (in tegenstelling tot sommige andere Slavische talen zoals het Russisch of het Bulgaars, die op het Griekse alfabet zijn gebaseerd).

    Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools

    Pas in 1270, in de Księga Henrykowska, een register van kerkelijke bezittingen, nota bene opgemaakt in Laag-Silezië, werd de eerste zin in het Pools geschreven. De context is bijzonder interessant. De Latijnse tekst verhaalt over een man, een zeker Boguchwała, die – wat voor zijn tijdgenoten zeer vreemd moet zijn geweest – zijn vrouw hielp om graan te malen. Aan deze man wordt die beroemde eerste Poolse zin toegeschreven: Day ut ia pobrusa, a ti poziwai. Vertaald naar hedendaags Pools betekent dat: ‘Laat mij maar doen, en jij rust.’

    De geografische ligging van Polen, tussen sterke buren, in het hart van Europa, in de nabijheid van verschillende culturen: dat alles beïnvloedde het lexicon sterk. Het is buitengewoon, maar zeventig procent van de Poolse woorden hebben vreemde wortels.

    Het Pools is dus een samengestelde taal, een patchworktaal, melting pot en mélange. Alles wat wij met onze buren deelden – de gevoerde oorlogen, reizen, trends en fascinaties – leidde tot verdere expansie van deze vreemde talen in het Pools. Aan de Duitsers danken wij een rijke technische woordenschat. Alle nieuwigheden kwamen van deze buren uit het westen.

    Maar met hen hadden wij ook veel problemen. Duitse pioniers in Polen behoorden altijd tot een sterke, welvarende en goed georganiseerde gemeenschap. In de zestiende eeuw was tachtig procent van de burgerij in Kraków van Duitse afkomst. Om de deloyale samenzweerders te ontmaskeren, bedacht de Poolse koning een taaltest. Elke inwoner van Kraków moest zonder problemen moeilijke Poolse woordjes uitspreken zoals: soczewica, koło, miele młyn (‘linzen’, ‘wiel’, ‘de molen maalt’). Wie daarin niet slaagde, werd gestraft.

    pawel czerwinski 2k9w3bJT jk unsplash
    Een muurschildering van Luca Zamoc in de Poolse stad Swidnica, ter ere van het Punkt Zero Festival. Het kunstwerk is gebaseerd op een oude Poolse legende waarin een griffioen de inwoners van een dorpje belaagt. Zijn ogen zijn zo giftig dat één blik genoeg is om iemand te doden. De koning stuurt een gevangene bewapend met een spiegel op de griffioen af, om het beest te doden met zijn eigen reflectie.
    – © Pawel Czerwinski / Unsplash

    Leentjebuur

    Met de komst van de Italiaanse koningin Bona, de vrouw van de zestiende-eeuwse Poolse koning Zygmunt III de Oude, belandden in het Pools plots veel Italiaanse woorden, vooral uit vakgebieden zoals de architectuur, muziek, het militaire apparaat en, bovenal, uit het culinaire domein. In de zeventiende eeuw was er dan weer een invasie van het Frans. De invloed van het Russisch en de andere oosterse talen was ook niet te onderschatten. Turks en Hongaars: ook bij die talen speelden wij leentjebuur. Uit het Latijn sijpelden abstracte en religieuze woorden door.

    In de vijftiende en zestiende eeuw was het Tsjechisch een heel populaire taal in Polen. Tsjechisch spreken was een keurmerk voor een hoge sociale positie. In de negentiende eeuw verdween Polen, verdeeld als het was tussen Rusland, Pruisen en Oostenrijk-Hongarije, volledig van de kaart van Europa. Er was toen sprake van intensieve en actieve germanisering en russificatie van de Poolse bevolking. En tegenwoordig kennen wij in Polen – zoals overal – een Engels offensief.

    Ik hou van die openheid van het Pools voor vreemde woorden. De puurheid van het Pools is zeker niet in gevaar – in onze bizarre mengeling worden zelfs de vreemdste woorden vermalen door de Poolse grammatica; ze krijgen eigenaardige uitgangen en worden in het keurslijf van de Poolse verbuigingen geperst. Het Pools zuigt woorden aan uit de hele wereld; het Pools is een taal met een eeuwige honger.

    In de lange jaren van leven en lijden onder drie agressors vervulde deze patchworktaal een bijzondere en paradoxale rol: zij was een erfstuk van onze nationale identiteit. De enige schatkist van de Poolse cultuur was toen de literatuur. Men streed voor het Pools, men stierf voor het Pools.

    Vertalers

    Vertalers zijn voor schrijvers zoals psychoanalytici: ze stellen de meest verbazingwekkende vragen. Het zou goed zijn om die vragen te noteren, te bewaren en uit te geven. Zo zouden lezers de zware taak van schrijver en vertaler beter leren te appreciëren en het fenomeen van de taal meer bewonderen. Dankzij vertalers ben ik zaken die voor mij vroeger vanzelfsprekend waren, totaal anders gaan bekijken. Vertalers hebben mij attent gemaakt op enkele eigenschappen van het Pools die ik hier probeer te beschrijven. Dezelfde vragen merk ik bij buitenlanders die opeens besluiten Pools te leren. Deze moedige mensen beklagen zich er vaak over dat de Poolse grammatica bijna volledig op uitzonderingen is gebouwd: elke regel staat met een groot aantal uitzonderingen machteloos in de strijd. Dat klopt.

    Pools is traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien

    Het Pools leer je beter door intuïtie, of je leert de taal gewoon uit het hoofd. Onze taal vindt het belangrijk om zo dicht mogelijk tegen tradities en historiciteit aan te schurken. Het is een taalmuseum vol fossielen dat niet gehoorzaamt aan de eenvoudige eisen van pragmatiek. De ingewikkelde vervoegen en verbuigingen werken niet alleen in op de uitgangen, maar veranderen vaak ook de stam van een woord. Ook de buitenlander die het Pools prima beheerst, wordt ontmaskerd zodra hij de verschillende varianten van de verleden tijd moet hanteren.

    De Poolse spelling kent verschillende schrijfwijzen voor een en dezelfde klank. Dat is een erfenis uit het verleden waarin ook de uitspraak van die klanken anders was. In de geschreven taal zijn die mutaties dus bewaard.
    Een angstvisioen voor elke scholier.

    Het Pools is logisch noch pragmatisch. De grammatica is veeleisend, soms gek, de schrijfwijze moeilijk. Om niet logisch verklaarbare (waarschijnlijk sentimentele) redenen houdt het Pools vast aan aloude grammaticale vormen.

    Pools is ook traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien. Het Pools is drie geslachten rijk, maar het mannelijke is het meest bevoorrecht. Mannelijke substantieven hebben andere verbuigingen dan vrouwelijke en onzijdige woorden. Wanneer het over mannen gaat, zeggen wij poszli, ‘zij gingen weg’. Over vrouwen zeggen wij poszły. Maar wanneer de groep gemengd is, hanteren wij per definitie de mannelijke versie poszli. Die regel is ook van toepassing als de groep bestaat uit, zeg maar, zestig vrouwen en één man. Zijn aanwezigheid is dus beslissend voor de hele groep.

    Wanneer wij praten of schrijven over ‘de mens’ in het algemeen, dan sluiten wij vrouwen (en kinderen) grammaticaal uit. Die patriarchale attitude wordt ook weerspiegeld in de naamgeving van beroepen. Vrouwelijke beroepsnamen klinken in het Pools dikwijls kleinerend, geven een minder professionele indruk en drukken onderwaardering uit. Kijk naar de vrouwelijke professor: profesorka. Dat klinkt als een mannelijke miniprofessor: profesorek.

    Geen ontsnappen aan

    Met dat masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad. Men kan immers het geslacht van de schrijvende niet verbergen als men in de tekst de eerste persoon wil gebruiken. Voorts is het geslacht onmiddellijk zichtbaar in werkwoorden in de verleden tijd, net zoals het steeds in de vorm van adjectieven wordt ontmaskerd. Daar is geen ontsnappen aan.

    De vertaalster van de Britse schrijfster Jeanette Winterson had echt een probleem – in de originele tekst was het geslacht van de verteller volledig verborgen, door een consequent gebruik van de eerste persoon tegenwoordige tijd. En dat was nu net de essentie van de roman. In de Poolse vertaling was een dergelijke maskering van het geslacht onmogelijk. Na een arbitraire beslissing kreeg de verteller in de Poolse vertaling het vrouwelijke geslacht. Terloops wil ik eraan toevoegen dat er in het Pools geen ‘moedertaal’ bestaat maar wel een język ojczysty – een ‘vadertaal’.

    Het grote grammaticale potentieel van het Pools (en ook van de andere Slavische talen) maakt het mogelijk om verschillende vormen van verkleinwoorden te gebruiken. Ideaal voor taalspelletjes. Voor mij zijn verkleinwoorden een bron van warmte in de woordenschat, een categorie die in taalkundige handboeken afwezig blijft. Dankzij de kunde om alles te verkleinen, werd de wereld gezelliger en veiliger. Geen enkele Pool is verbaasd over de liedjestekst over een soldaat die naar een ‘oorlogje’ gaat met zijn ‘sabeltje’ op zijn lief ‘paardje’. Er zijn talrijke manieren om namen te verkleinen – en alle voornamen, substantieven en adjectieven zijn daartoe geschikt.

    Veeltalig land

    Tot de Tweede Wereldoorlog was Polen een multicultureel en veeltalig land. Het meest creatieve Pools was te vinden op de ontmoetingsplaats tussen de verschillende talen, esthetische belevingsvormen en mentaliteiten. Het mag geen toeval heten dat de grootmeesters van de Poolse taal vaak uit de rafelige randen van het taalgebied kwamen: het fascinerende en originele proza van Bruno Schulz, dat ontstond op de grens van drie culturen: de Poolse, Joodse en Oekraïense; de beeldende en rijke poëzie van Czesław Miłosz van de regio rond het toen Poolse maar nu Litouwse Vilnius, en de absoluut sprookjesachtige en helaas onvertaalbare taal van de Joods-Poolse dichters Bolesław Leśmian en Julian Tuwim.

    Het Pools… Elastisch, beeldend, ambigu, traditioneel en grammaticaal onvoorspelbaar. Meer in dienst van de intuïtie dan van de logos, meer geschikt voor poëzie dan voor wetenschappelijke dissertaties. Ik heb de indruk dat deze taal zich niet zo goed voelt in het intellectuele discours noch in het realistische lineaire verhaal. Ze prefereert open vormen met meerduidige betekenissen. Ze is gevoelig voor het absurde en groteske en verzandt gemakkelijk in pathetiek. Het is niet verwonderlijk dat Polen prat gaat op een beroemde en bejubelde poëzie. In het Pools kan de taalgebruiker zich veel veroorloven. Deze taalimpressionist, getalenteerd in sfeerbeschrijving, emotie, associatie en beelden, geeft van de wereld veeleer een schets dan een descriptie.

    Naar het schijnt, beweerde Flaubert dat een fiasco dreigt voor een taal die zich onledig houdt met de schepping van beelden en sferen: op dat moment verliest de taal zichzelf en verglijdt ze in anachronisme. Ik ben het daar niet mee eens. De schepping van een alternatieve wereld is net het machtigste kenmerk van de taal. Als een illusionist tovert ze onvoorstelbare dingen uit de hoge hoed. Het Pools is voor mij een archaïsche taal en is een equivalent van de onverdeelde wereld van de tijd toen de hele realiteit coherent en zintuiglijk leek, toen alles meer op de intuïtie gebaseerd was en het ‘wat’ belangrijker was dan het ‘hoe’. De taal is voor mij, zoals in die Oosterse metafoor, de vinger die naar de maan wijst.

    Ik vraag mij af in welke mate mijn gevoeligheid, perceptie en denken door deze moeilijke en weinig precieze maar zeer beeldende taal vorm zijn gegeven. In mijn werk zijn elementen als aanvoelen, sfeer, verborgen onrust onder de alledaagse werkelijkheid belangrijke bouwstenen. Zou ik ze ooit kunnen beschrijven in een vreemde taal? Misschien moet ik dankbaar zijn voor mijn literaire fatum.

    Paradoxaal genoeg behoort het Pools tot de zogenaamde groep van de kleine talen, hoewel er zo’n vijftig miljoen mensen zijn, als je de Poolse diaspora meetelt, die Pools spreken. Pools is een lokale en marginale taal, die bovendien heel moeilijk is en daarom veel mensen afschrikt. Het voordeel van ‘kleine’ talen is – zeker als je de grote kent – de mogelijkheid van escapisme uit de communicatie naar een eigen ondoordringbaar asiel. Zo heb ik me indertijd op de grote luchthavens ter wereld dikwijls in het Pools verborgen, er zeker van zijnde dat er niemand was die ons, Poolssprekenden, kon begrijpen.

    Vandaag ligt dat anders. De Poolse exodus van de jongste jaren verspreidt het Pools overal in de wereld. Maar ik denk niet dat veel buitenlanders het Pools zullen oppikken. Veeleer zullen wij, Polen, flink Engels studeren en ons via die weg laten horen in de wereld van vreemde talen. De schattige verkleinwoorden blijven intussen als evenzovele grenspalen de contouren van Polen bepalen, met een Pools ‘koffietje’ met ‘melkje’ in een ‘restaurantje’. Of zelfs bij een vrolijk ‘ticketcontroletje’.

    Dit essay is gepubliceerd in Overeind in Babel. Talen in Europa, onder redactie van Luc Devoldere. In dit boek schrijven zestien auteurs uit Europa over hun eigen taal en alle andere talen in hun leven. Met bijdragen van Ahmet Altan, Zoran Ancevski, Bernardo Atxaga, Abdelkader Benali, Paul Binding, Adriaan van Dis, Peer Hultberg, Leena Krohn, Caroline Lamarche, Claudio Magris, Antonio Munoz Molina, Ines Pedrosa, Kornelijus Platelis, Albertina Soepboer, Olga Tokarczuk en Marint Walser.

  • Een stem als schuurpapier en fluweel

    Een stem als schuurpapier en fluweel

    Het luisterboek maakt ook in Amerika gouden tijden door. De sonore bariton van inspreker Grover Gardner is een van de meest geliefde stemmen uit het vak.

    Als Grover Gardner naar zijn werk gaat, kan hij bepaalde dingen niet dragen. Geen horloge. Geen sieraden. Geen gesteven overhemd. Geen gesteven wat dan ook. Niets wat kan ritselen, tikken, rammelen of op een andere manier geluid kan maken. ‘Het grootste deel van de dag zie ik eruit als een zwerver,’ zegt hij. Die dresscode hoort bij zijn beroep: Gardner is een van de meest gewaardeerde en geliefde stemmen in de wereld van het luisterboek.

    Onder de ruim twaalfhonderd boeken die Gardner heeft ingesproken, zijn Alexander Hamilton van Ron Chernow, The Stand van Stephen King (speelduur: 48 uur) en de vier tot dusver gepubliceerde delen van The Years of Lyndon Johnson van Robert Caro. De inwoner van Medford (Oregon) werd in 2005 uitgeroepen tot Luisterboekinspreker van het Jaar en staat op de lijst met ‘De beste stemmen van de eeuw’ van het tijdschrift Audiofile. Gardner heeft ook een Audie gewonnen, de Oscar in de wereld van het audioboek. Zelfs als je zijn sonore bariton – door een criticus ooit omschreven als ‘schuurpapier en fluweel’ – over de telefoon hoort, is dat een ervaring waarvoor je best 
zou willen betalen.

    Het luisterboek maakt gouden tijden door, een lichtpuntje in uitgeversland, waar zelfs de verkoop van e-boeken is gedaald. ‘We zien de afgelopen vijf jaar zowel in aantallen als in dollars een groei van meer dan 10 procent,’ vertelt Michele Cobb, directeur van de Audio Publishers Association. ‘Luisterboeken zijn tegenwoordig heel populair.’

    Enorme groei

    Momenteel worden er in de VS jaarlijks ongeveer vijftigduizend audioboeken opgenomen, terwijl de verkoop het afgelopen jaar met 20 procent steeg. 
‘We zagen al een enorme groei met de opkomst van de iPod en daarna in de afgelopen tien jaar met de smartphone,’ aldus Cobb. Diensten zoals Audm, dat gebruikmaakt van professionele insprekers (zoals Gardner) die hun stem lenen aan lange artikelen die in media zoals The New Yorker en ProPublica worden gepubliceerd, en Libro.fm, dat een abonnement 
aanbiedt op een bibliotheek met meer dan honderdduizend luisterboeken, werken aan een verdere verbreding van de audiomogelijkheden voor luisteraars. Maar ondanks alle technologische innovaties die de evolutie van het luisterboek hebben versneld, is de schermvrije, paginavrije aantrekkingskracht bijna primitief en grijpt terug op een diepgewortelde mondelinge traditie. Er gaat iets onmiskenbaar 
kalmerends van uit als je wordt voorgelezen, zelfs 
als het verhaaltje voor het slapengaan niet zozeer een sprookje als wel een thriller is.

    Ondanks alle lofbetuigingen, en hoe intiem de relatie tussen verteller en luisteraar ook kan zijn, is Gardner zich er zeer goed van bewust dat je zijn naam waarschijnlijk niet kent. En zo wil hij het ook graag. ‘Ze zeggen weleens: “Man, wat een geweldig boek. Maar wie het heeft ingesproken? Dat weet ik niet meer.” En dat is prima,’ zegt hij. ‘Ik ben blij dat 
je vergeten bent wie ik ben en dat je het boek geweldig vond, want dat is mijn werk.’

    In 1981 deed Gardner als jong acteur in Washington auditie bij het Talking Book-programma voor visueel gehandicapten van de Library of Congress, wat uiteindelijk leidde tot het onverkort opnemen van werken voor Books on Tape [pionier in de luisterboekenbranche. Het bedrijf is tegenwoordig onderdeel van uitgever RandomHouse). De leesboekbranche zag er destijds heel anders uit: de grote uitgeverijen deden weinig in luisterboeken en de audioboeken die ze wel uitbrachten waren ingekort en werden ingesproken door bekende personen. De beperkte hoeveelheid onverkorte luisterboeken die werden uitgebracht, zat verpakt in lelijke dozen met tientallen cassettes – en later in lelijke dozen met cd’s. Halverwege de jaren negentig veranderde alles; de verspreiding van het internet maakte het voor luisteraars mogelijk om eenvoudig onverkorte luisterboeken te kunnen downloaden. In 1995 werd de internetgigant voor luisterboeken Audible, nu een dochter van Amazon, opgericht. Volgens de Audio Publishers Association werd meer dan 87 procent van de in 2016 verkochte luisterboeken gedownload.

    Gardners lievelingstitels zijn onder andere The Civil War van Shelby Foote, News of the World van Paulette Jiles, The Cider House Rules van John Irving, The Adventures of Augie March van Saul Bellow (‘dat is van jaren geleden, maar ik krijg er nog steeds e-mails over’), David Rosenfelts mysteriereeks over Andy Carpenter en 
de Lyndon B. Johnson-biografie. (‘Man, ik hoop dat Caro de vijfde af heeft voor ik te oud ben om in te spreken en mijn tanden eruit vallen,’ zegt Gardner. ‘Van mij mag hij er nog tien schrijven, want ik vind ze prachtig.’)

    Grover Gardner.
    Grover Gardner.

    Gardner begint elk project, niet geheel verrassend, met het lezen van het desbetreffende boek en met een gedetailleerde visualisatie van de personages 
en gebeurtenissen die erin worden beschreven. Dat werkt: zijn vertelling roept levendige beelden op van de situatie, of het verhaal zich nu afspeelt in de straten van New York in Joseph Mitchells Up in the Old Hotel of langs de oevers van de Mississippi in The Adventures of Huckleberry Finn. ‘Als je de situatie in je hoofd naspeelt, is dat wat de luisteraar te horen krijgt,’ legt Gardner uit. Bij dat naspelen maakt hij ook veel bewegingen in de opnamestudio (vandaar de zo goed als geluidloze kleding die hij draagt), onmisbaar, ook al ziet het gehoor er niets van – zo schuift hij tijdens een gesprek tussen twee personages heen en weer of maakt hij driftige gebaren om een ruzie kracht bij te zetten. Hij moet er alleen wel voor zorgen dat hij vlak bij de microfoon blijft.

    Op een gemiddelde dag brengt een inspreker tussen de vier en zes uur door in de studio. Een uur band kost twee à tweeënhalf uur opnemen. (Volgens 
Business Insider kunnen insprekers die geen bekende persoonlijkheid zijn 100 tot 500 dollar per uur definitieve band vragen.) Gardners langste project was het elfdelige The Story of Civilization van Will en Ariel Durant. Hij deed bijna duizend uur over dat boek – meer dan 41 achtereenvolgende dagen achter de microfoon. ‘Een van de aardige complimenten op Audible over dat boek is van iemand die opmerkt dat het net lijkt alsof ik nooit heb gepauzeerd,’ herinnert Gardner zich. ‘Het is belangrijk dat je het hele boek door voortdurend je energie en je stem op hetzelfde niveau houdt. Je wilt niet dat het klinkt alsof je er eeuwen over hebt gedaan om het in te spreken. Je wilt dat het klinkt alsof je het in één ruk hebt voorgelezen.’

    Anders dan bij toneel, waarbij bereik heel belangrijk is, hoeft Gardner voor zijn werk niet zo behoedzaam met zijn stembanden om te gaan, hoewel hij wel behoorlijk voorzichtig is met luide gesprekken in rumoerige cafés en met iets vervelends als verkoudheid. Maar hij benadrukt herhaaldelijk dat het inspreken van luisterboeken lichamelijk een zware baan is. ‘Als een auteur besluit dat hij zijn boek wil inspreken, is het eerste wat hij zegt: “Wat is dat ongelooflijk vermoeiend!”’ vertelt Gardner, die 
ook studioregisseur is voor de uitgeverij van luisterboeken Blackstone Audio.

    ‘Ik noem geen namen, maar er is een auteur die we echt hebben moeten overtuigen,’ vertelt Chris Lynch, directeur en uitgever van Simon & Schluster Audio. ‘Ze had enkele van haar boeken ingesproken en wij zeiden: “De recensies zijn niet best. We willen er nu graag een acteur voor vragen.” En de auteur wilde wat het beste was voor het boek, dus uiteindelijk ging ze ermee akkoord.’

    Gardner beschrijft de wereld van het audioboek als een hechte, hartelijke gemeenschap, en ook een steeds verder opbloeiende, duidelijk recessiebestendige branche

    Gardners advies aan aspirant-insprekers is om je met een digitale recorder en een boek terug te trekken in een kamer en zonder te stoppen een uur lang voor te lezen. ‘Zeg me dan of je het nog steeds wilt worden. Het antwoord is vaak nee,’ vertelt hij. ‘Als je gaat 
analyseren welke componenten allemaal nodig zijn voor het goed inspreken van een luisterboek, zul 
je versteld staan. Alle dingen waarmee je aan het goochelen bent in je hoofd, je lijf, je keel en je stem.’

    Zelfs geroutineerde insprekers van voice-overs vinden luisterboeken ‘een totaal andere discipline’. ‘Als je afkomstig bent uit een wereld waarin het erom gaat dat je de aandacht trekt met je stem, dat je de luisteraar moet boeien – Morgen, grote uitverkoop! – dan werkt dat niet bij luisterboeken,’ legt Gardner uit. ‘Als ik luister naar de klank van je stem, mis ik de inhoud van het boek. In ons werk gebruiken we vaak het woord ‘transparantie’. Je wilt dat mensen vergeten. Je wilt dat mensen opgaan in het verhaal.’ Hij citeert de vuistregel die een bevriende producer hanteert bij het evalueren van luisterboekaudities: ‘Als ze dertig seconden nadat ze op ‘play’ heeft gedrukt helemaal in het verhaal zit, is het goed. Als ze nog steeds nadenkt over de klank van de stem van de 
verteller, is het niet goed.’

    Gardner beschrijft de wereld van het audioboek als een hechte, hartelijke gemeenschap, en ook een steeds verder opbloeiende, duidelijk recessiebestendige branche. ‘Voor de luisteraars van audioboeken is het luisterboek het laatste wat ze opgeven,’ zegt hij. En veel luisteraars zijn net zo verknocht aan hun favoriete insprekers. Zo zijn er de opnames van de Harry Potter-boeken door Jim Dale en Stephen Fry, elk met een verbijsterend uitgebreide, driedimensionale keur aan personages. Voor velen is David Sedaris’ onmiskenbare, lichtelijk nasale stemgeluid (zoals te horen op NPR en This American Life, maar ook op opnames van zijn eigen boeken) onlosmakelijk verbonden met zijn proza. Toni Morrison spreekt haar romans in met dezelfde bedachtzaamheid en poëzie als waarmee ze die heeft geschreven. Het overlijden van Tom Wolfe en Philip Roth zou fans ertoe kunnen aanzetten om nog eens van het werk van Harold N. Cropp te genieten, wiens verbale acrobatiek zo prachtig het beeldende proza van Wolfe verwoordt, of van Ron Silver, die Roths Joodse personage uit New Jersey heel mooi neerzet.

    Bekende persoonlijkheden worden weleens ingezet als inspreker, zoals Anne Hathaway (The Wonderful Wizard of Oz) en Nicole Kidman (To the Lighthouse van Virginia Woolf), maar het gebeurt eigenlijk zelden. ‘Ik denk niet dat Scarlett Johansson een concurrente van me is bij het binnenhalen van inspreekwerk voor luisterboeken,’ zegt Gardner. Soms leidt het tot een schitterend resultaat, zoals bij Colin Firth die The End of the Affair van Graham Greene voorleest, maar niet vaak. ‘Een beroemd acteur is wel goed voor de publiciteit, maar die zakt in als de beroemde acteur geen beroemde verteller blijkt te zijn,’ aldus Chris Lynch. ‘Tegenwoordig weten de fans wie de goede vertellers zijn. Uiteindelijk kan het hun niets schelen of het een bekend iemand is of niet.’

    Wat betreft zijn eigen status als bekend persoon: Gardner wordt zelden herkend. Het is weleens gebeurd in een vliegtuig en een keer door de postbode. ‘Mensen zeggen weleens: “Ken ik uw stem niet van een reclamespotje?” Dan zeg ik: “Nee, waarschijnlijk niet.”’ Maar dat ontbreken van roem wordt ruimschoots goedgemaakt door het voorrecht om dit unieke werk te kunnen doen, een onemanshow in de ware zin van het woord. ‘Je bent niet alleen de verteller. Je bent de regisseur. Je bent de decorontwerper, de decorbouwer, de choreograaf,’ vertelt Gardner. ‘Je bent de casting director, want je moet uitzoeken wie al die mensen zijn en hoe ze moeten klinken. In geen ander onderdeel van het acteursvak heb je zo veel zeggenschap over de aanpak van het materiaal.’

    ‘En je leest een paar van de beste verhalen die ooit geschreven zijn,’ voegt hij eraan toe. ‘Daar kan niets tegenop.’

    Auteur: Molly Fitzpatrick
    Vertaler: Paul Bruijn

    Openingsbeeld: © The Preiser Project

    The Village Voice
    Verenigde Staten | villagevoice.com

    Eerste alternatieve weekblad van Amerika, vernoemd naar de wijk Greenwich Village. Het tijdschrift werd in 1955 mede opgericht door Norman Mailer en won in zijn bestaan drie Pulitzerprijzen. Sinds 2017 verschijnt The Voice alleen nog digitaal.

  • Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    De Zweedse schrijver en vertaler Ulf Peter Hallberg denkt dat de oplossing voor veel maatschappelijke malaise ligt in kunst en literatuur die openheid en begrip mogelijk maken.

    IQ: De maatschappij ziet cultuur vaak als een soort ontspanning, die niets te maken heeft met politiek. Vindt u dat ook?

    Ulf Peter Hallberg: Kunst en cultuur staan voor veel meer dan ontspanning. Wij moeten inzien dat kunst, de literatuur, de muziek, alle kunstvormen in verschillende opzichten belangrijk zijn. Dat we er armer van worden als cultuur in het leven van alledag een kleinere rol krijgt toebedeeld door de politiek, omdat die ons in staat stelt het kritisch vermogen te ontwikkelen en niet te vergeten, om verandering te bewerkstelligen.

    In mijn boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a Father schrijf ik over iemand die zijn vader heeft verloren. De vader was niet geïnteresseerd in rijkdom of macht, hij was 87 toen hij stierf, maar voelde zich 27. Waarom? Omdat hij geld zag als iets wat mensen alleen maar kan vernietigen. Hij had de belangrijkste waarden van zijn leven ontdekt in de kunst. Daar had hij belangstelling voor, hij verzamelde artikelen over kunstwerken en dacht er veel over na. Ook ik wil graag geld hebben en uitgeven, net als iedereen. Maar dat is niet het belangrijkste doel in mijn leven, of mijn grootste drijfveer.

    Natuurlijk is hier een verband te leggen met de politiek. Een voorbeeld: de Zweedse Democratische Partij zegt dat het land zich moet ontdoen van alle buitenlanders, dat Zweden blank moet zijn en één natie, een zuivere staat. Hoe je ook op dat soort ideeën reageert, het blijft retoriek. Dan kan het helpen om te bedenken dat het de literatuur of de kunst niet uitmaakt wie jij bent of waar je vandaan komt en wat de kleur van je huid is. Die principes zouden naar mijn idee de leidraad in het leven moeten zijn.

    Hoe is de manier waarop de samenleving, of concreter de politieke klasse, naar kunst kijkt, te verbinden met het idee van de populistische natiestaat?

    Volgens mij kunnen veel gebeurtenissen vergeleken worden met situaties die in boeken worden beschreven of in beeldende kunst worden afgebeeld. Je kunt je afvragen hoe een bepaald dilemma zou worden opgelost in een roman of een novelle. De literatuur kan in die zin een inspiratiebron zijn. Zelfs al stond het duidelijk in de wet, geen enkele persoon of groep kan alleen maar als goed of alleen maar als slecht worden bestempeld. De lijn die goed scheidt van kwaad, zwart van wit, werkt niet in de kunst.

    Politici, vooral degenen die zich laten leiden door een populistische overtuiging, willen de samenleving overtuigen van hun ideeën over gerechtigheid en gebruiken daarvoor simplistische retoriek. De Hongaarse premier Viktor Orbán en de Amerikaanse president Donald Trump zijn daar goed in.
    Toch zit het probleem niet zozeer in die retoriek zelf, maar in de middelen die worden ingezet om besluiten te kunnen nemen.

    Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld

    Wat is de invloed daarvan op de Europese Unie en haar waarden?

    Cultuur maakt veel zichtbaar. Ze zorgt voor het behoud van de gevoeligheid in de moderne wereld. De Litouwse filosoof en schrijver Leonidas Donskis en de Poolse socioloog Zygmunt Bauman hebben al eerder vastgesteld dat in de huidige samenleving de cohesie ontbreekt. Er is geen behoefte meer aan wederzijdse banden, geen verbondenheid waardoor de zaak wordt opgeschud, waardoor men wordt uitgedaagd of gedwongen de strijd in te gaan. Donskis en Bauman vonden dat Europa veranderd was en, ze hadden gelijk. Door die transformaties zijn culturele verschijnselen naar de zijlijn gedrongen. De samenleving is een machine geworden die een ‘vloeibare moderniteit’ heeft veroorzaakt, zoals de filosofen het noemen. Dat wil zeggen een plek zonder verbinding, een toneel voor machtsspelletjes. Het verlies van persoonlijkheid en individualiteit is vaak een belangrijk probleem.

    Hoe is dat te veranderen? Via de literatuur, de kunst en het theater. Mijn studenten aan de Sorbonne hebben me weleens gevraagd waarom ik hen dwong om te schrijven. Nu begrijpen ze dat schrijven niet alleen een middel is om je gedachten te uiten, maar ook om dialoog uit te lokken, contact te maken met de medemens. Dat idee brengt ons naar de Oudheid, de tijd van Plato, toen alles was geschapen naar de idee dat het leven zich in het hart van het denken bevond.

    Dat vergeten we tegenwoordig. De Europese Unie en Brussel worden mechanische apparaten met een zwak hart. In het beleid van die institutiesbestaat geen dialoog, er worden geen banden meer gesmeed. Ik denk dat de kunst en de literatuur terug moeten komen op de politieke agenda van Europa. Er moet een intellectuele blik op die Unie komen. Als er geen dialoog is met de cultuur, is de politiek ook een lege huls.

    We kunnen ons alleen tegen zo’n ontwikkeling beschermen door ons ervan bewust te zijn. Het kan soms lastig zijn om door retoriek heen te kijken, maar kritisch nadenken heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. We moeten openstaan, nieuwe ideeën toelaten in de samenleving, in je familie, niet bang zijn om vragen te stellen, en de wereld niet verdelen in goed en kwaad. Wat Europa nu nodig heeft, zijn ideeën waarmee we kunnen behouden wat we zijn en die ons beschermen tegen overheersing door de economie en fanatieke demagogen.

    Het schilderij Picasso's Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH
    Het schilderij Picasso’s Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH

    In welk opzicht is dat verbonden met de grote rol die nieuwe technologieën in het leven van alledag zijn gaan spelen?

    Ik vind het geweldig hoe het internet en de moderne technologie ons de mogelijkheid bieden om met elkaar in contact te komen, te communiceren, informatie te delen, enzovoort. Dat is een formidabel middel om verbinding te scheppen en herscheppen. Maar in mijn eigen land, Zweden, hebben de meeste mensen op Facebook alleen Zweedse vrienden. Mijn eigen netwerk bestaat voor negentig procent uit buitenlanders. En daarom zijn mijn berichten meestal in het Engels. Ik heb belangstelling voor deze communicatie, want zo komen we dichter bij het kosmopolitisme.

    Toch, in twintig jaar tijd hebben de nieuwe technologieën onze samenleving enorm veranderd. Je kunt ze verwijten dat ze geen ruimte bieden voor echte discussie en dat ze de mens veranderen in een bron van inkomsten. Die situatie kennen we allemaal. Je hoeft maar ‘Rome’ in te tikken op Google en meteen verschijnen op andere sites die je bezoekt advertenties met reisaanbiedingen naar die stad. Diee kun je allemaal negeren, maar voor mij lijkt het steeds meer op persoonlijke informatielekken.

    Daarom sta ik kritisch tegenover de sociale media. Als ik er foto’s tegenkom van kennissen die in bed zitten te ontbijten, dalen zij bij mij toch in aanzien. Ik wil dat helemaal niet zien, ergens heb ik het gevoel dat dat niet hoort. Sommige dingen moeten privé blijven, binnen de intimiteit van je eigen huis, anders worden zulke momenten minder waardevol.

    In dat opzicht bieden de literatuur en de kunst een veiliger toevluchtsoord. Studenten leer ik kritisch naar de sociale media te kijken en voorzichtiger te worden met het delen van persoonlijke informatie. Het zou mooi zijn als politici en andere mensen op machtsposities dat ook in gaan zien. Ik ben optimistisch van aard en ik denk dat uiteindelijk iedereen begrijpt wel hoe belangrijk dat is en hoe hoog de prijs zal zijn als we zo doorgaan.

    Kosmopolitisme wordt vaak in één adem genoemd met globalisering, open grenzen en vrijheid. Wat betekent het woord voor u?

    Ik zou het concept van het kosmopolitisme uitleggen door een parallel te trekken met de band die de kunstenaar onderhoudt met zijn land van herkomst, wanneer hij zich buiten de grenzen daarvan bevindt. Zo iemand gaat een innerlijke strijd aan die wordt gemarkeerd door de vreemde omgeving en zijn land van herkomst. Er zijn talloze schrijvers voor wie dat geldt. Een voorbeeld is de van oorsprong Noorse schrijver Henrik Ibsen, die decennialang in Italië heeft gewoond, maar veel over zijn geboorteland schreef.

    Deze kunstenaars krijgen creatieve impulsen doordat hun bestaan en hun identiteit door elkaar worden geschud en ter discussie gesteld. Het jaagt hun productiviteit aan. Ze hebben begrepen dat de concepten van ‘het oude land’ en ‘de natiestaat’ die in deze tijd de basis van alles zijn, niets meer betekenen. Het werk van deze kunstenaars berust op een evenwicht tussen de cultuur en de actuele situatie, op de band met de wereld om hen heen. Al die dingen is Europa nu kwijt, naar mijn idee.

    Maar in Vilnius voel ik nog steeds het omgekeerde. Ik heb deze stad drie jaar geleden ontdekt. Het is een levende stad die haar wezenlijke kenmerken heeft behouden: in de straten klinkt meertaligheid, de architectuur is multicultureel. En, niet onbelangrijk, er is genoeg ruimte voor de bewoners van deze stad, de Litouwers, de joodse bevolking en alle anderen.

    Men zegt altijd dat elk kind dat geboren wordt een vreemdeling is. Dat is zo, volgens mij. Toch is het mogelijk om banden te scheppen, die te koesteren en zo jezelf en je omgeving vorm te geven. Dat noem ik een kosmopolitische blik hebben op de wereld.

    Welk type mensen heeft zo’n kosmopolitische kijk op de wereld?

    Veel mensen denken dat het kosmopolitische wereldbeeld van kunstenaars of anderen niets anders is dan een romantische grotestadsblik. Alsof de rest van de mensheid hun ogen alleen richt op het asfalt. Maar dat klopt niet. Het kosmopolitisme onderscheidt zich door een bepaalde opvatting van ruimte en tijd. Het gaat voor kosmopolieten om een bron van creativiteit die hen beveelt om nooit stil te staan.

    Nieuwe ideeën worden gevormd op het moment dat je geconfronteerd wordt met een moeilijke of ingewikkelde situatie. Een ziekte bijvoorbeeld, een verlies of een ander probleem dat een schok veroorzaakt. Zulke situaties leren ons iets, maar die lessen vergeten we vrijwel meteen weer. In de kunst gebeurt het omgekeerde, het biedt de kans in het moment te zijn, ergens tussen de dood en het leven.

    Wat bedoelt u als u zegt dat Europa wordt geconfronteerd met het verlies van zijn waarden? Wat zijn de gevolgen daarvan?

    In mijn ogen heeft de redevoering die Winston Churchill in 1948 in Den Haag hield de basis gelegd voor de Europese beweging. Hij sprak toen over de tragedie van Europa. Hij waarschuwde dat de tijd kon opraken, dat zelfs als de strijd was opgehouden en de kanonnen zwegen, het gevaar bleef bestaan. Hij verdedigde het Europa dat gefundeerd was op de waarden van het christendom, de cultuur, de filosofie, de wetenschap en de geschiedenis. Met het vergroten van de Europese gemeenschap, in een streven naar een vrije markt, zijn veel van die waarden verloren gegaan.

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden

    De culturele waarden zijn onlosmakelijk verbonden met mensenrechten en met democratische waarden. De politiek besteedt er volgens u weinig aandacht aan. Welke lessen kunnen we daaruit leren?

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden. Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld.

    Tegenwoordig is het waardensysteem van de Europese Unie behoorlijk uitgehold. Wij kunnen het niet meer goed voelen. Elke man en elke vrouw op straat begrijpt dat. En als de waarden ons teleurstellen, nemen we er afstand van en gaan we op zoek naar nieuwe.

    Maar succes leert ons niets, mislukkingen zijn onze beste leraren. Zij stuwen ons naar voren. Daarom moeten we niet bang zijn onze mislukkingen te erkennen, er conclusies uit te trekken en nog harder ons best te doen.

    Ik denk dat de toekomst van de politiek afhankelijk is van de cultuur. Tegenwoordig is alles wat op Facebook, in de politiek of in Hollywood gebeurt identiek, veel staat in het teken van de zoektocht naar populariteit. Toch is cultuur altijd de kracht en de ware identiteit van Europa geweest. Jarenlang hebben verschillende volken naast elkaar geleefd, hadden verschillende talen en verschillende wereldbeelden elk hun eigen plaats.

    Nu moeten we veel te vaakhet Amerikaanse circus tot ons nemen, in plaats van Aristoteles, Charles Dickens, Dante en de anderen.

    Auteur: Kotryna Tamkuta
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Wolfgang Thöner, curator van de tentoonstelling Carl Fieger. Vom Bauhaus zur Bauakademie, in een opblaasbare replica van een huis van Carl Fieger. – © Klaus-Dietmar Gabbert / HH

    IQ
    Litouwen | maandblad | oplage 10.000

    IQ The Economist verschijnt sinds 2010 in samenwerking met het Britse weekblad The Economist. Het maandblad biedt veel vertaalde artikelen, maar ook journalistieke verhalen en commentaren geschreven door Litouwse persoonlijkheden. De slogan van de Litouwse editie luidt: ‘De traditie van intellectuele journalistiek’.

    hallberg peter

    Ulf Hallberg

    Schrijver Ulf Hallberg is geboren in Malmö, Zweden en woont sinds 1983 in Berlijn. Hij heeft onder anderen Georg Büchner, Bertolt Brecht en Frank Wedekind vertaald. Aan de Ateliers d’écritures van de Sorbonne doceert hij creatief schrijven en vertalen. In 2009 publiceerde hij het boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a father, dat in 2012 in Engelse vertaling verscheen.

  • Elena Ferrante, 
het misverstand

    Elena Ferrante, 
het misverstand

    Door haar Napolitaanse vierluik is ze in het buitenland de ster van de Italiaanse literatuur geworden. Is die reputatie terecht? Schrijver Paolo Di Paolo heeft zo zijn twijfels.

    Het amusantst is het klakkeloos verwijzen naar Elena Ferrante. Zodra er in het buitenland een vertaling van een Italiaanse roman verschijnt, wordt ze van stal gehaald. Komt de roman La Ferocia van Nicola Lagioia uit in de Verenigde Staten, dan ademt het boek de sfeer van Elena Ferrante. Verschijnt Lettera a Dina van Grazia Verasani in Portugal, dan ‘zullen de fans van Elena Ferrante hun geluk niet op kunnen’. Zelfs Anna Maria Ortese, oneindig veel briljanter dan ‘de ster van de Italiaanse letteren’, ziet zich met haar vergeleken: het toppunt is wel dat op het omslag van de Engelse uitgave van Orteses boek Il mare non bagna Napoli een zin van Elena Ferrante prijkt.

    Moeten we daar blij om zijn, of is het reden voor ongerustheid? Het lijdt geen twijfel dat het buitenland door dit verpletterende succes de indruk heeft gekregen dat de Italiaanse literatuur niet is gestorven met Italo Calvino en Umberto Eco. Met name in de Amerikaanse cultuur waren het essay ‘Lezioni 
americane’ van de eerste en de roman De naam van de roos van de tweede de laatste teksten die de muur 
van de academische en intellectuele elite hadden geslecht. Elena Ferrante is nog verder gegaan door zowel miljoenen lezers als de critici te verleiden. 
Italiaanse faculteiten in het buitenland laten geen gelegenheid voorbijgaan om De geniale vriendin aan een kritische analyse te onderwerpen. In Italië heeft de universiteit over het algemeen weinig op met contemporaine creaties. Maar het feit blijft dat de schrijfster zonder gezicht een uitgevershype is geworden.

    Marketing

    Marketing alleen is duidelijk niet voldoende (zoals meestal) om deze geestdrift te verklaren. Recentelijk is mij door een Franse en een Zweedse journaliste naar de redenen gevraagd voor dit immense succes van Elena Ferrante. Ik kwam niet verder dan wat bête gestamel. Maar het verstandigste antwoord is ook het meest voor de hand liggende: ik weet het niet.

    Eminente bewonderaars, variërend van Ferrante-vertaalster Ann Goldstein en romanschrijfster en Pulitzer-winnares Jhumpa Lahiri tot Hillary Clinton en Jonathan Franzen, hebben op de Amerikaanse markt duidelijk gewicht in de schaal gelegd. Maar ook in Duitsland, Frankrijk, Nederland en Spanje voert Elena Ferrante de bestsellerlijsten aan.

    De fervente aanhangers van de schrijfster zien daarin een bewijs van haar grootsheid, van de universele kracht van haar verhalen en haar personages. Maar als we het alleen maar over Nutella of Kindersurprise hadden, zou het adjectief ‘goed’ volstaan. Literair gezien echter zou die vlag de lading naar 
ik vrees hooguit bij benadering dekken. Met als resultaat dat willekeurig welke vertaalde Italiaanse schrijver aan Elena Ferrante doet denken. Dat is niet goed, en het is jammer.

    Elena Ferrante heeft weinig te maken met de rest van de Italiaanse literatuur van de afgelopen jaren, 
of preciezer gezegd met de meest vernieuwende 
literatuur van de afgelopen jaren. Ze praat met een zachte en lichtelijk fletse stem die aan een boek uit rond 1950 doet denken. Het is een schrijfster (of schrijver, je weet maar nooit, in elk geval nog niet) die door de leden van de literaire bewegingen Gruppo 63 of Cannibali uit de jaren negentig als ongenietbaar zou zijn beschouwd. Ze mist de inventiviteit en de herkenbare stijl van haar evenzeer aanbeden (Franse) generatiegenote Annie Ernaux – en wie het tegendeel beweert begrijpt weinig van boeken.

    Les Années van Annie Ernaux volgt zijn personages grosso modo gedurende een even lange periode als De geniale vriendin, met dien verstande dat Ernaux de kaarten opnieuw schudt, ze door elkaar husselt, ze 
in stukjes hakt, er lyriek van maakt, een elegie, er een unieke stem aan geeft. Elena Ferrante rangschikt de feiten in een lineaire volgorde, met een futloze stem die niet valt te onderscheiden van een menigte 
identieke stemmen. De surrealisten karikaturiseerden in één zin – ‘Om vijf uur verliet de markiezin het huis’ – alles wat hun aan de realisten tegenstond. Gingen ze daarmee niet een beetje ver? Jawel. Maar in de romans van Elena Ferrante kun je lezen – al is dat op zichzelf niet slecht, let wel – dat ‘ze op een avond op de deur klopten’.

    Er schuilt altijd veel waars in gemeenplaatsen. Maar je kunt niet zeggen dat het Napels van Ferrante een Napels is dat afwijkt van de platgetreden paden, 
een Napels waarvan de lezer in Parijs, Düsseldorf of Manhattan zal opkijken

    Als je de tweetalige lezers mag geloven is de Amerikaanse vertaling van Goldstein mooier dan het origineel, rijker. De Duitse vertaling is Duitser, de Franse vertaling eleganter. Een glibberig terrein, waar objectiviteit praktisch onmogelijk is. Je kunt je waarschijnlijk gemakkelijker afvragen of het imaginaire van haar verhalen vertaalbaar is en zo ja, tot op welke hoogte.

    Het Napels uit het eerste deel, De geniale vriendin, staat bol van de clichés: het rumoerige verkeer, de stemmen, de kleuren, de feestelijke sfeer die overal heerst. Er is meteen al een pizzabakker, een verkoper van groente en fruit. De Vesuvius heeft een tere pastelkleurige vorm, met aan de voet de witte stenen van de stad, het aardkleurige silhouet van het Castel 
dell’Ovo, de zee. En wat voor zee! Vreselijk woelig, die zee. Er hangt een buitengewoon licht en vervolgens, bij wijze van contrast, de zwartheid van een wijk die verzadigd is van spanning en geweld. De stralende stad en de zwarte stad.

    Er schuilt altijd veel waars in gemeenplaatsen. Maar je kunt niet zeggen dat het Napels van Ferrante een Napels is dat afwijkt van de platgetreden paden, 
een Napels waarvan de lezer in Parijs, Düsseldorf of Manhattan zal opkijken. Het is geen Malaparte, geen Domenico Rea, geen Raffaele La Capria en zelfs geen Fabrizia Ramondino, met wie Ferrante toch vergeleken is. Het is op en top Ferrante – met heel wat minder verrassingen, zowel qua taal als qua beelden.

    Elena (bijgenaamd Lénu) en Lila, de twee vriendinnen uit het vierluik, zijn zonder twijfel sterke personages die indruk maken, en hoewel Elena Lila als de kwaaie pier afschildert, is haar eigen personage ook niet bepaald sympathiek. Je krijgt vaak het idee dat het aan het personage ligt wie de grootste gemenerik is, en ook de mannen doen hier een niet onbelangrijke duit in het zakje. De sage blijft op koers, het is een vervolgverhaal in de goede zin van het woord (binnenkort te zien als televisieserie van de hand 
van Saverio Costanzo), maar de lof die de onzichtbare Ferrante van haar Italiaanse collega’s krijgt toegezwaaid lijkt desondanks lichtelijk overdreven.

    Idolate hofhouding

    Ook al zijn ze nog niet half zo lovend over andere succesauteurs – en verwaardigen ze zich niet eens die te lezen – hun bewondering voor Elena Ferrante steken ze niet onder stoelen of banken. Het is de 
idolate hofhouding van de Onzichtbare, of liever gezegd Semi-Onzichtbare, sinds ze een wekelijkse column op pagina 3 van The Guardian ondertekent. 
En als ik er nog een ironisch schepje bovenop mag doen, sommigen putten zich uit in conformisme en pluimstrijkerij; lees alleen maar de begeesterde interviews in de bundel La Frantumaglia, waaruit een eerbied spreekt waarop zelfs Elsa Morante in haar hoogtijdagen niet hoefde te rekenen.

    In een recent interview zei de grote Amerikaanse schrijfster Nicole Krauss, in plaats van als een 
papegaai de naam van Elena Ferrante te herhalen, van Fleur Jaeggy te houden. En raad eens in welke taal Fleur Jaeggy schrijft? In het Italiaans. En ze schotelt ons schitterende bladzijden voor. Het immense succes van een schrijfster zonder gezicht is op zichzelf niet slecht, integendeel, maar de Italiaanse literatuur van gisteren en vandaag is allesbehalve ‘geferrantiseerd’. Ik zal nooit nalaten daarop te wijzen. Zo wordt het tenminste ergens geboekstaafd.

    Auteur: Paolo Di Paolo
    Vertaler: Yond Boeke

    La Repubblica
    Italië | dagblad | oplage 650.000

    Sinds 1976 de krant voor de intellectuele en zakelijke elite van Italië, staat politiek dicht bij de Democratische Partij (PD).

    Elena Ferrante

    Ondanks talloze naspeuringen is de identiteit van Elena Ferrante nog steeds niet met zekerheid bekend, behalve dat we weten dat het om een man, een vrouw of meerdere personen gaat. De schaarse interviews die de schrijfster/schrijver heeft gegeven waren schriftelijk. Haar Napolitaanse vierluik, in Italië gepubliceerd tussen 2011 en 2014, is in meer dan veertig talen vertaald. Het dagblad La Repubblica wist in oktober 2017 te melden dat er wereldwijd al meer dan tien miljoen exemplaren over de toonbank waren gegaan. De afgelopen weken hebben diverse Italiaanse schrijvers in L’Espresso het fenomeen Elena Ferrante besproken, hetzij om de intrinsieke kwaliteiten van haar werk te benadrukken, hetzij om die te relativeren, zoals Paolo Di Paolo hier doet.

    Paolo Di Paolo

    Paolo Di Paolo (Rome, 1983) heeft Italiaanse taal- en letterkunde gestudeerd en diverse literaire prijzen ontvangen. Hij debuteerde in 2003 met de verhalenbundel Nuovi cieli, nuove carte en heeft sindsdien romans, toneelstukken en verhandelingen over met name Italiaanse literatuur geschreven. Hij publiceert regelmatig in kranten en tijdschriften.

  • Schrijvers van de straat

    Schrijvers van de straat

    James Parker is hoofdredacteur van The Pilgrim, een literair tijdschrift in Boston dat wordt volgeschreven door daklozen. Zijn gezag is beperkt en de deadlines zijn vaag, maar daar krijgt hij wel wat voor terug: ‘Aan elk stuk hangt een schitterende, komeetachtige staart van biografisch materiaal.’

    Er is een verhaal dat geschreven wil worden. 
Je kunt het gewoon voelen: er hangt iets in de lucht, er zwelt iets op in de hersenpan. Er is een verhaal dat geschreven wil worden, en het heeft jou uitverkoren om het op papier te zetten. Kun je het aan, kun je die missie volbrengen? Het zal de nodige ninjavaardigheden vergen. Alle energie balt zich samen, vormeloos, zinderend, rond een ongedefinieerd punt. Les Murray noemde het een ‘pijnloze hoofdpijn’, die aanzwellende energie voorafgaand aan het schrijfproces, een energie waarvoor je je moet openstellen, die je in woorden op papier moet zien te vangen – in een gedicht, in dit geval. Wat wil dat zeggen? Is het misschien zo dat jij, de schrijver die met zijn pen boven een onbeschreven blad papier hangt, je er op een heel wezenlijk niveau op voorbereidt om je te storten in de voortdurend heftig in beweging zijnde en zich vernieuwende kunst die 
de realiteit zelf is?

    Het zou kunnen. Het kan ook zijn dat je net iets te veel van Roberts magische koffie op hebt. Al sinds 2013 zet Robert speciaal voor de Black Seed Writers Group zijn supersterke koffie naar geheim recept: elke sessie staan er drie zilverkleurige tweeliterkannen (eentje met decaf) op het wagentje, als robotuilen met een snavel van zwart plastic. ‘Robert is heel standvastig in zijn manier van koffiezetten’, schreef Al, een van onze vaste klanten, in ‘Read All About It: Robert Is My Favorite Coffee Person/Maker’, een gedicht van recente datum. ‘Ik prijs me gelukkig 
met zijn manier van koffiezetten.’

    De Writers Group

    De Writers Group, zoals het in de buurt wordt genoemd, is een ruimte voor dakloze schrijvers in 
het centrum van Boston. We ontmoeten elkaar elke donderdagochtend om halftien in de kelder van de Cathedral Church of St. Paul op Tremont Street. 
De Writers Group geeft The Pilgrim uit, een literair tijdschrift waarvan ik nu al vijf jaar de redactie doe.

    Grote delen van The Pilgrim komen tot stand of krijgen vorm vanuit de chaostoestand waarin alles mogelijk is, door Roberts magische koffie. Robert levert zelf ook bijdragen aan het blad, in de vorm van korte 
alinea’s waarin hij beschrijft hoe het is om te zitten en te wachten (‘Zit hier bij Dunkin’ Donuts, drink wat en eet wat, en er komen allemaal mensen binnen die iets kopen en gaan zitten en praten, en het is grappig dat niemand me ziet. Ik voel me een geest.’) of in 
de vorm van snelle, ontregelende schetsjes die hij 
‘flitsen’ noemt. ‘Wat er in me omgaat? Geen ene reet.’

    Maar ik loop op de zaken vooruit, beste lezer. Laten we bij het begin beginnen.

    James Parker (tweede van links) met leden van de Black Seed Writers Group. – © Getty Images
    James Parker (tweede van links) met leden van de Black Seed Writers Group. – © Getty Images

    In januari 2011 meldde ik me als vrijwilliger bij de maandagse lunch, de wekelijkse gratis maaltijd voor daklozen, georganiseerd door de Cathedral Church 
of St. Paul, in Boston. Ik was op zoek naar zingeving – dat klinkt misschien raar, maar zo was het. Ik had me weleens wat schichtig in een kerk gewaagd, ik had de katholieke mystici gelezen, in de hoop dat alles plots op zijn plaats zou vallen. Maar het haalde niets uit. Thuis was ik kribbig, op mijn werk voelde ik me ellendig. Maar toen ik die gonzende, kauwende, naar schoolkantines ruikende kelder in stapte en al die monumentale en opmerkelijke types om me heen zag zitten, had ik heel erg het gevoel dat het klopte. Oké, dacht ik: Dit is het dus.

    Ik had al eerder als vrijwilliger met daklozen gewerkt, maar altijd in een wat afwachtende, joviale, gemoedelijke functie. Maar inmiddels was ik in de veertig en bracht ik iets van levenservaring mee. 
Het werd tijd om iets substantieels te gaan doen. Maar wat dan? En hoe dan? Dat jaar in oktober nam predikant Christina Rathbone – pastor en spil van 
de maandagse lunch – een handjevol van ons mee 
op een pelgrimstocht. We liepen zo’n 90 kilometer vanuit Boston naar een opvang in West Newbury.

    Onderweg sliepen we op kerkvloeren. We vormden een rommelig, wat haveloos groepje, haast een 
middeleeuwse aanblik, met onze merkwaardige hoofddeksels en wapperende vlaggen. Vanuit 
passerende auto’s klonken luide aanmoedigingen, 
en heel soms werd er nog wat gescholden. ‘We zijn op een spirituele pelgrimstocht,’ riep Steve, een van ons groepje, naar nieuwsgierige voorbijgangers of mensen die ons aangaapten. Hoe dan ook, we haalden het. In een van de huisjes van de opvang, om 
drie uur ’s nachts, diende het idee zich aan. Ik schoot wakker met dit geschenk, een brainstorm in het donker: ik zou een tijdschrift beginnen voor dakloze schrijvers, en ik zou het The Pilgrim noemen.

    Na onze pelgrimstocht gingen we weer (met de bus) naar huis en een paar dagen later zat ik samen met Paul Estes te schrijven in de Black Seed Cafe & Grill op Tremont Street.

    Autodidact Kevin schreef gedetailleerde stukken over het beste karton om onder te slapen

    Het was de eerste bijeenkomst van de Black Seed Writers Group. Paul – een man met een vrolijk gezicht vol lachrimpeltjes en pretoogjes – was via een omweg van Texas naar Boston gekomen. Op 
het moment dat we een begin maakten met zijn schrijfcarrière, sliep hij in de portiek van een soort printerette – de ironie daarvan ontging hem niet. Drie jaar later hadden we ons eigen imprint, No Fixed Address Press, en gaven we zijn space-operatic multi-species scifiroman uit: Razza Freakin’ Aliens, geschreven op een bankje op de Esplanade.

    Tijdens de tweede bijeenkomst van de Black Seed Writers Group, de dinsdag daarop, waren er zes 
mensen: argwanend, getekend door slaapgebrek, hunkerend naar een warm plekje om te zitten. Ik 
had voor pennen en papier gezorgd, ik had koffie ingeslagen en ik gaf de schrijvers een opdracht (‘De laatste keer dat ik me gelukkig voelde’). Tegen het einde van die bijeenkomst had ik genoeg materiaal voor het eerste nummer van The Pilgrim, dat ik opmaakte op mijn laptop en drukte bij Copy Cop. (Mijn redactieslag: spelfouten eruit halen en interpunctie controleren, en zo heel af en toe, en met 
grote terughoudendheid, iets aan de woordvolgorde verhelderen.)

    Bij de derde bijeenkomst waren er acht mensen, en zo rond de twaalfde bijeenkomst waren we met zo veel mensen dat we niet langer in het café pasten en moesten uitwijken naar een vergaderzaaltje op de bovenverdieping van de kerk. (Momenteel zitten we in de kelder.) Om het gebrek aan achtergrondgeluiden te compenseren – de klanken van het café gaven de hele onderneming iets kosmopolitisch, iets literairs, vond ik – had ik een gettoblaster 
meegenomen die ons was geschonken, en ik draaide een speciaal samengestelde, neurologisch bewerkte cd: Arvo Pärt, Michael Chapman, Hildegard von 
Bingen – koren, gitaren en af en toe een viool. 
‘Tandartsstoelmuziek,’ zoals een tegendraadse schrijfster het noemde.

    Schrijver Bryant Draycott, ‘een man van de wereld, maar zonder vaste verblijfplaats’. – © Getty Images
    Schrijver Bryant Draycott, ‘een man van de wereld, maar zonder vaste verblijfplaats’. – © Getty Images

    Wie zijn al deze schrijvers? Kevin, een autodidact die vroeger bij de marine zat, is in de vijftig. Hij mocht graag op een bankje in het park in de buurt van zijn slaapplek aan de rivier wat lezen in de Belijdenissen van Augustinus. Hij schreef onthullende en zeer gedetailleerde stukken over de beste soort karton 
om onder te slapen, en waar je die kon vinden. Dave, een man die spreekt in profetieën (en die destijds onder een brug woonde), schreef erover hoeveel pijn het hem deed wanneer een mededakloze werd 
uitgescholden. Margaret Miranda, die vanuit een nabijgelegen psychiatrische inrichting bij ons terecht was gekomen, schreef opmerkelijk geestige, heldere en inventieve gedichten. Eddie Atkins schreef zelf niet: hij praatte, op muzikale toon en veelal in spreuken, over het weer, over zijn plannen om een grote, witte Cadillac te kopen. Ik kwam erachter dat zijn woorden, eenmaal zwart op wit, haast als vanzelf in poëzie veranderden.

    We hadden verslagen van de straat, wat er zich in 
de kleine uurtjes allemaal afspeelde rond Downtown Crossing, verhalen over onbekenden die ineens de drang voelen iets goeds te doen, maar ook beschrijvingen van allerlei nare details – zoals wanneer je plotseling hoort hoe er een gulp wordt opengeritst, wat wil zeggen dat er in je slaap iemand over je heen gaat plassen. Het meeste dat werd geschreven was nogal religieus van aard: mystiek zelfs, en fantasierijker dan de meeste visionaire katholieken die ik 
heb gelezen. In sommige gevallen afkomstig uit het schemergebied ergens tussen de psyche en de wereld in, waar meningen worden gebracht als feiten, en de realiteit als een netwerk van symbolen, troostrijk of dreigend. Sommige teksten waren statisch, draaiden in cirkeltjes om hetzelfde thema of onderwerp.

    Op een middag sprak ik in de Boston Common [een park in het centrum] met Richard, een dakloze, over Samuel Taylor Coleridge. ‘Er lopen hier een hoop Oude Zeemannen rond, vind je niet?’ zei ik tegen hem – waarmee ik doelde op de mannen die keer op keer hun verhaal moesten vertellen, aan wie het maar wilde horen. ‘Dat van die Oude Zeemannen weet ik niet, maar ik zie wel veel albatrossen,’ zei Richard.

    Zinderend heiligdom

    De notitieblokken en de pennen, de koffie, die muziek: de structurele elementen van de Writers Group dateren van de begintijd en zijn niet veranderd in de vijf jaar dat we nu bezig zijn. Aan het begin van elke bijeenkomst delen we uitgetikte 
en geredigeerde versies uit van de teksten van de voorafgaande week, én een vel met nieuwe schrijfopdrachten (bijv. ‘Geesten’ of ‘Hoe iemand tot 
bedaren te brengen’ of ‘De zwaarste beproeving’) en een paar aansporingen om er plezier in te scheppen, het gewoon te laten gebeuren enzovoort. Er is ook een belangrijke vrije opdracht, namelijk: ‘Waar je 
ook maar over wilt schrijven’. Vervolgens houden 
we onze mond en gaan aan de slag, en een uur en een kwartier later stoppen we weer. Dat is het. Geen workshops, geen urenlange oefensessies, niets van dat al. En na enkele weken, wanneer er, waar het 
de inhoud betreft, sprake is van een subtiele maar duidelijk waarneembare druk – wanneer een en ander vorm heeft gekregen – breng ik een editie van The Pilgrim uit.

    Er zijn natuurlijk ook andere manieren om een schrijfclubje vorm te geven, en misschien is het 
goed om uit te leggen dat de hierboven beschreven methode bij toeval is ontstaan, goeddeels vanuit een negatieve impuls, en wel mijn eigen, eh… pedagogische onvermogen. Ik ben huiverig om een discussie te leiden, een groep mensen toe te spreken of wat voor centrale, leidende rol dan ook te vervullen, en daarom leek het me beter om vellen met opdrachten uit te delen en wat tussen de tafeltjes door te lopen en ‘Ssst!’ te zeggen, of ‘Heren, toe…’ Het werd al snel duidelijk dat deze minimale aanpak maximaal 
resultaat opleverde. Een veilige plek. Een rustige plek. Een plek zonder vooroordelen. Een plek 
waar iedereen, hoe hij of zij er lichamelijk of geestelijk ook aan toe was, kon binnenlopen om te schrijven.

    Er ontstond een bepaalde sfeer – door de aanwezigheid van de vaste schrijvers, door de energie van een groep mensen die samen aan iets werken – die ik niet eerder had meegemaakt. Een journalist die langskwam had het over een ‘zinderend heiligdom’. The Pilgrim blinkt 
al sinds het ontstaan uit in verslaglegging vanuit een ik-perspectief. Geen fictie, geen politiek, maar het echte leven, of dat nou is in de vorm van een gedicht, een gebed, een anekdote, een stuk uit een memoir of een onvervalste existentiële tirade. Het zijn allemaal dingen die een uitlaatklep op papier zoeken, zodra je die ruimte betreedt.

    Spider, een lange, lieve man met een zware stem, een kaalgeschoren hoofd en tatoeages van spinnenwebben op zijn handen, komt bijna stomend binnen – zware, gefronste wenkbrauwen, zijn hele lijf trillend van verontwaardiging over iets dat hij net heeft gezien of gehoord. Of misschien over iets dat hem jaren eerder is overkomen. Nadat hij twee pagina’s heeft geschreven is de spanning van zijn gezicht gegleden.

    ‘Het is allemaal gelul, wat je hier doet! Hoe durf je mensen te vragen al die dingen over zichzelf op te schrijven?’

    Het werkt natuurlijk niet bij iedereen. Er lopen ook schrijvers rond die ik van me heb vervreemd, die ik heb teleurgesteld, of beledigd, ofwel door iets wat ik bewust heb gedaan ofwel (wat veel waarschijnlijker is) door iets wat ik over het hoofd heb gezien. Hoe ik dat weet? Omdat ik er later lucht van krijg, of omdat ze gewoon wegblijven – zonder te zeggen wat eraan schort. Soms krijg ik een tweede kans en komen ze na een of twee jaar terug, maar soms ook niet. ‘Je bent mijn vriend niet meer!’ schreeuwde een keer een man tegen me in de Boston Common, met 
spetters van verontwaardiging in zijn grijze baard. ‘Het is allemaal gelul, wat je hier doet! Hoe durf je mensen te vragen al die dingen over zichzelf op te schrijven?’

    Cliff kwam op een ochtend voor het eerst naar de schrijfgroep, ging stilletjes en boos in een hoekje zitten en schreef een lang, gewelddadig, occultachtig verhaal over onder meer zijn vader die in de gevangenis zat voor moord (volledig conform de waarheid, ontdekte ik later) en een zogeheten hanging tree met bloedende wortels. Ik wist niet wat ik las. 
‘Ik heb dit niet overgetikt voor de groep,’ zei ik toen hij de week daarop terugkwam, ‘omdat het te eng is om te lezen.’ (Ik krimp nog altijd ineen als ik aan die idiote opmerking denk.) ‘Te eng om te lézen?’ zei hij. ‘Wees blij dat je het niet hoeft te léven.’ Begin 2016 stond ik oog in oog met een schrijver wiens ongenoegen over een redactionele ingreep zo groot was, 
zo heftig, en zo op me inbeukte dat ik, hoewel mijn stem en mijn lichaam roerloos bleven, zijdelings bewegende traantjes uit mijn ooghoeken voelde komen, alsof ik in een straffe wind stond.

    Onlangs is het eenenveertigste nummer van The 
Pilgrim uitgekomen. Sinds 2011 heeft het blad werk gepubliceerd van meer dan honderdvijftig schrijvers. Ik ben blij met die getallen, omdat het helemaal geen getallen zijn: het zijn mensen. Aan elk stuk dat in het blad is verschenen, hangt, voor mijn gevoel, een lange en schitterende komeetachtige staart van biografisch materiaal – het verhaal van de schrijver, en hoe hij 
of zij bij de Writers Group is beland, en hoe, en met hoeveel gemak of moeite, we een redactionele band hebben ontwikkeld, en hoe het toen verder is gegaan. Pilgrim- schrijvers zitten soms tijden in de gevangenis, liggen soms tijden in het ziekenhuis, hebben soms tijden geen dak boven hun hoofd, zijn soms tijden ziek – maar ze blijven schrijven, met een ongekende toewijding en moed. ‘Dakloos zijn’, heb ik op onze website geschreven, ‘is als een plotse pelgrimstocht.’

    Daar geloof ik nog altijd in, in de zin dat mensen die leven in een portiek, of in een stapelbed in een opvanghuis, en die niet meer bezitten dan ze bij zich dragen, zowel in geestelijke als in materiële zin 
worden blootgesteld aan een werkelijkheid waarvan de rest van ons is gevrijwaard. Maar het lukt mij steeds minder om in abstracte zin over daklozen na te denken. In plaats daarvan denk ik aan Bryant, echt een man van de wereld, maar zonder vaste verblijfplaats, een ongekend productief schrijver, die een van zijn triomfantelijkere gedichten eindigde met de woorden: ‘De wereld is mijn thuis / de wereld is mijn werkplek / ik zou niet anders willen leven’. Ik denk aan Holly, die God haar ‘maatje’ noemt. Ik denk aan Gizzmo, die door een andere schrijver werd gestoord terwijl hij bezig was zijn memoir te dicteren, waarop hij die ander uitfoeterde met zo’n subtiel, artistiek venijn dat ik er haast jaloers van werd.

    Natuurlijke dood

    Om kwart voor elf ronden we weer af, met overal geritsel van papier en mensen die achteroverleunen op hun stoel. Robert rolt het koffiekarretje weg. Een tijdlang – of eigenlijk jarenlang – hebben we elke sessie van de Writers Group afgesloten met ‘Thunderstruck’ van AC/DC: de gitaar van Angus Young was als een sirene, een voorbode van onze triomfantelijke terugkeer naar de wereld. Ook is er een tijd geweest dat dichter Eddie een cd naar keuze in de gettoblaster stopte – het kon Elvis zijn, maar ook Grateful Dead – en vervolgens zijn microfoon aansloot om de hele zaal te laten genieten van zijn zangtalent.

    Maar Eddie komt de laatste tijd niet meer zo vaak – gezondheidsklachten, en een verandering van 
woonomgeving. De Writers Group lijkt heel langzaam een natuurlijke dood te sterven. Als ik nu mijn blik door de ruimte laat glijden, zie ik altijd wel een of twee schrijvers over wie ik me zorgen maak. Nadat ze zichzelf ijverig en onbevreesd hebben blootgegeven op papier, zich kwetsbaar hebben opgesteld, zijn ze gedwongen terug te keren naar de harde realiteit 
van hun leven, de lusteloosheid en meedogenloosheid van hun dagelijkse bestaan, maar dan zonder 
de geborgenheid van daarvoor. Er zijn momenten waarop ik me afvraag of het echt allemaal gelul is, waar ik mee bezig ben. Maar dan kijk ik naar de 
pagina’s die we hebben volgeschreven, de verhalen, de teksten die er domweg niet zouden zijn geweest als we niet allemaal hadden bijgedragen aan het ontstaan van deze plek, van dit momentum. Sommige schrijvers zullen volgende week terugkeren, anderen niet. Er is geen peil op te trekken. Als redacteur zou 
ik soms wensen dat ik het gezag had van de monnik Moling, die tegen het einde van de middeleeuwse, epische Ierse vertelling Buile Suibhne (Sweeney Astray, 
in de versie van Seamus Heaney) de volgende waarschuwing meegeeft aan de vliegende pelgrim Sweeney, de krankzinnige koning die half vogel is: 
‘Al vlieg je nog zo ver uit over Ierland, dag in, dag uit, je bent gehouden elke avond naar mij terug te keren zodat ik je verhaal kan optekenen.’ Maar hier is niemand ergens aan gehouden, en de verhalen schrijven zichzelf – met artistieke horten en stoten.

    Auteur: James Parker
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Pacific Standard Standard
    Verenigde Staten | tweemaandelijks tijdschrift | oplage 100.000

    Vanuit de gedachte dat de wetenschap vaak oplossingen biedt op maatschappelijke problemen maakt deze publicatie belangrijke onderzoekresultaten inzichtelijk voor een breed publiek.

  • Slaap Egypte slaap

    Slaap Egypte slaap

    Twee geliefden vertellen elkaar in de slaapkamer verhalen. Op basis van dit klassieke gegeven schreef de Egyptische auteur Ezzedine Chroukri Fishere een ophefmakende roman over de sluimerende Egyptische revolutie.

    Sinds het verschijnen van The Yacoubian Building (2002) van Alaa al-Aswany heeft geen boek in Egypte tot zo veel ophef geleid als de zesde roman van Ezzedine Choukri Fishere – het dystopische Exit Door, waarin een lid van de Moslimbroederschap president wordt, om vervolgens door zijn minister van Defensie ten val te worden gebracht. Het boek verscheen in 2012, nog voor de verkiezing en de uiteindelijke val van president Mohamed Morsi, een Moslimbroeder.

    Fishere had het vervolg – waarnaar reikhalzend werd uitgekeken, en dat een paar dagen geleden is verschenen bij Al-Karma – ‘Post-revolutionary bed-time stories from Egypt’ kunnen noemen, of ‘The most dangerous tales of Shahrazad’. Maar dat heeft hij niet gedaan, het boek heet Kol Hasa al-Haraa (‘Al die onzin’), en net als in het rauwe Exit Door spaart hij zichzelf noch de lezer. Het is een ambitieuze roman, een wilde verzameling van alle belangrijke revolutionaire gebeurtenissen die de afgelopen zes jaar in Egypte hebben plaatsgevonden, met thema’s zoals de buitenlandse financiering van activisten, seksueel geweld, politiegeweld, homoseksualiteit, corruptie en terrorisme. Alle protagonisten zijn betrokken bij gebeurtenissen als de revolutie van 25 januari, de rellen in Mohamed Mahmoud Street of de bloedbaden van Maspero, Port Said of Rabea al-Adaweya.

    Ze leveren zich over aan een koortsachtige stroom van verhalen, slechts onderbroken door slaap, seks of eten

    Zo’n aanpak kan al snel doorschieten, maar de vijftigjarige Fishere heeft met schijnbaar gemak een kleverig spinnenweb gesponnen dat de lezer al snel inkapselt. Al meteen vanaf de openingsscène – waarin Omar en Amal, die elkaar niet lijken te kennen, in hetzelfde bed ontwaken, kort nadat Amal is vrijgekomen uit de gevangenis – was deze lezer in ieder geval 324 pagina’s lang nauwelijks meer in staat het boek weg te leggen.

    Amal is een negenentwintigjarige Egyptisch-Amerikaanse jurist die gevangen is gezet omdat ze werkte voor een organisatie die illegaal door het buitenland werd gefinancierd (er wordt een impliciete parallel getrokken met de ngo’s die in 2011 keihard werden aangepakt). Ze heeft afstand gedaan van haar Egyptische staatsburgerschap zodat ze maar één jaar de gevangenis in hoefde (een detail dat ontleend zou kunnen zijn aan het lot van de Al Jazeera English -producer Mohamed Fahmy) en moet nu binnen 48 uur het land verlaten. Omars situatie is volkomen anders: hij is tweeëntwintig, van arme komaf, en hij werkt als taxichauffeur. Hij gaat ermee akkoord om tot Amals vertrek bij haar te blijven, in haar appartement in Zamalek, en haar verhalen te vertellen om haar op die manier bij te praten over wat er allemaal is gebeurd in het jaar dat zij heeft vastgezeten. Ze leveren zich over aan een koortsachtige stroom van verhalen, slechts onderbroken door slaap, seks of eten.

    De roman bestrijkt de 48 uur die ze in haar appartement doorbrengen en is opgedeeld in acht hoofdstukken. In zes van die hoofdstukken vertelt Omar verhalen over vrienden of familieleden, en de andere twee hoofdstukken zijn gewijd aan Amal en hem, die elkaar over zichzelf vertellen. Omars verhalen worden zo nu en dan onderbroken door Amal, met vragen of cynische opmerkingen, waarmee ze Omars sombere kijk op de wereld probeert te doorbreken. Haar Egyptische Arabisch is niet al te best, dus zij praat in het Engels, dat omwille van de lezer wordt omgezet in klassiek Arabisch, en niet in spreektalig Arabisch – behalve wanneer ze vloekt. Hun grappige gesprekken en Fishere zelf die af en toe als verteller tussenbeide komt met een ironische opmerking, bieden enig tegenwicht aan de zwaarte van Omars verhalen – de meeste van zijn vrienden zijn vermoord, gevangengezet of verbannen. In de vele dampende seksscènes tussen de twee verwijst Fishere naar geslachtsdelen als ‘lichaamsdelen waarvoor een rechter je gevangen kan zetten als je ze hardop benoemt’, alsof hij op die manier de zelfingenomen moraalridders onder zijn lezers – van de soort die Naji voor de rechter hebben gesleept – wil tarten.

    ‘Hoe is het mogelijk dat een taal die door driehonderd miljoen mensen wordt gesproken geen algemeen aanvaarde synoniemen kent voor de helft van de lichaamsdelen die ze herhaaldelijk en dagelijks aanraken, of voor de handelingen die ze verrichten?’ vraagt Omar zich af in het eerste hoofdstuk. ‘Alsof een of andere gezaghebber de Arabieren heeft veroordeeld tot een totaal stilzwijgen, waardoor ze al deze dingen doen, al deze lichaamsdelen aanraken en zien, zonder erbij te praten, zonder ook maar een woord te zeggen. Wat is dat voor vorm van onderdrukking?’

    Ezzedine Choukri Fishere.
    Ezzedine Choukri Fishere.

    Soms zegt Amal spottend Mawlay (mijn heer) tegen Omar, een omkering van het Sheherazade-motief. Misschien vertelt Omar de verhalen domweg om in de buurt te kunnen zijn van Amal, op wie hij verliefd begint te worden. Maar anders dan in De vertellingen van Duizend-en-een-nacht, waarin Shererazade Sjahriaar het ene na het andere verhaal vertelt zodat de koning haar zal sparen, wijst Fishere er in het voorwoord op dat zowel hijzelf als zijn fictionele protagonisten door deze verhalen in de gevangenis kunnen belanden. Fishere dreigt spottend degenen die het op hem hebben voorzien in zijn volgende boek op te voeren en zo wraak te nemen.

    Herdenken is natuurlijk ook een motief in dit werk. Misschien wil Fishere ons domweg herinneren aan iets wat de afgelopen drie jaar systematisch naar de achtergrond is gedrongen: de revolutie van 25 januari en alle gruwelijkheden die zijn begaan in de strijd tegen de revolutionairen. Het lijkt niet toevallig dat zijn boek is verschenen vlak na de zesde herdenkingsdag van de revolutie.

    All That Rubbish is, net als Exit Door, een politieke roman waarin fictie en realiteit in elkaar overlopen. In het vierde hoofdstuk haalt Fishere een artikel aan van Mada Masr, uit 2014, over veiligheidstroepen die op gruwelijke wijze een activiste hebben verkracht. Fishere voert haar ten tonele als een van zijn gekwelde personages en laat zien wat voor effect de verkrachting op haar leven heeft. Door het in een literaire vorm te gieten helpt hij ons eraan herinneren welk lot leden van de oppositie kan treffen. Een goed boek kan eeuwig meegaan, terwijl nieuwsfeiten vaak gedoemd zijn om in de vergetelheid te raken – al helemaal wanneer niemand verantwoordelijk wordt gehouden voor de misdaden. Omdat Amal herhaaldelijk Omars geloofwaardigheid in twijfel trekt, en hem ervan beschuldigt het allemaal te verzinnen, worden we er juist aan herinnerd dat de misdaden maar al te reëel zijn, doordat zijn verhalen van geen wijken weten.

    Niet alle verhalen zijn echter even sterk. In het derde hoofdstuk vertelt Omar over het lot van drie ‘ultra’s’ van Ahly Football Club, van wie er twee zijn omgekomen tijdens het bloedbad van Port Said in 2012. Maar hier romantiseert Fishere te zeer – de mannen worden enkel afgeschilderd als hardwerkende, heldhaftige en onschuldige jongens. Het is zelfs zo erg dat ik die stukken bijna heb overgeslagen. Het is duidelijk dat de verteller sympathie wil kweken, aangezien de ultra’s door de staatsmedia herhaaldelijk zijn weggezet als tuig en herrieschoppers, maar hier slaat Fishere door.

    Het zette mij ertoe aan me een voorstelling te maken van zijn lezerspubliek. All That Rubbish is een roman die uitgesproken pro-revolutie is, een boek dat vermoedelijk zal worden gelezen door gelijkgestemden. Afhankelijk van de reacties die het oproept, zullen misschien meer mensen geneigd zijn in dit boek te duiken – een boek dat meerdere thema’s kent, zoals overspel, huwelijksproblemen en het groeiende zelfinzicht van twee jonge geliefden.

    Er zijn ook hoofdstukken die een oorspronkelijke kijk bieden op de sociale mechanismen die onze perceptie vormgeven. Een voorbeeld daarvan is de pijnlijke coming out van een homostel, een ander voorbeeld is de tragische liefdesgeschiedenis van een sympathisante van de Broederschap en haar vriendje. Dit zijn momenten waarop Fishere met het vergrootglas van de schrijver inzoomt op de microvezels waaruit onze dagelijkse opvattingen en gedragingen bestaan.

    Ander pad

    All That Rubbish heeft alles in zich om een bestseller te worden, wat hopelijk weer andere schrijvers aanmoedigt om ook een ander pad in te slaan dan in de meeste romans die tot nog toe over de revolutie zijn verschenen, en die vooral dystopisch van aard zijn – van Basma Abdel Aziz’ The Queue tot Mohamed Rabies Otared — wellicht omdat er een soort consensus bestond dat het nog te vroeg was om onverbloemd te schrijven over iets wat nog altijd gaande was.

    Uit Exit Door sprak een optimistische toekomstvisie, ondanks alle politieke onrust. All That Rubbish is veel soberder. De roman begint met een wijs gezegde: ‘Je kunt maar beter slapen op de ellendige dagen.’ Omar en Amal lijken te hebben besloten dat ze zich maar het beste gedeisd kunnen houden en domweg moeten proberen te overleven zonder al te zware persoonlijke verliezen. Zeven van de acht hoofdstukken beginnen ermee dat de een de ander vraagt of hij al wakker is, waarmee Fishere lijkt te willen zeggen dat we, om het einde te halen van deze winterslaap waaraan geen einde lijkt te komen, best af en toe even wakker mogen worden om te eten, te vrijen en verhalen te vertellen, zolang we maar niet vergeten. Maar Amal en Omar lijken geen moment in staat zich echt over te geven aan de slaap.

    Auteur: Sherif Abdel Samad
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Openingsbeeld: © Marco Bulgarelli / Gamma-Rapho via Getty

    Mada Masr
    Egypte | madamasr.com

    Een Egyptisch blog dat onder auspiciën staat van de journalisten van de Egypt Independent (de Engelse versie van Al Masry al-Youm). ‘Mada Masr’ betekent: over Egypte.