Laurent Wauquiez is de nieuwe voorman van ‘fatsoenlijk rechts’ in Frankrijk. Hij is slechts twee jaar ouder dan Emmanuel Macron, maar in alles diens tegenpool. Door op te schuiven naar rechts poogt hij tevens Marine Le Pen de wind uit de zeilen te nemen.
Laurent Wauquiez, oud-minister onder president Nicolas Sarkozy in 2011, is brutaal, jong en extreem ambitieus, Begin december werd hij gekozen tot voorzitter van Frankrijks grootste conservatieve partij. Als leider van Les Républicains (LR) zou de tweeënveertigjarige rechtse politicus bij uitstek geschikt zijn om president Emmanuel Macrons centristische partij La République en marche (LaREM) uit te dagen bij de verkiezingen voor het Europese Parlement in 2019 en bij de regionale verkiezingen in Frankrijk in het jaar daarop.
Wauquiez, een conservatieve ‘bad boy’ (aldus Le Monde) die ooit weigerde als burgemeester van Le-Puy-en-Velay (Auvergne) een homohuwelijk te voltrekken, is van plan zijn ingedutte partij als wapen te gebruiken om Macron aan te vallen. Maar om het op te nemen tegen de president moet Wauquiez eerst LR in vorm zien te krijgen, want sinds de voormalige leider François Fillon in april ten onder ging in de strijd om het Elysée is de partij verdeeld en gedemoraliseerd.
Maar streven naar eenheid is niet de strategie van de nieuwe partijleider. De man die twee keer minister is geweest en Donald Trump een ‘inspiratie’ noemde, probeert zijn partij een ruk naar rechts te geven door op alle gebieden, van economisch beleid tot de rol van de islam in Frankrijk, standpunten in te nemen die lijnrecht tegen het beleid van Macron ingaan. En wat maakt het daarbij uit of hij vaak de ultrarechtse Marine le Pen van het Front National naar de mond praat en gematigd-rechtse politici als de voormalige premier Alain Juppé tot razernij brengt?
Wauquiez is eraan gewend vijanden te maken. In een interview met Politico uit de slungelige langeafstandsloper kritiek op Macron, ‘een overschatte president’ die ‘niets voor elkaar krijgt’ voor de Franse economie, en inzake de EU ‘tegen een muur oploopt’.
Fabeltjes
‘Ik wil niet dat we in fabeltjes geloven,’ zegt Wauquiez, die tot dusver voorzitter was van de bestuursraad in de regio Auvergne-Rhône-Alpes in het oosten van Frankrijk. ‘Emmanuel Macron doet niet wat Gerhard Schröder deed in Duitsland. Hij doet niet wat David Cameron of Margaret Thatcher deden. De overheidsuitgaven gaan omhoog… En de hervorming van de arbeidswet is, als je naar de besluiten kijkt, maar een geringe hervorming. Ik wil niet dat bedrijven voor de gek gehouden worden of zich illusies gaan maken,’ voegt hij eraan toe. ‘We hebben in geen enkel opzicht te maken met een transformatie die voldoet aan wat Frankrijk nodig heeft.’
Wauquiez vindt, evenals Fillon, dat de overheidsuitgaven in Frankrijk drastisch omlaag moeten. Hij beschrijft zijn eigen staat van dienst in Auvergne-Rhône-Alpes, een gebied dat hij als een soort ministaatje heeft geleid en waarin hij werkzoekenden steun weigerde en de regionale overheidsuitgaven met 5 procent verlaagde, als het tegenovergestelde van ‘het macronisme’. De president, meent hij, past wat kleinigheden aan en weigert het grote probleem aan te pakken: de overheidsuitgaven die 55 procent van het Franse bruto binnenlands product opslokken. ‘In zijn campagne beloofde hij het aantal ambtenaren terug te brengen tot honderdvijftigduizend,’ zegt Wauquiez. ‘Als hij dit tempo aanhoudt, duurt het twee eeuwen eer hij die belofte kan waarmaken. Ik wens hem een lang leven toe.’
Als Wauquiez cynisch overkomt, dan is dat deels omdat hij zichzelf wil verkopen als Mr. Hyde tegenover Macron als Dr. Jekyll. Waar Macron gematigd is als het om de overheidsuitgaven gaat, kiest Wauquiez een positie ter rechterzijde van wijlen Margaret Thatcher. Waar Macron de integratie van de eurozone predikt, wil Wauquiez ‘een unie van natiestaten’. En waar Macron liberaal is inzake maatschappelijke problemen, is Wauquiez ultraconservatief.
Macron verwoordt zijn “complexe gedachten” in ingewikkelde bijzinnen. Wauquiez cultiveert simpele botheid
Het is ook een kwestie van stijl. Macron verwoordt zijn ‘complexe gedachten’ in ingewikkelde bijzinnen. Wauquiez cultiveert simpele botheid. De oneliners waarmee hij strooide toen hij de afschaffing van de Europese Commissie eiste, komen rechtstreeks uit het draaiboek van Trump. Ze zijn bedoeld om zoveel mogelijk woede op te wekken.
Wat Wauquiez’ Trump-achtige optreden nog schaamtelozer maakt, is het feit dat hij van minstens even voorname afkomst is als Macron, zo niet voornamer. Ze zijn alle twee opgeleid aan de École nationale d’administration (ENA), een Frans instituut voor de elite, maar alleen Wauquiez werd toegelaten tot de ultraselectieve École Normale Supérieure. Wauquiez was het jongste parlementslid van zijn generatie. Voordat Macron president werd, was hij niet eerder in een publiek ambt verkozen.
Het cruciale verschil is dat Wauquiez een partijman is die het familiebedrijf overneemt, terwijl Macron zijn eigen partij heeft opgericht.
Door schokkende uitspraken te gebruiken als instrument om vooruit te komen, werkte Wauquiez zich omhoog tijdens een lange burgeroorlog die de conservatieve partij bijna verwoest heeft. Terwijl zijn ex-baas Nicolas Sarkozy in 2016 een verloren strijd voerde om de presidentiële nominatie op rechts, baande Wauquiez zich een weg naar een vooraanstaande positie. Op 10 december vorig jaar werd hij al in de eerste stemronde gekozen tot nieuwe leider van LR.
Op weg naar de top heeft hij heel wat vijanden gemaakt. De huidige minister van Financiën Bruno Le Maire beschuldigde hem er in het verleden van dat hij ‘een schrikbewind’ voerde en hoge pieten binnen de partij noemden hem een ‘kille narcist’ die geen loyaliteit kende en net zo makkelijk weer afstand deed van eerder ingenomen standpunten. Tegen Politico zei Wauquiez ooit dat Michel Barnier, de EU-onderhandelaar over de Brexit, ‘niet alleen maar aardige dingen [over hem] te zeggen zou hebben’.
Dat zou heel goed kunnen. In 2005 stemde Wauquiez voor het verdrag dat tot een Europese grondwet moest leiden, maar sindsdien heeft hij zich ontpopt tot een euroscepticus-light, en soms niet eens zó light. Nadat de Britten hadden gestemd voor een vertrek uit de EU stelde hij voor de Europese Commissie af te schaffen – een standpunt waarvan hij zich later distantieerde.
Tegenwoordig heeft Wauquiez kritiek op wat hij de positieve houding van Parijs jegens de Brexit noemt: ‘Het lijkt of iedereen zegt: “Goed, Groot-Brittannië doet niet meer mee, prima”, zonder dat iemand erover nadenkt en zegt: “Kunnen we de EU misschien eens onder handen nemen waarbij we rekening houden met de Britse gevoelens? En tegen hen zeggen dat ze beter in de EU kunnen blijven?” We moeten de onderhandelingsmethoden, die Barnier heel bekwaam hanteert, herzien,’ voegde hij eraan toe. ‘Er komt nog een tijd na de Brexit, en daarom moeten we blijven praten. Misschien vinden we een oplossing waardoor ze weer lid kunnen worden, maar dan op een andere manier.’
Zo vriendelijk als Wauquiez tegen Groot-Brittannië is, zo somber is hij over Macrons pogingen om de eurozone te herzien. Hij beschuldigt de president ervan dat hij een ‘technocratisch federalisme’ voorstelt waarin de voornaamste oorzaken van het euroscepticisme genegeerd worden, en meent dat Macrons plan ‘Frankrijk doet verdwijnen’ in de groep. ‘Ik denk dat we niet om het fundamentele vraagstuk van de architectuur van de lidstaten heen kunnen, en dat we moeten accepteren dat een grote lidstaat en een kleine lidstaat niet hetzelfde gewicht in de schaal leggen,’ meende hij. ‘Frankrijk of Duitsland zijn niet hetzelfde als Litouwen, hoe aardig we dat land ook vinden. Macron zegt dat we Europa gaan opbouwen zonder het volk [via referenda] te raadplegen. Dat is een vreselijke uitspraak voor een politiek leider en het getuigt duidelijk van minachting.’
Marine Le Pen
Dit soort beschuldigingen – die voorbijgaan aan het feit dat Macron aan de macht kwam na zijn eigen beweging vanaf de grond te hebben opgebouwd, en dat hij van plan is om volgend jaar in elk Europees land ‘democratische conventies’ te gaan houden – brengen Wauquiez dichter in de buurt van Marine Le Pen.
Het Front National heeft Wauquiez lange tijd gezien als een potentiële bondgenoot, iemand die extreemrechts uit zijn isolement kan halen. Maar hij wees het voorstel van Le Pen af om de handen ineen te slaan en zei dat hij nooit een verbond met ultrarechts zou sluiten.
Hij mikt er juist op stemmen van Le Pen te stelen door haar stoere praat over immigratie, de islam en terrorisme te imiteren – hij riep op om alle mensen die verdacht worden van banden met terroristen in de gevangenis te gooien – iets wat des te meer aantrekkingskracht heeft omdat hij, in tegenstelling tot Le Pen, ooit aan de macht zou kunnen komen.
Als hij inderdaad ooit president wordt, zal hij allereerst en vooral de geloofwaardigheid van zijn land versterken, zegt Wauquiez, omdat het daar volgens hem nog steeds aan ontbreekt. ‘Frankrijk moet aan zichzelf gaan werken, want er komen geen Europese hervormingen als Frankrijk zichzelf niet verandert.’
Macron, zijn Dr. Jekyll, zou het zelf niet beter kunnen verwoorden.
Wat doe je als, zoals in Polen, een populistische partij democratisch aan de macht komt? Met passie je waarden verdedigen, schrijft Ivan Krastev, maar ook je gevoel voor verhoudingen bewaren.
Keuze uit het archief
Afgelopen zondag vonden in Polen, Roemenië en Portugal verkiezingen plaats. Op 1 juni zullen in Polen de rechts-conservatieve kandidaat Karol Nawrocki en de links-liberale kandidaat Rafał Trzaskowski het tegen elkaar opnemen in de tweede en definitieve stemronde. De Polen staan voor de keuze tussen de populistische en nationalistische partij PiS en de liberale partij Platforma Obywatelska.
Wat nu als PiS de verkiezingen wint, een partij die erom bekendstaat dat ze de afgelopen acht jaar de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van rechters en media probeerde uit te hollen? Politiek waarnemer Ivan Krastev legt in dit artikel uit 2018 van The New York Times uit wat je in ieder geval niet moet doen: de tactieken van rechts overnemen waarbij populisten juist gedijen.
De tv-film Burning Bush uit 2014 van de legendarische Poolse filmmaakster en Solidariteit-activiste Agnieszka Holland was een van de belangrijkste culturele evenementen van de laatste jaren in Midden-Europa. Het is een thriller die zich afspeelt in 1969, kort nadat de Tsjechische student Jan Palach zichzelf in brand heeft gestoken uit protest tegen de Sovjetbezetting van zijn land en om de aandacht te vestigen op de pogingen van de autoriteiten om het leven in Tsjecho-Slowakije daarna te ‘normaliseren’. Palach wilde met zijn daad een eind maken aan deze banalisering van het kwaad.
Drie jaar na het verschijnen van de film, in de middag van 19 oktober, stak de 54-jarige Piotr S., vader van twee kinderen, zichzelf in brand voor het Cultuurpaleis in Warschau, dat nog uit de Sovjettijd dateert. Het protest van S. was gericht tegen het beleid van de uiterst rechtse Poolse regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid, die in zijn ogen een dodelijk gevaar vormde voor de democratie in Polen. In een pamflet dat hij voor zijn zelfmoord uitdeelde, was hij vastberaden: ‘Ik heb de vrijheid boven alles lief en daarom heb ik besloten mezelf op te offeren; ik hoop dat mijn dood het geweten van veel mensen wakker zal schudden.’
Ik weet niet of Piotr S. ooit Burning Bush heeft gezien, maar zijn daad was zeker een echo van het offer dat Jan Palach bijna een halve eeuw eerder had gebracht. De zelfverbranding van S. leidde in Polen tot verhitte discussies. Volgens sommigen was zijn zelfmoord eerder het gevolg van een depressie dan van de politiek. Anderen vreesden dat dit de aanzet was tot een golf van dergelijke zelfmoorden en vonden dat de media niet over deze choquerende daad moesten berichten. En dan waren er nog degenen, onder wie Agnieszka Holland zelf, die S. op het schild hieven als de ware opvolger van Palach, en zijn gebaar zagen als een wanhopige poging om de Polen de ernst van de huidige situatie duidelijk te maken. ‘Vuur vernietigt,’ zegt Holland, ‘maar het verlicht ook. Net als woede.’
Lastige vragen
Dit Poolse debat onderstreept de lastige vragen waarmee de tegenstanders van populistisch rechts zich geconfronteerd zien: wat is de beste manier om te strijden tegen een regering die je verafschuwt, maar die niemand heeft vermoord, slechts weinigen (of misschien wel niemand) gevangen heeft gezet en die op een legale manier aan de macht is gekomen – maar wel een bedreiging vormt voor de liberale democratie zoals wij die kennen? Waar trek je de grens tussen leven in een democratie waarin de partij die jij verschrikkelijk vindt de vrije verkiezingen heeft gewonnen, en leven in een dictatuur waarin de oppositie misschien nooit meer wordt toegestaan om te winnen? Is de ‘normalisatie’ van populisten de grootste bedreiging voor Europa, of moeten we ook de hysterie van hun tegenstanders vrezen? En kunnen de vormen van verzet die effectief waren tegenover de communistische en fascistische dictaturen ook effect hebben tegenover de democratisch gekozen, onliberale regeringen van vandaag?
Helaas zijn er in de geschiedenis niet veel antwoorden op deze vraag te vinden. De herinneringen van degenen die de jaren dertig van de vorige eeuw overleefden – een heel goed voorbeeld is Kanttekeningen bij Hitler van Sebastian Haffner – waarschuwen voor het gevaar dat een dictatuur genormaliseerd raakt, zeker wanneer de nieuwe dictator door het volk is gekozen. Dat klinkt logisch. Maar er is ook een veelzeggend tegenvoorbeeld: in de jaren zeventig waren jonge linkse radicalen zo geobsedeerd door hun idee dat er geen grote verschillen bestonden tussen nazi-Duitsland en de naoorlogse Bondsrepubliek, dat ze totaal verkeerde keuzes maakten en soms uiteindelijk terroristen werden en vijanden van de democratie.
Wat kunnen we hieruit leren? Wie de grens wil trekken tussen democratie en dictatuur moet de passie en de bereidheid hebben om zijn waarden te verdedigen. Maar hij of zij moet ook gevoel voor verhoudingen bezitten.
Het populisme gedijt wanneer de politiek meer over symbolen gaat dan over inhoud
Verzet tegen de huidige populistische regeringen is vooral moeilijk omdat de winst van deze populisten in de democratische politiek allereerst een overwinning is van intensiteit op consistentie. Het populisme gedijt wanneer de politiek meer over symbolen gaat dan over inhoud. De harde kern van de populistische kiezers – in Polen en elders – zal het haar leiders gemakkelijk vergeven als maatregelen mislukken of ze van koers veranderen. Maar die kiezers pikken het niet wanneer hun populistische kruisvaarders zich als ‘normale politici’ gaan gedragen. Daarom past het doen alsof we terug zijn in het Duitsland van de jaren dertig of in het Oost-Europa van de jaren zeventig paradoxaal genoeg prima in het straatje van de populisten.
Anders dan hun fascistische voorgangers streven de populisten van vandaag niet naar een verandering van de samenleving. Zij willen dat die wordt behouden en bevroren. Zij staan voor het verzet tegen de veranderingen in het moderne leven – technologische, economische en demografische – die gezien worden als een permanente revolutie. En de enige oplossing die ze te bieden hebben, is afbraak. Zo combineren de huidige populisten een revolutionaire intensiteit met een zeer magere ideologie.
Toen Piotr S. zichzelf in brand stak, wilde hij iets doen tegen de normalisatie van het huidige regime in Polen, een regime dat hij kennelijk bijna even gevaarlijk vond als het communistische regime dat eraan voorafging. Maar wat hij niet zag was dat de populisten van vandaag, anders dan de communisten uit de jaren zeventig, niet op zoek zijn naar normalisatie – ze zijn er bang voor. Na vele maanden van protesten in Polen is de steun voor de regering alleen maar toegenomen. De regeringspartij wil de samenleving juist diep gepolariseerd houden. Die verdeeldheid en die hoge inzet imiteren is niet de manier om de populisten te verslaan.
Nog voor de uitslag van de Nederlandse verkiezingen waagde Ivan Krastev al een voorspelling: de anti-EU-partijen in Europa zullen niet overwinnen. Met dank aan Donald Trump.
‘De Europese Unie is dood, maar ze weet het nog niet,’ verklaarde Marine Le Pen, leider van het Front National, onlangs. De voornaamste nieuwsmedia namen meteen afstand van haar uitspraak, maar veel mensen vragen zich af of 2017 misschien het laatste jaar van de Europese eenheid zou kunnen zijn. Europese leiders voelen zich alsof ze elk moment de strop van de beul om hun hals kunnen krijgen.
In veel delen van Europa maken mensen zich ongerust dat de populistische golf niet gekeerd kan worden. Het oude continent wordt verscheurd door bittere tegenstellingen die zijn veroorzaakt door de euro en migratiecrises. De unie zit klem tussen het revisionistische Rusland en president Trumps America First, en is gedemoraliseerd door Groot-Brittanniës schokkende keuze voor een Brexit.
Bovendien zouden de komende verkiezingen in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Tsjechië en, hoogstwaarschijnlijk, Italië het naoorlogse Europese project de das om kunnen doen. De Europese economie leeft op, maar tegelijk neemt het gevoel van onveiligheid toe. Uit een peiling van het Britse bureau YouGov in januari bleek dat 81 procent van de Fransen, 68 procent van de Britten en 60 procent van de Duitsers verwachtte dat er dit jaar een grote terroristische aanval zou plaatsvinden in hun land.
Dus: zal de Europese Unie in 2017 uiteenvallen?
De verkeerde gok van 2017
Waarschijnlijk niet. Net zoals arrogantie en zelfverzekerdheid de Europese elites blind hebben gemaakt voor de mogelijkheid van een Brexit, kunnen mensen nu, gehinderd door wanhoop en een modieus fatalisme, niet voorzien welke kant het zal uitgaan. Een weddenschap afsluiten op de instorting van de Europese Unie zou weleens de verkeerde gok van 2017 kunnen zijn.
Het ziet er op dit moment naar uit dat Amerika, wederom, de redder van Europa zal zijn. Sommige Europeanen steunen het feit dat Trump afstand neemt van de traditionele bondgenoten van zijn land, anderen verafschuwen het. Maar beide groepen zijn nerveus geworden door wat ze in de eerste maand van de nieuwe Amerikaanse regering hebben zien gebeuren. Europeanen zijn niet bang voor Trump omdat hij bereid is muren te bouwen (Europa loopt wat dat betreft op hem vooruit) en ook niet omdat ze zo dol zijn op globalisering (velen hebben er een afkeer van). Hij jaagt Europeanen schrik aan omdat hij president Chaos is. Hij gedraagt zich als een personage uit een kinderboek – de man die op zijn paard sprong en in alle richtingen tegelijk galoppeerde.
Marine Le Pen veranderde ineens van een meelevende radicaal in een heilige strijdster tegen de twee “totalitarismen” van onze tijd: de islam en globalisering
Maar wat Trump tot de redder van de Europese Unie zou kunnen maken, is niet alleen de verontwaardiging die hij opwekt in de risicomijdende middenklassen, maar ook het radicaliserende effect dat zijn overwinning heeft op de populistische partijen hier. De populisten waren al lang voor de Amerikaanse verkiezingen in opkomst. In diverse landen slaagden ze erin een aanzienlijk aantal stemmen te trekken door naar het politieke centrum te laveren. Zo werden ze, voor sommigen, een levensvatbaar alternatief voor de status-quo.
Maar sinds de overwinning van Trump hebben zijn Europese zielsverwanten die benadering laten vallen en besloten om weer te radicaliseren en de winnende strategie van zijn campagne te imiteren. Ze gooiden hun moeizaam aangeleerde matigheid overboord en keerden terug naar een bozere toon en een apocalyptischer wereldbeeld. Marine Le Pen veranderde ineens van een meelevende radicaal in een heilige strijdster tegen de twee ‘totalitarismen’ van onze tijd: de islam en globalisering.
De electorale nederlaag van Norbert Hofer, de kandidaat van extreem-rechts, bij de Oostenrijkse presidentsverkiezingen in december, is misschien het beste voorbeeld van het Trump-effect op de Europese politiek. Door de overwinning van Trump werd extreem-rechts in Europa agressiever en arroganter, terwijl tegelijkertijd de bereidheid van zwevende kiezers om radicale alternatieven uit te proberen afnam.
Net zoals Barack Obama’s gejubel over de Europese Unie de aanhangers ervan niet heeft geholpen, bewijst Trumps anti-EU-retoriek de populisten geen dienst. Europese elites grijpen dit moment aan om de onafhankelijkheid van Europeanen te verdedigen en op te komen voor hun nationale belang. Zo maakt Trumps revolutie ruimte voor een EU-vriendelijk nationalisme.
Tot voor kort waren het extreem-rechts en extreem-links die vraagtekens zetten bij de mate waarin de Europese Unie afhankelijk is van de Verenigde Staten. Nu pleiten pro- Europeanen voor een Europees leger en een onafhankelijke Europese buitenlandse politiek. Vorige maand omschreef Donald Tusk, de voorzitter van de Europese Raad, in een open brief aan de leiders van de 27 lidstaten het Amerika van Trump als een existentiële bedreiging van de Europese Unie, samen met Rusland, China en de radicale islam.
Wat 2017 anders maakt dan vorig jaar, en waarom de Europese Unie een goede overlevingskans heeft, is dat de verwachtingen van het publiek zijn veranderd. Nu zijn we er niet alleen van overtuigd dat het ondenkbare wel degelijk realiteit kan worden (Brexit, president Trump), maar we verwachten het ook. We wachten erop dat Geert Wilders de volgende premier van Nederland wordt. We nemen aan dat Marine Le Pen de volgende president van Frankrijk zal zijn. En we speculeren erop dat er een einde komt aan bondskanselier Angela Merkels ambtsperiode.
Dat zou allemaal kunnen – maar hoogstwaarschijnlijk gebeurt het niet. Als het ergste vermeden wordt, zou dat het Europese project juist nieuwe, broodnodige politieke energie kunnen geven. De geschiedenis leert ons dat overleven in tijden van crisis de ultieme bron van legitimiteit is. Het is eerder het vermogen van de Europese Unie om in 2017 te overleven dan het vermogen van de Unie om zichzelf te hervormen, dat de Europeanen ervan zal overtuigen dat eenheid niet tot het verleden behoort.
Auteur: Ivan Krastev
Vertaler: Tineke Funhoff
Ivan Krastev is voorzitter van het Center for Liberal Strategies, staflid van het Institute for Human Sciences in Wenen en columnist van The New York Times.
De Krant der kranten. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium. Het motto ‘All the news that’s fit to print’ wordt sinds 1896 bewaakt door de familie Ochs Sulzberger. De gedrukte oplage is onder de 1 miljoen gedaald maar de website trekt meer dan 30 miljoen bezoekers per maand.
Het leidt geen twijfel dat de liberale ordening op dit moment voor het eerst sinds generaties ernstig bedreigd wordt. Maar zo gemakkelijk zal ze toch niet van het toneel verdwijnen?
Hoewel de algehele levensstandaard vrijwel niet meer toeneemt en de ongelijkheid groeit, verheugen de meeste mensen in ontwikkelde democratieën zich nog altijd in een opmerkelijke welvaart. Weliswaar heeft de massale migratie tot flinke sociale en economische spanningen geleid, maar de burgers van de liberale democratieën kunnen nog altijd hun leven vrij inrichten, te midden van mensen die precies zo zijn als zijzelf – als ze dat willen, tenminste.
Er is nog een andere groep, die op zijn manier zelfgenoegzaam is en vastbesloten om de signalen van politieke instabiliteit te negeren. Deze mensen willen niet toegeven dat de wereld voor onze ogen aan het veranderen is. Het zijn de mensen die menen dat Hillary Clintons nederlaag alleen toe te schrijven is aan racisme, seksisme of Rusland. Het zijn ook de mensen die in elke verkiezingsstrijd waarbij een populist geen absolute meerderheid haalt, een grote comeback van de liberale democratie zien. Dit kamp kwam luidkeels aan het woord toen de uitslagen van de Nederlandse verkiezingen binnenkwamen. ‘Is de populistische golf eindelijk over haar top heen?’ vroeg een verslaggever van CNN. ‘Ik herhaal, Trumps overwinning was het begin van het einde van de autoritaire golf in de westerse democratieën,’ antwoordde een Oostenrijkse journalist. ‘De Nederlandse verkiezingen kort samengevat: grote opkomst, veel winnaars, veel verliezers, teleurgestelde buitenlandse media. Conclusie: deze democratie is gezond,’ zo vatte een Nederlandse schrijver de nieuwe algehele stemming samen.
Een “golf” suggereert een verschijnsel dat plotseling opduikt, steeds groter wordt, maar even snel weer om kan slaan om alsmaar kleiner te worden
Het is de moeite waard om even pas op de plaats te maken en de aanleiding voor al dat gejubel wat preciezer te bezien: Geert Wilders is een van de meest rechtlijnige rechts-populisten die je je kunt denken. Onophoudelijk wakkert hij haat aan tegen Turkse en Marokkaanse immigranten, en tijdens de verkiezingscampagne liet hij weten moskeeën te willen sluiten – en ook de Koran te willen verbieden. Bij de laatste opiniepeilingen zag het ernaar uit dat Wilders ongeveer 15 procent van de kiezers achter zich zou krijgen. Zijn stem zou dan weliswaar aan kracht winnen, maar een regering zou hij daarmee nog lang niet kunnen vormen. In werkelijkheid haalde hij ongeveer 13 procent, wat zijn stem aan kracht doet winnen, maar waarmee hij toch ver verwijderd blijft van mogelijke regeringsvorming.
Ziet u daarin alle reden voor een feestje? Ik evenmin.
Deels komt dat misschien door de metafoor: een ‘golf’ suggereert een verschijnsel dat plotseling opduikt, steeds groter wordt, maar even snel weer om kan slaan om alsmaar kleiner te worden. Wetenschappers als Pippa Norris en Ron Ingleheart hebben echter aangetoond dat de opkomst van het populisme zich in de meeste landen langzaam voltrekt, al ver voor 2016 (of 2008) begon en steeds weer onderhevig is aan schommelingen.
(Die Zeit, Yascha Mounk)
(Vertaler: Marten de Vries)
Wie had kunnen denken dat de democratische planeet zich op 15 maart 2017 zo druk zou maken om verkiezingen in een plat en welvarend landje met zeventien miljoen inwoners?
Heel Europa keek ademloos toe. Zelfs aan de andere kant van de Atlantische Oceaan was de nieuwsgierigheid gewekt: zou een overwinning van Geert Wilders, ‘de Nederlandse Trump’, de zegetocht van het populistische offensief bevestigen?
Dat was de inzet van de strijd in Nederland, in een wereldoorlog die, in meer of mindere mate, al twee jaar aan de gang is. Een oorlog van ideeën, idealen en ideologieën. Een oorlog over cultuur, over erfgoed, over een manier van leven. Een oorlog over de verwezenlijking van de democratie en de visie van de politiek. Voorlopig is deze oorlog nog lang niet gewonnen – of verloren. Hij woedt volop. In deze strijd hoef je niet naar een denkbeeldige Maginotlinie te zoeken: we weten wat die waard is. We bevinden ons in het stadium dat de militair theoreticus Clausewitz in zijn verhandeling Vom Kriege ‘de mist van de oorlog’ noemde. ‘Oorlog’, schreef hij, ‘is het koninkrijk van de onzekerheid.’ We bevinden ons in het stadium waarin de tegenstander bekend is, waarin de mogelijkheden om hem te bestrijden zich aftekenen, maar waarin de traditionele troepen, die aan het eind van hun Latijn zijn, op versterking wachten; de uitkomst van de strijd is nog onzeker.
In toom gehouden
Daaraan ontleent de strijd in Nederland zijn belang. In Polen en in de Verenigde Staten heeft de tegenstander gewonnen door middel van een soort verrassingsaanval: de partij die aan de macht was, en overtuigd van haar overwinning, heeft die niet zien aankomen. Ze was totaal gechoqueerd. In Oostenrijk had het verrassingseffect minder succes, al waren daar wel twee verkiezingsrondes voor nodig. Toen ze de strijd in Nederland aangingen, wisten de twee kampen min of meer wat hun te doen stond. Ze hadden goed naar de Brexitcampagne in het Verenigd Koninkrijk gekeken, en naar de Amerikaanse presidentscampagne, en daaruit lering getrokken.
Na de veldslag is het Nederlandse landschap sterk verdeeld: de populistische leider is ontegenzeglijk in toom gehouden, maar niet weggevaagd; hij heeft zelfs terrein gewonnen. Honend heeft hij zijn tegenstanders uitgedaagd ‘de geest weer in de fles te stoppen’. De winnaar, de centrum-rechtse premier Mark Rutte, heeft steken laten vallen tijdens het gevecht, vooral doordat hij dezelfde wapens gebruikte als zijn tegenstander: Rutte heeft het anti-immigratiesentiment soms net zo hard uitgebuit als Wilders, in plaats van het frontaal aan te vallen. En als hij het over de nederlaag van ‘slecht populisme’ heeft, impliceert hij dat er ook ‘goed populisme’ bestaat, het zijne.
In de rest van het democratische Nederlandse kamp zijn nieuwe en veelbelovende krachten verrezen op de ruïnes van de Partij van de Arbeid, die door conflicten werd verdeeld. GroenLinks en D66 hebben spectaculaire winst geboekt door zich fel tegen extreem-rechts te keren en vóór Europa en diversiteit te pleiten. Deze onderling sterk verschillende partijen zullen een coalitie moeten vormen om de dreiging van Wilders af te wenden.
De kloof die men elders heeft zien ontstaan tussen de voorstanders van nationale soevereiniteit en de “Europeanen”, kan de kloof tussen links en rechts overbruggen
Wat kunnen de Franse strategen leren van de Nederlandse verkiezingen? Beide landen hebben in 2005 via een referendum tegen het verdrag over de Europese grondwet gestemd. Beide landen kampen al lange tijd met een extreem-rechtse beweging, met kwesties die verband houden met de islam en het anti-immigratiesentiment. Zowel in Frankrijk als Nederland bezwijkt de rechtse kandidaat soms voor de populistische verleiding en lijdt de socialistische partij schipbreuk.
De Nederlandse campagne en de populistische geest in de fles hebben enkele nuttige breukvlakken onthuld. De kloof die men elders heeft zien ontstaan tussen de voorstanders van nationale soevereiniteit en de ‘Europeanen’, of tussen de nationalisten en de globalisten, kan de kloof tussen links en rechts overbruggen. Over immigratiekwesties en de houding tegenover de islam wordt in progressieve kringen inmiddels realistischer gedacht: de scheidslijn tussen de elite en het volk, waarvan de zorgen als die van ‘blanke boze mannen’ werden afgedaan, heeft de rampzalige opkomst van het populisme tot gevolg gehad. Steeds meer progressieve Europeanen, zoals de Nederlanders Luuk van Middelaar en Paul Scheffer, geven toe hoe belangrijk het is om de Europese burger in bescherming te nemen. Wat we van deze verkiezingen hebben geleerd, is dat degenen die overleven in een politiek landschap dat bezig is uit elkaar te vallen, niet degenen zijn die teruggrijpen op het verleden noch degenen die de status-quo verdedigen, maar degenen die een nieuwe toekomst willen opbouwen.
Sylvie Kauffmann is de eerste vrouwelijke journalist die – kortstondig (2010-2011) – hoofdredacteur van Le Monde was. Ze schrijft nog altijd voor ‘de krant die nooit slaapt’ en voor de NYT over Europa, Azië en de VS.
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
Vrijwel elke internationale krant schreef over ‘het verlies van de PVV’. Anne Applebaum maakt zich meer zorgen over de neergang van de sociaal-democratie – volgens haar een ontwikkeling die van grote invloed zal zijn op het electoraat in heel Europa.
Als je in de Engelstalige wereld woont, bezie je de rest van de wereld algauw door een populistische bril. Geen wonder: we zijn dagelijks bezig met het drama van de Brexit en het presidentschap van Trump, waarin in beide gevallen een hoofdrol is weggelegd (in wisselende maten) voor slechtgemanierde mannen met een slecht kapsel, aanvallen op deskundigen en immigranten en minachting voor nationale en internationale instituties die decennia lang voor vrede hebben gezorgd en de welvaart hebben bevorderd. Als we naar andere landen kijken, zijn we vanzelfsprekend op zoek naar diezelfde fenomenen.
Om die reden hebben de verkiezingen in Nederland, waarvan de Engelstalige wereld gewoonlijk niet wakker ligt, dit jaar ongekend veel aandacht getrokken. Want daar stond, midden op het politieke toneel, Geert Wilders. Een Nederlandse politicus die al heel wat jaren meeloopt – hij werd voor het eerst in het parlement gekozen in 1998 en zijn partij heeft al eerder gedoogsteun aan een kabinet verleend – en die zich allengs heeft ontwikkeld tot een slechtgemanierde man met een slecht kapsel die erin slaagde de populistische fakkel op te pakken en naar Den Haag te dragen. Een vriend van Stephen K. Bannon en Nigel Farage.
Wilders maakte dit jaar zijn opwachting op de Republikeinse Nationale Conventie in Washington, juichte de Brexit toe en deed zichtbare pogingen om zich aan te sluiten bij wat een internationale trend leek.
Uiteindelijk zal de teloorgang van Oud Links, en het verhaal van zijn vervangers, misschien wel belangrijker blijken te zijn dan de opkomst van “Nieuw Extreem-rechts”
Toen hij hoog in de peilingen stond, leek het er even op dat Wilders’ Partij voor de Vrijheid de grootste fractie zou worden in een sinds lange tijd sterk verdeeld Nederlands parlement. Maar een uitzonderlijk hoge opkomst zorgde voor een heel ander resultaat. Wilders behaalde een lichte winst en heeft nu 20 van de 150 Kamerzetels. Maar van een populistische triomf was geen sprake. De centrum-rechtse partij van de premier blijft de grootste in het parlement en de overgrote meerderheid van de kiezers heeft de voorkeur gegeven aan partijen die in de Europese Unie willen blijven.
Omdat we Nederland door een populistische bril bezien, is het grotere verhaal ons ontgaan: de ineenstorting van de centrum-linkse Partij van de Arbeid, die ook van betekenis is voor heel Europa en het electoraat in bijna alle landen zal beïnvloeden. Hoewel de langzame neergang van de sociaal-democratie in sommige landen tijdelijk is bezworen door centristen als Tony Blair, is die al een feit sinds het eind van het communisme de droom van een door de staat geleide economie verstoorde en economische veranderingen de vakbonden ondermijnden, evenals de solidariteit van de arbeidersklasse die door die bonden werd bevorderd.
Linkse kiezers
Overal op het Europese continent zijn gedesillusioneerde voormalige linkse kiezers in de armen van xenofoben gedreven, vooral omdat velen daarvan – met name Marine Le Pen in Frankrijk, maar ook de Oostenrijkse FPÖ en de Poolse Partij voor Recht en Rechtvaardigheid – nu pleitbezorgers zijn van wat je ‘marxisme light’ zou kunnen noemen of, als je minder beleefd bent, nationaal-socialisme: elementen daarvan zijn renationalisatie van de industrie, handelsbelemmeringen en versterking van de verzorgingsstaat. Maar er zijn ook linkse spijtoptanten die een andere weg hebben gevolgd. Sommigen steunen liberalen zoals Emmanuel Macron in Frankrijk, of groenen zoals Alexander Van Der Bellen, de president van Oostenrijk. Bij de Nederlandse verkiezingen nam de steun voor sociale en economische liberalen, evenals voor de groenen, spectaculair toe.
Uiteindelijk zal de teloorgang van Oud Links, en het verhaal van zijn vervangers, misschien wel belangrijker blijken te zijn dan de opkomst van ‘Nieuw Extreem-rechts’. Deze Populistische Internationale heeft echter ontegenzeglijk beter begrepen dat de dramatische gevolgen van internet, sociale media en automatisering, evenals van de economische globalisering, betekenden dat het democratische Westen nieuwe politieke partijen met nieuwe filosofieën nodig had. Haar antwoord was negatief, boos en in sommige gevallen gekenmerkt door ondemocratische radicale nostalgie; verwerping van het heden ten gunste van een revolutionaire terugkeer naar een geïdealiseerd en volledig wit verleden, waar iedereen werk had.
Er zouden ook andere antwoorden kunnen zijn. Veel gedesillusioneerde kiezers kunnen ook voor positieve plannen worden gemobiliseerd. Misschien zullen ze zich aangetrokken voelen tot nieuwe partijen, of nieuwe leiders, die een visioen van een betere toekomst bieden in plaats van een onbereikbaar verleden. In de Engelstalige wereld is dat de laatste tijd niet zo goed gelukt. Maar dat betekent niet dat het onmogelijk is.
Anne Applebaum schrijft voor The Washington Post en Slate en is auteur van meerdere boeken over Oost-Europa. Voor Gulag: A History kreeg ze de Pulitzer Prize.
Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.
Het nationalisme van het Hongaarse regime is een schaamlap voor corruptie en neoliberalisme, aldus een Hongaarse columnist.
De huidige critici van de Europese Unie willen dat de natiestaten terugkeren. Viktor Orbán heeft dit een prioritaire doelstelling genoemd in zijn jaarlijkse toespraak [uitgesproken op 10 februari jl.] Culturele en economische soevereiniteit is altijd al zijn belangrijkste stokpaardje geweest. Aan de ene kant zou de natiestaat volgens hem kunnen zorgen voor culturele homogeniteit. Aan de andere kant zou de natiestaat de onderlinge concurrentie tussen landen op het gebied van belastingen en lonen bevorderen. Maar waarom zou een van deze twee benaderingen nu uitgerekend voor Hongarije gunstig zijn?
Wie honderd jaar na de ineenstorting van de Habsburgse monarchie, die de multiculturele vrede op wonderbaarlijke wijze had weten te bewaren, in Midden-Europa tot iedere prijs zou willen terugkeren naar de natiestaat of naar etnische homogeniteit, heeft niets begrepen van de geschiedenis. En ook niet van het heden. De natiestaat van Viktor Orbán is weliswaar handig, want het lukt om Audi en Mercedes aan te trekken met lage lonen en karige arbeidsvoorwaarden. Maar het wordt veel minder efficiënt wanneer je het salaris van een Duitse werknemer in Ingolstadt afzet tegen een Hongaarse arbeider die in Györ zwoegt.
Dan verliest het kader van de natiestaat zijn aantrekkelijkheid ten opzichte van een pan-Europese benadering. Het is geen toeval dat een natiestaat als Ierland Apple toestond om de fiscus te tillen. In die kwestie waren noch Orbán, noch Le Pen, noch Heinz-Christian Strache [de leider van de Oostenrijkse FPÖ] verontwaardigd over een multinational die de regels van het oude continent en zijn burgers met voeten trad. Het was de Europese Commissie die in actie kwam. De extreem-rechtse partijen, de ridders van de natiestaat, zijn vooral degenen die, achter hun façade van xenofobie, hun eigen arbeiders uitleveren aan de grillen van de globalisering zodra ze een hoge positie hebben bereikt.
De beste truc van het nationalisme is de kiezers ervan te overtuigen dat ze zich moeten laten leiden door hun onderbuikgevoelens, als leden van een gedroomde nationale gemeenschap, in weerwil van rationele belangen
Het verbaast dus niet dat groeperingen die de EU op de korrel nemen en er zelfs van gruwen – van de Lega Nord en de FPÖ tot Fidesz – pleiten voor een neoliberaal beleid tegen armoedzaaiers wanneer ze regeren. Het is per slot van rekening heel eenvoudig om Brussel ervan te beschuldigen te hebben bijgedragen aan de daling van de koopkracht en de algehele sociale malaise.
Viktor Orbán denkt helemaal niet aan de arbeider in Györ wanneer hij de natiestaat ophemelt. Hij denkt vooral aan de corruptie, die veel lastiger aan het licht kan worden gebracht in een staat die potdicht zit, en aan de multinationals die hij paait met belastingverlagingen. Het werk van Ulrich Beck (Duitse socioloog, 1944-2015) toont goed aan dat nationalistische retoriek een comfortabele schaamlap is voor de kwalijke gevolgen van corruptie en neoliberalisme.
De beste truc van het nationalisme is de kiezers ervan te overtuigen dat ze zich moeten laten leiden door hun onderbuikgevoelens, als leden van een gedroomde nationale gemeenschap, in weerwil van rationele belangen. De arbeider uit het noordoosten van Engeland zou eigenlijk moeten rebelleren tegen de Tories, die zijn positie aanzienlijk hebben verzwakt en hebben bijgedragen aan de stijging van de werkloosheid. Maar hij balt zijn vuist tegen Brussel, omdat hij zijn oren laat hangen naar het UKIP-verhaal tegen het sociale Europa, waar hij in deze barre tijden toch echt veel baat bij zou hebben.
Wie de natiestaat in Hongarije bij hoog en bij laag steunt, en dus de grootste pleitbezorger van belastingparadijzen is, blijft de plaatselijke arbeiders afschepen met lage lonen om deze gokstrategie vol te houden die ons onderscheidt van andere landen. Zou dat op termijn echt voordelig zijn voor het land?
Rechts-conservatief Hongaars dagblad. De krant is gelieerd aan de regerende Fidesz-partij van Viktor Orbán en is altijd kritisch over de linkse oppositiepartij MSZP.
Tijdens een bijeenkomst in Koblenz op 21 januari lieten anti-Europeanen als Marine Le Pen, Geert Wilders en Frauke Petry (AfD) een gezamenlijk geluid horen.
Een dof blauw verduistert de zaal, pompeuze muziek klinkt op, uit de achtergrond kondigt een stem de binnenkomst van ‘onze vertegenwoordigers’ aan. De enscenering in de Rhein-Mosel-Halle in Koblenz doet wel een beetje amateuristisch aan, maar ze zijn op deze zaterdag toch allemaal hier, de zelfbenoemde representanten van het nieuwe Europa: Marine Le Pen van het Franse Front National (FN), de Nederlander Geert Wilders (PVV), de secretaris-generaal van de Freiheitliche Partei Österreichs (FPÖ) Harald Vilimsky, Matteo Salvini van de Italiaanse Lega Nord – en voor de eerste keer in dit gezelschap Frauke Petry van de Alternative für Deutschland (AfD). Het applaus klinkt luid, nationale vlaggen wapperen, een witte lichtbundel waart rond door de zaal.
Op het podium een eerste groepsfoto van de unie van anti-Europeanen. Het gebliksem van de flitslichten duurt lang. Tientallen journalisten uit half Europa zijn hierheen gereisd, zodat Marcus Pretzell, EU-afgevaardigde en echtgenoot van Petry, het zich kon veroorloven om voor de ingang enkele vertegenwoordigers van de media de toegang te weigeren. De bijeenkomst, georganiseerd door de EP-fractie Europa van Naties en Vrijheid (ENF), wordt door Pretzell geopend met schimpscheuten tegen de door de politie weggehouden tegendemonstranten en een verwijt aan de media, waarop het publiek al ‘Lügenpresse, lügenpresse!’ [leugenpers] scandeert.
Volk als lichaamscel
Op de dag na de inauguratie van Donald Trump blaken Europa’s rechtse populisten van zelfvertrouwen. ‘Gisteren een nieuw Amerika, vandaag Koblenz, morgen een nieuw Europa,’ roept Wilders, die spreekt van een ‘jaar van de patriotten’ en een ‘historische contrarevolutie van de volkeren’ tegen de globalisering. In 2017 staan er in Nederland, Frankrijk en Duitsland verkiezingen op het programma, en misschien ook in Italië en Oostenrijk. De tegenstanders van de EU kunnen nu op ideële steun uit het Witte Huis rekenen – en mogelijk ook op propagandistische verkiezingshulp uit het Kremlin. Toch staan ze lang niet overal op het punt de macht over te nemen. Maar na de Brexit en de verkiezing van Trump durft niemand nog een overwinning van Le Pen uit te sluiten.
Van president Trump naar president Le Pen – naar kanselier Petry? Met de woorden van Vilimsky zijn ‘onze twee powerladies’ de Duits-Franse motor in het nieuwe Europa. Maar de AfD en het FN hebben niet op elk gebied gelijksoortige opvattingen. Le Pen verdedigt het protectionisme, een economie moet ‘ademen in het ritme van het volk’, en ze hekelt het ‘grootondernemerschap’ en de ‘financiële oligarchie’. Het FN is duidelijk meer staatsgeoriënteerd dan de AfD, wat laat zien dat het nationalisme zowel op links als op rechts positie kan kiezen. Dat Petry gemene zaak maakt met Le Pen is binnen de AfD omstreden.
Le Pen heeft haar best gedaan om zich te bevrijden van de erfenis van haar vader. Toch was de Britse nationalist Nigel Farage nooit bereid tot samenwerking met de ‘rechts-extremiste’. Petry toont nu minder scrupules. Wat de rechtse redenaars in Koblenz gemeen hebben is dat zij bepalen wie tot het ware volk behoort en wie niet. Wanneer Wilders tegen de islamisering preekt en Petry tegen de ‘ongecontroleerde verandering van de bevolkingssamenstelling’, dan is hun idee van het volk niet gebaseerd op een burgerlijk constitutioneel patriottisme, maar op een Blut-und-Bodenideologie.
Uit Nederland en Frankrijk zijn er maar weinig bezoekers gekomen. De meesten van de ongeveer duizend deelnemers die in de pauzes koffie staan te drinken in de foyer of staan te roken op het dakterras, zijn Duitsers – en ze weerspiegelen het brede spectrum van AfD-leden en -sympathisanten. Wat de degelijke ambtenaar uit Zuid-Duitsland en de stoere rocker uit Düsseldorf gemeen hebben, is niet alleen hun verontwaardiging over Merkel en de vluchtelingenpolitiek, maar ook hun woede over de EU. Een Duits-Russische wiskundige zet uiteen dat iedere cel in een lichaam beschermd wordt door een membraan, waaruit hij afleidt dat elk Europees volk moet controleren wie zijn landsgrenzen overschrijdt.
In de zaal stemt Petry in met Le Pens fundamentele kritiek op de EU, maar op de handrem. Haar beschouwingen over de ‘hersenspoelingen’ waaraan de burgers door politici en technocraten worden onderworpen zijn academisch. Meer enthousiasme wekken de tirades van Le Pen. Zij karakteriseert de EU en de euro als verkrachting van de volken. Tijdens de persconferentie belooft ze dat zij, als ze de verkiezingen wint, in de onderhandelingen met Brussel de territoriale, monetaire, economische en wetgevende soevereiniteit terug zal halen naar Parijs.
Eindelijk zijn de door de EU-tirannie onderdrukte volkeren rechtstreeks met elkaar begonnen te spreken, jubelt Le Pen
Kritiek op de EU wordt door voorstanders soms al snel afgedaan als populisme. Maar de unie van anti-Europeanen heeft met de EU dan wel een gemeenschappelijk vijandbeeld, het gemeenschappelijke alternatief blijft onduidelijk. Zo hebben de in Koblenz minder prominent aanwezige ENF-fractieleden uit Oost-Europa weinig belang bij het opheffen van de EU, omdat hun kiezers profiteren van structuursubsidies en het vrije verkeer van personen beschouwen als hun burgerrecht. Toch zegt Petry dat alles goed zal komen als elk volk maar voor zichzelf beslist. Zouden er uitgerekend in dat nieuwe Europa dan geen belangenconflicten bestaan? En zou zonder gemeenschappelijke regels niet gewoon de sterkste zijn zin krijgen?
Maar zulke vragen staan niet centraal op deze antitop, waar de veiligheidsmaatregelen niet onder lijken te doen voor die bij een officiële EU-top. Anders dan in Brussel, bij de gekozen regeringsleiders, komen in Koblenz in de gedaante van populistische ‘representanten’ blijkbaar hele naties bij elkaar. Eindelijk zijn de door de EU-tirannie onderdrukte volkeren rechtstreeks met elkaar begonnen te spreken, jubelt Le Pen. In de pluralistische democratie kun je geen alleenvertegenwoordigingsrecht opeisen, en bestaat er geen exclusieve wil van het volk. In het nieuwe Europa blijkbaar wel.
De verkiezingen in Nederland trekken ongekend veel aandacht in het buitenland. 360 maakte een rondje langs de velden.
De World Socialist Web Site (WSWC), orgaan van de trotskistische Vierde Internationale, gevestigd in Oak Park, Michigan (VS), wijdde eind februari een opmerkelijk goed gedocumenteerd en zeer uitgebreid artikel aan de verkiezingen van 15 maart. Uiteraard wordt gewaarschuwd voor Wilders, ‘wiens campagne een mengsel is van sociale demagogie en vreemdelingenhaat’. Maar Wilders dankt zijn succes volgens de trotskisten ‘vooral aan het feit dat niemand zijn ultrarechtse koers heeft uitgedaagd’. ‘In de loop van de voorbije tien jaar hebben diverse coalities de weg bereid voor ultrarechts door een ongekende orgie van bezuinigingen op sociale uitgaven, waarbij vluchtelingen en migranten tot zondebok werden bestempeld.’
‘Het voorgewende economische herstel verandert niets aan de situatie van de armen en de arbeidersklasse in Nederland. Het aantal mensen dat in armoede leeft, is sinds 2008 gestegen tot 1,2 miljoen, dat wil zeggen 8 procent van de bevolking. In de grote steden ligt de werkloosheid op 13,4 tot 14,4 procent. Vooral kinderen en migranten worden door de stijgende armoede getroffen: 12 procent van álle kinderen, en 28 procent van de migrantenkinderen.’
Links in Nederland moet het bij de trotskisten vooral ontgelden. ‘Toen in 2012 de minderheidsregering van VVD en CDA ten onder ging aan nieuwe bezuinigingsmaatregelen omdat Wilders weigerde deze in het parlement te steunen, nam de PvdA dat van hem over. (…) Die partij zorgde er door zijn banden met de FNV eveneens voor dat het arbeidersprotest tegen de bezuinigingen in 2013 in toom werd gehouden.’
‘De Socialistische Partij (SP), in 1971 opgericht als een maoïstische organisatie, is niet in staat gebleken profijt te trekken uit het ineenstorten van de PvdA. Na 25 zetels in 2010 en 15 zetels in 2012 voorziet men nu dat de partij, die slechts “socialistisch” in naam is, ondanks de sociale crisis met haar strikt nationalistische programma niet meer dan 11 tot 13 zetels zal behalen.’
Leonid Beshidsky sprak voor de website van Bloomberg met de Nijmeegse politicoloog Koen Vossen, schrijver van het boek The Power of Populism, over de Amerikaanse inspiratiebronnen van Wilders. Dat waren het Amerikaanse neoconservatisme en de ‘War on Terror’ van George W. Bush. ‘Later liet Wilders het economisch neoliberalisme vallen omdat dit in Nederland niet populair was. Zijn huidige economische programma belooft verhoging van de sociale uitkeringen voor geboren Nederlanders door de uitkeringen aan migranten stop te zetten. Maar Wilders praat niet graag in detail over zijn economisch programa. ‘Dat ligt buiten zijn comfort zone,’ volgens Vossen. Als deze verkiezingen over de economie zouden gaan, zou Wilders het niet zo goed doen. Maar jammer genoeg heeft de huidige coalitie het economisch keurig gedaan, dus gaan de verkiezingen nu over de sfeer in Nederland.’
De Franse financieel-economische website La Tribune schrijft dat de grote Nederlandse multinationals als Unilever, Philips en Ahold Delhaize ‘het populisme en negativisme’ willen bestrijden dat aan de vooravond van de verkiezingen in Nederland de kop op steekt. Geciteerd wordt Jan Zijderveld, de directeur-Europa van Unilever, die heeft verklaard dat ‘het populisme een symptoom is van het gebrek aan vooruitgang’. ‘Er ontbreekt op dit moment een perspectief voor groei, en dat voedt het negativisme.’
‘Hoewel hij zich omschrijft als een buitenstaander, is hij op twee na het langst zittende lid van het Nederlandse parlement en bemoeit hij zich al met politiek sinds hij 28 was’
Alissa J. Rubin ondernam voor The New York Times de reis naar Spijkenisse, ‘een van zijn bolwerken waar de rechts-populist Geert Wilders op de markt zijn verkiezingscampagne begon’. Ze kijkt iets verder dan naar ‘de visventers met rauwe haring’. ‘De leden van zijn parlementaire fractie zijn, technisch gesproken, geen leden van zijn partij, en dat stelt Wilders in staat de volledige controle te hebben over de partij en de besluitvorming. Die eenmanspartij stelt hem ook in staat de meeste regels omtrent partijfinanciering en verantwoording daarover te omzeilen, waardoor de bronnen waaruit de partij wordt gefinancierd duister blijven, hoewel hij geld krijgt van ten minste één Amerikaanse conservatieve groep. En hoewel hij zich omschrijft als een buitenstaander, is hij op twee na het langst zittende lid van het Nederlandse parlement en bemoeit hij zich al met politiek sinds hij 28 was.’
Voor The Guardian ging Duncan Robinson te rade bij Alexander Pechtold over de invloed van Wilders. ‘Pas op wanneer extremisme “gewoon” wordt,’ zegt de leider van D66. ‘Dat is wat er gebeurt. Het is niet Wilders, niet wat hij voor elkaar krijgt. Het zijn de navolgers. Die zijn het probleem.’
‘Voor D66,’ schrijft Robinson, ‘bieden de komende verkiezingen een nieuwe kans om aan de macht te komen. D66 is als een feniks, ze zijn goed in het zich opnieuw uitvinden.’ Pechtold denkt dat de hernieuwde opkomst van zijn partij ermee te maken heeft dat identiteit, meer dan economie, de Nederlandse politiek bepaalt. ‘Als het over economie gaat, zijn wij een beetje saai. We verkeren wat dat betreft in het midden. Maar als het aankomt op onderwijs, op Europa of gezondheidszorg, zijn we zeer progressief.’
‘Van de 16e tot de 18e eeuw zag het merendeel van de West-Europese landen de internationale handel als een spel met nul als uitkomst,’ zo kijkt website Quartz terug. ‘Het mercantilisme, het geloof dat landen alleen welvarend konden zijn als ze meer exporteerden dan importeerden, terwijl de totale wereldhandel een vaste omvang had, overheerste in het economisch denken.’
Deze theorie, onderuitgehaald in 1776 door de Schotse econoom Adam Smith, is tot nieuw leven gewekt door Donald Trump, voegt de Amerikaanse website eraan toe – en vergelijkt citaten van beiden.
‘Indien het buitenland ons een product kan aanbieden voor een lagere prijs dan waarvoor wij het zelf kunnen produceren, kunnen we het veel beter in het buitenland kopen met een deel van onze nationale productie, op een wijze waarop wij daarvan enig voordeel kunnen hebben,’ schreef de Schotse filosoof-econoom in zijn standaardwerk The Wealth of Nations.
‘Als hij Trumps inauguratierede zou hebben kunnen horen, had Adam Smith zich in zijn graf omgedraaid,’ commentarieert Quartz. ‘We moeten onze grenzen beschermen tegen de verwoestingen van andere landen die onze producten maken, onze ondernemingen ondermijnen en onze banen vernietigen. De bescherming van eigen grenzen zal leiden tot een grotere economisch kracht en tot hogere welvaart,’ sprak Trump.
‘Maar in dit tijdperk van mondialisering met complexe bevoorradingsketens en onderlinge afhankelijkheid bestaat er geen economisch spel dat op nul uitkomt,’ stelt The Irish Times.
Volgens het onafhankelijke onderzoekscentrum van de Amerikaanse automobielindustrie, zal het opleggen van 35 procent importbelasting op auto’s, zoals Trump heeft aangekondigd, de verkoop ervan met 450.000 stuks per jaar doen afnemen en in de VS 31.000 banen kosten. Want de voertuigen die in Mexico worden geproduceerd, bestaan voor 40 procent uit onderdelen van Amerikaans fabricaat.
Het voornemen van Trump om de Amerikaanse industrie te dwingen haar productie naar Amerikaans grondgebied terug te halen, kan waarnemers ook niet overtuigen. In 2014 verschaften Amerikaanse bedrijven werk aan anderhalf miljoen mensen in Mexico en China, ‘dat wil zeggen nauwelijks één procent van het Amerikaanse arbeidspotentieel’, schrijft Jeffrey Sachs in The Boston Globe. Volgens deze econoom zou het repatriëren van Amerikaanse bedrijven op z’n hoogst 750.000 arbeidsplaatsen opleveren, want vanwege het salarisniveau in de VS is de automatisering er ver doorgevoerd.
De dreigende woorden van Trump lijken evenwel hun uitwerking niet te missen. De groep Ford heeft begin januari aangekondigd af te zien van de bouw van een fabriek in Mexico. Ford gaat daarentegen 700 miljoen dollar investeren en 700 banen scheppen in een van de vestigingen in de staat Michigan waar men elektrische en zelfrijdende auto’s wil gaan produceren.
‘Dat betekent één baan per miljoen geïnvesteerde dollars. In dat tempo komt Trump niet erg ver,’ schrijft Jeffrey Sachs ironisch.
De Hongaarse premier Viktor Orbán is dikke vrienden met Vladimir Poetin, en hij wil populistisch rechts in Europa gaan leiden. Website Napi.hu roept de Europese conservatieven op om hier een stokje voor steken.
Keuze uit het archief
De Hongaarse premier stond deze week weer volop in het nieuws omdat hij tijdens een top van Europese regeringsleiders de toetredingsgesprekken met Oekraïne wilde blokkeren en zijn veto heeft uitgesproken over een financieel steunpakket aan het door oorlog geteisterde land.
Volgens dit artikel uit 2017 hoeven we daar niet vreemd van op te kijken. De tegenstem van Orbán past in een patroon dat al jarenlang zichtbaar is: Hongarije zoekt toenadering tot Rusland en wil een Europa waarin het populisme de scepter zwaait, aldus analyticus Sandór Komócsin.
Op 2 februari ontving Hongarije voor de tweede keer in twee jaar de Russische president Vladimir Poetin op zijn grondgebied [de vorige keer was op 17 februari 2015]. ‘Geen enkel land in Europa schurkt zo tegen hem aan sinds de annexatie van de Krim in het voorjaar van 2014, en Viktor Orbán heeft sinds 2013 jaarlijks een persoonlijk onderhoud met hem,’ aldus politicoloog Péter Krekó, lid van de Hongaarse denktank Political Capital en gastprofessor aan de Universiteit van Indiana.
De Hongaarse minister-president is bondgenoot nummer één geworden in Poetins diplomatie jegens de lidstaten van de Unie. Tot nu toe onderdrukte Orbán zijn ‘poetinofilie’ op het Europese politieke toneel, maar sinds Donald Trump in het Witte Huis zit, gooit hij het over een andere boeg. In een toespraak eind januari op een forum in Brussel dat was georganiseerd door de Konrad Adenauer-stichting, pleitte Orbán voor een algehele herziening van de Russisch-Europese betrekkingen.
Péter Szijjártó, zijn minister van Buitenlandse Zaken, sloot zich naadloos bij hem aan toen hij in een recent interview met Reuters verklaarde dat de sancties die Brussel had afgekondigd om Rusland te veroordelen wegens de invasie van de Krim simpelweg zinloos waren. Hij zei ook dat de Amerikaanse pressie die tot nu toe was uitgeoefend naar aanleiding van de nauwer aangehaalde banden tussen Boedapest en Moskou, ongetwijfeld zou afnemen nu de regering-Trump was geïnstalleerd.
Schimmige voorwaarden
De belangrijke akkoorden die de afgelopen jaren zijn gesloten tussen beide hoofdsteden, hebben de politiek-economische afhankelijkheid van Hongarije ten opzichte van Rusland vergroot. Het akkoord over de uitbreiding van de kerncentrale Paks [ondertekend in 2014 met een Russische lening van 10 miljard euro, inmiddels geherwaardeerd op 12 miljard euro] is een van de meest frappante voorbeelden hiervan. De schimmige voorwaarden van het akkoord doen twijfels rijzen over de transparantie en voeden vermoedens van corruptie. De onderhandelingen op 2 februari gingen ook over de verlenging van het langetermijncontract voor Russische gasleveranties, een onderwerp dat naar verwachting een cruciale rol gaat spelen in de volgende parlementsverkiezingen in 2018. Als de Hongaarse regering probleemloos kan blijven profiteren van het Russische gas zonder al te ingrijpende gevolgen voor de financiën, kan ze proberen de kiezers te verleiden met een nieuwe verlaging van hun energierekening.
De Hongaars-Russische vriendschap beperkt zich niet tot het politiek-economische terrein. Procureur-generaal Péter Polt begaf zich onlangs naar Moskou om een eventueel samenwerkingsverband op te zetten met zijn Russische collega’s. Volgens het officiële verslag ging het om verdediging van gezamenlijke belangen en corruptiebestrijding. Maar deze nobele intenties laten onverlet dat de regering-Orbán stelselmatig het Russische voorbeeld volgt om buitenlandse ngo’s op de korrel te nemen.
Hoewel ook andere landen, zoals Cyprus, Griekenland of Slowakije, het goed met Rusland kunnen vinden, volgt alleen het Hongarije van Viktor Orbán het Russische model werkelijk op bijna alle terreinen na. Zowel ideologisch, economisch als bestuurlijk zijn de overeenkomsten verbluffend. En de overwinning van Trump heeft niet alleen tot gevolg dat Orbán nu openlijk kan uitkomen voor zijn goede banden met Poetin. Ook het populisme van bepaalde eurosceptische groeperingen heeft nu vrij spel.
In oktober 2016 wilde Orbán een discussie met de voorzitter van de Oostenrijkse rechts-populistische FPÖ, Heinz-Christian Strache, maar moest daarvan afzien onder druk van de Europese Volkspartij [EVP, fractie van christen-democratische en conservatieve partijen in het Europees Parlement]. De Hongaarse leider denkt dat de Europese elites die nu aan de macht zijn, verjaagd zullen worden door de woede van het volk, zodat ‘eerlijke’ politici, zoals Marine Le Pen, Geert Wilders en Strache, het nieuwe Europa dat hij opeist en waarvan hij de aanvoerder wil zijn, zullen leiden.
Volgens de analyse van Péter Krekó is Amerika sterk genoeg om het presidentschap van Trump te overleven, maar is Europa veel minder bestand tegen de harde kritiek die het van alle kanten ondervindt. De EVP heeft een bijzondere verantwoordelijkheid en zou een cordon sanitaire moeten aanleggen om interne bedreigingen te neutraliseren. Sommige deskundigen raden de EVP aan de partij van Viktor Orbán uit te sluiten, maar Europees rechts is van mening dat een dergelijk initiatief meer schade zou berokkenen dan dat het nut zou hebben.
Een van de zeldzame successen van de EVP is dat zij Orbán heeft laten inbinden met betrekking tot de herinvoering van de doodstraf. De EVP moet duidelijke grenzen stellen om te voorkomen dat Orbán doorgaat met het destabiliseren van de gematigde conservatieven. De warme ontvangst van Poetin in Boedapest is hier een perfect voorbeeld van, want die druist in tegen de wil van de EVP. Als de EVP niet krachtig stelling neemt, zullen de klassieke partijen de populistische koers kiezen die de Hongaarse regering al sinds 2010 volgt.
CONTEXT: Waarom de Russen nog aanmoedigen?
Bevestiging van toegezegde kredieten voor de Hongaarse kerncentrale Paks, renovatie van orthodoxe kerken in Boedapest, intensivering van gezamenlijk ruimteonderzoek, ‘verdediging van de christelijke wortels’ in Syrië en afstemming van de standpunten over Oekraïne… De ontmoeting tussen Orbán en Poetin op 2 februari kende geen verrassingen. De kleine linkse partij Együtt, die tegen de Hongaars-Russische romance is, had haar militanten opgeroepen fluitconcerten te geven bij het parlement. De overgrote meerderheid van de plaatselijke waarnemers uitte ernstige kritiek op de komst van wat zij beschouwen als een ongemakkelijke vriend – ook ter rechterzijde.
‘Waarom zouden we de Russische arrogantie nog moeten aanmoedigen? Het kille cynisme van Poetin toont aan dat hij de broek aanheeft in deze relatie,’ schrijft Bálint Ablonczy in weekblad Heti Válasz. Péter Magyari van de oppositiesite 444.hu doet het nog eens dunnetjes over: ‘Poetin wil de hele wereld laten zien dat een NAVO– en EU-lidstaat de rode loper voor hem uitrolt, gewoon om deze organisaties van binnenuit te verzwakken. Orbán is de belangrijkste bondgenoot in deze ondermijningsoperatie.’
‘Poetin is geen klootzak, geen dwaze dictator, noch een Nero,’ werpt politicoloog Dávid Szabó tegen op het regeringsgezinde 888.hu. ‘Volgens mij slokt hij Hongarije helemaal niet met huid en haar op. Moskou is een regionale grootmacht die bruggenhoofden wil bouwen in zijn omgeving, met name in de EU. Ik vind het de normaalste zaak van de wereld.’
Op het wereldkampioenschap scrabble in het Grand Palais in Lille strijden Engelsen, Nigerianen en Israëliërs om de titel. Stuk voor stuk briljante rekenaars, gezegend met een reusachtig vocabulaire. Toch draait het eigenlijk maar om één man: Nigel Richards, de god van het spel.
Keuze uit het archief
Terwijl wereldwijd de ogen gericht zijn op de schaatsers, snowboarders, ijshockeyers en kunstschaatsers in Beijing, wordt door een stel taalvirtuozen een heel ander soort topsport beoefend, haast als een religie, met een eigen god. Het scrabbelen werd nooit echt als professionele sport erkend, ondanks miljoeneninvesteringen en bovendien een maatschappelijk belang: door de verkommering van onze cognitieve vaardigheden, zouden steeds meer mensen naar ‘de simpelste verklaringen van de nationalisten’ luisteren.
Zal scrabble de verdiende erkenning ooit krijgen?
‘We hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is.’
De plek waar vele duizenden woorden bedacht worden – sterker nog: waar alleen woorden tellen – is tegelijkertijd misschien wel de zwijgzaamste van de stad. Door de hallen van het Grand Palais in Lille klinkt alleen het rammelen van de letters, die de spelers met een plechtig gezicht uit de groene zakjes pulken. Daarom klinkt het wereldkampioenschap scrabble niet als een evenement dat meer dan vierhonderd mensen uit dertig landen in een congrescentrum bijeengebracht heeft. Eerder als een bos vol tjirpende plastic krekels. Diep geconcentreerd zitten de tegenstanders aan lange rijen tafels tegenover elkaar. Verdiept in duels waarin ze maar al te snel een anagram over het hoofd zien, bonuspunten laten liggen, of de letters van de tegenstander verkeerd inschatten. De jarenlange dagelijkse trainingen, de uit het hoofd geleerde woordenboeken en niet in de laatste plaats de sociale ontberingen zouden vergeefs zijn geweest als U, Q, A, L, T, I, E niet snel genoeg ‘TEQUILA’ oplevert. En ook het prijzengeld van 7000 euro zou verspeeld zijn. Omdat de meeste deelnemers welgestelde academici zijn, zou dit nog de overkomelijkste narigheid zijn. Maar de roem en erkenning in deze kleine maar tegelijkertijd wereldwijde, op het maniakale af hartstochtelijke gemeenschap, zouden onherroepelijk buiten bereik blijven.
Wie gezien heeft hoe toegewijd al deze hyperintelligente mensen zitten te staren naar klompjes letters, een week lang, volkomen ongevoelig voor de uit alle macht lokkende Franse septemberzon, die vraagt zich niet af wat scrabble is, maar: wat is scrabble voor wie? Welnu, voor het grootste deel van de ongeveer honderd miljoen huishoudens die het bordspel intussen bezitten, is het een aardig puzzelspel voor af en toe. Een familiespel waarbij het erom gaat uit zeven willekeurig getrokken letters zo lang mogelijke woorden te maken en deze horizontaal of verticaal aan elkaar te leggen.
Sport
Voor de Amerikaanse architect Alfred Mosher Butts, die in 1931 de oervorm van scrabble (toen nog Lexiko geheten) op de markt bracht, was zijn uitvinding decennialang allesbehalve een commercieel succes. Butts, geïnspireerd door kruiswoordraadsels, wilde een spel maken dat alleen gewonnen kon worden door iemand die er niet alleen goed in is, maar ook geluk heeft.
De ondernemer in geluk en vaardigheid raakte ál zijn tweehonderd zelfgemaakte spellen kwijt. En in 1948 ook de rechten op zijn idee, die de Britse advocaat James Brunot voor een heel schappelijke prijs van hem kocht. Butts behield een aandeel van 2,5 cent per verkocht exemplaar. Of Brunot nu commercieel bedrevener was of gewoon meer geluk had: algauw was Lexiko, dat hij omdoopte tot Scrabble, zijn ticket naar rijkdom. In slechts drie jaar verkocht Brunot in totaal 90.000 exemplaren. Niet veel later volgden contracten voor de massaproductie in Noord-Amerika, Canada en Europa.
Voor de spelers in Lille is scrabble heel duidelijk een sport. Al sinds 1991 nemen de coryfeeën elk jaar in hun eigen landstaal deel aan het wereldkampioenschap scrabble. Onbetwist het belangrijkste is het Engelstalige toernooi, waaraan slechts de eerste 72 spelers op de wereldranglijst mogen deelnemen. Voor hen is scrabble een hartstochtelijk bedreven sport waar je veel voor moet laten, en waarin het niet om fonetische schöngeisterei gaat, maar om mathematische berekening. Want een woord is maar zo goed als de positie waarin het ligt. In wezen opent elke zet nieuwe aanlegmogelijkheden voor de tegenspeler, ook dat moet berekend worden. Waarbij je tegelijkertijd moet taxeren welke waarden de komende letters van de tegenstander zullen hebben.
Behalve talent voor tellen en rekenen moet je ook een schier onmenselijke woordenkennis bezitten. Een normale sterveling heeft een vocabulaire van omstreeks vierduizend woorden. Een professionele scrabblespeler ongeveer het tienvoudige. (Er zijn 140.000 door het scrabblewoordenboek SOWPODS erkende [Engelse] woorden.)
In een professionele scrabblewedstrijd beschikken de spelers elk over in totaal 25 minuten speeltijd. Wie klaar is met zijn beurt, drukt op de klok. Zijn tijd staat stil en die van de tegenstander begint te tikken – net als bij schaken. Tijdoverschrijding wordt bestraft met puntenaftrek. Een scheidsrechter is er niet. Beide spelers zijn verplicht de eigen zetten en die van de tegenspeler op formulieren in te vullen. Bestaat er onenigheid over een woord, dan kan men het aanvechten. Dan lopen de partijen naar een computer, tikken het problematische woord in en laten de scrabblesoftware het oordeel vellen.
Na 24 voorronden gaan de acht best geplaatste spelers door naar de play-offs, waar ze met elkaar uitmaken wie er kampioen wordt. Voor deze acht uitverkorenen is scrabble geen speelveld voor woordacrobaten of slimme rekenaars. Voor hen is het het slagveld van de grote strategen: het leven zelf.
Wellington Jighere uit Nigeria is een van de uitverkorenen die de scrabble-Olympus tot dusver beklommen hebben. (Waarom in al die jaren uitsluitend mannen op deze eenzame top gestaan hebben, daar komen we nog op terug.) En hoe! Bij het wereldkampioenschap van 2015 in het Australische Perth triomfeerde de sociale wetenschapper in de finale tegen Lewis Mackay. Geen Afrikaanse speler was het ooit gelukt om de eindzege te behalen. Dat Jighere van een Brit won, en dus van een vertegenwoordiger van de oude koloniale macht, ja, dat hij hem overklaste – in zijn eigen taal – dat kun je politiek interpreteren. Maar Jighere doet dat niet: ‘Veel mensen vatten mijn overwinning inderdaad politiek op. We leven nu eenmaal in een politieke wereld. Maar dat is niet hoe ik de dingen zie.’ Hoe hij het wel ziet, wil hij echter ook niet zeggen. En het wordt nog onduidelijker als hij eraan toevoegt: ‘Het is de taal van de Engelsen. Maar wij hebben die onder de knie gekregen.’
In de politieke wereld belde de Nigeriaanse president hem in elk geval op, enkele minuten na afloop van de partij, om hem persoonlijk te feliciteren en te bedanken voor de dienst die hij het vaderland had bewezen. Op de luchthaven van Abuja kreeg Nigeria’s scrabbledelegatie vervolgens een heldenontvangst. ‘Delegatie’ is geen overdrijving, het is de officiële benaming van de ploeg, want scrabble wordt in Afrika’s dichtstbevolkte land door de staat gesubsidieerd. Op scholen is het een verplicht vak, en er bestaat een bruisend verenigingsleven. In het door bloedige conflicten tussen christenen en moslims geplaagde Nigeria heeft scrabble een neutraliserend, welhaast verbroederend effect. Om het zevenkoppige, multireligieuze team samen te stellen vonden maandenlange trainingskampen plaats, waarvoor de minister van Sport de vijftien beste spelers van het land had uitgenodigd. En toch stond tot kort voor de start van het toernooi niet vast of de Nigerianen wel mee konden doen, want de Franse ambassade weigerde visa te verstrekken. In een of ander ambassadekantoor in Parijs geloofden de ambtenaren niet dat zeven Nigerianen een week lang scrabble wilden spelen in Lille – en dan weer zouden verdwijnen.
Toen de visa toch nog kwamen, was dat voor een paar woordatleten al te laat, zodat nu slechts vier delegatieleden, vermoeid door een reis van twintig uur, aan de wedstrijd beginnen. Die vermoeidheid is Wellington Jighere, Karo Eta, Dennis Ikekeregor en Jack Mpakaboari aan te zien: vooral de wat katachtige oogleden in het gladde, ondoorgrondelijke gezicht van Jighere vallen steeds weer dicht. Toch is de 37-jarige kampioen er zeer op gebrand zich zijn rang waardig te tonen. Aan zijn hand fonkelt een zilveren polshorloge. Aan zijn voeten prijkt gepoetst krokodillenleer. Hij draagt een kostbaar blauw colbert om zijn schouders, die onder druk van de verwachtingen niet mogen gaan afhangen. Meneer de president heeft Jigheres telefoonnummer nog opgeslagen. ‘Een echte kampioen moet met druk om kunnen gaan, anders is hij geen kampioen. Ik had een heel goed toernooi en geluk in Australië. Maar HIJ is nog steeds de grootste,’ zegt Jighere eerbiedig. ‘HIJ’. Jighere spreekt het woord uit alsof hij over een god spreekt.
De man die allen in deze gemeenschap vereren en vrezen, die ze onophoudelijk vragen om een selfie met hen te maken, wekt de indruk van iemand die misschien niet eens zelfstandig een raam open kan doen
God in de scrabblewereld heet Nigel Richards en komt uit Nieuw-Zeeland, waar hij geboren werd in de plaats met de beloftevolle naam Christchurch. Als God aankomt in het Grand Palais, scharen zijn bewonderaars zich onmiddellijk om hem heen, en hij schenkt menigeen een vriendelijk woord terwijl hij door hun rijen schrijdt. Al drie keer werd hij uitgeroepen tot de Engelstalige wereldkampioen. Vijf keer triomfeerde hij in Noord-Amerika. Zulke wonderen vermocht geen mens voor hem te verrichten. Onsterfelijk werd zijn geprezen naam echter pas toen hij in 2015 ook nog het Franstalige kampioenschap won. In een voorbereidingstijd van negen weken had hij zonder enige voorkennis een Frans woordenboek uit zijn hoofd geleerd!
Hoe fascinerend zou het niet zijn om van hem te horen wat de sleutel is tot de scrabblehemel, wat hem tot God heeft gemaakt, wat hem drijft, waarom God naar Kuala Lumpur is verhuisd, en of het klopt dat hij ieder woord identificeert met een getal voordat hij het in zijn onfeilbaar fotografisch geheugen opslaat. Maar God beantwoordt geen vragen. Principieel niet. ‘Zou u dan ten minste willen onthullen waarom u niet met de pers spreekt, mister Richards?’ God houdt heel even de pas in, laat een welwillend glimlachje doorschemeren, en verkondigt met een hoge, bijna overslaande stem: ‘Omdat u mij vragen zult stellen.’
Zo rest ons alleen de vrome aanschouwing van de hemelse verschijning uit de verte. Zijn golvende volle baard heeft Richards onlangs afgeschoren. Hij ziet er een beetje uit als Russell Crowe die zich uitstekend heeft voorbereid op zijn rol als meganerd. De man die allen in deze gemeenschap vereren en vrezen, die ze onophoudelijk vragen om een selfie met hen te maken, wekt de indruk van iemand die misschien niet eens zelfstandig een raam open kan doen. Sommigen beweren dat God zijn brood alleen met scrabbelen verdient. En dat hij in de voorbije twaalf jaar 200.000 dollar aan prijzengeld heeft opgehaald. Anderen berichten dat de Enige Echte vastgoed heeft geërfd, en dat zeer winstgevend verkocht heeft. Dat hij op werkdagen als ingenieur de bewakingssystemen van een Maleisisch beveiligingsbedrijf perfectioneert.
Het toernooi van de anderen
Omri Rosenkranz en Evan Cohen zijn niet vanuit Israël hierheen gepelgrimeerd om met God te concurreren. Rosenkranz, van nature uit de kluiten gewassen en stevig gebouwd, maar uit vrije wil mollig en feminien, zeker niet. De 38-jarige professor in de sociologie speelt in de B-divisie, de tweede rang om zo te zeggen, waarvoor iedereen zich kan kwalificeren door betaling van 100 euro. Waarschijnlijk is deze spelklasse daardoor demografisch duidelijk diverser: vijftienjarige Pakistani’s duelleren er met Finse senioren, vrouwen en mannen zijn bijna evenredig vertegenwoordigd. Het feit dat er in de A-divisie slechts twee vrouwelijke spelers meedoen, verklaart Rosenkranz als volgt: ‘Vrouwen zijn gewoon niet zo stom om zo veel voor dit spel op te offeren. Wil je in de wereldranglijst bovenaan staan, dan mag je eigenlijk noch een privéleven noch een gezin hebben.’ Een inschatting die Karen Richards en Natalie Zolty, de twee atypische vrouwen, voorzichtig bevestigen. Als enige speler van de Nigeriaanse delegatie neemt Jack Mpakaboari deel aan dit B-wereldkampioenschap, dat weinig gewaardeerd wordt door de rest van de Afrikaanse afgevaardigden, die in de A-divisie spelen. En zelfs die zuinige waardering verdwijnt als Mpakaboari zijn eerste vier partijen verliest.
Evan Cohen, de levensgezel van Omri Rosenkranz, jaagt in de A-divisie, ‘het haaienbassin’, zoals hij het zelf noemt. Helemaal in het strakgesneden zwart, het haar kortgeschoren. Cohen is linguïst en heeft al een paar gerenommeerde toernooien gewonnen. Met een lepe glimlach verklaart hij alleen maar bij de laatste tien te willen eindigen. Omdat een van de verhinderde Nigerianen niet meedoet, rukt Rosenkranz plotseling voor het eerst op tot in de A-divisie. Hij slaat zich er op de eerste speeldag dapper doorheen, wint drie van de acht partijen – een statistiek waarmee ook Cohen de dag besluit, duidelijk minder tevreden. Vooral de verpletterende nederlaag (bijna 300 punten) tegen de Brit Brett Smitheram zit hem dwars.
De slaperige kampioen Jighere wint vijf van zijn acht openingspartijen en is op plaats zestien ver verwijderd van presidentiële telefoontjes. Zichtbaar chagrijnig verlaat hij het gebouw, op zoek naar niets anders dan verkwikkende slaap. En hoe is het met God? Die kent een voor hemelse begrippen onderaardse start: hij verliest eveneens drie partijen. ‘Bij Nigel betekent dat niets. Ik zou al mijn geld toch op hem zetten, gewoon omdat hij is wie hij is,’ zegt Ganesh Asirvatham. Deze leraar Engels uit Maleisië is verantwoordelijk voor het verloop en de organisatie van het wereldkampioenschap. Hij hangt tabellen en lijsten op, en kondigt per microfoon de lunchpauze aan. Maar achter deze taken, die hij zo ijverig vervult, gaat een zwaar scrabblenoodlot schuil. Als Asirvatham zegt dat God nu eenmaal God blijft, dan spreekt hij uit bittere ervaring. Toen hij nog in menselijke macht geloofde, speelde hij zelf scrabble, en zelfs op een buitengewoon begenadigde manier. In 2007 bereikte hij de finale van het wereldkampioenschap. Daar wachtte vanzelfsprekend Richards, en die maakte Asirvatham in drie partijen in. Desondanks bleef Asirvatham belangrijke kampioenschappen winnen in India, Maleisië en Singapore. Zelfs het Guinness Book of Records vermeldt zijn naam als de speler die het simultaan tegen de meeste spelers wist op te nemen. Van de 25 tegen hem scrabbelende tegenstanders versloeg hij er 21. Maar dat alles was niet genoeg. Nog altijd troonde HIJ boven iedereen uit. Dus trok Asirvatham zich voor een jaar terug om woordenboeken te bestuderen en beter te worden dan God. Na een scrabblesabbatical van twaalf maanden keerde hij verbaal gestaald terug – en ging opnieuw onderuit tegen Richards! Steeds weer! Daar ging Asirvatham aan kapot. Nu tikt hij koortsachtig vreemde speluitslagen in zijn rekenmachine, goed afgeschermd achter de informatiestand van de toernooileiding.
De wereld buiten de scrabblewereld begint onopvallend bij de uitgang van het Grand Palais. De vele vlaggenmasten voor het congrescentrum zijn leeg, hoewel het wereldkampioenschap toch reden genoeg zou moeten zijn om het gebouw op te sieren. Dat kan natuurlijk zijn omdat het WK scrabble eerder een nichegebeuren is. Of vanwege de angst voor terreur. Want in Frankrijk is in deze milde herfst van 2016 officieel de noodtoestand van kracht. Voor de vierde maal binnen een jaar, na evenzoveel aanslagen. De vijfde moet verhinderd worden door een samenscholingsverbod en idioot veel controles. Groepen soldaten patrouilleren door de stad, de handen demonstratief aan de trekker van hun geweer. Vooral op het hoofdstation Lille Europe is de militaire aanwezigheid merkbaar.
In deze geschokte Franse vrijheid zijn dus scrabbelaars uit de hele wereld aangekomen. ’s Avonds zwerven ze door de streng bewaakte steegjes van het uitgaansgebied. Zelf worden ze overdag bewaakt door een klein, mager securitymannetje, dat met chocoladevlekken op zijn blauwe securityoverhemd en een metaaldetector in de hand voor de ingang zit. ‘Hoe voelt het om verantwoordelijk te zijn voor de veiligheid van de scrabble-elite van de wereld?’ Het mannetje kijkt de ruimte in en haalt vrolijk zijn schouders op. Het is toch ondenkbaar dat IS het op het WK scrabble voorzien zou hebben?
Jighere wil vandaag per se dichter bij de kopgroep komen. De omslagdoek heeft hij afgelegd, nu draagt hij een niet minder representatief Nigeria-trainingspak. Bovendien een diep over zijn gezicht getrokken Nigeria-pet, waaronder zijn linkeroog steeds heftiger samentrekt, waarschijnlijk omdat het halve toernooi al gespeeld is en hij met een score van 7-5 nog altijd op plaats zeventien vastzit. Hoe zijn partijen tot dusver verlopen zijn, is moeilijk te zien. Behalve de spelers mag niemand zich bij de speeltafels ophouden. De concentratie van de atleten zou daaronder kunnen lijden. Na meerdere overtredingen worden verslaggevers gemaand om afstand te houden, op straffe van verwijdering uit de zaal.
Ondertussen staat God er maar één plek beter voor dan Jighere. Ook hij heeft al vijf keer verloren. Maar niemand waagt te betwijfelen dat hij het nog tot bij de beste acht en dus de play-offs zal brengen. ‘Omdat Nigel nu eenmaal Nigel is. Andere spelers worden nerveus in de beslissende partijen. Hij niet,’ zegt Cohen vol eerbied, als hij na afloop van de speeldag met Rosenkranz naar de Vieille Bourse, de Oude Beurs, wandelt. Cohen zelf heeft met zeven verloren partijen nauwelijks nog uitzicht op een goed resultaat. Zijn partner Rosenkranz vertoont dankzij een respectabele score van 6-6 twee blozende wangen. De ranglijst wordt aangevoerd door de Britten Allan Simmons, David Webb en Mark Nyman, met elk tien gewonnen partijen. ‘Op dit niveau kan eigenlijk iedereen van de eerste twintig het halen,’ zegt Cohen een beetje afwezig. Hij lijkt afgeleid door de schietklare groep soldaten die langs de patisserie marcheert waar hij zijn chocolade-eclair wilde kopen.
‘Onze cognitieve vaardigheden verkommeren. Daarom luisteren zo veel mensen naar de simpelste verklaringen van de nationalisten’
Op de derde dag van de voorronden zal het noodlot toeslaan: Jighere en Richards moeten tegen elkaar spelen! De omstandigheden zouden nauwelijks zenuwslopender kunnen zijn: God heeft elf zeges en zeven nederlagen achter zich. De regerend kampioen staat op 10-8 en moet minstens vijf van de resterende zes partijen winnen als hij Simmons, die achtste staat (11-6), nog wil inhalen. Al is het idee dat hij nooit faalt, God staat bekend om zijn aan onverschilligheid grenzende gelijkmoedigheid, die hij ook stoïsch blijft praktiseren als hij duidelijk slechtere letters trekt dan Jighere. Ineengedoken zit hij op de zwarte plastic stoel in een vergeeld shirt van het WK 2010 in Dallas. Het lettergeluk blijft aan Jigheres kant. Hij trekt beide blanco stenen, de jokers die als elke letter inzetbaar zijn, en gaat al vroeg met 90 punten aan de leiding.
Als er spelers zijn tegen wie je niet op achterstand wilt komen, dan zijn het wel Nigerianen. De delegatie gebruikt sinds decennia een uiterst defensieve speelwijze. Ook al hebben ze lucratieve letters, dan nog leggen ze korte woorden, zo destructief mogelijk op de sappigste bonusvelden; wat de aanvalsmogelijkheden voor de tegenstander sterk beperkt. Vanwege deze speelstijl én hun overtuiging dat ze de meest fantastische scrabblenatie ter wereld zijn, zijn Nigeriaanse spelers niet erg geliefd. Wat Jighere er geenszins van weerhoudt de ontmoeting met 424 tegen 337 uit te spelen. Maar het is vergeefs zoeken naar een teken van vreugde. ‘I won,’ mompelt hij toonloos, en begeeft zich naar de volgende tafel, waaraan hij het onderspit delft tegen een man die Winter Winter heet. Als Jighere nog slechts theoretische kansen resteren om verder te komen, wacht hem in de volgende partij ook nog Mark Nyman. Die geen god is, maar toch wel een scrabblelegende, die de ranglijst aanvoert met zestien gewonnen partijen en die ook al eens wereldkampioen was. Hij herinnert zijn tegenstanders van die fatale vrijdag daar ook graag aan door zijn lichtblauwe kampioenstrui van Maleisië 1993 te dragen. Hoewel Jighere duidelijk beter in zijn tijd zit en beide blanco stenen trekt, neemt Nyman toch de leiding van hem over. En legt bij zijn laatste beurt, in de minusminuut 26, een sterk ‘instead’. Over deze tijdoverschrijding ontstaan vervolgens grote meningsverschillen. Jighere haalt coördinator Asirvatham erbij. Nyman krijgt tien punten aftrek, maar behoudt nog altijd duidelijk de leiding met 471 tegen 388. En zo wordt het een feit: Wellington Jighere, de eerste Afrikaanse wereldkampioen scrabble in de geschiedenis van de mensheid, zal zijn titel niet prolongeren! De kampioen is dood. De Nigeriaanse president zal hem niet opnieuw bellen. De onttroonde verheft zich wankelend op zijn benen en dwaalt doelloos door de hal, terwijl hij apathisch over zijn gladgeschoren kin wrijft. Zo komt hij aan de tafel te staan waaraan ook God vecht om te overleven.
De speler die in Lille het meest te verliezen heeft, speelt helemaal niet mee. Hij heet Dave Brannan en heeft meer dan 1 miljoen euro in het professionele scrabble geïnvesteerd. Om misverstanden te voorkomen: eigen geld. ‘Zo’n beetje alles wat ik had,’ zegt de eind-veertiger met een mix van Britse kalmte en zwaarmoedigheid in zijn stem. In zijn slechtzittende pak ziet hij er niettemin uit als een man van formaat, hij straalt een ongedwongen autoriteit uit. Vier jaar geleden verwierf Brannan de rechten op de scrabbletoernooien van spelfabrikanten Mattel en Collins, en stichtte de Mind Sports Academy als een soort plaatsvervangende bond voor het spel, waarvan hij een winstgevende, mediagenieke sport wil maken. Brannans cv wekt de indruk dat hij precies de juiste man voor deze missie zou kunnen zijn. In 1989 nam hij een klein marketingbedrijf over en zes jaar later verkocht hij het voor iets meer dan 10 miljoen pond. Hij richtte vervolgens weer een reclamefirma op en deed ook die met winst van de hand. Bovendien was Brannan lange tijd een succesvolle professionele pokerspeler, hij heeft dus verstand van toernooiorganisatie en van de spelersziel. Op grond van zijn levensloop zou je verwachten een ondoorgrondelijk pokerface te ontmoeten, die inhoudsloze managersfrasen debiteert. Maar Brannan praat verrassend openhartig. Dat hij veel te veel voor die scrabblerechten heeft betaald, verleid door de statistiek dat een op de drie Europese huishoudens een scrabblespel bezit. Zonder te bedenken dat er tussen zelf een keer scrabbelen en interesse voor het professionele sportgebeuren een diepe kloof gaapt, die slechts met dure promotie te overbruggen is. ‘Ik heb in het begin veel fout gedaan en grote bedragen verprutst. Ook omdat ik het werk van mijn voorgangers overschatte.’
Zijn voorgangers zijn de Engelse en de Amerikaanse spelersverenigingen (WESPA en WASPA). Die organiseren de wedstrijden sinds 1991 – als doel op zich, niet met commerciële bedoelingen zoals Brannan die heeft. Nu ligt hij met ze in de clinch, omdat de verenigingen vrezen verdrongen te worden uit wat ze zelf hebben opgebouwd. Vooral met de WESPA is het moeilijk praten. ‘Ik zeg ze ook waarom. Omdat wij Engelsen nog altijd geloven dat de wereld van ons is. Ik houd van mijn land, maar het loopt zo verschrikkelijk achter. Aan de andere kant: kijk om u heen, heel Europa en Amerika vallen ten prooi aan het populisme.’ En juist daarom gelooft Brannan dat de wereld scrabble dringend nodig heeft. ‘De mensen kunnen zich niet meer concentreren. Ik zie het al bij mijn smartphone-verslaafde kinderen. Onze cognitieve vaardigheden verkommeren. Daarom luisteren zo veel mensen naar de simpelste verklaringen van de nationalisten. Scrabble leert de kinderen weer geduld te hebben en gestructureerd te denken.’
Zijn motieven zijn niet alleen zakelijk maar ook filantropisch van aard, wat uit zijn mond verbazend geloofwaardig klinkt. Om zijn kapitaal en de mensheid te redden predikt Brannan een revolutie in het profscrabble en maakt hij het zichtbaar en begrijpelijk in de media. Sinds kort worden de belangrijke WK-wedstrijden in een geluiddichte glazen container beslist, waar ze opgenomen worden en live op de website van Mind Sports worden gestreamd. Deze partijen worden gespeeld op een bord van 20.000 pond dat eruitziet als een ruimteschip en dat bestaat uit negen printplaten met radiofrequenties. Zo kan ieder scrabblevierkant gelezen en direct uitgezonden worden: naar een satelliet, maar ook naar een tweede, eraan gekoppelde container, waarin commentatoren zitten die de wedstrijd met behulp van eveneens nieuw ontwikkelde scrabblesoftware tot in alle details bespreken.
Het grootste structurele probleem bij dit Masterplan is wederom de mens. Zoals misschien al uit dit verhaal bleek, zijn scrabblespelers geen geboren entertainers. Ze worden geenszins gedreven door de wens stadions vol te krijgen, in de schijnwerpers te staan en geaaid te worden. Wat Brannan intussen weinig kan schelen. ‘Ik ken de menselijke natuur. Ze zijn als een primitief volkje dat bang is voor al wat nieuw is. Dit evenement, dat me overigens 100.000 euro kost, verloopt nu voor de laatste keer op hun manier. Ik heb het lang op een vriendelijke manier geprobeerd, maar vanaf nu kom ik met de stoomwals.’
Het zou unfair zijn om Brannan af te schilderen als de geldbeluste stoomwalsbaas, die geen gevoel heeft voor zijn personeel. De scrabblemecenas geniet van de partijen, blijft bij de borden staan (op gepaste afstand), bewondert het immense talent van de spelers, noemt ze bij de voornaam en gaat hartelijk met ze om.
Zo hartstochtelijk als deze doorsnede van de mensheid scrabbelt, zo bespreekt ze ook het steeds waarschijnlijker wordende falen van God. Richards staat met 14-10 op de elfde plaats. De piepkleine kans Joel Wapnick (15-9) nog van de achtste plaats te verdringen bestaat alleen omdat Gods puntensaldo met +1014 drie keer zo hoog is. Zijn tegenstander is Brett Smitheram, die Cohen al op indrukwekkende wijze kansloos liet. Hij heeft zich al gekwalificeerd voor de eindronde. Maar zijn ambitie om tot godendoder op te klimmen staat de naar succes hongerende Smitheram op het voorhoofd geschreven. Helemaal als hij met Richards de glazen container van de wereldpubliciteit betreedt en naar het laserblauw stralende ruimteschipbord loopt. De spanning waarmee de andere spelers om de container van de waarheid heen staan is aanstekelijk. Misschien is Brannans visioen werkelijk uitvoerbaar. Maar als je de tactische finesses niet begrijpt, vervliegt die hoop bij de aanblik van de twee oude mannen die daar vijftig minuten lang zitten te piekeren. Juist die finesses wil Brannan door experts laten uitleggen. Hoe dan ook, goddelijk bloed is niet moeilijk te begrijpen. En het vloeit. Het wordt 406 tegen 379 voor Smitheram. God is dood!
Zwijgende God
Onderdeel van de live-uitzendingen is dat de deelnemers meteen na afloop van het spel een kort interview geven voor de Mind Sports-website. Maar een dode God is daar niet toe te bewegen. Dus spreekt Smitheram voor twee. Eerst over een waanzinnige, hard bevochten partij en over zijn reusachtige respect voor Richards. Daarna leest hij een zin voor die de mokkend zwijgende God heeft opgeschreven: ‘Ik ga nu mijn haar wassen.’ Als God de container verlaat, zwermen troostende discipelen rond zijn nog onbeschuimde hoofd. Maar alle geloofsbelijdenissen ten spijt – er is iets veranderd.
De beide joodse deelnemers kan in elk geval niemand als godendoders bestempelen. Rosenkranz is na een gemene serie nederlagen van negen partijen afgezakt tot plaats 67. Maar hij is tevreden. Cohen moet verzuurd genoegen nemen met plaats 54. De eerste plaats in de voorronden is voor Mark Nyman, die jarenlang van de aardbodem verdwenen leek. Jighere is als drieëntwintigste geëindigd, en dus niet eens de succesvolste Nigeriaanse afgevaardigde, want dat is Dennis Ikekeregor, op plaats elf. Goed, Jack Mpakaboari is er ook nog, die in de B-divisie tot de play-offs is doorgedrongen. Maar de rest van de ploeg feliciteert hem nogal halfhartig met dit B-succes.
In de kwartfinale treft de nieuwe favoriet Nyman Joel Wapnick. Zeggen dat die twee een gemeenschappelijke geschiedenis hebben, is een understatement. Ze zijn elkaars trauma. In 1993 verloor Wapnick, de gepensioneerde muziekdocent uit Canada, de finale van het wereldkampioenschap tegen Nyman. ‘Dat liet me vijf jaar lang niet met rust,’ zegt hij. In 1999 vond Wapnick eindelijk vrede toen hij Nyman met zegge en schrijve één punt verschil versloeg in de finale. Wat op zijn beurt Nyman in een zware depressie stortte, tot een zenuwinzinking aan toe. Hij verdween enkele jaren uit beeld, zijn huwelijk liep stuk. Naar verluidt nam Nyman in deze periode heel onvoordelige financiële beslissingen. Maar de Nyman die nu weer met Wapnick de ruimteschip-container instapt, is een goed geconserveerde, weldoorvoede man van begin vijftig.
In de play-offs gaat degene die als eerste drie zeges boekt door – een best-of-fiveserie. Na drie partijen staat het 2-1 voor trauma-Nyman. In de vierde partij vecht trauma-Wapnick voor zijn leven en haalt bijna een achterstand van 136 punten in. Bijna. ‘Dat waren heel typerende partijtjes voor ons,’ becommentarieert de verslagen maar beheerste Wapnick. Nyman is het met hem eens en benadrukt hoe beslissend mentale kracht is in het scrabble. Die heeft hij dringend nodig in de aansluitende halve finale tegen Adam Logan, die hij pas in het vijfde spel in zijn voordeel beslist. Godendoder Smitheram schakelt eerst de duidelijk favoriete David Webb uit. En in de halve finale de ervaren en ook sterker ingeschatte ex-finalist Lewis Mackay. Jack Mpakaboari bereikt de finale van de B-divisie, die uitgevochten wordt tegen de Amerikaanse (ja, hier duikt een vrouw op!) Sandy Nang. Zijn Nigeriaanse collega’s nemen er welwillend maar opvallend terloops kennis van.
‘We hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is’
Op de zondag van de finale zijn twee mensen bijzonder opgewonden: de CEO van Mind Sports, David Brannan, en de door God gebroken noodlotscoördinator Asirvatham. Ze zijn, net als de nog niet afgereisde spelers, getuige van een zeer eenzijdig eerste eindspel in de A-divisie. Omdat Nyman voortdurend onvruchtbare letters trekt en geen kans heeft tegen de met geluk grabbelende en foutloos opererende Smitheram. In het tweede spel leidt Nyman met 170 punten, maar hij wordt onvoorzichtig en geeft het zeker geachte gelijkspel weg. Nu heeft de godendoder nog maar één gewonnen spel nodig tot aan de Olympus. Ondertussen is de kampioen van de B-divisie al bekend. Hij heet Jack Mpakaboari en heeft het rechtstreeks in drie partijen beslist. Onverhoeds straalt Nigeria’s scrabblester met een gouden gloed in Lille! De hele delegatie valt de lange en mollige Mpakaboari in de armen en jubelt alsof ze nooit op iets anders uit waren dan de titel in de B-divisie. Om de overwinning te vieren vertrekken ze in feeststemming naar de Kentucky Fried Chicken. De stemmen van de luidkeels zingende mannen schallen door de zondagsrust in binnenstad.
Nyman, met de rug naar de glaswand, begint de derde partij voorzichtig. Maar hij wordt door Smitheram vrij snel tot aanvallender spel gedwongen. Hij legt ‘dartled’ en gaat met 164 tegen 92 aan de leiding. Het zal de laatste keer zijn, want algauw volgt de gouden zet, die de godendoder Smitheram de eindzege oplevert: ‘Braconid’ – een parasitaire wespensoort in Zuid-Amerika. Perfect uitgespeeld met driemaal woordwaarde, maximaal vergoed met 178 punten. Van deze klap herstelt Nyman niet meer, en hij gaat vernederd ten onder met 351 tegen 628. Zijn smartelijke en toch milde glimlach in deze laatste, uitzichtloze minuten ontroert de toeschouwers. ‘Mark heeft er vrede mee,’ fluisteren de andere spelers.
Een beetje op de achtergrond hangt financier Brannan op een plastic stoeltje. Als een uitgetelde zwaargewichtbokser, afwezig voor zich uit starend. ‘Bent u tevreden over de manifestatie, mister Brannan?’ ‘Wel, we hadden online goede bezoekersaantallen. Dat geeft me hoop. Misschien ziet de wereld langzaam in hoe geweldig de scrabblesport is,’ krast hij hees. Hij is zichtbaar oververmoeid.
Daar komt Asirvatham aangeruist: ‘Dave, een journalist van The New York Times wil je spreken.’ De zojuist nog uitgetelde Brannan springt overeind en staat in een seconde stevig op twee benen. Nadat Smitheram zijn bokaal overhandigd heeft gekregen en met het winnende bord van de laatste partij is gefotografeerd, vraagt het publiek hem of hij nu officieel beter is dan God (die al afgereisd is). Smitherams ogen lichten giftig op en hij antwoordt: ‘Ik zie hem hier niet op mijn plaats. Dus zonder enige twijfel: ja! Maar hij is van harte uitgenodigd om het tegendeel te bewijzen.’
De scrabbleonderdanen weten zich geen raad van vreugde. Hun lang gekoesterde vrees slaat, onder vreugdekreten, om in heiligschennis.
Politici als Donald Trump, die tekeergaan tegen de macht van grote internationale bedrijven, lopen in veel opzichten achter. Multinationals waren al ruim voor de populistische revoltes van 2016 op hun retour.
Een van de vele dingen waar Donald Trump een hekel aan heeft zijn grote wereldconcerns. Hij verwijt ze een ‘bloedbad’ onder gewone Amerikanen aan te richten door banen en fabrieken naar het buitenland te verhuizen. Hij wil deze plunderende multinationals temmen. Lagere belastingen zullen hun geld naar Amerika laten terugvloeien, importheffingen zullen hun buitenlandse aanvoerketens belemmeren, en de handelsovereenkomsten waardoor ze zaken kunnen doen zullen herschreven worden. Om aan strafmaatregelen te ontkomen ‘hoeven jullie alleen maar hier te blijven’, zei hij tegen de Amerikaanse bazen.
Trumps agressief protectionistische toon is ongebruikelijk. Maar hij loopt in veel opzichten achter. Multinationals, de aanjagers van globalisering, waren al ruim voor de populistische revoltes van 2016 op hun retour. Hun financiële resultaten blijven achter, waardoor ze niet langer plaatselijke bedrijven uitkleden. Vele lijken niet meer in staat verder in hun kosten en belastingen te snijden en hun plaatselijke concurrenten te slim af te zijn. De impact op de wereldhandel zal groot zijn.
Multinationals, die een groot deel van hun zaken buiten hun thuisbasis doen, bieden wereldwijd werk aan slechts een op de vijftig mensen. Maar ze zijn wel belangrijk. Een paar duizend bedrijven bepalen wat miljarden mensen bekijken, dragen en eten. Multinationals als IBM, McDonald’s, Ford, H&M, Infosys, Lenovo en Honda zijn het ijkpunt voor managers. Zij coördineren de aanvoerketens die verantwoordelijk zijn voor 50 procent van de wereldhandel. Zij nemen wereldwijd een derde van de waarde van de effectenbeurzen voor hun rekening en bezitten het leeuwendeel van het intellectuele eigendom – van lingerieontwerpen tot virtual-realitysoftware en medicijnen tegen diabetes.
Hun grote bloei kwam begin jaren negentig, toen de markten van China en het voormalige Sovjetblok opengingen en Europa integreerde. De omvang en efficiency van multinationals viel in de smaak bij beleggers. Een Chinese fabriek kon gereedschap uit Duitsland gebruiken, belasting betalen in Luxemburg en verkopen aan Japan. Het was een gouden tijd.
Belangrijk voor de opkomst van multinationals was hun aanspraak dat ze goudmijnen bij uitstek waren. Die aanspraak ligt inmiddels in duigen. De winsten van multinationals zijn de afgelopen vijf jaar met 25 procent gedaald. Hun investeringsresultaat is in twee decennia niet zo laag geweest. Deze neergang is deels te verklaren door de sterke dollar en een lage olieprijs. Technologische toppers en consumentenbedrijven met sterke merken doen nog steeds goede zaken. Maar de pijn is te wijdverbreid en langdurig om als een dipje te kunnen worden afgedaan. Liefst 40 procent van alle multinationals heeft minder dan 10 procent rentabiliteit van het eigen vermogen, een ongekend slechte prestatie. De meeste industrieën groeien langzamer en zijn minder winstgevend dan de plaatselijke bedrijven die in hun achtertuin zijn blijven hangen. Wereldwijd is de winst waarvoor multinationals verantwoordelijk zijn, gedaald van 35 procent tien jaar geleden tot 30 procent nu. Voor veel bedrijven op het gebied van de maakindustrie, financiële dienstverlening, grondstoffenvoorziening, media en telecommunicatie is de globalisering een last geworden in plaats van een lust.
Dat komt doordat de winstgevendheid na dertig jaar onder druk staat. Bedrijven hebben hun belastingaanslagen tot het laagste punt teruggeschroefd; in China stijgt het loon van fabrieksarbeiders. Plaatselijke bedrijven zijn slimmer geworden; ze kunnen de innovaties van multinationals stelen, kopiëren of wegconcurreren zonder kostbare kantoren en fabrieken in het buitenland te hoeven bouwen. Van de Amerikaanse schalie-industrie tot de Braziliaanse banken, van de Chinese e-commerce tot de Indiase telecommunicatie, overal voeren plaatselijke bedrijven de boventoon, en niet de multinationals.
Trump is het jongste en strijdlustigste voorbeeld van een wereldwijd streven om een groter deel van de winst van multinationals af te romen
Het veranderende politieke landschap maakt het nog moeilijker voor de reuzen. Trump is het jongste en strijdlustigste voorbeeld van een wereldwijd streven om een groter deel van de winst van multinationals af te romen. China wil dat ze niet alleen hun aanvoerketens in het land vestigen, maar ook activiteiten waaraan meer hersenwerk te pas komt, zoals onderzoek en ontwikkeling. Van Duitsland tot Indonesië, overal worden de overname-, antitrust- en dataregels aangescherpt.
De komst van Trump zal het bloederige herstructureringsproces alleen maar versnellen. Veel bedrijven zijn simpelweg te groot: ze zullen hun imperium moeten afslanken. Andere proberen zich dieper te wortelen in de markten waarop ze opereren. General Electric en Siemens ‘lokaliseren’ aanvoerketens, productie, banen en belastingen tot regionale of nationale eenheden. Een andere strategie is om ‘ongrijpbaar’ te worden. Toppers uit Silicon Valley, zoals Uber en Google, breiden zich nog steeds in het buitenland uit. Fastfood- en hotelketens stappen over van hamburgers bakken en bedden opmaken op het verkopen van merkrechten.
Dat multinationals op hun retour zijn, zal politici het idee geven dat ze een grotere vinger in de pap krijgen. Maar niet elk land kan een groter deel van de productie, banen en belastingen van hetzelfde bedrijf in de wacht slepen. En een snelle aftakeling van de dominante vorm van zakendoen gedurende de afgelopen twintig jaar kan chaotische gevolgen hebben. Veel landen met een tekort op de handelsbalans (zoals het ‘globale’ Verenigd Koninkrijk) vertrouwen op de kapitaalstroom die multinationals binnenbrengen. Als de bedrijfswinsten dalen, zal de waarde van de effectenbeurzen vermoedelijk instorten.
Hogere prijzen
En de consumenten en stemmers? Die raken schermen aan, dragen kleren en slikken geneesmiddelen die worden geproduceerd door bedrijven die ze als immorele, afstandelijke uitbuiters beschouwen. De gouden tijd voor multinationals is ook een gouden tijd geweest voor consumentenkeuze en efficiency. Door hun neergang zal de wereld misschien eerlijker lijken. Maar de inkrimping van multinationals kan niet alle banen terugbrengen die mensen als Trump beloven. En het zal leiden tot hogere prijzen, minder concurrentie en vertragende innovatie. Mettertijd zouden miljoenen kleine bedrijven die zakendoen met het buitenland de grote bedrijven kunnen vervangen als overdragers van ideeën en kapitaal. Maar hun gewicht is gering. Misschien zullen de mensen, als ze terugkijken naar een tijd waarin multinationals de zakenwereld beheersten, betreuren dat die voorbij is.
Vertaler: Peter Bergsma
The Economist
Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180
Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief. Alle stukken worden anoniem gepubliceerd.
CONTEXT – VK: Op de terugtocht
Hoe staan de grote multinationale ondernemingen ervoor in dit tijdperk van herlevend protectionisme, vraagt The Economist zich af. Die zijn ‘op de terugtocht’, concludeert het Britse weekblad in een uitgebreid dossier waarin wordt teruggekeken op het soms overdonderende succes van multinationals als McDonald’s of KFC in de decennia rond de eeuwwisseling en hun verval van de laatste jaren.
CONTEXT – VS: 11.500 daling koopkracht
Het gemiddelde Amerikaanse gezin zou de komende vijf jaar een verlies aan koopkracht van 11.500 dollar tegemoet moeten zien als Washington vasthoudt aan een importbelasting van 35 procent op producten uit Mexico en van 45 procent op import uit China en Japan, waarmee Donald Trump heeft gedreigd. Dat zou overeenkomen met het opleggen van een consumentenbelasting van 18 procent aan de 10 procent armste Amerikanen (en van slechts 3 procent aan de 10 procent rijkste), volgens een onderzoek van de National Foundation for American Policy, geciteerd door The Economist.
Waarom botert het zo slecht tussen de Europese elite en een groot deel van de kiezers? Omdat ze weinig of niets meer met elkaar gemeen hebben, schrijft de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev.
Als je niet begrijpt waarom mensen zich op een bepaalde manier gedragen, kun je jezelf er maar beter van overtuigen dat mensen niet weten wat ze doen. Dat hebben de leiders van de Europese politiek, zakenwereld en nieuwsmedia gedaan als reactie op de populistische golf die het oude continent overspoelt. Ze zijn geschokt dat zo veel landgenoten op onverantwoordelijke demagogen stemmen. Ze kunnen de oorzaak van de woede jegens de meritocratische elites, waarvan de goed opgeleide, competente ambtenaren in Brussel het meest sprekende symbool zijn, maar moeilijk begrijpen.
Waarom staan mensen met een goede opleiding in zo’n kwaad daglicht in een tijd waarin de complexiteit van de wereld erop duidt dat die het hardste nodig zijn? Waarom weigeren mensen die hard werken om hun kinderen te laten afstuderen aan de beste universiteiten ter wereld mensen te vertrouwen die al aan deze universiteiten zijn afgestudeerd? Hoe kan iemand het eens zijn met Michael Gove, de pro-Brexit-politicus, die zei dat mensen ‘genoeg hebben van deskundigen’?
Het zou duidelijk moeten zijn dat meritocratie – een systeem waarin de meest getalenteerde en capabele, best opgeleide mensen die het hoogste scoren bij examens – beter is dan plutocratie, gerontocratie, aristocratie en misschien zelfs de macht van de meerderheid, democratie.
Maar de meritocratische elites van Europa worden niet alleen gehaat vanwege de onverdraagzame stompzinnigheid van populisten of de verwarring van de gewone man.
Michael Young, de Britse socioloog die halverwege de vorige eeuw de term ‘meritocratie’ muntte, zou niet verbaasd zijn over deze ommekeer. Hij legde als eerste uit dat hoewel ‘meritocratie’ de meeste mensen misschien goed in de oren klinkt, een meritocratische maatschappij een ramp zou zijn. Dat zou een maatschappij zijn van egoïstische en arrogante winnaars, en boze en wanhopige verliezers. De triomf van de meritocratie, zo begreep Young, zou ten koste gaan van de politieke gemeenschapszin.
Mensen vertrouwen hun leiders niet alleen vanwege hun competentie, maar ook vanwege hun moed en betrokkenheid, en omdat ze geloven dat hun leiders in tijden van crisis bij hen zullen blijven in plaats van zich per helikopter naar de nooduitgang te spoeden
Wat meritocraten zo onverdraaglijk maakt voor hun critici is niet zozeer hun succes als wel hun aanspraak dat ze zijn geslaagd omdat ze harder hebben gewerkt dan anderen, omdat ze nu eenmaal beter gekwalificeerd zijn dan anderen en omdat ze voor de examens zijn geslaagd waarvoor anderen zijn gezakt.
De paradox van de huidige politieke crisis in Europa is geworteld in het feit dat de Brusselse elites precies de schuld krijgen van datgene waarop ze zich laten voorstaan: hun kosmopolitisme, hun weerstand tegen publieke druk en hun mobiliteit.
In Europa is de meritocratische elite een elite van huurlingen die niet veel verschilt van de manier waarop de beste voetballers overal op het continent aan de succesvolste clubs worden verhandeld. Succesvolle Nederlandse bankiers verhuizen naar Londen; competente Duitse bureaucraten verhuizen naar Brussel. Europese instellingen en banken geven, net als voetbalclubs, gigantische hoeveelheden geld uit om de beste ‘spelers’ binnen te halen. Meestal zorgt dit systeem voor overwinningen op het veld of in de bestuurskamer van de centrale bank.
Maar wat gebeurt er als deze teams beginnen te verliezen of wanneer de economie hapert? Dan laten hun supporters hen in de steek. Dat komt doordat er geen andere relatie tussen de ‘spelers’ en hun supporters is dan het vieren van overwinningen. Ze komen niet uit dezelfde buurt. Ze hebben geen gemeenschappelijke vrienden of herinneringen. Veel spelers komen zelfs niet uit hetzelfde land als hun team. Je kunt de ingehuurde ‘sterren’ bewonderen, maar je hebt geen reden om medelijden met hen te hebben.
In de ogen van de meritocratische elites is hun succes buiten hun vaderland een bewijs van hun talent, maar in de ogen van veel mensen is deze zelfde mobiliteit een reden om hen niet te vertrouwen.
Loyaliteit
Mensen vertrouwen hun leiders niet alleen vanwege hun competentie, maar ook vanwege hun moed en betrokkenheid, en omdat ze geloven dat hun leiders in tijden van crisis bij hen zullen blijven in plaats van zich per helikopter naar de nooduitgang te spoeden. Paradoxaal genoeg zijn het de uitwisselbare competenties van de huidige elites, het feit dat ze even goed een bank kunnen leiden in Bulgarije als in Bangladesh of even goed les kunnen geven in Athene als in Tokio, waardoor mensen hen zo wantrouwen. Ze zijn bang dat de meritocraten er in moeilijke tijden vandoor zullen gaan in plaats van de kosten van het blijven te delen.
Het wekt dan ook geen verbazing dat loyaliteit – namelijk de onvoorwaardelijke loyaliteit aan etnische, religieuze of sociale groepen – de kern vormt van de aantrekkingskracht van het nieuwe Europese populisme. Populisten beloven de mensen dat ze hen niet alleen op hun merites zullen beoordelen. Ze beloven solidariteit, maar niet per se rechtvaardigheid.
Anders dan een eeuw geleden zijn populaire leiders vandaag de dag niet geïnteresseerd in het nationaliseren van industrieën. In plaats daarvan beloven ze de elites te nationaliseren. Ze beloven niet dat ze de mensen zullen redden, maar dat ze bij hen zullen blijven. Ze beloven dat ze de nationale en ideologische beperkingen weer zullen invoeren die door de globalisering zijn afgeschaft. Kortom, wat populisten hun kiezers beloven is niet competentie, maar innige verbondenheid. Ze beloven dat ze de band zullen herstellen tussen ‘de elites’ en ‘het volk’. En velen in het huidige Europa vinden dat een aantrekkelijke belofte.
De Amerikaanse filosoof John Rawls sprak namens veel liberalen toen hij betoogde dat het minder pijnlijk was om een verliezer te zijn in een meritocratische samenleving dan in een openlijk onrechtvaardige samenleving. Naar zijn idee zou de eerlijkheid van het spel mensen verzoenen met hun mislukking. Nu lijkt het erop dat de grote filosoof het bij het verkeerde eind had.
Ivan Krastev is voorzitter het Center for Liberal Strategies in Sofia, fellow bij het Institute for Human Sciences in Wenen, en columnist van The New York Times.
Ivan Krastev neemt op 16 februari deel aan een rondetafelconferentie over Oekraïne.
Castrum Peregrini in Amsterdam | Aanvang 20 uur, entree 7,50 euro | Castrumperegrini.org
Zelfs de grootste optimist zal 2017 met lichte huivering tegemoetzien. Het belooft een roerig jaar worden met drie belangrijke verkiezingen – in Frankrijk, Duitsland en Nederland –, waarbij populistische partijen fors lijken te gaan winnen.
Op wereldschaal dreigt de verkiezing van Donald Trump de verhoudingen tussen de VS, China en Rusland flink op te schudden.
In een interview met de Oostenrijkse krant Die Presse, kort na de verkiezing van Donald Trump, maakt de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev de inschatting dat 2017, net als 1917, ‘een revolutionair jaar’ zou kunnen worden. ‘Als Marine Le Pen in Frankrijk wint en Angela Merkel in Duitsland verliest, zou Europa van kop tot staart kunnen veranderen. Als de Europese Unie dat al zou overleven, zou ze er heel anders uit komen te zien: niet meer dezelfde grenzen, niet meer dezelfde filosofie.’
The Spactator: Het jaar van de razernij
‘2017: het jaar van de Europese woede’ luidt de kop boven een artikel in The Spectator.‘Na de turbulenties in 2016 zou een rustig jaartje Europa geen kwaad doen. Maar het zal er niet van komen’, voorziet het Britse weekblad, want ‘er komen verkiezingen in vier landen die bij de oprichting van het Europese project betrokken waren, en in al deze landen is het eurosceptisme in opmars’; in Nederland, in Frankrijk, in Duitsland, en in Italië, hoewel nog niet vaststaat dat ook de Italianen al dit jaar naar de stembus zullen gaan.
The Economist: De wals van de atoombommen
Wie zal het eerste naar het kernwapen grijpen? Rusland?* Noord-Korea? De waarschijnlijkheid dat een land in een opwelling van woede gebruik zal maken van het kernwapen – hetgeen de eerste keer zou zijn sinds 1945 – blijft godzijdank buitengewoon klein, schrijft het Britse weekblad The Economist.Toch zijn anno 2017 de kansen daarop niet geheel tot nul teruggebracht. ‘De verontrustende waarheid is dat kernwapens vandaag de dag een grotere bedreiging zijn dan ooit tevoren sinds het einde van de Koude Oorlog.’
Op 2 december 2016 gelastte Poetin een versterking van de Russische nucleaire slagkracht, vooral door gebruik te maken van raketsystemen waartegen geen enkel raketschild bestand zal zijn.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.