Tag: mensenrechten

  • Januarinummer | Rebel Rebel

    Januarinummer | Rebel Rebel

    » Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Gelijke rechten hebben is iets anders dan gelijk zijn

    » Je schulden aflossen door aan het klimaat bij te dragen, het kan

    » China’s wrede internetverslavingsklinieken

    Redactioneel

    Anders

    Behalve het recht om vergeten te worden, waarover wij in een eerdere editie al eens een artikel publiceerden (april 2022), bestaat er ook zoiets als het recht om anders te zijn. Birgit Schmid legt het haarfijn uit in de Neue Zürcher Zeitung: gelijke rechten betekent niet dat we allemaal gelijk moeten zijn. Want, zoals ze onder andere duidelijk maakt aan de hand van een zelfverklaarde inclusieve dj die álle muziek goed vindt, wordt het dan ‘ongelofelijk saai’. Ze spreekt van een doorgeslagen individualiteit die nivelleert in plaats van erkent, en waarvan de eisen soms wat overgevoelig en misschien zelfs, voeg ik eraan toe, verwend aan kunnen doen.

    Ook in ons dossier in samenwerking met Amnesty International wordt gestreden voor gelijke rechten, maar dan meer fundamentele, zoals vrijheid van meningsuiting, het recht om te demonstreren. De discussie in Paraguay gaat niet over of een transvrouw met baard en een lage stem het vrouwenzwembad in mag, maar of het gender van transpersonen überhaupt moet worden erkend. Shahnewaz Chowdhury uitte zijn zorgen over de bouw van een nieuwe kolencentrale in zijn dorp op Facebook en werd vanwege deze post gearresteerd; hij is in afwachting van zijn vonnis. Mensenrechtenadvocaat Chow Hang-tung moedigde op social media aan om de repressie op het Tiananmenplein te herdenken door middel van het aansteken van kaarsjes. Ze zit nu een straf van 22 maanden uit. En Aleksandra Skotsjilenko plakte in Sint-Petersburg stickers op producten in de supermarkt met informatie over de oorlog in Rusland. Na elf dagen werd ze gearresteerd, nu wacht ze onder erbarmelijke omstandigheden haar vonnis af en riskeert ze tien jaar gevangenisstraf.

    Reken niet op geïdealiseerde ‘goede Russen’, nu niet en later ook niet

    Over de repressie in Rusland schrijft Anne Applebaum krachtig en informatief, zoals we van haar gewend zijn. Van de drie kampen die zich rondom de oorlog in Oekraïne hebben gevormd, uiteengezet door de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev, bevindt zij zich duidelijk in het derde: degenen die vinden dat het Russische imperium moet sterven. Reken niet op geïdealiseerde ‘goede Russen’ – er komt geen redder die het land gaat repareren, nu niet en later ook niet, aldus Applebaum. Nederlaag is de enige weg naar moderniteit, militair falen is noodzakelijk voor het ontstaan van een welvarender, open samenleving.

    Over het einde van deze oorlog zullen we in 2023 hopelijk wijzer worden. Ook hopen we dat de eisen van Amnesty International, vermeld bij de zeven portretten, zo snel mogelijk worden ingewilligd. U wensen we een mooi en breed geïnformeerd nieuwjaar toe.

    Laura Weeda

    weeda@360international.nl

    Schermafbeelding 2023 01 04 om 11.46.20
  • Taliban sluit universiteiten voor vrouwen

    Taliban sluit universiteiten voor vrouwen

    » Opheffing coronamaatregelen China kan tot ramp leiden

    » Duitse vrouw van 97 veroordeeld voor rol in WOII

    Middelbaar onderwijs was eerder al verboden voor vrouwen

    Alle vrouwen in Afghanistan worden per direct uitgesloten van het volgen van hoger onderwijs. De Taliban heeft dat volgens de BBC dinsdag aangekondigd middels een brief. Al eerder waren vrouwen uitgesloten van het volgen van middelbaar onderwijs.

    Het verbod geldt als een nieuwe stap van het strenge regime om de vrjiheden van vrouwen te beperken. Universitair onderwijs was al beperkt voor vrouwen: zo mochten zij geen diergeneeskunde, techniek, economie en landbouw studeren. Ook moesten zij hun lessen volgen in gescheiden klaslokalen en waren de ingangen van de campussen van universiteiten gescheiden. Hun lessen mochten zij alleen krijgen van vrouwelijke professoren of oudere mannen.

    Ondanks al deze beperkingen bleven duizenden meisjes en vrouwen proberen toegang tote en universitaire studie te krijgen: drie maanden geleden deden vrouwen in heel Afghanistan toelatingsexamens voor de universiteit. Sinds de machtsovername door de Taliban vorig jaar zijn veel academici en universitaire professoren uit het land vertrokken.

    Lees ook:

  • Onderzoek naar Qatar van Indian Express: Denk aan deze mannen, als je last hebt van WK-koorts

    Onderzoek naar Qatar van Indian Express: Denk aan deze mannen, als je last hebt van WK-koorts

    The Indian Express ontmoette negen families van arbeiders die stierven op de bouwplaatsen van het WK. Allemaal hekelen ze de ontkenning van de Qatarese autoriteiten en het gebrek aan financiële compensatie voor deze arbeidsongevallen.

    Toen op 20 november het wereldkampioenschap voetbal begon, waren alle ogen gericht op het schitterende Al Bayt-stadion in Doha met zijn zestigduizend zitplaatsen – een architectonisch hoogstandje in de vorm van een nomadentent, dat een eerbetoon is aan het verleden en de toekomst van Qatar.

    Maar in zijn schaduw leven de verhalen van migranten uit India die naar de Golfstaat trokken om van deze onwaarschijnlijke plek in de woestijn een mondiaal voetbalknooppunt te maken. Ze keerden terug naar hun families in dorpen van Bihar tot Punjab en Telangana – in doodskisten.

    Gedurende acht maanden onderzocht The Indian Express officiële documenten en nam de krant interviews af met arbeidsbemiddelaars, met activisten voor migrantenwelzijn en met lokale ambtenaren in het hele land. Ook diende The Indian Express WOB-verzoeken in om de families op te sporen van migranten die in Qatar stierven terwijl ze werkten aan projecten of een baan hadden die gerelateerd was aan het WK.

    Het nieuws over het overlijden bereikte hen via vrienden of collega’s van de werknemers in Qatar

    De krant sprak met de families van negen van hen, ontmoette sommige daarvan thuis en concludeert dat ze worstelen om de brokstukken van hun gebroken leven op te rapen, vechtend tegen de toenemende financiële nood. Ze krijgen daarbij geen enkele steun. En allemaal uiten ze dezelfde grieven: schadevergoeding ontbreekt en ze lopen op tegen een muur van ontkenning door de werkgevers.

    In zeven van deze gezinnen waren de omgekomen werknemers de enige kostwinners. De meesten van hen waren mannen in de werkende leeftijd en ze stierven voornamelijk door ‘een natuurlijke oorzaak’. Drie van de negen werknemers waren jonger dan dertig jaar, een was pas tweeëntwintig jaar oud, en vijf anderen waren jonger dan vijftig. In meer dan de helft van de gevallen, zeggen de families, was er geen medische voorgeschiedenis. Het nieuws over het overlijden bereikte hen via vrienden of collega’s van de werknemers in Qatar.

    ‘De werkgever heeft ons niet ingelicht over de dood van mijn man. Ik hoorde het voor het eerst van een vriend in ons dorp die op de hoogte was gesteld door een kennis in Qatar,’ zegt Savita Kumar. Haar man Akhilesh (22), een loodgieter uit Sallahpur in Siwan in Bihar, was vorig jaar bezig een ondergrondse leiding aan te leggen in de buurt van een WK-stadion net buiten Doha, toen de put waarin hij werkte instortte.

    Akhilesh was een van de twee Indiase arbeiders die bij dat incident om het leven kwamen. De andere was de tweeëndertigjarige Jagan Surukanti uit Mallapur in Telangana. ‘Ik weet alleen dat mijn zoon er volledig fit heen ging,’ zegt Jagans vader Rajareddy, 59, terwijl hij zijn tranen bedwingt. ‘En hij kwam terug in een kist.’

    The Indian Express spoorde acht van de negen betrokken werkgevers op om te vragen naar hun normen voor compensatie en steun voor de getroffen families. Zeven van hen reageerden niet; een bleek niet bereikbaar te zijn per e-mail of telefoon.

    The Indian Express nam contact op met het Supreme Committee for Delivery and Legacy, de Qatarese organisatie die officieel verantwoordelijk is voor de uitvoering van het WK. Dat erkende slechts een totaal van ‘drie sterfgevallen als gevolg van arbeidsongevallen en zevenendertig sterfgevallen buiten het professionele kader’ onder werknemers uit de hele wereld, die werkten aan projecten die verband hielden met het toernooi.

    ‘Hartstilstand’

    In antwoord op een WOB-vraag van The Indian Express over het aantal dodelijke slachtoffers onder Indiase werknemers bij WK-projecten sinds Qatar de rechten kreeg om het toernooi te organiseren, in 2010, zei de Indiase ambassade in Doha in mei 2022: ‘Daarover is geen informatie beschikbaar bij de ambassade van India in Doha.’

    De ambassade reageerde niet op een door The Indian Express gemailde vragenlijst die betrekking heeft op de negen werknemers. De FIFA, de wereldvoetbalbond, reageerde niet op vragen van The Indian Express om commentaar op de dood van Indiërs die aan WK-projecten in Qatar werkten. In mei citeerde Associated Press Gianni Infantino, de voorzitter van de FIFA, die zei dat er slechts drie mensen zijn gestorven op de bouwplaatsen van het WK.

    Uit gegevens van Lok Sabha – het Lagerhuis van India – blijkt dat alleen al in de laatste drie jaar, van 2020 tot juli 2022, 72.114 werknemers uit India in Qatar terecht zijn gekomen. Volgens het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn van 2011 tot mei 2022 3313 Indiase burgers in Qatar om het leven gekomen.

    Op de vraag of de sterfgevallen van Indiase arbeiders in deze periode in Qatar in verband kunnen worden gebracht met het WK, zegt welzijnswerker voor migranten Bheem Reddy Mandha, voorzitter van Emigrants Welfare Forum en lid van het Migrant Forum in Asia: ‘Natuurlijk. Want het WK is het grote ding. Alles heeft ermee te maken. Voor vertrek naar Qatar is men gezond. Na vertrek sterven er mensen, ook onder de veertig, velen door een hartstilstand. Het is een ernstige kwestie.’ 

    In de families van de arbeiders gaan de verhalen rond: er is het onafgemaakte huis van Ramesh Kalladi, een negenenveertigjarige arbeider, wiens familie zich nu in de schulden en de ellende bevindt; of het lot van de vijfentwintigjarige Padam Shekar, wiens eerste baan als bezorger voor een WK-sponsor ook zijn laatste bleek te zijn.

    ‘We kregen twee maanden achterstallig loon. Maar geen compensatie,’ zegt Ashique (24), wiens vader Abdul Majid (56) in juli 2020 overleed. Majid, uit Dharpally in Telangana, was een vrachtwagenchauffeur die door Trey Trading Company in Doha in dienst was genomen om arbeiders naar werklocaties te brengen.

    ‘Ijskoud zeiden ze dat mijn man was overleden na een hartstilstand en dat ze het lichaam binnen een week zouden vervoeren. Ze stuurden alleen het verschuldigde salaris, ongeveer 24.000 roepies [nog geen 300 euro]. Er was geen sprake van een vergoeding,’ aldus Latha Bollapally uit het dorp Mendora in Telangana, wiens man Madhu op 17 november 2021 bezweek aan een ‘hartstilstand’. 

    ‘Er zijn geen studies, noch door de regering die kunnen verklaren waarom zoveel sterfgevallen het gevolg zijn van een hartstilstand of andere natuurlijke oorzaken’

    Volgens een rapport van Human Rights Watch zijn de arbeidswetten van Qatar zodanig dat bedrijven alleen compensatie aan families moeten betalen als het overlijden plaatsvindt op een werkplek of direct verband houdt met het werk. Dit maakt het voor families moeilijk om een legitieme claim in te dienen.

    Swadesh Parkipandla, voorzitter van de Pravasi Mitra Labour Union, zegt: ‘In gevallen die als een natuurlijke dood worden aangemerkt, wordt geen autopsie verricht. Er zijn geen studies, noch door de regering, noch door onafhankelijke groepen, die kunnen verklaren waarom zoveel sterfgevallen het gevolg zijn van een hartstilstand of andere natuurlijke oorzaken.’

    Een zo’n geval staat vermeld in een officieel rapport van het Qatarese Supreme Committee. Op 27 april 2016 rond half tien ’s morgens bevond staalarbeider Jaleshwar Prasad zich in de spelerstunnel van het Al Bayt Stadion toen hij in elkaar zakte. Twee uur later werd hij doodverklaard. Volgens het rapport van het Supreme Committee overleed Prasad aan ‘hartstilstand door ernstige ademhalingsmoeilijkheden’.

    Maar niets geeft het drama beter weer dan de reis van Ramesh Kalladi uit Velmal in Telangana, wiens onafgemaakte huis een gruwelijke herinnering is aan de menselijke tol die wordt betaald voor wat door de organisatoren in Qatar is omschreven als ‘een FIFA World Cup als geen ander’.

    Op 10 augustus 2016, zes dagen voor zijn vijftigste verjaardag, keerde de truckchauffeur na het werk terug naar zijn kamp in de industriële zone Sanaya van Doha, toen hij plotseling in elkaar zakte en overleed. De volksgezondheidsdienst van Qatar noemde het een natuurlijke dood – een bewering die zijn familie betwist.

    In 2010, het jaar waarin Qatar de WK-rechten verwierf, sloot Kalladi een lening af om daar te kunnen werken voor 1300 Qatarese riyal per maand, circa 360 euro tegen de huidige wisselkoers. In het kamp kreeg hij een ‘piepklein kamertje met vijf andere mannen’, vertelt zijn zoon Sravan. ‘Er werden stadions gebouwd en er werden wegen omheen aangelegd,’ aldus Sravan, die zich in 2015 bij zijn vader in Qatar voegde. ‘Mijn vader legde een van die wegen aan die naar het stadion leiden.’

    Na werkzaamheden in het stof en in extreem hoge temperaturen, oplopend tot 50 graden Celsius, begon de gezondheid van Kalladi te verslechteren. Dat leidde tot zijn dood, aldus Sravan. Het enige dat zij van zijn werkgevers, Boom Construction Company, ontvingen, aldus de familie, was het maandsalaris dat hem toekwam. ‘We hebben geen enkele compensatie van hen ontvangen,’ zegt Sravan.

    Lees ook:

  • Belarussische oppositieleider op intensive care

    Belarussische oppositieleider op intensive care

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Qatar: 400 tot 500 mensen omgekomen bij bouw stadions

    » Militieleider schuldig bevonden in Capitool-proces

    Wat er met Maria Kolesnikova aan de hand is, is onduidelijk

    De bekende Belarussische oppositieleider Maria Kolesnikova is maandag opgenomen op de intensive care, meldt BBC. Volgens andere oppositieleden die het autoritaire regime in het land ontvlucht zijn, is er veel onduidelijk aan wat er met Kolesnikova aan de hand is. Ze zat sinds vorig jaar in een isolatiecel vanwege haar politieke verzet tegen de Belarussische dictator Loekasjenko.

    Kolesnikova werd in september 2020 vastgezet nadat ze had geweigerd het land te verlaten. Ze werd vervolgens veroordeeld tot 11 jaar cel omdat ze een belangrijke rol had gespeeld in de hevige protesten tegen Loekasjenko eerder dat jaar. Andere oppositieleden en medestanders van Kolesnikova werden ook opgepakt in nasleep van die protesten.

    Een van de oppositieleiders die het land wel ontvluchtte, is Svetlana Tichanovskaja, die uitweek naar Litouwen. Zij zegt dat ook de advocaat van Kolesnikova geen toegang krijgt tot de veertigjarige politica en dat de situatie zeer verontrustend is.

    Lees ook:

  • Qatar: 400 tot 500 mensen omgekomen bij bouw stadions

    Qatar: 400 tot 500 mensen omgekomen bij bouw stadions

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Belarussische oppositieleider op intensive care

    » Militieleider schuldig bevonden in Capitool-proces

    Eerder zei het land nog dat er drie migranten waren omgekomen

    Volgens Hassan Al-Thawadi, verantwoordelijk voor de organisatie van het WK in Qatar, zijn er bij de bouw van stadions en andere infrastructuur voor het toernooi tussen de 400 en 500 arbeidsmigranten om het leven gekomen, schrijft CNN. De inschatting van Al-Thawadi is opvallend, omdat zowel Qatar als de FIFA in eerste instantie spraken van drie doden bij de voorbereiding van het toernooi.

    In een interview met Piers Morgan op TalkTV werd uitgezonden zei Al-Thawadi: ‘Ik heb het exacte aantal niet, dat is iets wat besproken is. Eén dode is te veel, zo simpel is het.’ Desondanks ligt de schatting van de Qatarese functionaris nog fors lager dan de 6500 arbeidsmigranten die volgens onderzoek van The Guardian zijn overleden.

    Vanwege mensenrechtenschendingen rondom de voorbereiding op het WK wordt het toernooi in Qatar gezien als zeer controversieel. Arbeidsmigranten uit landen als Bangladesh en Pakistan moesten bij aankomst hun paspoort inleveren, lange werkdagen in de brandende hitte draaien en kregen niet altijd hun salaris uitgekeerd. Daarnaast overnachtten ze op mensonterende plekken en kregen ze slecht te eten.

    Lees ook:

  • Iraanse autoriteiten gaan duizend betogers openbaar berechten

    Iraanse autoriteiten gaan duizend betogers openbaar berechten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Bolsonaro zwijgt na overwinning Lula

    » Israël: Netanyahu maakt zich op voor politieke comeback

    Duizend mensen moeten zich verantwoorden voor de rechter

    In een nieuwe poging om de grootscheepse protesten in Iran de kop in te drukken, willen autoriteiten betrokken betogers in het openbaar gaan berechten. Volgens Associated Press willen de Iraanse autoriteiten in de hoofdstad Teheran duizend mensen laten voorkomen in een publiek tribunaal om daarmee verdere demonstraties af te schrikken.

    Sommige aangeklaagde betogers worden beschuldigd van corruptie of ‘oorlog tegen God’, overtredingen waarop in Iran de doodstraf staat. De Iraanse staat beweert dat iedereen een eerlijk proces krijgt, ondanks dat de protesten in Iran de afgelopen weken met geweld zijn onderdrukt door ordetroepen.

    Tot dusver zijn zeker 270 mensen omgekomen bij de protesten in Iran en zeker 14.000 mensen opgepakt. De demonstraties in Iran begonnen in september, nadat de 22-jarige Mahsa Amini werd opgepakt door de moraalpolitie in het land omdat ze haar hijab niet juist had gedragen. Ze overleed later aan de verwondingen die ze bij haar arrestatie had opgelopen. In het hele land gingen mensen de straat op om te protesteren tegen het conservatieve regime.

    Lees ook:

  • In Guerrero zijn 5565 mensen vermist. Zo wordt hun herinnering in leven gehouden

    In Guerrero zijn 5565 mensen vermist. Zo wordt hun herinnering in leven gehouden

    Familieleden van slachtoffers van verdwijning in de Mexicaanse staat Guerrero doen er alles aan om hun vermiste dierbaren te eren en hun verhaal te vertellen. ‘Door over hun vermiste kinderen te vertellen wordt hun pijn omgezet in actie.’

    Het was op een zaterdag. Emma Mora was samen met haar collega Sergio Cevallos onderweg. Ze reden langs de kustweg van Chilpancingo langs de Avenida Costera Miguel Alemán, een drukke verkeersroute richting de toeristische stranden van Acapulco. Die dag waren er geen met zonnebrandcrème ingezeepte toeristen te bekennen. De gebruikelijke horde met bierflessen gewapende toeristen was afwezig. De wind en de striemende regen van orkaan Agatha had de stranden met woest schuimende golven leeggeveegd. Terwijl Emma haar blik over de verlaten kust liet gaan, zag ze het. ’Sergio,’ riep ze uit, ’kijk daar! De verf komt eraf!’

    Verantwoording

    Dit artikel kwam tot stand naar aanleiding van een rapport dat is opgesteld door IDHEAS in samenwerking met de onafhankelijke journalist Roberto González. Het project is mogelijk gemaakt door financiering van de Europese Unie.

    IDHEAS is een Mexicaanse ngo die zich inzet voor mensenrechten en slachtoffers van mensenrechtenschendingen juridische bijstand verleend. Daarnaast probeert IDHEAS aandacht te vragen voor de grote schaal waarop mensenrechtenschendingen plaatsvinden in Mexico.

    Emma en Sergio bleven ademloos toekijken hoe de regen langzaam maar zeker tweeënvijftig gezichten tevoorschijn spoelde. Het witte kalkkrijt bleek niet opgewassen tegen de orkaan en spierwit regenwater sijpelde van de muur naar het zand, zo de zee in. Eerst waren de gezichten nog vaag, alsof ze schuilgingen achter een witte vitrage. Vervolgens verschenen ze één voor één, helder en scherp, totdat ze alle tweeënvijftig het daglicht zagen.

    Die dag bracht orkaan Agatha die tweeënvijftig gezichten opnieuw aan het licht. Het uitwissen was zeven maanden daarvoor gebeurd. De gezichten vormen samen de muurschildering El mural del la esperanza (de muurschildering van hoop) en kwam tot stand op initiatief van het zogenaamde collectief Familias de Acapulco en Busca de sus Desaparecidos (Families van Acapulco op zoek naar hun verdwenen familieleden). Kort nadat de muurschildering was onthuld, hadden onbekenden de tweeënvijftig geschilderde gezichten van familieleden witgekalkt. Emma Mora, woordvoerster van de vereniging van familieleden, verduidelijkt dat de muurschildering echt niet alle slachtoffers afbeeldt: ‘De muurschildering toont tweeënvijftig gezichten, terwijl er alleen al in Acapulco bijna driehonderd mensen zijn verdwenen.’

    Heroïsch verhaal

    De zondag die volgde werd Emma bedolven onder felicitaties en berichten met foto’s van de schoongespoelde gezichten die opnieuw waren verschenen. Emma voelde zich even onderdeel van een heroïsch verhaal, waar het kwaad de strijd verliest van grillige en onstuitbare kracht: verslagen door de hand van een orkaan.

    ’Maar al op maandag waren ze weer weggewist,’ zegt Emma, ‘diezelfde avond zagen we dat iemand de moeite had genomen om opnieuw een laag wit krijt over de gezichten te smeren.’

    Mural
    De muurschildering wordt overgeschilderd door onbekenden. – © IDHEAS

    De eerste keer kalklaag dateert uit december 2021, zegt Emma. Die actie kwam krap twee maanden nadat El mural de la esperanza, op de achtermuur van het restaurant Los Anafres, gelegen aan de populaire toeristische boulevard van de kust, was voltooid. Deze locatie was bewust gekozen: het is een plek waar veel lokale en internationale bezoekers komen.

    Dat mensen verdwijnen is in Mexico een zich voortdurend herhalend nieuwsbericht

    Het was niet eens zozeer de bedoeling van de vereniging van familieleden om de plaatselijke voorbijgangers te alarmeren. De nabestaanden van verdwenen familieleden in Guerrero zijn er al lang aan gewend dat ze zichzelf moeten beschermen en dat er altijd voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen als zij aandacht vragen voor hun verdwenen geliefden. Dat mensen verdwijnen is in Mexico een zich voortdurend herhalend nieuwsbericht. Familieleden die zich inzetten om de waarheid te achterhalen, zijn eraan gewend dat zij niet ’s nachts op pad moeten gaan, dat zij hun geld nooit op één plek moeten bewaren en ze weten dat zij doelwit kunnen zijn tijdens wegblokkades. De leden van het collectief weten ook dat zodra een slachtoffer verdwijnt, het niet onmogelijk is dat ze ergen anders in het uitgestrekte land weer opduiken. Jarenlange ervaring heeft hen geleerd dat degenen die verdwijnen uit Guerrero net zo gemakkelijk gevonden kunnen worden aan de andere kant van het land, in Morelos of Veracruz, als in een clandestien graf of in een gevangenis.

    Met de grote muurschildering wilde de vereniging van familieleden in Guerrero de aandacht vestigen op de wijdverbreide aard van het probleem. ’We wilden dat de gezichten van onze verdwenen dierbaren openbaar zouden zijn. Om ze zichtbaar te maken voor toeristen, zodat die ons zouden kunnen waarschuwen als ze één van de vermisten in een andere staat zouden zien. We willen iedereen bereiken die ons kan zeggen of onze dierbaren in andere delen van het land of zelfs in andere landen zijn gezien,’ legt Emma Mora uit. Voor Emma is de muurschildering een nieuwe poging om de niet-aflatende zoektocht voort te zetten. ‘Het is geen passieve herdenkingsoefening,’ zegt ze. ‘Het is de bevestiging van de vernedering en de pijn van een open wond.’ Voor de achterblijvers is het herinneren niet iets statisch, zegt Emma, het is een proces. De moeders van de verdwenen mensen van Guerrero weigeren net zoals degenen die verdwenen om met krijt te worden weggekalkt en te worden vergeten, zegt ze. ’Niet vergeven, niet vergeten!’ is de leus van de leden van de vereniging. Het is een taak die nooit klaar is: ze delen hun gezamenlijke inspanningen, hun zoektocht, hun protesten en ook hun herinneringen. 

    MUral2
    © IDHEAS

    Collectief geheugen

    De Iers-Nederlandse expert op het gebied van collectieve herinnering Ann Rigney (Universiteit Utrecht) vergelijkt de constructie van een collectief geheugen met zwemmen: ‘om te blijven drijven, moet een lichaam ook in beweging blijven’. Het is construeren van een collectief geheugen is volgens haar per definitie een handeling met een open einde, aangezien het op verschillende plaatsen moet gebeuren en er door de tijd heen herhaalde herdenkingsacties moeten zijn. Dat kan van alles zijn: een schilderij, een monument of een mars. Samen herinneren impliceert volgens Rigney bezig zijn met constante vernieuwing. Achterblijvers houden nooit op met over de verdwenen mensen te praten en vertellen hun verhalen keer op keer. ‘Ze ontlasten zichzelf door te vertellen hoe ze waren, hoe hun leven was vóór hun verdwijning en over hoe ze zichzelf voelen. Ze kunnen er onderling wel duizend keer over praten. Door onvermoeibaar te blijven vertellen, construeren ze een verhaal dat echt van hen is,’ zegt Rigney. ’Het is een mondelinge geschiedenis die hardop wordt geschreeuwd, wordt verteld en opnieuw verteld, omdat hun pijn altijd het risico loopt stil te worden gehouden.’ Zo ontstaat volgens haar een collectieve culturele herinnering. Eén waarheid die tegelijkertijd uit vele waarheden bestaat. ’Collectieve herinneringen dragen een transformerend potentieel in zich, tegen de pijn die in het dagelijks leven wordt beleefd,’ aldus Rigney.

    Op 10 oktober 2021 plaatste schilder Alexis Godínez zijn laatste penseelstreek. Vlak voordat de jaarlijkse kerstgolf van toeristen de stranden van Acapulco zou overspoelen was de muurschildering klaar. Emma Mora en haar collega’s zagen hun plan werkelijkheid worden. Sinds de oprichting van het collectief in 2016 werkten ze naar dit moment toe. ‘Onze situatie is vergelijkbaar met die in Colombia,’ zegt Emma Mora. ‘Ook daar maakten verenigingen van achtergeblevenen muurschilderingen, maar dan met de afbeeldingen van gezichten van militaire functionarissen. Die muurschilderingen suggereerden hun betrokkenheid en wierpen de vraag op: “Wie gaf hiervoor het bevel?”’

    Het werk van lokale gemeenschappen en collectieven is van onschatbare waarde om de natie te confronteren met waarheden die ze niet langer kunnen negeren

    De Mexicaanse mensenrechtenorganisatie IDHEAS legde contact met de Waarheidscommissie die de mensenrechtenschendingen onderzoekt die tijdens het gewapende conflict in Colombia plaatsvonden. In Colombia gebeurde hetzelfde, legt Yolvi Lena Padilla van die Waarheidscommissie uit: ‘ook hier werden dergelijke muurschilderingen uitgewist’. Geconfronteerd met een regering die de slachtoffers het zwijgen oplegt, constateert Yolvi Lena dat het werk van lokale gemeenschappen en collectieven van onschatbare waarde is om de natie te confronteren met waarheden die ze niet langer kunnen negeren. ’Als voor het onthullen van de waarheid, of een halve waarheid, of het verzwijgen van de waarheid de staat niet langer de enige bron is, dan pas worden de dingen onthuld zoals ze werkelijk zijn,’ zegt Yolvi Lena. Volgens haar is het openbaar maken van de waarheid van slachtoffers van onschatbaar belang. Desondanks blijft de traagheid en de neiging van de staat om te blijven ontkennen bestaan. Het handelen van de staat levert herhaaldelijk vormen van hervictimisatie op, waardoor slachtoffers in wezen opnieuw tot slachtoffer worden gemaakt. De wortels van dergelijke vormen van herhaald slachtofferschap liggen regelmatig in de manier waarop justitiële instituties handelen.

    Dat overkwam ook Cleotilde Juárez Adame – in Guerrero bekend als Doña Coti. Toen zij de verdwijning van haar zoon, Julio Alberto Salgado Juárez, aan de kaak stelde, was het de eerste impuls van de autoriteiten om de ernst van de situatie te bagateliseren. ’Men beweerde dat mijn zoon het aan zichzelf te danken had omdat hij foute vrienden had, te veel uitging en daardoor in moeilijkheden zou zijn geraakt. Ik antwoordde dat mijn zoon, nooit uitging, niet rookte of dronk. Hij werd nooit betrapt op welke misstap dan ook.’

    Een muurschildering overschilderen of beweren dat iemand zijn verdwijning te danken heeft aan zelfverkozen slecht gezelschap zijn indicatoren van de manieren waarop de staat het grotere verhaal naar de eigen hand wil zetten. Onderdeel van de staatsreacties is twijfel zaaien over de verhalen van slachtoffers en hun verhalen in diskrediet brengen. Onderzoekster Simona Mitroiu, gepromoveerd in de sociale wetenschappen, ziet deze houding als onderdeel van politieke macht. ’Inherent aan politieke macht is de noodzaak om het verleden opnieuw vorm te geven en gebeurtenissen opnieuw te interpreteren. Daarbij bezwijken controversiële materiële objecten – zoals gebouwen, standbeelden, plekken – en zelfs de herinneringen van burgers aan vernietiging en uitwissing.’

    ‘We moeten in actie blijven om het collectieve geheugen aan al deze verdwijningen in leven te houden’

    Het tot stand komen van een collectief geheugen is geen direct gevolg van de verdwijningen, maar het ontstaat wel vanaf het allereerste moment dat de staat slachtoffers het recht ontzegt op de waarheid. Het collectieve geheugen voedt zich met de details die door de autoriteiten worden achtergehouden en door degenen die er niet naar willen luisteren. Hartverscheurende verhalen worden verteld. Onbeantwoorde vragen blijven. De tweeënvijftig geschilderde gezichten vertegenwoordigen zij die weigeren te worden verborgen, en die voortleven in de hoofden van degenen die onophoudelijk naar hen blijven vragen en hun verhaal keer op keer doorgeven.

    Las Familias de Acapulco en Busca de sus Desaparecidos hebben besloten om hun werk aan El mural de la esperanza voorlopig stop te zetten. Toch is er volgens Emma Mora geen gebrek aan plannen voor de toekomst. Onlangs werd ze benaderd door iemand die een plek aanbood om een nieuwe muurschildering op te tuigen. Dat gaan ze doen en deze keer verwacht Emma dat er nog veel meer gezichten op zullen passen. In december 2021 stelde de burgemeester van de stad Acapulco, Brenda Hernández Marino, aan de gemeenteraad voor om een antimonument op te richten voor degenen die vermist worden uit de gemeente. En inmiddels herbergt het lokale Papagayo-park El Arbol del recuerdo y la memoria (een herinneringsboom). Dit is een voorbeeld van een plek die de families van de verdwenen personen zich openlijk hebben toegeëigend.

    Herinneringsboom
    De herinneringsboom in het Papagayopark in Acapulco. – © IDHEAS

    Emma Mora vertelt dit alles terwijl ze op bed ligt. Ze is inmiddels geïmmobiliseerd door chronische pijn haar benen. Ze wijt haar blessure aan de vele jaren die ze met zoeken heeft doorgebracht. Toch is ze volgens zichzelf altijd nog beter af dan de moeders en vaders die zijn overleden zonder hun kinderen terug te vinden. Ook dat knaagt aan haar. Ook voor hen willen Emma en haar collega’s hun werk niet opgeven. ‘De herinnering moet levend blijven,’ zegt ze. ‘Daarom gaan we voor de nieuwe muurschildering en het monument in Acapulco. Of de autoriteiten het nu willen weten of niet, wij blijven ons laten gelden, net zoals de Ayotzinapa normalistas [dit is een referentie naar de verdwijning in 2014 van vierenveertig studenten van het Ayotzinapa-college in de stad Iguala in Guerrero waarvan een aantal vermoord is teruggevonden]. We moeten eenvoudigweg in actie blijven om het collectieve geheugen aan al deze verdwijningen in leven te houden.’

    Van de vuile oorlog tot nu

    In 2022 kwam de Colombiaanse Yolvi Lena op uitnodiging van de ngo IDHEAS naar Mexico om haar ervaringen te delen met de moeders van het Colectivo de Madres Igualtecas (collectief van moeders uit Iguala), een groep uit Iguala in Guerrero met dezelfde doelstelling. De Colombiaanse deelde haar ervaringen met het werken met de slachtoffers van het gewapende conflict in haar land en organiseerde bijeenkomsten waarop ze vertelde over de slachtoffers die zij interviewde in Colombiaanse gemeenschappen. Yolvi Lena legt uit waarom ze werkt voor de Colombiaanse Waarheidscommissie. Natuurlijk om te streven naar gerechtigheid en om ervoor te zorgen dat gebeurtenissen zich niet herhalen, maar ‘het verhaal van een verdwijning begint meestal alledaags. Ik sprak bijvoorbeeld een vrouw uit een Afro-Colombiaanse gemeenschap die vertelde dat het begon op de dag dat haar man hun huis verliet. Ze namen afscheid en met een alledaagse groet: ‘tot later, fijne dag’. En hij kwam nooit meer terug. Vrouwen zoals zij zijn nog steeds op zoek,’ vertelt Yolvi Lena. En dat is de reden waarom slachtoffers getuigen voor de Waarheidscommissie, omdat alleen op die manier de collectieve herinnering ontstaat die helpt de pijn om te zetten naar actie.

    Yolvi Lena benadrukt de cruciale rol die de collectieven in de regio hebben, die er ook aan bijdraagt dat de mensenrechtenschendingen stoppen. Al behoren ze niet tot het verleden. Want ondanks deze initiatieven van burgers, stapelen de verborgen waarheden zich nog altijd op en vult het collectieve geheugen zich steeds opnieuw met de verse verdwijningen, die zich nog altijd blijven voordoen.

    Het nationale register van vermiste personen houdt de gegevens over Guerrero’s lange geschiedenis van verdwijningen bij. Het bijhouden hiervan begon in 1967 en het register omvat volgens een recente rapportage vandaag de dag in totaal 5565 vermiste personen in de Mexicaanse deelstaat. Het kantoor van de speciale aanklager voor Sociale en Politieke bewegingen in het verleden (FEMOSPP), kan worden geraadpleegd via het Amerikaanse U.S. National Security Archive. Die instantie begon op 1 mei 1968 met het verzamelen van data. Daar is ook de allereerste verdwijning in Mexico geregistreerd. Dat was Santiago García, die lid was van Asociación Cívica Nacional Revolucionaria, één van de toonaangevende guerrillabewegingen in Guerrero destijds. Zijn verdwijning vond plaats gebeurde tijdens de periode waarin Lucio Cabañas en Genaro Vázquez met politieke bijeenkomsten en activisme protesteerden tegen onteigening, guerrillaoorlogvoering en vooral de onderdrukkende represailles van het bestuur van Guerrero en de regering Mexicaanse staat. Tijdens Mexico’s Vuile Oorlog zaten achter minstens negentig verdwijningen politieagenten of militaire regeringsfunctionarissen en was sprake van betrokkenheid van de Mexicaanse veiligheidstroepen (RNPDNO). In die jaren verdwenen in totaal 537 mensen (FEMOSPP) in de staat Guerrero; 205 alleen in de stad Atoyac, destijds een belangrijke basis van de guerrilla. 

    Terwijl de opeenvolgende regeringen naar buiten toe het bestaan van de interne oorlog ontkenden, vonden sinds 1967 slachtpartijen plaats

    Deze cijfers zijn inmiddels mijlenver verwijderd van het duizelingwekkende aantal van meer dan honderdduizend Mexicanen die anno 2022 vermist zijn. Het aantal is enorm toegenomen sinds de voormalige president Felipe Calderón Hinojosa de oorlog van het land tegen de drugshandel lanceerde.

    Madres 1
    Leden van Colectivo de Madres Igualtecas. – © IDHEAS

    De afgelopen jaren staken de opeenvolgende Mexicaanse machthebbers veel energie in het neerzetten van een beeld van vooruitgang, dat begon al tijdens de Olympische Spelen van 1968. Toen in een groot deel van Latijns-Amerika landen leden onder de regeringen van repressieve rechtse militaire dictaturen, presenteerden de regeringen van Adolfo López Matos, Gustavo Díaz Ordaz, Luis Echeverría Álvarez, José López Portillo, Miguel de la Madrid en Carlos Salinas de Gotari zichzelf als toppunt van democratie, vrede en ontwikkeling. Terwijl de opeenvolgende regeringen naar buiten toe het bestaan van de interne oorlog ontkenden, vonden sinds 1967 slachtpartijen plaats, zoals die van Atoyac in Jalisco, waar het protest van de sociale beweging in bloed werd gesmoord. Deze opstand tegen onderdrukking werd alleen maar met meer onderdrukking beantwoordt.

    Volgens professor María Teresa Flores Solana, een wetenschapper die zich inzet voor onderzoek naar de gepleegde misdaden, is dat een van de grote problemen: ‘zodra een land zichzelf begint af te schilderen als een democratische staat, verschaft het zich als het ware vrijstelling van verantwoording voor eerdere misdaden’. Om beter te begrijpen wat er tijdens de Mexicaanse Vuile Oorlog is gebeurd, onderzocht ze het werk van de collectieven in het land. Ze publiceerde over het werk van ¡Eureka! en H.IJ.O.S. México, gevestigde organisaties die gerechtigheid eisen voor verdwenen Mexicanen. Hun recentste wapenfeit is de oprichting van de Commissie voor Toegang tot Waarheid en Rechtvaardigheid voor Ernstige Mensenrechtenschendingen tijdens de Vuile Oorlog. Deze Waarheidscommissie richt zich op het berechten van de verantwoordelijken, het realiseren van het recht op waarheid en herinnering en zet zich in voor herstelbetalingen.

    Herinneringsquilt

    Soms overvalt de herinnering de slachtoffers onverhoeds. ‘Ik kan er niet over praten. Het is te pijnlijk,’ roept Antonia uit, terwijl ze in handen een lap stof heeft met de namen van haar twee zonen en haar man. Ze wordt omringd door lotgenoten, die haar aankijken, terwijl ze hun eigen stukje stof vasthebben. Elk van de deelnemers aan de bijeenkomst met Yolvi Lena vertelt iets over hun vermiste familielid, of ze schrijven hun namen op. Samen maken ze een grote quilt van alle meegebrachte lapjes. Het is een van de activiteiten die in Guerrero worden georganiseerd, waarbij de Colombiaanse Yolvi Lena meehelpt. Ze luistert aandachtig naar elke getuigenis.

    Quilt 1
    © IDHEAS

    Tijdens deze door IDHEAS geïnitieerde bijeenkomsten kwamen de leden van het collectief Colectivo de Madres Igualtecas bij elkaar. Ze aten samen, lachten en huilden. Ze hielpen elkaar met vertellen. Wat de een niet precies wist, kon de ander aanvullen. Zoals het verhaal van Jovita over hoe een officier van het ministerieel politiepersoneel haar 10.000 Mexicaanse peso’s probeerde af te troggelen, om alleen maar een onderzoek op te starten. Of de getuigenis van Esperanza, die vertelde hoe functionarissen van politie en leger haar zoon en een andere jongen afvoerden. ’Geloof me als ik zeg dat ik oneindig dankbaar ben dat ik dit moment samen met jullie kan doorbrengen,’ zegt Sandra Luz, moeder van Ivette Melissa Flores Román, die sinds 19 oktober 2012 vermist is. Haar moeder is inmiddels de vertegenwoordigster van het Colectivo de Madres Igualtecas. Dit zijn voor haar momenten waarop de slachtoffers zich verenigd voelen en verlichting vinden voor hun verdriet. ’Al is het maar een beetje,’ voegt ze eraan toe.

    ‘Het is voor mij niet gezond om stil te blijven zitten en ieder jaar opnieuw geconfronteerd te worden met de datum van de verdwijning van mijn dochter’

    Terwijl de moeders zich concentreren op de activiteiten met Yolvi Lena, krijgt Sandra Luz het ene telefoontje na het andere. Ze staat telkens op om ze buiten gehoorsafstand allemaal te beantwoorden. Daarna keert ze weer terug naar haar stoel. Ze geeft anderen suggesties over hoe ze verder kunnen komen met hun zaak. Dan komt er weer een telefoontje binnen en ze weer staat ze op. Over een paar dagen keert Sandra Luz terug naar de velden om ze af te graven op zoek naar lijken. ‘Het is voor mij niet gezond om stil te blijven zitten en ieder jaar opnieuw geconfronteerd te worden met de datum van de verdwijning van mijn dochter,’ legt ze uit. ’De pijn is te groot. En ik heb er geen controle over. Kijk,’ zegt Sandra Luz en ze steekt haar handen uit. Ze toont haar vingernagels. Ze zijn bijna tot aan de wortel afgebeten. Nu, bijna tien jaar na de verdwijning van Ivette heeft haar moeder het tegengif gevonden voor nagelbijten. Telkens wanneer ze het gevoel heeft dat een depressie de kop opsteekt, pakt Sandra Luz de doos met nagelkits waarmee haar dochter vroeger werkte. Ze laat ze zien: tien sets van tien nagels, vijf nagels per hand, één set voor elk jaar dat ze haar dochter niet heeft gezien. Ze bergt de nagelsets weer netjes op. ’Tot de volgende keer dat ik ze misschien nodig heb.’

    Een bijeenkomst als deze toont hoe een collectief geheugen wordt gemaakt: zeker ook door het vertellen van de verhalen van alledag, door het beschrijven van de personen zoals ze waren vóór hun verdwijning: wat ze graag aten, hun favoriete sneakers, hun zorgen op het werk, de muziek waarnaar ze luisterden als het tegenzat, hun persoonlijke mantra’s om angsten te bezweren. Door bijeenkomsten als deze worden de verdwenen mensen tot leven gewekt, terwijl de voortgaande zoektocht een doorleefde realiteit wordt.

    Om het eerste decennium sinds de verdwijning van Ivette te markeren, hoopt Sandra Luz een gedenkplaat te kunnen oprichten in Iguala. Hoewel ze niet van plan is het snel op te geven, weet ze dat er een dag komt dat ze niet langer de kracht zal vinden om de strijd voort te zetten. Haar jarenlange zoektocht heeft haar ook tot doelwit gemaakt van constante doodsbedreigingen, tot het punt waarop ze uit angst voor haar leven haar huis moest ontvluchten. Ook het zoeken naar resten van verdwenen personen op heuvels en velden is een aanslag op haar eigen lichaam geworden. Toch blijft ze doorgaan. Een paar dagen na de bijeenkomsten met de Colombiaanse Yolvi Lena vertrekt ze weer, naar een expeditie in de velden. Sandra Luz zegt dat het ook voorkomt dat mensen direct contact met haar zoeken nadat een familielid is verdwenen. Ondanks dat het haar iedere keer naar de keel grijpt, onderneemt ze direct actie. Ze heeft het geluk geproefd om mensen op tijd terug te kunnen brengen naar hun dierbaren. Dat is waarom ze deze rol op zich neemt. Ze wil de erfenis nalaten en bewijzen dat de inspanningen van de collectieven niet voor niets zijn. Elke keer dat ze zich inzet voor iets dat haar mogelijk zelf in gevaar brengt, praat Sandra Luz inwendig tegen haar dochter: ‘Jij bent mijn oogappel, mijn drive, de reden dat ik dit alles doe.’

    Hoe herinner jij jouw vermiste dierbare?

    Ivette Melissa Flores Román

    ‘Ze is geboren op 5 januari, dus we vierden Día de Reyes (Drie Koningen) altijd tegelijk met haar verjaardag. Tot op heden maak ik op 5 januari een koningstaart voor tijdens het familiediner. We houden een stoel vrij voor haar, bewaren voor haar een stukje van de taart en we doen alsof Ivette erbij is.’

    ‘En ik weet niet waar ik die zou kunnen krijgen, maar ik zou graag een kartonnen afbeelding van haar willen hebben. Van haar silhouet, met haar foto. Dan zou ik die neerzetten, in plaats van haar lege stoel.’

    ‘Ik heb op allerlei manieren contact met mijn dochter. Wanneer ik bijvoorbeeld met mijn kleinkinderen ben. Dan pak ik soms de kleren van mijn dochter en vraag aan mijn kleindochter om ze aan te doen. Al zijn er ook momenten dat ik dat liever niet wil, omdat het overweldigend is. Dan zie ik haar te veel voor me.’

    ’En ja, haar kunstnagels. Daar grijp ik naar als ik het te kwaad krijg. En weer zou willen nagelbijten. Dan vul ik mijn tafel met al haar nagels. Paar na paar. Het is een oefening die ik voor mezelf heb bedacht en waar ik me aan houd.’

    –Sandra Luz Román, moeder van Ivette Melissa Flores Román. Colectivo de Madres Igualtecas.

    Afbeelding1 3
    Sandra Luz Román met een foto van haar dochter Ivette Melissa Flores Román. – © IDHEAS

    Julio Alberto Salgado Juárez

    ‘Ik herinner me de momenten waarop hij tegen me zei: “Dit moeten we doen!” Dat zijn dingen ik nog steeds doe. Zodra ik eraan denk, zeg ik tegen mezelf: “Ik ga dit doen, omdat mijn zoon het leuk vond.” Ik doe altijd dingen die hij graag deed.’

    ‘Als ik tegen mijn andere zoon zeg: “Kijk, papi [koosnaampje], je broer was hier dol op,” zal hij ook zeggen: “O ja, mama. Laten we dat doen.” Als ik tegen hem zeg: “Je broer tekende graag.” Dan zegt hij: “Nou, dan gaan wij tekenen.” Hij tekent mij, en ik hem. En daarna tekenen we allebei zijn broer, mijn zoon.’

    ‘Ook over eten vraagt mijn zoon: “Mam, weet je nog of Julio dit lekker vond? Zou je het voor me willen maken?” Dat doe ik dan.’

    ‘Ik blijf alles herhalen wat mijn zoon graag deed. Julio vond bijvoorbeeld dat ik zijn jongere broertje moest vragen hoe zijn dag was op school, wat hij had uitgespookt. En nu zit die andere zoon op de universiteit. Nog steeds, als hij thuiskomt, zal ik het hem vragen: “Wat heb je uitgespookt, papi? Hoe was je dag?” En hij vertelt dan over zijn opleiding voedingsleer, de bomen die hij plant en de kaas die hij leert maken.’ 

    ‘Ik zal mijn zoon nooit vergeten. Ik zal mijn zoon altijd herinneren, in alles waar hij van hield.’

    –Clotilde Juárez Adame, Moeder van Julio Alberto Salgado Juárez. Colectivo de Madres Igualtecas. 

    Dit artikel kwam mede tot stand dankzij financiering van de Europese Unie.

    Lees ook:

  • Wat zij zeggen over de executies in Myanmar

    Wat zij zeggen over de executies in Myanmar

    Internationale commentatoren en opiniemakers over de executie van vier Myanmarese prodemocratische activisten.

    Sebastian Strangio – redacteur Zuidoost-Azië

    The Diplomat

    ‘In een ijzingwekkend kort verslag van vier zinnen, dat vanmorgen werd gepubliceerd, verklaarde de door de staat gecontroleerde krant Global New Light of Myanmar dat de gevangenisautoriteiten het doodvonnis hebben voltrokken tegen Phyo Zeyar Thaw, parlementariër in de afgezette regering van de Nationale Liga voor Democratie (NLD), pro-democratie-activist Ko Jimmy en twee anderen. In de verklaring staat dat de vier het brein waren achter ‘brute en onmenselijke terreuraanslagen’.


    Erwin van der Borght – regionaal directeur Zuid- en Zuidoost-Azië

    Amnesty International

    ‘Deze executies komen neer op willekeurige levensberoving en zijn het zoveelste voorbeeld van de afschuwelijke staat van dienst van Myanmar op het gebied van mensenrechten. Al meer dan een jaar houden de militaire autoriteiten van Myanmar zich bezig met buitengerechtelijke executies, martelingen en een heel scala aan mensenrechtenschendingen. De militairen zullen doorgaan als ze niet ter verantwoording worden geroepen. Wij dringen er bij de autoriteiten op aan onmiddellijk een moratorium op executies in te stellen, als een eerste stap.’


    Yoshimasa Hayashi – minister van Buitenlandse Zaken van Japan

    Reuters

    ‘Met de executie van deze vier strijders voor de democratie door de junta van Myanmar raakt het land verder geïsoleerd van de internationale gemeenschap. Het is een zaak van grote zorg. Deze stap zal nationale gevoelens verscherpen en het conflict verder aanwakkeren en gaat in tegen het herhaalde en dringende verzoek van Japan om de situatie in Myanmar op vreedzame wijze op te lossen. De executies druisen ook in tegen de Japanse eisen om de gevangenen vrij te laten.’


    Tom Andrews – speciaal rapporteur mensenrechten Myanmar

    Verenigde Naties

    ‘Ik ben verontwaardigd en verbijsterd dat de junta deze voorvechters van mensenrechten en fatsoen in Myanmar heeft geëxecuteerd. Ze werden berecht door een militair tribunaal, zonder recht op beroep en zonder juridische bijstand, wat in strijd is met de internationale wetgeving over mensenrechten. Het systematisch vermoorden van demonstranten, de willekeurige aanvallen op dorpen en de executie van oppositieleiders vragen om een onmiddellijke reactie van de lidstaten van de Verenigde Naties.’

  • Mizrachim-feministen schudden mensenrechtensituatie in Israël op

    Mizrachim-feministen schudden mensenrechtensituatie in Israël op

    Een nieuwe beweging komt met een ander model om te strijden voor de rechten van de meest onzichtbare en gemarginaliseerde groepen binnen de Israëlische maatschappij. Heeft dat kans van slagen?

    Sapir Sluzker Amran werkte nog voltijds als advocaat toen ze Dalal Daoud leerde kennen. Dat was in November 2018. Zoals elk jaar was Sluzker Amran op zoek naar een manier om aandacht te besteden aan de komende International Day for the Elimination of Violence Against Women (Internationale Dag voor de Uitbanning van Geweld tegen Vrouwen).

    Destijds zat Daoud, een Palestijnse inwoner van Israël, een gevangenisstraf uit van vijfentwintig jaar in Israëls enige vrouwengevangenis, Neve Tirtza, voor de moord op haar man, die haar stelselmatig had mishandeld, verkracht en haar binnenshuis had geketend. Nadat Sluzker Amran had gehoord over Daouds verhaal, en ze haar aan de telefoon had gesproken, stond haar besluit vast: dit jaar zou ze geld inzamelen voor Daoud, zodat ze wat spullen zou kunnen kopen in het gevangeniswinkeltje. Op die manier wilde Sluzker Amran haar duidelijk maken dat er buiten de gevangenis vrouwen waren die zich haar lot aantrokken.

    Maar meteen bij hun eerste ontmoeting begreep Sluzker Amran dat geld voor het gevangeniswinkeltje slechts het begin was van hun relatie. Ze besloot een campagne op te zetten om Daoud vrij te krijgen en ging minder werken zodat ze één dag per week kon besteden aan de coördinatie van dit project.

    Het werkte. Na enkele maanden campagne voeren kwam Daoud in juni 2019 voorwaardelijk vrij

    ‘Een kleine groep vrouwen en enkele organisaties sloten zich aan bij de campagne, en alle plannen werden samen met Dalal uitgewerkt,’ vertelt Sluzker Amran aan +972 Magazine. In de campagne werden straatprotesten gecombineerd met breed opgezette acties op social media en aandacht in de traditionele media, en daarnaast werd er gelobbyd in de Knesset – dit alles met de bedoeling om het verhaal van Dalal in een ander perspectief te plaatsen. De nadruk kwam te liggen op haar veerkracht en haar vermogen om zich te handhaven in een onmogelijke situatie.

    Het werkte. Na enkele maanden campagne voeren kwam Daoud in juni 2019 voorwaardelijk vrij. Niet alleen had het leven van Daoud een radicale wending genomen, het succes van de campagne betekende ook een keerpunt voor Sluzker Amran nadat ze bijna tien jaar lang had geprobeerd haar radicale activisme te combineren met haar carrière in de advocatuur. ‘Op de dag dat Daoud vrijkwam, besloot ik te stoppen met mijn werk als advocaat omdat ik merkte dat ik op deze manier meer effect kon sorteren,’ zegt ze.

    Formule voor succes

    Sluzker Amran beschikte over een formule voor succes, maar ze beschikte nog niet over de middelen om die formule ook op grotere schaal toe te passen. Daar had ze een beweging voor nodig, en ze wist precies tot wie ze zich zou moeten wenden om een dergelijke beweging van de grond te krijgen: Carmen Elmakiyes Amos, met wie ze al heel lang samen actievoerde. De beide vrouwen zetten zich in op verschillende terreinen die allemaal te maken hebben met armoede en huisvesting. Ze droomden er allebei van hun activisme naar ‘een hoger plan te tillen en meer te structureren’, zegt Elmakiyes Amos. 

    En zo zag eind 2019 een nieuwe beweging het licht: Shovrot Kirot (Hebreeuws voor ‘Muren neerhalen’, in de vrouwelijke vorm).

    De naam van de beweging is een hommage aan een gedicht van Vicki Shiran – een van de grondlegsters van het Mizrachim-feminisme [Mizrachim zijn Joden die uit Arabische of moslimlanden naar Israël zijn geëmigreerd]. Het gedicht vertelt het verhaal van een Mizrachim-vrouw uit de periferie die de muren waartussen ze gevangen zat neerhaalde en vervolgens wegvloog. De naam is ook bedoeld als een veeg uit de pan naar het traditionele ‘liberale’ feminisme, dat geen oog zou hebben voor racisme en de financiële problemen waar veel niet-witte vrouwen mee worstelen.

    ‘Wij hebben het over de vrouwen die muren moeten neerhalen voordat ze door welk glazen plafond ook kunnen breken’

    ‘[Liberale feministen] hebben het altijd over het glazen plafond en over op het schild gehesen, geprivilegieerde vrouwen die een inspiratie voor ons zouden moeten zijn,’ zegt Sluzker Amran. ‘Wij hebben het over de vrouwen die muren moeten neerhalen voordat ze door welk glazen plafond ook kunnen breken – vrouwen die niet eens een huis hebben, of die geen geld hebben om de elektriciteitsrekening te betalen, of die bang zijn te worden vermoord door hun man. Dat zijn de meest inspirerende leiders die we hebben.’

    Het verhaal van Sluzker Amran en Elmakiyes Amos begint meer dan tien jaar geleden, in de zomer van 2011. De demonstraties in Israël voor ‘sociale rechtvaardigheid’ hebben zich uitgebreid naar de chique Rothschild Boulevard in Tel Aviv, midden in het financiële district, en in het hele land grijpt de onvrede in razend tempo om zich heen. Honderdduizenden mensen gaan de straat op en slaan tenten op, in reactie op de krapte op de woningmarkt en het onbetaalbare levensonderhoud op het platteland. Ze schreeuwen de bekende leuze die is geïnspireerd op de Arabische Lente: ‘Het volk eist sociale rechtvaardigheid!’

    Voor Sluzker Amran, die destijds twintig was, betekende de golf van protesten het begin van haar activistische reis: nadat ze had gelezen over de demonstraties, besloot ze naar de tenten op Rothschild Boulevard te gaan en zich aan te sluiten. Maar wat ze daar aantrof was geen radicale beweging die iets wilde doen aan de benarde omstandigheden van de meest gemarginaliseerde groeperingen binnen de samenleving, maar een groep van voornamelijk Ashkenazi-activisten uit de middenklasse, die op de allereerste plaats probeerden de huren in Tel Aviv naar beneden te krijgen. Gedesillusioneerd keerde ze huiswaarts. 

    Dezelfde financiële problemen

    In het belangrijkste tentenkamp van de demonstranten leek men zich niet bewust van het feit dat niet alle Israëli’s worstelen met dezelfde financiële problemen. De Mizrachim worden al tientallen jaren gediscrimineerd en gemarginaliseerd door het Ashkenazi-Zionistisch establishment, waardoor er binnen de Joods-Israëlische maatschappij een etnische onderklasse is ontstaan. De Mazrachim verzetten zich al sinds de oprichting van de staat tegen hun onderdrukking – van opstanden in de ma’abarot [doorgangskampen] begin jaren vijftig en de rebellie van 1959 in Wadi Salib, een wijk in Haifa, tot de protesten van de Black Panthers begin jaren zeventig. Maar de strijd voor enerzijds een eerlijke herverdeling van de natuurlijke rijkdommen en anderzijds de erkenning van het onrecht uit het verleden, gaat tot vandaag de dag door.

    Toen de protesten in 2011 om zich heen bleven grijpen, ging Sluzker Amran met een eigen tent terug naar de protesten en vond aansluiting bij een andere groep mensen, het zogenaamde ‘No Choice’-kamp, bestaande uit mensen die geen enkele andere vorm van onderdak hadden, een groep waarmee ze meer affiniteit voelde. ‘Ik vond niet per se aansluiting bij de studenten of bij mensen van mijn eigen leeftijd, maar veel meer bij de daklozen, de alleenstaande moeders, de mensen die net uit de gevangenis kwamen en een plek moesten hebben om te wonen,’ zegt ze. Geleidelijk vond Sluzker Amran haar weg naar de parallelle tentenkampen die waren opgeslagen in de over het algemeen armere en voornamelijk door Mizrachim bevolkte buurten in het zuiden van Tel Aviv, waar een gemeenschappelijke kennis haar in contact bracht met Elmakiyes Amos.

    ‘Wij wilden dat er ook gepraat zou worden over allerlei kwesties die als een stuk minder sexy werden beschouwd’

    Dat bleek een van de vele bepalende ontmoetingen te zijn tussen Mizrachim-activisten, in die zomer waarin overal de initiatieven uit de grond schoten. De vrouwen vonden elkaar in hun kijk op de mainstream protestkampen. ‘Wij wilden dat er ook gepraat zou worden over armoede, over sociale huisvesting, over kindertoeslagen – over allerlei kwesties die als een stuk minder sexy werden beschouwd,’ zegt Elmakiyes Amos. Zo stak ze op een avond met een groep activisten de koppen bij elkaar en werd er besloten een nieuwe beweging in het leven te roepen, Lo Nechmadim/Lo Nechmadot (‘niet aardig’, zowel mannelijk als vrouwelijk, een ironische verwijzing naar de beschrijving die de toenmalige premier Golda Meir had gegeven van de Israëlische Black Panthers, nadat ze die in de jaren zeventig had ontmoet).

    Nadat de mainstream protesten van 2011 weer waren geluwd, bleef Lo Nechmadim/Lo Nechmadot jaren onvermoeibaar strijd leveren voor sociale huisvesting in Israël, samen met een aantal andere grassrootsbewegingen en -organisaties. Deze groeperingen demonstreerden geregeld voor de deur van ministers; in hun ogen waren de privéwoningen van gekozen bestuurders legitieme plekken om te demonstreren als deze politici er verantwoordelijk voor waren dat andere mensen uit hun huis werden gezet. Maar al hun inspanningen leverden frustrerend weinig resultaat op en zowel Sluzker Amran als Elmakiyes begreep dat, zoals de eerste het formuleerde, ‘de manier waarop we ons hadden georganiseerd in het begin prima had gewerkt, maar dat het nu tijd werd voor iets anders’.

    Geen enkele link

    Terugkijkend op hun ervaringen met ngo’s, en in het besef dat ze niet in staat waren gebleken de gewenste veranderingen binnen de Israëlische maatschappij te realiseren, zagen Sluzker Amran en Elmakiyes Amos een structureel probleem, dat zij de ‘ngo-driehoek’ noemden. Er is geen enkele link, betogen zij, tussen de ‘experts’ die werkzaam zijn binnen mensenrechtenorganisaties; hun cliënten binnen de gemarginaliseerde groepen in de samenleving, die vaak afhankelijk zijn geworden van de steun van de ngo’s; en diegenen die het werk van de ngo’s financieren, meestal grote internationale stichtingen, rijke buitenlandse geldschieters of zelfs buitenlandse regeringen.

    Het Shovrot Kirot-model beoogt deze drie categorieën samen te voegen tot één: de ‘cliënten’ zouden zelf het voortouw moeten nemen in de strijd voor hun rechten, goeddeels gefinancierd door kleine donaties die de beweging in staat stellen haar onafhankelijkheid te bewaren. ‘Mensen die ooit dit soort werk hebben gedaan weten precies hoe wezenlijk die vrijheid is,’ zegt Elmakiyes Amos. Na twee jaar zijn de eerste successen van dit model al zichtbaar: ‘We zien vrouwen die een jaar geleden nog door ons werden geholpen, maar die nu partner kunnen worden in de beweging – als donor of als activist – omdat ze het hoofd boven water kunnen houden,’ voegt ze eraan toe.

    ‘Mijn streven is dat niemand hoeft door te maken wat ik heb doorgemaakt’

    Daoud is hier een uitstekend voorbeeld van. Nadat ze was vrijgelaten uit de gevangenis sloot ze zich als activist aan bij Shovrot Kirot, en inmiddels geeft ze leiding aan een ‘community’ (de naam die binnen de beweging wordt gebruikt voor een groep activisten die strijden voor een specifiek doel) die zich bezighoudt met gevangenisstraffen en rehabilitatie, specifiek van vrouwen. ‘De mensen buiten de gevangenis hebben geen idee wat zich daar afspeelt,’ zegt Daoud tegen +972. ‘Maar ik weet nu hoe ik mensen kan helpen als ze in de gevangenis zitten, en nadat ze zijn vrijgekomen – met zaken als geld, zorg en opvang. Er zijn wezenlijke dingen die we kunnen doen zodat deze vrouwen een nieuwe start kunnen maken en niet afhankelijk hoeven te zijn. Mijn streven is dat niemand hoeft door te maken wat ik heb doorgemaakt.’

    Maar ondertussen blijkt het niet eenvoudig om de beweging gaande te houden met alleen kleine donaties. Elmakiyes Amos legt uit dat het met name bij dit soort projecten moeilijk is om financiering te krijgen. Er zijn namelijk maar weinig mensen die zich hiervoor willen inzetten als ze er niet zelf direct mee te maken hebben gekregen – omdat ze bijvoorbeeld in sociale huurwoningen zitten, de elektriciteitsrekening niet kunnen betalen of zelf ooit hebben vastgezeten. Deze situatie werd nog eens verergerd door de uitbraak van de corona-epidemie kort na het opzetten van hun beweging. ‘We houden het hoofd nog net boven water, maar als we nog langer willen doorgaan, zal ons maandelijkse budget van kleine donaties omhoog moeten,’ zegt Elmakiyes Amos.

    ‘Dat vrouwen in armoede leven, en dan met name Mizrachim of vrouwen uit Ethiopië, laat de meeste mensen min of meer koud,’ vervolgt ze. ‘Het lijkt erop dat veel mensen die zich mensenrechtenactivist noemen zich niet zo graag bezighouden met onze problemen en onze mensen. Het is echt lastig om mensen ervan te doordringen dat kwesties als armoede, het recht op onderdak en het recht op elektriciteit een onlosmakelijk deel zijn van de strijd voor mensenrechten in Israël, en dat deze kwesties even belangrijk zijn als de strijd tegen de bezetting en de strijd voor democratie. Natuurlijk is die strijd belangrijk, maar er spelen ook nog andere dingen die volkomen uit beeld zijn verdwenen.’

    Speerpunt

    Voor Shovrot Kirot blijft de strijd voor sociale woningbouw een speerpunt, in navolging van Lo Nechmadim/Lo Nechmadot en andere bewegingen die daaraan voorafgingen. Momenteel staan er in Israël meer dan dertigduizend gezinnen op een wachtlijst voor sociale huurwoningen, terwijl duizenden andere gezinnen zich niet eens kunnen inschrijven vanwege de stringente criteria die de regering heeft opgesteld. En omdat binnen dit systeem arme Mizrachim-vrouwen het sterkst worden uitgebuit, is het een strijd met een uitgesproken feministisch en Mizrachim-karakter.

    Nog los van het gebrek aan sociale huurwoningen en het feit dat het ongekend moeilijk is zo’n woning te bemachtigen, hebben de huurders nauwelijks een poot om op te staan als de autoriteiten besluiten ze uit hun huis te zetten, waardoor hun woonsituatie zeer hachelijk is. In de afgelopen jaren is Givat Amal, een buurt in het noorden van Tel Aviv, uitgegroeid tot een krachtig symbool van dit verrotte systeem en van de strijd voor rechtvaardigheid – een strijd waarin Shovrot Kirot weer haar unieke organisatiemodel heeft ingezet.

    ‘In 2011 gingen mensen de straat op omdat ze het gevoel hadden dat ze geen steun meer kregen van de staat’

    ‘In 2011 gingen mensen de straat op omdat ze het gevoel hadden dat ze geen steun meer kregen van de staat,’ zegt Ronit Aldouby, die lid is van het actiecomité van Givat Amal, en die in de buurt heeft gewoond totdat in november 2011 de laatste bewoners met geweld uit hun huis werden gezet, waarna de huizen met de grond gelijk werden gemaakt.

    Het verhaal van Givat Amal is een verhaal van uitbuiting, verwaarlozing en verbroken beloften. Givat Amal is ontstaan in 1947, oorspronkelijk vanuit een Ashkenazi-Zionistisch establishment dat de Mizrachim beschouwde als ‘menselijk materiaal’ voor de kolonisatie van Palestina. De eerste Joodse inwoners vestigden zich daar om te voorkomen dat de Palestijnse vluchtelingen uit al-Jammasin al-Gharbi zouden terugkeren. Maar het werd de Mizrachim-families wettelijk onmogelijk gemaakt om de panden te kopen waarin ze woonden. 

    Ondanks veelvuldige beloften dat de inwoners van Givat Amal niet uit hun huis zouden worden gezet zonder volledig te worden gecompenseerd en zonder dat er voor andere woonruimte werd gezorgd, werd het land waarop ze woonden herhaaldelijk doorverkocht. Totdat de huidige eigenaar, onroerend goed tycoon Yitzhak Tshuva, in 2005 uiteindelijk instemde met een grootschalig project waarmee hun uitzetting een feit werd. De inwoners hebben jaren strijd geleverd, wat heeft geresulteerd in een pakket compensatiemaatregelen waarmee de laatst overgebleven inwoners uiteindelijk akkoord zijn gegaan vlak voordat ze zouden worden uitgezet. Maar het geld is blijven steken op het ministerie van Justitie onder Gideon Sa’ar (wiens New Hope-partij tegenwoordig ook het ministerie van Huisvesting in handen heeft).

    Sleutelrol

    Shovrot Kirot heeft een sleutelrol gespeeld in wat Aldouby de ‘Sisyfusstrijd’ van de inwoners heeft genoemd, een strijd die ze voeren sinds de oprichting van de groep in 2019 – al zijn de oprichters en de activisten al bij de strijd betrokken sinds 2014, het jaar waarin zo’n tachtig gezinnen in deze buurt uit hun huis werden gezet. ‘Die jaren leverden we strijd om een einde te maken aan de uitzettingen, en Carmen en Sapir begeleidden ons bij alle protestacties. Ze waren ook bij de uitzettingen – Sapir is zelfs een keertje opgepakt.’

    Tijdens een demonstratie begin februari, mede georganiseerd door Shovrot Kirot, om rechtvaardigheid te eisen voor de bewoners die uit hun huis waren gezet, blokkeerden zo’n honderd actievoerders het drukke kruispunt tussen Givat Amal en het appartement van Gideon Sa’ar – een appartement dat, wrang genoeg, uitkijkt op wat nu de ruïnes van een platgegooide buurt zijn. Met bordjes, megafoons en trommels, en met in hun kielzog tientallen agenten, scandeerden de actievoerders: ‘Criminele regering, maak een einde aan de uitzettingen!’ en ‘We blijven strijden voor compensatie!’ Bij de toegang tot Givat Amal, naast een tiental waxinelichtjes die zo waren neergezet dat ze de woorden ‘We zullen niet vergeven’ vormden, stond een handgeschreven bord met daarop de naam Shovrot Kirot, en als tekst: ‘Het beleid om mensen uit hun huis te zetten is geweld tegen vrouwen.’

    Hoewel de vrouwen nog altijd wachten op de door de regering toegezegde compensatie, putten ze er kracht uit dat ze er in ieder geval in zijn geslaagd de regering onder druk te zetten. Het feit dat ze, op instigatie van Shovrot Kirot, nieuwe tactieken hebben ingezet – en vooral het besluit om het juridische strijdperk te betreden, naast het organiseren van demonstraties en het werven van steun via nieuwe én traditionele media – heeft hier ook een rol gespeeld.

    ‘Carmen en Sapir gingen met andere activisten naar de debatten in de Knesset,’ zegt Aldouby. ‘Ze zitten zelfs in de WhatsAppgroep van het buurtcampagneteam, ontvangen alle updates en denken met ons mee over wat de volgende stappen moeten zijn. Ze staan naast ons, bij alles wat er gebeurt en bij elke beslissing die er wordt genomen.’ 

    Ook hier worden alleenstaande moeders het zwaarst getroffen door het overheidsbeleid

    Hoewel Shovrot Kirot zichzelf bestempelt als Mizrachim-feministische beweging, zit de beweging zo in elkaar dat er makkelijk aansluiting kan worden gevonden tussen de strijd van de Mizrachim en de strijd van andere onderdrukte bevolkingsgroepen in Israël – zoals de Palestijnse inwoners. De afgelopen maanden is de beweging steeds actiever geworden in Jaffa, waar als gevolg van een agressieve gentrificatie het leven onbetaalbaar wordt voor de Palestijnen die er na de Nakba zijn blijven wonen. Ook hier worden alleenstaande moeders het zwaarst getroffen door het overheidsbeleid en het feit dat het gemeentebestuur niet in sociale woningbouw investeert.

    In november 2021, in de week dat de laatste inwoners van Givat Amal uit hun huis werden gejaagd, besloot Farida Najar, een alleenstaande Palestijnse moeder die al vier jaar op de wachtlijst stond voor een woning, een tent op te zetten in een park in Jaffa, en daar met haar vier kinderen te gaan wonen. Al snel kreeg Najar gezelschap van acht andere moeders met hun kinderen, die ook hun tent opzetten in het park om te protesteren tegen het falende stadbestuur van Tel Aviv-Jaffa, dat geen oplossing had weten te vinden voor hun nijpende situatie. Uiteindelijk werd er een tijdelijke oplossing overeengekomen.

    Ohad Amar, een sociaal-advocaat die in de raad van bestuur zit van Shovrot Kirot, ging naar het park om met de moeders te praten, en zette zich vanaf dat moment in om rechtsbijstand voor hen te regelen. ‘Toen ik de vrouwen sprak, werd me duidelijk dat ze geen van allen hebben waar ze recht op hebben, in termen van sociale zekerheid of huisvesting. Ze hebben geen van allen een advocaat, ze hebben niemand die hen kan helpen met het aanvragen van een uitkering,’ zegt hij tegen +972.

    ‘We proberen een groep vrijwilligers samen te stellen om dat te regelen, want het is ongekend moeilijk voor mensen om hun recht te halen,’ vervolgt hij. Voor de negen vrouwen in Jaffa die op deze manier hulp hebben gekregen is er een tijdelijke oplossing gevonden, en hun bijstandsaanvragen zijn ingediend. Maar, zo zegt Amar, zelfs als dat allemaal is geregeld, ‘leven deze vrouwen nog altijd in armoede’.

    Ethiopische vrouwen

    Ook Ethiopische vrouwen zijn oververtegenwoordigd in sociale woningbouwprojecten in Israël. Elmakiyes Amos herinnert zich een episode waarin een Mizrachim-vrouw, Rachel Levy, met haar kinderen uit huis werd gezet nadat haar moeder was overleden, omdat ze niet langer voldeed aan de voorwaarden voor een sociale huurwoning. ‘De autoriteiten wezen de woning toe aan een andere Ethiopische vrouw,’ zegt Elmakiyes Amos. ‘Toen zij Rachel zag, die na haar uithuisplaatsing een tent had opgezet in het gras voor de deur, bood ze haar verontschuldigingen aan. Maar Rachel antwoordde: “Jij kunt hier niets aan doen. We zouden niet hoeven te vechten om dit appartement; er zou een appartement voor jou moeten zijn en een appartement voor mij.” Naar mijn idee is dat de essentie van deze tragedie. Toen ik dat zag, werd me duidelijk hoe intrinsiek kwalijk dit beleid is, waarmee verzwakte groepen tegen elkaar op worden gezet. Het illustreert ook perfect de noodzaak voor verzwakte bevolkingsgroepen om samen op te trekken en dit soort verbonden aan te gaan.’

    Het bevorderen van solidariteit tussen onderdrukte groepen is zeker een van de ambities van de activisten van Shovrot Kirot, al is het momenteel slechts een neveneffect van hun inspanningen. Voor nu is Amar ervan overtuigd dat er nog altijd spanning bestaat tussen mensen die strijden voor ‘sociale rechtvaardigheid’ en mensen die ‘politieke rechten’ propageren – hoofdzakelijk de Palestijnse strijd.

    Een deel van deze spanning is terug te voeren op de aard van de links/rechts-dichotomie in Israël, waarin wat als ‘links’ wordt gezien – en dan met name als ‘zionistisch links’ – grotendeels wordt gelijkgesteld aan de rijkere, voornamelijk Ashkenazi-delen van de samenleving; terwijl dat wat als ‘rechts’ wordt beschouwd van oudsher het armere deel van de samenleving is, voornamelijk Mizrachim.

    ‘Ik weet niet of we er al aan toe zijn om te zeggen dat er een verband is tussen de rechten van de Palestijnen en het verzet tegen het kapitalisme’

    ‘We hebben nog niet de basis gevonden om samen op te trekken in alle campagnes en voor alle strijdpunten,’ zegt Amar. ‘Ik weet niet of we er al aan toe zijn om te zeggen dat er een verband is tussen de rechten van de Palestijnen en het verzet tegen het kapitalisme, en of we onze krachten al moeten bundelen. Links Israël kan zich makkelijker verhouden tot de bezette gebieden dan tot mensen die bijvoorbeeld zijn afgesneden van de elektriciteit, waarbij zij zich de vraag moeten stellen: “Tja, wil dat zeggen dat ik meer belasting zou moeten betalen?”’

    ‘Aan de andere kant,’ vervolgt hij, ‘staat onze gemeenschap open voor het idee van sociale rechtvaardigheid, dus we willen het graag in één en hetzelfde gesprek kunnen hebben over het debat over de rechten van de Palestijnen en het recht op sociale huisvesting. Volgens mij is dat de functie van Shovrot Kirot: mensen meer bewust maken van sociale rechtvaardigheid, zodat we strijd kunnen voeren tegen zowel het kolonialisme als kapitalisme.’

    Eigen gemeenschap

    Sluzker Amran is ervan overtuigd dat het strategische waarde heeft om je allereerst op de eigen gemeenschap te richten. ‘Niet dat we ons verzet tegen de bezetting opgeven – ik denk dat de Palestijnen een einde zullen maken aan de bezetting,’ benadrukt ze. ‘Maar tegelijkertijd kunnen we ervoor zorgen dat onze eigen gemeenschappen sterker worden. En we kunnen er samen over praten op een manier waar iedereen zich in kan vinden en waarbij we de overeenkomsten benoemen.’

    ‘Mij staat geen “vredeskamp” voor ogen, waarin de meeste mensen zeer geprivilegieerd zijn en afkomstig uit een milieu dat al behoorlijk links is,’ vervolgt Sluzker Amran. ‘Ik richt me op mensen die weten hoe het is om met politiegeweld te maken te krijgen, mensen die niet verbaasd opkijken als de politie Iyad al-Hallaq vermoordt [een 32-jarige autistische Palestijnse man die werd neergeschoten en gedood door de Israëlische politie toen hij niet stopte bij de controlepost Lions’ Gate in Jeruzalem], of als ze zien hoe de politie zich opstelt tegenover de Bedoeïenen in de Negev-woestijn of bij de vrijdagse demonstraties in het bezette Oost-Jeruzalem. In Givat Amal, maar ook op andere plekken, zien ze de uitzettingen in Sheikh Jarrah en in de Negev-woestijn, ze zien de foto van een oude vrouw die de agenten of de soldaten smeekt om in haar huis te mogen blijven.’

    ‘Het is niet hetzelfde,’ verduidelijkt Sluzker Amran. ‘Maar mensen zien de gelijkenissen. Dat is niet de reden dat ik dit doe, maar ik heb wel het idee dat ik me op deze manier verzet tegen de bezetting.’

    Sivan Tahel, een activist van Shovrot Amran die zich voornamelijk bezighoudt met politiegeweld, ziet er geen meerwaarde in als de beweging zich zou voegen naar traditionele politieke labels. ‘Zeggen dat ik een Mizrachim-vrouw ben is al een politieke stellingname,’ betoogt ze, ‘omdat daarmee de machtsverhoudingen worden benoemd; niet of ik tot het “linkse” of het “rechtse” kamp behoor.’

    ‘Daarom zijn bewegingen als de onze ook zo belangrijk, want wij hebben eigenlijk geen politieke kleur’

    ‘Daarom zijn bewegingen als de onze ook zo belangrijk,’ vervolgt ze. ‘Want wij hebben eigenlijk geen politieke kleur. En wat is er zo radicaal aan om binnen het systeem op zoek te gaan naar een politieke kleur? Wij zijn activisten, waar wij naar streven is een verandering van het hele systeem, niet alleen van de mensen aan de top.’

    Maar hoewel Tahel de overeenkomsten ziet tussen verschillende gemarginaliseerde groepen die met dezelfde sociale problemen worstelen, waarschuwt ze ook dat de verschillen niet moeten worden uitgevlakt. ‘Door bevolkingsgroepen met elkaar te verbinden, creëer je een mechanisme dat de tactiek van verdeel-en-heers ondermijnt,’ zegt ze. ‘Maar als we ons willen verenigen in de strijd, is het belangrijk om te onderkennen dat elke bevolkingsgroep uniek is.’

    Ze licht toe: ‘Het is schadelijk om de Mizrachim-strijd altijd te zien als een poort naar de strijd van een andere gemeenschap die een zwakkere positie zou hebben dan wij, aangezien de Mizrachim meer dan zeventig jaar lang zijn onderdrukt en uitgesloten zonder dat er ook maar sprake is van enige rechtvaardigheid of compensatie. Als Mizrachim moet je constant strijd leveren om je plek op te eisen, en je moet mensen er voortdurend van overtuigen dat je de waarheid vertelt over het feit dat je wordt onderdrukt. Dus de Mizrachim hebben een eigen strijd, die ook gevoerd moet worden. En Shovrot Kirot geeft ons daar de kracht voor.’

  • Zuid-Korea: Rechter schrapt veroordeling van twee homoseksuele soldaten

    Zuid-Korea: Rechter schrapt veroordeling van twee homoseksuele soldaten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Russische autoriteiten overspoelen de ether met ‘positieve’ nieuwsverhalen

    » Afghanistan: Ten minste zestien doden bij twee aanslagen door IS

    Artikel 92-6 verbiedt homoseksueel gedrag onder soldaten

    Het Zuid-Koreaanse hooggerechtshof heeft een uitspraak van de militaire rechtbank te niet gedaan die twee homoseksuele soldaten veroordeelde voor het hebben van seks buiten militaire faciliteiten. De rechtbank is van mening dat de veroordeling de alom bekritiseerde militaire anti-homowet van het land te breed interpreteerde, meldt The Guardian.

    De beslissing van de rechtbank afgelopen donderdag om de zaak terug te sturen naar het militaire hooggerechtshof werd toegejuicht door mensenrechtenorganisaties. Mensenrechtenactivisten protesteerden al lang tegen artikel 92-6 van de militaire strafwet van 1962, die homoseksueel gedrag tussen soldaten in het overwegend mannelijke leger van het land verbiedt.

    ‘De specifieke opvattingen over wat onfatsoenlijkheid is, zijn met de tijd en de samenleving mee veranderd’

    Het artikel voorziet in een maximale gevangenisstraf van twee jaar voor ‘anale geslachtsgemeenschap‘ en ‘alle andere onfatsoenlijke handelingen‘ tussen militairen. Na de beraadslaging van het hooggerechtshof, zei opperrechter Kim Myeong-su dat zij tot de conclusie waren gekomen dat de bepalingen niet moeten worden toegepast op consensuele seks tussen mannelijke militairen die buiten militaire faciliteiten plaatsvindt tijdens de uren dat zij geen dienst hebben. ‘De specifieke opvattingen over wat onfatsoenlijkheid is, zijn met de tijd en de samenleving mee veranderd,’ zei Kim in een besluit dat online werd uitgezonden.

    De twee verdachten – een luitenant en sergeant van verschillende eenheden van de landmacht – waren in 2017 door militaire aanklagers beschuldigd van het hebben van seks buiten diensturen in een woning buiten hun bases in 2016.

    Lees ook:

  • Rapport: corruptie wereldwijd gegroeid tijdens corona

    Rapport: corruptie wereldwijd gegroeid tijdens corona

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Australië belooft 1 miljard dollar om het Groot Barrièrerif te beschermen

    » Noordwest-Arkansas lokt techpersoneel met bitcoin en gratis fiets

    Regeringen grijpen corona aan om mensenrechten te schenden

    ‘Regeringen wereldwijd gebruikten covid-19 om de mensenrechten uit te hollen’, kopt The Guardian naar aanleiding van een onthutsend rapport van de anticorruptie-organisatie Transparency International.

    De wereldwijde strijd tegen corruptie ligt al tien jaar stil. Wereldwijd is 86 procent van de landen of achteruitgegaan of heeft geen vooruitgang geboekt bij de aanpak van het probleem. Talrijke regeringen worden ervan beschuldigd de pandemie te gebruiken om de mensenrechten en de democratie uit te hollen, zo blijkt uit het rapport dat dinsdag werd gepubliceerd.

    Nederland handhaaft zijn achtste plaats in de top-10 minst corruptie landen

    Uit de jaarlijkse corruptieranglijst bleek ook dat landen die burgerlijke vrijheden schenden consequent lage scores halen. Dit toont aan dat een gebrek aan aanpak van corruptie de schendingen van mensenrechten verergert en de democratie ondermijnt, schrijft The Guardian.

    Nederland handhaaft zijn achtste plaats in de top-10 minst corruptie landen, net als vorig jaar. Denemarken is het minst corruptie land, volgens Transparency International. Het door geweld en honger geplaagde Zuid-Soedan staat onder aan de lijst.

    Lees ook:

  • Egypte: vijf jaar gevangenis voor mensenrechtenactivist Alaa Abdel Fattah

    Egypte: vijf jaar gevangenis voor mensenrechtenactivist Alaa Abdel Fattah

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Chili: verpletterende overwinning voor linkse presidentskandidaat Boric

    » Ghana gaat ongevaccineerde reizigers beboeten

    Egypte blijft optreden tegen oppositie

    De mensenrechtenactivist Alaa Abdel Fattah, die momenteel in voorlopige hechtenis zit, is maandag door een speciale rechtbank in Caïro veroordeeld wegens ‘het verspreiden van valse informatie’, zo heeft zijn zus bekendgemaakt. Fattah speelde een rol in de Egyptische revolutie van 2011. Twee andere activisten werden op dezelfde gronden tot vier jaar gevangenisstraf veroordeeld: Mohamed Al-Baqer, de voormalige advocaat van Alaa Abdel Fattah, en blogger Mohamed Ibrahim, alias Oxygen. Tegen deze vonnissen kan geen beroep worden ingesteld.

    ‘President Abdel-Fattah Al-Sisi, die in 2014 aan de macht kwam, heeft onlangs geprobeerd zijn imago op het gebied van mensenrechten te verbeteren nadat hij had erkend dat het huidige beeld van Egypte bij de internationale gemeenschap zijn diplomatieke en economische belangen schaadde’, schrijft Nada Rashwan, Egypte-correspondent van The New York Times. Maar critici zeggen dat er eigenlijk ‘geen significante verandering’ is geweest.

    Lees ook:

  • Nieuwe voorzitter Interpol wordt beschuldigd van marteling

    Nieuwe voorzitter Interpol wordt beschuldigd van marteling

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Italië: Fraude op universiteit voor buitenlanders

    » Meer dan vijftig doden bij brand in een Siberische kolenmijn

    Generaal Ahmed Nasser Al-Raisi uit de VAE heeft een duister verleden

    ‘Ahmed Nasser Al-Raisi is verkozen tot de nieuwe voorzitter’ van Interpol, zo heeft de internationale politieorganisatie donderdag 25 november bekendgemaakt op haar Twitter-account. ‘Dit illustreert het hoge aanzien dat de Verenigde Arabische Emiraten en hun politie- en veiligheidssysteem genieten’ in de wereld, aldus de krant Al-Ittihad uit Abu Dhabi, die verwijst naar Al-Raisi’s profiel als inspecteur-generaal bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.

    De VAE is de afgelopen jaren de op een na grootste contribuant aan Interpol is geworden, wat waarschijnlijk niet los staat van hun meest recente diplomatieke succes. ‘Hij is de eerste kandidaat uit het Midden-Oosten die deze positie bekleedt’, aldus de Engelstalige krant The National uit Abu Dhabi.

    Zijn benoeming is echter niet voor iedereen in de regio een bron van trots. Zo wijst de pers in het naburige Qatar erop dat Al-Raisi van foltering wordt beschuldigd. ‘Ook al is zijn functie in feite honorair, en is het de secretaris-generaal die zorgt voor het functioneren van de organisatie, toch waren verschillende mensenrechtenorganisaties en Europese afgevaardigden tegen zijn verkiezing‘, schrijft de website Al-Araby Al-Jadid.

    ‘Al-Raisi is betrokken is bij mensenrechtenschendingen, arrestaties van politieke tegenstanders, hacken en spionage’

    ‘In oktober 2020 maakten negentien ngo’s, waaronder Human Rights Watch, zich al zorgen over de mogelijke keuze van de generaal uit de VAE die ”lid is van een veiligheidsapparaat dat zich systematisch richt tegen de vreedzame oppositie”’, schrijft het Libanese dagblad L’Orient-Le Jour.

    ‘Hij is de veiligheidschef van een dictatoriaal en onderdrukkend regime’, hekelde de Saoedische mensenrechtenactivist Taha Al-Hajji op Twitter. Al-Hajji wijst erop dat Al-Raisi ‘betrokken is bij mensenrechtenschendingen, arrestaties van politieke tegenstanders, hacken en spionage’.

    ‘Dit is een verontrustend bericht’, aldus de mensenrechtenorganisatie Mena Rights Group uit het Midden-Oosten, die op Twitter schrijft dat Interpol ‘nu wordt vertegenwoordigd door een autocratisch regime dat het uiten van kritiek als terrorisme beschouwt en dat zijn tegenstanders bespioneert, arresteert en martelt’. Volgens de Britse krant The Guardian is deze bezorgdheid des te meer gerechtvaardigd omdat de Emiraten ervan worden verdacht ‘misbruik te hebben gemaakt van het opsporingssysteem van Interpol om politieke tegenstanders te vervolgen’.

    Lees ook:

  • Hulp aan mensensmokkelaars. Noodzaak of strafbaar feit?

    Hulp aan mensensmokkelaars. Noodzaak of strafbaar feit?

    Een Italiaanse antimaffia-instantie coördineert de Italiaanse en Europese aanpak van smokkelaars die mensen vanuit Libië naar Europa proberen te krijgen. De aanpak lijkt succesvol en bedient de wensen van de publieke opinie, maar uit onderzoek van The Intercept blijkt dat het voornamelijk migranten zijn die worden opgepakt en veroordeeld. Smokkelbendes blijven grotendeels buiten schot.

    ‘Afana Dieudonne noemt zichzelf geen held, want hij heeft dingen gedaan waar hij niet trots op is. Zoals iedereen in zijn situatie zou doen om te overleven, zegt hij. Dieudonne reisde van Kameroen naar Tunesië per vliegtuig, vandaar met de auto en te voet door de woestijn naar Libië, en belandde vervolgens in een rubberboot op de Middellandse Zee.’ Zo beginnen Zach Campbell en Lorenzo D’Agostino hun verhaal voor The Intercept. Het verhaal van Afana Dieudonne kenmerkt de huidige aanpak van het migrantendrama.

    Mensensmokkelaars in Libië die het onderduikadres beheerden waar Dieudonne verbleef, vroegen om zijn hulp. Hij sprak een beetje Engels en wilde geen problemen, dus hij hielp hen, beducht omdat ze vaak stoned waren en altijd gewapend. Soms vroegen ze hem voedsel en water onder de andere migranten te verdelen. Andere keren verklikte hij degenen die hun bevelen niet opvolgden. Soms dwongen de mensenhandelaars hem tot geweld tegen zijn lotgenoten. Zij of ik, redeneerde hij.

    Op 30 september 2014 duwden de smokkelaars Dieudonne en 91 anderen in een rubberboot de zee op. In de pikdonkere nacht zagen ze de lichten van de Libische kust uit het zicht verdwijnen. Na een dag op zee begon de overvolle rubberboot water te maken. De opvarenden werden gered door een schip van een hulporganisatie en overgebracht naar een schip van de Italiaanse kustwacht. Dieudonne werd eruit gepikt voor ondervraging.

    Ze krijgen betaald om een reis te organiseren die zo gevaarlijk is dat hij al tienduizenden levens heeft geëist

    De eerste vragen die hem werden gesteld waren kort en routineus: naam, leeftijd, nationaliteit. En toen veranderde de ondervraging van toon: de agenten wilden weten hoe de mensenhandel in Libië werkte, zodat ze de betrokkenen konden arresteren. Ze wilden weten wie de rubberboot had bestuurd en wie had genavigeerd.

    Hij vertelde alles en wees ook de ‘kapitein’ aan, tussen aanhalingstekens, want er was geen echte kapitein. De echte mensensmokkelaars blijven in Libië, aldus Dieudonne, en degenen die handelen als ‘de “kapiteins” doen dat niet uit vrije wil’.

    Het antimaffia-agentschap

    Om migratie in het centrale Middellandse Zeegebied aan te pakken waren de inspanningen van de Italiaanse regering en de Europese Unie jarenlang gefixeerd op de achterblijvers in Libië. Die worden afwisselend facilitators, smokkelaars, mensenhandelaars of militieleden genoemd. Ze voorzien in hun levensonderhoud door anderen te helpen op illegale wijze Europa binnen te komen. Ze krijgen betaald om een reis te organiseren die zo gevaarlijk is dat hij al tienduizenden levens heeft geëist.

    De Europese poging om deze smokkelnetwerken te ontmantelen wordt aangestuurd door een opmerkelijk instituut: de Direzione nazionale antimafia e antiterrorismo (DNAA): het Italiaanse antimaffia- en antiterreuragentschap. Deze kleine politie-afdeling uit Rome verwierf in de jaren negentig en begin 2000 aanzien door grote delen van de maffia in Sicilië en elders in Italië te ontmantelen.

    Uit niet eerder gepubliceerde interne documenten blijkt dat DNAA een belangrijke rol speelde bij het toezicht op de zuidelijke zeegrenzen van Europa, in nauwe samenwerking met het EU-grensagentschap Frontex en Europese militaire missies die voor de Libische kust opereren.

    Illegale migratie naar Europa kreeg dezelfde aanpak als de maffia

    Onder leiding van de ervaren maffiajager Franco Roberti ontwikkelde DNAA een strategie die uniek was, in ieder geval nieuw voor de instanties die de grenzen moeten bewaken. Illegale migratie naar Europa zou dezelfde aanpak als de maffia krijgen. Hierdoor kregen de Italiaanse en Europese politie, kustwacht en marine, die volgens het internationaal recht verplicht zijn om gestrande vluchtelingen op zee te redden, de mogelijkheid om op zijn minst een aantal arrestaties en veroordelingen te verrichten.

    Het idee was om laaggeplaatste handlangers te arresteren en hen met dwang en de belofte van strafvermindering ertoe te brengen hun opdrachtgevers prijs te geven. Zo zouden onderzoekers de mensen een stap hoger op de ladder kunnen identificeren, om uiteindelijk de smokkelbendes in Libië te ontmantelen. Bij elke boot die in Italië arriveerde, verrichtte de politie een handvol arrestaties. Iedereen die tijdens de overtocht een actieve rol had gespeeld, van het sturen tot het vasthouden van een kompas tot het uitdelen van water of het repareren van een lek, kon worden gearresteerd op grond van de nieuwe wettelijke richtlijnen die werden opgesteld door Roberti’s antimaffia-eenheid.

    Aanklachten varieerden van smokkel tot transnationale criminele samenzwering en zelfs moord, als opvarenden benedendeks waren gestikt of waren verdronken. Het aantal mensen dat sinds 2013 is gearresteerd wordt in de duizenden geschat.

    Voor de politie, aanklagers en betrokken politici waren deze arrestaties een belangrijk binnenlands politiek succes want de publieke opinie in Italië had zich tegen migratie gekeerd, en nu haalden politiefoto’s van vermeende smokkelaars regelmatig de voorpagina‘s.

    De meeste ‘succesvolle’ vervolgingen betroffen veelal migranten die voor hun overtocht hadden betaald

    The Intercept vroeg documenten op via de Italiaanse Wet openbaarheid van bestuur. Uit notulen van niet-openbare gesprekken tussen leidinggevenden blijkt dat de meeste ‘succesvolle’ vervolgingen alleen betrokkenen op laag niveau betroffen, veelal migranten die voor hun overtocht hadden betaald. Smokkelbazen zelf werden zelden veroordeeld. Uit de documenten blijkt dat veel rechtszaken zijn gebaseerd op overhaaste onderzoeken en ondervragingen waarbij sprake was van dwang.

    In de jaren die volgden ging DNAA tot het uiterste om de stroom van arrestaties voort te zetten. Volgens interne documenten coördineerde het bureau een reeks strafrechtelijke onderzoeken naar de civiele hulporganisaties die levens redden in de Middellandse Zee en ervan worden beschuldigd het werk van de politie te belemmeren. DNAA zag ook toe op pogingen om een nieuwe kustwacht in Libië op te richten en op te leiden, wetende dat sommige kustwachtofficieren samenwerken met de smokkelnetwerken die de Italiaanse en Europese diensten juist proberen te bestrijden.

    Sinds de oprichting heeft het antimaffia-agentschap ongekende onderzoeksinstrumenten gebruikt en fungeerde het als een brug tussen politici en de rechtbanken. De documenten onthullen tot in de kleinste details hoe het agentschap met Italiaanse en Europese functionarissen, gebruikmaakte van allerlei bevoegdheden om vermeende smokkelaars aan te pakken, terwijl ze wisten dat het in de meeste gevallen ging om wanhopige mensen die op de vlucht waren voor armoede en geweld en die beperkte middelen hadden om zichzelf in de rechtbank te verdedigen.

    Tragedie en kansen

    DNAA werd begin jaren negentig opgericht na een decennium van escalerend maffiageweld. Tegen die tijd waren honderden aanklagers, politici, journalisten en politieagenten neergeschoten, opgeblazen of ontvoerd, en nog veel meer werden afgeperst door georganiseerde misdaadfamilies die actief waren in Italië en ver daarbuiten.

    In Palermo, de Siciliaanse hoofdstad, was officier van justitie Giovanni Falcone een rijzende ster in de Italiaanse rechterlijke macht. Falcone had ongekend succes behaald met een aanpak van de georganiseerde misdaad die gebaseerd was op het volgen van geldstromen, het in beslag nemen van activa en het centraliseren van bewijsmateriaal dat door openbare aanklagers op het eiland was verzameld. Maar toen de maffia uitbreidde naar de rest van Europa, bleek Falcone‘s werk ontoereikend.

    In september 1990 reisde een maffiacommando vanuit Duitsland naar Sicilië om een 37-jarige rechter neer te schieten. Weken later, bij een politiecontrole in Napels, bleek dat de Siciliaanse chauffeur van de vrachtwagen vol wapens, explosieven en drugs, ingezetene van Duitsland was. Een maand na diens arrestatie reisde Falcone naar Duitsland om een infrastructuur voor informatie-uitwisseling met de autoriteiten op te zetten. Hij bracht een jongere collega uit Napels mee, Franco Roberti.

    Het was een huwelijk tussen politie, justitie, politieke belangen en zogenaamd apolitieke rechtbanken

    ‘We stonden tegenover een ondoordringbare muur’, aldus een bittere Roberti, die drie decennia later met The Intercept sprak in Napels. Inmiddels 73 jaar oud en met de hese stem van een levenslange roker, beschrijft Roberti het Italiaanse maffiaprobleem in directe bewoordingen. Hij betreurt het gebrek aan internationale samenwerking dat volgens hem tot op de dag van vandaag voortduurt. ‘Ze beweerden dat ze geen onderzoek hoefden te doen,’ aldus Roberti, ‘omdat het aan ons was om Italiaanse maffiosi in Duitsland te traceren.’

    Toen de aanklagers met lege handen terugreisden naar Italië, vertelde Falcone hem dat we ‘een gecentraliseerd nationaal orgaan nodig hadden dat rechtstreeks met buitenlandse gerechtelijke autoriteiten kon spreken en onderzoeken in Italië kon coördineren’.

    ‘Zo ontstond het idee van het antimaffia-agentschap’, aldus Roberti. De twee begonnen met het opzetten van wat de eerste nationale antimaffiastrijdmacht van Italië zou worden.

    Destijds was er veel weerstand tegen het project. Critici voerden aan dat Falcone en Roberti ‘superaanklagers’ creëerden met buitensporige macht over de rechtbanken, terwijl ze ondertussen onderhevig waren aan politieke druk van de regering in Rome. Het was, zo luidde de kritiek, een huwelijk tussen politie, justitie, politieke belangen en zogenaamd apolitieke rechtbanken; handig om de maffia te veroordelen, maar gevaarlijk voor de Italiaanse democratie.

    Toch werd het project in januari 1992 goedgekeurd door het Italiaanse parlement. Maar Falcone zou er nooit leiding aan geven want enkele maanden later werd hij gedood door een maffiabom, samen met zijn vrouw en de drie agenten die hen begeleidden. Door die aanslag verstomde alle kritiek op het plan van Falcone.

    ‘Ten overstaan van ons allemaal zetten de smokkelaars een man in een koelkast om te laten zien hoe de volgende zou worden behandeld die zich zou misdragen’

    DNAA werd een van de belangrijkste instellingen van Italië, als nationale autoriteit voor alles wat betrekking heeft op de georganiseerde misdaad en als de instantie die verantwoordelijk is voor het gedeeltelijk bevrijden van het land uit de eeuwenlange greep van de maffia. In de decennia na de dood van Falcone deed DNAA wat velen in Italië voor onmogelijk hielden, door grote delen van de vijf belangrijkste Italiaanse misdaadfamilies te ontmantelen en het aantal moorden door de maffia bijna te halveren.

    Maar tegen de tijd dat Roberti er de leiding kreeg in 2013, was het alweer jaren geleden dat de laatste spraakmakende maffiavervolging had plaatsgevonden. Tegelijkertijd kreeg Italië te maken met een ongekend aantal migranten dat per boot arriveerde. Zo kwam Roberti op het idee om DNAA te laten optreden tegen wat hij zag als een ander soort maffia. Hij richtte zijn blik op Libië.

    ‘We moesten beter gecoördineerd handelen om mensensmokkel te bestrijden en dus nodigde ik iedereen aan tafel met als belangrijkste doel om levens te redden, schepen in beslag te nemen en smokkelaars te pakken’, aldus Roberti. ‘En dat hebben we gedaan.’

    Gewelddadigheden

    Afana Dieudonne bereikte de Libische havenstad Zuara in augustus 2014. Hij hoefde alleen nog de Middellandse Zee over en hij zou in Europa zijn. De smokkelaars die hij voor die stap betaalde, namen hem al zijn bezittingen af en stopten hem in een verlaten gebouw dat diende als onderduikadres om zijn beurt af te wachten.

    Dieudonne vertelt zijn verhaal in een klein kantoor in Bari, de Italiaanse havenstad waar hij nu een coöperatie runt die nieuwkomers helpt toegang te krijgen tot lokaal onderwijs. Hij is vurig en charismatisch. Telkens als hij iets betoogt, tikt hij met zijn knokkels op tafel. Hij stond drong er bij The Intercept op aan dat ze zijn echte naam zouden publiceren. Anderen die de reis recenter maakten en in afwachting zijn van beslissingen over hun verblijfsvergunning of vluchtelingenstatus, waren minder bereid om openlijk te spreken.

    Dieudonne herinnert zich zijn onderduik in Zuara als een aaneenschakeling van gewelddadigheden. De smokkelaars kwamen één keer per dag met eten en vroegen dan wie hun bevelen niet hadden opgevolgd. De aanwezigen in het gebouw wisten dat ze niet snel zouden worden ontdekt door politie of rivaliserende smokkelaars, maar ze wisten ook dat ze niet vrij waren om te vertrekken.

    ‘Ten overstaan van ons allemaal zetten de smokkelaars een man in een koelkast om te laten zien hoe de volgende zou worden behandeld die zich zou misdragen‘, herinnert Dieudonne zich verontwaardigd. Hij was getuige van martelingen, schietpartijen en verkrachtingen. ‘De eerste keer dat je het ziet, doet het je pijn. De tweede keer doet het je minder pijn. De derde keer’, zegt hij schouderophalend, ‘wordt het normaal. Het is de enige manier om te overleven.’

    ‘Daarom moet ik erom lachen dat mensen die een boot bestuurden worden aangehouden en dan als mensensmokkelaar worden behandeld’, zei Dieudonne. Migranten die naar Italië reisden, meldden dat ze onder bedreiging van een vuurwapen hebben moeten sturen. ‘Dat doe je alleen om niet ter plekke te sterven.’

    Mare Nostrum

    Twee jaar na de val van de regering van Moammar Qadhafi was een groot deel van de noordwestkust van Libië veranderd in een pleisterplaats voor smokkelaars die overtochten naar Europa organiseerden in grote houten vissersboten. Die overvolle schepen, ondermaats bestuurd door amateurs, kapseisden onvermijdelijk, met honderden doden als resultaat. In oktober 2013 eisten twee schipbreuken voor de kust van het Italiaanse eiland Lampedusa meer dan vierhonderd levens, wat tot publieke verontwaardiging leidde in heel Europa. Als reactie hierop lanceerde de Italiaanse staat twee plannen, het ene openbaar en het andere privé.

    ‘Het was een grote schok toen de tragedie bij Lampedusa plaatsvond’, herinnert de Italiaanse senator Emma Bonino zich, destijds de Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken. De premier ‘belegde een spoedvergadering en we besloten om onmiddellijk met een reddingsprogramma te beginnen’, zei Bonino. ‘Iemand wilde het programma “veilige zeeën” noemen, maar ik zei nee, niet veilig, want er zullen zeker nog andere tragedies volgen. Laten we het Mare Nostrum noemen.’

    Mare Nostrum, ‘onze zee‘ in het Latijn, werd de naam voor een reddingsmissie in de internationale wateren voor de kust van Libië die een jaar duurde en die meer dan 150.000 mensen redde. De operatie bracht Italiaanse schepen, vliegtuigen en onderzeeërs dichter dan ooit bij de Libische kust. Franco Roberti, net twee maanden hoofd van DNAA, zag mogelijkheden om het juridische bereik van het land uit te breiden en een dodelijke slag toe te brengen aan smokkelbendes in Libië.

    Vijf dagen na de start van Mare Nostrum lanceerde Roberti zijn plan: een reeks coördinatievergaderingen tussen de hoogste echelons van de Italiaanse politie, marine, kustwacht en justitie. Onder leiding van Roberti zouden deze bijeenkomsten vier jaar duren en uiteindelijk vertegenwoordigers van Frontex, Europol, een militaire operatie van de EU en zelfs Libië omvatten.

    Iedereen die als bemanningslid optrad of een noodoproep deed op een boot met migranten, moest als medeplichtige aan mensensmokkel worden beschouwd

    De notulen van vijf van deze bijeenkomsten, die door Roberti werden gepresenteerd aan een commissie van het Italiaanse parlement en die in handen zijn van The Intercept, bieden een ongekend kijkje achter de schermen van de gebeurtenissen aan de zuidelijke grenzen van Europa sinds het drama van Lampedusa.

    Tijdens de eerste bijeenkomst, gehouden in oktober 2013, vertelde Roberti de deelnemers dat de antimaffiabureaus in de Siciliaanse stad Catanië een innovatieve manier hadden ontwikkeld om migrantensmokkel aan te pakken. Door Libische smokkelaars aan te pakken zoals ze de Italiaanse maffia hadden aangepakt, konden aanklagers jurisdictie claimen over internationale wateren tot ver buiten de Italiaanse grenzen. Dat, aldus Roberti, betekende dat ze legaal aan boord konden gaan van schepen op volle zee om ze te onderzoeken en er beslag op te leggen en dat gevonden bewijsmateriaal in de rechtbank kon worden gebruikt.

    De Italiaanse autoriteiten weten al sinds lange tijd dat ze volgens de internationale maritieme wetgeving verplicht zijn om mensen die Libië ontvluchten op overvolle boten te redden en in veiligheid te brengen. Toen het aantal mensen dat de oversteek probeerde te maken steeg, raakten veel Italiaanse officieren van justitie en kustwachters ervan overtuigd dat smokkelaars op deze reddingsacties vertrouwden om hun bedrijfsmodel te laten werken. Daarom luidde de antimaffiaredenering: iedereen die als bemanningslid optreedt of een noodoproep doet op een boot met migranten, moet als medeplichtige aan mensensmokkel worden beschouwd en onderworpen worden aan de Italiaanse jurisdictie.

    Europese leiders zochten koortsachtig naar een oplossing voor wat zij zagen als een dreigende migratiecrisis. Italiaanse functionarissen dachten dat ze het antwoord hadden en rechtvaardigden hun beslissingen publiekelijk om toekomstige verdrinkingen te voorkomen.

    Maar volgens de notulen van de antimaffiavergadering in 2013 was deze nieuwe strategie zeker een week ouder dan de schipbreuken bij Lampedusa. Siciliaanse aanklagers hadden het plan al opgesteld om de migratie over de Middellandse Zee aan te pakken, maar misten de instrumenten en de publieke steun om het in daden om te zetten. Na de tragedie van Lampedusa en de oprichting van Mare Nostrum, hadden ze plotseling allebei.

    Scafisti

    Dieudonne en 91 anderen werden gered in de internationale wateren voor de kust van Libië door een Europese ngo genaamd MOAS (Migrant Offshore Aid Station). Ze brachten twee dagen door aan boord van het schip van MOAS voordat ze werden overgebracht naar een schip van de Italiaans kustwacht, de Nave Dattilo, om naar Europa te worden gebracht.

    Aan boord van de Dattilo vroegen kustwachters aan Dieudonne waarom hij Kameroen had verlaten. Ze lieten hem een foto zien van de rubberboot die vanuit de lucht was genomen. ‘Ze vroegen me wie er stuurde, wie welke rol had en zo’, zegt hij. ‘Toen vroegen ze me of ik kon vertellen hoe mensenhandel in Libië werkt, dan zouden ze me verblijfsdocumenten geven.’

    Aanvankelijk wilde hij niet niet graag meewerken. Hij wilde geen lotgenoten beschuldigen, maar was ook bang dat hij verdachte zou kunnen worden. Per slot van rekening had hij de stuurman een paar keer geholpen tijdens de reis. ‘Ik dacht dat ze me pijn zouden doen als ik niet meewerkte‘, zegt hij. ‘Niet zozeer lichamelijk, maar ze zouden me als oneerlijk kunnen beschouwen, als iemand die deel uitmaakt van de mensenhandel.’

    Dieudonne kan niet begrijpen waarom Italië mensen zou straffen die zijn gevlucht voor armoede en politiek geweld in West-Afrika

    Tot op de dag van vandaag zegt hij dat hij niet kan begrijpen waarom Italië mensen zou straffen die zijn gevlucht voor armoede en politiek geweld in West-Afrika. Hij somt gebeurtenissen van alleen al het afgelopen jaar op: dienstplicht, hongersnood, corruptie, gewapende milities, aanvallen op scholen. ‘En je probeert dan iemand te veroordelen omdat hij erin is geslaagd daaraan te ontkomen?’

    Het kustwachtschip legde aan in Vibo Valentia, een stad in Calabrië. Tijdens het ontschepen vertelde een plaatselijke politieagent aan een journalist dat ze vijf mensen hadden gearresteerd. De journalist vroeg hoe de politie de verdachte had geïdentificeerd. ‘Er is veel gedaan door de kustwacht’, antwoordde de agent. ‘De migranten zijn twee dagen geleden opgepikt en de vermeende smokkelaars zijn bekend. En we hebben getuigenverklaringen en video’s.’

    Gevallen als deze, waarbij arrestaties worden verricht op basis van foto- of videobewijs en verklaringen van getuigen zoals Dieudonne, komen vaak voor, aldus Gigi Modica, een rechter in Sicilië die veel immigratie- en asielzaken heeft gedaan. ‘Het is meestal hetzelfde verhaal. Ze pakken drie of vier mensen op, niet meer. Ze stellen hen twee vragen: wie bestuurde de boot en wie hield het kompas vast’, aldus Modica. ‘Dat is alles. Zo krijgen ze namen en de rest maakt ze niets uit.’

    Als een van de eerste rechters in Italië sprak Modica mensen vrij die beschuldigd waren van het besturen van rubberboten, in het Italiaans bekend als scafisti, op grond van het feit dat ze daartoe gedwongen werden. Dergelijke ‘noodtoestand’-uitspraken komen sindsdien steeds vaker voor. Modica noemt de onregelmatigheden op die hij in soortgelijke gevallen heeft gezien: systemisch racisme, getuigenverklaringen waarvan migranten later zeiden dat ze die niet hadden afgelegd, ondervragingen zonder aanwezigheid van een vertaler of advocaat, en in sommige gevallen aanmoediging door de politie om afstand te doen van het recht om asiel aan te vragen.

    ‘Heel vaak zijn deze vermeende scafisti gewone mensen die door smokkelaars in Libië gedwongen werden een boot te besturen’, aldus Modica.

    Getuigen worden enkele uren na hun redding op zee door de politie verhoord, terwijl ze vaak nog in shock zijn van het overleven van een schipbreuk

    Documenten van meer dan een dozijn processen die door The Intercept zijn ingezien, laten zien dat vervolgingen grotendeels zijn gebaseerd op getuigenissen van migranten aan wie een verblijfsvergunning is beloofd in ruil voor medewerking. Getuigen worden al enkele uren na hun redding op zee door de politie verhoord, terwijl ze vaak nog in shock zijn van het overleven van een schipbreuk.

    In veel gevallen worden identieke verklaringen, inclusief typefouten, toegeschreven aan verschillende getuigen en gekopieerd en geplakt in verschillende politierapporten. Sommige van deze rapporten zorgden voor decennialange straffen. In andere gevallen weerspraken of ontkenden getuigen de verklaringen van de politie tijdens een kruisverhoor in de rechtbank.

    De Italiaanse kustwacht besloot in sommige gevallen redding uit te stellen van boten die in nood verkeerden, in afwachting van schepen om arrestaties uit te voeren

    Al in 2015 bespraken de aanwezigen op de antimaffiabijeenkomsten het probleem van dergelijke vervolgingen. Tijdens een bijeenkomst in februari erkende Giovanni Salvi, toen de officier van justitie van Catanië, dat migrantenboten vaak in internationale wateren werden achtergelaten door smokkelaars. Toch zette de Italiaanse politie vaart achter vervolging van degenen die aan boord waren achtergebleven.

    Deze vervolgingen werden zo belangrijk geacht dat de Italiaanse kustwacht in sommige gevallen besloot redding uit te stellen van boten die in nood verkeerden, in afwachting van de ‘de komst van institutionele schepen die arrestaties kunnen uitvoeren’, zo vertelde een kustwachtcommandant tijdens de bijeenkomst.

    Gevraagd naar de opmerkingen van de commandant, ontkende de Italiaanse kustwacht ‘ooit’ een reddingsoperatie te hebben vertraagd. Het uitstellen van redding om welke reden dan ook is in strijd met het internationale en Italiaanse recht en zou volgens verschillende mensenrechtenadvocaten in Europa aanleiding kunnen zijn voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.

    Lees hier deel 2 van dit artikel.

  • Het schandaal van Sri Lanka

    Het schandaal van Sri Lanka

    Vladimir Poetin en Anna Politkovskaja, Mohammed Bin Salman en Jamal Khashoggi: in autocratische en corrupte landen wordt de naam van vermoorde journalisten vaak in één adem genoemd met die van de machthebbers.
    Dit geldt ook voor de moord op een Sri Lankaanse journalist waarin de hand van de zittende president van Sri Lanka wordt vermoed. De dochter van de journalist vecht voor gerechtigheid.

    Op vrijdag 9 januari 2009 publiceerde The Hindu, met 2,24 miljoen lezers de op twee na grootste Engelstalige krant van India, dit nieuwsbericht:

    ‘COLOMBO: Lasantha Wickramatunga, hoofdredacteur van het Engelstalige Sri Lankaanse weekblad Sunday Leader, werd donderdagochtend door onbekende schutters vermoord in zijn auto toen hij op weg was naar zijn werk.

    Volgens de politie beschoten twee niet-geïdentificeerde personen op motorfietsen Wickramatunga en werd hij geraakt in de borst, het hoofd en de buik.

    Wickramatunga, een felle criticus van de regering van Mahinda Rajapaksa, stierf drieënhalf uur later in een ziekenhuis.

    De mediagemeenschap in het land is verontwaardigd over het falen van de regering om journalisten te beschermen en over de toenemende aanvallen op de pers.

    De Sri Lankaanse president Mahinda Rajapaksa veroordeelde de moord op Wickramatunga als een poging om zijn regering in diskrediet te brengen; oppositieleider en een voormalig premier Ranil Wickremesinghe beschuldigt de regering ervan critici het zwijgen op te leggen.

    Rajapaksa omschrijft Wickramatunga als een goede vriend en een moedige journalist en betoogt dat “dit gruwelijke misdrijf wijst op de ernstige gevaren die de democratische sociale orde van ons land bedreigen, en op het bestaan van krachten die tot het uiterste gaan in het gebruik van terreur en criminaliteit om ons sociale weefsel te beschadigen en het land in diskrediet te brengen”.

    Tijdens een persconferentie met andere oppositieleiders, zei Wickremesinghe dat de moord op de hoofdredacteur van Sunday Leader deel uitmaakt van een antidemocratisch complot.’

    Twaalf jaar later

    Precies twaalf jaar na de moord, op 8 januari van dit jaar, schreef The Hindu:

    ‘De dochter van een vermoorde Sri Lankaanse journalist heeft op 8 januari een klacht ingediend bij het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties over vermeende betrokkenheid van de overheid bij de dood van haar vader twaalf jaar geleden.

    Het in San Francisco gevestigde Center for Justice and Accountability diende de klacht in namens Ahimsa Wickrematunge, dochter van Lasantha Wickrematunge, die werd vermoord door een aan het leger gelieerde eenheid toen hij naar zijn werk reed.

    Lasantha Wickrematunge, hoofdredacteur van de inmiddels ter ziele gegane Sunday Leader, was een scherpe criticus van de huidige president Gotabaya Rajapaksa, die destijds minister van Defensie was. De oudere broer van Gotapaya Rajapaksa, de huidige premier Mahinda Rajapaksa, was destijds president.

    De moord op Lasantha Wickrematunge werd het symbool van vermeend machtsmisbruik en straffeloosheid door de overheid tijdens de burgeroorlog in Sri Lanka. Dit kwam prominent naar voren in een onderzoek dat in 2015 werd uitgevoerd door de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN-bureau.

    Volgens de klacht werd Lasantha Wickrematunge vermoord een paar dagen voordat hij zou getuigen in een lasterzaak die was aangespannen door Gotabaya Rajapaksa. Dit vanwege een artikel waarin zijn betrokkenheid wordt genoemd bij een corruptieschandaal rondom de aankoop van gevechtsvliegtuigen. Op dat moment vond de eindfase plaats van de decennialange burgeroorlog tussen Sri Lankaanse troepen en etnische Tamil-rebellen.

    Elk moment dat ze er gelegenheid toe hebben, dwarsbomen de broers het onderzoek naar de moord op de journalist. Een moord waar ze zelf op z’n minst baat bij hebben gehad

    Zowel de regeringstroepen als de verslagen rebellen zijn beschuldigd van ernstige schendingen van de mensenrechten.

    De Sri Lankaanse minister van Buitenlandse Zaken, admiraal Jayanath Colambage, zegt dat hij de klacht niet heeft gezien en vanwege de gevoelige aard ervan niet in staat is commentaar te leveren zonder de mening van zijn politieke leiders te kennen.

    Volgens de klacht hebben instanties voor wetshandhaving ofwel geen geloofwaardig onderzoek uitgevoerd, ofwel zich actief bemoeid met pogingen om onderzoek te verhinderen.

    Nadat Mahinda Rajapaksa in 2015 de presidentsverkiezingen verloor, werd een nieuw onderzoek gestart, maar een politieke machtsstrijd in de nieuwe regering verhinderde dat de zaak tot een einde kwam.

    Er is geen vooruitgang geboekt in het onderzoek sinds Gotabaya Rajapaksa tot president werd gekozen.’

    Klacht bij de VN

    Een journalist, diens onderzoek naar een corruptieschandaal rond de aanschaf van gevechtsvliegtuigen, een moord en twee broers die stuivertje wisselen om de macht. De ene Rajapaksa schopt het van Defensieminister onder zijn broer tot president van Sri Lanka en de andere Rajapaksa wordt na zijn presidentschap premier van het land.

    Elk moment dat ze er gelegenheid toe hebben, dwarsbomen de broers het onderzoek naar de moord op de journalist. Een moord waar ze zelf op z’n minst baat bij hebben gehad.

    Ahimsa Wickrematunge, schrijver en activist en dochter van de vermoorde journalist, laat het er niet bij zitten en diende begin dit jaar een klacht in bij het Comité voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties. Vorige week lichtte ze in een opiniestuk in The Washington Post de achtergrond toe. 

    ‘In 2007 onthulde mijn vader, Lasantha Wickrematunge, een van Sri Lanka’s meest onafhankelijke journalisten, een wapenovereenkomst waarbij de toenmalige minister van Defensie Gotabaya Rajapaksa meer dan $10 miljoen aan overheidsgeld verduisterde. Rajapaksa daagde hem voor de rechtbank wegens laster.

    Kort daarna werden de persen van mijn vader bij de Sunday Leader, waarvan hij hoofdredacteur was, midden in de nacht bestormd door een bende gemaskerde mannen. Twee van zijn medewerkers werden aangevallen en de persen werden in brand gestoken.

    ‘Een gat in mijn ziel’

    Op 8 januari 2009, enkele weken voordat mijn vader kon getuigen over de corrupte wapendeal, lokten officieren van de militaire inlichtingendienst hem in een hinderlaag toen hij naar zijn werk reed. Ze hebben hem vermoord, mijn familie verscheurd, een gat in mijn ziel gebrand en journalisten in heel Sri Lanka verlamd.

    Ik houd Rajapaksa verantwoordelijk, zoals ik duidelijk maakte toen ik stappen nam om Rajapaksa in Los Angeles aan te klagen voor zijn rol in de moord op mijn vader. Zijn verbijsterende verkiezing tot president van Sri Lanka in november 2019 heeft onmetelijke pijn veroorzaakt bij mij en mijn familie en schade toegebracht aan het weefsel van de Sri Lankaanse samenleving. (Toen een BBC-verslaggever Rajapaksa ondervroeg over de moord op mijn vader, ontweek hij de vraag en lachte wegwuivend.)

    Vorige week presenteerde Michelle Bachelet, Hoge Commissaris voor de Mensenrechten bij de Verenigde Naties, een rapport waarin een vernietigend oordeel werd uitgesproken over schendingen van de mensenrechten in Sri Lanka. Ze raadde de internationale gemeenschap aan om stappen te zetten en Sri Lanka verantwoordelijk te houden voor de aanhoudende nalatigheid om te voorzien in gerechtigheid voor de slachtoffers. In de komende weken beraadt de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties zich over een mogelijke reactie.

    Het filmpje waarin Rajapaksa de moord wegwuift. ‘Why are people so worried about one man?’

    Gruweldaden

    Toen Mahinda Rajapaksa in november 2005 tot president van Sri Lanka werd gekozen, wees hij zijn broer Gotabaya aan om het ministerie van Defensie van Sri Lanka te leiden. Onder hun toezicht vonden enkele van de ergste gruweldaden in Sri Lanka plaats en ze richtten zich systematisch op elke journalist die dapper genoeg was om zich tegen hen uit te spreken. 

    Na de electorale nederlaag van zijn broer in 2015 verdween hij korte tijd van het toneel, maar Gotabaya Rajapaksa, beschuldigd van oorlogsmisdaden, is nu opnieuw aan de macht. Het wegmoffelen dat volgde op de dood van mijn vader in 2009 gebeurde grondig en zorgvuldig, zoals blijkt uit mijn recente communicatie met de Verenigde Naties en uit documentatie van Human Rights Watch.

    Het autopsierapport sprak de bevindingen van het ziekenhuis over de doodsoorzaak tegen. Onderzoekers werden bedreigd. Bewijs werd vervalst en geplant. Twee onschuldige burgers die waren aangewezen als daders van de aanslag, werden later neergeschoten en hun lichamen zijn verbrand. Een ander werd gearresteerd en stierf in hechtenis.

    Voor de Sri Lankaanse rechterlijke macht is hij onaantastbaar

    Zes jaar na de moord op mijn vader, op 8 januari 2015, stemden Sri Lankanen het regime van Rajapaksa weg en kozen een nieuwe regering, geleid door president Maithripala Sirisena, die gerechtigheid beloofde aan de vele slachtoffers van wreedheden onder het voorgaande regime. Rechercheurs van de politie kwamen al snel op het spoor van een militair doodseskader, het Tripoli-peloton, dat naar verluidt onder toezicht stond  van Rajapaksa toen hij nog minister van Defensie was.

    Maar toen rechercheurs de rol van Rajapaksa aan het licht brachten, werd hun onderzoek belemmerd. Voor de Sri Lankaanse rechterlijke macht is hij onaantastbaar. Rechters braken met eeuwen van precedenten en vaardigden bevelen uit om zijn arrestatie te voorkomen. Toen juristen hem wilden ondervragen over de moord op twee mensenrechtenactivisten, legde een rechter hen het zwijgen op. Toen hij werd aangeklaagd wegens verduistering, kwamen nog meer rechters tussenbeide om het proces tegen hem te stoppen.

    Daarop besloot ik me tot Amerikaanse rechtbanken te wenden. Maar Rajapaksa had al een nieuwe campagne gelanceerd voor de presidentsverkiezingen. Zijn basis: wederopbouw van de inlichtingendiensten en vrijpleiting van inlichtingenofficieren die zijn beschuldigd van wreedheden. Vijftien maanden geleden zag ik met afgrijzen hoe Sri Lankanen de man kozen die ervan is beschuldigd mijn vader te hebben vermoord. Zijn nieuwe status als president heeft hem immuniteit gegeven.

    Straffeloosheid

    Als president verspilde Rajapaksa geen tijd om ervoor te zorgen dat straffeloosheid de wet van het land zou worden. Hij promoveerde rechters die hem boven de wet hadden geplaatst. Hij verleende gratie aan een soldaat die veroordeeld was voor oorlogsmisdaden wegens het doden van kinderen. Rechercheurs die dergelijke wreedheden onderzochten, zijn gevlucht of werden gearresteerd.

    Shani Abeysekara, een door de FBI opgeleide politieman die de recherche-afdeling van Sri Lanka leidde en die tot doorbraken kwam in verschillende kenmerkende onderzoeken, verdween achter slot en grendel op grond van valse beschuldigingen.

    In mei stelde Rajapaksa zelf het nieuwe hoofd van de Centrale Inlichtingendienst aan: een politieman die ervan is beschuldigd bewijsmateriaal over de moord op mijn vader te hebben verdoezeld. Dit alles vond plaats terwijl de internationale gemeenschap blijft verwachten dat Sri Lanka gerechtigheid zal bieden aan slachtoffers.

    Zijn eigen moord voorziend, schreef mijn vader voor zichzelf een overlijdensbericht waarin hij het betreurde dat moord ‘het belangrijkste hulpmiddel is geworden om de organen van vrijheid’ te beteugelen

    Organisaties van slachtoffers en de internationale gemeenschap zijn zich er terdege van bewust dat de verkiezing van Rajapaksa elke weg heeft afgesloten naar mensenrechten en verantwoordingsplicht in Sri Lanka. De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten en speciale rapporteurs van de VN, waarschuwen dat Sri Lankanen het alarmerende risico lopen van een herhaling van mensenrechtenschendingen uit het verleden, zolang krachtig internationaal optreden door buitenlandse regeringen en de Mensenrechtenraad, inclusief sancties, reisverboden en het instellen van een onafhankelijk internationaal verantwoordingsorgaan, uitblijft. 

    Zijn eigen moord voorziend, schreef mijn vader voor zichzelf een overlijdensbericht waarin hij het betreurde dat moord ‘het belangrijkste hulpmiddel is geworden om de organen van vrijheid’ te beteugelen. Twaalf jaar later, nu diezelfde organen op sterven na dood zijn, is het de hoogste tijd voor de wereld om een ​​grens te trekken bij het vermoorden van journalisten en om ervoor te zorgen dat moorddadige autocraten een prijs moeten betalen.

    Maar vandaag, nu ik zie hoe de moordenaars van helden als Anna Politkovskaja, Jamal Khashoggi en mijn vader elkaar op de schouders slaan op het wereldtoneel, lijkt het erop dat het vermoorden van een journalist niets anders is dan een overgangsritueel voor aankomende autocraten.’