Tag: mensenrechten

  • Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Japanse bedrijven hebben het af laten weten

    Kwaliteit produceren is niet voldoende. Je moet je ook aanpassen aan je markt, zegt de Japanse hoogleraar Technische Wetenschappen Yotaro Hatamura. Het tijdperk van Japan als technologische grootmacht lijkt ten einde.

    De industriële grootmacht Japan schudt al een tijdje op zijn grondvesten. Elektronicareuzen als Sony en Sharp kampen met financiële problemen en de halfgeleiderssector, kort geleden nog de trots van het land, wordt overvleugeld door zijn Zuid-Koreaanse en Chinese concurrenten. Wat is de oorzaak van dit debacle? Die vraag stelden we aan Yotaro Hatamura, emeritus hoogleraar Technische Wetenschappen aan de Universiteit van Tokio en verdediger van de theorie dat men door schade en schande wijs wordt.

    Na de Tweede Wereldoorlog voerde de Japanse industrie een verbeten strijd om haar achterstand op het Westen in te lopen en het vervolgens te overtroeven. Deze inspanningen hebben bijgedragen aan de economische ontwikkeling van het land; de groei bereikte zijn hoogtepunt in de jaren tachtig. Toen het technologische en kwalitatieve niveau van Japanse producten erkenning begon te vinden in het buitenland, ging de archipel er prat op een ‘technologische grootmacht’ te zijn. Maar sindsdien is de financiële situatie van de Japanse bedrijven danig verslechterd, vooral als gevolg van de prijsdaling die is veroorzaakt door de Chinese en Zuid-Koreaanse massaproductie.

    Hoe kan aan deze problemen het hoofd worden geboden? Yotaro Hatamura heeft een zeer originele kijk op deze vraag. Volgens hem kan de periode van zeventig jaar sinds 1945 worden verdeeld in twee grote tijdvakken: vijftig jaar wonderen en twintig jaar getalm. ‘Zoals schepen zich ’s nachts op hun bestemming oriënteren aan de hand van vuurtorens, hebben de Japanse ondernemingen een hoog technologisch niveau bereikt door zich op het Westen te oriënteren en alles in het werk te stellen om hun achterstand in te halen. Dat was hun bestaansreden.’ Maar nadat ze hun doel hadden bereikt, hebben ze het laten afweten. ‘De Japanse bedrijven hadden naar hun eigen bestaansredenen moeten zoeken, maar ze hebben zichzelf alleen maar gefeliciteerd.’

    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons
    De Japanse Aibo-robot gold in 1999 als zeer vernieuwend. © Kate Nevens/Flickr Creative Commons

    Als voorbeeld noemt Hatamura de halfgeleiders. In de jaren tachtig voldeed meer dan 95 procent van de Japanse productie aan de kwaliteitsnormen, terwijl het Zuid-Koreaanse Samsung bleef steken op tussen de 60 en 70 procent. De Japanse fabrikanten staken de draak met hun Zuid-Koreaanse collega’s, die volgens hen alleen maar ‘rotzooi’ produceerden. Maar door tegen lage kosten te produceren is Samsung erin geslaagd grote hoeveelheden halfgeleiders af te zetten, waardoor het nieuwe apparatuur kon aanschaffen en daarmee de kwantiteit en de kwaliteit van zijn productie kon verbeteren, totdat het uiteindelijk de Japanse markten veroverde.

    Ongeluk

    Hatamura komt met een boodschap om de Japanse industrie te stimuleren: ‘Japan moet de illusie laten varen dat het een technologische grootmacht is.’ Dat dit nodig is werd hem duidelijk toen hij de commissie voorzat die het ongeluk in Fukushima onderzocht. Tot zijn grote verbazing bleken de verantwoordelijken voor de kerncentrale niet te weten in welke staat de brandstof in de reactoren verkeerde. Er waren diverse programma’s om die te analyseren en de resultaten daarvan spraken elkaar tegen. Bovendien waren alle programma’s van Amerikaanse makelij. ‘Met andere woorden, de Japanse centrales worden gerund door mensen die nooit rekening hebben gehouden met de mogelijkheid van een ongeluk,’ aldus Hatamura. In principe moet er na een nucleair ongeluk een reconstructie plaatsvinden om er zeker van te zijn dat de uitkomsten van het gesimuleerde analyseprogramma corresponderen met de verschijnselen die zich in werkelijkheid hebben voorgedaan. De onderzoekscommissie had om zo’n reconstructie gevraagd, maar die werd te kostbaar bevonden.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren’

    Desondanks willen de regering en de zakenwereld de reactoren weer opstarten en hebben ze zelfs de ambitie die te exporteren. ‘Dat is ontoelaatbaar,’ zegt Hatamura met stemverheffing, en hij veroordeelt het weer opstarten van een van de reactoren op het eiland Kyushu. ‘Hoewel de eerste regel die in een nieuw reglementeringsprogramma zou moeten worden opgenomen het bestaan van een evacuatieplan voor de bevolking zou moeten zijn, is daarin niet voorzien. De regering en de elektriciteitsbedrijven zeggen “lessen te hebben getrokken uit Fukushima”, maar volgens mij hebben ze er alleen de lessen uit getrokken die ze wilden trekken.’ Volgens deze verdediger van het principe dat men door schade en schande wijs moet worden is er sprake van schrijnende onverschilligheid.

    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een medewerkster in een robotbestuurd magazijn van Toho Pharmaceutical Co. in Kuki. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Als het eenmaal de illusie heeft laten varen dat het een technologische grootmacht is, wat voor toekomst heeft Japan dan nog in dit tijdperk van globalisering? Volgens Hatamura moeten de Japanse bedrijven zich ervan bewust worden dat er verschillende waarden bestaan, en drie regels in acht nemen die ook zijn eigen credo vormen: zich ter plaatse begeven, het werkelijke terrein verkennen en vervolgens in contact treden met de plaatselijke bevolking en in alle openheid met hen discussiëren. Op die manier zullen ze producten kunnen ontwikkelen die zijn aangepast aan de plaatselijke omstandigheden, met andere woorden, zullen ze de plaatselijke waarden leren begrijpen – en dat is volgens de emeritus hoogleraar de sleutel tot succes.

    Waarden

    Hatamura wijst erop dat sommige Japanse bedrijven deze drie regels inmiddels in praktijk beginnen te brengen. Zo is Nissan in China een succesvolle joint venture aangegaan met een plaatselijk bedrijf dat kleine motoren inbouwt in luxe automodellen. Veel Chinezen die hun auto als een statussymbool zien, hebben voor hetzelfde geld liever een luxueus model dan een model met goede prestaties.

    ‘Japanners zijn ervan overtuigd dat ze goed zullen verkopen als ze maar kwaliteit leveren,’ aldus Hatamura. ‘In werkelijkheid zouden fabrikanten moeten proberen te beantwoorden aan de consumentenverwachtingen op het gebied van kwaliteit, prijs, ontwerp, functies, gebruiksgemak en -plezier, garantie enzovoort. Als Japan in de problemen is gekomen door de wereldwijde concurrentie, dan is het omdat het onvoldoende rekening heeft gehouden met de waarden van de lokale bevolkingen.’

    Kan men zich om die reden tevredenstellen met het verkopen van hoogwaardige technologie aan het buitenland? In 2013 leverde de East Japan Railway Company (JR East) 180 wagons van een oude serie aan Indonesië, samen met de technische ondersteuning die nodig was om het materieel te onderhouden. Het jaar daarop leverde het bedrijf er nog eens 170. De technische ondersteuning waarin het contract voorzag omvatte onderhoud, exploitatie en garantie. De afgelopen jaren was Japan ook in de strijd met China voor de aanleg van een hogesnelheidslijn in Indonesië [Jakarta heeft de opdracht op 4 september aan China gegund]. Het contract met JR East toont aan dat het niet voldoende is om de nieuwste modellen van de hogesnelheidstrein Shikansen te verkopen, maar dat je ook moet beseffen dat er gewoon behoefte kan zijn aan een regionaal netwerk, vooral als daar te weinig materieel voor is.

    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg
    Een aluminiumfabriek in Tokio. © Kiyoshi Ota/Bloomberg

    Volgens Hatamura moet Japan in staat zijn om in te spelen op de behoeften van zijn partners, ook al zijn die laatste zich daar misschien nog niet van bewust. ‘JR East verkoopt niet alleen treinstellen van een oude serie, het verkoopt ook spoorwegvoorzieningen. Door een land bekend te maken met je eigen manier van opereren draag je ook bij aan de ontwikkeling van dat land. Daarmee verzeker je je niet alleen van een markt, maar ook van plaatselijke waardering. En je kunt je manifesteren in landen waar je aanwezigheid onontbeerlijk is.’

    Niemand heeft een kant-en-klaarrecept om uit de industriële impasse te geraken. Maar om nieuwe waarden te kunnen kweken zal Japan zich allereerst moeten ontdoen van zijn trots als industriële grootmacht die, zoals we hebben gezien, alleen maar een illusie is.

    Indicatoren halfstok

    ‘Volgens recent gepubliceerde gegevens gunt de Japanse economie premier Abe nog geen rust in dit moeilijke jaar’, onthult The Economist. ‘Het bbp van Japan is in het tweede trimester met 1,2 procent gedaald, waar het eerste trimester nog een groei te zien gaf. Voor het derde trimester wordt gevreesd. De industriële productie is in augustus verder gedaald, wat op een mogelijke recessie duidt’, aldus het Britse weekblad. Toch toont premier Shinzo Abe zich optimistisch; hij mikt zelfs op een toename van het bbp met 22 procent tot 600 miljard yen [4500 miljard euro], overigens zonder aan te geven hoe hij dat wil bereiken en op welke termijn. De vertrouwensindex van de grote industriële bedrijven is in september met 3 procent gedaald.

    Auteur: Takashi Ishitsuka
    Vertaler: Peter Bergsma

    Mainichi Shimbun
    Japan, dagblad, oplage 3.960.000 (ochtendeditie), 1.660.000 (avondeditie met andere inhoud)
    Oudste krant van Japan, 1872 voor het eerst uitgegeven onder de naam Tokyo Nichi Nichi Shimbun. De krant wordt twee keer per dag gedrukt. De site is ook in het Engels te lezen. Krant voor het politieke midden.

  • De VN: wat is er na zeventig jaar en met 500 biljoen dollar bereikt?

    De VN: wat is er na zeventig jaar en met 500 biljoen dollar bereikt?

    Zeventig jaar na de oprichting van de VN op 
24 oktober 1945 maakt de Britse kwaliteitskrant The Guardian de balans op.

    Dag Hammarskjöld, de tragisch omgekomen derde secretaris-generaal van de VN, verwoordde het trefzeker: ‘De Verenigde Naties zijn niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden.’ Welke hel 
hij in gedachten had was niet moeilijk te raden in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en Hitlers vernietigingskampen, en in de schaduw van de atoombom.

    De vraag in hoeverre de VN een rol speelde bij het voorkomen van een nucleaire vernietiging verdeelt historici, maar er kan geen twijfel over bestaan dat de organisatie sinds haar oprichting in oktober 1945 miljoenen mensen voor andere vormen van de hel heeft behoed. Voor diepe armoede, voor het zien sterven van kinderen aan ziekten die te genezen zijn, voor de hongerdood tijdens de vlucht voor oorlogen in de heksenketel van ideologische rivaliteiten tussen Washington en Moskou, die op de slagvelden in Afrika en Azië werden uitgevochten. Het kinderfonds Unicef voorzag in de scholing en een beter levenspad voor miljoenen kinderen, onder wie de huidige secretaris-generaal Ban Ki-moon. De ontwikkelingsprogramma’s van de VN waren bepalend bij de hulp aan landen om na de koloniale overheersing zichzelf te gaan besturen.

    Maar toch. De VN mag zijn geprezen als de grote hoop voor de toekomst van de mensheid, de organisatie is ook veroordeeld als een schandelijk hol van dictaturen, heeft woede gewekt door haar verlammende bureaucratie, als internationale dekmantel van corruptie en door de ondemocratische gang van zaken in de Veiligheidsraad. De VN trekt ten strijde in de naam van de vrede, maar heeft werkeloos toegezien bij genocide. En in zeventig jaar heeft de organisatie meer dan 500 biljoen dollar uitgegeven.

    ‘De Verenigde Naties is niet opgericht om de mensheid naar de hemel te leiden, maar om haar voor de hel te behoeden’

    Gecorrigeerd voor inflatie zijn de jaarlijkse uitgaven van de organisatie nu veertig maal hoger dan in de jaren vijftig. De VN telt thans zeventien ge-
specialiseerde instellingen, veertien fondsen en een secretariaat met zeventien onderafdelingen en heeft alleen al in New York 41.000 mensen in dienst. De lopende begroting is in twintig jaar meer dan verdubbeld en bedraagt nu 5,4 miljard dollar per jaar. Maar dat is slechts een klein deel van de uitgaven. Vredesmissies slurpen nog eens 9 miljard per jaar op met 120.000 peacekeepers, voornamelijk in Afrika. En dan zijn er nog de vrijwillige bijdragen van sommige lidstaten voor noodhulp, ontwikkelingswerk en instellingen als Unicef.

    Maar al met al geeft de VN dit jaar niet meer uit dan de helft van de begroting van 80 miljard van de stad New York voor 2015.

    Blauwhelmen patrouilleren in de straten van Goma, DR Congo. – © Flickr Vision
    Blauwhelmen patrouilleren in de straten van Goma, DR Congo. – © Flickr Vision

    Helen Clark kreeg als premier van Nieuw-Zeeland voor het eerst te maken met de VN, en vond in die tijd dat de organisatie door haar omvang en middelen van groot nut was bij het verdelen van de hulpgelden die kleine landen zoals het hare beschikbaar stellen. Ze is sinds zes jaar het hoofd van het ontwikkelingsprogramma van de VN, het UNDP, en daarmee de machtigste vrouw in de organisatie. Sindsdien is ze wat minder enthousiast. ‘Toen ik hier kwam, was het UNDP net een jaar bezig met het allereerste strategische plan in zijn bestaan. Maar daarin werden zo veel doelen gesteld dat het allemaal geen enkele zin had.’

    Tien jaar geleden kwam de VN met een rapport waarin verregaande hervormingen van de versplinterde organisatie werden voorgesteld. Die zouden moeten worden doorgevoerd onder leiding van Adnan Amin, een Keniaanse ontwikkelingseconoom. Dat rapport bevatte volgens Amin ‘fundamenteel goede ideeën’, maar had niet de gevolgen die de samenstellers ervan verwachtten. ‘Het leidde tot een stroom van nieuwe rapporten binnen de VN, die volstrekt onleesbaar waren voor buitenstaanders. Er is sindsdien wel vooruitgang geboekt, maar geen fundamentele wijziging in de manier waarop de VN de zaken aanpakt.’

    Het grootste obstakel voor verandering zijn de lidstaten. Er is een tendens onder lidstaten die het grootste deel van de rekeningen betalen om de armere lidstaten af te schilderen als een struikelblok voor modernisering en vergroting van de doelmatigheid van de organisatie. Maar volgens de 
134 kleinere contribuanten, verenigd 
in de G77, is dat streven naar meer doelmatigheid een truc van de rijke landen om hun greep op de VN te verstevigen. ‘In naam van de doelmatigheid hebben de rijke landen de topposities ingenomen in het secretariaat,’ zegt de Indiase VN-ambassadeur Asoke Kumar Mukerji, de leider van de G77.

    Helen Clark, die wel wordt gezien als de toekomstige (eerste vrouwelijke) secretaris-generaal van de VN, wordt door westerse lidstaten geprezen om de hervormingen die zij in het UNDP heeft doorgevoerd. Maar de G77 ziet 
dat toch anders: er zitten in de top 
van het UNDP te weinig mensen uit 
de ontwikkelingslanden zelf. ‘En daardoor is het een organisatie geworden die het karakter niet begrijpt van de landen waarvoor zij werkt,’ werpt Mukerji tegen.
    Er wordt met een schuin oog gekeken naar de huidige secretaris-generaal, die als zwak wordt beschouwd. ‘Het zou mooi zijn om eens te zien wat een krachtige secretaris-generaal voor verschil zou maken,’ zegt een topambtenaar in New York. ‘Dat vindt iedereen. Maar die sterke man of vrouw komt er hoogstwaarschijnlijk nooit. De grote lidstaten willen een secretaris-generaal die ze kunnen beïnvloeden, kunnen sturen.’

    © Salah Malkawi / Getty
    © Salah Malkawi / Getty

    ‘Hervorm de VN’

    De Verenigde Naties, opgericht aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, hebben zich niet aangepast aan de hedendaagse realiteit, meent het Russische tijdschrift voor internationale betrekkingen Rossia v globalnoj politike. In 1945 maakte de bevolking van de landen die een zetel hadden in de Veiligheidsraad 66 procent van de wereldbevolking uit, en hun bruto nationaal product was 59 procent 
van het mondiale bnp. Daarnaast waren de overwinnaars in de oorlog de enige landen die beschikten over de atoombom. In 2014 waren die cijfers gedaald tot respectievelijk 22 en 46 procent. Ten minste nog vier landen 
– India, Pakistan, Israël en Noord-Korea – beschikken nu over kernwapens en nog eens een twintigtal landen moet in staat worden geacht dergelijke wapens te produceren.

    Het gebrek aan representativiteit 
van de Veiligheidsraad doet het vertrouwen in dat instituut teniet. Daarom, aldus het Russische tijdschrift, moet worden geprobeerd de VN te hervormen, rekening houdend met de nieuwe werkelijkheid. Dat wordt een van de voornaamste taken van de BRICS-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) in de komende jaren. Maar om het aantal leden van de Veiligheidsraad niet te vergroten – die uit een compact gezelschap dient te blijven bestaan – zouden Rusland en China bijvoorbeeld, zo stelt het Russische blad zich voor, hun vetorecht bij voorkomende gelegenheid kunnen afstaan aan een van hun partners binnen de BRICS, dat wil zeggen aan Brazilië, India of Zuid-Afrika.

    gettyimages 465346096

    Strijd tegen straffeloosheid

    Een commissie met een mandaat van de VN heeft een sleutelrol gespeeld in de ontwikkelingen waarbij president Otto Pérez Molina van Guatemala zich genoodzaakt zag af te treden, analyseert de krant El Periódico. De president werd vervolgens op verdenking van betrokkenheid bij corruptie gearresteerd.

    De burgerbeweging die al weken manifesteerde tegen de president en de justitiële instanties heeft een overwinning behaald dankzij de steun van de Internationale Commissie tegen de straffeloosheid in Guatemala (CIGIG), ‘een onafhankelijke organisatie die als een soort internationaal openbaar ministerie functioneert, maar onder de juridische autoriteit van Guatemala’, aldus een andere krant, El Espectador.

    De CIGIG werd 2007 door de VN in het leven geroepen op verzoek van Guatemala om de autoriteiten bij te staan in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, die tot in de staatsinstellingen was doorgedrongen. Andere landen, waaronder Honduras, hebben de VN inmiddels gevraagd om voor hen ook een soortgelijk instituut in het leven te roepen.

    ‘Een lichte schijn van geloofwaardigheid’

    De vredesmissie van VN-blauwhelmen in de Democratische Republiek Congo, MONUSCO, bestaat al zestien jaar. En er zit nog toekomst in, want nog altijd wordt het land verscheurd door oorlogshandelingen. Met 20.000 man is MONUSCO op dit moment de grootste VN-operatie in de wereld.

    ‘Tal van jaren heeft MONUC, later MONUSCO, niet uitgeblonken op militair gebied. Onmacht en passiviteit waren de belangrijkste trefwoorden om de acties van de VN in Congo te kenschetsen’, schrijft het blog Afrikarabia. In 2013 kwam er plotseling een einde aan de daadloosheid. De Interventiebrigade van MONUSCO werd in de strijd geworpen tegen de rebellenbeweging M23 in Noord-Kivu. De brigade had een nieuw, offensiever mandaat ontvangen en maakte een einde aan de rebellie van M23, met steun van het Congolese leger.

    ‘De Brigade heeft dus twee vliegen in één klap geslagen: M23 werd militair verslagen, en de blauwhelmen en het reguliere leger hebben weer een lichte schijn van geloofwaardigheid gekregen’, concludeert Afrikarabia.
    Seksueel geweld tijdens VN-missie

    Het hoofd van de VN-missie in de Centraal-Afrikaanse Republiek heeft begin augustus op verzoek van de secretaris-generaal zijn functie neergelegd, na de zoveelste beschuldiging tegen de blauwhelmen onder zijn bevel van seksueel geweld. In de Keniaanse krant The Daily Nation schrijft de vrouwelijke commentator Rasna Warah: ‘De VN, die geen enkele tolerantie zegt te hebben voor seksueel geweld begaan door blauwhelmen, is niet in staat gebleken het kwaad in te dammen en is nog minder bereid de schuldigen voor de rechter te brengen. Erger nog: degenen die het misbruik hebben gemeld, zoals Anders Kompass [lid van de VN-missie die de zaak aan het daglicht bracht] zijn van hun functie ontheven.’

    Als volgens Warah ‘de VN de daders niet kan vervolgen, kan de organisatie op zijn minst landen waaruit de betrokken soldaten afkomstig zijn weigeren om aan toekomstige vredesmissies deel te nemen’.

    Geen geld voor vluchtelingen

    Het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN (UNHCR) heeft een geldtekort. De organisatie heeft dit jaar 4,5 miljard dollar nodig, maar tot op heden is daar nog geen 40 procent van binnen. Bij gebrek aan middelen heeft het Wereldvoedselprogramma van de VN (WFP) de rantsoenen voor de Syrische vluchtelingen al moeten inkrimpen. ‘Instellingen voor humanitaire hulp van de VN staan aan de rand van een faillissement,’ meldt The Guardian, die dat heeft vernomen van António Guterres, de hoge commissaris. In 2015 moet hij al met 10 procent minder toekomen dan het jaar ervoor, terwijl de nood nooit zo hoog is geweest.

  • Waarom de VN Syrië niet kan redden

    Waarom de VN Syrië niet kan redden

    De Verenigde Naties bestaan in oktober zeventig jaar. De machteloze positie waarin de organisatie zich momenteel bevindt, wordt perfect belichaamd door de Zweeds-Italiaanse diplomaat Staffan de Mistura, speciaal gezant van de VN voor Syrië. Zijn opdracht, een vreedzame oplossing vinden voor het conflict, is een mission impossible. Journaliste Janine di Giovanni volgde De Mistura een jaar lang op de voet, en schreef een haarfijn portret.

    In juli 2014 was Staffan de Mistura, een 68-jarige Zweeds-Italiaanse diplomaat, al half en half van zijn pensioen aan het genieten toen hij op het eiland Capri een telefoontje kreeg van zijn oude baas, Ban Ki-moon, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die hem misschien wel de moeilijkste baan ter wereld aanbood. De Mistura had onder Ban gewerkt als hoofd van de VN-missie in Afghanistan en Irak, en nu kreeg hij het verzoek om speciaal gezant van de VN te worden voor Syrië, met als opdracht een vreedzame oplossing te vinden voor een van de bloedigste en meest complexe oorlogen van deze tijd.

    De Mistura aarzelde. Na een onderministerschap van Buitenlandse Zaken in de Italiaanse regering was hij onlangs directeur geworden van Villa San Michele, een Zweedse cultuurstichting op Capri, en daarnaast speelde hij met het idee om een mediterrane politieke denktank op te richten. Hij had 42 jaar humanitair werk gedaan en negentien jaar in het buitenland gewerkt, voornamelijk in conflictgebieden, en nu had hij zijn vriendin en zijn twee kinderen (uit een eerder huwelijk) beloofd om een ‘normaler leven’ te gaan leiden.

    Maar zijn twijfel had ook politieke 
redenen. De eerste twee VN-gezanten voor Syrië, oud-secretaris-generaal Kofi Annan en de doorgewinterde 
diplomaat Lakhdar Brahimi, waren mannen met een statuur om u tegen te zeggen, en toch waren ze er niet 
in geslaagd om een einde te maken 
aan het bloedvergieten. De VN-Veiligheidsraad was sterk verdeeld – China en Rusland kozen partij voor de regering van Bashar al-Assad, de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk steunden een samenraapsel van oppositiegroepen onder aanvoering van de Syrische Nationale Coalitie. Noch de regering-Assad, noch de versplinterde oppositie toonde enige bereidheid om compromissen te sluiten of zelfs maar te onderhandelen. En zowel Annan en Brahimi hadden uiteindelijk totaal gedesillusioneerd hun opdracht teruggeven.

    Na zijn successen in Afghanistan en Irak – waarvoor de Amerikaanse president Barack Obama hem omstandig had geprezen – vroeg De Mistura zich af waarom hij zijn reputatie op het 
spel zou zetten voor een onderneming die tot mislukken gedoemd was. Een mission impossible, zoals een van zijn beste vrienden het noemde.

    Mistura spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit

    Geen baan zo zwaar als die van VN-gezant in Syrië. Als vertegenwoordiger van ‘de internationale gemeenschap’ – lees: de VN – moet de gezant de strijdende partijen aan de onderhandelingstafel zien te krijgen. Maar in het geval van de oorlog in Syrië, waar minstens zes landen bij betrokken zijn, vereist dat niet alleen de deelname van
 de belangrijkste landen in de regio – Saoedi-Arabië, Turkije, Jordanië, Qatar en Iran – maar ook die van 
wereldmachten als Rusland, China 
en de VS. (Omdat geen enkel land in 
de regio als neutraal geldt in het Syrische conflict, werkt de gezant inmiddels vanuit een kantoor in Genève.)

    Na Bans telefoontje in juli kon hij niet slapen. ‘Ik voelde me schuldig,’ bekende hij toen ik hem in augustus 2014 voor het eerst sprak. Hij had in de heftigste oorlogsgebieden ter wereld gewerkt, naar eigen zeggen vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’. 
Ditmaal had De Mistura de beker het liefst aan zich voorbij laten gaan, maar hij kon Bans laatste woorden niet uit zijn hoofd zetten. ‘Hij wees me op de ernst van situatie in Syrië. Het aantal doden, het aantal vluchtelingen, de gruwelijkheid van het geweld.’ Na een paar doorwaakte uren belde hij Ban, om drie uur ’s nachts, en nam de baan aan.

    De Mistura staat bekend als een creatief en inventief diplomaat, met een grote betrokkenheid bij de problemen van burgers en vluchtelingen. (Zijn eigen vader was in de Tweede Wereldoorlog statenloos geworden. ‘Ik begreep als jongen van tien al dat het gebrek aan waardigheid voor een politiek vluchteling nog het moeilijkst te verdragen is.’) Van zijn collega’s en vrienden hoor ik verhalen over zijn improvisatietalent: dat hij een luchtvaartmaatschappij zo ver kreeg om voedsel naar het hongerende Kaboel te vliegen, dat hij in Soedan de kamelen van het Wereldvoedselprogramma die vaccins vervoerden blauw liet verven zodat ze vanuit de lucht zichtbaar waren voor de helikopters die ze tegen rovers beschermden, dat hij tijdens het beleg van Sarajevo smokkelaars inschakelde om dekens en maaltijden naar de wegkwijnende bevolking te brengen.

    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters
    De Mistura met de Syrische president Assad tijdens een onmoeting in Damascus in 2014. – © Reuters

    Maar aan die talenten heeft De Mistura in Syrië niet veel. De belangrijkste reden dat er geen schot zit in de onderhandelingen is dat geen van de betrokkenen – noch de strijdende partijen, noch de regionale en wereldmachten die op de achtergrond aan de touwtjes trekken – belang heeft bij vrede, zegt een VN-functionaris die nauw met De Mistura samenwerkt. ‘Ze denken allemaal dat ze het conflict kunnen winnen, en als de bemiddelaars zich onpartijdig proberen op te stellen, schreeuwen ze moord en brand,’ aldus de VN-functionaris. 
‘Zo ging het ook bij Annan en Brahimi.’

    Een van de grootste problemen van 
De Mistura en zijn voorgangers is om de aandacht van de rest van de wereld vast te houden. Brahimi gooide de handdoek in de ring omdat hij, zoals hij zelf zei, ‘niets bereikte’, en aftreden ‘de enige manier was om tegen de totale desinteresse van de internationale gemeenschap en de regio voor de situatie in Syrië te protesteren’.

    Niettemin begon De Mistura, die zichzelf weleens een ‘onverbeterlijke optimist’ heeft genoemd, vol goede moed als derde vredesonderhandelaar, maar het valt hem niet mee om hoopvol te blijven. ‘Het is na verloop van tijd een marionettenoorlog geworden, waarbij vrijwel iedereen, óók de Syrische regering, bereid is te vechten tot de laatste Syriër om de wereld van zijn eigen gelijk te overtuigen,’ vertrouwde hij me afgelopen zomer toe. ‘Dit is de meest cynische oorlog die ik ooit heb meegemaakt.’


    Vriendjespolitiek

    De Mistura is nu een jaar bezig. Syrië staat in brand, en Turkije, Iran, Saoedi-Arabië en Qatar staan eromheen te wachten tot ze het karkas kunnen schoonpikken. Vier miljoen Syriërs zijn het land ontvlucht, er zijn 230.000 doden gevallen, en nog altijd wordt 
de burgerbevolking met chloorgas en vatenbommen bestookt. Het is een helse strijd, de ergste waarover ik in al mijn jaren als oorlogsverslaggever heb bericht. De belangrijkste partijen – de Syrische regering en de Syrische Nationale Coalitie – peinzen er niet over om de wapens neer te leggen, en zijn tot dusver dan ook niet bereid geweest om met open vizier te onderhandelen. 
De opkomst van IS heeft de situatie 
nog erger gemaakt: Assad kan zich nu voordoen als bondgenoot in de strijd tegen IS, en veel Syriërs scharen zich nog liever achter Assad dan achter een groep bloeddorstige radicale jihadisten.

    Van het begin af aan heeft De Mistura geweten dat hij in zekere zin in een afgrond staarde. Toen ik hem een paar weken nadat hij als gezant was begonnen voor het eerst sprak in Brussel, waar hij met zijn vriendin woont, vertelde hij over het gruwelijke lot van de Syrische burgerbevolking. Hij sprak over zijn eerdere frustraties in Soedan en Bosnië. De Mistura is met zijn aristocratische uitstraling een zeldzaamheid bij de VN: hij spreekt zeven talen, maakt buiginkjes en deelt handkussen uit, draagt elegante pakken en een 
pince-nez, en als hij voor langere tijd ergens heen moet, neemt hij zijn zilveren pepermolentje mee. Hij kan goed 
luisteren, en zijn bezorgdheid om de Syrische bevolking is onmiskenbaar oprecht.

    Maar de afgelopen maanden is De Mistura van alle kanten bekritiseerd omdat hij de vrede geen millimeter dichterbij heeft weten te brengen.

    Hij zou niet genoeg zijn best hebben gedaan om de Syrische oppositie mee te krijgen, om te zorgen dat overeengekomen wapenstilstanden daadwerkelijk worden nageleefd, en om het 
geweld tegen burgers terug te dringen in plaats van zich alleen te richten op het politieke proces. Het ergste verwijt is misschien nog wel dat hij zich alleen zou omringen met oude getrouwen – het woord ‘vriendjespolitiek’ valt in dit verband nogal eens – en niet met experts die de regio terdege kennen. Kenneth Roth, de directeur van Human Rights Watch, zegt dat De Mistura ‘de grote lijnen’ niet ziet en zich blindstaart op het bereiken van kleinschalige wapenstilstanden.

    De kritiek komt er in wezen op neer dat De Mistura meer van zijn onmogelijke opdracht had moeten maken, een verwijt dat moeilijk te verifiëren valt. ‘Of je nu een goede of een slechte onderhandelaar bent, als de tijd niet rijp is, krijg je niets voor elkaar,’ zegt een ervaren Amerikaanse diplomaat. ‘Je kunt de situatie op het strijdtoneel uitbuiten – de manier waarop destijds de oorlog in Bosnië is beëindigd. Maar je kunt als VN-gezant die situatie niet naar je hand zetten. Je kunt er alleen 
je voordeel mee doen, als je tenminste experts hebt die de dynamiek goed aanvoelen. Je moet een uitgewerkt plan achter de hand hebben voor het moment dat de tijd rijp is.’

    Vooral de beschuldiging van vriendjespolitiek steekt De Mistura. Het leek hem het beste om mensen aan te trekken met wie hij eerder goede ervaringen had opgedaan – en die zich voornamelijk hadden onderscheiden door hun loyaliteit aan hem – maar die aanpak lijkt hem nu op te breken. ‘Vriendjespolitiek, dat is dat je een baantje voor iemand regelt in Genève of New York,’ volgens De Mistura – niet in de frontlinie van een oorlog. Hoe dan 
ook, de prestaties van zijn staf liggen nu onder vuur. Mouin Rabbani, een Nederlands-Palestijnse Midden-Oostenkenner die zich begin dit jaar terugtrok als belangrijkste politiek adviseur van De Mistura, zegt dat die staf overwegend bestond uit ‘mensen die vooral uitblonken in persoonlijke loyaliteit, en die lang voor hem hadden gewerkt’.

    ‘Ik wil niet beweren dat de crisis in Syrië rijp was voor een oplossing en dat de VN het verknald heeft door een te lichte gezant te benoemen,’ vervolgt Rabbani. ‘Het is zijn voorgangers immers ook niet gelukt. Maar de VN heeft Syrië en het Syrische volk ook niet echt geholpen door een gezant te sturen die niet in staat is gebleken om mogelijkheden tot conflictbeperking, hoe klein ook, te benutten of te creëren.’

    Hij werkte in de heftigste oorlogsgebieden, vooral uit ‘constructieve verontwaardiging’
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty
    Zoeken naar overlevenden na de aanslag van de Syrische overheid op een door de oppositie bezette woonwijk Kalasa in Aleppo. © Ibrahim Ebu Leys / Getty

    Maar los daarvan zijn de strijdende partijen gewoon niet te porren voor onderhandelingen, zoals ook De Mistura’s critici wel weten. Afgelopen juni ging hij naar Damascus met de 
bedoeling om Assad het gebruik van vatenbommen uit het hoofd te praten. Maar toen kwam er slecht nieuws uit Aleppo: bij een aanval op een moskee waren tientallen doden en bijna honderd gewonden gevallen, waaronder veel kinderen. En de verantwoordelijke was ditmaal niet het Syrische regime, maar de oppositie.

    Na een onderhoud met Walid al-Moallem, de Syrische minister van Buitenlandse Zaken – die hij bijpraatte over het contact dat hij in de voorafgaande weken in Genève had gehad met diverse maatschappelijke Syrische organisaties – sprak De Mistura een uur lang met Assad. Hij wilde weten waarom die hij zulke zware wapens tegen zijn eigen bevolking bleef inzetten.

    Wat was Assads antwoord? ‘Daar kan 
ik niets over zeggen,’ zei De Mistura. Maar het was zonneklaar dat zijn directe aanpak niet in goede aarde viel bij de Syrische leider. Een week later hoorde De Mistura, weer terug in Genève, dat de aanvallen met vatenbommen nog gewoon doorgingen. Hij liet een verklaring uitgaan waarin hij beide kampen scherp veroordeelde 
– al wist hij natuurlijk ook wel dat 
verklaringen alleen weinig uitrichten.

    ‘Soms,’ zei De Mistura in zijn werkkamer, met een blik op het meer van Genève, ‘voel ik me net een arts die zijn patiënt wel in leven weet te houden, maar alleen de pijn kan verzachten.’


    Genève I en II

    Op het moment dat Kofi Annan als eerste VN-gezant de strijdende partijen eind 2012 in Genève bij elkaar bracht, was de oorlog al ruim een jaar aan de gang. Het geweld was losgebarsten toen Assad in 2011 het leger afstuurde op betogers die vreedzaam tegen zijn bewind protesteerden. Een paar maanden later was vrijwel het hele land in een slagveld veranderd. De ene na de andere stad werd belegerd, de ene na de andere provincie werd getroffen door voedseltekorten, en soms werden complete dorpen weggevaagd. In de zomer van 2012 was alleen Damascus – stevig in handen van Assad – nog vrij van oorlogsgeweld. Steden als Homs, Aleppo en Hama werden hevig bestookt, en gruwelijke mensenrechtenschendingen waren aan de orde van de dag.

    Al snel werden pogingen ondernomen om het aantal slachtoffers te beperken. Na het bloedbad in Houla in mei 2012 deed de VN belangrijk werk. Maar ik zag ook dat ze nauwelijks de kans kregen om hun werk te doen Syrië. Zo moesten VN-waarnemers in Damascus in hun hotel blijven omdat ze werden 
beschoten, en mensenrechtenspecialisten van de VN konden niet eens het land in omdat ze van de Syrische overheid geen visum kregen. Van meet af aan werden ze openlijk dwarsgezeten.

    In juni 2012 vloog ik van Damascus naar Zwitserland om verslag te doen van de eerste vredestop die Annan had georganiseerd. Daaraan werd deelgenomen door de vijf permanente leden van de VN-Veiligheidsraad, Turkije en drie Arabische landen, maar níét door Iran, Saoedi-Arabië, Syrië of de Syrische oppositie. Niettemin kwam er een vredesplan, vastgelegd in de Verklaring van Genève: alle partijen moesten de wapens neerleggen en er zou een overgangsregering komen, gevolgd door vrije, eerlijke verkiezingen. Volgens de Amerikanen, Britten en Fransen hield het plan in dat Assad zou moeten vertrekken, terwijl de Russen het zo interpreteerden dat Syrië geen oplossing van buitenaf opgedrongen zou krijgen. Inmiddels vinden de meeste waarnemers echter dat het plan uit 2012 dringend aan herziening toe is, omdat het al dan niet aanblijven van Annan de kernvraag is geworden.

    Een maand na de top in Genève stapte Annan op. Hij werd opgevolgd door Brahimi, die met pijn en moeite de strijdende partijen bij elkaar wist te krijgen voor een nieuwe top, begin 2014. Dit overleg, dat Genève II werd gedoopt (hoewel het in Montreux van start ging), werd aanvankelijk als weinig meer gezien dan een fotomomentje. De stemming was somber en grimmig, en de gesprekken verliepen chaotisch. De partijen konden het zelfs niet eens worden over hoe er onderhandeld zou worden. De Syrische regering eiste dat haar speerpunten het eerst zouden worden besproken. Vooral de positie van Assad bleek een breekpunt. De oppositie weigerde na 
te denken over elk scenario mét hem, de regering wilde niet praten over nieuw Syrië zónder hem. Een andere struikelblok was de door de regering 
gehanteerde definitie van terroristische groeperingen: daaronder viel al het gewapende verzet – en dus alle 
partijen waarmee ze juist zou moeten onderhandelen.
    Brahimi, een charmante verschijning met een imposant postuur die eerder het einde van de burgeroorlog in 
Libanon had bewerkstelligd, maakte een nietige, terneergeslagen indruk toen hij in Montreux naar buiten kwam om de pers te woord te staan.

    Hoewel beide vredestoppen als een mislukking gelden, sluit De Mistura niet uit dat er een derde top van 
Genève komt. De gesprekken over de toekomst van Syrië die hij in mei in 
Genève heeft gevoerd, waren deels 
bedoeld om de partijen in de juiste stemming te brengen voor een laatste onderhandelingsronde. Maar het is de vraag of hij een idee heeft hoe hij ze daadwerkelijk om de tafel moet krijgen. Geen van de strijdende partijen lijkt bereid om water bij de wijn te doen, en datzelfde geldt voor hun buitenlandse steunpilaren, zoals Iran en Saoedi-Arabië.


    Lokale gevechtspauzes

    In het begin van de oorlog kon je een betrouwbare chauffeur inhuren en vanuit Turkije naar Aleppo rijden, een ritje van een uur door een desolaat landschap met uitgebrande auto’s, checkpoints en verwoeste dorpen. 
Ooit was Aleppo de trots van Syrië, 
een stad aan de Zijderoute waar christenen, soennieten en sjiieten woonden. In het begin van deze eeuw was het zelfs even een hippe bestemming voor een stedentrip. Bemiddelde buitenlanders kochten huizen in de oude stad, en er waren rechtstreekse vluchten vanuit Londen en Parijs. Kunstverzamelaars en ontwerpers, zoals Christian Louboutin, een vriend van presidentsvrouw Asma al-Assad, gaven feestjes in hun fraaie optrekjes. Even leek Aleppo het nieuwe Marrakech.

    Maar toen de oorlog uitbrak werd 
Aleppo het toneel van zware gevechten tussen het Vrije Syrische Leger en de regeringstroepen. Al snel waren er tekorten aan benzine, water, brood, elektriciteit en medicijnen. Ooit had Aleppo het beste kankerziekenhuis van Syrië, nu zijn mensen met een chronische ziekte er ten dode opgeschreven.

    In het najaar van 2014, niet lang na zijn aantreden, raakte De Mistura ervan overtuigd dat Aleppo weleens 
de sleutel naar vrede kon zijn. Een 
bestand in die stad kon van grote symbolische waarde zijn, meende hij: een soort Syrisch Sarajevo.

    Hij kreeg het advies om een wat minder moeilijke plek uit te kiezen – de oppositie was in Aleppo sterk verdeeld, 
en de stad was zowel doelwit van IS 
als van het regeringsleger. Maar De Mistura bleef erbij dat er behoefte was aan een iconisch beeld, waarmee hij de noodzaak om de burgers in het hele land te beschermen op de kaart zou kunnen zetten.

    En dus stuurde hij aan op losse, kleinschalige wapenstilstanden in verschillende wijken van Aleppo, als een eerste stap naar een staakt-het-vuren in de hele stad en vervolgens in andere steden en regio’s. Eerder hadden lokale bestanden – in delen van Homs, in Barzah, een wijk in het noordoosten van Damascus en in Ras al-Ain, een stadje aan de Turkse grens – immers ook al gewerkt.

    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis
    Clashes tussen de oppositie en troepen van Assad in Aleppo. © Corbis

    Het idee van een lokale wapenstilstand was afkomstig van Nir Rosen, een Amerikaanse oud-journalist en arabist die in vrijwel alle conflicthaarden in het Midden-Oosten had gewerkt en contacten had in het hele spectrum van het Syrische conflict. Anders dan de meeste medewerkers van De Mistura kende Rosen het land op zijn duimpje. Voor in een Genève gevestigde bemiddelingsorganisatie, Humanitarian Dialogue, had Rosen een voorstel opgesteld voor een reeks freezes, lokale gevechtspauzes die het mogelijk maakten om hulpgoederen aan te voeren en de bevolking even op adem te laten komen. Als zulke freezes in Aleppo zouden werken, konden ze worden uitgebreid naar de rest van het land.

    Hoewel critici van Rosens voorstel vreesden dat de lokale bestanden 
vooral gunstig zouden uitpakken voor het regime, legde De Mistura het idee in oktober 2014 voor aan de Veiligheidsraad, zij het in een minder uitgewerkte vorm. De V-raad was niet bijster enthousiast.

    Maandenlang probeerden De Mistura en zijn staf de verschillende oppositieleiders tegemoet te komen. Maar die hielden de boot af, omdat ze vonden dat de VN-gezant te veel op de hand van Assad was, een probleem waar-mee Brahimi en Annan ook hadden 
geworsteld. ‘De oppositie wilde niet 
dat de VN met het regime overlegde, omdat ze zichzelf als de rechtmatige leiders van het Syrische volk beschouwen,’ aldus een VN-functionaris. ‘Maar de VN kan er niet onderuit om met de regering in Damascus te praten.’

    In december werd De Mistura gefotografeerd op een feestelijke bijeenkomst in Damascus ter ere van de vijfendertigste verjaardag van de Iraanse revolutie. Dat had geen probleem hoeven zijn, ware het niet dat het Syrische leger met steun van Iran dood en verderf zaaide in de buitenwijken van Damascus die inmiddels in handen zijn van de rebellen. De foto van het feest werd getwitterd door een invloedrijke Syrische commentator en ging vervolgens razendsnel het internet rond. 
De Mistura vond desondanks dat hij niet weg kon blijven, vertelde hij me. ‘Als een lidstaat een nationale feestdag viert – en dat was het geval – en ik ben in de buurt, dan moet ik erheen.’

    Een paar dagen later joeg De Mistura de oppositie nog verder op de kast met een opmerking die hij maakte op een persconferentie in Wenen. Nadat hij het freeze-voorstel had besproken met de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken, zei hij dat er door dat plan duizenden mensenlevens konden worden gered, maar dat de oppositie wel open moest staan voor de mogelijkheid dat Assad een politieke rol zou blijven spelen. Later zei hij dat hij die opmerking had gemaakt om ‘Assad over de streep te trekken, om zijn medewerking te krijgen voor de aanzet 
tot een oplossing’. De uitspraak was volgens hem niet bedoeld als steun in de rug van het regime.

    Maar uitgerekend dezelfde dag werd bekend dat het regime het dorp Douma, bij Damascus, met raketten en vatenbommen had bestookt. De Mistura’s opmerking viel niet alleen bar slecht bij de Syrische oppositie, maar ook bij de Amerikanen en de Fransen, die van het begin af aan hadden gezegd dat vrede alleen mogelijk was als Assad het veld zou ruimen. Het was de druppel die de emmer deed overlopen voor de oppositie, die liet weten alle gesprekken met De Mistura en zijn medewerkers voortaan te zullen boycotten.

    Het freeze-voorstel sukkelde nog door tot februari, toen De Mistura de Veiligheidsraad in New York kwam bijpraten over de kans dat Assad zou beloven om de luchtaanvallen op Aleppo te staken. Maar net op dat moment brak de hel los in de stad. Het Syrische regime begon een militair offensief om de laatste enclaves van het verzet in Aleppo te omsingelen en de bevoorradingsroutes af te snijden; zolang er geen handtekening onder een staakt-het-vuren stond, zo was de redenering, konden de gevechten gewoon doorgaan. De Mistura voelde zich verraden; toen hij de vergaderzaal in New York verliet, kwam de stoom uit zijn oren.

    Ondertussen had De Mistura’s politiek adviseur Mouin Rabbani in Genève woedend zijn ontslag ingediend. Tegenover de pers beschuldigde hij de speciaal gezant en diens staf regelrecht van geklungel. ‘Alsof je een pasgeboren baby de ring in stuurt om de zwaargewichttitel op Mohammed Ali te veroveren,’ zo verwoordde Rabbani het tegen mij.

    Rabbani’s kritiek was funest voor het toch al tanende moreel onder de resterende medewerkers van De Mistura, die dat pas in de gaten leek te krijgen toen dat afgelopen voorjaar uitlekte naar de pers. Sindsdien heeft hij echter niet stilgezeten. Zo nam hij een nieuwe politiek adviseur aan met een grondige kennis van het constitutioneel recht en liep hij zich het vuur uit de sloffen om weer on speaking terms te raken met de leiders van de Syrische oppositie. Met succes. Najib Ghadbian, de gezant van de oppositie voor de VS en de VN, vertelde me in New York dat het contact inderdaad weer was hersteld. 
‘We moeten wel met ze samenwerken.’

    De Mistura gelooft nog steeds in de mogelijkheid van een politieke oplossing. Want de internationale gemeenschap kan IS pas aanpakken, zo redeneert hij, als er een sjabloon is voor een diplomatieke oplossing van het conflict.


    Ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven, is zo mogelijk nog moeilijker dan De Mistura’s diplomatieke missie

    Geen formule

    Voor het beëindigen van een oorlog bestaat geen formule. De geschiede-nis doet ons wel wat voorbeelden aan de hand, en diplomaten kunnen buitengewoon creatief zijn in het vlot trekken van vastgelopen onderhandelingen. Maar het is moeilijk voorstelbaar hoe zelfs de briljantste diplomaat de partijen in het Syrische conflict tot overeenstemming zou kunnen brengen. De Mistura wil niets liever dan dat een eind komt aan het leed van het Syrische volk, maar hij heeft geen enkele grip op de strijdende partijen, die voorlopig niet van plan lijken op 
te houden met bloedvergieten.

    Het knapste staaltje van vredesdiplomatie uit de recente geschiedenis lijken de akkoorden waarmee de burgeroorlog in Bosnië werd beslecht, een conflict waar de strijd in Syrië steeds meer op begint te lijken. De Amerikaanse gezant Richard Holbrooke wist die akkoorden te bereiken na 21 dagen onderhandelen op een luchtmachtbasis in Dayton, Ohio, nadat hij er alles aan had gedaan om de strijdende partijen met elkaar in gesprek te krijgen – van servetjes met handgeschreven boodschappen doorgeven aan de lunchtafel tot nachtelijke drankgelagen met de Servische leider Slobodan Milosevic. Net als De Mistura leek Holbrooke voor een onmogelijke opgave 
te staan, en op de laatste avond van de onderhandelingen gaf hij alle drie de partijen een conceptversie van de verklaring die hij de volgende ochtend wereldkundig wilde maken, waarin stond dat de onderhandelingen op niets waren uitgelopen. Het was intimidatie, maar briljante intimidatie, waarmee hij alsnog een doorbraak 
wist te forceren.

    De Mistura klaarde op toen ik op een avond in Genève, kort voordat hij in juni weer naar Damascus zou afreizen, over Holbrooke begon. ‘Dayton heeft een eind gemaakt aan de slachting,’ 
zei hij. ‘En dat is wat wij ook proberen. Een eind te maken aan de slachting.’ Maar Holbrooke, die niet de VN vertegenwoordigde maar het machtigste land ter wereld, had wel een paar 
dingen vóór op De Mistura, niet in 
de laatste plaats het feit dat de strijdende partijen zich al bereid hadden verklaard om te onderhandelen. Het 
is maar de vraag of zo’n eindspel er op dit moment voor Syrië in zit.

    Ook is het vooralsnog onduidelijk hoe een naoorlogs Syrië eruit zou moeten zien. Khaled al-Khoja, voorzitter van de Syrische Nationale Coalitie, heeft wel ideeën over dat ‘nieuwe Syrië’. ‘Het 
zal weer één land zijn, met één vlag,’ laat hij weten vanuit zijn kantoor in Istanboel. ‘En met een overkoepelende Syrische identiteit. Maar daarnaast bestaan er subidentiteiten, collectieve rechten en individuele vrijheden.’

    Maar eerst moet er natuurlijk vrede komen. En vervolgens zullen de Syriërs moeten afrekenen met de misdaden tegen de menselijkheid die de afgelopen jaren door alle partijen zijn begaan. Of verzoening ooit nog mogelijk is na deze verschrikkelijke oorlog, zal mede afhankelijk zijn van de manier waarop de vrede tot stand wordt gebracht. Dat deel van De Mistura’s opdracht is zo mogelijk nog moeilijker dan zijn diplomatieke missie: ervoor zorgen dat het onvergeeflijke wordt vergeven.

    Janine di Giovanni

    (Foto boven: De Veiligheidsraad van de VN in New York. © Cem Ozdel / Getty)