De taliban deden eerder al pogingen om internet helemaal af te sluiten
De taliban hebben een alomvattend verbod ingesteld op het gebruik van smartphones door overheidsfunctionarissen – wat volgens sommige analisten een voorbode zou kunnen zijn van bredere beperkingen op bevolkingsniveau. In een richtlijn van de militaire rechtbanken van de taliban, die door The Guardian is ingezien, zou het verbod deze week ingaan en geldt het voor ‘hoge en lage rangen, generaals, moedjahedien en dienstpersoneel’.
In een online gepubliceerde video is te zien hoe een talibanfunctionaris het verbodsbevel van zijn telefoon opleest, terwijl een andere persoon telefoons kapotmaakt. Het bevel luidt: ‘Als iemand er een gebruikt, zal zijn mobiele telefoon worden vernield en zal de overtreder wettelijk en volgens de sharia worden gestraft.’ Voor elke uitzondering is een schriftelijk decreet van de opperste leider van de taliban vereist.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Het verbod volgt op de escalerende pogingen van de taliban om Afghanistan volledig af te sluiten van het wereldwijde internet. In september bevalen de autoriteiten een internetblackout die twee dagen duurde en vaag werd gerechtvaardigd door zorgen over pornografie. In het bevel stond dat de stopzetting bedoeld was om ‘immoreel gedrag te voorkomen’.
Met de afsluiting van het internet willen de taliban ook voorkomen dat beelden van protesten, demonstraties en de hardhandige onderdrukking daarvan de wereld bereiken. Ook wordt er weleens iets gelekt, omdat overheidsfunctionarissen hun smartphone gebruiken om documenten te fotograferen – en af en toe een vergadering op te nemen – en deze vervolgens op de een of andere manier openbaar laten worden voordat de hoogste leider ze heeft ondertekend.
Ouders, leraren en leerlingen zijn erg blij met de maatregel
Greystones, een Ierse kustplaats net ten zuiden van Dublin, heeft zich wereldwijd op de kaart gezet met het radicale initiatief It Takes a Village. Het doel daarvan is kinderen te beschermen tegen sociale media door smartphones te verbieden voor kinderen onder de twaalf jaar. Ouders tekenen een contract met hun basisschool waarin ze beloven hun kinderen geen mobiel te geven totdat ze rond hun dertiende naar de middelbare school gaan, schrijft The Telegraph.
‘Het gaat erom dat we het moment waarop ze een smartphone krijgen, uitstellen totdat we ze de vaardigheden hebben bijgebracht die ze nodig hebben om in de online wereld te navigeren,’ aldus Rachel Harper, basisschooldirecteur in Greystones, die het initiatief heeft opgezet.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
Ze bedacht het concept toen leerlingen na de covid-lockdowns weer naar school gingen. ‘Ouders vertelden me hoe hun zoon of dochter, die het op school goed deed, ’s avonds thuis helemaal de controle verloor. Kinderen hadden moeite met slapen na tot in de late uurtjes op hun telefoon te hebben gezeten. Door berichten van de avond ervoor kwamen ze dermate uitgeput of overstuur op school dat ze zich niet konden concentreren.’
Op het eerste gezicht klinkt het initiatief draconisch en onwerkbaar, maar ouders, leerkrachten en vooral de kinderen zijn er zeer over te spreken. Zo vertelt een moeder: ‘Ik zag enorm op tegen de dag dat mijn dochter thuis zou komen smeken om een smartphone, omdat iedereen er al een had. Maar dankzij dit schoolinitiatief hebben ouders zoals ik daar geen last meer van.’
Een jongen verklaart: ‘Wat ik tot nu toe van de workshops heb geleerd, is dat socialemediaplatforms zo zijn ontworpen dat ze een eindeloze hoeveelheid content bieden, waardoor het moeilijk is er afstand van te nemen. Ze zijn verslavend en ik wil niet dat mij dat overkomt.’
Toen schrijver Harriet Armstrong op haar telefoon zocht naar berichten die ze had gestuurd met ‘lol’ erin, vond ze er duizenden. Dit kleine acroniem is door de jaren zijn eigen linguïstieke en semiotische leven gaan leiden.
De meeste bestonden gewoon uit ‘lol’, of ‘lol oké’, ‘lol nee’ of ‘lol hahaha’, en slechts een paar van deze berichten hadden iets met lachen of grappen te maken. ‘Twee jaar lang schreef ik op de universiteit elke week een waardeloos gedicht lol.’ ‘Het spijt me echt lol, ik had niets moeten zeggen.’ ‘Lol, ik was super eenzaam haha- haha.’
Ik realiseerde me dat ik veel van deze berichten had verstuurd terwijl ik aan het huilen was. Een paar jaar terug stuurde ik, overstuur en behoorlijk dronken, mijn vriend A. na een gecompliceerde avond met hem een berichtje met de tekst: ‘lmaooo [ik lach me suf] oké, ik zit in de bus en lol me suf om mijn slechte persoonlijkheid.’ Kort daarna probeerde ik een verhaal te schrijven, geïnspireerd op dat moment waarop ik zo zat te lollen in de bus. ‘De bus zat gevangen in de blauwe muren van de nacht, nat en sterrenloos, die op het dak drukten, de deuren naar binnen drukten. Mijn liefde voor hem voelde volkomen helder, en oeroud. Het voelde als het meest vertrouwde en heiligste in mijn leven…’
Wederzijds begrip
Het was een melodramatisch verhaal, en de bekentenis dat ik ‘me suf lolde om mijn slechte persoonlijkheid’ was onoprecht en dom. Maar wat probeerde ik eigenlijk over te brengen door tegen A. te zeggen dat ik lachte, terwijl ik tegelijkertijd schreef dat mijn liefde voor hem helder en vertrouwd aanvoelde tussen de natte muren van de blauwe, sterrenloze nacht? Ik denk dat de waarheid wat algemener was, een wat basalere combinatie van verdriet, schaamte en verlangen, ongemakkelijker en ook saaier dan ‘mijn liefde voor hem voelde volkomen helder, en oeroud’, of ‘oké, ik zit in de bus en lol me suf om mijn slechte persoonlijkheid’.
Zoals een uitroepteken een zin een vrolijke en opgewekte toon geeft, zo geeft ‘lol’ aan dat een zin minder serieus genomen moet worden – al voelt het vaak als een soort wederzijds begrepen, maar niet uitgesproken façade. Vaak spreekt uit ‘lol’ een bijna expliciete wanhoop om contact te maken. Zowel mijn bericht over mijn ‘slechte persoonlijkheid’ als die beschrijving van het ervaren van oeroude, heilige liefde in de bus zijn vrij doorzichtige pogingen om iets zo uit te drukken dat het empathie opwekt bij de ontvanger of lezer. ‘Lol’ is een manier om iets te vragen – aandacht, geruststelling, zorg of zelfs liefde – terwijl je doet alsof je niets vraagt. Als ik mijn berichten lees, vind ik de toon eigenlijk een beetje manipulatief overkomen. ‘Lol, ik ben echt de saaiste vrouw ter wereld en jij bent zo interessant, charmant, grappig enz. LOL.’ ‘Trouwens, je hoeft niet op deze berichten te reageren lol, maar het mag wel.’
Zowel de zender als de ontvanger begrijpt het al. ‘Lol, ja natuurlijk weet ik dat’
Ik begon me te schamen voor het aantal keren dat ik ‘lol’ had geschreven in berichten aan mijn vrienden. Ik zocht op Google naar ‘lol semiotiek’ en ‘lol Google Scholar’ en ontdekte dat vrijwel elk artikel, essay, Reddit-bericht en zelfs het overzicht van Google AI ‘lol’ beschreef als een middel om sociale banden te versterken. Het AI-overzicht stelde dat ‘lol’ duidt op ‘een gemeenschappelijke interpretatie’ en gaf een paar voorbeelden van ‘lol’-berichten die dat doen: ‘lol ik maak huiswerk’, ‘lol ik verveel me’, ‘lol het is koud’. Die berichten zijn niet bedoeld om grappig te zijn; ze impliceren een wederzijds begrip van een gevoel of een ervaring.
We weten allebei hoe het is om huiswerk te maken. We weten allebei hoe verveling voelt. We weten allebei wat het betekent om het koud te hebben, hier buiten, waar we ook zijn of zijn geweest.
Dit bedoel ik als ik soms ‘lol’ zeg. ‘Lol, ik vind dat liedje ook geweldig.’ ‘Lol, zit je nu in de trein? Is het druk?’ ‘Lol, ja, kom maar!’ Dit soort ‘lol’ – minder sneu dan toen ik tegen mijn vriend zei dat ik in de bus zat te lollen over mijn slechte persoonlijkheid – is zacht en open, en op de een of andere manier ingetogen. Hiermee zeg ik dat dit om de een of andere reden belangrijk voor me is, maar ik wil de ander er niet mee belasten of het te zwaar maken. Ik wil die ander gewoon vertellen hoe het voor mij is en weten hoe het voor hem is.
Persoonlijke lol
Ik dacht aan het einde van Ben Lerners roman 10:04: ‘Ik weet dat het moeilijk te begrijpen is / Ik sta achter je en ik weet hoe het is.’ Misschien doen de beste ‘lol’-berichten wel zoiets: ze verwijzen naar iets dat complex is, of iets dat om welke reden dan ook onbesproken blijft, en ze erkennen die context zonder het te hoeven uitleggen. Ze ontwijken de vraag niet en geven ook geen volledige uitleg; dat hoeft ook niet, want zowel de zender als de ontvanger begrijpt het al. ‘Lol, ja natuurlijk weet ik dat.’
‘Ik lolde en keek naar je’ is een van de weinige berichtjes op mijn telefoon die een moment van daadwerkelijke persoonlijke lol beschrijven. Ik stuurde het een paar maanden geleden naar A., nadat we met een grote groep gezamenlijke kennis- sen in de kroeg waren geweest. Een van die kennis- sen zei iets vreemds, en ik keek naar A. omdat ik wist wat hij dacht – een voor de hand liggende gedachte die waarschijnlijk iedereen had: wat die kennis zei klonk vreemd, en ook wat onbeleefd, maar het feit dat die persoon zoiets vreemds en onbeleefds zei, was grappig. Ik keek naar A. omdat ik oogcontact wilde maken en wilde zien hoe hij zijn lach probeerde in te houden, en wilde dat hij mij hetzelfde zag doen, zodat we allebei precies wisten wat de ander dacht. Ik wilde specifiek oog- contact maken met A. omdat ik een speciale, intieme verstandhouding wilde voelen – openlijk, waar anderen bij zaten. Ik wil altijd graag openbaar geheimen delen met A. Maar hij keek niet, dus toen ik thuis was stuurde ik een berichtje: ‘Ik lolde en keek naar je’, eigenlijk precies de opzet van al die ‘lol’-berichtjes – naar je kijken, hopen dat je terug- kijkt en dat we samen kunnen lachen, maar als je dat niet doet en als dat niet kan, is het oké, geen enkel probleem, maar lol nu moet ik toch weer huilen hahahaha lol kom alsjeblieft langs!
Dankzij de smartphone kunnen we overal e-mails voor ons werk versturen. We kunnen documenten bewerken in de metro, in de wachtkamer of in het park terwijl de kinderen aan het spelen zijn. Is deze manier van gefragmenteerd werken een bevrijding of een nieuwe vorm van slavernij?
De term ‘microwerken’, die aan het eind van de jaren 2010 opdook, beschrijft een trend waarbij je je tijd optimaal benut door tijdens de dagelijkse beslommeringen korte werksessies te doen op plekken die daar niet voor bedoeld zijn. We doen onbewust aan ‘microwerken’ als we een werkmail beantwoorden bij de kapper of Slackberichten checken in het openbaar vervoer. Overal zie je microwerkers. Ze zitten met hun computer op schoot in het park, verbonden via 4G, of kijken documenten na op een bankje tijdens de dansles van de kinderen.
‘Met Google Drive hebben we toegang tot alles,’ zegt manager vastgoedbeheer Simon, die anoniem wil blijven. Hij is te vroeg voor een afspraak en verzendt tijdens het wachten ‘een e-mailsalvo’ in een café in Parijs. Aan een tafel naast hem is een groep architecten spontaan begonnen met vergaderen. Niemand realiseert zich waarschijnlijk dat ie aan het microwerken is. De term is nooit echt ingeburgerd geraakt, ondanks de inspanningen van vastgoedmensen die ervan overtuigd waren dat er een markt voor was. Hun idee was om overal microbureaus te installeren voor al deze microwerkers.
Op de meest onverwachte plaatsen doken microwerkplekken op, zoals in de Monoprix des Ternes [een Franse winkelketen] in het noordwesten van Parijs, of in het stadhuis van het 17e arrondissement van de hoofdstad. De start-ups Weem en Kabin onder andere, kwamen op het idee om cabines voor telewerkers te ontwikkelen – geluidsdichte, aan elkaar gekoppelde cabines die het midden houden tussen een telefooncabine en een pasfotohok. Deze exemplaren werden uitgerust met software die advies gaf over hoe je je beter kon concentreren. Volgens die bedrijven zouden overal zulke cabines opduiken.
Op 20 maart 2023 vond in het Théâtre Mogador in Parijs de Nacht van de Future of Work [Toekomst van Werk] plaats, waar bedrijven, start-ups en vastgoedbedrijven hun innovaties presenteerden. Geen woord meer over het fameuze microwerken. Weem had vier jaar geleden laten weten een ‘microwerkerskring’ op te zullen richten, met een aantal deskundigen die een witboek over deze praktijk op zouden stellen. Antropologe Fanny Parise zegt zich niet meer te kunnen herinneren dat ze aan het project zou meewerken – Weem werd enkele weken geleden opgeheven. Emmanuel Ratel, ex-directeur-generaal van Weem, herinnert zich dat de cabines die hij in Frankrijk had geplaatst, het meest werden gebruikt op het platteland, en dan niet zozeer als ‘expreswerkplek’, maar ‘als ontmoetingsplek’.
Out of the box
Wat Kabin betreft: hun plek in Monoprix des Ternes bestaat niet meer. ‘Het was misschien een beetje té disruptief,’ geeft oprichter Adrien Lemaire toe. Misschien is niet iedereen klaar voor microwerk in een cabine naast de vleesafdeling. Kabin wil nu in mei andere cabines gaan testen. Op dit moment zijn er vijf operationeel, verspreid over Parijs, in Levallois-Perret (Hauts-de-Seine) en in Luxemburg. Het stadhuis van het 17e arrondissement heeft van de renovatie van zijn hal gebruikgemaakt om het bedrijf te vragen zijn cabines opnieuw te installeren, zodat burgers die hun identiteitsbewijs komen vernieuwen, voor of na hun bezoek aan het loket, bijvoorbeeld aan een Zoomvergadering kunnen deelnemen.
Rebels als ze zijn, volharden werkgevers in het out-of-the-box microwerken. SNCF, de Franse spoorwegmaatschappij, schiep 197 microwerkplekken in stationshallen voor reizigers die er tijdens het wachten een poosje kunnen werken. Maar volgens Gare & Connexions, dat de stations beheert, worden die vooral gebruikt gewone reizigers om hun batterijen op te laden. Ondertussen valt wel op hoeveel mensen op dit soort plekken aan het werk zijn, zittend aan een tafeltje in een café of restaurant, op een bankje of zelfs op de grond…
Misschien schuilt de charme van het geïmproviseerde werken – in afwachting van iets of iemand – wel in het gevoel flexibeler te zijn dan je agenda. Misschien willen mensen die op deze gefragmenteerde manier werken zich niet van de wereld afsluiten in een ruimte waar de zintuigen worden uitgeschakeld. De app Coffitivity doet dit inderdaad vermoeden. Deze belooft ‘het geluidsbeeld van een café na te bootsen om de creativiteit te stimuleren’. Er zijn verschillende audio-omgevingen beschikbaar, zoals die van een café in Parijs. Kennelijk willen mensen graag werken op plekken die daar niet voor bedoeld zijn. Werknemers van het Amerikaanse bedrijf Buffer – die volledig op afstand werken – krijgen een tegemoetkoming in de kosten voor een co-werkplek en hebben ze recht op tweehonderd dollar per maand voor consumpties in het café van waaruit ze eventueel willen werken.
‘Nomadische werknemers werken overal en altijd’
Nicolas Cochard, hoofd onderzoek en ontwikkeling van de Kardham Group en specialist in de werkomgeving, ziet een andere verklaring voor het feit dat cabines voor microwerk niet het verwachte succes hadden. Professionals van Future of Work hebben de neiging om het aantal mensen te overschatten dat werkt zoals zij. ‘Let op het elitaire karakter van dit soort trends die worden aangeprezen als universeel,’ waarschuwt hij. ‘Ons wordt wijsgemaakt dat ze zich als een lopend vuurtje verspreiden, maar in feite gaat het vooral om activiteiten van bepaalde groepen in de metropolen.’ En laten we wel wezen: werkcabines en microarbeid zijn handig voor het afronden van een PowerPoint, maar minder praktisch voor het storten van beton of het bakken van stokbroden. Trouwens, als het zou gaan leraren die in het café huiswerk nakijken of om vertegenwoordigers die in hun auto aan orders werken, zou niemand op het idee komen dat als ‘trendy’ te bestempelen.
Broekzak
Dankzij de technologie beweegt de werkplek tegenwoordig mee in de broekzak van de werknemer, merkte socioloog Yves Lasfargue al begin jaren 2000 op. Hij was een van de eersten die over nomadisch werken schreef. Degenen die dit ‘werken op onverwachte momenten van de dag’ willen formaliseren, zien daar volgens Nicolas Cochard vooral een bron van inkomsten in, zoals professionals in de hotel- of flexwerkbranche of in het kantoorvastgoed. Ze hopen de opbrengst van hun ruimte te kunnen maximaliseren door ze voor korte tot zeer korte periodes te verhuren. Microwerkers zijn echter gesteld op informaliteit. ‘Nomadische werknemers werken overal en altijd,’ aldus Cochard. Een cabine hebben ze niet nodig – oortjes of een koptelefoon zorgen voor afzondering, waar ze ook zijn.
Elodie, een microwerker die weigert om zo genoemd te worden, leidt een bureau voor marketingonderzoek en heeft een hekel aan plaatsen die tot ‘werkplek’ worden bestempeld (ze blijft liever anoniem – haar klanten hoeven niet te weten dat ze e-mails vanuit de wachtkamer van de tandarts stuurt). ‘“Werkplek” herinnert me eraan dat ik aan het werk ben,’ zegt ze. Maar als ik in een wachtkamer ideeën noteer of in een coffeeshop de PowerPoint van een collega doorneem, kan ik, omdat dat werk geen naam en geen vaste plek heeft, mezelf wijsmaken dat ik niet werk. Het is een truc: vaker werken in het café om minder vaak te werken op kantoor.’
Cochard merkt op hoe dit ‘lukrake’ werken de poreusheid van werk en privé accentueert. Het risico is dat je de hele tijd aan het werk bent als je elk vrij moment in je leven gebruikt om in te loggen, drie e-mails te versturen of een document te herlezen. In plaats van zich te beklagen over deze poreusheid, hebben ‘de Stakhanovisten van het vrije moment’ [een verwijzing naar Alexei Stakhanov die in de Sovjet-Unie de arbeidsproductiviteit wilde verhogen] eerder een gevoel van microtriomf: ze raken bijna bedwelmd door hun vermogen zich overal te concentreren. Uiteindelijk worden ze minder gestoord tijdens het werken vanaf de tribune in het zwembad, wachtend op het einde van de zwemles van de kinderen, dan op kantoor.
Frédéric (die anoniem wenst te blijven) zegt dat hij zich erop toelegt om zo vroeg mogelijk op de luchthaven te arriveren als hij op reis moet, ‘om twee uur de tijd te hebben om te werken’. Deze directeur van een grote Franse onderneming beschrijft ook het plezier dat hij beleeft aan het werken in een taxi. ‘Daarin richt ik echt een kantoortje voor mezelf in.’ Files? Die beschouwt hij als een kans om nog van zijn tijd te profiteren. Deze mensen voelen zich slimmer omdat ze gebruikmaken van tijd die anders eigenlijk ‘verspild’ zou zijn – een beetje zoals iemand die stiekem zijn buikspieren traint tijdens een vergadering die maar eindeloos doorgaat.
‘We reageren, gewoon om ons te laten zien. Het gaat om “Hallo, ik ben er”’
Het is geen toevallig fenomeen, signaleert de Amerikaan Cal Newport, auteur van het boek Deep Work. Finding focus in a world of distractions, waarin hij het belang van monotasking en werkuren zonder afleiding verdedigt. Alles is veranderd sinds productiviteit in de diensteneconomie een persoonlijke verantwoordelijkheid is geworden, zei hij tegen The New York Times. Je kunt niet meer zoals vroeger voor iedereen het werk organiseren. ‘Het probleem is dat wanneer productiviteit persoonlijk wordt, de druk bij individuen komt te liggen – zij moeten de spanning oplossen tussen de verschillende rollen die zij in hun leven spelen.’ Vandaar de verleiding om privéleven en werk tegelijkertijd te runnen. En om dus werkdocumenten door te nemen in afwachting van een schoolvoorstelling.
Als je al die mensen ziet werken in de trein of in het café, denk je dat ze allemaal enorm goed werk zullen verzetten. Maar de productiviteit is niet enorm toegenomen sinds deze trend. Verre van dat. In plaats van microwerken ziet Cal Newport microagitatie. Nomadische digitale hulpmiddelen zorgen voor entropie en complicaties, zegt hij. Voor het behalen van eenzelfde resultaat vindt er nu meer uitwisseling en ge-heen-en-weer plaats, omdat dat overal en op elk moment mogelijk is. De overgang naar een volgende fase van het werkproces wordt vertraagd omdat je zelfs lopend kan vragen om een verduidelijking, een update en vervolgens een andere, en dan nóg een andere versie van een contractvoorstel. Voorheen waren voor de afronding slechts twee telefoongesprekken, de uitwisseling van een paar faxen nodig gevolgd door een mondeling ‘oké’.
Cal Newport verklaart deze ontwikkeling als volgt: productiviteit is in veel van de huidige banen onmogelijk te meten en daarom vertrouwen we op ‘zichtbare activiteit’ om die te kunnen kwantificeren. Tot in de jaren 2000 bestond die uit lang op kantoor blijven. Tegenwoordig laat iemand zien dat ie aanwezig is door op vreemde tijden en overal vandaan e-mails te sturen. ‘We reageren, gewoon om ons te laten zien. Het gaat om “Hallo, ik ben er”,’ geeft de logistieke manager van een bank toe.
In feite voelen we nu een zekere trots als we kunnen zeggen dat we ons werk hebben afgemaakt vanuit een stoeltjeslift of tijdens het verjaardagsfeestje van de kinderen. Niemand zegt: ‘Weet je waar ik dat gouden idee kreeg? Op kantoor!’
Schrijver Franklin Schneider behoort tot een zeldzame minderheid: hij heeft nog nooit een smartphone gehad. Vroeger stuitte hij op onbegrip, maar tegenwoordig ziet hij de reacties veranderen.
In tegenstelling tot bijna 98 procent van de Amerikanen onder de vijftig heb ik geen smartphone. Ik heb zelfs nog nooit een smartphone gehad. Ik heb nog nooit een Uber besteld, nooit ‘een pin gedropt’, nooit een tikkie verstuurd of gebruikgemaakt van Spotify of een datingapp, heb nooit in een groepschat gezeten en ben nooit jaloers geweest op iemand op Instagram (want ik heb nog nooit op Instagram gezeten). Vroeger schaamde ik me daar een beetje voor, of althans: er werd me schaamte aangepraat. Lange tijd wilden mensen me niet geloven als ik zei dat ik geen smartphone heb, of wekte het een mengeling van gêne en minachting, alsof ze ineens beseften dat een vies luchtje dat ze al die tijd probeerden te negeren bij mij vandaan kwam. Maar de laatste twee jaar krijg ik andere reacties. Nu stilaan duidelijk wordt wat de tol is van het continu online zijn, begint de mens die offline is, onbereikbaar en losgekoppeld van alle netwerken, een onderwerp van fascinatie en zelfs afgunst te worden. Ik moet bekennen dat ik inmiddels best trots ben op mijn status als telefoonmijder, zo’n dwarse weigeraar die ineens niet meer hopeloos achter maar juist op de troepen vooruit blijkt te lopen.
Hoever vooruit is lastig te zeggen. Ik denk wel dat ik ontsnapt ben aan de ergste gevolgen van de smartphone: de verdwaasde, afwezige blik, de sociale atrofie, de gekromde rug en de lange horizontale plooien in de nek van de powerscroller. Ik durf te wedden dat mijn concentratievermogen beter is dan dat van veel andere mensen, te oordelen naar de aantallen die ik in de bioscoop om de paar minuten op hun telefoon zie kijken (ongeveer de helft) of zelfs de hele film door zie zitten scrollen (altijd wel een paar). Ik spreek je trouwens aan op zulk gedrag. Als je vaker dan één keer per uur op je telefoon kijkt, ben je voor mij een ‘iPad-baby’. Als je een door Spotify gegenereerde playlist afspeelt steek je voor mij ‘als een lui varken je snuit in de trog’.
Nadelen
Het heeft absoluut nadelen om geen smartphone te hebben. De zakken van al mijn jassen zitten vol servetten, bonnetjes en verscheurde facturen waarop ik plattegrondjes heb geschetst om me te helpen mijn weg te vinden. Ik ben eens een belangrijk sollicitatiegesprek misgelopen omdat ik op mijn inderhaast geschetste plattegrondje de namen van de straten verkeerd had ingevuld. Als mensen na een etentje zeggen: ‘Ik stuur wel een tikkie voor 37,50’ en ik geef ze in plaats daarvan twee briefjes van twintig, nemen ze het aan met een gezicht alsof ik ze een afgehakt oor geef. En ik zou liegen als ik zei dat ik niet af en toe weemoedig word bij de gedachte aan alle gein in groepschats die ik waarschijnlijk misloop.
En toch ben ik er nooit aan begonnen, al is het lastig te zeggen waarom eigenlijk precies. De gebruikelijke antitelefoontirades spreken mij niet zo aan. Dat kribbige ‘leg weg dat ding’ klinkt mij te veel als ‘ga van mijn gazon af!’ De automatische afkeer van dingen die nieuw zijn is misschien niet de bron van alle kwaad, maar wel van alle saaiheid in de wereld. En ook de veelgehoorde aansporing om ‘volledig in het moment te zijn’ lijkt me een misvatting. Als je zozeer opgaat in een Instagram Reel dat je het zebrapad op loopt terwijl het licht op rood staat en je op het nippertje voor de dood wordt behoed door de twee beschaafde claxonstoten waarmee buschauffeurs je laten weten dat het maar een haartje scheelde of je was herenigd met die lieve hond uit je kindertijd, dan leef je waarschijnlijk in het moment met een intensiteit die normaal alleen voor boeddhistische monniken is weggelegd. Het probleem is alleen dat je in het verkeerde moment leeft.
Botsen
Dat ik toch niet voor het gemak van een leven met smartphone gezwicht ben, komt waarschijnlijk doordat het me opvalt hoezeer mensen zijn veranderd sinds de pakweg tien jaar dat die dingen niet meer weg te denken zijn. Eerst keek ik mensen vol bewondering na als ze met de blik aan het scherm gekleefd tussen andere mensen doorliepen, blijkbaar geleid door een vleermuisachtig soort sonarsysteem. Toen begon ik, hetzij uit een vage asociale neiging (vaak genoeg) hetzij uit pure noodzaak (in een smal gangpad in de supermarkt), die mensen op de proef te stellen door recht op ze af te lopen om te zien of ze uitweken. Verrassend vaak deden ze dat niet, en als we tegen elkaar botsten gaven ze mij altijd de schuld. Zo besefte ik uiteindelijk dat er geen sprake is van geraffineerde navigatie: ze hebben de verantwoordelijkheid voor hun lichamelijk omhulsel simpelweg uitbesteed aan de mensen om hen heen, net zoals veel mensen hun geheugen uitbesteden aan hun telefoon.
Nu zeg je waarschijnlijk: nou ja, dat zijn maar voetgangers, ze rijden tenminste geen auto. Maar veel mensen zitten achter het stuur ook nog op hun telefoon. Automobilisten die voorrang geven op een kruising zie je onder het wachten vaak even snel een blik op hun scherm werpen. Bij het stoplicht zie ik voortdurend mensen die niet van hun telefoon opkijken als het op groen springt: ze trappen gewoon het gaspedaal in zodra de auto voor hen begint te rijden. Minder gevaarlijk maar om de een of andere reden verontrustender zijn de mensen die ik ’s avonds laat in geparkeerde auto’s op hun telefoon zie zitten scrollen. Als ik opschrik van de plotse verschijning van zo’n van onderaf belicht, lichaamloos gezicht in een verder uitgestorven straat en ze aanstaar, kijken ze meestal boos en verontwaardigd terug, alsof ik hen lastigval, een afspraak schend waarvan ik niet wist dat ik die gemaakt had. Ik probeer ze het voordeel van de twijfel te gunnen. Misschien is hun partner een lichte slaper, of hebben ze zes irritante koters die door het hele huis stuiteren. Maar ik zie dit nu zo vaak dat ik ze inmiddels beschouw als de belichaming van de hedendaagse vervreemding. Vijfentwintig jaar geleden had je Putnams indringende sociologische analyse van moderne eenzaamheid in zijn boek Bowling Alone – tegenwoordig is het ‘scrolling alone’.
Hoe vaak heb ik vrienden niet een chat zien openen om met een zucht te beginnen aan het doornemen van een massa berichten
Een telefoon is natuurlijk ook maar een medium dat tot op zekere hoogte niet verschilt van een laptop of een boek, en wie dat apparaat alleen maar verkettert gaat eraan voorbij dat je er oneindig veel mee kunt doen, ook een heleboel dingen die wel productief zijn. Misschien is die kerel die op de sportschool kromgebogen zit over zijn scherm wel bezig om de laatste onderzoeksresultaten over nieuwe kankerbehandelingen te lezen. Maar waarschijnlijk niet. Toen ik op mijn sportschool eens meekeek over de schouder van de man op de crosstrainer voor me, zat hij te kletsen met een AI-chatbot in de vorm van een anime schoolmeisje. Zij vertelde met een hoog en hees stemmetje dat er die dag in een winkel iemand probeerde voor te dringen en dat ze die persoon toen beleefd had gevraagd om achter aan te sluiten. ‘Heel goed, schat,’ zei hij. ‘Ik ben trots dat je zo voor jezelf opkomt.’
Dat is ongeveer representatief voor wat ik mensen op hun telefoon zie doen: zichzelf vernederen met een levenloos surrogaat van het echte leven. Het is moedeloos makend, althans in de ogen van de telefoonloze naïeveling. Hoe vaak heb ik vrienden niet een groupschat zien openen om met een zucht te beginnen aan het doornemen van een massa ongelezen berichten en het werktuiglijk uitdelen van hartjes en smileys: vriendschap als data-invoer, een baantje waar je niet voor betaald krijgt maar dat je ook niet kunt opzeggen. Zelf heb ik al een vriendin, maar een vriend laat me geregeld meekijken als hij op datingapps zit. Zoals de meeste mannen (ook ik) overschat hij zijn eigen knapheid en onderschat hij de knapheid van de vrouwen die daar langskomen. ‘Ach, laat ik haar maar een kans geven,’ zegt hij, en swipet een vrouw naar rechts om wie in oude beschavingen oorlogen zouden zijn uitgebroken.
Daten
Zolang deze vriend zijn dagelijkse swipequotum maar haalt is hij nog ‘in de markt’, denkt hij, en ‘meer kan hij niet doen’. Maar we gaan allebei naar hetzelfde koffietentje, en daar zien we een paar keer per week een vrouw zitten die geknipt voor hem lijkt. Elke dag gaat hij daar zitten, leest zijn autofictieboekje, pakt zijn laptop en gaat wat zitten tikken aan zijn eigen autofictiemanuscriptje. En elke dag gaat zij daar zitten, leest haar autofictieboekje, pakt haar laptop en gaat wat zitten tikken aan wat volgens ons ook een autofictiemanuscriptje moet zijn. Soms zitten ze toevallig aan belendende tafeltjes, zo dicht bij elkaar dat hij volgens mij haar parfum moet kunnen ruiken. Dan probeer ik hem vanaf mijn tafeltje aan te sporen: een suggestieve frons, een subtiele heupstoot onder tafel. Als ze weer weg is, ga ik naar hem toe en vraag waarom hij haar niet aangesproken heeft. Hij doet alsof ik heb geopperd dat hij eigenhandig zijn blinde darm moet verwijderen. ‘Ik kom haar misschien nog weleens tegen op de apps,’ zegt hij over de vrouw die hij net voor de driehonderdste keer in het echt heeft gezien.
Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Hij is zesendertig en heeft nooit anders dan via apps een date gehad. Mensen in het echt ontmoeten lijkt tegenwoordig exponentieel veel moeilijker dan het krap tien jaar geleden was. Cafés lijken vooral vol te zitten met afgebakende vriendengroepjes en mensen die zenuwachtig op hun appdate zitten te wachten. (Er is weinig zo deprimerend om te aanschouwen als de eerste ontmoeting van twee appgebruikers. ‘Taylor…? Hoi, Riley.’ De ferme verkopershanddruk, de omhelzing met het bovenlijf voorover neigend vanuit voeten die zo ver mogelijk van elkaar vandaan staan, dat voortdurende door elkaar heen praten op die sollicitatietoon.) Ik zie vaak mensen een café in komen, één drankje bestellen en een klein halfuur op hun telefoon scrollen om daarna weer te vertrekken. Misschien hebben ze een blauwtje gelopen. Of misschien hebben ze precies gedaan wat ze wilden. Maar ze zien er vaak teleurgesteld uit. Ik stel me voor dat ze iets anders beoogden: het toeval de kans wilden geven hen op de schouder te tikken en te zeggen: ‘Kijk eens, hier is de ontmoeting die jou gaat genezen.’
Solipsisme is een vorm van isolement, wie daaraan gaat wennen wordt een soort kluizenaar
En als ik dat zo aanschouw, bekruipt me het gevoel dat er een enorme hoeveelheid sociale en seksuele energie aan de echte wereld is onttrokken. Waar is die energie in gaan zitten? In datacentra? Reactiepagina’s op internet? Veel critici zeggen dat de smartphone mensen narcistisch maakt, maar dat klopt volgens mij niet. Narcisten hebben andere mensen nodig. De emotionele lading van hun betrokkenheid, daar teren zij op. Wat de scrollende slaapwandelaar, de appende automobilist en de onrealistische datingappswiper gemeen hebben is bijna het omgekeerde, dat lijkt meer op de eenzelvigheid van solipsisme, de overtuiging dat jij de enige mens bent die werkelijk bestaat en dat andere mensen in wezen niet echt zijn. Maar solipsisme is een vorm van isolement, wie daaraan gaat wennen wordt een soort kluizenaar die nog wel normaal gedrag kan nabootsen, maar alleen echt op zijn gemak is als hij somber voor zich uit mompelend zijn internetfeeds zit door te nemen.
Ik weet dat mijn weigering om een smartphone te nemen ook een stilzwijgende erkenning inhoudt dat ik er net zo verslaafd aan zou kunnen worden als ieder ander. Mijn vriendin gaf me laatst haar telefoon met de opdracht muziek op te zetten om bij te vrijen. Na een paar minuten keek ze waarom het zo lang duurde. Ik zat de Wikipediapagina over softijs te bekijken. Ik kan me niet herinneren dat ik die gelezen heb of hoe ik daarop uitgekomen was. Het is de plotse beschikbaarheid van die oneindige hoeveelheid informatie waardoor ik in trance raakte en gewoon begon te swipen en scrollen. Ik denk dat ik in de afgrond heb gestaard en erin getuimeld ben. Ik ga niet liegen: het voelde best lekker om op te geven.
Generatie Z kampt met meer depressies en angststoornissen dan welke generatie ook. Een verklaring ligt wellicht in het gebruik van sociale media. Moeten we het smartphonegebruik van kinderen gaan reguleren? Twee redacteuren van The Atlantic gaan met elkaar in debat.
Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.
Ja: ‘Bevrijd de jeugd van de overheersing van de smartphone’
Een commentaar van Jonathan Haidt, schrijver, sociaal psycholoog en auteur bij The Atlantic
‘In de jaren tien ging het ineens vreselijk mis bij jongeren’, begint Jonathan Haidt zijn artikel in The Atlantic. Haidt benoemt vervolgens dat de cijfers voor depressie en angststoornissen in de Verenigde Staten tussen 2010 en 2019 met 50 procent zijn gestegen. ‘In uiteenlopende landen zien we bij generatie Z (geboren in of na 1996) meer depressies, automutilatie, angst- en andere stoornissen dan bij welke andere generatie ook waarvan de gegevens bekend zijn’, aldus Haidt.
‘Wat heeft er begin jaren tien voor gezorgd dat de ontwikkeling van jongeren veranderde en hun geestelijke gezondheid verslechterde? Het antwoord is vrij eenvoudig te formuleren, al is de onderliggende psychologie complex: dat waren de jaren dat jongeren in rijke landen hun klaptelefoons inruilden voor smartphones en een veel groter deel van hun sociale leven zich op internet begon af te spelen, met name op sociale media, die viraliteit en verslaving in de hand werken,’ zegt hij.
‘We hebben een culturele ommezwaai nodig, en wel nu meteen’
‘Ik durf te beweren dat de nieuwe manier van opgroeien – met altijd een smartphone binnen handbereik – jongeren ziek maakt en hun ontwikkeling tot gelukkige volwassenen belemmert. We hebben een culturele ommezwaai nodig, en wel nu meteen.’
Haidt komt met vier regels die de negatieve gevolgen van een smartphone-jeugd zouden kunnen terugschroeven. Zo benoemt hij als eerst dat kinderen geen smartphones moeten hebben vóór de middelbare school. ‘Op nationaal of lokaal niveau de norm instellen om kinderen totdat ze naar de middelbare school gaan niet 24 uur per dag toegang te geven tot internet, zou helpen om hen te beschermen tijdens de kwetsbare vroege jaren van de puberteit.’
De tweede regel die hij benoemt, is geen sociale media voor kinderen onder de zestien jaar. ‘Als de meerderheid van de jongeren tot hun zestiende niet op deze platforms zat, zouden kinderen makkelijker de druk kunnen weerstaan zelf een account aan te maken.’ Haidt benoemt dat ze wel video’s kunnen bekijken op platforms als TikTok of YouTube, maar dat ze geen persoonlijke informatie kunnen delen en geen berichten kunnen posten om zo de algoritmen niet de kans te geven om hen en hun voorkeuren te leren kennen.
Regel drie: ‘De enige manier om ervoor te zorgen dat leerlingen op school niet bezig zijn met hun telefoons, is het aanschaffen van telefoonkluisjes, waar alle telefoons (en andere apparaten die berichten kunnen ontvangen en verzenden) gedurende de dag in bewaard worden. Scholen met dit beleid beweren dat de sfeer op school is verbeterd, dat leerlingen beter opletten in de klas en dat er meer sociale interactie is’, vervolgt Haidt.
‘We zouden kinderen en jongeren zo moeten opvoeden dat ze geankerd blijven in de echte wereld’
Tot slot moeten ouders de schermtijd vervangen door ervaringen in de echte wereld, door interactie met vrienden en zelfstandige activiteiten. Op die manier zal het verbieden van apparaten, volgens Haidt, aanvoelen als een verrijking in plaats van een gemis.
‘De voornaamste reden dat opgroeien met smartphones zo schadelijk is, is dat ze al het andere verdringen en levenservaring in de weg zitten’, vervolgt Haidt. ‘We hoeven ons niet tot doel te stellen de schermpjes volledig uit te bannen, en ook niet om onze kinderen precies te laten opgroeien als in de jaren zestig. Nee, we zouden kinderen en jongeren zo moeten opvoeden dat ze geankerd blijven in de echte wereld, en tegelijkertijd gedijen in het digitale tijdperk.’
‘Begin jaren tien wisten we nog niet wat we deden, maar nu wel. Het wordt tijd dat we de jeugd bevrijden van de overheersing van de smartphone’, eindigt Haidt zijn artikel.
Nee: ‘Het beperken van toegang tot smartphones kan juist averechts werken’
Een commentaar van Candice L. Odgers schrijver, ontwikkelingspsycholoog en auteur bij The Atlantic
‘Smartphones en sociale media verpesten de hersenen van onze kinderen en maken ze depressief, althans dat is het verhaal dat ons verteld wordt. De krantenkoppen zijn voortdurend te lezen; het is voor ouders genoeg om elk smartapparaat zo snel mogelijk uit huis te willen gooien’, opent ontwikkelingspsycholoog Candice L. Odgers haar artikel in The Atlantic. ‘Gelukkig voor mijn kinderen, die genieten van een goede “kat-valt-hond-aan”- video op TikTok, ga ik elke dag naar mijn werk en zie ik wat jongeren echt aan het doen zijn op hun apparaten.’
Tijdens haar werk als ontwikkelingspsycholoog heeft Odgers de afgelopen 20 jaar onderzocht hoe kinderen psychische aandoeningen ontwikkelen. Ze bestudeerde 10- tot 15-jarigen die hun mobiele telefoons gebruiken, met als doel te testen hoe een breed scala van hun dagelijkse ervaringen, waaronder hun gebruik van digitale technologie, hun geestelijke gezondheid beïnvloedt. ‘Mijn collega’s en ik zijn er herhaaldelijk niet in geslaagd om overtuigend bewijs te vinden voor de bewering dat het gebruik van digitale technologie een belangrijke bijdrage levert aan depressie bij jongeren en andere symptomen van geestelijke gezondheid,’ zegt Odgers.
‘Sociale media zijn relatief nieuw en vormen een makkelijke zondebok’
‘Veel andere onderzoekers hebben hetzelfde gevonden. Een recente studie en een overzicht van onderzoek naar sociale media en depressie concludeerden zelfs dat sociale media een van de minst invloedrijke factoren zijn bij het voorspellen van de geestelijke gezondheid van adolescenten’, vervolgt Odgers. ‘Daarom geloven andere onderzoekers en ik niet in de verhalen die worden verteld over jongeren en sociale media. De meest recente golf van angst werd ontketend door Jonathan Haidt’s The Anxious Generation, waarvan een fragment verscheen in dit tijdschrift.’
‘Haidt is natuurlijk niet de enige die beweert dat deze apps dergelijke problemen veroorzaken. Sociale media worden qua impact vergeleken met heroïnegebruik en krijgen de schuld van zaken als dalende testscores en jongeren die minder seks hebben’, zegt Odgers. ‘Deze verhalen hebben een intuïtieve aantrekkingskracht – sociale media zijn relatief nieuw en vormen een makkelijke zondebok. Maar de puberteit is altijd al een zorgelijke periode geweest: het is de piekleeftijd voor het ontstaan van een aantal ernstige psychische stoornissen en er zijn veel alarmerende statistieken over de geestelijke gezondheid van jongeren op dit moment.’
‘Door met een beschuldigende vinger te wijzen naar smartphones en sociale media krijgen mensen gemeenschappelijke en onsympathieke vijanden. Maar we weten gewoon niet of dit de juiste doelwitten zijn’, zegt ze.
‘Maar het probleem met het extreme standpunt in Haidt’s boek en in recente krantenkoppen – dat het gebruik van digitale technologie de directe oorzaak is van een grootschalige geestelijke gezondheidscrisis onder tieners – is dat het paniek kan zaaien en ons de middelen kan ontnemen die we nodig hebben om deze complexe problemen aan te pakken,’ meent Odgers. ‘Als we ons alleen richten op sociale media, kan dat betekenen dat de echte oorzaken van geestelijke stoornissen en problemen bij onze kinderen niet worden aangepakt.’
‘We moeten gezinnen en tieners niet de boodschap geven dat het gebruik van sociale media inherent schadelijk en beschamend is’
‘We moeten gezinnen en tieners niet de boodschap geven dat het gebruik van sociale media inherent schadelijk en beschamend is. Dat is niet zo. Wat mijn collega-onderzoekers en ik zien als we in contact komen met jongeren, is dat jongeren online gaan om gewone puberdingen te doen.’ Zo zegt Odgers dat jongeren online contact maken met leeftijdsgenoten uit hun offline leven, muziek consumeren, spelletjes spelen en vooral tijd doorbrengen op YouTube. Daarnaast gaan jongeren op zoek naar informatie over gezondheid. ‘Veel jongeren geven aan online een toevluchtsoord te vinden, vooral als ze een gemarginaliseerde identiteit hebben of geen steun krijgen van hun familie of school.’
Tot slot zegt Odgers: ‘Alle jongeren zullen uiteindelijk moeten weten hoe ze veilig door online omgevingen kunnen navigeren, dus het afsluiten of beperken van de toegang tot smartphones en sociale media zal op de lange termijn waarschijnlijk niet werken. In veel gevallen kan dit juist averechts werken: tieners zullen creatieve manieren vinden om toegang te krijgen tot nog niet-gereguleerde gebieden. We moeten ze geen extra redenen geven om zich vervreemd te voelen van de volwassenen in hun leven.’
Dankzij de geavanceerde apparatuur van onder andere het Veldhovense techbedrijf ASML worden er al decennialang steeds kleinere en fijnere chips gemaakt. Maar niet voor lang meer, waarschuwen experts. ‘We lopen nu tegen de fysieke grenzen aan. Straks zitten we op het niveau van een atoom.’
In een ‘cleanroom’ op het uitgestrekte terrein van ASML in Veldhoven ademen tientallen mannen en vrouwen in isolatiepakken lucht in die nog tienduizend keer zuiverder is dan die in een operatiekamer. Ze werken er aan het eerste prototype van het nieuwste product van deze apparatenmaker voor chipfabrikanten: de nieuwste generatie fotolithografiemachines op basis van extreem ultraviolet licht (EUV). Die produceert straks halfgeleiders door transistors op een schijfje silicium te ‘printen’ die bijna net zo klein zijn als een menselijk chromosoom. Dit eerste EUV-apparaat gaat dit jaar voor meer dan 350 miljoen euro naar Intel.
Aan de lithografiemachines van ASML danken we het bestaan van niet meer weg te denken apparaten zoals de iPhone en de geavanceerde chips van Nvidia waar ChatGPT op draait. Er zijn maar drie bedrijven ter wereld (Intel, Samsung en TSMC) die het soort processoren kunnen maken die voor zulke apparaten nodig zijn. En alle drie zijn ze daarvoor afhankelijk van de geavanceerde apparatuur van ASML.
Dankzij de innovaties van ASML kunnen transistors steeds kleiner worden, en de chips als gevolg daarvan krachtiger. Het hoge tempo van de technologische vooruitgang van de afgelopen vijftig jaar hebben we te danken aan de exponentiële groei van het aantal transistors op halfgeleiders. Die toename werd in 1965 al voorspeld door een van de oprichters van Intel, Gordon Moore: hij beweerde destijds dat het aantal transistors op een chip ongeveer elk jaar zou verdubbelen. Die voorspelling, die hij later bijstelde naar eens in de twee jaar, staat bekend als de wet van Moore.
De wet van Moore
Intel was grotendeels zelf verantwoordelijk voor die ontwikkeling, met zijn onophoudelijke innovaties op het vlak van ontwerp en productie van halfgeleiders. Maar dat de wet van Moore nog steeds opgaat, wordt tegenwoordig meestal op het conto van ASML geschreven. Het is aan de machines van het Nederlandse bedrijf te danken dat chips ter grootte van een vingernagel nu wel vijftig miljard transistors kunnen bevatten. ‘De drijvende kracht achter de wet van Moore? Dat is in feite lithografie,’ zegt Jamie Mills O’Brien van Abrdn, een van de vijftig grootste investeerders in ASML.
Die verschuiving wordt weerspiegeld in de beurswaarde van de twee bedrijven. Het aandeel ASML, dat aan de beurs genoteerd staat in Amsterdam en New York, is nu ongeveer twee keer zoveel waard als dat van Intel. Bij de belangrijkste trends van de laatste tien jaar, smartphones en kunstmatige intelligentie (AI), viste Intel goeddeels achter het net, doordat de Amerikaanse chippionier het tempo niet kon bijbenen van de Taiwanese chipmaker TSMC, een van de eerste gebruikers van de EUV-technologie van ASML.
Maar chipproducenten staan nu voor een enorme uitdaging. Ze liggen inmiddels achter op het door de wet van Moore voorspelde schema: het tempo van verdubbeling ligt tegenwoordig dichter bij eens in de drie jaar. Na de massaproductie van de nieuwste 3-nanometerchips voor de iPhones van dit jaar wordt de volgende stap een volgens sommigen nog grotere sprong voorwaarts naar 2 nanometer in 2025. ‘Maar kom je eenmaal op 1,5 of misschien 1 nanometer, dan is het definitief afgelopen met de wet van Moore,’ zegt Ben Bajarin, technologieanalist bij Creative Strategies in Silicon Valley. ‘Dan houdt het gewoon op.’
‘Elke twee of drie jaar een nieuwe generatie chips: ook de complexiteit neemt exponentieel toe
Voorspellingen over het einde van de wet van Moore worden al jarenlang gelogenstraft door chipontwikkelaars. Maar nu begint het aantal transistors dat op een siliciumschijfje wordt gepropt de grens te naderen van wat fysiek nog mogelijk is. Sommigen vrezen dat het aantal productiefouten daardoor toeneemt. De ontwikkelingskosten stijgen in ieder geval wel.
‘De economische grondslag onder de wet van Moore valt weg,’ aldus Bajarin. Chipontwerpers zijn de laatste jaren daarom druk op zoek naar andere manieren om het tempo van de toenemende rekenkracht vast te houden. Bijvoorbeeld door nieuwe materialen en ontwerptechnieken uit te proberen, en door de AI die bestaat bij de gratie van de nieuwste generatie chips in te zetten voor het ontwerpen van nieuwe chips. Wat op het spel staat, is niet alleen het vasthouden van het innovatietempo dat al decennialang ten grondslag ligt aan het succes van de technologiesector, en daarmee van de voortdurende economische groei en radicale verbeteringen in ons dagelijks leven. Ook allerlei nieuwe ontwikkelingen, van kunstmatige intelligentie en het ‘metaversum’ tot de lang beloofde innovaties op het vlak van schone energie en autonoom vervoer, kunnen hun belofte alleen waarmaken als chips steeds krachtiger en efficiënter worden.
‘Ooit zal er een einde aan moeten komen,’ waarschuwde de in maart overleden Moore in 2015, bij de vijftigste verjaardag van zijn oorspronkelijke artikel. ‘Zo’n exponentiële ontwikkeling kan niet eindeloos voortduren.’
Beurswaarde
ASML houdt de wet van Moore nog in leven, maar dat vergt miljarden aan investeringen en onvoorstelbare staaltjes technisch en natuurkundig vernuft. De voormalige Philips-dochter begon haar bestaan in de jaren tachtig in houten barakken op het parkeerterrein van het moederbedrijf in Eindhoven. Tegenwoordig is het met een beurswaarde van zo’n 275 miljard euro het grootste technologiebedrijf van Europa. Vanuit de hoofdvestiging in Veldhoven, op slechts een paar kilometer afstand van waar die oude noodgebouwen stonden, produceert ASML nu machines die wel vijftigduizend keer per seconde minuscule druppeltjes gesmolten tin kunnen verdampen, om licht met een golflengte van 13,5 nanometer te produceren. Zo’n bundel EUV-licht wordt dan in een vacuümruimte weerkaatst via een reeks spiegels, versmald en scherpgesteld op een siliciumschijfje, een zogenaamde wafer.
‘De wet van Moore is een economische wet: elke twee tot drie jaar kun je bij gelijkblijvende kosten de prestaties verdubbelen,’ zegt ASML-topman Peter Wennink. Maar, zegt hij erbij, ‘er is nog een ander aspect van de wet van Moore waar niemand het over heeft: de wet van de complexiteit. Elke twee of drie jaar een nieuwe generatie chips, dat wordt er niet makkelijker op. Ook de complexiteit neemt dus exponentieel toe.’
Enorme investeringen
De nieuwe High-NA-machine is de laatste vrucht van ASML’s enorme investeringen in onderzoek en ontwikkeling – die in 2022 met 30 procent stegen tot 3,3 miljard euro. High-NA slaat op de hogere ‘numerieke apertuur’, ofwel het aantal hoeken waaronder het licht kan worden omgebogen en verstuurd: hoe hoger dat is, hoe kleiner de transistorpatronen die op een wafer kunnen worden geprint.
Voor zijn huidige EUV-machines heeft ASML maar vijf potentiële afnemers: TSMC in Taiwan, Samsung en SK Hynix in Zuid-Korea en Intel en Micron in de VS. Alle vijf hebben ze het nieuwste model besteld. Met zijn monopolie op EUV-machines en zijn rol als grootste producent van DUV-machines (diep-ultraviolet, onmisbaar voor de productie van grotere en breder toegepaste chips in bijvoorbeeld auto’s en huishoudelijke apparaten) is ASML niet alleen populair in Silicon Valley, maar ook bij beleggers. De winstcijfers van het bedrijf zijn in de afgelopen vijf jaar meer dan verdubbeld en de aandelenkoers is in diezelfde periode navenant gestegen met 300 procent.
Momenteel is het bedrijf een speelbal in de felle geopolitieke strijd tussen de VS en China en is er sprake van een dip in de vraag naar chips, doordat de hausse tijdens de pandemie heeft geresulteerd in een voorraadoverschot. Toch zet ASML in op een verdubbeling van de omvang van de markt voor halfgeleiders in de komende jaren: van 600 miljard dollar nu naar 1,3 miljard in 2030. Het bedrijf heeft een orderportefeuille van 40 miljard dollar, wat erop wijst dat er nog steeds vraag naar zijn producten is, en is van plan tot 2025 meer dan 4 miljard euro te investeren in research & development, om zijn innovatietempo vast te houden.
Als dit alles gevaar loopt door het dreigende einde van de wet van Moore, dan is dat aan Wennink niet te merken. Hij maakt zich daar ‘helemaal geen zorgen’ over, zegt hij, maar geeft toe dat de verwachting van voortdurende vooruitgang de ‘grootste concurrent’ voor zijn bedrijf is. ‘Wij leveren de duurste machine in het productieproces,’ zegt hij. ‘Als wij onze klanten niet in staat stellen de kosten te verlagen of de waarde te verhogen, zullen ze alternatieven zoeken.’
Een werknemer bekijkt een chip die nog met het menselijk oog te zien is.
Chipontwerpers anticiperen daar al op. ‘Er zijn allerlei gereedschappen om meer transistors op een chip te kunnen proppen,’ zegt Nigel Toon, hoofd van de Britse start-up Graphcore, die chips maakt voor AI-toepassingen. ‘De wet van Moore loopt misschien op zijn eind, maar daarmee komt er nog geen einde aan de innovatie,’ zegt Hassan Khan, die aan de Carnegie Mellon-universiteit leiding geeft aan het onderzoek naar halfgeleiders en toeleveringsketens voor het Amerikaanse National Network for Critical Technology Assessment. ‘Technologische vooruitgang wordt vaak gelijkgesteld aan de wet van Moore, alsof innovatie alleen mogelijk is door steeds goedkopere transistors. Maar de mens is slim in het opsporen van knelpunten en het vinden van manieren om die te omzeilen.’
Dankzij het type processor waarmee Intel groot is geworden, konden er decennialang apparaten worden ontworpen die een soort Zwitsers zakmes waren, alleskunners zoals de pc en de smartphone. Maar ‘de verwevenheid van hardware en software is weer in opkomst,’ zegt Ondrej Burkacky, die mede leiding geeft aan de semigeleiderdivisie van McKinsey. Het bekendste voorbeeld daarvan is misschien wel de iPhone. De mate waarin die zich altijd weet te onderscheiden van smartphones die op Android draaien, berust voor een belangrijk deel op chips die speciaal voor de iPhone zijn ontworpen. Apple kan specifieke softwarefuncties voor zijn iPhone ontwikkelen in samenwerking met zijn eigen chipontwerpers, een team dat inmiddels al duizenden mensen telt.
Voor fabrikanten van Android-telefoons is dat lastiger, want het besturingssysteem van Google moet duizenden verschillende telefoons ondersteunen, van eenvoudige modelletjes tot Samsungs nieuwste paradepaardje van meer dan 1000 dollar. De algemene standaardchips van de Britse chipontwerper Arm worden door Apple speciaal toegesneden op betere prestaties of een langere batterijduur in de iPhone. Apple is daar zo goed in geworden dat het in 2020 de Intel-chips in zijn Macs kon verruilen voor een eigen chip op basis van het Arm-model.
Hogere prestaties
Omdat softwareontwerpers steeds hogere prestaties voor bepaalde taken verlangen, gaan sommige bedrijven nog verder in het herzien van de ‘architectuur’ van de chip, de fundamentele wijze waarop processoren zijn ontworpen en opgebouwd. Een bedrijf als Graphcore kan ‘met een schone lei beginnen,’ zegt Toon. ‘Je moet beter nadenken over de vraag wat de geschikte architectuur is voor een specifieke applicatie.’
Nvidia, het grootste halfgeleiderbedrijf ter wereld, met een beurswaarde die onlangs de 1 biljoen dollar aantikte, deed eerst jarenlang ervaring op met grafische kaarten voor nichemarkten van gamers en wetenschappers. Het begon pas echt goud geld te verdienen toen zijn grafische processoren onmisbaar bleken voor elk bedrijf dat AI ontwikkelt. Zowel voor AI als voor het genereren van computerbeelden is de door Nvidia toegepaste techniek voor ‘parallelle verwerking’ uitermate geschikt: daarbij kunnen meerdere repetitieve taken – zoals het weergeven van veelhoeken of het uitvoeren van algoritmes – tegelijkertijd worden verricht.
Onmogelijke problemen
In de eerste dertig jaar van zijn bestaan was Nvidia volgens topman en medeoprichter Jensen Huang ‘het bedrijf dat je belde voor het oplossen van haast onmogelijke problemen’. Het jammere was alleen dat het daarmee nichemarkten bediende die ‘allemaal piepklein waren’, zoals die van de computationele biologie. ‘Ons bedrijf werd wel getypeerd met de slogan: oplossingen voor de problemen die geen geld opleveren,’ zegt hij. ‘En toen kwam er ineens een eind aan de wet van Moore. Nu zijn wij hét computerbedrijf dat je nodig hebt voor groei.’
Maar omdat innovaties op chipgebied nu vaak specifiekere toepassingen hebben, worden doorbraken strenger geheim gehouden en zijn ze minder snel geschikt voor brede markttoepassingen. ‘In de jaren negentig en de eerste jaren van deze eeuw waren de kosten per transistor en de mogelijkheden om complexere chips te bouwen zo’n beetje voor de hele sector gelijk,’ zegt Khan.
Tegenwoordig ‘is rekenkracht minder op algemeen gebruik toegesneden. Als ik chips optimaliseer voor AI, kan dat GPT efficiënter of krachtiger maken, maar heeft het misschien geen effect op de rest van de economie.’
Een ander belangrijk terrein van innovatie zijn chips in de vorm van ‘pakketjes’. In plaats van elk onderdeel op een en dezelfde wafer te printen, zodat je een zogenaamd ‘system on a chip’ krijgt, prijzen halfgeleiderbedrijven nu de mogelijkheden aan van ‘chiplets’, kleinere bouwstenen die met elkaar gecombineerd kunnen worden tot een groter geheel. Dat geeft meer flexibiliteit bij het ontwerp en de inkoop van onderdelen. Intel noemt chiplets ‘de manier om de wet van Moore in het komende decennium en daarna in stand te houden’. Het riep vorig jaar een consortium bijeen van chipmakers en ontwerpers, waaronder TSMC, Samsung, Arm en Qualcomm, om standaarden op te stellen voor de bouw van deze lego-achtige processoren.
De truc
Volgens Richard Grisenthwaite, hoofd architectuur bij chipontwerper Arm, is een van de voordelen van chiplets ten opzichte van de ‘monolithische’ traditionele chips dat bedrijven daarin complexe en dure processoren kunnen combineren met oudere en goedkopere. De truc, waarschuwt hij, is om dan met die oudere en goedkope onderdelen meer te besparen dan je kwijt bent aan de extra kosten van het combineren van componenten.
Maar nieuwe ideeën leiden ook weer tot nieuwe problemen. Een grote uitdaging bij veel van deze innovaties is volgens Burkacky van McKinsey dat ze vaak grotere chips opleveren, wat dan weer leidt tot een groter oppervlak dat foutjes kan bevatten. ‘Een defect is meestal een onzuiverheid, een deeltje uit de lucht of uit het chemische proces dat op het oppervlak valt en een chip onbruikbaar kan maken,’ zegt hij. ‘Hoe groter de chip, hoe groter die kans.’
‘We lopen nu tegen de fysieke grenzen aan. Straks zitten we op het niveau van een atoom’
Dat kan fataal zijn voor de productieopbrengst van halfgeleiderfabrikanten: die kan volgens Burkacky zomaar dalen tot 40 of 50 procent, waardoor een toch al kostbaar proces nog moeilijker economisch rendabel te maken wordt. Grotere chips met meer rekenkracht verbruiken ook meer stroom en genereren in een datacentrum zo veel hitte dat het radicaal nieuwe en energie slurpende koelsystemen zoals dompelkoeling vergt om een optimale prestatie te garanderen.
Aan het andere eind van het spectrum kan bij kleinere chips volgens sommige onderzoekers de betrouwbaarheid weer in het geding zijn. In 2021 publiceerde een team van Google het artikel ‘Cores that don’t count’ (‘processorkernen die niet meetellen’). Het was de technici in datacentra namelijk opgevallen dat sommige chips diep in de enorme datacentra ‘onvoorspelbaar’ gedrag vertoonden. ‘Naarmate de fabricage [van chips] naar steeds kleinere afmetingen tendeert, zien we soms rekenfouten opduiken die in de productietests niet naar voren kwamen’, schreef een team Google-ingenieurs onder leiding van Peter Hochschild. ‘Erger nog is dat dit vaak “stille” fouten zijn: het enige symptoom is een foutieve berekening.’ Hochschild concludeert dat ‘de diepere oorzaak’ gelegen is in ‘de steeds kleinere afmetingen’, waarbij de grenzen van het haalbare worden genaderd, in combinatie met de ‘immer groeiende complexiteit van de architectuur’.
Sprong voorwaarts
Instandhouding van de wet van Moore ‘was tot nu toe een uitvoeringsuitdaging’, zegt Burkacky. ‘Ik wil daar niets aan afdoen, het was een razend lastige klus, maar we lopen nu tegen de fysieke grenzen aan. Straks zitten we op het niveau van een atoom. Dan is het volgens de huidige natuurkundige inzichten wel einde verhaal.’ Ooit kunnen kwantumcomputers misschien de lang beloofde sprong voorwaarts in rekenkracht maken die vergelijkbaar zal zijn met de vooruitgang op basis van silicium sinds de jaren zestig. Maar zelfs de meest optimistische pleitbezorgers daarvan geven toe dat het waarschijnlijk nog meer dan tien jaar duurt voordat kwantumcomputers geschikt zijn voor alledaagse praktische doeleinden.
Ondertussen is Toon optimistisch dat chips zoals die van Graphcore tot nieuwe vooruitgang kunnen leiden. ‘Ik denk dat we computers gaan bouwen en AI-types gaan ontwerpen die zo krachtig zijn dat we daardoor de werking van moleculen zullen doorgronden, en dan gaan we met behulp van die AI-computers moleculaire computers bouwen,’ zegt hij. ‘Dat hele idee van de singulariteit [het moment dat AI de mens voorbijstreeft in intelligentie] is gelul, maar de gedachte dat je AI kunt gebruiken om de computertechniek verder te brengen, is heel praktisch.’
Arbeiders in Vietnam worden dag en nacht in fabrieken te werk gesteld om ervoor te zorgen dat producten van Samsung, Apple en andere cruciale techproducenten tijdens de pandemie de schappen blijven vullen.
Lam Le, actief als freelance journalist in Hanoi, schreef voor Rest of World een artikel over de omstandigheden in de techfabrieken van Vietnam tijdens de lockdown. Omstandigheden die iedereen aangaan, want, zo schrijft Lam Le: ‘Als een opgewonden koper een gloednieuwe Samsung-telefoon uit de verpakking haalt, dan is die telefoon waarschijnlijk voor het laatst aangeraakt op een industrieterrein in Noord-Vietnam. Vietnam is namelijk de grootste productiebasis van Samsung ter wereld. In het noorden produceert het Zuid-Koreaanse bedrijf mobiele telefoons en tablets en in het zuiden consumentenelektronica zoals wasmachines en koelkasten.
Tienduizenden werknemers van Samsung wonen er in kale, steriele slaapzalen of in krappe huurwoningen die in de jaren 2010 zijn verrezen in de rijstvelden rondom de fabrieken. De meeste werknemers hebben hun ouders en familie achtergelaten op het platteland, gelokt door het vooruitzicht van stabiliteit en een beter loon in de industriegebieden. Als je erdoorheen rijdt, zie je logo’s van grote bedrijven als Canon en van Foxconn, de belangrijkste toeleverancier van Apple.’
In 2020 en aan het begin van dit jaar leek Vietnam het coronavirus aanvankelijk op onverklaarbare wijze te weerstaan. De export van elektronica steeg explosief. Maar tegen eind mei begonnen de covid-19-gevallen snel op te lopen; er ontstonden besmettingsclusters rond de productiecentra in het noorden, en in de steden en productiecentra die tot dan toe normaal functioneerden, begon het dagelijks leven hinder te ondervinden.
In sommige gevallen kregen werknemers zelfs vroegtijdig toegang tot vaccins
Grote technologiebedrijven, die al te lijden hadden onder verstoringen in de toeleveringsketen in andere delen van de wereld, konden het zich niet veroorloven de productie in Vietnam stil te leggen. In plaats daarvan hielden zij hun fabrieken op alle mogelijke manieren draaiende: door werknemers in isolatie te plaatsen, hen te onderwerpen aan strenge viruscontroles, veel geld uit te geven aan huisvesting, de lonen te verhogen en in sommige gevallen zelfs vroegtijdig toegang te geven tot vaccins.
Terwijl consumenten in het Westen te horen kregen dat hun gadgets dit jaar waarschijnlijk niet op tijd voor Kerstmis zouden aankomen vanwege een wereldwijd tekort aan chips en overvolle zeehavens, stelde de Vietnamese regering fabriekseigenaren in feite voor een ultimatum: fabrieken sluiten of een veilige manier vinden om werknemers te isoleren van de rest van de bevolking.
Verhuizen
Eind mei werden de werknemers van Samsung Display in de Vietnamese industrieprovincie Bac Ninh voor een soortgelijke keuze gesteld: ze konden thuisblijven zonder diensten te draaien en dus zonder inkomsten, of verhuizen naar door het bedrijf aangewezen woonruimte en hun baan behouden, met een beetje extra loon als goedmakertje.
Nam, een drieëntwintigjarige die op de afdeling milieuveiligheid van Samsung werkt, koos voor het laatste. Hij had niet veel te verliezen. Binnen enkele dagen bevond hij zich in de zinderende zomerhitte van 38 graden met een tiental collega’s in een nabijgelegen school, in een verlaten klaslokaal zonder bedden, ventilatoren of airconditioning. Slechts enkele van zijn collega’s droegen gezichtsmaskers. ‘Daarbinnen was de telefoon mijn enige vriend’, zegt Nam. Overigens is zijn naam, en die van andere arbeiders, veranderd om hen te beschermen tegen represailles.
Na twee dagen lang klagen werden de arbeiders overgeplaatst naar een fabrieksterrein waar de grenzen tussen werkplek en thuis compleet vervaagden. Bijna drie weken lang sliep Nam op een matras in een magazijn, samen met ongeveer honderd andere mannelijke collega’s, en pendelde hij tussen zijn slaapplek, de bedrijfskantine en de productielijn die onophoudelijk bleef draaien. Zijn leven draaide om beeldschermen; voor de fabriek het belangrijkste product en voor Nam zijn broodwinning. In de schaarse pauzes verschoof zijn aandacht naar het beeldscherm van zijn telefoon, de enig mogelijke vorm om contact te onderhouden met familie en vrienden.
Voor de arbeiders betekenden de maatregelen extreme isolatie, uitputting en geestdodende eentonigheid
Dit coronaregime, waaronder Nam en de anderen moesten werken, wordt ‘drie-op-één-plek’ genoemd: werknemers werken, eten en slapen in dezelfde ruimte. Samsung was een van de eersten die deze door de Vietnamese regering opgelegde regeling volgde. De regering voelde zich verplicht om haar ‘zero covid’-strategie kracht bij te zetten en buitenlandse investeerders te verzekeren dat toeleveringsketens in hoog tempo producten zouden blijven rondpompen, denkt Le Hong Hiep, van het economische onderzoekscentrum ISEAS-Yusof Shak Institute in Singapore.
Voor de arbeiders betekenden de maatregelen extreme isolatie, uitputting en geestdodende eentonigheid. Ze spreken van een zomer van schijnbaar eindeloze arbeid, verergerd door weinig slaap en geen enkele privacy. In anonieme gesprekken maar ook publiekelijk op TikTok en Facebook, deelden ze verhalen over constante wachtrijen, controles, en lange werkdagen die eindigden met nachtrust op matjes, kartonnen bedden of in tenten.
‘Die arbeiders hebben waarschijnlijk de economie van Vietnam gered’, zegt Julien Brun, managing partner bij CEL, een adviesbureau voor toeleveringsketens in Ho Chi Minh-stad. ‘Zonder hen zouden fabrieken hebben moeten sluiten en waren alle activiteiten stil komen te liggen.’
Elektronica-industrie
Aan het begin van dit millennium richtte Vietnam zich op het ontwikkelen van een elektronica-industrie. Samsung opende in 2009 een smartphonefabriek in Bac Ninh in het noorden. In Ho Chi Minhstad in het zuiden, dat van oudsher al migranten aantrok, vestigde Intel zich met een enorme chipfabriek en testfaciliteiten in 2010.
Maar de hoofdprijs was het onontwikkelde noorden, met wegverbindingen naar de hoofdstad Hanoi, de havenstad Haiphong en de Chinese grens. In de loop van twee decennia, terwijl Vietnam toetrad tot de Wereldhandelsorganisatie, vrijhandelsovereenkomsten ondertekende en de vennootschapsbelasting verlaagde en ondertussen overvloedige goedkope arbeidskrachten leverde, kwamen steeds meer grote spelers naar de noordelijke kust.
Na Samsung kwamen Apple-leveranciers Foxconn, Luxshare, GoerTek en anderen. Uitgestrekte rijstvelden in Bac Ninh en Bac Giang veranderden in snelwegen, slaapzalen en strakke raamloze fabrieken waar telefoons en tablets in elkaar worden gezet om naar eindgebruikers te worden verscheept, en waar ook elektronische componenten worden gemaakt. In 2020, twintig jaar na het begin, was Vietnam opgeklommen van de zesenveertigste naar de elfde plaats op de ranglijst van grootste elektronicaexporteurs ter wereld.
Die opkomst was ook speelbal van externe gebeurtenissen. Terwijl de handelsoorlog tussen de VS en China meer productie naar Vietnam bracht, werkte de pandemie dit weer tegen, waardoor fabrieksuitbreidingen voor Apple AirPods en Google Pixel-telefoons werden uitgesteld.
Besmettingen in de noordelijke productiezones waren verantwoordelijk voor het merendeel van alle gevallen in Vietnam
De eerste echte schok kwam in mei 2021, toen leveranciers van Samsung en Apple zagen dat de zeer besmettelijke deltavariant zich als een lopend vuurtje door krappe arbeidersverblijven verspreidde. Clusters van besmettingen in de noordelijke productiezones van Bac Giang en Bac Ninh waren verantwoordelijk voor het merendeel van alle gevallen in Vietnam. Op 17 mei bevalen de autoriteiten van Bac Giang sluiting van vier industriële zones waardoor fabrieken van Foxconn en Luxshare, beide leveranciers van Apple, werden gedwongen hun activiteiten gedurende tien dagente staken.
De bedrijven werden verrast, want de achttien voorgaande maanden tijdens welke de pandemie buiten de deur werd gehouden, hadden vertrouwen gewekt. ‘Niemand was erop voorbereid’, zegt Julien Brun, die zich herinnert hoe zijn klanten – elektronica-, textiel- en meubelproducenten – moesten improviseren toen ‘drie-op-één-plek’ werd ingevoerd. ‘Niemand had een perfect plan. Het was zoiets als: “Oké, we hebben nog twee dagen. Schrijf je in voor twee maanden. Neem je spullen mee en we zien wel hoe gaat.”’
Vergeleken met werknemers van Samsung Display hadden bepaalde arbeiders het geluk om in hotels te worden geplaatst, hetgeen voor bedrijven soms aanzienlijke kosten met zich meebracht. In juli werd Viet, een onderaannemer van een project bij Intel, opgepikt in zijn huis in de ‘rode zone’, een gebied met een hoge besmettingsgraad in Ho Chi Minhstad, en vervolgens ondergebracht in een vijfsterrenhotel. Daar leefde hij een enigszins luxueus, zij het repetitief leven, nam foto’s van de skyline, deed squats en push-ups, keek films op zijn flatscreen-tv en woonde op zondagen online de mis bij.
Vanwege zijn cruciale en moeilijk te vervangen functie woonde Viet zonder huisgenoten, om het risico op infectie te minimaliseren.
‘Ik had geluk’, zegt hij. ‘Was ik thuis gebleven, dan was ik mogelijk wel besmet geraakt.’ Zelfs rijke families in Ho Chi Minhstad waren bang dat ze niet aan voldoende voedsel konden komen. Elke werkdag nam Viet de bus door de stille, afgesloten stad, samen met vijftien andere arbeiders, in een voertuig met vijftig zitplaatsen.
Foxconn
Ook bij Foxconn was de waarde van arbeiders duidelijk. De in Taiwan geregistreerde Apple-toeleverancier wist precies wat hij moest doen. Twee medewerkers van een lokale dochteronderneming vertellen over een zeer gereguleerd programma met QR-trackingcodes, desinfectie, segregatie en zelfs voorrang tot vaccins.
Dat, vijfentwintig, die drie jaar bij Foxconn werkte, waar hij iPhone-oplaadkabels maakte, zegt dat hem een loonsverhoging werd aangeboden waardoor zijn maandloon met bijna een derde steeg naar tussen de 13 miljoen en 14 miljoen Vietnamese dong, ruim 500 euro. Hij werd medio juni gevaccineerd, kort nadat de fabriek zijn activiteiten weer mocht hervatten. Hij behoort daarmee tot de eerste 2 procent van de ongeveer 100 miljoen inwoners die werd gevaccineerd.
In ruil daarvoor moest hij elke werkdag om 6 uur ’s ochtends opstaan en zich vervolgens haasten om samen met zijn zeven huisgenoten in de brandende zon te wachten op een shuttlebus. Hij scande elke dag zijn QR-code op zijn busstoel, elke keer dezelfde code, en dan nog eens tijdens de lunch in de kantine die uit voorzorg in hokjes was verdeeld. Boven de hoofden van de etende werknemers hing een groot bord met de instructie: ‘Als je klaar bent met eten, ga dan meteen aan de slag. Niet praten.’ Die strenge regels stelden Dat zelfs gerust. ‘Ik had respect voor mijn eigen gezondheid.’
Intel bevestigt dat werknemers meer dan twee maanden in hotels werden gehuisvest en looft de ‘veerkracht’ en ‘persoonlijke opoffering’ van het personeel
De bedrijven moesten hiervoor diep in de buidel tasten. Het kostte Intel in een maand tijd 140 miljard dong, ongeveer 5,3 miljoen euro, hetgeen volgens het bedrijf een blijvend effect heeft op de budgettering en productieplannen. Intel bevestigt dat werknemers meer dan twee maanden in hotels werden gehuisvest en looft de ‘veerkracht’ en ‘persoonlijke opoffering’ van het personeel voor het continueren van de activiteiten gedurende de zomer. Foxconn reageerde niet op verzoeken om commentaar.
Toch waren wijdverbreide fabriekssluitingen uiteindelijk onvermijdelijk. De fabriek voor consumentenelektronica van Samsung in Ho Chi Minhstad werd voor een korte periode gesloten voordat de productie werd hervat met ‘drie-op-één-plek’. Foster Electric, een leverancier van Apple in de provincie Binh Duong, huisvestte zijn arbeiders in tenten. Enkele elektronicafabrieken die ‘drie-op-één-plek’ hanteerden, registreerden ondanks alle voorzorg toch uitbraken.
‘Het zijn de beroemde bedrijven die de neiging hebben om elk risico op een slecht imago te vermijden’, zei Julien Brun. ‘Maar bij gewone onderaannemers die niemand kent, heb ik machtsmisbruik gezien.’
Een dochteronderneming van het Japanse bedrijf Nidec was wat dat betreft berucht. Op 17 augustus werd de fabriek van Nidec in Ho Chi Minhstad door de lokale autoriteiten gesloten omdat niet aan de veiligheidsnormen werd voldaan. Er waren positieve gevallen van covid-19 ontdekt onder werknemers die waren gehuisvest in tenten in een op een parkeergarage gelijkend gebouw van drie verdiepingen. Eerder, in juli, waren de activiteiten van het bedrijf ook al eens opgeschort nadat werknemers positief waren getest.
Tiktok
Vanaf juli kregen de fabrieken weer ademruimte: de strijd begon vruchten af te werpen en de Vietnamese productie-index voor computers, elektronica en optische producten begon maand-op-maand weer te verbeteren. Afgelopen september overtrof de index zelfs het niveau van twee jaar geleden, maar bleef nog wel onder dat van vorig jaar.
Bedrijven hebben zich ook aangepast. Na klachten heeft Samsung Display waterleidingen gerepareerd, douches geïnstalleerd en meer dekens en matten geleverd aan zijn vrouwelijke werknemers, zo vertelt Lien, een onderaannemer. Ze zegt dat haar angst is afgenomen. Werknemers worden regelmatig twee tot drie keer per week getest en ‘iemand die zijn mondkapje afdoet, moet zich onmiddellijk laten testen’. Sommige van haar nerveuze collega’s hebben ervoor gekozen om zich terug te trekken en thuis te blijven, hetgeen een grotere werkdruk betekent voor degenen die zijn gebleven.
Het leven van deze werknemers is normaal gesproken ondoorzichtig voor buitenstaanders, gezien de geldende beperkingen op het delen van informatie. Die gaan zelfs zover dat sommige arbeiders zeggen dat wanneer ze de fabriek binnenkomen, hun telefooncamera’s worden afgedekt met een zegel om lekken van productinformatie te voorkomen.
Er ontstond een TikTok-subgenre met filmpjes waarin Vietnamese fabrieksarbeiders een inkijkje geven in hun leven
Toch ontstond een TikTok-subgenre met filmpjes waarin Vietnamese fabrieksarbeiders een inkijkje geven in hun leven. Sommigen filmpjes tonen enorme fabrieksgebouwen; op andere zijn lange rijen jonge mensen te zien die op motorfietsen naar een fabriek rijden en weer andere tonen werknemers die telefoons in elkaar zetten. Vaak worden fragmenten van dagelijkse routines verweven met melancholische liedjes. ‘De grootste fout in mijn jeugd, was het inwisselen van een schooluniform voor het uniform van een fabrieksarbeider’, is te horen op een achtergrondtrack, die in al meer dan drieduizend video’s is gebruikt.
In augustus maakte het ministerie van Industrie en Handel bekend dat werknemers vermoeid raakten en dat de kosten van ‘drie-op-één-plek’ te hoog opliepen. Eind september gaf Vietnam aan niet langer een ‘zero covid’-strategie te zullen nastreven. In plaats van een hele fabriek te sluiten als een paar positieve gevallen worden ontdekt, hoeven nu alleen naaste contacten van geïnfecteerde werknemers te worden geïsoleerd. Voor volledig gevaccineerd personeel mogen bedrijven nu flexibelere regelingen hanteren.
Zowel in de zuidelijke als in de noordelijke industriezones wordt het leven geleidelijk aan weer normaal. Ho Chi Minh-stad is weer open en restaurants zitten vol met klanten die aromatische noedelsoepen slurpen. Viet, de Intel-medewerker, kon zich eindelijk het kapsel laten aanmeten waar hij tijdens de lockdown van droomde.
Ontberingen
Sommige analisten zien de afgelopen periode als een aanleiding om de balans op te maken van geglobaliseerde toeleveringsketens van technologische producten. De reden waarom productie in Vietnam kon herstellen is volgens hen voornamelijk te danken aan het vermogen van de arbeiders om om te kunnen gaan met de nieuwe, zwaardere werkomstandigheden. Anderen stellen vragen over de mate waarin werknemers een keuze hadden, als ze die al hadden.
‘Dit was geen “dwangarbeid” in de zin van arbeiders die waren vastgebonden, of die zich in schuldslavernij bevonden en daarom gedwongen werden tot deze omstandigheden’, aldus Joe Buckley, een expert op het gebied van Vietnamese arbeidskwesties. ‘Maar op een ander niveau is alle arbeid dwangarbeid, aangezien arbeiders hun arbeidskracht moeten verkopen om te overleven. Dat is wat we zagen in Vietnam; de dwang was economisch en structureel, waardoor veel arbeiders weinig keus hadden.’
‘Het was moeilijk, maar iedereen zat in hetzelfde schuitje. Alleen: wat als het bedrijf failliet zou gaan?’
De meeste arbeiders beschreven hun zomer vol ontberingen met berusting: Ze ‘raakten eraan gewend’, zeiden ze. Het grotere gevaar dat ze vreesden was dat er iets met hun werk zou gebeuren. ‘Het was moeilijk, maar iedereen zat in hetzelfde schuitje. Alleen: wat als het bedrijf failliet zou gaan?’ zegt Hoa, een medewerker van Foxconn. Nam van Samsung Display dacht hetzelfde. ‘Er moest iemand aanwezig zijn om de productie op peil te houden. Want wat zou er gebeuren als het bedrijf zou moeten stoppen?’
Inmiddels zijn nieuwe problemen al zichtbaar aan de horizon. Terwijl arbeiders terugkeren naar hun geboorteplaats, moe van de druk van de stad en het risico van toekomstige lockdowns, lijkt er een crisis in aantocht in de industriële zones van Vietnam: een door het coronavirus veroorzaakt arbeidstekort. ‘De vierde golf van covid-19-infecties heeft de arbeidsmarkt ernstig getroffen met een hoog werkloosheidspercentage,’ aldus de Vietnamese premier Pham Minh Chinh.
De werknemers lijken ook dat met berusting tegemoet te zien. Niet zo verrassend eigenlijk voor een groep die zichzelf ziet als een slechts een schakel naast vele andere in de mondiale toeleveringsketen van technologische producten.
Op het Chinese platteland worden tussen de zestig en honderd miljoen kinderen min of meer aan hun lot overgelaten door hun ouders die naar de stad vertrekken, vaak ver weg, om de kost te verdienen. Ander vermaak dan gamen op een smartphone is er niet.
Zodra de zomervakantie begint, gaat de middelbare scholier uit de oostelijke provincie Hebei – we zullen hem hier Yang noemen – in de ‘gamemodus’: de zon staat al hoog aan de horizon als hij nog met zijn mobieltje in bed ligt om ‘forten te verwoesten’. Rond het middaguur werkt hij in een paar happen zijn maaltijd naar binnen, om vervolgens snel weer te proberen ‘kip te eten’, een Chinese uitdrukking die waarschijnlijk afkomstig is van het Engelse winner winner chicken dinner en die de beloning is als je de game wint.
Om twee of drie uur in de ochtend zit Yang nog hoog te paard en slaat hij woest om zich heen met zijn zwaard tijdens het spelen van Wangzhe Rongyao, een onlinegame die ook bekend is onder de naam King of Glory. Zelfs als hij van de slaap bijna met zijn neus op zijn mobieltje valt, wil Yang ‘blijven vechten tot de laatste druppel bloed’.
School is niet te harden
Omdat hij momenteel geen schoolverplichtingen heeft en zijn ouders ver weg werken, in Beijing, is Yang volledig vrij om te doen en laten wat hij wil en de jeremiades van zijn grootmoeder die voor hem moet zorgen te negeren. (‘Ik ben oud, echt te oud om hem nog de baas te kunnen!’) Zijn ouders hebben ook geprobeerd hem mee te laten gaan naar Beijing, maar omdat ze geen tijd hadden om bij hem te blijven, was het resultaat min of meer hetzelfde.
‘Wat kan ik anders doen dan gamen?’ zegt Yang, zonder zelfs maar op te kijken van het mobieltje waarmee hij in de weer is. Het valt inderdaad niet mee om een aantrekkelijker bezigheid te vinden in zijn dorp, waar geen plek is om te gaan zwemmen, waar geen enkele activiteit wordt georganiseerd, waar hij niet in bomen mag klimmen en waar ouderlijk toezicht ontbreekt.
Onlinegames zijn langzaam maar zeker bezig het platteland te verslinden. Talloze pubers zijn nonstop aan het gamen en vinden zichzelf heel modern. Maar veel plattelandskinderen gaan langzaam maar zeker kapot aan de games op hun mobieltje. ‘Wat ik leuk vind, is de opwinding die je voelt, waardoor je hart sneller gaat kloppen’, zegt een middelbare scholiere in het dorp Guan Cun, in de provincie Guangdong. Alleen met gamen kan ze ‘uit haar dak gaan’, terwijl de realiteit in haar ogen eentonig en oninteressant is: ‘School is niet te harden. Je verveelt je er dood!’
Vroeger spijbelden jongeren om in internetcafés te gaan gamen, maar tegenwoordig nemen de meeste leerlingen hun toevlucht tot hun smartphone, een veel praktischer oplossing.
Antiverslavingssystemen verslaan
Om obstakels te overwinnen en de onmetelijke wereld van deze games te ontdekken, dienen ze eerst de fijne kneepjes onder de knie te krijgen. Om te beginnen moeten ze de antiverslavingssystemen ‘verslaan’. Sommige games eisen bijvoorbeeld dat hun gebruikers zich identificeren en zien erop toe dat minderjarigen niet meer dan twee uur per dag kunnen spelen. Waarom zou je je op internet dan niet uitgeven voor een volwassene? Je geeft gewoon een nummer op van een identiteitskaart waarvan de houder ouder is dan achttien, compleet met voor- en achternaam. Dan ben je van alle gedonder af als je je moet registreren of identificeren. Yang is behoorlijk trots op zichzelf: al sinds de basisschool gebruikt hij dit soort procedures als hij sites bezoekt die eisen dat hij zich identificeert.
Zodra de zomervakantie is begonnen, moet het hoofd van de basisschool in Guan Cun een enorm aantal jongeren wegjagen die van zijn wifi gebruik komen maken om te gamen. De school is een van de weinige plekken in het dorp die over wifi beschikken. In het begin dromden kinderen die niet op de school zaten samen voor de deur van zijn kantoor. Na diverse ‘offensieve en defensieve acties’ houden ze zich nu op bij de ingang van de school, waar de zinderende hitte van deze julimaand hen er niet van weerhoudt zich uit te leven op hun mobieltjes. De beschikbare wifispots in het dorp zijn plekken die ‘fel bevochten’ moeten worden. Het kunnen huizen van klasgenoten met een internetverbinding zijn, de minisupermarkt in het dorp of de omgeving van de lerarenkamer.
De echte ‘strijd’ met de leraren begint in feite als de school weer begint. De meeste kinderen uit het dorp gaan intern als ze eenmaal op de middelbare school in de stad zitten, vanwege de afstand en om veiligheidsredenen. Vóór de vakantie woonde Yang dus in het districtsinternaat, waar mobieltjes verboden zijn op straffe van inbeslagname. De scholieren zullen hun lust om te spelen moeten onderdrukken, of het in elk geval stiekem moeten doen. Als er een onverwachte controle wordt gehouden door leraren of surveillanten, verstoppen ze hun mobieltje gauw in de toiletten, in hun schoenen of op een andere geschikte plek. ’s Avonds zorgen ze ervoor dat een van hen de wacht houdt en fluit als er een surveillant komt inspecteren. Omdat er in het internaat geen stopcontacten zijn om de mobieltjes op te laden, moeten ze naar de minisupermarkt om ‘elektriciteit te kopen’ voor 2 yuan [ca. 25 eurocent] per keer.
Uit een onderzoek in een arm district in de Autonome Yi Prefectuur Chuxiong is gebleken dat kleine winkels die in de buurt van scholen gelegen zijn, niet alleen elektriciteit verkopen maar ook smartphones die de leerlingen op krediet kunnen aanschaffen om op te gamen. ‘Dat is een enorme business geworden, de meeste middelbare scholieren komen op die manier aan een mobieltje, zonder dat hun ouders en hun leraren het weten. De kinderen van tegenwoordig zijn gewiekst’, verzucht Sun Aiying, de moeder van Yang, een tikje schuldbewust.
Alleen maar spelen
In het begin wilde ze geen mobieltje voor haar zoon kopen, ‘maar iedereen heeft er een en hij zeurde me elke dag de oren van het hoofd. En het moest nota bene ook nog een smartphone zijn’, zegt ze. Omdat ze denkt dat haar zoon lijdt onder haar veelvuldige afwezigheid, heeft ze uiteindelijk toch maar een telefoon voor hem gekocht voor ongeveer 700 yuan [ca. 88 euro]. Dat heeft niet goed uitgepakt: vanaf dat moment zijn de schoolresultaten van haar zoon allengs slechter geworden en zijn haar man en zij op school ontboden omdat Yang met zijn smartphone had gespeeld. ‘Zijn grootouders mopperen op hem en slaan hem, maar het zal hem een zorg zijn, hij denkt alleen maar aan spelen.’
Zelf komt ze hooguit om de drie à vier maanden naar het dorp. ‘Als ik terugkom, heb ik zelfs geen tijd om hem te vertroetelen’, laat staan dat ze zin heeft om hem de les te lezen. Ze heeft wel geprobeerd zijn mobieltje af te pakken, maar na een woede-uitbarsting van haar zoon, die bovendien weldra terug moest naar het internaat, heeft ze het hem toch maar weer teruggegeven. ‘Ik ben altijd een beetje ongerust, en als hij geen telefoon heeft, kan ik hem niet bereiken als hij weer op school zit.’
Liu Chengliang van de Universiteit van Huazhong heeft na onderzoek in zes districten en gemeenten van de provincies Guangxi en Yunnan geconstateerd dat het gebruikelijk is dat plattelandskinderen een mobiele telefoon hebben, omdat hun ouders ver weg werken en hun grootouders vanwege hun hoge leeftijd of hun slechte gezichtsvermogen niet in staat zijn goed voor hen te zorgen. Deze jongeren zijn vaak zo verslingerd aan Whangzhe Rongyao dat ze ‘er niet meer mee kunnen stoppen’.
Volgens het Rapport over de verslaving van jongeren en adolescenten, opgesteld op basis van een gehouden online-enquête over de gezondheidsgevolgen van het gedrag van deze groep, blijkt dat kinderen die door hun in de stad werkende ouders op het platteland worden achtergelaten, veel meer tijd met gamen doorbrengen dan andere kinderen. De percentages zijn met name hoger bij kinderen die er vier à vijf uur per dag mee bezig zijn (18,8 tegen 8,8 procent) en kinderen die er meer dan zes uur aan besteden (18,8 tegen 8,2 procent).
‘Hoewel het veel ouders in het rurale milieu zorgen baart als ze hun kind met hun mobieltje zien spelen, zijn er ook heel wat die de smartphone als een “elektronische oppas” beschouwen. Door hun kind een mobieltje te geven, weten ze dat het lief zal spelen zonder lawaai te maken of God weet waar naartoe te rennen.’ Zhang Haibo, directeur van het Centrum voor Onderzoek naar het Mediagedrag van Kinderen van de China National Youth Palace Association (CNYPA), legt uit dat, anders dan in de steden, ouders op het platteland om diverse redenen, die vooral met hun opleidingsniveau te maken hebben, niet begrijpen hoe gevaarlijk een verslaving aan smartphones en games voor hun kind kan zijn. ‘Sommigen denken dat het geen enkel kwaad kan om ze te laten spelen; anderen menen dat het hooguit niet goed is voor hun ogen.’
Vaak zijn het de scholen die de educatieve verplichtingen op zich moeten nemen die plattelandsouders laten versloffen. Maar ook zij staan machteloos tegenover de mobiele games. Een onderwijzer in Guan Cun vertrouwt ons toe dat de kinderen daar na schooltijd niet kunnen gaan zwemmen of in bomen klimmen, en dat er ook geen avondcursussen zijn, of een bibliotheek of een speelterrein. Wat moeten de leerlingen buiten schooltijd dan doen?
Niveauverschil
De laatste jaren is men zich steeds meer gaan interesseren voor educatieve zaken als vermindering van de schooldruk, vrij onderwijs en spelend leren. Maar volgens Liu Chengliang leven deze ideeën alleen nog bij de avant-garde, terwijl er op het platteland, vooral in de minst ontwikkelde regio’s, intensieve steun nodig zou zijn om die zaken te verwezenlijken: ‘Het platteland kan zich niet meten met de steden. In de steden worden talrijke pedagogische ideeën toegepast en genieten kinderen de bescherming van zowel de samenleving, hun familie als de school. In rurale gebieden zijn de omstandigheden volstrekt verschillend, vooral in de arme regio’s. Als er bijvoorbeeld voor toelating tot het middelbaar onderwijs minder belang wordt gehecht aan de behaalde cijfers op de basisschool, wie zal zich dan nog druk maken over de schoolresultaten van de kinderen en over het niveau van hun verworven kennis?’
In een district dat naar nationale maatstaven gemeten arm is, heeft Chengliang onderzoek gedaan bij 3164 leerlingen uit groep zes van achttien basisscholen: 737 leerlingen in de hoofdstad en 2427 op vijftien dorpsscholen. In de stad had 88,6 procent van de leerlingen een gemiddelde kennis van het Chinees, tegen 54,3 procent van de leerlingen van het platteland; voor wiskunde waren de percentages respectievelijk 71,6 procent en slechts 27,4 procent.
‘Behalve het afpakken van de mobieltjes van de leerlingen en hun een standje geven, zijn er weinig andere doeltreffende maatregelen die leraren kunnen nemen’, constateert Wu Qifa, leraar op een middelbare school in de provincie Hubei, in Centraal-China. ‘Bovendien kampen jonge plattelandskinderen vaak met een gebrek aan affectie, vooral door de afwezigheid van hun ouders, zodat ze heel makkelijk verslaafd raken aan games – zo erg zelfs dat veel leerlingen in het lager en middelbaar onderwijs langzamerhand alle belangstelling voor lezen verliezen.’
Liberale’ staatskrant die i.s.m. de Communistische Jeugdliga wordt gemaakt. Veel aandacht voor veranderingen in de Chinese samenleving.
CONTEXT: Een massaal fenomeen
Volgens statistieken van de Chinese regering, overgenomen in een artikel in de South China Morning Post, leven meer dan negen miljoen minderjarige kinderen op het Chinese platteland zonder hun ouders, die ver van hun dorp werken. In de provincies Anhui, Henan en Sichuan, goed voor de meeste arbeidsmigranten, doet dit fenomeen zich het sterkst voor. Maar liefst 44 procent van de kinderen zou er zonder moeder of vader opgroeien, beduidend meer dan het nationale gemiddelde, dat op 35,6 procent ligt. ‘Het voortijdige verlies van de gezinsstructuur kan psychische stoornissen veroorzaken, zoals depressie, angstgevoelens of zelfmoordneigingen’, aldus een door de krant geciteerd rapport van de ngo Shang Xue Lu Shang en de Beijing Normal-universiteit.
In China, wereldleider op het gebied van fintech-innovatie, betaalt de meerderheid van de internetgebruikers nu al met zijn smartphone.
Terwijl ik in de rij sta bij een Starbucks in het centrum van Shenzhen, realiseer ik me plotseling dat niemand vóór me contant betaalt. Ze betalen ook niet met een creditcard, ze houden gewoon hun mobieltje boven een laser en – piep! – de latte is van hen. ‘Bijna niemand gebruikt hier nog contant geld,’ zegt bedrijfsleider Lily Li. ‘Meer dan 80 procent van alle betalingen hier gaat via mobieltjes.’
Maar het zijn niet alleen wereldwijde ketens die de mogelijkheid voor mobiele betaling bieden in een van de technologisch meest geavanceerde steden van China. In een stalletje op straat verkopen twee vrouwen tijdens de ochtendspits noedels. Te midden van de stoom die opstijgt uit de grote ketel en de geur van scherpe kruiden hoor ik het constante gepiep van mobieltjes die de QR-code van het stalletje scannen. Waar digitale betaling in de meeste westerse landen voornamelijk via pinpassen of creditcards gebeurt, zijn Chinese consumenten rechtstreeks overgestapt van contant op mobiel.
Van de 710 miljoen internetgebruikers in het land – meer dan in de Verenigde Staten en Europa bij elkaar – betaalt 57,7 procent mobiel. Met andere woorden, de meerderheid van de mensen die regelmatig online zijn, gebruikt zijn smartphone voor de betaling van goederen en diensten, voornamelijk via Alipay van Alibaba of de betalingsdienst WeChat, zo blijkt uit een in november 2016 gepubliceerd rapport van Ernst & Young en de Singaporese bank DBS.
‘Maar weinig buitenlanders beseffen hoe snel en geavanceerd de nieuwe betalingswijzen en de mobiele financiële dienstverlening zich in China ontwikkelen’
‘Ik kan me nauwelijks herinneren wanneer ik voor het laatst mijn portemonnee heb gebruikt,’ zegt Mofei Chen, oprichter en CEO van Money Bazaar, een peer-to-peervalutaplatform. Hij is een van de vele nieuwe ondernemers in de digitale financiële dienstverlening, die in China een stormachtig ontwikkeling doormaakt. Volgens het rapport van Ernst & Young en DBS is China uitgegroeid tot het onbetwiste centrum van wereldwijde fintech-innovatie en heeft het Londen, New York, Silicon Valley, Singapore, Hongkong en andere wereldwijde fintech-hubs ver achter zich gelaten [FinTech is een samentrekking van de Engelse woorden financial en technology. Het omvat alle innovatieve financiële producten en diensten die de manier waarop we met geld omgaan vereenvoudigen en versnellen].
‘Maar weinig buitenlanders beseffen hoe snel en geavanceerd de nieuwe betalingswijzen en de mobiele financiële dienstverlening zich in China ontwikkelen,’ zegt Chen. En inderdaad zijn de vier meest vermogende fintech-bedrijven ter wereld Chinees. Het grootste is Ant Financial, een poot van e-commercegigant Alibaba, waarvan de waarde wordt geschat op 60 miljard dollar. Tweede is peer-to-peerkredietverlener Lufax (18,5 miljard dollar), gevolgd door JD Finance (7 miljard dollar), een joint venture van de e-commercesite JD en Tencent, en Qufengi (5,9 miljard dollar), gespecialiseerd in termijnkrediet. China is ook de grootste markt ter wereld voor Bitcoin, goed voor 42 procent van alle transacties met deze digitale valuta tijdens de eerste zes maanden van 2016, aldus Bitcoin-analist Chainalysis.
De opkomst van de fintech-sector wordt een steeds groter hoofdpijndossier voor de traditionele banken, die pijnlijk achterop zijn geraakt in de strijd om e-commerce en nieuwe betalingsmethodes. Deze nieuwe diensten worden gedomineerd door de internetgiganten: Alipay van Alibaba, met een marktaandeel van meer dan 50 procent, WeChat Wallet van Tencent, gebaseerd op zijn populaire instant-messagingdienst, en het op Google lijkende Baidu. Buitenlandse concurrenten worden gehinderd door overheidsbeperkingen, terwijl Chinese betalingsapps ook buiten China worden uitgerold, met name op andere Aziatische markten zoals Hongkong en Japan.
Ondertussen blijft het bancaire systeem in China relatief onderontwikkeld. Een op de vijf Chinese volwassenen heeft geen bankrekening, terwijl 80 procent van de kleine en middelgrote ondernemingen onvoldoende door banken wordt bediend. De nieuwe alternatieve financiële bedrijven kunnen daarentegen op een veel betere dienstverlening en klantervaring bogen, evenals op lagere tarieven en minder bureaucratie.
Toezichtoperaties
‘Ik gebruik mijn gewone bankrekening nauwelijks meer. Mijn salaris wordt via Alipay gestort en ik doe de meeste betalingen met de app. Ze hanteren ook voordeliger rentetarieven dan de gewone banken,’ zegt Allen Yu, wiskundige en directeur van MJL, een bedrijf dat aandelen selecteert op basis van kwantitatieve analyse. ‘Als ik geld wil lenen, ga ik naar een peer-to-peerplatform, niet naar een bank. De fintech-scene groeit stormachtig. Fintech is doorgedrongen in alle aspecten van het leven.’
Toch zien de Chinese fintech-bedrijven zich voor heel wat uitdagingen geplaatst, net als hun gebruikers. De steeds grotere greep van de overheid op het internet, waardoor de censuur en de individuele controle de afgelopen jaren aanzienlijk zijn toegenomen, zijn een bedreiging voor de innovatie en de ontwikkeling van nieuwe ideeën. Ook is het, dankzij de waaier aan nieuwe digitale financiële diensten, makkelijker geworden voor de Communistische Partij om massale toezichtsoperaties uit te voeren. Het nieuwsagentschap FactWire in Hongkong onthulde afgelopen december dat bij Chinese mobiele betalingsapps – WeChat, Taobao, Taobao World, Alipay en Tmall – al gevoelige informatie wordt geregistreerd die mensen in hun mobieltjes opslaan, zodat hun persoonlijke activiteiten kunnen worden gevolgd.
Ondertussen wordt de bedrijfstak overspoeld door oplichters. In 2015 zijn zo’n negenhonderd Chinese peer-to-peerkredietverleners failliet gegaan en gingen sommige eigenaren met het geld aan de haal. De overheid heeft veelvuldig ingegrepen en strengere regels ingevoerd, zoals voor Bitcoinplatforms, om te voorkomen dat de digitale valuta voor geldsmokkel wordt gebruikt.
Daar komt nog bij dat de technologie niet altijd betrouwbaar is. Om de efficiency van mobiele betalingsapps te demonstreren, bood Chen aan een kop koffie voor me te kopen bij een automaat. Nadat hij had betaald met zijn mobieltje en op de espressoknop had gedrukt, kwam er geen koffie uit, maar melk. ‘O, wat gênant,’ zei hij, maar de verklaring was algauw gevonden. ‘Kijk, die automaat komt uit Duitsland!’
Onlinekrant in het Engels met economie, politiek, business en cultuur vanuit een Aziatisch perspectief.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.