Een groep IJslandse parlementariërs heeft een wetsvoorstel ingediend om het besnijden van jongens te verbieden. Moeten andere Europese landen dit voorbeeld volgen?
NEE
Onder de morele scherpslijpers van Europa is het de laatste jaren een cause célèbre geworden om de besnijdenis van jongetjes uit te bannen en religieuze vrijheden te demoniseren. Onlangs diende een groep IJslandse parlementariërs, met steun van 422 dokters, een wetsvoorstel in om joodse en islamitische ouders te verbieden hun pasgeboren zoontjes te besnijden.
Voor joodse mensen is de besnijdenis altijd een integraal onderdeel geweest van hun religie en identiteit, en dat is het nog steeds. De huidige kruistocht tegen besnijdenis komt elke jood met een minimum aan historisch besef dan ook voor als een afgezwakte variant van de aloude pogingen hun hun identiteit te ontnemen en te dwingen net als andere mensen te worden.
Leidster van de IJslandse antibesnijdeniscampagne is het parlementslid van de Progressieve Partij Silja Dögg Gunnarsdóttir. Haar recente uitlatingen laten zien dat ze absoluut niet beseft welke consequenties haar plannen hebben voor de vrijheid van joden en moslims om hun godsdienst vrijelijk uit te oefenen. Zij vond het ‘niet nodig’ om joodse en islamitische groepen over dit gevoelige thema te raadplegen. Want, zei ze; ‘ik zie het niet als een religieuze kwestie.’
Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling
Het feit dat zij het uitbannen van zo’n fundamenteel religieus ritueel niet als ‘religieuze kwestie’ beschouwt, getuigt van diepgaande culturele en historische naïviteit. De simpele waarheid is namelijk dat een eventueel verbod het joden onmogelijk zou maken om hun godsdienst nog langer in IJsland uit te oefenen.
Het voornaamste argument van de IJslandse antibesnijdeniskruisvaarders is dat ouders niet het recht hebben hun zoons te besnijden zolang die daar zelf niet expliciet mee akkoord gaan. Zij zeggen op te komen voor de rechten van deze kinderen en hen te beschermen tegen hun ouders. Maar zo’n verbod zou vaders en moeders de autoriteit ontnemen die hun toekomt.
Het gaat de IJslandse activisten om besnijdenis, maar hun bewering dat ze kinderen tegen hun ouders willen beschermen heeft implicaties voor alle moeders en vaders. Ouders krijgen steeds vaker het verwijt van zogenaamde kinderrechtenactivisten dat ze hun kinderen religieuze waarden zouden ‘opleggen’. Kinderen gaan er in deze optiek niet mee ‘akkoord’ katholiek te worden, of zich aan te sluiten bij een evangelisch kerkgenootschap. Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling.
Maar er bestaat niet zoiets als kinderrechten. Als je mensen rechten toekent, veronderstelt dat dat zij in staat zijn om die uit te oefenen. Kinderen zijn daar echter te jong voor, dus moeten welwillende buitenstaanders die rechten dan maar opeisen uit hun naam. Uiteraard kregen mensen als Gunnarsdóttir nooit toestemming van deze kinderen om uit hun naam te spreken, dus is de obsessie die de antibesnijdenisactievoerders hebben met toestemming, ongegrond.
Frank Furedi is emeritus hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Kent. Hij werd internationaal bekend met zijn studie Culture of Fear (1997) en schrijft geregeld voor Spiked en The Guardian.
1. Frank Furedi; 2. Ian Dunt.
JA
Toen bekend werd dat IJsland overwoog de besnijdenis van jongetjes te verbieden, werden zoals verwacht meteen de loopgraven betrokken. Voor islamofoben biedt zo’n verbod welkome munitie. Het stelt ze in staat om religieuze scheidslijnen te benadrukken en de islam als barbaars voor te stellen. Aan de andere kant zijn joodse en islamitische groepen oprecht woedend over het idee dat deze traditie ooit verboden zou kunnen worden.
Omdat besneden mannen zelden klagen, hebben progressieve politici het onderwerp jarenlang kunnen vermijden. Maar de waarheid is dat besnijdenis van jongetjes minder onschuldig is dan het lijkt.
Er is weinig onderzoek naar het onderwerp gedaan, maar een studie uit 1999 bekritiseerde het gebrek aan aandacht in de bestaande medische literatuur voor het ‘genot en de dynamiek van beweging, gevoel en lubricatie’ die de voorhuid ‘tijdens masturbatie, voorspel en geslachtsgemeenschap’ oplevert. Het artikel vervolgde: ‘Er is geen wetenschappelijke grond voor de aanname dat mannen die als kind besneden zijn daar tevreden mee zijn of er geen nadelige effecten van ondervinden.’ Ofwel: die aanname klopt niet, maar we praten er niet over.
Als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, zelfs tegen hun eigen familie
Besneden mannen vermijden het onderwerp meestal liever. ‘Voor een man is het erg moeilijk om erover te klagen,’ vertelt antibesnijdenisactivist Richard Duncker. ‘Ten eerste gaat het over zijn geslachtsdeel. Dan moet hij ook nog eens vraagtekens plaatsen bij de keuze van zijn ouders. Verder trekt hij zijn cultuur en de waarden van zijn religieuze gemeenschap in twijfel. En tot slot wordt hij vaak belachelijk gemaakt als hij erover begint.’
Een Deens onderzoek concludeerde dat besneden mannen niet zelden moeite hebben om een orgasme te bereiken. Bij andere enquêtes klaagden mannen over zichtbare littekens, een te korte penishuid om een prettige erectie te beleven, en pijn.
Een kind geeft voor deze ingreep geen toestemming. Het joodse geloof vereist immers dat de besnijdenis op de achtste dag na de geboorte wordt uitgevoerd; bij moslims moet het op de zevende dag gebeuren. Wanneer je je ermee bemoeit, wordt dat gezien als een onacceptabele aantasting van de religieuze vrijheid. Maar hoe zit het met de religieuze vrijheid van een kind om zelf zijn spirituele identiteit te bepalen?
Zodra iemand er uit vrije wil mee akkoord gaat, heeft de overheid er niets mee te maken. Maar als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, zelfs tegen hun eigen familie. Wanneer iemand zonder goede medische noodzaak om het even welke andere chirurgische ingreep op een baby zou uitvoeren, zouden we geschokt zijn. Maar alleen omdat deze ingreep als religieuze traditie vermomd is, vinden we het acceptabel. Dat is het geenszins. Het zou dus mooi zijn als IJsland het voortouw neemt en als eerste Europese land de besnijdenis van jongetjes verbiedt.
Ian Dunt is hoofdredacteur van Politics.co.uk en auteur van het boek Brexit: What The Hell Happens Now? Hij schrijft voor verschillende kranten en weekbladen.
Volgens uit het Vaticaan gelekte informatie zouden er voor het eerst sinds 1949 banden kunnen worden aangeknoopt tussen China en het Vaticaan. Maar columnist Lu Feng uit Hongkong vindt dat er buitensporige concessies van het Vaticaan worden geëist.
Het Vaticaan is begonnen met de publicatie van een communiqué waarin, zonder diens naam te noemen, kritiek werd geleverd op kardinaal Joseph Zen Ze-Kiun, de emeritus-bisschop van Hongkong. De kardinaal zou valse informatie hebben verspreid, verwarring hebben gesticht en polemiek hebben bedreven. Maar daarna werd er informatie naar buitenlandse media gelekt volgens welke er spoedig verbetering zou komen in de relaties met China, zoals kardinaal Zen had voorspeld. Je zou dus denken dat het Vaticaan en Beijing de komende tijd een akkoord zullen bereiken over het bestuur van de katholieke gemeenschap in China. En dat er weldra diplomatieke banden zullen worden aangeknoopt.
De regering van Taiwan, de kerk en de gelovigen moeten zich moreel voorbereiden op deze ontwikkeling, die een breuk tussen het Vaticaan en Taiwan impliceert, zoals door Beijing wordt geëist.
Volgens informanten zou het Vaticaan grote concessies hebben gedaan tijdens deze onderhandelingen met China. Het zou zich vooral bereid hebben getoond zeven bisschoppen te erkennen die door de Chinese autoriteiten (lees: de patriottische kerk, zonder banden met het Vaticaan) zelf zijn ingewijd. Het zou eveneens magister Pierre Zhuang Jianjian (88), de bisschop van Shantou, en magister Joseph Guo Xijin (70), de bisschop van Mindong, die beiden zijn benoemd en erkend door de Heilige Stoel zelf, hebben verzocht met pensioen te gaan en plaats te maken voor door Beijing benoemde prelaten. Volgens bronnen van het Vaticaan zal de Heilige Stoel een stem krijgen in de benoeming van bisschoppen in China, decennialang een belangrijk twistpunt tijdens de onderhandelingen.
Gekooide vogels
Toch geven de bronnen toe dat het beoogde akkoord tussen China en het Vaticaan verre van ideaal is en dat de situatie de komende tien of twintig jaar evengoed kan verslechteren als verbeteren: ‘We zullen gekooide vogels blijven, maar de kooi zal groter zijn. Het leed zal voortduren, maar we zullen wat meer ruimte krijgen in onze kooi.’
Waarom zou de Heilige Stoel, die heel goed beseft dat hij zich in ‘de kooi’ van de Chinese Communistische Partij (PCC) dreigt te laten opsluiten, met alle geweld zo’n onbevredigend akkoord willen nastreven? Alleen de leden van de Romeinse Curie kunnen die vraag beantwoorden. Sommigen vrezen dat het akkoord de vrijheid van gedachte en godsdienst alleen maar verder zal inperken, evenals de algehele mensenrechten in de Volksrepubliek China en zelfs in Hongkong.
Sinds het negentiende Partijcongres van vorig jaar heeft president Xi Jinping zijn toch al ijzeren greep op de macht nog verder verstevigd: niet alleen tolereert hij geen verdedigers van universele waarden meer, iets waarop met name werd aangedrongen door de PCC, hij duldt ook geen stemmen meer die zijn autoritaire bewind ter discussie stellen. Hij toont zich een pleitbezorger van ‘het Chinese model’ en wil dit model over de wereld verbreiden, zodat ontwikkelingslanden zich erdoor kunnen laten inspireren, een loopje kunnen nemen met de mensenrechten en menselijke vrijheden en een politieke dictatuur kunnen vestigen rond één man of één partij.
Als het Vaticaan er werkelijk in slaagt een akkoord te sluiten met China, zal Beijing het recht om bisschoppen te benoemen op een dienblaadje aangereikt krijgen. Op die manier zal alle onderdrukking waaraan de Chinese autoriteiten de kerk en haar gelovigen decennialang hebben blootgesteld onder het tapijt worden geveegd. Het zou een stilzwijgende acceptatie betekenen van al het geweld en de inperking van godsdienstvrijheid waarvan de Chinese bevolking al die tijd het slachtoffer is geweest (op het moment dat de communisten in 1949 de macht grepen werden de christelijke kerken gesommeerd hun banden met het ‘imperialistische buitenland’ te verbreken). Het zou niet alleen een schok zijn voor alle katholieken die ondanks de vervolging hun geloof trouw zijn gebleven, maar ook de Chinezen tot wanhoop stemmen die in de vrijheid van gedachte en godsdienst geloven. Als de Heilige Stoel zich vrijwillig laat opsluiten in de kooi van de PCC, zal deze de religieuze instellingen en de gelovigen in China nog strenger kunnen controleren. Wat de benoeming van bisschoppen en andere prelaten betreft zal de Romeinse Curie zich moeten schikken naar de wensen van de regering in Beijing en de ‘patriottische kerk’. De exegeses, de liturgie en het godsdienstonderwijs zullen erdoor getroffen worden. De leden van de Chinese clerus zullen niet langer voor rechtvaardigheid kunnen pleiten en hun gelovigen niet langer kunnen aansporen om vrijheid van gedachte en godsdienst te koesteren of zich om de allerarmsten te bekommeren.
De Heilige Stoel zal zich niet alleen laten kooien, maar bovendien meewerken aan een ware castratie van de hele katholieke kerk in China, die alleen nog maar een spreekbuis van de macht zal worden en steeds verder af zal komen te staan van de christelijke ideeën over rechtvaardigheid, vrede en naastenliefde.
Bovendien is de katholieke kerk universeel en hecht ze aan onderwijs, riten en universele waarden. Je kunt je dus afvragen waarom ze daarop in het geval van China een uitzondering zou maken, door dat land toe te staan niet aan universele beginselen te gehoorzamen en het katholicisme in een Chinese variant te veranderen, die een geheel eigen invulling geeft aan het begrip godsdienstvrijheid. Daarbij gaat het niet alleen om het ontkennen van universele waarden als de vrijheid van eredienst, maar moet vooral worden gedacht aan het Vulgaat [bijbelvertaling in Latijn] van het fameuze Chinese model, omdat daarmee de overwinning van dat model wordt erkend en China kan doen wat het wil. Stel u eens voor hoe arrogant de machthebbers in Beijing zich zouden kunnen opstellen als zelfs de katholieke kerk met haar lange verleden zich voor hen zou buigen door niet langer de universele waarden te respecteren!
Hongkong
Ook Hongkong loopt direct gevaar, want de Speciale Administratieve Regio (SAR) kan nog zo graag een bisdom willen blijven dat losstaat van die van het continent, in een toekomst waarin de SAR waarschijnlijk steeds nauwere banden met het continent opgelegd zal krijgen dreigt het bisdom daar Chinese trekjes te gaan vertonen. In dat geval zal het bisdom van Hongkong zich zelfs niet meer sterk maken voor de democratie en de mensenrechten in China. Hoe kun je dan niet beducht zijn voor zo’n akkoord?
Dit vierkleurendagblad, in 1985 gelanceerd door de zakenman Jimmy Lai, dankt zijn succes aan zijn gemeenzame stijl en zijn korte, geïllustreerde artikelen, maar ook aan zijn vrijpostige houding tegenover Beijing.
CHRONOLOGIE
1942 Het Vaticaan erkent de Republiek China.
1946 De paus benoemt een nuntius in China.
1949 Communistische overwinning in Beijing, de nationalistische regering vlucht naar Taiwan.
1952 Paus Pius XII spoort de Chinese katholieken aan zich teweer te blijven stellen tegen vervolging. Het Vaticaan knoopt banden aan met Taiwan.
1957 Oprichting van de Chinese Katholieke Patriottische Vereniging die banden met Rome verbiedt. De gelovigen die de Heilige Stoel trouw blijven zetten hun activiteiten clandestien voort en worden vervolgd.
1976 Dood van Mao. Begin van het hervormingsbeleid.
1992 Door Beijing benoemde bisschoppen worden discreet erkend door Rome.
2014 Begin van een onderhandelingsronde.
De weldoeners die in Marokko de ene moskee na de andere uit de grond stampen, kunnen beter zorgen voor meer scholen, ziekenhuizen en wegen, vindt journalist Karim Bukhari.
Ik zal me altijd dat godverlaten vissersdorp aan de Middellandse Zee blijven herinneren. Aan alles was gebrek. Aan een school, aan medische voorzieningen, aan bestrating. De mensen leefden er in een totaal isolement. Stromend water hadden ze niet, noch riolering of een vuilophaaldienst. De elektriciteit kwam van één haperende generator. In dit gehucht viel werkelijk niets te halen. Omdat er niets was. Op een kleine moskee na…
Het wonderlijke was dat de inwoners hun schamele spaarcenten bij elkaar hadden gelegd om die moskee te laten bouwen. Ze hadden minder behoefte aan een school, een gezondheidscentrum, een fatsoenlijke weg dan aan een ‘godshuis’, zoals een van hen tegen mij zei. Want daarmee verdiende elke goede gever een woning in het hiernamaals – zo stond het immers in een beroemde Hadith, ofwel overlevering van de profeet Mohammed.
Als u dit land doorkruist, zult u nooit verlegen zitten om een plek waar u kunt bidden
Dit verhaal staat niet op zichzelf. Overal in Marokko, tot in de verste uithoek, zijn er godshuizen te vinden – maar niet zo gek veel meer.
Met andere woorden: als u dit land doorkruist, zult u nooit verlegen zitten om een plek waar u kunt bidden. Mocht u echter aan iets anders behoefte hebben: grote kans dat u van een koude kermis thuiskomt.
De moskee is dus kennelijk de moeder aller prioriteiten. Dat wil zeggen, de moskee en haar belofte van zielenrust, een comfortabel leven in het hiernamaals. Dat is veel belangrijker dan de vele ‘aardse’ behoeften aan ontwikkeling, sanitaire voorzieningen en beheer van de openbare ruimte. Zo zit dat. En eigenlijk is dit niets nieuws. Duizend jaar geleden ontbrak het ook aan scholen en klinieken, maar waren er ongetwijfeld wel meer dan genoeg godshuizen. Het verschil is dat die na verloop van tijd ook dienst gingen doen als opvang voor behoeftigen, als scholen, als opleidingscentra waar mensen leerden lezen en schrijven aan de hand van de Koran.
De moskee is in de geschiedenis van de islamitische wereld altijd meer geweest dan alleen maar een ruimte om te bidden. Men volgde er ook opleidingen, leerde er over diverse wetenschappen, besprak de politieke actualiteit, vernam de laatste nieuwtjes van binnen de gemeenschap, leerde er kritisch denken… Het was een complete leefomgeving, de belangrijkste van haar tijd, een grote en veilige plek van samenkomst voor een hele gemeenschap.
Het probleem is dat er sindsdien meer dan duizend jaar zijn verstreken, waarin veel is veranderd. Beetje bij beetje zijn de moskee en andere religieuze plaatsen teruggekeerd naar hun oorspronkelijke functie: bidden. Hun overige ‘beschavende’ taken zijn overgenomen door scholen, universiteiten, verenigingen, ziekenhuizen, vakbonden, gaarkeukens, bibliotheken, culturele centra, enzovoort.
Wie heden ten dage nog een moskee wil bouwen – of dat nu is tot nut van de gemeenschap, om God dichterbij te brengen, of om een huis in het hiernamaals te verdienen – kan beter een school bouwen. Of een ziekenhuis. Een bibliotheek. Een opvangcentrum. Een bejaardenhuis. Een weg aanleggen. Dat is wat onze gulle weldoeners, zij die nog meer moskeeën bouwen dan de overheid, dienen te beseffen.
Vijftigduizend godshuizen in het hele land (volgens de officiële cijfers) met daarnaast nog vele clandestiene en tijdelijke moskeeën, alsmede vele openbare plekken (rijstroken, trottoirs) die regelmatig in bidplekken worden omgetoverd… de gebedsbehoefte is ruimschoots vervuld, men kan moeilijk anders beweren. Als de weldoeners dit nog niet weten, dan wordt het tijd dat ze dit tot zich laten doordringen – en hetzelfde geldt voor de overheid. Marokkaanse burgers hebben tegenwoordig andere noden.
Astrofysicus Guy Consolmagno is de baas van de sterrenwacht van het Vaticaan. Wetenschapsjournalist Stefan Klein van Die Zeit sprak met hem over de vraag of wetenschap en religie te verenigen zijn, het verschil tussen mens en dier, en buitenaards leven.
Als we de wereld met natuurwetten kunnen verklaren, waar blijft God dan? Wie zich bezighoudt met het ontstaan en de opbouw van het universum wordt onvermijdelijk met dit soort vragen geconfronteerd. In het lastige grens-gebied tussen weten en geloven beweegt zich de astrofysicus Guy Consolmagno. Hij is jezuïet en zwaait de scepter over de sterrenwacht van de paus in diens zomerresidentie Castel Gandolfo bij Rome, waar de telescoopkoepel al van verre is te zien. Het Vaticaanse observatorium werd in de huidige vorm in 1891 gesticht om de uitwisseling tussen wetenschap en religie te bevorderen; als internationaal onderzoeksinstituut heeft het ook een grote telescoop in de woestijn van Arizona.
Consolmagno komt uit Detroit. Hij is expert in meteorieten en doet onderzoek naar het ontstaan van de hemellichamen in het zonnestelsel. Hij heeft een lange witte baard, draagt een sweatshirt, praat snel en lacht veel. Als ik niet beter wist, dan zou ik denken dat hij een professor van een Amerikaanse universiteit in het Midwesten is.
Met ruimteobservatoria kunnen we tegenwoordig het eerste licht van het universum na de oerknal opvangen, de kosmische achtergrondstraling. De Amerikaanse astrofysicus George Smoot heeft enkele jaren geleden bij een presentatie over deze straling gezegd: ‘Als je religieus bent, dan is het alsof je oog in oog staat met God.’ Bent u dat met hem eens?
Guy Consolmagno: Smoot heeft die ervaring heel nauwkeurig beschreven. Plotseling zie je iets waarvan je nooit gedacht had het ooit te kunnen zien. Dat heeft inderdaad veel weg van een religieuze beleving.
Wat voelt u als u naar de sterrenhemel kijkt?
Dezelfde verwondering die ik als kind voelde, maar met het voordeel meer te weten. Door wat ik weet waardeer ik de dingen die ik waarneem nog meer. Ik heb zelf een kleine telescoop. Wie daardoor naar de Orionnevel kijkt, zal zeggen: wat prachtig! Ikzelf kijk echter naar de Orionnevel in de wetenschap dat daar sterren worden geboren. Met een grotere telescoop kun je zelfs de processen waarnemen die leiden tot het ontstaan van planetenstelsels. Het is vergelijkbaar met naar muziek luisteren of een zonsondergang bewonderen. De bloedrode zon is mooi en hetzelfde geldt voor de maxwellvergelijkingen die beschrijven hoe haar licht ons bereikt. Die elegantie van de natuur ervaar je echter alleen als je kennis hebt van de wetenschap erachter.
Ik begrijp wat u bedoelt, een bijna extatische verwondering over het feit dat de schoonheid van de wereld zich op zo veel terreinen aan ons vertoont.
Het simpelste woord daarvoor is ‘vreugde’. Als ik me niet goed voel, kijk ik door de telescoop. Daarna ben ik gelukkiger.
Zou u dat geluk een religieus gevoel willen noemen?
Ja. Met de nadruk op gevoel. Religie is meer dan emoties. Maar de vreugde die ik ervaar bij een blik door de telescoop of ook wanneer ik gegevens uit de computer heb geprint en plotseling iets doorzie, is vergelijkbaar met de vreugde die ik in het gebed heb beleefd.
U hebt twintig jaar als wetenschapper gewerkt voordat u jezuïet werd. Hoe bent u bij de orde gekomen?
Ik ben opgegroeid in een katholiek gezin en heb me altijd zeer op mijn gemak gevoeld bij mijn Ierse moeder en mijn Italiaanse vader. En ik had bewondering voor mijn leraren, dat waren jezuïeten. Religie was een belangrijk deel van ons leven, maar ik heb me er nooit met schuldgevoelens beladen of onderdrukt door gevoeld. Integendeel, ik geniet van de religie. De dagelijkse gang naar de mis geeft me nog altijd grote voldoening en als ik niet ga, ervaar ik dat als een gemis.
U bent gelovig uit hedonisme.
Zou ik dat woord gebruiken? Maar inderdaad, ik heb nooit dingen gedaan die ik niet leuk vond. Toen we achttien waren dronken mijn vrienden whisky. Ik vond dat naar mondspoeling smaken. Waarom zou ik die rommel drinken?
Je moet wennen aan de smaak van whisky. Net als aan de mis.
Bij de mis heeft het in elk geval voor me gewerkt. Wetenschapper werd ik omdat ik sciencefictionfan ben. Dat was ik al in mijn tienerjaren. Toen ik in Boston de bibliotheek van de Science Fiction Society in het Massachusetts Institute of Technology (MIT) zag, wilde ik per se daar studeren. In een bevlieging schreef ik me in voor geowetenschappen. Het was geweldig. Wij studenten mochten onderzoek doen en ik schreef mijn eindscriptie over de oceanen op de ijsmanen van Jupiter. Destijds, in de jaren zeventig, was dat allemaal nog speculatie. De ruimtesondes die daar in de afgelopen jaren zijn geweest, hebben mijn voorspellingen over vloeibaar water onder de ijskorsten bevestigd. Mijn verklaringen ervoor waren evenwel onjuist. Toen ik naar de dertig liep, haalde ik geen voldoening meer uit onderzoek. Ik vroeg me af: wat ben je eigenlijk aan het doen met je leven? Hoe kun je je het hoofd breken over manen van Jupiter als mensen op aarde verhongeren?
En tot welke conclusie kwam u?
Ik nam ontslag bij het MIT en meldde me aan bij het Peace Corps, dat Amerikaanse vakmensen naar andere landen stuurt. Ik ging naar Nairobi om les te geven in astronomie, maar ik had wel gedacht praktischer bezig te zullen zijn voor de armen. In het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten kijken. Ze ervoeren natuurlijk precies die vreugde waarover we zojuist spraken. Toen begreep ik dat de vreugde om het universum te zien alle mensen verenigt.
In het weekend trok ik met mijn kleine telescoop door afgelegen dorpen. En de mensen daar, die nauwelijks in hun primaire levensbehoeften konden voorzien, waren verrukt als ze door het oogglas mochten kijken
Omdat we zien dat we deel uitmaken van een groter geheel. Ik denk dat daar een diep verlangen achter schuilgaat: we willen weten wie we eigenlijk zijn en waar we vandaan komen. Veel mensen hopen een antwoord te krijgen in de religie, anderen zoeken dat in de wetenschap.
Een vriend van mij zoekt de verklaring daarvoor in de omvang van onze hersenen. Kennelijk zitten daar delen in die meer willen dan alleen maar dat er de volgende ochtend genoeg te eten is. En ja, u kunt het verlangen toeschrijven aan het bewustzijn van onszelf, op wat de grote filosofen de menselijke ziel noemden. Ik zou dat gevoel omschrijven als de vreugde om dicht bij God te zijn. Maar ik probeer dat niet te verklaren. Ik observeer de vreugde alleen maar en neem die serieus. Ze hoort bij het menselijk leven. Met die gevoelens onderscheiden we ons van weldoorvoede runderen.
Maar dat is niet de reden dat u jezuïet bent geworden.
Nee. Nadat ik na twee jaar was teruggekeerd uit Kenia heb ik een paar jaar lesgegeven aan een Amerikaans college. Ik was gelukkig. Maar toen liep mijn relatie op de klippen en werd me duidelijk dat een gezin hebben niet strookt met mijn persoonlijkheid. De tijd leek me rijp om toe te treden tot de orde. Hier kan ik het onderzoek doen dat ik altijd al wilde doen en tegelijkertijd mijn geloof beleven.
U zag geen contradictie in het als wetenschapper afleggen van de kloostergelofte?
Waarom zou dat moeten?
Omdat een wetenschapper alleen gebonden zou moeten zijn aan kennis. Als jezuïet hebt u uw kerk echter onvoorwaardelijke gehoorzaamheid gezworen. ‘Wat in mijn ogen wit lijkt te zijn, beschouw ik als zwart als de hiërarchische kerk dat zo beslist,’ heeft Ignatius, de stichter van uw orde, geschreven. Niet bepaald een heel wetenschappelijke instelling.
Een metafoor. Hopelijk.
Waarom denkt u dat Ignatius dat niet zo heeft bedoeld?
U moet die zin in zijn context zien. Wij jezuïeten hebben altijd al de naam gehad rebels te zijn. Maar rebellie en overgave zijn niet in strijd met elkaar. Het een brengt het ander met zich mee.
Soms.
In mijn geval is er geen sprake van tegenstrijdigheid. Onze missie bij het Vaticaanse observatorium is heel eenvoudig om goede wetenschap te bedrijven. Niemand geeft ons opdracht waarnaar we onderzoek moeten doen en met welke resultaten.
In 1996 bent u voor de sterrenwacht van de paus in Antarctica geweest om naar meteorieten te zoeken.
Ja. Meteorieten bieden informatie over de geschiedenis van het zonnestelsel. Maar de meeste meteorieten die op aarde terechtkomen worden niet als zodanig herkend. De mensen denken dat het doodgewone stenen zijn en op een gegeven moment verdwijnen ze in de bodem. Maar in Antarctica beweegt het ijs zich vanuit het midden naar de rand van het continent, waar het smelt. Daarbij komen meteorieten tevoorschijn die duizenden jaren geleden zijn ingevroren. Je hoeft alleen maar je ogen open te houden: de zwarte stenen die zich tegen het blauwe ijsoppervlak aftekenen, zijn meteorieten.
Hoe lang bent u in die ijswereld geweest?
Maanden. Meestal waren we met z’n zessen, telkens twee onderzoekers in een tent. Elke ochtend reden we met de sneeuwmobiel verder naar een ander gebied. Als je langere tijd in zo’n kale omgeving doorbrengt, verandert je waarneming. Kleuren worden intenser, geuren worden krachtiger. Je begint zelfs de lucht te proeven. Hoewel je je een vreemde voelt in die natuur besef je dat ook die bij onze wereld hoort. En dat het universum veel rijker en gecompliceerder is dan we ons voorstellen.
Heb je nog behoefte aan religie als je dat soort ervaringen in de natuur hebt?
Ik wel. Ik had een plastic doosje met geconsacreerde hosties bij me. Elke nacht om twee uur nam ik er eentje en sprak een gebed uit. Voor mij was het in die volledige afzondering zelfs nog belangrijker om verbinding te zoeken, mezelf eraan te herinneren dat de wereld groter is dan onze drie tenten.
Omdat ik altijd wakker word rond dat uur. En omdat ik niet wilde dat mijn reisgenoten het zouden meekrijgen. Wat ik deed was te belangrijk en te intiem. Wie in die mate op elkaar is aangewezen, zoals wij dat waren, kan het best al het persoonlijke overboord zetten.
Uw collega’s in de tent zouden u waarschijnlijk ook niet hebben begrepen. Ik ken maar heel weinig wetenschappers die religieus zijn.
Die ervaring deel ik niet. Normaal gesproken schrikken wetenschappers ervoor terug om over religie te spreken. Maar toen ik toetrad tot de orde vertelden veel collega’s me over hún geloof. Wetenschappers zijn even religieus als andere mensen.
Onderzoeken leiden tot een andere conclusie. In de VS gelooft bijvoorbeeld bijna 90 procent van de bevolking in God, maar slechts 30 procent van de hoogleraren. En van de geleerden die vanwege bijzondere prestaties in de Amerikaanse Academie van Wetenschappen zijn gekozen, is zelfs maar 7 procent religieus.
Ik denk dat wetenschappers de vraag bij dergelijke onderzoeken anders interpreteren dan andere mensen, niet of ze geloven maar of ze regelmatig bidden en naar de kerk gaan. Zo komt u natuurlijk op lagere percentages. En de Academie is een verzameling oude mannen. Wie in zo’n instituut wordt gekozen, heeft buiten zijn research nooit een leven gehad.
Wat mij betreft is er een veel voor de hand liggendere verklaring voor deze cijfers. De wetenschappers zijn niet gelovig omdat de religie hun niet plausibel voorkomt. De kerk verkondigt een leer die meer dan tweeduizend jaar geleden is ontstaan, in een heel andere wereld. En dat doet ze bovendien nog in een taal die geen mens meer begrijpt. Toen het Oude Testament werd geschreven, dacht men dat de aarde plat was. En men kon zich geen andere voorstelling maken dan dat een hoger wezen de mensen op de wereld had gezet. Tegenwoordig hebben we betere verklaringen.
Maar ook een rijkere theologie. In Babylon, waar het scheppingsverhaal van het boek Genesis zijn oorsprong vindt, dachten de mensen dat de aardschijf werd begrensd door gebergten en dat daaroverheen een firmament was gespannen. Men vroeg zich af wat daarachter zou zijn. Tegenwoordig weten we dat de horizon, waar we niet achter kunnen kijken, miljarden lichtjaren verwijderd is.
Zo’n horizon is er omdat het licht uit nog verder verwijderde delen van de ruimte sinds de oerknal niet genoeg tijd heeft gehad om ons te bereiken. Maar daarachter gaat het heelal verder. We kunnen alleen niet weten hoe het er daar uitziet.
We moesten astronomie bedrijven om daarachter te komen. In elk geval houdt de vraag wat er aan de andere kant van de horizon is ons nog altijd bezig. Die vraag is er alleen maar fascinerender op geworden. Er wordt vaak gezegd dat wij astronomen met onze telescopen naar de laatste antwoorden zoeken. Dat is niet zo. In werkelijkheid geven we de aanzet tot het stellen van filosofische vragen.
Hoe nuttig zijn geloofsbegrippen uit een tijd waarin de mensen dachten dat de wereld in zeven dagen is geschapen?
Ik geloof niet dat we te maken hebben met nieuwe vragen. We zien de oude vragen alleen op een nieuwe manier. Het boek Genesis verhaalt niet over wetenschap, want die was er toen nog niet. Maar alles wat er over de schepping in de Bijbel staat, heeft één thema gemeen: het universum is het werk van een bovennatuurlijke god die deze wereld wilde en liefheeft. Dat is een diepzinnige overweging die overeind blijft, ook al breidt onze kosmologische kennis zich uit.
Eens. In een wereldse taal zou ik die gedachte als volgt uitdrukken: het universum is in beginsel goed. Maar een dergelijk geloof heeft helemaal niets te maken met wat we over het ontstaan van de kosmos kunnen ontdekken.
Een ander voorbeeld: in de oudheid vermoedde men de aanwezigheid van monsters op de onbekende continenten aan de andere kant van de oceanen. Natuurlijk weten we nu dat die monsters er niet zijn. Maar in de afgelopen jaren zijn er wel bijna duizend planeten in andere zonnestelsels ontdekt. En het zou heel, heel merkwaardig zijn als niet op enkele van deze exoplaneten intelligente wezens wonen. Hoe denken die schepsels over de grote vraagstukken? Welke ideeën hebben zij over de reden van hun bestaan en het ontstaan van het universum? Dan kijk ik naar mijn religie en besef dat de wereld niet alleen maar uit de mensheid bestaat.
Als ik me goed herinner, spelen andere schepsels van de natuur nauwelijks een rol in de Bijbel.
De christenen in de middeleeuwen geloofden in elk geval helemaal niet dat de mensheid het middelpunt van alles vormde. Die fout hebben de humanisten pas veel later gemaakt.
Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven
In de Middeleeuwen geloofden de mensen in engelen. Die wilt u toch niet gelijkstellen met buitenaardse wezens?
Wie zich een voorstelling kan maken van engelen, heeft geen problemen met buitenaardse intelligentie.
Ik heb nooit echt begrepen wat het woord ‘god’ eigenlijk betekent.
Er zijn veel voorstellingen van God, verkeerde en zelfs gevaarlijke voorstellingen. Een aanzienlijk deel van het christelijk geloof bestaat erin te beseffen dat er ontelbare versies van God zijn waarin je niet kunt geloven.
En waarin kunt u geloven? Laten we het met een betekenis proberen waarover we het misschien eens kunnen worden: ‘god’ is de oorzaak van alles. Het woord is een omschrijving van de onbeantwoordbare vragen waarom de wereld bestaat en waarom die is zoals hij is.
Eens. Maar voor mij is het meer dan dat. De God die verantwoordelijk is voor de supernova’s en de natuurwetten hóúdt ook van mij.
Waarom zou hij uitgerekend in u geïnteresseerd zijn? Of in mij?
Tja, waarom vinden mijn vrienden me leuk? Als ik daarvoor een lijst van argumenten moet opstellen, ben ik verloren. Eigenlijk zijn er geen redenen. Desondanks is de vraag beslist niet triviaal. De liefde komt voor al het andere.
Gevoelens zijn menselijke emoties. Ik vind het moeilijk te begrijpen hoe je zoiets kunt toekennen aan een oergrond van het universum. Wilt u ook beweren dat God een wil heeft en handelend optreedt?
Ja.
Alsof hij een persoon is? De gedachte dat achter de laatste onbeantwoorde vraag uitgerekend een wezen met menselijke trekken schuilgaat, lijkt me zachtjes uitgedrukt onwezenlijk.
Onwezenlijk, ja. Zelfs wonderbaarlijk: God verricht wonderen. Maar dat vind ik niet ongelooflijk.
Dan moeten we maar eens een wonder tegen het licht houden. Gelooft u in de opstanding van het vlees?
Ja. Als het eenmaal gebeurd is, dan kan het opnieuw.
Wat doet u aannemen dat Jezus na zijn dood fysiek is opgestaan?
De mensen die de Verrezene hebben gezien, geloofden er zo heilig in dat ze liever zouden sterven dan die gebeurtenis te verloochenen.
Hebt u een verklaring voor het fenomeen?
Natuurlijk niet.
En als ik zeg dat ik mensen heb ontmoet die bij hun leven zweren dat ze een werkend perpetuum mobile hebben gezien, zou u dat geloven?
Nee. De opstanding gaat samen met alles wat ik verder over God weet. Het perpetuum mobile daarentegen is onverenigbaar met alles wat ik over machines weet.
Zowel de opstanding als het perpetuum mobile zijn onverenigbaar met alles wat we over de natuurwetten weten.
Inderdaad. Beide zijn in tegenspraak met het natuurwetenschappelijke model dat we van het universum hebben. Dus kloppen ofwel de data of het model niet.
Welke data?
De getuigenissen van de mensen die de Verrezene en naar u beweert het perpetuum mobile hebben gezien. Nu gaat u me natuurlijk vragen waarom ik in het ene geval de getuigenissen wel geloof en in het andere niet.
Of waarom u in de opstanding gelooft, maar niet in het scheppingsverhaal zoals het in de Bijbel staat.
Omdat er niet zomaar iemand is opgestaan en omdat de getuigen met hun leven instonden voor de waarheid van hun verklaring. En vooral omdat de opstanding de kern vormt van een hele theologie die het universum zinvol maakt en omdat die mij waarachtig in de oren klinkt.
Ik wil graag geloven dat de discipelen Jezus na de kruisiging echt hebben gezien. Ze moeten in een enorme shock hebben verkeerd en hallucinaties na een traumatische ervaring zijn een bekend verschijnsel. Ook ik vind dat de opstanding een krachtig verhaal is, maar ik kan dat verhaal niet letterlijk opvatten. Ik lees het als een parabel die laat zien hoe het goede soms op verbazingwekkende wijze de haat en het geweld overwint. Zoals ook u Genesis figuurlijk en niet letterlijk opvat.
Maar wat is dan het verschil tussen uw lezing en de mijne? Het komt op het volgende neer: als de opstanding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, dan mogen ook wij die verwachten. En als God tegen mij zegt dat er een eeuwig leven is, dan zeg ik geen nee.
Twijfelt u wel eens aan uw geloof?
Natuurlijk. Een religieus leven zonder twijfel bestaat niet. Maar ik twijfel niet vaak. In wezen ligt het aan mijn hedonisme. Ik vraag me dan af wat ik eraan heb als ik afstand doe van mijn geloof.
Eerlijkheid. Waarheid is niet iets wat ik zo wil draaien dat het me het best uitkomt.
Goed. Maar dan moet u me eens vertellen waarom u zo veel waarde hecht aan de waarheid dat u er geen afstand van wilt nemen. Ik zou zeggen dat u ook daarmee een religieus besluit hebt genomen.
De kritiek op Facebook zwelt aan. Uitgevers, politici en antitrustwaakhonden vinden dat het sociale netwerk te veel macht krijgt. Oprichter Mark Zuckerberg reageerde met een zesduizend woorden tellend manifest. Maar misschien is zijn kindje hem wel boven het hoofd gegroeid, schrijft New York Magazine. ‘Facebook is zo groot en veelomvattend geworden dat we er met ons verstand niet meer bij kunnen.’
Mark Zuckerberg was net terug van vaderschapsverlof en wilde iets zeggen over Facebook, democratie en verkiezingen, en over wat zijn geesteskind terug kon doen voor de hegemonie die de wereld het had geschonken. Een paar weken eerder, begin september, had zijn chef veiligheid toegegeven dat Facebook voor 100.000 dollar aan advertenties had verkocht aan trollen gelieerd aan het Kremlin die de Amerikaanse verkiezingen probeerden te beïnvloeden. Op 21 september sprak Zuckerberg zijn volgers live toe in een videoboodschap waarvan de tekst ook op zijn Facebookpagina werd geplaatst. Hij beloofde meer middelen uit te trekken voor de Facebookteams die verantwoordelijk zijn voor de beveiliging en voor het eerlijke verloop van verkiezingen, om zo ‘het democratische proces proactief te versterken’.
Als concrete maatregel kondigde hij aan dat ‘politieke reclame transparanter moet zijn’. Binnenkort moet op Facebook bij elke politieke advertentie vermeld worden ‘welke pagina’ ervoor betaalt (‘Ik ben Epic Fail Memes en ik sta achter deze boodschap’). Ook zal elke advertentie voor iedereen te zien zijn, waarmee feitelijk een eind komt aan wat wel dark advertising wordt genoemd: ‘gesponsorde’ Facebookberichten die alleen bij specifieke doelgroepen op de tijdlijn verschijnen. Zuckerberg trok een vergelijking met oude media als radio en tv, waar ook altijd wordt vermeld wie er voor een politiek spotje heeft betaald. ‘We gaan de lat voor transparantie op Facebook nog hoger leggen’, schreef hij.
Die belofte was tot op zekere hoogte strijdig met de aankondiging eerder die dag van een aantal nieuwe instrumenten waarmee bedrijven hun advertenties specifiek kunnen richten op Facebookgebruikers die een winkel hebben bezocht. We zijn het al gewend om na één bezoekje aan een schoenensite wekenlang te worden bestookt met advertenties voor schoenen; datzelfde kan je voortaan overkomen als je gewoon naar de schoenwinkel om de hoek bent geweest. Dus terwijl Facebook de offlinewereld nog verder in zijn netten wil verstrikken, probeert Zuckerberg met zijn belofte van transparantie iedereen gerust te stellen dat het bedrijf zich wel aan de offline- politieke orde onderwerpt.
Dat is een lovenswaardig streven. Maar toen ik de verklaring las, bleef ik haken aan één zinnetje: ‘We hebben ons ingezet voor een eerlijk verloop van de Duitse verkiezingen dit weekend.’ Een geruststellende mededeling die duidelijk maakt dat Zuckerberg en Facebook het vertrouwen in het systeem willen herstellen. Maar… het is geen taal die je verwacht van een mediaorganisatie, zelfs niet van een heel grote. Dit is de taal van regeringen of politieke partijen of ngo’s. Een particulier bedrijf dat zich eenzijdig inzet voor een eerlijk verloop van verkiezingen in een land waar het niet eens gevestigd is? Ik kan eigenlijk maar twee andere bedrijven bedenken van wie je zo’n mededeling zou kunnen verwachten: Diebold, de verguisde fabrikant van ondeugdelijke elektronische stembussen, en Academi, voorheen Blackwater, het huurlingenbedrijf waarvan de oprichter maar blijft zeggen dat hij Afghanistan zo graag zou runnen. Geen respectabel gezelschap.
Duizelingwekkende omvang
Wat is Facebook? Je kunt het over de omvang hebben. Het aantal gebruikers is groter dan de bevolking van welk land dan ook, groter zelfs dan van ieder werelddeel, op Azië na. De groep ‘maandelijks actieve Facebookgebruikers’ is met twee miljard mensen zelfs de op een na grootste deelverzameling mensen op aarde (afgezien van indelingen naar biologische kenmerken): alleen de verzameling christenen is groter. En met zijn gestage groei, die al jaren 17 procent bedraagt, kan Facebook nog voor het eind van dit jaar ook die groep in omvang voorbijstreven en volgend najaar twee derde van de hele wereldbevolking omvatten. Buiten China, waar de site sinds 2009 verboden is, wordt er van elke vijf minuten op internet één doorgebracht op Facebook. In landen waar pas sinds kort grote aantallen mensen op internet zijn aangesloten, zoals Myanmar en Kenia, is internet min of meer synoniem met Facebook.
Maar net als bij het internet zelf is de duizelingwekkende omvang van Facebook eigenlijk niet te bevatten – niet alleen het aantal gebruikers, maar ook de onafzienbare verscheidenheid aan activiteiten en functies, van simpele herinneringen aan verjaardagen tot de bescherming van de liberale democratie. Als ik door de berichten scrol en overweeg om me aan te sluiten bij een discussiegroep voor mensen die denken dat de aarde plat is, is het bijna onbegrijpelijk dat dit dezelfde site is waarvan het Congres de directie wil horen over hun rol in de presidentverkiezingen. Of dat de site die ik gebruik om vrienden voor een feestje uit te nodigen ook de inzet is van een internationale rel over het verdoezelen van de etnische zuivering van de Rohingya in Myanmar.
Facebook is zo groot en alomvattend geworden dat we er met ons verstand niet meer bij kunnen. Het is net een vierdimensionaal lichaam waarvan we alleen iets ontwaren als het onze driedimensionale wereld doorsnijdt. In de ene context lijkt het net een tv-zender, in de andere een ngo. John Lanchester schreef onlangs in de London Review of Books dat het bedrijf wel pretendeert de wereld te verbinden, maar in feite vooral bestaat om gebruikersdata te verzamelen die het aan adverteerders kan verkopen. Dat mag zo zijn, maar het verdienmodel zegt niet alles over de wijze waarop Facebook de wereld vormgeeft. Het afgelopen jaar heb ik vergelijkingen met de meest uiteenlopende verschijnselen gehoord, en ik had vaak het gevoel dat er nog tientallen andere parallellen te trekken zijn. Ik hoorde bestuurlijke metaforen (Facebook is als een staat, de EU, de katholieke kerk, de Verenigde Federatie van Planeten uit Star Trek) en zakelijke metaforen (een spoorbedrijf, een winkelcentrum), materiële metaforen (een dorpsplein, een snelweg, een elektriciteitsnet) en economische (een Speciale Economische Zone, een Gosplan). En tegenover elk helder en concreet beeld stond ook weer een vage en vergezochte vergelijking: een onzichtbare Oude God. Een eskader aliens dat de wereld verovert.
Dat we niet goed snappen wat Facebook is, heeft reële gevolgen. Koning-keizer-kardinaal Zuckerberg lijkt zelf ook te zijn overrompeld door de rol die Facebook het afgelopen jaar in de wereldpolitiek kreeg. Hoe kunnen wij er dan gerust op zijn dat Facebook inderdaad de democratie zal beschermen? Moeten wij niet eerder de democratie beschermen tegen Facebook?
Als je iets in het leven hebt geroepen dat een kruising is van staat, kerk, spoormaatschappij, winkelcentrum en kolonie van aliens, en je wilt die nieuwe entiteit doorgronden en uitbreiden, dan moet je met je burgers/gelovigen/passagiers/klanten/onderdanen gaan praten
Het duidelijkste symptoom van deze verwarring over de maatschappelijke rol van Facebook, en daarmee van Zuckerberg, was het gerucht dat hij een gooi naar het presidentschap wil doen. Zuckerberg stelt zich elk jaar een ‘persoonlijke uitdaging’, een soort nieuwjaarsvoornemen in miljardairsstijl, waarover hij in de loop van het jaar updates op zijn Facebookpagina plaatst. Die nauwkeurig uitgedachte en uitgevoerde voornemens zijn het enige wat zijn volgers ooit van zijn zorgvuldig afgeschermde privéleven zullen zien. In de commentaren onder zijn statusupdates verdringen ze zich als de massa’s bij Buckingham Palace om de baas van Facebook te prijzen, aan te moedigen en tekeningen van hem te uploaden.
Dit jaar heeft Zuckerberg zichzelf de uitdaging gesteld om te gaan praten met mensen in alle staten van de VS waar hij nog nooit is geweest. De eerste staat waar hij kwam was Texas, in januari. Sindsdien heeft hij nog 24 andere staten bezocht. Hij blijft categorisch ontkennen dat hij warmdraait voor een verkiezingscampagne. En afgaande op wat ik hoor van diverse mensen die hij op deze uitstapjes heeft ontmoet, en van strenge Facebookvorsers, neig ik ertoe om hem te geloven. Hij beperkt zich tot gesprekken in kleine kring of onaangekondigde bezoekjes. Geen toespraken, geen grote zalen, geen kusjes voor kinderen. Hij doet geen beleidsvoorstellen en mengt zich hoogst zelden en op bescheiden toonhoogte in politieke discussies.
Toch hebben die uitstapjes wel iets weg van een campagne – in ieder geval van het soort ‘luistercampagnes’ die politici soms organiseren om, voordat ze zich kandidaat stellen, kiezers ervan te overtuigen dat ze het hart op de juiste plaats hebben.
Tot op zekere hoogte is die speculatie in de media natuurlijk zijn eigen schuld. Hij koos er zelf voor om zich te laten fotograferen terwijl hij zat te eten of naar machines stond te staren. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat die onophoudelijke speculatie ook een symptoom is van ons onvermogen om Facebook te doorgronden. Als Zuckerberg zichzelf klaarstoomt voor het presidentschap, is Facebook gewoon een groot en bekend bedrijf met een directeur die politieke ambities heeft binnen het herkenbare politieke kader van de Amerikaanse democratie. Maar als Facebook groter, nieuwer en ondoorgrondelijker is dan een gewoon bedrijf, is deze tournee ook groter, nieuwer en ondoorgrondelijker dan een gewone presidentscampagne. Misschien is het een vorm van onderzoek en ontwikkeling, komt hij kijken hoe onze menselijke verhoudingen in elkaar steken, zodat Facebook daar beter op kan inspringen. Misschien is Facebook een kerk en komt Zuckerberg de mensen zijn zegen geven. Misschien is Facebook een staat binnen de staat en is Zuckerberg zijn grenzen aan het inspecteren. Misschien is Facebook een opkomende politieke gemeenschap en wil Zuckerberg de banden met zijn achterban aanhalen. Misschien is Facebook een politiestaat en Zuckerberg een dictator op een propagandatournee. Misschien is Facebook een parallelle macht, een netwerk dat naast de Amerikaanse overheid zijn werk doet en die overheid beconcurreert, en wil Zuckerberg zijn greep op die macht verstevigen. Misschien is Facebook een eskader buitenaardse ruimteschepen dat de wereld gekoloniseerd heeft en wil onderkoning Zuckerberg zijn onderdanen voor zich winnen.
Of misschien is het allemaal veel simpeler: als je een bedrijf hebt en je wilt dat verbeteren, moet je met je klanten gaan praten. Als je iets in het leven hebt geroepen dat een kruising is van staat, kerk, spoormaatschappij, winkelcentrum en kolonie van aliens, en je wilt die nieuwe entiteit doorgronden en uitbreiden, dan moet je met je burgers/gelovigen/passagiers/klanten/onderdanen gaan praten.
Zuckerbergs tournee was het meest in het oog springende onderdeel van een bedrijfsbreed zelfonderzoek dat al snel na de presidentsverkiezingen op gang kwam. Facebook ging bij zichzelf te rade na de felle kritiek in de media op de lakse manier waarop het met de stortvloed aan ‘nepnieuws’ was omgesprongen. Aanvankelijk vond Zuckerberg niet dat het bedrijf hierin een eigen verantwoordelijkheid droeg. Twee dagen na de verkiezingen zei hij op een conferentie tegen een volle zaal: ‘De gedachte dat nepnieuws op Facebook, een miniem deel van de totale content, de verkiezingen op enige wijze zou hebben beïnvloed, vind ik persoonlijk nogal belachelijk.’ Enkele dagen later legde hij op Facebook uit waarom er geen drastische maatregelen tegen desinformatie werden genomen: ‘Op dit vlak moeten we volgens mij heel voorzichtig zijn. Het is altijd lastig om te zeggen wat “de waarheid” is.’ Facebook heeft van oudsher altijd geweigerd het waarheidsgehalte van gebruikersberichten te beoordelen. Het wilde zichzelf graag zien als een liberaal instituut in de klassieke zin, dat alle ruimte geeft aan een open en vrij debat – zolang je maar geen foto’s plaatst waarop een tepel te zien is.
Die bewust liberale houding kon kritiek niet voorkomen. Facebook heeft onmiskenbaar een rol gespeeld in de verkiezingen. Tussen 23 maart 2015 (toen Ted Cruz zich kandidaat stelde) en november 2016 hebben 128 miljoen Amerikaanse gebruikers bijna tien miljard statusupdates, gedeelde berichten, likes en commentaren over de verkiezingen geproduceerd. Ter vergelijking: er gingen in totaal 137 miljoen mensen naar de stembus. Maar wat gepresenteerd werd als een democratisch platform, zo open als een dorpsplein, bleek in feite een hecht weefsel van parallelle media-ecosystemen en politieke infrastructuren, waarop de reguliere media noch de politieke partijen enige greep hadden en dat als een sloopkogel door het politieke landschap raasde.
Zuckerbergs toer door de VS. 1. Januari: Dallas, Texas, 2. April: Blachardville, Wisconsin, 3. April: Dearborn, Michigan, 4. Juli: Piedmont, South Dakota, 5. Williston, North Dakota, 6. Juli: Alaska, 7. September: Philadelphia, Pennsylvania.
Niet alleen het geschrokken media-establishment stoorde zich aan de schijnneutraliteit van Facebook. Ook binnen Facebook zelf begon het te gisten. Eind november vorig jaar maakte BuzzFeed melding van een geheime ‘taakgroep’ die binnen het bedrijf op eigen initiatief probeerde het probleem van desinformatie aan te pakken. Minstens zo opzienbarend als het bestaan van die taakgroep was het feit dat BuzzFeed er lucht van kreeg. Onenigheid binnen Facebook is zeldzaam, het lekken van kritische geluiden is er helemaal ongehoord. Maar het mantra van de neutraliteit volstond duidelijk niet meer. Al snel plaatste Zuckerberg een statusupdate waarin hij maatregelen tegen desinformatie beloofde, en een maand later volgde de eerste van een reeks updates die daarvoor moesten zorgen.
‘Facebook is een nieuw soort platform. Het is geen traditioneel technologiebedrijf. Het is geen traditioneel mediabedrijf,’ zei hij in een videochat met zijn directeur Sheryl Sandberg. ‘We voelen ons verantwoordelijk voor de manier waarop het wordt gebruikt.’ En toen lanceerde hij in januari zijn ‘persoonlijke uitdaging’. Daarbij sprak hij van het ‘tumultueuze jaar’ 2016. Dat was het eerste teken dat hij zelf ook was geschrokken van de verkiezingsuitslag. Hij gaf zijn eigen analyse van de wereldwijde politieke situatie. ‘Al decennialang maken technologie en globalisering de wereld productiever en hechter verbonden’, schreef hij. ‘Dat heeft veel voordelen opgeleverd, maar heeft het leven voor veel mensen ook moeilijker gemaakt. Het heeft geleid tot een grotere verdeeldheid dan ik ooit in mijn leven heb ervaren.’
Een opmerkelijke bekentenis van de baas van Facebook: jarenlang heeft Zuckerberg betoogd dat Facebook ‘meer openheid en verbinding in de wereld’ wilde brengen, zoals hij bij de beursgang in 2012 nog aan beleggers schreef. Nu liet hij doorschemeren dat de door Facebook gefaciliteerde ‘openheid en verbinding’ ook vreemde en gevaarlijke gevolgen kon hebben. In dat bericht in januari legde Zuckerberg de schuld nog steeds niet bij Facebook, maar hij erkende wel dat er schade was toegebracht aan de liberale politieke orde én aan Facebooks imago. Zijn tournee moest deze griezelig grote nieuwe macht in het Amerikaanse leven een menselijk gezicht geven. En Zuckerberg aan ideeën helpen over de wijze waarop Facebook zijn macht het best kon inzetten.
Bomen planten
Op 16 januari, Martin Luther Kingdag, waren leerlingen van de Talented and Gifted Magnet School in Dallas bezig een volkstuin aan te leggen toen Zuckerberg langskwam. De man die het internet en daarmee de wereld had veranderd, was naar Texas gekomen om bomen te helpen planten. (Nou ja, strikt genomen was hij in Dallas om een verklaring af te leggen in een rechtszaak tegen dochterbedrijf Oculus. Maar je wordt geen miljardair als je niet leert om met zo’n reisje twee vliegen in één klap te slaan.) ‘Wij hadden allemaal zoiets van: wat doet die hier? Het is Martin Luther Kingdag,’ grapte een van de kinderen later. Maar hij heeft drie uur samen met de scholieren in de aarde gewroet. ‘Hij trok zijn handschoen uit en stak zijn hand uit en zei: “Hallo, ik ben Mark”, alsof ik dat niet wist. Hij was heel spontaan en bescheiden, dat vond ik wel fijn,’ zei een andere leerling. Zuckerberg ging ook voor het eerst van zijn leven naar de rodeo, met burgemeester Betsy Price van Fort Worth, die hem een cowboyhoed gaf (ook de eerste van zijn leven), en hij sprak met politieagenten. Op de avond van zijn vertrek plaatste hij een statusupdate waarin hij, bijna als een koloniale socioloog, probeerde te formuleren wat hij had gezien: ‘In veel opzichten heb ik nog steeds geen helder beeld van Texas. Dit is een complexe staat, en alle mensen hier zijn veelgelaagd – als Amerikaan, als Texaan, als lid van hun lokale gemeenschap en gewoon als individu.’
Maar al had hij geen helder beeld gekregen, hij was blijkbaar toch geïnspireerd geraakt, want een maand later plaatste hij een essay van zesduizend woorden op zijn Facebookpagina. Dat stuk, ‘Building Global Community’, is de uitgebreidste formulering van zijn kijk op de huidige politieke situatie, en de duidelijkste uitleg van wat in zijn ogen het doel van Facebook moet zijn. Net als het Communistisch Manifest begint zijn tekst met een theorie van de geschiedenis, ofwel ‘het verhaal van hoe we in steeds groteren getale bij elkaar komen – van stammen tot steden en naties’. Die groeiende schaal van menselijke interactie blijft zich verder ontwikkelen en ‘nu zijn we’, aldus Zuckerberg, ‘dicht bij de volgende stap’. Hij is niet zo dom om te zeggen dat Facebook de ‘volgende stap’ is die op de Vrede van Westfalen moet volgen. Nee, hij schrijft dat ‘de vooruitgang’ dicteert dat we ‘een wereldgemeenschap’ vormen, een global community. En goh, dat is nou grappig: toevallig bestáát er al zo’n wereldgemeenschap, namelijk Facebook.
Rond die tijd begon Facebook de leiders van de ‘meest betrokken’ gebruikersgroepen op dezelfde manier te paaien als het met adverteerders en app-ontwikkelaars doet: door ze uit te nodigen voor maandelijks topoverleg en middelen voor hen beschikbaar te stellen. En in juni, vijf maanden na de publicatie van zijn manifest (dat hij nu, misschien bang om ergens op te worden vastgepind, ‘die lap tekst’ noemt), maakte Zuckerberg bekend dat de missie van Facebook werd bijgesteld. Die luidt nu officieel dat het ‘de wereld in staat wil stellen een gemeenschap te vormen en mensen nader tot elkaar te brengen.’ Volgens Kate Losse, een Facebookmedewerker van het eerste uur en Zuckerbergs voormalige tekstschrijver, is dat een drastische koersverandering. ‘In de begindagen was het bedrijf zo neutraal dat het bijna eng was,’ zei ze. De eerste doelstelling die ze zich kon herinneren was iets wat Zuckerberg in vergaderingen vaak zei: ‘Ik wil gewoon een informatiestroom.’ Nu had hij het over ‘collectieve waarden van wat wel en niet door de beugel kan’. ‘Heel interessant dat het idee van een gemeenschap nu een rol speelt,’ zegt Losse. ‘Een gemeenschap, dat is bijna een kerk – een sociale structuur met normen en waarden.’
Twee dagen na het manifest verschenen Zuckerberg en zijn vrouw Priscilla Chan onaangekondigd in The Haberdasher, een cocktailbar in Mobile, Alabama. De eigenaar bood aan om ze af te schermen van de stamgasten, maar dat hoefde niet. ‘Wij werken met mensen,’ zei Zuckerberg. ‘Geen probleem.’ Ze kletsten en dronken wat met de andere klanten – een stout voor Zuckerberg en een mocktail voor Chan, die twee weken later bekendmaakte dat ze zwanger was. Ook een glaasje lokale whisky met de eigenaars sloeg Zuckerberg niet af (‘alles behalve tequila,’ zei hij erbij). Ze vertrokken tegen middernacht: ze moesten de volgende dag weer vroeg op om naar de kerk te gaan. In bijna elke staat die Zuckerberg bezocht, heeft hij ook een kerkdienst bijgewoond of met geestelijken gesproken. In Texas dronk hij koffie met predikanten, in Minnesota schoof hij aan bij de iftar van Somalische vluchtelingen, in Charleston bij een diner met notabelen. De dag daarop bracht hij een bezoek aan de kerk waar een racist in 2015 acht parochianen en de predikant doodschoot.
Op de vraag of hij een atheïst is, antwoordde Zuckerberg vorig jaar op Facebook: ‘Nee. Ik ben joods opgevoed en heb een periode gehad dat ik met vragen zat, maar nu vind ik religie heel belangrijk.’ Zijn formulering is veelzeggend. In het openbaar lijkt zijn belangstelling voor godsdienst eerder sociologisch dan existentieel van aard. Na zijn bezoek aan een kerk in Mobile schreef hij op Facebook dat ‘de kerk een belangrijke rol speelt in de sociale cohesie van de gemeenschap’. Dat was het terugkerende thema van zijn uitstapjes: hoe werkt dat hele gemeenschapsgedoe eigenlijk? En als je een voorbeeld zoekt voor een sterke en duurzame gemeenschapsvorm die geografische, etnische en sociale grenzen overstijgt, bieden religies fascinerend vergelijkingsmateriaal.
Facebook is goed omdat het een gemeenschap vormt; zo’n gemeenschap is goed omdat die Facebook mogelijk maakt. De waarden van Facebook zijn Facebook
Maar welke gedeelde waarden kan Facebook uitdragen? Zuckerbergs eigen waarden, zoals zijn lovenswaardige steun voor migranten, vallen vaak samen met wat goed is voor Facebook. Geen idealer boegbeeld van het door Breitbart en andere hypernationalistische media zo verguisde globalisme dan Zuckerberg. Terwijl zijn platform voor die media ook het ideale instrument was om hun boodschap te verspreiden. Zuckerbergs geloof in liberalisme – en in de noodzaak om geen grote groepen gebruikers tegen zich in het harnas te jagen – gaat zo diep dat hij, na beschuldigingen van het ‘achterhouden’ van conservatieve berichten op Facebook, conservatieve kopstukken uitnodigde voor een persoonlijk gesprek om ze te verzekeren dat Facebook ook hun een stem wil geven.
Misschien is het daarom dat hij in ‘Building Global Community’ aarzelt om de basiswaarden te schetsen van de gemeenschap die hij hoopt te bouwen. ‘Het leidende beginsel moet zijn’, schrijft hij, ‘dat onze Community Standards een afspiegeling vormen van de culturele normen van onze gemeenschap, dat iedereen zo weinig mogelijk aanstootgevende content onder ogen komt en mensen kunnen delen wat ze willen, en niet te horen krijgen dat ze iets niet mogen delen.’ Met andere woorden: het beginsel is alles wat mensen stimuleert om nog meer berichten te plaatsen. Facebooks waardensysteem lijkt niet zozeer positief alswel circulair. Facebook is goed omdat het een gemeenschap vormt; zo’n gemeenschap is goed omdat die Facebook mogelijk maakt. De waarden van Facebook zijn Facebook.
Eind september verontschuldigde Zuckerberg zich dat hij het probleem van nepnieuws al te makkelijk had weggewuifd, maar hij bleef volhouden dat de ‘bredere impact’ van Facebook op de hele politiek toch belangrijker was. Ik vermoed dat hij gelijk heeft, maar ik weet niet of hij daar blij mee moet zijn. Wat staat de politiek te wachten als dat wat hij onze ‘sociale infrastructuur’ noemt door de molen van Facebook gaat? De afgelopen presidentsverkiezingen geven een indicatie. In februari 2016 schreef internetdeskundige Clay Shirky: ‘Het bereiken en overtuigen van zelfs maar een fractie van het electoraat was vroeger zo’n moeilijke opgave dat slechts twee nationale organisaties daartoe in staat waren [de twee grote politieke partijen]. Nu zijn er tientallen organisaties die het kunnen.’ Om honderden miljoenen rechtse kiezers te bereiken had je vroeger het establishment van de Republikeinse Partij nodig. Maar het aantal geregistreerde Republikeinse kiezers bedroeg in 2016 maar een fractie van het aantal Amerikanen dat dagelijks Facebook gebruikt, en die zijn voor een habbekrats te bereiken. Trump kon een politieke coalitie van ontevreden Democraten en radicaal-rechtse Republikeinen smeden omdat hij dankzij de parallelle sociale infrastructuur van sociale media, met name Facebook, geen lippendienst hoefde te bewijzen aan de Republikeinse orthodoxie.
Of neem de mate waarin de hele infrastructuur van politieke advertenties op zijn kop is gezet, met aan het Kremlin gelieerde nepaccounts die voor 100.000 dollar aan advertenties hebben gekocht. Daarmee konden ze verdeeldheid zaaien en kansloze maar voor Democraten lastige kandidaten als Jill Stein promoten. Hoeveel effect dat op de verkiezingen heeft gehad, blijft onduidelijk. Het bedrag en het aantal gekochte advertenties (‘circa drieduizend’) kan duiden op een potentieel bereik van enkele honderdduizenden tot tientallen miljoenen. In het beste geval was het weinig meer dan een frivool experiment – een manier voor het ‘Internet Onderzoeksagentschap’, de beruchte troll farm van het Kremlin, om de effectiviteit van hun methoden te testen. In het ergste geval was het een strategische poging om zwevende kiezers in doorslaggevende kiesdistricten te beïnvloeden – bijvoorbeeld blanke arbeiders in Michigan die op Obama hadden gestemd maar lid waren van anti-immigratiegroepen op Facebook. Die zouden dan met opruiende berichten zijn bestookt om een bepaald stemgedrag te stimuleren.
Weinig mensen weten hoe en waar dat geld is ingezet, want Facebook wil nog steeds niet zeggen om welke ‘nepaccounts’ het gaat en op wie die het gemunt hadden. Voordat Zuckerberg in september zijn verklaring online zette, had Facebook steeds volgehouden dat het openbaren of aan het Congres verstrekken van die gegevens in strijd is met de privacywetgeving. (Wel heeft Facebook, naar verluidt op last van de rechter, gegevens aan de federale opsporingsdiensten overhandigd in verband met het onderzoek naar banden tussen Trumps campagneteam en de Russen.)
Vertrouw ons maar
De in september aangekondigde beleidswijziging van Facebook is een poging tot zelfregulering. Facebook zegt daarmee in feite: vertrouw ons nu maar, wij gedragen ons wel. Maar dat is niet zo’n denderend verkooppraatje. Facebook heeft al zo vaak misgekleund. Het grootste deel van het jaar hield het stug vol dat het geen advertenties aan Russische trollen had verkocht. Het afgelopen jaar heeft het tweemaal toegegeven misleidende cijfers aan zijn adverteerders te hebben verstrekt. Begin september werd ontdekt dat je advertenties kunt kopen die specifiek gericht zijn op mensen die zichzelf omschrijven als ‘jodenhater’. En misschien nog het belangrijkste: het is volstrekt niet duidelijk waarom we ervan kunnen uitgaan dat de belangen van Facebook samenvallen met die van de Amerikaanse overheid.
Dit was juist zo verontrustend aan die aankondiging van Zuckerberg in september. Zoals altijd bij Facebook was de verklaring vatbaar voor verschillende interpretaties. Het is maar net welke draai je eraan geeft: van één kant gezien is het een bewonderenswaardige en hoognodige uiting van betrokkenheid en verantwoordelijkheidsgevoel van een machtige maar uiteindelijk welwillende onderneming. Van een andere kant gezien is het een geruststelling voor staatshoofden dat Facebook, al is hun netwerk nog zo wereldwijd, de soevereiniteit van afzonderlijke landen blijft eerbiedigen. (‘Rustig nu maar, meneer de premier, we snappen best dat die grenzen heel belangrijk voor u zijn.’) Van weer een andere kant bezien schrijft Facebook zichzelf hiermee een macht toe die gelijkstaat aan of zelfs groter is dan die van de staat – als een soevereine, zelfregulerende, supranationale instantie waarbinnen gewone staten opereren.
David Banks, hoogleraar aan de State University of New York en gespecialiseerd in grote technische systemen, zegt dat wereldomspannende technische systemen zoals Facebook ‘niet in een [natuurlijke, juridische, politieke of sociale] omgeving willen verkeren, maar die omgeving willen zíjn’. De implicatie van Zuckerbergs aankondiging leek inderdaad te zijn dat Facebook een omgeving is waarbínnen de democratie kan bestaan. Een ‘natuurkracht’, net als de democratie zelf.
Het is niet dat de macht van Facebook niet aan banden kan worden gelegd. Het probleem van de Russische advertenties kan vrij eenvoudig worden opgelost met regelgeving. ‘Het moet strafbaar zijn als buitenlandse overheden hier politieke advertenties kopen,’ zegt Tim Wu, hoogleraar aan de rechtenfaculteit van Columbia en auteur van The Attention Merchants. ‘Je moet Facebook verplichten om bij te houden waarvoor geadverteerd wordt en inzage te geven in hoeveel mensen ervoor betalen en of iedereen evenveel betaalt.’ Democraten in het Congres ijveren al voor strengere regelgeving over politieke onlineadvertenties.
Maar de omvang van bedrijven als Facebook leidt ook tot zorgen over monopolievorming. Facebook stuit nog niet op zo veel wantrouwen als Google. Dat komt deels doordat hun monopolie moeilijker te bewijzen is, zeker binnen de Amerikaanse antimonopoliewetgeving, die de laatste jaren meer gericht is op bescherming van de consument dan op bescherming van de vrije concurrentie. Bovendien zou een rechtszaak op dit vlak pas effect sorteren als Facebook eronder zou lijden – en met een beurswaarde van 500 miljard dollar kunnen zelfs boetes van enkele tientallen miljarden het bedrijf nauwelijks pijn doen. Er zijn nog geen voorstellen gedaan om het bedrijf op te splitsen, ongetwijfeld mede omdat we zo moeilijk kunnen doorgronden wat het allemaal omvat. Wu vergelijkt Facebook met NBC, CBS en ABC in de jaren vijftig, destijds de enige drie landelijke Amerikaanse tv-zenders, die toen elke avond tientallen miljoenen mensen bereikten. Maar die tv-zenders waren van meet af aan onderworpen aan strenge regelgeving. Facebook is zonder overheidsbemoeienis tot in het diepst van ons dagelijks leven doorgedrongen door zich voor te doen als niet meer dan een doorgeefluik van informatie. ‘Facebook heeft evenveel macht om de aandacht van mensen vast te houden, maar er is geen gevoel van verantwoordelijkheid,’ zegt Wu. ‘Er zijn geen beperkingen. Geen regelgeving. Geen toezicht. Er is niets. Alleen een stel algoritmen die erop ontworpen zijn om de mensen te geven wat ze willen horen.’
Dertien jaar herinneringen
Dat is eigenlijk het grootste probleem voor de overheid. Enerzijds maakt die ongrijpbaarheid van Facebook me doodsbang. Anderzijds is het een hulpmiddel waarmee ik een nauwe en zelfs liefdevolle band heb. Ik heb dertien jaar aan herinneringen op Facebook staan. De eerste foto die ooit van mij en mijn partner is genomen staat erop, ergens diep verstopt in een album van iemand die ik in geen jaren heb gesproken. Facebook geeft me wat ik wil, zowel op de manier van een graankorrel voor de hamster in zijn tredmolentje, als op een dieper en bevredigender niveau.
En wat vaak vergeten wordt: Facebook is een tijdje heel democratisch gerund. Van 2009 tot 2012 mochten gebruikers meestemmen over het sitebeleid. Die mogelijkheid werd maar door een miniem aantal gebruikers benut, en Facebook concludeerde uiteindelijk dat het systeem ‘eerder de kwantiteit dan de kwaliteit van bijdragen stimuleert’. In 2012 werd die vorm van inspraak verruild voor ‘een systeem dat zinvollere feedback en betrokkenheid oplevert’. Facebook was zo groot geworden, en zijn gebruikers zo lui, dat democratie niet meer werkbaar was.
Nieuws over de sterren, de mode en het nachtleven van New York. Altijd op jacht naar schandalen en politieke crises. Deze concurrent van The Village Voice is eigendom van Rupert Murdoch.
Vroeger bestond de moslimpopulatie in de VS vooral uit zwarte aanhangers van de Nation of Islam. Maar intussen vormen autochtone zwarte moslims nog maar 9 procent van de Amerikaanse moslimbevolking. In Mississippi maakt een oudere gemeenschap zich zorgen over de toekomst.
Wanneer Abdul Hakim Shareef uitkijkt over deze heuvels, over deze moskee – een werkelijk geworden islamitisch ideaal – hoopt hij dat dit alles niet met hem zal eindigen.
Shareef is nu 86, maar was drie decennia jonger toen hij en een kleine groep medemoslims hier in Mississippi het geld bij elkaar legden voor de oprichting van deze gemeenschap, zo’n veertig kilometer ten westen van Hattiesburg. Hun droom: een eigen gemeenschap waarin ze hun brood konden verdienen, zich konden scholen en een islamitisch leven konden leiden.
Maar Shareefs kleinkinderen zijn bijna allemaal weggetrokken en hij weet dat New Medinah mensen nodig heeft – jonge mensen – wil de gemeenschap kunnen voortbestaan als hij er niet meer is.
‘Konden we hun maar duidelijk maken wat dit betekent, zodat ze hier ook voor kiezen,’ zegt Shareef. ‘Daar hoop ik nu op. Dat zij het stokje overnemen.’
Er is een tijd geweest, zo’n vijf decennia geleden, dat ‘Amerikaanse moslims’ meestal betekende ‘zwarte moslims’ – in de VS geboren zwarte Amerikanen zoals Shareef, die als jonge man lid werd van de Nation of Islam, een zwarte nationalistische groepering uit de tumultueuze dagen van de burgerrechtenbeweging.
Maar het huidige beeld van de Amerikaanse moslim heeft die geschiedenis grotendeels verdrongen. De verhalen van Malcolm X en Muhammad Ali zijn in de Amerikaanse herinnering verdrongen door beelden van moslims als immigranten, mensen met een buitenlands accent en een andere ideologie. En dat betekent, zo heeft Shareefs gemeenschap zich gerealiseerd, dat de relevantie van de Amerikaanse stroming naar de achtergrond verdwijnt en New Medinah wel eens mét zijn oprichters zou kunnen sterven.
Het algemene beeld van de Amerikaanse moslim is veranderd met de aantallen: door een toestroom van islamitische immigranten na 1965 zijn de in het land geboren zwarte moslims snel in de minderheid geraakt. Volgens schattingen van het Pew Research Center hebben in de twee decennia voor 2012 zo’n 1,7 miljoen moslims een wettige verblijfsstatus gekregen in de Verenigde Staten. In 2014 vormden autochtone zwarte Amerikaanse moslims maar 9 procent van de totale moslimpopulatie in het land.
Leden van Shareefs gemeenschap zijn volgelingen van Warith Deen (W.D.) Mohammed, een zoon van voormalig Nation of Islam-leider Elijah Muhammad. W.D., die in 2008 is overleden, had weliswaar gebroken met de Nation, maar wel vastgehouden aan enkele culturele praktijken daarvan; in zijn ogen was de Amerikaanse islam onlosmakelijk verbonden met de ervaringen en lessen van de slavernij en de onderdrukking van de zwarten. Zo’n honderdtachtig moskeeën in het hele land volgen zijn leer.
Maar als gevolg van de veranderende demografie van het land zijn er nu minder Amerikaanse moslims die hun religieuze identiteit in verband brengen met hun raciale geschiedenis in de Verenigde Staten. De kennis van de islam onder moslims uit het Midden-Oosten wordt gezien als superieur, en daardoor is de Amerikaanse interpretatie van de religie de afgelopen decennia steeds verder overschaduwd.
‘De Afro-Amerikaanse gemeenschap is niet bang als mensen zoals onze nieuwe president moslims bedreigen. Voor ons is dat niets nieuws’
Vandaag de dag is het erfgoed van de Nation of Islam en van W.D. Mohammed voor veel zwarte Amerikaanse moslims ‘niet meer relevant’, volgens Nicqan Church (40) uit Philadelphia, die zelf naar een salafistische moskee gaat, een strikt orthodoxe sekte van de soennitische islam.
Amerikaanse zwarten die moslim zijn, vormen nu een diverse groep van verschillende sektes, ideologieën, culturen en nationaal erfgoed. Zo staat het soort islam dat in de moskee van Church wordt gepraktiseerd dichter bij dat van sommige Saoedische of Egyptische moskeeën dan bij de traditie van W.D. Mohammed – ook al zijn de meeste moskeegangers er, net als Church, zwarten van Amerikaanse afkomst. Niemand daar beschouwt de islam als een religie die speciaal verbonden is met de zwarte Amerikaanse ervaring, volgens Church.
Halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben Shareef, zijn vrouw Ruth en hun leeftijdgenoten deze gemeenschap – 26 hectare grond met huizen, boerderijen en een moskee – opgezet, op aanmoediging van W.D. Mohammed, vertelt Shareef. De bedoeling was om een plek te creëren waar moslims konden wonen, bedrijfjes opzetten, groenten verbouwen en vee, kippen en honingbijen houden. Met hun islamitische gemeenschap wilden ze een tegenwicht bieden aan de problemen waarmee zwarte Amerikanen te maken hadden, vooral hier in het Zuiden.
Ze noemden hun gemeenschap New Medinah, naar een van de twee heiligste steden van de islam en de plek in Saoedi-Arabië waar de profeet Mohammed zijn eerste volgelingen aantrok. Ze richtten een school op waar hun kinderen konden leren, ondergedompeld in de islam en de rust van het plattelandsleven.
Moslimverbod
Maar in 2009 werd de school gesloten. En uiteindelijk was het stroompje nieuwkomers dat binnendruppelde veel kleiner dan de uitstroom van kinderen die naar de universiteit gingen of een baan in de stad kregen en oudgedienden die stierven.
Afgelopen zomer nog kwamen tientallen volgelingen van W.D. Mohammed uit het hele Zuiden in auto’s en minibusjes naar New Medinah om samen de eenendertigste verjaardag van de kleine islamitische gemeenschap te vieren. Het waren voornamelijk mensen in de pensioenleeftijd, die tai chi deden bij zonsopkomst, nostalgische herinneringen ophaalden aan de goede oude tijd en verder zorgelijk zaten te praten over de problemen waar de volgende generatie mee te kampen had.
Elders in het land had president Trump het over het instellen van reisbeperkingen, het ‘moslimverbod’ zoals critici het noemden, en de moord op twee mensen in Portland, Oregon door een notoire moslimhater, was nationaal nieuws. Maar de onderstroom aan antimoslimgevoelens in het land was nooit doorgedrongen tot de veilige haven van New Medinah.
Voor zwarte Amerikaanse moslims is het niet nieuw om onderwerp zijn van argwaan vanuit de overheid en angst van burgers. In de jaren zestig gebruikte de FBI informanten die nauwe banden met de Nation of Islam hadden om de groepering en haar meest vooraanstaande leden te controleren.
‘Wij hebben altijd onder vuur gelegen, als Afro-Amerikanen en als moslims,’ zegt Youssef Kromah (27) uit Philadelphia. Die stad was ooit een bolwerk van de Nation of Islam en herbergt nu een grote islamitische gemeenschap, waarvan de meerderheid zwart is.
‘De Afro-Amerikaanse gemeenschap is niet bang als mensen zoals onze nieuwe president moslims bedreigen,’ zegt Kromah, ‘want voor ons is dat niets nieuws. Wij hebben altijd geleden.’
De regering, de media, de denktanks en andere opinievormende centra zetten nu de bruine moslims neer als mogelijke vijand van de Verenigde Staten,’ zegt hij. ‘Institutionele islamofobie maakt de bruine moslim zichtbaar en brengt de stem van zwarte moslims tot zwijgen.’
Blanke duivels
Volgens Samory Rashid, hoogleraar politieke wetenschappen aan Indiana State University, werd de term ‘zwarte moslim’ voor het eerst gebruikt door een journalist die zwart noch moslim was: CBS-verslaggever Mike Wallace. Hij gebruikte de term in de tv-documentaire The Hate That Hate Produced (De haat die haat voortbracht) die hij in 1959 maakte over de Nation of Islam, en tegenwoordig wijzen veel moslims het idee van een duidelijke ‘black muslim’-identiteit van de hand.
Elijah Muhammad, de leider van de Nation, hield zijn volgelingen een ideologie voor waarin blanken duivels waren en die integratie, het bredere doel van de burgerrechtenbeweging, afwees. Die ideologie sprak indertijd veel jonge zwarte mensen uit de arbeidersklasse aan.
‘Ik zat vol vuur, omdat Elijah Muhammad ons tot goden had gemaakt,’ zegt Shareef, die is opgegroeid in het gesegregeerde Mississippi, waar hij ‘getraind was om opzij te gaan’ als hij een blanke op het trottoir zag.
Maar het idee van de zwarte superioriteit strookte niet met de bredere islam, en na de dood van Muhammad in 1975 brak zijn zoon W.D. Mohammed met de Nation en haar nieuwe fakkeldrager Louis Farrakhan. Hij leerde zijn volgelingen de algemene islam kennen, die volgens hem mensen sterker maakte: een geloofssysteem dat berustte op het idee van ‘één natie onder één god’. De gemeenschap leerde bidden en de islamitische geboden naleven zoals miljoenen andere moslims over de hele wereld dat deden. Ze gingen op les om Arabisch te leren en de Koran en de Hadiths. Ze omarmden het idee van rassengelijkheid.
Mohammed hield wel vast aan de zwarte Amerikaanse wortels van zijn gemeenschap. De culturele praktijken van de Nation, zoals het commercieel kweken van wijting en het eten van bonentaart, bleven bestaan, net als Elijah Muhammads nadruk op ondernemerschap en economisch succes als een manier om zwarte Amerikanen onafhankelijk te maken.
‘Met Imam [W.D.] Mohammed hadden we een leider uit ons eigen land,’ zegt Abd’Allah Adesanya uit Columbia, South Carolina, die de traditie van W.D. Mohammed volgt. ‘Wij zijn niet ondergeschikt aan een of andere sjeik in het Midden-Oosten.’
Zelf vinden ze dat zij bij uitstek geschikt zijn om de kloof tussen nieuwere moslimgemeenschappen en de rest van Amerika te overbruggen, maar de leiders van de W.D. Mohammed-stroming zeggen dat hun raad zelden wordt gevraagd. Hun vroegere band met de Nation of Islam wordt hen nog steeds nagedragen, en van andere moslims krijgen ze soms het verwijt dat ze op religieus gebied minder authentiek of minder gezaghebbend zouden zijn. Daar komt volgens hen bij dat geïmmigreerde moslims vanuit racistische motieven niet naar moskeeën gaan die van oorsprong zwart zijn.
‘Ze komen alleen naar ons toe als de blanken het hun moeilijk maken,’ zegt Sameeh Ali uit Newark, die eigenaar van een bakkerij is en tot de W.D. Mohammed-stroming behoort. De zwarte moslims weten wat het is om gediscrimineerd en slecht behandeld te worden, benadrukt hij. ‘Wij hebben het antwoord! Ik ga al driehonderd jaar met blanken om. Ik begrijp blanken al sinds mijn geboorte.’
Anderen zeggen dat de leer van W.D. Mohammed simpelweg minder relevant wordt in een land dat de tijd van de gesegregeerde lunch counters voorbij is en de opkomst van een grotere, meer diverse moslimgemeenschap heeft meegemaakt. In Philadelphia, waar volgens plaatselijke leiders de moslimgemeenschap nog steeds in meerderheid zwart is, volgen maar drie van de zevenendertig moskeeën de W.D. Mohammed-traditie.
De moslimbegraafplaats in New Medinah telt meer graven dan het aantal vaste bewoners
In New Medinah, dat ooit het ideaal van de W.D. Mohammedgemeenschap belichaamde, is het probleem nu de ouderdom.
De school heeft in 2009 haar deuren gesloten na het vertrek van de laatste leerlingen, en andere W.D Mohammedscholen in grotere steden hebben hetzelfde lot ondergaan. De moslimbegraafplaats in New Medinah telt nu enkele tientallen graven – meer dan het aantal vaste bewoners.
Shareef vertelt vol verlangen over de kostschool die de gemeenschap zou willen openen en die ooit misschien de sleutel voor de toekomst van New Medinah kan zijn. Op een met gras begroeide heuvel staat een groot bord: ‘Hier komt de W. Deen Mohammed Boarding School’.
Op het jaarfeest benadrukte een bezoekende imam uit Houston in zijn lezing dat de volgende generatie ontwikkeld moet worden wil de gemeenschap blijven voortbestaan. Zelf kwam Tyerre El Amin Boyd (41) uit een moskee die geregeld nieuwe, jonge leden aantrok. Tegen de oudere mannen en vrouwen die ingespannen zaten te luisteren op het tapijt van de gebedsruimte, zei Boyd dat ook zij een manier moesten bedenken om jongeren te trekken.
‘We bidden dat Allah onze kinderen opvoedt,’ zei hij, ‘zodat we het erfgoed van imam W.D. Mohammed niet verloren laten gaan.’
De auteur is journalist voor landelijke media en gespecialiseerd in de islam en Arabische aangelegenheden in Amerika. Voor ze in 2015 naar Washington kwam, schreef ze zeven jaar over oorlog, politiek en religie in het Midden-Oosten en was ze correspondent van de Post in Caïro. Ze heeft ook geschreven over regionale politiek en de overheid.
Bekijk hier het Facebook-propagandafilmpje voor de commune.
Indonesische moslimvrouwen onderbreken het vasten voor een maaltijd in de grote Istiqlal-moskee van Jakarta.
In Indonesië, het grootste moslimland ter wereld, staat het openbare leven deze maand voor een groot deel in het teken van de ramadan. Gelovigen mogen in deze periode van zonsopgang tot zonsondergang niet eten, drinken, roken of seks hebben. In plaats daarvan richten ze zich op contemplatie, bidden, het gedenken van Allah, en familie en vrienden. Het gezamenlijk onderbreken van het vasten is een Indonesische traditie.
Als jongen wilde hij priester worden. Als volwassene leefde hij net zo wild als zijn hoofdpersonen. Het hele leven van Martin Scorsese is één grote slingerbeweging tussen het sacrale en het profane. Le Monde Magazine zocht de intussen 74-jarige filmlegende op in New York om te praten over zijn drie uur durende religieuze epos Silence.
Als Jezus aan Sebastião Rodrigues verschijnt, een jonge Portugese priester op evangelisatiemissie in Japan, oogt hij als de Christus op het fresco in Sansepolcro, geschilderd door Piero della Francesca. Met één voet op zijn graftombe en een vaandel in zijn rechterhand, kijkt hij met een bemoedigende blik recht voor zich uit. Een streng gezicht dat levenskracht uitstraalt. Zo verschijnt hij aan de hoofdpersoon van het boek Silence, van de Japanse schrijver Shushako Endo.
Maar voor zijn filmbewerking van de roman, die vanaf 9 februari in de bioscoop te zien is, zocht Martin Scorsese naar een ander portret van Christus. ‘Met meer compassie,’ zegt hij. In zijn film ziet pater Rodrigues – gespeeld door Andrew Garfield – in een waterbron het gezicht van de Christus uit het schilderij De heilige Veronica met de zweetdoek van El Greco: roodblond haar, donkere ogen, een hypnotiserende en verwonderde blik. Dit gezicht, zegt de regisseur, kijkt je niet alleen aan. Het wil dat je terugkijkt. De filmer heeft het zijn leven lang steeds weer bekeken en het heeft hem troost en vreugde gegeven. Silence is het verhaal van die lange dialoog.
Meteen nadat de montage van de film klaar was, ging Martin Scorsese terug naar de kerk waar hij als kind kwam. Old St. Patrick’s staat aan Prince Street in Manhattan in wat toen Little Italy heette. De laatste keer dat hij daar in stilte had gebeden, was in augustus 1993, na de dood van zijn vader. De kist was opengebleven voor het bezoek. Het was midden in de zomer en door de ondraaglijke hitte werd het een nogal eigenaardige rouwperiode. Vijf jaar later, toen zijn moeder was overleden, vroeg de cineast aan de priester of er een rouwkapel kon worden ingericht. Dat verzoek werd geweigerd. De plechtigheid werd naar elders verplaatst. ‘Ik kreeg niet het idee dat ze me moesten, dus ik ben er nooit meer geweest. Maar hier een kwart eeuw niet komen, dat is lang. Te lang.’
Scorsese woonde vanaf zijn achtste met zijn ouders in Elizabeth Street, samen met zijn broer en zijn grootouders van vaderskant. Onder hen woonde zijn oom van vaderskant met vrouw en kinderen. De grootouders van moederskant, zijn ooms en tantes – de Cappa-tak van de familie – woonden in Queens. Een paar neven woonden wel in de buurt, tussen Prince Street en Lafayette. In dit ecosysteem, volgens de filmer vergelijkbaar met een levend organisme, was de kerk nog het hart van alles.
De kerk was intussen vervallen, maar gelukkig wel gerestaureerd, zag hij. Alleen de communiebank was nog in oude staat. Het altaar was hersteld, net als de meeste beelden, waarvan hij zich nog heel precies dat van de heilige Rochus herinnerde en dat van moeder Seton, een in 1975 zalig verklaarde Amerikaanse non. En dan was er ook nog een in zijn ogen heel bijzondere piëta.
Scorsese liet de priester foto’s uit die tijd zien die hij zorgvuldig had bewaard. Al in 1993 begon the quarter, zoals hij de buurt graag noemt, te veranderen. Het was nog niet zoals nu – in de panden waar vroeger eenvoudige Italiaanse en joodse gezinnen woonden, zitten nu zakenjongens. En tegelijk is er niets veranderd. Het pand waar de filmmaker woonde, de kerk waarin hij tot ontwikkeling kwam, de school waar ze hem de eerste beginselen van zijn religieuze opvoeding bijbrachten: ze staan er nog, als artefacten uit een voorbije tijd. Het is voor de cineast een hele geruststelling dat dit toevluchtsoord er nog is – en dat midden in New York, waar het zo lastig is om herinneringen bewaren.
Raadselachtige scène
In de kerk kon hij de geur van de sterke ontsmettingsmiddelen nog ruiken waarmee hij als kind met de hele familie de vloeren, muren en ramen boende om cholera en allerlei andere ziektes uit te roeien. Destijds had Elizabeth Street een van de hoogste kindersterftecijfers van het land. Als koorknaapje moest hij ook bij begrafenissen en zaterdagse requiemmissen aanwezig zijn. In deze kerk begroef Martin Scorsese de generatie die vanuit Sicilië naar Ellis Island was vertrokken. En toen moest hij ook zijn vader begraven. Door ver weg te gaan van Elizabeth Street dacht hij zich los te kunnen maken van deze doden. Maar nu komt hij ze in alle rust weer nader. ‘Morgen of overmorgen ben ik zelf aan de beurt. Daar heb ik me bij neergelegd.’
Hij dacht dat zijn dood al nabij was toen hij Raging Bull (1980) had afgerond. Vanwege zijn zware drugsverslaving geloofde Scorsese tijdens het regisseren dat het zijn laatste film zou zijn. Aan het eind van de film kijkt bokser Jake LaMotta, gespeeld door Robert De Niro, naar zichzelf in de spiegel. Het is het slotstuk van een mislukt leven, van hemzelf maar ook van de mensen om hem heen. Dit is lang een raadselachtige scène gebleven. Scorsese had die op zijn gevoel gedraaid. Pas recent drong het tot hem door wat LaMotta in die spiegel zag: zichzelf. En daarmee ook dat je jezelf moet nemen zoals je bent en voort moet gaan in de voetsporen van je voorvaderen.
Op zijn vierenzeventigste, nadat hij andere religies had leren kennen, veel verschillende denkwijzen van alle kanten had bekeken en uitgeprobeerd, begreep hij dat hij naar het christelijk geloof terug moest keren. Daar waar voor hem alles begonnen was. En waar alles zal eindigen. In deze kerk in Prince Street.
Het priesterschap is lang zijn levensdoel geweest. Op zijn vijftiende hoorde film wel bij het leven, maar hij zag er geen toekomst in. Zijn mentor in de jaren vijftig, van zijn elfde tot zijn zeventiende, was pater Principe. ‘Hij was wat ik een straatpriester zou noemen. Hij heeft me geleerd dat er buiten onze straat een andere wereld was, doordat hij ons Graham Greene, James Joyce en James Baldwin liet lezen en ons meenam naar de bioscoop. Hij was een geweldige leermeester in die lastige omgeving van Little Italy.’
In deze wijk was het moeilijk als je niet keihard was. En Martin Scorsese was dat niet
In deze wijk was het moeilijk als je niet keihard was. En Martin Scorsese was dat niet. Hij snapte vooral de kloof niet tussen de sereniteit in de kerk zelf en de chaos die daarbuiten heerste. ‘Hoe kon het leven gewoon doorgaan terwijl de aanwezigheid van God binnen die muren zo sterk voelbaar was? Waarom was de wereld niet geschokt door het lichaam en het bloed van Jezus? Dat soort vragen kwelden me. Ik begreep niet waarom niemand anders die innerlijke geschoktheid voelde.’
In Silence heeft de cineast geprobeerd de eenvoud van het kerkelijk ritueel en die onbedorven spiritualiteit weer te geven. Vooral in de scène waarin Sebastião Rodrigues en Francisco Garrupe (een rol van Adam Driver) voor het eerst voet op Japanse bodem zetten. Ze vinden er een huis in een vissersdorp waar Japanse christenen een toevlucht vinden. Die krijgen crucifixen van de twee jezuïeten. ’s Nachts wordt de mis opgedragen voor een heimelijk opgericht heiligenbeeld. Toen Martin Scorsese deze scène draaide, wist hij dat hij bij de essentie was gekomen. Als hij nu bij een vertoning van Silence aanwezig is, springt zijn hart precies op dat moment open. En het gaat nog sneller kloppen als degene naast hem even geconcentreerd kijkt als hij. De cineast is er heel goed in dat te registreren: als iemand zijn romp recht houdt, liefst in een rechte hoek. ‘Ik kan er echt niet tegen als degene naast me te veel op zijn stoel zit te schuiven, dat is een teken van gebrek aan aandacht. Ik ben in staat om dan op te staan en hem te wurgen.’
Dat mengsel van passiviteit en actie – rustig blijven of meppen – is een gevolg van de astma waaraan Martin Scorsese al vanaf zijn vroegste kindertijd leed. Zelfs zo ernstig dat het bij de ergste aanvallen de vraag was of hij die zou overleven. Maar dan biedt de kerk hem een uitweg. ‘Ik leefde geïsoleerd, afgesneden van de wereld. Ik moest thuisblijven, mocht niet sporten; en ik kon de stad ook niet uit vanwege mijn allergieën. Met jongens van mijn eigen leeftijd spelen lukte ook bijna nooit, dus ging ik mee in de wereld van de volwassenen, raakte gewend aan hun zorgen, aan discussies over wat goed en wat slecht was… Zo werd mijn gevoeligheid gescherpt en doorzag ik anderen steeds beter. Thuis mocht ik mijn mond niet opendoen, ik keek zwijgend toe wat mijn vader deed. Hij en mijn broer konden slecht met elkaar overweg. Mijn vader moest ook voor mijn oom zorgen. En die had altijd problemen met de maffia. Hij had in de gevangenis gezeten en had geregeld schulden, die mijn vader dan betaalde. Ik was de toeschouwer aan wie niemand iets vroeg. Dus ja, priester worden leek me geweldig.’
Maar na een jaar op het seminarie begreep de toekomstige regisseur dat het priesterschap niet voor hem was weggelegd. Hij haalde rampzalig slechte cijfers en de leraren vonden zijn gedrag onvolwassen. Stapje voor stapje moest hij het plan om priester te worden loslaten, een pijnlijk proces dat op zijn twintigste was afgerond. De filmkunst zou een volgend levensdoel worden.
Met Daniel Day-Lewis op de set van The Age of Innocence; met Leonardo DiCaprio op de set van The Aviator; met Cybill Shepherd; op de set van Alice Doesn’t Live Here Anymore en met Jack Nicholson op de set van The Departed.
Toen kwam de eerste verzoeking. ‘Ik begon belangstelling voor meisjes te krijgen. Ik was erg verlegen en introvert. Ik durfde ze niet te benaderen, want het idee om priester te worden spookte nog steeds door mijn hoofd. Dat bleef zo tot 1963, toen ik al over de twintig was en mijn eerste korte film had gemaakt. Anderen in mijn omgeving pakten het anders aan en gingen wel tot actie over, wat veel gezonder was. Maar wat wil je, als je in mijn cultuur een meisje aanraakte, dan was dat om te trouwen.’
Toen hij op zijn drieëntwintigste trouwde – het eerste van vijf huwelijken – was hij van plan om in zijn hele leven maar van één vrouw te houden.
Precies op het moment dat de gekwelde jongen van de jaren vijftig een man van de jaren zestig werd, kreeg hij door hoe het bij hem vanbinnen werkte, met zijn bijzondere gestel. Chemisch gezien functioneert Martin Scorsese volgens het principe van compressie en explosie. Een manier van functioneren die we terugzien bij de personages uit zijn films. Robert De Niro in Taxi Driver (1976), wiens leven in het appartement van een New Yorkse pooier in een bloedbad eindigt. En recenter de door Leonardo DiCaprio gespeelde beursmakelaar in The Wolf on Wall Street (2013), wiens carrière eindigt in een orgie van seks en overdaad. Net als de latere hoofdrolspelers in zijn films leefde de regisseur volgens een afwisselend patroon van ascese of uitspatting, een middenweg was er niet. Maathouden bleef een lastige opgave.
Zijn eerste explosieve periode beleefde hij tijdens het draaien van Taxi Driver, toen hij als dertiger besloot zijn gezin te verlaten, en dezelfde kwellingen ervoer als de doorgedraaide figuur die door Robert De Niro wordt gespeeld. Als jongen zweeg Martin Scorsese, als volwassen man zette hij het op een schreeuwen. En nu zoekt hij de dialoog. ‘Sinds een paar jaar mediteer ik veel.’ Hij probeert zonder woorden tot een gesprek te komen. Het zwijgen van God stelt hem voor een probleem. Niet alleen hem trouwens, maar we hebben het nu even over hem. En Silence probeert nu juist dit probleem te definiëren en een formule te bedenken waardoor dat gesprek eindelijk mogelijk wordt.
Geluksgevoel
Die dialoog is er geweest. Tenminste, dat denkt hij. De eerste keer was in 1983 toen hij in Israël The Last Temptation of Christ zou gaan draaien – wat uiteindelijk vier jaar later in Marokko gebeurde. Hij ging naar de Heilig Grafkerk in Jeruzalem, waar Christus volgens de overlevering na zijn kruisiging begraven is. De regisseur knielde er neer en zei een gebed. Hij was onder de indruk van Jeruzalem, maar voelde op dat moment niets bijzonders. Maar later, op een vlucht van Eilat naar Tel Aviv, gebeurde er wél iets. In kleine vliegtuigen was hij altijd bang en greep hij voortdurend naar de kruisjes die hij van zijn moeder had gekregen. En toen kwam er een groot geluksgevoel over hem, een niet eerder ervaren alomvattende liefde op het moment dat het toestel opsteeg. ‘Het was alsof ik beschermd werd, een tot dan toe ongekende gewaarwording voor me. Ik heb mijn kruisjes losgelaten. Ze hadden geen enkel nut meer.’
Dat onverklaarbare gevoel is nog één keer teruggekomen, in 1999 bij de geboorte van zijn dochter Francesca. ‘Ze is vijf weken te vroeg geboren. Mijn vrouw heeft de ziekte van Parkinson, wat de zaken er niet eenvoudiger op maakte. Tijdens de bevalling gebeurde er iets vreemds. De dokter vroeg me opeens om de kamer uit te gaan. Dertig seconden lang keek ik door een raam naar de bevalling. Er was overal bloed. Toen de baby kwam, leek die dood. Een halve minuut stond de tijd stil. Ik wist niet goed wat er gebeurde. Ik besefte dat mijn vrouw en kind onder mijn ogen konden sterven. Toch voelde ik een enorm vertrouwen, ik hing aan een draad, maar wel een heel stevige draad. Na die dertig seconden kwam een verpleegster in tranen naar me toe en zei: ‘Ze redt het wel.’ Eerst begreep ik dat ik een dochter had, en daarna dat ze zou blijven leven. Toen legden ze haar in mijn armen, ze deed haar ogen open en alles veranderde op slag.’
De voor Scorsese meest troostrijke scène in Silence is die waarin pater Rodrigues, om zijn eigen leven en dat van andere gelovigen te redden, zijn voet op een afbeelding van Christus zet en een afvallige wordt. Een doffe, overweldigende pijn overvalt hem. De regisseur vond de reactie van zijn hoofdrolspeler prachtig, maar ook de woorden van Christus die in de voice-over tegen hem spreekt: ‘Trap maar. Want om door mensen te worden vertrapt ben Ik op deze wereld gekomen. En om het leed van de mensen te delen heb Ik mijn kruis gedragen.’
Op dat moment, zo stelde Scorsese zich voor, had deze sprekende Christus het gezicht van de Christus van El Greco, dat hij zo troostrijk vindt. Hij wist: dit is de film die ik moest maken. En voelde zich ongekend gelukkig. Daarna kan en mag er stilzwijgen zijn, juist omdat er een dialoog is geweest.
Auteur: Samuel Blumenfeld
Vertaler: Tess Visser
Silence van Martin Scorsese, met Andrew Garfield, Liam Neeson, Adam Driver. Vanaf 9 februari in de bioscoop.
Betrekkelijk laat en enigszins aarzelend bekeerde ook de Franse krant Le Monde zich in 2000 tot een wekelijkse bijlage, die enerzijds was bedoeld ter verstrooiing van de lezer, anderzijds om een sliertje mee te pikken uit de ruif van het hogere segment van de advertentiemarkt (en niet noodzakelijkerwijs in deze volgorde). Aanvankelijk droeg de bijlage de naam_ Le Monde 2_ en werd ze vervaardigd in samenwerking met de bladenreus Hachette Filipacchi Médias.
Sinds vijf jaar is de weekbijlage volledig geïntegreerd in de krant en draagt ze de naam M, met als ondertitel Le magazine du Monde (afgekeken van T The New York Times Style Magazine). Uiterlijk en inhoudelijk mag M er zijn: goede typografie, goede fotografie en teksten op niveau. In een van de laatste nummers werd het gekerm en gekreun tijdens de geslachtsdaad zelfs ingelijfd bij ons gemeenschappelijk cultuurgoed.
Waar Nederland pas sinds kort massaal de voordelen van yoga heeft ontdekt, is het in India al een vijfduizend jaar oude traditie.
Deze schoolkinderen zijn een week lang op yogakamp in Ahmedabad, een stad met ruim 5,5 miljoen inwoners (2011) in de staat Gujarat. Hoewel yoga een hindoeïstische filosofie is, wordt het ook beoefend door Indiase moslims, die in Ahmedabad zo’n 11 procent van de bevolking vormen.
‘We weten dat yoga goed voor je is, in het bijzonder tijdens de vastentijd,’ vertelde studente Nameera van de islamitische school Anjuman-e-Islam in 2015 aan The Indian Express. ‘Het is niet gerelateerd aan een religie, en het helpt je om op een gezonde manier de dag door te komen.’
Indonesische radicale moslims protesteren tegen de burgemeester van Jakarta, die hun religie zou hebben beledigd. Velen behoren niet tot een religieuze partij, maar halen hun kennis van internet.
In het politieke leven van Jakarta staat momenteel de islam centraal. Begin november en begin december verlieten honderdduizenden moslims hun familie, hun dorpen en wijken en hun werk om te komen protesteren. Zij wilden laten blijken dat de Chinees-Indonesische gouverneur van de hoofdstad hun religie in hun ogen niet met respect had bejegend.
Meestal is demonstreren een politieke, moderne en areligieuze uiting van onvrede, maar de betogers van de vierde november maakten er een heilig ritueel van. Zij kwamen allen in het wit gekleed, als bij een Koranstudiebijeenkomst of een pelgrimstocht naar het heilige land. Ze zeiden gebeden en loofden Allah, alsof ze in Mekka of Medina waren en niet in Jakarta.
Koppeling van staat en religie
Deze gebeurtenissen maken meerdere dingen duidelijk. Ten eerste: door van een demonstratie een ritueel te maken, wordt religie gebruikt om politieke doelen te bereiken. Dat gaat uit van het idee dat religie en staat een en hetzelfde zijn; spreek je uit naam van de religie, dan spreek je uit naam van de staat, en andersom. Als de staat zich tegen religieuze invloeden verzet, is het je plicht om te gaan demonstreren.
Ten tweede: deze koppeling van staat en religie roept de vraag op wie nu wát vertegenwoordigt. In een democratisch systeem vertegenwoordigen volksvertegenwoordigers kiezers en niet een bepaalde religie, ras, etnische groep of andere culturele categorie. Binnen een democratie is het op zich heel goed mogelijk dat politieke partijen religieuze belangen dienen. Voorbeelden zijn de PKB, waarvan de kiezers aanhangers zijn van het soefistisch-islamitische Nahdlatul Ulama; de PAN, gesteund door aanhangers van de modernistisch-islamitische stroming Muhammadiyah; en de PKS, gesteund door leden van de salafistische Tarbiyah. Het probleem is echter dat in – veelal stedelijke – moslimgemeenschappen het idee leeft dat deze politieke partijen niet mee zijn gegaan met de sociaal-culturele transformaties van de laatste jaren. Veel van deze groepen zinnen daarom op andere manieren om religie en politiek met elkaar te verbinden, bijvoorbeeld door middel van demonstraties.
Dit roept de vraag op hoe Jakarta met de islam moet omgaan.
In de komende jaren zal het gezicht van de hoofdstad ingrijpend veranderen, al is het maar omdat de islamitische middenklasse zo snel groeit. Toch bestaan er binnen deze groep flinke tegenstellingen: de moslims van Jakarta bestuderen hun religie op diverse manieren.
Leden van Nahdlatul Ulama en Muhammadiyah bezoeken madrassa’s, pesantren [twee soorten islamitische kostscholen] en Koranstudiegroepen. De leden van deze gemeenschappen scharen zich om een religieus leider. Hun leerstellingen zijn niet verbonden met de staat: mensen die dezelfde leer aanhangen, kunnen er heel goed verschillende politieke opvattingen op na houden. Heel anders is dit bij de salafistische groepen Tarbiyah en Hizbut Tahrir, die in gesloten cellen zijn georganiseerd en eigen moskeeën hebben waar zij de islam bestuderen. Bij hen vormen religieuze leer en staatsvorm een hechte eenheid. Gevolg is dat hun religieuze praktijken niet los te zien zijn van hun politieke opvattingen.
De derde groep moslims bestaat uit gelovigen die hun religie zonder oelama [gids] bestuderen en geen duidelijke leer of institutie aanhangen. Zij halen hun informatie van internet of uit boeken, consumeren alles wat zij online over de islam kunnen vinden. Voor sommigen van hen vormen staat en religie een eenheid, voor anderen niet. Hun visie wordt bepaald door de boeken en websites die ze raadplegen, en natuurlijk door hun eigen persoonlijkheid. Zij komen niet op vaste plekken bijeen, hun opvattingen veranderen mee met actuele gebeurtenissen en met hun religieuze inspiratie van het moment. Het is een manier van religie beleven die goed past bij het jachtige, moderne leven. Wie vertrouwd is met de sociale en economische omstandigheden in Jakarta [de snelgroeiende hoofdstad van een zich snel ontwikkelend land], zal niet verbaasd zijn als dit type geloofsbeoefenaars in de toekomst in aantal toeneemt.
De belangen van Muhammadiyah en Nahdlatul Ulama worden van oudsher door politieke partijen vertegenwoordigd. Hun religieuze leiders gaan geregeld in dialoog over politieke kwesties. Bij de laatste groep is dit lastiger, omdat zij geen religieuze leiders, instituties of politieke partijen achter zich hebben en nauwelijks een gemeenschap vormen. Toch blijft deze groep maar groeien. De traditionele structuren om een dialoog tussen staat en religie te voeren voldoen daardoor niet meer. Jakarta moet dringend een nieuwe culturele strategie bedenken, als antwoord op de nieuwe, globale situatie waarin informatietechnologie dominant is en religieuze leiders lang niet iedereen meer bereiken. Anders zal de hoofdstad een geestelijke verlamming en verstikking tegemoet gaan.
Druk van de staat
Zowel op 4 november als op 2 december gingen in Jakarta islamitische demonstranten de straat op; ze eisten de veroordeling van de burgemeester van Jakarta wegens blasfemie. Deze Basuki Tjahaja Purnama, een christen van Chinese komaf, is zeer populair onder de bevolking. Toch wisten de 200.000 betogers bij de eerste demonstratie te bereiken dat de regering een gerechtelijk onderzoek naar hem gelastte. Tegelijkertijd doet een antiterroristische eenheid onderzoek naar mogelijke infiltratie van de demonstranten door twee radicale groeperingen: Jamaar Ansharut Daulah (JAD) en Khafilah Syuhada Al-Hawariyun, die mogelijk terreur willen zaaien.
Generaal Soeharto verbood deze titel in 1994, vanwege de grondige analyses van zijn beleid die erin verschenen. Een maand na de val van Soeharto in ’98 herrees Tempo uit de dood, en inmiddels bestaat er ook een Engelstalige online-editie. Pluriformiteit en vrije nieuwsgaring staan nog altijd hoog in het vaandel.
De kwaliteit van de studie politicologie in Libanon is beneden alle peil, klaagt een journalist van het dagblad As Safir. Dat komt doordat docenten hun colleges doorspekken met religieuze opvattingen. ‘Sommigen weigeren zelfs Marx en Engels te behandelen omdat ze atheïsten waren.’
Veel Libanese jongeren kiezen voor een studie politicologie. Helaas slaagt het merendeel voor zijn tentamens zonder over de vereiste kennis te beschikken of ook maar iets af te weten van methodologie. Hoe worden deze jonge mensen opgeleid die op een dag werkzaam zullen zijn als politicus, universitair onderzoeker of op het gebied van internationale betrekkingen?
Geconstateerd moet worden dat de politieke wetenschappen steeds meer politiek op zijn Libanees zijn geworden. Sommige docenten laten opzettelijk informatie achterwege die niet strookt met hun politieke overtuiging. Soms doorspekken ze hun colleges met religieuze opvattingen, zonder dat daar enige kritiek op komt.
Deze docenten vragen hun studenten bijvoorbeeld teksten te lezen waarin wordt uitgelegd dat ‘het economische project van de Europese Unie is mislukt omdat het niet het islamitische economische model heeft gevolgd’ of dat ‘de oplossing voor de wereldeconomie ligt in het overnemen van de economische regels van de gouden eeuw van de islam’.
‘Studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’’
Alle historische feiten worden op die manier verpulverd. De studenten leren dat de Sovjet-Unie ten onder is gegaan omdat ze ‘alcohol had gelegaliseerd’ en omdat het een regime was van ‘balletdanseressen, actrices en operazangeressen’. Dit alles wekt de indruk dat men colleges volgt over de persoonlijke opvattingen van deze of gene religieuze persoonlijkheid, waarbij een preek tot een verhandeling over economische theorie kan worden verheven. Daarmee wordt de studierichting politicologie een manier om het idee te verspreiden dat de islam een totaalsysteem is dat alle terreinen bestrijkt, niet in de laatste plaats dat van de politiek.
Omdat religie op de eerste plaats komt, worden de politieke theorieën van grote intellectuelen onder de mat geveegd. De studenten studeren vaak af zonder dat ze ooit van Marx en Engels hebben gehoord. Er zijn zelfs docenten die over deze twee filosofen weigeren te spreken omdat ze atheïsten waren. Een hoogleraar aan de Libanese universiteit weigerde college over Marx te geven omdat hij een ‘utopist’ zou zijn en achtte het voldoende als zijn studenten Deugdzame stad van Al-Farabi zouden lezen om het marxisme te doorgronden. Daarmee wordt Deugdzame stad het enige boek aan de hand waarvan de student geacht wordt de strekking van het communisme, de klassenstrijd en de kapitalistische uitbuiting te begrijpen.
Ook het politieke gedachtegoed van Michel Foucault wordt op een karikaturale manier samengevat en uiteindelijk aan onontkoombare morele opvattingen getoetst. Zelfs onderwerpen als de aanwezigheid van olie en aardgas in Libanon worden vanuit een bijzondere insteek behandeld. Als je sommige teksten mag geloven die op de universiteit circuleren, kunnen die alleen worden verdedigd [tegen veronderstelde Israëlische agressie] door de wapens van Hezbollah in te zetten.
Evenzeer kan men zich verbazen over leerstof waarin de ins en outs van de Libanese diaspora, met name in Afrika, tot racistische oprispingen leiden. Zo leren de studenten niet alleen dat de inwoners van Ivoorkust niet van de Libanezen houden die zich daar hebben gevestigd omdat ze hun banen inpikken, maar ook dat Libanese meisjes er de straat niet op durven uit vrees door jonge Ivorianen te worden lastiggevallen.
Persoonlijke opvattingen
Ten slotte zijn tijdens de tentamens de persoonlijke opvattingen van de docent van invloed op de antwoorden die de studenten geven. Ze zorgen er uitdrukkelijk voor dat ze de naam vermelden van de partij die hun docent aanhangt. En als ze het over leugenachtigheid in de Libanese politiek moeten hebben, zullen ze als voorbeeld een Libanese politicus gebruiken die tot het kamp van de tegenstanders van hun examinator behoort.
Het valt te betreuren dat op de Libanese universiteit het onderwijs in een belangrijk vak als politicologie zo weinig te maken heeft met wetenschap, en zelfs met politiek in de nobele zin van het woord, maar ontaardt in godsdienstlessen met een flinke vleug racisme en partijdigheid.
In het Westen hebben Saoedische predikers niet bepaald een goede reputatie. Maar in eigen land vindt men juist dat hun invloed veel beter benut kan worden.
Toen Saleh Al-Taleb, de imam van Mekka, begin april een reis door India maakte, was ik onder de indruk van het formidabele spektakel van honderdduizenden mensen die naar zijn preken kwamen luisteren. Maar wat nog meer indruk op me maakte, was de reactie van Saoedi’s, die trots foto’s van de gebeurtenis op sociale netwerken plaatsten.
Mijn eigen mobieltje is bedolven onder zulke beelden. Je zou ze moeten zien, die stralende gezichten van arme dorpelingen die haastig hun velden hebben verlaten om naar de imam te komen luisteren, of de verrukking van de eenvoudige ambtenaar die die dag niet naar kantoor is gegaan, en al die andere vertegenwoordigers van talrijke sociale categorieën, allemaal gelukkig om te kunnen bidden in het bijzijn van een imam uit de stad waar ze zich vijfmaal daags geknield naartoe wenden, Mekka. Ze hebben aandachtig naar zijn woorden geluisterd en hun hart en geest volledig opengesteld voor zijn aansporingen en de waarden die hij uitdraagt.
We zouden honderden religieuze tv-zenders moeten creëren, in alle talen, om ons tot de volkeren op de wereld te richten
Bovendien bestaat er een onvoorstelbaar aantal filmpjes van reizen die door andere door Mekka aangestelde imams zijn ondernomen, zoals die van de zeer eerwaarde Abderrahman Al-Soudais naar Pakistan, India en Maleisië. Zij, en niemand anders, zijn de ware ambassadeurs van ons land. Maar tot dusver hebben we het prestige dat onze imams over de hele wereld genieten onvoldoende benut. Daarom is het nodig zulke buitenlandse bezoeken beter te organiseren en te systematiseren, en ze vergezeld te laten gaan van intense campagnes in kranten en op tv.
Iedereen die de moslimmaatschappijen kent, is zich bewust van de aanzienlijke invloed van de Saoedische imams. Vandaar mijn oproep om daarvan te profiteren en er een bron van de ‘soft power’ van ons land van te maken. We zouden honderden religieuze tv-zenders moeten creëren, in alle talen, om ons tot de volkeren op de wereld te richten. Dat is iets wat, zonder zich in politieke kwesties te mengen, een aanzienlijke impact zou hebben tegen betrekkelijk geringe kosten.
De imam van Mekka.
We zouden ook andere universiteiten kunnen creëren, gefinancierd door privédonateurs, om studenten van over de hele wereld te ontvangen en hen te blijven volgen wanneer ze zijn teruggekeerd naar hun eigen land. Dat zou op de lange termijn erg profijtelijk zijn. Helaas heeft Iran dit idee van ons gestolen, om het sjiisme over de moslimwereld te verspreiden. [In juni 2015 bleek uit gelekte diplomatieke documenten hoeveel Saoedisch geld er wereldwijd gaat naar mensen die achter de Saoedische islam staan, met name met het doel om tegenwicht te bieden aan de invloed van het Iraanse sjiisme.] Onze beste ‘soft power’ om invloed te verwerven is ons religieuze prestige en de aanwezigheid op ons grondgebied van de twee belangrijkste islamitische heilige plaatsen. Laten we daar ten volle van profiteren.
De website Al-Khaleej Affairs richt zich voornamelijk op Saoedische kwesties. Weliswaar worden er teksten van intellectuelen uit het hele Golfgebied op gepubliceerd, maar het zijn vooral Saoedi’s die aan het woord komen, met inbegrip van tegenstanders in ballingschap. Ook publiceert de site kritische artikelen uit de buitenlandse pers.
Waarom zijn er in de VS geen aanslagen als in Parijs en Brussel, en vertrekken er zo weinig Amerikaanse moslims naar Syrië? Voor het antwoord op die vragen moet je in ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ zijn: Dearborn, Michigan.
Van alle Amerikaanse voorsteden lijkt Dearborn, Michigan, misschien wel het meest op Molenbeek, waar de terroristen vandaan kwamen die de aanslagen pleegden op het vliegveld en in de metro van Brussel en afgelopen najaar in Parijs. Deze gewone voorstad van Detroit, die wel ‘de Arabische hoofdstad van Noord-Amerika’ wordt genoemd, heeft de grootste moskee van het land; in Dearborn vind je ook het Arabisch Museum, Arabische cafés, en halal beefburgers. De laatste tijd is Dearborn doelwit van rechtse angstzaaierij en bijtende, islamofobe commentaren. Ron Haddad, hoofd van de politie in Dearborn, vertelt dat hij op reizen door het land altijd maar één vraag krijgt. ‘Dan komt er iemand naar me toe, priemt zijn vinger in mijn gezicht, en vraagt: “Zullen de mensen in uw gemeenschap terroristische daden bij jullie melden?”’
Wat ze bedoelen is: zullen moslims andere moslims aangeven? Haddad heeft dan zijn antwoord klaar: ‘Niet alleen zouden ze dat doen, ze doen het ook,’ zegt hij. ‘Ze hebben het al gedaan.’
Amerikaanse moslims zijn sterker geassimileerd en patriottischer
Dearborn en Molenbeek, ze verschillen van elkaar als dag en nacht. In een stad waar bijna een derde van de 95.000 inwoners Arabisch-Amerikaans is, heeft Haddads politiedienst een wijdvertakt netwerk aan contacten in de islamitische gemeenschap. Zijn politiemensen gaan geregeld op bezoek bij de achtendertig scholen en de vele moskeeën die de stad telt. Haddad ondersteunt een programma dat ‘Stepping Up’ heet, en dat onder andere een jaarlijkse prijsuitreiking organiseert voor bewoners die criminele activiteiten aangeven. De afgelopen jaren heeft zeker twee keer per jaar een moslimvader die zich zorgen maakte over de invloed van IS of andere onlinepropaganda op zijn kind, zijn eigen zoon aangegeven. Ook is het voorgekomen dat leerlingen van een overwegend islamitische middelbare school problemen rond een medeleerling kwamen melden.
Dat komt volgens Haddad deels doordat er een plek is waar ze hun meldingen kúnnen doen, en deels doordat ze zich verbonden voelen met de rest van Dearborn, Michigan en de Amerikaanse samenleving. Het contact- en informantenprogramma dat hij leidt wordt door de Amerikaanse politie- en contraterrorisme-autoriteiten als voorbeeld gezien. En het is maar één klein onder- deel van de weinig bekende, maar wijdverbreide inspanningen die in het hele land gaande zijn om netwerken op te bouwen binnen moslimgemeenschappen. Dat gebeurt zowel op landelijk als op federaal niveau, en binnenkort gaat er een nieuw financieringsprogramma van start voor deze inspanningen. Toch zijn slechts weinig Amerikanen van deze ontwikkelingen op de hoogte.
In de race om het Amerikaanse presidentschap is het antimoslimsentiment weer een geliefd onderwerp, en niet alleen bij Donald Trump, met zijn voorstel om moslims te weren. Ook Ted Cruz heeft zijn steentje bijgedragen, toen hij zei: ‘We moeten de politie de middelen geven om de orde in islamitische wijken te handhaven, voordat die radicaliseren.’
Amerikaanse politiemensen die betrokken zijn bij de pogingen om terrorisme tegen te gaan, voelen zich hier bepaald niet prettig bij: volgens hen is er al veel contact tussen Amerikaanse moslimgemeenschappen en de Amerikaanse politie- en inlichtingendiensten. En die gemeenschappen blijken niet ‘geradicaliseerd’ te zijn, maar juist verbazingwekkend coöperatief. Verschillende bronnen binnen de Amerikaans politie- en inlichtingendiensten schetsen een beeld van een grotendeels stilgehouden maar wijdverbreide manier van werken: om terrorisme tegen te gaan en inlichtingen te verkrijgen is de federale overheid diep doorgedrongen in moslimgemeenschappen. Hun aanpak bestaat niet zozeer uit surveilleren, maar uit geavanceerde, zij het soms inbreukmakende programma’s gericht op het versterken van contacten en het winnen van informanten. Het resultaat is volgens Amerikaanse functionarissen dat Amerikaanse moslimwijken veel meer meewerken aan het bestrijden van islamitisch terrorisme dan hun Europese tegenhangers.
Bij de bron
Onlangs ging de grootste van deze federale programma’s van start: een taskforce met vertegenwoordigers van de verschillende diensten, gecoördineerd door het ministerie van Binnenlandse Zaken. Dat betekent dat geld en bevoegdheden die voorheen altijd over verschillende diensten waren verdeeld nu voor het eerst op één plek terechtkomen. Als onderdeel van dat programma zet de FBI zogenaamde ‘Shared Responsibility Committees’ op, waarin mensen uit de federale (FBI) en plaatselijke politie, de geestelijke gezondheidszorg, binnenstads- en schoolprogramma’s, maatschappelijk werkers en imams en andere religieuze leiders samen een aanpak bedenken – en tevens verdacht gedrag onder de aandacht van de FBI brengen.
Het gaat er niet om verdachten in de val te lokken, zeggen de autoriteiten. De bedoeling is juist om de vervreemding bij de bron aan te pakken en jonge mensen die zich aangetrokken voelen tot IS of andere radicale propaganda, op andere gedachten te brengen en ze via therapie en gespreksgroepen terug te brengen naar de samenleving, voordat het te laat is. Maatschappelijk werkers en therapeuten zullen toegang krijgen tot geheime informatie en de Shared Responsibility Committees zullen onder andere bespreken of er sprake is van duidelijk misdadige opzet en of ‘alternatieve straffen’ in plaats van lange gevangenisstraffen misschien beter zullen werken.
Maar natuurlijk geeft het programma ook een stevige basis aan het informantennetwerk van de FBI. Er is veel discussie geweest over dit soort programma’s. In New York maakte burgemeester Bill de Blasio een eind aan een controversieel profilingprogramma van het New York Police Department dat volgens de Amerikaanse burgerrechtenorganisatie ACLU [American Civil Liberties Union] zo ongeveer elke mannelijke moslim als verdachte aanmerkte.
In de val
Een van de middelen die het hoofd van de FBI kan inzetten in de strijd tegen potentiële terroristen – via agressieve undercoveroperaties – staat in de ogen van veel mensen bovendien gelijk met ouderwets in de val lokken. Uit een onderzoek uit 2014 door Human Rights Watch bleek dat ‘in sommige gevallen de FBI misschien wel terroristen heeft gemaakt van gezagsgetrouwe individuen door infiltratieoperaties uit te voeren die de bereidheid van het doelwit om een aanslag te plegen onderzocht en die vervolgens faciliteerde’. In het geval van de ‘Newburgh Four’ (vier moslimmannen uit Upstate New York die in 2014 door de FBI in de val werden gelokt en gearresteerd), zei een rechter dat ‘de overheid de misdaad en de middelen leverde en alle relevante belemmeringen uit de weg ruimde.’
Volgens politiefunctionarissen zijn deze methodes wel degelijk effectief, al hebben ze ‘lone wolf’-aanslagen, zoals de schietpartij in San Bernardino en de bomaanslag op de marathon van Boston in 2013, niet weten te voorkomen.
De Amerikaanse aanpak van moslimgemeenschappen is in het algemeen genuanceerder dan die in Frankrijk, waar de politie duizenden moslims in de gaten houdt die niets te maken hoeven te hebben met terreurplannen. En veel waarnemers geloven dat die genuanceerdheid een grote rol speelt bij het beantwoorden van die grote vraag: waarom hebben de Verenigde Staten, die toch lange tijd het hoofddoelwit zijn geweest van jihadistische haat, geen terreurprobleem van eigen bodem zoals Europa?
De agressieve FBI-operaties staan volgens velen gelijk aan uitlokking
Enkele redenen liggen voor de hand. Europa is geografisch verbonden met Syrië en andere terroristische vrijhavens, en de VS is dat niet. Maar de meeste deskundigen zijn het erover eens dat een deel van de verklaring ligt in de Amerikaanse moslimgemeenschappen zelf. De Amerikaanse moslims zijn veel sterker geassimileerd en patriottischer dan de vervreemde islamitische onderklasse in Frankrijk en België – die vaak bestaat uit ontevreden Algerijnse of Marokkaanse jongeren. En volgens Amerikaanse autoriteiten zijn Amerikaanse moslims zelf enorm behulpzaam geweest bij het verhinderen van aanslagen. ‘In de meer dan tien jaar dat ik nu bij de federale overheid werk, zijn Arabische en Zuid-Aziatische islamitische gemeenschappen in het hele land een van de grootste hulpbronnen geworden voor de bescherming van de veiligheid van ons land en het bevorderen van de Amerikaanse waarden,’ zegt George Selim, die bij Binnenlandse Zaken verantwoordelijk is voor de nieuwe taskforce.
Volgens radicaliseringsexpert Jessica Stern is één probleem voor IS-ronselaars in Amerika – waarvandaan procentueel tien keer minder moslims geprobeerd hebben af te reizen naar Islamitische Staat dan vanuit veel West-Europese landen – dat ‘Amerikaanse moslims gewoon te gelukkig zijn. Uit opiniepeilingen blijkt dat Amerikaanse moslims patriottisch zijn. Zij zijn aantoonbaar gelukkiger met de koers van het land dan niet-moslims. Als jongeren in de verleiding komen om zich bij een jihadistische groep te voegen, doen hun ouders vaak alles om ze tegen te houden. Gelukkig heeft de politie in verscheidene Amerikaanse steden een goede vertrouwensband met ze opgebouwd.’
Dearborn en Molenbeek verschillen van elkaar als dag en nacht
Een aantal gevallen in de afgelopen jaren illustreert hoe bepaalde situaties in de Verenigde Staten uit hadden kunnen groeien tot aanslagen à la Brussel, maar dat niet deden. In 2010 werd Farooque Ahmed, een genaturaliseerde Pakistaan uit Noord-Virginia, aangegeven door iemand uit zijn moskee en vervolgens aangeklaagd wegens het beramen van een aanslag op metrostations. In 2014 werd de FBI door een plaatselijke informant gewaarschuwd dat drie islamitische tieners van plan waren zich bij IS in Syrië te voegen.
Maar zoals altijd verplaatst de dreiging zich. John D. Cohen, die aan het hoofd stond van het programma tegen gewelddadig extremisme van Binnenlandse Zaken en nu doceert aan Rutgers University, zegt dat de IS-dreiging nu diffuus is en wordt verspreid via internet, zodat het niet veel zin meer heeft om zich op speciale moslimgemeenschappen te richten – althans niet in de Verenigde Staten. ‘Wat we nu zien is dat terroristen in spe niet gewoon in moslimgemeenschappen leven, en zelfs niet altijd een islamitische achtergrond hebben,’ zegt Cohen. ‘Het gaat vaak om verwarde mensen die hun leven betekenis willen geven door voor zo’n zaak te gaan vechten. Ze weten vaak nauwelijks iets van de islam.’
Het is ook een kwestie van het efficiënt uitwisselen van inlichtingen, een belangrijk onderdeel van de inspanningen van Binnenlandse Zaken, dat in Europa veel minder ver gevorderd is. ‘Er zijn twee verschillen met West-Europa,’ zegt Cohen. ‘De ene is dat de immigrantengemeenschappen daar veel minder vertrouwen hebben in de politie en in andere mensen. Maar de andere reden waarom wij in dit land zo veel aanslagen hebben ontdekt en voorkomen, is dat de inlichtingenstroom tussen plaatselijke en nationale diensten ongelooflijk verbeterd is sinds 9/11. Ik vermoed dat de informatie over de verdachten die Turkije doorgaf aan de Belgische autoriteiten, wel naar de inlichtingendienst ging, maar misschien niet naar politiemensen. Het zou wel eens kunnen dat die er niet vanaf wisten.’
Schadelijk
In de Verenigde Staten vrezen veel betrokkenen nu dat de antimoslimretoriek uit de verkiezingscampagne schadelijk is voor hun zo zorgvuldig opgebouwde programma’s, waaronder ook de nieuwe task force.
Haddad in Dearborn en andere Amerikaanse politiemensen zijn bang dat deze nieuwe golf openlijke islamofobie de radicalisering die zij juist hebben geprobeerd te beteugelen, weer aanwakkert. Tot nu toe lijken hun inspanningen te werken: Charles Kurzman, socioloog aan de University of North Carolina, zegt dat het relatief kleine aantal moslims in Amerika dat zich aangetrokken voelde tot de IS-ideologie, de laatste tijd nog verder is afgenomen. ‘Het aantal dat naar het buitenland wil reizen (waarschijnlijk naar Islamitische Staat) was tussen half 2014 en half 2015 op zijn hoogtepunt en is daarna aanzienlijk gedaald. Een mogelijke reden daarvoor is dat de aantrekkingskracht van IS is afgenomen door de gewelddadige en wrede beelden.’
Politico
Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000
Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.
Binnen de islamitische wereld wordt fel gedebatteerd over de noodzaak om de religie te moderniseren. Maar volgens de Libanese schrijver en filosoof Ali Harb kan dat helemaal niet.
Welke relatie heeft de islam met het terrorisme dat momenteel over de hele wereld dood en verderf zaait? Sinds de aanslagen van 11 september haalt deze vraag regelmatig de krantenkoppen en maakt heftige, soms hatelijke polemieken los. Volgens sommigen is het terrorisme een uitwas, dat met de echte islam niets te maken heeft. Zij worden blind genoemd. Anderen denken dat deze religie fundamenteel gewelddadig is; hen wordt islamofobie verweten.
Zo nu en dan halen beide kampen daarbij verzen uit de Koran aan, waarmee ze ofwel de barbaarsheid van de islam, of juist haar tolerante natuur willen aantonen. Ze vergeten echter dat een religie nooit tot een heilig boek kan worden gereduceerd. Vóór alles is het een eeuwenoude praktijk, gekristalliseerd in een veelvoud van instituties en culturele gebruiken. Je kunt ook niet alle communistische regimes herleiden tot Het Kapitaal van Marx en Engels.
Ali Harb weigert om de essentie van een religie uit een heilig boek te destilleren. Volgens de Libanese schrijver en filosoof hoef je de Koran maar te lezen om te zien dat je er alles uit kunt opmaken, maar altijd ook precies het tegendeel. Er is dus een andere methode, een ander perspectief nodig. Je kunt de islamitische religie ook zien als een heilsopvatting, een denksysteem dat, net als het christendom, het jodendom, maar ook twintigste-eeuwse ‘religies’ als het communisme en fascisme, een absolute waarheid zegt te verkondigen.
Vanuit die optiek is een potentiële terrorist wel degelijk innig verbonden met de islam. In zijn laatste boek, Le terrorisme et ses créateurs: le prédicateur, le tyran et l’intellectuel, werkt Harb dit idee verder uit.
De impliciete definitie van terrorisme waarop u de stellingen uit uw boek baseert lijkt me vrij ruim. Het gaat zowel om gewelddaden als om denksystemen…
‘Ik denk inderdaad dat het terrorisme in de eerste plaats een intellectuele houding is. Die van iemand die gelooft dat alleen hij de absolute waarheid bezit en alleen hij het recht heeft om uit naam van die waarheid te spreken. Zo’n waarheid kan in de religieuze, politieke, sociale of morele sfeer liggen. Hij kan bijvoorbeeld gaan over God, over de staat, het socialisme, de vrijheid of het humanisme. Daarnaast is het terrorisme ook een handelswijze: je zo opstellen alsof jij alleen de waarheid in pacht hebt en andersdenkenden of tegenstanders daarom mag uitsluiten. De manier waarop kan symbolisch zijn, door excommunicatie of door iemand tot landverrader te bestempelen, of – fysiek – door uitroeiing of moord. Het devies van de terrorist is: jij moet net zo denken als ik, anders beschuldig en veroordeel ik je. In die zin kun je zeggen dat zowel de prediker met een vastomlijnd religieus programma, de tiran die werkt aan de uitvoering van een politiek project en de intellectueel die schrijft dat de maatschappij door een revolutie moet veranderen, allemaal terrorisme bedrijven. De prediker excommuniceert, de tiran veroordeelt en bestempelt mensen tot verrader, de intellectueel theoretiseert en de activist of jihadist ageert en doodt mensen.’
Halen islamitische terroristen hun inspiratie uit totalitaire regimes uit het verleden?
‘Ze zijn zeker beïnvloed door de voorbeelden van Franco, Hitler en Mussolini, door hun manier van regeren en hun technieken om mensen op te zwepen en mee te krijgen, ze in een kudde te veranderen die onophoudelijk dezelfde kreten scandeert. Dit dualisme van een verafgode leider en de massa die hem aanbidt is van vrij recente datum. Aan de andere kant dragen totalitaire regimes, ondanks hun moderne en seculiere insteek, in feite religieus gedachtegoed uit, zoals blijkt uit de verheerlijking van hun denkwijze en van hun opperste leider.’
Tolerantie maakt elke vorm van dialoog al bij voorbaat onmogelijk. Alleen door een volledige erkenning van de ander kan een individu zijn narcisme doorbreken en een werkelijke dialoog aangaan
Wat bedoelt u ermee dat een gematigde en tolerante moslim niet bestaat?
‘Elke monotheïstische religie bergt een onuitputtelijk reservoir van gewelddadigheden in zich. Dat potentieel is er altijd, als een virus dat het in zijn genen met zich meedraagt. Daarbij maakt het niet uit of die religie gebaseerd is op de uitsluiting van de ander, op het onderscheid tussen gelovigen en ongelovigen, of tussen aanhangers en vijanden. Het is er altijd. Die gewelddadigheid wordt bij de islam nog versterkt door een extra onderscheid: dat tussen puurheid en bezoedeling. Dat concept is wel het meest schandalige aan het islamitische religieuze gedachtegoed: een niet-moslim is een bezoedeld, onzuiver wezen. Het is een uiterst doortrapte vorm van symbolisch geweld. En daarom durf ik te beweren dat er geen moslim bestaat die trouw is aan de dogma’s en gebruiken van zijn religie en tegelijk gematigd en tolerant is, behalve als hij hypocriet is, of de leerstellingen ervan niet begrijpt of zich ervoor schaamt.
Het meest in het oog springende voorbeeld hiervan is de relatie tussen soennieten en sjiieten. Na eeuwen van conflicten en vijandigheden is de voorzichtige toenadering tussen deze twee groepen niet zozeer te danken aan de gematigdheid en tolerantie waar hun leerstellingen zogenaamd blijk van zouden geven, maar veel meer aan hun opname in de instellingen van de moderne maatschappij: scholen, universiteiten, economische markten, het bedrijfsleven… Maar zodra ze allebei hun oude opvattingen weer gingen belijden barstte het conflict weer los, zij het op een nog wredere en destructieve manier. Ik aarzel dan ook niet om te zeggen dat deze twee “religies” vijandiger tegenover elkaar staan dan tegenover het Westen of Israël.’
Ali Harb.
U schrijft dat religies pas tolerant worden nadat ze zijn verslagen. De enige oplossing voor onze maatschappij zou volgens u dus zijn om de islam te verslaan, zoals Europa het christendom overwon in de tijd van de verlichting? Of kan de islam toch worden hervormd?
‘Nee, hervormen kun je de islam niet. Elke poging om dat te doen, of het nu in Pakistan, in Egypte of elders was, heeft gefaald en alleen maar tot terroristische denkwijzen geleid. Om die reden verwacht ik weinig van de vernieuwing van het religieuze gedachtegoed die sommige moslims en zelfs niet-moslims voorstaan. De enige uitweg is een nederlaag van het hele religieuze project, zoals het belichaamd is in islamitische instellingen en machtsstructuren, met hun gemummificeerde ideeën en steriele methoden. Verder sta ik ook buitengewoon kritisch tegenover het concept van tolerantie, dat ik beschouw als een schandelijk aspect van het religieuze denken. Het impliceert een soort verdraagzaamheid van de kant van de gelovige tegenover degenen die met hem van mening verschillen, maar gelijktijdig worden zij als zondaars, ongelovigen en afvalligen gezien, die de mensheid beschamen. Daardoor maakt tolerantie elke vorm van dialoog al bij voorbaat onmogelijk. Alleen door een volledige erkenning van de ander kan een individu zijn narcisme doorbreken en een werkelijke dialoog met hem aangaan.’
Moeten we de opleving van het terrorisme van de laatste jaren zien als een teken van de vitaliteit en veranderlijkheid van de islam?
‘Het idee dat religieuze verschijnselen van vitaliteit blijk geven, gaat terug op een bekende uitspraak van Malraux over de “terugkeer van het religieuze”. Religie is overduidelijk terug van weggeweest, maar die terugkeer is angstaanjagend en heeft van de jihadist een monster en een beul gemaakt. Maar we moeten ons niet laten inpakken door woorden als “terugkeer” of “vitaliteit”. Elk fenomeen en elke activiteit heeft twee gezichten: aanvankelijk is het iets goedaardigs, maar als we het niet kunnen aanpassen en laten evolueren, kan het ontaarden en schadelijk worden. Momenteel is dat bijvoorbeeld in Frankrijk aan de hand: het sociale en economische model, ooit het beste van Europa, is versleten en moet nodig hervormd worden, maar Frankrijk lijkt daar niet toe in staat. Op dezelfde manier denk ik niet dat het religieuze project van de islam, zoals het meer dan een eeuw geleden opnieuw werd geformuleerd, getuigt van vitaliteit of creativiteit. Wat er momenteel leeft in de islamitische wereld is niet meer dan een simpele wens tot regressie naar het verleden, plus een verlangen om wraak te nemen op het Westen.
Ook denk ik dat overal waar ze de macht grepen, islamisten hun pogingen om een eigentijdse vorm van islam te verwezenlijken hebben zien mislukken. Terroristische organisaties als IS werken hun eigen vernietiging in de hand, net als die van het religieuze gedachtegoed in het algemeen. Daarmee bedoel ik dat de Arabische samenlevingen deze verschrikkingen, deze catastrofes, bloedbaden en burgeroorlogen zullen moeten doorstaan, om zich ervan te overtuigen dat de islam geen basis is om een moderne en ontwikkelde maatschappij op te bouwen. Een verzoening tussen de islam en de moderniteit of het Westen is gewoonweg niet mogelijk.’
Een idee moet eerst een creatieve transformatie ondergaan voordat het op een bepaald vlak naar behoren in de praktijk kan worden gebracht
Waarom zegt u dat de intellectuele elites hebben bijgedragen aan de opkomst van het religieus fundamentalisme?
‘Zij hebben er op twee manieren aan bijgedragen. Ten eerste door de mislukking van hun modernisering- en hervormingsplannen. Hun houding was utopisch. De ideeën waar ze voor stonden, probeerden ze op een volstrekt simplistische manier in de praktijk te brengen. Ze zagen het als absolute waarheden, vaststaande modellen die één op één op de werkelijkheid konden worden toegepast. Terwijl een idee in elke maatschappij eerst een creatieve transformatie moet ondergaan voordat het op een bepaald vlak naar behoren in de praktijk kan worden gebracht. Ten tweede hebben sommige intellectuelen despotische regimes gesteund, zowel van seculiere als van theocratische snit, onder het voorwendsel dat die tegen de hegemonie van de Verenigde Staten zouden strijden. De bekendste verkondiger van dat standpunt is waarschijnlijk wel Chomsky. Hij stelt dat de geloofwaardigheid van een intellectueel eraan af te meten valt hoeveel weerstand hij biedt aan het Amerikaanse beleid. Daarmee heeft hij de weg gebaand voor veel Arabische intellectuelen, die zich vervolgens in de armen van tirannen stortten.’
Auteur: Tarek Abi Samra
Vertaler: Valentijn van Dijk
Cultureel supplement van de gefuseerde kranten L’Orient en Le Jour uit Beiroet. Mooie bijdragen van schrijvers en denkers. Profileert zich als modern, maar richt zich tegelijk vooral op christelijk Libanon.
De piepjonge Oussama Khallouf (20) preekt elke vrijdag in de moskee van Bonneville in de Haute-Savoie. Met in Frankrijk opgeleide imams zoals hij hoopt de regering-Hollande radicalisering tegen te gaan.
Hij is een fan van carpoolplatform BlaBlaCar, ‘want een student groeit het geld niet op de rug’. Om twaalf uur ’s middags carpoolt Oussama vanaf zijn school in Château-Chinon in de Nièvre naar het huis van zijn ouders in Mâcon. Na een korte tussenstop reist hij met een deelauto verder naar Bonneville in de Haute-Savoie, waar hij sinds twee maanden elke vrijdag, de dag van het grote gebed, als imam fungeert. Met zijn spijkerbroek en basketbalschoenen, jack, stoppelbaardje en zijn iPhone in zijn hand ziet Oussama Khallouf er, buiten de moskee, doodgewoon uit. En zijn glimlach zal menig meisje in vervoering brengen. Daar beginnen we maar niet over, want hij geeft vrouwen maar zelden een hand, ‘niet omdat ze minderwaardig of onrein zouden zijn, zoals sommige mensen zeggen, maar uit respect, omdat de hand een deel van het lichaam is’. Daar komen we later op terug.
Koranconcours
We ontmoeten hem op de eerste verdieping van een gebouw in het centrum van Bonneville, op vijftig meter van de kerk. De gebedsruimte is krap maar de gelovigen schikken in. Je kunt hier niet buiten bidden, ‘want soms vallen er stenen uit het oude kasteel’, grapt Abdelkrim, een gelovige. Oussama heeft een witte qamis (lang gewaad) aangetrokken, met een capuchon in dezelfde kleur. Gezeten op zijn minbar (stoel) houdt hij in het Arabisch en Frans een preek over broederschap en het verbod op kwaadspreken. Twintig jaar en nu al prediker? De oude mannen die naar hem luisteren zitten er niet mee. Ze respecteren zijn eruditie en voordrachtskunst. Want deze jongeman kende op zijn twaalfde al de Koran uit zijn hoofd. In 2014 was hij finalist tijdens het twaalfde nationale Koranconcours in Parijs, waar de deelnemers gememoriseerde teksten moesten voordragen.
Maar Oussama is in de eerste plaats student aan het Europese Instituut voor Menswetenschappen (IESH) in Château-Chinon, dat in 1992 is geopend door de aan de Moslimbroeders gelieerde Unie van Islamitische Organisaties in Frankrijk (UOIF). De school levert elk jaar een tiental in Frankrijk opgeleide imams af. Een beroepsopleiding die hoog op het verlanglijstje van de Franse overheid stond en sterk wordt aangemoedigd sinds de aanslagen van januari en november in Parijs. De studenten worden er tijdens hun opleiding aan herinnerd dat ze in een niet-confessionele maatschappij leven met diverse politieke, religieuze en filosofische stromingen. ‘Dit soort scholen is een alternatief voor buitenlandse opleidingen waar alleen maar Arabisch wordt gesproken en de Franse cultuur wordt miskend,’ benadrukte onlangs Frans premier Manuel Valls.
‘Vóór de komst van de islam waren meisjes geen mensen’
‘Ik ben geboren in Marokko maar op mijn dertiende bij mijn vader in Mâcon gaan wonen. Hij is ook imam. Ik wilde naar deze school om mijn kennis van de islam te verdiepen en die vervolgens te kunnen uitdragen. Wij krijgen na drie jaar een diploma en als je resultaten goed zijn kun je daarna voor een doctoraat gaan,’ legt hij uit. Elke lichting telt tweehonderd studenten, zestig procent mannen (vaak met baard) die niet allemaal imam worden, veertig procent vrouwen (voor het merendeel gesluierd) die zijn voorbestemd voor een carrière als vwo- of universiteitsdocent of onderzoeker.
Tijdens de colleges zitten de meisjes achter de jongens. Is dat normaal? ‘Vóór de komst van de islam waren meisjes geen mensen, ze werden vaak al bij hun geboorte gedood en de moslims hebben hen beschermd en een bestaan gegeven,’ betoogt Oussama. ‘De sluier beschermt hen ook,’ voegt hij eraan toe.
Het collegegeld bedraagt 3500 euro per jaar. Dat is duur, dus Oussama moet de eindjes aan elkaar knopen. De moskee in Mâcon houdt collectes om hem te helpen en ook de Culturele Maghrebijnse Vereniging van Bonneville draagt wat bij. ‘Wij betalen zijn vervoer en we geven hem eten en onderdak,’ zegt Djamal Benchabana, EHBO-arts en een van de leidende figuren in de plaatselijke moslimgemeenschap.
Fundamentalisme
Maar waarom zou je zo ver zoeken naar zo’n jonge imam? Antwoord: ‘De onze is oud en hij preekt alleen in het Arabisch. En we hebben hier jongeren die ons veel zorgen baren. We dachten dat Oussama misschien een goede invloed op hen zou kunnen hebben.’ Het gaat om een groep van zo’n twintig geradicaliseerde jongeren die hun eigen vereniging hebben gevormd, een eigen prediker hebben en op internet naar ‘van alles en nog wat’ zoeken, zeggen de ouderen. Deze jongeren zijn bekend. In het begin waren het er drie, werkloos, cannabisdealers. ‘Ze begonnen naar de moskee te komen maar ze gedroegen zich slecht, er werd gevreesd dat ze de andere jongeren zouden aansteken en dus zijn ze eruit gezet,’ licht Oussama toe.
Ze hebben op straat andere vrienden gevonden maar zouden de drugshandel hebben verruild voor een radicale beoefening van hun godsdienst. ‘Het gevaar is dat ze veldwerk verrichten,’ voegt Oussama eraan toe. Hij vertrouwt ons toe dat ze hem al zijn komen ‘testen’, dat wil zeggen, naar hem zijn komen luisteren.
Wat zou hij tegen hen kunnen zeggen? Op school wordt hij ingewijd in de Franse socioculturele realiteit, maar daar weet Oussama al heel veel van. ‘De sociale misstanden en onrechtvaardigheden zijn de eerste redenen om te radicaliseren,’ benadrukt hij. De vallei van de Arve en de daar gevestigde fijnmechanische industrie, die bloeide in de jaren zeventig van de vorige eeuw, boden werk aan duizenden Noord-Afrikanen. Hun kleinzoons leven in een heel andere tijd, waar de werkgelegenheid schaars is. Oussama vervolgt: ‘Ik heb al geradicaliseerde jongeren ontmoet, ik stel ze vragen om hun kennis te testen en ik zeg ze dat ze niet in staat zijn om het woord van de Profeet te begrijpen. Maar ze halen bepaalde dubbelzinnige Koranverzen aan die door videopredikers naar eigen goeddunken worden uitgelegd. Het lijkt onmogelijk om ze ervan te overtuigen dat ze het mis hebben, maar de islam is een geduldige godsdienst, dus leg ik al mijn geduld in de schaal.’
Ook van de moslims in Bonneville wordt veel geduld gevraagd voordat de plaatselijke overheid bereid is hun een terrein te verkopen voor de bouw van een ‘echte’ moskee. Die zou in 2018 moeten opengaan: 4200 vierkante meter, plaats voor 700 gelovigen, een moderne architectuur met een koepel en een school om Arabisch en de Koran te leren.
Oussama denkt dat zo’n open, moderne plek het gevoel van trots en waardigheid kan vergroten en het fundamentalisme kan inperken. Hij heeft zin om er voltijds ‘aan de slag’ te gaan zodra zijn doctoraat binnen is.
CONTEXT: Niet te veel islamitische realiteit alsjeblieft!
Om in 2017 herkozen te worden riep François Hollande op tot verscherping van de veiligheidsmaatregelen en verlenging van de noodtoestand. Aan de andere kant ‘wil hij de 85 procent van de moslimbevolking die in 2012 op hem heeft gestemd niet tegen zich in het harnas jagen’, aldus The Wall Street Journal. Daarom ‘doet hij niet echt een poging om de radicale islam te definiëren, noch om actief op te treden tegen de rol die deze dikwijls speelt in de voorsteden van Parijs, Lyon en Marseille.’
‘Niet te veel islamitische realiteit alsjeblieft!’ lijkt het motto van de Franse autoriteiten volgens dit Amerikaanse hoofdartikel. ‘Het begint bijzonder politiek incorrect te worden om de islam in Frankrijk te associëren met een rechtvaardiging en motivering voor de gruwelen van het Franse jihadisme.’ Een houding die The Wall Street Journal inspireert tot de opmerking dat niemand veilig is, van de Noordzee tot aan de Middellandse Zee. ‘Wie leeft er nog meer met vijftienduizend “streng islamitische” salafisten in zijn buurt?’
Auteur: Christian Lecomte
Vertaler: Peter Bergsma
Le Temps Zwitserland, dagblad, oplage 49.000
Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien, Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.