De Italiaanse jezuïet Antonio Spadaro is een van de eersten die onderzocht hoe het internet de manier waarop het geloof beleefd wordt beïnvloedt. In zijn baanbrekende boek Cybertheologia schrijft hij over de impact van de digitale revolutie op religie. Lees de exclusieve vertaling van het voorwoord.
Nexus-conferentie: ‘Revolutie van de hoop‘
‘Revolutie van de hoop’ is dit jaar het onderwerp van de Nexus-conferentie. Met als hoofdvraag: Waar vinden we, te midden van al onze hedendaagse crises, de revolutionaire hoop, moed en creativiteit om nieuwe werelden vorm te geven?
Op zaterdag 20 november komen sprekers als Giuseppe Conte, Patti Smith, Wole Soyinka en Mary L. Trump bijeen in Amsterdam om een antwoord te formuleren op deze vragen.
Deze week publiceert 360 Magazine artikelen en speeches van de sprekers van de Nexus-conferentie ‘Revolution of Hope’. De vijfde in de reeks is de Italiaanse jezuïet Antonio Spadaro.
Is the Internet Changing the Way you Think? Dat is de titel van een in 2011 in de Verenigde Staten onder redactie van John Brockman verschenen interviewbundel over de impact van het internet op ons leven. Dat is inderdaad de echte vraag, de enige die we onszelf moeten stellen: verandert het internet onze manier van denken? Recente digitale technologieën zijn niet langer gereedschappen of hulpmiddelen die volledig losstaan van ons lichaam en onze geest. Het internet is geen hulpmiddel, maar een ‘omgeving’ waarin we leven. De ‘devices’, oftewel de apparaten die we daartoe altijd bij de hand hebben (en die vaak ook niet groter zijn dan een hand) en die ons in staat stellen altijd online te zijn, verdwijnen steeds meer, worden lichter, verliezen consistentie en vervagen tegen de achtergrond vande digitale dimensie van het leven. Het zijn open deuren die zelden gesloten worden. Wie zet nog zijn iPhone uit? Die wordt opgeladen, wordt op ‘stil’ gezet, maar wordt zelden uitgeschakeld. Er zijn mensen die niet eens weten hoe dat moet. En als we een smartphone op zak hebben die aanstaat, zijn we continu online.
En dus wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar hoe het internet ons dagelijks leven en, in algemenere zin, onze relatie met de wereld en de mensen om ons heen verandert. Maar als het internet onze manier van leven en denken verandert, zal het dan niet ook onze manier van denken over, en beleven van, het geloof veranderen (…hetgeen ook al gebeurt)?
Lees ook de artikelen van de andere sprekers van de Nexus-conferentie:
Die vraag kent voor mij een precies ontstaansmoment. In januari 2010 werd ik door Mgr. Domenico Pompili gevraagd om een lezing te geven op een congres georganiseerd door de Italiaanse Bisschoppenconferentie, getiteld Digital Witnesses. Hij vroeg me om te praten over geloof en internet. Tot dan toe had ik, vanaf 1999, voor La Civiltà Cattolica een aantal artikelen geschreven over afzonderlijke aspecten van het internet en over afzonderlijke sociale netwerken. Daarmee zette ik de traditie van grote betrokkenheid voort van het tijdschrift waarvan ik in oktober 2011 hoofdredacteur werd, een traditie die in gang was gezet door pater Enrico Baragli, een ware pionier in het onderzoek naar massamedia, voortgezet door pater Antonio Stefanizzi met artikelen over nieuwe communicatietechnologieën.
Toen Mgr. Pompili me benaderde, had ik twee boeken over het onderwerp geschreven: Verbindingen. Nieuwe vormen van cultuur in het internettijdperk (2006) en Web 2.0. Relatienetwerken (2010). Maar zijn uitnodiging bezorgde me toch een ongemakkelijk gevoel. Ik begreep dat hij me met zijn verzoek niet vroeg om een fenomenologische beschouwing over internettools voor evangelisatie, noch om een sociologische bespiegeling over religiositeit op internet. Dat wil zeggen, dergelijke bespiegelingen volstonden mijns inziens niet. Ik herinner me dat ik, toen ik probeerde mijn betoog voor te bereiden, voor het lege scherm van mijn computer zat zonder te weten hoe te beginnen, wat te schrijven. Maar ik snapte wel dat ik een ‘theologisch’ betoog moest houden. Dit was het moment om iets te zeggen dat de vrucht was van de cognitieve impuls die van het geloof uitgaat in een tijd als de onze, waarin de logica van het internet haar stempel drukt op onze manier van denken, weten, communiceren, leven.
Welke impact heeft het internet op de manier waarop er naar de Kerk en de kerkelijke gemeenschap wordt gekeken?
Daarmee drong ik een gebied binnen dat me aanvankelijk nogal onontgonnen en weinig populair toescheen. Bij het zoeken naar literatuur over het onderwerp ontdekte ikdat er inmiddels weliswaarveel geschreven is over de pastorale dimensie, waarin het internet als een instrument van evangelisatie wordt gezien, maar dat er van een systematisch-theologische reflectie daarentegen amper sprake was. Mijn vragen waren: welke impact heeft het internet op de manier waarop er naar de Kerk en de kerkelijke gemeenschap wordt gekeken? En welke invloed heeft het op de manier waarop over de Openbaring, de genade, de liturgie, de sacramenten – en dus over de klassieke thema’s van de systematische theologie – wordt gedacht? Mijn lezing van 23 april 2010 op het congres Digital Witnesses was de eerste stap in een persoonlijke reflectie die nog maar net in gang is gezet.
De gedachte dat we deze vragen onder ogen moeten durven zien wordt steeds meer gedeeld. Benedictus XVI zelf sprak de deelnemers aan de plenaire vergadering van de Pauselijke Raad voor Sociale Communicatie op 28 februari 2011 als volgt toe: ‘Het is niet alleen zaak de evangelieboodschap te verkondigen in de taal van nu, maar het is ook noodzakelijk de moed op te brengen om, zoals ook is gedaan in andere tijden, dieper na te denken over de relatie tussen het geloof, het leven van de Kerk en de veranderingen die de mens doormaakt. Het is de verplichting om degenen die verantwoordelijkheid dragen in de Kerk te helpen de “nieuwe taal” van de media te begrijpen, te interpreteren en te spreken bij het pastorale werk en in de dialoog met de hedendaagse wereld, en zich af te vragen: voor welke uitdagingen worden het geloof en de theologie gesteld door het zogenaamde “digitale denken”? Voor welke vragen en verzoeken? De communicatiewereld beïnvloedt het hele culturele, sociale en spirituele universum van de mens. Als die nieuwe talen een impact hebben op zijn manier van denken en leven, heeft dat in zekere zin ook betrekking op zijn geloofswereld, zijn intelligentie en zijn expressie. Volgens een klassieke definitie is theologie het begrijpen van het geloof, en we weten dat begrip, opgevat als beschouwende en kritische kennis, niet terugdeinst voor culturele veranderingen. De digitale cultuur stelt nieuwe eisen aan ons vermogen om een symbolische taal te bezigen en te horen die spreekt van transcendentie. Ook Jezus zelf maakte bij de verkondiging van het Koninkrijk gebruik van elementen uit de cultuur en de omgeving van zijn tijd: de kudde, de velden, het feestmaal, de zaden enzovoort. Vandaag de dag wordt ons gevraagd om, ook in de digitale cultuur, symbolen en metaforen te ontdekken die voor mensen betekenisvol zijn, die van nut kunnen zijn bij het tot de hedendaagse mens spreken over het Koninkrijk van God.’
Spirituele blik
Nadenken over geloof in deze internettijd is echter niet alleen reflectie in dienst van het geloof. In werkelijkheid is de inzet zelfs nog hoger en allesomvattender. Als christenen nadenken over internet, is dat niet alleen om te leren hoe ze het goed kunnen ‘gebruiken’, maar ook omdat christenen geroepen zijn om de mensheid te helpen begrijpen hoe ze de diepe betekenis van het internet in Gods plan moeten opvatten: niet als een instrument om te ‘gebruiken’, maar als een omgeving om te ‘bewonen’. Zoals Johannes Paulus II in 2005 schreef in zijn apostolische brief De snelle ontwikkeling: ‘De Kerk, die op grond van de haar door de Heer toevertrouwde heilsboodschap ook leermeesteres van de mensheid is, is zich bewust van haar plicht zelf bij te dragen tot een beter begrip van de perspectieven en verantwoordelijkheden met betrekking tot de huidige ontwikkelingen van de communicatiemiddelen.’ Dit is de grootste bijdrage van de Kerk aan het internet, althans vanuit haar eigen gezichtspunt: de mensheid helpen de diepe betekenis van communicatie en van de media beter te begrijpen. En dat vooral omdat die ‘het geweten van individuen beïnvloeden, hun mentaliteit vormen en hun kijk op dingen bepalen’. In de ontwikkeling van communicatie ziet de Kerk de handeling van God die de mensheid de weg naar vervulling wijst. Het internet, met zijn vermogen om, op zijn minst in potentie, een ruimte voor gemeenschap te zijn, maakt deel uit van de reis van de mens naar deze vervulling in Christus. En dus dienen we met een spirituele blik naar het internet te kijken en daarbij Christus te zien die de mensheid oproept om steeds meer verenigd en verbonden te zijn.
Ik ben geen socioloog of technicus: ik ben academisch opgeleid in de geesteswetenschappen – eerst filosofie en daarna theologie – en het was de literaire kritiek, waarmee ik me sinds 1994 bezighoudt voor La Civiltà Cattolica,die me ertoe aanspoorde te gaan nadenken over het internet. Het kritisch lezen van poëzie bracht me ertoe me met technologie bezig te houden en de theologie stelde me in staat de juiste nieuwsgierigheid aan de dag te leggen en de juiste categorieën te hanteren om die te begrijpen. Ik putte troost en inspiratie uit de bevindingen van Marshall McLuhan, die de nieuwe media met een vernieuwende blik benaderde, te weten als literair criticus en katholiek denker en niet als socioloog. Vervolgens was het de dichter Gerard Manley Hopkins die me de rol van technologische innovatie hielp begrijpen, was het de jazz die me de rol van sociale netwerken deed begrijpen, waren het theologen – van Thomas van Aquino tot Teilhard de Chardin – die me verlichtten inzake de krachten die de mens actief maken in de wereld door deel te nemen aan de schepping, en die de mens optillen naar een doel dat hoger is dan hijzelf en elk cognitief surplus te boven gaat. Het is de onuitputtelijke zoektocht naar betekenis die me de waarde van de USB-kabel in mijn hand heeft doen inzien. En ik weet dat mijn iPad verband houdt met mijn onuitblusbare verlangen om de wereld te leren kennen, terwijl mijn iPhone me (zelfs als hij op stil staat) vertelt dat ik gemaakt ben om niet alleen te zijn. Maar het is Whitmans poëzie die mijn belangstelling voor vooruitgang aanwakkert. En het is Eliot die me ervoor behoedt in haar valkuilen te lopen. Maar het is ook Flannery O’Connor die me doet inzien dat ‘de genade in hetzelfde gebied leeft als de duivel’ en dat langzaam in bezit neemt. En dus begrijp ik dat ik, hoeveel slechts ik ook zie op het net, er nooit een negatief oordeel over zal kunnen vellen om vervolgens op mijn lauweren te rusten, als ik God aan het werk in de wereld wil zien. En als ik zie hoe elektriciteit mijn computer binnenstroomt, waardoor die aanspringt en op wonderbaarlijke wijze begint op te starten, is het de gedachte aan de bezielde poëzie van Karol Wojtyla die mijn verwondering stuurt.
Cyberspace benadrukt onze eindigheid en roept op tot volkomenheid
De technologie geeft uitdrukking aan het verlangen van de mens naar een volkomenheid die altijd groter is dan hijzelf, zowel op het niveau van aanwezigheid en verbinding als op het niveau van kennis: cyberspace benadrukt onze eindigheid en roept op tot volkomenheid. Daarnaar op zoek gaan betekent in zekere zin opereren in een veld waarin, zoals ik al zei, spiritualiteit en technologie elkaar kruisen.
Op 23 april 2010 begon ik aan een reeks artikelen voor La Civiltà Cattolica, en vervolgens heb ik mijn bevindingen getoetst op verschillende conferenties en bijeenkomsten, zowel in Italië als in het buitenland. Hoewel de resultaten van mijn studie, die ik heb gedefinieerd als ‘cybertheologie’, vooral zijn geboekstaafd in een aantal essays in La Civiltà Cattolica, voelde ik de behoefte om die ook open te stellen voor online raadpleging en debat. En dus heb ik op 1 januari 2011 het blog Cyberteologia.it gestart, en vervolgens ook de Facebookpagina ‘Cybertheology’, een Twitteraccount (@antoniospadaro) en de krant The CyberTheology Daily (http://www.cyber-theology.net), een service voor contentbeheer. Op die manier heb ik geprobeerd mijn reflecties ‘sociaal’ te maken. Ten slotte redigeer ik sinds april 2011 een maandelijkse column over cybertheologie in het maandblad Jesus.
Antropologische verandering
Nu ik dit boek aan de lezer ter hand stel, wil ik enkele punten eruit aanstippen die samen een soort conceptueel uitgangspunt vormen. Allereerst wil ik benadrukken dat men zich, alvorens te beginnen met lezen, de vraag moet stellen wat de nieuwe, door de media gegenereerde existentiële context behelst, en de daaruit voortvloeiende ‘antropologische verandering’. Wat betekent die voor het geloof? In welke wereld leven we? Is die hetzelfde als vroeger? Als iemand vraagt ‘Waar woon je?’, wat zouden we dan antwoorden? We bewonen ook een ‘digitaal grondgebied’. Welke waarde kennen we in het digitale tijdperk toe aan het feit dat ‘het Woord vlees is geworden en onder ons is komen wonen’?
Ik wil er derhalve graag op wijzen dat het mijn bedoeling is om mogelijke scenario’s te schetsen en het verlangen te voeden om niet te stoppen bij de ‘wonderen’ van de techniek, maar om verder te gaan en te begrijpen hoe de wereld verandert en hoe deze verandering invloed heeft op het geloofsleven. Technologieën zijn niet alleen ‘nieuw’ omdat ze anders zijn dan wat eraan voorafgaat, maar ook omdat ze het begrip ‘ervaren’ ingrijpend veranderen. We moeten niet zo naïef zijn te geloven dat ze ons ter beschikking staan zonder dat ze op enigerlei wijze tornen aan onze manier om de werkelijkheid waar te nemen. Het is de taak van de Kerk, zoals van alle kerkelijke gemeenschappen, om de mens te begeleiden op zijn reis, en het internet maakt inmiddels onlosmakelijk deel uit van die reis.
Als je naar het internet kijkt, dien je niet alleen naar de toekomstperspectieven te kijken die het biedt, maar ook naar de verlangens en de verwachtingen die de mens altijd heeft gekoesterd en ten aanzien waarvan hij naar antwoorden zoekt, te weten: verbinding en kennis. We weten heel goed dat het bestaan van de Kerk altijd op twee fundamentele pijlers heeft gerust: de verkondiging van een boodschap en gemeenschapszin. En dus is de Kerk vanzelfsprekend dáár aanwezig waar de mens zijn vermogen tot kennis en verbinding ontwikkelt. Dat is de reden waarom het internet en de Kerk ‘altijd al’ waren voorbestemd elkaar te ontmoeten. En daarom is het vandaag de dag ook noodzakelijk om na te denken over het geloof in tijden van internet, oftewel over ‘cybertheologie’.
Antonio Spadaro
Antonio Spadaro, S.J. is een Italiaanse Jezuïet, journalist en schrijver, maar bovenal vertrouweling en een van de voornaamste adviseurs van paus Franciscus. In 1988 deed hij zijn intrede bij de Sociëteit van Jezus en in 1998 raakte hij betrokken bij het tweewekelijkse jezuïtische tijdschrift La Civiltà Cattolica, waarvan hij sinds 2011 hoofdredacteur is.
In 2014 publiceerde hij zijn invloedrijke boek Cybertheology, waarin hij ingaat op de invloed van de digitale revolutie en het internet op onze kijk op leven en geloof, en klassieke theologische begrippen als de openbaring, gratie, liturgie en sacramenten. Spadaro is lid van de Pauselijke Raad voor de Cultuur en lid van de Pauselijke Academie voor Kunst en Literatuur. In 2013 nam hij het eerste interview van paus Franciscus af, dat wereldwijd in verschillende vertalingen verscheen.
De jonge betogers in het olierijke Irak zijn na de val van Saddam Hoessein opgegroeid met corruptie en parlementsleden die hun privileges misbruiken. Religieuze partijen domineren de politiek en veel burgers leven in grote armoede.
Dossier De straat op
Overal ter wereld zijn gefrustreerde burgers de afgelopen jaren straat op gegaan om hun politieke of economische eisen kracht bij te zetten. In de meeste landen is men woedend over de ongelijkheid en de schaamteloze corruptie van de politieke klasse, terwijl met name de jongere generatie met moeite het hoofd boven water kan houden. De coronapandemie heeft de sociale tegenstellingen – maar ook de urgentie om hier iets aan te veranderen – alleen maar vergroot.
In het Al-Ummapark in het centrum van Bagdad, het ‘park van de natie’, discussieert een groepje mannen en twee vrouwen onder oude eucalyptusbomen over de beste manier om de eisen tot uitdrukking te brengen van de betogers die deze maand met duizenden de straat op gaan in de steden van Irak.
‘Legertrucks verbranden zal ons niet helpen, dat helpt alleen de regering om ons van vandalisme te beschuldigen,’ zegt een jongeman. ‘Als ik jou een raketwerper geef en je schiet dat gebouw in brand, in hoeverre zijn onze eisen daar dan bij gebaat?’
Een andere man roept op tot omverwerping van de regering. Terwijl er zich een groepje luisteraars om hem heen verzamelt, roept iemand: ‘Wie heeft jou woordvoerder gemaakt?’
Dit spoort de rest van de menigte ertoe aan los te barsten in de slogans ‘Niemand vertegenwoordigt ons!’ en ‘Weg met Iran!’, als protest tegen de regerende islamitische partijen in Irak en hun Iraanse helpers.
Che Guevara-baretten
Het karakter van de discussie is, net als de demonstraties die buiten het park plaatsvinden, chaotisch, onbesuisd en stuurloos. De meeste deelnemers zijn in de twintig, maar er staan ook twee oude communisten bij met Che Guevara-baretten.
Uiteindelijk is de menigte het eens over een lijst eisen, die vanaf de trap van het Vrijheidsmonument van de stad wordt voorgelezen door een jongeman met een baard en een bril: ‘Aftreden van de regering, nieuwe verkiezingen, verandering van de kieswet en – het allerbelangrijkste – berechting van alle overheidsfunctionarissen.’
De menigte juicht, mobieltjes worden in de lucht gestoken en er wordt opgeroepen tot een demonstratie op het Tahrirplein.
De laatste protestgolf in Irak brak los op 1 oktober [2019] na een demonstratieoproep op Facebook. Directe aanleiding was het ontslag van een populaire generaal die zich had onderscheiden in de oorlog tegen Islamitische Staat, maar de betogingen werden ook gemotiveerd door een diepere onderstroom van woede jegens een corrupte religieuze oligarchie, een verrot bureaucratisch systeem en het onvermogen van de Iraakse premier Adel Abdul-Mahdi om na een jaar regeren ook maar één van zijn campagnebeloftes in te lossen.
Ik heb bij de Hashd gevochten, ik ben zelfs in Syrië gaan vechten, maar wat krijg ik van deze regering?
Voor een jonge generatie die is opgegroeid in de zestien jaar na de val van Saddam Hoessein zijn verkiezingen en representatieve democratie synoniem geworden met corruptie en parlementsleden die hun privileges misbruiken. Religieuze partijen, veelal gesteund door Iran, domineren het politieke landschap en hoewel het olierijke Irak honderden miljarden dollars per jaar binnenkrijgt, leven veel burgers in omstandigheden die vergelijkbaar zijn met die in een straatarm Afrikaans land: werkloosheid, een instortende gezondheidszorg en een gebrek aan publieke dienstverlening.
Toen de betogingen op 5 oktober op stoom kwamen, balanceerde Bagdad op het randje. Een tiener in een geel T-shirt, een korte broek en teenslippers liep langzaam onder een viaduct door op een kilometer van het Tahrirplein terwijl een politieagent hem zwaaiend met zijn kalasjnikov probeerde weg te jagen. Dunne zwarte rookpluimen kronkelden hemelwaarts en een menigte tieners en jongemannen begon op te rukken in de richting van het plein.
De politie, die toezicht hield, schoot in de lucht maar de menigte trok verder, zwaaiend met Iraakse en sjiitische vlaggen. Autobanden werden in brand gestoken, terwijl geweervuur onafgebroken begon te ratelen en het geluid van afgevuurde traangasgranaten allengs toenam; wit gas vermengde zich met de zwarte dampen van brandend rubber.
Te midden van het bloedbad baanden tientallen driewielige tuktuks zich een weg door de menigte om gewonden af te voeren. Achter in een geel karretje zat een onderuitgezakte man, niet in staat om adem te halen.
Een kleine, dunne jongeman met een getrimd rossig baardje maande de mannen om door te lopen. ‘Wat staan jullie daar nou te teuten?’ En tegen de mannen die gehurkt achter de balustrade van de brug zaten: ‘Wie niet verder wil, moet naar huis gaan.’
De jongeman, die zich voorstelde als Jawdat, zei dat hij een voormalige strijder was van de paramilitaire groepering Hashd al-Shaabi, opgericht in 2014 om tegen IS te vechten. Hashd al-Shaabi wordt gesteund door Iran, onder andere met training. Jawdat zei dat zijn broer als officier was gesneuveld in de oorlog tegen IS. ‘Ik heb bij de Hashd gevochten, ik ben zelfs in Syrië gaan vechten, maar wat krijg ik van deze regering? Niks, terwijl die politici in de Groene Zone [in Bagdad] elke poging dwarsbomen om de staat te hervormen.’
Ambulances raceten heen en weer met doden en gewonden; alleen bij de betoging op 5 oktober kwamen al twintig mensen om het leven. Tijdens de zes dagen durende betogingen verscheen premier Abdul-Mahdi elke avond op tv om met zachte stem te beloven dat hij zou zorgen voor banen en goedkope huisvesting en de corruptie zou uitroeien.
Dreigtelefoontjes
Maar intussen werden er jonge, ongewapende mannen gedood terwijl ze hun toevlucht zochten achter betonnen blokkades of met vlaggen stonden te zwaaien op straat. In minstens één geval namen scherpschutters die op daken waren geposteerd deel aan de moordpartij.
Activisten en journalisten werden geïntimideerd en tientallen van hen ontvluchtten Bagdad na dreigtelefoontjes. Mediabedrijven en tv-stations werden gesloten. Agenten in burger zwierven door ziekenzalen en hielden gewonde demonstranten aan. ‘Toen er agenten het ziekenhuis binnenkwamen op zoek naar demonstranten, verbonden de artsen alleen mijn wond en zeiden dat ik moest maken dat ik wegkwam,’ zei een jongeman vanuit zijn bed met een wond die nog altijd bloedde nadat hij drie dagen eerder was neergeschoten in een straat in de buurt van het Tahrirplein.
De omvang van de betogingen aan het begin van de maand was niet abnormaal, maar de felheid waarmee werd gereageerd was schokkend. Volgens veel Iraakse waarnemers was het geweld te wijten aan de schrik die het regime had bevangen. Anderen suggereerden dat het tekenend was voor de vrees van de pro-Iraanse milities in het land dat het protest in werkelijkheid tegen Teheran was gericht.
‘Iran duldt niet dat zijn positie hier wordt bedreigd en daarom was de reactie zo heftig,’ zei een functionaris van de Iraakse inlichtingendienst.
Militieleden zijn geïnfiltreerd in de geheime diensten en hebben een belangrijke rol gespeeld bij het neerslaan van de betogingen. De milities zijn een mikpunt geworden van de woede van de betogers, omdat eruit blijkt dat Iran de lakens uitdeelt in Irak.
Op een van de protestavonden ging een lange, gladgeschoren, ongewapende legerofficier voor een menigte jongemannen staan en smeekte dat ze zich verspreidden. ‘Ik kan jullie naar het Tahrirplein laten gaan,’ zei hij, wijzend op de opstijgende rookzuilen. ‘Maar ik zweer bij Allah dat de militie en de scherpschutters jullie zullen doden.’ De menigte reageerde met boze anti-Iraanse leuzen.
Onlangs begon er een tweede golf betogingen. De menigte zwaaide met Iraakse vlaggen en scandeerde ‘Onze ziel, ons bloed offeren we op voor Irak’. In twee dagen kwamen er minstens 74 mensen om en vielen er honderden gewonden. Het dodental bedraagt sinds het begin van de maand [oktober 2019] inmiddels meer dan 250.
Ramdev vergaart als yogagoeroe en succesvol entrepreneur meer macht dan welke zakenman in India dan ook, misschien zelfs wel meer dan de premier. Hij lijkt wel een Indiase versie van Donald Trump. Een zakenman met entertainmentkarakter en een hoogst flexibele relatie tot de waarheid. ‘Sommige bedrijven gaan aan controverses ten onder,’ zei hij ooit in een interview, ‘wij bloeien daardoor pas echt op.’
De CEO neemt de houding aan die zijn handelsmerk is geworden. Hij trekt zijn naakte, behaarde buik zover in dat er een holte ontstaat, zijn borstpieren zwellen op. Hij ademt in, secondenlang gaat de lucht naar binnen en dan ademt hij, langzaam en diep, weer uit. De CEO zit met zijn benen gekruist op een podium, in het verblindend felle licht van spotlights, zijn lichaam en voorhoofd glimmen van het zweet. Hij heeft een oranjerode lap om zijn heupen, een zwartgrijze stoppelbaard en een paardenstaart. Zijn naam: Baba Ramdev.
Het podium staat aan de korte kant van een lange, hoge hal. Het is er schemerig en koel, een graad of tien misschien, en het ruikt er naar allerlei soorten zweet. Op de vloer, in rijen van de ene kant van de hal naar de andere, zitten jonge mannen en vrouwen op dunne matjes, hun benen gekruist, handpalmen omhoog, ogen gesloten. De vrouwen hebben doeken en dekentjes om hun hoofd en lichaam en vaak dikke wollen sokken aan. De mannen zijn blootsvoets en hebben een oranje lap omgeslagen, hun bovenlichaam is naakt. ‘Oeeeem’ roept de CEO in zijn headset. ‘Oeeeem’ echoot de hal en ademt diep uit, secondenlang, en weer in, langzaam en diep.
Op het buitensporig grote filmdoek achter het podium is nu eens een close-up van Ramdev, dan weer een van iemand uit de zaal te zien. Vier mannen staan, als in een televisiestudio, achter grote, verrijdbare camera’s te filmen. ‘Op deze manier bereiken we de allesomvattende verandering, de revolutie, de ultieme goddelijke transformatie van het zelf,’ roept Ramdev. Hij spreekt Hindi doorspekt met Engels: change, revolution, divine self, transformation, een paar keer boert hij, zijn woorden worden begeleid door een zachte melodie, naast het podium zit een jonge panfluitspeler.
Zelfbenoemde heilige
Ramdev is een van de meest vooraanstaande yogagoeroes van India met zijn 1,3 miljard inwoners. Zijn naam staat voor de eenheid van lichaam en geest, voor spirituele zuiverheid en verlichting, voor het moeizame streven naar moksha, de bevrijding uit de kringloop van de eeuwige reïncarnatie, het hoogste levensdoel van het hindoeïsme. Ramdev is een baba, een zelfbenoemde heilige man.
En Ramdev is een prominent ondernemer, mede-eigenaar van Patanjali Ayurved Ltd., omzet meer dan een miljard dollar, ruim 30.000 werknemers, meer dan 2500 producten. Tandpasta, geneeskrachtige kruidenmoes, linzenmeel, geklaarde boter, haarolie, tabletten voor de spijsvertering – Patanjali fabriceert alles wat Indiase huishoudens voor hun dagelijks gebruik nodig hebben.
Naast de internationale consumptieartikelgiganten Hindustan Unilever, Nestlé en Procter & Gamble, die de Indiase markt domineren, is Patanjali weliswaar een dwerg en zijn omzet een fractie van die van de grote jongens, maar de dwerg ontwikkelt zich bliksemsnel. Patanjali is een van de snelst groeiende fabrikanten van consumptieartikelen in het land, de Indiase industrie- en handelsvereniging beschouwt de onderneming van yogagoeroe Ramdev als ‘de meest disruptieve kracht in de markt’.
Een heilige man die als ondernemer miljoenen verdient, dat klinkt tegenstrijdig
Een heilige man die als ondernemer miljoenen verdient, dat klinkt tegenstrijdig. Goeroes leven als monniken, zien af van iedere vorm van bezit en ontzeggen zich alle aardse goederen, zo wil de religieuze traditie. Althans officieel. Ramdev is niet de eerste Indiase goeroe die spiritualiteit en kapitalisme weet te verenigen. Al in de jaren tachtig hielp Bhagwan Shree Rajneesh niet alleen miljoenen mensen op de hele wereld bij hun zoektocht naar zingeving, hij hielp vooral zichzelf aan een luxeleven met een verzameling Rolexen en Rolls-Royces. Zijn aanhangers maakten hun hele vermogen aan hem over en richtten overal ter wereld bedrijven voor hem op.
Het gaat Ramdev om meer dan geld alleen. ‘Dit is nog maar het begin,’ galmt het door de zaal. ‘Eerst halen we Unilever in. Dan worden we de grootste producent van consumentenartikelen ter wereld. Meer dan tweehonderd jaar hebben vreemde machten onze Moeder India leeggeplunderd. Tegenwoordig buiten internationale concerns ons land uit door ons producten vol chemische stoffen te verkopen die schadelijk en gevaarlijk zijn. Wees voorzichtig en verzet je. Wees Indiërs. Eet en drink als een Indiër. Draag Indiase kleding! Spreek Indiase talen!’
Patanjali Ayurved Ltd
Het hoofdkantoor van Patanjali ligt in de staat Uttarakhand, in de buurt van Haridwar, wat ‘Poort naar God’ betekent, een van de zeven heiligste steden van de hindoes, ruim 200 kilometer ten noordoosten van New Delhi aan de voet van de Himalaya. Haridwar bestaat uit twee delen waar de Ganges tussendoor stroomt, het water is ijskoud en kristalhelder, in de avondschemering wassen gelovigen zich in de heilige rivier, ze zingen, zetten houten bordjes met bloesems, kaarsen en wierookstaafjes op het water, bij zonsopgang zitten er vissers langs de oever, die grote vissen uit het water halen.
De tweebaansweg NH 334 loopt vanuit de stad richting Delhi. Langs met mos begroeide tempels, gigantische godenbeelden, oranje-rood schitterende bloemenstalletjes, langs reclameborden voor bioscoopfilms en telefoonaanbieders, benzinepompen, langs reclames voor melkpoeder, meel en mangosap. Op de verpakking van de levensmiddelen staat een foto van Ramdev met zijn linkerarm om de schouders van een wat kleinere man, gekleed in een witte lap, allebei lachen ze naar de camera.
Gewetenloos
Het klinkt als een slechte grap: in juni 2020 brengt Patanjali een nieuw product op de markt dat Coronil Kit heet.
Volgens Acharya Balkrishna is het een 100 procent werkzame en streng wetenschappelijk geteste medicijnkit voor de behandeling van covid-19. Terwijl er op de hele wereld geen enkel werkzaam therapeutisch middel bestaat waarmee covid-19 kan worden genezen. Weliswaar mag Patanjali het product op bevel van de regering niet meer als medicijn tegen corona aanprijzen en verkopen, maar onder het label ‘immuunbooster’ is het in december 2020 nog steeds verkrijgbaar, gewoon via Amazon. Een kit kost omgerekend vier euro.
Een halfuur met de auto, ruim twintig kilometer verder, neemt de taxichauffeur een afrit. De smalle weg loopt langs een hoge muur, de taxi stopt voor een brede toegangspoort met dubbele slagbomen, beveiligers met donkere zonnebrillen willen onze paspoorten zien, bewakingscamera’s zoomen in op de taxi. Het hoofdkantoor van Patanjali Ayurved Ltd. is gevestigd in een zachtroze geverfd gebouwencomplex, verspreid over een terrein zo groot als een kleine stad. In de uitgestrekte perken bloeien oranje en gele bloemen, fonteinen spuiten water omhoog, banners met ‘Sale’ erop maken reclame voor dameskleding, ‘Department of Yoga Science’ staat boven de toegangsdeur van het grootste gebouw, waarvoor ziekenauto’s geparkeerd staan.
In de hal waar we binnenkomen is het halfdonker, op een verhoging troont een standbeeld van Baba Ramdev in kleermakerszit, schijnwerpers dompelen het in een fel licht. Op de eerste verdieping een gang met kantoren. In het laatste kantoor links, achter een massief bureau vol stapels papier, voor kasten vol boeken, foto’s en godenbeelden zit de in een witte doek gehulde man van het aanplakbiljet: Acharya Balkrishna, 55, de directeur van de onderneming.
‘Omzet en winst zijn voor ons nooit belangrijk geweest,’ zegt Balkrishna. ‘En juist dat is het succes van Patanjali. Wij richten ons uitsluitend op de behoeften van de mensen. We ontwikkelen producten die hen helpen een beter leven te leiden.’ Balkrishna praat snel en glimlacht vaak, zijn gezicht is rond met een flinke overbeet, hij heeft een hoge stem. Een jongeman brengt een blad met pakjes en potjes. Balkrishna scheurt en schroeft open, biedt koekjes aan – ‘zo lekker, die heeft geen enkele andere producent’ – en geeft ons een lepel met een donkerbruine, taaie, kleverige pasta – ‘ons allereerste product, chyawanprash, een geneeskrachtige kruidenmoes, heel erg gezond’. Uit een la van zijn bureau haalt hij een ketting van houten parels – ‘voor het dagelijkse gebed, een eeuwig aandenken aan Patanjali’.
Yogaleraar
Het verhaal begint in 1965. Ramdev wordt geboren als zoon van een boer in Saidalipur, een stoffig dorp in de noordelijke staat Haryana. Als kleine jongen is hij voortdurend ziek, zijn gezicht is vervormd door kinderverlamming, sindsdien loenst hij met zijn linkeroog.
Al vroeg leert hij yoga uit een boek, hij woont jarenlang in de eenzaamheid van het Himalayagebergte, daarna bij een yogagoeroe. Daar leert hij Balkrishna kennen. Ze bestuderen de oude geschriften van het hindoeïsme, discussiëren over de zin van het leven, verzamelen geneeskrachtige kruiden waarvan ze traditionele Indiase ayurvedamedicijnen maken en exploiteren een combinatie van apotheek en miniziekenhuis, vier kamers in een golfplaten loods. Ramdev reist als yogaleraar door het land en verkoopt zijn zelfgemaakte middeltjes. In 2006 richten ze hun eigen bedrijf op, dat ze noemen naar de oervader van de yoga, de wijze Patanjali, die vermoedelijk heeft geleefd in de vierde of derde eeuw voor Christus en een combinatie van mens en slang moet zijn geweest.
Bij volle bewustzijn
‘De seculaire wereld zit vol gaten,’ schreef de Brits-Zwitserse filosoof Alain de Botton. Wat hij daarmee bedoelde: als ze niet meer tot een vaste religie behoren, houden veel mensen toch een verlangen naar spiritualiteit.
Zo gaf in een enquête van het Amerikaanse onderzoeksinstituut Pew Research Centre in 2018 11 procent van de West-Europeanen aan ‘spiritueel, maar niet religieus’ te zijn. Dat kan een van de redenen zijn dat yoga en ayurveda in de westerse wereld de laatste jaren steeds populairder zijn geworden. Veel mensen zien daarin een weg naar een gezonder leven, waarin waakzaamheid, beweging en bewuste voeding een plaats vinden. Het woord ‘ayurveda’ komt uit het Sanskriet en betekent ‘kennis van leven’.
Twintig kilometer van het hoofdkantoor van Patanjali, Laksar Road, Padartha. Op een oppervlak ter grootte van 54 voetbalvelden staat een complex van fabrieks- en kantoorgebouwen, het Patanjali Food and Herbal Park. De onderneming heeft vijftig productielocaties in India, de fabriek bij Haridwar is tot nu toe de grootste, daar werken zestienduizend mensen, ’s morgens vroeg rijden Patanjalibussen door de dorpen in de regio om de arbeiders op te halen, ’s avonds brengen ze hen weer terug.
Onder een zinken dak stoken arbeiders met hout de ovens gloeiend heet, ze vermalen glanzende stenen tot stof of roeren in ketels met een zilverachtige vloeistof. ‘Onze afdeling ayurvedamedicijnen,’ legt de fabrieksdirecteur uit. Binnen een doolhof van installaties, lopende banden, hoge kasten, computers. Machines vullen flessen, zakjes, tubes, mannen drukken op knoppen van machines, vrouwen pakken dozen vol met flessen, zakjes en tubes. ‘Op dit moment werken we aan meer dan vijftig nieuwe producten,’ vertelt het afdelingshoofd, een ex-Unileverman.
Verkoophits
Levensmiddelen, lichaamsverzorging, schoonmaak- en wasmiddelen, medicijnen: geen enkele andere Indiase fabrikant heeft zo’n breed scala aan producten als Patanjali; elke maand komt er in elke categorie iets nieuws bij. Het bekendste product is ghee, geklaarde boter, een must in de Indiase keuken. Verkoophit nummer twee is: Dant Kanti, een tandpasta, modderkleurig met kruidnagelsmaak, volgens Patanjali een echt ayurvedaproduct. Indiase gebruikers zijn dol op het merk en hebben er vertrouwen in, er zijn geen officiële standaarden maar alles rond de traditionele geneeskunde is booming. Met deze tandpasta veroverde Patanjali in no time een marktaandeel van vier procent ten koste van het marktaandeel van Colgate-Palmolive, waarop de analisten de rating van deze reus in de branche meteen verlaagden. Kort daarop kwam het megaconcern met een tandpasta met ayurvedakruiden, concurrent Unilever lanceerde ayurvedische shampoo en haarolie en ook Indiase producenten vergrootten hun aanbod van natuurlijke producten.
Patanjali verklaarde de globale concurrentie de oorlog. ‘Ab tak Colgate ka toh gate khul gaya,’ verkondigde Baba Ramdev op een persconferentie met ogen die vuur schoten, zijn rechterhand tot een vuist gebald. ‘De poort van Colgate zal dichtvallen. Het Nestlévogeltje vliegt weg. Pantene doet het in zijn broek. De macht van Unilever wordt gebroken.’
Ayurvedaproducten vormen bij Patanjali maar een fractie van het assortiment. Het grootste deel is cornflakes, muesli, jam, ketchup, pasta, koekjes, mineraalwater, wasmiddelen, haargel, frisdrank, luiers, kant-en-klaargerechten. Klassieke consumentenartikelen zoals ze over de hele wereld worden gekocht. Patanjali prijst alles aan als natuurproduct. Sinds kort doen ze ook in mode, een paar traditionele Indiase spullen, maar voor het grootste deel T-shirts, sportkleding, jeans, alles ruim gesneden, niets dat het figuur benadrukt. ‘Dat ik een heilige man ben, betekent niet dat ik modern leven en spiritualiteit als tegenstellingen beschouw,’ zo kondigde Ramdev de modelijn aan. ‘Jeans zijn een westers concept,’ vulde Balkrishna aan, ‘dus zijn er twee opties. De ene optie is boycotten. De betere optie: aanpassen aan de Indiase mentaliteit.’
Verkoudheid, kanker, diabetes, hartkwalen, overgewicht, onvruchtbaarheid, grauwe staar: volgens Ramdev is er niets dat zijn yoga niet binnen een paar weken, voorgoed geneest
Tegenover de marktmacht van de grote concerns zetten Ramdev en Balkrishna hun eigen strategie. Succesfactor nummer een: de prijs. Patanjali is zo’n veertig procent goedkoper dan zijn grote concurrenten. Nummer twee: hun presentie op de markt. Patanjali is aanwezig op de megamarkten van de metropolen, in piepkleine dorpswinkeltjes, bij de Indiase onlinewinkels Bigbasket en Flipkart, bij Amazon. En er zijn Patanjali chikitsalays, franchisewinkels met uitsluitend producten van Patanjali. Verspreid over het hele land zijn er meer dan vijfduizend chikitsalays; ze liggen midden in woonwijken, de eigenaars kennen hun klanten persoonlijk. Een Indiaas miniwinkelformat waarover geen enkele andere producent van consumentenartikelen beschikt.
Succesfactor nummer drie: de baas, Baba Ramdev. Toen hij met zijn yogacursussen door het land toerde, werd zijn aandacht getrokken door een religieuze televisiezender, Sanskar TV. Ramdev kreeg een eigen show, iedere ochtend van 6.45 tot 7.05 uur liet hij de kijkers eenvoudige yoga-oefeningen zien, zoals de voorvaders van de yoga die al praktiseerden. Later werd zijn show overgenomen door een concurrerende zender; nu bezit Patanjali beide zenders. Lotuszit, arendhouding, vispositie, bewust ademhalen: in heel India doen de mensen mee aan de ochtendshow van Ramdev, rijk en arm, jong en oud, man en vrouw, een fitnessprogramma voor de massa, perfect voor de officieel grootste democratie ter wereld.
‘Oeeeem!’ Ramdev begroet zijn kijkers in kopstand, na twintig minuten live yoga doceert hij over de genezende kracht van zijn methode. ‘Geen ingewikkelde filosofie, geen ideologie, mijn yoga is simpel en werkt meteen.’ Verkoudheid, kanker, diabetes, hartkwalen, overgewicht, onvruchtbaarheid, grauwe staar: volgens Ramdev is er niets dat zijn yoga niet binnen een paar weken, en vaak al binnen een paar dagen, voorgoed geneest. ‘Het is allemaal niet alleen wetenschappelijk bewezen,’ doceert hij in zijn shows, ‘het is zelf allemaal wetenschap in haar zuiverste vorm.’
Gecombineerd met de producten van Patanjali werkt zijn yoga volgens hem het best
Gecombineerd met de producten van Patanjali werkt zijn yoga volgens hem het best. ‘Herbal Power Vita versterkt het lichaam en de hersenen en verbetert het gezichtsvermogen,’ zegt hij in een reclame voor een nieuw vitaminedrankje. ‘Laat je niet misleiden door reclame van de internationale concerns, maar koop wetenschappelijk erkende ayurvedaproducten.’
Ramdev doceert zijn filosofie ook live in crashcourses, waar inmiddels ongeveer 70 miljoen mensen aan hebben deelgenomen. De trainingskampen vinden plaats in een hal bij het hoofdkantoor van de firma, er kunnen tienduizend mensen met hun yogamatjes in. Bovendien reist hij de wereld over om massa-yoga te geven in Nepal, Japan en de VS. Ramdev, het podiumbeest.
De heilige man vult voetbalstadions, is een vrolijke en gevatte vaste gast in tv-talkshows en won in 2017 een wrestlingwedstrijd op tv tegen een Oekraïense Olympisch medaillewinnaar. Hij heeft miljoenen volgers op de sociale netwerken, zijn leven is verfilmd in een vijfentachtigdelig epos. Er zijn biografieën en populairwetenschappelijke boeken over hem verschenen: The Baba Ramdev Phenomenon, From godman to tycoon, Patanjalize your brand. Topmanagers van concurrerende concerns vinden Baba ‘een ongelooflijk sterk merk’.
In de consumentenmarkt betekent een succesvol merk identiteit, imago, vertrouwen. Producenten moeten van consumenten gelovigen maken. Ramdev maakt gelovigen tot consumenten. ‘Wat we ook doen, we volgen geen strategie, we hebben geen plan,’ zegt Ramdev. Hij trekt zijn omslagdoek recht en slaat zijn rechterbeen over het linker, aan zijn voet bungelt een houten sandaal met dikke zolen.
In de verte ruist een kunstmatige waterval
Ramdev zit op iets dat het midden houdt tussen een enorme sofa en een schommel, boven zijn hoofd hangt een ingelijst olieverfschilderij van hemzelf. De sofaschommel staat op het terras van zijn huis, dat ligt in een park met een knalgroen grasveld, weelderige bloembedden, vogels, bijen, bloemen. In de verte ruist een kunstmatige waterval, pauwhanen zetten hun veren op, op bankjes onder de bomen zitten jonge vrouwen te lezen.
Het enorme huis is een kopie van het huis van waaruit Indiaas vrijheidsstrijder Mahatma Gandhi ruim honderd jaar geleden het geweldloze verzet tegen de Britse koloniale macht propageerde. ‘Shant Kutir’ heet Ramdevs huis, ‘Het rustige huisje’, het wordt vierentwintig uur per dag bewaakt door veiligheidsmensen.
‘Het geheim van het succes van Patanjali?’ Ramdev moet lachen. ‘Heel eenvoudig! De mensen vertrouwen ons. Meer dan een miljard mensen in dit land kennen me. Ach, wat zeg ik, de hele wereld kent me!’
Khadi
Uitsluitend producten kopen die afkomstig zijn uit je eigen land en het zo economisch onafhankelijk maken van andere landen is een gedachte die oorspronkelijk van Gandhi komt. Het produceren en dragen van een simpel katoentje, de khadi, moest de Indiërs werk geven en hen onafhankelijk maken van importen van de Britse koloniale heersers. Swadeshi, ‘Het eigen land’, heette de beweging, waarin de khadi symbool stond voor verzet en verandering. Maar economisch succes heeft het India niet gebracht.
Ramdev en Balkrishna pakken het anders aan. ‘Nationalisme, ayurveda en yoga, dat zijn onze zuilen,’ verkondigen ze op de ondernemingswebsite. In onze moderne consumptiegoederen is het patriottisme geïntegreerd, beloven ze. Indiase economen denken dat deze slimme, nieuwe swadeshi-interpretatie Patanjali’s succesfactor nummer vier is.
Make India great again
Het is dezelfde koers die de rechts-conservatieve regering van premier Narendra Modi vaart. Nog maar een paar jaar geleden wilde Modi internationale ondernemingen overhalen zich in India te vestigen, maar dat plan is van tafel. Sindsdien is het doel dat India onafhankelijk moet worden van import, het moet net zo sterk en zelfstandig worden als in de eeuwen voordat de Britten het enorme land als kolonie exploiteerden. Make India great again.
En Modi wil meer: ‘Made in India’-producten moeten de wereldmarkt veroveren, het land moet na China en de VS de op twee na grootste economie ter wereld worden. De weg is lang, de economische uitdagingen zijn groot, en dat geldt ook voor de droom om een supermacht te worden.
Ramdev springt op van de sofa. ‘Laten we mijn huisje bekijken,’ roept hij terwijl hij in zijn handen klapt. Op een binnenplaats klatert een fontein, uit miniluidsprekers klinkt hemelse muziek. Ramdev laat ons zijn werkkamer zien. ‘Aan mijn bureau zit ik nooit, daar heb ik geen tijd voor.’ Zijn yogakamer. ‘Om halfvier sta ik op, ik begin mijn dag altijd met een glas bessensap voor het immuunsysteem.’ Zijn slaapkamer. ‘Ik slaap nooit op het bed, een yogi rust alleen goed uit op een matje.’
Verdere vragen negeert hij, hij stelt tegenvragen, maakt grapjes. Over Ramdevs privéleven is niets bekend, blijkbaar woont zijn moeder bij hem. Homoseksualiteit heeft hij meermaals aangeduid als ‘immoreel en onnatuurlijk’, een ziekte die door zijn yoga genezen kan worden. Er gaat een telefoon, Ramdev vist een iPhone uit zijn gewaad. ‘Goedemorgen Balkrishna,’ zegt hij in het Hindi, dan gaat hij over op het Sanskriet, de oude taal van de geleerden, het Latijn van India. De tolk haalt haar schouders op en maakt een verontschuldigend gebaar.
De dag daarna, een hoge, lichte hal in het Patanjali-hoofdkwartier. In een laboratorium staan mannen in witte jassen aan microscopen, overal staan schalen met bladeren, wortels en takjes. ‘We werken aan een nieuwe druk van mijn ayurvedaencyclopedie,’ zegt Balkrishna. Hij strijkt liefkozend over de rug van een boek en glimlacht. ‘Vanaf volgende maand houd ik hier kantoor.’
Achter het gebouw ligt een tuin met kruiden, struiken, bomen. Balkrishna straalt. ‘Mijn plantenverzameling.’ Bij het park hoort ook een labyrint van kunstmatige grotten met levensgrote gouden diorama’s, ayurvedadokters uit voorouderlijke tijden die patiënten behandelen. Spotjes verlichten de donkere taferelen, een mix van openluchtmuseum en Disney.
Balkrishna klimt op de bijrijdersstoel van een witte terreinwagen, we gaan het land op. Te midden van grasland en akkers bevindt zich een complex van stallen en weiden, Patanjali’s proefboerderij voor akkerbouw en veeteelt. Balkrishna loopt door de stal, aait kalfjes, voert koeien, hij heeft witte plastic sandalen aan met tennissokken, achter op zijn hoofd wipt zijn staartje, een religieus kenmerk van mannelijke hindoes. ‘Daar buiten staat onze biogasinstallatie, die produceert nu twaalf kilowatt en die gaan we vergroten.’
Balkrishna loopt dwars door het veld, plukt hier en daar wat, trekt onkruid uit, snijdt een stukje suikerriet af waar hij vervolgens smakkend op loopt te kauwen, legt uit, gebaart, lacht. Achter de velden gaat de zon gloeiend oranjerood onder, het stinkt naar koeienstront. ‘Balkrishnaji en Swamiji zijn goden,’ zegt de manager van de boerderij zachtjes, hij gebruikt het in India gebruikelijke woord voor yogagoeroes, swami, en de eerbiedsvorm van Indische namen, het achtervoegsel -ji. ‘Alles wat zij doen, doen ze ten dienste van de hele wereld. Ze zijn niet alleen goden voor alle Indiërs, ze zijn goden voor alle mensen.’
Balkrishna kwam in 1972 als zoon van een Nepalese boer ter wereld. Toen hij nog klein was emigreerde zijn familie naar India, later werd hij een ayurvedageleerde. Nu is hij eigenaar van 98,5 procent van de aandelen Patanjali en staat hij in de top honderd van rijkste Indiërs, met een geschat vermogen van 2,2 miljard dollar. Ramdev bezit officieel niets, in India zijn heilige mannen verplicht te leven als monniken, in kuisheid en ascese. Yogi Ramdev is de marketingmachine, het gezicht van de onderneming. Onderzoeker Balkrishna is het verstand, de getallenmens en strateeg. Moksha, de bevrijding van het wereldlijke, samen met het vrijemarktmechanisme resulteren in spiritueel kapitalisme. Twee tegengestelde karakters, een perfect power couple.
‘We leggen alles vast, iedere stap in het arbeidsproces. Als er iets niet klopt, als de regels niet worden gevolgd, heeft dat onmiddellijk consequenties,’ zegt de leider van het controleteam, een man van midden dertig in een oranje wikkeldoek. Hij zit voor een wand met tientallen monitors, de camera’s zenden live uit vanuit de fabrieken. ‘Elke avond stuur ik Acharyaji een uitgebreid rapport.’
Het hoofd van de controle drukt op een knop, de camera zoomt in op een lopende band, op gezichten en handen. ‘Onze ondernemingscultuur is uniek,’ zegt hij. ‘Onze medewerkers krijgen workshops, yogales, les in de oude geschriften, goede voeding, natuurlijk zonder vlees of alcohol. We leren ze alles wat voor goede Indiërs belangrijk is.’ Ramdev en Balkrishna gelden als autocratische micromanagers. Het ontwerp van een shampoofles, een nieuwe advertentie, de grootte van een nieuwe koestal, ze bemoeien zich overal mee en beslissen alles zelf. De lonen bij Patanjali zijn laag, tot wel vijftig procent lager dan bij de concurrentie, wat de dertigduizend medewerkers presteren, geldt niet als werk. Ramdev noemt het sewa, een spirituele dienst.
Dubieus web
De twee directeuren geven ook leiding aan ziekenhuizen, yogacentra, scholen, een universiteit, een mediabedrijf met twee eigen tv-zenders, binnenkort gaan ze bovendien in onroerend goed; bij het hoofdkwartier ontstaat een luxe appartementencomplex met golfbaan, zwembad en een winkelcentrum. In Nepal, Engeland, Canada, op Mauritius en binnenkort ook in de VS en Schotland zijn Patanjali-instituten ‘die zich dag en nacht inzetten voor de verspreiding van de nobele en verheven aspecten van de Indiase cultuur’, zo staat het in ‘Patanjali, In the Service of Mankind’, een van de tig brochures van het bedrijf.
Indiase journalisten berichtten over schijnfirma’s, mysterieuze sponsors, stromannen, illegale geldzaken. Balkrishna en een jongere broer van Ramdev kregen, zo wordt beweerd, door een firma miljoenen aan winstaandeel uitgekeerd, in een jaar tijd bijna zestig procent van de omzet. Al met al is het een hoogst dubieus web van ondernemingen, vinden Indiase deskundigen; Patanjali is ‘volkomen ondoorzichtig’. Omdat Ramdev en Balkrishna bewust niet naar de beurs gaan, hoeven ze geen inzicht te geven in de cijfers van hun onderneming.
Business bij Patanjali is een permanent schandaal. Soms gaat het om hun producten en verschijnen er krantenkoppen over het ontbreken van vergunningen van de warenautoriteiten, ingrediënten die de gezondheid in gevaar brengen, geknoei met ingrediënten, ongeoorloofde chemische conserveringsmiddelen. Een laboratorium ontdekte menselijk DNA in een medisch product. Steeds weer duikt het verwijt op dat ze alleen succesvol zijn omdat ze handig zijn in het kopiëren van de concurrentie.
De koekjes die Balkrishna in zijn kantoor serveert, zien er net zo uit en smaken precies hetzelfde als de koekjes van een andere Indiase producent. In 2015 moest Nestlé zijn in India razend populaire instantnoedels uit de schappen halen omdat beweerd werd dat er lood in zat. Prompt kwam Ramdev met een eigen kant-en-klaarversie. Patanjali bracht ook een eigen chat-app voor mobiele telefoons op de markt, ‘India’s aanval op WhatsApp’, zoals Balkrishna aankondigde. Dezelfde dag nog werd de app door IT-experts ontmaskerd als een kopie van een Amerikaanse startup. ‘Dilettantistisch plagiaat!’ grinnikte het net.
‘Schijnfirma’s? Schandalen? Allemaal geruchten, het werk van westerse belangen!’
‘Schijnfirma’s?’ Ramdev moet lachen. ‘Schandalen?’ Hij schudt het hoofd, buigt naar voren en vormt met zijn vingertoppen een driehoek, trekt zijn borstelige wenkbrauwen samen. ‘Allemaal geruchten, het werk van westerse belangen!’ roept hij uit. ‘Een samenzwering die duidelijk als doel heeft ons te beschadigen. Patanjali staat synoniem voor de tradities en de cultuur van onze Moeder India. Wie ons aanvalt, valt onze natie aan.’
Een teflonattitude en het in een kwaad daglicht stellen van zijn critici is Ramdevs typische verdedigingslijn. Negatieve berichten in de media doet hij op Twitter af als ‘allemaal fake nieuws’, een kritisch boek over zichzelf liet hij door de rechter verbieden en mocht in India niet verkocht worden, de schrijfster mocht niet in het openbaar over haar boek spreken. Ramdev maakt de indruk van een Indiase versie van Donald Trump. Een zakenman met entertainmentkarakter en een hoogst flexibele relatie tot de waarheid. ‘Sommige bedrijven gaan door controverses ten onder,’ zei Ramdev ooit in een interview, ‘wij bloeien daardoor pas echt op!’
In de bar van een hotel in een grote stad in het noorden van India, in een hoekje ver weg van de andere gasten, zit een voormalig Patanjali-manager aan het ontbijt met croissants en cappuccino. ‘Wat ze ook produceren, nooit is er iemand die zegt: “Wat een shit!” Iedereen kijkt alsof die producten door de hemel zijn gezonden.’
Hij roert in zijn koffie, tikt op het schermpje van zijn telefoon en scrolt door nieuwsberichten van analisten. Patanjali’s omzet krimpt. ‘Het bedrijf is een dubbeltje op zijn kant,’ zegt de manager. ‘Hun voornaamste probleem is dat ze veel te veel producten in veel te veel categorieën hebben. Groei is voor Ramdev en Balkrishna het enige wat telt.’ Hij roert nog meer suiker door zijn cappuccino en neemt een slokje. ‘Vanuit ondernemingsoogpunt hebben hun keuzes vaak weinig zin. Maar ze passen bij hun politieke agenda.’
Chhatrasal Stadium, New Delhi, maart 2014. Waar zich anders wrestling-sterren uit de hele wereld in het zweet werken, zitten twee oudere mannen glimlachend in kleermakerszit naast elkaar. Baba Ramdev en Narendra Modi. Modi fluistert Ramdev iets in het oor, die pakt een microfoon. ‘Zullen jullie ook andere mensen overtuigen?’ roept hij. ‘Ja!’ roepen de duizenden mensen in het stadion. ‘Blijven jullie niet thuis zitten?’ vraagt Ramdev. ‘Nee!’ antwoordt de massa. Twee maanden later wint de Bharatiya-Janata-partij de verkiezingen en wordt Modi premier, het regeringstijdperk van de sociaalliberale Congrespartij is ten einde. ‘Ik heb de eerste steen gelegd voor de grote politieke veranderingen in dit land,’ zegt Ramdev na Modi’s overwinning.
Natie van hindoes
Modi heeft de kiezer ingrijpende economische hervormingen en het uitroeien van de alomtegenwoordige corruptie beloofd. Tegelijk heeft hij zijn visie op het nieuwe India verkondigd. Niet seculair meer, maar religieus, en in plaats van eenheid in verscheidenheid een natie van hindoes. Ramdev zit op dezelfde fundamentalistische lijn. Hij treedt niet op als religieus prediker, wat hem van andere goeroes onderscheidt. Hij propageert de cultuur en de waarden van het hindoeïsme. Yoga, ayurveda, de oeroude geschriften, een traditioneel opleidingssysteem, dat is voor hem het wezen van India. Ramdevs ideologie is niet altijd even subtiel. Als een moslimpoliticus weigert om een nationalistische slogan te roepen, reageert de baas van Patanjali met de uitspraak dat alleen zijn eerbied voor de wet hem ervan weerhoudt om ‘honderdduizenden van dat soort te laten onthoofden.’
Sinds Modi aan de macht is, heeft Patanjali bouwgrond kunnen kopen voor afbraakprijzen, legt de staat de toegangswegen naar hun nieuwe fabrieken aan, bewaakt een antiterreureenheid van de politie de vestigingen van het bedrijf en wordt in de kantines van het Indiase leger gekookt met Patanjali-producten. Het ministerie van Financiën heeft yoga de status van liefdadigheidsdienst toegekend, yogacentra hoeven nu minder belasting te betalen. Modi heeft een ministerie voor Ayurveda en Yoga opgericht, het legt de basis voor het gebruik van deze traditionele methoden in het gezondheidssysteem van de overheid en beslist over het toelaten van nieuwe ayurvedaproducten. Patanjali creëert de dringend benodigde banen, bouwt scholen en gezondheidscentra en ondersteunt lokale overheden met voedsel en medicijnen. Modi en zijn partijvrienden strijken kritiek op Patanjali en Ramdev glad, Ramdev prijst de regeringspolitiek.
‘Geld is de motor van elke missie,’ zegt Ramdev. Hij zit in een enorme leren fauteuil in een kamertje naast zijn yogahal, over twee minuten moet hij het toneel op voor de vroege-ochtendyogashow. Hij knipt met zijn vingers, er komt een jongeman binnen die zijn oranje gewaad vastmaakt, Ramdev schopt zijn sandalen in een hoek. ‘Onze financiële basis is belangrijk om het soort revolutie voor te bereiden waar ik het over heb.’
Als Ramdev op het podium zit, komt een van zijn leerlingen naast hem staan. ‘Ooit was er een tijd dat ons land in duisternis lag,’ roept ze naar de zaal. ‘Er was veel corruptie, met de jeugd ging het de verkeerde kant op. Toen kwam er iemand die het licht bracht. Iemand die ons leert van ons land te houden. Swamiji inspireert ons, hij is onze hoop. Hij wil voor iedereen in onze maatschappij het goede doen, zo leidt hij ons op de goede weg.’
Ramdev gaat staan, glimlacht en klapt, het meisje knielt voor hem neer en raakt met haar voorhoofd en vingertoppen zijn voeten aan. ‘Bharat mata ki jai! Bharat mata ki jai!’ roept Ramdev terwijl hij zijn rechterhand tot een vuist balt en zijn arm omhoogsteekt. ‘Bharat mata ki jai! Bharat mata ki jai!’ echoot de zaal, rechtervuist in de lucht. ‘Leve Moeder India. Leve Moeder India.’
Daniela Schröder
Daniela Schröder was freelance correspondent voor de Associated Press (AP) voor Noord-Beieren en werd opgeleid tot verslaggever en nieuwsredacteur bij een regionaal dagblad in Bremen.
Schröder heeft weinig op met ayurveda en yoga. ‘Ik ben geen spiritueel iemand,’ zegt ze van zichzelf, ‘ik heb wel eens een proefcursus yoga gedaan, maar voor mij werkte dat niet.’ In het kader van de research voor dit artikel heeft ze een paar Patanjali-producten geprobeerd, twee soorten zeep en een tandpasta, maar een fan is ze niet geworden. ‘De zeep rook erg chemisch en de tandpasta smaakte mij te weinig naar mint.’
Wat haar fascineert aan het verhaal over Patanjali zijn de twee drijvende krachten achter het bedrijf. Aan de ene kant de goeroe, aan de andere kant de ayurvedaexpert. ‘Ze staan allebei met hun huidige identiteit voor wat ze propageren en verkopen,’ zegt Daniela Schröder, ‘maar het gaat hun niet in de eerste plaats om geld en macht. Ze gebruiken beide om hun politieke missie verder te brengen.’
Met hoogzwangere buik stommelde Zadie Smith tijdens Superstorm Sandy in het donker vijftien trappen af om een vriend te mailen over dit nieuwe bewijs van klimaatverandering. Hij behoort tot de ontkenners van het fenomeen; nu de effecten nog te overzien zijn, hebben we de luxe een heimelijk verlangen te koesteren naar de apocalyps. Voor generaties na ons, geldt dit niet.
Keuze uit ons archief
In 2014 schreef Zadie Smith deze prachtige klaagzang over klimaatverandering en de achteloze manier waarop we daarmee omgaan. Hoewel het onderwerp een stuk hoger op de agenda is beland, is haar essay nog onverminderd relevant en aangrijpend.
Dit artikel verscheen eerder op 10 april 2014 in nummer 55 van 360 Magazine.
Er zijn wetenschappelijke en ideologische termen om te beschrijven wat er met het klimaat gebeurt, maar er zijn nauwelijks persoonlijke woorden voor. Is dat verrassend? Mensen die in de rouw zijn nemen vaak hun toevlucht tot eufemismen, net als wanneer mensen zich schuldig voelen of zich schamen. De mistroostigste van alle eufemismen: ‘Zo gaat dat tegenwoordig.’
Een prachtige perelaar staat half onder water, verliest zijn greep op de aarde en valt om. De spoorlijn naar Cornwall spoelt weg; zo gaat dat tegenwoordig. We kunnen maar beter vergeten hoe het vroeger ging; de manier waarop de seizoenen elkaar opvolgden, met een ingetogen charme die alleen de dichters waardeerden. ‘Vroeger’ is een pijnlijke herinnering.
Proberen het stokje van een nog niet aangestoken vuurpijl in de koude, droge grond steken. De rijp op de besjes van de hulst bewonderen, onderweg naar school. Op tweede kerstdag een lange, verkwikkende wandeling maken in de winterse pracht. Voetbalgras dat knispert onder je voeten. Een beetje zon op Pancake Day en nog wat meer zon bij de paardenrennen van de Grand National. Koude regenbuien in april, de warmte van Wimbledon. Bruiloften in juli omdat het dan mooi weer is. De kleine kans om op het Glastonbury Festival wat zon te vangen. Nou ja, zeggen we tegen elkaar, in ieder geval is het nu in augustus nog stralend weer. En het is fijn voor de Schotten dat ze wat warmer weer krijgen als ze in september [2014; uiteindelijk stemde 55,3% tegen] onafhankelijk worden.
De Theems is al generaties lang niet meer dichtgevroren, en de droom van een witte kerst is een dickensiaanse hersenschim
Misschien wennen we nog wel aan dat nieuwe Engeland en vinden we het net als de jongeren en de verse immigranten vanzelfsprekend dat het in april tijd is voor de korte broek en sandalen, of dat het nieuwe jaar zich aankondigt met een Bijbelse zondvloed. Vlinders verschijnen op voor hen nieuw terrein, vogels komen eerder en vertrekken later – dat is misschien juist wel interessant, en nieuw, niet noodzakelijkerwijs slecht.
Misschien herinneren we ons het verleden verkeerd! De Theems is al generaties lang niet meer dichtgevroren, en de droom van een witte kerst is alleen maar een collectieve dickensiaanse hersenschim. En is dit trouwens niet altijd al een nat land geweest?
Zijwegen
Het is verbazingwekkend hoeveel zijwegen je in kunt slaan als je de vierbaanssnelweg wilt vermijden. Engeland is nooit zo nat geweest als onze beroemde romans suggereren of onze neven in Amerika denken. Het weer is veranderd, verandert nog steeds en daarmee raken allerlei ogenschijnlijk kleine dingetjes – los van treinsporen en huizen, bestaansmiddelen en mensenlevens – verloren. Het was makkelijk om ervan uit te gaan dat er in een hoekje van een of andere Londense tuin altijd wel een egel was die we konden oppakken zodat we onze kinderen konden laten zien hoe hij zich in onze handen ontrolde – of dat we als we gingen picknicken dikke hommels over de rand van een open jampotje konden zien kruipen.
Ieder land heeft zo zijn eigen versie van deze lokale treurnis. (En ieder land heeft zijn eigen discussie over wat de oorzaken zijn van het verlies. Klimaatverandering of auto’s? Klimaatverandering of gsm-masten?) Maar het is niet wenselijk dat je de kleine verliezen vermeldt, ze lijken eigenlijk het vermelden niet waard – niet wanneer je ze vergelijkt met de apocalyptische visioenen van klimaatwetenschappers en filmregisseurs. En dan zijn er aan de andere kant de mensen die vinden dat er helemaal niets aan de hand is.
Het valt niet mee om voortdurend de apocalyps in het achterhoofd te houden, vooral als je ’s morgens ook nog je bed uit wilt komen
Hoewel er vele bittere woorden zijn gevallen over de kinderlijke reactie van het publiek op de aanstaande noodsituatie, lijkt me die reactie niet erg verrassend. Het valt niet mee om voortdurend de apocalyps in het achterhoofd te houden, vooral als je ’s morgens ook nog je bed uit wilt komen.
Het probleem is dat er geen rekening mee wordt gehouden dat onze reactie grotendeels emotioneel bepaald is. Als dat niet zo was, zou het hele debat er anders uitzien. We kunnen ons bijvoorbeeld heel makkelijk een wereld voorstellen waarin de ontkenners geen ontkenners zijn, maar gewoon meedogenloze pragmatici, het soort mensen dat zegt: ‘Ik begrijp heel goed wat er gaat gebeuren, maar ik maak me geen zorgen om mijn kleinkinderen; ik maak me zorgen om mezelf, mijn aandeelhouders en de Chinese concurrentie.’ Er zijn inderdaad enkele mensen die zoiets zeggen, maar niet zo veel als je zou verwachten. Een andere reactie die voor de hand zou liggen is een die voortkomt uit een religieus gevoed milieubewustzijn, want van diegenen die het land als een prachtig geschenk van de Heer zien, kun je verwachten dat ze dat cadeau het fanatiekst verdedigen. Er zitten er wel een paar tussen die inderdaad zo argumenteren, maar ook daarvoor geldt dat het er minder zijn dan ik had verwacht.
Soortschaamte
Hoe het nu gaat is dat het bewijsmateriaal ‘geloofd’ of ‘ontkend’ wordt, alsof de wetenschappelijke artikelen lutherse geloofsstellingen zijn die aan een deur zijn vastgespijkerd. In Amerika is er zelfs een merkwaardige uitweg gevonden in de hiërarchie van Gods schepping. De redenering is dat omdat Hij mensen plaatst boven ‘dingen’ (boven dieren en planten en de zee), we met een gerust geweten al die dingen naar de verdommenis kunnen laten gaan.
Maar volgens mij is het niet alleen uit domheid dat we van een gewetenszaak een geloofszaak hebben gemaakt. Geloof heeft gewoonlijk een emotionele component; het is verhuld verlangen. Natuurlijk komt aan de kant van onze leiders veel van de politisering voort uit kwade trouw, cynisme en economische motieven, maar wij gewone burgers worden gedreven door het verlangen naar onschuld. Want beide partijen zijn vol schuld, vol zelfhaat – wat Martin Amis ooit ‘soortschaamte’ heeft genoemd –, en die projecteren we op de buitenwereld. Daardoor wordt het vuur in onze discussies aangewakkerd.
Tijdens de Superstorm Sandy ben ik met mijn enkele maanden zwangere lijf in het donker vijftien trappen af gelopen, alleen omdat ik dan wifibereik had en een klimaatverandering ontkennende kennis kon e-mailen over dit nieuwe bewijs van zijn stupiditeit.
Er is alleen een ‘polaire vortex’ voor nodig – een ijskoude luchtstroom die zorgt voor lagere temperaturen – om je inbox vol te krijgen met vrolijke verhalen over rechts georiënteerde familieleden – alsof het maar een spel is, waarbij het er alleen om draait of je dwaze oom in Florida ‘paniekzaaier’ dan wel ‘realist’ is. Terwijl in Jamaica, waar Sandy voor het eerst aan land kwam, de steeds vaker voorkomende tropische depressies, stormen, orkanen, aardverschuivingen en droogte voor de inwoners geen aanleiding is voor een ontologisch debat.
Weg, weg, weg. Maar nog niet helemaal
Zing een klaaglied voor al het weggespoelde! Voor de levenscycli, voor de zoutwatermoerassen, de huizen, de mensen – hele eilanden vol mensen. Weg, weg, weg. Maar nog niet helemaal. De apocalyps wordt voor het gemak altijd in de toekomst gesitueerd tenzij je toevallig op Mauritius, Jamaica of op een van de vele andere gevaarlijke plekken woont. Volgens recente rapporten zou, ‘als de mondiale emissie van broeikasgassen onveranderd doorgaat’, de toestand rond 2050 echt ernstig worden, vlak voor de zevende verjaardag van mijn kleindochter. (Toekomstige kleinkinderen worden er in dergelijke klaagzangen vaak bijgehaald.)
Soms is deze zich mondiaal herhalende klaagzang zo intens triest – en zo losstaand van elke poging tot zinnig handelen – dat je in die klaagzangers een fatalistisch links bewustzijn herkent, waarin, als je goed kijkt, een even pervers verlangen naar de apocalyps schuilt als in de door ons zogenaamd zo verachte godsdienstfanaten.
De laatste tijd zag je beide kanten iets meer oor hebben voor de optimistische argumenten van de technocraten. Op de een of andere manier praten we minder over bestrijden en omkeren en discussiëren we vaker over CO₂afvang en opslag, hogere zeeweringen, zonnecollectoren op het dak en andere maatregelen tegen naderend onheil. Beide kanten vinden elkaar in het falen. Ze zeggen tegen elkaar: ‘Ja, misschien hadden we enige tijd geleden het debat anders moeten voeren, maar nu is het te laat, nu moeten we roeien met de riemen die we nog hebben.’
Kleindochter
Dat zal mijn kleindochtertje van zeven vast heel eigenaardig vinden. Ik verwacht niet dat ze me vergeeft, maar het zou nuttig voor haar kunnen zijn om enig zicht te hebben in die manier van denken, om er iets van te kunnen begrijpen. Wat zal ik haar vertellen? Haar onderwijzers zullen haar al hebben uitgelegd dat wat er in 2014 met het weer gebeurde financieel en politiek gezien een ongemakkelijke waarheid was – maar dat is zelfs nu al overduidelijk. Als mensen mondiaal in beweging waren gekomen zou het misschien op de politieke agenda terecht zijn gekomen, ongeacht de kosten.
Dus zal ze willen weten waarom het zo lang duurde voordat zo’n mondiale beweging van de grond kwam. Wellicht zal ik tegen haar zeggen: ‘Je moet goed begrijpen dat we net een eeuw van relativisme en deconstructie achter de rug hadden, waarin we te horen hadden gekregen dat onze dierbaarste principes ofwel twijfelachtig waren ofwel gewoonweg berusten op wensdenken, en op vele terreinen van ons leven werd al van ons gevraagd te accepteren dat niets van wezenlijk belang is en dat alles verandert. Dit had ons een beetje de vechtlust ontnomen.
Daarbij is het ook belangrijk om te realiseren dat onze noodzakelijke levensvoorwaarden – de dingen die ons onvermijdelijk lijken – niet alleen door fysici en filosofen worden bediscussieerd, maar ook, irrationeel, bestaan in de hoofden van de rest van ons, op subintellectueel niveau misschien, maar we ervaren ze toch als vaststaande feiten.
Het klimaat was een van die feiten. We dachten niet dat dat kon veranderen. Dat wil zeggen, we wisten altijd wel dat we onze planeet aardig wat schade konden toebrengen, maar zelfs degenen met de meeste hybris hadden niet gedacht dat we ooit in staat zouden zijn om het ritme en karakter ervan fundamenteel te kunnen beïnvloeden, zoals een kind dat de hele dag naar haar vader heeft gegild toch niet verwacht dat hij op de keukenvloer gaat liggen huilen.’
Denkt u dat ik me daarmee vrijpleit bij mijn (ietwat irritante en kritische) toekomstige kleindochter? Ik maak me sterk.
De verschrikkelijke waarheid is dat we ons van oudsher intens aangetrokken voelen tot de apocalyps
Wat hebben we gedaan! Het is een Bijbelse vraag en we lijken niet in staat om te ontsnappen uit de vertrouwde – wezenlijk religieuze – cyclus van schaamte, ontkenning en zelfkastijding. Daarom (zo zal ik mijn kleindochter uitleggen) hielpen die apocalyptische scenario’s niet: de verschrikkelijke waarheid is dat we ons van oudsher intens aangetrokken voelen tot de apocalyps. Uiteindelijk kon ons denken pas echt op het juiste spoor worden gezet door het verlies van de vertrouwde dingen waar we zo van hielden.
Zoals toen de seizoenen op ons geliefde eiland veranderden, of toen de lichten uitgingen op de vijftiende verdieping, of de dag waarop ik begin juli samen met de eigenaresse, een vrouw van over de tachtig, haar tuin in liep en bij het zien van de verschroeide gele aarde en de verwelkte rozen en het horen van wat alleen echt oude mensen durven te bekennen – ‘zoiets heb ik mijn hele leven nog niet gezien’ – eindelijk mijn klaagzangen staakte over ‘Wat hebben we gedaan?’ en overging tot het praktische ‘Wat kunnen we doen?’
In Sri Lanka kunnen covid-19-doden nu worden begraven
Na de uitbraak van de pandemie heeft de regering in Sri Lanka het verplicht gesteld om mensen die getroffen zijn door het coronavirus te cremeren, zoals de gewoonte is binnen de boeddhistische gemeenschap, die de meerderheid vormt in Sri Lanka, evenals bij de hindoeïstische Tamils. De bedoeling was om hiermee ‘elke mogelijke dreiging te voorkomen’. Maar de maatregel leidde zowel nationaal als internationaal tot veel ophef, meldt de nieuwssite Adaderana, vooral onder moslims.
Op 3 maart gaf de regering van Rajapaksa toe aan de druk en zag af van de verplichte crematie. Begrafenissen zijn echter alleen toegestaan op een afgelegen eilandje in de buurt van Jaffna, in het noordwesten van Sri Lanka. Lichamen moeten nu in een koelkamer worden bewaard totdat de juiste administratieve procedure is afgerond, waarna ze voor de begrafenis naar het eiland Iranaitivu worden vervoerd.
De bewoners van het eiland zijn het er niet mee eens. Woensdag vond er een demonstratie plaats tegen de aanstaande komst van de lichamen van covid-19-slachtoffers, vermeldt de site in een ander artikel.
‘Een wrede praktijk waarvan niet wetenschappelijk is bewezen dat deze de verspreiding van het virus voorkomt’
De wijziging van de regering ‘getuigt van de onvermoeibare strijd van de families van de slachtoffers en mensenrechtenactivisten, evenals de druk van de internationale gemeenschap’, schrijft Colombo Telegraph. De Sri Lankaanse website noemt de verplichte crematie ‘een wrede praktijk waarvan niet wetenschappelijk is bewezen dat deze de verspreiding van het virus voorkomt’.
De ‘Rajapaksa-clan’ – Gotabaya, het staatshoofd, en Mahinda, de voormalige president, momenteel premier – zou zich hebben laten leiden door ‘de anti-moslimwaanzin’ die in 2019 ontstond onder boeddhistische geestelijken, die de regerende partij ondersteunen, na de aanslagen op Paaszondag in april dat jaar. De regering zou van deze sentimenten gebruikmaken ‘om het publiek af te leiden van de treurige mislukking van hun beleid op alle fronten’.
Misschien, oppert het artikel, moeten we in de draai ook een verband zien met het lopende onderzoek door het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties naar de schendingen van de Singalezen (de grootste etnische groep van Sri Lanka) tegen de Tamils tijdens de burgeroorlog (1981-2009). Het politieke belang om de internationale gemeenschap over te halen en veroordeling te vermijden, zou heel goed een rol kunnen hebben gespeeld.
Duitse AfD ‘onder toezicht’
De Duitse binnenlandse inlichtingendienst heeft het extreemrechtse AfD onder observatie geplaatst als een mogelijke bedreiging voor de Duitse democratie. Het is de eerste keer dat een dergelijke actie wordt ondernomen tegen de belangrijkste oppositiepartij in de naoorlogse geschiedenis van het land, meldt Der Spiegel.
De leiders van de AfD maken moslimimmigranten uit voor criminelen, vallen de pers aan en trekken democratische principes in twijfel, zo luidt de beschuldiging. Tijdens de pandemie hebben AfD-functionarissen deelgenomen aan protesten die soms uitliepen in geweld.
De partij won in 2017 13 procent van de stemmen, sindsdien is de steun geslonken tot ongeveer 10 procent. In het voormalige communistische oosten van Duitsland is de aanhang nog altijd twee keer zo hoog.
Twijfelachtig
De beslissing over het toezicht werd vorige week genomen, maar nog niet aangekondigd, in afwachting van een rechtszaak die de AfD heeft aangespannen om de maatregel te stoppen. Leden van de partij beschuldigden de federale regering van een politieke zet in de aanloop van een nationale verkiezing, meldt de Süddeutsche Zeitung in een video.
Ook onder ander de Neue Zürcher Zeitung hebben hun vraagtekens bij de ontwikkelingen. ‘Dat AfD een extreemrechtse partij is staat buiten kijf. Toch is het feit dat de Duitse binnenlandse geheime dienst kort voor de verkiezingen semiopenbare actie tegen hen onderneemt, twijfelachtig. Het agentschap wordt verondersteld de grondwet te beschermen – niet de gevestigde partijen.’
Het bericht valt samen met het Franse verbod op Génération Identitaire, een militante jongerenbeweging die als gevaarlijk wordt beschouwd vanwege de gelikte rebranding van neonazistische concepten, en Orbáns gedwongen breuk met de christen-democratische fractie in het Europees Parlement in Brussel, schrijft The New York Times.
Fragmenten van meteoor op het Britse platteland
Van de meteoor die zondagavond boven Engeland was te zien, zijn waarschijnlijk fragmenten op het aardoppervlak gevallen, melden experts in The Independent. De meteoor, die in botsing kwam met de atmosfeer van de aarde, creëerde een vuurbal en een luide dreun ‘die zelfs in Ierland en Nederland te horen was’.
Door de vele video’s van de vuurbal hebben onderzoekers de aard van de asteroïde vast kunnen stellen en haar baan kunnen bepalen.
‘De opnames vertellen ons dat de snelheid ongeveer 50.000 kilometer per uur was; te snel is om door mensen gecreëerd “ruimteafval” te zijn, dus het is geen oude raket of satelliet,’ citeert The Guardian Ashley King van het Natural History Museum. ‘Dit specifieke stuk asteroïde bracht het grootste deel van zijn baan tussen Mars en Jupiter door, hoewel ze soms dichter bij de zon kwam dan de aarde.’
‘Deze meteoor is erg gefragmenteerd, zoals je in de video’s kunt zien. Het grootste deel van de meteoroïde is verdampt tijdens de zes seconden zichtbare vlucht’, vertelt Luke Daly van de Universiteit van Glasgow aan The Independent. ‘We vermoeden echter dat nogal wat fragmenten de grond hebben bereikt. Als er stukken zijn geland, bevinden die zich waarschijnlijk net ten noorden van Cheltenham.’
Katherine Vreugde van de Universiteit van Manchester geeft tips voor wie zo’n fragment vindt: ‘Fotografeer het op zijn plaats, noteer de locatie met de gps van je telefoon, raak het niet aan met een magneet en, als dat kan, ook niet met je handen. Pak het indien mogelijk op met een schone zak of een schoon stuk aluminiumfolie.’
Door een serie aan rampen in de recente geschiedenis van Japan, zouden relatief veel inwoners ontvankelijker zijn geworden voor complottheorieën die verklaren waarom alles is misgegaan.
In enkele grote Japanse steden hebben de afgelopen tijd pro-Trumpdemonstraties plaatsgevonden, tot in de puntjes georganiseerd door de sterk in opkomst zijnde ‘J-Anon’-beweging. Zo maakte Jeffrey Hall, docent aan de Waseda-universiteit in Tokio, op 6 januari in een serie tweets melding van een betrekkelijk grote pro-Trumpdemonstratie in de Japanse hoofdstad, enkele uren voordat aan de andere kant van de wereld in Washington D.C. Trumpaanhangers het Capitool bestormden. En half december deelde BBC-journalist Shayan Sardarizadeh, die over complottheorieën schrijft, filmpjes van een andere pro-Trumpdemonstratie in Osaka en wees daarbij op de sterke groei van J-Anon, een beweging die net als haar gecrowdsourcede Amerikaanse tegenhanger QAnon samenzweringstheorieën verspreidt.
A pro-Trump #StopTheSteal march is being held right now in Tokyo. Hours before the #January6th march takes place in America, these people are holding their own event supporting the claim that Trump actually won the 2020 election. pic.twitter.com/6CNobnlzHk
Tot de ingreep door Twitter na de rellen in het Amerikaanse Capitool op 6 januari hebben Japanse QAnon-groepen zich op het platform gemanifesteerd met hashtags als #J-Anon en #QArmyJapanFlynn. Dat laatste als verwijzing naar Michael Flynn, de in ongenade gevallen Amerikaanse Nationale Veiligheidsadviseur aan wie gratie is verleend door Donald Trump, en een belangrijke figuur binnen QAnon. Ondanks de veelvuldige ingrepen door het platform, waarbij de laatste keer meer dan zeventigduizend accounts werden verwijderd, zijn beide hashtags sinds 13 januari 2020 nog altijd actief.
De beruchtste van de religieuze randgroeperingen was de Aum-cultus uit de jaren negentig, die het einde van de wereld voorspelde
Als reden voor de populariteit van QAnon in Japan, die blijkt uit demonstraties in verscheidene Japanse steden sinds de Amerikaanse verkiezingen in november 2020, wordt vaak de sociale ontwrichting genoemd die het gevolg is van de enorme aardbeving, tsunami en kernramp in 2011 en van de huidige covid-19-pandemie, waardoor sommige Japanners ontvankelijker zijn geworden voor complottheorieën die verklaren waarom alles is misgegaan.
In december 2020 schreef journalist en activist Ogesa Taro op de Japanse website Harbour Business Online dat de Japanse steun voor Trump afkomstig is van een gevestigd ecosysteem van extreemrechtse, ultranationalistische en anticommunistische groeperingen met een prominente aanwezigheid op social media. Ook komt de steun voor Trump volgens Ogesa mogelijk van andere groeperingen binnen het politieke spectrum in Japan, zoals activisten tegen de Amerikaanse basis in Okinawa, die de vorige president steunden omdat ze geloofden dat hij de Amerikaanse troepen uit hun land zou terugtrekken.
QAnon seems to be growing bigger and bigger in Japan.
There was a pro-Trump "Stop the Steal" rally in Osaka today and some members of team "QArmyJapanFlynn" were there. pic.twitter.com/EyDDGx7eKb
Ook mensen die opkomen voor de mensenrechten in China door zich te beijveren voor de democratisering van Hongkong en het beëindigen van de onderdrukking van de Oeigoerse minderheid, kunnen Trump volgens Ogesa als hun verlosser beschouwen.
Ten slotte zou de steun voor Trump daarnaast afkomstig zijn van religieuze randgroeperingen, ‘nieuwe religies’ genaamd, die ook wel als cultussen worden aangeduid. Deze hebben een rijke geschiedenis in Japan en dateren van de sociale beroering en de grotere godsdienstvrijheid die volgden na het gewelddadige einde van het shogunaat (de regeringsvorm die bijna 700 jaar lang in Japan aan de macht was) in 1867.
De oorlogsverwoestingen en de daarop volgende uitbreiding van de persoonlijke vrijheden na de Japanse nederlaag in de Tweede Wereldoorlog, hebben de opkomst en groei van tal van nieuwe religieuze bewegingen bevorderd.
Einde van de wereld
De beruchtste van deze religieuze randgroeperingen was de Aum-cultus uit de jaren negentig, die het einde van de wereld voorspelde. Onder leiding van Asahara Shoko was de Aum-groepering verantwoordelijk voor een serie moorden, bomaanslagen en andere activiteiten, met als hoogtepunt de sarin-gasaanval op de metro van Tokio in maart 1995, waarbij dertien mensen om het leven kwamen en minstens 5500 gewonden vielen.
Sarah Hightower, een onafhankelijk onderzoeker die binnenlandse terreurbewegingen bestudeert, wijst erop dat Aum, net als QAnon, zeer succesvol was in het aantrekken van nieuwe aanhangers. In 1995 telde de Japanse Aum-cultus wereldwijd 65.000 leden, waarvan tussen de 30.000 en 50.000 in Rusland. Voorafgaand aan de aanslagen was Aum betrokken bij verscheidene commerciële operaties in Japan en verkocht de beweging overal ter wereld drugs en wapens.
Jeffrey Hall van de Waseda Universiteit, die op 6 januari de grote, goed georganiseerde pro-Trumpmarsen in Tokio filmde, constateerde inderdaad de deelname van religieuze randgroeperingen, waaronder Sanctuary Church (ook wel bekend als World Peace and Unification Sanctuary), Falun Gong en Happy Science. De laatste is een religieuze organisatie die een eigen politieke partij heeft in Japan.
Falun Gong, een internationale religieuze beweging die op het Chinese vasteland verboden is en vervolgd wordt, publiceert Epoch Times, een anticommunistische krant die zich steeds meer achter Trump schaart. Falun Gong heeft ook op andere plekken op de wereld, waarin in Taiwan, deelgenomen aan pro-Trumpdemonstraties of die helpen organiseren.
Who are they? Trump supporters affiliated with several religious groups: Happy Science, the Sanctuary Church, and Falun Gong – appear were sharing information about this event in Japanese. Although it's a weekday, the turnout is quite large pic.twitter.com/OB5Llo08Vs
Fujikura Yoshiro, een onderzoeker die over religieuze randgroeperingen in Japan publiceert op zijn blog Almost Daily Cult News, schreef op Twitter dat hij op 5 januari veel prominente leden van Happy Science had gezien bij een andere pro-Trumpdemonstratie in de wijk Hibiya in Tokio, waaraan volgens zijn schatting tussen de duizend en tweeduizend mensen deelnamen:
‘Gisteren hielden aanhangers van president Donald Trump een mars van Hibiya naar Ginza. De demonstratie werd gesponsord door de “Trump Supporters in Japan”-groepering van Happy Science, in samenwerking met de “Change Japan”-groepering van datzelfde Happy Science. Vermoedelijke cosponsor was de “New Federal State of China”, een groepering die betrekkingen heeft met Trumpaanhanger Steve Bannon, en de “President Trump Re-election Support Rally”.’
Volgens Fujikura leek het erop dat verschillende groeperingen samenwerkten als een soort ‘J-Anon All-Star Team’, allemaal samengebracht door Donald Trump.
‘Alles duidt erop dat de pro-Trumpgroeperingen een scala van religieuze groeperingen omvatten’
Ook psycholoog Norichika Horie merkte op Twitter op dat alles erop duidt dat de pro-Trumpgroeperingen een scala van religieuze groeperingen omvatten. Het is mogelijk dat dergelijke groeperingen het enthousiasme en de energie die door de vertrekkende Amerikaanse president worden opgewekt gebruiken om nieuwe volgelingen aan te trekken en extra inkomsten te werven.
Thoton Akimoto, een softwareontwikkelaar en journalist die regelmatig nieuwsberichten post op Twitter, is bang dat niet genoeg mensen zich herinneren hoe snel extreemrechtse bewegingen in cultussen kunnen veranderen, en hoeveel schade cultussen kunnen aanrichten. Hij waarschuwt voor deze pro-Trumpgroeperingen in Japan:
‘Er is een spreekwoord: “De cultus slaat toe op het moment dat je er niet meer op verdacht bent.” Nee, zo’n spreekwoord bestaat niet, ik verzin het hier ter plekke. Maar het is wel waar. We moeten beducht blijven voor het gedrag van Trumpaanhangers in Japan en de Verenigde Staten die de verkiezingsuitslagen in de VS ontkennen.’
De term, gemunt door liberale westerlingen, beantwoordt aan de aspiraties van de islamisten en smoort ieder debat, benadrukt een Jemenitische jurist.
Keuze uit het archief
Zoals de term antisemitisme niet zelden klinkt als er sprake is van kritiek op Israël, zo valt het begrip islamofobie vaak wanneer moslims bekritiseerd worden. De Jemenitische jurist Hussein Al-Wadeï laat in dit artikel uit 2019 zien dat aan dit begrip een foutieve en fundamentalistische kijk op de islam ten grondslag ligt. Bovendien wekt de term de indruk dat discriminatie van moslims erger is dan de ongelijke behandeling van andere bevolkingsgroepen.
De term ‘islamofobie’ deed in 1997 zijn intrede in het medialandschap en wordt sindsdien voortdurend gebruikt. De moslimwereld, die meestal wantrouwig staat tegenover alle westerse terminologie, heeft hem algauw overgenomen. Het eerste wat daarbij opvalt, is de volstrekt overeenkomstige kijk die westers rechts en moslimfundamentalisten op de islam hebben. We kunnen zonder overdrijving stellen dat de extreem-rechtse westerse islamofoob en de extreem-rechtse islamist op dit punt eender zijn.
Volgens de definitie van de Bond van Britse Moslims wordt islamofobie bepaald door de gedachte dat de islam een verzameling onveranderlijke ideeën is, wars van iedere evolutie, volstrekt anders dan andere culturen en waardesystemen en inferieur aan de westerse cultuur. De islam is volgens die gedachte barbaars, irrationeel, machistisch, gewelddadig en agressief, werkt terrorisme in de hand en is uit op een botsing van beschavingen. Ook denkt een islamofoob dat de islam eerder een politieke ideologie is dan een religie, en dat het een instrument voor politieke overheersing is en een drijfveer voor militaire interventies.
Wonderlijk genoeg denkt de overgrote meerderheid van de moslimfundamentalisten er precies zo over. Zij zijn van mening dat de islam een geheel van onveranderlijke ideeën vormt omdat ze graag herhalen dat hij ‘geldig is in alle tijden en op elke plek’, en dat iedere culturele invloed van buitenaf moet worden verworpen. Ze zijn uiteraard van mening dat niet de islam inferieur, barbaars, decadent en irrationeel is, maar dat dat juist voor de andere beschavingen geldt. Daarentegen zijn ze het eens met de islamofoben over de rol van de jihad, over het feit dat de islam ernaar streeft de wereld te overheersen en over de stelling dat het in de eerste plaats een politieke ideologie is. Dit laatste vormt zelfs de basis van hun kijk op de islam, omdat ze stellen dat ‘religie politiek is, dat politiek een religieuze plicht is en dat iedere letter van de Koran van een politieke orde is’.
Dat alles is behoorlijk precair en toont aan hoe ongeschikt de term islamofobie is om de discussie te verhelderen. Bovendien is de notie koren op de molen van fascistische islamisten.
De islamisten schermen niet alleen met de beschuldiging van islamofobie, maar kunnen daar nog ‘vijand van de islam’ aan toevoegen. Voor hen is dat een heel makkelijke manier om iedere roep om hervorming en alle verlichte ideeën van linkse en liberale moslims een halt toe te roepen.
Maar voor sommige westerlingen zijn dergelijke oproepen tot hervorming eveneens uit den boze, omdat ze islamofobie in de hand zouden werken. Zij gaan iedere kritiek, iedere discussie over de situatie van vrouwen uit de weg. Maar dan zouden veel grote hervormers uit de moslimwereld ook als islamofoob moeten worden bestempeld, van Sayed Jamalludin Afghani, Mohammed Abdoe en Mohammed al-Tahir ibn Ashour tot Ali Abderraziq, Khaled Mohamed Khaled, Taha Hussein en Nasr Abu Zayd. Deze moslimhervormers van islamofobie betichten is even absurd als iedere Jood die kritiek heeft op het zionisme of het religieuze Joodse dogma als antisemiet beschouwen. De Britse intellectueel Fred Halliday heeft voorgesteld het woord ‘moslimfobie’ te gebruiken in plaats van ‘islamofobie’, omdat de haat tegen moslims is gericht en niet tegen de islam. Maar ook omdat het oproepen van haat jegens personen bij wet verboden is, terwijl kritiek op religies onder de door de wet gegarandeerde vrijheid van meningsuiting valt – ook al beschouwen de islamisten elke kritische of humoristische uiting als ‘heiligschennis’.
Het voorstel van Halliday moet serieus worden genomen, maar gaat het daarbij niet om een vorm van xenofobie ten opzichte van buitenlanders?
Waarom zou er een speciale categorie voor moslims moeten bestaan, een definitie naast andere vormen van racisme die zorgen voor opschudding in de Europese samenlevingen? Bestaat er geen solide wetgeving om iedere vorm van racisme te bestrijden?
Deze term is bovendien problematisch omdat hij de moslims alleen maar vanuit het oogpunt van een onveranderlijke religieuze identiteit beschouwt en ervan uitgaat dat een moslim, of hij nu de Franse of de Britse nationaliteit bezit, alleen maar een moslim kan zijn. Een dergelijke excessieve en permanente nadruk op de religieuze identiteit maakt integratie nog moeilijker. Daar komt nog bij dat moslimgemeenschappen geneigd zijn zichzelf als slachtoffers te beschouwen, terwijl ze zich juist dubbel zo hard zouden moeten inspannen om te integreren.
Islamofobie is een giftig cadeau van het liberale en progressieve Westen aan het islamistische fascisme. Het is een aan twee kanten snijdend mes om de moslims op te sluiten in hun exclusieve religieuze identiteit.
In de Oxford Dictionary staat een merkwaardige definitie van islamofobie. Het zou gaan om een ‘obsessieve angst voor de islam, vooral als politieke kracht’. Maar de groeperingen die de politieke islam uitdragen, maken ook miljoenen moslims bang met hun totalitaire en gewelddadige boodschap. Moeten deze moslims dan ook als islamofoob worden beschouwd? De beschuldiging van islamofobie kan op zichzelf al een bedreiging van de vrijheid van meningsuiting vormen. Men heeft het recht om iedere religie te bekritiseren, ook de islam, en des te meer als het gaat om religies die in het teken staan van autoritaire bedoelingen.
Het discours over de islam neemt momenteel bijna dezelfde plaats in als vroeger het discours over het antisemitisme. Mensen die pro-Israël waren grepen toen dit discours aan om alle kritiek op het beleid van de Hebreeuwse staat ten opzichte van de Palestijnen te smoren. Op dezelfde manier probeert de politieke islam nu ieder kritisch discours te smoren over de islam versus de moderniteit. Maar als islamkritiek een blijk is van islamofobie, is kritiek op het christendom dan een blijk van ‘christianofobie’?
Minder bekend dan het Jiddisch is het Judeo-Arabisch, de taal van Joden in de middeleeuwse Arabische landen. Joshua Blau (99) is de meest vooraanstaande wetenschapper op dit gebied. Een gesprek over taal en cultuur in een tijd dat de wereld nog niet geglobaliseerd was.
Toen Joshua Blau aan het begin van zijn professionele carrière de suggestie kreeg om de brieven van Maimonides [rabbijn en rechtsgeleerde] te bestuderen, waarschuwden verscheidene mensen hem om daar niet aan te beginnen. De drie geleerden die zich eerder over die brieven hadden gebogen, waren alle drie een niet-natuurlijke dood gestorven. De eerste was dood achter zijn bureau aangetroffen nadat hij net anderhalve brief had vertaald; de tweede stierf vroegtijdig aan een ziekte; en de derde werd halverwege zijn onderzoek vermoord bij een terroristische aanslag. ‘Ik heb die waarschuwing natuurlijk in de wind geslagen,’ zegt Blau nu. ‘En ik geloof dat het best goed met me gaat.’
En inderdaad: onlangs is Blau, emeritus hoogleraar Arabische taal en letterkunde aan de Hebreeuwse Universiteit, 99 jaar geworden. Zijn sonore stem, stevige handdruk en sarcastische gevoel voor humor – en de energie waarmee hij zijn linguïstisch onderzoek voortzet – maken duidelijk dat het zelfs beter met hem gaat dan ‘best goed’. Zoals elk jaar was er ook deze keer op zijn Hebreeuwse verjaardag een familiefeest, waar de kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en, voor het eerst dit jaar, een achterachterkleinkind bij aanwezig waren – in totaal 39 zielen. Ook zijn collega’s gaven een feest voor hem, waarop het felicitaties en loftuitingen regende voor de 99-jarige, die wordt beschouwd als de meest vooraanstaande wetenschapper op het gebied van de middeleeuwse Judeo-Arabische taal.
Zijn programma is overvol en hij heeft een vaste routine. Hij begint elke dag met gebeden in de synagoge, gaat dan zwemmen en pas na het ontbijt, rond halfelf, en alleen op een van de zeldzame dagen waarop hij niet al een afspraak heeft met een wetenschapper die met hem wil werken of hem wil spreken, is een ontmoeting mogelijk. Nadat hij me heeft begroet in de ontvangstruimte van het verzorgingscomplex waar hij woont met zijn vrouw Shulamit (96), loopt hij met behulp van zijn wandelstok in snel tempo naar zijn studeerkamer.
Judeo-Arabisch is de taal die werd gesproken door de Joden die in de middeleeuwen in de Arabische landen woonden. Net als Jiddisch en Ladino wordt Judeo-Arabisch tot de ‘Joodse talen’ gerekend. Het vocabulaire lijkt op dat van de plaatselijke taal, maar wordt geschreven in Hebreeuwse letters. Zo varieert ‘goedenavond’ al naargelang de regio waarin het wordt gezegd: in het Judeo-Arabisch is het ‘masa alkhir’, in het Judeo-Duits (Jiddisch) is het ‘a gutte nacht’ en in het Judeo-Spaans (Ladino) is het ‘buenas noches’.
U bestudeert de taal van de Joden in de middeleeuwse Arabische gebieden. Kunt u de tijd en de plek iets nader bepalen?
‘Qua plek heb ik het over Iran, Libië, Algerije, Marokko en Spanje, Syrië, Libanon, Israël, Egypte en Jemen. De periode loopt van de negende eeuw tot de veertiende eeuw, een tijdperk van enorme culturele bloei in literatuur, filosofie, geneeskunde en astronomie. Het is de gouden eeuw van de islam, en in deze periode was de joodse cultuur van de Arabische landen tien keer zo groot als de cultuur van het Asjkenazische jodendom [een cultuur-religieuze groepering binnen het jodendom van aanvankelijk Duitse Joden].
Pas later, tijdens de Renaissance, kwam de Asjkenazische cultuur tot bloei in Frankrijk, Italië en Duitsland. In de veertiende eeuw trad er een culturele breuk op. De Arabische cultuur ging ten onder, en daarmee ook de joodse cultuur. Vanaf dat moment hebben de Joden niet langer deel aan de Arabische cultuur, en schrijft de elite alleen nog literatuur in het Hebreeuws.’
De Joden die deel uitmaakten van de bloeiende Arabische cultuur, schreven niet in het Arabisch, maar in het Judeo-Arabisch. Hoe heeft die taal zich ontwikkeld?
‘Zoals alle Joodse talen is het Judeo-Arabisch oorspronkelijk opgekomen vanwege de kinderen. Joodse kinderen gaan naar de cheider – in Asjkenazische landen – en naar de koettab – in islamitische landen, om de Thora te bestuderen. Het eerste schrift dat ze leren is Hebreeuws en daarom, om hun de plaatselijke taal te leren, wordt die ook in Hebreeuwse letters geschreven. Dat is de oorsprong van het Jiddisch, het Judeo-Arabisch en later het Ladino.
Anders dan het Jiddisch, dat in de middeleeuwen de spreektaal van de lagere klassen was terwijl de elite in het Hebreeuws schreef, was Judeo-Arabisch ook de taal van de ontwikkelde mensen. Het grootste deel van de Joodse filosofische literatuur in de Arabische landen werd in die periode zelfs in het Judeo-Arabisch geschreven. Zo schreef bijvoorbeeld Rabbi Saadia Gaon zijn Sefer HaGalui (Boek van de Openbaring) in het Hebreeuws, en vertaalde hij het meteen ook zelf in het Judeo-Arabisch. Juda Halevi schreef Het boek van de Chazaar rechtstreeks in het Judeo-Arabisch, en Mosje Ben Maimonides deed hetzelfde met De gids der Verdoolden. Maimonides gaf in zijn testament zelfs de instructie dat het boek niet in Arabische letters gekopieerd mocht worden – met andere woorden, dat het niet in de taal van moslims gepubliceerd mocht worden.’
Als Halevi zoiets in zijn testament had gezet, dan had ik dat begrepen. Het boek van de Chazaar is een racistisch boek en kan maar beter niet bekend worden bij niet-Joden. Maar waarom probeerde Maimonides te voorkomen dat niet-Joodse lezers zijn filosofieboek zouden lezen?
‘De niet-Joodse wereld interesseerde hem niet. Hij schreef alleen voor Joden.’
Maar dat gaat verder dan onverschilligheid, het is een verklaring van isolationisme. En toch werd Maimonides zelf sterk beïnvloed door niet-Joodse filosofen, zowel islamitische als Griekse.
‘Dat is waar. De gids der Verdoolden is een rechtstreekse voortzetting van de filosofie van Aristoteles, waarmee Maimonides in aanraking kwam via Arabische vertalingen ervan. Zoals ik al zei was de Arabische cultuur de hoogste van zijn tijd: de autoriteiten ondernamen de enorme opgave om de Griekse geschriften in het Arabisch te laten vertalen.’
*Waarom wilde hij zijn ideeën dan niet delen met de hele samenleving waarin hij leefde? *
‘Je denkt te mondiaal. De wereld was toen niet zo. Ze was verdeeld in samenlevingen, gemeenschappen, en men had geen belangstelling voor het doorbreken van grenzen. Ik ben zelf ook zo opgegroeid in Oostenrijk en ik weet heel goed wat een Joodse gemeenschap is.’
Hoe komt een aan het begin van de vorige eeuw in Oostenrijk opgegroeide Jood uit een religieuze familie ertoe om Arabisch te gaan studeren?
‘Ik ben geboren in Transsylvanië, het Hongaarse deel van Roemenië. Toen ik twaalf was, verhuisden we naar Oostenrijk. Mijn vader zat in de handel, maar wist genoeg geld te sparen om vroeg te kunnen stoppen met werken en een oude droom te vervullen: journalist worden. Omdat het journalistieke epicentrum destijds in Wenen zat, gingen we in een stad daar in de buurt wonen. Onderweg erheen, in de trein, zei mijn vader iets wat later zo ironisch zou blijken: “Hier gaan we, op weg naar een land van cultuur.”
Toen ik klaar was met mijn middelbare school, bleek dat ik met mijn Roemeense nationaliteit niet in Oostenrijk zou kunnen werken. Vader kwam met twee voorstellen. Het ene was om Arabisch te gaan studeren aan de universiteit van Wenen, zodat als ik op alia [emigratie naar het Heilige Land] naar Israël zou gaan, ik in mijn onderhoud zou kunnen voorzien door in die taal les te geven. Het tweede idee was dat ik me zou inschrijven aan het rabbijnse seminarie in Wenen, zodat ik, als ik toch in Oostenrijk bleef, in mijn onderhoud zou kunnen voorzien als rabbijn. De twee voorstellen vielen goed samen, want in die tijd was iedereen die aan het rabbijnse seminarie studeerde, verplicht om naar de universiteit te gaan. Rabbijnen werden geacht zich te ontwikkelen, om zich niet op te sluiten in de Joodse wereld.’
Uw vaders idee om Arabisch te gaan studeren voor het geval u zich in Israël zou vestigen, is indrukwekkend. Wat een vooruitziende blik! Waren jullie zionisten?
‘Ja, en we hadden daar ook familie. Op 13 maart 1938 annexeerde Hitler Oostenrijk, en het rabbinale seminarium werd onmiddellijk gesloten. Omdat we de Roemeense nationaliteit hadden, kon ik op de universiteit blijven studeren, maar het Oostenrijkse enthousiasme voor Hitler werd steeds groter. Op een dag kwam onze Oostenrijkse dienstbode ontzet bij ons aan en ze vertelde mijn vader dat ze had gezien hoe een man die er precies zo uitzag als ‘Herr Doktor’ gedwongen was om het trottoir te schrobben.
Die gebeurtenis had grote invloed op mijn vader en ik heb er achteraf een belangrijke les van geleerd: dat klein onheil je soms behoedt voor groot onheil. Het feit dat de situatie begon te verslechteren deed mijn vader beseffen dat we moesten vertrekken en naar Israël moesten verhuizen.
Maar hoe moesten we wegkomen? Iemand vertelde mijn vader dat er die dag visa werden uitgegeven in de Griekse ambassade. Het was sabbat, maar mijn vader nam toch een taxi erheen, want het was een kwestie van pikua nefesj [leven en dood]. Hij klom de trappen van de ambassade op en klopte op de deur. Geen reactie. Hij wilde alweer naar beneden lopen. Toen hij halverwege de trap was, ging de deur open en er verscheen een man, die zei: “We zijn gesloten.” Mijn vader liep door, de deur ging weer open. Weer verscheen die man. Hij zei: “Kom boven. Wat wenst u, beste heer?’’, en mijn vader antwoordde: “Een visum.” De man pakte de rubber stempels, gaf mijn vader het visum en zei tegen hem: “U lijkt precies op mijn vader.” Dat is een verhaal dat ik nooit geloofd zou hebben als ik het van u had gehoord.
Toen we in dit land aankwamen, ging ik op zoek naar werk. Ik was verschrikkelijk verlegen en zag ertegen op om voor de klas te gaan staan, dus ik besloot bij de politie te gaan. Toen ik me kwam inschrijven op het bureau, vroegen ze me om een foto in te leveren. Maar ik had geen foto bij me en ze zeiden tegen me: “Ga naar huis om er een te halen.” Toen ik thuiskwam, ging de telefoon. Het was een van de scholen, en ze zeiden dat ze een leraar Arabisch nodig hadden. Dat was het keerpunt in mijn leven, en het was de tweede les die ik leerde, en die ik je sterk kan aanbevelen: loop nooit rond met je foto op zak. Als ik niet naar huis was gegaan om die foto te halen, zou ik geen leraar Arabisch zijn geworden, en zou alles wat er daarna is gebeurd, niet op mijn pad zijn gekomen.’
Wie waren uw leerlingen?
‘Iedereen. Arabisch was een verplicht vak op school, en terecht natuurlijk. In het begin had ik problemen om orde te houden onder de leerlingen. Op een dag legden ze een stinkbom bij me neer. Ik ging naar het raam, deed het dicht, en ging door met lesgeven. Dat veranderde alles. Daarna had ik geen problemen meer.’
Toen u op de Hebreeuwse Universiteit begon, hebt u zich gespecialiseerd in Judeo-Arabische grammatica. Waarom in hemelsnaam grammatica?
‘Op mijn zesde jaar vroeg mijn vader of ik naar de kleuterschool wilde of naar school. “School,” zei ik. Na de eerste dag vroeg hij: “Hoe was het?” “Heel interessant,” zei ik. Hij vroeg “Wat heb je gehad?” Ik zei: “Grammatica.” Mijn vader, die reageerde als ieder normaal mens, werd bleek en zei: “Krankzinnig.” En kijk eens aan, mijn hele leven al verdien ik mijn brood met die krankzinnigheid. Ik ben er gewoon dol op.’
Het blijkt dat Judeo-Arabisch niet alleen gekarakteriseerd wordt door het gebruik van het Hebreeuwse alfabet. Grammaticaal is het een combinatie van literair Arabisch en gesproken Arabisch. Hoe is dat zo gekomen?
‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren. Allereerst was er het Bedoeïenen-Arabisch, de overheersende taal in de tijd die de moslims jahiliyyah noemen – de ‘periode van onwetendheid’, oftewel de tijd vóór Mohammed. Dat Arabisch kenmerkte zich enerzijds door een beperkt vocabulaire en het ontbreken van veel woorden en begrippen; maar anderzijds was het verrassend gedetailleerd over bepaalde begrippen. Zo zouden er verschillende termen kunnen zijn voor een kameel – ik overdrijf nu met opzet – een kameel van een halfjaar oud, een kameel van een jaar en een kameel van anderhalf jaar.’
Zoals de Inuit verschillende woorden hebben voor sneeuw.
‘Precies. Oude vroeg-Arabische teksten die zijn gevonden, hebben ons verrast. We hadden verwacht dat ze primitief zouden zijn, maar we vonden poëzie. Dat betekent dat de mensen de poëzie van de oude bedoeïenen bewonderden en van generatie op generatie mondeling doorgaven, tot ze werd opgeschreven.’
Net als de oude poëzie in de Bijbel, zoals het Lied van de Zee na de doortocht door de Rode Zee [In Exodus 15].
‘Juist. Met het verspreiden van de islam werd het noodzakelijk om de taal te verbreden – om er woorden aan toe te voegen die bij de nieuwe cultuur pasten, en linguïstische constructies te scheppen waarmee men complexe ideeën kon uiten. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om een filosofieboek te schrijven in het Bedoeïenen-Arabisch. Er vormde zich een nieuwe taal die de fonetica en morfologie van de bedoeïenen behield, maar de stijl en syntaxis veranderde.
In een bepaald stadium – de meningen lopen uiteen over wanneer precies – ontstond er een tweetalige situatie: twee afzonderlijke talen. De ene werd gebruikt voor literatuur, de andere als spreektaal. De eerste werd gezien als “hoge taal”, de tweede als “lage taal”. Linguïsten noemen dat “hoog register” en “laag register”. Judeo-Arabisch mengt deze twee registers op een manier die typerend is voor minderheden. Je vindt het ook bij de taal van christelijke Arabieren, omdat die niet zo onderhevig zijn aan het starre ideaal van de literaire taal. De moslims vereerden de taal van de koran en van poëzie, en geloofden dat die op geen enkele manier aangetast mocht worden. Minderheden waren niet gebonden aan deze vorm van perfectie. Voor mijn proefschrift heb ik onderzocht in hoeverre Judeo-Arabisch zowel op gesproken Arabisch als op literair Arabisch leek.’
En wat was uw conclusie?
‘Het varieert per tekst. In sommige teksten is het Judeo-Arabisch bijna geheel literair, andere zijn bijna in spreektaal geschreven, en alle vormen daartussen komen ook voor.’
Kunt u een voorbeeld geven?
‘Ik zal u een voorbeeld geven van teksten die ik later heb bestudeerd: Maimonides’ Responsa. Maimonides antwoordde in het Judeo-Arabisch op vragen die vanuit de Joodse wereld aan hem werden gestuurd. Er zijn twee antwoorden die ik vooral interessant vind, gericht aan een man en zijn echtgenote die ruzie hadden en ieder afzonderlijk aan Maimonides hadden geschreven om zijn oordeel te vragen. Dit is het enige geval waarin we zowel de vragen als de antwoorden van beide kanten op schrift hebben, en het is fascinerend. De man klaagt dat zijn vrouw lerares is en lesgeeft aan kinderen, terwijl hij wil dat ze thuisblijft, zoals andere echtgenotes.
Maimonides antwoordt dat hij het recht heeft om haar te verplichten thuis te blijven. Een paar jaar later schrijft de echtgenote aan Maimonides en vertelt dat haar man een nietsnut is: hij gaat uit, komt weer thuis en gaat weer uit, en geeft haar geen cent. Om niet van de honger om te komen, en omdat ze kan lezen en schrijven, was ze gaan lesgeven, en zelfs hoofd van de school geworden. Ze vraagt Maimonides om haar toestemming te geven daarmee door te gaan.’
Waarom zou haar man niet willen dat ze lesgaf? Per slot van rekening verdient zij wel haar brood en hij niet.
‘Omdat hij met een tweede vrouw wil trouwen. Dat lijkt geen probleem – polygamie was toegestaan – maar volgens de ketoeba (huwelijkscontract) mocht de man niet met een tweede vrouw trouwen zonder toestemming van de eerste. De man probeerde dus de echtgenote te dwingen om in te stemmen met de tweede vrouw en alleen dan zou hij haar toestaan om het huis te verlaten. Nadat Maimonides de vraag van de vrouw had gelezen, oordeelde hij dat zij, als dat zo was, in opstand moest komen tegen haar man. Dan zou de man verplicht zijn om van haar te scheiden, en kon zij doen wat ze wilde.’
Wat wil dat zeggen, ‘in opstand komen tegen haar man’?
‘Niet meer bij hem wonen, niet voor hem koken, en geen intieme relatie met hem onderhouden. Een echtgenote was verplicht om al die dingen te doen en als ze die niet deed, dan moest de man wel van haar scheiden. Hier hebben we niet alleen uitzonderlijke informatie over een vrouwelijke leraar, de enige in de middeleeuwen van wier bestaan we afweten, maar bovendien kon ik hiermee het register bestuderen waarin de vragen en de antwoorden zijn geschreven.’
En wat hebt u ontdekt?
‘De vragen van de man en de vrouw zijn geschreven in Arabische spreektaal, gemengd met wat literair Arabisch. Maimonides’ antwoorden zijn daarentegen in veel literairder Arabisch geschreven, maar heel wat minder literair dan de taal die hij gebruikte in De gids der Verdoolden, bijvoorbeeld. Hij paste het register van zijn taal aan het niveau van de ontvangers aan.’
Hoe weten we eigenlijk hoe die gesproken taal was? Per slot van rekening is er alleen geschreven taal bewaard gebleven.
‘Alles bij elkaar genomen weten we het niet precies – de overlevering daarvan begint pas in de negentiende eeuw, toen het onderzoek naar verschillende dialecten begon. Naar het gesproken Arabisch van de middeleeuwen kan ik alleen maar gissen, maar er zijn wel aanwijzingen die dat giswerk onderbouwen. Om te beginnen is de grammatica van de literaire taal veel georganiseerder dan die van de gesproken taal.
Als we de grammatica van teksten in het Judeo-Arabisch vergelijken met die van literair Arabisch, dan ontdekken we heel veel veranderingen, en de hypothese is dat die de spreektaal weerspiegelen. Zoals ik al zei, zijn dat soort afwijkingen van het literair Arabisch typerend voor minderheden, omdat zij zichzelf toestaan om in een lager register te schrijven, op de manier waarop mensen praten.
Nog een manier om iets te weten te komen over Arabische spreektaal uit die tijd is door te kijken naar teksten die fonetisch zijn opgeschreven, waardoor de klank van het woord is overgeleverd, niet de manier waarop het normaal gespeld werd. Een paar weken geleden kreeg ik zo’n tekst, geschreven in het Judeo-Arabisch. Hij gaat over magie en is geschreven in een volkomen vrije vorm. Niets is consequent. De spelling is soms gevocaliseerd, soms niet. Een woord dat verscheidene keren voorkomt, wordt elke keer anders gespeld. Erbarmelijk geschreven dus, maar geweldig voor ons, omdat we zo informatie krijgen over de manier van spreken.’
‘Een taal is altijd in ontwikkeling en hoe dat gebeurt hangt af van veel factoren’
Als je aan een Arabier in de middeleeuwen een tekst in het Judeo-Arabisch zou voorlezen, zou hij die dan begrijpen?
‘Zeker, tenzij er religieuze termen in stonden, die hij natuurlijk niet zou begrijpen. Bijvoorbeeld, als hem De gids der Verdoolden was voorgelezen, zou hij die gedeeltelijk begrepen hebben.’
Het was wonderlijk om te zien hoe helder en scherp Blau was. Hoe vaak hij ook werd onderbroken door een rinkelende telefoon, mijn vragen en mensen die de kamer binnenkwamen, hij hield zijn gedachtegang en de draad van het gesprek beter vast dan de meeste mensen, ook de beduidend jongere, die ik heb geïnterviewd. Maar wanneer ik zijn mening vraag over actuele gebeurtenissen – bijvoorbeeld over de verandering in de status van het Arabisch in Israël sinds de wet op de natiestaat – dan verliest hij zijn belangstelling. Het kan natuurlijk zijn dat hij het niet over politiek wil hebben, maar ik heb eerder het idee dat het hem gewoon niet interesseert.
Tegen het eind van ons gesprek kan ik het niet laten om hem naar zijn gevorderde leeftijd te vragen, ook al is het duidelijk dat hij er de man niet naar is om mensen tips te geven of om met allerlei kernachtige levenswijsheden te komen. En hij zegt dan ook simpelweg: ‘Ik heb geboft. Geboft dat we op tijd uit Oostenrijk zijn weggegaan, geboft dat ik als wetenschapper aan de Hebreeuwse Universiteit werd aangenomen – hoeveel mensen krijgen de kans om het beroep uit te oefenen waar ze zo van houden? Geboft dat mijn hoofd het doet. Dat komt niet doordat ik het gebruik. Ik heb collega’s die hun hoofd heel goed gebruikten en toch op hun zestigste ziek werden. Ik heb geboft met de kinderen en enorm geboft met mijn vrouw.’
Shulamit, zijn vrouw, heeft er tijdens ons hele gesprek bij gezeten. Aandachtig, geconcentreerd, af en toe voegde ze iets toe waarvan ze vond dat het niet vergeten mocht worden. Ze is goed op de hoogte van zijn werk en van wat wel en niet te pas komt in zijn verhaal. Op een bepaald moment vraagt Blau haar of hij het verhaal zal vertellen van Josef Joel Rivlin, de vader van de huidige Israëlische president, en als ik hem aanspoor dat te vertellen, noemt hij zijn vrouw ‘zij die gehoorzaamd moet worden’ – en omdat zij geen toestemming geeft, komt er geen verhaal.
Het paar gaat vaak samen naar een conferentie. ‘Ik was een keer uitgenodigd voor een internationale conferentie,’ vertelt hij, ‘en vanwege het onverwacht grote aantal deelnemers werd de sprekers gevraagd hun lezing in te korten. In plaats van de oorspronkelijke twintig minuten, kregen we nog maar acht minuten. Toen ik besefte dat het onmogelijk was dat ik in die tijd klaar zou zijn, ben ik gewoon vanaf het midden van het verhaal meteen doorgegaan naar het eind. Er was geen verband tussen de vorige zin en de zin waar ik naartoe sprong, maar na afloop kreeg ik een donderend applaus. Sindsdien vraag ik Shulamit om bij mijn lezingen te zijn, want dan is er tenminste iemand die me de waarheid vertelt.’
Voelt u zich collega’s? vraag ik, en zij antwoordt: ‘Vrienden.’
‘Vrienden,’ herhaalt Blau. ‘Dat is het goede woord. God is ons goedgezind geweest, zodat we met elkaar kunnen praten, net zoals we dat 74 jaar geleden deden. Dat spreekt bepaald niet vanzelf. Een ongeëvenaard geschenk.’
Opgericht in 1918 en daarmee het oudste Israëlische dagblad. De onafhankelijke, liberale krant wordt vrij algemeen bestempeld als een ‘kwaliteitskrant’ en is het referentiekader van politici en Israëlische intellectuelen.
Duizenden jaren lang hebben wij mensen ons boven de dieren gesteld. Maar nieuwe boeken van Peter Wohlleben, Elena Passarello en Lucy Cooke laten zien dat die visie aan het kantelen is.
Ludwig Wittgenstein heeft ooit gezegd: ‘Als een leeuw zou kunnen spreken, zouden we hem niet kunnen begrijpen.’ Maar Ludo, hoeveel ervaring heb jij eigenlijk met leeuwen?
Dacht ik al. Want het is volslagen onzin, in ieder geval waar het de notie betreft dat mensen en leeuwen geen gemeenschappelijk gespreksonderwerp zouden hebben. Wittgenstein is me zonder meer de baas op elk willekeurig vlak van de analytische filosofie, maar hij heeft lang niet zoveel tijd met leeuwen in de jungle doorgebracht als ik.
Een paar weken terug, de Luangwavallei in Zambia. Zes leeuwinnen hebben net een antilope geveld en zijn hem gretig aan het verorberen. Vanaf mijn positie, een paar honderd meter verderop, zie ik niet veel meer van dit feestmaal dan een rozet van roestbruine vacht. Niet zo heel ver van me vandaan staat een eenzame mannetjesleeuw toe te kijken. Hij is gewond geraakt en heeft al een paar dagen niet kunnen jagen. Hij is uitgehongerd, je kunt zijn ribben tellen. Hij heeft geen eigen troep, hij is nog niet groot en sterk genoeg en hij ontbeert het zelfvertrouwen om een poging te doen de prooi in te pikken. Hij moet zelf een prooi zien te vangen, maar daar is hij niet toe in staat. Hij ziet het beeld voor zich van alles waarnaar hij verlangt: eten, de weldadige verwantschap van het leven in een troep en het gezelschap van deze zes sexy leeuwinnen. Hij wil niets liever dan zich bij hen voegen. Maar iets weerhoudt hem daarvan, iets heel krachtigs. Ze zouden hem niet opnemen in de groep. Ze zouden hem verjagen, het zou op een gevecht uitdraaien, het is zinloos. Maar hij kan zijn ogen niet van het tafereel afhouden. Hij maakt een paar keer een terugtrekkende beweging, waarbij hij telkens even blijft staan en verlangend achteromkijkt.
Uiteindelijk vermant hij zich – een beetje zoals Andrew Lincoln in Love Actually, die met intens verdriet kampt omdat zijn liefde voor Keira Knightley onbeantwoord blijft – en dwingt zich deze wereld van verlangens de rug toe te keren en de realiteit onder ogen te zien. Hij loopt naar de rivier en zwemt vastberaden naar de overkant: nu is het genoeg geweest! Als hij zou zijn blijven staan om zijn gevoelens te uiten, zou ik hem hebben begrepen. We zouden hem allemaal hebben begrepen. Eenzaamheid, verlangen, honger, wanhoop, lust: het is ons geen van allen vreemd, nietwaar?
Glad ijs
Maar hier begeven we ons op glad ijs. Onze wetenschap, filosofie en religie zijn voor een groot deel gebaseerd op de aanname dat er mensen zijn en dat er beesten zijn – en dat die twee op geen enkel terrein overeenkomen. Er is nauwelijks een diepere belediging denkbaar dan iemand voor beest uitmaken, en toch zijn we allemaal zoogdieren. Aan de opvatting dat de mens een uniek wezen is, viel niet te tornen. Maar tegenwoordig worden er steeds meer kanttekeningen geplaatst bij die opvatting. In het ene na het andere boek wordt ingegaan op het niemandsland – het ‘niediersland’ – dat onze soort scheidt van de grofweg tien miljoen andere soorten die het dierenrijk telt. In de meeste gevallen zeggen die boeken meer over ons dan over onze mededieren.
Op elke bladzijde voelen we weerstand tegen een eventuele suggestie dat niet-menselijke dieren ook maar enige overeenkomst met ons zouden vertonen. Natuurlijk kunnen dieren niet denken, niet voelen, niet praten. We verzetten ons tegen het idee dat ze dat zouden kunnen – niet omdat het onmogelijk zou zijn, maar omdat het ondenkbaar is. Onze manier van leven zou danig in het gedrang komen als we zouden accepteren dat wij mensen niets meer zijn dan een diersoort.
In The Unexpected Truth About Animals [de Nederlandse vertaling, Wilde verhalen – De ware aard van onbegrepen beesten, verschijnt in oktober] onderzoekt Lucy Cooke de manier waarop mensen hebben geprobeerd morele lessen te trekken uit het gedrag van dieren, die vaak worden afgeschilderd als verachtelijke wezens – waarmee we de ogen sluiten voor de talloze facetten van hun gedrag die verwondering en bewondering zouden kunnen oproepen. En hoewel Cooke op gedegen wijze de mythe ontrafelt dat een bever zijn lot zou weten te ontlopen door zijn eigen ballen af te bijten en die aan zijn belager te offeren, is haar stuk over de luiaard nog beter.
Dit dier is vernoemd naar een van de zeven hoofdzonden – een dodelijker benaming is nauwelijks denkbaar. ‘Ik heb nog nooit van mijn leven zo’n lelijk en nutteloos wezen gezien’, schrijft Gonzalo Fernández de Oviedo y Valdés in zijn vijftigdelige encyclopedie, die in 1526 is uitgegeven. Cooke toont ons de conceptuele schoonheid van de luiaard en laat zien dat het dier optimaal is toegerust voor een levensstijl met een minimaal energieverbruik. Ze maakt duidelijk dat een luiaard een even fijnzinnig afgesteld overlevingsmechanisme heeft als een cheeta, of, als we toch bezig zijn, de mens.
De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken
Niet minderwaardig: anders. Maar dat is een notie waarmee de mens al eeuwen worstelt, waarschijnlijk al in de tijd dat er nog geen taal was. ‘Een wetenschappelijk onderzoek uit de jaren zeventig laat zien dat de luiaard in numerieke zin een van de meest aanwezige grote zoogdieren is, verantwoordelijk voor bijna een kwart van de zoogdierbiomassa,’ schrijft Cooke. ‘Dat is een nette manier om te zeggen dat je je laatdunkende blikken maar beter achterwege kunt laten, of op een ander dier moet richten.’
Jarenlang heeft men aangenomen dat er slechts twee mogelijke standpunten zijn: je kunt deze kwestie objectief beschouwen, of vanuit je gevoel. De rigide wetenschappelijke opvatting wilde dat dieren niet over emoties of een persoonlijkheid beschikken: het was een schande om zelfs maar zoiets te denken. Het was niet iets om te onderzoeken, niet iets wat proefondervindelijk diende te worden vastgesteld. Het was een vergissing die slechts kon worden rechtgezet met een enkel woord: antropomorfisme.
De ethica Mary Midgley heeft geschreven over mahouts, mensen die op een olifant rijden. Als zij geen rekening zouden houden met ‘gewone, alledaagse gevoelens – of een olifant blij is, of geïrriteerd, bang, opgewonden, moe, gewond, wantrouwig of boos – dan zouden ze niet alleen snel zonder werk komen te zitten, maar in veel gevallen ook snel het leven laten.’ Het is een kwestie van antropomorfiseren of sterven. Voor mensen die met paarden werken, is dit niets nieuws.
Peter Wohlleben haalde de bestsellerlijsten met zijn boek Het verborgen leven van bomen. Hij beschrijft de schimmelverbindingen tussen bomen, die hij heel geestig het wood wide web noemt. Hij toont ons bomen niet als het materiaal van rustieke meubels, maar als het soort levende wezens waaraan wij als mens kunnen relateren.
Zijn nieuwe boek, Het innerlijke leven van dieren, is wat minder stellig van toon. Wohlleben vermengt de wetenschap met zijn liefde voor een goed verhaal en is zich er terdege van bewust dat wetenschappers met weinig zo veel moeite hebben als met anekdotisch bewijs. Dus wanneer hij het heeft over Barry – een reddingshond, een cockerspaniël – die al vele baasjes heeft gehad voordat hij uiteindelijk bij het gezin Wohlleben belandt, en hij zich afvraagt of Barry dankbaarheid voelt, belanden we al snel weer op dat gladde ijs. Barry zal zich zijn hele leven blijven afvragen of hij niet weer de deur uit zal worden gedaan, maar los daarvan is Barry immer lief en vrolijk. Hij telt zijn zegeningen. Zo eenvoudig is het – of toch niet?
Wohlleben vertelt ook een verhaal over twee herten die op de loop gingen voor de hond die Wohlleben gebruikt bij zijn werk als bosbeheerder. Het reekalfje ging niet mee met de moeder, maar draaide zich om en rende recht op de hond af, die ze zo dwong om rechtsomkeert te maken. Als dat reekalfje een mens was geweest, hadden we gesproken van moed. Wij mensen weten heel goed wat we moeten doen in gevaarlijke situaties, maar we hebben geen idee of we dat ook echt zullen doen als de nood aan de man is. Sommigen zullen het wel doen, anderen niet. Mensen die in een dergelijke situatie doen wat ze moeten doen, worden dapper genoemd. Als het dapper is van de mens, is het dan niet ook dapper van het reekalfje?
Dit is terrein waarop weinig onderzoek is gedaan. En dat geldt zowel voor de literatuur als voor wetenschap en filosofie. Maar in een opmerkelijk, geheel onverwacht boek, Animals Strike Curious Poses, schrijft Elena Passarello met alle literaire vermogens die ze in zich heeft over de relaties tussen mens en dier. Ze legt de lat hoog en laat zien dat dit grensgebied heel goed kan worden verkend in onomwonden literaire bewoordingen, en dat het een onderwerp is dat een serieuze, doelgerichte aanpak verdient.
In deze verzameling essays heeft Passarello ook een soort liefdesbrief opgenomen aan Charles Darwin, ogenschijnlijk geschreven door een schildpad die hij heeft gevonden op de Galapagoseilanden. Ze voegt er nog een laag aan toe door in de tweede persoon te schrijven. ‘Hij zal je niet lang daarna “Harry” noemen, maar wees ervan overtuigd dat hij diep van binnen heel goed weet dat je op en top vrouw bent.’
Ze schrijft ook met een zeker elan over Mozarts spreeuw, een vogel waarvoor hij een plechtige begrafenis organiseerde, in een van die merkwaardige periodes waarin Mozart maar moeilijk het verschil leek te kunnen zien tussen grap en realiteit. En dat brengt me op de volgende vraag: als een nachtegaal zingt – met een vocabulaire van zeshonderd geluidseenheden die worden samengevoegd tot tweehonderdvijftig zinnen – is dat dan domweg een reactie op zijn jaarlijkse drang om meer nachtegalen te maken? Of wordt hij (het is altijd het mannetje dat zingt) domweg meegevoerd door de muziek? Het is altijd het vrouwtje dat kiest op grond van de muzikale kwaliteiten – reageert zij puur op basis van biologie? Of speelt er een esthetisch oordeel mee in haar beslissing? Zeg het maar, lieve lezer. Hoe dan ook, misschien dat de vraag ons aanzet tot een ruimer begrip van het bestaan, waarin de mens als uniek wezen niet per se het uitgangspunt is.
Schuilt het ware antwoord in objectieve wetenschap? Dat zou wel moeten. Maar traditionele wetenschappers gaan niet uit van de hypothese dat niet-menselijke dieren geen enkel raakvlak hebben met ons, mensen. Nee, ze gaan uit van de absolute zekerheid dat zoiets onmogelijk het geval kan zijn.
Carl Safina, hoogleraar natuur en mensheid aan de Stony Brook-universiteit in New York, schrijft: ‘Door te opperen dat andere dieren ook gevoel zouden kunnen hebben, deed men niet alleen elk gesprek stokken, maar gooide ook zijn eigen academische ruiten in. In 1992 werden de lezers van het prestigieuze tijdschrift Science door een wetenschapper gewaarschuwd dat het bestuderen van gewaarwordingen bij dieren was af te raden voor “iedereen zonder vaste aanstelling”.’
Het is merkwaardig dat zowel wetenschappers, die beweren zich enkel en alleen op feiten te baseren, als filosofen, die net als Wittgenstein kunnen speculeren zonder zich al te veel aan te hoeven trekken van iets onbenulligs als data maar die wel hechten aan logica, uitgaan van de zekerheid dat, hoewel alle placentadieren fysiologisch gezien op dezelfde manier in elkaar zitten, een van die soorten volkomen anders zou zijn dan de grofweg vierduizend overige – zo anders zelfs dat we het op geen enkele manier hoeven te bewijzen. Hebben we het hier dan over de ziel? Ik vraag het maar.
In de loop der tijd heeft de mens telkens opnieuw geprobeerd om dat wat de mens uniek maakt te isoleren en te benoemen. En elke keer weer bleek er een dier te zijn – een niet-menselijk dier – dat over eenzelfde eigenschap beschikte. Alle muren die we hebben opgetrokken tussen onszelf en andere diersoorten blijken wankel en poreus: emoties, het vermogen om te denken, oplossingsgerichtheid, het gebruik van gereedschappen, cultuur, een besef van de dood, bewustzijn, taal, syntaxis, sport, genade, grootmoedigheid, individualiteit, het geven van namen, karakter, rede, planning, inzicht, voorgevoel, verbeelding, moreel besef… zelfs kunst, religie en humor.
Het zit allemaal in de leer van Darwin, maar we hebben twee eeuwen lang onze ogen gesloten voor wat hij ons heeft geleerd, of we hebben zijn boodschap verdraaid. In The Descent of Man schreef hij: ‘Het verschil qua hersenen tussen de mens en de hogere dieren mag dan groot zijn, maar het betreft duidelijk een gradueel verschil en geen structureel verschil.’ Als je meegaat in het idee van evolutie door natuurlijke selectie, dan moet dat wel waar zijn.
Waarom hebben wij, mensen, dan zo’n moeite met dat idee? Het antwoord is terug te vinden in de geschiedenis van de mens. Het is lange tijd van groot belang geweest vast te houden aan de notie van morele en mentale minderwaardigheid van niet-witte mensen, aangezien zonder die overtuiging kolonialisme en de slavernij verwerpelijk zouden zijn. En dat was natuurlijk niet de bedoeling: het kwam ons veel te goed van pas.
Om een andere kijk te krijgen op de unieke positie van de mens, zouden we een kleine vijfduizend jaar aan menselijke opvattingen in een ander licht moeten bezien, wat vervolgens revolutionaire veranderingen met zich mee zou brengen in de manier waarop we ons leven leiden en de manier waarop we omgaan met de planeet die we met zijn allen bewonen. En daar zitten we bepaald niet op te wachten.
Auteur: Simon Barnes
Vertaler: Nicolette Hoekmeijer
In het Iraakse dorp Al Bu Nahid worden vrouwen en mannen gelijk behandeld, zijn roken en frisdrank in de ban en religieuze twisten verboden.
De provincie Diwaniya in Zuid-Irak is een van de meest verpauperde streken in het land. De meeste mensen werken er op het land, waardoor ze hard werden getroffen door een droogte in april. Zoals bijna overal in Irak worden de straten van de stad Diwaniya gekenmerkt door afval, verstikkende uitlaatgassen en eindeloos getoeter van auto’s.
Maar in het het dorp Al Bu Nahid, net buiten de stad, zijn bewoners bezig een nieuw idee uit te werken over hoe Irak eruit zou kunnen zien. In een land waar ruim 30 procent van de Iraakse mannen lijdt aan ernstig overgewicht, heeft het dorp frisdrank in de ban gedaan en is er jaarlijks een hardloopfestival met duizenden deelnemers. In een land waar olie de economie en politiek stuurt, viert het dorp op 5 juni Wereldmilieudag en ontplooit het milieuvriendelijke initiatieven. In een land waar de benzineprijs 0,63 dollar per liter bedraagt, hebben fietsen in het dorp de voorkeur gekregen boven de auto als vervoermiddel.
Joggen
Deze initiatieven zijn grotendeels het geesteskind van Kadim Hassoun, een ingenieur die een aantal projecten in het dorp begon, nadat hij in Europa en het Midden-Oosten in aanraking was gekomen met ideeën over gezondheid, sociale betrokkenheid en milieu. Na een verblijf van achttien jaar in Dubai keerde Hassoen in 2014 terug naar Irak en probeerde daar, tot ongeloof van zijn dorpsgenoten, aan fitness te blijven doen. ‘Iedereen zag mij als een excentriekeling, maar ik deed er nog een schepje bovenop,’ vertelt hij. Uitgedost in trainingspak en hardloopschoenen jogde hij stug voort op het platteland. ‘Na een maand voegden twee mensen zich bij me, na twee maanden liepen er vijf mee, en eerlijk waar, na zes maanden had ik de meeste dorpsgenoten mee – vooral de tieners en twintigers.’
Naarmate het leger lopers aanzwol, kwamen zij uiteindelijk op het idee een ‘hardlopersfestival’ op te zetten. Elk jaar doen mensen van buiten het dorp, bijvoorbeeld uit de stad Diwaniya, nu mee aan het evenement. Volgens Hassoen zijn er vaak wel drieduizend deelnemers.
Het onverwachte succes van het festival, dat ook de aandacht van de media trok, dreef Hassoen ertoe meer projecten te creëren ter bestrijding van de sociale kwalen die zijn dorp in het bijzonder, en Irak in het algemeen, volgens hem teisteren. Verbodsborden voor toeteren en roken – alomtegenwoordige verschijnselen in Irak – hangen overal in het dorp. Hassoun wil graag benadrukken dat er geen sprake is van autoritaire handhaving. Wel is het zo dat wie de regels overtreedt, het gevaar loopt te worden uitgekotst door de overige dorpelingen, die de veranderingen van harte hebben ondersteund.
De regels (zie onder).
Een klein, vervallen gebouw, ergens bij de rivier, doet dienst als Huis voor de Cultuur. Binnen staan boeken, fictie en non-fictie, over een breed scala aan onderwerpen, en is er schilder- en knutselmateriaal. ‘Ik heb het Huis voor de Cultuur opgericht en ben vervolgens een bibliotheek begonnen – ik heb boeken uit binnen- en buitenland toegestuurd gekregen, zelfs uit Groot-Brittannië, de VS en Zweden,’ zegt Hassoun. ‘Ook hebben de meeste bibliotheken in Bagdad mij boeken gedoneerd.’
Tijdens een rondleiding in het Huis voor de Cultuur toont Hassoun kunstwerken die gemaakt zijn door kinderen uit de buurt. Kort geleden kwam er een kunstenaar uit Bagdad kinderen helpen een schilderij te maken waarin de rol van Unicef wordt geëerd. Portretten van mecenassen van Al Bu Nahid sieren de muren, waaronder dat van de Brits-Iraakse schrijfster Emily Porter, die enkele initiatieven van het dorp financieel heeft gesteund.
‘Ik heb grote waardering voor de nieuwe dingen die in ons dorp gaande zijn,’ zegt Ali Ghanem, een van de 750 inwoners. ‘Kadim heeft echt zijn best gedaan de situatie te verbeteren. We beseften dat sport goed voor ons was, dus hebben we het kampioenschap 200 meter hardlopen opgezet. Ook zijn frisdrank en roken uitgebannen. We wisten dat er iets goeds was aan ons dorp, en nu zien we het met eigen ogen – we zijn getuige van concrete veranderingen.’
‘Wij hebben tegen de mannen gezegd: nee, er is geen verschil tussen jou en haar. Maar dit heeft allemaal tijd nodig’
Als het gaat om de ontwikkeling van zijn ideale gemeenschap, ziet Hassoun twee grote knelpunten: sektarisme en de marginalisering van vrouwen. ‘In het Midden-Oosten komen de grootste problemen en conflicten door religie, omdat de grootste problemen steeds door de bril van religie worden bekeken. Dat doorbreken was een hoofdstreven in dit dorp.’
Sommige mensen zeggen dat Hassoun zich tegen religie keert. ‘Nee, zeg ik dan, ik probeer je religie juist te beschermen. Houd het geloof er alsjeblieft buiten. Ik zeg: als je over religie wilt praten, oké, ga dan eerst naar het Huis voor de Cultuur, neem een boek over de religie mee naar huis en lees het. En kom er dan hier over praten.’
Wat vrouwen betreft was de strijd nog moeilijker, gezien de mentaliteit op het Zuid-Iraakse platteland. Hassoun heeft twee dagen per week het cultuurcentrum voor vrouwen gereserveerd, mannen zijn dan niet welkom. Vrouwen kunnen een groot aantal lezingen bijwonen en sociale, medische en psychologische problemen bespreken met ngo’s.
In veel opzichten is de scheiding tussen de seksen hier minder strikt dan elders in Irak. Hassoun wijst naar het gemeentehuis, een groot, met riet bedekt gebouw aan de ingang van het dorp, en vertelt dat de vrouwen van Al Bu Nahid daar welkom zijn, iets wat in andere dorpen niet vanzelfsprekend is. ‘Wij hebben tegen de mannen gezegd: nee, er is geen verschil tussen jou en haar. Maar dit heeft allemaal tijd nodig.’
Andere dorpen hebben lering getrokken uit het succes van Al Bu Nahid. Nu IS is verslagen, lijkt Irak eindelijk het sektarische geweld en de sfeer van angst en repressie te boven te komen. Nu oorlog en geweld op de achtergrond raken, beginnen Irakezen meer aandacht te krijgen voor de sociale en economische kwalen die hun land plagen. Voor Hassoun is Al Bu Nahid een mogelijke blauwdruk voor hoe Irak zichzelf zou kunnen rehabiliteren, met een opener, gezonder gemeenschapsleven. ‘Het is niet makkelijk,’ zegt hij. ‘Maar ik probeer tenminste wat.’
Auteur: Alex MacDonald
Vertaler: Carl Stellweg
CONTEXT: De regels
Aan de ingang van het dorp stipuleren twee uithangborden – een in het Engels, een in het Arabisch – een aantal (losjes gehandhaafde) regels:
1. Niet roken
2. Geen ruzie om godsdienst
3. Geen getoeter
4. Geen politieke discussies
5. Eerbiediging van verkeersregels
6. Geen bomenkap, want het milieu is onze verantwoordelijkheid
De website Middle East Eye werd in 2014 opgericht en wil de voornaamste nieuwsbron zijn voor het Midden-Oosten. Hoofdredacteur is David Hearst, voormalig buitenlandredacteur van The Guardian. Volgens critici heeft de site banden met de Moslimbroeders.
Twee maanden geleden heeft de Franse Raad van State de afwijzing bekrachtigd van de naturalisatieaanvraag van een jonge Algerijnse die weigerde een man een hand te geven. Een symbolische beslissing die tot verdeeldheid leidt.
JA
Overtreding van de wet
De krant The National uit de Verenigde Arabische Emiraten is verontwaardigd over deze uitspraak en spreekt van een Frankrijk ‘dat een moslimvrouw vervolgt op grond van haar geloof’. Hisham Al-Zoubeir Hellyer schrijft in zijn artikel dat ‘het inburgeringsexamen alleen maar een truc is om een specifieke groep te stigmatiseren: de moslims’. Hij vindt deze beslissing discriminerend, omdat een Algerijnse man er geen enkel probleem mee zou hebben gehad de hand van een andere man te schudden en dus wel genaturaliseerd zou zijn. ‘Als de aanvraagster een Israëlische orthodoxe jodin zou zijn geweest, kun je je afvragen of ze op dezelfde manier zou zijn behandeld.’
Volgens Hellyer duidt de weigering om iemand van het andere geslacht een hand te geven ‘misschien op een conservatieve, zo niet ultraconservatieve kijk [op de samenleving], maar dat mag geen beletsel vormen om Frans te worden’. Hij benadrukt de keuzevrijheid, die doorslaggevend zou moeten zijn in een samenleving als de Franse. ‘Sommige mensen kunnen ervoor kiezen om zich te laten zoenen, anderen om zich de hand te laten schudden en weer anderen om zich te laten omhelzen. In alle drie de gevallen is er sprake van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, maar het accepteren of verwerpen daarvan zou aan de individuele vrijheid van eenieder moeten worden overgelaten.’
Hellyer denkt dat de oorspronkelijke nationaliteit van de aanvraagster ook een rol in deze beslissing heeft gespeeld: ‘Het koloniale verleden van Frankrijk in de vorige eeuw in Algerije heeft sporen nagelaten die in het huidige Frankrijk nog zichtbaar zijn.’
NEE
Kwestie van individuele vrijheid
In een column getiteld ‘Waarom zou Frankrijk islamitische intolerantie moeten tolereren?’ ziet de correspondent van de conservatieve Britse krant The Spectator geen enkele aanwijzing voor islamofobe discriminatie. ‘Waarom zou een westers land een vrouw moeten opnemen die haar neus ophaalt voor een van zijn oudste vormen van beleefdheid?’ vraagt Gavin Mortimer, om vervolgens een direct verband te leggen met andere vormen van discriminatie: ‘Als het eenvoudige vooruitzicht een man een hand te moeten geven al onacceptabel voor haar is, is er gegronde reden haar ervan te verdenken dat ze ook niets opheeft met de rechten van homo’s en joden.’
Mortimer citeert de slogans die op talrijke borden in de Franse straten prijken: ‘De Republiek treedt eenieder met open gezicht tegemoet.’ ‘Toch is er een klein aantal vrouwen dat de wet blijft overtreden door te weigeren hun gezicht te tonen’, aldus de columnist.
Ter verdediging van zijn standpunt wijst hij op de Franse moslimgemeenschap als geheel, die volgens hem ‘het eerste slachtoffers van het extremisme’ is. ‘Deze miljoenen perfect geïntegreerde mannen en vrouwen worden dagelijks geconfronteerd met de intimidatie van islamisten die hen op ideologische gronden aanvallen.’ Als voorbeeld noemt de Britse journalist de sportwereld, waar het aantal jonge geradicaliseerden zou toenemen en vrouwen uit sommige sportverenigingen zouden worden geweerd ‘om de eenvoudige reden dat vrouwen niet welkom zijn in sportclubs die door islamisten zijn geïnfiltreerd’.
De Franse 360. Sinds twintig jaar een begrip in de kiosk. Bijgenaamd het Pentagon van de journalistiek, omdat Courrier nauwlettend in de gaten houdt wat er over de hele wereld wordt geschreven door de media.
Het in Tunis gevestigde digitale weekblad Meem heeft Tunesische onderzoekers en sociologen geïnterviewd om de ambivalente houding van de Franse samenleving tegenover de islam te analyseren.
De gemiddelde Fransman staat sinds enige tijd vijandig tegenover moslims. Volgens sociologisch onderzoeker Abdessatar Sahbani is dat het gevolg van de ‘zware klappen’ die de Franse samenleving zijn toegebracht door de aanslagen waarbij talrijke onschuldige slachtoffers zijn gevallen. Om diezelfde reden, legt hij uit, ‘zijn de traditionele politieke partijen, die dit probleem niet hebben kunnen oplossen, weggevaagd’.
Onderzoeker Sami Brahem daarentegen is van mening dat ‘Frankrijk een identiteitscrisis doormaakt omdat de consensus die het gevolg was van de wet van 1905, het fundament van het moderne Frankrijk, enkele vragen heeft opengelaten’. Hij vraagt zich af: ‘Betekent laïcité de scheiding tussen godsdienst en staat, of tussen godsdienst en het openbare leven? Verbiedt ze mensen om kleding te dragen waaruit hun godsdienstige overtuiging spreekt? Dat is de vraag die door de aanwezigheid van Fransen met uiteenlopende religieuze en culturele achtergronden wordt gesteld. Er is eerder sprake van een identiteitscrisis dan van een extremistische crisis, ook al bestaan er racistische antimoslimsentimenten.’
‘Het gebeurt maar zelden dat men in het Westen gesluierde vrouwen zelf aan het woord laat om een ander licht op de zaak te werpen’
Dit extremisme laat zich verklaren, nog altijd volgens Brahem, door het grote aantal moslims. En daar komen de problemen in de Arabische en islamitische wereld nog bij, met name de Palestijnse kwestie. ‘De relatie tussen de islam en het Westen is van oudsher oververhit, al sinds de kruistochten,’ stelt hij. Daarom houdt de ontwikkeling van de islamofobie in Frankrijk volgens hem verband met ‘het westerse onderbewustzijn, dat de islam als bedreigend is gaan beschouwen. En het terrorisme heeft die angst aangewakkerd.’
Wat de sluier betreft onderstreept Sami Brahem dat ‘de feministische bewegingen, niet alleen in het Westen maar zelfs in de Arabische wereld, van mening zijn dat die vernederend is voor de vrouw en haar reduceert tot haar fysieke dimensie. Het gebeurt maar zelden dat men in het Westen gesluierde vrouwen zelf aan het woord laat om een ander licht op de zaak te werpen.’ Terwijl deze polemiek de discussie over de moslims in Frankrijk weer aanwakkert, zijn veel betrokkenen van mening dat de oplossing ligt in het overwinnen van het minderwaardigheidscomplex door te mikken op opleiding en excellentie.
‘De uitdaging waarvoor Fransen van buitenlandse afkomst zich gesteld zien, is om zich Frans te voelen,’ legt Brahem uit. ‘Te meer omdat de meeste Fransen buitenlandse wortels hebben.’ Hij wil de derde en vierde generatie, die geen sterke band hebben met hun wortels, dan ook oproepen gebruik te maken van de rechten die de grondwet en het wetboek hun geven, maar ook om een goede opleiding te volgen en zich zodoende aan hun slachtoffercomplex te ontworstelen. ‘Islamitische wortels hoeven niet strijdig te zijn met Franse wortels. Afrekenen met een neerbuigende houding tegenover moslims is een strategische keus,’ besluit hij.
Dit Tunesische digitale tijdschrift is gespecialiseerd in de problematiek van vrouwen in de Arabische wereld. Het doel is hen aan het woord te laten maar ook om de samenlevingen aan te spreken waarin ze leven.
Kan de islam zich conformeren aan nationale waarden? Dat is de vraag die ook premier Macron stelt om het hoofd te bieden aan de gewelddadige uitwassen van een religie met zes miljoen volgelingen.
Hoe die hervorming zich verhoudt tot het Franse laïcité-model is een paradox en volgens de buitenlandse pers tegelijkertijd de kern van het probleem.
Voordat er van integratie sprake kan zijn moeten moslimorganisaties de grondwet erkennen en, zo schrijft Die Welt, hun houding ten aanzien van de Republiek ter discussie te stellen.
De positie van de islam in Europa is omstreden. Sommigen – vooral toonaangevende politici in Duitsland – zeggen dat de islam, alleen al getalsmatig, deel uitmaakt van Europa. Volgens anderen geldt dat alleen voor seculiere moslims. In Groot-Brittannië, Frankrijk, België, Nederland en ook de andere West-Europese landen is in de laatste vijftig jaar het aantal moslims, moskeeën en bijbehorende organisaties verveelvoudigd. Arbeidsmigratie en immigratie uit voormalige koloniën of van vluchtelingen stellen enorme eisen aan het integratievermogen van de ontvangende samenlevingen. De culturele integratie van met name de moslimmigranten is grotendeels mislukt. Parallelle samenlevingen en rechtssystemen, onderwijsachterstanden, hoge werkloosheid tot en met fundamentalisme en religieus gefundeerd terrorisme bepalen de agenda. De pogingen om de islamitische organisaties te betrekken in een maatschappelijke discussie blijven, zoals duidelijk werd aan de hand van de Duitse islamconferentie, in de aanzet steken. Vooral omdat het de vertegenwoordigers van de islam er in wezen slechts om te doen was dat hun groepsbelangen de maatschappelijke norm zouden worden. Er werd in alle ernst drie jaar lang gediscussieerd over de vraag of van islamitische organisaties mag worden verwacht dat ze de prioriteit van de grondwet boven de Koran, dus boven Alla’s wetten, als bindend erkennen.
Nu heeft de Franse president Emmanuel Macron een nieuwe aanzet gegeven om de islam in Frankrijk te integreren. Hij wil nog dit jaar een plan presenteren dat ‘het fundament voor de volledig nieuwe inrichting van de islam in Frankrijk moet leggen’. In een interview met de Le Journal du Dimanche zei hij dat hij er op alle niveaus aan werkt ‘om opnieuw te ontdekken wat de kern van het secularisme uitmaakt: de mogelijkheid de gelegenheid te hebben om te geloven, maar ook om niet te geloven’. Het plan, waarvan de bijzonderheden nog niet zijn uitgewerkt, moet meerdere dingen regelen. De moslims moeten zich zo organiseren dat de staat een verantwoordelijke partner heeft die aangesproken kan worden. Macron wil een morele autoriteit instellen, zoiets als een ‘groot-imam’ voor Frankrijk. Deze moet, net als het door Napoleon georganiseerde Grand Sanhedrin, de Franse grondwet als bindend erkennen. Blijkbaar gaat de president ervan uit dat de moslims in Frankrijk in de Franse raad voor het islamitisch geloof vertegenwoordigd zijn.
Invloed verminderen
Eén probleem zal zijn dat in Frankrijk, net als in Duitsland, slechts een klein deel (ongeveer 10 procent) van de moslims is vertegenwoordigd in moskeeverenigingen. Ten tweede wil men ‘de invloed van Arabische landen verminderen’. Dat betekent dat een einde gemaakt moet worden aan de financiering van de moskeeën en koranscholen uit de Maghreb, Saoedi-Arabië of Turkije. Ook moeten de financiële zaken van de moskeeën – men gaat er blijkbaar van uit dat via de moskeeën een soort financiële zwarte markt wordt georganiseerd – transparant worden. Het financiële tekort moet dan via een ‘halal’-belasting, een belasting op islamconforme producten, gecompenseerd worden. Daarmee moet dan ook de imamopleiding in Frankrijk gefinancierd worden, zodat er niet, zoals in Duitsland, honderden imams vanuit het buitenland komen. Zulke plannen zijn hier theorie, want de moskeeverenigingen laten tot op heden de aan Duitse universiteiten opgeleide imams links liggen en engageren liever voorgangers uit Turkije of Saoedie-Arabië.
Macrons plannen worden bij de Franse islamorganisaties enerzijds met instemming ontvangen, hun wordt immers maatschappelijke erkenning in het vooruitzicht gesteld, maar anderzijds wijzen ze invloed van de overheid op de imamopleiding resoluut af. Ook een mogelijke halalbelasting stuit op afwijzing. En de Franse islamorganisaties komen niet op het idee zichzelf of hun houding ten aanzien van de Republiek ter discussie te stellen en aan te zetten tot hervormingen.
De Duitse politiek heeft – als we uitgaan van het regeerakkoord van de grote coalitie – geen plan hoe in de toekomst om te gaan met de Islam. De islamconferentie heeft een jaar geleden een laatste levensteken gegeven. Ook het initiatief van de CDU-politicus Jens Spahn, in dezelfde geest als Macrons plan, verdween een jaar geleden meteen weer in de vergetelheid. Of de Franse president succesvoller zal zijn, blijft afwachten.
In 1946 door de Britten opgericht in Hamburg als Duits equivalent van destijds quality newspaper The Times. Sinds 1953 conservatief vlaggenschip van Axel Springer. Op economisch gebied zeer uitgebreid, tevens aandacht voor toerisme en de huizenmarkt.
Hoe kan een seculier land zich beschermen tegen gewelddadige ideeën die in naam van de islam worden gepredikt? Emmanuel Macron wil de godsdienst met zes miljoen aanhangers reorganiseren, maar dat is een contradictie. ‘Het is aan de moslims om het voortouw te nemen. Het is hun historische missie.’
Keuze uit het archief
Vorige week kondigde de Franse overheid een verbod af voor meisjes en vrouwen om op school een abaja te dragen, een besluit dat afgelopen donderdag door een hogere bestuursrechter werd bekrachtigd. De abaja werd niet als religieus gezien, tot eerder dit jaar. Dit besluit past binnen het patroon dat al jarenlang zichtbaar is in Frankrijk, een land waar de scheiding tussen kerk en staat – de zogeheten laïcité – hoog in het vaandel staat. Zo mogen middelbare scholieren in Frankrijk al sinds 2004 geen zichtbare religieuze symbolen dragen, zoals christelijke kruizen, joodse keppeltjes of islamitische hoofddoeken.
Dit artikel van The Atlantic uit 2018 laat zien dat Frankrijk reeds tientallen jaren op zoek is naar de ideale manier om zich tot de islam te verhouden. Zo wil president Emmanuel Macron de godsdienst op seculiere leest schoeien en in overeenstemming brengen met de nationale waarden om zo radicalisme en terrorisme buiten de deur te houden. Volgens anderen is het echter beter om deze taak aan de moslims zelf uit te besteden, want ‘de staat kan zich niet bemoeien met religieus beleid of religieuze kwesties’.
Toen de Franse president Emmanuel Macron vorige maand in een interview zei de islam in Frankrijk volledig te willen reorganiseren, kwam dat niet onverwacht. Hij beloofde immers vooral te zullen slagen waar zijn voorgangers hadden gefaald.
Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben opeenvolgende Franse regeringen geprobeerd een vorm van islam te creëren die typisch is voor Frankrijk, met het tweeledige doel de moslimminderheid in het land te laten integreren en islamistisch extremisme te bestrijden. Het ging erom een islam te ontwikkelen die zich conformeert aan de nationale waarden, met name het secularisme, en tegelijkertijd immuun is voor de radicale interpretaties die in sommige delen van de wereld vaste voet aan de grond hebben gekregen.
Ironisch genoeg werd bij eerdere pogingen om een soort Franse islam te codificeren nauw samengewerkt met de landen van herkomst van Franse moslims, met name Marokko, Algerije en Turkije. In 2015 tekende de toenmalige president François Hollande bijvoorbeeld een akkoord met het koninkrijk Marokko om Franse imams naar een opleidingsinstituut in Rabat te sturen.
Gematigd
Het gevolg is een crisis op het gebied van vertegenwoordiging en legitimiteit. Bestaande, al dan niet aan de staat gelieerde organisaties vertegenwoordigen de uiteenlopende moslimgemeenschappen in Frankrijk niet. Dit ondermijnt de integratie van moslims in de samenleving als geheel en schept volgens de regering-Macron ruimte voor gevaarlijke ideologieën. Tegelijkertijd vinden veel moslims een poging om de islam van hogerhand te reguleren domesticerend en bevoogdend, vooral in het licht van Frankrijks twijfelachtige nalatenschap in de Arabische moslimwereld – een manier om de islam net zo lang te assimileren tot hij onzichtbaar wordt.
Er is nog een reden waarom pogingen van staatswege met scepsis worden bezien. Het belangrijkste doel, dat zelden expliciet wordt verwoord en dikwijls wordt verhuld in retorische platitudes over sociale cohesie, is duidelijk: het bestrijden van radicalisering. ‘Er wordt altijd geïmpliceerd dat een Franse islam gematigd is, en tegen terrorisme,’ zegt Olivier Roy, islamgeleerde en hoogleraar aan het European University Institute in Florence. ‘Maar wat betekent gematigdheid in het geval van een religie?’
De naar schatting zes miljoen Franse moslims – acht procent van de bevolking – vormen momenteel het middelpunt van een discussie over nationale identiteit in een land dat vasthoudt aan de laïcité, oftewel staatssecularisme, het uit 1905 daterende wetsbeginsel dat kerk en staat scheidt en bepaalt dat de staat neutraal tegenover religie dient te staan. In het recente verleden heeft deze discussie zich meer toegespitst op het bestrijden van islamistisch extremisme, en de aanslagen van afgelopen maart in de zuidelijke steden Carcassonne en Trèbes, gepleegd door een man van Marokkaanse origine die in 2004 is genaturaliseerd, hebben de publieke angst nog verder aangewakkerd.
Sinds 2013 hebben minstens zeventienhonderd Franse staatsburgers zich aangesloten bij IS in Irak en Syrië; ook achter de aanslagen waarmee Frankrijk in 2015 en 2016 werd geconfronteerd zaten Franse staatsburgers. Maar de nationale angst over de verenigbaarheid van de islam met de Franse Republiek dateert al van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen immigranten die als gastarbeiders uit voormalige Franse koloniën waren gekomen (met name in Noord-Afrika) zich permanent in Frankrijk begonnen te vestigen. Die realiteit leidde tot een reeks pogingen van staatswege om de moslimintegratie te reguleren.
‘De moslimgemeenschap is vermoeid en teleurgesteld geraakt door een opeenvolging van belachelijke en vernederende voorstellen,’ zegt M’hammed Henniche, voorzitter van het Verbond van Moslim Associaties van Seine-Saint-Denis, een departement ten noordoosten van Parijs waar de moslims in de meerderheid zijn. Hij doelt op het beleid dat de Franse islam voortdurend met de Arabische wereld in verband brengt.
De Franse Raad voor het Moslimgeloof, in 2003 opgericht door de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken Nicolas Sarkozy, is een illustratie van dat ongenoegen. Volgens een enquête uit 2016 weet nauwelijks een derde van de Franse moslims waar die raad voor staat, en een onevenredig groot aantal leiders ervan vertegenwoordigt groeperingen die gelieerd zijn aan Algerije, Marokko, Turkije, Saoedi-Arabië en Qatar. Andere organisaties onderhouden nauwe banden met Algerije, Marokko of de Moslimbroederschap.
Toch is het geen verrassing dat de Franse overheid de institutionalisering van de islam heeft uitbesteed. ‘De staat kan zich niet bemoeien met religieus beleid of religieuze kwesties,’ zegt Roy. ‘Aan de andere kant is dat precies wat Franse regeringen al dertig jaar lang proberen te doen. Het hele plan is een volstrekte contradictie, waarbij een door en door seculiere staat een plan in elkaar flanst om zijn eigen nationale islam een plaats te geven.’
Sommige van de gevaarlijkste imams zijn Frans, en preken in het Frans
Hoewel het plan om de Franse islam te reorganiseren niet nieuw is, verschilt het initiatief van Macron zowel qua omstandigheden als zienswijze van eerdere pogingen. ‘Macron trad aan in 2015, vlak na een reeks terroristische aanslagen,’ zegt Bernard Godard, van 1997 tot 2014 als islamdeskundige verbonden aan het Franse ministerie van Binnenlandse Zaken. ‘De publieke opinie ziet het organiseren van de islam als een veiligheidsnoodzaak die de zorgen van het land moet wegnemen. Maar wat dat concreet betekent weten we niet.’
Een van Macrons plannen is het stoppen van buitenlandse financiering om Franse moslimorganisaties los te weken van andere landen. Een ander voorstel behelst de opleiding van imams. Waar vorige regeringen, zoals die van Hollande, de blik richtten op bondgenoten als Marokko – ‘een islam die we kennen’, aldus Godard – heeft Macron voorgesteld imams thuis op te leiden. In lijn met het secularisme zou die opleiding over culturele waarden moeten gaan, en niet over religieuze teksten, om een generatie imams te kweken die ‘made in France’ zijn.
Maar het optuigen van een nationaal opleidingsprogramma om radicalisering tegen te gaan veronderstelt dat de imams die haat prediken uit het buitenland komen. Dat is nauwelijks het geval; stromingen als het salafisme hebben aan invloed gewonnen in Frankrijk. ‘Het is onlogisch om te zeggen dat dat door een islam uit de Maghreb of elders komt,’ zegt Godard. ‘We moeten erkennen dat er in Frankrijk een Franse salafistische islam bestaat.’ Sommige van de gevaarlijkste imams zijn Frans, voegt hij eraan toe, en preken in het Frans.
De lessen die uit het recente terrorisme kunnen worden getrokken zijn in tegenspraak met het idee dat een inherent gematigde Franse islam – als die al van bovenaf kan worden opgelegd – als een bolwerk tegen extremisme zou kunnen dienen. France academici zijn gebotst over de drijfveren voor radicalisering, maar veel wijst op de niet-religieuze ondertoon daarvan. Dat wil niet zeggen dat de islam geen rol speelt in de verspreiding van radicale ideeën. Maar de jongemannen achter de bloedbaden in Parijs of Nice waren geen vrome moslims die regelmatig een moskee bezochten, ook al doodden ze in naam van de godsdienst. De meeste aanslagplegers zijn draaideurcriminelen die regelmatig korte tijd in de gevangenis zitten, waar ze vaak aan extremistische ideologieën worden blootgesteld. Anderen radicaliseren via het internet, waar volop wordt geworven voor Islamitische Staat. Redouane Lakdim, de aanslagpleger in Carcassonne en Trèbes, past in dat profiel: hij is in 2015 en 2016 gevangengezet wegens het bezit van respectievelijk vuurwapens en drugs en men wist dat hij actief was op salafistische websites.
‘Het is een belachelijk en irrelevant idee dat als alle imams in Frankrijk een gematigde islam aanhangen er geen terrorisme meer zal zijn,’ zegt Roy, om eraan toe te voegen dat Frankrijk volgens de grondwet geen salafistische imams kan vervangen door ‘gematigde’ zonder de neutraliteit die door de wet van 1905 wordt voorgeschreven geweld aan te doen. Desondanks heeft de recente aanslag enkele politici van de oppositie ertoe gebracht een ‘verbod op salafisme’ te eisen. Het is onduidelijk wat dat zou inhouden en of het wettelijk haalbaar zou zijn, laat staan of het effectief zou zijn als maatregel tegen terrorisme.
Roy beschouwt de hardnekkige regeringsfocus op religie als ‘ideologisch’, het gevolg van een steeds verbetener laïcité waarbij religie, en de islam in het bijzonder, uit de openbare ruimte verdwijnt. Die reactionaire neiging vierde vooral hoogtij onder Hollande, wiens premier Manuel Valls de terroristische aanslagen aangreep om in naam van de nationale veiligheid met een antireligieuze agenda te komen, met name met zijn poging in 2016 om boerkini’s op stranden te verbieden.
Valls, die de islam onlangs ‘een probleem’ voor Frankrijk noemde, staat niet alleen in die opvatting. En hoewel Macron heeft geprobeerd de discussie over laïcité en islam te temperen – hij waarschuwde voor een ‘radicalisering van de laïcité’, waarin sommigen een verhulde verwijzing naar de voormalige premier en diens talrijke volgelingen zagen – is hij daarbij in de minderheid, zowel binnen zijn regering als onder het publiek. Een van de geleerden die Macron over de islam wil raadplegen, Gilles Kepel, is lid van de Printemps Républicain (Republikeinse Lente), een groep intellectuelen en journalisten ter linkerzijde die een agenda voorstaat die strookt met de ideeën van Valls.
Volgens een enquête in februari beschouwt 43 procent van de Fransen de islam als ‘onverenigbaar met de waarden van de Republiek’. Dat is minder dan de 56 procent in 2016, maar laat nog altijd zien dat de islam een splijtzwam is geworden die een hindernis vormt voor elke poging de godsdienst op een politiek aanvaardbare manier te institutionaliseren of reguleren zonder de moslims zelf van zich te vervreemden.
En daarmee komt de legitimiteit aan de orde. Hoewel het antimoslimsentiment, dat na de aanslagen in 2015 en 2016 een hoogtepunt bereikte, beduidend is afgenomen, zeggen veel moslims dat dit vooroordeel nog altijd de overhand heeft op sociaal en juridisch gebied. Als voorbeelden noemen ze een wet uit 2004 die religieuze symbolen op openbare scholen verbiedt (inclusief symbolen van andere religies dan de islam), een verbod uit 2010 op het in het openbaar dragen van een volledig gezichtsbedekkende sluier en, met ingang van januari, een verbod op religieuze kleding in het parlement. In de ogen van sommige moslims zal het idee van een van staatswege gecreëerde Franse islam een voortzetting lijken van het beleid dat ze als een assimilatiemiddel zien om de vrijheid van religieuze uitingen te belemmeren.
Franse schouders
Volgens Hakim El-Karoui, verbonden aan de denktank Institut Montaigne en een van de deskundigen die Macron wil raadplegen, zou de staat het ontstaan van een Franse islam mogelijk moeten maken zonder die zelf te creëren. Macrons plan om de Franse islam los te weken van de Arabische wereld juicht hij toe, en hij gelooft dat die zelfs nog verder zou moeten gaan: ‘Ik stel voor dat we de verantwoordelijkheid op de schouders van Franse moslims leggen die geen ander belang hebben dan dat van Frankrijk,’ zegt hij, verwijzend naar wat hij de ‘zwijgende moslims’ noemt, afkomstig uit de hogere middenklasse en de elite.
Maar dat zal misschien niet zo makkelijk zijn. ‘Veel moslims die hogerop zijn gekomen op de maatschappelijke ladder willen niet te veel in verband worden gebracht met de islam, de jihad of de banlieues, de verarmde buitenwijken van de Franse steden,’ zegt Roy.
El-Karoui, die moslim is, is er niet van overtuigd dat de ‘zwijgende moslims’ hun verantwoordelijkheid zullen ontlopen, maar erkent dat het een langetermijnkwestie is. In zijn ogen gaat het om het bestrijden van de extremistische ideologieën die de ether hebben weten te veroveren. ‘Wie heeft het op de sociale media of in het publieke debat over de islam, wie heeft het over religie? Islamitische Staat aan de ene kant, en de salafisten aan de andere,’ zegt hij. Dat is misschien wat overdreven, maar die groeperingen zijn wel de luidruchtigste, met goed geoliede pr-machines die het gestamel van andere, niet verenigde actoren overstemmen. ‘We moeten het publiek een ander verhaal over de islam vertellen,’ zegt El-Karoui. Dat zou het antimoslimsentiment en het verwarren van islam met terrorisme kunnen verminderen.
Maar het is onduidelijk of de mobilisering die El-Karoui voor ogen staat de moslims zal aanspreken die hun religieuze identiteit liever benadrukken dan afzwakken en zelfs weer religieuze symbolen zijn gaan dragen om de waargenomen discriminatie te bestrijden. Toen ik dit tegen El-Karoui zei, noemde hij de hoofddoek een symbool van het islamisme, de politieke ideologie die tot geweld heeft geïnspireerd, en niet van de islam, de godsdienst. Vrouwen die er een dragen moeten naar zijn mening erkennen dat het symbool dat ze met hun godsdienst associëren eigenlijk voor een misdadige politieke ideologie staat.
‘We proberen een godsdienst met zes miljoen aanhangers in Frankrijk te reorganiseren om te voorkomen dat tweehonderd van hen terrorist worden. Zien we dan niet hoe absurd dat is?’
Maar dat zal moeilijk te verkopen zijn. Dat de Koran niet eist dat vrouwen een hoofddoek dragen, is voor de draagsters niet per se relevant. Veel meisjes voelen zich, onder invloed van de wet van 2004, afgewezen door een restrictieve visie op wat het betekent om Frans te zijn. Linda Merzouk, een achttienjarige die dagelijks haar hoofddoek afdoet voordat ze haar middelbare school in het oosten van Parijs binnengaat, beklaagde zich in een interview over de verplichting om ‘een integraal deel [van haarzelf] thuis te laten’ en beschreef het verbod als een ‘inbreuk op de vrijheid van godsdienst’ die ‘deuren [voor haar] sluit’ in de Franse samenleving. Het idee aan de zijlijn te belanden zou de slachtofferrol die groeperingen als IS zo effectief hebben gebruikt om jongeren aan hun kant te krijgen wel eens kunnen versterken.
Voorlopig heeft Macron alleen de fundamenten gelegd. Het stoppen van buitenlandse financiering zou mosliminstituties in elk geval ten dele kunnen losweken van buitenlandse belangen. Maar als het de bedoeling is Frankrijk te beschermen tegen gewelddadige ideeën die in naam van de islam worden gepredikt, zal een standaardaanpak – vooral als die van bovenaf wordt opgelegd, met weinig aandacht voor de behoeften van de uiteenlopende Franse moslimgemeenschappen – zijn doel wel eens voorbij kunnen schieten.
Voor Roy is de zaak duidelijk. ‘We proberen een godsdienst met zes miljoen aanhangers in Frankrijk te reorganiseren om te voorkomen dat tweehonderd van hen terrorist worden. Zien we dan niet hoe absurd dat is?’ zegt hij. En hoewel hij toegeeft dat de huidige situatie onhoudbaar is, zal elke verandering legitiem moeten zijn om te kunnen slagen. ‘Het is aan de moslims om het voortouw te nemen. Het is hun historische missie.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.