In Frankrijk doet men niet moeilijk over een buitenechtelijk avontuurtje. Volgens de Franse Hoge Raad is het zelfs moreel aanvaardbaar. Waar komt die tolerantie vandaan?
Het is nieuws dat boekdelen spreekt, maar waarover toch maar weinig gesproken wordt: ontrouw is in Frankrijk niet langer in strijd met de moraal. Zo oordeelde onlangs de Franse Hoge Raad in een zaak waarbij Valérie Trierweiler, de ex van president Hollande, betrokken was. Belangrijkste argument van de Raad: ontrouw is al veertig jaar niet meer strafbaar (sinds de wet van 11 juli 1975), en dus moet je niet vreemd opkijken dat mensen soms een scheve schaats rijden.
De beslissing is de laatste in een lange rij gebeurtenissen die van Frankrijk niet alleen het land van de rechten van de mens maken, maar ook van de rechten van de ontrouwe mens. Vanwaar deze tolerantie? In de eerste plaats misschien omdat Fransen een beperkte definitie van bedrog hanteren. Deze kent twee varianten: of je bent een opportunist en hebt een tijdelijk avontuurtje, of je kiest ronduit voor een geheim dubbelleven, met twee huizen, twee Netflix-abonnementen en twee labradors.
Flirten is geen bedriegen
In de Verenigde Staten, daarentegen, is de zaak krankzinnig complex. Daar spreekt men van geautoriseerde ontrouw (in Frankrijk zouden we zoiets een vrije relatie noemen, zeker geen bedrog), van ontrouw om materiële redenen, van emotionele (platonische) ontrouw die onbedwingbaar kan zijn (voor de polyamoureuzen met een affectieve verslaving), van medische ontrouw (nymfomanie), van ontrouw uit wraak (‘als jij buiten de pot piest doe ik het ook’), van onbedoelde ontrouw (de erotische droom, maar ook, in sommige culturen, de ondergane verkrachting), de terechte ontrouw (als je geen enkele band meer hebt met je partner), de sabotageontrouw, bedoeld om je relatie kapot te maken, en ten slotte de financiële ontrouw, die impliceert dat je je uitgaven geheimhoudt, en eventueel ook je schulden (26 procent van de Amerikaanse mannen zou zijn banksaldo graag privé houden en 6 procent heeft een rekening waarvan zijn partner het bestaan niet kent).
Daar komt nog bij dat de meeste Amerikanen het al als ontrouw beschouwen als je iemand zoent, bij iemand op schoot zit of iemands hand vasthoudt. 44 procent vindt met iemand uit eten gaan een vorm van ontrouw (R.I.P. man-vrouwvriendschappen). Een beetje kras als je weet dat bijna de helft van ons aan een ander denkt tijdens het vrijen.
Terug naar deze kant van de Atlantische Oceaan: de meeste Fransen zijn het erover eens dat zoenen bedriegen is. Maar met iemand anders flirten is geen probleem, wat betekent dat verleiden niet telt (je kunt dus prima een lamskoteletje nuttigen met een verleidelijke vriend, en misschien zelfs je decolleté op orde brengen terwijl je zijn enkel streelt).
Het hoeft dus niet te verbazen dat wij het Europese land zijn dat het meest bereid is om te gaan kijken of het gras aan de overkant groener is. Volgens een onderzoek uit 2014 van Ifop [het Franse instituut voor publieke opinie] is 55 procent van de Franse mannen weleens ontrouw geweest, tegen 32 procent van de Franse vrouwen. Tel daar nog een derde bij op dat vindt dat je zoiets nooit moet toegeven, en je hebt de score van een bananenrepubliek.
Ook is er geen land ter wereld dat ontrouw zo makkelijk vergeeft als het onze: voor 53 procent van de Fransen is zoiets moreel aanvaardbaar. Onze grootste concurrent op het gebied van acceptatie is Duitsland, maar daar zakken we al naar 40 procent. De Verenigde Staten? 16 procent. Turkije en de Palestijnse gebieden zitten aan de andere kant van het spectrum, met 6 procent.
De protestantse landen zijn ‘braver’ dan de Latijnse landen, een dijk van een cliché dat echter wel statistisch bewezen wordt
Wat voor conclusie moeten we nu trekken uit onze uitzonderingspositie? Persoonlijk zou ik deze ontspannen houding niet zozeer in verband brengen met huwelijk of seks, maar met de scheiding tussen kerk en staat. De protestantse landen zijn ‘braver’ dan de Latijnse landen, een dijk van een cliché dat echter wel statistisch bewezen wordt. Al mag onze specifieke situatie ook weer niet als een louter katholieke traditie worden beschouwd. In dat geval zou de liederlijkheid in Polen de spuigaten uitlopen.
Wij zijn vóór alles massaal ongelovig. In 2007 verklaarde 48 procent van ons atheïst te zijn. In 2012 beliep het aantal mensen dat ronduit tegen God was of ongelovig al 63 procent van de bevolking (de Zweden zijn wereldkampioen, met 85 procent toekomstige helbewoners). Dus ziedaar: ontrouw vindt haar oorsprong in ongelovigheid.
We weten heel goed dat liefde niet alleen opium voor het volk is (al heeft ze eerder het effect van cocaïne dan van opium, maar goed), maar een regelrechte religie. Als we bedriegen en bedrogen worden, dan is het omdat we sceptisch staan tegenover de religie van de eeuwige liefde – eerder een bewijs van een kritische geest dan van een gebrek aan ethiek. In het land van de verlichting laten we de lamp in de slaapkamer branden: een uitnodiging om binnen te komen?
Auteur: Maia Mazaurette
Vertaler: Peter Bergsma
Beeld bovenaan: Het Franse blad Closer zette als eerste de Franse president Hollande op de cover die op zijn scooter voor het appartement van actrice en vermoedelijke minnares Julie Gayet gesignaleerd was.
Le Monde Frankrijk | dagblad | oplage 345.000
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
In de Iraanse pers zorgt het conflict met Saoedi-Arabië voor een felle woordenstrijd tussen conservatieven en hervormingsgezinden.
In het Midden-Oosten lijkt dit begin van 2016 heel sterk op 2015. De hoop op een periode van verzoening in de regio is vervlogen. Op 2 januari zette Saoedi-Arabië de toon met de executie van 47 mensen, onder wie zo’n veertig jihadisten van AQAS (Al-Qaida op het Arabisch Schiereiland) en sjeik Nimr al-Nimr, een vooraanstaand sjiitisch geestelijke. Deze executies passen in een dubbele context. Ten eerste de crisis in de soennitische wereld, die de groei van radicale bewegingen in de hand werkt die Riyad bedreigen en oëok beconcurreren. En ten tweede de koude oorlog tussen beide theocratieën in de Golfregio [Saoedi-Arabië en Iran], die de etnische groepen in het hele gebied tegen elkaar opzet.
Het besluit van Riyad moet dan ook worden gezien door de bril van die vermeende dubbele – soennitische en sjiitische – dreiging. Het koninkrijk staat voor een dilemma: hoe stop je de radicale soennitische bewegingen – waardoor een flink deel van de Saoedi’s zich aangesproken voelt omdat ze de sjiieten vijandig gezind zijn – zonder de indruk te wekken dat je Iran in de kaart speelt? En omgekeerd, hoe stop je wat wordt gezien als een Iraanse expansie in de regio, zonder de soennitische jihadisten rugwind te geven?
Slap optreden
Door zo’n veertig soennitische terroristen van het leven te beroven wil Riyad laten zien dat het actief deelneemt aan de strijd tegen het terrorisme, op een moment dat het door westerse landen steeds sterker wordt bekritiseerd vanwege het slappe optreden tegen soennitische jihadistische groeperingen. Het besluit tot de executies sluit aan op de oprichting in december van een [anti-jihadistische] islamitische coalitie, maar het is wel de vraag wat de reactie van AQAS wordt, dat met represailles heeft gedreigd als er leden zouden worden gexeëcuteerd. Ook al bestrijdt het koninkrijk deze afdeling van Al-Qaida op zijn eigen grondgebied met harde hand, het werkt er soms ook mee samen, zoals in de oorlog tegen de (sjiitische) Houthi’s in Jemen. AQAS is nu, na de executie van zijn mensen, gedwongen te kiezen: ofwel ze reageren en worden dan door de Saoedi’s in Jemen verslagen, ofwel ze doen niets en verliezen een deel van hun geloofwaardigheid ten gunste van de concurrentie, IS.
De Saoedi’s reageren volslagen irrationeel als het om Iran gaat
‘De Saoedi’s vrezen de soennitische terroristen, maar geloven dat ze die wel klein krijgen,’ vertrouwt een hoge Arabische diplomaat L’Orient-Le Jour toe. Binnen het Saoedische triumviraat zijn de taken verdeeld. Kroonprins Mohammed bin Nayef, neef van de koning, geeft leiding aan de strijd tegen het terrorisme, terwijl vicekroonprins Mohammed bin Salman, zoon van de koning, verantwoordelijk is voor de oorlog in Jemen. Er bestaat rivaliteit tussen beide mannen, maar Bin Nayef is onmisbaar en heeft de volle steun van de Amerikanen. Bin Salman krijgt het nog moeilijk om hem aan de kant te schuiven,’ zegt de diplomaat.
Met de executie van Nimr al-Nimr wil Riyad aantonen dat het de voorvechter van de soennieten blijft en niet toestaat dat zijn macht in twijfel wordt getrokken. ‘Nimr al-Nimr is een grote onruststoker, een demagoog. Je kunt hem beschuldigen van verbaal geweld, maar niet direct van echt geweld,’ stelt de diplomaat. ‘Alle totalitaire regimes, wat hun politieke ideologie ook is, beschuldigen hun tegenstanders ervan dat ze terroristen zijn. Ook Saoedi-Arabië doet dat altijd,’ voegt hij eraan toe.
Door zowel aan een sjiitische politieke tegenstander als aan soennitische jihadisten dezelfde straf op te leggen, draagt Riyad bij aan een nog verdergaande polarisatie tussen soennieten en sjiieten, niet alleen in de regio maar ook in het koninkrijk zelf. ‘Ze hadden hem best gevangen kunnen houden. Door hem te executeren hebben de Saoedi’s het vuur in het sjiitische deel van het land opnieuw opgerakeld, terwijl het daar net weer rustig was.’
De executie van sjeik Nimr al-Nimr is onderdeel van de anti-Iraanse politiek die Saoedi-Arabië voert sinds koning Salman aan de macht is, en waarvan het meest opzienbarende feit de interventie in Jemen is. De dreiging van soennitische jihadisten wordt veel minder belangrijk gevonden dan die van Iran. ‘Binnen het Saoedische establishment heerst een soort paranoia over die Iraanse dreiging. Alsof de Iraanse vloot al vlak voor de kust ligt en het Iraanse leger zich opmaakt om binnen te vallen. De Saoedi’s voelen zich door de Amerikanen in de steek gelaten, en niet geheel ten onrechte. Het paradoxale is dat de Iraniërs van hun kant sinds het nucleaire akkoord juist minder gespannen en agressief zijn. De Saoedi’s reageren volslagen irrationeel als het om Iran gaat. Maar angst roept juist sneller datgene op waar je bang voor bent,’ is de analyse van de diplomaat.
‘Politieke compromissen zijn nog lang niet in zicht’
De reactie van Teheran liet niet lang op zich wachten. Ayatollah Ali Khamenei verklaarde dat de Saoedische leiders ‘goddelijke’ wraak te wachten stond. Daarna braken er protesten uit in Iran, waar de Saoedische ambassade werd bestormd. ‘De reactie van Iran is buiten proportie. De Iraniërs hebben zichzelf er volledig van overtuigd dat zij de beschermers van sjiitische minderheden in de Arabische wereld zijn. Alles wat deze minderheden mogelijk kan onderdrukken is een zaak van nationale veiligheid geworden,’ verklaart de diplomaat.
Maar de Iraanse president Hassan Rohani was veel gematigder in zijn reactie tegenover Riyad. Weliswaar veroordeelde hij de executie van Nimr al-Nimr, maar hij zei ook dat de bestorming van de Saoedi-Arabische ambassade ‘op geen enkele manier te rechtvaardigen’ viel. Nog geen twee maanden voor de Iraanse parlementsverkiezingen zou Rohani, leider van het gematigde kamp, wel eens de grote verliezer van een zich verscherpende crisis tussen Riyad en Teheran kunnen worden.
Gunstig voor IS
De spanning liep nog verder op toen Riyad aankondigde de diplomatieke betrekkingen met Teheran te verbreken. ‘Dat zal vast niet tot militaire reacties van Iran leiden, maar er is wel een risico dat de crises in Libanon, Bahrein en Irak zich nog verder verdiepen. En dat Hezbollah zich onverzoenlijker opstelt,’ denkt dezelfde analist. Riyad en Teheran, die indirect in Syrië en Jemen al volop in oorlog zijn, zouden wel eens geneigd kunnen zijn om hun confrontatie op andere strijdtonelen voort te zetten, om de hegemonie in de regio te veroveren. De crisis tussen de twee geestelijke stromingen in de Golfregio dreigt ook elke kans op een oplossing van de conflicten in Syrië en Jemen in gevaar te brengen. ‘In Syrië ligt het proces stil. In Jemen proberen ze gezichtsverlies van alle partijen te voorkomen. Politieke compromissen zijn nog lang niet in zicht,’ zegt de diplomaat.
De verdeeldheid tussen soennieten en sjiieten is beslist niet de enige destabiliserende factor in de regio. Maar de huidige politiek van Riyad en Teheran zorgt er wel voor dat dit de voornaamste bron van spanningen in het hele Midden-Oosten is. En dat is weer gunstig voor IS, dat handig gebruikmaakt van alle tegenstellingen in dit conflict en zich op alle zwakke plekken nestelt.
L’Orient-Le Jour
Libanon | oplage onbekend
In 1971 fuseerden de twee grootste Franstalige kranten van Beiroet: L’Orient en Le Jour. Behartigt de preoccupaties van de Libanese christenen.
In zijn nieuwe roman 2084 – La fin du monde schetst de Algerijnse schrijver Boualem Sansal een toekomstige wereld in de greep van de totalitaire islam. In Frankrijk vliegt het boek de schappen uit. Een gesprek met een van de belangrijkste stemmen uit de Maghreb.
Sinds de nieuwe roman van de Algerijnse schrijver Boualem Sansal, 2084, in augustus verscheen, zijn er al 100.000 exemplaren van verkocht. Ondanks de onweerlegbare kwaliteiten lijkt het boek binnen de jury’s van de literaire prijzen toch aanleiding te hebben gegeven tot verdeeldheid. 2084 zat eerst wel in de selecties voor alle literaire prijzen, verdween toen van de lijsten van de Prix Renaudot, de Prix Médicis en de Prix Goncourt, maar won op 29 oktober wel de Grand Prix du roman van de Académie française, ex aequo met Les Prépondérants van Hédi Kaddour. Is het boek van Boualem Sansal doortrokken van islamofobie? De schrijver vertelt hoe hij tegen religie aankijkt en hoe hij de situatie in zijn land ziet.
In uw jongste roman, 2084, beschrijft u een religieus totalitarisme, waarbij je meteen aan de islam denkt. Toch wordt die nooit genoemd. Uit voorzichtigheid?
Welke religie zal het in 2084 voor het zeggen hebben? Niet de islam van mijn jeugd en evenmin de islam van nu. Alleen al het verschil tussen de huidige islam en die van dertig jaar geleden is enorm: destijds was de godsdienstbeoefening een klein, niet hinderlijk onderdeel van het leven, nu heeft die een opdringerige vorm aangenomen. Tot het begin van de jaren negentig was Algerije een socialistische staat, waarin de islam ongeveer dezelfde, secundaire, plaats innam als het christendom in Frankrijk. Onze geloofswereld was helder en eenduidig. Totdat opeens die invloed van verre zich opdrong, via redevoeringen en de bouw van moskeeën. Nu is het landschap zelf veranderd, de manier waarop mensen zich kleden is anders, de baarden zijn langer, je zou denken dat we in Afghanistan zijn. Bovendien is er in de lesprogramma’s op scholen veel ruimte gemaakt voor godsdienstonderwijs, zodat de kinderen zich thuis gaan gedragen als kleine ayatollahs aan wie de mensen maar toegeven om problemen te vermijden.
Dus hoe zal het over zestig jaar zijn? Ik denk dat het islamisme, die uitwas van de islam, bezig is zich te ontwikkelen tot een religie, via een soort voortplanting door deling. Je ziet dit proces in de moslimwereld per maand verder gaan. Sommige woorden verdwijnen. De term liefdadigheid bijvoorbeeld, die in de traditionele islam wel vijftig keer per dag werd genoemd, heeft terrein verloren, net als de bijbehorende praktijk. Het taalgebruik wordt steeds krijgshaftiger.
Als dit van een Franse schrijver kwam, zouden ze zeggen dat hij islamofoob was. Geldt dat ook voor u?
Ik zou eerder zeggen dat ik ‘islamismofoob’ ben. Ook al klopt het wel dat ik geen positieve kijk heb op de islam waarmee ik ben opgevoed, die ik heb bestudeerd en die ik in spiritueel opzicht armoedig vind. In algemene zin vind ik vooral dat je niet om religies hoeft te geven, ik persoonlijk heb geen affiniteit met welke religie dan ook. Ik kan ermee leven voor zover ze de openbare ruimte niet binnendringen en de kinderen niet ronselen. Als ik een Fransman uit het begin van de twintigste eeuw was, zouden ze me antiklerikaal noemen. Vóór alles geloof ik in de menselijke rede: die bezit meer schoonheid en spiritualiteit dan welke religie ook. De mens is in staat het oneindige te onderzoeken, het heelal te fotograferen, vragen te blijven stellen zonder ontmoedigd te raken. Maar terug naar 2084: toen dat af was, vond ik het erg onschuldig vergeleken met wat ik de afgelopen vijftien jaar heb geschreven. Het is minder hard dan sommige van mijn eerdere boeken. In Poste restante: Alger en Le Village de l’Allemand [vertaald als Onvoltooide geschiedenis] bijvoorbeeld schrijf ik uiterst kritisch over het islamisme. Tijdens de hele periode dat ik aan dit boek schreef, heb ik mezelf juist elke godslastering verboden.
Ik heb lang zonder salaris geleefd. Ik kon geen werk krijgen. Ik werd door iedereen gemeden
Bent u niet bang dat uw roman in Frankrijk wordt gekaapt door degenen die de angst voor de islam voor ideologische of politieke doeleinden gebruiken?
Daar denk ik onder het schrijven niet aan. Ik weet wel dat dat gebeurt, maar wat doe je ertegen? Rechts, extreem-rechts, maar ook seculier links, allemaal nemen ze er passages of zinnen uit. Wat ik ook zeg, het wordt gebruikt. Moet ik dan voor altijd zwijgen? Naar de rechter stappen? Nee, een boek is van iedereen.
Hoe kijkt men in Algerije tegen u aan?
In 1999, toen mijn eerste roman, Le serment des barbares, verscheen, werd ik bijna beschouwd als een nationale held. Bedenk even wat de situatie van toen was: Bouteflika [nog altijd de Algerijnse president] was net aan de macht gekomen in een Algerije dat was gemangeld door tien jaar van gewelddadigheden. Hij wist te winnen door te beloven dat hij een einde aan de oorlog zou maken en dat we daarna in voorspoed zouden leven. Zo ontstond er een enorm gevoel van optimisme. Op dat moment waren de Algerijnen trots dat een van hun landgenoten door Gallimard werd uitgegeven, dat hij kans maakte op de Prix Goncourt en andere grote literaire prijzen. Maar ik werd erg weinig gelezen, vooral omdat mijn boeken relatief duur zijn: doordat ik geen Algerijnse uitgever heb, worden de boeken vanuit Frankrijk verstuurd en kosten ze gemiddeld vier keer zo veel als uitgaven van hier.
Bij de verschijning van mijn tweede roman, L’enfant fou de l’arbre creux, in 2000 lagen de zaken anders. De optimistische stemming in Algerije was inmiddels aan het zakken. De mensen realiseerden zich dat er nog geen einde was gekomen aan het geweld en de ellende. Sommigen gingen me lezen en dachten toen: wie is die rotzak? Hij bekritiseert het regime en de islamisten, prima, maar hij heeft ook kritiek op ons, het volk. Want ja, ik beweerde dat wij zelf verantwoordelijk zijn voor wat ons overkomt. We hebben laten gebeuren dat er een dictatuur kwam, we gingen zelf naar de preken in de moskee luisteren. In hun ogen was dat onvergeeflijk: in Algerije kom je niet aan het volk. En dan heb ik het nog niet eens over de islamisten voor wie ik een afvallige ben. Of over het regime dat me als een vijand behandelde.
Uiteindelijk ben ik in 2003 binnen vijf minuten zonder enige uitkering ontslagen uit de hoge overheidsfunctie die ik bekleedde. Ik had een slechte naam, hooggeplaatste personen begonnen genoeg te krijgen van de uitspraken die ik in de kranten tegen Bouteflika deed. Ik heb lang zonder salaris geleefd. Ik kon geen werk krijgen, noch in de publieke, noch in de private sector. Ik werd door iedereen gemeden. De autoriteiten pakten mijn broer aan, een kunstenaar die ze bijna tot zelfmoord hebben gedreven door hem de ene fiscale naheffing na de andere te sturen net zo lang tot hij geruïneerd was. En via de oudervereniging hadden ze het ook gemunt op mijn vrouw, die lerares is. Ze beschuldigden haar ervan dat ze de vrouw was van een verrader, van een man die pro-Israël, pro-Frans en antimoslim was. Mijn boeken zijn jarenlang verboden geweest. Tot ze na verloop van tijd alleen nog minachting toonden door me te negeren. Tegenwoordig zijn mijn boeken in beperkte aantallen weer in sommige boekhandels te vinden. Maar ik blijf een outcast, ik kan aan geen enkel debat, aan geen enkele signeersessie meedoen.
Hebt u overwogen om te emigreren?
Je hoeft niet per se van je land te houden om er te blijven. Je bent er nu eenmaal, je leeft er, hebt er je familie, je vrienden. Maar de omstandigheden speelden ook mee: in de jaren zeventig, toen ik nog voor ingenieur studeerde, was het heel gemakkelijk om te vertrekken. Je kon Frankrijk binnenkomen op een identiteitskaart. Het was de tijd dat er een nieuw woord opdook dat ons land te gronde zou richten: ‘algerijnisering’. Het militaire regime van Boumédienne [vierde president van Algerije van 1976 tot 1978] was modernistisch: hij wilde fabrieken bouwen, industriecomplexen aanleggen. Daarom moesten er jongeren naar het buitenland worden gestuurd om ze op te leiden tot geschoolde arbeiders en hoger personeel. Maar veel van hen zijn niet meer teruggekomen, met dramatische gevolgen. Ik heb er zelf ook over gedacht, maar de dingen liepen anders: ik kreeg een laboratorium voor turbinestraalmotoren tot mijn beschikking en die zijn mijn specialisme geworden. Ik heb experimenten gedaan, artikelen gepubliceerd in de vooraanstaande tijdschriften. We leefden in derdewereldomstandigheden, het water was op rantsoen, groentes waren er niet, maar ik was jong en ik vond mijn werk geweldig. De dagen gingen voorbij, ik stelde een beslissing uit terwijl al mijn vrienden en ook mijn broers vertrokken.
Toen de burgeroorlog begin jaren negentig uitbrak, ben ik een andere richting ingeslagen en voor de overheid gaan werken. De minister van Handel benoemde me tot adviseur, omdat ik veel wist van het schuldenprobleem, een centraal vraagstuk in die jaren toen Algerije overging naar een markteconomie, in 1994.
En nu?
Ik heb periodes gekend waarin ik het erg moeilijk had en me echt afvroeg wat ik moest doen. Soms leek vertrekken urgent, bijvoorbeeld toen de islamisten voor de poorten van Algiers stonden [1995-1996] en ze een groot deel van het land in handen kregen. Ik zat midden in islamistisch gebied omdat ik in Boumerdès woon, vijftig kilometer ten oosten van Algiers, aan de weg richting Kabylië. In de jaren negentig waren hier elke nacht bombardementen en er werden constant aanslagen gepleegd. Soms waren er pal voor ons huis schermutselingen tussen het leger en de islamisten. Op den duur raak je dat beu.
Mensen zijn naïef, ze laten zich voor de gek houden, het lijkt wel of ze graag bang zijn. Ik net zo goed als de rest
Maar wat een lijdensweg om een visum te bemachtigen. Tegenwoordig heb ik gelukkig een uitreisvisum dat vijf jaar geldig is, maar destijds zouden ze me maar een visum voor drie maanden gegeven hebben. Wat kun je in drie maanden helemaal doen? En als je dan ook nog ziet hoeveel moeilijkheden het oplevert om je in Frankrijk te vestigen en je er beslist niet met open armen wordt ontvangen, dan schrikt dat wel af. Als ik naar bepaalde Franse steden moet, dan zorg ik dat ik Frankrijk via Parijs binnenkom, om te vermijden dat ik rechtstreeks vanuit Algerije per vliegtuig arriveer. Als je op de vliegvelden van deze steden een Algerijns paspoort laat zien, doen ze onaangenaam, je krijgt rare blikken, ze zeggen vervelende dingen, zijn soms grof tegen je. Ze behandelen je met ongelooflijk veel minachting. Ik wil niet ook nog eens een immigrant zijn.
Ten slotte zou vertrekken ook een vorm van zwichten zijn voor de mensen die het me zo moeilijk hebben gemaakt. Het is een kwestie van zelfrespect.
Bent u bang?
Ja, ik ben al jaren bang. Net als veel mensen. Vroeger, in de tijd van Boumédienne, waren we bang voor iets wat we nog nooit hadden gezien: de SM [Sécurité Militaire], de militaire veiligheidsdienst, oftewel de Algerijnse geheime diensten. In 2084 zijn het de V’s, waarvan niet eens duidelijk is of ze bestaan, ze zijn overal en nergens, iedereen is bang voor ze. En toen, na de dood van Boumédienne, verscheen de baas van de SM op het toneel. Niemand die hem kende. En wij zagen een klein, grijzig mannetje, een onderdeurtje dat bang leek voor zijn eigen schaduw! We dachten: Dat is toch niet waar! Heeft hij ons twintig jaar lang geterroriseerd? Hij heette Kasdi Merbah, een naam had hij in ieder geval wel. Maar op de dag dat hij werd vermoord, in augustus 1993, hoorden we dat het niet eens zijn echte naam was. In werkelijkheid heette hij Abdallah Khalef. Twintig jaar lang waren we geterroriseerd door een ambtenaartje zonder naam of gezicht. Als je er goed over nadenkt, is dat intellectueel gezien een bizarre situatie. En erg vernederend.
Elke Algerijn voelde zich bespioneerd. Toch waren er niet per se even veel spionnen als Algerijnen. Maar mensen zijn naïef, ze laten zich voor de gek houden, het lijkt wel of ze graag bang zijn. Ik net zo goed als de rest. Ze gaan mee in wat de overheidspropaganda ze inprent. Ook nu nog willen ze ons laten geloven dat we voortdurend worden bedreigd door de vijand van buiten, het neokolonialisme, het imperialisme, de Joden, de Marokkanen… We leven met dit soort spookbeelden. Geruchten gaan uit zichzelf rond en onderzoeksjournalisten zijn er niet, we weten nooit wat waarheid is.
Wat hebt u gedaan om u niet door die angst te laten verlammen?
Ik heb erover gediscussieerd en gelezen, ik heb geprobeerd her en der dingen te weten te komen, via vrienden met contacten in het leger of het landsbestuur, dat is de enige manier. Toen ik 2012 naar de internationale boekenbeurs in Jeruzalem ging, kreeg ik massa’s bedreigingen. Uiteindelijk dacht ik: het zijn mafkezen, gekken die dit doen, daar moet je geen aandacht aan besteden. Je bagatelliseert het om jezelf gerust te stellen.
Is dat wat we moed noemen?
Ik weet niet of dat het goede woord is. Ik gebruik het liever niet. Iedereen is dapper, alleen al het feit dat je leeft is moedig. Als ik schrijf, sta ik daar niet bij stil. Pas als ik alles herlees, voordat ik het naar de uitgever stuur, realiseer ik me dat sommige passages me in de problemen kunnen brengen. Maar nogmaals, ik gebruik het woord moedig niet. Ik relativeer. Ik zeg wat ik wil, net als die lui. De dingen die ik doe, doe ik voor mezelf. Of ze nu door God verboden zijn of de duivel, zolang ze niet onder een door mensen geschreven wet vallen, doe ik ze.
U hebt geen vertrouwen in de mensheid?
In het individu wel als het hem lukt zelfstandig te worden en zich te ontworstelen aan alle regels en voorschriften. Zo niet, dan is het ongelooflijk hoe ver mensen meegaan in het doen van concessies. Ze laten zich enorm snel inpakken. Kijk wat de nazi’s in Duitsland in korte tijd hebben gedaan. Ik word moedeloos van de mensheid: zodra mensen met meer dan drie zijn, gedragen ze zich als schapen.
Ziet u zichzelf als iemand die de noodklok luidt?
In zekere zin wel. Ik zie de toekomst somber in. Ik heb meegemaakt hoe mijn land overvallen werd door een volkomen onverwachte verandering, die ertoe leidde dat zowel een staatsbestel als een maatschappelijk bestel in hoog tempo werd vernietigd. Je denkt dat samenlevingen solide zijn, maar niets daarvan: bij de minste of geringste crisis valt alles uiteen. Ik heb het meegemaakt. Tegenover het islamisme houden de waarden van de rede, de Verlichting, geen stand; ze storten als een kaartenhuis ineen. De mensen denken: de vooruitgang, wat heeft die ons opgeleverd? Dat we de aarde vervuilen? Dat de wet boven de menselijke relaties gaat? Ze zijn niet gelukkig met dit systeem. De Verlichting is voorbij. Het Westen moet een nieuwe omwenteling teweegbrengen. Maar wie gaat er supranationale wetten maken? Intussen is de islam wel geglobaliseerd. Die ligt een slag voor.
Zijn literaire prijzen belangrijk voor u?
Door een grote prijs zou mijn stem wel belangrijker worden, in Frankrijk en Europa dan. Het is een manier om mee te doen aan een debat waarvan ik in eigen land uitgesloten ben. Maar dat interesseert ze daar niet. Voor de Algerijnse autoriteiten besta ik niet, zelfs al had ik de Prix Goncourt, de Nobelprijs of wat dan ook gewonnen. Toen ik in 2011 de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel kreeg, die in Duitsland als een prestigieuze prijs wordt beschouwd, ben ik niet eens gefeliciteerd door de burgemeester van Boumerdès, het stadje waar ik woon.
Auteur: Raphaëlle Rérolle
Vertaler: Tess Visser
De boeken van Boualem Sansal verschijnen in Nederland bij Uitgeverij De Geus in vertaling van Jan Versteeg.
Le Monde Frankrijk, dagblad, oplage 345.000
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
Een recent artikel in The New York Times waarin het bestaan van de tempel in twijfel wordt getrokken, heeft de aloude discussie weer in alle hevigheid doen oplaaien.
Nee
De recente confrontaties tussen Israëliërs en Palestijnen laaiden op omdat veel Palestijnen zich zorgen maakten over de Esplanade der Moskeeën. Zij vrezen – terecht of onterecht – dat de Israëliërs zich die zullen toe-eigenen als plek voor de joden om te bidden. Later zou die dan exclusief voor hen toegankelijk worden, en dus verboden voor moslims.
Wat moslims kennen als de Esplanade der Moskeeën, is voor de joden de plaats waar lang geleden de Tempel van Salomon stond. The New York Times publiceerde een stuk waarin werd betoogd dat het historisch feitenmateriaal ontbreekt om deze laatste claim te onderbouwen. Na verschijning reageerden Amerikaanse joden op diverse sociale media furieus en beschuldigden de auteur onder andere van achterlijkheid.
Terwijl de joden aan de ene kant benadrukken te hechten aan de ‘historische waarheid’ over deze plek, lijken ze in werkelijkheid hun zienswijze te willen opleggen aan anderen, simpelweg door het hardste te schreeuwen. Niemand is gebaat bij een politisering van de geschiedenis. Uiteindelijk kan alleen de meerderheid van de bevolking haar rechten op een plek laten gelden, niet de geschiedenis. Anders zou Italië bijvoorbeeld de teruggave kunnen verlangen van Istanboel – het oude Byzantium dat na het schisma van de christelijke kerk in de vierde eeuw na Christus onafhankelijk werd van Rome, ruim duizend jaar voor de verovering door de Turken.
Daar komt nog bij dat er, zelfs in joodse geschriften, onduidelijkheid bestaat over de plaats waar zich die tempel nu eigenlijk bevond. Volgens de Samaritanen [een kleine sekte die zichzelf joods noemt, maar door de overige joden niet als zodanig wordt erkend] was dat op de berg Gizrim, op de westelijke Jordaanoever; iets dergelijks valt te lezen in de Qumran [de Dode Zeerollen]. Kortom: het debat over de precieze historische locatie van de Tempel van Salomon wordt in judaïstische kringen nog volop gevoerd.
Sowieso is het een slecht idee om uitsluitend op basis van religieuze teksten een uitspraak te willen doen over de vraag waar historische gebouwen ooit hebben gestaan. Luidkeelse beschuldigingen van ‘onwetendheid’ aan het adres van diegenen die niet geloven dat de Tempel van Salomon zich op de plek van de al-Aqsa-moskee bevond, zijn een uiting van politiek opportunisme, waarvoor in een serieuze historische discussie geen plaats is.
Hussein Abdelhussein
Hussein Abdelhussein is een Iraaks-Libanese journalist die tegenwoordig in de VS woont. Hij schreef talloze opiniestukken voor onder meer The New York Times, The Washington Post, The National en Now.
Ja
Stond het Witte Huis vroeger in Washington D.C.? Zullen we daar ooit zekerheid over verkrijgen? Niet zolang we niet onder de bestaande bebouwing gaan graven en solide archeologische overblijfselen van het oorspronkelijke gebouw aantreffen dat de Britse generaal Robert Ross – volgens sommige bronnen tenminste – in augustus 1814 bombardeerde.
Als de voorgaande paragraaf je voorkomt als aperte onzin, ben je waarschijnlijk geen auteur of redacteur van The New York Times. In deze gerenommeerde krant verscheen vanmorgen een stuk over de Tempelberg in Jeruzalem, waarin twijfel werd uitgesproken over de vraag of hier de beroemde joodse tempel heeft gestaan. De kop luidde: ‘Historische zekerheid ver te zoeken in de heilige grond van Jeruzalem’.
Waar moeten we beginnen, als we dit amalgaam van achterlijkheid en kwaadaardigheid goed willen analyseren? Het begint er al mee dat de auteur bewust en schaamteloos twee totaal verschillende kwesties met elkaar verknoopt. De eerste, nauwere, is de vraag die hij aan een aantal historici voorlegde: stonden de tempels precies op dezelfde plek op de Tempelberg waar later de al-Aqsa-moskee verrees, of misschien wel een vijftigtal meters verderop? De tweede is de steeds terugkerende suggestie dat het hele idee van de ‘joodse tempels’ voortkomt uit een religieuze koortsdroom, die de zionisten zich vervolgens ter rechtvaardiging van hun agressieve neigingen eigen hebben gemaakt.
Als je iets weet van religieuze geschiedenis – de islamitische wel te verstaan, niet de joodse – weet je dat de Rotskoepel in 692 na Christus tijdens het kalifaat van de Omajjaden op de huidige plek werd gebouwd, juist omdat het heilige grond was waar daarvoor een joodse tempel had gestaan.
Maar ach, dat doet er allemaal niet toe. Evenmin doen de tastbare overblijfselen van de westelijke muur, waar ook de Times aan refereert, ertoe. Alsof het bestaan van een enorme dragende muur direct onder de plek waar volgens bronnen de tempel stond, niet bewijs genoeg is. En ook de vele historische Romeinse getuigenissen van het bouwwerk, dat algemeen als een van de wonderen van de antieke werelden werd beschouwd, lijken er niet toe te doen. Ook de afwezigheid van controverse omtrent dit onderwerp onder onderzoekers die zich met de joodse tempels op de Tempelberg in Jeruzalem bezighouden, doet er niet toe.
De claim dat er op de Tempelberg nooit een joodse tempel heeft gestaan, mist elke historische onderbouwing. Het is net zoiets als ontkennen dat de aarde rond is, dat de opwarming van de aarde een feit is, of dat de bewijzen van menselijke evolutie breed door onderzoekers worden erkend. In een historisch licht gezien komt het op hetzelfde meer als het opblazen van Boeddhabeelden, of van kerken, of ontkennen dat de Holocaust heeft plaatsgevonden. Het is een vorm van ontkenning die bewijsmateriaal verdonkeremaant en geaccepteerde standaarden van bewijsvoering ondergeschikt maakt aan een vermeend hoger doel. Iets waar de toekomst zelden dankbaar voor is.
Liel Leibowitz
Liel Leibowitz is een Israëlisch-Amerikaanse journalist. Hij publiceerde onder meer in The New Republic en The Nation. Bij het joodse online tijdschrift Tablet is hij producer voor video en interactieve media.
Net als in Nederland is de boerka – of liever: de nikab – een heikel onderwerp in Canada, waar 2 procent van de bevolking moslim is. Is het een non-issue, of precies het soort emotioneel beladen thema dat de verkiezingen kan doen kantelen?
Als de regering-Harper uiteindelijk haar zin krijgt – en immigranten die een nikab dragen voor even worden gedwongen die af te doen op de dag dat ze als burger van Canada worden beëdigd – op hoeveel vrouwen zou die maatregel dan van toepassing zijn? Enkele tientallen per jaar? Honderd misschien? Hoe dan ook, het zou een minuscuul aantal zijn in vergelijking met alle aandacht die de kwestie heeft gekregen.
Praktisch gesproken zou het plan van de Conservative Party inbreuk maken op de rechten van een miniem percentage: een paar mensen, gedurende een paar minuten van hun leven. De Conservatieven proberen geen wettelijk verbod van de islamitische gezichtsbedekking in te voeren. Zij zeggen alleen dat als een vrouw in een nikab Canadese wil worden (of in de woorden van premier Stephen Harper: deel wil gaan uitmaken van de nationale ‘familie’), zij bereid moet zijn zichzelf te tonen tijdens de officiële burgerschapsceremonie. Als de plechtigheid is afgelopen, staat het haar vrij zichzelf weer te bedekken.
In een land dat met veel belangrijker problemen kampt – onze wankele economie bijvoorbeeld – is het redelijk om je af te vragen waarom de verkiezingscampagne zich zo concentreert op iets wat vrijwel op geen enkele stemgerechtigde van invloed is. National Post-columnist Andrew Coyne was een van degenen die niet kon bevatten waarom de vraag ‘of enkele tientallen vrouwen’ een sluier mogen dragen tijdens een burgerschapsplechtigheid zoveel zendtijd in beslag nam in het Franse leidersdebat van vorige week. ‘Het is bespottelijk,’ zei hij in een verhit moment van het At Issue-panel op The National van CBC. ‘Het is geen relevant probleem voor de toekomst van dit land. In het grote geheel is het een triviale kwestie.’
Afleidingswapen
Maar ís het wel zo triviaal? Is het echt een ‘verkeerd debat’, om de leider van de Groenen, Elizabeth May, te citeren? Een ‘weapon of mass distraction’ (massa- afleidingswapen), zoals NDP (New Democratic Party)-leider Tom Mulcair het beschreef? Of geeft dat symbolische beeld – een moslimvrouw die haar gezicht mag bedekken terwijl ze de burgerschapseed aflegt – een kijkje in een veel diepgaander debat over de kernwaarden die Canadezen koesteren? Met andere woorden: is het zo’n zeldzaam soort emotionele, gevoelsmatige kwestie die een zwevende kiezer over de streep kan trekken?
‘Dit zijn zelden kwesties waarover je in het stemhokje staat te dubben, maar ze kunnen wel het algemene gevoel bepalen van: “Waar sta ik in het politieke spectrum?”’ zegt Frank Graves, voorzitter van het onderzoeksbureau Ekos Research Associates. ‘Ik denk niet dat mensen zeggen: “Ik ga alleen stemmen vanwege de nikab-kwestie.” Maar ik denk wel dat het een factor is. Het is verkeerd om te zeggen dat het de mening van de kiezer niet beïnvloedt. Echt waar.’
Het debat dat nu wordt gevoerd, heeft zijn oorsprong in 2011, toen de toenmalige minister van Immigratie, Jason Kennedy, plotseling een nieuw beleid introduceerde dat mensen verbood hun gezicht te bedekken tijdens burgerschapsceremonies. Zunera Ishaq, een negenentwintigjarige Pakistaanse, betwistte die beslissing voor het Federale Hof, waarbij ze aanvoerde dat de Citizenship Act alle kandidaten verzekert van de grootst mogelijke religieuze vrijheid als ze de eed afleggen. (Ze benadrukt dat ze er geen bezwaar tegen zou hebben haar gezicht vóór de plechtigheid aan een ambtenaar te laten zien, maar dat ze er om religieuze redenen op staat haar eed af te leggen in een nikab.)
Het is het eerste, openlijke, politieke debat over normen en waarden dat we sinds een tijdje in Canada voeren
Het Federale Hof stelde Ishaq in het gelijk, maar Ottawa tekende meteen beroep aan. De nikab ‘heeft zijn oorsprong in een cultuur die anti-vrouw is’, zei Stephen Harper tegen het Canadese Lagerhuis. Toen de regering eind september weer verloor – en meteen nogmaals beroep aantekende, dit keer bij het Hooggerechtshof – werd de discussie onvermijdelijk onderdeel van de verkiezingscampagne.
‘Eigenlijk zijn het de grenzen van de tolerantie die hier op de proef worden gesteld,’ zegt Darrell Bricker, opiniepeiler bij Ipsos Global. ‘Er is één groep, advocaten en vrijzinnige burgers, die zeggen dat dit riekt naar intolerantie. Maar het probleem is dat dit het soort intolerantie is dat door de overgrote meerderheid van de Canadezen niet wordt gezien als intolerantie. Zij zien het als het vaststellen van de grenzen van aanvaardbare sociale normen.’
Dat wordt beslist bevestigd door de laatste peilingen. Het ene onderzoek, door Forum Research uitgevoerd in maart, kwam tot de conclusie dat tweederde van de Canadezen (67 procent) tegen het dragen van een nikab bij een burgerschapsceremonie is, terwijl een peiling van Ipsos aantoonde dat maar liefst 88 procent achter het regeringsstandpunt staat. Een onderzoek van Leger, waarvoor afgelopen winter opdracht werd gegeven, maar dat pas vorige week is gepubliceerd, kwam tot dezelfde resultaten: 82 procent van de ondervraagde drieduizend mensen was het eens met het geen-nikabbeleid.
‘De deelnemers waren van mening dat mensen die aanwezig waren bij dat soort plechtigheden duidelijk herkenbaar moesten zijn en vonden het vreemd dat iemand haar gezicht mocht verbergen’, bleek uit het Leger-rapport. ‘Andere deelnemers vonden dat dit vooral een kwestie was van normen en waarden. Voor hen ging dit over nieuwe immigranten die Canadese normen en waarden omarmen bij hun intrede als nieuwe burgers. Het afdoen van de nikab of boerka werd in Canada als normaal beschouwd en daarom was de eis van de Canadese regering dat vrouwen hun gezicht moesten laten zien terecht.’
Hoewel de maatregel slechts van toepassing is op een gering aantal mensen, wijst de controverse duidelijk op een dieperliggend probleem, zegt Bricker. Zoals elke peiling heeft bevestigd, beschouwt meer dan de helft van de Canadezen de islamitische sluier als een symbool van onderdrukking, ondanks het feit dat veel vrouwen die een nikab dragen het daar niet mee eens zijn. En volgens één Leger-onderzoek uit maart (niet het onderzoek waarvoor opdracht was gegeven door Ottawa) zei 60 procent van de ondervraagden dat nikabs verboden moesten worden, niet alleen tijdens de burgerschapseed, maar ook in openbare ruimten zoals overheidsgebouwen en rechtbanken.
‘Voor de gewone burger suggereert de nikab, ongeacht de uitleg die de draagster eraan geeft, een vorm van vrouwenonderdrukking,’ zegt Bricker. ‘Of dat zo is of niet, is een ingewikkelde kwestie, en die discussie laat ik over aan mensen die slimmer zijn dan ik. Maar de gemiddelde Canadees kijkt ernaar en zegt: “Daar is iets mis mee.” Als je in een vrije, democratische maatschappij leeft, vooral een die zo’n enorme vooruitgang heeft geboekt op het gebied van de positie van vrouwen en de noodzaak van gelijkheid, strijkt het je tegen de haren in als je zoiets ziet.’
Zichtbare minderheden
Het is niet verbazingwekkend dat het anti-nikabsentiment samenvalt met een duidelijke verschuiving in de algemene houding van Canadezen tegenover immigratie. Tien jaar geleden vond slechts een kwart van de bevolking dat er te veel immigranten naar Canada kwamen. Het aantal mensen dat het eens is met die uitspraak is, volgens een rapport van EKOS uit maart, gestegen tot bijna de helft (46 procent), terwijl 41 procent vindt dat de overheid te veel zichtbare minderheden toelaat. ‘Wij hebben niet hetzelfde soort verhitte debatten over immigratie en rassenkwesties gehad als in Europa en de VS, maar er zijn aanwijzingen dat we misschien een beetje die richting uitgaan,’ zegt Graves. ‘De allergie voor pluralisme en multiculturalisme, die vrij recent is, neemt op het moment toe.’
En dat zou kunnen verklaren waarom zo’n ogenschijnlijk triviaal stukje beleid – het verbod op nikabs tijdens een burgerschapsceremonie – zulke hartstochtelijke reacties oproept. ‘Het valt niet te ontkennen dat het de kiezers op dit moment meer verdeelt dan kwesties die ze zelf van groter belang achten, in het bijzonder de zieltogende economie,’ concludeerde het EKOS-onderzoek. ‘Maar het is wel het eerste, openlijke, politieke debat over normen en waarden dat we sinds een tijdje in Canada voeren.’
Maar is de nikabkwestie urgent genoeg om in een bepaald kiesdistrict de doorslag te geven? Zou het op 19 oktober werkelijk verschil maken? Misschien wel in Quebec, waar de NDP de meeste steun heeft, hoewel hun oppositie tegen het geen-nikabstandpunt van de Conservatieven niet strookt met de opvatting van de meeste inwoners. In Ontario? Waarschijnlijk niet, vooral niet omdat het provinciale bestuur gezworen heeft in het geweer te komen tegen de nationale regering als de zaak-Ishaq voor het Hooggerechtshof komt. ‘In de Prairies is het misschien van invloed,’ zegt Lorne Bozinoff, directeur van Forum Research. ‘Maar daar stemmen ze toch op de Conservatieven. Of die nu 45 of 50 of 55 procent van de stemmen krijgen, wat maakt dat uit?’
Toen Forum zijn onderzoek in maart uitbracht (het onderzoek waaruit bleek dat 67 procent van de Canadezen tegen gezichtsbedekking tijdens burgerschapsplechtigheden is), zei Bozinoff dat de nikabkwestie ‘niet meer dan een bijzaak’ zou zijn bij de verkiezingen, omdat de maatregel ‘slechts direct van invloed zou zijn op een almaar kleiner wordend aantal vrouwen’. Een half jaar later blijft hij bij zijn voorspelling, ondanks de toenemende heftigheid van het debat.
‘Bij een lange campagne zoals deze is het niet waarschijnlijk dat zo’n even oplaaiende kwestie een omkering veroorzaakt, omdat er zo veel over gedebatteerd wordt,’ zegt hij. Neem bijvoorbeeld het proces tegen senator Mike Duffy of de Syrische vluchtelingencrisis. ‘Uiteindelijk is men erover uitgepraat en gaat het weer over iets anders. We hebben nog een hele tijd te gaan, zo’n drie weken, bijna even lang als een gewone campagne. Het is moeilijk voorstelbaar dat we het over drie weken nog steeds over nikabs hebben.’
Michael Friscolanti
Maclean’s
Canada, weekblad, oplage 350.000
Weekblad voor politiek, actualiteiten, onderwijs en cultuur. Jaarlijks in maart verschijnt bovendien Maclean’s Guide to Canadian Universities, in november gevolgd door Maclean’s University Rankings, bedoeld voor middelbarescholieren in hun laatste jaar.
Kader – Vreemde recessie
Technisch gezien verkeert Canada na twee opeen-volgende kwartalen van economische krimp in een recessie, maar veel economen kijken naar de cijfers van StatsCan en zien iets heel anders dan een recessie. De optimisten – waaronder de grote banken – zien tekenen dat de Canadese economie in het derde kwartaal alweer is gegroeid dankzij een goedkopere Canadese dollar en een sterkere Amerikaanse economie. Pessimisten menen dat de gevolgen van een dalende olieprijs nog zal doorwerken in de Canadese economie, gekoppeld aan de tragere groei in China.
Maar beide groepen zijn het erover eens: dit is een vreemde recessie. En waarom dan? Omdat ondanks het feit dat de maakindustrie, de bouw, de olie-, gas- en mijnsector allemaal krimpen, de recessie Canada nog niet heeft getroffen daar waar het werkelijk pijn doet: in de werkgelegenheid. Die is het afgelopen jaar met 0,9 procent of 161.000 banen gegroeid, hoewel er in de provincie Alberta in de olie-industrie 35.000 banen verloren gingen.
Ook econoom Avery Shenfeld van de Canadian Imperial Bank of Commerce (CIBC) voorziet een groei in het derde kwartaal, en de Bank of Montreal durft daar al een percentage van 2,5 tot 3 op te plakken. Dat moet premier Stephen Harper als muziek in de oren klinken. Zijn verkiezingscampagne is er vooral op gericht de grootst mogelijke positieve draai te geven aan al het slechte economische nieuws van de voorbije maanden.
Na de val van Mosul in juni 2014 zochten tientallen christelijke families hun toevlucht in Mar Mattai, het oudste klooster van Irak. En ook nu nog houdt het religieuze bouwwerk hoog in de bergen dapper stand tegen Islamitische Staat.
Zeven adelaars cirkelen door de azuurblauwe lucht. Zien ze Mosul? De Iraakse hoofdstad van IS ligt op maar dertig kilometer afstand. Gelegen tegen de flank van een berg torent Mar Mattai – het oudste klooster van Irak – uit over de vlakte van Nineveh. Het Syrisch-orthodoxe adelaarsnest, in de vierde eeuw gesticht door de heremiet Mattai [Syrisch voor Mattheus], overleefde het Perzische en het Ottomaanse Rijk, de Mongoolse bezetting en de Koerdische overheersing. Nu wordt het bedreigd door IS, maar nog steeds houdt het klooster stand, dankzij vijf monniken en twee families uit Mosul die weigeren te vertrekken.
Getjilp van vogels, klapperende duivenvleugels in de klokkentoren, mitrailleurvuur in de verte. Het front tegen IS ligt op nog geen vijf kilometer afstand. Zo dichtbij dat je de bombardementen hoort en de geur ruikt van de branden die ontstaan na de luchtaanvallen van de internationale coalitie. De jihadisten zouden het klooster binnen een kwartier kunnen bereiken als de verdedigingslinies van de Koerdische peshmerga het begaven.
Toch zochten tientallen christelijke families – meer dan driehonderd mensen – hier hun toevlucht na de val van Mosul op 1 juni 2014. Binnen enkele dagen werd dit populaire toeristen- en pelgrimsoord, waar ook Saddam Hoessein geregeld rust kwam zoeken (de landingsplek van de helikopter van de afgezette dictator is nog steeds te zien), een schuilplaats voor vluchtelingen. Bijna twee maanden leefden zij hier dicht op elkaar. ‘Kijk, dat was mijn kamer, en daar die van mijn oom en zijn kinderen,’ zegt Salah, een stevige kerel met een kaalgeschoren hoofd. Hij verliet het klooster al een jaar geleden, maar komt er nog geregeld terug. Op deze junidag speelt hij chauffeur voor pater Youssef, een pater uit Mosul, die hier ook twee maanden woonde. Vader Youssef – achter in de zestig, met witte baard en zwarte soutane – woont inmiddels in Erbil, de hoofdstad van Iraaks Koerdistan, maar gaat zeker één keer per maand terug naar Mar Mattai.
Aangekomen zegt hij een haastig gebed en inspecteert de medicijnkast: hij is ook arts, gespecialiseerd in nierziekten.
Mar Mattai ligt in de Jebel Maqlub (letterlijk ‘omgekeerde berg’), ook wel ‘Alfaf’ genoemd – een Syrisch woord dat ‘duizenden’ betekent, vanwege de vele heremieten en monniken die er woonden. De berghelling is droog en steil, met hier en daar plukjes olijfbomen en bomen met rode vruchtjes, wrang bitter en onrijp. Vanuit de ramen en vanaf het dak is vlakbij de heuvel Bashiqa te zien, waarachter het kalifaat van IS begint. Komt het door de hoge ligging van het klooster? Of door de kalmte die er binnen de muren heerst? Ondanks de nabijheid van de oorlog voelt het er veilig. Toch vertrok op 6 augustus 2014 vrijwel iedereen spoorslags, nadat IS een doorbraak forceerde in de vlakte van Nineveh en de steden Bashiqa, Bartella en Qaraqosh innam. De opmars werd op slechts een paar kilometer van Mar Mattai staande gehouden.
‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden’
Vluchten
‘Op de ochtend van 6 augustus merkte je dat er iets mis was,’ herinnert pater Youssef zich. ‘Je zag rijen auto’s van burgers in de richting van Koerdistan rijden.’ Daarna vluchtten ook de peshmerga in hun auto’s. Het was elf uur ’s ochtends, de Koerden verlieten hun posities en vertrokken. Toen namen de jihadisten bijna de hele vlakte van Nineveh in, ook de christelijke steden Qaraqosh en Bartella. ‘Die avond om elf uur zagen we vanaf het dak de lichten van de militaire voertuigen die zich terugtrokken naar Koerdistan,’ vertelt vader Youssef. ‘Toen begrepen we dat ook wij moesten vluchten.’
In minder dan een uur zochten de monniken en vluchtelingen hun spullen bij elkaar en vertrokken. Maar één familie bleef. ‘Hier zeiden we elkaar vaarwel,’ zegt Nadia en wijst op de binnenplaats van het klooster. Met haar vingers grijpt ze de zwarte soutane van vader Youssef beet, terwijl ze hem tegen zich aandrukt. Ze noemt hem ‘Abuna’, wat ‘onze vader’ betekent in het Syrisch. ‘We dachten dat het voorbij was, dat IS het klooster in zou nemen en we elkaar nooit meer terug zouden zien,’ herinnert de geestelijke zich. Nadia vertelt verder: ‘Waar konden we naartoe? We hadden er genoeg van om op de vlucht te zijn, onze moeder was te zwak en kon eigenlijk niet reizen. We hebben ons lot toen maar in Gods handen gelegd en gedacht: Kome wat kome gaat.’ Maar de jihadisten bereikten het klooster niet. Na twee dagen alleen in het verlaten klooster te hebben doorgebracht, zagen ze twee monniken terugkeren. Later kwamen er nog drie andere. Ook het iets lager tussen de olijfbomen gelegen dorpje Mergy leefde weer op.
Bijna een jaar later wonen Nadia, haar broer Farez, haar zus Sabah en hun moeder nog steeds in Mar Mattai. De kinderen, allemaal alleenstaande vijftigers, zorgen voor elkaar en voor hun moeder Fadwa, die stram rechtop in een blauw nachthemd in een stoel zit. Ze kunnen nergens anders heen, en hebben ook geen rooie cent meer. Nadat Mosul was ingenomen door IS, bleven ze aanvankelijk in de stad en zongen het een maand lang uit in huis, zonder water of elektriciteit, levend van de voorraden uit de provisiekast. Op het laatst drong er een vreemde geur het huis binnen als je het raam opendeed: de geur van rottende lijken op straat.
Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap is nog maar een kwart over
Ultimatum
Op 18 juli gaven de luidsprekers van de moskeeën een ultimatum van de jihadisten aan de christenen van Mosul: ze hadden tot de volgende morgen om zich tot moslim te bekeren en een speciale belasting – jizya genaamd – te betalen, anders zouden ze worden gedood. De negentiende, een zaterdag was het, vertelt Nadia, pakte de familie haar koffers en vertrok, vier uur voor het ultimatum afliep. Een taxichauffeur, een moslim, bracht hen voor niets naar het klooster. Aan de rand van Mosul, bij een jihadistische wegversperring, werden ze aangehouden door jonge strijders. ‘Het waren Irakezen met baarden, en maar een van hen droeg een uniform,’ vertelt Nadia. De anderen waren in spijkerbroeken en dishdasha: lange, onder mannen in de Arabische wereld populaire hemden. ‘Zijn jullie christenen?’ vroeg er een. ‘Om twaalf uur gaan we jullie vermoorden.’
Ze namen hun alles af: geld, de rolstoel van hun moeder, zelfs hun kleren – Farez kwam in ondergoed bij het klooster aan. ‘De chauffeur had medelijden met ons maar kon niets doen,’ vertelt Nadia. ‘Toen we voorbij de controlepost waren, spuugde hij uit het raam en zei: “Ik spuug op die mensen, het is dankzij hen dat zo veel mensen de islam haten.”’
Zullen ze ooit nog terugkeren naar Mosul, als de stad bevrijd is? Nooit. ‘Overal behalve Mosul,’ zeggen ze eensgezind en beslist. Aan de andere kant van de gang krijgen we hetzelfde antwoord, van de andere familie die het klooster bewoont: Nablus, Amer en hun drie zoons. Zij komen ook uit Mosul en keerden in oktober 2014 terug naar het klooster, nadat ze geprobeerd hadden om in Erbil te wonen. Het leven was er te hard, te duur ook.
Allemaal blijven ze liever hier, al herinnert alles er aan de oorlog, binnen zowel als buiten. Bij de karige lunch, zoals elke woensdag en vrijdag, spreken we over IS. Bij het verlaten van de eetzaal komt ons onder de arcaden een groepje militieleden in gevechtstenue en kogelvrije vesten tegemoet. Het zijn leden van de christelijke militie Dwekh Nawsha, een naam die in het Syrisch ‘hij die doorvecht tot de dood’ betekent.
Dwekh Nawsha bestaat uit ongeveer tweehonderd krijgers, die aan de zijde van de peshmerga strijden aan het front van Mosul. Het is een beleefdheidsbezoek, bijna als van buren, en ook een beetje een toeristisch uitje, krijgen we de indruk. Zeker de helft van hen bestaat uit buitenlanders, vooral Engelssprekende. Een getatoeëerde breedgeschouderde Amerikaanse trucker; een Schotse ex-beroepsmilitair; Jamie, een Canadese van een jaar of twintig met blauwe ogen en een vlecht die bij haar nek onder een patroongordel verdwijnt.
‘Wat een wapens, wat een wapens,’ roept een monnik bij de aanblik van de munitie. ‘En dan hebben we de geweren nog in de auto gelaten,’ grinniken de militieleden. De sfeer is ontspannen. De Schot is pas tien dagen geleden gearriveerd en moet nog erg wennen. ‘Voorlopig strijdt hij alleen tegen de muggen,’ grappen zijn kameraden en wijzen op zijn opgezwollen, rode neus.
Even is er een gevechtspauze. Maar ’s avonds laait de strijd alweer op: het ‘tak-tak-tak-tak’ van kalasjnikovs, het ‘boem-boem-boem-boem’ van een doshka [zwaar machinegeweer], het ‘bof’ van een mortier. De eerste sterren verschijnen aan de hemel. In het westen gaat de zon onder en kleurt de hemel dieprood. In het zuiden, richting Bashiqa en Mosul, laaien vuren op in de vlakte, veroorzaakt door het geweervuur en de bombardementen. Vanuit het klooster is het een indrukwekkend gezicht. De frontlijn licht op en geeft de toeschouwer hier boven even het gevoel heel dicht op de strijd te zitten. Links is de grote boog zichtbaar van de voorste linies van de peshmerga vlak voor die van de jihadisten. In de verte, achter de heuvel Bashiqa, zijn de lichten van Mosul te ontwaren. Net achter de top is een brand uitgebroken, waarschijnlijk als gevolg van een luchtaanval, vermoedt een monnik die tegen de borstwering van het dak van het klooster aanleunt. Net als elke avond wordt vanuit Mar Mattai het spektakel op de voet gevolgd. Sommigen foeteren op de onwil van de internationale coalitie, vooral van de Verenigde Staten, om IS te stoppen. ‘Het leger van Saddam Hoessein hadden ze binnen een maand op de knieën.’
‘We vertrouwen op God,’ zegt broeder Potros gelaten. Iedereen denkt aan het lot van het Syrisch-orthodoxe klooster van Mar Behnam, zuidoostelijk van Mosul. De jihadisten claimen het in maart te hebben vernietigd. Uit voorzorg zijn de relikwieën en handschriften van Mar Mattai in de zomer van 2014 geëvacueerd. Want in het klooster maakt men zich weinig illusies over de toekomst van de christenen in Irak. Van de Syrisch-orthodoxe gemeenschap, die voor 2003 nog uit tienduizend families bestond, is sinds een jaar nog maar een kwart over.
De peshmerga houden voorlopig stand. Maar als IS een offensief begint en de Koerden slaan weer op de vlucht, net als een jaar geleden…’ begint vader Youssef. Dan speelt er een diabolisch glimlachje over zijn lippen. Met het uiteinde van zijn stok buigt hij het struikgewas opzij. We zien een verborgen ingang; er blijken meerdere van zulke verborgen vluchtwegen vanuit het klooster de bergen in te leiden. ‘Kijk, als ze vannacht komen, dan kun je hierlangs ontsnappen. Ze vinden je nooit.’ Achter hem verlicht het flauwe weerschijnsel van de branden een steil geitenpaadje de bergen in. De adelaars zijn nergens meer te bekennen.
Jemen gaat sinds vorig jaar gebukt onder sektarisch geweld. Sjiitische Houthi-rebellen voeren strijd tegen de verdreven president Abd-Rabbuh Mansur al-Hadi. En dan zijn er behalve hun tegenstanders nog de Moslimbroeders, Al Qaida en IS. Er is te veel dat hen scheidt om tot een verzoenende regeling te komen.
Jemen hangt van paradoxen aan elkaar. Dat begint al met het aantal strijdende partijen in de huidige oorlog die iedereen probeert aan te wenden om zijn eigen agenda te realiseren. Zo kunnen de belangen van de één op sommige punten samenvallen met de belangen van de ander, de vijand van vandaag kan de bondgenoot van morgen zijn, en vice versa. In de eerste plaats zijn er de Houthi’s (rebelerende milities die beschouwd worden als sjiieten). Sinds een tiental jaren voeren ze oorlog tegen de Jemenitische centrale regering, wat geleid heeft tot verzwakking van het regime en verbreding van de politieke en religieuze kloof in de samenleving. Dat zal ook zo blijven als deze oorlog is afgelopen. Er dient trouwens op te worden gewezen dat de Houthi’s de vijand waren van president Ali Abdallah Saleh [aan de macht van 1978 tot 2012], terwijl ze nu gemene zaak met hem maken, zonder dat we weten hoe lang dat zal duren.
‘Jemen regeren is als dansen in een slangenkuil’
Geen terugkeer
Vervolgens is er de afscheidingbeweging in het zuiden. Die is het gevolg van alle teleurstellingen die de eenwording van het land in 1990 teweeg heeft gebracht. Deze mensen hebben goede (sociale, politieke en culturele) redenen om zich van het noorden af te scheiden. Ze strijden nu tegen de overheersing van de uit het noorden afkomstige Houthi’s, maar ze willen daarom nog geen terugkeer naar de status quo ante, dat wil zeggen een herstel van de centrale macht in Sanaa, die ze beschouwen als een noordelijke overheersing. Velen van hen vinden de huidige oorlog bij uitstek een gelegenheid om zich onafhankelijk te verklaren. In de derde plaats zijn er de Moslimbroeders. In het verleden waren het bondgenoten van president Saleh in de strijd tegen de zuiderlingen, maar nu zijn het bondgenoten van de zuiderlingen in de strijd tegen Saleh, die sindsdien met de Houthi’s optrekt. De Moslimbroeders, die hun politieke koers steeds heel behendig verleggen, profiteren van de huidige oorlog door zich een positie te verwerven in het centrum van het land zodat ze straks na de oorlog een partij zijn waar niemand omheen kan. Dat is tegen de zin van de anderen, die niet dezelfde ideologie hebben, maar die zich wel in hetzelfde kamp als zij bevinden, namelijk tegen de Houthi’s. Dan is er nog Al-Qaida, waarvan een van de vertegenwoordigers deel heeft uitgemaakt van de delegatie van de huidige president Abd-Rabbuh Mansur al-Hadi [in ballingschap in Saoedi- Arabië] bij de onderhandelingen in Genève [om een politieke oplossing te vinden voor de oorlog]. Toch koos Al-Qaida vroeger partij voor president Saleh, die dat weer gebruikte om inhoud te geven aan zijn fameuze uitspraak ‘Jemen regeren is als dansen in een slangenkuil’. Maar er is ook nog IS, dat bestaat uit dissidenten van Al-Qaida en de Moslimbroeders. Net als Al-Qaida nemen zij geen genoegen met minder dan een staat waarin de sharia van kracht is, net als de Taliban in Afghanistan. Ze bevinden zich dus in hetzelfde kamp als Al-Qaida [maar concurreren ook met hen].
Hoe dan ook, al deze actoren zijn pionnen in een ingewikkeld schaakspel, waarin de posities steeds veranderen door de tribale en regionale banden. Er worden regionale en internationale actoren ingezet in een geopolitieke context die Jemen te buiten gaat, waarin alles verward raakt tussen tribale, regionalistische, regionale en internationale belangen om ten slotte uit te kristalliseren in de vorming van clans met verschillende benamingen. Zij hebben alle gemeen dat ze tegen de vestiging van een sterk centraal gezag zijn.
Ze zijn allemaal tegen de vestiging van een sterk centraal gezag
Gloeiende kolen
Zelfs als de regionale en internationale machten erin zouden slagen een regeling te treffen (waar het nog lang niet naar uitziet), dan kunnen deze groepen het proces nog steeds negatief beïnvloeden en destabiliseren. En zelfs als het de regeringsgezinde krachten zou lukken de Houthi’s in het hele land te bedwingen, dan blijven ze nog steeds aanwezig als gloeiende kolen onder de as. Anders gezegd, zelfs als het zou komen tot een verzoening die op de voorpagina’s van de kranten en op de televisie zal worden gevierd, zal er een lange slijtageslag volgen tussen de verschillende actoren. Er is te veel dat hen scheidt.
In het tegenovergestelde geval, als de regeringsgezinde krachten er niet in slagen de orde in het hele land te herstellen, zal dat de facto neerkomen op een afscheiding. Wat er ook gebeurt, we zijn ertoe veroordeeld om lange tijd in een instabiel land te leven. De lijdensweg van Jemen is nog niet ten einde.
Hassan Khader
Shaffaf Frankrijk, website, metransparent.com
Arabische nieuwssite, opgericht in 2006. ‘Transparantie’ publiceert artikelen met een liberaal standpunt. Ook in het Engels en Frans.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.