Tag: mensenrechten

  • Ex-hoofd geheime dienst: ‘Maduro staat aan hoofd van criminele organisatie’

    Ex-hoofd geheime dienst: ‘Maduro staat aan hoofd van criminele organisatie’

    Venezuela handelt in illegaal goud, beschermt actieve Hezbollah-cellen en staat onder directe invloed van Cuba – om maar wat te noemen. Generaal Manuel Ricardo Cristopher Figuera, voormalig hoofd van de Venezolaanse inlichtingendienst en Maduro-getrouwe, klapt uit de school.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen maand werd er een akkoord gesloten tussen de VS en Venezuela. Daarin tekende laatstgenoemde een overeenkomst met oppositieleiders om te komen tot vrije en eerlijke presidentsverkiezingen in 2024. De VS hieven als reactie daarop enkele economische sancties tegen Venezuela’s olie-industrie op. Er lijkt dus meer toenadering te komen tot Venezuela van de kant van onder andere de VS.
    Is toenadering tot een land met Nicolás Maduro aan het roer echter wel mogelijk? Het ziet er namelijk niet naar uit dat zijn regering een einde zal maken aan de schendingen van mensenrechten. Dat Maduro jarenlange ervaring heeft met corruptie, schendingen van mensenrechten en zelfverrijking, blijkt wel uit dit artikel van The Washington Post, waarin het voormalig hoofd van Maduro’s inlichtingendienst uit de school klapt. ‘Tijdens mijn laatste zes maanden kreeg ik een scherper beeld dan ooit van de situatie waarin het land verkeerde en van de corruptie binnen de overheid,’ zegt hij.

    In een paleis dat naar verluidt is vergeven van de intriganten, overlopers en dieven, was er één iemand op wiens loyaliteit de Venezolaanse president Nicolás Maduro kon blindvaren: generaal Manuel Ricardo Cristopher Figuera. De gespierde 55-jarige geloofde met hart en ziel in de revolutie. Hij stond meer dan tien jaar aan het hoofd van de veiligheidsdienst onder Hugo Chávez, grondlegger van de Venezolaanse socialistische staat en leidsman van Maduro. Van hem leerde hij het vak.

    Lees ook:

    Vorig jaar oktober bereikte de generaal het toppunt van zijn macht, toen hij werd benoemd tot hoofd van Maduro’s inlichtingendienst, de gevreesde Sebin.En toch: toen de door de Amerikanen gesteunde oppositieleider Juan Guaidó op 30 april zijn oproep deed tot een revolte, met de bedoeling Maduro buiten spel te zetten, bleek Figuera tot veler verbazing een van de samenzweerders. Toen de staatsgreep mislukte, zag hij zich ineens genoodzaakt te vluchten naar buurland Colombia, waar hij zijn lot in handen legde van de Amerikaanse geheime dienst.

    In Bogota hield hij zich bijna twee maanden schuil en werd dag en nacht bewaakt. Onlangs arriveerde Figuera in de Verenigde Staten, gewapend met verschillende beschuldigingen aan het adres van Maduro en zijn regering, zoals illegale goudhandel, Hezbollah-cellen die in Venezuela actief zijn, de verstrekkende invloed van Cuba binnen Maduro’s paleis Miraflores.

    Manuel Ricardo Cristopher Figuera, gefotografeerd op een geheime lokatie in de VS, 24 juni 2019. – © Josh Ritchie / Getty
    Manuel Ricardo Cristopher Figuera, gefotografeerd op een geheime lokatie in de VS, 24 juni 2019. – © Josh Ritchie / Getty

    De couppoging mislukte en Maduro bleef aan de macht. Maar Figuera heeft er geen spijt van dat hij zich tegen zijn baas heeft gekeerd. ‘Ik ben trots op wat ik heb gedaan,’ liet hij vorige week weten vanuit een hotelkamer in het centrum van Bogotá. ‘Nu is het regime ons te slim af geweest. Maar dat kan elk moment veranderen.’Voor de oppositie en de Amerikanen is het in zekere zin een overwinning dat Figuera is overgelopen – het bewijs, zeggen ze, dat hun beleid effect sorteert en dat hun inspanningen lonen, zelfs na het mislukken van de opstand.

    Als hoofd van de sebin leidde Figuera een organisatie die is beschuldigd van willekeurige opsluiting en marteling. Figuera was een van de vijf hoge Venezolaanse ambtenaren aan wie in februari door de regering-Trump sancties zijn opgelegd. Dat men hem zover heeft weten te krijgen over te lopen, zegt iets over de morele knieval die Maduro’s tegenstanders bereid waren te doen.

    Figuera verdedigt wat hij heeft gedaan om het chavismo vooruit te helpen. Maar de uitwassen zegt hij te betreuren. ‘Ik sta zwaar in het krijt bij de mensen die nog in de gevangenis zitten,’ zegt hij, vechtend tegen zijn tranen. ‘De mensen van wie familieleden zijn gestorven, zonder dat ze zelfs maar afscheid hebben kunnen nemen – daar ben ik kapot van.’ En hij vervolgt: ‘Er zitten veel mensen tussen die onschuldig zijn, bij hen sta ik in het krijt. Ik heb niet genoeg gedaan. Ik dacht dat ik Maduro tot rede zou kunnen brengen, maar dat was niet het geval.’

    Op de zwoele avond van 28 maart zetten de samenzweerders tegen Maduro in Caracas een van hun grootste waagstukken in gang. Cesar Omaña, een 39-jarige Venezolaanse arts, zakenman en avonturier, loopt gespannen het torenhoge hoofdkwartier van de Sebin binnen, met de bedoeling het hoofd van de dienst te laten overlopen naar de oppositie.

    Omaña, die officieel in Miami woont, leeft in twee werelden. Hij is goed bevriend met een van Chávez’ dochters en met enkele hooggeplaatste medewerkers van Maduro, maar ook met leden van de antiregeringsgezinde oppositie. In tegenstelling tot andere Venezolaanse zakenlieden die in het complot zitten, is hij niet beschuldigd van misdaden en valt hij niet onder Amerikaanse sancties. Maar hij is diep geraakt door de teloorgang van zijn land onder Maduro.

    “Nu is het regime ons te slim af geweest. Maar dat kan elk moment veranderen”

    In november stond Omaña in nauw contact met Amerikaanse functionarissen, zeggen zowel Omaña zelf als de betreffende functionarissen. Hij had inmiddels ook een goed contact, om niet te zeggen een ontluikende vriendschap, opgebouwd met oppositieleider Leopoldo López, op dat moment de beroemdste politieke gevangene van Venezuela, en de raadsman van Guaidó.

    Omaña was gespannen voor de ontmoeting met Figuera. ‘De op twee na machtigste man van het land,’ zei hij, toen hij vorige week in Bogotá naast Figuera zat, met een zwart Top Gun-petje en Yohji Yamamoto-sneakers. ‘Hij had me zo kunnen laten oppakken.’De Amerikanen hadden Figuera al in de peiling. Door de sancties waren al zijn Amerikaanse tegoeden bevroren – hoewel hij die naar eigen zeggen niet had – en mochten Amerikanen geen zaken meer met hem doen. Amerikaanse functionarissen hebben in het openbaar gezegd dat voor Maduro-getrouwen die zich tegen hem keren, de sancties wellicht worden opgeheven.

    Tussen Omaña en Figuera ontspon zich een kat-en-muisspel, waarbij ze allebei de ander uit de tent probeerden te lokken.

    “‘Vertel me eens iets wat ik nog niet weet,” zei ik tegen hem,’ aldus Figuera. Omaña begon over de plannen van de oppositie, die op dat moment nog uitgewerkt moesten worden.‘We hadden het over Zuid-Afrika en Mandela,’ zegt Omaña. ‘En uiteindelijk kwamen we te spreken over het aanvankelijke plan, een verzoeningswet, Maduro overhalen op te stappen.’

    ‘Ik zei dat ik Maduro inmiddels het liefst zag vertrekken,’ zegt Figuera.‘En ik zei: “Ja, jij kijkt hoe de wedstrijd verloopt, maar zonder zelf mee te spelen,”’ zegt Omaña. ‘Toen was het ijs gebroken…’‘Dat was het moment waarop de samenzwering vorm kreeg.’

    Laten overlopen

    Ondertussen was een andere groep samenzweerders al tot actie overgegaan. In februari had een groep Venezolaanse zakenmannen, onder wie mediabons Raúl Gorrín, aan wie ook sancties waren opgelegd door Washington en die op grond van de Amerikaanse wet was aangeklaagd wegens witwassen, de Amerikanen benaderd met een plan. De kern van dat plan, volgens enkele ingewijden: enkele belangrijke Maduro-getrouwen laten overlopen, onder wie de opperrechter van het Venezolaanse hooggerechtshof, Maikel Moreno.

    Deze mannen hadden eerder opgetreden als bemiddelaars tussen de regering-Trump en leden van het regime, volgens mensen die op de hoogte waren van de plannen, en ze wilden niets liever dan hun eigen banden aanhalen met de Verenigde Staten, waar hun kinderen naar school gingen en waar hun echtgenotes in het weekend konden winkelen.Volgens een hooggeplaatste regeringsfunctionaris werd de zakenmannen te verstaan gegeven dat wanneer ze niet in hun missie zouden slagen, het reisverbod weer zou worden ingesteld en de tegoeden weer zouden worden bevroren. De regering zou zich niet mengen in aangelegenheden van het ministerie van Justitie, dat ging over het intrekken van de aanklachten, maar men zou wel een goed woordje doen voor diegenen die werkelijk hadden geholpen.

    ‘Het enige wat we kunnen doen, is hun zaak voorleggen aan het ministerie,’ aldus de betreffende functionaris, die net als alle anderen alleen met ons over deze gevoelige politieke kwesties wilde praten als zijn anonimiteit zou zijn gewaarborgd. Gorrín heeft nooit gereageerd op ons verzoek om commentaar.

    De zakenmannen probeerden de opperrechter zover te krijgen dat hij zich tegen Maduro zou keren. Hun plan, volgens verschillende mensen die ervan op de hoogte waren: Moreno zou een uitspraak doen die de macht zou herstellen van het Lagerhuis, dat in handen was van de oppositie. Het Lagerhuis had Guaidó al erkend als interim-president. Maduro zou naar de zijlijn worden gedwongen.

    Volgens enkele ingewijden zouden overheidsfunctionarissen in Washington op de hoogte worden gehouden van de voortgang van het plan en met enige regelmaat adviseren over de volgende stap. Maar het plan zelf, zeggen zowel Venezolaanse samenzweerders als Amerikaanse functionarissen, was uitgedacht in Venezuela. Moreno zou mogen aanblijven als opperrechter in een overgangsregering. Maar volgens mensen die bij de gesprekken betrokken waren, zou Moreno ook tientallen miljoenen dollars hebben geëist om bepaalde stemmen binnen de rechterlijke macht te kopen en om een vangnet voor zichzelf te installeren. Figuera zegt dat hij WhatsAppgesprekken heeft onderschept waaruit blijkt dat het totale bedrag dat Moreno eiste de honderd miljoen overschreed.

    Een van de zakenlieden die betrokken waren bij dit vermeende bod, zegt dat de Amerikaanse functionarissen ervan op de hoogte waren. Volgens hem stonden de Amerikanen er niet echt achter, maar maakten ze ook geen bezwaar. Twee hooggeplaatste Amerikaanse ambtenaren hebben ontkend vóór 30 april van het aanbod te hebben geweten. Pas na het mislukken van de revolte zou Washington te horen hebben gekregen dat Moreno om geld had gevraagd, zegt een van hen.

    Na zijn ontmoeting met Omaña, zegt Figuera, had hij een sprankje hoop. Hij had al vele jaren bij de militaire inlichtingendienst gewerkt. Maar in zijn nieuwe baan, als hoofd van de Sebin, was hem pas goed duidelijk geworden hoe door en door verrot Maduro’s regering was. ‘Tijdens mijn laatste zes maanden kreeg ik een scherper beeld dan ooit van de situatie waarin het land verkeerde en van de corruptie binnen de overheid,’ zegt hij. ‘Het werd me al snel duidelijk dat Maduro aan het hoofd staat van een criminele organisatie, waarin ook zijn familie een rol speelt.’

    Figuera onderzocht enkele aanklachten over een bedrijf dat was opgezet door een assistent van Maduro’s 29-jarige zoon, Nicolás Maduro Guerra. Hij zegt dat het bedrijf een monopolie had verworven op het kopen van goud van kleine goudwinners in het zuiden van het land. Het goud werd met hoge kortingen aangekocht en voor veel meer verkocht aan de centrale bank van Venezuela. Hij was van plan om met die informatie naar Maduro te gaan, zegt hij, maar dat werd hem afgeraden door een van Maduro’s naaste medewerkers.

    Figuera zegt dat hij witwaspraktijken aan het licht had gebracht waarbij de toenmalige vicepresident Tareck El Aissami was betrokken, die inmiddels is benoemd tot minister van Industrie en Nationale Productie. Tegen El Aissami zijn sancties opgelegd en in de Verenigde Staten lopen aanklachten tegen hem wegens drugshandel.

    El Aissami heeft in het openbaar verklaard niets te hebben misdaan. Noch El Aissami noch een van de andere functionarissen die door Figuera zijn genoemd hebben gereageerd op het verzoek dat wij hebben neergelegd bij het Venezolaanse ministerie van Communicatie om een reactie op de aantijgingen in dit artikel. The Washington Post heeft geen onafhankelijke bronnen kunnen vinden die Figuera’s aantijgingen bevestigen.

    Figuera zegt dat hij over informatie beschikte die erop wees dat bepaalde illegale groeperingen die in Venezuela actief waren, werden beschermd door de regering. Dat ging onder meer om leden van de Colombiaanse guerrillagroepering ELN, die actief is in goudwingebieden in het zuiden van de staat Bolívar en die een eerste verdedigingslinie zou kunnen vormen, mocht een buitenlandse macht Venezuela binnenvallen. Hij zegt ook over informatie te beschikken dat Hezbollah actief is in Maracay, Nueva Esparta en Caracas, kennelijk met de bedoeling via illegale activiteiten geld bij elkaar te krijgen om operaties in het Midden-Oosten te financieren. ‘Het werd me duidelijk dat ik de drugshandel en de guerrilla’s met rust moest laten,’ zegt Figuera.

    Raúl Castro

    Maar wat hem vooral moedeloos stemde, waren de machinaties binnen een disfunctionele regering met verschillende koninkrijkjes van functionarissen die onderling strijd leverden. Hij herinnert zich een bijeenkomst met Iris Varela, Maduro’s felle minister van het Gevangeniswezen, en Vladimir Padrino López, Maduro’s minister van Defensie. Hij zegt dat Varela dertigduizend geweren wilde om haar eigen privéleger op te zetten. ‘Ze zei dat ze getrainde mannelijke gevangenen had,’ aldus Figuera. ‘Ze zei dat zij hun aanvoerder was.’

    Ondertussen verliet Maduro zich op zo’n vijftien tot twintig Cubanen om over zijn veiligheid te waken. Sommige waren militaire bewakers, aldus Figuera. Maar drie Cubanen, ook wel ‘de psychologen’ genoemd, deden dienst als speciaal adviseurs en analyseerden Maduro’s toespraken om in te schatten in hoeverre ze het publiek zouden weten te raken.

    Figuera zag Maduro een paar keer per week, tijdens kabinetsvergaderingen. Toen hij op zeker moment om een privéonderhoud verzocht, werd hem te verstaan gegeven dat hij dat moest regelen met ‘Aldo’ – een Cubaan. ‘Ik dacht: wat zullen we nou krijgen? Ik ben het hoofd van zijn geheime dienst en ik moet aan een Cubaan vragen of ik hem te spreken kan krijgen?’

    In maart dit jaar kwam heel Venezuela plat te liggen door een stroomstoring. Figuera en andere hooggeplaatste ambtenaren zaten in een bespreking met Maduro, toen Raúl Castro belde, vertelt Figuera. Maduro ging naar een hoekje van de kamer om het gesprek met de voormalige president van Cuba te voeren.

    Na afloop van het telefoontje leek Maduro opgelucht, herinnert Figuera zich. Castro had beloofd een team Cubaanse technici te sturen om te helpen het probleem op te lossen. ‘Raúl Castro was een soort adviseur voor Maduro,’ zegt Figuera. ‘Het maakte niet uit in wat voor bespreking hij zat, als Castro belde, moest alles wijken.’

    In april, zegt Figuera, moest hij Maduro een boodschap brengen in een gesloten koffertje. Alleen hij en Maduro beschikten over de code. Figuera noemde de situatie van het land deerniswekkend en opperde om nieuwe verkiezingen uit te schrijven. De volgende dag stuurde Maduro hem een berichtje. ‘Hij noemde me een lafaard, een defaitist,’ zegt Figuera. ‘Op dat moment begreep ik dat ik in actie moest komen.’

    Revolte

    In de dagen na het bezoek van Omaña, aldus Figuera, sprak hij enkele keren met Omaña’s voornaamste bondgenoot binnen de oppositie, Leopoldo López. Die zat al sinds 2014 gevangen, afwisselend in een cel of thuis met huisarrest. Figuera kon moeiteloos toegang tot hem krijgen; als hoofd van de Sebin was hij degene die López gevangenhield. Figuera zegt dat hij tijdens die gesprekken hoorde van de plannen voor de revolte die was gepland voor 1 mei. Moreno zou de wet bekendmaken die het Lagerhuis weer macht zou geven. Padrino, de minister van Defensie, zou zich achter de wet scharen en Maduro dwingen afstand te doen van de macht.

    Volgens Figuera hadden de samenzweerders allemaal een codenaam. Figuera, een Afro-Venezolaan, was Black Panther. Omaña was Superman. Mauricio Claver-Carone, het hoofd van de Amerikaanse National Security Council voor het Latijns-Amerikabeleid, was Comeniños – de Kindereter.

    Maar naarmate 1 mei naderde, sloegen de zenuwen toe, zegt Figuera. Tijdens een bijeenkomst op 23 april in Moreno’s huis in Caracas leek de opperrechter bedenkingen te hebben. Volgens enkele van de mensen die bij die bespreking aanwezig waren, stelde Moreno voor dat híj president zou worden, in plaats van Guaidó.

    Op 27 april had Figuera een ontmoeting met Moreno en Padrino, bij Padrino thuis. ‘Het was een kort gesprek,’ zegt Figuera. ‘Ze wierpen elkaar nerveuze blikken toe.’ De volgende dag belde Figuera Padrino om zich ervan te verzekeren dat de minister van Defensie nog aan boord was. Maar Padrino zat naar Avengers: Endgame te kijken, zegt Figuera, en wilde hem niet te woord staan. Moreno noch Padrino hebben gereageerd op een verzoek om een reactie.

    Leden van de oppositie hebben gezegd dat ze de datum van de hele operatie een dag hebben vervroegd omdat ze geruchten hadden opgevangen dat Guaidó gearresteerd zou worden. Volgens Figuera is hij degene geweest die meer vaart achter het plan heeft gezet.

    Op 29 april werd duidelijk, aldus Figuera, dat Maduro’s gevreesde colectivos [linkse organisaties vanuit de gemeenschap] een grootschalige aanval voorbereidden, op 1 mei, de Dag van de Arbeid, die zou kunnen uitmonden in een ‘bloedbad’. Hij stelde Padrino zelf op de hoogte van het nieuwe tijdpad.

    ‘Ben je niet goed snik?’ reageerde die, als we Figuera mogen geloven. ‘En die wet dan? Hoe wou je dat klaarspelen?’

    ‘Het moet gebeuren,’ zou Figuera naar eigen zeggen hebben geantwoord. ‘Anders loopt 1 mei uit op een bloedbad. We moeten snel handelen.’Figuera en enkele andere samenzweerders zeggen dat ze over informatie beschikten dat Moreno bereid was op 30 april zijn uitspraak bekend te maken. Maar na de sceptische reactie van Padrino besloot Figuera nog enkele andere militaire figuren te benaderen.

    Hij erkent Guaidó als leider van Venezuela, maar diep in zijn hart blijft hij chavista

    Het plan, zo hield hij vol, moest eerder in gang worden gezet. Maar toen dat uiteindelijk gebeurde, in de vroege uurtjes van 30 april, ging er van alles mis.

    Guaidó verleende López gratie en hief zijn huisarrest op. Guaidó en López maakten triomfantelijk hun opwachting op de militaire basis La Carlota in Caracas en riepen het leger en het volk op om in opstand te komen.

    Figuera reed rond in Caracas om te kijken wie zich bij hen aansloot. Zijn telefoon ging. Het was zijn baas. ‘Maduro was heel gespannen,’ zegt Figuera. ‘Hij vroeg steeds maar: “Wat gebeurt er allemaal?”’ Maduro bleef maar bellen. Uiteindelijk, zo rond 6:30 uur, zei Maduro dat Figuera zich moest melden bij de beruchte gevangenis El Helicoide. ‘Ik heb mijn vrouw gebeld en gezegd dat ik mezelf moest aangeven.’

    Barbara Reinefeld, Figuera’s vrouw, was bij familie in Miami toen haar mobiele telefoon ging. Haar man praatte haar snel bij over de mislukte coup en de laatste order van Maduro. Zij drong erop aan dat hij zichzelf niet zou aangeven, maar zou proberen de grens over te steken.

    Twee maanden eerder, tijdens een uitstapje naar San Juan, in Puerto Rico, was Reinefeld benaderd door twee mannen die zichzelf hadden bekendgemaakt als fbi-agenten. Ze hadden met haar gepraat, vertelt ze, en een systeem opgezet om in het geheim contact met haar te onderhouden. Figuera zegt dat hij dolgelukkig was met deze achterdeur, maar dat hij zelf geen contact had onderhouden met de Amerikanen.

    Niet lang na het telefoontje van haar man, op 30 april, namen Venezolanen in Miami contact op met Reinefeld. Een van hen was een familielid van Guaidó. Een hooggeplaatste functionaris binnen de regering-Trump was zich bewust van haar penibele situatie, zo kreeg ze te horen, en men bood aan in Washington met haar te praten.

    Op 1 mei vloog ze naar Washington en kreeg daar de verzekering dat haar man niets zou overkomen als hij naar Colombia zou vluchten. Figuera wist het land te ontvluchten door gebruik te maken van militaire contacten op de grond. Op 2 mei kwam hij aan in de grensstad Cúcuta, waar hij werd opgevangen door agenten van de Colombiaanse geheime dienst. De dag daarna zat hij in Bogotá, waar hij met Amerikaanse functionarissen sprak.

    Moreno, Padrino en andere Maduro-getrouwen hebben publiekelijk verklaard geen aandeel te hebben gehad in de samenzwering. Twee dagen na de mislukte couppoging verscheen Padrino samen met Maduro in het openbaar en impliceerde dat hij de avances van de oppositie had afgeslagen. ‘Probeer ons niet in te palmen met valse voorstellen, wij hebben ook onze waardigheid,’ zei hij.

    Spijt

    Binnen een week nadat Figuera in Colombia was aangekomen, trok de regering-Trump alle sancties tegen hem in. Figuera zegt dat hij het zwaar te verduren heeft gehad tijdens zijn eerste debriefings met de Amerikanen. Hij heeft Guaidó erkend als de rechtmatige leider van Venezuela, maar diep in zijn hart blijft hij een chavista. Hij en anderen zijn ervan overtuigd dat hij gevaar loopt te worden vermoord door Colombiaanse guerrilla’s die banden hebben met de Venezolaanse overheid. Omaña is vorige week in Bogotá aangekomen om te onderhandelen over een veilige overtocht van Figuera naar de Verenigde Staten.

    Figuera is gevormd door de socialistische regering die hij jaren heeft gediend. Hij zegt spijt te hebben van veel, maar niet van alles wat hij in hun naam heeft gedaan. ‘Als ik zou zeggen dat ik Moeder Theresa was, zouden jullie me niet serieus nemen,’ zegt hij.

  • De drie gouden regels van ‘Tatjana 911’

    De drie gouden regels van ‘Tatjana 911’

    Tatjana Sedych maakt al veertien jaar in haar eentje de onafhankelijke krant van de gemeente Vanino, in het Verre Oosten van Siberië. Dat leverde haar de Sacharovprijs op – maar ook een afgebrand huis en een aanslag op haar leven.

    Martijn Smiers, Rusland-correspondent van RTL4, tipte de redactie dit artikel: ‘Het verhaal van Tatjana viel mij op omdat dit Rusland in het klein is. Het land heeft uitstekende journalisten. Niet alleen in Moskou, maar ook in provinciesteden en dorpjes. Die journalisten verdienen weinig, worden vaak tegengewerkt door de plaatselijke autoriteiten en toch kiezen ze niet voor een comfortabel bestaan bij de staatsmedia. Zelfs niet als ze, zoals Tatjana, invalide zijn en een moordaanslag om hun oren krijgen.’

    In de markt tegenover de haven bedekken zo’n vijftien vrouwen hun houten kisten met een doek en leggen de eerste oogst erop: de nog niet opgegeten wintervoorraad jam, de door hun mannen gevangen vis en kiemplantjes. Ze verkopen puree van duindoornbessen, pijnboompitten in een schaal, gedraaide limoentakjes en blaadjes van rode bosbessen. Hun vis is een geschenk uit de Tatarski-baai: vandaag liggen er op de toonbank gedroogde komkommervisjes (die vangen ze in de winter en in de badkamer hangen ze de visjes aan een spijker te drogen), gedroogde regenboogspiering, gerookte roze zalm en krabben (tien euro voor een kilo). Al dagen wachten ze hier op de adelaarsvarens. Als de oogst begint, zijn ze er voor 30 cent per bos en worden ze in elk huis gebakken met ui en knoflook. Een deel van de varens wordt ingezouten voor de winter. De rest wordt opgestuurd naar de kinderen in Europees Rusland, in een pakketje, samen met gedroogde komkommervisjes.

    Langs de kraampjes, steunend op een wandelstok, loopt een vrouw. Ze begroet elke verkoper, vraagt of ze het niet koud hebben, hoe vandaag de handel gaat en ze deelt de krant uit. Dit is Tatjana Sedych, uitgever, redacteur en enig journalist van de plaatselijke krant Moje Poberezje (‘Mijn Kust’). Elke zaterdag heeft ze, hier op de markt, een ontmoeting met haar lezers.

    Een bevriende verkoper heeft de rolstoel al voor haar uitgeklapt. Die staat in de winkel ernaast en wacht daar op Tatjana, van zaterdag tot zaterdag. Ze bevestigt een blad met opschrift ‘Abonnement 2018’ aan haar wandelstok. De lezers komen non-stop naar Tatjana toe. De een klaagt over het leven, de ander vraagt of ze kan kijken naar haar lekkende dak, en weer een ander laat haar een medisch dossier zien.

    Moje Poberezje is een zwart-witte krant van aanvankelijk acht à tien pagina’s. Nu zijn het er vier: de drukkerij is duur. Het eerste nummer verscheen in januari 2004, en zowel toen als nu is dit de enige onafhankelijke krant in Vanino.

    Edelstenen

    Tatjana werd in 1958 geboren, op het eiland Sachalin, in een geologisch verkenningsdorp. Haar ouders waren opgeroepen om daar, in het Verre Oosten van Siberië, te werken. Ze woonden in het Noorden van Sachalin, in trailers, midden in de taiga. De bewoners noemden hun dorpje dan ook Razvedka (‘Verkenning’).

    In Razvedka was een medische post, een crèche en een schooltje met één grote klas voor alle kinderen. Om bij het station te komen, moest je eerst een aantal kilometer lopen over een onverharde weg. Als je geluk had kon je met de paardenslee. De trein – die bestond uit een locomotief en één wagon – ging één keer per dag: 28 kilometer naar het dorp Ocha en daarna nog eens 12 kilometer naar de haven Moskalvo, de rand van het eiland. Bussen waren er niet.

    Toen bij Tamara, de moeder van Tatjana, ’s nachts de weeën begonnen, werd ze in Razvedka op een paardenslee gezet en uit Razvedka naar het ziekenhuis in Moskalvo gebracht. Daar werd Tatjana geboren.

    Als er een ingezonden brief was waarin stond dat de autoriteiten niets deden, zeiden ze Tatjana dat de krant daarover niet ging schrijven. In die gevallen stuurde Tatjana zelf een antwoord. Iemand moest het doen

    Tatjana werd journalist na haar dertigste, toen ze al twee kinderen had. Ze verhuisde in 1991 naar Vanino met haar man, een militair die daarheen werd uitgezonden. Midden jaren negentig begon ze stukjes in te sturen bij de plaatselijke krant Voschod (‘Zonsopgang’). Later kwam de hoofdredacteur bij haar thuis langs en bood haar een baan aan.

    Ze werd aan het werk gezet bij de brievenrubriek. Daar moest ze ingezonden brieven lezen en interne memo’s schrijven met wat de lezers bezighoudt. Soms kwamen er artikelen naar aanleiding van een ingezonden brief. Soms werd een lezersbrief naar de plaatselijke autoriteiten gestuurd als alleen die het probleem konden oplossen.

    Maar als er een ingezonden brief was waarin stond dat de autoriteiten niets deden, zeiden ze Tatjana weleens dat de krant daarover niet ging schrijven. In die gevallen stuurde Tatjana dan maar zelf een antwoord. Iemand moest het doen.

    Toen Tatjana op een dag zag dat een collega haar artikel ter controle naar de autoriteiten stuurde, waarna het stuk niet gepubliceerd werd, besloot ze de krant te verlaten.

    Ze ging aan de slag bij een particuliere krant. Daar had ze weliswaar niet te maken met afhankelijkheid van de autoriteiten, maar wel met een baas en met zakelijke belangen. Om als journalist openlijk te kunnen schrijven over wat er aan problemen leefde onder de mensen, zag ze in, moest ze zelf een krant oprichten.

    Mama, brand!

    Het eerste nummer haalde ze zelf op bij de drukker. Ze slaagde erin om 900 exemplaren bij plaatselijke kraampjes te bezorgen. Om tien uur ’s avonds was ze thuis, bracht ze haar dochter naar bed, en schreef ze tot drie uur ’s nachts het tweede nummer. Om vier uur werd ze wakker van haar dochter, die schreeuwde. ‘Mama, brand!’

    De garage was in brand gestoken, het vuur verspreidde zich naar naar het huis. Toen ze wakker werden, stond de voordeur al in vuur en vlam. Voor alle ramen zaten tralies, behalve één: daardoor kropen ze naar buiten. Op de veranda lag het eerste nummer van de krant, een oplage van 10.000, die – net als de woning – in vlammen op ging. Van de auto bleef alleen een geraamte over.

    Na de brand ging Tatjana vaak naar de politie. Ze eiste een strafzaak, maar de daders zijn nooit gevonden.

    ‘Ik dacht: Daar sta je dan op straat en overal om je heen gaat het leven gewoon door. Maar er zijn toch daders? We hebben politie, de brandweer, justitie. Maar ze deden alsof er niets gebeurd was, alsof niemand het wat interesseerde, alsof iedereen het was vergeten.’

    Tatjana en haar dochter gingen noodgedwongen op de redactie wonen. Overdag werd er in het kantoor gewerkt; ’s avonds dweilden ze de vloer, legden ze een matras neer en gingen ze slapen.

    Aangezien de eerste oplage in de vlammen was opgegaan, was er geen omzet binnengekomen. Maar de drukkerij moest wel worden betaald. Tatjana had dus meteen een schuld.

    In die periode werd Tatjana gebeld door ‘De Jonge Verre Oosterling’, een loyale krant uit de stad Chabarovsk, die loyaal is aan de autoriteiten. Ze boden haar een baan aan, maar Tatjana weigerde resoluut: ‘Ik heb niet mijn eigen krant opgericht om mijn huis te laten afbranden en de boel te sluiten.’ Het tweede nummer kwam er, gewoon op tijd.

    Foto’s: © Viktoria Mikisja
    Foto’s: © Viktoria Mikisja

    Manifest

    De krant van Tatjana heeft een ongeschreven handvest, bestaande uit drie regels die Tatjana zelf heeft bepaald en nooit overtreedt.

    Regel 1: de mens, in voor- en tegenspoed, staat altijd voorop.

    Wanneer je in Vanino alles al hebt geprobeerd om je recht te halen en alle wegen zijn uitgeput, dan ga je naar Tatjana.

    Als je over het werk van Tatjana een actiefilm zou maken, dan zou zij de heldin zijn die strijdt tegen twee grote krachten: de autoriteiten van de gemeente Vanino en hun loyale pers. De autoriteiten hebben enorm veel macht. Gedurende de hele film proberen ze de heldin, die opkomt voor de plaatselijke bewoners die door de autoriteiten zijn vernederd, te gronde te richten. De machthebbers vinden dat een individu niets waard is, dat je er geen aandacht aan moet besteden. De heldin vecht voor de waarheid en voor de eer van de gewone man. Ze gelooft dat iedereen respect, aandacht en een stukje in de krant verdient. En ze wint keer op keer.

    Dat deed bijvoorbeeld een groep scholieren, die willen dat hun klas blijft bestaan, terwijl de autoriteiten hem willen sluiten aangezien het onrendabel is om zo weinig kinderen les te geven. Tatjana Sedych schrijft het ene artikel na het andere, plus nog een stuk of tien brieven naar alle instanties. Met vereende krachten lukt het de journalist, de ouders en activisten de klas te behouden. De kinderen kunnen nog steeds naar hun eigen dorpsschool.

    Er kwamen ook een keer vissers op de redactie die op de oever een kleine, gewonde zeehond hadden gevonden. Het beestje kruipt, schreeuwt van de pijn. Tatjana is al op zoek naar een auto en brengt hem naar een dierenarts.

    Wie beschermd wil worden tegen de politie, gaat ook naar Tatjana Sedych. Zelfs als dat de politie zelf is, zoals de agente die bij haar werk gewond raakte en daardoor vaak niet kan werken. Eerst kreeg ze een medische verklaring, daarna hebben ze haar ontslagen.

    Regel 2: schrijf de waarheid, wees nooit niet bang.

    De plaatselijke kranten zijn niet alleen afhankelijk van de autoriteiten omdat ze daar subsidie van krijgen, de journalisten wonen bovendien in dezelfde straat als de ambtenaren. Je relatie met hen verpesten, is zeer onverstandig. Als je vandaag iets verkeerds schrijft, geven ze morgen geen commentaar meer, word je niet meer uitgenodigd voor evenementen en heb je niets meer om over te schrijven. Bovendien ontmoet je de ambtenaren ’s avonds in de winkel of op de school van je kind.

    Maar Tatjana schrijft alles in haar kleine plaatselijke krant. Ze legt uit dat haar krant een informatieplatform is voor burgers die een beroep doen op de autoriteiten. Hier heerst geen enkele zelfcensuur, alles wordt afgedrukt opgeschreven zoals het is. Enkele voorbeelden van recente artikelen: ‘Wanneer gaan ze eindelijk een mensenleven op waarde schatten?’ – over het opheffen van een dorpsziekenhuis; ‘Ze zijn nog niet af of ze moeten al gerepareerd’ – over de nieuw aangelegde wegen; ‘Passagiers zijn slechts aanvullende lading’ – over de problemen met de veerboot tussen het vasteland en het eiland Sachalin.

    Regel 3: Kom in actie.

    Eigenlijk is dit een vreemde regel voor een journalist. In een land of regio waar de autoriteiten hun werk doen, hoeven journalisten geen actie te ondernemen. Maar Tatjana moet in Vanino een keuze maken: ofwel mengt ze zich in het leven van haar sprekers en biedt ze hulp, ofwel schrijft ze gewoon haar stukje. Tatjana heeft ervoor gekozen om in actie te komen.

    Nadat Tatjana stukken van de betreffende persoon heeft ontvangen gaat ze instanties schrijven en bellen. Hun antwoorden publiceert ze in haar krant. Ze gaat door tot het verhaal is afgerond.

    29

    In december werd ze gebeld door een vrouw die huilend vroeg: ‘Weet je nog dat er in januari op zee een zeilboot is gezonken? Daarbij is mijn zoon omgekomen.’ Het lichaam van haar zoon was aangespoeld in Japan. Sinds de ramp was er bijna een jaar verstreken, maar de ouders hadden het lichaam nog steeds niet terug.

    Het was een oude vissersboot. Alle opvarenden waren jongens uit de buurt. Op 7 januari vorig jaar, toen het schip begon te zinken, zond de kapitein een SOS-signaal uit. In de meldkamer hoorden ze de kapitein: ‘Aan iedereen, iedereen die mij hoort! We zijn in nood…’ De kapitein bleef nog een tijd aan de lijn – toen werd het stil. In de lokale media kwamen er berichten dat er een zeilschip was gezonken. Wat later werd gemeld dat de zoektocht naar de schippers was gestaakt.

    Igor Jasjin was negentien jaar, kwam net uit militaire dienst en besloot wat bij te verdienen als matroos op een zeilschip. Zijn lichaam spoelde aan op het noordelijkste puntje van Japan. In zijn duikpak werd zijn telefoon gevonden. Het Russische ministerie van Buitenlandse Zaken werd geïnformeerd en al snel werd duidelijk uit welk dorp de jongen kwam. Zijn ouders deden een DNA-test en er was een match.

    Dat was begin februari, maar er was al bijna een jaar voorbij en het lichaam van de zoon was nog altijd niet overgebracht naar Rusland. Wat zijn ouders ook deden, niets hielp, ook niet de talloze telefoontjes naar het ministerie van Buitenlandse Zaken. En toen belde Igors moeder Tatjana.

    Tatjana maakte een reportage en een paar dagen later kwam de gouverneur naar Vanino. ‘Toen ik hem dit verhaal vertelde, was hij verbijsterd: “Dit kan bij ons toch niet gebeuren?” Dat kan dus wel. Ik vroeg de gouverneur om deze zaak onder zijn hoede te nemen. Uiteindelijk konden de ouders een week later hun zoon begraven. Maar ik denk soms wel: Wat zijn we toch een geduldig volk, want die ouders hebben bijna een jaar gewacht. In die tijd heeft zijn vader een hartaanval gehad.’

    Spoorloos verdwenen

    In 2007 zat de redactie van Moje Poberezje in een kantoor naast het plaatselijke veteranenhuis. Tatjana zag dat daar vaak een oude vrouw kwam die altijd werd weggejaagd. Een van de leiders van dat Veteranenhuis schreeuwde dan tegen die kleine vrouw: ‘Ga weg, u heeft hier niets te zoeken!’ Ze ging weg, kwam weer terug, en werd opnieuw de deur gewezen. Op een dag zag Tatjana hoe ze op de stoep zat te huilen. Tatjana bracht haar naar de redactie, gaf haar een glaasje water en liet haar vertellen.

    De vrouw heette Kifaja Salachova. Haar man, Sachabtdin Salachov, was een gedecoreerd oorlogsveteraan die hoog in aanzien stond. Na de oorlog belandde hij in Vanino. Hij werkte in de haven als bewaker, hij zat in een klein hokje. In 1972 was hij in zijn hokje vergeten de kookplaat uit te zetten. Hij verbrandde op zijn werk, levend.

    Vanaf dat moment verdween zijn naam uit meerdere lijsten met veteranen, alsof hij nooit heeft had bestaan. Maar Kifaja mocht bij de veteranenraad niet naar binnen, ze werd niet uitgenodigd voor feestdagen en ze kreeg het nabestaandenpensioen voor veteranen niet. De herinnering aan haar man was verdwenen uit de archieven en zijzelf werd uit de gemeenschap gezet, weggejaagd, onzichtbaar gemaakt. Ze vertelde dit aan Tatjana en huilde.

    Tatjana werd boos en begon de informatie te checken. Ze vond het portret van Sachabtdin Salachov in het schoolmuseum onder een stapel van soortgelijke veteranenfoto’s. Op de achterkant van het portret was andermans naam geschreven.

    In de administratie van de lokale overheid waren er geen documenten die bevestigden dat veteraan Salachov in het district had gewoond. Toen vroeg Tatjana informatie op in het Centrale Archief van het ministerie van Defensie: heeft deze veteraan bestaan? Drie maanden later kwam het antwoord: ja, hij heeft bestaan en hij heeft die-en-die onderscheidingen gekregen. Tatjana stelde dezelfde vraag in Tatarstan, van waaruit Sachabtdin Salachov was vertrokken voor militaire dienst: ook hier daar was het antwoord bevestigend. Na een paar maanden stapelde het bewijs zich op. Sachabtdin Salachov was officier, had twaalf dankbetuigingen gekregen van de opperbevelhebber, was onderscheiden met een medaille voor militaire verdiensten en de Orde van de Rode Ster.

    Met alle documenten en brieven ging Tatjana naar de districtsraad van veteranen en naar het gemeentebestuur. Weduwe Salachova werd weer opgenomen in de plaatselijke Veteranenraad en ze kreeg het nabestaandenpensioen. Vanaf dat moment zat ze bij feestdagen op de eerste rij.

    De mensen begrepen niet waarom ik dat gedaan had. Deze man had zijn hele leven in de cel gezeten en wilde nu opeens menselijk worden behandeld

    Tatjana ontving zelfs brieven uit de gevangenis. In de gemeente zijn er twee: ‘nummer een’ in Vanino en ‘nummer vijf’ in het naburige stadje Sovjetskaja Gavan. De gevangenen vroegen in hun brieven om hulp, klaagden, zochten een penvriend en vertelden verhalen uit hun leven. In de krant verscheen katern ‘de Rode Sneeuwbal’, met fragmenten uit die brieven.

    Op een dag kwam er een man naar de redactie die iets wilde vertellen: in zijn flat, op de begane grond, woonde een oude man zonder benen. Hij kon zijn huis niet uit. Dat deze invalide man zijn halve leven in de gevangenis had doorgebracht in de gevangenis, ontdekte Tatjana pas later, toen ze er langsging. In de kamer zaten mannen rond een tafel in het midden van de kamer kaart te spelen. Er hing een dikke laag sigarettenrook. Tatjana groette iedereen en stelde zich voor. Toen ze met de eigenaar van de kamer begon te praten, Pjotr, ging de rest van het gezelschap ervandoor. Met hem wilden ze niks te maken hebben. Hij woonde eigenlijk in een oude opslagruimte, maar aangezien er in de flat geen kamer vrij was, hadden de autoriteiten de invalide man nadat hij vrij was gelaten daar maar geplaatst.

    Maar de flat was zacht gezegd niet op rolstoelen ingesteld. Pjotr kon er de badkamer niet mee in en ook niet naar buiten. Hij ging nooit via de conciërgedeur naar buiten, maar klom in plaats daarvan uit het raam. Pal onder dat het raam had hij zijn oude auto geparkeerd. Hij klom op de vensterbank en daalde af, langs de muur, leunend op een trapladder, rechtstreeks zijn auto in. Hij liep al tegen de zestig. Tatjana hoorde zijn verhaal aan en beloofde na te denken over hulp.

    Toen Pjotr een keer in het ziekenhuis lag, huurde Tatjana twee klussers in. Ze kozen behang uit, kochten verf, kwasten en, plamuurmessen. De klussers verfden de meubels, poetsten de kroonluchter, plakten het behang, witten het plafond, vervingen het beddengoed en het servies. Het werd schoon en licht. En op de gang plaatsten de autoriteiten zelfs iets wat leek op een opritje voor rolstoelen.

    ‘Pjotr belde me later op. Hij was heel dankbaar en zei dat hij niet had verwacht dat iemand met zijn levensverhaal nog eens zou worden geholpen. Ze hadden me alles over hem verteld hoor, dat hij verschrikkelijke dingen heeft gedaan. Ik kreeg veel reacties op mijn onderneming in de trant van “Nou, ze heeft iemand gevonden om te helpen hoor…” De mensen begrepen niet waarom ik dat gedaan had. Deze man had zijn hele leven in de cel gezeten en wilde nu opeens menselijk worden behandeld. Dus schreef ik in mijn krant: “Waarom zou je iemand zelfs op die leeftijd niet kunnen laten begrijpen dat het leven ook anders kan zijn, dat je anders kan leven. En dat je op een menselijke manier kan worden behandeld.”’

    Hakken

    Tatjana’s onverzettelijkheid blijkt ook uit haar beslissing nooit in rolstoel over straat te gaan, ook al heeft ze sinds haar twaalfde geen linkerbeen meer. Ze loopt op krukken met een prothese. ‘Fysiek gezonde mensen en gehandicapten worden door anderen vaak als gelijken beschouwd. Maar we zijn niet gelijk, voor ons is alles zwaarder, elke beweging, elke verplaatsing. Veel mensen die iemand in een rolstoel zien, denken dat hij het zwaar heeft, maar wanneer ze iemand op krukken zien, denken ze er niet over na hoe zwaar hij het heeft. Diegene loopt immers. Maar iemand die loopt terwijl hij eigenlijk voor zijn gezondheid in een rolstoel zou moeten rijden, overwint zichzelf. Het is in Rusland onmogelijk om je in een rolstoel te verplaatsen.’

    Tatjana bestelt haar houten prothese in Chabarovsk, bij de enige prothesemaker in het Verre Oosten van Siberië, waar ze nog protheses maakten in de naoorlogse jaren. Haar prothese overleeft dienstreizen naar dorpjes en de taiga die ze op zoek naar verhalen bezoekt.

    Vroeger, wanneer de prothese het niet hield, vroeg Tatjana de havenarbeiders om hulp. Zij boorden een nieuw gaatje of schroefden de prothese weer vast. Later stopte ze in haar portemonnee een oude munt van drie kopeken – een grote sleutel meezeulen in haar handtas is onhandig – voor het geval de prothese losraakt of de voet eraf valt. Dan gaat ze een trappenhuis in, draait ze het met de munt weer vast en gaat weer verder.

    De prothese is als een pook: je kunt hem niet hoger of lager zetten. Toen Tatjana op hoge hakken wilde lopen, bedacht ze een oplossing – en ze vroeg een havenarbeider die te maken. Aan de onderkant van het scheenbeen zaagde hij twee stukjes eraf. Als Tatjana nu op hakken wil lopen, zet ze aan de achterkant van de prothese een kleine inham erop, waardoor er een hak ontstaat.

    Als je Tatjana naar haar gezondheid vraagt, fronst ze haar wenkbrauwen en verandert snel het gespreksonderwerp.

    12

    Haar zoon, Timur, noemt zijn moeder ‘Tatjana 911’, omdat ze altijd te hulp schiet. Samen met zijn zus, Zjanna, dringt hij erop aan dat ze dichterbij gaat wonen, in Europees Rusland. Timur woont aan de andere kant van het land, waar hij films maakt en een gezin heeft. Dochter Zjanna is stewardess in Moskou en heeft eveneens een kind. Beiden moedigen ze haar aan de krant te sluiten. ‘Je hebt genoeg mensen gered, je hebt lang genoeg over het mijnenveld gelopen, kom naar ons.’ Tatjana stelt de beslissing al lange tijd uit.

    ‘Ga je verhuizen?’ vraag ik haar.

    ‘Ik snap ook wel dat ik een dagje ouder word en dat mijn gezondheid niet meer is zoals vroeger, maar durf niet te stoppen. Ik hou van mijn papieren krant. Ook al is hij zwart-wit en primitief. De grootste groep lezers zit in kleine dorpjes, langs de spoorlijn, zij lezen de papieren krant, ze zitten niet op internet, ze hebben zelfs geen computer.’

    ‘Maar je kan toch verhuizen en op afstand werken?’

    ‘Waarom? In Europees Rusland barst het van de journalisten en media. Hier ben ik nodig.’

    ‘Je komt oorspronkelijk niet uit Vanino. Hoe komt het dat je van deze omgeving bent gaan houden?’

    ‘Misschien komt het door de liefde voor het vak. Daardoor leer je de omgeving kennen. Je wordt er verliefd op. Bijvoorbeeld op het uitzicht vanuit mijn raam. Daar wil ik eigenlijk nooit afscheid van nemen.’

    Vanuit haar raam heeft ze het mooiste uitzicht op de baai van Vanino.

    Auteur: Viktoria Mikisha
    Vertaler: Martijn Smiers

    Takie Dela
    Rusland | website | ruim 2 miljoen bezoekers per maand

    Takie Dela (‘Van die dingen’) is een Russische nieuwssite die in 2015 werd opgericht door een liefdadigheidsorganisatie. De website brengt dagelijks reportages over sociale problemen in Rusland, vaak longreads met foto’s, meestal aan de hand van persoonlijke verhalen. Bij sommige artikelen kunnen lezers direct doneren aan een goed doel dat met het verhaal te maken heeft.

  • Detentiecentra zijn wreed, maar de woestijn is erger

    Detentiecentra zijn wreed, maar de woestijn is erger

    Het zerotolerancebeleid van de regering-Trump heeft de zuidelijke grens van de VS veranderd in een gebied waar de kwetsbaarste mensen op aarde de dood vinden of verdwijnen. Volgens voormalig Border Patrol-agent Francisco Cantú heeft de situatie een kritiek punt bereikt – niet vanwege de criminaliteit, maar vanwege de minachting voor het menselijk leven.

    In de drieënhalf jaar dat ik bij de United States Border Patrol werkte, van 2008 tot 2012, had ik de grootste moeite met het Amerikaanse immigratiebeleid op de momenten dat ik het probeerde uit te leggen aan de mensen die er het directst bij betrokken waren.

    Tijdens een grenspatrouille werd ik een keer aangesproken door een vrouw aan de andere kant. Ze hunkerde naar informatie over haar zoon. Ze wist niet waar, of hoe lang geleden, hij de grens was overgestoken, ze wist niet of hij werd vastgehouden of dat hij ergens onderweg was verdwaald. Ze wist niet eens of hij nog wel in leven was.

    Het kost me moeite om me te herinneren wat ik tegen haar heb gezegd. Het zou kunnen dat ik heb uitgelegd dat het oversteken van de grens er vaak op neerkomt dat je dagen of weken door de woestijn loopt. Het zou kunnen dat ik haar heb aangeraden haar zoon als vermist op te geven. Het zou kunnen dat ik haar het nummer heb gegeven van een telefonische hulplijn waar de naam en de geboortedatum kunnen worden vergeleken met iemand in het immigrantendetentiesysteem – iemand die door de Amerikaanse overheid wordt gezien als een misdadiger, als een lichaam dat een bed in beslag neemt in een particulier detentiecentrum. Iemand die, voor de vrouw die trillend achter het hek stond, álles betekende.

    Na een maand van verontwaardiging over de onmenselijkheid van het zerotolerancebeleid van president Trump, zijn we de afgelopen weken getuige geweest van een stroom van verwarrende en uiteenlopende verklaringen omtrent immigratie: de president heeft voorgesteld immigranten zonder papieren het recht op een eerlijke rechtsgang te onthouden, minister van Justitie Jeff Sessions is er heel stellig in dat iedere volwassene die illegaal de grens oversteekt dient te worden vervolgd, het hoofd van de Customs and Border Protection heeft laten weten dat gezinnen hun proces weer in vrijheid mogen afwachten. Ondertussen zijn duizenden kinderen en ouders van elkaar gescheiden en zitten ze vast in een web van opvanglocaties en detentiecentra, die worden geleid door non-profitorganisaties of door particuliere gevangenis-, beveiligings- en defensieorganisaties.

    Manifeste misstand

    Het is belangrijk dat we ons realiseren dat deze crisis, veroorzaakt door een regering-Trump die ouders en kinderen scheidt, slechts de meest manifeste misstand is van een al tientallen jaren lopend project om een ‘uitzonderingstoestand’ te creëren aan onze zuidelijke grens. Dit concept werd in de nasleep van 11 september gebruikt door de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben om de noodtoestand te duiden die door verschillende regeringen werd uitgeroepen teneinde verschillende rechten en vormen van bescherming in te trekken of op te schorten. Toen de president in april aan de grens de National Guard inzette (een maatregel die ook twee van zijn voorgangers hebben genomen), liet hij weten dat ‘de situatie aan de grens een kritiek punt heeft bereikt’. Maar welbeschouwd is het aantal mensen dat de grens oversteekt al langere tijd historisch laag – ondanks een paar recente pieken – en is de grens momenteel veiliger dan ooit. Al kun je je afvragen: veiliger voor wie?

    Wat er aan de grens gebeurt, is voor de meeste Amerikanen een ver-van-mijn-bedshow. Maar binnen de wereld van de grensbewaking heeft de militarisering van de grens geleid tot een cultuur die is doortrokken van oorlogstermen en -tactieken. Agenten van de grenspolitie noemen immigranten ‘misdadigers’, ‘vreemdelingen’, ‘lichamen’ of ‘toncs’ (mogelijk een acroniem van temporarily out of native country, of van territory of origin not known – of een verwijzing naar het geluid van de klap van een Maglite-zaklamp op het hoofd van een immigrant). De grenspolitie beschikt over drones, helikopters, infraroodcamera’s, radar, grondsensoren en gepantserde voertuigen. Maar hun dodelijkste wapen is van geografische aard – de woestijn zelf.

    De grensbewaking in de jaren negentig viel samen te vatten als ‘preventie door middel van afschrikking’. De grenspolitie trad hard op tegen migranten die in steden als El Paso de grens overstaken. Er werden muren gebouwd, er werden torenhoge budgetten vrijgemaakt en er werden talloze nieuwe mensen in dienst genomen om in de grenssteden te patrouilleren. Buiten de steden, zo was de veronderstelling, zou de meedogenloze woestijn het vuile werk opknappen en mogelijke migranten weren, ver buiten het oog van de media.

    Een kruis markeert het graf van een immigrant in Holtville, Californië, in 2016. – © John Moore / Getty Images
    Een kruis markeert het graf van een immigrant in Holtville, Californië, in 2016. – © John Moore / Getty Images

    Doris Meissner, die van 1993 tot 2000 aan het hoofd stond van de Immigration and Naturalization Service (INS), zei in The Arizona Republic dat de INS ervan overtuigd was dat ‘de geografische omstandigheden aan onze kant stonden’ en dat de stroom immigranten vanzelf zou opdrogen wanneer mensen zich zouden realiseren wat die omstandigheden behelsden.

    Maar zelfs toen duidelijk werd dat grote aantallen mensen evengoed de tocht door de woestijn maakten en er jaarlijks honderd of meer mensen door de ontberingen het leven lieten, hield de overheid vast aan haar beleid. ‘Op geen enkel moment is serieus overwogen om vanwege die consequenties de teugels aan de grens te laten vieren,’ erkent Meissner. Met andere woorden: alles bleef bij het oude, in de wetenschap dat er migranten om het leven kwamen.

    De grenspolitie beroept zich geregeld op de zoekacties die ze uitvoeren, om te laten zien dat ze in zekere zin een humaan beleid voeren. Maar dat is net zoiets als brandweerlieden die een bedankje willen omdat ze een brand hebben geblust die hun eigen baas heeft aangestoken. Doordat ik een training kreeg als ambulancebroeder, kon ik me vastklampen aan de gedachte dat ik de migranten hielp, en zo kon ik mijn ogen sluiten voor het feit dat ik deel uitmaakte van een systeem dat hen de dood in dreef. Dergelijke redeneringen verhullen ook de wreedheid van de grenspolitie: ik heb meegemaakt dat agenten groepen migranten over een verlaten gebied verspreidden en hun watervoorraad vernietigden, handelingen die ook uitvoerig zijn beschreven door mensenrechtenorganisaties.

    CNN bracht onlangs aan het licht dat de grenspolitie een lager aantal sterfgevallen onder migranten heeft geregistreerd dan in werkelijkheid het geval was

    Het zerotolerancebeleid van de huidige regering stoelt op dit idee van afschrikking. In een interview op Fox News legde Laura Ingraham minister Sessions het vuur na aan de schenen. Op haar vraag of kinderen van hun ouders werden gescheiden met de bedoeling mensen te ontmoedigen de grens over te steken, erkende hij uiteindelijk: ‘Ja, hopelijk komt de boodschap nu over.’

    De regering heeft laten weten dat zelfs dit beleid ‘humanitair’ is, deels omdat het toekomstige migranten ervan kan weerhouden hun kinderen deze gevaarlijke tocht te laten ondernemen. Daarmee wordt voorbijgegaan aan bewijs dat gedurende vele decennia is vergaard: ongeacht de hel die migranten moeten doorstaan om de grens over te steken, zullen ze de gok wagen om te kunnen ontsnappen aan de concretere dreiging van geweld in hun thuisland, om zich te herenigen met hun gezin of om in ieder geval iets van economische zekerheid te verwerven.

    Beleidsmakers gaan er ook aan voorbij dat een strengere grensbewaking vrijwel altijd de netwerken van mensensmokkelaars, die vaak aan een kartel zijn verbonden, in de kaart speelt. Die zien het als een kans om de prijs op te drijven en kwetsbare migranten over te halen een nog riskantere oversteek te wagen om maar niet gepakt te worden.

    Jason de León, die aan het hoofd staat van het Undocumented Migration Project, zegt dat de overheid immigranten zonder papieren ziet als ‘mensen wier leven geen enkele politieke of sociale waarde heeft’ en ‘mensen wier dood weinig tot niets betekent’. Deze devaluatie van het leven van migranten is geen kwestie van retoriek: CNN bracht onlangs aan het licht dat de grenspolitie een lager aantal sterfgevallen onder migranten heeft geregistreerd dan in werkelijkheid het geval was. In de officiële overzichten van meer dan zesduizend doden in zestien jaar zijn zeker vijfhonderd sterfgevallen weggelaten – er worden dus letterlijk levens uitgevaagd.

    Kritiek punt

    De logica van afschrikking verschilt niet zo veel van de logica van oorlogsvoering: de grens is erdoor veranderd in een gebied waar de uitzonderingstoestand geldt, een gebied waar de kwetsbaarste mensen op aarde de dood vinden of verdwijnen, een gebied waar kinderen worden losgerukt van hun ouders om een boodschap af te geven: je bent hier je leven niet zeker. In die zin heeft de situatie aan de grens een kritiek punt bereikt – niet vanwege de criminaliteit, maar vanwege de minachting voor het menselijk leven.

    We mogen niet wegzakken in onverschilligheid. In de nasleep van de hevige protesten tegen het uiteenrukken van gezinnen, die in het hele land hebben geklonken, is het nu van wezenlijk belang dat we onze woede richten op het barbaarse beleid dat dit mogelijk heeft gemaakt.

    Auteur: Francisco Cantú
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Francisco Cantú studeerde Internationale Betrekkingen en ging daarna in dienst bij de US Border Patrol, als tweetalige grenswacht van Mexicaanse komaf. Hij moest uitgeputte en uitgedroogde landgenoten detineren, wanhopige mannen, vrouwen en kinderen. Hij moest drugspartijen onderscheppen en dode lichamen bergen. Totdat hij er psychisch niet meer tegen kon en ontslag nam. Over zijn ervaringen aan de grens schreef hij The Line Becomes a River, Dispatches from the Border, in het Nederlands vertaald door Molly van Gelder (De streep wordt een rivier. Berichten van de grens) en uitgegeven door Athenaeum-Polak & Van Gennep.

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 571.500

    Krant der kranten. Won meer Pulitzerprijzen dan enig ander medium. Motto: ‘All the news that’s fit to print.’

  • 6. Drie vragen aan…

    6. Drie vragen aan…

    Kenners aan het woord over de president.

    … 
Adam Sage, 
correspondent in Parijs van de Britse krant The Times

    ‘Een door en door Franse president’

    Welke conclusies trekt u uit het eerste jaar van Macron?
    ‘Macron is vooral een door en door Franse president, hij vertegenwoordigt niet de nieuwe wereld. In veel opzichten staat hij voor de continuïteit van de Franse naoorlogse politiek. Maar daarbij moet worden gezegd dat hij redelijk efficiënt en competent is, en dat hij bovendien al tijdens zijn verkiezingscampagne had aangekondigd wat hij nu in de praktijk brengt.’

    Heeft hij u verrast?
    ‘Wat mij verrast is zijn sterke vermogen om de zaken voor te stellen zoals de toehoorder ze graag zou vernemen. Als hij voor de buitenlandse pers spreekt, slaagt hij erin zich voor te doen als een leider die Frankrijk gaat hervormen in een richting die vooral op prijs wordt gesteld door niet-Fransen.’

    Op welk onderdeel van de hervormingen is hij het meest markant?
    ‘Hij heeft vooral indruk gemaakt op het internationale toneel, waar hij een onbekende was zonder enige ervaring. Desondanks heeft hij daar werkelijke invloed gekregen, met name door Donald Trump uit te nodigen voor de Franse nationale feestdag, de Quatorze Juillet. Dat was geniaal. Macron stak Trump in zijn zak, zonder enige protestdemonstratie in Parijs.

    Bij zijn bezoek aan het Verenigd Koninkrijk in januari was zijn optreden ook heel sterk, hoewel de sfeer gespannen was, met het oog op Calais en de Brexit. Met het aanbod om het Tapijt van Bayeux in Londen tentoon te stellen, effende hij het pad. Hij kreeg een fantastisch onthaal en gaf een interview aan de BBC dat iedereen geweldig vond. Alle Britten moeten hebben verzucht: “Hadden wij maar zo’n politicus…”’


    1. Adam Sage; 2. Rickard Werly; 3. Pablo Levi.
    1. Adam Sage; 2. Rickard Werly; 3. Pablo Levi.

    … Richard Werly, 
correspondent in Parijs van de Zwitserse krant Le Temps.

    ‘Macron belichaamt Frankrijk’

    Wat vindt u het meest opvallend aan het eerste jaar Macron?
    ‘De radicale verandering van stijl: Macron wil vooral niet op zijn voorganger Hollande lijken. Hij wil de man van de hervormingen zijn. Zo bezien doet hij het goed. Hij heeft het idee dat Frankrijk moet veranderen geloofwaardig gemaakt. De eerste tegenvaller: Macron wil hervormen, maar de Fransen niet. Tweede tegenvaller: Europa. Even was er hoop met zijn verkiezing, maar sindsdien wijst alles de andere kant op: de verkiezingen in Italië, Catalonië, de herverkiezing van Viktor Orbán… Macron blijft een eenling met tegenwind.’

    Waar komt het onbegrip tussen hem en de Fransen vandaan?
    ‘Het is vreemd om Macron nu te verwijten dat hij te snel gaat: hij had dat in de campagne duidelijk aangekondigd. Mij treft desondanks zijn onbuigzaamheid, zoals in het conflict met de spoorwegen. Je kunt geen hervormingen doorvoeren door je als een heerser te gedragen. Macron moet het debat aangaan.’

    Welke rol heeft hij ingeruimd voor de Franse diplomatie?
    ‘Er is een verschil tussen het Franse imago en de resultaten op diplomatiek niveau. Het imago is een doorslaand succes: met zijn aanval op Donald Trump inzake het klimaat belichaamde Macron Frankrijk, zijn rede in Davos trok veel aandacht, de ontmoeting van Poetin in Versailles was ook zeer geslaagd. Het probleem is dat diplomatie berust op het vermogen mee te tellen op momenten van crisis. Heeft Macron op klimaatgebied echt een sterke coalitie tegen Trump weten te smeden? Heeft hij in Syrië inderdaad een ombuiging bewerkstelligd? Je krijgt de indruk dat Rusland en Iran aan het langste eind trekken.’

    Dit is een man van amper veertig, die is opgegroeid met Erasmus en in wie de Europese waarden vast verankerd zijn

    … Pablo Levi, correspondent in Parijs van 
het Italiaanse persbureau Ansa.

    Onder de maat als ‘het land van de mensenrechten’

    Is Frankrijk in een jaar tijd veranderd?
    ‘Vrijwel onmiddellijk na het aantreden van Emmanuel Macron deed zich een Copericaanse revolutie van de arbeidsmarkt voor. Er was een “zwarte herfst” van protestdemonstraties aangekondigd, maar de hervormingen verliepen gladjes. Dat prikkelde Macron om het met het staatsspoorbedrijf SNCF nogmaals te proberen. Maar de wittebroodsweken waren voorbij, het sociale gemor stak de kop weer op en men herkende Frankrijk weer.’

    Wat vindt u van de Europese ambities van de president?
    ‘Daaruit spreekt een waanzinnige wilskracht en een grote oprechtheid. Dit is een man van amper veertig, die is opgegroeid met Erasmus en in wie de Europese waarden vast verankerd zijn. Helaas heeft hij een koude douche gekregen: men kan Europa niet in z’n eentje tot stand brengen. Of het nu Duitsland betreft met het lange en pijnlijke proces bij de vorming van een nieuwe regering, of Italië, waar de verkiezingen werden gewonnen door de populisten: Frankrijks bondgenoten lieten het vooralsnog afweten.’

    Heeft Macron u op een speciaal punt teleurgesteld?
    ‘Frankrijk blijft onder de maat als “het land van de universele mensenrechten”, een titel die het zichzelf heeft toegekend. De mooie woorden van de president over humanisme worden door de feiten niet ondersteund. In de bergen tussen Italië en Frankrijk steken vluchtelingen onder barre omstandigheden de grens over. Er zijn doden bij gevallen. Dat is “het land van de mensenrechten” onwaardig.’

  • Kroniek van een aangekondigd verkiezingsdrama

    Kroniek van een aangekondigd verkiezingsdrama

    De Braziliaanse presidentsverkiezingen in 
oktober beloven een chaos te worden. Ex-president Lula zit in de gevangenis en veel andere populaire kandidaten zijn er niet. Extreem-rechts zou 
kunnen profiteren.

    Met nog zes maanden te gaan voor de meest turbulente presidentsverkiezingen sinds het einde van de militaire dictatuur in 1984, zit een groepje medewerkers, sommigen met een koksmuts op, te roken voor de deur van Dalva e Dito, een restaurant met een Michelinster waarvan de chef-kok, Alex Atala, tot de topkeukenmeesters van São Paulo behoort.

    ‘Op wie gaan jullie stemmen?’ ‘Het zijn allemaal zakkenvullers, maar stemmen is verplicht, dus ik stem blanco,’ antwoordt José Edson dos Santos, een kelner van 33. ‘Ik stem op Lula, hij heeft ervoor gezorgd dat mensen als ik naar de universiteit kunnen,’ zegt de 21-jarige Lino Aparecido, assistent-kok en leerling aan de koksschool. ‘Maar Lula is veroordeeld voor diefstal!’ roept Dos Santos verontwaardigd uit. ‘Iedereen steelt, dat is de mens eigen,’ antwoordt Aparecido kalm. ‘En Bolsonaro?’ vragen wij. Jair Bolsonaro is de extreem-rechtse kandidaat die in de peilingen op de tweede plaats staat, achter Lula. ‘Met Bolsonaro en zijn bandieten wordt het helemaal een puinhoop,’ antwoordt de 38-jarige parkeerwachter Luis Fernández Oliveira.

    In Dalva e Dito kost het gerecht pato no tucupi (eend in cassavesoep) 119 real (33 euro), een bedrag waarvoor deze mannen drie dagen moeten werken, met elke dag twee uur reizen, heen en weer van de buitenwijken naar het centrum van de miljoenenstad. Ze zijn het erover eens dat zij in hun portemonnee niets merken van het economisch herstel waarover de media dagelijks berichten.

    President Michel Temer en zijn minister van Financiën, Henrique Meirelles, hebben onlangs hun kandidatuur bekendgemaakt, in de hoop munt te slaan uit de economische groei die dit jaar tot wel 3 procent kan oplopen. Maar het economisch herstel is het meest ongelijke in de geschiedenis van dit land, waar de ongelijkheid toch al tot de grootste van de wereld behoort. Zelfs Miriam Leitão, die in haar dagelijkse column in O Globo onvermoeibaar pleitte voor het aftreden van Dilma Rousseff ten gunste van Temer, erkent dat ‘het onwaarschijnlijk is dat het aarzelende begin van het economisch herstel de kandidaten die laag in de peilingen staan vooruit kan helpen’. Temer staat nog maar op 6 procent van de stemmen.

    ‘De mensen zijn op zoek naar een centrum-rechtse outsider die achter de hervormingen van de arbeidsmarkt en de pensioenen staat en die tegelijk de corruptie wil aanpakken. Maar die kandidaat bestaat niet’

    In 2018 is het teleurgestelde Braziliaanse electoraat op zoek naar kandidaten die geen banden hebben met het door en door corrupte politieke apparaat. Maar geen enkele kandidaat kan rekenen op een overwinning zonder de steun van de traditionele politieke partijen, die over zendtijd beschikken naar rato van het aantal zetels dat ze in het parlement hebben, en die de 100 tot 200 miljoen real (30 tot 60 miljoen euro) op tafel kunnen leggen die een verkiezingscampagne in een zo groot land als Brazilië kost. ‘We zijn op het punt gekomen dat de morele dimensie een cruciale factor is geworden in de politiek: corruptie is hét onderwerp,’ zegt Jorge Chaloub, een politicoloog van de Federale Universiteit van Juiz de Fora. ‘De mensen zijn op zoek naar een centrum-rechtse outsider die achter de hervormingen van de arbeidsmarkt en de pensioenen staat en die tegelijk de corruptie wil aanpakken. Maar die kandidaat bestaat niet.’

    Geraldo Alckmin, kandidaat voor de linkse Sociaal-Democratische Partij (PSDB) en gouverneur van de staat São Paulo, is de favoriet van het ondernemersestablishment. Hij wil echter maar niet hoog in de peilingen komen. Zelfs zijn partijgenoot, ex-president Fernando Henrique Cardoso, heeft hem verweten dat hij zich te veel identificeert met de internationale investeerders aan de Avenida Paulista [het financiële centrum van São Paulo]. ‘De kandidaat die de markten vertegenwoordigt, gaat verliezen,’ aldus Cardoso.

    Tegenstanders van Lula maken een selfie met de extreemrechtse kandidaat Jair Bolsonaro. – © Eraldo Peres / HH
    Tegenstanders van Lula maken een selfie met de extreemrechtse kandidaat Jair Bolsonaro. – © Eraldo Peres / HH

    Bolsonaro, een extreem-rechtse ex-militair, is de kandidaat die het best is toegerust om stem te geven aan de volkswoede tegen de politieke kaste. Zijn delirische pleidooi voor een zerotolerancebeleid tegen de misdaad, of het nu in de favela’s van Rio is of in het Braziliaans Congres, vindt weerklank bij het publiek. Bij een enquête gaf ruim 50 procent van de ondervraagden aan dat ze het eens zijn met het motto van de extreem-rechtse kandidaat: ‘De beste bandiet is een dode bandiet.’ De campagne wordt steeds gewelddadiger en de door het land toerende verkiezingskaravaan van Lula is al beschoten door vermoedelijke aanhangers van Bolsonaro. Niettemin blijven veel stemmers twijfelen tussen Lula en Bolsonaro, een teken van de chronische verwarring die in Brazilië heerst na het echec van de regeringen met de Arbeiderspartij (PT), onder leiding van Dilma Rousseff en Lula zelf. De makke van Bolsonaro is dat hij niet de financiële steun van een partij heeft.

    Van de kandidaten die wel over financiën en een electorale infrastructuur beschikken, heeft alleen Lula een solide aanhang. Een op de drie stemmers zegt op hem te gaan stemmen. Zijn troef is zijn beleid in de vette jaren 2003-2010, toen hij door middel van overheidssubsidies het minimumsalaris verhoogde en ervoor zorgde dat honderdduizenden jongeren uit arme families konden gaan studeren. Maar het is hoogst onwaarschijnlijk dat Lula aan de verkiezingen zal kunnen deelnemen.

    Temer heeft een poging gedaan stemmen bij Bolsonaro weg te kapen met zijn omstreden besluit het federale leger in de favela’s van Rio in te zetten. Maar het is heel goed mogelijk dat de oorlog in de favela’s juist stemmen oplevert voor links. Niet voor Lula, maar voor de PSOL, de Socialistische Vrijheidspartij waarvoor Marielle Franco actief was. Franco, gemeenteraadslid van Rio en tevens mensenrechtenactiviste, werd onlangs vermoord nadat ze campagne had gevoerd tegen de aanwezigheid van het leger in de favela’s.


    Als Lula niet meedoet aan de verkiezingen, zal veel afhangen van de vraag of hij erin slaagt zijn persoonlijke aanhang over te dragen aan een andere kandidaat van links. De interessantste keuze zou Ciro Gomes zijn, die een outsider is maar ook in het linkse kamp geldt als een gezaghebbende intellectueel. Bovendien komt hij uit het noordoosten van Brazilië, het electorale thuisland van Lula, wiens stemmen essentieel zijn voor een mogelijke herovering van de macht door links.

    Er is echter een probleem. Gomes beseft heel goed dat de PT een paria is geworden voor het electoraat uit de middenklasse, en recentelijk heeft hij de partij van Lula dan ook aangevallen. Net als Bolsonaro heeft hij stemmen aan de basis gewonnen door zich te keren tegen het vermolmde politiek apparaat, maar daarmee heeft hij tegelijk de grote politieke partijen, die onmisbaar zijn voor een overwinning, van zich vervreemd. Lula, even uitgeslapen als altijd, zei in een interview met dagblad Folha de São Paulo: ‘Laten we er niet omheen draaien: op rechts kan niemand de presidentsverkiezingen winnen zonder de steun van de PSDB, en op links kan niemand ze winnen zonder de steun van de PT.’

    Auteur: Andy Robinson
    Vertaler: Jos den Bekker

    Openingsbeeld: Voormalig president Lula met aanhangers op 7 april, vlak voor hij werd gearresteerd. – © Victor Moriyama / Getty Images

    La Vanguardia
    Spanje | dagblad | oplage 197.000

    Sinds 1881 in handen van de familie Godó. ‘De Voorhoede’ is de vierde krant van Spanje, maar met Barcelona als thuishaven de nummer één van Catalonië.

  • Mensenjagers

    Mensenjagers

    Honderdduizenden vluchtelingen proberen uit Libië naar Europa te komen. Een miljardenbusiness voor de bendes mensensmokkelaars. Een plaatselijke krijgsheer heeft de mensensmokkelaars de oorlog verklaard: met één schip, 37 mannen en ondoorzichtige motieven.

    De boot is nog maar een paar meter van ons af als het mondingsvuur van een machinegeweer oplicht in de nacht. Schoten knallen, we laten ons op de vloer van de stuurhut vallen en drukken onze gezichten in de matten. Boven onze hoofden slaan kogels in. Vanuit onze dekking aan boord van de Tileel, een patrouilleschip van de Libische kustwacht, zien we op de golven van de Middellandse Zee een rubberboot met Afrikaanse vluchtelingen. Vlak daarnaast, nog geen dertig meter bij ons vandaan, ligt een speedboot waar mannen in camouflagepakken en met maskers op hun automatische geweren op ons leegschieten.

    Donderdag, 6 april 2017, kort na middernacht. De aanval komt als een verrassing. Commander Al Bija van de Libische kustwacht was met de Tileel naar de vluchtelingen toe gesneld, die op weg waren van Libië in Noord-Afrika naar Italië, om hen uit de woelige zee te redden. Toen we hen bijna bereikt hadden dook uit de duisternis een speedboot op die als een schaduw op ons af vloog: mensensmokkelaars, vastbesloten controle over hun menselijke waar te houden.

    Gevaarlijkste grens ter wereld

    We zijn al tien dagen onderweg langs de kust van Libië, de zuidoever van de Middellandse Zee, de gevaarlijkste grens ter wereld. Volgens de Duitse regering houden zich in Libië op dat moment bijna een miljoen vluchtelingen en migranten op, waardoor het verreweg het belangrijkste doorgangsland is op de zeeweg van Afrika naar Europa. Er zouden dat jaar wel 300.000 mensen naar de Europese kust kunnen oversteken. De EU wil hen al in Libië tegenhouden.

    Op de EU-top in februari 2017 in Malta hebben de regeringsleiders van de lidstaten een overeenkomst met Libië gesloten: de Libische kustwacht moet de Middellandse Zee afsluiten, de vluchtelingen opvangen en hen in opvangkampen in Libië onderbrengen. Die kustwacht bestaat ten westen van de hoofdstad Tripoli, waar een groot aantal bolwerken van de mensensmokkelaars ligt, uit één enkele boot en 37 man. Hun leider is commander Al Bija, een gevreesd krijgsheer.

    Al Bija, dertig jaar, heeft een verminkte hand die hij gebruikt als een klauw. ‘Ik heb een heleboel mensen moeten doden,’ zegt hij. En hij is dol op paarden. Drie jaar heeft hij in Berlijn gewoond. Voor de een is hij een held, voor de ander een misdadiger of zelfs een moordenaar. En voor de politieke leiders van Europa is hij hier in het westen van Libië, dit desolate land zonder centrale regering, leger of politie, de enige kans om een eind te maken aan het werk van de mensensmokkelaars.

    Als wij tijdens de aanval op de Tileel gehurkt op de vloer zitten, rent de commander onder een regen van kogels over het dek, schiet op de aanvallers, geeft zijn mannen dekking en schreeuwt bevelen. Om hem heen slaan de kogels van de mensensmokkelaars in de romp. Ramen gaan aan diggelen. Explosies. Geschreeuw. Mannen storten neer en blijven roerloos liggen.

    Minutenlang gaat het schieten door. Dan is het opeens stil en klotsen alleen de golfjes van de nachtelijke zee nog tegen de boot.

    Migranten worden vlak bij de kust van Libië gered van een houten boot, 3 maart 2017. – Marco Panzetti / NurPhoto via Getty Images)
    Migranten worden vlak bij de kust van Libië gered van een houten boot, 3 maart 2017. – Marco Panzetti / NurPhoto via Getty Images)

    ‘Niemand kan om ons heen,’ zegt commander Al Bija vier dagen eerder in zijn commandopost, een kleine ruimte met een groot raam dat uitziet over de haven van Zawiyah, zo’n vijftig kilometer ten westen van Tripoli. Aan de andere kant van de kademuren breken de golven van de Middellandse Zee op de okerkleurige rotsen. Al Bija − achterovergekamd haar, dichte baard, doordringende blik en een pistool in de zwartleren riem van zijn spijkerbroek − houdt een sigaret tussen de ringvinger en pink van zijn verminkte hand geklemd. Hij laat zijn aansteker klakken en zuigt de rook diep zijn longen in. Op de banken zitten zijn mannen met hun kalasjnikovs. ‘Wij zijn de enige functionerende kustwacht in het westen van Libië.’ Al bijna twee jaar controleert Al Bija met de zestien meter lange Tileel, een paar rubberboten en zijn kleine troep de kustwateren vanaf de Tunesische grens tot voorbij Janzur, vlak voor Tripoli. Een territorium bijna dertig keer zo groot als de Bodensee. ‘Onze missie,’ zegt Al Bija, ‘is vluchtelingen van de verdrinkingsdood te redden en mensensmokkelaars op te sporen en zo nodig om zeep te helpen.’

    Naar eigen zeggen hebben Al Bija en zijn mannen meer dan 37.000 mensen van de Middellandse Zee naar Libië teruggebracht

    Naar eigen zeggen hebben Al Bija en zijn mannen meer dan 37.000 mensen van de Middellandse Zee naar Libië teruggebracht. Alleen op 18 maart 2016 al, op één dag, hebben ze in totaal 2700 mensen uit twaalf rubberboten en een grote houten boot gered. Het Libische ministerie van Defensie bevestigt de getallen.

    Al Bija laat ons op zijn telefoon een video zien: zielsgelukkige Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen die van de verdrinkingsdood zijn gered, dansen voor de commandopost in de haven van Zawiyah met zijn mannen. Op Facebook hebben ze geschreven: ‘Aan de helden van Zawiyah, zonder jullie was ik nu dood’. Of: ‘God zal het jullie duizendvoudig lonen’. Of ‘Jullie hebben mijn baby uit zee gered, mijn leven behoort jullie toe’.

    Is commander Al Bija dus de bondgenoot waar Europa zo dringend naar op zoek is? Merkels man in Libië? Ook Angela Merkel heeft er op de top in Malta mee ingestemd de Libische kustwacht aan land en op Europese oorlogsschepen te trainen in bewapende grensbewaking en de omgang met vluchtelingen. Om een eind te maken aan de handel van de mensensmokkelaars heeft Italië 200 miljoen euro beschikbaar gesteld en de Europese Commissie in de eerste fase nog eens 200 miljoen euro.

    ‘Training hebben we niet nodig,’ zegt Al Bija in zijn commandopost in de haven van Zawiyah. ‘We weten wel hoe je moet navigeren, vechten en doden.’ Wat wil hij dan? ‘Als Europa wil dat wij de rotklusjes opknappen, dan moet Europa ons daarvoor betalen.’ En de prijs van zijn diensten: ‘Een reddingsboot voor duizend mensen, speedboten, onderdelen, brandstof en soldij.’

    Hoort de commander echt tot de ‘good guys’, zoals hij zelf beweert, of speelt hij dubbel spel?

    Geen alternatief voor Europa

    Een alternatief voor Al Bija is er voor Europa op dit moment niet. Zes jaar na de val en de dood van de Libische dictator Moammar al-Gaddafi tijdens de internationale militaire ingreep in 2011, is de euforie over de Arabische Lente allang vervlogen. Bijna niemand in Libië hoopt nog op een overgang naar democratie. De volksbrigades die onder gejuich van de westerse wereld tijdens de revolutie werden opgericht, hebben na de val van Gaddafi hun wapens niet neergelegd, maar militaire arsenalen geplunderd, lege ministeries bezet en milities opgebouwd.

    De regering van nationale eenheid, waar de EU met haar plannen op steunt, heeft nauwelijks controle over Libië. Minister-president Fayez al-Sarraj, aangesteld door de Verenigde Naties en sinds 15 maart 2016 in functie, moet de nieuwe staat opbouwen. Maar het parlement, dat bijeenkomt in Tobroek, duizend kilometer oostelijk van Tripoli, heeft zijn eenheidsregering niet erkend. In het oosten van het land weigert de machtige generaal Haftar met hem samen te werken. En de terreurorganisatie Islamitische Staat heeft verschillende steden veroverd.

    Experts schatten dat in deze ondoorzichtige burgeroorlog in Libië zo’n 1700 militante groeperingen met elkaar strijden, langs grenzen van clans, stammen en geloof en in de territoria van plaatselijke krijgsheren. Rivaliserende milities controleren steden, grote wegen, raffinaderijen en olievelden. En de lucratieve handel in mensen die de Middellandse Zee willen oversteken.

    ‘Die EU-lui zitten achter hun chique bureaus allerlei prachtige dingen te verzinnen,’ zegt Al Bija terwijl hij ons zijn basis laat zien, een rotsige baai waarvan toegangen en havenmuren streng worden bewaakt. Aan boord van de Tileel zijn mannen bezig een zwaar machinegeweer te oliën. ‘De kust van West -ibië is de “moeder van alle stammen en clans”,’ verklaart Al Bija. Een wereld die afgesloten is voor buitenstaanders, zelfs voor Libiërs die hier niet vandaan komen. ‘Wie hier niet geboren en getogen is, overleeft hier niet.’

    Om de kust van mensensmokkelaars te bevrijden zijn honderden goed getrainde mannen nodig, zegt Al Bija. Maar wie moet die mannen uitkiezen? De zwakke eenheidsregering in Tripoli? De EU? ‘Ik,’ zegt de commander, ‘alleen ik ken de goeie mensen.’

    Over zijn achtergrond vertelt hij dit. Door de revolutie in 2011 moest Al Bija zijn studie aan de militaire academie in Tripoli beëindigen. Hij sloot zich aan bij de rebellen tegen Gaddafi, raakte negen keer zwaargewond en verloor bij een granaataanval twee vingers van zijn rechterhand. Hij trekt met zijn linkerbeen en zijn bekken zit scheef. Als hij denkt dat niemand het ziet, slikt hij pijnstillers.

    In de zomer van 2015 zat deze zoon van een voormalig legerofficier, die eigenlijk Abdurahman Salem Ibrahim Milad heet en Al Bija als geuzennaam voert, met zijn kameraden uit de revolutie in een café in het gebombardeerde Zawiyah. Gaddafi was al vier jaar dood, Libië een mislukte staat. Werk was er niet. Perspectief ook niet. Toen kreeg hij een idee: ‘Waarom doen we niet iets groots en nemen we de haven over?’

    Zijn vriend Mohamed Ramadan, dertig, is vergroeid met zijn machinegeweer. Ramzi Ibrahim met zijn jongensgezicht en blinkend witte tanden, zesentwintig, kan het met zijn kalasjnikov tegen iedere scherpschutter opnemen. Mohamed Erhouma, een visserszoon van dertig, kent de Libische wateren vanaf zijn vroegste jeugd en is een getalenteerd stuurman. En Mohamed Shkoundali kan met zijn magische vingers ieder apparaat weer aan de gang krijgen. Hij is met zijn vijfendertig jaar de oudste van het groepje.


    Samen hebben ze op die zachte, vroege zomerdag van 2015 hun wapens gepakt en een vijandige militie na een bloedige strijd uit de haven verdreven. Ze richtten de commandopost in en brachten de gehavende Tileel, een zestien meter lang patrouilleschip met boordgeschut op de boeg, weer in de vaart. Ze creëerden een eigen embleem, verleenden zichzelf militaire rangen, noemden zich de ‘Libische kustwacht van Zawiyah’ en voeren de Middellandse Zee op.

    Hun zelfverklaarde vijand: de mensensmokkelaars. De Verenigde Naties gaan ervan uit dat er langs de Libische kust tientallen bendes zijn die zich hebben georganiseerd in een netwerk. Ze houden vluchtelingen en migranten die geen geld voor de overtocht hebben vaak maandenlang vast in privégevangenissen, waar geslagen, verkracht, gemarteld en gemoord wordt. In een recent openbaar geworden intern rapport van de Duitse ambassade in Niger wordt gesproken van concentratiekampachtige toestanden.

    Een van de machtigste smokkelaars in het westen van Libië zou een man van nog geen dertig uit Sabratha zijn. ‘Ahmed Dabbashi, VIP-reisjes naar Europa,’ zegt Al Bija. ‘Goede schepen met sterke motoren, geëscorteerd door zijn eigen militie. Aankomst in Italië gegarandeerd.’ Het grootste schip van Dabbashi hebben ze op 5 juli 2016 tegen vier uur ’s morgens opgebracht. ‘We hebben meer dan tien man uitgeschakeld, het escorte tot zinken gebracht en zeshonderd Afrikanen teruggebracht.’ Van toen af aan wist iedereen in Libië: ‘We don’t fuck around,’ zegt Al Bija.

    Waarom riskeert Al Bija zijn leven? ’Ik heb een goed hart,’ zegt hij, terwijl hij een hand op zijn borst legt. ‘Moet ik mijn broeders soms op zee laten verdrinken?’

    En waarmee verdienen ze hun geld? Hij is paardenhandelaar, zegt Al Bija. Zijn kameraden winkelier, aannemer, monteur. ‘Een groot deel van ons inkomen gaat in onze operaties zitten.’ Later zegt hij dat ze driehonderd dagen per jaar op zee zijn.

    En hoe geeft hij zijn gezin echt te eten? ‘We nemen illegale vissersschepen uit Egypte en Tunesië in beslag, verkopen de vangst en leggen ze aan de ketting tot de eigenaars een boete hebben betaald.’

    Maar hij bestrijdt toch vooral mensensmokkelaars? Waarom? ‘Hun clans verdienen er miljoenen aan. Daar kopen ze moderne wapens, kogelvrije auto’s en tanks voor. Als wij er geen eind aan maken, zullen ze uiteindelijk ons overheersen, verdrijven en vermoorden.’

    En hier, in dit schimmige rijk van krijgsheren, milities en georganiseerde mensensmokkel, wil de EU ‘grensmanagement’ bedrijven om een halt toe te roepen aan de toestroom uit Afrika. Maar is een warlord als Al Bija wel de juiste partner om, op de loonlijst van de EU, op de Middellandse Zee op vluchtelingen te jagen? Want zo veel is wel duidelijk: de commander heeft de controle over een enorm gebied, dat aan de staat is ontglipt, met wapengeweld overgenomen. Zijn macht is niet politiek gelegitimeerd, maar door de gevechtskracht van zijn troep.

    Centrum van de macht

    In een kogelvrije terreinauto, met zijn kalasjnikov naast zich op de grond, rijdt Al Bija met ons het betwiste achterland van Zawiyah in waar hij ons iets wil laten zien. We laten de door iedereen verlaten stadsrand, de kapotgeschoten gevels en de granaattrechters achter ons. Bij checkpoints patrouilleren jongemannen in bomberjacks en legerbroeken, met spiegelende zonnebrillen en machinepistolen, op hun pick-ups hebben ze luchtafweergeschut en raketwerpers gemonteerd.

    Na een halfuur bereiken we een afgelegen hoeve. Achter een ijzeren poort opent zich een andere wereld. In goedverzorgde stallen staan prachtige paarden. Twee omheinde stukken land met netjes aangeharkt zand, weilanden, een overdekte manege in aanbouw. In een kleine villa met gestucte plafonds en beschilderde muren ruikt het nog naar verf. Steeds meer gepantserde terreinwagens met schietgaten in de geblindeerde ramen komen binnengereden. Mannen met sluwe koppen, gouden kettingen en lijfwachten stappen uit. ‘Als er problemen zijn tussen clans en stammen,’ zegt Al Bija, ‘dan worden die hier geregeld.’ Nu begrijpen we het: we bevinden ons in het centrum van de macht.

    Hij trekt zijn schoenen uit, loopt op blote voeten door het zand en haalt een van zijn paarden uit de stal. Jodran, de Moedige, is een grijze hengst met welgevormde spieren. Hij wordt een paar keer per dag geroskamd. Al Bija’s ogen stralen als hij hem een rode singel en rode beenbeschermers aan doet.

    Wat kost een hengst als Jodran? ‘Vijftigduizend dollar!’ Allemaal van in beslag genomen vissersboten? Al Bija neemt het pistool uit zijn riem en geeft het aan een van zijn mannen. Dan springt hij in het zadel en rijdt weg.

    Tussen eucalyptus- en vijgenbomen, langs een verlaten weg ergens tussen de chaotische fronten van de burgeroorlog, rijden even later de vorsten van de clans stapvoets naast elkaar. Het is een demonstratie van geslotenheid naar buiten toe, een choreografie van de mistige allianties in de Libische oorlog. Dan maken ze plotseling rechtsomkeert, geven hun paard de sporen en jagen ieder voor zich de horizon tegemoet. Ver voor de anderen uit: commander Al Bija.

    Waarom laat hij ons dit allemaal zien? In de late namiddag zitten we samen in het zand. Al Bija maakt muntthee boven een open vuur. We drinken uit een glas dat de mannen elkaar doorgeven en dat steeds wordt bijgevuld. Waarom? ‘Om iets terug te doen voor de Duitsers.’ Zwaargewond tijdens de revolutie, werd hij in 2012 naar Berlijn gevlogen, waar de chirurgen in het St. Marienkrankenhaus zijn schotwonden hebben geopereerd, de wonden van huidtransplantaties hebben voorzien en aan wat er van zijn rechterhand over is de stompjes van de vingers die er door de granaten van Gaddafi waren afgerukt hebben geamputeerd. Drie jaar heeft Al Bija in Duitsland doorgebracht, en overal werd hij met respect behandeld. ‘En de Duitse vrouwen: beeldschoon,’ zegt hij. Tegen onze tolk spreekt hij Arabisch: het Duits is hij verleerd, maar één woord kent hij nog: ‘Broeders,’ noemt hij ons terwijl hij ons op de schouder slaat.

    Waarom is hij niet in zijn huisje aan de Ernst-Reuter-Platz in Berlin-Charlottenburg gebleven? Waarom is hij in de zomer van 2015 teruggegaan naar een land dat ondertussen in een burgeroorlog was terechtgekomen? ‘Vader. Moeder,’ zegt Al Bija. ‘Familie, clan, stam.’ In Libië kun je je niet gewoon terugtrekken uit de oorlog. Het gaat om meer dan je eigen leven. ‘Verantwoordelijkheid. Eer.’

    Migranten proberen van een zinkende rubberboot op een boot van de kustwacht van Libië te komen. De foto werd vrijgegeven door hulporganisatie Sea-Watch. – © Lisa Hoffmann / Sea-Watch via AP
    Migranten proberen van een zinkende rubberboot op een boot van de kustwacht van Libië te komen. De foto werd vrijgegeven door hulporganisatie Sea-Watch. – © Lisa Hoffmann / Sea-Watch via AP

    Maar er zijn zware beschuldigingen tegen Al Bija ingebracht. Als we weer terug zijn in de commandopost, lezen we voor van TRT World, een van de vooraanstaande Turkse nieuwssites in Istanboel. 22 februari 2017: ‘Al Bija is de grootste speler in de kustwachtmaffia, en hij heeft de lucratieve mensensmokkel in Zawiyah en aangrenzende kuststreken stevig in zijn greep.’

    Al Bija kijkt duister. Zijn mannen kijken op van hun telefoons. ‘Alle mensensmokkelaars ten westen van Tripoli betalen Al Bija een percentage’, zegt het artikel. Wie weigert wordt door de commander aangepakt met de Tileel.

    Experts als de Italiaanse journaliste Nancy Porsia, die al jaren verslag doet uit Libië, weten het zeker: ‘De kustwacht van de Libische marine neemt deel aan de mensenhandel.’ Kolonel Tarek Shanboor, die op het ministerie van Binnenlandse Zaken van de eenheidsregering in Tripoli werkt, moet toegeven: ‘We hebben mensensmokkelaars in onze rangen, dat is een ernstig probleem.’

    Als Europa in deze omstandigheden de Libische kustwacht zou versterken, doet het precies wat het niet moet doen, waarschuwt Frank Dörner van de Duitse hulporganisatie Sea-Watch. In plaats van mensensmokkelaars te bestrijden loopt het EU-actieplan gevaar dat het het tegendeel bewerkstelligt: ‘Het maakt een gewelddadige escalatie op het water waarschijnlijker. Daardoor wordt de situatie voor de vluchtelingen nog gevaarlijker.’ Commander Al Bija legt zijn verminkte hand op tafel. ‘Allemaal leugens die door de mensensmokkelaars de wereld in worden gebracht,’ zegt hij bedrieglijk rustig. Als zijn kustwacht uit de weg is, zouden ze vrij baan hebben met hun smerige handel.

    Langzamerhand beginnen we het te begrijpen: hoe meer Afrikanen ze hier op elkaar proppen en hoe slechter het met deze mensen gaat, hoe beter de onderhandelingspositie van de milities tegenover Europa is

    Al Bija en zijn mannen brengen de Afrikanen die ze in de boten van de smokkelaars op de Middellandse Zee onderscheppen onder in speciale kampen van de door de VN gesteunde eenheidsregering. Zoals de EU ze volgens de akkoorden van Malta in de toekomst in heel Libië heeft gepland. In het kamp in Surman, met de auto een half uur ten westen van Zawiyah, zitten in een hal met roestige, getraliede ramen meer dan tweehonderd vrouwen op de grond gehurkt, veel van hen met baby’s. Met hun knieën tegen hun borst gedrukt, hun hoofddoek voor het gezicht, hun ogen strak op hun voeten gericht. Niemand durft zich te bewegen. Zelfs geen gefluister is te horen.

    Pas als de bewaker, een man in camouflage-uniform met een verwaarloosde baard, roodomrande ogen en een alcoholwalm, even naar buiten gaat, vat een jonge vrouw moed om met ons praten. Ze komt uit Nigeria en zit hier al meer dan tien maanden gevangen, zonder enig contact met de buitenwereld.

    Niemand weet waar ze zich bevindt, haar familie denkt vast dat ze dood is.

    Ze gaat op haar knieën voor ons zitten en vouwt smekend haar trillende handen. ‘Ze verkrachten ons,’ fluistert ze en laat haar armen zien, die onder de blauwe plekken zitten, je kunt de afzonderlijke vingerafdrukken zien. ‘Help ons, alstublieft.’ Ze tilt haar doek op. Tussen haar benen zit het trainingspak tot aan haar knieën onder het bloed. Wie heeft dat gedaan? ‘Allemaal. De een na de ander.’ De bewaker kom terug. Ze zwijgt en kijkt ons smekend aan. We voelen haar machteloosheid. We kunnen niets voor deze vrouwen doen. Integendeel: één verkeerd woord van ons, denken we, en ze zouden het zwaar moeten bekopen. Misschien met hun leven.

    Buiten wacht kolonel Ibrahim Ali Abdusalam, directeur van het vrouwenkamp in Surman. Officieel valt hij onder het ministerie van Binnenlandse Zaken, maar in werkelijkheid wordt het kamp gecontroleerd door lokale milities. ‘Ziet u hoe stil ze zijn,’ zegt hij glimlachend. ‘Dat betekent dat ze het hier goed hebben.’

    Waarom houdt hij de vrouwen maandenlang onder deze verschrikkelijke omstandigheden vast? ‘Europa wil de vrouwen niet hebben,’ zegt hij rustig en zonder lang te hoeven nadenken, ‘Oké, dan houden we ze hier.’ Maar het is de hoogste tijd dat Europa eindelijk voor hen gaat betalen. ‘Mobiele toiletten en douches, schommels en glijbanen, tampons, luiers, babymelk.’

    Langzamerhand beginnen we het te begrijpen: hoe meer Afrikanen ze hier op elkaar proppen en hoe slechter het met deze mensen gaat, hoe beter de onderhandelingspositie van de milities tegenover Europa is. Langzamerhand is ook tot Surman doorgedrongen dat Europa de grensbewaking naar Libië wil verplaatsen en daar op grote schaal in wil investeren. De Libische kustwacht moet de vluchtelingen en migranten die ze hebben opgevangen in de toekomst ‘in adequate opnamefaciliteiten afleveren’, zegt het actieplan van Malta. Libië moet voor deze mensen zorgen en een administratief apparaat opbouwen zodat ze conform de volkenrechtelijke procedures asiel kunnen aanvragen. Degenen die worden erkend kunnen ‘in contingenten’ over de Europese landen worden verdeeld. Degenen die worden afgewezen zal de EU bij de ‘vrijwillige terugkeer naar hun vaderland’ ondersteunen.

    De hulporganisaties lopen tegen dit plan te hoop. ‘Zolang vluchtelingen en migranten in Libië worden blootgesteld aan gevangenis, mishandeling, ontvoering en verkrachting, is de reis over de Middellandse Zee voor velen hun enige hoop om aan die hel te ontsnappen,’ verklaart Markus Beeko van Amnesty International Duitsland. ‘Aan de zware vergrijpen tegen de mensenrechten bij vluchtelingen en migranten in Libië moet een eind komen voor de EU-samenwerking een overweging kan maken.’ De organisatie PRO Asyl schrijft in een open brief aan Angela Merkel over een ‘dieptepunt in de Europese vluchtelingenpolitiek.’ Al eerder werd Libië een door Europa gefinancierde vluchtelingengevangenis, en wel in 2010, toen de EU betrokken was bij een deal tussen de Italiaanse minister-president Silvio Berlusconi en Moammar al-Gaddafi, waarbij die eerste Gaddafi, die vanwege zijn steun aan het internationale terrorisme al in de jaren zeventig vogelvrij werd verklaard, vijftig miljoen euro in het vooruitzicht stelde als hij vluchtelingen en migranten tegenhield.

    Gaddafi liet er destijds geen misverstand over bestaan: zonder hem zou Europa door de illegale migratie ‘zwart kleuren’. In opdracht van Europa liet hij de mensen die op de Middellandse Zee werden opgepakt naar Libië terugbrengen en hield hij ze voor onbepaalde tijd vast in gevangenkampen, zonder te onderzoeken of ze aanspraak konden maken op asiel. Ook toen al stelden mensenrechtenorganisaties de klappen, seksuele mishandeling en marteling aan de kaak.

    24 interneringskampen

    Volgens de Verenigde Naties exploiteert de Libische eenheidsregering vierentwintig interneringskampen voor migranten, veel ervan nog uit de tijd van Gaddafi. Europa wil van de bestaande infrastructuur gebruikmaken en er menswaardige opvangkampen van maken. Niet-acceptabele kampen moeten worden gesloten. Hoe de EU de milities ertoe wil brengen hun kampen op te geven is onduidelijk.

    ‘Ze laten ons hier wegrotten,’ fluistert een man in een cel in het kamp van Annas, dat in een voormalige bandenfabriek in Zawiyah is gevestigd. Door het piepkleine kijkgaatje in de ijzeren deur kunnen we alleen het wit van zijn ogen zien. Een bijtende stank slaat ons tegemoet. Dan wordt er een lucifer aangestoken, steeds meer doodsbange gezichten lichten op in het duister, naakte bovenlijven vol met huidziekten en wonden.

    Dicht op elkaar hurken de mannen op de grond. Omdat de cel te klein is om zich uit te kunnen strekken, slapen ze zittend. Er is geen douche, geen toilet. Ze urineren onder een deken in waterflesjes die ze eerst hebben leeggedronken. Hun stoelgang doen ze in plastic zakjes.

    De man achter het kijkgaatje van de cel heet Mohamed Moseray. Hij is vijfentwintig, een informaticastudent uit Sierra Leone. Hij draagt nog hetzelfde trainingspak, onder de zoutkorsten, dat hij aanhad toen hij weken geleden half verdronken uit de Middellandse Zee werd opgevist. De huid eronder is aangevreten door benzine die door de lekgeslagen boot stroomde. Hij vertelt dat hij zijn studie in Sierra Leone moest afbreken omdat hij er geen werk naast kon vinden en zijn familie hem niet kon onderhouden. Hij had gewoon geen toekomst meer. ‘Mijn grote droom is om af te studeren,’ zegt Moseray, hij begint te trillen en te huilen, maar vermant zich. ‘Daarom wil ik naar Italië, en dan verder naar Canada.’ Daar betaalt de regering zijn studie.

    Na een odyssee van vijf jaar dwars door West-Afrika en de Sahara, vertelt Moseray, duwden Libische smokkelaars kort na middernacht op 19 maart 2017 de rubberboot die hem naar Italië zou brengen de Middellandse Zee in. Meer dan honderdvijftig mensen moesten er van de mensensmokkelaars in. ‘Wie niet instapt, schieten we dood.’ Ze waren nog geen twee uur op zee toen de boot omsloeg.

    ‘Geschreeuw, gebeden, mensen, overal in het water, zwangere vrouwen, kinderen, baby’s. En niemand kon zwemmen!’ Hij somt zijn vrienden op: ‘Mohamed Focus Diallo, verdrinkt. Amadou Melodiba, verdrinkt. Mohamed Bah, verdrinkt.’ De een na de ander zag hij naast zich onder water verdwijnen.

    Wat daarna gebeurde, weet Mohamed Moseray niet meer. Hij herinnert zich alleen het schip dat kort na zonsopgang op hen afkwam. En de hand die zijn redder hem toestak. ‘Als een klauw,’ zegt Mohamed Moseray. ‘Hij miste een paar vingers.’

    Een detentiecentrum in Tripoli, Libië. Hier worden illegale migranten vastgehouden. – © Florian Gaertner / Photothek via Getty Images
    Een detentiecentrum in Tripoli, Libië. Hier worden illegale migranten vastgehouden. – © Florian Gaertner / Photothek via Getty Images

    Tegen tien uur ’s avonds gaan we aan boord van de Tileel, met een tiental zwaarbewapende mannen in camouflage-uniformen, de klittenbandsluitingen strak onder hun kin. Commander Al Bija heeft van zijn spionnen een tip gekregen: op het strand van Sabratha, een stad vlak in de buurt, hebben mensensmokkelaars in deze stormachtige nacht een rubberboot vol mensen op weg naar Europa gestuurd.

    De mannen drukken patronen in het magazijn van hun kalasjnikovs, leggen granaatwerpers naast zich op de bank en een patroonband in het zware machinegeweer op de boeg. Redden betekent voor hen steeds vaker vechten. Doordat ze met de Tileel langs de kust cruisen wakkeren ze de geweldspiraal aan. Want steeds meer bendes gaan ertoe over hun menselijke vracht bewapend te escorteren.

    De oversteek naar Italië kost op het ogenblik ongeveer 2500 dollar per persoon. Als je dit bedrag omrekent voor de 181.000 mensen die in 2016 naar Italië zijn overgestoken, en voor de meer dan 5000 mensen die bij hun poging zijn verdronken, dan hebben de Libische mensensmokkelaars in 2016 ongeveer 450 miljoen dollar binnengekregen.

    Het bedrag moet weliswaar van tevoren worden betaald, maar toch: als je je vracht verliest aan de Tileel, is dat slecht voor de zwaarbevochten handel. Want degenen die op zee worden opgepakt en teruggebracht naar Libië, zullen in de wijdvertakte netwerken langs de Afrikaanse migratieroutes hun smokkelaars sterk afraden. Vanuit het gezichtspunt van de laatsten is het minder erg als hun klanten in de Middellandse Zee verdwijnen. Of niet meer te identificeren zijn als ze op een strand aanspoelen.

    Zonder boordverlichting, als een spook, vaart de Tileel de haven van Zawiyah uit en iets later breekt hij door de hoge branding, de Middellandse Zee op. Schuim spat op aan de boeg. Windvlagen rukken aan de stuurhut. ‘Als we ze niet vinden, zijn ze dood,’ zegt commander Al Bija aan het roer.

    In Libië, waar het erom gaat te overleven, speelt niemand open kaart. Wat Al Bija’s agenda ook mag zijn, aan boord van de Tileel vermoeden we uiteindelijk dat wij er ook een plaatsje in hebben. Wil hij uit het verhaal dat we over hem zullen schrijven als een waardige partner van Europa naar voren komen? En ons nu bewijzen dat hij dat ook daadwerkelijk is?

    Al Bija vertelt dat zijn deal met de EU in volle gang is. Vlak voordat wij aankwamen heeft hij in Tunis met Engelse diplomaten gesproken. De Spaanse regering heeft hem uitgenodigd naar Madrid te komen. Waar die gesprekken over gaan? ‘Geheim!’ Toch maakt hij ons deelgenoot van een paar van zijn eisen: ‘Een levens- en ziektekostenverzekering voor mij en mijn mannen. En visa voor een relaxvakantie van twee weken in Europa.’

    Om te bewijzen dat hij een waardige partner voor Europa is, heeft Al Bija niet alleen zijn eigen leven op het spel gezet, maar ook dat zijn van mannen en dat van ons. En dat van de mensen in de rubberboot

    Koers Noordnoordwest. 18 knopen. De lichtjes van de kust zijn ver weg, boven het pikzwarte water staat de halve maan bijna recht boven ons als op het radarscherm iets oplicht. Gespannen dringen de mannen rond commander Al Bija. De ramen van de stuurhut beslaan van hun adem, met hun vingers gaan ze over het radarscherm alsof ze daarop kunnen voelen wat ons buiten te wachten staat. Een halfuur lang koersen we op het signaal af. Dan ziet de infraroodcamera op de boeg een boot, ongeveer 400 meter voor ons. Commander Al Bija bestudeert het silhouet op de monitor. ‘Een rubberboot,’ zegt hij tenslotte met nauwverholen triomf in zijn stem

    Al Bija kijkt veelbetekenend om naar ons. Tot aan het eind komen we er niet achter wie de commander echt is: de man die in Berlin-Charlottenburg genas om terug te gaan naar Libië en met een gekaapt schip en een paar mannen de kustwateren te veroveren. Vaststaat alleen dat hij in het door oorlog ontwrichte Libië een gaatje heeft gevonden om geld te verdienen met het redden van vluchtelingen.

    De belangrijkste pijlers onder de EU-afspraken met Libië wankelen. De kustwacht zit vol dubieuze figuren. En wat die veilige opvangkampen betreft: op dit moment zijn het niet meer dan door de milities gemanagede pakhuizen vol weerloze mensen, waardevolle assets in de oorlog om Libië en om de Europese miljoenen.

    ‘Snelle oplossingen zijn er niet,’ zegt Martin Kobler, de Duitse speciale VN-ambassadeur voor Libië. ‘We moeten doen wat we kunnen om Libië te stabiliseren.’ Dan zouden veel mensen in plaats van in boten te klimmen in het olieland blijven om daar, net als vroeger onder Gaddafi, te gaan werken. En de mensensmokkelaars zouden maar weinig klanten hebben.

    De honderdvijftig mensen die nu in het zicht van de Tileel in de volgepakte opblaasboot tegen metershoge golven vechten, hebben niets aan langetermijnoplossingen. Als we ze bijna bereikt hebben, komt uit de nacht een raceboot op ons afgesneld. De smokkelaars openen het vuur en wij laten ons op de vloer vallen.

    Commander Al Bija rent door de kogelregen, schiet terug, trekt een gewonde uit het schootsveld en kruipt naar ons toe. Met zijn verminkte hand tikt hij ons op de schouder. Leven we nog? Hij kijkt alsof het succes van zijn missie daarvan afhangt.

    Opeens is het stil. Voorzichtig tillen we ons hoofd op. Met een pikhaak trekken Al Bija en zijn mannen de raceboot dichterbij. Drie smokkelaars zijn neergeschoten, twee van hen zijn zwaargewond.

    ‘Geloven jullie ons nu?’ schreeuwt de commander. ‘Geloven jullie nu eindelijk dat wij niet bij hen horen?’ We weten het niet zeker. Om te bewijzen dat hij een waardige partner voor Europa is, heeft Al Bija niet alleen zijn eigen leven op het spel gezet, maar ook dat zijn van mannen en dat van ons. En dat van de mensen in de rubberboot.

    Als versteend zitten ze in het licht van onze zaklantaarns. Geen van hen lijkt gewond te zijn. De vrouwen hebben hun handen gevouwen in gebed. Huilende kinderen begraven hun hoofd in de jas van hun moeder. Het zou uren duren om ze terug te slepen naar de haven. De mensensmokkelaars hebben via hun satelliettelefoons hun basis op de hoogte gebracht. Tegen hun vloot van zwaarbewapende raceboten heeft de Tileel geen schijn van kans.

    ‘Te riskant,’ zegt commander Al Bija terwijl hij de boot met zijn voet wegduwt. Het water staat tot aan hun knieën. Waarom neemt hij niet een paar van hen aan boord? In elk geval de kinderen? In plaats van te antwoorden vaart Al Bija met volle kracht terug naar Zawiyah. De mensen in de rubberboot drijven weg en verdwijnen in de duisternis.

    Tekst: Michael Obert
    Vertaling: Izaak Hilhorst

    Michael Obert en Moises Saman zijn al vaker onder vuur komen te liggen in crisisgebieden. Maar niet midden in de nacht op een boot op de Middellandse Zee. Aan land kun je je in elk geval gecontroleerd terugtrekken, op de Tileel konden ze alleen op de vloer blijven liggen en hopen. Hun tolken Salah Almorjini en Moises Saman bleven ongedeerd, Michael Obert brak toen hij tijdens de aanval struikelde een paar ribben.

    Süddeutsche Zeitung Magazin
    Duitsland | weekblad | oplage 445.000

    Het vrijdagsupplement van de SZ, en daarmee een van de grootste tijdschriften van Duitsland, samen met dat van Die Zeit. Veel interviews en veel (populaire) cultuur.

    Relevante artikelen uit 360:

    1. 131: De Afrikanen blijven weg, maar tegen welke prijs?
  • 1. ‘Ik weet dat het gevaarlijk is – maar ik doe het zo wéér’

    1. ‘Ik weet dat het gevaarlijk is – maar ik doe het zo wéér’

    Wie als gestrande migrant niet op de slavenmarkt wordt verkocht, komt terecht als dwangarbeider in een ‘opvangkamp’, een ander voorportaal van de hel.

    Het detentiecentrum in Sorman, waar honderden wanhopige vluchtelingen worden vastgehouden, is een betonnen blok. Het staat aan een regionale weg in het westen van Libië, ongeveer zestig kilometer van Tripoli, in de buurt van Sabrata en Zawiya, twee steden die floreren dankzij de illegale oliehandel. Bij de enige toegang tot het gebouw, een deur met een simpel hangslot, staat een bewaker. Uit angst voor zijn eigen veiligheid weigert hij zijn naam te geven, maar de verslaggever en de fotograaf krijgen wel toestemming om binnen een kijkje te nemen.

    In de gevangenis zitten rond de tweehonderdvijftig vrouwen en dertig kinderen hutjemutje op de grond. Iedere vierkante centimeter is bezet. Naast elk matrasje liggen wat toiletspullen, zeep, een kam. Sommige gevangenen hebben een extra shirt. De meeste hebben niets.

    Jandra, midden twintig, ontvluchtte de armoede in Ivoorkust, hopend op een betere toekomst in Europa. Zij en honderdtwintig anderen waren al uitgevaren toen de motor van hun rubberboot het begaf. Al snel werden ze door de Libische kustwacht onderschept en gearresteerd. Eerst werd de groep naar een officieel centrum in Zawiya gebracht, waar wel twaalfhonderd gedetineerden verbleven, vertelt ze. ‘We zaten met honderd man in de cel. Het was zo vol dat we niet eens konden liggen, we moesten om beurten slapen.’

    Niemand kan zeggen hoeveel illegale centra er zijn: regeringsvertegenwoordigers vertonen zich niet in gebieden die in handen zijn van de milities omdat het er levensgevaarlijk is

    De bewakers van het detentiecentrum namen hen alles af, vertelt Jandra. Schoenen, shirts, telefoons en, natuurlijk, geld. ‘Daarna begonnen ze ons af te persen. Ze gebruikten onze telefoons om onze vrienden in Libië te bellen en geld te eisen in ruil voor onze vrijheid, of ze belden met onze familieleden en dreigden ons te vermoorden als ze niet snel met geld over de brug kwamen.’

    Jandra’s verhaal is niet het enige. Steeds meer migranten die op zoek naar een beter leven Italië proberen te bereiken, belanden uiteindelijk weer in Libië, waar ze terechtkomen in een spiraal van geweld en bedreigingen. Libië is onder migranten en vluchtelingen de populairste springplank naar Europa. In de eerste zes maanden van 2017 stierven er minstens 2030 migranten bij hun poging de Middellandse Zee over te steken. Het merendeel begon de overtocht in Libië.

    Volgens Laura Thompson van de Internationale Organisatie voor Migratie zijn er in heel Libië 31 of 32 detentiecentra, waarvan de helft onder de verantwoordelijkheid van de regering valt, of in gebieden ligt die in handen van de regering zijn. Ze zegt dat niemand weet hoeveel mensen er worden vastgehouden, en dat ‘de omstandigheden mensonterend zijn’.

    Regelrechte hel

    Maar er zijn ook illegale detentiecentra, gerund door gewapende milities die betrokken zijn bij mensenhandel en oliesmokkel, vaak in samenwerking met Libische kustwachters. Niemand kan zeggen hoeveel illegale centra er zijn: regeringsvertegenwoordigers vertonen zich niet in gebieden die in handen zijn van de milities omdat het er levensgevaarlijk is. Volgens een in februari gepubliceerd rapport van Unicef zijn de gevangenissen in handen van de milities niets meer dan ordinaire dwangarbeiderskampen waar mensen worden kaalgeplukt. Voor de duizenden migrantenvrouwen en kinderen is de gevangenis een regelrechte hel waar verkrachting, seksuele uitbuiting, mishandeling en honger aan de orde van de dag zijn.

    Ahmed, een politieman die zijn echte naam niet durft te noemen, vertelt: ‘Er zijn legio gevangenissen waar wij geen leiding over hebben, in Tripoli alleen al zijn er ten minste dertien die door gewapende milities worden gerund. Een van de machtigste milities die hier in Tripoli betrokken is bij mensenhandel en die de controle heeft over illegale detentiecentra, is de Sharikan. Wij staan volledig machteloos, we kunnen niet eens in de buurt van deze gevangenissen komen want je bent je leven niet zeker in de gebieden die zij in handen hebben.’

    In Tripoli vertelt Abdrazaq Alshneti, een agent van de speciale eenheid voor de bestrijding van illegale migratie, dat de toestand in een aantal officiële centra wegens geldgebrek onhoudbaar is. Verder wil hij niets loslaten, maar een collega wil wel een boekje opendoen, onder voorwaarde dat hij anoniem blijft. ‘Ibrahim’ vertelt dat de detentiecentra in de maanden vóór de overeenkomst tussen Europa en de door de VN gesteunde regering van premier al-Sarraj uit hun voegen barstten. ‘Als de centra overvol raken, wordt er ruimte gemaakt. Er is simpelweg geen geld om alle gedetineerden te voeden,’ vertelt Ibrahim. ‘Sommige bewakers zijn integer, maar er zitten ook corrupte tussen.’

    Met deze foto, ‘The Libyan Migrant Trap’, won fotograaf Daniel Etter een derde prijs bij de World Press Photo 2016. De foto toont twee Nigeriaanse vluchtelingen in een detentiecentrum in het Libische Sorman. – © Daniel Etter/World Press Photo/HH
    Met deze foto, ‘The Libyan Migrant Trap’, won fotograaf Daniel Etter een derde prijs bij de World Press Photo 2016. De foto toont twee Nigeriaanse vluchtelingen in een detentiecentrum in het Libische Sorman. – © Daniel Etter/World Press Photo/HH

    Hij zinspeelt op de banden tussen het gevangenispersoneel, smokkelaars, milities en mensenhandelaars, die wanhopige migranten onderling verkopen alsof ze handelswaar zijn. Bewakers overhandigen migranten tegen betaling aan mensenhandelaars. Smokkelaars waarschuwen de kustwacht wanneer hun migranten de oversteek wagen, zodat ze onderschept kunnen worden en doorverkocht aan milities. En milities arresteren migranten op straat omdat ze niet de vereiste documenten hebben. ‘Ze doen alsof ze illegale migranten in de kraag vatten en houden ze dan vast in hun centra, zonder fatsoenlijk eten of drinken, pakken hun geld af, buiten ze uit, misbruiken de vrouwen,’ zegt Ibrahim.

    Immigranten worden ook naar de omgeving rond de kustplaats Garabulli gebracht, halverwege Misrata en Tripoli, om de rubberboten vol nieuwe migranten te besturen – met medeweten van Libische kustwachters. De kustwacht ontkent met klem dat medewerkers zijn betrokken bij mensenhandel.

    Ahmed, de politieagent, vertelt dat milities in de afgelopen maanden verscheidene malen hebben geprobeerd om officiële detentiecentra met geweld in te nemen. Zo werd een officieel detentiecentrum in de omgeving van Garabulli in maart door milities in brand gestoken. Het gebouw brandde tot de grond toe af. Niemand weet wat er met de migranten is gebeurd.

    Baby’s geboren

    In het detentiecentrum in Sorman zijn er in het afgelopen half jaar zes baby’s geboren. De vrouwen, hun kinderen en de pasgeboren baby’s zijn niet door een arts bezocht. ‘Om veiligheidsredenen,’ zegt een bewaker. ‘Libië is te gevaarlijk.’ Een paar kilometer verderop ligt de Al-Nassergevangenis, het officiële detentiecentrum in Zawiya. Toen de migratie op zijn hoogtepunt was, in het begin van de zomer, zaten er meer dan 2600 mensen. Toen wij het detentiecentrum bezochten was hun aantal geslonken tot 1000. Sommige gedetineerden worden hier al acht maanden vastgehouden. De mannenafdeling is opgedeeld in kleine cellen, waar tussen de twintig tot vijftig mannen dag en nacht zijn opgesloten, behalve wanneer ze te eten krijgen. De enigen die vrij mogen rondlopen, zijn vijftig Tunesiërs die hun uitzetting afwachten.

    Een bewaker opent een van de cellen. John, uit Gambia, komt op gedempte toon met ons praten. Hij is bang dat de bewakers hem horen. Zijn landgenoot Phil komt erbij staan. ‘Ze gebruiken ons als slaven, en als ze ons niet meer nodig hebben, worden we afgedankt,’ vertelt John. ‘Soms komt de lokale bevolking brood en zeep brengen. Maar internationale hulporganisaties laten zich hier niet zien.’

    Een van de redenen waarom hulporganisaties centra als deze niet bezoeken is dat het er – net als op zoveel andere locaties in Libië – niet veilig wordt geacht. In juni werd een konvooi van UNSMIL, de VN-missie in Libië, dertig kilometer ten westen van Tripoli door milities aangevallen. Zeven medewerkers werden korte tijd vastgehouden. De kidnappers eisten de vrijlating van drie vermeende drugsdealers die in Tripoli waren gearresteerd. Ngo’s hebben om meer bescherming gevraagd tegen milities, maar of veiligheidsmaatregelen daadwerkelijk iets zullen uithalen, valt nog te bezien.

    In de vrouwenafdeling van Al-Nasser, het detentiecentrum in Zawiya, zitten ongeveer honderdvijftig vrouwen samengepakt in één ruimte. Een van hen, Princess, een Nigeriaanse, is twee weken geleden bevallen van een tweeling. Haar man wordt elders vastgehouden. Ze weet niet waar – zoals hij op zijn beurt niet weet dat hij inmiddels vader is van een tweeling. Princess brengt haar dag liggend op een matrasje door, naast haar twee baby’s. Er zijn geen luiers en er is niet genoeg drinkwater.

    Zoals vele anderen heeft ze op haar vlucht voor Boko Haram een tocht dwars door de Sahara achter de rug. Ze is vastbesloten haar kinderen een leven zonder angst te bieden, waarin ze niet voortdurend voor hun leven hoeft te vrezen. ‘Het kan me niet schelen dat de kustwacht me heeft tegengehouden, ik doe het zo weer,’ zegt ze terwijl ze naar haar pasgeboren tweeling kijkt. ‘Ik weet dat het gevaarlijk is, maar in Nigeria is het ook gevaarlijk. Als je niet door de oorlog sterft, sterf je van de honger, en hier zitten we in de gevangenis, net zo’n hel. Het is de moeite waard om de oversteek nog eens te wagen.’

    Ze beseft nog niet dat ze van geluk mag spreken als ze uit Libië weet te ontsnappen.

    Auteur: Francesca Mannocchi

    Middle East Eye
    Londen | middleeasteye.net

    Middle East Eye werd in 2014 opgericht als onafhankelijke informatiesite. Dankzij een groot correspondentennet brengt de site nieuws uit 24 landen en snijdt daarbij politieke, economische en sociale onderwerpen aan.

  • 2. De Afrikanen blijven weg, maar tegen welke prijs?

    2. De Afrikanen blijven weg, maar tegen welke prijs?

    Sinds Europa afspraken heeft gemaakt met Libië is het aantal Afrikaanse migranten in Italië aanzienlijk gedaald. Maar volgens de Ierse commentator Patrick Smyth is de deal moreel dubieus.

    Italiaanse functionarissen hebben melding gemaakt van een scherpe afname van de aantallen migranten en vluchtelingen die vanuit Libië over de centrale Middellandse-Zeeroute naar hun kust komen.

    Eindelijk eens goed nieuws? Of een probleem dat deels is opgelost ten koste van een moreel gecompromitteerd Europa? De daling, die zich heeft voorgedaan nadat de oostelijke Middellandse-Zeeroutes naar Griekenland waren afgesloten dankzij de EU-deal met Turkije, was welkom nieuws voor de Europese hoofdsteden, die bang waren voor de volgende ronde politiek pijnlijke verzoeken om vluchtelingen op te nemen teneinde de ‘last te delen’.

    Er ligt inderdaad al een nieuw verzoek van de VN aan de EU op tafel om zo’n veertigduizend vluchtelingen vanuit Libië, Egypte, Niger, Ethiopië en Soedan toe te laten – een poging om een legale weg te creëren om de EU binnen te komen.

    Het omkopen van milities komt in Libië al lang voor en dateert uit de tijd van Moammar al-Qadhafi, die er niet afkerig van was om Italië te chanteren en de stroom migranten over de Middellandse Zee naar believen aan en uit te zetten

    Maar wat is de prijs van Italiës ogenschijnlijke succes? Er circuleren beweringen, die ook weer heftig ontkend worden, dat Rome Libische warlords en milities heeft omgekocht die banden hebben met mensensmokkelaars en niet afgeschrikt worden door het feit dat vluchtelingen in ‘concentratiekampen’ worden opgesloten waar ze verkracht en gemarteld worden en honger lijden.

    Tot kort geleden boden milities in de steden ten westen van Tripoli, van waaruit de meeste migranten vertrekken, bescherming aan groepen smokkelaars. Veel van die groepen hebben recentelijk flinke geldbedragen, wapens en boten ontvangen via de weinig betrouwbare, door de VN gesteunde nationale eenheidsregering in Tripoli. Dat geld werd opgebracht door Italië, deels namens de EU – het is niet duidelijk of Italië de groepen ook direct heeft betaald. Maar de leider van de belangrijkste militie, Ahmed Dabbashi, gaf tegenover de The Times toe dat Tripoli hem voertuigen, boten en salarissen had beloofd in ruil voor samenwerking.

    Het omkopen van milities komt in Libië al lang voor en dateert uit de tijd van Moammar al-Qadhafi, die er niet afkerig van was om Italië te chanteren en de stroom migranten over de Middellandse Zee naar believen aan en uit te zetten. Maar als strategie om ‘vrede te kopen’ heeft het nog nooit succes gehad, en de gerespecteerde denktank van de ICG (Internationale Crisis Groep) waarschuwt dat dergelijke tactieken ‘bij toeval facties kunnen versterken die zich onttrekken aan supervisie door de regering’ en pogingen om de vrede te herstellen in het verwoeste land zullen tegenwerken.

    Jonge Afrikaanse migranten in een detentiecentrum in Tripoli. – © Florian Gaertner / Getty Images
    Jonge Afrikaanse migranten in een detentiecentrum in Tripoli. – © Florian Gaertner / Getty Images

    De EU nam deel aan patrouilles voor de Libische kust met haar marineoperatie (EU Navfor Med), die bekendstaat als Operatie Sophia, om levens te redden op zee en mensensmokkel tegen te gaan. Hun taak is bemoeilijkt door de eis van de Libische kustwacht, die zogenaamd meewerkt, dat Sophia-schepen negentig nautische mijlen uit de kust moeten blijven – de logica hierachter: als je het vluchtelingen te gemakkelijk maakt om gered te worden, moedig je ze alleen maar aan. De kustwacht is ook beschuldigd van mishandeling, zoals het schieten op hulpverleners die proberen migranten te redden.

    Het probleem is dat het beleid van de EU, die uit wanhoop gekozen heeft voor een strategie gebaseerd op het bij de bron tegenhouden van de stroom migranten in plaats van eindeloos meer opvangcentra te creëren in Italië en Griekenland, moreel dubieus, om niet te zeggen politiek contraproductief lijkt in de context van de steun aan een vredesproces in Libië.

    De EU heeft de financiering en training van de kustwacht op zich genomen. Veel leden daarvan zijn ‘hervormde’ milities, die niet bepaald doordrongen zijn van mensenrechten en ook niet afkerig zijn van omkoperij. Ze heeft miljoenen gepompt in anti-migratieprojecten in landen als Niger en Nigeria, waar ze ook aanzienlijke sommen heeft betaald aan smokkelaars om ze ‘om te scholen voor niet-criminele activiteiten’.

    De EU heeft er te laat bij Tripoli op aangedrongen om iets te doen aan de gruwelijke omstandigheden in de kampen. Om kritiek te ondervangen heeft ze de financiering verhoogd van de VN-instanties voor migratie (IOM) en vluchtelingen (UNHCR), zodat ze kunnen proberen de situatie van migranten binnen Libië te verbeteren.

    Economisch onstabiel

    De ICG is ook bezorgd over wat de groep als een aanzienlijke fout in de EU-benadering ziet: ‘Het zuidwesten van Libië is de ontbrekende schakel in het actieplan van de EU, aangezien het gebied, dat de Fezzan heet, een essentiële factor is in het migratieprobleem.’ Het is de plek waar de grote meerderheid van de vluchtelingen van bezuiden de Sahara het land binnenkomt, maar dat wordt door de Unie genegeerd.

    ‘Libië blijft politiek stuurloos en economisch onstabiel,’ waarschuwt de ICG ook. ‘Het is de hoogste tijd voor verzoening tussen en stabilisatie van de rivaliserende facties in het land. De zwakke regering, geleid door premier Fayez al-Sarraj, loopt het risico om niet meer dan een agent te worden die door de EU of een van haar lidstaten wordt ingezet om aan te sturen op een Europese – in plaats van een Libische – agenda, zoals het beteugelen van migratie. Als er geen Libische belangen worden nagestreefd, zal deze regering binnen Libië steeds meer gewantrouwd worden.’

    De beslissing om Europa’s zuidelijke open deur te sluiten, heeft ons – en ik bedoel ons allemaal – slechts met moeilijke, moreel twijfelachtige keuzen opgezadeld.

    Auteur: Patrick Smyth
    Vertaler: Astrid Staartjes

    The Irish Times
    Ierland | dagblad | oplage 117.543

    Opgericht in 1859. Stond in zijn beginjaren bekend als spreekbuis van de protestantse nationalisten, later als spreekbuis van de Unionisten en onderging nog later, na de deling van het eiland in de Ierse Vrijstaat en Noord-Ierland, nog een koersverandering; tegenwoordig geldt hij als gematigd liberaal/sociaaldemocratisch.

  • Dossier Migratie: Iedereen heeft boter op zijn kop

    Dossier Migratie: Iedereen heeft boter op zijn kop

    Toen CNN onlangs schokkende beelden toonde van Afrikaanse migranten die in Libië als slaven werden verhandeld, stond de internationale gemeenschap op zijn achterste benen. Maar zowel Europa als de Arabische wereld als de Afrikaanse elite is schuldig aan de gang van zaken, stellen de schrijvers van dit dossier. 

    1. ‘Ik weet dat het gevaarlijk is – maar ik doe het zo wéér’

    2. De Afrikanen blijven weg, maar tegen welke prijs?

    3. Slavenveiling toont hardnekkig racisme

    4. Afrikaanse krokodillentranen

    5. Andere berichten uit de media

    © AP Photo / Manu Brabo

  • Wil de ware Aung San Suu Kyi opstaan?

    Wil de ware Aung San Suu Kyi opstaan?

    Aung San Suu Kyi’s reputatie als integere voorvechtster van de universele rechten van de mens is door de Rohingya-vervolging onherstelbaar beschadigd. Maar zo hard vallen, terecht of onterecht, kan alleen als je van grote hoogte komt.

    Nog niet zo lang geleden werd staatsadviseur van Myanmar Aung San Suu Kyi door de internationale pers uitgeroepen tot ‘de dapperste en deugdzaamste mens op aarde… de onbevlekte heldin die ons allemaal nog wat vertrouwen geeft 
in de menselijke natuur’. Ze was vijftien jaar lang politiek gevangene, en in die tijd werd ze alom geprezen voor haar morele en fysieke moed, haar rotsvaste geloof in de beginselen van de universele rechten van de mens en haar voortdurende pleidooi voor vreedzame politieke veranderingen.

    Het deed Aung San Suu Kyi goed dat 
ze door zo veel gerenommeerde instituties werd erkend en ze voelde zich zeer gevleid door de buitensporige lof die haar door vooraanstaande mensen overal ter wereld, door bekende kunstenaars en vele andere fans werd toegezwaaid. Ze bleef echter bescheiden onder al die aandacht. ‘Wij mensen kennen zo veel onvolmaaktheden,’ heeft ze weleens gezegd. Op talloze gelegenheden hield ze haar publiek voor dat ze ‘een politica was, geen democratisch icoon’. Ze drukte haar bewonderaars op het hart: ‘Vergeet alstublieft niet dat ik ben begonnen als leider van een politieke partij. Ik kan me niets politiekers voorstellen.’

    En ze waarschuwde hen ook: ‘Ik ben absoluut geen heilige: dat zou ik ook heel verontrustend vinden, want politici zijn politici, maar ik geloof echt dat er eerlijke politici zijn en daar streef ik naar.’ Als politicus handelde ze op basis van het ‘sluiten van compromissen vanuit principes’. Herhaaldelijk herinnerde ze het publiek aan Myanmars vele ‘onopgeloste problemen’ en toen in 2011 de overgang naar een ‘gedisciplineerde democratie’ was ingezet, waarschuwde ze voor een al te groot optimisme.

    De wereld – de westerse democratieën in het bijzonder – nam dat niet van haar aan. Overheden, internationale organisaties en allerlei actiegroepen plaatsten haar op een voetstuk, als levend symbool van de vreedzame strijd voor de democratie en de mensenrechten in Myanmar, tegen ‘een van de meest repressieve en gesloten regimes ter wereld’. Haar moed werd ‘legendarisch’ genoemd. Voor velen was ze bijna een etherisch wezen, ver weg, zuiver en buiten bereik. In haar eigen land beschouwden boeddhisten haar als een bijna-bodhisattva, wier verlichte werken en lijden het grootst mogelijke ontzag verdienden.

    ‘Heldin van deze tijd’

    Aziatische leiders waren wat voorzichtig in hun steun, maar Aung San Suu Kyi kon de Amerikaanse president George W. Bush en de Britse premier Gordon Brown tot haar grootste fans rekenen. Die laatste omschreef haar als ‘een ware heldin van deze tijd’, die symbool stond voor het begrip moed. Beroemdheden zoals zanger Bono steunden haar vurig. Filmsterren uit Hollywood voerden openlijk campagne voor opheffing van haar huisarrest. Toen ze eenmaal bezoek mocht ontvangen, verdrongen politici en anderen zich voor haar deur, omdat ze graag met haar op de foto wilden, en wilden kunnen zeggen dat ze haar hadden ontmoet.

    Aung San Suu Kyi werd dus niet alleen bewonderd, ze werd verheerlijkt. Waar ze ook kwam, zowel in Myanmar als daarbuiten, werd ze onthaald als een popster. Dankzij die persoonlijkheidscultus werd ze overal ter wereld een begrip en kreeg ze enorm veel steun voor haar zaak, maar er was ook een keerzijde.

    In journalistieke en zelfs in academische kringen werd ze zelden kritisch gevolgd, zoals andere beroemdheden of leden van de militaire regering waartegen ze oppositie voerde. Toen objectievere analytici het waagden om voorbeelden aan te halen van haar inschattingsfouten en tactische missers, of suggereerden dat ze net als ieder ander ook haar zwakke kanten had, werden ze het slachtoffer van een ware scheldkanonnade.

    Een uitgesproken criticaster die geringschattend schreef over The Lady, zoals ze alom genoemd werd, en over de tunnelvisie van haar extremere fans, werd met de dood bedreigd. Daardoor deden vele journalisten die zich bewust waren van haar onvolkomenheden of die het met enkele van haar beslissingen niet eens waren, er het zwijgen toe. Zelfs beroepsanalytici legden zichzelf censuur op. Dat deden ze echter niet alleen uit angst om te worden aangevallen door Aung San Suu Kyi’s fervente fans, die handig gebruikmaakten van internet en sociale media om hun boodschap te verspreiden. Serieuze waarnemers van Myanmar beseften dat openlijke kritiek op Aung San Suu Kyi door het militaire regime tegen haar gebruikt zou kunnen worden. 
Met dat gevaar in hun achterhoofd neigden kritischere en objectievere buitenlandse waarnemers ertoe niet openlijk te schrijven over haar tekortkomingen voor het alternatieve leiderschap van Myanmar. Dus het effect 
van de wereldwijd voor haar gevoerde campagne was de versterking van het beeld dat ze geen onvolkomenheden en geen gelijke kende, dat ze boven het smerige politieke gekrakeel stond.

    Gedurende deze hele periode bleef Aung San Suu Kyi niet passief aan de kant staan. Binnen de grenzen van de mogelijkheden buitte ze op sluwe wijze zowel haar reputatie als pleitbezorger voor de mensenrechten als haar aanzienlijke charisma uit om steun te verwerven voor een democratische verandering in Myanmar. Ze maakte ten volle gebruik van de invloed die ze op regeringen en machtige individuen had om haar doel te bereiken. Deze kwaliteiten gebruikte ze om haar politieke ambities te ondersteunen, die vanaf het begin gericht waren op het leiderschap van het land, ook al ontkende ze dat soms. Ze geloofde er sterk in dat het haar lot was om in de voetstappen van haar vader te treden, Myanmars onafhankelijkheidsheld Aung San, die in 1947 werd vermoord.

    Internationale organisaties en actiegroepen achtten het ook nuttig om haar te steunen in haar strijd tegen Myanmars militaire leiders. In propagandatermen: een mooie en charmante vrouw met een goede opleiding en hoge idealen vormde een prachtig contrast met het agressieve, door mannen gedomineerde militaire establishment, dat gewoontegetrouw door de tegenstanders karikaturaal werd afgeschilderd als een bende corrupte, laag opgeleide dieven, geobsedeerd door macht. Aung San Suu Kyi’s perfect gecommuniceerde boeddhistische vroomheid contrasteerde mooi met hun zogenaamde primitieve bijgeloof.

    © Ajay Aggarwal / Getty
    © Ajay Aggarwal / Getty

    In de roddelbladen en de theebars werd de strijd voor de democratie en de mensenrechten in Myanmar neergezet als een kosmisch gevecht waarin de goedheid en het licht het moesten opnemen tegen de duistere krachten van het kwaad. Dat veranderde allemaal drastisch in 2015, toen de door Aung San Suu Kyi geleide National League for Democracy (NLD) een overweldigende overwinning behaalde bij de relatief vrije en eerlijke algemene verkiezingen. In maart 2016 werd een nieuwe regering geïnstalleerd. Een clausule in de grondwet verhinderde dat Aung San Suu Kyi president werd, omdat haar twee kinderen een buitenlandse nationaliteit hadden. Maar als oplossing voor dat probleem werd speciaal voor haar een functie geschapen: het staatsadviseurschap.

    In de grondwet staat duidelijk dat de president in Myanmar ‘boven alle andere personen staat’, maar al voor 
de verkiezingen had Aung San Suu Kyi verkondigd dat zij boven de president zou staan en aldus kon handelen. ‘Ik zal de regering leiden,’ zou ze hebben gezegd. Bij de uitvoering van die rol werd ze nog wel beperkt door het nationale handvest, dat veel gewicht toekende aan de strijdkrachten, de Tatmadaw. Maar in april 2016, na een strijd die bijna dertig jaar eerder was begonnen en die ze voor de helft van de tijd onder huisarrest had gevoerd, trad ze in de voetsporen van haar gerespecteerde vader, en werd ze de eigenlijke leider van Myanmar.

    De verwachting dat Aung San Suu Kyi en haar partij meteen zouden afrekenen met de resten van vijftig jaar militair bewind en verstrekkende politieke, economische en sociale hervormingen zouden doorvoeren bleek echter al snel niet te worden ingelost. Dat was ook niet echt een verrassing. Het was voor haar onmogelijk om alle hoop en idealen van de mensen te kunnen vervullen. De harde werkelijkheid van de macht in Myanmar, met name de ongekend ingewikkelde problemen van het land en de onverminderde invloed van de strijdkrachten, maakten dat 
onmogelijk.

    De meeste Myanmarkenners wisten dat de nieuwe regering tijd nodig zou hebben om zich in te werken. Of zoals de voormalige Amerikaanse ambassadeur in Myanmar het omschreef: ‘Oppositie voeren tegen een repressief bewind en het leiden van een regering zijn twee heel verschillende vaardigheden.’ Er zouden zeker kinderziektes komen, en gemor over het trage veranderingsproces.

    Desalniettemin hadden weinig mensen verwacht dat Aung San Suu Kyi zo snel uit de gratie zou raken en het doelwit zou worden van zo veel bittere verwijten, vooral van dezelfde buitenlanders en buitenlandse instituties die haar eerst hadden verheerlijkt. Na haar aantreden kwam ze om veel redenen onder vuur te liggen. Een daarvan was haar kennelijke steun aan de voortdurende militaire operaties tegen etnische minderheden, vooral in het noorden van het land. In plaats van een eind te maken aan de gevechten, prees Aung San Suu Kyi de moedige inspanningen van de strijdkrachten en drong ze er bij de etnische groeperingen op aan de wapens neer te leggen.

    Ze verklaarde dat ‘we zelf onze verantwoordelijkheid moeten nemen, want wij zijn degenen die het beste begrijpen wat ons land nodig heeft’

    De voornaamste reden voor de verandering in de publieke opinie over Aung San Suu Kyi, buiten Myanmar althans, is de brute wijze waarop de voornamelijk stateloze islamitische Rohingya in Rakhine sinds oktober 2016 worden behandeld door de veiligheidstroepen van het land. De strijdkrachten en de nationale politie begonnen operaties om het gebied vrij te maken van Rohingya-gemeenschappen, waarbij honderden en misschien wel duizenden slachtoffers vielen. Die operaties waren een reactie op aanvallen van een kleine groep islamitische militanten op drie grensposten van de politie en de moord op een hoge legerofficier.

    In de afgelopen maanden zijn honderdduizenden Rohingya naar Bangladesh gevlucht om aan de strafexpedities te ontkomen. Na voorafgaand onderzoek, met onder andere een reeks interviews in Bangladesh, maakte de UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, melding van vreselijke wreedheden tegen de Rohingya-bevolking door de overheid van Myanmar en van misdaden tegen de menselijkheid die daar naar alle waarschijnlijkheid werden gepleegd. De UNHCR deed een oproep om een onderzoeksmissie naar Myanmar te sturen, om de situatie ter plekke beter te kunnen onderzoeken.

    Aung San Suu Kyi heeft bijna geen controle over de veiligheidstroepen van Myanmar en hun operaties, een feit dat door haar critici vaak over het hoofd wordt gezien. Toch heeft ze sinds haar aantreden herhaaldelijk geweigerd zich publiekelijk ook maar enigszins uit te spreken over het probleem van de Rohingya. Op het voorstel van de UNHCR reageerde Aung San Suu Kyi op een manier die griezelig dicht bij de manier kwam waarop het voormalige militaire regime reageerde op de internationale bezorgdheid over haar eigen behandeling. Ze verklaarde dat ‘we zelf onze verantwoordelijkheid moeten nemen, want wij zijn degenen die het beste begrijpen wat ons land nodig heeft’. Naar haar idee was een VN-onderzoek naar de manier waarop de veiligheidstroepen de Rohingya behandelden ‘niet geschikt voor de situatie van ons land’.

    Ondanks de enorme verschillen tussen de twee gemeenschappen en hun omstandigheden, heeft Aung San Suu Kyi voortdurend gezegd dat de boeddhisten en moslims het in Myanmar even slecht hebben. Ze hoedt zich ervoor een enkele etnische of religieuze gemeenschap de schuld te geven, maar na aandringen opperde ze de veronderstelling dat de 
verhoudingen tussen de gemeenschappen waren verslechterd vanwege de schaarste aan middelen en vanwege een ‘angstklimaat’ dat voorkomt uit ‘de wereldwijde opvatting dat de macht van de moslims heel groot is’. Op de vraag van buitenlandse journalisten waarom ze haar grote morele gezag en politieke kapitaal niet gebruikte om zich uit te spreken tegen de mensenrechtenschendingen in Rakhine, of om haar bezorgdheid te uiten over het leed van de Rohingya, ontkende zij (of haar woordvoerders) dat er schendingen hadden plaatsgevonden of verwees ze naar de bevindingen van onder meer de adviescommissie onder leiding van voormalig secretaris-generaal van de VN Kofi Annan. Haar regering beschuldigde de internationale pers ervan ongefundeerde geruchten en nepnieuws te verspreiden. In reactie op beschuldigingen van seksueel misbruik door de veiligheidstroepen werd er op haar officiële Facebookpagina een banner met het woord ‘nepverkrachtingen’ geplaatst.

    ‘Ietwat ontsteld’

    Ondanks de twintig jaar durende campagne van Aung San Suu Kyi om de internationale gemeenschap over te halen druk uit te oefenen op het voormalige militaire regime heeft een woordvoerder van haar regering nota bene verklaard dat het uitoefenen van druk op de leider van een land een duidelijk geval is van inmenging in binnenlandse aangelegenheden. Bovendien zijn er twijfels gerezen over Aung San Suu Kyi’s standpunt ten aanzien van de moslims. Tijdens de rellen in Rakhine in 2012 en de aanvallen op moslims elders in Myanmar in 2013 hulde ze zich in stilzwijgen. Dat bracht een prominente actievoerder ertoe om haar ervan te beschuldigen dat ze de kant koos van de ‘goed georganiseerde anti-islamracisten’.

    Tijdens Aung San Suu Kyi’s bezoek aan de VS in 2016 vertelde een lid van het Congres dat hij ‘ietwat ontsteld’ was na haar ‘afwijzende reactie’ op de problemen met de mensenrechten die hij bij haar had aangekaart. In 2015 besloot zij dat moslims bij de algemene verkiezingen geen kandidaat voor de NLD mochten worden. In 2016 maakte ze een anti-islamopmerking toen ze door een BBC-journalist onder druk werd gezet om het sektarische geweld te veroordelen. In hetzelfde jaar vroeg ze alle ambtenaren en buitenlandse diplomaten in Myanmar om de term ‘Rohingya’ niet te gebruiken. Ze gaf de voorkeur aan de term ‘mensen in de staat Rakhine die het islamitische geloof aanhangen’ – een formulering waarmee hun een eigen etnische identiteit werd ontzegd, en daarmee hun aanspraak op het Myanmarese burgerschap.

    Dat was een populair standpunt in Myanmar, waar de Rohingya op weinig sympathie kunnen rekenen. Maar op veel waarnemers kwam ze over als een chauvinistische etnische Birmese, die bereid was om te heulen met de extremistische boeddhistische monniken die er openlijk naar streefden om alle islamieten uit het land te verdrijven.
    Gezien deze omstandigheden wekt het weinig verbazing dat de internationale gemeenschap zo sterk heeft gereageerd op de recente ontwikkelingen. Een westerse krant keurde openlijk ‘het verraad van de hoop’ in Myanmar af, terwijl een andere onomwonden stelde dat ‘Aung San Suu Kyi haar eigen revolutie heeft verloochend’. Het afgelopen jaar is ze ervan beschuldigd dat ze de genocide legitimeert en de etnische zuiveringen ondersteunt. Verscheidene deskundigen hebben haar een lafaard genoemd en een democratische dictator. Ze is omschreven als ‘het vriendelijkere, gematigdere gezicht van Myanmars tirannie’.

    In soberdere bewoordingen heeft de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN in december 2016 verklaard dat de Myanmarese regering, geleid door Aung San Suu Kyi, een kortzichtige, contraproductieve en zelfs harteloze houding heeft aangenomen ten aanzien van de Rohingya-crisis. The New Republic verwoordde de gedachten van velen toen het in dezelfde maand de vraag stelde: ‘Is dit de ware Aung San Suu Kyi?’

    Buitengewoon schadelijk voor de internationale reputatie van Aung San Suu Kyi was een open brief die in december 2016 door een tiental mede-Nobelprijswinnaars naar de Veiligheidsraad van de VN werd gestuurd, waarin de wrede behandeling van de Rohingya aan de kaak werd gesteld. De ondertekenaars van de brief uitten hun bezorgdheid over ‘een menselijke tragedie ten gevolge van etnische zuiveringen en misdaden tegen de menselijkheid’. Ze waren duidelijk woedend over Aung San Suu Kyi’s weigering om in te grijpen bij de crisis. Het vervolg van de brief luidde: ‘Daw Suu Kyi is de leider en zij heeft de verantwoordelijkheid om de leiding te nemen en dat te doen met moed, medemenselijkheid en compassie.’ Toen een BBC-verslaggever haar in april 2017 vroeg naar deze brief, en naar de beschuldiging van haar mede-Nobelprijslaureaten dat ze was gezakt voor de fundamentele test voor medemenselijkheid, antwoordde Aung San Suu Kyi simpelweg dat dat ook maar een mening was. Vervolgens beschreef ze een aantal politieke initiatieven voor de lange termijn die weinig verband hielden met de huidige situatie in Rakhine of met de specifieke beschuldigingen die tegen haar waren geuit. Dat nam de indruk niet weg van iemand die geen contact heeft met de werkelijkheid, die weigert de feiten onder ogen te zien – of erger.

    Indonesische moslims betuigen hun steun aan de Rohingya. – © Ed Wray / Getty
    Indonesische moslims betuigen hun steun aan de Rohingya. – © Ed Wray / Getty

    Bij discussies over al deze ontwikkelingen is het de leidende gedachte onder Aung San Suu Kyi’s aanhangers en enkele anderen, dat ze met twee belangrijke beperkingen te maken heeft. Ten eerste zou een veroordeling van de acties van de veiligheidstroepen haar broze samenwerking met de opperbevelhebber van de Tatmadaw in gevaar brengen. Gegeven de deling van de macht die de grondwet van 2008 haar heeft opgedrongen is een modus vivendi tussen de burgerregering en 
de strijdkrachten van wezenlijk belang voor de regering om effectief te kunnen functioneren. Zou die wegvallen, dan zouden Aung San Suu Kyi’s kansen op het bereiken van een nationale vredesovereenkomst tussen de verschillende etnische minderheden nog geringer worden, en de enorme obstakels waarmee ze te maken heeft bij het implementeren van het hervormingsprogramma van de NLD nog groter. Ten tweede beseft Aung San Suu Kyi dat 
de overweldigende meerderheid van de Myanmarese bevolking een harde lijn aanhangt ten aanzien van de moslims. Er heerst een uitgesproken antipathie tegen de Rohingya, die over het algemeen worden gezien als illegale immigranten uit Bangladesh. Die mening wordt aangemoedigd door goed georganiseerde extremistische monniken. Openlijk steun aan de Rohingya, of zelfs aan moslims in het algemeen, 
zou haar kunnen vervreemden van 
de kern van haar achterban, die voornamelijk uit boeddhisten bestaat.

    Veel waarnemers hebben die politieke werkelijkheid erkend en zien de moeilijke keuzes die Aung San Suu Kyi moet maken om haar achterban te behouden en haar visie op een vreedzaam, welvarend en democratisch Myanmar te kunnen concretiseren. Maar buiten haar eigen land zien maar weinigen die werkelijkheid als rechtvaardiging voor zo’n pragmatische, zelfs cynische benadering van het Rohingya-probleem.

    Haar huidige relatie met de opperbevelhebber van de strijdkrachten valt moeilijk in te schatten, maar onder buitenlandse commentatoren heerst een sterk gevoel dat ze meer zou kunnen doen om hem over te halen maatregelen te nemen om excessen van de veiligheidstroepen te voorkomen. Dat zou tenslotte ook in het belang van de Tatmadaw en de politie zijn. Ze zou kunnen proberen gebruik te maken van de mogelijkheden die de grondwet biedt bij het uitroepen van de noodtoestand om beter toezicht te hebben op de militaire operaties.

    Een aantal waarnemers heeft ook twijfels rondom Aung San Suu Kyi’s falen om haar sterkste troef in te zetten, namelijk haar immense populariteit onder de Myanmarese bevolking, die ze zou kunnen gebruiken om te proberen populaire opvattingen over het ‘islamitische gevaar’ te veranderen. Het zou haar binnenlandse politieke positie of haar relatie tot de strijdkrachten geen kwaad doen als ze zou pleiten voor grotere tolerantie en wederzijds respect onder alle volken van Myanmar. Dat zou ook het risico op binnenlandse instabiliteit verkleinen.

    De afbrokkelende reputatie van Aung San Suu Kyi heeft internationale gevolgen. Zoals The New York Times in een hoofdartikel in mei 2016 schreef: ‘Haar heilige status is de centrale factor geweest bij Myanmars acceptatie in de wereldgemeenschap na jaren van isolement.’ Er gaan nu stemmen op om het land weer economische sancties op te leggen, die door Obama in september 2016 waren opgeheven. Leiders van 
de AESEAN [de Associatie van Zuidoost-Aziatische Naties] hebben ervoor gewaarschuwd dat de Rohingya-crisis de regionale vrede en stabiliteit kan verstoren. Belangrijke mensenrechtenorganisaties zoals Amnesty International en Human Rights Watch hebben een vernietigend oordeel laten horen over de NLD-regering en haar leider. Buitenlandse regeringen lijken Aung San Suu Kyi (die ook minister van Buitenlandse zaken is) graag te ontvangen en ze krijgt af en toe ook nog weleens een onderscheiding, maar de sfeer is veranderd. Van de kruiperige verering die met haar bezoeken aan het buitenland gepaard ging, is tegenwoordig steeds minder sprake. Zo werden haar publieke optredens in Australië in 2013 geboycot door de plaatselijke Kachin-gemeenschap en zegde ze in 2016 een bezoek aan Indonesië af vanwege de geplande protestdemonstraties van moslims die zich zorgen maakten over hun geloofsgenoten in Myanmar. Protestacties door Rohingya in het buitenland zijn nu schering en inslag.

    Extreme toon

    Aung San Suu Kyi’s ontkenning van de afschuwelijke toestand in delen van Myanmar hebben buitenlandse waarnemers geschokt en teleurgesteld. Men voelt zich in de steek gelaten door iemand die ooit werd beschouwd als de hoedster van hun diep gekoesterde idealen, iemand die anders was dan andere politici, iemand die alle mensen van goede wil volledig konden vertrouwen. Welhaast als afgewezen minnaars halen deze voormalige bewonderaars nu extra hard uit naar iemand die ze ooit hoog achtten, wat hun commentaar een zeer scherp randje meegeeft. Sommige kritiek is misschien ook op andere manieren persoonlijk, omdat politici en activisten die eens pleitbezorgers van Aung San Suu Kyi waren, zich nu proberen te distantiëren van 
hun uit de gratie geraakte idool, omdat ze anders ook het doelwit van kritiek worden of ervan beschuldigd worden goedgelovig of naïef te zijn geweest. Anderen hebben zich simpelweg teruggetrokken. Vooraanstaande fans zoals voormalig presidentsvrouw Laura Bush en voormalig minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton hebben ervoor gekozen zich niet uit te laten over de controversiële aspecten van Aung San Suu Kyi’s leiderschap en haar houding ten opzichte van de Rohingya.

    Een mogelijk resultaat van deze reacties op Aung San Suu Kyi is een veel kritischere analyse van de huidige gebeurtenissen in Myanmar dan anders wellicht het geval was geweest. De vele beschouwingen in kranten en op websites, waarin het eerste regeringsjaar van de NLD onder de loep werd genomen, waren bijna allemaal negatief. Daar was een aantal goede redenen voor, maar het is de vraag of zo veel deskundigen zo kritisch zouden zijn geweest en zo weinig welwillend ten opzichte van de onervaren NLD-regering, als Aung San Suu Kyi nog steeds op zo’n hoog voetstuk had gestaan.

    Ook lijken buitenlandse commentatoren nu vaker te verwijzen naar Aung San Suu Kyi’s arrogantie, afstandelijkheid en neiging om zich bij het leidinggeven erg op de details te richten. Er was al eerder bezorgdheid geuit over haar eigenaardige persoonlijkheid en haar twijfelachtige stijl van leidinggeven, maar woorden als ‘arrogant’, ‘inflexibel’ en ‘dictatoriaal’ zijn nu gemeengoed. Ze wordt ervan beschuldigd iedereen die haar naar de kroon zou willen steken of die het in beleidszaken met haar oneens is monddood te maken. Sinds haar aantreden heeft ze weinig interviews gegeven, maar buitenlandse journalisten lijken nu vaker moeilijke onderwerpen bij haar aan te snijden en haar te confronteren met controversiële kwesties. Zelfs diplomaten, die zich in het verleden zelden zo openhartig uitlieten in het openbaar, hebben haar omschreven als ‘iemand die zich zeer bewust is van haar eigen importantie’ en ‘lastig in de omgang’.

    In zo’n beladen context is het echter belangrijk dat de feiten (voor zover die kunnen worden gekend en er uit betrouwbare bronnen kan worden geput) zo helder en objectief mogelijk worden vastgesteld. Als het verleden iets heeft geleerd, dan is het wel dat dit nog niet zo eenvoudig is. De belangen zijn groot, wat geldt voor de ontwikkelingen zowel in Rakhine als in heel Myanmar. Als zo vaak schreeuwen degenen met de extreemste standpunten het hardst, waardoor afgewogener analyses moeilijk gehoord zullen worden. Onvermijdelijk zal dit de algemene mening over Aung San Suu Kyi en haar historische betekenis beïnvloeden.

    Wat er in de toekomst ook aan analyses van het moderne Myanmar zal verschijnen, Aung San Suu Kyi’s reputatie als voorvechtster van de mensenrechten is beschadigd. In de meeste geschiedenisboeken zal ze waarschijnlijk een gevallen ster worden genoemd, een idool wier voeten uiteindelijk van leem bleken te zijn. Haar bijzondere prestaties van de afgelopen tientallen jaren, als politiek gevangene en als inspiratie voor miljoenen mensen 
in Myanmar en elders, zullen altijd worden overschaduwd.

    Toch moeten we niet vergeten dat 
ze zo diep kon vallen omdat de internationale gemeenschap haar zo de hoogte in had geprezen. Zelden werd ze beoordeeld aan de hand van dezelfde criteria als andere wereldleiders. Natuurlijk speelde er aan beide kanten iets van politiek opportunisme mee, maar minder journalistieke hyperbolen en wat minder scepsis zouden misschien een evenwichtiger kijk op haar natuurlijke sterke en zwakke punten hebben opgeleverd.

    Als haar vele buitenlandse bewonderaars haar meer als een echt persoon hadden kunnen zien, met menselijke tekortkomingen, en als een onverzettelijke politica met een duidelijk doel voor ogen, en minder als een democratisch icoon en de afspiegeling van hun eigen idealen, zouden ze nu misschien niet zo boos en teleurgesteld zijn. Misschien had George Orwell gelijk toen hij in 1949 schreef (over Aung San Suu Kyi’s held Mahatma Gandhi): ‘Heiligen zouden altijd schuldig bevonden moeten worden tot het tegendeel bewezen is.’

    Auteur: Andrew Selth

    ABC
    Spanje | dagblad | oplage 242.000

    De op twee na grootste krant van Spanje is conservatief en koningshuisgezind. Ietwat ouderwetse opmaak. Vermaard om de culturele bijlage.

  • President Moon, 
man van de mensenrechten

    President Moon, 
man van de mensenrechten

    De nieuwe Zuid-Koreaanse president Moon Jae-in werkte zich op vanuit een eenvoudig milieu en is een democraat pur sang. Een profiel van het linkse dagblad The Hankyoreh.

    Hij komt uit een arm milieu, studeerde aan een weinig prestigieuze universiteit, voerde actie tegen dictatoriale leiders, werkte als mensenrechtenadvocaat in de provincie en was een van de weinigen die Kim Dae-jung [president van 1998 tot 2003] steunde in de provincie Gyeongsangnam-do [een zuidoostelijke, traditioneel rechtse streek in Zuid-Korea]. De loopbaan van Moon Jae-in, nu gekozen tot de negentiende president van de Republiek Korea, laat zien dat hij niet tot de dominante stroming van het land behoort.

    Moon werd in 1953 geboren in Geoje 
in de provincie Gyeongsangnam-do. Hij komt uit een vluchtelingengezin en is de oudste van twee jongens en drie meisjes [zijn Noord-Koreaanse ouders vluchtten in 1950 de grens over, midden in de Korea-oorlog]. Hij groeit op 
in armoede, maar dit leidt bij hem niet tot schaamte, maar juist tot empathie met de gewone mensen, hun lijden en de onrechtvaardigheid die ze te verduren hebben.

    Als rechtenstudent aan de universiteit van Kyung Hee in Seoel, waar hij in 1972 ondanks de financiële problemen van zijn ouders naartoe kan, bereidt 
hij zich niet zoals zijn vrienden voor 
op het rechtenexamen, maar voert 
hij actie tegen de dictatuur [van Park Chung-hee, president van 1962 tot 1979]. In 1975 wordt hij bij een demonstratie gearresteerd en na zijn vrijlating gemobiliseerd en ingedeeld bij de speciale strijdkrachten van het leger. Hij is soldaat tegen wil en dank, maar blinkt toch uit en wordt zelfs onderscheiden. Dat kan hij later inbrengen tegen de bewering dat hij ‘het Noorden gunstig gezind’ is, een etiket dat hem gedurende zijn hele politieke carrière in de oppositie wordt opgeplakt. 
[Meteen na de inauguratieceremonie op 10 mei verklaarde Moon zich bereid af te reizen naar Washington, Beijing, Tokio en zelfs Pyongyang, wat in overeenstemming is met zijn tijdens de campagne uitgesproken wens voor een politiek van meer openheid ten aanzien van Noord-Korea.]

    In 1978, na zijn militaire dienst, wil Moon Jae-in zijn studie graag weer oppakken, maar doordat hij nu een strafblad heeft, is dat onmogelijk geworden. Werk vinden kost nog meer moeite. Dat hij toch aan een opleiding tot advocaat begint, komt doordat hij na de plotselinge dood van zijn vader spijt heeft dat hij niet aan diens verwachtingen heeft voldaan. Hij behaalt prima resultaten, maar rechter zal hij na zijn activistenverleden nooit worden.

    Hij zegt de president van alle Koreanen te willen zijn die een eind wil maken aan de grote verdeeldheid tussen links en rechts en aan de vijandigheid tussen bepaalde regio’s

    Na zijn besluit advocaat te worden, leert Moon Jae-in in Busan Roh Moo-hyun [president van 2003 tot 2008] kennen, dan al advocaat van enige faam. Het is een ontmoeting die zijn leven zal veranderen. In het begin zijn ze gewoon compagnons die hun vak willen uitoefenen ‘zoals dat hoort’. 
In leeftijd schelen ze zes jaar, maar 
ze worden vrienden, en later, als Roh president is, spreekt hij graag zijn vertrouwen uit in Moon Jae-in.

    Doordat ze opkomen voor de mensenrechten, worden beide advocaten ware specialisten in het arbeidsrecht en raken ze sterk betrokken bij de democratiseringsstrijd. Samen richten ze de Vereniging van Advocaten van Busan en de provincie Gyeongsangnam-do 
op die een democratische samenleving nastreeft. Ze zijn zeer aanwezig bij de protesten in juni 1987 [die het begin vormen van de democratisering in 
het land]. ‘Aan de demonstraties waaraan ik in juni 1987 samen met Roh Moo-hyun heb meegedaan, bewaar 
ik mijn mooiste herinneringen en 
ben ik het meest trots,’ zegt Moon.

    Geschikt als president

    In 2002 vraagt de nieuw aangetreden president Roh Moo-hyun hem om adviseur burgerzaken te worden. 
Hij gaat akkoord, maar wil beslist niet in politieke kwesties verwikkeld raken. Na een jaar stapt hij op, maar als er een afzettingsprocedure tegen de president is gestart vraagt die hem de verdediging op zich te nemen. [In 2004 wordt Roh uit zijn ambt ontheven wegens zijn openlijke steun aan de progressieve Uri-partij, omdat het ongrondwettig is dat een staatsleider partij kiest. Maar hij wint het proces en keert terug op zijn post]. Moon blijft daarna tot het einde van diens mandaat in 2008 aan zijn zijde. Die ervaring bezorgt hem het imago van een man die bereid en in staat is het presidentschap op zich te nemen.

    Op 23 mei 2009 maakt een telefoontje een einde aan zijn rustige bestaan op het platteland. Het land is in shock na de zelfmoord van Roh Moo-hyun [een wanhoopsdaad na beschuldigingen 
van corruptie tegen zijn naasten]. Als leider van de begrafenisplechtigheid verschijnt Moon weer in het openbaar. Doordat de bevolking teleurgesteld is in Lee Myung-bak – op dat moment de [conservatieve] president – en treurt over de dood van Roh, zien de mensen in Moon Jae-in wel een geschikte presidentskandidaat. Hij zit dit als een missie, dus probeert hij de Democratische Partij nieuw leven in te blazen en bij de parlementsverkiezingen op 11 april 2012 wordt hij gekozen als afgevaardigde voor Busan. Op 17 juni 2012 stelt hij zich kandidaat voor het presidentschap. ‘Ik was op de rug van de tijger geklommen en kon er niet meer af,’ zegt hij.

    De Democratische Partij doet er ruim een maand over om de regels voor de voorverkiezing vast te stellen en ook al wint Moon, hij krijgt niet de volle steun binnen zijn partij, die sterker verdeeld is dan ooit tevoren. Zijn campagne wil maar geen vaart krijgen, terwijl de conservatieve kandidate Park Geun-hye [dochter van Park Chung-hee] het juist heel goed doet. De uitslag, 48 tegen 52 procent, is een pijnlijke nederlaag voor hem. Bovendien druist die in tegen het verlangen naar verandering dat onder de bevolking leeft.

    Omdat hij zich zorgen maakt over het schandaal rond de geheime dienst, die ervan wordt verdacht de verkiezingen te hebben beïnvloed ten gunste van Park, en over haar steeds eigenmachtiger beleid, keert Moon Jae-in in 2013 terug in de schijnwerpers met de publicatie van een boek. Hij erkent dat het hem in 2012 had ontbroken aan ‘inzet en het gevoel van urgentie’ en spreekt zelfs van ‘een gebrek aan competentie en voorbereiding’. Hij gaat hard aan de slag om zijn partij te hervormen en die bij de volgende verkiezingen aan de winst te helpen.

    Moon Jae-in zwaait naar aanhangers bij zijn inauguratie in Seoul op 10 mei. – © HH
    Moon Jae-in zwaait naar aanhangers bij zijn inauguratie in Seoul op 10 mei. – © HH

    Na de afzetting van president Park [in maart 2017] worden de presidentsverkiezingen [oorspronkelijk gepland voor december 2017] vervroegd. Het is een ongekende situatie. Maar de ‘man op herhaling’ staat klaar. Hij zet uit eigen beweging een aantal van zijn naaste medewerkers aan de kant om zijn team te vernieuwen en zo een eind te maken aan de situatie dat hij tegelijk grote sympathie en grote weerstand oproept.

    Na het schandaal rondom Choi en Park [onthullingen over de wandaden van Choi Soon-il, een goede vriendin van president Park Geun-hye, leidden tot afzetting van Park] heeft hij de bevolking aan zijn kant staan. In de voorverkiezingen geven zijn tegenstanders hem hun steun.

    Een einde maken aan alle problemen: dat is de prioriteit van de nieuwe leider, die zegt de president van alle Koreanen te willen zijn en die een eind wil maken aan de grote verdeeldheid tussen links en rechts en aan de vijandigheid tussen bepaalde regio’s. De afzetting van Park Geun-hye betekent het einde van het tijdperk van de familie Park, en de verkiezing van Moon Jae-in wordt ervaren als het begin van een nieuwe periode waarin elke verdeeldheid en elke politieke vergelding wordt afgewezen. Begrip opbrengen voor wie buitengesloten is en de mensen overtuigen, dat is wat de president te doen staat.

    Auteur: Yi Chong-ae
    Vertaler: Tess Visser

    The Hankyoreh
    Zuid-Korea | dagblad | oplage 600.000

    The Hankyoreh werd in 1988 opgericht, kort na het einde van de militaire dictatuur in Zuid-Korea. De oprichters beloofden een progressief geluid in een tijd dat in elke Koreaanse krant exact dezelfde artikelen stonden, die in feite werden gedicteerd door het ministerie van Cultuur en Informatie. Ze claimden zelfs de eerste krant ter wereld te zijn ‘die volledig onafhankelijk was van politieke macht en kapitaal’. Het was ook de eerste krant van Korea die horizontaal werd gedrukt in plaats van verticaal.

  • 8. Een stap terug in Azië?

    8. Een stap terug in Azië?

    De pivot to Asia (draai naar Azië) was een van de paradepaardjes van de regering-Obama. Als Trump die terugdraait, zal dat ingrijpende gevolgen hebben voor de veiligheid, mensenrechten en handelsverdragen.

    De America First-retoriek van aankomend president Donald Trump doet vermoeden dat hij niet al te geïnteresseerd is in de binnenlandse politiek van zijn Aziatische bondgenoten. Trump leverde weliswaar stevige kritiek op het economische beleid van China, en zei dat Japan en Zuid-Korea meer moeten uitgeven aan defensie, maar afgezien daarvan heeft hij zich amper over Azië uitgelaten.

    Als Trumps isolationistische verhaal wordt omgezet in beleid, betekent dat waarschijnlijk dat een van Obama’s paradepaardjes op het gebied van buitenlandse zaken – de zogenoemde pivot to Asia [‘draai naar Azië’] – zal worden teruggedraaid. ‘Voor zover wij dat kunnen inschatten, zal Trumps presidentschap het einde betekenen van de draai naar Azië als expliciet onderdeel van het Amerikaanse buitenlandbeleid,’ aldus Tom Pepinsky, Zuidoost-Azië-analist aan de Cornell-universiteit.

    Elke vorm van troepenvermindering zou de onzekerheid in de regio kunnen aanwakkeren

    Wat dat betekent voor de militaire aanwezigheid van de VS in Azië blijft vooralsnog onduidelijk. Elke vorm van troepenvermindering zou de onzekerheid in de regio kunnen aanwakkeren, aangezien dit de toenemende militaire macht van China in de regio zou vergroten en Noord-Korea zou aanmoedigen om de verdediging van Zuid-Korea en Japan verder op de proef te stellen.

    In navolging van zijn eerdere beschuldigingen aan het adres van Europese NAVO-landen, die hij afschilderde als profiteurs, zei Trump dat Japan en Zuid-Korea wat hem betreft meer zouden moeten bijdragen aan de aanwezigheid van Amerikaanse soldaten in de regio.

    Op 9 november, daags na Trumps overwinning, zei Chung Jin-suk van de Zuid-Koreaanse regeringspartij Saenuri in het parlement dat men ‘ingrijpende veranderingen op het gebied van veiligheid’ moet verwachten. Trump verzekerde de Zuid-Koreaanse president Park Geun-hye er later van dat de VS ‘bescherming zullen bieden tegen de instabiliteit in Noord-Korea’, aldus een woordvoerder van Park.

    De aankomend president heeft zich tot nog toe dubbelzinnig uitgelaten over de vraag of de Verenigde Staten zich – zoals werd gedreigd – zullen terugtrekken uit Azië. Michael Flynn, voormalig hoofd van het Amerikaanse Defense Intelligence Agency en adviseur voor buitenlands beleid tijdens de campagne van Trump, vertelde de Nikkei Asian Review in oktober dat het Amerikaans-Japanse bondgenootschap ‘van cruciaal belang’ is voor de veiligheid in Azië. En Trump ‘deelt die mening’ absoluut, zei hij. Niettemin, voegde Flynn eraan toe, moeten de leiders ‘eens goed bekijken wat de kosten zijn en wat ervoor nodig is om de veiligheid en stabiliteit [in de regio] te behouden’.

    Chinese verkoopsters poseren met een Trump-vlag in hun winkel in de stad Jinhua, bekend om zijn gedroogde ham. – © Getty Images
    Chinese verkoopsters poseren met een Trump-vlag in hun winkel in de stad Jinhua, bekend om zijn gedroogde ham. – © Getty Images

    Eveneens onduidelijk is Trumps standpunt als het gaat om de conflicten in de Zuid-Chinese Zee – een gebied dat bijna volledig door Beijing wordt geclaimd, zelfs nu de VS hun aanwezigheid in dit gebied hebben opgevoerd om China in het gareel te houden. Trumps visie op de rivaliteit in de betwiste wateren zou voor het eerst zichtbaar kunnen worden wanneer er nieuwe onthullingen boven water komen over de kunstmatige eilanden die China er aanlegt of de militarisering die er plaatsvindt, of anders tijdens regionale topontmoetingen in Azië in het komende jaar.

    Mocht Trump zich inderdaad terugtrekken, dan ‘zal Zuidoost-Azië zich afvragen of Amerika nog wel een betrouwbare partner is; sommigen vragen zich dat nu al af’, aldus Lee Jones van de School of Politics and International Relations aan de Queen Mary University of London.

    Trump heeft laten doorschemeren dat Rusland wat hem betreft wat meer de vrije hand zou moeten hebben in de voormalige Sovjetrepublieken. Hij suggereerde bovendien dat hij de Amerikaanse steun aan de zogenoemde gematigde rebellen, die in Syrië strijden tegen de regeringstroepen, zou stopzetten. In een telefoongesprek met de Russische president Poetin zei Trump dat hij ‘een sterke en duurzame relatie’ tussen de twee landen nastreeft.

    Soft power

    Als Trump de claims van China in de Zuid-Chinese Zee als legitiem beschouwt, zou dit Beijing kunnen aanmoedigen om nog een stapje verder te gaan, ondanks het feit dat de historische aanspraken van China in juli nog werden verworpen door een internationaal gerechtshof. Ondanks die uitspraak probeerden verschillende landen in de regio zich al voor de verkiezingsuitslag in te dekken tegen eventueel naderend onheil; met name de Filipijnse president Duterte deed pogingen om de banden met China aan te halen.

    Als de VS weer zouden ‘terugdraaien’ uit Azië, zou Washington vrijwel zeker minder geneigd zijn om anderen de les te lezen over schendingen van mensenrechten – zoals de bloedige war on drugs van Duterte, waarbij sinds juni al meer dan drieduizend mensen om het leven zijn gekomen, of de aanhoudende macht van de militairen in Thailand, een andere oude bondgenoot van de VS.

    ‘Het gebrek aan fatsoen in de verkiezingsdebatten en de nativistische, xenofobische aard van diverse uitspraken van Trump hebben inmiddels al een negatieve uitwerking gehad op de Amerikaanse soft power in Azië en elders ter wereld’

    Naast hun ongeëvenaarde economische en militaire macht hebben de VS jarenlang kunnen vertrouwen op hun – minder tastbare – soft power bij het uitoefenen van invloed op andere landen. Volgens Joseph Nye, de wetenschapper van Harvard die deze term ooit bedacht, is dit ‘het vermogen om te verkrijgen wat men wil door middel van verleiding, in plaats van door dwang of beloning’. Nye merkt echter op dat het aanzien van de VS in Azië is geschaad. ‘Het gebrek aan fatsoen in de verkiezingsdebatten en de nativistische, xenofobische aard van diverse uitspraken van Trump hebben inmiddels al een negatieve uitwerking gehad op de Amerikaanse soft power in Azië en elders ter wereld,’ zo zei hij.

    Trumps aversie tegen vrijhandelsverdragen zou de aantrekkingskracht van de VS in Azië nog verder kunnen ondermijnen. Obama heeft zich vol overgave ingezet voor het Trans-Pacific Partnership (TPP), een handelsverdrag met elf landen rond de Stille Oceaan, waaronder Brunei, Japan, Maleisië, Singapore en Vietnam. Hij hoopte dat een succesvol TPP andere landen ertoe zou overhalen om ook mee te doen, maar nog voor de presidentsverkiezingen rezen er al twijfels, toen zowel Trump als Clinton zich tegen het voorstel uitsprak.

    De kans dat de Verenigde Staten het TPP zullen ratificeren is met de nieuwe machthebbers zo goed als nihil. ‘In zijn huidige vorm kan het TPP niet van kracht worden zonder Amerikaanse deelname,’ zei de Maleisische premier Najib echter tegen de Nikkei Asian Review.

    De ogen van de wereld zijn de komende maanden gericht op Donald Trump; hierin zal blijken in hoeverre hij de botte retoriek uit zijn verkiezingscampagne daadwerkelijk wil omzetten in beleid, of hij de confronterende koers zal varen die we van hem kennen uit The Apprentice, of toch zal terugvallen op de onderhandelingen en compromissen uit zijn jaren als zakenman.

    Auteur: Simon Roughneen
    Vertaler: Rogier Goetze

    Nikkei Asian Review
    Japan | weekblad | 2,946,594 ochtend, 1,558,594 Evening

    Bijdragen van over de hele wereld over Azië, met de nadruk op economie. Sinds 2015 ook eigenaar van Financial Times.

  • Vietnamese ouders op de bres voor hun homoseksuele kind

    Vietnamese ouders op de bres voor hun homoseksuele kind

    In Vietnam, waar andersgeaardheid vaak nog een taboe is, verenigen ouders zich om hun kinderen te ondersteunen. De organisatie PFLAG Vietnam zet zich in om de stem van lhbti-leden te laten horen en hun rechten te beschermen en speelt een grote rol bij het bestrijden van geweld tegen lhbti’ers.

    Keuze uit het archief

    Juni is in veel landen Pride month. De maand wordt gewijd aan de viering van de queer-identiteit en -cultuur en er wordt aandacht gevraagd voor de positie van lhbti’ers in de maatschappij.
    Dit artikel van het Vietnamese dagblad Tuoi Tre uit 2016 werpt licht op de verbeterde situatie van lhbti’ers in de Vietnamese samenleving, waar andersgeaardheid vaak nog een taboe is. Dankzij de belangenorganisatie PFLAG is de acceptatie in het land toegenomen en kunnen ouders in veel gevallen veel meer begrip opbrengen voor hun andersgeaarde kinderen.

    De meeste lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders (LHBT’ers) krijgen te maken met discriminatie, stigmatisering of vervreemding van hun familie en de maatschappij, zodra ze uit de kast komen. Een aantal jaar geleden kreeg Nguyen Dang Khoa, nu 27 en openlijk homo, een brief van zijn wanhopige moeder Yen Ly, waarin ze haar zoon voor de keus stelde zich te gedragen als een ‘normale’ man, of het huis te verlaten. Yen Ly kwam tot het ultimatum nadat ze alle mogelijkheden voor ‘behandeling’ van haar zoon had uitgeput, inclusief consulten bij psychologen.



    Een week later antwoordde de jongeman haar met een ontroerende brief van vier kantjes, waarin hij zich oprecht verontschuldigde en haar smeekte hem te accepteren zoals hij werkelijk is, of hem in ieder geval nog een jaar te geven om te kunnen afstuderen. Hij zei dat hij de familie daarna zou verlaten en hen niet langer te schande zou maken.



    Door Khoa’s brief begreep zijn moeder pas hoe hard hij had geworsteld met zijn geaardheid en hiermee eindigde de impasse die vijf jaar eerder was begonnen, toen ze per ongeluk zijn dagboek uit de vijfde klas middelbare school onder ogen had gekregen, waarin hij zijn kalverliefde voor een vriend bekende. In 2013, sloot Yen Ly zich aan bij de Parents, Families & Friends of Lesbians and Gays (PFLAG) Vietnam, een organisatie van ouders, families, vrienden en medestanders van LHBT’ers die tot doel heeft hun steun van hun beminde bloedverwanten of vrienden te bundelen. Sterker nog, twee jaar later werd ze voorzitter van de organisatie.

    Crises

    Voordat ze lid werden, hebben de meeste PFLAG-ouders crises meegemaakt doordat ze te weinig kennis hadden van de seksuele geaardheid van hun kinderen. Later hebben ze manieren gevonden om hun eigen frustraties te overwinnen en anderen te helpen hetzelfde te bereiken.

    Tieu Hanh Nhi, uit de provincie Binh Duong, zo’n dertig kilometer van Ho Chi Minhstad, zag bij haar dochter Ai, toen die nog maar een klein meisje was, al wat eigenschappen die traditioneel als mannelijk worden gezien. Ze vond echter pas materiaal over homoseksualiteit toen Ai negentien werd. Ze was opgelucht toen ze van een neuropsychologisch expert hoorde dat aanleg en seksuele geaardheid deels worden bepaald door de relatie met de ouders. Ai vertelde haar moeder drie jaar geleden over het bestaan van de PFLAG-groep in Ho Chi Minhstad. Toen de organisatie werd opgericht, werd Nhi, voormalig universitair docente, verkozen tot bestuurslid van de PFLAG.

    In de zomer van 2014 kreeg Nhi een noodoproep van Dao, een jongeman uit Nha Trang, een vakantieoord in het zuiden van Vietnam. Omdat ze zich zorgen maakte over het vreemde gedrag van haar zoon, wilde Ly, Dao’s moeder, hem de volgende dag in Ho Chi Minhstad laten behandelen. Vastbesloten om Dao en zijn moeder te helpen, vroeg Nhi Ly haar te ontmoeten bij het centrum Information Connecting and Sharing (ICS) in Ho Chi Minhstad, een organisatie die LHBT-rechten in Vietnam steunt en die is gevestigd in hetzelfde gebouw als de PFLAG. De twee moeders bespraken met elkaar hoe hard hun kinderen werkten en wat een deugdzaam leven ze leidden; zo reed Dao elke dag tientallen kilometers om bestellingen rond te brengen voor het bedrijf in zeevruchten dat hij vanuit huis runt. Diezelfde avond werd Nhi door Dao getagd op Facebook: ‘Dankzij jouw hulp is ons gezin nu stralend en een en al geluk. Alsof ik vandaag opnieuw geboren ben.’

    PFLAG-begeleiders krijgen een training van vier maanden van een lokale psycholoog, waarbij de voornaamste les bestaat uit emotiebeheersing

    Niet elke counselingbijeenkomst heeft echter meteen positieve resultaten. Na een consult van twee uur gaf Yen Ly, de moeder van Khoa, alle hoop op dat ze iets kon bereiken met de vader van H., een andere jonge homo die als kind zijn moeder had verloren. De vader hield vol dat H.’s homoseksualiteit zijn toekomst zou verpesten. Drie jaar later vertelde H. glimlachend dat hoewel zijn vader zijn seksuele geaardheid nog steeds niet volledig accepteert, hij in ieder geval niet meer zo hard tegen hem is.

    PFLAG werd in 1972 in Amerika in opgericht door één moeder, Jeanne Sobelson Manford, een Amerikaanse docente en activiste die haar homoseksuele zoon openlijk steunde. De organisatie is volgens haar website de grootste familie- en medestandersorganisatie van het land. Ze bestaat uit 400 afdelingen en 200.000 aanhangers uit meerdere generaties Amerikaanse families. Twee jaar geleden nam een echtpaar uit de Amerikaanse PFLAG contact op met Yen Ly, voorzitter van de Vietnamese tegenhanger, nadat ze van hun bestaan gehoord hadden, en gaf haar nuttige informatie over het functioneren van hun vereniging.

    De start van PFLAG Vietnam werd in 2011 ondersteund door de ICS, maar de officiële lancering was pas in januari 2015. Op dit moment kan de organisatie bogen op zo’n zeventig leden, van wie twintig regelmatig begeleidingsgesprekken voeren met ouders van LHBT-jongeren. Er zijn zeven vaders die vorig jaar lid zijn geworden van PFLAG Vietnam en nu actieve leden zijn. PFLAG-begeleiders krijgen een training van vier maanden van een lokale psycholoog, waarbij de voornaamste les bestaat uit emotiebeheersing.

    Twee Vietnamese meisjes tijdens de vierde gay pride in Hanoi, in 2015. © Borja Sanchez-Trillo / Getty
    Twee Vietnamese meisjes tijdens de vierde gay pride in Hanoi, in 2015. © Borja Sanchez-Trillo / Getty

    Volgens Tran Khac Tung, baas van de ICS, is steun van de familie voor de meeste leden van de LHBT-gemeenschap van essentieel belang voor hun sociale integratie. Een onderzoek van de ICS uit 2015 liet zien dat 95 procent van de gemeenschap in Vietnam met discriminatie te maken had gehad, meestal van familie en vrienden.



    Tung zegt dat de oprichting van PFLAG Vietnam van groot belang is geweest bij het verenigen van ouders en het bestrijden van geweld tegen LHBT-leden. De organisatie heeft zich ook ingezet om de stem van LHBT-leden te laten horen en hun rechten te beschermen. Ze speelde een belangrijke rol in 2014 bij het aannemen van een aangepaste huwelijkswet door het parlement, die het homohuwelijk in Vietnam verbiedt noch erkent. De leden voerden in 2015 ook campagne om in de aangepaste grondwet een nieuwe regel op te nemen die voorziet in het recht op sekseverandering of transgenderschap. De wet gaat per 1 januari 2017 in.

  • Oceaan en muur tussen Syriërs en de VS

    Oceaan en muur tussen Syriërs en de VS

    Kwestie van politieke onwil, noemt George Packer, schrijver en journalist van de New Yorker, het beschamend lage aantal (2000) Syrische vluchtelingen dat de VS toelaten.

    In november 1979 bracht de vrouw van de toenmalige Amerikaanse president Jimmy Carter, Rosalynn Carter, een bezoek aan een vluchtelingenkamp aan de grens van Thailand met Cambodja. Zuid-Vietnam, Cambodja en Laos (tezamen Indochina) waren vier jaar eerder geteisterd door communistische guerrillabewegingen, wat drie miljoen mensen op de vlucht deed slaan: Vietnamese bootvluchtelingen die aan vervolging probeerden te ontkomen, leden van de Hmong-minderheid die de pro-communistische verzetsbeweging Pathet Lao ontliepen en Cambodjaanse slachtoffers van genocide, oorlog en hongersnood. Niemand zat op deze ontheemden te wachten. Buurlanden stuurden gammele, overvolle Vietnamese vissersboten terug en de Thaise regering weigerde de Cambodjanen als vluchtelingen te erkennen; het leger liet velen aan de grens rechtsomkeert maken, de mijnenvelden in. Westerse regeringen stuurden liever hulp dan een reddende hand te bieden.

    De VS zouden ruim één miljoen Zuid-Aziatische vluchtelingen toelaten

    De Amerikanen hadden, na hun jarenlange, nutteloze oorlog in Vietnam, toch al een zekere weerzin tegen de hele regio. Hoewel Washington onmiskenbaar een bepaalde verantwoordelijkheid droeg, wilden sommige progressieve én conservatieve politici niet dat het land midden in een economische crisis geld aan buitenlanders uitgaf. In 1975 zei de zojuist ingezworen gouverneur van Californië Jerry Brown: ‘We kunnen onze blik niet achtduizend kilometer verderop richten en tegelijkertijd de mensen hier links laten liggen.’ Nadat president Gerald Ford toestemming had gegeven om 130.000 Zuid-Aziatische vluchtelingen toe te laten, probeerde iemand uit de kring rond Brown te voorkomen dat een vliegtuig vol vluchtelingen op luchtmachtbasis Travis Air Force Base landde, nabij Sacramento. Senator Jesse Helms maakte op raciale gronden be-zwaar tegen de landing, zonder zich achteraf te verontschuldigen. ‘Door dat hele smeltkroesidee hebben we met steeds meer maatschappelijke problemen te maken,’ zei hij. ‘Er bestaat grote bezorgdheid of zo’n grote groep zich wel aan de Amerikaanse normen en waarden kan aanpassen.’ Er heerste zelfs angst voor een communistische staatgreep.

    Kinderen met Syrische vlaggen voor het Witte Huis in Washington D.C. – © Glyn Lowe / Flickr Creative Commons
    Kinderen met Syrische vlaggen voor het Witte Huis in Washington D.C. – © Glyn Lowe / Flickr Creative Commons

    Jimmy Carter was een groot strijder voor mensenrechten, maar zijn regering stond niet te trappelen om de deuren open te zetten voor Cambodjanen die op de vlucht waren voor honger en gevechten tussen het Vietnamese bezettingsleger en de Rode Khmer. Eind 1979, toen de crisis op een ramp uitdraaide, voelde Carter de druk van democratische rivaal, senator Edward Kennedy, en stuurde hij zijn vrouw naar de chaotische grenskampen. Rosalynn Carter liep tussen de uitgehongerde en stervende mensen door met honderdvijftig journalisten in haar kielzog. Ze hield een baby die bijna doodging in haar armen terwijl ze met de moeder van het kind sprak, die op de grond lag. ‘Mag ik een glimlach?’ vroeg ze een andere vrouw, die ze een kus op het voorhoofd drukte. Na afloop zei mevrouw Carter dat ze snel naar huis terugging ‘om er mijn man over te vertellen’. Doordat de schijnwerpers als gevolg van haar bezoek op de kampen waren gericht, kwamen er internationale hulpprogramma’s en opvangregelingen op gang. Uiteindelijk zouden de VS ruim één miljoen Zuid-Aziatische vluchtelingen toelaten. De meesten bleken zich aan de Amerikaanse normen en waarden te kunnen aanpassen.

    First Lady Rosalynn Carter houdt een Cambodjaans kindje vast als zij in 1979 het vluchtelingenkamp Sa Kaeo bezoekt. – © Corbis
    First Lady Rosalynn Carter houdt een Cambodjaans kindje vast als zij in 1979 het vluchtelingenkamp Sa Kaeo bezoekt. – © Corbis

    Maar al te gemakkelijk wordt vergeten dat elk genereus gebaar dat de VS naar vluchtelingen maken aanvankelijk op fel verzet stuitte, dat werd gevoed door onwetendheid. Door de geschiedenis heen blijkt het optreden van de president de doorslag te hebben gegeven. Na de Tweede Wereldoorlog nam het Amerikaanse congres een wet aan die het Joodse slachtoffers van de nazi’s moeilijker maakte zich in de VS te vestigen dan gevluchte Duitsers. De voorzitter van de senaatscommissie voor immigratie, Chapman Revercomb uit West Virginia, schreef: ‘Velen die tot dit land willen worden toegelaten, hebben nauwelijks enige notie van onze vorm van bestuur. Velen zijn afkomstig uit landen waar het communisme is ontkiemd en waar het de politieke overtuigingen en ideeën van de mensen beheerst.’ De woede en de volharding van president Harry Truman moesten eraan te pas komen om het congres zover te krijgen meer vluchtelingen 
toe te laten en discriminerende maatregelen uit te bannen.


    Vier miljoen mensen zijn op de vlucht voor de burgeroorlog in Syrië, veel meer dan het verbijsterende aantal van Indochina. Het is de grootste humanitaire crisis van na de Tweede Wereldoorlog. De afgelopen maand staken maar liefst negenduizend mensen de Middellandse Zee over, op weg naar Europa. Maar de VS nemen nog geen tweeduizend Syrische vluchtelingen op. In september kondigde president Obama aan de quota voor 2016 naar tienduizend te zullen verhogen. Dat is maar de helft van het totale aantal vluchtelingen uit Indochina dat in 1980 maandelijks naar de VS kwam. Een voorstander van een ruimhartiger vluchtelingenbeleid noemde het ‘een beschamend laag aantal’. En zelfs dat bescheiden doel wordt waarschijnlijk niet eens gehaald.

    Hindernissen

    Het kan maar liefst twee jaar duren voordat Syrische vluchtelingen de 
aanvraagprocedure hebben doorlopen. De nationale veiligheid is zogenaamd de reden voor die lange duur, maar in werkelijkheid zijn de meeste hindernissen vooral bureaucratisch van aard. In de hele regio kampen vluchtelingencentra met onderbezetting en geldgebrek. Al ruim een jaar worden intakegesprekken met vluchtelingen in Libanon – waar één miljoen Syrische vluchtelingen wonen – uitgesteld omdat de Amerikaanse ambassade wordt verbouwd. Zulke gesprekken zouden door middel van een videoconference kunnen worden gevoerd; het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken zou bedrijven toestemming kunnen verlenen en kunnen opleiden om een eerste screening te doen en de overbelaste kantoren van de Verenigde Naties ter plaatse te ontzien. De regering zou ervoor kunnen zorgen dat Syriërs die familie in Amerika hebben sneller een visum kunnen krijgen. Zulke technische maatregelen zijn vrij eenvoudig te nemen. De president zou ook de humanitaire noodtoestand kunnen uitroepen en op grond van een vluchtelingenwet die in 1980 nog door Carter werd ondertekend de vluchtelingenquota tot boven de jaarlijkse limiet kunnen verhogen. Het enige wat ontbreekt is politieke wil.

    De regering-Obama laat de Atlantische Oceaan de Amerikanen tegen de humanitaire gevolgen beschermen

    Zoals de verwoesting van Cambodja een indirect gevolg was van de Vietnamoorlog, zo heeft de Irakoorlog bijgedragen aan de strijd in Syrië, al was het maar omdat daardoor ruimte kwam voor de Islamitische Staat. De regering-Obama laat de Atlantische Oceaan de Amerikanen tegen de humanitaire gevolgen beschermen, alsof ligging hetzelfde is als morele verantwoordelijkheid. Lang geleden besloot de president dat Amerikaans militair ingrijpen geen einde aan de oorlog in Syrië kon maken. Dat is geen reden om dan ook maar minder mensen toe te laten. Anders dan senator Ted Cruz noemt Obama Syrische vluchtelingen geen ‘jihadisten die hiernaartoe komen om onschuldige Amerikanen te vermoorden’. Evenmin waarschuwt hij, zoals Donald Trump, dat ‘het paard van Troje niets is vergeleken bij een stelletje vluchtelingen die van IS blijken te zijn’. Maar van de passiviteit van de regering gaat wel dezelfde boodschap uit.

    Amerikaanse programmeurs en ondernemers van Aziatische komaf. – © Danny Choo / Flickr Creative Commons
    Amerikaanse programmeurs en ondernemers van Aziatische komaf. – © Danny Choo / Flickr Creative Commons

    Half november gaat Michelle Obama naar Jordanië en Qatar om onderwijsinitiatieven voor meisjes te promoten. In de geest van Rosalynn Carter, zesendertig novembers geleden, zou ze kunnen overwegen een uitstapje te maken naar een kamp met Syrische vluchtelingen aan de grens met Jordanië, waar ze met een moeder zou kunnen praten en een kind zou kunnen vasthouden. Als dat onhaalbaar is, zou ze op bezoek kunnen gaan bij een Syrisch gezin in een opvangcentrum in Istanboel, of bij het kantoor van de VN in Beiroet. Alleen al haar aanwezigheid zou de wereld laten zien dat haar echtgenoot, en bij uitbreiding het land waarover hij regeert, zich het lot van de vluchtelingen aantrekt.

    Auteur: George Packer
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    The New Yorker
    Verenigde Staten, weekblad, oplage 1.043.000
    Sinds 1925 hét New Yorkse tijdschrift met als handelsmerk de satirische karikaturen en cartoons en geïllustreerde covers. Is met zijn parels van reportages, scherpe politieke analyses, fictie en essayistiek, rigoureuze factchecking en brede belangstelling voor cultuur favoriet onder liefhebbers van het journalistieke ambacht in binnen- en buitenland.

  • Brieven uit ballingschap

    Brieven uit ballingschap

    Hoe voelt het om gedwongen je land te moeten verlaten, zoals de honderdduizenden vluchtelingen die nu naar Europa trekken? Hoe ga je om met de ontworteling, de heimwee, het missen van je dierbaren, de onvermijdelijke identiteitscrisis? 360 verzamelde een aantal brieven van en over ballingen die onlangs verschenen in de internationale pers.

    ‘Op een dag zal de wind ons terugbrengen naar Damascus’ (Mohamed Attar)

    k ben geboren en getogen in Damascus en tot mijn vijftiende ben ik nooit de stad uit geweest. Ik heb de stad aan alle kanten doorkruist en soms weinig bekende wegen genomen die naar de graftombes
van metgezellen van de Profeet leidden, naar gekkengestichten of naar vergeten publieke baden. Maar mijn pogingen om me mijn geboortestad eigen te maken bleken vergeefs. En hoe meer ik van Damascus ontdekte, des te meer voelde ik me er een vreemdeling.
    Omdat ik tot de middenklasse behoorde, die steeds verder van het centrum van de hoofdstad af kwam te wonen, bereikte ik de jaren des onderscheids in een buitenwijk. Ik besefte dat het idee van een vaderland echt moeilijk te begrijpen was. Wat betekende het? Deze vragen werden concreet in het begin van de jaren negentig, toen ik op de middelbare school voor het eerst in contact kwam met zonen van officiers van het regime. Ik keek naar hun auto’s met getinte ramen en speciale nummerborden. Ik hoorde de gefluisterde gesprekken over vrienden wier ouders waren gearresteerd.
    Daarna begreep ik hoe de generatie van mijn vader het onderspit had moeten delven. Ik herinner me hem nog goed, deze intellectueel en alumnus van de Universiteit van Caïro die me tot bloedens toe sloeg toen ik in het bijzijn van onze buurman, die een van hun agenten heette te zijn, sprak over de manier waarop de Moekhabarat (de geheime Syrische inlichtingendienst) ons leven beheerste. Die dag heb ik mijn tranen met de trots van een dertienjarige ingeslikt, omdat ik begreep hoe de angst mijn vader in zijn greep had.

    De hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, is een immens ballingsoord voor de Syriërs geworden

    Ik slenterde door Damascus en naarmate ik de stad beter leerde kennen en me realiseerde hoe kwetsbaar ik was, net als andere mensen zoals ik, vormden deze omzwervingen de inleiding tot een steeds moeilijker wordende ballingschap.
    Kwetsbaarheid wordt gewoonlijk eerder in verband gebracht met een ballingsoord dan met het vaderland. Leven in angst en onzekerheid zonder te weten wat de dag van morgen zal brengen en met het voortdurende gevoel dat je een pion bent in een spel van onderwerping en bedrog. Weten dat je leefomgeving steeds kleiner wordt, dat je alleen je toevlucht kunt zoeken tot mensen die op je lijken van wie het merendeel op een kans wacht om te vertrekken. Zien dat de stad onophoudelijk zijn deuren voor je sluit en dat zijn centrum zich steeds verder verwijdert van zijn steeds marginaler wordende periferie. Zo verandert het vaderland in een ballingsoord.
    De bevrijding kwam toen er parallelle vaderlanden werden gecreëerd, vrijplaatsen die een intieme relatie met een gewenst vaderland mogelijk maakten. Op die manier werden de vrienden uit de buurt of van de universiteit een vaderland. Je trof elkaar in een afgelegen café dat gefrequenteerd werd door mannen in de herfst van hun leven die hun eenzaamheid verdreven met de waterpijp. De bijnaam van dit café was ‘Verstop me!’ Het zijn deze gestolen vrijplaatsen die me vandaag de dag heimwee naar Damascus bezorgen en niet de jasmijnstruiken of de hypocriete gesprekken, om nog maar te zwijgen van het door beton verstikte centrum.
    Maar met de Syrische revolutie van 2011 is de situatie veranderd. Alles ging om dit nieuwe Syrië draaien, waar ik me voor het eerst werkelijk gesteund voelde, omdat mijn lot verbonden was met dat van anderen. Het gevoel een balling te zijn werd minder naarmate de trekken van een nieuw vaderland zich duidelijker aftekenden. De steun kwam van talrijke Syriërs die tot verschillende geloofsrichtingen behoorden, maar allemaal een vaderland zochten na hun ballingschap.
    Voor het eerst had ik het onbeschrijflijke gevoel niet meer alleen te zijn en werkelijk ergens thuis te horen. Ook al stonden we machteloos tegenover de handlangers van het regime en de kogels van de veiligheidsdiensten, we waren voor het eerst van ons leven erg geïnspireerd.

    Een opschrijfboekje, gevonden op het strand van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH
    Een opschrijfboekje, gevonden op het strand van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH

    Desondanks verslechterde de situatie zodanig dat ik gedwongen was korte tijd naar Beiroet uit te wijken. Nu besef ik dat ik door Damascus te verlaten een vaderland heb herontdekt dat ik lange tijd als verloren beschouwde. Ik kon toen nog niet weten dat er heel wat andere verliezen zouden volgen, zoals een grote liefde en fantastische vriendschappen. Als je ver van je stad bent, ook al voelde je je daar een vreemdeling, zijn ook je laatste wortels doorgesneden. Degenen die blijven nemen je kwalijk dat je bent weggegaan, ook al zeggen ze je dat niet recht in je gezicht, en zelf vind je het ook verwijtbaar. Wanneer sommigen sterven of verdwijnen in de kerkers van het regime, voel je je ontzettend schuldig dat je zo ver van hen vandaan was.
    In Beiroet bleef ik het gevoel hebben dat ik vlak bij Syrië was, omdat 
de dingen die aan de andere kant van de grens gebeurden ook daar 
hun weerslag hadden. Bovendien was ik in Libanon omringd door tienduizenden vluchtelingen uit alle lagen van de bevolking en alle vier de hoeken van Syrië. Een stuk van het land was simpelweg verplaatst. Het was een bittere troost je op maar twee uur autorijden van Damascus te bevinden. Alle Syriërs hoopten op een spoedige terugkeer: ‘We zijn vlakbij.’ ‘Morgen keert het tij en dan gaan we terug!’ Deze ballingschap leek aanvankelijk een wachtkamer totdat we tot de ontdekking kwamen dat het alleen maar een tussenstation was naar tal van andere bestemmingen overal op de wereld.
    Beiroet was een stad waarvan ik hield, maar die me er onophoudelijk aan herinnerde dat ik er ongewenst was. Op een dag ontmoette ik er Abou Saleh, een sympathieke dronkenlap die uit Aleppo was gevlucht. Hij was nergens meer thuis. Als hij terugging naar Aleppo, zou hij herinnerd worden aan zijn drie kinderen die daar waren omgekomen. Twee van hen werden samen met hun vrouwen en kinderen gedood tijdens een aanslag op hun wijk door het regime-Assad. Abou Saleh was vooral getroffen door de dood van zijn jongste kind van negentien jaar, dat door een scherpschutter was vermoord. Hij was een geboren verteller en diste allerlei verhalen op die schijnbaar niets met elkaar te maken hadden, om vervolgens te zwijgen en me geld voor een nieuwe borrel te vragen. Daarna liet ik hem verder dommelen op zijn stoel. Hij bracht me op de trieste gedachte dat de hele wereld, het verwoeste Syrië incluis, een immens ballingsoord voor de Syriërs is geworden. Ze kunnen niet meer terug naar hun vernielde huizen en weten evenmin waar ze dan wel heen moeten. Hun wereld is klein geworden, de zee slokt hen op en sommigen zoals Abou Saleh willen niet meer verkassen. Ik denk aan de Syrische vader die het lijk van zijn dochtertje in zee moest gooien vanaf een boot die op weg was naar Italië. Hij maakte de reis voor haar, op zoek naar een ander vaderland, maar het suikerzieke meisje stierf nadat de mensensmokkelaars de tas met insuline overboord hadden gegooid. Vervolgens dwongen de andere passagiers de vader zich van het lijk van zijn dochtertje te ontdoen. Nadat hij alleen in Italië was aangekomen zag hij zich in de rol van asielzieker gedrukt, waar hij ook heen ging.
    Op de luchthaven van Beiroet deelde een officier van de binnenlandse veiligheidsdienst me met een brede glimlach mee dat het me definitief verboden was naar Libanon terug te keren. Twee jonge collega’s van hem begonnen zonder aanwijsbare reden te lachen, zodat ik maar meelachte. Zo is onze situatie één grote komedie geworden.
    Vaarwel Beiroet, gegroet Berlijn. Het is een voordeel om in de zomer in de Duitse hoofdstad te arriveren want de winter is er deprimerend. Ik had het geluk in een vliegtuig te kunnen stappen terwijl heel wat andere Syriërs een hachelijke zeereis moesten ondernemen of wekenlang door bossen moesten lopen en in de openlucht moeten slapen voordat ze Duitsland bereikten. Ik ben nu bijna een maand in Berlijn. Ik doe er meestal het zwijgen toe terwijl ik mijn plaats in dit nieuwe ballingsoord probeer te vinden, ook al omdat ik de taal niet spreek. Ik weet niet wanneer ik Duits zal leren. Het Arabisch was mijn vaderland omdat ik niet in een andere taal kan schrijven of denken. Het bood me voldoende zekerheid om elk ander vaderland af te wijzen. De schuldgevoelens die ik toch al heb omdat ik een veilig bestaan leid terwijl mijn familie en vrienden tot een ellendige ballingschap zijn veroordeeld in een vaderland dat in brand staat, worden nog verergerd als ik naar de speeltuin in de buurt van mijn logies kijk. Hier leven de mensen in vrede. De ongerechtigheid in deze wereld is een bron van oneindig veel leed en leidt tot ballingschap. Een vriend zegt me dat hij zich van het dwingende idee van een vaderland heeft bevrijd. Hij wil liever rondzwerven over de wereld dan zich blind staren op een vaderland dat er toch nooit komt. Ik heb andere Syriërs in Berlijn min of meer hetzelfde horen zeggen. Ongetwijfeld een moedige houding, maar iedereen die over de bevrijding van het vaderlandsidee en de illusies van ballingschap spreekt, ontwijkt op de een of andere manier mijn blik. Onder de dunne sluier van zelfverzekerdheid gaat een enorme zwakte schuil, een mengeling van nostalgie en de wanhoop het gedroomde vaderland ooit te zullen terugvinden. Net als ik zijn mijn vrienden dode bladeren die niet weten waar ze terecht zullen komen. We weten dat we door de wind worden meegevoerd en dromen dat die ons op een dag naar een toekomstig Syrië terug zal brengen. Maar in afwachting van dat moment, en zonder dat we weten of de dag ooit komen zal, zijn we overgeleverd aan de windrichting en dragen we diep in ons hart ons vaderland mee als ons ballingsoord, waar we ook zijn.

    Mohamed Attar
    Bron: Al-Jumhuriya, Istanboel

    De Syrische schrijver Mohamed Attar ontvluchtte zijn land nadat de kortstondige euforie over de opstand tegen president Assad was gedoofd. Hij woonde eerst in Beiroet, en tegenwoordig in Berlijn.

    ‘In Syrië heb ik me nooit een vluchteling gevoeld’ (Fatima Bhutto )

    Syrië was mijn thuis.
    Ik heb er als kind in ballingschap gewoond. Mijn ouders noemden het ‘ballingschap’, omdat we niet in ons eigen land, Pakistan, konden zijn. Omdat Pakistan te gevaarlijk was, te gewelddadig, omdat daar geen gerechtigheid was. Mijn vader kwam uit Pakistan, mijn moeder uit Libanon. En ik van ergens daartussenin. Syrië beschermde ons en heette ons welkom. Ik vraag me af waarom mijn ouders ons nooit ‘vluchtelingen’ hebben genoemd?
    Als kind in Damascus heb ik me nooit een buitenstaander gevoeld. 
Al was ik geen Syrische en was Arabisch niet mijn moedertaal, toch voelde ik me er thuis. Ik woonde in de oudste bewoonde stad van de wereld. Ik voelde me veilig. ’s Avonds rook het er naar jasmijn.
    Op school, in de stad, of als we de berg Qasioun op reden om naar Damascus bij avond te gaan kijken, met zijn schitterende lichtjes in 
het donker, noemde niemand ons vluchtelingen. Niemand gaf ons 
het gevoel dat die stad daar beneden – de oudste, de mooiste, met zijn witte, gouden en groene lichten in de verte – niet ook onze stad was.
    Een tijdlang was het dat ook.
    Zelfs nu nog doet mijn hart pijn als ik het Syrische volkslied hoor.

    Lesbos. © Santi Palacios / HH
    Lesbos. © Santi Palacios / HH

    Uiteindelijk gingen we naar huis. Maar Syrië heeft nooit zijn deuren voor ons gesloten. Ook Pakistan (dat nooit rechtvaardiger of minder gewelddadig is geworden) en vele andere landen in Azië hebben lang hun grenzen opengehouden. Pakistan heeft tientallen jaren onderdak geboden aan de grootste Afghaanse vluchtelingenpopulatie ter wereld. 
Syrië heeft altijd vluchtelingen opgenomen. Libanese, Armeense, Palestijnse. Mijn moeder en haar familie kwamen in 1982 naar Damascus, na de Israëlische invasie in Libanon. Rond 2007, op het hoogtepunt van de oorlog in Irak, verwelkomde Syrië wel tweeduizend Iraakse vluchtelingen per dag.
    Iedereen.
    Sjiieten, soennieten, christenen, atheïsten. Mannen, vrouwen, vervolgden en verslagenen. Syrië was ooit voor de hele wereld een thuis.
    Dat was altijd het mooie van het feit dat je bij deze landen hoorde, bij Azië: er was altijd plaats voor de statenlozen en bezitslozen. Er was geen zelfgenoegzaamheid, geen hysterie, geen koehandel met mensenlevens. Als ik de bureaucratische onverschilligheid van Europese leiders tegenover menselijk lijden zie, kan ik alleen maar terugdenken aan Syrië en aan wat dat land voor vluchtelingen deed – gul en zonder ophef. Hoe kan iemand in een verbonden wereld zijn deuren sluiten?

    Fatima Bhutto
    Bron: Granta, Londen

    Fatima Bhutto (Kaboel, 1982) is journaliste en schrijfster. Ze publiceerde vier boeken, waaronder 
de roman The Shadow of the Crescent Moon. Toen ze drie jaar oud was, vluchtte haar vader om politieke redenen van Afghanistan naar Syrië. Bhutto is de nicht van de voormalige Pakistaanse premier Benazir Bhutto. Ze woont in Karachi, Pakistan.

    ‘Hoe kun je Canadees zijn?’ (Ramin Jahanbegloo)

    Wat ik het moeilijkst vond toen ik naar Toronto kwam, was dat veel mensen aan de universiteit me kennelijk zagen als 
iemand die in het paradijs was beland na te zijn gered van een eiland omringd door haaien. Ik weet nog dat ik een Iraans-Canadees parlementslid op een gala in een centrum van de Iraanse gemeenschap gedachteloos hoorde verklaren: ‘Canada is het beste land er wereld.’ Dit geldt misschien voor sommige mensen, vooral voor Canadese parlementsleden die niet veel hebben gereisd, maar het gold zeker niet voor mij. 
Ik had het gevaar en het geweld van Iraanse gevangenissen verruild voor het geweld en de hypocrisie van een laat-kapitalistische samenleving. Het was niet zo dat ik nu deel uitmaakte van een samenleving met schone handen, ik zag helemaal geen handen, en zeker geen handen die het grote aantal daklozen hielpen dat ik elke dag in Toronto tegenkwam.
    Onderweg van mijn nieuwe onderkomen naar kantoor bedacht ik bij mezelf dat een stad als Toronto en een land als Canada er niet in slaagden om enig gebaar van liefde en medeleven te maken. Misschien komt dat doordat het kapitalisme alleen met zijn hersens denkt en niet met zijn hart, en medeleven is een taal van het hart. Het schokte me diep dat bij de meeste collega’s, journalisten en jongere Canadezen die ik ontmoette, het gezicht van de liefde verborgen ging achter een sluier van kille logica.
    Na de eerste paar maanden in Toronto begon ik te rebelleren tegen het conformisme dat ik elke dag zag. Ik was bezorgd en verbaasd dat er onder mijn jonge studenten niet één opstandige geest leek te zijn. En dat zij middelmatigheid heel vaak als een vorm van normaliteit beschouwden.

    Medeleven is een taal van het hart

    Ik was vanuit een samenleving die werd gedomineerd door een geestelijke nomenklatoera terechtgekomen in een enclave van tweederangs snobs die intellectueel verlamd waren door hun betekenisloze bestaan in goed bewaakte clubs. Ik ergerde me vooral aan een blanke vrouw die de ingang van het Massey College bewaakte. Zij was kennelijk allergisch voor mijn donkerharige Iraanse collega’s en hield die elke keer als ze met mij kwamen lunchen, bij de deur tegen. Dan realiseerde ik me weer dat wat vaak in theorie over multiculturalisme en gelijkheid in Canada werd gezegd, in de praktijk niet altijd klopte. Het is tijd, dacht ik, voor een diepgaander verkenning van de Canadese psyche en een helderder definitie van wat het betekent om Canadees te zijn.
    Naarmate de maanden verstreken en ik werd opgeslokt in het cyclische drama van mijn nieuwe leven, daalde de depressie als een wolk over me neer. Ik moest ’s zomers naar Spanje ontsnappen om me weer uitgerust en verkwikt te kunnen voelen. Maar zodra we terugkeerden naar Toronto, kwam het gevoel terug dat ik me in een spirituele leegte bevond.
    Met het verstrijken van de tijd kreeg ik steeds meer te kampen met wat ik de verleiding van de vrijheid noem. Vreemd genoeg zag ik meer belangstelling voor het idee van vrijheid onder mijn Iraanse studenten in Canada, die zich bezighielden met een niet-vrij land als Iran, dan onder mijn Canadese collega’s, die in een vrij land als Canada woonden. Dit gold ook voor het begrip recht. Terwijl mijn Iraanse studenten het recht omarmden als iets wat emancipatie versterkt, beschouwden mijn Canadese collega’s en studenten het recht als een verzameling op chic papier geschreven principes. Meestal dreunden zij de wet op en leunden dan tevreden achterover, alsof het recht daarmee automatisch zijn loop zou krijgen. Maar het recht kreeg zijn loop niet. Dit was een van de onderwerpen waar ik me niet aan kon onttrekken toen ik in Canada woonde. Ik had het verschrikkelijke gevoel dat elke stap die ik zette, beïnvloed werd door het alledaagse rechtssysteem, waarvan de waardeoordelen hun uitwerking hadden op mijn leven en lot.

    De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit

    Niemand blijft onaangetast door de ervaring van 
ballingschap. Sommigen verliezen hun identiteit, uit angst of om in de smaak te vallen. Heel weinigen vinden soelaas in de kunst van het vragen stellen. Ik koos voor een derde manier, door bot en direct te worden. Maar ik moest alle problemen van het balling zijn het hoofd bieden. Ik moest het riskante avontuur van een nieuw leven aangaan. In jezelf geloven was de prijs van overleven. Maar ik kwam problemen tegen die in mijn ogen absurd waren. 
Net als de meeste immigranten in Canada was ik ervan overtuigd dat streven naar het geluk en een prettig leven voor mijn kind de beste manier was om vooruit te komen. Het bleek lastig om kinderopvang voor haar te vinden en we hoorden dat mensen hun kinderen zelfs al voor hun geboorte inschrijven bij een kinderdagverblijf. Ik neem aan dat je je kind dus ook al bij de universiteit moet inschrijven voordat het 
heeft leren lezen en schrijven. Zulke verschijnselen lijken me een prima manier om je geloof in de geestelijke gezondheid van de westerse maatschappij kwijt te raken.
    Ik werd me er steeds sterker van bewust dat ik een Canadese identiteit miste. Ik begon over Canada te lezen en luisterde naar iedereen die me kon laten zien hoe ik een identiteit aan dit land zou kunnen ontlenen. Het kostte me moeite om me voor te stellen wat voor Canadese identiteit me ertoe zou hebben gebracht om 125 dagen gevangenschap te verdragen. Ik vond een citaat van Northrop Frye, waarschijnlijk de meest gevierde cultureel theoreticus van Canada: ‘Historisch gezien is een Canadees een Amerikaan die de Revolutie verwerpt.’ Deze opvatting heeft verschillende kanten. Voor veel Engelssprekende conservatieve Canadezen blijft het iets om trots op te zijn. Denk aan wat Winston Churchill over dit land heeft gezegd: ‘Canada is de verbindende schakel in de Engelstalige wereld. Canada, met aan de ene kant zijn vriendschappelijke, intieme banden met Amerika en aan de andere kant zijn niet-aflatende trouw aan het Britse Commonwealth en het Moederland, is de schakel die deze twee grote loten aan de menselijke stam met elkaar verbindt.’
    Maar ik vraag me af of nieuwe Canadezen nog steeds aan Engeland denken als ‘het Moederland’, een gevoel dat meer bij een blank en Engelstalig Canada hoort. Als je de wetten en regels en het twintigdollarbiljet even buiten beschouwing laat, zijn niet alle Canadezen zich werkelijk bewust van het Britse koninklijk huis, al zijn prins William en Kate Middleton bij meer Canadezen geliefd dan Nobelprijswinnares Alice Munro.
    Het is moeilijk te zeggen hoe je Canadees wordt of bent. De meeste volken van vandaag hebben een sterk identiteitsgevoel, maar Canadezen zijn nog steeds op zoek naar een gezamenlijke identiteit die hun leven wortels en spirituele betekenis kan geven. De nationale identiteit van Canada is een migrantenidentiteit. Mijn islamitische studenten zien de islam als een harde waarde, die voor hen op de eerste plaats staat, Canadees zijn is voor hen een zachte waarde en die komt altijd op de tweede plaats. Voor Iraanse Canadezen of Arabische Canadezen die in Canada zijn opgegroeid is het Iraans of Arabisch zijn veel belangrijker dan Canadees zijn. Je moet een hoop verbeeldingskracht hebben om te zien hoe je trots kunt zijn op het feit dat je Canadees bent – al zijn de meeste Canadezen dat wel –, wanneer je bedenkt dat de oorspronkelijke volken hier de aanspraak op hun land kwijtraakten, werden behandeld als obstakels bij het winnen van de grondstoffen en zodoende werden verdreven, zoals dat in alle Amerika’s is gegaan. Nieuwkomers in dit land van hoop leren weinig over de mensen die hier vroeger hebben geleefd, al hebben de media daar de afgelopen jaren wel meer aandacht aan besteed. Maar discussies over de oorspronkelijke volkeren bieden weinig gelegenheid om afwijkende meningen naar voren te brengen. De Canadezen, die zo-
wel de historische ervaring als de arrogantie van 
de Amerikanen missen, vertonen geen Canadees chauvinisme, maar tegelijkertijd is er ook geen gevoel van ‘Canadeesheid’ in Canada.
    Ik had nooit geloofd dat je om deel uit te maken van Canada, een blanke Canadees moet zijn. En toch heeft mijn eigen ervaring als Iraans filosoof in Canada me geleerd dat Canada grotendeels wordt beheerst door blanke Canadezen. Het zat mij zeer dwars dat meer dan 90 procent van mijn collega’s 
in de faculteit Politieke Wetenschappen aan de University of Toronto blank was. Het is waar dat 
ik het moeilijk vond om Canada mijn thuis te noemen, omdat ‘thuis’ voor mij een persoonlijk gevoel is. Maar ik vond het ook moeilijk dat mijn intellectuele werk onderschat werd omdat ik geen blanke Canadees was of geen lid van een bekende familie in dit land. Ik kwam tot het bittere besef dat onderwijs in Canada niets te maken had met kennis maar dat, ondanks alles wat er gezegd wordt, geld het spel bepaalt.

    Ramin Jahanbegloo
    Bron: Toronto Star, Toronto

    Ramin Jahanbegloo (1956) is een Iraans filosoof. Na zijn studie in Frankrijk verbleef hij tussen 1997 en 2001 in Canada, om vervolgens naar Iran terug te keren. Daar werd hij in 2006 gearresteerd en vier maanden lang gevangengezet. Na zijn vrijlating vertrok hij opnieuw naar Canada. Hij is 
de auteur van verschillende boeken, waaronder Time Will Say Nothing: A Philosopher Survives an Iranian Prison.

    ‘Geit noch schaap’ (Tenzin Nyingjey)

    En nu, hoe nu verder? Die vraag komt bij me op als ik denk aan de strijd om de vrijheid van Tibet. Demonstraties: gebeurd. Oorlog: gevoerd. Onderzoeken: lopen. Vredesonderhandelingen: gevoerd. Oproepen aan buitenlandse democratieën voor steun aan de Tibetaanse zaak: gedaan. Levens: verloren in grote aantallen.
    Alles wat er maar te bedenken valt, is gedaan. Maar de situatie in Tibet wordt alleen maar slechter. Het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Zowel in Tibet als in ballingschap blijft het aantal mensen die geit-noch-schaap zijn [mensen met een verwaterde identiteit] groeien. In ballingschap is mijn passie verdwenen. In Dharamsala [in het noorden van India], hoofdstad der ballingen, is mijn passie verdwenen. Zelfs in het Amerikaanse paradijs is mijn passie verdwenen. Ik heb geen zin om naar het Tibet te gaan dat is ondergesneeuwd door het Chinese imperialisme van de communisten. En ik kan er hoe dan ook niet naar terug.
    Mijn geboorteland is India. Mijn ouders zijn daar vanuit Tibet naartoe gegaan. Het land waar ik nu woon: de Verenigde Staten. Waar ik morgen ben: geen idee. Als ik er goed over nadenk – wat ik soms doe –, dan voel ik me verstoken van levenskracht. Ja, precies: de kern van het verbannen zijn is je zwak voelen. Je machteloos voelen. Ik ben er trots op dat ik heb gesproken met wetenschappers uit de hele wereld, en met ware dan wel vermeende leiders. Maar als zomaar iemand op straat me vraagt ‘waar kom je vandaan?’, dan heb ik daarop geen antwoord. Door die vraag zijn de trots en kracht die ik haal uit het jarenlang bestuderen van de Tibetaanse geschiedenis en cultuur op slag verdwenen.

    Schapen in Tibet. – © Ching Ching Tsui/ Flickr Creative Commons
    Schapen in Tibet. – © Ching Ching Tsui/ Flickr Creative Commons

    ‘Voor de Tibetanen is de hoop een vloek. Voor de Chinezen is het wantrouwen een vloek.’ Als je in ballingschap leeft, kun je niet anders dan je hoop voeden, ook al kan het niet anders of die wordt de bodem ingeslagen. Ik hoop dat de Verenigde Staten gaan werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat India gaat werken aan de opbouw van een onafhankelijk Tibet. Ik hoop dat China uiteen zal vallen. Ik hoop dat China gaat democratiseren.
    In ieder geval kunnen de Tibetaanse leiders niet op dezelfde manier reizen als leiders overal elders ter wereld. Tibetaanse schrijvers, Tibetaanse zakenmensen, de Miss Tibets kunnen niet op voet van gelijkheid opereren met hun collega’s overal elders ter wereld. De Tibetaanse vlag kan niet net zo gehesen worden als de vlaggen overal elders ter wereld. Een willekeurige Tibetaan kan zich niet meten met een willekeurige burger uit een normaal land.
    Ik doe net alsof ik trots en sterk ben, maar soms schaam ik me. Andere keren voel ik me trots als ik bedenk dat wij van de vluchtelingen de sterksten op aarde zijn. Soms schaam ik me dat ik een ontheemde vluchteling ben.
    Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben, omdat ik als vluchteling in deze of gene cultuur ben geïntegreerd. Maar als iemand die geen Tibetaan is me vraagt: ‘Waar kom je vandaan?’, dan lijkt dat allemaal opeens onzinnig.
    En verder troost ik me af en toe met de gedachte dat ik deel uitmaak van het volk van de vleeseters met rood gemaakte gezichten [vaste uitdrukking waarmee de Tibetanen zichzelf omschrijven], dat afstamt van Tibetaanse vorsten. Op andere momenten troost ik me met de gedachte dat ik een coole Tibetaan ben die vredelievend is en afkomstig uit het paradijs voor religie, Tibet. Als me wordt gevraagd of ik haat of wrok koester tegen de Chinese Communistische Partij, dan antwoord ik grootmoedig: ‘Nee, niet echt. Ook dat zijn maar mensen, ze zijn slachtoffer van de drie vergiften [verlangen, afkeer, onwetendheid] van hun negatieve emoties. Die arme mensen, ik heb met ze te doen.’ Maar de Communistische Partij is wel Tibet binnengedrongen en heeft het land geannexeerd, de Partij heeft mensen vermoord en doet dat nog steeds, door de Partij ben ik gedwongen tot omzwervingen in ballingschap. En zo kan ik nog wel even doorgaan. Dus schaam ik me er tegelijkertijd voor dat ik haat noch wrok voel of doe alsof ik die niet voel.

    Soms troost ik me door net te doen alsof ik een wereldburger ben
    Gyangtse, Tibet. – © Dennis Jarvis/ Flickr Creative Commons
    Gyangtse, Tibet. – © Dennis Jarvis/ Flickr Creative Commons

    Kan ik nog iets bijzonders doen? Ik lees boeken, ik kijk wat films, ik reciteer een paar mani’s [Tibetaanse mantra’s], ik bid, ik loop rondes 
om de tempel [kora, een boeddhistisch ritueel]. Ik heb het aan de stok met de voorstanders van de gulden middenweg [pleitbezorgers van echte autonomie voor Tibet, zoals de dalai lama die voorstaat] en met de voorvechters van onafhankelijkheid. Ik doe mijn best om het zo 
gewilde Amerika te bereiken. Ik ga een beetje demonstreren, een beetje in hongerstaking. Ik drink wat biertjes. Ik probeer wat meisjes te versieren. Ik geef wat feestjes. Ik dans als een westerling. Ik drijf wat handel. Ik schrijf wat korte teksten en gedichten. Ik neem deel aan 
discussies. Ik dobbel. Kortom, ik vermaak me. Zo gaat een alledaags leven voorbij.
    Maar het aantal Chinezen in Tibet zelf blijft groeien. Het aantal Tibetanen in ballingschap blijft groeien. Ik heb geld, eten, drinken en kleren zo veel ik wil. Ik spreek Tibetaans, Engels, Hindi, Chinees, Duits en nog meer talen. Maar ik ben vlees noch vis. Geit noch schaap. Tibetaan noch Chinees. Ik ben noch boven noch beneden. Noch hier noch daar. Ik ben in een soort eeuwig bardo [in het Tibetaans boeddhisme een tussenstaat] beland.

    Tenzin Nyingjey
    Bron: Tibet Times, Dharamsala

    Tenzin Nyingjey woont in ballingschap in de Indiase stad Dharamsala. Hij werd geboren in 1978, vlak voordat Deng Xiaoping de beroemde woorden sprak: ‘Alles is bespreekbaar in Tibet, behalve onafhankelijkheid.’ Het was na deze uitspraak, zegt hij, ‘dat wij onze strijd voor de vrijheid begonnen op te geven en het gevoel kregen dat we tot een verloren generatie behoorden’.

    Vergeef ons, Simonne (Abdou Semmar )

    Marie-Simonne,
    Je ontvluchtte je land, Kameroen, in de hoop in Algerije veiligheid, vrede, een toevluchtsoord en het einde van al je misère te vinden. Simonne, je koos ervoor om in mijn land te gaan wonen, omdat je ongetwijfeld had gehoord dat de bewoners zo gul zijn, dat de bevolking heldhaftig is en zich talloze opofferingen heeft getroost om zich van het koloniale juk te bevrijden. Je had al lang bewondering voor dit land dat leiders van alle Afrikaanse onafhankelijkheidsbewegingen van de jaren zestig en zeventig met open armen ontving.
    Simonne, ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is, dat bekendstaat om zijn olie, maar ook om zijn waarden. Een islamitische samenleving die gastvrijheid tot hoogste waarde heeft verheven. Een eeuwenoude samenleving vol verscheidenheid die openstaat voor vreemdelingen.
    Maar toen je eenmaal in Algerije was, ontdekte je dat het land absoluut niets te maken had met het land waarover je had gehoord en gelezen. In Oran, waar je was gaan wonen om er samen met je man een nieuw leven op te bouwen, bleken de mensen racistisch, vol vreemdelingenhaat en allergisch voor buitenlanders, vooral voor zwarte mensen, zoals je hebt ervaren.
    Vanaf het begin dat je in ons land was ben je beledigd, lastiggevallen en veracht, tot op die donderdag 
1 oktober om elf uur ’s avonds, toen zeven seksueel gefrustreerde mannen, ten prooi aan hun lage driften, je achter het parkeerterrein in een populaire wijk van Oran hebben ontvoerd, afgerost en om beurten verkracht. Geen van die ‘heldhaftige’ Algerijnen, zoals ze in de geschiedenisboeken worden omschreven, nam de moeite om je uit de klauwen van die vuile beesten te redden.
    In het ziekenhuis weigerden ze je te behandelen. Op het politiebureau hadden ze geen zin om in je aangifte op te nemen. Waarom? Omdat je zwart bent, en christen. Dit is niet het Algerije waar jij van droomde. Het zijn niet deze racistische, gewelddadige, criminele Algerijen over wie je zo veel had gehoord.

    Ze hadden je verteld dat Algerije een mooi land is
    Door vluchtelingen achtergelaten binnenbanden drijven vlak bij de kust van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH
    Door vluchtelingen achtergelaten binnenbanden drijven vlak bij de kust van Skala Sikaminias, Lesbos. © Santi Palacios / HH

    Ik schrijf je om te vragen of je ons wilt vergeven. Vergeef ons, Simonne. Vergeef ons omdat wij Algerijnen, de mannen en vrouwen die geloven in de broederschap tussen alle volkeren ter wereld, die geloven in tolerantie, in wederzijds respect en in het opkomen voor de rechten van buitenlanders, boos zijn en geschokt, geschrokken en diep getroffen door al het vreselijks dat een deel van onze samenleving jou heeft aangedaan.
    Vergeef ons dat we er die avond niet waren om je 
te redden. Vergeef ons dat we er niet waren om de gendarme terecht te wijzen die jouw aangifte weigerde omdat je geen moslima was. Vergeef ons de onverschilligheid, intolerantie en het racisme, die helemaal niets te maken hebben met ons karakter. Ons ware karakter. Niet dat wat je ziet bij die gestoorde jongeren die over onze straten zwerven, overgeleverd aan hun frustraties en slachtoffer van die collectieve neurose veroorzaakt door het totale failliet van ons sociale en politieke systeem.
    Vergeef ons dat we niets wisten van jouw hoop. Van jouw verwachtingen en dromen. Vergeef ons dat alles, Simonne. We beloven je dat we alles zullen doen om te zorgen dat er nooit meer een nieuwe ‘Simonne’ zal komen die verkracht, geslagen en gemarteld wordt, enkel en alleen om dat ze een vrouw, een zwart iemand en een christen is.

    Abdou Semmar
    Bron: Algérie-Focus, Algiers

    Abdou Semmar is hoofdredacteur van de website Algérie-Focus, een van de belangrijkste nieuwsmedia in Algerije. Hij zet zich in voor de vrijheid van meningsuiting in zijn land, en schrijft over maatschappelijke kwesties die 
zijn landgenoten bezighouden.