Tag: LITERATUUR

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.

    © Basso Cannarsa / HH
    © Basso Cannarsa / HH

    LITERATUUR – De langverwachte

    Nieuwe roman van Elif Batuman

    Het Amerikaanse literaire wereldje ziet uit naar het tweede boek van Elif Batuman, dat een dezer dagen zal verschijnen. De Nederlandse vertaling volgt, als een van vele, korte tijd later. Batuman werd als dochter van Turkse immigranten geboren in New York en groeide op in New Jersey. Ze studeerde Russische literatuur aan Harvard en Stanford, en werd zeven jaar geleden, toen ze pas 32 was, staff writer bij The New Yorker, het nirvana van de verhalende journalistiek.

    Er zijn dus nog geen recensies beschikbaar, maar het is opvallend hoe reikhalzend er wordt uitgekeken naar dit tweede boek, een roman na een debuut in non-fictie. Hoewel, was het non-fictie? De bundel The Possessed: Adventures with Russian Books and the People Who Read Them bevatte haar stukken uit The New Yorker, Harper’s en N+1. Maar The Independent vond dat boek ‘op zijn eerlijkste momenten een autobiografische roman’. En The Telegraph noemde het ‘een van die fluïde, ambigue en genreontstijgende werken die boekverkopers na veel gepieker maar onder “memoires” plaatsen. Het is deels persoonlijke herinnering, deels reisverhaal, deels literaire kritiek.’ De Britse krant vond het boek zelfs zo goed ‘dat je je afvraagt of deze schrijver ooit nog zo iets spectaculairs kan afleveren’.

    We weten al dat in de aanstaande roman (De idioot, door Arthur Wevers vertaald voor Atlas Contact) de genregrenzen opnieuw worden opgezocht. Want zoals Batuman in The Possessed al sterk naar het autobiografische neigde, doet ze dat nu opnieuw, vanuit een romanperspectief. De hoofdpersoon, Selin, is studente aan Harvard, net als Batuman eens was. ‘De knipoog naar de titel van Dostojevski is niet per ongeluk, in dit geestige en ontroerende coming-of-ageverhaal van een Harvard-studente, dochter van Turkse immigranten in New Jersey, die na de duizelingwekkende avonturen van haar freshman-jaar afreist naar het platteland van Hongarije om daar Engelse les te geven. Onderweg vindt ze zichzelf, en ze vindt zichzelf uit’, kondigt The Boston Globe aan in zijn lijstje ‘boeken in 2017 waar we ons erg op verheugen’.

    ‘Show, don’t tell, of kill your darlings, schrap elk overbodig woord. Alsof schrijven een kwestie is van het afleren van slechte gewoontes, het weglaten van overbodige woorden’

    Ook The New York Times was niet ontgaan dat de essays in The Possessed met een gouden pennetje zijn geschreven, vol humor en scherpe observaties. En een aanstekelijke passie voor goeie boeken: ‘Je wilt voelen wat zij voelt’ als je voor je boekenkast staat.

    Batumans passie zorgt behalve voor vlammende hartstocht voor bepaalde schrijvers, soms ook voor afkeer. Een boek van Orhan Pamuk bezorgt haar een ‘verveling tot in mijn diepste vezels’. Durf het maar te zeggen.

    Even verfrissend voor wie zich wel eens op een academische manier met literatuur heeft beziggehouden, is Batumans tirade tegen creative writing, dat op geen enkel curriculum mag ontbreken. ‘Alles wat ze te bieden hebben zijn negatieve stellingen: show, don’t tell, of kill your darlings, of schrap elk overbodig woord. Alsof schrijven een kwestie is van het afleren van slechte gewoontes, het weglaten van overbodige woorden.’

    De darlings die Batuman niet killde in The Possessed maken de kern uit van dat ‘gekke en ongewoon diepzinnige boekje’, zoals de NYT omschrijft. ‘Behalve over haar favoriete Russische auteurs gaat het over een miljoen andere zaken: school, literaire theorie, vertalingen, biografieën, liefdesrelaties, de totstandkoming van King Kong, het werk aan een backpackersreisgids, liedjes van The Smiths en het kiezen van de juiste watermeloen in Oezbekistan.’ Dat laatste verwijst naar een niet gering wapenfeit van de schrijfster, die naar de Oezbeekse stad Samarkand afreisde om Oezbeeks te leren. In het verhaal ‘Summer in Samarkand’ vraagt zij zich af wat het met haar doet dat zij nu weet dat het oud-Oezbeeks honderd woorden heeft voor huilen.

    Haar eigen New Yorker plaatste een voorpublicatie uit The Idiot en een vraaggesprek met de auteur. Vraag: Hoeveel van de extreem pretentieuze taal die Selins Harvard-professoren in de mond wordt gelegd, is realistisch, en wat is satire? Antwoord: ‘Het is mijn personage dat met een kracht die sterker is dan zijzelf geneigd is tot een absurdistische interpretatie. Haar weergave van wat de professoren zeggen is niet onzuiver, maar zij benadrukt ontegenzeggelijk het bizarre ervan. Ik denk dat er altijd een bizarre kant is die je kunt benadrukken. In die zin is het portret van de professoren zowel satirisch als waarheidsgetrouw. (…) The Idiot is een tekst die ik heb geschreven in mijn studiejaren, maar pas heb opgepakt toen ik een leeftijd had waarop ik me meer kon identificeren met de docenten dan met de studenten. Ik voel een diepe sympathie voor de docenten die ik op Harvard heb gehad. Ik hoop dat de satire in mijn boek vooral wordt opgevat als een commentaar op het epistemologische gat tussen eerstejaarsstudenten en docenten, dan als een portret van de docenten. Dat gat kan zo groot zijn dat het een mirakel van geduld en precisiewerk is dat we überhaupt ooit iets leren.’

     © Baunetz
    © Baunetz

    ARCHITECTUUR – Gebruiksarchitectuur

    Arno Brandlhuber spreekt in Bozar in Brussel

    Arno Brandlhuber is een Duitse architect met even iconoclastische neigingen als Rem Koolhaas. Hij bepleit bijvoorbeeld dat alle bestaande gebouwen in Berlijn worden verhoogd met één verdieping, waarin penthouses moeten komen. Eenzelfde aantal vierkante meters op een lager gelegen verdieping moet dan voor sociale huur beschikbaar komen. Brandlhubers uitgesproken meningen doen het altijd goed in de pers. ‘Ik weiger ruimtes te definiëren. Of iets een woon- of een werkruimte is, laat ik in het midden.’ En ‘Grijs is een warme kleur’, zoals hij tegen de Welt am Sonntag zei, bij de oplevering van zijn spraakmakende Antivilla aan het Krampnitzmeer, tussen Berlijn en Potsdam.

    Des te opvallender is dat gebouw, aangezien de omgeving een soort ‘pretpark van historische gebouwen’ is, volgens The New York Times. Naast al die historische architectuur, schrijft Gisela Williams, ‘kan de aanblik van Brandlhubers bunkerachtige villa (…) méér zijn dan een schok, een overval. Te midden van ongecompliceerde fraaiheid staat deze vijfhonderd vierkante meter in ruw beton gegoten grijze kubus. Zijn aanwezigheid is tegelijkertijd een afstraffing van de burgerlijke pretenties van de omgeving als een verwijzing naar de recente totalitaire geschiedenis ervan.’ De Süddeutsche Zeitung wil haar vingers er liever niet aan branden. ‘Voor de een is de Antivilla alleen maar bijzonder lelijk, voor de ander is het nu al een van de belangrijkste “gedachtevormen” van deze eeuw’, schrijft de krant prudent.

    © Baunetz
    © Baunetz

    Misschien is Brandlhuber in zijn land boven iedere kritiek verheven. Misschien vreest men hem. Het is in elk geval opvallend dat het als nieuws werd gebracht toen hij zich in Berlijn vestigde en verklaarde: ‘Ik ben hier zonder politieke bedoelingen gekomen.’ Alsof hij aan het begin van een western te paard de Brunnenstraße binnenrijdt en je al weet dat die vreedzame woorden alleen maar een voorteken zijn dat er toch een paar koppen gaan rollen. De Brunnenstraße is heilige Berlijnse grond: de Muur liep er dwars doorheen. Ook hier heeft hij de betonwagen laten aanrukken, en op de plaats van een afbraakpand een eigen bouwsel hineinbetoniert, waar hij woont en werkt als hij niet in de Antivilla of op reis is.

    Arno Brandlhuber geldt inmiddels als ‘een van de belangrijkste critici van de Berlijnse stadsontwikkeling. Ingewijden noemen hem de ‘politieke architect des vaderlands’ . In samenwerking met enkele stadsplanologen heeft Brandlhuber vorig jaar het omvangrijke boek The Dialogic City – Berlin wird Berlin uitgebracht, ‘een pleidooi voor een stedenbouw die slechts voor een klein deel esthetisch gemotiveerd is, maar vooral uitgaat van gebruiksvragen. Het gaat hem in de eerste plaats om het behoud van bestaande stadsstructuren, waarmee het verschil in sociale, religieuze en etnische milieus verbonden is.’

    Over The Dialogic City zal ook Brandlhubers voordracht gaan op 7 maart in het Brusselse Bozar. Maar de kern van zijn betoog zal zijn de verhouding tussen wet en architectuur. Brandlhuber heeft een langlopend project in het leven geroepen, Legislating Architecture, waarmee hij als architect invloed wil uitoefenen op grondpolitiek en woningbeleid in Berlijn en elders. Dat hij ‘zonder politieke bedoelingen’ in de Duitse hoofdstad arriveerde, was toch echt een witz.

    7 maart, Bozar, Brussel

    unnamed 5

    360 Top-5 non-fictie

    Deze vertaalde non-fictieboeken werden de afgelopen weken het 
best verkocht bij Athenaeum Boekhandel in Amsterdam.

    Ben Judah: 
Dit is Londen
    Neem Londen en je kent de wereld. Ben Judah sprak met zwervers en zakenmannen, prinsessen en politiemannen, en zag hoe parallelle samenlevingen opkomen. ‘Londen is in het Westen echt de hoofdstad van het kapitalisme, met een gigantische kloof tussen het grootkapitaal en bittere armoede,’ zegt hij.

    Yael Adler: 
De huid
    De Duitse huidspecialist Yael Adler 
(1973) schreef De huid. Gezondheid, schoonheid en verzorging. Veelomvattend, praktisch en wetenschappelijk onderbouwd, over ons grootste orgaan (20 kilo). Opvallendste tips voor een mooie huid: niet smeren, niet zonnen, wel seks hebben.

    Ari Turunen: Weet je wel wie ik ben?
    De Finse socioloog Ari Turunen (1966) specialiseerde zich in menselijke gewoontes en schreef nu een geschiedenis van de arrogantie, Weet je wel wie ik ben? Geestig en ongemakkelijk. ‘De geschiedenis wijst uit dat arrogantie nooit iets anders heeft voortgebracht dan oorlogen, catastrofes, haat en een ongelooflijke hoeveelheid mislukkingen.’

    Jan-Werner Müller: 
Wat is populisme?
    Het beste boek op dit moment over een beweging die democratieën overal ter wereld bepaalt, is Wat is populisme? De Duitse politicoloog Jan-Werner Müller (1970) vraagt zich af: is het een bedreiging of een zegen? Wat is het verschil tussen links en rechts populisme? Wie is het volk?

    Yuval Noah Harari: 
Homo Deus
    De Israëlische historicus Yuval Noah Harari (1976) schreef met Sapiens een inzichtrijke geschiedenis van de mens, en zet met Homo Deus. Een kleine geschiedenis van de toekomst een nieuwe, indrukwekkende stap. Over technologie, de invloed op lichaam, geest en samenleving.

    Auteur: Pieter van den Blink

  • Gerecenseerd

    Gerecenseerd

    360 kiest een aantal door de buitenlandse pers beschreven concerten, voorstellingen, boeken, films en exposities die naar Nederland of België komen.

    © HH
    © HH

    LITERATUUR – Zo was het

    Humor en sentiment om de verloren dagen

    Hoe een recensent in één alinea een boek in z’n context kan plaatsen, en dan ook heel precies de plaats van dat boek binnen die context aangeven. Bij Die Zeit verstaan ze die kunst. De recensie van de roman_ Auerhaus_ van Bov Bjerg begint zo: ‘Het meest voor de hand liggende wat je over een roman als deze kan zeggen, is waarschijnlijk dat de jeugd, als hij eenmaal voorbij is, ook werkelijk verloren is. Die tijd waarin al het zware nog licht leek en een kleinigheid loodzwaar kon wegen, is niet meer terug te halen, elke poging daartoe is slechts nostalgie. Er is geen weg terug. Daarom heeft elke goede roman over volwassen worden aandacht voor het verdriet over die onmogelijkheid om de jeugd terug te halen. En Auerhaus van Bov Bjerg is een van die goede romans, maar ook weer niet een hele goeie.’

    Hoe zou het zijn om zo’n alinea te lezen, met die ontknoping aan het eind, als je Bov Bjerg heet?

    Bjerg, pseudoniem van Rolf Böttcher, is een bekende in de Berlijnse literaire wereld. Verwijzend naar de wijk Prenzlauer Berg, waar hij vaak te vinden is, noemt de Duitse pers hem soms Prenzlauer Bjerg. Hij heeft zijn pen gescherpt bij het Duitse fenomeen van de Lesebühne, een soort voordrachtsavonden. Behalve romanschrijver is Bjerg ook cabaretier. Hij is 51 jaar oud, Auerhaus (de verduitsing van Our House, een nummer van Madness uit de jaren tachtig), is zijn tweede roman. Dan kan je wat hebben. Maar toch.

    ‘We moeten zonder meer vaststellen dat Bjergs roman niet vervalt tot dat verkrampt opgekraste jargon van de jeugdrestauratie waarin zo veel van zulke literatuur is geschreven, die dan ook meestal klinkt als de presentator van de ontbijt-tv die het lexicon straattaal heeft verslonden’, zo gaat recensent David Hugendick verder. Dat klinkt toch alsof Bov Bjerg weer rustig kan ademhalen. ‘Het is vooral de melancholische koppigheid die Bjerg uit de taal van de jeugd weet over te leveren.’ Dat klinkt zelfs helemaal niet slecht. En dat Hugendick Auerhaus vervolgens ‘een zeer spaarzaam verteld boek’ noemt, zal in het licht van het voorgaande ook als een compliment zijn bedoeld. Waar zit dan het voorbehoud, die vileine ‘ook weer niet een hele goeie’ van het begin?

    Alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt

    Hugendick concludeert nogmaals dat het ‘eenvoudig dieptreurig’ is dat geen dag van onze jeugd ooit nog terugkeert, een besef dat Bjerg met ‘sympathieke sentimentaliteit’ de lezer nog eens onder de neus wrijft, ‘en ons eraan herinnert dat we zelfs de mooiste momenten van die dagen al lang zijn vergeten’, eindigt hij. Het lijkt erop dat Hugendick het boek eerder verwijt dat het hem te hard heeft geraakt, in plaats van niet hard genoeg.

    Der Tagesspiegel noemt Auerhaus een ‘wonderbaarlijke roman’ en de toon van de recensie lijkt veel minder door een persoonlijke midlifecrisis bepaald dan die van Die Zeit. Want: ‘zo was het, toen we eindexamen deden (…) diep in de jaren tachtig’. De manier waarop Bjerg dat verleden evoceert is ‘opwindend’. Hij schrijft ‘authentiek, het klopt, hij treft precies de taal van de opgroeiende jeugd, het wijsneuzige en hoogdravende ervan (…) alsof Bjerg zelf nog bezig is met zijn coming of age en zijn eigen jeugd nog niet voorbij is, alleen die van zijn personages, die stap voor stap leren dat de tijd onherroepelijk voortschrijdt’. Toch is het geen nostalgische roman, vindt Gerrit Bartels, ook al ‘komt het ene na het andere citaat voorbij: Madness, The Godfather en ook telefooncellen, waar ’s avonds “gastarbeidersgezinnen” in de rij staan’. Bov Bjerg vertelt ‘zonder tierelantijnen en met overzicht. Zijn talent voor het komische is even groot als dat voor terloopse sentimentaliteit.’

    De vertaling van_ Auerhaus_ door Anne Folkertsma verschijnt bij Uitgeverij Cossée. Het Duitsland Instituut organiseert op 14 februari een avond met Bjerg in de Duitse ambassade te Den Haag. Aanmelding is gratis maar verplicht, via ku-s1@denh.diplo.de.


    FILM – Poëzie op het witte doek

    Jarmusch en de muze

    Drieëndertig jaar geleden kwam_ Stranger than Paradise_ uit, de verpletterende doorbraak van cineast Jim Jarmusch. The Washington Post schreef daarover toen dit: ‘Er bestaat geen tweede geur als die scherpe eerste betovering van een nieuwe lente, geen kwelling zo goddelijk als die van een eerste liefde en geen ervaring in de filmwereld als de collectieve ontdekking van een geestige, helder-realistische en volstrekt originele nieuwe film van een onbekend, jong talent. Dit is de belangrijkste week uit het leven van Jim Jarmusch.’

    Jarmusch maakte daarna klassiekers als Down by Law en de serie korte vignetten Coffee and Cigarettes, evenals een aantal documentaires, onder meer over Neil Young en The Stooges. ‘Hij is een natuurlijke verteller met een zeer droog gevoel voor humor’ schreef The Independent over de in 1953 in Ohio uit een half-Duitse moeder geboren regisseur.

    Zijn twaalfde speelfilm komt deze week uit.

    ‘De held in de nieuwe film van Jim Jarmusch, Paterson, heet Paterson (gespeeld door Adam Driver). Hij woont in Paterson, New Jersey, met zijn vrouw Laura (Golshifteh Farahani). Paterson staat elke dag vroeg op, ontbijt, en gaat op weg naar zijn werk als buschauffeur. Hij bestuurt lijn 23, waar aan de voorkant “Paterson” op staat. Aan het eind van de dag komt hij weer thuis, om te eten. Waarna hij zijn Engelse buldog gaat uitlaten, die buiten moet wachten bij de bar waar hij een biertje drinkt. Om de een of andere reden heet die hond Marvin. Belachelijk. Hij had Paterson moeten heten’, schrijft Anthony Lane in de eerste New Yorker van het nieuwe jaar.

    Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als “poëzieadviseur” van Jim Jarmusch

    Die ironische kritiek op de naam van de hond zet de toon voor de hele recensie: Lane heeft zich overgegeven aan deze film. En wie daarin niet mee wil, die moet maar achterblijven: ‘Als dit je allemaal een beetje saai lijkt, dan weet je nog niet de helft. Nog niet een zevende’, gaat Lane verder. Want de film beslaat een hele week van Patersons leven in Paterson, op de Paterson-bus. Maar Paterson is geen gewone buschauffeur. Hij zit vaak in zijn kelder. Liefhebbers van het Jarmusch-universum denken nu direct aan het geheimzinnige nummer What’s He Building In There? van Tom Waits, vriend van Jarmusch (en als acteur in meerdere van diens films magistraal).

    Anthony Lane vertelt u wat Paterson uitspookt: ‘Het is u vergeven als u denkt dat hij seriemoordenaar is of kidnapper, want in films en op tv zijn dat de enige redenen waarom onopvallende mannen de kelder in gaan. Maar nee. Paterson doet nog iets veel raadselachtigers. Hij schrijft gedichten.’

    En zo komt het dat Paterson niet echt over Paterson gaat. Noch over de man, noch over de plaats, noch over de bus. Paterson is een film over poëzie. ‘De wereld die we in Paterson zien en beleven, voelt aan als een gedicht’, schrijft Kevin Crust van de Los Angeles Times, die zich niet minder liet meeslepen door de film dan zijn collega aan de oostkust, ‘van de natuurlijke schoonheid van de Great Falls tot het industriële patroon van de straten waar Paterson zijn bus doorheen rijdt. De woorden die hij neerpent in zijn “geheime notitieboek” verschijnen op het scherm en meanderen voort, waardoor de kijker de beelden en de emoties die ze oproepen, in zich kan opnemen.

    De poëzie heeft geen grote reputatie op het witte doek. We moeten waarschijnlijk terug tot Il Postino van Michael Radford voor de laatste keer dat een film werkelijk probeerde de poëtische ervaring over te brengen. Dat vereist dus speciale maatregelen. Zoals in andere films specialisten worden ingezet voor het halsbrekende werk, werkte de dichter Ron Padgett aan deze film mee als ‘poëzieadviseur’ van Jim Jarmusch. Noem hem een stuntman, uiteindelijk schreef hij zeven gedichten die in de film voor rekening komen van de buschauffeur met z’n geheime notitieboekje Paterson. ‘Er komen minstens tien gedichten in de film voor’, telde de Los Angeles Times, ‘en vier personages houden zich op de een of andere manier met poëzie bezig.’ Dat zijn inderdaad waarschijnlijk wereldrecords.

    Auteur: Pieter van den Blink

  • Boekwinkel in Istanboel brengt Syriërs thuis

    Boekwinkel in Istanboel brengt Syriërs thuis

    De oprichter van de eerste Arabische boekwinkel in Istanboel laat jongeren lezen in hun eigen taal en ontsnappen aan het geïsoleerde vluchtelingenbestaan.

    Weggestopt in een hoekje tegenover de Chorakerk in Istanboel is een veilige haven voor jonge Syriërs die maar één ding willen: lezen. Pages, een boekwinkel annex café, symboliseert de ambitieuze poging van één man om Syrische jongeren een beter leven te geven.

    ‘Ik ben ongelooflijk gelukkig,’ zegt Samer Al-Kadri (42), oprichter van de eerste Arabische boekwinkel in de stad. ‘Ik krijg de kans jongeren tussen de achttien en vijfentwintig jaar te ontmoeten. Deze generatie doet me versteld staan door haar begrip, haar openheid, haar dialoog.’

    In Turkije leven meer dan drie miljoen vluchtelingen, voor het overgrote deel Syrisch. Met Pages hoopt Kadri een ruimte te scheppen voor jonge Syriërs die nieuwsgierig zijn naar de wereld, die willen ontsnappen aan het geïsoleerde vluchtelingenbestaan en, heel eventjes, willen doen alsof ze terug zijn in hun vaderland.

    In het gezellige interieur klinken liedjes van de Libanese zanger Fairuz en staan rijen boeken in kasten die Kadri met zijn eigen handen heeft gebouwd, liefdewerk dat impliceert dat hij al bijna een jaar geen vakantie heeft gehad.

    Hier kunnen jongeren alle beschikbare boeken gratis komen lezen, of er zo veel lenen als ze willen, voor maar twintig lira [vijf euro] per maand. Syrische mannen en vrouwen drinken er koffie terwijl ze schrijven, studeren en lezen in het zonlicht dat door de ramen schijnt, en ’s avonds bezoeken ze muziekuitvoeringen, filmvoorstellingen, workshops en tentoonstellingen.

    ‘De Syriërs zijn uit hun schulp gekropen. Er is veel veranderd. Veel jonge mannen en vrouwen hebben op een andere manier leren denken’

    ‘Het is een plek waar we weer als Syriërs onder elkaar kunnen zijn, die ons in staat stelt te praten, elkaar te accepteren en onze mentaliteit te veranderen die alleen maar op Syrië was gericht, zodat we geen oog hadden voor de buitenwereld,’ zegt Kadri.

    Ondanks alle tragedies van de oorlog in Syrië, die in vijf jaar meer dan vierhonderdduizend mensen het leven heeft gekost en de helft van de bevolking op de vlucht heeft gejaagd, binnen of buiten hun landsgrenzen, ziet Kadri een klein lichtpuntje.

    ‘Hoe tragisch de situatie in Syrië ook is, er is één ding wat me hoopvol stemt voor de toekomst van het land,’ zegt hij. ‘De Syriërs zijn uit hun schulp gekropen. Er is veel veranderd. Veel jonge mannen en vrouwen hebben op een andere manier leren denken. Een deel van deze nieuwe generatie is eraan onderdoor gegaan, maar een ander deel is veranderd of groeit op een andere, meer open manier op. Syriërs hebben heel wat meer over de wereld geleerd.’

    Gevlucht uit Syrië

    Kadri was nog maar acht toen het leger van Hafez al-Assad, de vader van de huidige Syrische president, in 1982 zijn thuisstad Hama bestormde en binnen een maand op buitengewoon brute wijze met de grond gelijk maakte als vergelding voor een kortstondige opstand.

    Hij herinnert zich hoe de regeringstroepen een aantal mannen uit een wijk tegen een muur zette, waarna ze sommigen doodschoten en anderen lieten leven, en hoe zijn familie de stad uit sjokte terwijl de straten bezaaid lagen met lijken.

    Na de verhuizing naar Damascus volgde Kadri een opleiding tot grafisch ontwerper en richtte een reclamebureau en een kinderboekenuitgeverij op, Bright Fingers genaamd.

    Toen in 2011 de revolutie uitbrak in Syrië, sprak hij in het buitenland over de strijd van zijn volk en hun onderdrukking door het regime van Assad, zonder deel te nemen aan demonstraties.

    Toen hij in 2012 in Abu Dhabi was, hoorde hij dat de veiligheidstroepen een inval hadden gedaan in zijn uitgeverij omdat hij werd beschuldigd van het steunen van terroristische activiteiten, een gebruikelijke aanklacht tegen tegenstanders van het regime. Hij verhuisde naar Amman en werd verliefd op Istanboel toen hij een kort bezoek bracht aan die stad.

    schermafbeelding 2017 02 08 om 14 03 38

    Het bezoek van The Guardian wordt onderbroken door een groep kinderen die een rondleiding krijgen in de boekwinkel. ‘We hebben deze plek voor jullie gemaakt,’ vertelt hij hun. ‘Jullie zijn hier altijd welkom.’

    Een van de kinderen antwoordt: ‘Het voelt alsof ik in Syrië ben met al die Arabische boeken, en je mag ze allemaal gratis lezen.’ Een tiener vraagt Kadri boeken over astronomie in te slaan omdat hij een ruimteliefhebber is, en een andere vraagt om een biografie van Khalid ibn al-Walid, een van de legendarische strijders van de vroege islam die de veroveringen in Azië leidde.

    ‘Het doel van dit bezoek is om hen te laten lezen en hun te laten zien hoe belangrijk bibliotheken zijn,’ zegt Jihad Bakr, die Syrische kinderen Turks leert op een plaatselijke school en de leiding heeft tijdens het bezoek. ‘Ze moeten kennismaken met een andere kant van de samenleving en hun eigen Syrische gemeenschap vanuit een ander perspectief leren bezien. Syrië is niet alleen maar oorlog en wat hun familie hun vertelt. We hebben ook kunst en cultuur.’


    ‘Ik heb genoeg van het idee dat Syriërs aanhangers van IS zijn, dat ze moordenaars zijn of alleen maar verhongeren’

    Dat is een geliefd thema bij Kadri, die weinig hoop heeft dat hij de mentaliteit van zijn eigen generatie kan veranderen maar gelooft dat hij de jonge clientèle van Pages, waar hij zeven dagen per week elf uur werkt, een liefde voor leren kan bijbrengen en nieuwsgierig kan maken.

    Hij ziet het ook als een manier om degenen die naar Istanboel zijn gevlucht te verlossen uit het geïsoleerde vluchtelingenbestaan, om de Turken op een andere manier naar Syriërs te laten kijken (ook veel Turken en Koerden bezoeken de boekwinkel, die Turkse en Engelse boeken op voorraad heeft) en om de internationale media te laten zien dat Syriërs niet alleen maar als slachtoffers of geweldplegers moeten worden bestempeld.

    ‘Ik heb genoeg van het idee dat Syriërs aanhangers van IS zijn, dat ze moordenaars zijn of alleen maar verhongeren,’ zegt hij. ‘Er zijn een heleboel slachtoffers en mensen die verhongeren, die alles kwijt zijn. Maar er is ook een andere kant, die mensen niet willen zien. We willen dat ze over iets anders schrijven.’

    Een van de populairste boeken bij Pages is Liefde kent veertig regels van Elif Shafak, een roman over de legendarische Perzische dichter Rumi, evenals De schelp van de Syrische schrijver Mustafa Khalifa, die daarin herinneringen ophaalt aan de martelingen die hij in de beruchte gevangenis van Palmyra onderging.

    Ook vertalingen van het werk van George Orwell zijn populair, met name Animal Farm en 1984, waarvan de dystopische wereld een opvallende gelijkenis vertoont met de politiestaat van Assad.

    Kijk en observeer

    ‘Uiteindelijk is dit een reusachtige tragedie waaraan je nooit volledig kunt ontsnappen,’ zegt Kadri. ‘Je kunt niet over liefde schrijven zonder die in verband te brengen met de ramp in Syrië. Het is je dagelijks leven en neemt elk moment daarvan in beslag.’

    Kadri hoopt een filiaal te openen in Berlijn om de vluchtelingengemeenschap daar van boeken te voorzien, en hij is bezig met een nieuwe uitgeverij voor romandebuten van jonge schrijvers uit Syrië en andere Arabische landen die hij in het hele Midden-Oosten wil verkopen; daarnaast werkt hij samen met Turkse uitgeverijen om de romans in het Turks te laten vertalen. Geen van deze initiatieven levert winst op.

    Maar zijn harde werk is er vooral op gericht een nieuwe generatie te vormen. ‘Wij kunnen niet meer veranderen, maar we kunnen de volgende generatie helpen het beter te doen,’ zegt hij. ‘Mijn boodschap aan de wereld is dat de Syriërs niet op één hoop moeten worden gegooid. Je kunt een hele samenleving niet over één kam scheren. Kijk en observeer goed, en maak zelf uit hoe het werkelijk zit.’

    Auteur: Kareem Shaheen
    Vertaler: Peter Bergsma

    The Guardian
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | oplage 332.000

    Onafhankelijke kwaliteitskrant van linkse signatuur. Sinds 1821 thuisbasis van de meest gerespecteerde columnisten en journalisten. Altijd zeer kritisch ten opzichte van de overheid en andere instituten.

    Eigenaar Samer Al-Kadri. – © Bram Janssen / HH
    Eigenaar Samer Al-Kadri. – © Bram Janssen / HH

    OPROEP AAN 360-LEZERS

    Samer Al-Kadri en zijn Pages Bookstore hebben uw steun nodig. In Istanboel heeft Al-Kadri bewezen dat hij als idealist 
en ondernemer van aanpakken weet. The Guardian is niet de enige die zich in bewondering heeft laten rondleiden langs de verschillende etages van de boekhandel annex ontmoetingsplaats. Op de sites van onder meer de Huffington Post, The New York Times of het Franse La Croix vindt u vergelijkbare reportages. Ook het Nederlandse Prins Claus Fonds was onder de indruk van het werk van Pages, en steunt projecten die in Istanboel plaatsvinden.

    Maar dat is niet de enige band tussen Samer Al-Kadri en Nederland. De Syriër wil een vestiging van Pages openen in Amsterdam.
 Met grote voortvarendheid is hij de stad aan het verkennen, op zoek naar een geschikte locatie en de juiste mensen. ‘Ik hoef niet midden in het centrum te zitten, degenen voor wie Pages bestemd is, komen er wel heen als ze horen dat het bestaat,’ weet hij op basis van zijn ervaring in Istanboel. Dat het openen van een zaak in Amsterdam anders verloopt dan in Damascus of Istanboel, is hem duidelijk. Maar hij is overtuigd van het nut en de noodzaak van zo’n ontmoetingsplek tussen Arabische en Europese literatuur, en de lezers die daarop afkomen. ‘Zodra ik een locatie heb, laat ik de boeken komen. Let maar eens op wat er dan gebeurt,’ zegt Samer Al-Kadri.

    Behalve naar betaalbare winkelruimte is hij op zoek naar een jurist en een accountant met affiniteit voor dit project. Ideeën zijn welkom op www.facebook.com/PagesBookstoreCafe

    Nadere inlichtingen ook bij Pieter van den Blink, via blink@360magazine.nl

  • Een ontmoeting met mijn vader in New Orleans

    Een ontmoeting met mijn vader in New Orleans

    Voor het eerst verschijnen alle eenentwintig korte verhalen van Truman Capote (Breakfast at Tiffany’s, In Cold Blood) in het Nederlands. 360 publiceert alvast ‘Kerst in New Orleans’, een nooit eerder vertaalde parel, waarin de jonge hoofdpersoon zijn vader ontmoet.

    voor Gloria Dunphy

    
Eerst een korte autobiografische proloog. Mijn uitzonderlijk intelligente moeder was het mooiste meisje van Alabama. Dat zei iedereen, en het was waar; en op haar zestiende trouwde ze met een achtentwintigjarige zakenman uit een gegoede familie in New Orleans. Het huwelijk duurde een jaar. Mijn moeder was te jong om moeder of echtgenote te zijn; te ambitieus ook: ze wilde studeren en een carrière opbouwen. Dus ging ze weg bij haar man; en wat ze met mij aan moest, ze vertrouwde me toe aan de zorg van haar grote familie in Alabama.

    In de loop der jaren zag ik mijn ouders bijna niet, geen van beiden. Mijn vader had het druk in New Orleans en mijn moeder was, nadat ze was afgestudeerd, bezig succesvol te worden in New York. Wat mij betreft was dit geen onprettige situatie. Ik was gelukkig waar ik was. Ik had veel aardige familieleden, ooms en tantes en neven en nichten, met name één nicht, een bejaarde vrouw met wit haar die een beetje mank liep en Sook heette. Miss Sook Faulk. Ze was niet mijn enige vriendin, maar wel verreweg de beste.

    Sook was degene die me over de kerstman vertelde, zijn lange baard, zijn rode pak, zijn rinkelende slee vol cadeautjes, en ik geloofde haar, net zoals ik geloofde dat alles de wil van God was, of van de Heer, zoals Sook Hem altijd noemde. Als ik mijn teen stootte, of van een paard viel, of een flinke vis in de beek ving – goed of slecht, kortom, het was allemaal omdat de Heer het wilde. En dat zei Sook ook toen ze het beangstigende nieuws uit New Orleans kreeg. Mijn vader wilde dat ik daarheen zou reizen om de kerst bij hem door te brengen.

    Ik huilde. Ik wilde niet. Ik was dit afgelegen dorp in Alabama omringd door bossen en boerderijen en rivieren nog nooit uit geweest. Ik was nog nooit gaan slapen zonder dat Sook met haar vingers door mijn haar ging en me een nachtzoen gaf. Bovendien was ik bang voor vreemden, en mijn vader was een vreemde voor me. Ik had hem een aantal keren gezien, maar die herinnering was een waas; ik had geen idee wat hij voor iemand was. Maar, zoals Sook zei: ‘Het is de wil van de Heer. En wie weet, Buddy, misschien zie je wel sneeuw!’

    Ik weet niet waarom ze dacht dat ik sneeuw zou zien in New Orleans, want in New Orleans is het nog warmer. Maakt niet uit. Ze wilde me gewoon aanmoedigen om de reis te maken

    Sneeuw! Totdat ik zelf kon lezen, las Sook me veel verhalen voor, en in bijna allemaal leek een heleboel sneeuw voor te komen. Fonkelende, tuimelende tovervlokken. Het was iets waar ik van droomde; iets magisch en mysterieus dat ik wilde zien en voelen en aanraken. Ik had het natuurlijk nog nooit gezien, en Sook ook niet; hoe zou dat kunnen in zo’n warme streek als Alabama? Ik weet niet waarom ze dacht dat ik sneeuw zou zien in New Orleans, want in New Orleans is het nog warmer. Maakt niet uit. Ze wilde me gewoon aanmoedigen om de reis te maken.

    Ik had een nieuw pak. Er zat een kaartje op gespeld met mijn naam en adres. Dat was voor als ik verdwaalde. Ik moest de reis namelijk alleen maken. Met de bus. Iedereen dacht dat ik wel veilig zou zijn met mijn naambordje. Behalve ik dan. Ik was doodsbang, en boos. Woedend op mijn vader, die onbekende, die me dwong om van huis te gaan zodat ik met de kerst niet bij Sook was.

    Het was een reis van zeshonderd kilometer of zoiets. Mijn eerste stopplaats was Mobile. Daar stapte ik over op een andere bus, en daarna reed ik eindeloos door moerasland en langs de kust totdat we in een rumoerige stad met klingelende trams kwamen, vol mensen die er gevaarlijk en buitenlands uitzagen.

    Dat was New Orleans.

    En plotseling, toen ik uit de bus stapte, tilde een man me op en hij nam me in zijn armen, drukte me zo hard tegen zich aan dat ik geen adem meer kreeg; hij lachte, hij huilde, een lange, knappe man, lachend en huilend. Hij zei: ‘Herken je me niet? Herken je je papa niet?’

    Ik was sprakeloos. Ik zei geen woord totdat ik uiteindelijk, toen we in een taxi reden, vroeg: ‘Waar is het?’

    ‘Ons huis? Dat is niet ver…’

    ‘Niet het huis. De sneeuw.’

    ‘Welke sneeuw?’

    ‘Ik dacht dat er een heleboel sneeuw zou zijn.’

    Hij keek me bevreemd aan, maar lachte wel. ‘Er is nog nooit sneeuw gevallen in New Orleans. Niet dat ik weet. Maar luister. Hoor je die donder? Regenen gaat het zeker!’

    Ik weet niet wat me meer beangstigde, de donder, de sissende zigzagbliksem die erop volgde – of mijn vader. Die avond, toen ik naar bed ging, regende het nog steeds. Ik zei mijn gebeden op en bad dat ik gauw weer thuis bij Sook zou zijn. Ik wist niet hoe ik ooit in slaap zou kunnen vallen zonder een nachtzoen van Sook. Ik kon gewoon niet slapen, dus begon ik me af te vragen wat ik van de kerstman zou krijgen. Ik wilde een mes met een paarlemoeren heft. En een grote doos met legpuzzels. Een cowboyhoed met bijpassende lasso. En een luchtbuks om mussen te schieten. (Jaren later, toen ik inderdaad een luchtbuks had, schoot ik een spotlijster en een boomkwartel, en ik zal nooit de spijt vergeten die ik voelde, het verdriet; ik heb nooit meer een levend wezen gedood, en elke vis die ik ving gooide ik terug in het water.) En ik wilde een doos kleurpotloden. En vooral een radio, maar ik wist dat dat onmogelijk was: ik kende nog geen tien mensen die een radio hadden. Vergeet niet dat dit de tijd van de Grote Depressie was, en in het diepe zuiden waren huizen met een radio en een koelkast zeldzaam.

    © Getty
    © Getty

    Mijn vader had beide. Hij scheen alles te hebben: een auto met dickeyseat, om nog maar te zwijgen van een mooi oud roze huisje in het French Quarter met sierlijke smeedijzeren balkons en een besloten patio vol kleurige bloemen, verkoeld door een fontein in de vorm van een zeemeermin. Hij had ook een handvol, ik zou zeggen twee handen vol, vriendinnen. Net als mijn moeder was mijn vader niet hertrouwd; maar ze hadden allebei vasthoudende bewonderaars en liepen uiteindelijk, al dan niet schoorvoetend, naar het altaar – mijn vader liefst zes keer.

    Hij moet dus wel charme hebben gehad; en inderdaad leek hij de meeste mensen te charmeren; iedereen, behalve mij. Dat kwam doordat hij me zo in verlegenheid bracht, me overal mee naartoe sleepte om al zijn vrienden te ontmoeten, iedereen, van zijn bankier tot de kapper die hem elke dag schoor. En al zijn vriendinnen natuurlijk. En het ergste: de hele tijd knuffelde hij me en zoende me en schepte over me op. Ik schaamde me dood. Om te beginnen was er niets om over op te scheppen. Ik was een echt plattelandskind. Ik geloofde in Jezus, en zei trouw mijn gebeden op. Ik wist dat de kerstman bestond. En behalve als ik naar de kerk ging, droeg ik thuis in Alabama nooit schoenen, of het nou winter of zomer was.

    Het was een pure marteling om door de straten van New Orleans meegetrokken te worden met die strak geveterde, bloedhete, loodzware schoenen aan. Ik wist niet wat erger was: de schoenen of het eten. Thuis was ik gewend aan gebraden kip en kool en wasbonen en maisbrood en ander troostrijk voedsel. Maar die restaurants in New Orleans! Ik zal mijn eerste oester nooit vergeten, het was alsof er een nachtmerrie door mijn keel gleed; er gingen tientallen jaren voorbij voordat ik er weer een doorslikte. Wat al die kruidige creoolse gerechten aangaat, ik hoefde er maar aan te denken of ik kreeg al het zuur. Nee hoor, ik hunkerde naar koekjes zo uit de oven en melk zo van de koe en zelfgemaakte stroop zo uit de emmer.

    Mijn arme vader had geen idee hoe ellendig ik me voelde, deels omdat ik hem dat nooit liet zien, en zeker nooit vertelde, en deels omdat hij ondanks het bezwaarschrift van mijn moeder voor de duur van deze kerstvakantie de voogdij over me had weten te krijgen.

    Dan vroeg hij: ‘Eerlijk zeggen. Wil je niet hier bij mij in New Orleans komen wonen?’

    ‘Dat kan ik niet.’

    ‘Hoezo kun je dat niet?’

    ‘Ik mis Sook. Ik mis Queenie; we hebben een kleine rat terriër, een gek beestje. Maar we houden allebei van haar.’

    Hij vroeg: ‘Hou je dan niet van mij?’

    Ik zei: ‘Jawel.’ Maar eerlijk gezegd had ik, afgezien van Sook en Queenie en een paar nichten en een foto van mijn prachtige moeder naast mijn bed, eigenlijk geen idee wat liefde inhield.

    Ik kwam er snel achter. De dag voor kerst liepen we door Canal Street en ik bleef stokstijf staan, in de ban van een magisch voorwerp dat ik in de etalage van een grote speelgoedwinkel zag. Het was een modelvliegtuig dat groot genoeg was om in te zitten en als een fiets te trappen. Het was groen en had een rode propeller. Ik was ervan overtuigd dat je zou opstijgen en vliegen als je hard genoeg trapte! Zou dat niet geweldig zijn! Ik zag mijn neven en nichten al op de grond staan terwijl ik tussen de wolken rondvloog. Over naïef gesproken! Ik lachte; en lachte en lachte. Het was de eerste keer dat ik iets deed waardoor mijn vader zelfverzekerd keek, ook al wist hij niet wat ik zo grappig vond.

    Die avond bad ik dat ik het vliegtuig van de kerstman zou krijgen.

    Mijn vader had al een kerstboom gekocht, en we liepen heel lang door de bazaar om dingen uit te zoeken die we erin konden hangen. Toen maakte ik een fout. Ik zette een foto van mijn moeder onder de boom. Zodra mijn vader die zag, verbleekte hij en begon te trillen. Ik wist niet wat ik moest doen. Maar hij wel. Hij liep naar de glazenkast en haalde er een hoog glas en een fles uit. Ik herkende de fles omdat al mijn ooms in Alabama er ook een heleboel hadden. Illegaal gestookte droogleggingsdrank. Hij vulde het hoge glas en dronk het bijna in één keer leeg. Daarna was het alsof de foto niet meer bestond.

    En zo wachtte ik op kerstavond, en op de altijd spannende komst van de dikke kerstman. Ik had natuurlijk nog nooit een rinkelende reus met een grote zak en een bolle buik uit een schoorsteen zien ploffen en zijn geschenken vrolijk onder een kerstboom zien uitdelen. Mijn neef Billy Bob, een gemeen onderdeurtje maar met een stel hersens als een ijzeren vuist, zei dat het allemaal lariekoek was, dat er helemaal niet zo iemand bestond.

    ‘Ga toch weg!’ zei hij. ‘Als je gelooft dat de kerstman bestaat, geloof je ook dat een muilezel een paard is.’ Dit geharrewar vond plaats op het piepkleine pleintje voor het provinciehuis. Ik zei: ‘De kerstman bestaat, want wat hij doet is de wil van de Heer en de wil van de Heer is de waarheid.’ En Billy Bob spuugde op de grond en liep weg: ‘Ik geloof dat we er een predikantje bij hebben.’

    Beest

    Ik had altijd gezworen dat ik op kerstavond nooit zou gaan slapen, ik wilde de rendieren over het dak horen dartelen en dansen en onder aan de schoorsteen staan om de kerstman een hand te geven. En niets, zo leek het me, kon deze kerstavond makkelijker zijn dan wakker blijven.

    Het huis van mijn vader had drie verdiepingen en zeven kamers, waaronder een paar enorme, vooral de drie die uitkwamen op de patiotuin: een salon, een eetkamer en een ‘muziekkamer’ voor hen die wilden dansen en spelen en kaarten. De twee bovenverdiepingen waren versierd met verfijnde balkons van kantachtig donkergroen ijzer, sierlijk doorvlochten met bougainville en slingerende ranken van spinnenorchis, een plant die lijkt op hagedissen met hun felrode tong uitgestoken. Het was het soort huis dat het beste tot zijn recht komt met lakvloeren en wat rotan hier, wat fluweel daar. Het had voor het huis van een rijk man aangezien kunnen worden; maar het was de woning van een man met een zucht naar elegantie. Voor een arm (maar gelukkig) jochie dat in Alabama op blote voeten liep, was het een raadsel hoe hij die behoefte wist te bevredigen.

    Maar het was geen raadsel voor mijn moeder, die na haar afstuderen haar roze verrukkingen ten volle benutte om in New York een volledig geschikte verloofde te vinden met de financiën voor een flat op Sutton Place en een sabelbontjas. Nee, zij was bekend met de middelen van mijn vader, al sprak ze daar pas vele jaren later over, lang nadat ze zich parelsnoeren had verworven om rond haar in sabelbont gehulde hals te glanzen.

    Ze was bij me op bezoek op een pretentieuze kostschool in New England (waar mijn schoolgeld werd betaald door haar rijke, royale echtgenoot) toen ik iets zei wat haar razend maakte; ze schreeuwde: ‘Dus je weet niet hoe hij zo’n vorstelijk leventje leidt?

    Jachten chartert en cruises langs de Griekse eilanden maakt? Zijn echtgenotes! Denk aan die eindeloze rij: allemaal weduwen. Allemaal rijk. Stéénrijk. En allemaal veel ouder dan hij. Te oud voor een normale jonge man om mee te trouwen. Daarom ben jij zijn enige kind. En daarom kan ik geen kinderen meer krijgen: ik was te jong om een kind te krijgen, maar hij was een beest, hij heeft me beschadigd, gesloopt…’

    Just a gigolo, everywhere I go, people stop and stare… Moon, moon over Miami… This is my first affair, so please be kind… Hey, mister, can you spare a dime?… Just a gigolo, everywhere I go, people stop and stare…

    Terwijl ze praatte (en ik probeerde niet te luisteren, want door te zeggen dat mijn geboorte haar kapot had gemaakt, maakte zij mij kapot), gingen deze of soortgelijke liedjes de hele tijd door mijn hoofd. Ze hielpen me om haar niet te horen, en ze herinnerden me aan het vreemde, onvergetelijke feest dat mijn vader die kerstavond in New Orleans had gegeven.

    De patio stond vol kaarsen, net als de drie vertrekken die erop uitkwamen. De meeste gasten waren verzameld in de salon, waar een rustig vuurtje in de open haard de kerstboom liet flonkeren; maar vele anderen dansten in de muziekkamer of op de patio op muziek uit een opwindgrammofoon. Nadat ik met veel tamtam aan de gasten was voorgesteld, was ik naar boven gestuurd; maar vanaf het balkon achter de jaloeziedeur van mijn slaapkamer kon ik het hele feest bekijken, alle stellen zien dansen. Ik zag mijn vader met een elegante dame rond het bassin walsen waarin de zeemeerminfontein stond. Ze was werkelijk elegant, en droeg een dun zilverkleurig jurkje dat glinsterde in het kaarslicht, maar ze was oud: minstens tien jaar ouder dan mijn vader, die toen vijfendertig was.

    Ineens besefte ik dat mijn vader verreweg de jongste op zijn feest was. Geen van de dames, hoe charmant ze ook waren, was jonger dan zijn ranke walspartner in de vlinderende zilveren jurk. Het was net zo bij de mannen, van wie velen lekker ruikende havannasigaren rookten; ruim de helft was oud genoeg om de vader van mijn vader te zijn.

    Toen zag ik iets waardoor ik met de ogen moest knipperen. Mijn vader en zijn lenige partner waren naar een hoekje gedanst in de schaduw van de spinnenorchissen; en ze knuffelden elkaar, zoenden elkaar. Ik was zo geschrokken, zo woedend, dat ik mijn slaapkamer in rende, in bed sprong en de dekens over mijn hoofd trok. Wat moest mijn knappe jonge vader nou met zo’n oude vrouw! En waarom gingen al die mensen beneden niet weg zodat de kerstman kon komen? Ik lag urenlang te luisteren of ze weggingen, en toen mijn vader afscheid van de laatste gast had genomen, hoorde ik hem de trap op lopen en mijn deur opendoen om even naar me te gluren, maar ik deed net alsof ik sliep.

    Er gebeurde een aantal dingen waardoor ik de hele nacht wakker bleef. Ten eerste de voetstappen van mijn vader die hijgend de trap op en af rende. Ik moest zien wat hij uitspookte. Dus verstopte ik me op het balkon tussen de bougainvilles. Daarvandaan kon ik de hele salon zien met de kerstboom en de open haard waar nog een restje vuur brandde. Bovendien kon ik mijn vader zien. Hij kroop rond onder de boom en maakte een piramide van pakjes. In paars papier en rood en goud en wit en blauw ritselden ze als hij ze verschikte. Ik was duizelig, want wat ik zag dwong me om alles nog eens op een rijtje te zetten. Als deze cadeaus voor mij bestemd waren, waren ze dus duidelijk niet door de Heer besteld en door de kerstman afgeleverd; nee, het waren cadeaus die mijn vader had gekocht en ingepakt. Wat betekende dat mijn vervelende neefje Billy Bob en andere vervelende kinderen niet logen als ze me jenden en zeiden dat de kerstman niet bestond. De ergste gedachte was: had Sook geweten hoe het zat en tegen me gelogen? Nee, Sook zou nooit tegen me liegen. Zij gelóófde. Alleen… tja, ze was dan wel in de zestig, maar in sommige opzichten was ze minstens evenzeer een kind als ik.

    ‘Ik laat je niet gaan. Ik kan je niet terug laten gaan naar die maffe familie in dat maffe ouwe huis’

    Ik bleef kijken tot mijn vader klaar was met zijn karwei en de paar nog brandende kaarsen had uitgeblazen. Ik wachtte tot ik er zeker van was dat hij in bed lag en vredig sliep. Toen sloop ik naar beneden, naar de salon, waar het nog naar gardenia’s en havanna’s rook.

    Ik ging zitten en dacht: nu ben ik degene die Sook de waarheid moet vertellen. Een woede, een rare wrok wentelde in me naar boven. Die was niet op mijn vader gericht, al bleek hij er wel het slachtoffer van te worden.

    Toen het licht werd, bekeek ik naamkaartjes op alle pakjes. Overal stond ‘Voor Buddy’ op, behalve één waarop ‘Voor Evangeline’ stond. Evangeline was een bejaarde zwarte vrouw die de hele dag Coca-Cola dronk en honderddertig kilo woog; ze was de huishoudster van mijn vader, en bemoederde hem ook. Ik besloot de pakjes open te maken: het was eerste kerstdag, ik was wakker, dus waarom niet? Ik zal maar niet beschrijven wat er allemaal in zat: overhemden en truien en dat soort saaie dingen. Alleen met een heel gaaf klappertjespistool was ik blij. Om de een of andere reden kreeg ik het idee dat het leuk zou zijn om mijn vader wakker te maken door ermee te schieten. Dus dat deed ik. Pang. Pang. Pang.

    Hij stormde zijn kamer uit, met verwilderde blik.

    Pang. Pang. Pang.

    ‘Buddy! Wat doe je nou, verdomme?’

    Pang. Pang. Pang.

    ‘Hou op!’

    Ik lachte. ‘Kijk, papa. Kijk naar al die mooie dingen die ik van de kerstman heb gekregen.’

    Weer kalm liep hij de salon in en omhelsde me. ‘Ben je blij met wat je van de kerstman hebt gekregen?’

    Ik lachte naar hem. Hij lachte naar mij. Er was een lang moment van tederheid, dat uiteenspatte toen ik zei: ‘Ja. Maar wat krijg ik van jou, papa?’ Zijn glimlach verdween. Zijn ogen werden tot wantrouwige spleetjes: je zag hem denken dat hij in de maling werd genomen. Maar toen bloosde hij, alsof hij zich schaamde dat hij dacht wat hij dacht. Hij aaide me over mijn hoofd, kuchte en zei: ‘Nou, ik dacht dat ik je zelf iets wilde laten uitkiezen. Is er iets wat je graag hebben wil?’

    Ik herinnerde hem aan het vliegtuig dat we in de speelgoedwinkel in Canal Street hadden gezien. Zijn gezicht betrok. Nou en of hij zich dat vliegtuig herinnerde, en hoe duur het was. Niettemin zat ik de volgende dag in dat vliegtuig en droomde dat ik de lucht in schoot terwijl mijn vader een cheque uitschreef aan een blije verkoper. Ik wilde niets weten van mijn vaders voorstel om het vliegtuig naar Alabama te versturen: ik stond erop dat het mee zou gaan met de bus die ik die middag om twee uur zou nemen. De verkoper loste het op door de busonderneming te bellen, waar ze zeiden dat het makkelijk zou kunnen.

    Maar ik was nog niet van New Orleans af. Het probleem was een grote zilveren heupfles illegale drank; misschien was het omdat ik wegging, maar hoe dan ook had mijn vader er de hele dag uit gezopen, en onderweg naar het busstation maakte hij me aan het schrikken door mijn pols beet te pakken en hard te fluisteren: ‘Ik laat je niet gaan. Ik kan je niet terug laten gaan naar die maffe familie in dat maffe ouwe huis. Kijk nou wat ze met je gedaan hebben. Een jongen van zes, bijna zeven, die het over de kerstman heeft! Het is allemaal hun schuld, al die zure ouwe vrijsters met hun bijbels en hun breinaalden, die dronken ooms. Luister naar me, Buddy. God bestaat niet! De kerstman bestaat niet!’ Hij kneep zo hard in mijn pols dat het zeer deed. ‘Soms, o, God, denk ik dat je moeder en ik, wij allebei, ons van kant zouden moeten maken dat we dit hebben laten gebeuren…’ (Hij heeft zich nooit van kant gemaakt, maar mijn moeder wel: zij is dertig jaar later de Seconalweg ingeslagen.) ‘Geef me een zoen. Alsjeblieft. Geef me een zoen. Zeg tegen papa dat je van hem houdt.’ Maar ik kon niet praten. Ik was doodsbang dat ik mijn bus zou missen. En ik was bezorgd om mijn vliegtuig, dat boven op de taxi zat vastgebonden. ‘Zeg: “Ik hou van je.” Zeg het. Alsjeblieft. Buddy. Zeg het.’

    Ik bofte dat de taxichauffeur iemand met een goed hart was. Want zonder zijn hulp, en die van een paar bekwame kruiers en een aardige politieagent, weet ik niet wat er anders gebeurd zou zijn toen we bij het station aankwamen. Mijn vader wankelde zo dat hij amper kon lopen, maar de agent praatte met hem, kalmeerde hem, hield hem op de been, en de taxichauffeur beloofde dat hij hem veilig thuis zou brengen. Maar mijn vader weigerde om weg te gaan voordat hij had gezien dat de kruiers me in de bus hadden gezet.

    Eenmaal in de bus kroop ik weg in een stoel en deed mijn ogen dicht. Ik voelde een heel vreemde pijn. Een verpletterende pijn in mijn hele lichaam. Ik dacht dat de marteling minder zou worden als ik mijn zware stadsschoenen uittrok, die kwellende monsters. Ik trok ze uit, maar de raadselachtige pijn ging niet weg. In zekere zin is hij nooit meer weggegaan; zal hij nooit meer weggaan.

    Twaalf uur later lag ik thuis in bed. Het was donker in de kamer. Sook zat naast me te schommelen in een schommelstoel, een geluid dat rust bracht als de golven van een oceaan. Ik had geprobeerd haar alles te vertellen wat er was gebeurd en stopte pas toen ik zo hees als een jankende hond was. Ze streek met haar vingers door mijn haren en zei: ‘Natuurlijk bestaat de kerstman wel. Alleen kan iemand in zijn eentje nooit alles doen wat hij moet doen. Dus heeft de Heer die taak over ons allemaal verdeeld. Daarom is iedereen de kerstman. Ik ben het. Jij bent het. Zelfs je neefje Billy Bob is het. Ga nu maar slapen. Tel de sterren. Denk aan het stilste dat je kent. Zoals sneeuw. Ik vind het jammer dat je geen sneeuw hebt kunnen zien. Maar nu valt er sneeuw tussen de sterren door…’ In mijn hoofd fonkelden sterren, wervelde sneeuw; het laatste dat ik me kon herinneren was de vredige stem van de Heer die iets zei wat ik moest doen. En de volgende dag deed ik dat. Ik ging met Sook naar het postkantoor en kocht een briefkaart. Diezelfde briefkaart bestaat nu nog. Hij werd gevonden in het bankkluisje van mijn vader toen hij vorig jaar stierf. Dit is wat ik aan hem had geschreven: Dag pap hoop dat het goet met je gaat met mij wel en ik leer zo hart trappen in mijn vliegtuig dat ik straks door de lugt vlieg dus hou je ogen open en ja ik hou van je Buddy.

    Auteur: Truman Capote
    Vertalers: Guido Golüke, Joop van Helmond en Harry Pallemans

    Alle verhalen van Truman Capote verschijnt begin februari bij uitgeverij Podium (€ 25) en is in Paradiso met 5 euro korting verkrijgbaar.

    14 februari: Truman-avond in Paradiso, Amsterdam

    Naar aanleiding van het verschijnen van Alle Verhalen organiseert uitgeverij Podium op 14 februari een feestelijke avond in Paradiso in Amsterdam. Capote-kenners en fans dragen voor uit zijn werk en vertellen over hun fascinatie voor de auteur. Connie Palmen vertelt over de vriendschap tussen Capote en Marilyn Monroe, en Peter Buwalda over de klassieker In Cold Blood. Saxofonist Yuri Honing vertolkt het nummer ‘A Sleeping Bee’, waarvoor Capote de tekst schreef. Jazzquartet BRUUT! speelt New Yorkse jazz uit de jaren zestig. Daarnaast zijn er optredens en voordrachten van schrijfster Annelies Verbeke, acteurs Wilfried de Jong & Wim Opbrouck en cabaretier Johan Goossens.

  • Meer Nederlandse literatuur graag

    Meer Nederlandse literatuur graag

    De Britse krant The Guardian is blij verrast met de nieuwe Penguin-bloemlezing van Nederlandse literatuur, samengesteld door wijlen Joost Zwagerman. ‘Deze bundel laat ons zien dat Nederlandse en Britse personages in wezen op elkaar lijken.’

    Keuze uit het archief

    Afgelopen woensdag was het Wereldboekendag. Op deze dag wordt aandacht gevraagd voor het belang van boeken en literatuur in een tijd waarin de woordcultuur steeds meer verdrongen wordt door de beeldcultuur. Bij literatuur denken we wellicht eerder aan buitenlandse boeken dan aan de werken van onze eigen literaire grootmeesters.
    Onterecht, vindt Jonathan Gibbs. In dit artikel uit The Guardian van acht jaar geleden breekt de Britse recensent een lans voor de Nederlandse literatuur. De reden dat die internationaal zo onbekend is, is dat de Nederlanders zelf haar zo slecht kennen, aldus Gibbs. Werk aan de winkel dus.

    Waar moet je beginnen bij Nederlandse literatuur? Elke Britse lezer met een redelijk oog voor wat er over de grens gebeurt kan een lijst Franse, Italiaanse en Scandinavische schrijvers opsommen, modern en klassiek. En ook Duitse, al zijn die waarschijnlijk eerder van de vorige eeuw dan de huidige. Maar Nederlandse? Dat is een vreemd hiaat in onze culturele kennis van Europa.

    En dat is verbazingwekkend als je bedenkt hoe de gemiddelde Nederlander en Brit op elkaar lijken. Natuurlijk, Het diner van Herman Koch, waarin een schijnbaar gelukkig gezin genadeloos wordt gefileerd, was in 2009 een groot internationaal succes en Gerbrand Bakker won in 2010 de International IMPAC Dublin Literary Award met The Twin [de Engelse vertaling van Boven is het stil]. En dan is er nog Cees Nooteboom, inmiddels in de tachtig, die is doorgedrongen tot de zeldzame hogere sferen van ‘het genoemd worden als Nobelkandidaat’. Maar dat waren de Nederlandse auteurs die ik kon opnoemen… tot de verschijning van The Penguin Book of Dutch Short Stories.

    Deze enorm welkome bloemlezing bewijst ons een dubbele dienst door ons te laten kennismaken met 36 schrijvers, levende en dode, van wie we waarschijnlijk nog nooit hebben gehoord, en ook nog tot op zekere hoogte uit te leggen waarom dat zo is. Dat is te danken aan de uitstekende inleiding van samensteller Joost Zwagerman. Het speet me voor in het boek te moeten lezen dat hij zelfmoord heeft gepleegd voordat de bloemlezing verscheen.

    cover

    De reden dat de Nederlandse literatuur hier [in Engeland] onbekend is, aldus Zwagerman,
is dat de Nederlanders die zelf nauwelijks kennen. De Nederlandse taal is de afgelopen eeuwen aan zo’n voortdurende verandering onderhevig geweest, schrijft hij, dat ‘veel grote werken uit de zeventiende-, achttiende- en negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur in modern Nederlands moeten worden vertaald om ze toegankelijk te maken voor de gemiddelde lezer’. Laurence Sterne? Jane Austen? Charlotte Brontë? Stel je voor dat die allemaal voor ons verloren waren gegaan!

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat Zwagerman zijn selectie nog geen eeuw geleden laat beginnen, in 1918. Titaantjes, geschreven onder het pseudoniem Nescio, heeft pas in 2012 zijn weg naar de Engelse lezer gevonden. Zwagerman prijst Nescio’s verhaal – over een groep idealistische jongemannen die zich met vallen en opstaan aanpassen aan het werkzame leven – omdat het zo lyrisch is, en omdat het algemene beeld van de Nederlander als nuchter en hardwerkend erin wordt omgedraaid – en daar laat hij het vrijwel bij.

    Het is ook onmiskenbaar melancholiek. Ik zou liegen als ik zei dat deze bundel de Nederlandse literatuur als een
dijenkletser presenteert. Waar er sprake is van humor, is die van de wrange en sombere soort, zoals in
‘De Minnema-variaties’ van Nicolaas Matsier, een verhaal over een redacteur van een literair tijdschrift die wordt geplaagd door eindeloze inzendingen van een gedoemde – en eerlijk gezegd verschrikkelijke – dichter. Het is grappig zoals Herman Melvilles De klerk Bartleby grappig is: eindeloos, totdat je beseft hoe onaangenaam vertrouwd het voelt.

    Net als wij zien Nederlanders zichzelf als een redelijk compromis tussen Latijnse hartstocht en Duitse onbuigzaamheid

    Er is veel eigenaardigs te vinden in de Nederlandse literatuur; tot mijn favorieten behoren een verhaal over een man die wordt uitgedaagd verse hondenpoep te eten om de sleutels van een grachtenhuis te bemachtigen, en over een journalist die een dag in het veld doorbrengt met een in gedachten verzonken muskusrattenvanger.
Maar wat het uiteindelijk zo de moeite waard maakt, is dat de bundel ons laat zien dat Nederlandse en Britse personages in wezen op elkaar lijken. Hetzelfde geldt voor de twee talen, 
linguïstisch gesproken, als je de uiterst netelige kwestie van de uitspraak
buiten beschouwing laat. Net als bij ons voert rationaliteit hoogtij in Nederland, met in de kern een visioen van klassenloosheid. Net als wij zien Nederlanders zichzelf als een redelijk compromis tussen Latijnse hartstocht en Duitse onbuigzaamheid.

    Ongetwijfeld mede dankzij de voortreffelijke vertalingen voelen veel Nederlandse verhalen en boeken vertrouwd, soms griezelig vertrouwd. De meeste zouden met gemak in het Verenigd Koninkrijk kunnen worden gesitueerd – bij East Bergholt van Marcel Möring is dat
daadwerkelijk het geval, net als bij
De omweg van Gerbrand Bakker, dat in Wales speelt. De personages hebben vreemde trekjes die ons bekend voorkomen. Daar moeten we dankbaar
voor zijn, en we moeten niet rusten voordat er meer Nederlandse literatuur onze kant op komt.

  • Liegen en bedriegen

    Liegen en bedriegen

    In een mooie bespreking van de nieuwe biografie van John le Carré ging William Boyd onlangs in op de aantrekkingskracht van spionnen. Niet alleen thrillerschrijvers zijn dol op ze, schreef hij in New Statesman, ook opvallend veel ‘serieuze’ auteurs hebben spionageromans geschreven.

    Denk aan Graham Greene, Muriel Spark of John Banville. Als verklaring haalde Boyd een quote aan van Le Carré zelf: ‘Ik denk dat we allemaal deels in een clandestiene situatie leven… We kennen onszelf nauwelijks – negentig procent van onszelf bevindt zich onder water.’

    Wat spionnen doen, concludeerde Boyd, is gewoon een uitvergrote versie van ons eigen gedrag. ‘We liegen, bedriegen, doen alsof, en een goede spionageroman werkt omdat dit soort minder fraaie kanten van ons leven erin worden uitvergroot.’ Daar valt weinig op af te dingen, en dus moet het wel raar lopen, wilt u niets van uw gading vinden in het zestien pagina’s tellende spionagedossier waarmee we dit zomernummer beginnen.

    Vooral op het openingsstuk uit The Guardian zijn we trots, want het verhaal over twee in Canada geboren broers die ontdekken dat hun ouders Russische agenten zijn, is zonder meer een van de spannendste longreads van dit jaar. Verder zou je kunnen concluderen dat elk tijdperk de (imaginaire) spionnen krijgt die het verdient. Waar de vergeten Britse detectiveschrijver Adam Diment in de Swinging Sixties successen vierde met boeken over een hasj rokende, meisjes versierende antiheld, daar is de spion van de toekomst volgens het tijdschrift Wired een saaie data-analist.

    Op de Horizonpagina’s laten twee vrouwen op briljante wijze zien dat er ook een alternatief is voor liegen, bedriegen en doen alsof

    Ook elders in deze dubbeldikke editie hebben we gekozen voor langere lees- en reisverhalen. Zo neemt het Amerikaanse tijdschrift Pacific Standard u mee op een cruise naar het noordpoolgebied, waar de lokale Inuitbevolking de toeristen met gemengde gevoelens ziet komen. Die Zeit voert u naar de afgelegen kusten van Japan, waar jaarlijks tientallen mysterieuze spookschepen aanspoelen. En The Washington Post laat u in Oregon kennismaken met de Patriot Movement, een groep ontevreden Amerikanen die zich zo nodig met geweld wil verzetten tegen de ‘tirannie’ van de federale overheid.

    Op de Horizonpagina’s tot slot laten twee vrouwen op briljante wijze zien dat er ook een alternatief is voor liegen, bedriegen en doen alsof. Laurie Penny (30) legt uit waarom zij niets ziet in het huwelijk, Helen Walmsley-Johnson (60) waarom ze kiest voor een leven zonder man. Met deze gevarieerde oogst durven we u met een gerust hart vier weken op vakantie te sturen. We zien u terug in augustus.

    Han Ceelen
    ceelen@360international.nl

  • 4. De Ian Fleming van Swinging London

    4. De Ian Fleming van Swinging London

    Adam Diment werd eind jaren zestig wereldberoemd met zijn spionageroman The Dolly, Dolly Spy. Zijn rebelse, flamboyante hoofdpersoon Philip McAlpine was een fictieve versie van hemzelf. Waarom verdween hij op het hoogtepunt van zijn succes?

    Voordat ik aan dit verhaal begon, kende ik Adam Diment alleen van Wikipedia, als het razend succesvolle literaire wonderkind dat in de jaren zestig met zijn populaire spionageromans in één klap het grootste fenomeen in de Britse boekenwereld werd. In 1967, op zijn drieëntwintigste, sleepte hij op basis van één nog niet gepubliceerd manuscript een contract voor zes boeken in de wacht, met het grootse voorschot dat ooit aan een beginnend schrijver was betaald. Hij werd meer gepromoot als een popster dan als romanschrijver, en de Londense pers noemde hem dan ook ‘de belangrijkste gebeurtenis in de entertainmentindustrie sinds de Beatles’. Overal dook zijn gezicht op, altijd omringd door meisjes, of het nu in de zondagsbijlagen was of op de zijkant van een dubbeldekker.

    Bij de verschijning in 1967 van The Dolly, Dolly Spy noemde de Financial Times het debuut van Diment een ‘King’s Road-minithriller, dressed to kill’. Het boek werd in dertien talen vertaald en er werden binnen een jaar een miljoen exemplaren van verkocht. Al snel volgde The Great Spy Race (‘Volkomen ongerijmd, maar betreurenswaardig verslavend’, The Observer) en The Bang Bang Birds (‘De beste prestatie van deze schrijver tot nu toe. James Bond, pak maar in!’, The Times Literary Supplement).

    Voortdurend werd de vergelijking met Bond gemaakt en dat was, twee jaar na de dood van Ian Fleming, ook onvermijdelijk. Maar er zijn weinig overeenkomsten tussen de shaken-not-stirred Bond en Diments antiheld. Philip McAlpine is een sarcastische, marihuana rokende en in Carnaby Street-stijl geklede charmeur, die tegen wil en dank voor een vage onderafdeling van MI6 werkt, onder druk van de kleine, uitgesproken machiavellistische Rupert Quine, een werkgever met normen die even buitensporig zijn als zijn psychedelische garderobe.

    ‘Ik vond hem enorm cool,’ zegt misdaadschrijver Peter James, een van de vele McAlpine-fans. ‘James Bond was een fantasiefiguur, ver weg, in een andere wereld, bijna op een andere planeet. Maar Philip McAlpine had bij mij op school kunnen zitten, hij was de knappe veroveraar die iedereen stiekem graag wilde zijn.’

    McAlpine was lang en blond en bezat de luchthartigheid van zijn tijd. Daarmee was hij – zoals de schrijver vrolijk toegaf – bijna een fictieve versie van Diment zelf. En in een tijd dat een schrijver meestal veilig binnen de foto op zijn boekomslag bleef, werd Diments succes even sterk bepaald door wat hij schreef als door zijn flamboyante imago en zijn uitspraken over seks en drugs, die altijd weer mooie koppen in de kranten opleverden.

    De schrijver met zijn agent Desmond Elliott (l.) en model/actrice Suzie Mandrake. © Loomis Dean / Getty
    De schrijver met zijn agent Desmond Elliott (l.) en model/actrice Suzie Mandrake. © Loomis Dean / Getty

    Maar in 1971, na de verschijning van Think Inc, nam Adam Diment simpelweg de benen. Hij liet een spoor van onvervulde mogelijkheden achter: een contract voor nog twee romans, een afgebroken Hollywooddeal waarmee McAlpine de volgende filmspion zou zijn geworden. De storm in de media zwakte af tot hier en daar een gerucht dat hij was gesignaleerd, telkens op een andere, steeds vager wordende, maar altijd exotische locatie. In 1975 bracht The Observer een kort artikel onder de kop: ‘Wat is er toch met Adam Diment gebeurd?’ en het antwoord luidde kort en bondig: ‘Diment woont tegenwoordig in Zürich, houdt zich verre van de publiciteit en heeft geen plannen voor een nieuw boek.’

    Veertig jaar later is er nog niets veranderd: geen nieuwe boeken, geen publiciteit en een auteur die zwijgt. Maar anders dan die van zo veel tijdgenoten uit die gouden periode van de Britse spionageroman – Gavin Lyall, Adam Hall, John Gardner – weigerde de ster van Diment te verbleken. In woordenboeken en synoniemenlijsten worden veel woorden toegeschreven aan zijn kleurrijke sixtiesvocabulaire. Op internet bestaat een levendige handel in oude McAlpine-pockets, met hun typerende guns and girls op de cover, ook in grappig vertaalde versies zoals het Zweedse En hip, hip agent [de Nederlandse vertaling luidt Spionage onder druk] en het Franse Les poupées bang bang [Nederlands: De pief-paf-poef poezen].

    Boerenzoon

    Door de jaren heen hebben uitgevers verschillende (vergeefse) pogingen gedaan om toestemming te krijgen voor een heruitgave van de romans, en hebben thrillerschrijvers van opeenvolgende generaties gezegd dat ze door zijn boeken zijn beïnvloed. En nog steeds vragen mensen zich af wat er toch gebeurd is met Adam Diment.

    Zes jaar geleden publiceerde voormalig tv-producer Rob Baker op zijn blog over moderne geschiedenis het stuk ‘The Disappearance of Adam Diment’. Daarin bracht hij alle toen beschikbare informatie over Diment bij elkaar (artikelen, recensies, boekomslagen, tijdschriftfoto’s, plus twee anonieme brieven uit 1969 aan de Bank of England, met schimmige beschuldigingen aan het adres van Diment over witwassen en drugshandel). Het is bepaald niet het enige stuk over Diment dat op internet is verschenen, maar het is de moeite waard, vanwege het bijbehorende discussieplatform, dat is uitgegroeid tot een bedevaartsoord voor Diment-fans.

    Er zijn eerbetuigingen van mensen die vroeger al gek waren op de McAlpine-boeken en van mensen die ze nog maar net hebben ontdekt; herinneringen van mensen die Diment in zijn hoogtijdagen hebben gekend of die beweren dat ze hem later hebben ontmoet in Rome, op Ibiza of in Nepal. Sommige mensen beweren dat hij jaren geleden gek geworden is door drugsgebruik, anderen houden vol dat het prima met hem gaat (en dat hij nog steeds schrijft).

    Samen laten ze zien dat het verhaal van Diment de natte droom is van elke complotdenker: een afwezige schrijver, een opeenvolging van mooie meiden, een filmdeal die niet doorging, de suggestie van chantage, en dat alles overgoten met een nostalgisch sausje van seks en hasj. Ingrediënten genoeg voor een perfecte Swinging Sixties-thriller, maar weinig feitelijkheden.

    Loom, opgewekt controversieel en ontwapenend kleinerend over zijn eigen boeken. ‘Persoonlijk zou ik het rotzooi noemen!’

    Frederick Adam Diment werd in 1943 geboren in Weymouth. Zijn ouders waren boeren. Als tiener zat hij op Lancing College, een voorname Victoriaanse kostschool met beroemde literaire oud-leerlingen als Evelyn Waugh, Christopher Hampton en David Hare. In de archieven van de school is echter niets te vinden waaruit de toekomstige carrière van Diment is af te lezen. De gegevens over hem zijn kort en zeggen weinig: ‘Binnengekomen voorjaar ’57. Bronzen Medaille. Prijs voor tekenen ’61. Naar landbouwschool in Cirencester.’

    De landbouwschool lijkt een onwaarschijnlijke omweg voor een toekomstig schrijver. Diment brak zijn opleiding dan ook halverwege af. Hij verhuisde naar Londen, waar hij een kamer deelde met een andere vroegere Lancing-leerling, de toekomstige tekstdichter Tim Rice. De schaarse keren dat Rice hem in zijn autobiografie noemt, vormen nu het leeuwendeel van wat bekend is over Diments leven vóór McAlpine; Rice was erbij toen Diment van het ene baantje in het andere rolde en ondertussen veertien verschillende boekmanuscripten produceerde, die allemaal door uitgevers werden afgewezen. En hij was erbij toen Diment naar Fulham verhuisde, naar een flat van James Leasor, die in 1965 Passport to Oblivion [Paspoort voor de vergetelheid] publiceerde, een van de best verkopende boeken van dat decennium.

    Het voorbeeld van Leasor werkte blijkbaar stimulerend op Diment, en in zeventien dagen tijd rammelde hij manuscript nummer vijftien uit zijn machine: The Runes of Death. Volgens de overlevering werd het verhaal uitgegeven zonder dat er een letter in werd gewijzigd, afgezien van de titel, die werd vervangen door het beter bij de tijdgeest passende The Dolly, Dolly Spy. Lucy Abelson, die destijds als journalist voor het tienerblad Rave werkte, interviewde Diment bij de verschijning van zijn boek. Het stuk zette de toon voor alle interviews die Diment in zijn succesperiode zou geven: loom, opgewekt controversieel en ontwapenend kleinerend over de boeken zelf. ‘Persoonlijk zou ik het rotzooi noemen!’

    Van het begin af aan was de belangrijkste aantrekkingskracht van de boeken niet het luchtige, snelle proza waarin ze waren geschreven, maar de onduidelijke grens tussen McAlpine en Diment zelf. Bij fotosessies poseerde hij bereidwillig als zogenaamde spion: met een machinegeweer in de aanslag, als piloot in een Tiger Moth, achter het stuur van een snelle sportauto, innig verstrengeld met een meisje of bezig een joint te draaien.

    Hasj was het belangrijkste ingrediënt in het verhaal achter McAlpine en in Diments eigen verhaal. Het was het symbool van de tegencultuur, dat hen beiden onderscheidde van keurige Bond. Opgewonden citeerde een Italiaans tijdschrift een trotse uitspraak van zijn uitgever: ‘Diment schrijft 750 woorden per uur, met behulp van hasj’. ‘Jongeren praten graag over dit soort dingen, maar dat betekent niet dat ze het ook echt doen,’ verzuchtte zijn vader, toen een reporter van Life bij de familie op de stoep verscheen. In een terugblik op al die media-aandacht zou Tim Rice tientallen jaren later over het succes van zijn vroegere huisgenoot zeggen: ‘Iemand moest de eerste drugsschrijver worden, en Adam had het geluk dat hij dat was.’

    Adam Diment beleeft avonturen met zangeres Victoria Brooke. – © Loomis Dean / Getty
    Adam Diment beleeft avonturen met zangeres Victoria Brooke. – © Loomis Dean / Getty

    ‘Ik ben bang dat ik u zal teleurstellen. Maar het is zeker dat het personage dat Diment aan de buitenwereld toonde, gecreëerd was door mijn baas, Desmond Elliott.’ Dat is de eerste zin van mijn correspondentie met Carolann Smith-Dorrien, en het was voor mij ook de eerste aanwijzing dat Diment zelf misschien wel even fictief was als de spion die hij had bedacht. Smith-Dorrien werkte eind jaren zestig als assistent van de man die verantwoordelijk was voor de snelle opkomst van Diment.

    Desmond Elliott was een legende in de Londense uitgeverswereld, een kleine, roodharige Ier met een kleurrijke smaak op het gebied van pakken, en het is dan ook verleidelijk om in hem Diments roodharige meesterspion Rupert Quine te herkennen. Hij boekte zijn eerste succes met The Virgin Soldiers van Leslie Thomas en zou later nog bestsellerauteurs als Jilly Cooper, Richard Doyle en Penny Vincenzi begeleiden.

    ‘Adam was lang en blond, en vrij knap,’ zegt Smith-Dorrien. ‘En hij was kneedbaar. Ik weet zeker dat Desmond iets heeft gezegd in de trant van: “Ik kan iets van jou maken, als je me mijn gang laat gaan.”’ Kennelijk stond Diment daar wel voor open. Hij liet zijn haar groeien, kocht een Bond-waardige Aston Martin en, zoals Rice zegt, ‘begon te doen alsof hij voortdurend stoned was. Elliott stuurde hem naar King’s Road, waar hij zich uitdoste als een soort achttiende-eeuwse dandy.’

    Deze wending in het leven van Diment klinkt ook door in het verhaal van een vrouw met een naam die te volmaakt is om waar te zijn: Suzie Mandrake, die in T_he Dolly, Dolly Spy_ opduikt als Veronica, een vroeg liefje van McAlpine. Zelf heeft ze een veelbewogen carrière achter de rug (meisje uit de hogere kringen, nachtvlinder, kunstenaarsmodel, pornosterretje) die een eigen roman waard is.

    ‘Hij was nog behoorlijk groen, echt een plattelandsjongen, toen we elkaar leerden kennen,’ herinnert ze zich. ‘Adam ging veel met mijn vriendje en mij om, en zo maakte hij kennis met het leven in Chelsea. Zijn new romantic-look kwam pas toen hij beroemd werd en pr-foto’s liet maken. Vóór die tijd was hij meer een “anoraktype”. Volgens mij was die look bedacht door Desmond Elliott.’

    In Londen kreeg Diment veel aandacht in de pers en er werd een feest gegeven ter ere van de verschijning van The Dolly, Dolly Spy, uiteraard in nachtclub Dolly’s in St. James’s Street. In het hele land werd Diment gevraagd voor allerlei evenementen, om prijzen uit te reiken, schoonheidswedstrijden te jureren. En altijd waren er de meisjes, die door Elliott werden geronseld om zich samen met de schrijver te laten fotograferen: Victoria Brooke, die later met een Getty trouwde, Camille, een glamoureus meisje uit Cuba dat nog verder uit zicht is geraakt dan Diment, en – kortstondig – Mandrake. Zij en Diment kregen een relatie, maar die duurde niet lang. ‘Voornamelijk,’ zegt ze lachend, ‘omdat zijn ouders het verschrikkelijk vonden dat hij ze wilde laten kennismaken met een meisje met wie hij op een foto in het blad Life in bed lag en ook nog een waterpijp rookte.’

    Kort daarna regelde Elliott een deal voor de verfilming van The Dolly, Dolly Spy, met David Hemmings als McAlpine. Het was een logische stap: de eerste vijf Bondfilms waren een doorslaand succes geweest en er werd een stroom navolgers geproduceerd die probeerden mee te liften op de spionnenrage, zoals Licensed to Kill, Our Man Flint en OK Connery. De opnamen zouden eind 1968 beginnen en Diment zette zijn succesverhaal voort. Hij rammelde er binnen dat jaar nog twee romans uit, schreef columns in tijdschriften, trad geregeld op in praatprogramma’s, had een cameo in de cultfilm Popdown (over buitenaardse wezens in Swinging London) en maakte een promotietournee door Europa.

    Maar veel journalisten vonden Adam Diment te mooi om waar te zijn. De Britse New Statesman merkte op: ‘Volgens sommigen is het fenomeen Diment te vergelijken met wat er in de popmuziek gebeurt: een ster die wordt bedacht door trendgevoelige ondernemers, die een aardig gezicht vinden en dat vervolgens zijn mond laten bewegen op de maat van de muziek.’

    De grote invloed van Elliott op zijn imago doet niets af aan het succes van Diment, of aan zijn schrijverschap. Het zou wel voor een deel kunnen verklaren waarom hij dat alles op een bepaald moment de rug heeft toegekeerd. ‘Hij was heel luchthartig,’ zegt Mandrake, ‘maar in zijn hart wilde hij graag een serieus denker zijn, en al genoot hij er eerst wel van dat hij beroemd was, het begon hem al snel te vervelen.’ Per slot van rekening moest de jonge schrijver zien om te gaan met de gevolgen van het feit dat hij niet één maar twee denkbeeldige personages had gecreëerd: Philip McAlpine en Adam Diment.

    Niet vergeten

    Adam Diment blijkt helemaal niet moeilijk te vinden te zijn. Ondanks alle verhitte speculaties in de loop der jaren is hij nooit werkelijk verdwenen à la Lord Lucan of Agatha Christie. Dit is het informatietijdperk, en de basisfeiten van zijn leven (net als die van ons allemaal) zijn met één keer zoeken op Google te vinden. Het duurt niet lang om erachter te komen dat hij levend en wel is, en dat hij er gewoon voor heeft gekozen om geen antwoord te geven op vragen die te maken hebben met zijn vroegere roem. Als ik zijn vrienden en familieleden benader, stuit ik op loyaal stilzwijgen en hoffelijke afwijzing. Pr-mensen sturen verontschuldigende e-mails: ‘Tim Rice wil dit liever niet doen zonder toestemming van Adam Diment en hij kan hem op dit moment niet bereiken.’ Jilly Cooper ‘kan zich de heer Diment nog maar heel vaag herinneren’.

    Maar de grotere wereld is Diment niet vergeten. Britse thrillerschrijvers van nu zoals Jeremy Duns en Adrian Magson roemen hem om zijn manier van schrijven. ‘Ik was nog een tiener en had geen cent te makken,’ zegt Magson, als hij vertelt hoe hij in een kringloopwinkel in Zuid-Londen op The Dolly, Dolly Spy stuitte. ‘Het was verfrissend en paste goed bij het gevoel van die tijd. Ik vond het leuk dat McAlpine zo tegen het gezag was, een echte rebel en jong genoeg om zich nergens iets van aan te trekken, maar met genoeg ervaring om zichzelf uit de problemen te halen. Het boek bevatte bovendien zwarte humor, dat beviel me ook.’

    Duns, die nog niet zo lang bewonderaar van Diments boeken is, zegt: ‘Ik vind dat ze erg worden onderschat. In zijn tijd werden ze door de marketeers verkocht als een hip alternatief voor de saaie, middelbare James Bond, en Diment werd gepresenteerd alsof hij bijna een alter ego van zijn personage was. Daardoor werden zijn boeken denk ik minder serieus genomen. Natuurlijk hebben ze wel wat Austin Powers-trekjes, maar het zijn ook strakke, goedgeschreven thrillers, met een sterke plot.’

    Favoriet bij Magson en Duns is The Dolly, Dolly Spy, het debuut dat alle records brak en dat in de The New York Times werd bejubeld als ‘een van de grappigste antispionageromans’. Maar het boek dat mij het meest bijblijft is Think Inc, de grimmige finale van de reeks. Dit deel is in een aantal jaren in plaats van weken geschreven, toen Diment zich terugtrok uit de scene van King’s Road, en het combineert het beste van zijn schrijverschap – een razend tempo, plotselinge overgangen naar ijzig efficiënt proza, verrassende vlagen onverklaard geweld – met een nieuwe, koele sfeer.

    De roman begint in de nasleep van een internationale operatie die hopeloos is misgelopen. Na een gespannen confrontatie met Quine wordt McAlpine ontslagen uit de dienst, en om een aanslag op zijn leven te ontlopen neemt hij zonder spijt afscheid van Swinging London en gaat hij ervandoor. Al zwervend door Europa wordt hij lid van een internationaal opererende misdaadbende. Het is een verhaal zonder hoop, elk hoofdstuk hamert een nieuwe nagel in de doodskist van Diments slimme spion. Het eindigt in een sombere, prikkelende cliffhanger, waarin McAlpine alleen is achtergebleven en al zijn levenskansen en geluk heeft opgebruikt.

    unnamed 5

    Think Inc was geen al te groot succes. Tegen die tijd hielden weinig mensen zich bezig met de vervagende roem van de auteur, afgezien van krantencolumnist Eric Hiscock, die het volmaakte grafschrift voor de carrière van de schrijver bedacht: ‘Diments zijn blijkbaar niet forever.’

    Hier en daar valt een glimp op te vangen van Adam Diments leven na de roem. Een kennis uit Londen is hem begin jaren zeventig op Ibiza tegengekomen en gelooft dat Diment van plan was om psychologie te gaan studeren aan de Universiteit van Californië. Toen The Observer het ‘Waar is hij?’-artikel publiceerde, woonde Diment in Zürich, de Aston Martin was vervangen door een aftandse Fiat en de rol van beroemd auteur door die van redacteur bij een in psychologie gespecialiseerde uitgeverij. Zijn laatste schrijfwerk dateert – voor zover ik weet – uit die tijd: een bepaald niet spannende introductie bij de nieuwste aanbieding van de uitgeverij.

    Backpacker Clay Caughman ontmoette Diment twee jaar later in een afgelegen hotel in Nepal. ‘Adam had de kamer naast mij. Hij zat elke ochtend te tikken en elke middag kwam de ganja-man langs om ons wiet te verkopen. We hebben veel gepraat, voornamelijk over schrijven. En hij leefde nog steeds van het geld dat hij had verdiend met The Great Spy Race, dat weet ik nog.’ Maar toen Suzie Mandrake hem eind jaren zeventig in Londen zag, waren die fondsen blijkbaar uitgeput. ‘We waren elkaar uit het oog verloren. Ineens stopte hij voor mijn neus bij een bushalte, en hij zei dat hij tegenwoordig als minicab-chauffeur werkte.’

    Daarna is er voor zover bekend tientallen jaren niets meer van Diment vernomen. Tot er, zo’n tien jaar geleden, weer sporen opdoken: Lucy Abelson kwam hem tegen op een schrijversconferentie in Winchester. Rond dezelfde tijd ontmoette de Canadees Hugh Harrison Diment in een bar in Cambodja en raakte met hem bevriend. ‘Ik weet dat hij nog minstens één boek heeft geschreven. Het probleem is dat uitgevers weinig voelen voor de onderwerpen waarover hij heeft geschreven en dat hij er niet voor voelt om zijn ziel te verkopen… Maar ik durf met vrij grote zekerheid te zeggen dat als Adam een uitgever bereid vindt de manuscripten uit te geven die hij een hele tijd geleden in een schoenendoos heeft gestopt, hij met alle plezier zal instemmen met de herdruk en verspreiding van een passende hoeveelheid van zijn spionageromans uit de jaren zestig.’

    Anderen zijn daar minder zeker van. Adam Jezard, een redacteur van de Financial Times die als jongen dol was op de McAlpine-boeken, is die boeken en hun auteur nooit vergeten. ‘Toen ik ouder werd, verdwenen de boeken en kreeg ik er juist meer belangstelling voor. Uiteindelijk deed ik een poging om Adam op te sporen, en ik wist via zijn vader contact met hem te leggen. Adam kwam aan de telefoon en zei dat wat er in het verleden was gebeurd hem niet interesseerde.’ Jezard zucht. ‘Wel heel jammer. Dit is zo’n verhaal dat geen eind krijgt.’

    Op de drempel

    Mij lijkt het een goed idee om Diment op te sporen. Ik wend me tot zijn jongere broer Nicholas, die vriendelijk en eerlijk reageert: ‘Adam is tegenwoordig een beetje op zichzelf en houdt niet van interviews. Maar wat wil je weten? Misschien kan ik je helpen. Ik zeg niet dat ik zomaar alles mag beantwoorden, maar je kunt het altijd proberen.’

    Wat wil ik weten? Dat is een redelijke vraag, die ik tot nu toe steeds heb vermeden sinds ik aan dit artikel begon te werken. Adam Diment, de man die vier decennia geleden de schrijver Adam Diment achter zich liet en nooit te kennen heeft gegeven dat hij van gedachten wilde veranderen. Maar in deze wereld waarin alles toegankelijk moet zijn, accepteren we geen ontbrekende puzzelstukjes; er is altijd een andere route rond het probleem. En tijdens de korte treinreis van Londen naar het dorp waar Diment nu woont, heb ik alle redenen gerepeteerd die hem misschien, heel misschien, toch van gedachten kunnen doen veranderen. Misschien zit er meer vast aan dit verhaal. Misschien kan het op zijn minst een eind maken aan de nieuwsgierigheid, aan het telkens weer opgerakeld worden van dat verleden. En misschien is het zelfs wel een opluchting, na al die jaren van stilte, om eindelijk te praten.

    Het huis van Diment staat boven aan een lange helling, net voorbij de grens waar villawijken en hoge bomen plaats maken voor het open landschap. Het ziet er kleiner uit dan ik had verwacht, een wirwar van schoorstenen en gevels, en ramen die zo klein zijn dat ze ontworpen lijken om het licht buiten te houden in plaats van het binnen te laten. Er klinkt geen geluid in het weidse, lege landschap, er is geen beweging, geen teken van leven, er zijn alleen golvende landerijen en een zachte hemel. Maar onverwacht, bijna tot mijn schrik, staat de voordeur op een kier.

    Ik klop aan. Na een paar minuten klop ik nog een keer, een nerveuze roffel en roep dan luid de gang in: ‘Meneer Diment?’ Geen antwoord. Ik zou zo dit schijnbaar lege huis vol mogelijke antwoorden binnen kunnen gaan. Diment is misschien buiten of weg, of hij is wel binnen, maar laat zich niet zien en wacht tot ik wegga. Maar dan klinkt op de weg plotseling gebrul, als de wachtende taxichauffeur even gas geeft. De stilte wordt verbroken en daarmee ook de magie; ik sta, onuitgenodigd, op de drempel van een vreemde.

    Een paar uur na mijn vergeefse bezoek krijg ik een telefoontje van Diments jongste zoon. Zijn vader is niet eens in het land. De afgelopen jaren is hij weer het pad van de drop-outs naar het Verre Oosten op gegaan, dat hij voor het eerst in de jaren zeventig had gevolgd.

    In een opwelling zoek ik het nummer op van het hotel in Phnom Penh waar Hugh Harrison ooit Diment heeft ontmoet. Het kost een paar minuten moeizaam herhalen via een krakende lijn, om vast te stellen dat daar een Britse toerist logeert met een naam die in de verte zou kunnen klinken als ‘Diment’, maar het duurt slechts een paar seconden voor de opgewekte receptionist aanbiedt om hem te gaan halen. Ik leg de telefoon neer, half in shock, met kloppend hart. Is Adam Diment al die tijd maar één telefoontje bij me vandaan geweest?

    Tien minuten later bel ik terug en als ik verschillende keren ‘Dai-ment’ heb gebruld, weten ze weer wie ik ben en wat ik wilde. ‘O, jaaa. Dai-ment! Hij weg.’

    Auteur: John Michael O’Sullivan
    Vertaler: Annemie de Vries

    Esquire
    Verenigd Koninkrijk | maandblad | oplage 53.000

    Stijl, hotspots, auto’s, horloges en meer mannennieuws.

  • Shakespeare leeft

    Shakespeare leeft

    Javier Marías, gelauwerd schrijver van deze tijd, is openlijk schatplichtig aan het werk van Shakespeare. Het ontmoedigt hem niet om ‘de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis’ binnen te stappen. Het is één grote inspiratiebron. El País vroeg hem naar zijn verhouding met de oude meester.

    Ik ken talloze auteurs die in hun jonge jaren – toen ze misschien alleen nog maar lezers waren – 
de allergrootste schrijvers lazen en 
zich daarna nooit meer aan hun werk waagden. Deels begrijp ik dat: je wordt moedeloos, bang of zelfs gedeprimeerd als je de subliemste pagina’s uit de literatuurgeschiedenis binnenstapt. ‘Als dit bestaat’, zeg je dan tegen jezelf (ik als eerste), ‘wat voor zin heeft het dan dat ik vellen volschrijf met mijn flauwekul? Zo’n grote hoogte of zoveel diepgang ligt niet alleen buiten mijn bereik, eigenlijk is het onnodig om hier nog een letter aan toe te voegen. Bijna alles is al gezegd, en ook nog eens op de best mogelijke manier.’

    Dat verklaart waarom er schrijvers zijn die, om niet kopje onder te gaan en om de kracht 
te vinden om maanden of jaren achter de computer of schrijfmachine te gaan zitten, moeten doen alsof Cervantes, Dante, Proust, Faulkner, Montaigne, Conrad, Hölderin, Flaubert, James, 
Dickens, Baudelaire, Eliot, Melville, Rilke en ongetwijfeld nog vele anderen nooit hebben bestaan. Het laatste wat in hen opkomt, is hun teksten weer gaan lezen, althans niet als ze aan het werk zijn, want de gedachte die daar vaak uit voortvloeit is: Ik kan er beter het zwijgen toe doen en de overbelaste drukpersen niet met nog een literair werk opzadelen: er zijn er al te veel, 
en het overgrote deel is overbodig. Het is zeer waarschijnlijk dat dit ook voor mijn werken geldt.

    Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels

    Regelmatig de klassieken lezen kan schrijvers meer verlammen en ervan weerhouden nog een letter op papier te zetten dan onze grootste angsten en twijfels; en gelooft u me, er is geen romanschrijver of dichter, behalve wanneer ze een enorm hoge dunk van zichzelf hebben – ze bestaan, echt waar –, die daar voor, tijdens of na het schrijven geen last van heeft.

    Superioriteit

    Met het oog op deze wijdverbreide schroom verbaast het misschien enigszins – wie weet hebben ze me daarom gevraagd om dit stuk te schrijven – dat ik, min of meer een schrijver van deze tijd, voortdurend in contact sta (‘in gesprek ben’ zou pretentieus klinken) met Shakespeare, de ontzagwekkendste van allemaal, zozeer zelfs dat ik hem vaak in mijn teksten citeer, parafraseer, bespreek. Ik heb veel aan hem te danken, zeven van mijn boektitels zijn Shakespeare-citaten of ‘bewerkte versies’ daarvan.

    Niet dat die ontmoedigende bewondering me vreemd is, die angstaanjagende verbijstering die de allergrootste schrijvers bij je teweegbrengen, in wier nabijheid je je een illusionist of een ijdeltuit voelt. We leven in een tijd waarin ontzag voor je tijdgenoten haast niet voorkomt, want 
de oude, als ik me niet vergis middeleeuwse spreuk ‘iedereen is gelijk’ doet meer dan ooit opgeld. Welk gebied het ook betreft (met uitzondering van de sport), overal is het gebruikelijk om iemands ‘superioriteit’ niet te erkennen.

    shakespeare first folio title page introduction

    Het is nu nauwelijks voorstelbaar dat iemand zou reageren als de verteller in Der Untergeher van Thomas Bernard, die zijn pianistenloopbaan eraan geeft wanneer Glenn Gould zijn pad kruist, omdat hij beseft dat hij, hoe vakkundig hij ook zou worden, nimmer in de buurt zou komen van het talent en de virtuositeit van de Canadese vertolker. Een hedendaagse kunstenaar moet zijn bewondering voor zijn tijdgenoten de kop indrukken – of in elk geval verzwijgen –, en al helemaal wanneer het landgenoten betreft of wanneer ze in zijn taal schrijven. Het gaat zelfs zover dat we voor ons zelfbehoud ook onze doden in diskrediet moeten brengen – wat zijn ze irritant, wat zijn ze lastig, hoe klein maken ze ons, hoezeer benadrukken ze onze tekortkomingen en middelmatigheid –, of ze in elk geval negeren en uiteraard uit de weg gaan. Nogal wat auteurs verkondigen tegenwoordig dat ze nauwelijks iets hebben gelezen – ze vinden het de moeite niet – en dat film, televisie, stripboeken of videospelletjes hun enige referentiekader is. Het taaltalent dat je mogelijk hebt, is niet in het geding als je niet weet wat anderen met taal voor elkaar hebben gekregen.

    Mysterie

    Ik neem zonder meer aan dat in deze laffe, benepen wereld mijn houding anachronistisch is. Ik lees Shakespeare vaak omdat hij een vruchtbare bron voor me is, een schrijver die me prikkelt. In plaats van mij te ontmoedigen, nodigen zijn grootsheid en mysterie me uit om te schrijven, ze stimuleren me, geven me zelfs ideeën; de ideeën die hij alleen maar schetste en liet liggen, die hij slechts suggereerde of terloops formuleerde en besloot niet verder uit te denken of te onderzoeken. Ideeën die er niet met zoveel woorden staan en waarnaar je ‘op zoek moet gaan’. Daarom had ik het over mysterie: Shakespeare heeft, naast een hoop andere, één merkwaardige eigenschap: als je hem leest of naar hem luistert, begrijp je hem zonder al te veel inspanning, of anders dwingt de betovering waarmee hij ons omhult wel om verder te lezen. Maar kijk je nauwkeuriger of analyseer je de zinnen die je in eerste instantie meende te begrijpen, dan merk je dat je ze niet altijd begrijpt, dat ze raadselachtig zijn, dat ze meer betekenen dan ze zeggen, dat ze, behalve 
te zeggen wat ze zeggen, een nevel van betekenissen en mogelijkheden, resonanties en echo’s, ambiguïteiten en contradicties achterlaten; dat ze meer behelzen dan de woorden die er staan.

    In mijn romans heb ik voorbeelden gegeven: ‘It is the cause, it is the cause, my soul’. Zo begint Othello zijn beroemde monoloog alvorens hij Desdemona om het leven brengt. De lezer of toeschouwer leest of hoort deze woorden keer op keer en begrijpt ze. Maar wat betekenen ze verdorie toch? Othello zegt niet ‘She is the cause’ of ‘This is the cause’, wat duidelijker en makkelijker te begrijpen is. Of wanneer Macbeth te horen krijgt dat Lady Macbeth dood is en hij murmelt: ‘She should have died hereafter’. Wat betekent die beroemde zin, als alles reddeloos verloren is en Macbeth meteen daarna zal sterven? Maar ook Lady Macbeth, haar handen besmeurd met het bloed van de door haar man vermoorde koning Duncan, draait zich om naar Duncan en zegt: ‘My hands are of your colour; but I shame to wear a heart so white’ Het is niet helemaal te begrijpen wat ‘white’ hier betekent: onschuldig en onbezoedeld, bleek en geschrokken, of bang? Hoe graag zij ook Macbeths lot wil delen door haar handen in bloed te drenken, feit is dat niet zij de moordenares is, of dat ze hoogstens tot moorden heeft aangesticht, aangezet of verleid. Alleen haar echtgenoot heeft zijn hart werkelijk bezoedeld.

    Het is zijn taal, zijn stijl die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen

    Het zijn voorbeelden waar ik me vroeger van heb bediend. Maar er zijn nog honderden andere. ‘That I was as great as is my grief, or lesser than my name! Or that I could forget what I have been, or not remember what I must be now!’, zegt Richard II op het dieptepunt in zijn leven. Shakespeares verhalen zijn zelden origineel, zelden door hem bedacht. Dat bewijst maar weer eens hoe ondergeschikt plots zijn en hoe belangrijk vorm is. Het is zijn taal, zijn stijl 
die bressen slaat, wij kunnen ons daar doorheen wagen. Hij wijst naar verborgen paden die hij niet grondig heeft verkend en verleidt ons daar op avontuur te gaan. Misschien is hij daarom de levendigste klassieke schrijver, die onophoudelijk wordt bewerkt en opgevoerd; die zweeft boven immense films en series als The Lord of the Rings, The Sopranos, The Godfather of Game of Thrones, of, minder prominent, House 
of Cards. Aan hem durven we ons wel 
te wagen. Niet alleen ik natuurlijk, al 
is er in mijn geval geen sprake van ook maar de minste verhulling. Of andere schrijvers het nu willen toegeven of niet: Shakespeare is en blijft de schrijver die het meest door onze aderen stroomt en de grootste inspirator is van ons gestamel.

    Auteur: Javier Marías
    Vertaler: Henriëtte Arons

    Javier Marías (Madrid, 1951) geldt al jarenlang als serieuze kandidaat voor de Nobelprijs.
    Zijn werk, vertaald in drieënveertig talen, is veelvuldig bekroond met nationale en internationale prijzen. Hij schreef onder meer Allerzielen, Een hart zo blank, De verliefden en Zo begint het slechte. Zijn drieluik Jouw gezicht morgen verschijnt in juni bij uitgeverij Meulenhoff.
    Hij schrijft wekelijks een column voor El País.

    El País
    Spanje | dagblad | oplage 397.000

    Zes maanden na de dood van Franco opgericht. Prachtige tabloidkrant met exquise journalisten en bijdragen van grote Spaanse schrijvers.

  • De kamer van Nabokov

    De kamer van Nabokov

    Journalist Robert D. Kaplan, wiens nieuwe boek begin maart verschijnt, is een verwoed lezer. Welke boeken zou hij meenemen naar een kamer waar hij de rest van zijn leven zou wonen?

    Ik heb veel te veel boeken. Maar ik kan ze niet wegdoen omdat er aantekeningen in staan die 
ik nog wil gebruiken. Toch is het opruimen van boekenkasten een taak die je moet verrichten voordat de ouderdom echt toeslaat. Eén boek betekent vrijheid; te veel boeken staan nieuwe ontdekkingen in de weg. Als je bij alles wat je ziet of hoort een citaat paraat hebt, sta je niet meer open voor wat nieuw en anders is.

    Gebonden boeken zijn voor een gevestigd bestaan. 
Ik heb relatief weinig hardcovers en nog minder eerste drukken. Geen bibliofiel zal onder de indruk zijn. Mijn bibliotheek bestaat grotendeels uit groezelige paperbacks vol aantekeningen die ik in de loop der jaren heb gemaakt. Toch zijn al mijn boeken me dierbaar. Als je weinig geld hebt, koester je de boeken die je hebt en koop je alleen wat je echt graag wilt hebben.

    ‘Boeken die ik lang geleden aanschafte zijn net als oude vrienden die je uit het oog verloren bent: ze waren misschien niet perfect, maar ze zitten voor altijd in je geheugen’

    Ik was al drieënvijftig toen ik mijn eerste fulltimebaan kreeg. Daarna volgden de banen elkaar op en soms had ik er zelfs meerdere tegelijk. Ik was dus pas vrij laat in mijn leven in de gelegenheid om veel boeken te kopen, en die gingen toen elk afzonderlijk steeds minder voor me betekenen. Het meest gehecht ben ik aan de boeken die ik tientallen jaren geleden kocht. Daarmee is het net als met oude vrienden die je uit het oog verloren bent: ze waren misschien niet perfect, maar ze zitten voor altijd in je geheugen.

    Er is evenwel nog een tweede overeenkomst tussen herinneringen en spullen, namelijk dat het oude en dierbare door het nieuwe wordt overwoekerd. De icoon die ik ooit van een Roemeense kunstenaar kreeg en vroeger zo’n prominente plaats innam, staat nu half verscholen achter een boek over de Balkan en een Cambodjaans beeldje en achter dat beeldje staat ook nog een print die ik haast een leven geleden in een museum in Lahore kocht. Ik moet dat alles echt opruimen. Kijk uit voor het narcisme van de verzamelaar!

    Maar het valt me zwaar. Een goede pocket naast het bed en zelfs de goedkoopste hotelkamer krijgt beschaving. Nadat zijn bibliotheek in 1931 door een menigte in brand was gestoken, schreef de Britse gouverneur van Cyprus, sir Ronald Storrs: ‘Als je gedachten vaak en langdurig bij ze hebben verwijld, kunnen ook dingen die gewoonlijk als levenloos worden beschouwd, bijna net zo veel voor je gaan betekenen als geliefde wezens die altijd in je gedachten blijven. Als ik mijn ogen sluit, kan ik nog elk boek op zijn plaats zien staan…’ Het citaat komt uit een van de weinige eerste drukken die ik wel bezit.

    Geen levenloos voorwerp is zo sensueel als een boek. In mijn handen heb ik The Portuguese Seaborne Empire 1415-1825 van C.R. Boxer, verschenen in 1969 en een van de heilige teksten van iedereen die geïnteresseerd is in de geschiedenis van Portugal. Ik bekijk de omslag van mijn pocketuitgave van Hutchinson uit 1977. Op de bovenste helft staan smaakvolle zwarte letters op een witte achtergrond en op de onderste helft is een landkaart afgedrukt met eroverheen een schilderij van een karveel op een woelige turquoise zee. De pocket voelt aan als een middeleeuwse vaas.

    Tientallen jaren had ik de gewoonte om telkens als ik aan een nieuw project begon, een mooie studie over het onderwerp te kopen. The White Nile (1960) en The Blue Nile (1962) van Alan Moorehead voor mijn boek over de Hoorn van Afrika. The Pathans (1958) van Olaf Caroe, in een uitgave van Oxford University Press / Karachi voor mijn boek over Afghanistan. Een eerste druk van John Reeds The War in Eastern Europe (1916), een zeldzame uitspatting, voor mijn boek over de Balkan. The Opium Clippers (1933) van Basil Lubbock, een exemplaar van de oorspronkelijke editie van Charles E. Luriat Company, een andere uitspatting, voor mijn boek over de Indische Oceaan. Enzovoorts. Aan boeken die jarenlang met een bepaald doel worden bewaard, kleven niet alleen herinneringen (dat spreekt voor zich), maar ze onthullen ook iets over de echte waarden van de eigenaar. Je bibliotheek kan namelijk iets heel anders over je zeggen dan je zelf denkt.

    Boeken hebben bovendien nog beter dan foto’s het vermogen om de plaats waar je ze gelezen hebt, tevoorschijn te toveren. Zo voel ik bij De Buddenbrooks weer de sfeer van Praag in de winter van 1981. Door de Koude Oorlog was de stad in stilte gedompeld en waren er zo weinig mensen op straat dat de standbeelden en waterspuwers op de pleinen nog mooier waren dan ze toch al zijn. Ik weet nog dat ik na een interview met een communistische functionaris en met een geheim agent op mijn hielen terugliep naar mijn hotelkamer, en daar las over het huisje aan de Mecklenburgse kust waar de geur van koffie hangt en Tony Buddenbrook warme gevoelens krijgt voor een student medicijnen, een romance die vanwege familieverplichtingen bij een zomerliefde blijft. Bij het boek Vaders en zonen zie ik weer het dichte bos 
in Roemenië voor me waar ik in de zomer van 1973 wegens noodweer twee dagen in mijn eentje vastzat in een lodge. De duistere strekking van Toergenjevs pastorale vertelling over het negentiende-eeuwse Rusland is zo modern dat ik me er wel alleen, maar niet eenzaam voelde.

    Een verhaal van Nabokov

    Jonge mensen kunnen in het heden leven. Dat is een gevoel dat ouderen, die niet meer zo onbezorgd in het leven staan, dolgraag terug willen krijgen. Het lezen van een boek is een daad van verzet, niet alleen tegen de afleidingen van het elektronische tijdperk, maar ook tegen eigen zorgen en het gevoel dat je iets moet. Het doel is niet succes, maar opgaan in het nu. Je wilt weer net als vroeger urenlang helemaal verdwijnen in dat verhaal van Toergenjev. Hij liet me een door passie totaal verkild hart zien, waardoor ik voor het eerst begreep dat ideologie, hoe abstract de redeneringen ook zijn, uiteindelijk op shakespeareaanse diepten berust.

    Met paperbacks is het als met de grammofoonplaten van vroeger. Nieuw zijn ze glanzend en mooi, maar op den duur kunnen ze op de oude rommel op zolders gaan lijken. Het stoffige, vergeelde papier past niet meer in deze glasheldere tijd. Weg met die troep, zeg ik tegen mezelf. Houd alleen de boeken waar je het meest om geeft. Decimeer je bibliotheek. Breng 
je verzameling terug tot de essentie.
    Er is een kort verhaal van Nabokov, getiteld ‘Wolk, burcht, meer’. De hoofdpersoon kan niet meer tegen zijn drukke reisgenoten, die van hem eisen dat hij zich aanpast. Maar dat kan hij niet en hij wil aan hen – of eigenlijk aan de wereld – ontsnappen. Hij komt bij een herberg. ‘Boven was een kamer voor reizigers. “Weet u, ik neem hem voor de rest van mijn leven,”’ zei hij tegen de herbergier. Het was een ‘heel gewone’ kamer. Maar ‘uit het raam kon je duidelijk het meer met zijn wolk en zijn burcht zien, in een roerloos en volmaakt samengaan van geluk’. In ‘één stralende seconde besefte hij dat daar, in die kleine kamer met dat prachtige uitzicht waarvan de tranen je in de ogen kwamen, het leven zou zijn zoals hij het zich altijd gewenst had’. Hij hoefde nu alleen nog maar ‘de weinige bezittingen die hij had’, waaronder een paar boeken, naar deze kamer zien te krijgen.

    Welke boeken – één plank vol op zijn hoogst, een stuk of vijfentwintig dus – zou ik meenemen naar zo’n kamer waarin ik de rest van mijn leven zou wonen? Het moeten boeken zijn die heel veel voor me betekenen. Ze moeten me veranderd hebben of een beslissende invloed op mijn leven hebben gehad, en dat niet per se ten goede, want zonder problemen en zelfs onaangenaamheden kun je een leven geen leven noemen.

    Ik weet welke boeken ik zou kiezen. In de volgende alinea’s beschrijf ik er slechts eentje.

    Ik pak een oude pocket van een plank. Het is The Governments of Communist East Europe van H. Gordon Skilling in een uitgave van 1971; het boek verscheen voor het eerst in 1966. Ik bekijk het met genegenheid. 
De omslag is even saai en academisch als de titel: helemaal grijs, met bruine letters en zonder foto. Dit is een werk waarbij schoonheid en literaire talenten geen rol spelen. Anders dan de studie over het Portugese wereldrijk is het geen mooi boek. En toch is het een van de boeken die ik zou meenemen naar de fictieve kamer van Nabokov.

    Aan het eind van de zomer van 1981 liep ik door King George Street in Jeruzalem. Het zonlicht was schel aan mijn ogen. Moe, zweterig en met een lichte hoofdpijn liep ik doelloos door, totdat ik een boekwinkel zag op ongeveer dezelfde hoogte van het 
aan een parallelstraat gelegen King David Hotel. 
Het was een stoffig winkeltje met kasten van grijs metaal. Er was geen stoel of kruk en de boeken stonden ongeordend door elkaar. Zoals ik zomaar wat door de stad dwaalde, zo had ook mijn leven op dat moment geen doel.

    Een paar weken later zou ik uit het Israëlische leger (IDF) ontslagen worden en ik wist nog niet wat ik daarna zou doen. Ik was 29 jaar. Ik had geen collegeopleiding die een goed opstapje was naar de wereld van de journalistiek. Ik was freelanceverslaggever in Arabische landen en Israël geweest en had ook veel gelezen en gereisd, maar gepubliceerd had ik nog maar weinig. In de paar jaar dat ik in Israël woonde, was ik behalve door het land zelf gefascineerd geraakt door het ‘Heilige Land’ en al zijn godsdiensten. Zo had ik een passie opgevat voor alle soorten religieuze gebouwen, van de synagoges en Griekse kloosters in de woestijn van Judea tot de middeleeuwse islamitische monumenten. Vanuit die interesse had ik ook een aantal geïllustreerde boeken over archeologie en het orthodoxe christendom geschreven, onder eigen naam of als ghostwriter. Ze waren door Israëlische uitgeverijen gepubliceerd, maar verkochten amper. In feite was ik dus werkloos. Bovendien vond ik het leven in Jeruzalem verstikkend. Ik wilde weer reizen.

    Puur toeval

    Het was puur toeval dat ik op dat moment stuitte op The Governments of Communist East Europe, maar dat ik het meteen van de plank pakte toen mijn oog erop viel, was niet toevallig. De schrijver, de Canadees H. Gordon Skilling, was een vrij bekende Oost-Europadeskundige en zette zich in de jaren van de Koude Oorlog vanuit Toronto, waar hij aan de universiteit doceerde, in voor anticommunistische dissidenten. Hij was vooral geïnteresseerd in het toenmalige Tsjechoslowakije en had ook een boek over de twintigste-eeuwse geschiedenis van dat land geschreven. Maar dat alles wist ik toen nog niet. Voor mij was hij nog louter een naam op een saai ogend en goedkoop boek. Ik besloot er een blik in te werpen omdat het een herinnering bij me opriep.

    In de zomer van 1971 had ik een paar dagen met de trein door Joegoslavië gereisd. Dat korte bezoekje was me zo goed bevallen dat ik na mijn afstuderen – in de zomer van 1973 – een trektocht van drie maanden door communistisch Europa maakte. Ik begon in Oost-Duitsland, ging naar Polen en Tsjechoslowakije en trok vandaar in zuidoostelijke richting naar Hongarije, Roemenië en Bulgarije. Ik logeerde in jeugdherbergen of thuis bij mensen die ik onderweg tegenkwam. Het was midden in de Koude Oorlog en in de westerse media werden al deze landen op één hoop gegooid als ‘satellietstaten van Moskou’. Maar zodra ik vanuit Oost-Berlijn in Warschau aankwam, begonnen de verschillen me op te vallen. Zo heerste er in Polen een veel vrijere sfeer dan in Oost-Duitsland, dat aanvoelde als een gevangenis. Hongarije leek op Polen in die zin dat je overal vrolijke jongeren zag, met wie je ook gemakkelijk contact kon maken. Buurland Roemenië daarentegen was niet alleen veel armer, maar ook zo gesloten dat een westerse bezoeker als ik er met niemand vriendschap kon sluiten. 
In Bulgarije ten slotte was de situatie weer anders. Op het platteland daar kreeg ik het gevoel alsof ik niet meer in Europa was: het was er precies zoals ik me toen het Midden-Oosten voorstelde.

    De reis in 1973 leverde qua werk niets op. Pogingen om reportages gepubliceerd te krijgen mislukten door mijn gebreken als schrijver en wellicht ook doordat er niet veel belangstelling was voor een regio waar in die tijd weinig nieuws gebeurde. Na terugkomst in de VS vond ik een baan bij een kleine krant en spaarde genoeg geld om weer te gaan reizen, ditmaal door de Arabische wereld. Die reis eindigde in Israël, zonder dat ik wist wat ik er wilde gaan doen. Ik vreesde dat mijn leven volledig de mist in zou gaan. Al leunend tegen de metalen kast in de stoffige boekwinkel begon ik Skillings boek te lezen. Op pagina vijf begreep ik plots dat de reputatie van het Westen in Oost-Europa al voor de Tweede Wereldoorlog een knauw had gekregen door de Brits-Franse appeasementpolitiek. Een groot deel van de jaren dertig werden niet de westerse landen, maar de communisten als de grote tegenstanders van de nazi’s gezien. Het verlies van Oost-Europa aan Stalin had dus zijn wortels in Chamberlains pact met Hitler in München in 1938.

    Op pagina zeven realiseerde ik me dat de Sovjet-Unie Oost-Europa deels zo makkelijk had kunnen veroveren en behouden doordat de landen daar onderling verdeeld waren. Acht jaar eerder waren de verschillen tussen de satellietstaten me al opgevallen. Omdat ik moe werd van het staande lezen, kocht ik het boek en vertrok naar mijn loft in Musrara, een buurt niet ver van de Oude Stad.

    De dagen daarop legde Skilling voor mij een wereld bloot van nationale conflicten, interne politieke problemen en tal van bevolkingsgroepen die allemaal hun eigen, afgebakende gebied hadden. Maar al die gebieden waren eenvoudig te penetreren door grootmachten, of het nu ging om het oude Habsburgse keizerrijk of de latere Sovjet-Unie. ‘Via de Donauvlakte waren volkeren van elders en invasielegers gekomen. (…) Meer dan een dozijn nationaliteiten vormen er een etnisch mozaïek dat net zo gevarieerd is als de geografie. (…) Hoewel de meeste Slaven uit Azië kwamen, leidde de culturele verwantschap niet tot politieke eenheid. Conflicten tussen Slaven onderling en tussen hen en anderen hingen samen met verschillen in geloof en in ervaringen met bezettingen.’ Dit is de transcriptie van de stenografische notities die ik destijds achter in het toen al tien jaar oude boek maakte. ‘Doordat de orthodoxe kerken per land zelfstandig waren en er bovendien de verdeeldheid tussen katholiek en protestant was, bracht de godsdienst geen eenheid.’

    Verder was er natuurlijk nog de kloof tussen katholiek en orthodox, die zo oud is als het geschil tussen Rome en Byzantium. Bij het woord ‘orthodox’ in het boek van Skilling moest ik denken aan de Griekse kloosters in de woestijn van Judea die ik vaak had bezocht. Betoverende, naar muskus ruikende gebouwen vol iconen en fresco’s die met eitempera zijn geschilderd. De kloosters zijn ommuurd en liggen in een geblakerd, zinkkleurig landschap.

    Het boek maakte een buitenlandcorrespondent van me

    In het interbellum had de democratie in de Oost-Europese landen niet echt wortel geschoten, zo schreef Skilling verderop in zijn boek. Daarna had 
de Tweede Wereldoorlog onder de volkeren in 
deze contreien winnaars en verliezers gecreëerd 
en in 1945 was de geschiedenis in feite bevroren. Ondertussen waren Roemenië en Albanië nog sterk agrarisch, een opmerking die me trof omdat ik nu beter begreep waar het verschil tussen Roemenië 
en Hongarije vandaan kwam dat me in 1973 zo had geschokt. Minutenlang bestudeerde ik de etnische kaart op pagina dertien. Die kaart was heel anders dan de kaarten uit de Koude Oorlog die ik vagelijk kende.

    Nauwelijks gecovered

    Net als belangrijke inzichten kan ook een plan in een fractie van een seconde bij je opkomen. Het enige land van het Warschaupact waarmee Israël diplomatieke betrekkingen had, was Roemenië en nog belangrijker voor mijn doel was dat het een directe vliegverbinding had met Boekarest. Ik besloot dat ik de dag na mijn ontslag uit het Israëlische leger naar Roemenië zou vliegen voor een nieuwe reis door Oost-Europa.

    Ik had wat geld gespaard van mijn verdiensten als ghostwriter. Ditmaal zou ik het goed aanpakken, zo hield ik mezelf voor. Met Skillings boek als gids zou ik me helemaal richten op de verkoop van artikelen aan dagbladen om zo een basis voor de toekomst te leggen. In 1981 was de journalistieke belangstelling voor Oost-Europa, en zeker voor de Balkan, buitengewoon klein. Skilling onderscheidde drie subregio’s in Oost-Europa: de Noord-Europese laagvlakte, de Donauvlakte en ‘het ruige en bergachtige Balkanschiereiland’. Met deze laatste subregio gaf hij aandacht aan een gebied (en zelfs een woord) dat tientallen jaren uit het nieuws verdwenen was. Op de publiciteitsschaal lag ‘de Balkan’ eertijds precies aan de andere kant ten opzichte van Israël en het Midden-Oosten. Werden de persconferenties in Jeruzalem druk bezocht door journalisten die allemaal achter hetzelfde verhaal aanjoegen, de in Europa zelf gelegen Balkan werd amper gecoverd. En dat terwijl de regio in historisch en cultureel opzicht niet minder interessant was dan het land waar ik op dat moment woonde.

    Ik zou de opmerking aan het eind van Skillings boek, dat alle door hem behandelde landen nog steeds ‘hun eigen kenmerken hebben’ – en het communisme op hun eigen manier praktiseerden – tot het thema van mijn verhalen maken, besloot ik. Oog hebben voor de verschillen tussen mensen en landen is even belangrijk als het zien van de overeenkomsten. Alleen als je beide ziet, doe je de mens recht.

    Ik begon in kranten te zoeken naar berichten over Oost-Europa en met name over de Balkan, en bestudeerde microfilms op het persarchief van de bibliotheek van het Amerikaanse Informatiecentrum in West-Jeruzalem. Al snel zag ik een patroon. De in Warschau of Wenen gevestigde correspondenten van de grote dagbladen gingen zo ongeveer eens per jaar naar het zuidelijke deel van Oost-Europa om afwisselend een verhaal over Joegoslavië, Roemenië of een ander land daar te maken. Ook ontdekte ik dat verscheidene kranten meldden dat de Roemeense munt nog maar zo weinig waard was dat de bevolking Kent-sigaretten als betaalmiddel gebruikte. Hoe interessant ook, ik vond het toch vreemd dat alle correspondenten met hetzelfde verhaal kwamen. Er moest toch iets meer uit Roemenië te melden zijn.

    Ten slotte trok een bericht van een persbureau dat ergens weggestopt in de Jerusalem Post stond mijn aandacht. De correspondent in Belgrado meldde dat in heel Oost-Europa zo af en toe de elektriciteit uitviel. De vermoedelijke oorzaak was dat de Sovjet-Unie bezuinigde op de brandstofsubsidie aan de Oost-Europese landen. Indertijd kon ik dat uiteraard niet weten, maar dit feit markeerde het begin van tien jaar economische teruggang die mede de oorzaak was van de latere onrust die het communisme fataal werd. In oktober 1981 ontdekte ik ergens binnen in een krant nog een ander berichtje uit Belgrado van een persbureau. In de Zuid-Joegoslavische provincie Kosovo waren opstootjes geweest van etnische Albanezen. Bij mijn vertrek uit Israël had ik circa tien van dit soort berichten verzameld.

    Op de dag van mijn ontslag uit het leger leverde ik mijn uniform en plunjezak in bij bakum, de legerbasis even buiten Tel Aviv, waar de diensttijd van alle Israëlische soldaten begint en eindigt. Vervolgens diende ik het verzoek in voor een reis naar het buitenland, een regel voor reservesoldaten die oproepbaar moeten zijn. De jonge vrouw in uniform vroeg waar ik heen wilde. Op mijn antwoord reageerde ze wat verbaasd. Roemenië was lid van het Warschaupact, dat nauwe banden had met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie en radicale Arabische landen. ‘Daar gaan niet veel Israëli’s naartoe,’ zei ze. ‘Waarom? En dat nog wel aan het begin van de winter?’ Ik zei dat ik christelijk-orthodoxe kloosters wilde bezoeken, een onderwerp waarover ik boeken geschreven had. ‘Bel het ministerie van Buitenlandse Zaken in Jeruzalem voor het adres en telefoonnummer van de Israëlische ambassade in Roemenië, voor het geval u daar veiligheidsproblemen krijgt,’ zei ze met een toonloze stem terwijl ze me mijn reisvergunning gaf. De vergunning was alleen voor Roemenië, zo vervolgde ze. Van de IDF had ik geen toestemming voor een reis naar andere Oost-Europese landen, waar Israël geen ambassades had. Ik accepteerde de voorwaarden wetende dat ik me er toch niet aan zou houden. Hoe gering de inmenging ook was, op dat moment wist ik dat ik misschien niet naar Israël zou terugkeren.

    Zodra ik de volgende ochtend aan boord van het El Al-toestel naar Boekarest was gegaan, legde ik mijn Israëlische paspoort helemaal onder in mijn tas. Na aankomst liet ik mijn Amerikaanse paspoort zien en gooide ik mijn retourticket weg. En toen ik later bij de ambassades van andere communistische landen in Boekarest visa aanvroeg, gebruikte ik weer mijn Amerikaanse paspoort. Dankzij Skillings boek had ik nu een roeping en een doel. Wie historische boeken leest, leert iets over de omstandigheden waarin hij of zij is opgegroeid. Doordat ik in het Europa van de Koude Oorlog dook – in de negen jaar hierop zou ik Oost-Europa meermaals bezoeken – heb ik veel geleerd over mijn eigen tijd. Dat boek maakte een buitenlandcorrespondent van me, zonder dat iemand me had ingehuurd.

    Auteur: Robert Kaplan
    Vertaler: Margreet de Boer

    Robert D. Kaplan is al 
25 jaar correspondent van The Atlantic. Hij schreef veertien boeken over buitenlandse politiek 
en reizen, waaronder Moesson en Balkanschimmen. Zijn nieuwe boek, Duister Europa, verschijnt op 3 maart bij Unieboek | Het Spectrum. Kaplan spreekt op 15 maart in De Balie in Amsterdam.

  • Het beschamende succes van Naftali Bennett

    Het beschamende succes van Naftali Bennett

    De uiterst rechtse Israëlische minister van Onderwijs Naftali Bennett censureerde een liefdesroman, en eist van kunstenaars dat ze loyaal zijn aan de staat. Het maakt hem alleen maar populairder.

    De extreemrechtse minister van Onderwijs Naftali Bennett is langzaam maar zeker bezig om op de ruïnes van de Israëlische democratie een nieuwe messiaanse en eendimensionale wereld te grondvesten waarmee hij het hart van de Israëliers verovert. Het onverbloemd totalitaire karakter van zijn jongste initiatieven zal zijn volgelingen niet ontmoedigen. Zijn openlijke bedoeling om het al dan niet verspreiden van literaire werken op scholen op irrelevante criteria te baseren zal niet op onoverkomelijke bezwaren stuiten. Hoe kun je dat zo stellig beweren? Omdat Bennett, nadat hij zonder een schrammetje het laatste censuurschandaal heeft overleefd (het verbieden van een roman over de liefde tussen een Joodse vrouw en een Palestijnse man), voortaan zelfs een raket kan overleven.

    Israëlische kunstenaars zijn slappelingen

    Bennett heeft alle redenen om de behandeling van zijn nieuwste wetsvoorstel door de Knesset met rotsvast vertrouwen tegemoet te zien, het voorstel om van Israëlische kunstenaars te eisen dat ze loyaal zijn aan de staat Israël en zich schriftelijk bereid verklaren om hun creaties in de bezette gebieden te presenteren. Gezien de recente ervaringen hoeft hij geen echte oppositie te vrezen en zullen de petities die op ad-hocsites of de sociale netwerken worden ingediend daar niets aan veranderen. Zoals gebruikelijk zullen sommigen Heine citeren, zullen anderen Brecht of nog andere helden van stal halen en, o heldenmoed, zelfs zo ver gaan hun profielfoto door die van een of andere mediarevolutionair te vervangen. De Israëlische kunstenaars zijn niet alleen slappelingen, zoals Bennett mopperend opmerkt, ze hebben ook de betreurenswaardige neiging om erg hoog van zichzelf op te geven.


    De feiten liegen er niet om. Toen Bennett aankondigde een prijs voor Joodse kunst te zullen instellen, trad hij daarmee alleen maar in de voetsporen van de voormalige Likoed-minister van Onderwijs Limor Livnat, die besloot een zionistische oeuvreprijs in het leven te roepen. Het meest absurde en beschamende was nog wel dat het merendeel van de daarmee bekroonde kunstenaars tot het linkse kamp behoorde en dat de enige die de prijs weigerde de oude dichter, romanschrijver en filmmaker Haïm Gouri was. Het zit er dik in dat als de prijs voor de Joodse kunst eenmaal zal worden toegekend, maar weinigen tegen de initiatiefnemer zullen zeggen wat hij met zijn prul kan doen.

    Weigering van Amos Oz

    Het is in onze contreien moeilijk, zoals Bennett heel goed weet, om prijzen en onderscheidingen te weigeren. Zonder ben je nu eenmaal niets. Zo kon het gebeuren dat nauwelijks een maand geleden een nogal middelmatige kunstenaar blij op Facebook meldde dat hij de zionistische oeuvreprijs van 2015 in de wacht had gesleept. Hij vond het daarbij nodig om aan zijn ‘vrienden’ te melden dat de aanvaarding van de prijs niet betekende dat hij niet met gewetensproblemen kampte. Bennett zal zich ongetwijfeld rot hebben gelachen toen dit bericht hem onder ogen kwam. Iedere poging om de totalitaire macht te grijpen kan snel op collaborateurtjes rekenen.

    Al hardlopend wilde Naftali Bennett de bewoners van Tel Aviv een hart onder de riem te steken na de dodelijke aanslag begin januari.
 – © Tomer Neuberg / Flash90
    Al hardlopend wilde Naftali Bennett de bewoners van Tel Aviv een hart onder de riem te steken na de dodelijke aanslag begin januari.
 – © Tomer Neuberg / Flash90

    Bennett is zeer wel bekend met de onbedwingbare behoefte van Israëlische kunstenaars om naar het buitenland te worden uitgezonden. Als we de beroemdste en luidruchtigste onder hen mogen geloven, is het absoluut niet hun bedoeling om het beleid van de Israëlische regering te belichamen. Toch aarzelen ze niet om hun buitenlandse reizen te laten financieren door iemand als Avigdor Lieberman, de voormalige extreemrechtse minister, of zich aan diens zijde te vertonen.

    Kortgeleden heeft de schrijver Amos Oz bekendgemaakt dat hij voortaan zal weigeren zich te verbinden aan culturele initiatieven van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken. Het klinkt hard, maar de voorbeelden van Amoz Oz (77) en Haïm Gouri (93) herinneren aan een wrede waarheid: het is makkelijker om moedig te zijn als je op het punt staat het toneel te verlaten. Als er mensen zijn die denken dat ze de publieke opinie kunnen wakker schudden door schokkende uitspraken of groteske initiatieven, dan moeten ze zich niet de geringste illusie maken: in Joods-Israëlische kringen zal de populariteit van Bennett alleen maar stijgen.

    Auteur: Lior Leal
    Vertaler: Peter Bergsma

    Ha’aretz
    Israël, dagblad, oplage 80.000
    De eerste Hebreeuwse krant die in 1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.

  • Iedereen is een criticus

    Iedereen is een criticus

    De digitale anarchie heeft van ons allemaal potentiële critici gemaakt. Maar door de hoeveelheid aan sensaties en meningen, is er amper tijd voor reflectie. 
Volgens filmcriticus A.O. Scott zouden we, high- of lowbrow, meer moeten twijfelen dan onze mening bevestigd willen zien.

    De Oscars – het jaarlijkse ritueel van de Academy of Motion Picture Arts – liggen dit jaar onder vuur vanwege de voorspelbare en beschamende raciale homogeniteit van de nominaties in 24 filmcategorieën, maar dat is niet de enige reden tot klagen.

    Ik ben recensent. Een schreeuwlelijk, een snob, een broodschrijver die erop uit is om kunstenaars aan te vallen en het plezier van het publiek te vergallen. Dat is althans de rol die ik soms geacht word te spelen. En in die hoedanigheid zou ik graag willen zeggen: vergeet die Oscars maar. De ervaring leert trouwens dat u dat al doet. De winnaars in de categorie Beste Film die die kwalificatie waarmaken – The Godfather, The Apartment, The Hurt Locker – zijn uitzonderingen op de opgeblazen, kortstondig succesvolle middelmaat. Around the World in 80 Days? Out of Africa? Crash? Kom op zeg.

    Intussen is het pantheon van fantastische klassiekers voor het grootste deel een verzameling van versmade titels als Citizen Kane, Do the Right Thing en Boyhood. 
De beste film van het jaar is vrijwel gegarandeerd 
een film die niet heeft gewonnen of zelfs niet eens is genomineerd.

    De dagen van de almachtige recensent zijn geteld

    Dat alles moge duidelijk zijn. De Oscars zijn onnozel. Waarom zouden we er ook van uit kunnen gaan dat de zesduizend leden van een bekrompen beroepsvereniging betrouwbare beoordelaars van kwaliteit zijn? Een showbusinessoligarchie kan toch niet serieus vaststellen wat we geacht worden goed te vinden en wat niet?

    Maar dat geldt ook voor het publiek. Kassuccessen zijn geen betere maatstaf dan de mening van de stupide insiders in de filmindustrie. Avatar heeft meer geld opgebracht dan welke andere film dan ook, maar er is toch geen mens die dat de beste film aller tijden vindt?

    Aan de andere kant: wie ben ik om dat te beoordelen? Ik verdien mijn brood met het rangschikken, indelen en beoordelen van films, en ik behoor tot het gilde van, jawel, smaakmakers, van mensen die bepalen wat goed of uitzonderlijk goed is. Als de Academy vast-geroest is, wat ben ik dan wel niet? Een dinosauriër. De koetsier van een postkoets in de tijd van Uber. Een ouwe vent die tegen een wolk staat te schreeuwen.


    Op internet is iedereen recensent: een door Yelp aangemoedigde afkraakkoning, een deskundige op Amazon, een cheerleader die door de sociale media in staat wordt gesteld om te Vind-ik-leuken en te Delen. Het opgeblazen, altijd verdachte gezag van ellendige pennenlikkers zoals ik is afgevlakt door de digitale anarchie. Wie wil de mening van een kribbige zeikerd horen als er ook een vriendelijk algoritme is dat je vertelt dat er op basis van eerdere aankopen iets is Wat U Ook Leuk Vindt, en als hordes Facebookvrienden bevestigen dat je de goede keuze hebt gemaakt?

    De dagen van de almachtige recensent zijn geteld. Maar die figuur – de hogepriester of kleinzielige 
dictator die met een pennenstreek een reputatie 
kan vernietigen of heiligen – is altijd enigszins mythisch geweest, een allegorisch monster dat werd opgeroepen door angstige kunstenaars en hun onzekere bewonderaars. De kritiek is in wezen altijd al een democratische onderneming geweest. Het is een eindeloos gesprek, geen reeks proclamaties. Het is een discussie die begint als je uit het theater of het museum komt: een discussie met vrienden of een privédiscussie in je eigen hoofd. Het is niet zo dat ik u vertel wat u moet vinden; het is een gesprek dat 
we samen voeren. Dat was zo voor de komst van internet, maar de opkomst van de sociale media heeft als spannend en verwarrend gevolg dat dat nu ook letterlijk een gesprek wordt.

    De bedoeling van kunst is onze geest te bevrijden

    Net als elke andere vorm van democratie is ook recenseren een lastige, polemische zaak waarin de regels net zo ter discussie staan als de uitkomsten, en waarvan de filosofische basis fragiel, om niet te zeggen vaag is. Smaken verschillen. Ieder mens is gezegend met een uiterst uniek bewustzijn, een geheel eigen manier van waarnemen en appreciëren. Maar we klitten ook samen in smaakgroepen die soms net zo prikkelbaar en gepolariseerd zijn als de andere clans waarmee we ons identificeren. We beschermen wat we waarderen en we raken gepikeerd als iemand zich daarmee bemoeit en het bespot.

    Obsessievelingen en dilettanten, omnivoren en freaks, highbrow en lowbrow: iedereen wordt liever bevestigd dan aan het twijfelen gebracht. Sommige mensen houden van opera. Anderen van hiphop. Een aanzienlijk aantal mensen houdt van allebei. ‘Het is allemáál prachtig!’ zegt u misschien. Maar dat gelooft u niet echt, net zomin als ik. Soms is iets afschuwelijk. Over smaak valt uiteraard niet te twisten en het valt ook niet te verklaren.

    Tegenstrijdig

    En toch is de manier waarop we over dit fundamenteel menselijke kenmerk nadenken zeer tegenstrijdig. Er valt over smaak niet te twisten, maar dat is precies wat we wel doen. We geven toe dat smaak subjectief is, maar daar laten we het zelden bij. We vinden het niet genoeg om te zeggen ‘Dat vind ik mooi’ of ‘Dat is niet echt iets voor mij.’ We willen s
tevige uitspraken, objectieve beweringen. ‘Dat was fantastisch! Dat was verschrikkelijk!’

    Boyhood, volgens A.O Scott ten onrechte niet gekozen tot Beste Film.
    Boyhood, volgens A.O Scott ten onrechte niet gekozen tot Beste Film.

    Of misschien ligt dat aan mij. De krant betaalt mij er tenslotte voor om mijn persoonlijke indruk van films in overtuigende argumenten te gieten: niet alleen om op te schrijven wat ik van een film vind, maar ook om een beoordeling te formuleren en de lezers een nuttig advies te geven. Het lijkt misschien alsof ik hier uit eigenbelang mijn werk aanprijs. Vertrouw 
de insiders die over de Oscars gaan niet! Let niet op de groepsdwang van de recensiesite Rotten Tomatoes of van Box Office Mojo waar de filmopbrengsten bekend worden gemaakt! Luister naar mij!

    Natuurlijk, ik heb er belang bij om de relevantie van mijn eigen baan te verdedigen, ook al geef ik toe dat het een nogal krankzinnige manier is om je brood te verdienen. Critici worden soms gewaardeerd, in zeldzame gevallen zelfs bewonderd, zoals Roger Ebert, maar meestal worden we gevreesd, verfoeid of volkomen genegeerd. In de ogen van het publiek zijn critici haters en spelbedervers. Misschien zijn we sadisten, zoals de boosaardige, Martini zuipende theaterrecensent van The New York Times in Birdman. Of misschien zijn we masochisten: ondanks die wrede karikatuur kreeg Birdman, bekroond met een Oscar voor Beste Film, door Rotten Tomatoes het predicaat ‘Certified Fresh’ toebedeeld (ik vind de film overigens zeer overschat, maar dat is alleen maar mijn mening).

    Recenseren mag dan een hachelijke manier zijn om je brood te verdienen, de kritiek blijft onmisbaar. Kunst maken – populair of hoogstaand, cryptisch 
of toegankelijk, sacraal of werelds – is een van de glorieuze capaciteiten van de mens. We zijn als enige soort begiftigd met het vermogen om een voorstelling te maken van onze wereld en de manier waarop we die ervaren, om verhalen te vertellen en tekeningen te maken, muziek te maken van geluid, dans van beweging. Net zo wonderbaarlijk is ons vermogen, 
en zelfs onze plicht, om te beoordelen wat we hebben gemaakt, om te beredeneren waarom we er ontroerd, verward, verrukt of verveeld door raken. We zijn allemaal – in elk geval potentiële – kunstenaars. En omdat we het vermogen hebben om de creativiteit van anderen te herkennen en erop te reageren, zijn we ook allemaal – in elk geval potentiële – critici.


    Dat betekent bovenal dat het onze taak is om na te denken. Als cultuurconsument worden we passief gemaakt, of op zijn best aangespoord tot een pseudo-semi-zelfbewustzijn, we worden in de richting geduwd van ofwel de defensieve groepsidentiteit 
van de subcultuur van fans, ofwel een oppervlakkig, half-ironisch eclecticisme. We grazen, we bingen, 
we doen esthetische ervaringen op en verwerpen ze weer alsof het goedkope speeltjes zijn. En dat zijn 
het vaak ook: massageproduceerde speeltjes van de lopende band.

    Intussen zijn we in onze rol als burger van de politieke republiek ingelijfd in een gepolariseerd klimaat van ideologische oorlogszucht. Gebral in plaats van argumenten. Belangrijke politieke verschillen worden tegelijkertijd uitvergroot en gemarginaliseerd. Er is weinig ruimte voor twijfel en amper tijd voor reflectie, omdat we murw worden gebeukt door sensaties en meningen.

    Hoe kunnen we daar nog wijs uit worden? Hoe houden we ons staande in de stormvloed van alles wat aanspraak maakt op onze aandacht? We worden voortdurend verleid om niet na te denken – genoeg keus in stupiditeit. Maar we worden ook omringd door genialiteit, en die zit ook in onszelf. Je hebt Hamilton [Broadwaymusical] en To Pimp a Butterfly [album van rapper Kendrick Lamar]. Transparent [Amazonserie] en de romans van Elena Ferrante. Kies maar uit! Bepaal wat u ervan vindt!


    We zijn veel te veel geneigd om de kunst te beschouwen als een onbelangrijke, frivole aangelegenheid, en smaak als een strikt afgebakend smal pad waar we ons stuntelig op voortbewegen, alleen of in gezelschap van gelijkgestemden. Tegelijkertijd trachten we te vaak de creatieve aspecten van ons leven waar we plezier aan beleven ondergeschikt te maken aan de zogenaamd gewichtiger ervaringsgebieden, en proppen we de esthetische dimensies van het leven weg in de dozen die onze religieuze overtuigingen, onze politieke dogma’s of onze morele overtuigingen bevatten. We bagatelliseren de kunst. We verheffen de onzin. We kunnen niet voorbij de horizon van onze eigen conventionele wijsheden kijken.

    Dat moet afgelopen zijn! De bedoeling van kunst is onze geest te bevrijden, en de taak van de recensent is om uit te zoeken wat we met die vrijheid kunnen doen. Dat we allemaal recensent zijn, betekent dat we allemaal in staat zijn om onze eigen vooroordelen te heroverwegen, om scepticisme te compenseren met een onbevooroordeelde houding, om onze afgestompte en overvoerde zintuigen aan te scherpen en te vechten tegen de intellectuele matheid die ons omringt. We moeten onze bijzondere hersens gaan gebruiken en onze eigen ervaring serieus gaan nemen.

    Soldaat

    De werkelijke cultuurstrijd (die nooit ophoudt) wordt gevoerd tussen het menselijke intellect en zijn al even menselijke vijanden: luiheid, banaliteit, pretentie, onechtheid. Een strijd tussen creativiteit en gelijkvormigheid, tussen het comfortabel vertrouwde en de schok van het nieuwe. Een recensent is een soldaat in die strijd, die het leven van de kunst verdedigt en vecht voor de kunst van het leven.

    Met andere woorden: het is niet zomaar een baan.

    Auteur: A.O. Scott
    Vertaler: Lidwien Biekmann

    A.O. Scott is de filmcriticus van The New York Times. Hij stond op de shortlist van de Pulitzerprijs in 2010. Scott is ‘Distinguished Professor’ in de filmkritiek aan de Wesleyan University in Connecticut en auteur van het boek Better Living Through Criticism, dat op 9 februari verschijnt bij Penguin Press.

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402
    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Help ons in godsnaam

    Help ons in godsnaam

    Sicilië is verworden tot een desolaat eiland zonder elektriciteit, met roedels wilde honden en lege snelwegen. Een virus heeft alle volwassenen uitgeroeid, alleen de jeugd is gespaard gebleven. Niccolò Ammaniti (1966) schreef de bestsellers Ik haal je op, ik neem je mee (300.000 exemplaren verkocht in Nederland), Ik ben niet bang (160.000 exemplaren) en Zo God het wil. Iedere dag is er een voor de Ammaniti-fans die halsreikend naar de nieuwe Anna uitkijken. Houd vol. Het duurt niet lang meer. Hier alvast een voorpublicatie.

    Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen T-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.

    De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug 
te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.

    Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed. Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.

    De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden. Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf 
met open ogen.

    Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fluisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.

    De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.

    Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man 
die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.

    Hij liep wankelend verder, alsof hij zijn beentjes niet in bedwang kon houden. Op een andere brancard, naast een poster die maande tot borstkankerpreventie en een andere met een foto van de Sint-Pauluskathedraal in Luik, lag het lijk van een bejaarde vrouw. Het kleintje liep verder onder een knetterende gele tl-lamp.

    Een jongen in nachthemd en badstof slippers lag dood in de deuropening van een langgerekte slaapzaal, een arm naar voren, de vingers samengetrokken alsof hij zich niet wilde laten opslokken door een draaikolk. Aan het eind van de gang vocht de 
duisternis tegen de lichtstralen die door de hoofdingang van het ziekenhuis naar binnen schenen.

    Het jongetje bleef staan. Links van hem de trap, de liften en de receptie. Achter de roestvrijstalen balie zag je omgevallen computerschermen op de bureaus en een glazen wand die in duizenden stukjes uiteen was gevallen. Hij liet het treintje vallen en rende naar de uitgang. Hij kneep zijn ogen dicht, strekte zijn arm uit, duwde tegen de grote deuren en 
verdween in het licht. Buiten, voorbij de grote trap, voorbij de rood-witte plastic afzetlinten, staken de zwarte silhouetten van de politieauto’s, de ambulances, de brandweerwagens af.

    Iemand schreeuwde. ‘Een jongetje. Daar loopt een jongetje…’ Een lompe figuur rende naar hem toe en verduisterde de zon. Het jongetje had nauwelijks 
tijd om te zien dat de man was ingepakt in een gele plastic overall.

    Toen werd hij vastgepakt en afgevoerd.

    Vier jaar later…

    Anna rende over de snelweg en kneep in de riempjes van de rugzak die op haar rug stuiterde. Nu en dan keek ze achterom. De honden waren er nog steeds. Keurig in een rij achter elkaar. Zes, zeven. Een paar haveloze honden waren onderweg afgehaakt, maar de grootste, voorop, kwam steeds dichterbij. Ze had ze twee uur daarvoor in de verte op een afgebrande akker tevoorschijn zien komen tussen de donkere keien en geblakerde stronken van de olijfbomen, maar ze had er verder geen aandacht aan besteed.

    Het was haar wel eerder overkomen dat ze werd 
achtervolgd door roedels wilde honden, die kwamen even achter je aan, kregen er vervolgens genoeg van en gingen dan weer hun eigen gang.

    Maar toen ze deze roedel niet meer zag had ze een zucht van verlichting geslaakt. Ze was gestopt om het water dat ze nog over had op te drinken en was verder gelopen.

    Ze vond het leuk om te tellen tijdens het lopen. Ze telde hoeveel stappen er in een kilometer gingen, ze telde de donkerblauwe auto’s en de rode, ze telde de viaducten.
    Toen waren de honden weer verschenen.

    Het waren wanhopige stakkers, stuurloos op drift in een zee van as. Ze had er al zoveel gezien, met kale plekken in hun vacht, trossen teken die aan hun oren hingen, uitstekende ribben. Ze verscheurden elkaar om de resten van een konijn. De zomerbranden hadden de vlakte verschroeid en er was bijna niets meer te eten.

    Ze liep langs een rij auto’s met ingeslagen ruiten. 
Er groeide onkruid en koren rondom de karkassen, die bedekt waren met een laag as.

    De sirocco had de vlammen tot aan de zee voortgestuwd en daarbij een woestijn achter zich gelaten. 
De strook asfalt van de A29 die Palermo verbond met Mazara del Vallo sneed een dode vlakte in tweeën waaruit zich de geblakerde rompen van de palmbomen en een paar rookpluimen verhieven. Links, voorbij de overblijfselen van Castellammare del Golfo, vermengde een stukje grijze zee zich met de lucht. Rechts dreef een rij lage, donkere heuvels op de vlakte als verre eilanden.

    De rijbaan was versperd door een gekantelde vrachtwagen. De oplegger had de middenvangrail geramd en wastafels, bidets, toiletpotten en scherven wit keramiek lagen over tientallen meters verspreid. 
Het meisje liep ertussendoor.

    Haar rechterenkel deed pijn. Ze had in Alcamo de deur van een kruidenierswinkel opengetrapt.

    En dan te bedenken dat alles voorspoedig was verlopen totdat de honden kwamen.

    T

    © Hollandse Hoogte
    © Hollandse Hoogte

    Toen ze was vertrokken was het nog donker. Ze moest steeds iets verder weg om eten te zoeken. Eerst was het makkelijk, dan ging je gewoon naar Castellammare en vond je wat je wilde, maar de branden hadden alles ingewikkeld gemaakt. Ze had drie uur lang gelopen onder een zon die klom in een bleke, onbewolkte hemel. De zomer was al een tijdje voorbij, maar de hitte wilde niet wijken. Na het vuur te hebben aangewakkerd was de wind verdwenen, alsof 
dat deel van de schepping hem niet meer interesseerde. In een kwekerij had ze naast een krater die was veroorzaakt door een ontplofte benzinepomp een grote doos vol etenswaren onder stoffige zeilen gevonden.

    In haar rugzak had ze zes blikjes Cirio-bonen, vier blikjes Graziella-gepelde tomaten, een fles Lucano Amaro, een grote tube gecondenseerde melk van Nestlé, een rol beschuiten die gebroken waren maar nog goed om op te lossen in water, en een pond vacuümverpakte pancetta. Ze had zich niet ingehouden, de pancetta had ze meteen opgegeten, in stilte gehurkt op de zakken teelaarde die lagen opgestapeld op de met muizenkeutels bedekte grond. Het was taai als leer en zo zout dat haar mond ervan brandde.

    De zwarte hond won terrein. Anna versnelde haar pas, haar hart pompte op het ritme van haar voetstappen. Ze zou het niet lang meer volhouden. 
Ze moest stoppen en het gevecht aangaan. Had ze ten minste maar een mes. Ze droeg er altijd een bij zich, maar die ochtend was ze het vergeten. Ze was vertrokken met een lege rugzak en een fles water.

    De zon stond op vier vingers van de horizon. Nog heel even en hij zou worden opgeslokt door de vlakte. De maan aan de andere kant was dun als een nagel.
    Ze keek om.

    De hond was er nog steeds. De andere hadden een voor een opgegeven, maar hij niet. In de laatste 
kilometer was hij niet dichterbij gekomen, maar zij rende en hij dribbelde.

    Misschien wachtte hij met aanvallen tot het donker was, maar dat leek haar onwaarschijnlijk, honden kunnen niet logisch nadenken. En hoe dan ook zou zij het nooit volhouden tot het donker werd. Haar enkel bonkte en haar kuit was hard van de pijn.

    Ze passeerde een groen bord. Nog vijf kilometer naar Castellammare. Om recht te blijven rennen volgde ze de onderbroken streep op het midden van de rijweg. Als ze niet doof was door haar eigen ademhaling en haar voeten die stampten op het asfalt, had ze de 
stilte gehoord. Geen zuchtje wind was er, geen vogels, geen krekels, geen cicaden.

    Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong

    Toen ze langs een auto rende, fluisterde de vermoeidheid dat ze erin moest gaan zitten, maar 
haar verstand zei dat ze dat niet moest doen. Ze kon proberen hem de beschuiten toe te werpen, of door het hek langs de snelweg te glippen, maar dat had dichte mazen en geen gaten waar je doorheen kon.

    Op de middenberm stonden oleanders die het vuur hadden overleefd, vol rode bloemen en hun takken bogen zwaar door. De zoetige geur vermengde zich met die van brand.

    De barrière was hoog.

    Maar jij bent de kangoeroe, zei ze tegen zichzelf. Op school noemde juffrouw Pini, de gymlerares, haar 
de kangoeroe omdat ze nog beter kon springen 
dan de jongens. Anna was niet blij met die bijnaam, kangoeroes hebben flaporen. Ze was liever een 
luipaard geweest, die kan ook springen maar is veel mooier.

    Ze haalde haar rugzak los en gooide die over de 
struiken. Ze nam een aanloop, zette een voet op 
de betonnen kantsteen, liep door de begroeiing 
en was op de andere rijbaan.

    Ze pakte de rugzak op en telde hijgend tot tien. 
Ze hief een vuist in de lucht en glimlachte. Ze had een mooie glimlach vol witte tanden die ze zelden toonde.
    Hinkend liep ze verder. Nu hoefde ze alleen nog 
over het hek te klimmen en dan was ze veilig.

    Aan de andere kant was een talud dat uitkwam op een weggetje dat parallel aan de snelweg liep. 
Niet het beste punt om met die gehavende enkel overheen te klimmen. Ze legde de rugzak neer en draaide zich om.

    Ze zag de hond uit de oleanderstruiken tevoorschijn springen en op haar af galopperen.

    Hij was niet zwart maar wit, zijn vacht bedekt met as, en had een afgehapt oor. Het was de grootste hond die ze ooit in haar leven had gezien.

    En als je niet in beweging komt vreet hij je op. Ze klampte zich vast aan de mazen van het hek, maar haar armen waren verlamd van angst. Ze draaide zich om en gleed op de grond.

    Het dier vloog over de laatste meters snelweg en sprong over de vangrail en de bermgoot. Zijn donkere silhouet verduisterde het schemerlicht toen hij met zijn veertig kilo schurftige stank boven op haar sprong.

    Anna hief haar elleboog op en stootte die tussen de ribben van de hond, die ineenkromp en naast haar neersmakte. Ze krabbelde overeind.

    Het beest lag languit op het gras. Een bijna menselijke verbazing gleed over zijn inktzwarte pupillen.

    Het meisje griste haar rugzak van de grond en schreeuwend sloeg ze hem daarmee. Een, twee, drie keer. Eerst op zijn kop, toen tegen zijn nek, en nog eens op zijn kop.

    De hond jankte stomverbaasd terwijl hij probeerde op te staan. Anna draaide als een kogelstoter die gaat werpen in een volmaakte cirkel om haar eigen as, maar de riem van de rugzak liet los en ze verloor haar evenwicht. Ze stak haar been uit maar de pijnlijke enkel kon haar niet houden. Ze viel.

    De twee lagen naast elkaar en staarden elkaar aan, toen kromde de hond zich grommend en stortte zich met opengesperde bek op haar.

    Anna trok haar gezonde voet op en zette haar hak in het borstbeen van de hond waardoor hij met zijn rug tegen de vangrail vloog.

    Het dier belandde op zijn zij. Hij hijgde, de lange tong gekruld onder zijn neus en zijn ogen gereduceerd tot donkere spleten.

    Terwijl de hond probeerde op te staan zocht Anna iets waarmee ze hem kon afmaken. Een steen, een stok, maar er was niets, alleen verbrand afval, plastic zakken, ingedeukte blikjes.

    ‘Wat wil je van me? Laat me met rust!’ schreeuwde 
ze tegen hem. ‘Heb ik je soms kwaad gedaan?’

    © Getty Images
    © Getty Images

    Het beest staarde haar aan met ogen vol haat terwijl hij zijn zwarte lippen optrok en zijn gelige tanden en de kwijlbellen tussen zijn kiezen toonde. Een laag, dreigend gegrom trilde in zijn borstkas.

    Het meisje maakte zich uit de voeten, slingerend naar rechts en naar links, struikelend over haar schoenveters. De oleanders, de donkere lucht, het geblakerde geraamte van een boerenhuis zonder 
dak vervaagden en verschenen opnieuw bij elke stap. Ze bleef staan en keek om.

    De hond volgde haar.

    Anna hinkte naar een donkerblauwe stationcar met een ingedeukte voorkant. Het voorportier stond wijd open en in de achterklep ontbrak het glas. Met haar laatste krachten kroop ze erin en trok ze aan het 
portier, maar dat klemde. Ze probeerde het met twee handen. Het portier knarste in de verroeste scharnieren en stuiterde tegen het geoxideerde slot. Ze probeerde het nog eens, zonder resultaat. Uiteindelijk kon ze het sluiten door de veiligheidsgordel om het handvat te binden. Ze legde haar hoofd tegen het stuur en ademde met gesloten ogen de lucht, die verzadigd was van vogeluitwerpselen, in en uit. De met as en stof bedekte ruiten maakten dat het donker was in de cabine. Op de passagiersstoel hield een skelet bedekt met witte guano haar gezelschap. De perkamentachtige resten van het donzen Moncler-jack waren versmolten met de bekleding van de stoel, en uit de scheuren in de stof staken veertjes en gele ribben. De schedel bungelde op de borst, vastgehouden door de verdroogde pezen. Aan de voeten nubuckleren laarzen met hoge hakken. Anna kroop naar de achterbank, klauterde eroverheen, strekte zich uit in de bagageruimte en keek door de glasloze achterklep. Ze had niet de moed haar hoofd naar buiten te steken, maar de hond was verdwenen.

    Ze rolde zich op naast twee leeggehaalde trolleys. 
Ze kruiste haar armen over haar borst en stak haar handen onder haar bezwete oksels. Al haar adrenaline was verbruikt en het kostte haar moeite haar ogen open te houden. Vijf minuutjes slapen zou 
voldoende zijn. Ze pakte de koffers en probeerde die in de opening van de achterklep te zetten. De ene was te klein, maar de andere kon wel blijven staan 
als ze er met haar voeten tegenaan duwde. Ze streek over haar lippen. Haar blik bleef hangen op een 
vieze bladzijde uit een schrift. Bovenaan stond in hoofdletters: HELP ONS IN GODSNAAM!

    Dat moest van de vrouw op de passagiersstoel zijn geweest. Ze zei dat ze Giovanna Improta heette, dat ze stervende was en dat ze twee kinderen had in Palermo, Ettore en Francesca, op de bovenste verdieping van Via Re Federico 36. Ze waren pas vier en 
vijf jaar en zouden omkomen van de honger als 
niemand ze ging redden. In de la van de commode 
in de gang lag vijfhonderd euro.

    Anna gooide het papier weg, liet haar hoofd rusten tegen het raampje en sloot haar ogen.

    Ze werd met een schok wakker, ondergedompeld in de duisternis en de stilte. Het duurde een paar seconden voordat ze weer wist waar ze was. Even flitste het idee door haar heen om naar buiten te gaan en 
te plassen, maar ze bedacht zich. Er was geen maan. Ze zou blind en weerloos zijn.

    Ze had een regel. Altijd een schuilplaats vinden voordat de zon onderging. Een paar keer had ze zich laten verrassen door de duisternis en had ze zich moeten verbergen in het eerste het beste huis dat ze tegenkwam.

    Dan maar liever plassen in de kofferbak en naar de achterbank kruipen. Ze knoopte haar korte broek los. Terwijl ze zich liet zakken benam een plotseling geluid, als een tak die breekt, haar de adem. Een geluid van snuffelende honden.

    Ze hield haar hand voor haar mond en viel met blote billen op de bekleding van de kofferbak, proberend niet te ademen, niet te trillen, niet eens haar tong 
te bewegen.
    De nagels van de honden krabden tegen het staal en deden de auto heen en weer schudden.

    Haar blaas ontspande zich en een natte warmte gleed langs haar bovenbenen. Het tapijt onder haar billen werd drijfnat en er was een kort moment van puur genot waarop ze haar lippen half opende.

    Ze begon te bidden. Een wanhopig verzoek om hulp dat tot niemand gericht was.

    De honden vlogen elkaar in de haren. Ze liepen om de auto heen. Hun nagels tikten op het asfalt.

    Ze stelde zich voor dat het er duizenden waren. 
De auto was omringd door een tapijt van honden 
dat reikte tot aan de zee en tot aan de bergen en dat de hele planeet omwikkelde met hondenvacht.

    Ze drukte haar handen tegen haar oren.

    Denk aan ijsjes.

    Zoet en koud als hagelstenen, in alle smaken. Uit de gekleurde bakken kon je kiezen welke je het lekkerst vond en ze gaven het in biscuithoorntjes. Ze herinnerde zich dat ze een keer bij het stalletje was van strandtent Le Sirene. Ze had haar gezicht tegen het glas van de koelvitrine gedrukt: ‘Ik wil chocola en citroen.’

    Mama had een gezicht getrokken. ‘Bah, wat vies…’

    ‘Hoezo?’

    ‘Dat zijn smaken die niet samengaan.’

    ‘Mag ik het toch hebben?’

    ‘Ja, maar dan moet je het wel helemaal opeten.’

    En zo was ze met haar hoorntje in de hand het strand op gegaan en bij de branding gaan zitten. De meeuwen liepen met die stokkepootjes van ze achter elkaar aan.
    Vóór de brand was er nog chocola te vinden. Marsen, mueslirepen, Bounty’s en chocolaatjes. Ze waren uitgedroogd, bedekt met schimmel of aangevreten door de muizen, maar soms, als je geluk had, vond je nog lekkere. Maar nooit zo lekker als ijsjes.

    Koude dingen waren samen met de Grote Mensen verdwenen.

    Ze haalde haar handen van haar oren af.

    De honden waren er niet meer.

    Het was dat moment van de dageraad waarop de nacht en de dag hetzelfde gewicht hebben en de 
dingen groter lijken dan ze zijn. Een melkwitte streep tekende het einde van de vlakte en de wind ruiste tussen de toefjes koren die door het vuur waren gespaard. Anna klauterde uit de auto en rekte zich uit. Haar enkel was stijf maar deed, na de rust, minder pijn.

    De snelweg ontrolde zich als een dropveter. Om de auto’s heen was het asfalt bedekt met pootafdrukken. Ongeveer vijftig meter verderop lag iets, op de onderbroken streep. Eerst dacht ze dat het een rugzak was, toen een deken en daarna een hoop vodden. Vervolgens stonden de vodden op en transformeerden in een hond.

    Auteur: Niccolò Ammaniti
    Vertaler: Etta Maris

    Niccolò Ammaniti (1966) is een Italiaanse schrijver. Hij maakte deel uit van de ‘giovani cannibali’, de ‘jonge kannibalen’, een schrijversgroep van relatief jonge Italiaanse auteurs die een nieuw soort literatuur schreef: ruig, gewelddadig en conventieloos.

    Anna van Niccolò Ammaniti verschijnt op 20 januari 
bij Lebowski Publishers.

  • ‘De menselijke rede bezit meer schoonheid en spiritualiteit dan welke religie ook’

    ‘De menselijke rede bezit meer schoonheid en spiritualiteit dan welke religie ook’

    In zijn nieuwe roman 2084 – La fin du monde schetst de Algerijnse schrijver Boualem Sansal een toekomstige wereld in de greep van de totalitaire islam. In Frankrijk vliegt het boek de schappen uit. Een gesprek met een van de belangrijkste stemmen uit de Maghreb.

    Sinds de nieuwe roman van de Algerijnse schrijver Boualem Sansal, 2084, in augustus verscheen, zijn er al 100.000 exemplaren van verkocht. Ondanks de onweerlegbare kwaliteiten lijkt het boek binnen de jury’s van de literaire prijzen toch aanleiding te hebben gegeven tot verdeeldheid. 2084 zat eerst wel in de selecties voor alle literaire prijzen, verdween toen van de lijsten van de Prix Renaudot, de Prix Médicis en de Prix Goncourt, maar won op 29 oktober wel de Grand Prix du roman van de Académie française, ex aequo met Les Prépondérants van Hédi Kaddour. Is het boek van Boualem Sansal doortrokken van islamofobie? De schrijver vertelt hoe hij tegen religie aankijkt en hoe hij de situatie in zijn land ziet.

    – © Hannah Assouline / Hollandse Hoogte
    – © Hannah Assouline / Hollandse Hoogte

    In uw jongste roman, 2084, beschrijft u een religieus totalitarisme, waarbij je meteen aan de islam denkt. Toch wordt die nooit genoemd. Uit voorzichtigheid?

    Welke religie zal het in 2084 voor het zeggen hebben? Niet de islam van mijn jeugd en evenmin de islam van nu. Alleen al het verschil tussen de huidige islam en die van dertig jaar geleden is enorm: destijds was de godsdienstbeoefening een klein, niet hinderlijk onderdeel van het leven, nu heeft die een opdringerige vorm aangenomen. Tot het begin van de jaren negentig was Algerije een socialistische staat, waarin de islam ongeveer dezelfde, secundaire, plaats innam als het christendom in Frankrijk. Onze geloofswereld was helder en eenduidig. Totdat opeens die invloed van verre zich opdrong, via redevoeringen 
en de bouw van moskeeën. Nu is het landschap zelf veranderd, de manier waarop mensen zich kleden 
is anders, de baarden zijn langer, je zou denken dat we in Afghanistan zijn. Bovendien is er in de lesprogramma’s op scholen veel ruimte gemaakt voor godsdienstonderwijs, zodat de kinderen zich thuis gaan gedragen als kleine ayatollahs aan wie de mensen maar toegeven om problemen te vermijden.

    Dus hoe zal het over zestig jaar zijn? Ik denk dat het islamisme, die uitwas van de islam, bezig is zich te ontwikkelen tot een religie, via een soort voortplanting door deling. Je ziet dit proces in de moslimwereld per maand verder gaan. Sommige woorden verdwijnen. De term liefdadigheid bijvoorbeeld, die in de traditionele islam wel vijftig keer per dag werd genoemd, heeft terrein verloren, net als de bijbehorende praktijk. Het taalgebruik wordt steeds krijgshaftiger.

    Als dit van een Franse schrijver kwam, zouden ze zeggen dat hij islamofoob was. Geldt dat ook voor u?

    Ik zou eerder zeggen dat ik ‘islamismofoob’ ben. Ook al klopt het wel dat ik geen positieve kijk heb op de islam waarmee ik ben opgevoed, die ik heb bestudeerd en die ik in spiritueel opzicht armoedig vind. In algemene zin vind ik vooral dat je niet om religies hoeft te geven, ik persoonlijk heb geen affiniteit met welke religie dan ook. Ik kan ermee leven voor zover ze de openbare ruimte niet binnendringen en de kinderen niet ronselen. Als ik een Fransman uit het begin van de twintigste eeuw was, zouden ze me antiklerikaal noemen. Vóór alles geloof ik in de menselijke rede: die bezit meer schoonheid en spiritualiteit dan welke religie ook. De mens is in staat het oneindige te onderzoeken, het heelal te fotograferen, vragen te blijven stellen zonder ontmoedigd te raken. Maar terug naar 2084: toen dat af was, vond ik het erg onschuldig vergeleken met wat ik de afgelopen vijftien jaar heb geschreven. Het is minder hard dan sommige van mijn eerdere boeken. In Poste restante: Alger en Le Village de l’Allemand [vertaald als Onvoltooide geschiedenis] bijvoorbeeld schrijf ik uiterst kritisch over het islamisme. Tijdens de hele periode dat ik aan dit boek schreef, heb ik mezelf juist elke godslastering verboden.

    Ik heb lang zonder salaris geleefd. 
Ik kon geen werk krijgen. Ik werd door iedereen gemeden

    Bent u niet bang dat uw roman in Frankrijk wordt gekaapt door degenen die de angst voor de islam voor ideologische of politieke doeleinden gebruiken?

    Daar denk ik onder het schrijven niet aan. Ik weet wel dat dat gebeurt, maar wat doe je ertegen? Rechts, extreem-rechts, maar ook seculier links, allemaal nemen ze er passages of zinnen uit. Wat ik ook zeg, het wordt gebruikt. Moet ik dan voor altijd zwijgen? Naar de rechter stappen? Nee, een boek is van iedereen.

    Hoe kijkt men in Algerije tegen u aan?

    In 1999, toen mijn eerste roman, Le serment des barbares, verscheen, werd ik bijna beschouwd als een nationale held. Bedenk even wat de situatie van toen was: Bouteflika [nog altijd de Algerijnse president] was net aan de macht gekomen in een Algerije dat was gemangeld door tien jaar van gewelddadigheden. Hij wist te winnen door te beloven dat hij een einde aan de oorlog zou maken en dat we daarna in voorspoed zouden leven. Zo ontstond er een enorm gevoel van optimisme. Op dat moment waren de Algerijnen trots dat een van hun landgenoten door Gallimard werd uitgegeven, dat hij kans maakte op de Prix Goncourt en andere grote literaire prijzen. Maar ik werd erg weinig gelezen, vooral omdat mijn boeken relatief duur zijn: doordat ik geen Algerijnse uitgever heb, worden de boeken vanuit Frankrijk verstuurd en kosten ze gemiddeld vier keer zo veel als uitgaven van hier.

    Bij de verschijning van mijn tweede roman, L’enfant fou de l’arbre creux, in 2000 lagen de zaken anders. De optimistische stemming in Algerije was inmiddels aan het zakken. De mensen realiseerden zich dat er nog geen einde was gekomen aan het geweld en de ellende. Sommigen gingen me lezen en dachten toen: wie is die rotzak? Hij bekritiseert het regime en de islamisten, prima, maar hij heeft ook kritiek op ons, het volk. Want ja, ik beweerde dat wij zelf verantwoordelijk zijn voor wat ons overkomt. We hebben laten gebeuren dat er een dictatuur kwam, we gingen zelf naar de preken in de moskee luisteren. In hun ogen was dat onvergeeflijk: in Algerije kom je niet aan het volk. En dan heb ik het nog niet eens over de islamisten voor wie ik een afvallige ben. Of over het regime dat me als een vijand behandelde.

    Uiteindelijk ben ik in 2003 binnen vijf minuten 
zonder enige uitkering ontslagen uit de hoge overheidsfunctie die ik bekleedde. Ik had een slechte naam, hooggeplaatste personen begonnen genoeg te krijgen van de uitspraken die ik in de kranten tegen Bouteflika deed. Ik heb lang zonder salaris geleefd. 
Ik kon geen werk krijgen, noch in de publieke, noch in de private sector. Ik werd door iedereen gemeden. De autoriteiten pakten mijn broer aan, een kunstenaar die ze bijna tot zelfmoord hebben gedreven door hem de ene fiscale naheffing na de andere te sturen net zo lang tot hij geruïneerd was. En via de oudervereniging hadden ze het ook gemunt op mijn vrouw, die lerares is. Ze beschuldigden haar ervan dat ze 
de vrouw was van een verrader, van een man die pro-Israël, pro-Frans en antimoslim was. Mijn boeken zijn jarenlang verboden geweest. Tot ze na verloop van tijd alleen nog minachting toonden door me te negeren. Tegenwoordig zijn mijn boeken in beperkte aantallen weer in sommige boekhandels 
te vinden. Maar ik blijf een outcast, ik kan aan geen enkel debat, aan geen enkele signeersessie meedoen.

    Hebt u overwogen om te emigreren?

    Je hoeft niet per se van je land te houden om er te blijven. Je bent er nu eenmaal, je leeft er, hebt er je familie, je vrienden. Maar de omstandigheden speelden ook mee: in de jaren zeventig, toen ik nog voor ingenieur studeerde, was het heel gemakkelijk om 
te vertrekken. Je kon Frankrijk binnenkomen op een identiteitskaart. Het was de tijd dat er een nieuw woord opdook dat ons land te gronde zou richten: ‘algerijnisering’. Het militaire regime van Boumédienne [vierde president van Algerije van 1976 tot 1978] was modernistisch: hij wilde fabrieken bouwen, industriecomplexen aanleggen. Daarom moesten 
er jongeren naar het buitenland worden gestuurd om ze op te leiden tot geschoolde arbeiders en hoger personeel. Maar veel van hen zijn niet meer teruggekomen, met dramatische gevolgen. Ik heb er zelf ook over gedacht, maar de dingen liepen anders: ik kreeg een laboratorium voor turbinestraalmotoren tot mijn beschikking en die zijn mijn specialisme geworden. Ik heb experimenten gedaan, artikelen gepubliceerd in de vooraanstaande tijdschriften. We leefden in derdewereldomstandigheden, het water was op rantsoen, groentes waren er niet, maar ik 
was jong en ik vond mijn werk geweldig. De dagen gingen voorbij, ik stelde een beslissing uit terwijl al mijn vrienden en ook mijn broers vertrokken.

    Toen de burgeroorlog begin jaren negentig uitbrak, ben ik een andere richting ingeslagen en voor de overheid gaan werken. De minister van Handel benoemde me tot adviseur, omdat ik veel wist van het schuldenprobleem, een centraal vraagstuk in die jaren toen Algerije overging naar een markteconomie, in 1994.

    En nu?

    Ik heb periodes gekend waarin ik het erg moeilijk had en me echt afvroeg wat ik moest doen. Soms leek vertrekken urgent, bijvoorbeeld toen de islamisten voor de poorten van Algiers stonden [1995-1996] en ze een groot deel van het land in handen kregen. Ik zat midden in islamistisch gebied omdat ik in Boumerdès woon, vijftig kilometer ten oosten van Algiers, aan 
de weg richting Kabylië. In de jaren negentig waren hier elke nacht bombardementen en er werden constant aanslagen gepleegd. Soms waren er pal voor ons huis schermutselingen tussen het leger en de islamisten. Op den duur raak je dat beu.

    Mensen zijn naïef, ze laten zich voor de gek houden, het lijkt wel of ze graag bang zijn. Ik net zo goed als de rest

    Maar wat een lijdensweg om een visum te bemachtigen. Tegenwoordig heb ik gelukkig een uitreisvisum dat vijf jaar geldig is, maar destijds zouden ze me maar een visum voor drie maanden gegeven hebben. Wat kun je in drie maanden helemaal doen? En als je dan ook nog ziet hoeveel moeilijkheden het oplevert om je in Frankrijk te vestigen en je er beslist niet met open armen wordt ontvangen, dan schrikt dat wel af. Als ik naar bepaalde Franse steden moet, dan zorg ik dat ik Frankrijk via Parijs binnenkom, om te vermijden dat ik rechtstreeks vanuit Algerije per vliegtuig arriveer. Als je op de vliegvelden van deze steden een Algerijns paspoort laat zien, doen ze onaangenaam, je krijgt rare blikken, ze zeggen vervelende dingen, zijn soms grof tegen je. Ze behandelen je met ongelooflijk veel minachting. Ik wil niet ook nog eens een immigrant zijn.

    Ten slotte zou vertrekken ook een vorm van zwichten zijn voor de mensen die het me zo moeilijk hebben gemaakt. Het is een kwestie van zelfrespect.

    Bent u bang?

    Ja, ik ben al jaren bang. Net als veel mensen. Vroeger, in de tijd van Boumédienne, waren we bang voor iets wat we nog nooit hadden gezien: de SM [Sécurité Militaire], de militaire veiligheidsdienst, oftewel de Algerijnse geheime diensten. In 2084 zijn het de V’s, waarvan niet eens duidelijk is of ze bestaan, ze zijn overal en nergens, iedereen is bang voor ze. En toen, na de dood van Boumédienne, verscheen de baas van de SM op het toneel. Niemand die hem kende. En wij zagen een klein, grijzig mannetje, een onderdeurtje dat bang leek voor zijn eigen schaduw! We dachten: Dat is toch niet waar! Heeft hij ons twintig jaar lang geterroriseerd? Hij heette Kasdi Merbah, een naam had hij in ieder geval wel. Maar op de dag dat hij werd vermoord, in augustus 1993, hoorden we dat 
het niet eens zijn echte naam was. In werkelijkheid heette hij Abdallah Khalef. Twintig jaar lang waren we geterroriseerd door een ambtenaartje zonder naam of gezicht. Als je er goed over nadenkt, is dat intellectueel gezien een bizarre situatie. En erg vernederend.

    Elke Algerijn voelde zich bespioneerd. Toch waren er niet per se even veel spionnen als Algerijnen. Maar mensen zijn naïef, ze laten zich voor de gek houden, het lijkt wel of ze graag bang zijn. Ik net zo goed als de rest. Ze gaan mee in wat de overheidspropaganda ze inprent. Ook nu nog willen ze ons laten geloven dat we voortdurend worden bedreigd door de vijand van buiten, het neokolonialisme, het imperialisme, de Joden, de Marokkanen… We leven met dit soort spookbeelden. Geruchten gaan uit zichzelf rond en onderzoeksjournalisten zijn er niet, we weten nooit wat waarheid is.

    Wat hebt u gedaan om u niet door die angst te laten verlammen?

    Ik heb erover gediscussieerd en gelezen, ik heb geprobeerd her en der dingen te weten te komen, via vrienden met contacten in het leger of het landsbestuur, dat is de enige manier. Toen ik 2012 naar de internationale boekenbeurs in Jeruzalem ging, kreeg ik massa’s bedreigingen. Uiteindelijk dacht ik: het zijn mafkezen, gekken die dit doen, daar moet je geen aandacht aan besteden. Je bagatelliseert het om jezelf gerust te stellen.

    Is dat wat we moed noemen?

    Ik weet niet of dat het goede woord is. Ik gebruik het liever niet. Iedereen is dapper, alleen al het feit dat je leeft is moedig. Als ik schrijf, sta ik daar niet bij stil. Pas als ik alles herlees, voordat ik het naar de uitgever stuur, realiseer ik me dat sommige passages me in de problemen kunnen brengen. Maar nogmaals,
 ik gebruik het woord moedig niet. Ik relativeer. Ik zeg wat ik wil, net als die lui. De dingen die ik doe, doe ik voor mezelf. Of ze nu door God verboden zijn of de duivel, zolang ze niet onder een door mensen geschreven wet vallen, doe ik ze.

    U hebt geen vertrouwen in de mensheid?

    In het individu wel als het hem lukt zelfstandig te worden en zich te ontworstelen aan alle regels en voorschriften. Zo niet, dan is het ongelooflijk hoe ver mensen meegaan in het doen van concessies. Ze laten zich enorm snel inpakken. Kijk wat de nazi’s 
in Duitsland in korte tijd hebben gedaan. Ik word moedeloos van de mensheid: zodra mensen met meer dan drie zijn, gedragen ze zich als schapen.

    Ziet u zichzelf als iemand die de noodklok luidt?

    In zekere zin wel. Ik zie de toekomst somber in. Ik heb meegemaakt hoe mijn land overvallen werd door een volkomen onverwachte verandering, die ertoe leidde dat zowel een staatsbestel als een maatschappelijk bestel in hoog tempo werd vernietigd. Je denkt dat samenlevingen solide zijn, maar niets daarvan: bij de minste of geringste crisis valt alles uiteen. Ik heb het meegemaakt. Tegenover het islamisme houden de waarden van de rede, de Verlichting, geen stand; ze storten als een kaartenhuis ineen. De mensen denken: de vooruitgang, wat heeft die ons opgeleverd? Dat we de aarde vervuilen? Dat de wet boven de menselijke relaties gaat? Ze zijn niet gelukkig met dit systeem. De Verlichting is voorbij. Het Westen moet een nieuwe omwenteling teweegbrengen. Maar wie gaat er supranationale wetten maken? Intussen is de islam wel geglobaliseerd. Die ligt een slag voor.

    Zijn literaire prijzen belangrijk voor u?

    Door een grote prijs zou mijn stem wel belangrijker worden, in Frankrijk en Europa dan. Het is een manier om mee te doen aan een debat waarvan ik 
in eigen land uitgesloten ben. Maar dat interesseert ze daar niet. Voor de Algerijnse autoriteiten besta ik niet, zelfs al had ik de Prix Goncourt, de Nobelprijs 
of wat dan ook gewonnen. Toen ik in 2011 de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel kreeg, die in Duitsland als een prestigieuze prijs wordt beschouwd, ben ik niet eens gefeliciteerd door de burgemeester van Boumerdès, het stadje waar ik woon.

    Auteur: Raphaëlle Rérolle
    Vertaler: Tess Visser

    De boeken van Boualem Sansal verschijnen in Nederland bij Uitgeverij De Geus in vertaling van Jan Versteeg.

    Le Monde
    Frankrijk, dagblad, oplage 345.000
    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • Poesjkin-vertaler Hans Boland: ‘Rusland is uit Oekraïne ontstaan en niet andersom’

    Poesjkin-vertaler Hans Boland: ‘Rusland is uit Oekraïne ontstaan en niet andersom’

    De Nederlandse vertaler Hans Boland – ja, degene die de Poesjkin-medaille weigerde aan te nemen van Vladimir Poetin – werd beschimpt door de Russische media. Met nog steeds geen blad voor de mond gaf hij een interview aan de Oekraïense krant Den ter ere van de Oekraïense vertaling van Mijn Russische Ziel.

     

    Keuze uit ons archief

    De geschiedenis van het huidige ontsporende conflict tussen Rusland en Oekraïne voert ver terug. Slavist en vertaler Hans Boland legt in dit interview uit dat die geschiedschrijving bovendien flink verdraaid is. Wordt Rusland doorgaans gezien als grotere broer, in feite stond Oekraïne aan de wieg van de Russische ‘natie en cultuur’. Dit verhelderende perspectief biedt een goede achtergrond bij de actuele gebeurtenissen.

    Het leven van Hans Boland (Jakarta, 1951) staat in het teken van Russische literatuur. De bekende Nederlandse vertaler, slavist en schrijver heeft bijna alle lyrische werken van ‘de grootste Russische dichter’ Aleksandr Poesjkin vertaald. Hij heeft de Nederlandse lezer bovendien laten kennismaken met Achmatova, en gewerkt aan teksten van Dostojevski, Lermontov, Mandelstam, Nabokov, Shalamov, en vele anderen. Maar zijn zakelijke belangen hebben zijn standpunten en waarden niet beïnvloed. Toen Boland in augustus 2014 werd vereerd met een uitnodiging van het Kremlin om de Poesjkin-medaille te ontvangen uit handen van de Russische president, weigerde hij die resoluut. ‘Een dergelijk eerbetoon als u mij biedt zou ik in de grootst mogelijke dank ontvangen, ware daar niet uw president, wiens gedrag en denkwijze ik veracht en haat,’ schreef de Nederlandse vertaler aan de cultureel attaché op de Russische ambassade. ‘Hij vormt een zeer groot gevaar voor de vrijheid en vrede op onze planeet. God geve dat zijn “idealen” een spoedige en volledige vernietiging wacht. Iedere relatie tussen hem en mij, tussen zijn naam en die van Poesjkin, is walgelijk en onverdraaglijk.’

    Op het 22ste Publishers’ Forum in Lviv, zal Hans Boland de Oekraïense vertaling lanceren van zijn autobiografische boek Mijn Russische Ziel, uitgegeven door Zhupansky Publishers. Aan de vooravond van deze lancering gaf de beroemde vertaler een exclusief interview.

    Hans Boland – © Merlijn Doomernik
    Hans Boland – © Merlijn Doomernik

    Na uw weigering de Poesjkin-medaille aan te nemen uit handen van Poetin hebben de Russische media uw naam door het slijk gehaald. Als ik het goed heb, heeft u zelfs overwogen juridische stappen te ondernemen. Is daar iets uit gekomen? Hoe heeft het conflict met het Kremlin uw perceptie van de Russische literatuur beïnvloed?

    ‘Het is voor een gewone man altijd moeilijk om de wetteloosheid van de staat te bevechten. Dat is al moeilijk in een democratisch land, maar helemaal wanneer de staat op wetteloosheid is gebaseerd, wanneer wetteloosheid de drijvende kracht is. Als het om Rusland gaat, zijn die dingen nog walgelijker, omdat de voor Poetin en zijn makkers zo typerende mengeling van hufterigheid en lafheid traditiegetrouw aanzet tot het vermijden van een open slagveld. Instinctief reageren ze gemeen op een fatsoenlijke daad. Poetin is altijd een nare, bekrompen spion gebleven die in de USSR is gevormd. Die bekrompenheid onderscheidt hem van zijn inspirator Stalin (en zelfs van Hitler). Je kunt je afvragen wie de strijd nou wil aangaan met zo’n verachtelijk figuur. Persoonlijk ben ik bereid om te strijden tegen het kwaad, waarvan Poetin een van de duidelijkste vertegenwoordigers is. Vanwege mijn liefde voor Poesjkin, Achmatova, en anderen. Gezag is tijdelijk, terwijl poëzie eeuwigdurend is.’

    Ik wil echt dat de Oekraïense lezer voelt dat zijn land het juiste pad volgt

    Er is in het Westen een tendens om een grens te trekken tussen de Russische overheid en het Russische culturele erfgoed. De Russische cultuur wordt altijd neergezet als tegenstander van het regime. Vindt u dat een terechte benadering? Hoe verklaart u het feit dat de meeste kunstenaars in het huidige Rusland de inval van het Kremlin in Oekraïne steunen?

    ‘En destijds steunde Poesjkin de inval in Polen! Ik zal twee voorbeelden aanhalen waarvan ik denk dat ze in dit verband heel toepasselijk zijn. Neem de twee tijdgenoten Dostojevski en Dickens, allebei grote schrijvers. En vergelijk de wanhopige, ellendige, bijna onmenselijke gemoedstoestand van bijna alle personages van de eerste met de lichte, liefhebbende, menswaardige van de positieve figuren van de tweede. Terwijl Dostojevski bijna geen enkele sympathieke personages ten tonele voert, stikt het er bij Dickens van. En vergis je niet, de boeken van beide auteurs gaan over mensen met enorme problemen.

    ‘Nog een voorbeeld: Tolstoj en Multatuli. Ook beide grote schrijvers en tijdgenoten. Multatuli heeft zijn naam onsterfelijke gemaakt door zijn profetische uiteenzettingen over het Nederlandse kolonialisme. Ondertussen wekte het Russische kolonialisme (waarschijnlijk het enige dat in deze tijd nog floreert) nooit enige weerzin bij graaf Tolstoj of andere Russische schrijvers. Multatuli schrijft respectvol over vrouwen, vanuit een diepgeworteld geloof in gelijkheid van de seksen, terwijl Tolstoj het ellendige, nutteloze, saaie en zondige bestaan van Anna K. beschrijft. Ik besef dat dit uw vraag niet helemaal beantwoordt, maar ik hoop dat deze twee voorbeelden helpen erover na te denken.’

    Op het Publishers’ Forum gaat u de Oekraïense vertaling van uw boek Mijn Russische Ziel lanceren. Waarom is dat voor u persoonlijk van waarde? Zijn er ooit andere werken van u in het Oekraïens vertaald?

    ‘In Mijn Russische Ziel (de titel is ironisch) beschrijf ik mijn vijfendertig jaar lange relatie met Rusland (het boek kwam in 2005 uit), die begon met mijn studie Slavische talen aan de Universiteit van Amsterdam tijdens de Koude Oorlog tot mijn verblijf van zes jaar in St. Petersburg als universitair hoofddocent Nederlands tijdens de roerige jaren onder Jeltsin. Het autobiografische deel eindigt met een reis door het Rusland van Poetin. Het centrale thema is de demythologisering van het cliché ‘de Russische ziel’. Op een bepaalde manier is het ook een poging tot een fundamentele beoordeling van mijn eigen leven. Dit is de eerste vertaling van mijn boek ooit, en ik ben er trots op, zeker omdat het op zo’n cruciaal en tragisch moment komt. Ik wil echt dat de Oekraïense lezer voelt dat zijn land het juiste pad volgt, het pad dat leidt van onderdrukking en duisternis naar vrijheid en licht.’

    In een van uw interviews had u het over een reis naar Kiev in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Heeft uw leven u, zakelijk of privé, daarna ooit nog naar Oekraïne gevoerd?

    ‘Mijn eerste bezoek aan Kiev was in 1978. Ik schreef toen dat de sfeer daar meer leek op het luchthartige Amsterdam dan het sombere Moskou. Ik herinner me de groene kastanjebomen, het indrukwekkende Majdan-plein en de Khreshchatyk-straat, en de prachtige Dnjepr natuurlijk. Nadat Oekraïne het Sovjetjuk had afgeworpen, kwam ik er terug. Ik heb zo’n vijf keer door west-Oekraïne gereisd. Ik ben drie keer in de Krim geweest. Ik heb wat Oekraïens geleerd: een mooie, rijke, interessante taal. Ik heb de gedichten van Shevchenko gelezen. Een ongeëvenaarde dichter. Ik heb Testament uit mijn hoofd geleerd.’

    De Franse filosoof Philippe de Lara zei in een interview met Den dat de Oekraïense cultuur in het Westen eigenlijk is genegeerd: het was of onbekend, of werd beschouwd als onderdeel van de Russische cultuur. Bent u het daarmee eens?

    ‘Helaas wel. Tot 1991 wisten de Nederlanders amper iets van Oekraïne. De oorzaken moeten natuurlijk worden gezocht in het beruchte Russische messianisme, de wens te heersen over de wereld en de mensheid te leiden. Deze wens bereikt soms het niveau van een psychische stoornis. In Oekraïne leidde het tot de, soms vrij gewelddadige, onderdrukking van alles wat Oekraïens was: de taal en literatuur, de godsdienst, de tradities. Catharina II en Stalin waren waarschijnlijk de ergste onderdrukkers. Wat er gebeurde was dat, hoewel Rusland uit Oekraïne is ontstaan en niet andersom, de hele wereld (en helaas ook de Oekraïner zelf) door het systematisch verdraaien van de historische feiten ten dienste van ideologische behoeften (denk alleen al aan het concept ”Groot-Rusland”) ging geloven in dit verwrongen beeld van geschiedenis en cultuur, in de ‘grote broer’. Maar Vladimir de Grote, Vladimir Monomach, en vele andere ‘stichters van de Russische natie en cultuur’ waren niet van Russische, maar van Oekraïense afkomst. En wat dacht je van de “moeder van alle Russische steden”?

    Deze omstandigheden hadden twee noodlottige gevolgen: de onverdraaglijke arrogantie van de ‘grote broer/vijand’ en het minderwaardigheidscomplex van het onderdrukte Oekraïense volk. Gelukkig heeft de westerse geest de afgelopen jaren grote veranderingen ondergaan. Uiteraard hebben die voornamelijk betrekking op politieke ontwikkelingen. Het is misschien vreemd, maar de recente ontwikkelingen in Oekraïne hebben meer bijgedragen aan het openen van de Nederlandse (en Europese) ogen ten aanzien van de kern van de Russische natie, dan alle andere wendingen in de geschiedenis. Daar moeten we dankbaar voor zijn. Oekraïners komen nu vaak naar Nederland en dat is geweldig want niets wakkert oprechte interesse meer aan dan directe communicatie.’

  • Gnomon

    Gnomon

    Het oevre van de gelauwerde Britse auteur Jeanette Winterson kenmerkt zich door een bezwerende manier van schrijven, vurige woorden, korte zinnen.

    De Abdij had een clocca die werd geluid om de monniken op te roepen voor hun officie van zang en gebed. De klok kon in het stadje en op de velden worden gehoord, en het was genoeg om te weten dat het Metten, Lauden, Priem of Vespers was.De clocca was een waterklok. Hij had geen wijzerplaat, geen wijzers. Hij was van raderen, ijzer, gewichten en water. Stephen, de beste smid, repareerde de klok, en soms vond hij het leuk om te proberen hem te verbeteren. De Abt moedigde hem aan, en toen hij op een ochtend zag dat Stephen een nieuw rad bevestigde, liet hij hem een tekening zien die een reiziger aan de Abdij had geschonken van een klok met een ronde wijzerplaat, zoals de zon, en een wijzer die het uur kon aanwijzen zonder dat daarvoor de zon nodig was.Zou jij, Stephen, een uurwerk kunnen maken dat de tijd beter aangeeft dan een klok die wordt geluid? Beter dan een zandloper waarin de zandkorrels verglijden? Geen brandende ingekerfde kaars. Kun je me de tijd laten zien terwijl die voorbijgaat?Stephen zei: Tijd is onregelmatig. Het ene uur heeft niet dezelfde lengte als het andere. De equinox is maar twee keer per jaar. Twee dagen waarop de donkere tijd en de lichte tijd dezelfde tijd is. Op die dag is de Metten anderhalve zandloper eerder dan op midwinter en tweeënhalve zandloper later dan op midzomer.De Abt antwoordde: We verdelen onze velden met heggen. We meten en markeren het land. We tekenen kaarten. We tellen onze dagen. We navigeren op de sterren die langs het hemelgewelf gaan. We nemen de seizoenen waar. De Benedictijnen verdelen de 24 uren van een complete dag en nacht in acht getijden – en luiden de klok voor zeven van deze getijden: de Lauden, de Priem, de Terts, de Sext, de None, de Vespers, de Completen. Maar als we elk uur konden meten en verdelen, het nogmaals konden meten in minuten en weer verdelen – met een grondtal van zestig zoals de Arabieren doen – dan zouden we God kennen. Want God is eeuwigheid, en de Tijd is wat Hij ons heeft gegeven.

    God

    Stephen ging naar huis, nam een halfverkoolde stok uit het vuur en tekende op de muur een cirkel. Hij verdeelde en onderverdeelde de cirkel tot deze op een wiel met spaken leek. De tekening beviel hem. Stel dat hij zou bewegen? Wat had de Abt gezegd over God de Primum Mobile? God is de Eerste Beweger. Alles beweegt rond God. De planeten en de sterren bewegen rond God in een trage omgang van Tijd. Laura kwam binnen met brood en kaas en bier en een in appelen gestoofd konijn. Stephen lachte. Hij kon zich geen tijd herinneren waarin hij haar niet kende. Ze keek naar zijn tekening. Hij probeerde uit te leggen wat hij deed. En later in het zachte donker lag ze op zijn borst; Stephen, waarom is het nodig om het door God gegeven uur te splitsen in helften, in kwarten, in minuten, in seconden, in tikken, in tokken, in tellers en tellen, in slagen die het hart verslaan? Geef me je hand, Stephen, hier, leg hem hier, plat tegen mijn borst aan de linkerkant.En hier is mijn hand op jouw borst, waar ik mijn hoofd leg en luister naar de regelmatige tred waarmee je door de nacht naar de morgen gaat, weer een dag. We worden levend wakker, we gaan aan het werk, we maken vuur, we koken, we rusten, jij trekt je nachthemd uit als je me wilt en je hart bonst zo snel dat we beiden ontsnappen aan de Tijd en ons laten inhalen als we slapen.Ik ben met je getrouwd voor zolang we beiden leven. Dat is genoeg tijd.
    Maar Stephen begon te werken aan de klok, en die werd in het stadje al snel het onderwerp van gesprek. En de rijke mannen en de kooplieden begrepen dat wanneer de tijd kon worden geteld, de tijd kon worden verkocht. Wees niet bang, Stephen, zei de Abt. De aarde is slechts een voorpost van de Tijd.

    Maar Stephen is wel bang. Er wordt gemopperd. De mensen in het stadje willen de klok niet. Ze weten dat het ene uur niet hetzelfde is als het andere, dat de dag variatie kent en niet in gelijke stukken kan worden verdeeld. Ze weten dat als je moe bent, of ziek, of geknakt van geest, het uur eindeloos lang duurt. Ze weten dat liefde de ploeg sneller doet gaan en dat een man op het veld zijn lichaam tegen de Tijd zal inzetten omwille van tijd met de vrouw wier gezicht voor hem als de zon is.

    Ze houden van de klokken die luiden als de dag voorbij is, van het doordringende ervan, de gretigheid ervan, en van het eenvoudige gegeven dat de tijd voorbijgaat. Maar ook de uren slaan, en de halve uren, en de kwarturen? En elk uur in zestig delen? En elke minuut in zestig? Schandalig. Krankzinnig. Mechanische tijd.
    En dus kwamen ze Stephen halen. De takel van de graanzolder van het gildehuis werd naar beneden gelaten. Ze maakten Stephen stevig vast. Hij verzette zich niet.Hijs hem omhoog. Rustig! Rustig. Hijs hem omhoog!Stephen voelde het touw onder zijn armen knellen toen zes mannen, drie aan elke kant, hand over hand aan het touw sloegen; hun spierbundels zwoegden en hun bovenbenen spanden zich door het toenemende gewicht van Stephen die ze tegen de zuidmuur van het gildehuis ophesen. Hij was duizelig en bang. Ze hadden hem eerst bier gegeven maar geen eten en hij was licht in zijn hoofd. Hij wilde urineren.Zwaai hem erin!Een houten steiger reikte tot zes meter boven de grond. De twee mannen die erop stonden te wachten grepen Stephen vast toen hij op hun hoogte kwam. Ze haakten hem vast, zetten zijn voeten op de brede metalen pinnen die diep in de muur gemetseld waren. Diep in de muur aan de onderkant van de zonnewijzer.

    Ketting

    Aan weerszijden van de vurige zon die het midden van de zonnewijzer verfraaide waren twee grote, metalen D-ringen bevestigd, met daartussen de spanwijdte van een mens. Stephen werd in de ruimte tussen de D-ringen geduwd, daarna werd de ketting om zijn borst vastgemaakt en ook aan een haak achter hem bevestigd, ongeveer ter hoogte van zijn hoofd.Al die tijd was Stephen zich bewust van de lichamen en de slechte adem van de mannen terwijl ze hem in de juiste positie manoeuvreerden. Ze waren bijna klaar. Een van de mannen, een brouwer genaamd Robert, die Stephen goed kende, haalde een doek uit zijn tuniek en drukte die in Stephens hand zodat hij zijn gezicht kon afvegen. Toen gaf Robert hem te drinken uit een leren fles.De mannen deden een stap naar achteren. Stephen werd strak rechtop gehouden. De andere man, die Stephen niet kende, maakte de bovenste ketting los. Stephen stortte naar beneden. Hij gilde, zijn handen klauwden naar de lucht. Maar de ketting hield hem tegen en werd strakgespannen door zijn gewicht. Aan het einde van de ketting hing Stephen loodrecht ten opzicht van de plaat van de zonnewijzer alsof hij het boegbeeld was van een schip dat naar zee ploegde. En het voelde alsof hij op zee was, zonder vaste grond, met alleen zijn lichaam hoog in de golvende lucht.
    Zijn lichaam wierp een schaduw waaraan de menigte die zich beneden had verzameld kon zien dat het nog geen middag was.De mannen klommen voorzichtig van de steiger en rolden die weg op de ijzeren wielen. De steiger werd gebruikt voor het onderhoud van de kerk, van het gildehuis, van de markthal, van daken en van schoorstenen, en van de zonnewijzer die de uren aanwees.Waar wil je dit hebben? vroeg de man die Robert heette. Ze hadden de gnomon verwijderd. De simpele ijzeren stut en staaf hadden goed dienst gedaan als de schaduw van de zon. Stephen had hem zelf twintig jaar geleden gemaakt. Maar nu was Stephen de gnomon, hij zweefde in de tijd, totdat het door de tijd met hem gedaan zou zijn. Stephen neemt elke ochtend de trein van 7:17. Hij komt tussen 8:10 en 8:30 aan op zijn werk. Hij verlaat zijn werk rond 18:00 uur en op de terugweg gaat hij naar de sportschool. Op de sportschool is het spitsuur en kan hij maar twintig minuten op de loopband. Hij rent, naar nergens, of fietst tien kilometer om buiten adem en zwetend aan te komen waar hij was begonnen, in een lange rij van andere mannen en vrouwen in hun eigen koptelefoonwereld.In de pub is het Happy Hour en kan hij twee glazen bier nemen voor de prijs van één. Is het de rest van de tijd Unhappy Hour? Hij vindt van wel; een lange, uitgestrekte, onveranderlijke dag met een onderverdeling die zinloos is omdat hij altijd dezelfde dingen doet. Wat maakt het uit of het 9:09 of 16:32 uur is? Hij zit altijd achter zijn scherm. Een klok die alleen ’s ochtends en ’s avonds luidt zou voldoende zijn. Hij luncht toch altijd achter zijn bureau.Stephen is gespecialiseerd in tijdmanagement. Hij helpt bedrijven efficiënter te worden, productiever. ‘Elke oplossing is anders’, staat op de website, maar Stephen weet uit ervaring dat alle oplossingen hetzelfde zijn: minder mensen die meer werk doen voor hetzelfde loon. Daar wordt een bedrijf efficiënter van. En alle anderen leven binnen die ene tijdspanne van het Unhappy Hour.

    Geduldige tijd

    Stephen stuurt zijn laatste mailtjes de avond in, zodat iemand anders langer moet doorwerken dan hij. Maar er wappert al een rode vlag in zijn inbox. Dringend. Wat is er zo dringend aan factoreren? Cashflow. Ja. Bedrijven zijn afhankelijk van de cashflow. Een ziekenauto flitst buiten op straat langs zijn raam, en dwingt het spitsverkeer de stoep op. Iemand heeft bijna geen tijd meer.Een man draait zijn autoraampje omlaag. Zijn gezicht staat boos en verslagen. Als de ziekenauto langs hem scheurt, geeft hij een ruk aan het stuur en rijdt erachteraan om een paar plaatsjes op te schuiven in de file totdat iemand vlak voor hem invoegt en zijn middelvinger opsteekt.Stephen loopt met zes kilometer per uur langs de rij auto’s. Net zoals het was toen de mensen nog overal naartoe liepen. Of toen de lange, trage aken in de lange, trage kanalen door het brede, bruine water tuften. Misschien keert alles terug naar het gemiddelde.Stephen baant zich een weg over de hem toebedeelde lichaamsgrote strook stoep. Het duurt 14,7 minuten om naar de sportschool te gaan en negen minuten om zich om te kleden. Hij is blij dat hij uit de drukte is.Spitsuur. Wanneer eindigt dat, om 21:00 uur misschien? Behalve op vrijdag, wanneer de mensen de stad uit trekken, als pelgrims op zoek naar de verlichting die nooit komt. Toen hij Laura leerde kennen, nam hij haar mee naar de Yorkshire Dales. Hij liet haar de massieve rotsen uit zijn jeugd zien. Monumentale platen van tijd. Verbeelde IJstijd. De aarde droomt in steen. En hij dacht aan de aarde die om haar as om de zon draaide, zonnejaar na zonnejaar. Immens geduldige tijd. Meteorieten. Sterrenstelsels. Het heelal haast zich van ons af. Wie kan het heelal dat kwalijk nemen?Tegenover die traagheid de snelheid van het licht, dacht Stephen; fantastisch, onmogelijk, Einstein die op een lichtstraal reist en beseft dat de tijd in theorie omkeerbaar is.Maar dat is niet zo, dacht Stephen. Wat voorbij is, is voorbij. Mijn leven is een opheffingsuitverkoop. Alles moet weg. Hij keek op zijn telefoon terwijl hij op de lift wachtte. De mensen stonden altijd op hun telefoon te kijken. Dan snelden ze naar de volgende verdieping, waar ze weer bleven staan en op hun telefoon keken.Ochtend: kakken, douchen, scheren. Telefoon checken. Naar het station lopen. Op de trein stappen. Telefoon checken. Naar kantoor lopen. Voor het scherm zitten en telefoon checken. Lunchpauze. Eten en checken. O hallo, schat, prima, en jij? Ja, ik ook, weet ik, hebben we het later nog over.
    Maar dat doen we nooit.Ik ben zo moe als ik thuiskom. Als ik laat ben, heeft Laura al gegeten, en zit ze als ik binnenkom met haar rug naar me toe achter de computer online te shoppen. Beste tijdstip, zegt ze.
    Beste tijdstip. Op tijd. Over een tijd.Maar daar is de rode vlag van DRINGEND weer. Cashflow. De rivier van tijd, en ik word meegevoerd, ik ben al bijna op zee. Avond en ochtend. Weer een dag.

    Wegtikken

    Stephen, zegt de Abt, kijk naar het hemelgewelf. De raderen van God. Dit is een hemels mechaniek. In het boek Prediker staat: Alles heeft zijn uur, alle dingen onder de hemel hebben hun tijd – er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven, een tijd om te oogsten en een tijd om te zaaien, een tijd om te lachen en een tijd om van lachen af te zien. Een tijd voor oorlog en een tijd voor vrede. Laura vraagt Stephen wat hij op zijn verjaardag wil doen. Ze gaat die dag vrij nemen. We kunnen gaan brunchen in dat zaakje in de stad. We kunnen een cadeau voor je gaan uitzoeken. We kunnen naar die nieuwe fototentoonstelling gaan. We kunnen afspreken om met Carl en Amy iets te gaan drinken als ze uit hun werk komen. We kunnen naar een voorstelling, of gaan dansen, wat je maar wilt – gewoon iets leuks doen.De dag is zo volgepland, en Stephen is uitgeput. Hij vraagt zich af welk deel van het heden de mensen besteden aan het plannen van de toekomst.Enig idee wat je voor je verjaardag wilt hebben? Zeg nu niet: sokken. (Stephen heeft zijn hele leven nog nooit sokken gevraagd.) Zo moeilijk om een cadeau voor een man te kopen. Maar het is wel je verjaardag.De dag breekt aan en Stephen wordt vroeger wakker dan op een werkdag. Dat is oneerlijk. Laura slaapt nog, dus Stephen loopt zacht naar beneden om thee te zetten. Bij de ketel ligt een cadeau met een kaart ertegenaan. Hij zet ’s ochtends altijd de thee. Hij glimlacht en pakt zijn cadeau uit. Met Kerst heeft ze hem een stappenteller gegeven. In het doosje ligt een nieuw horloge. Het is groot en mooi, met een leren bandje en een zwarte wijzerplaat. Hij heeft zijn bril nodig. Hij pakt hem erbij.De bovenmaatse uurwijzer is een miniatuur-Stephen gekleed in pak. De minutenwijzer is een miniatuur-Stephen in zwembroek. Daar is hij, hij tikt zichzelf voorbij.Ik wist wel dat je dit leuk zou vinden – Laura is wakker geworden en vleit zich als een kat tegen hem aan.Het bedrijf heet My Time. Je kunt jezelf in eindeloos veel soorten klokken en horloges opsluiten, je grijnzende gezicht op de wijzerplaat zetten. Je lichaam de tijd laten wegtikken.

    Laura gaat douchen om aan de dag te beginnen. Stephen kleedt zich snel aan, zonder zich te scheren, pakt een flesje water en stapt in de auto. Hij kijkt niet op zijn telefoon. Hij wil niet brunchen, niet naar een voorstelling, niet met vrienden afspreken, niet vijf minuten op Laura liggen pompen. Ze is altijd te moe voor seks, maar soms moet hij het gewoon doen. Dat begrijpt ze. Ze maken er nooit ruzie over. Hij gaat naar een plek die hij kent. Daar is een rivier, en de ruïne van een abdij. Toeristen komen de middeleeuwse overblijfselen bekijken. Er is een verhaal over een man die een klok maakte die werd vernield.

    Zoals de Luddieten de mechanische weefgetouwen vernielden – de meedogenloze opkomst van de machine. Maar je kunt de klok niet terugdraaien.

    Stephen gaat op een bankje zitten en drinkt wat water. Hij kijkt op zijn telefoon. Zestien gemiste oproepen van Laura. Hoog in de lucht is een gps die precies weet waar hij is. Er is geen ontkomen aan.

    Hij kijkt naar zichzelf, opgesloten in het horloge. Is dit wat het betekent om iemand te zijn?

    Tijd de vernietiger

    Er rijdt een busje voorbij met een tekst op de zijkant: Je bent niet in het verkeer, je bent het verkeer. Dat herinnert Stephen zich uit zijn tijd als waardeloze filosofiestudent. Heidegger: Je bent niet in de tijd, je bent de tijd.

    Maar als ik Tijd ben, denkt hij, waarom is er dan nooit genoeg van mij? Misschien dat andere mensen stiekem zijn tijd gebruiken, zoals je ook op iemands wifi kunt inloggen? Misschien werd hij dagelijks gedownload door onbekenden die hun tijdlimiet wilden verhogen? Of was het zoals met bloed doneren en had hij een tijdtransfusie nodig?

    Stephen wandelde naar de abdij en las het informatiebord. De andere Stephen was gestorven van de dorst en door een zonnesteek. Prometheus in zijn eigen vuur. Ze hadden zijn lichaam niet losgesneden. Het was weggerot en wierp een schaduw op de grond die elke dag rafeliger werd. Tijd de vernietiger.

    ‘Wat een barbaren, hè?’ zei iemand die naast hem het bord stond te lezen.

    Stephen keek naar zichzelf op zijn horloge, waarop zijn kleine lichaam de wijzerplaat rond rende. Ontsnappen was onmogelijk. Hij was gevangen in een leven van tijd. Zijn telefoon ging weer. Laura. U hebt zeventien gemiste oproepen. Dit bericht is van 9:27.

    Hij belde haar. Wachtte tot ze vijf minuten lang had gewat-in-godsnaamd, en vroeg toen: ‘Zullen we een eind gaan wandelen?’ ‘Ik heb de hele dag voor je georganiseerd!’ ‘Dat weet ik.’ ‘Wat is er aan de hand, Stephen? Is er iets?’

    Maar ze komt naar hem toe. En hij pakt haar bij de hand. En het verdriet in hem is zo diep dat ze denkt dat ze zal verdrinken. Ze wil tegen hem zeggen dat ze op tijd terug moeten zijn voor… maar dat doet ze niet en ze wandelen, aanvankelijk ongemakkelijk, maar dan met gelijke tred, en de zon gaat met ze mee, en deze dag is – eindelijk – weer van hen.

    Jeanette Winterson

    Jeanette Winterson werd bekend met een overrompelend debuut, Oranges Are Not the Only Fruit,dat in 1985 verscheen. Het boek won de Whitbread Prize voor Beste Debuut en de gelijknamige miniserie kreeg de BAFTA voor Beste Drama.


    Voor haar roman The Passion uit 1987 ontving Winterson de John Llewelyn Rhys Memorial Prize en voor Sexing the Cherry (1989) de E.M. Forster Award. In 2006 werd ze voor haar verdiensten voor de literatuur benoemd tot Officer of the British Empire.


    De nieuwe roman van Jeanette Winterson, Het gat in de tijd, een hervertelling van Een winteravondsprookje van Shakespeare, verschijnt binnenkort bij uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

    (Foto boven Keith Byers/Flickr)