Tag: sociale media

  • Arabisch feminisme 
vind je op Facebook

    Arabisch feminisme 
vind je op Facebook

    De Palestijnse feministe Samah Salaime vond op het 
sociale netwerk tal van getuigenissen van vrouwen die zich langzaam ontworstelen aan tradities.

    Onlangs heeft een van mijn Facebook-vriendinnen me toegevoegd aan een groep Arabische vrouwen. ‘O nee! Weer zo’n suf groepje!’ dacht ik meteen. Maar goede feministe als ik ben, kon ik uiteraard de verleiding niet weerstaan er een blik op te werpen.

    Ik vond op deze pagina getuigenissen van Arabische vrouwen van alle leeftijden en uit alle uithoeken van Israël: moslima’s, druzen en christenen, meer of minder belijdend, getrouwd of vrijgezel. Zowel ontroerende verhaaltjes als pretentieloze anekdotes, confidenties over grote liefdes en al even 
grote teleurstellingen, verhalen over 
existentiële crises en een nieuw begin.

    Veerkracht

    De afgelopen jaren hebben tienduizenden vrouwen op Facebook een podium gevonden om zich te uiten. Het zijn leraressen, sociaal werksters, verpleegkundigen, zakenvrouwen en zelfstandig privécoaches die praktisch alle onderwerpen op hun pagina’s aansnijden.

    Zo stuitte ik op het verhaal van een jonge vrouw, Lamis, wier moeder 
tijdens de bevalling is overleden en die vanaf haar geboorte de naam draagt van een moeder die ze nooit heeft gekend of in de ogen gekeken. Lamis, te vroeg geboren met een lichamelijke handicap, beschrijft de moeilijkheden waarmee ze sinds haar kinderjaren kampt en weidt uit over de verschillende fases van haar leven. Momenteel geeft ze leiding aan een re-integratieprogramma voor jonge gehandicapten uit de Arabische gemeenschap. De naam van haar programma is ‘I can’.

    Hanan, een heel bijzondere vrouw van dertig, heeft haar getuigenis geïllustreerd met een foto van een tatoeage op haar arm: een esculaap, het symbool van de geneeskunde, met het onderschrift ‘Ik beloof dat ik het weer oppak’. Nadat ze geneeskunde was gaan studeren kreeg ze een ernstig ongeluk waardoor ze eenzijdig verlamd raakte. Ze zwoer dat ze als ze erbovenop zou komen haar studie weer zou oppakken, en maakte haar droom waar. Na een periode als EHBO’er te hebben gewerkt vatte ze de moed om terug te keren naar de medische faculteit, zoals ze zichzelf had beloofd, waar ze momenteel afstudeert als medisch onderzoeker. De vrouwen uit deze Facebook-groep hebben comfortabele posities opgegeven om hun kinderdroom te verwezenlijken. Fitnessinstructrices en gezondheidscoaches, leidsters van vrouwelijke wielrenploegen, een vrouw die haar baan bij een vrouwenorganisatie vaarwel zegde om styliste en modeontwerpster te worden.

    “Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren”, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe

    Marianna, moeder van vier kinderen, verloofde zich op haar vijftiende en was zwanger toen ze eindexamen deed. ‘Een vroeg huwelijk’: dat was genoeg om meteen alle rode lampjes bij mij te doen branden. Toch heb ik niet te snel geoordeeld en ben ik door blijven lezen. Daarna nam ik contact met haar op om haar beter te kunnen begrijpen. Ze vertelde me over haar man, die haar niet alleen ‘toestemming’ had gegeven om te studeren en werken, maar haar ook echt steunde en haar dromen en ambities deelde. Geheel in tegenstelling met de in zijn milieu geldende normen zorgde hij voor de baby, en daarna voor het broertje dat anderhalf jaar later kwam, en stelde hij alles in het werk om zijn vrouw haar vleugels te laten uitslaan. ‘Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren’, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe. ‘Ik kolfde voordat ik naar college ging, het huis was een puinhoop en het kwam voor dat de gootsteen vol vuile vaat stond 
en dat er niet één schoon lepeltje meer te vinden was. Maar hoewel ik daarna nog twee kinderen kreeg, lukte het me om af te studeren. Nu ga ik op zoek naar een baan en gaat mijn man door met zijn islam- en shariastudie. Want hij is imam in een moskee.’

    Imam? Ik wist niet wat ik hoorde. ‘Ja, hij is heel gelovig, en hij is heel oprecht en eerlijk. Hij behandelt me met alle egards die zijn geloof en zijn religieuze wet voorschrijven. De islam heeft niets tegen ambitie, en mijn man steunt me volledig bij mijn pogingen gelukkig te worden en me te ontplooien. Hij is aanwezig geweest bij mijn drie diploma-uitreikingen: mijn eindexamen, mijn bachelor en mijn master. Dat is inderdaad iets wat je niet vaak hoort,’ voegt ze eraan toe.

    © Ali Al-Shehabi  (Zie ook de toelichting onderaan)
    © Ali Al-Shehabi (Zie ook de toelichting onderaan)

    Ik had misschien liever gehad dat ze niet in haar eindexamenjaar was getrouwd, maar wie ben ik om te 
oordelen over het hart van een meisje dat weet wat ze met haar leven wil?

    Steeds meer vrouwen laten zich op het internet met ontroerende eerlijkheid van hun feministische kant zien. Het zijn geen verhalen die de voorpagina’s van kranten zullen halen, maar ze geven de lezeressen een gevoel van macht, helpen hen steviger in hun schoenen te staan en laten ze zien 
dat ze niet alleen zijn.

    In het veelsoortige ecosysteem van Facebook vind je vrouwen die op allerlei gebieden werkzaam zijn en hun dromen najagen, daarin slagen en zich ontplooien. Waarom zou je naar een Hollywoodfilm als Wonder Woman gaan om een vrouw te zoeken die haar lot in eigen hand neemt, obstakels uit de weg ruimt en met hetzelfde gemak plafonds van glas en beton doorbreekt, als je op Facebook zulke vrouwen kunt vinden die veel dichter staan bij de Arabische meisjes die hun eerste 
stappen in het leven zetten?

    Ik werk al twintig jaar met Arabische vrouwen. En elke keer weer ben ik getuige van de stille revolutie die deze vrouwen dag in dag uit in hun natuurlijke omgeving ontketenen. Met kleine stapjes leiden ze ons en onze samenleving naar een betere en inspirerendere toekomst.

    Sommigen van ons hebben het geluk gehad dat ze door hun ouders gemotiveerd en aangemoedigd zijn. Anderen hebben hun ouders nooit gekend en zijn slachtoffer geworden van geweld, onrechtvaardigheid en traumatische ervaringen. Er zijn vrouwen bij die fysieke, seksuele of psychologische mishandeling hebben ondergaan. Sommigen slaan zich er helemaal in hun eentje doorheen, maar de meesten van ons hebben in elk geval iemand 
die in ons gelooft. Om in het leven te slagen hebben Arabische vrouwen, zoals alle vrouwen ter wereld, 
soms maar één iemand nodig die hen begrijpt, plus de onbedwingbare wil om vooruit te komen.

    Met vreemde ogen

    Ik heb me afgevraagd waarom dit fenomeen me zo ontroerde en begeesterde. Zijn die tienduizenden sterke, actieve, onafhankelijke vrouwen een uitzondering? En zo ja, door wie worden de regels waarop ze een uitzondering 
vormen dan opgelegd?

    Ik ben tot de conclusie gekomen dat mijn enthousiasme zich deels laat 
verklaren door het ongelooflijk grote aantal getuigenissen van vrouwen die erin zijn geslaagd zich te ontplooien, wat me alleen maar sterkt in mijn feministische overtuiging. Aan de andere kant benadrukt mijn enthousiasme dat zelfs iemand zoals ik, die doorgaat voor een ‘verlichte Palestijnse’, het leven van de vrouwen uit haar gemeenschap met vreemde ogen blijft bezien. Het wordt hoog tijd daar verandering in aan te brengen.

    De ‘normale’ ontwikkeling van vrouwen in de Arabische samenleving 
verloopt volgens een westers patroon dat een onveranderlijke volgorde van de verschillende levensfases van de vrouw impliceert: schooltijd, jongens, werk, huwelijk, carrière en de ontplooiing van haar mogelijkheden. Daarom is elk verhaal dat ook maar enigszins afwijkt van deze normale sequens in mijn ogen een ‘indrukwekkende’ uitzondering. Vooral als het goed afloopt. Ze is immers tegen alle verwachtingen in geslaagd; ondanks dat ze een 
Arabische vrouw is, uit een dorp in het noorden of een stam in het zuiden komt, een hidjab draagt, is opgegroeid in een traditionele gelovige familie, jong is getrouwd, veel kinderen heeft gekregen, en heel wat andere obstakels heeft overwonnen – die vooral in onze gedachten bestaan.

    Van alle vrouwen die hun verhaal vertelden hebben vele niet het westerse persoonlijke ontwikkelingspatroon gevolgd. Zij hadden gewoon een ander uitgangspunt, of ze nou uit vrije wil handelden, of omdat ze geen andere keus hadden. In plaats van hun school af te maken, een vervolgopleiding te doen, te werken en daarna een gezin 
te stichten, heeft de overgrote meerderheid van de Arabische vrouwen 
een enigszins ander parcours gevolgd, waarbij liefdesbetrekkingen en seksualiteit onverbrekelijk verbonden zijn met het gezin en het instituut huwelijk. Ze proberen niet zozeer aan deze voorwaarden te tornen, maar gaan stug hun eigen gang ondanks de geldende omstandigheden. Het verlangen de regels te schenden en te normale gang van zaken te trotseren komen 
van binnenuit en met de jaren.

    We durven nog niet van de “verantwoordelijkheid” van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We 
durven nog niet hardop ”Ik heb het allemaal zelf gedaan” te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten

    Ik ben zelf op mijn twintigste getrouwd en kreeg op mijn eenentwintigste mijn eerste kind, zonder ook maar een moment stil te staan bij de gevolgen die dat zou hebben voor mijn studie en mijn carrière. Het heeft me enkele jaren gekost om te begrijpen dat ik voor een andere weg had kunnen kiezen. Maar één ding is zeker: in de Arabische samenleving zijn de sociale normen voortdurend in ontwikkeling, vooral dankzij de tienduizenden vrouwen die het er niet bij laten zitten.

    De vrouwen die zich uitspreken in deze verschillende Facebook-groepen hebben ook een partner: de nieuwe Arabische man.
    Het merendeel van de actieve vrouwen is getrouwd, en ook bij hun echtgenoot voltrekt zich een langzame, radicale en soms pijnlijke revolutie. De bevoorrechte status van de man die de scepter over het gezin zwaait omdat hij nu eenmaal een man is (iets wat men in feministische termen het patriarchaat noemt) wordt steeds meer ter discussie gesteld in het licht van nieuwe sociaaleconomische ontwikkelingen.

    De vrouw van tegenwoordig werkt, studeert, beslist mee en deelt de economische en familiale verantwoordelijkheden met haar echtgenoot. De man neemt niet meer dezelfde plaats in als vijftig jaar geleden.

    De meeste vrouwen met wie ik contact heb gehad prezen hun geweldige 
partner, die hen had gesteund en 
aangemoedigd en dankzij wie ze waren geslaagd in wat ze hadden ondernomen. We durven nog niet van de ‘verantwoordelijkheid’ van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We 
durven nog niet hardop ‘Ik heb het allemaal zelf gedaan’ te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten. 
Maar ik zou niets willen afdoen aan het ideaalbeeld dat deze vrouwen 
wensen voor te spiegelen, en een goede verstandhouding binnen het huwelijk kan alleen maar op waarde worden geschat.

    Toch is de gelijkheid tussen man en vrouw nog heel ver weg en heeft de feministische revolutie nog een lange weg te gaan.

    De Arabische man begint getuige te worden van de langzame en moeizame bewustwording van de vrouwen in zijn omgeving, die zich nog in een beginfase bevindt. Ik ben ervan overtuigd dat er een moment zal komen dat onze mannen, vaders, broers en zoons zich wel zullen moeten schikken in deze veranderingen en in de revolutie die tot een moderne Arabische man zal leiden, tot een nieuw idee over viriliteit. Er zullen natuurlijk altijd mannen blijven zijn die, omdat ze zich niet in de veranderingen kunnen vinden, 
hun vrouw weer onder de duim zullen proberen te krijgen en voorwendsels zullen zoeken om geweld, onderdrukking en andere vormen van dominantie te rechtvaardigen.

    Daarom, dames en heren, ontdoe ik mij hier en nu van een van die dikke lagen van westers feministisch bewustzijn die zich op mijn lichaam hebben afgezet en vervang ik die door de zachte, tere, onvolmaakte maar authentieke sluier van het Arabische feminisme. 
Ik zal de bevrijding van de Arabische vrouw niet langer als een vorm van eenrichtingsverkeer beschouwen, ik zal niet langer van mening zijn dat de enige legitieme weg de weg is die ons wordt opgelegd door de Israëlische samenleving of het westers feminisme. Het Arabische bevrijdingsproces is 
valide op zich, zonder dat we het ritme van onze veranderingen hoeven te 
vergelijken met dat van andere samenlevingen. De ‘sociologische gps’ moet gewoon de Arabische kaart leren lezen en zich aanpassen.

    Auteur: Samah Salaime

    Samah Salaime (te zien in het openingsbeeld) werd geboren in het noorden van Israël in een gezin van Palestijnse vluchtelingen. Ze behaalde een master Maatschappelijk Werk aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. In 2009 richtte ze de ngo Arab Women in the Center (AWC) op, die vrouwen aanmoedigt voor zichzelf op te komen. Deze ngo strijdt vooral tegen het geweld waaraan vrouwen in de Arabische gemeenschap worden blootgesteld. AWC spoort vrouwen en meisjes ook aan om een actieve rol te spelen in het protest tegen de verwoesting van Palestijnse huizen door het Israëlische leger.

    Bij het beeld van de twee vrouwen:

    De Bahreinse fotograaf Ali Al-Shehabi (23) putte voor zijn serie Freej Sisterhood uit zijn jeugdherinneringen aan de wijk Al Karama in Dubai. Als kleine jongen ontmoette hij vaak gesluierde vrouwen die hun inkopen kwamen doen in de buurt. Dit leidde tot de serie Freej Sisterhood (Freej betekent buurt in het Arabisch van de Golf).

  • Ka-tsjing

    Ka-tsjing

    Iedereen vindt het fijn om op knopjes te drukken die oplichten en geluid maken. Positieve feedback geeft ons plezier. Ziedaar de kern van onze verslaving aan gokken, games en sociale media, betoogt Adam Alter.

    Onlangs stapte ik in de lift op de zeventiende etage van een hoog gebouw in New York. Een jonge vrouw in de lift keek gegeneerd naar de kruin van haar kleuter terwijl die naar mij keek en grijnsde. Toen ik me omdraaide om op de knop naar de lobby te drukken, zag ik dat er al op alle knoppen was gedrukt. Kleine kinderen vinden het heerlijk om op knopjes te drukken, maar ze drukken alleen op álle knoppen als die oplichten. Al van jongs af aan hebben mensen de behoefte om te leren, en leren wil zeggen: zo veel mogelijk feedback uit de directe omgeving krijgen. De kleuter bij me in de lift grijnsde omdat feedback plezier oplevert, of dat nu in de vorm is van lichtjes of geluidjes of welke andere verandering in de toestand van de wereld dan ook.

    Die zoektocht naar feedback houdt niet op als je volwassen bent. In 2012 produceerde een reclamebureau in België een straatcampagne die al snel viraal ging. Het bureau probeerde het Belgische publiek ervan te overtuigen dat de zender TNT televisieprogramma’s uitzond vol spanning en sensatie. De reclamemakers plaatsten een grote rode knop op een voetstuk op een schattig pleintje in een rustig Vlaams stadje. Boven de knop hing een grote pijl met een simpele instructie in het Engels: Push to add drama. De campagne werkte perfect, omdat het onmogelijk is om zo’n knop te weerstaan, zelfs op een rustig Vlaams pleintje. Een aantal volwassenen bewoog zich steels naar de knop, tot een wat dapperder type een stap verder ging en erop drukte. Je ziet die speciale blik in de ogen van iedereen die de knop benadert, dezelfde blik als de kleuter had, vlak voor hij zijn handje over de liftknoppen haalde.

    In 1971 zat psycholoog Michael Zeiler in zijn lab tegenover drie hongerige witte duiven. De vogels waren gulzige eters en snelle leerlingen. Destijds probeerden veel psychologen erachter te komen 
hoe dieren op verschillende vormen van feedback reageren. Meestal werden duiven en ratten voor het onderzoek gebruikt, omdat die minder complex en geduldiger zijn dan mensen, maar dit onderzoek had verheven doelen. Zou het gedrag van een lagere diersoort overheden kunnen leren hoe ze liefdadigheid kunnen aanmoedigen en misdaad ontmoedigen? Zouden ondernemers overwerkte werknemers die in ploegendienst werkten kunnen inspireren om hun werk opnieuw zinvol te gaan vinden? Zouden ouders kunnen leren hoe ze perfecte kinderen kunnen grootbrengen?

    Voor Zeiler de wereld kon veranderen, moest hij 
eerst uitvinden hoe hij het beste kon belonen. Een mogelijkheid was om elk wenselijk gedrag te belonen, net zoals sommige fabrieksarbeiders beloond worden voor elk gadget dat ze assembleren. Een andere was om datzelfde wenselijke gedrag te belonen volgens een onvoorspelbaar schema, zodat er het soort geheimzinnigheid ontstaat dat mensen ertoe aanzet om loten te kopen. De duiven waren grootgebracht 
in het lab, dus zij kenden het klappen van de zweep. Elke duif waggelde naar een knopje en pikte daar hardnekkig op in de hoop dat er een stroom duivenbrokjes zou loskomen. Tijdens sommige tests programmeerde Zeiler de knop zo dat hij eten leverde telkens als de duiven erop pikten; bij andere programmeerde hij hem zo dat er soms eten vrijkwam. Soms pikten de duiven voor niks, dan werd de knop rood 
en kregen ze alleen een flinke portie frustratie.

    Feedbackexperiment

    Toen ik voor het eerst over het onderzoek van Zeiler las, verwachtte ik dat het constante schema het effectiefst zou zijn. Als de knop niet perfect aankondigt wanneer er voedsel komt, moet de motivatie 
van de duif om te pikken wel afnemen, net zoals een fabrieksarbeider minder gemotiveerd zal zijn als je hem niet betaalt voor alle gadgets die hij in elkaar heeft gezet. Maar dat was niet wat er gebeurde. Als een soort gevederde gokkertjes pikten de duiven veel fanatieker op de knop als hij slechts 50 tot 70 procent van de tijd voedsel vrijgaf. (Toen Zeiler de knop zo programmeerde dat hij maar een op de tien keer de brokjes liet stromen, reageerden de ontmoedigde duiven helemaal niet meer.) De resultaten lagen ver uiteen: de duiven pikten bijna twee keer zo vaak als er geen garantie was dat ze beloond zouden worden. Later bleek dat hun hersenen veel meer dopamine produceerden als de beloning onverwachts kwam dan als die voorspelbaar was. Zeiler had een
    belangrijk feit over positieve feedback vastgelegd: vaak geldt less is more. Zijn duiven werden aangetrokken door het mysterie van gemengde feedback, 
net zoals mensen zich voelen aangetrokken tot de onzekerheid van het gokken.

    Zevenendertig jaar nadat Zeiler zijn resultaten 
publiceerde, bereidde een team van webontwikkelaars van Facebook zich voor om een dergelijk feedbackexperiment los te laten op honderden miljoenen mensen. Facebook heeft de mogelijkheid om op een ongehoord grote schaal experimenten met proefpersonen uit te voeren. Destijds had de website al tweehonderd miljoen gebruikers, een getal dat in de drie jaar erna verdrievoudigde. Het experiment had 
de vorm van een misleidend simpele nieuwe functie die de ‘like- knop’ heette.

    Het valt bijna niet te overdrijven hoezeer de like-knop de psychologie van het Facebookgebruik heeft 
veranderd. Wat ooit begon als een passief middel 
om het leven van je vrienden te volgen was opeens heel interactief, en met precies het soort onvoorspelbare feedback die de duiven van Zeiler motiveerde. Elke keer dat ze een foto, een link of een statusupdate deelden, namen Facebookgebruikers een gok. Een bericht met geen enkele like is niet alleen privé 
pijnlijk, maar ook een soort openbare veroordeling: ofwel je hebt niet genoeg vrienden online of, erger nog, je internetvrienden vonden er niks aan. Net als duiven gaan we fanatieker op zoek naar feedback als we niet weten of we die krijgen. Facebook was de 
eerste grote sociaalnetwerksite die de like-knop 
introduceerde, maar andere sites hebben nu ook 
dergelijke functies.

    
Daarna werd het liken onderwerp van gesprek bij 
discussies over etiquette. Wat betekent het als je het bericht van een vriend niet liket? Als je een van de 
drie berichten liket, veroordeel je dan impliciet de twee andere? Liken werd een soort vorm van sociale bevestiging, het online equivalent van openlijk lachen als een vriend een grap maakt.

    Een fruitmachine met jackpotcombinaties. – © Getty Images
    Een fruitmachine met jackpotcombinaties. – © Getty Images

    Toen ik in 2004 naar de Verenigde Staten verhuisde om een masteropleiding te volgen, was er online maar weinig entertainment. Dat was het tijdperk vóór Instagram, Twitter en YouTube, en Facebook was alleen beschikbaar voor studenten van Harvard. Ik had een goedkope Nokia die onverwoestbaar maar primitief was, dus internet bleef beperkt tot mijn studentenkamer. Op een avond stuitte ik na het 
studeren toevallig op een game die Sign of the Zodiac heette (afgekort tot Zodiac) en weinig mentale inspanning vereiste. Zodiac was een eenvoudige onlinefruitmachine die veel leek op de fruitmachine in een casino: je bepaalt hoeveel je wil inzetten en dan klik je telkens opnieuw gemakzuchtig op een knop en kijk je hoe de machine je laat winnen en verliezen. Eerst speelde ik om te ontstressen na 
lange dagen waarop ik veel te hard moest nadenken, maar ik raakte al snel verslaafd aan het belletje dat 
je hoorde als je een klein bedrag won en het langere melodietje dat na een groter bedrag klonk. Uiteindelijk drongen screenshots van het spel mijn dag 
binnen. Ik zag vijf roze schorpioenen voor me die 
op één rij kwamen te staan, de grootste jackpot van het spel, gevolgd door het liedje van de jackpot dat ik me nog steeds herinner. Ik had een milde vorm van gedragsverslaving en dat waren de zintuiglijke katers van de willekeurige, onvoorspelbare feedback die volgde bij elke keer winnen.

    Mijn Zodiac-verslaving was niets bijzonders. 
Cultureel antropologe Natasha Dow Schüll heeft dertien jaar lang gokkers bestudeerd en de machines waaraan ze verslaafd raakten. De volgende beschrijvingen van fruitmachines zijn afkomstig van experts op het gebied van gokken en huidige en voormalige gokverslaafden:

    – De fruitmachine is de crack van het gokken.

    – Het is elektronische morfine.


    – Het is het meest kwaadaardige soort gokken in de hele geschiedenis.

    – De fruitmachine is het beste apparaat om verslaving 
te leveren.

    Dit zijn nogal sensationele bewoordingen, maar ze geven wel weer hoe makkelijk mensen verslaafd raken aan gokken op een fruitmachine. Ik kan me goed in hen verplaatsen, want ik raakte verslaafd 
aan een gokspel dat niet eens echt geld uitkeerde. Het stimulerende geluidje als je na een paar keer verliezen won, was voor mij voldoende.

    In de Verenigde Staten mogen banken online gewonnen geld niet beheren, waardoor gokken op internet vrijwel illegaal is. Heel weinig bedrijven zijn bereid om het op te nemen tegen het systeem, en zij die 
het wel doen, worden snel verslagen. Dat klinkt als iets positiefs, maar gratis legale spelletjes zoals Sign o
f the Zodiac zijn ook gevaarlijk. Bij casino’s is de speler zwaar in het nadeel: gemiddeld genomen moet het casino winnen. Maar bij een spel zonder geld hoeft het casino helemaal niet te winnen. Zoals David Goldhill het zei, de CEO van het Game Show Network, dat ook veel online games produceert: ‘Omdat we 
niet worden beperkt door echt gewonnen geld dat we moeten uitbetalen, kunnen we 120 dollar uitbetalen voor elke 100 dollar die wordt ingezet. Dat zou geen enkel casino in de echte wereld meer dan een week lang kunnen doen zonder failliet te gaan.’ Het gevolg is dat het spelletje voor eeuwig kan doorgaan omdat de speler nooit zonder fiches komt te zitten. Ik heb Sign of the Zodiac vier jaar gespeeld en hoefde maar zelden aan een nieuw spelletje te beginnen. Ik won zo ongeveer 95 procent van de tijd. Ik stopte alleen met spelen als ik moest eten, slapen of ’s ochtends naar college moest. En soms stopte ik dan nog niet.

    Verlies vermomd als winnen

    In tegenstelling tot gratis spelletjes wint het casino meestal wel, maar casino’s overtuigen spelers er op een slimme manier van dat de uitkomst omgekeerd 
is. De eerste fruitmachines waren heel simpele apparaten: de speler trok aan de hendel van de machine om de drie mechanische rollen te laten draaien. Als |de drie rollen na het draaien in het midden bleven stilstaan op twee of meer dezelfde afbeeldingen, 
won de speler een aantal munten of punten. Maar tegenwoordig kunnen gokkers meerdere spellen 
tegelijk spelen, soms wel een paar honderd.

    Stel dat de machine tien cent berekent om de rollen één keer te laten draaien. Als je alle vijftien spellen tegelijk speelt, kost elke keer draaien je één dollar vijftig. In feite speel je vijftien spellen tegelijk, in plaats van de ervaring te rekken door de rollen van één spel vijftien keer te laten draaien. Casino’s houden er wel van als je zo speelt: als ze je verslaan, dan doen ze dat vijftien keer zo snel. Maar elke keer dat je speelt, heb 
je ook vijftien maal zoveel kans dat je minstens één spel wint, en dat viert de machine door dezelfde felle lampjes te laten knipperen en dezelfde pakkende melodietjes te laten horen. Stel nou dat je alle vijftien spellen tegelijk speelt, wat je één dollar vijftig kost, 
en bij een van de vijftien spellen scoor je twee 
bommen op een diagonale lijn. Als twee bommen tien punten waard zijn, dan win je één dollar. Niet slecht, tot je beseft dat je in totaal bij deze keer draaien vijftig cent hebt verloren (je uitbetaalde één dollar min de prijs van het draaien: één dollar vijftig). En toch heb 
je de prettige feedback die bij het winnen hoort; het soort winnen dat Schüll en andere experts in gokken ‘verlies vermomd als winnen’ noemen.

    Verliezen die vermomd zijn als winst tellen alleen omdat spelers het niet als verliezen beschouwen; 
zij beschouwen het als winnen.

    Dat maakt moderne fruitmachines en moderne 
casino’s zo gevaarlijk. Net als het jongetje dat alle knopjes in mijn lift indrukte blijven volwassenen eigenlijk altijd gefascineerd door de spanning van mooie lichtjes en geluidjes. Als onze hersenen ons ervan overtuigen dat we winnen zelfs als we eigenlijk verliezen, hoe worden we dan geacht genoeg zelfbeheersing op te brengen om op te houden met spelen?

    Het succes van fruitautomaten wordt afgemeten aan de “tijd op het apparaat”. Hoe langer de gemiddelde speler achter de automaat blijft zitten, hoe beter de automaat

    Het succes van fruitautomaten wordt afgemeten |aan de ‘tijd op het apparaat’. Hoe langer de gemiddelde speler achter de automaat blijft zitten, hoe beter de automaat. Omdat de meeste spelers meer geld verliezen naarmate ze langer spelen, geeft de tijd op het apparaat een bruikbare benadering van 
de winstgevendheid.

    Videogamedesigners gebruiken een vergelijkbare maatstaf, die weergeeft hoe sterk spelers opgaan in hun game en hoe leuk die is. Het verschil tussen casino’s en computerspellen is dat veel ontwerpers het belangrijker vinden om hun games leuk te maken dan om bakken met geld te verdienen. Bennett Foddy, die computerspel-
ontwerpen doceert aan het Game Center van New York University, heeft een serie succesvolle games ontworpen die je gratis kan spelen, maar het ontwerpen van die spellen was eerder liefdewerk oud papier dan een lucratieve manier om geld te verdienen.

    ‘Computerspellen zijn onderworpen aan allemaal regeltjes,’ vertelt Foddy. ‘Als je met de cursor over 
een bepaalde box gaat, verschijnt er tekst of hoor je een geluidje. Ontwerpers gebruiken dit soort microfeedback om spelers nog meer te laten opgaan in 
het spel en ze meer in het spel te trekken.’ Een game moet die 140 regeltjes volgen, omdat de kans groot is dat gamers stoppen met een spel dat geen constante stroom kleine beloningen afgeeft die logisch bij de spelregels passen. Die beloningen kunnen zo subtiel zijn als een rinkeltje of een witte flits telkens als 
een personage over een bepaald vierkantje loopt. 
‘Die stukjes microfeedback moeten vrijwel gelijk 
na de handeling volgen, want als er een strakke 
koppeling is tussen wanneer ik iets doe en wanneer iets gebeurt, dan denk ik dat ik het heb veroorzaakt.’ Zoals kinderen die op liftknopjes drukken om ze te laten oplichten worden gamers gemotiveerd door het gevoel dat ze een effect hebben op de wereld. 
Als je dat weghaalt, ben je ze kwijt.

    Candy Crush Saga

    De game Candy Crush Saga is een perfect voorbeeld. Op zijn hoogtepunt in 2013 genereerde het spel per dag meer dan 600.000 dollar aan inkomsten. Tot nu toe heeft King, het bedrijf achter de game, er ongeveer tweeënhalf miljard aan verdiend. Iets van een half miljoen tot een miljoen mensen hebben Candy Crush Saga op hun smartphone of via Facebook gedownload. De meeste spelers zijn vrouwen, wat nogal ongebruikelijk is voor zo’n kassucces. Het gigantische succes van het spel is moeilijk te begrijpen als 
je ziet hoe simpel het is. Spelers proberen rijtjes van drie of meer van dezelfde snoepjes te krijgen door snoepjes naar links, naar rechts, naar boven en naar onder te swipen. Snoepjes worden gecrusht: ze 
verdwijnen als je van die rijtjes maakt. De snoepjes erboven vallen naar beneden en nemen hun plek in. Het spel eindigt als het scherm vol is met snoepjes die niet gecombineerd kunnen worden. Foddy zei 
dat de game niet zozeer een succes was vanwege de regels, maar door juice.

    © Candy Crush Saga
    © Candy Crush Saga

    Juice verwijst naar de laag oppervlakkige feedback 
die boven op de regels van het spel komt. Het is niet essentieel voor het spel, maar wel voor het succes ervan. Zonder juice verliest het spel zijn charme. 
Stel je maar eens voor dat de snoepjes vervangen zouden worden door grijze bakstenen en dat alle bekrachtigende kleurtjes en geluidjes die het spel zo leuk maken er niet meer zouden zijn. ‘Beginnende gamedesigners vergeten vaak om juice toe te 
voegen,’ zegt Foddy. ‘Als een personage in je game door het gras rent, moet het gras ombuigen terwijl hij erdoorheen rent. Dat laat zien dat het echt gras is en dat het personage en het gras in dezelfde wereld zijn.’ Als je een rijtje snoepjes maakt in Candy Crush Saga, klinkt er een aanmoedigend geluidje, de score voor dat rijtje knippert fel en soms krijg je complimentjes van een onzichtbare verteller met een 
zware tovenaar-van-Oz-achtige stem.

    Juice versterkt feedback, maar het is ook ontworpen om de echte wereld met die van de game te verbinden.

    Als er iets is wat juice goed laat uitkomen, dan is dat virtual-realitytechnologie, iets wat nog steeds in de kinderschoenen staat. Virtual reality (VR) plaatst de gebruiker in een omgeving waarin hij of zij totaal wordt ondergedompeld. Dat kan een bestaande omgeving zijn (een strand aan de andere kant van 
de wereld) of een denkbeeldige (het oppervlak van Mars). De gebruiker beweegt zich door die wereld 
en staat er net zo mee in contact als met de echte wereld. Geavanceerde VR biedt ook feedback voor verschillende zintuigen, waaronder aanraken, 
horen en ruiken.

    In een podcast van 28 april 2016 vroeg auteur en sportcolumnist Bill Simmons de miljardair en 
investeerder Chris Sacca naar zijn ervaring met VR. 
‘Ik maak me wel wat zorgen om mijn kinderen,’ zei Simmons tegen Sacca. ‘Ik vraag me af of die VR-wereld waar je jezelf in onderdompelt niet bijna 
beter is dan de echte wereld waarin je leeft. Ik hoef geen contact meer met mensen; ik kan gewoon de VR-wereld in stappen en VR-dingen doen en dat is dan mijn hele leven.’ Sacca, die in de begintijd bij Google heeft gewerkt en in Twitter investeerde, 
deelde de zorg van Simmons: ‘Dat is heel terecht. 
Een van de interessante aspecten van technologie is dat de verbetering van de resolutie, de geluidsmodellen en de responstijd veel sneller gaat dan onze eigen fysieke ontwikkeling. Ons organisme is hetzelfde gebleven; we zijn er niet op gebouwd om al dat goed gecoördineerde licht en geluid in ons op te nemen (…) je kan video’s uit de begintijd bekijken (…) waarin je boven op een wolkenkrabber staat, en je lichaam 
weigert je dan naar voren te laten stappen. Je lichaam is ervan overtuigd dat dat de rand van de wolkenkrabber is. En het is niet eens technologie met een superhoge resolutie of superimmersieve VR. Dus we hebben een waanzinnige tijd voor ons liggen.’

    Al is virtual reality een veelbelovende ontwikkeling, er kleven ook grote risico’s aan. Jeremy Bailenson, hoogleraar communicatie bij het Virtual Human Interaction Lab van Stanford University, maakt zich er zorgen over dat het schade zal aanrichten aan 
hoe mensen in contact staan met de wereld. ‘Ben ik doodsbang voor een wereld waarin iedereen echt afschuwelijke ervaringen kan creëren? Ja, daar maak ik me best zorgen over. Ik maak me zorgen over wat er gebeurt als een gewelddadig videospel voelt alsof je een moord pleegt. En als pornografie voelt alsof je seks hebt. Hoe zal dat de manier veranderen waarop mensen met elkaar omgaan en hoe verandert het de maatschappij?’

    © Sims
    © Sims

    Als VR wordt verbeterd, kunnen we met wie dan ook overal alles doen wat we willen, zo lang we maar willen. Zulk grenzeloos plezier klinkt geweldig, maar het zou persoonlijk contact weleens overbodig kunnen maken. Waarom zou je in de echte wereld leven met echte mensen die nooit perfect zijn als je kunt leven in een perfecte wereld die net zo echt voelt?

    Maar in de handen van grote bedrijven en gamedesigners kan het ook een medium blijken voor de allernieuwste uit de hand lopende gedragsverslaving. Sommige sites en games zijn ervoor ontworpen om verslavend te zijn en ongelukkige consumenten in de val te lokken, maar andere zijn toevallig verslavend terwijl ze zijn ontworpen om leuk of boeiend te zijn. Het verschil tussen die twee is maar heel klein en sterk afhankelijk van de bedoeling van de ontwerper.

    Toen Shigeru Miyamoto Super Mario Bros. ontwierp, wilde hij allereerst een game maken die hij zelf leuk vond om te spelen.

    ‘Daar draait het om,’ zei hij, ‘niet dat je zorgt dat iets goed verkoopt en heel populair is, maar dat je ergens gek op bent en iets maakt waar je als maker van houdt. Dat is het basisgevoel dat we moeten hebben bij het maken van games.’ Als je Super Mario Bros., dat regelmatig door gamedesigners wordt verkozen als de beste game aller tijden, vergelijkt met andere computerspellen op de markt, dan zie je bij de rivalen al snel de kenmerken van een game die zijn gebruikers misbruikt.

    Adam Saltsman, die in 2009 in eigen beheer de hooggewaardeerde game Canabalt bouwde, heeft uitgebreid geschreven over de ethische kant van gamedesign. ‘Graaigames zijn ervoor ontworpen om misbruik te maken van hoe je in elkaar zit,’ zegt Saltsman. ‘Veel graaigames van de afgelopen vijf jaar maken gebruik van het zogeheten “energiesysteem”. Je mag de game vijf minuten spelen en dan is hij zo ingesteld dat je opeens niks meer kan doen. De game stuurt je dan 
na, zeg, vier uur een mail wanneer je weer kan gaan spelen.’ Ik zei tegen Saltsman dat me dat best een goed systeem leek; het dwingt gamers om een pauze in te lassen en moedigt kinderen aan om hun huiswerk te maken tussen twee sessies in. Maar dan komt het graaigedeelte. Volgens Saltsman: ‘Ontwerpers 
van games kregen door dat spelers wel een dollar 
wilden betalen om de wachttijd te verkorten, of om 
de hoeveelheid energie van de avatar te vergroten zodra de rustperiode van vier uur voorbij is.’

    Ik kwam die graaistrategie tegen toen ik de game Trivia Crack speelde. Als je een paar keer het verkeerde antwoord geeft, zijn al je levens op en geeft een 
dialoogvenster je de keus: je wacht een uur tot je meer levens hebt of betaalt negenennegentig cent om meteen door te spelen.

    Als je al minuten of zelfs uren speelt, wil je je niet gewonnen geven. Er staat veel op het spel en je hekel aan verliezen dwingt je om nog één keer wat in de automaat te gooien, steeds opnieuw. Je gaat spelen omdat je het leuk wil hebben, maar je blijft spelen omdat je wil voorkomen dat je je rot voelt.

    © Mario
    © Mario

    De meeste mensen vinden een spel dat je altijd wint maar saai. Het klinkt in eerste instantie aantrekkelijk, maar het verveelt snel. Tot op zekere hoogte hebben we verlies, problemen en narigheid nodig, want zonder dat alles zou de sensatie van succes met elke nieuwe overwinning minder worden. Daarom besteden mensen hun kostbare vrije tijd ook aan ingewikkelde kruiswoordpuzzels en het beklimmen van gevaarlijke bergen, omdat de problemen van de uitdaging veel fascinerender zijn dan de wetenschap dat iets absoluut gaat lukken. Het gevoel dat er 
geleden moet worden is een ingrediënt van veel 
verslavende ervaringen, waaronder een van de simpelste en meest verslavende games aller tijden: Tetris.

    In 1984 was Aleksej Pazjitnov aan het werk in een computerlab van de Russische Academie voor Wetenschap in Moskou. Veel van de wetenschappers van het lab werkten aan nevenprojecten, en Pazjitnov begon te werken aan een videogame. 
De game speelde leentjebuur bij tennis en een versie van domino met vier stukken, tetromino, dus 
combineerde Pazjitnov die woorden tot de naam Tetris. Hij werkte veel langer aan Tetris dan hij van plan was omdat hij niet kon ophouden met spelen.
    Uiteindelijk liet Pazjitnov zijn vrienden van de 
Academie voor Wetenschap het spel spelen. ‘Ik liet mensen spelen en besefte dat ik niet gek was! Iedereen die eraan begon, kon niet meer ophouden. Ze bleven maar spelen. Mijn beste vriend zei: “Ik kan niet meer leven met dat Tetris van jou.”’ Zijn beste vriend Vladimir Potsjilko, een voormalig psycholoog, weet nog dat hij het spel meenam naar zijn lab in 
het Medisch Instituut van Moskou. ‘Niemand werkte meer. Dus toen heb ik het van alle computers gewist. Iedereen ging weer aan het werk tot er een nieuwe versie in het lab opdook.’

    Tetris verspreidde zich van de Academie voor 
Wetenschap naar de rest van Moskou en daarna naar de rest van Rusland en Oost-Europa. Twee jaar later, in 1986, bereikte het spel het Westen, maar de grote doorbraak kwam in 1991 toen Nintendo een deal sloot met Pazjitnov. Bij elke Game Boy kreeg je 
voortaan een gratis spelcartridge met een herziene versie van Tetris.

    Dat jaar legde ik geld opzij om uiteindelijk een Game Boy te kopen, en zo speelde ik Tetris voor het eerst. 
Het was niet zo blits als sommige andere van mijn favoriete games, maar net als Pazjitnov speelde ik het uren achterelkaar. Soms, als ik in slaap sukkelde, zag ik de blokjes voor me omlaag tuimelen tot complete horizontale lijnen: een opmerkelijk veelvoorkomende ervaring, die bekendstaat als het tetriseffect, iets wat mensen treft die lang achter elkaar een willekeurig animatiespel spelen. Ik dacht dat ik genoeg van Tetris zou krijgen, maar nu, meer dan vijfentwintig jaar later, speel ik het soms nog. Het heeft een lange levensduur omdat het met je meegroeit. In het begin is het makkelijk, maar naarmate je beter gaat spelen, wordt het spel moeilijker. Die stijgende moeilijkheidsgraad is een cruciaal punt dat het spel boeiend houdt, lang nadat je de basisvaardigheden onder de knie hebt. Wat je vooruitgang voor een deel zo leuk maakt, is dat je brein efficiënter wordt naarmate je beter gaat spelen.

    Sterker nog, in 1991 noemde The Guinness Book of Records Tetris ‘het eerste videospel dat de hersenfunctie en efficiëntie verbetert’. Die claim 
is gebaseerd op onderzoek van psychiater Richard Haier aan de University of California.
 In 1991 vroeg Haier zich af of onze hersenen met de nodige oefening beter worden in het uitvoeren van moeilijke mentale opdrachten. Hij besloot mensen te observeren die een videogame onder de knie aan het krijgen waren, maar hij wist niet veel van de moderne wereld van het gamen. ‘In 1991 had niemand nog 
van Tetris gehoord,’ zei hij een paar jaar later in een interview. ‘Ik ging naar de computerwinkel om te kijken wat ze hadden en die jongen zei: “Hier, probeer dit maar eens. Dit hebben we net binnen.” Tetris was het ideale spel: het was makkelijk te leren, je moest oefenen om er goed in te worden en er was sprake van een goede leercurve.’ Dus Haier kocht een paar exemplaren van Tetris voor zijn lab en keek toe terwijl zijn proefpersonen het spel speelden. Hij ontdekte dat ervaring neurologische veranderingen opleverde: delen van de hersenen verdikten en de hersenactiviteit ging omlaag, wat suggereerde dat de hersenen van geoefende spelers efficiënter werkten. Maar 
wat in dit geval relevanter was: zijn proefpersonen vonden het geweldig om het spel te spelen. Ze 
schreven zich in om drie kwartier per dag te spelen, vijf dagen per week, tot acht weken lang. Ze kwamen voor het experiment (en de betaling die ze daarvoor kregen), maar bleven komen vanwege het spel.

    Een bevredigend aspect van het spel is het gevoel dat je iets opbouwt, dat je inspanning een leuke toren van gekleurde steentjes oplevert. ‘Je ziet de chaos komen in de vorm van willekeurige stukken en dan is het aan jou om ze te ordenen,’ zei Pazjitnov. ‘Maar als je net de volmaakte lijn hebt gevormd, verdwijnt hij. Wat blijft staan, zijn de lijnen die je niet hebt kunnen voltooien.’ Michail Koelagin, Pazjitnovs vriend en medeprogrammeur, weet nog dat hij een enorme drang voelde om zijn fouten te herstellen. ‘Tetris is een spel met een bijzonder sterke negatieve motivatie. Je ziet nooit wat je goed hebt gedaan en 
je fouten zijn zichtbaar op het scherm. En die wil je altijd corrigeren.’


    Het gevoel dat je iets creëert wat werk, moeite en kennis vergt is een drijvende kracht achter verslavende handelingen die in andere gevallen op den duur minder aantrekkelijk zouden worden. Het wijst ook op een verraderlijk verschil tussen drugsverslaving en gedragsverslaving: waar een drugsverslaving onverholen destructief is, zijn veel gedragsverslavingen heimelijk destructieve handelingen onder het mom van iets creëren. De illusie van vooruitgang 
zal je op de been houden zolang je hoge scores haalt, meer volgers binnenhaalt of meer tijd aan je werk besteedt, en dus wordt het steeds moeilijker om de drang om door te gaan te onderdrukken.

    Sommige designers zijn fel gekant tegen games 
met een oneindig format, zoals bijvoorbeeld Tetris, omdat ze misbruik maken van een zwakheid in de motivatiestructuur van mensen: ze kunnen niet meer ophouden.

    Mensen vinden het ideale punt tussen ‘te makkelijk’ en ‘te moeilijk’ onweerstaanbaar. Dat is het land van computerspellen, financiële targets, werkambities, sociale mediadoelen en fitnessdoelen die net genoeg uitdaging bieden.

    Verslavende ervaringen liggen op dat ideale punt op de loer, op de plek waar stopregels ten onder gaan aan obsessieve doelgerichtheid.

    Auteur: Adam Alter
    Vertalers: Petra C. van der Eerden en Mirjam Nieman

     Dit is een voorpublicatie uit ‘Superverslavend’ van Adam Alter, dat verschijnt bij Maven 
(€ 21,00).
    Dit is een voorpublicatie uit ‘Superverslavend’ van Adam Alter, dat verschijnt bij Maven 
(€ 21,00).
  • Branden blussen met WhatsApp

    Branden blussen met WhatsApp

    Na de gigantische bosbranden in Indonesië in 2015 zijn overal in het land WhatsApp-groepen opgericht. Hun missie: het vuur doven voordat het zich verspreidt.

    Keuze uit het archief

    Naarmate de aarde opwarmt lijken bosbranden een steeds vaker terugkerend verschijnsel te worden. Dit jaar begon met branden in Los Angeles, in maart was Zuid-Korea aan de beurt, in april brak er brand uit op de Edese heide en begin mei ontstonden er bosbranden in de regio rond Jeruzalem. Afgelopen week kwamen er twee mensen om bij bosbranden in Canada.
    Wat kunnen we doen om de gevaren te minimaliseren en te voorkomen dat bosbranden ontstaan en zich verspreiden? In Indonesië vonden ze daar iets op. Na de gigantische bosbranden in 2015 is er een compleet WhatsApp-netwerk op touw gezet om brandhaarden te signaleren, zodat ze meteen in de kiem gesmoord kunnen worden. Dit artikel van Koran Tempo uit 2017 legt uit hoe dit surveillancesysteem in zijn werk gaat.

    Op 8 januari 2017 stuurt kolonel Refrizal, commandant van legerpost O42/Garuda Wit in Jambi, om exact vijf uur ’s ochtends het volgende bericht: ‘Mevrouw Ning, kunt u ons de gegevens zenden over de vanochtend door u gesignaleerde brandhaarden?’ Het antwoord volgt onmiddellijk: ‘Surveillancerapport van 5:00 uur West-Indonesische tijd [de archipel strekt zich uit over drie tijdzones]: in de provincie Jambi geen brandhaarden gedetecteerd.’

    De legercommandant coördineert de bosbrandsurveillance in de zwaarst getroffen regio’s. Minimaal drie keer per dag wisselen het hoofd van het Bureau voor Meteorologie, Klimatologie en Geofysica in Jambi en hoofd informatievoorziening Kurnianingsih van het weerstation Sultan Thaha in Jambi de relevante gegevens over elk van de potentiële brandhaarden uit. Die informatie wordt verzonden via de satelliet Terra-Aqua en bevat de dagelijkse weersvoorspelling, de temperatuur, evenals de kans op regen en storm. Daarna worden deze gegevens gedeeld in de WhatsApp-groep ‘rampensurveillance Jambi’.

    De leden van de WhatsApp-groep beantwoorden de berichten onmiddellijk; ze vragen bijvoorbeeld om de coördinaten van een gedetecteerde brandhaard. Ze snellen dan naar deze plek toe om de gegevens te verifiëren en delen dezelfde dag nog hun waarnemingen via hetzelfde netwerk. Als ze inderdaad een brand ontdekken, is het vaak niet meer dan een berg brandend afval of vuilnis. Toch doven ze ook deze branden, om overslaan te voorkomen.

    Praktisch medium

    De WhatsApp-groep is uitgegroeid tot een buitengewoon praktisch medium voor informatie-uitwisseling en discussie. Bij elke detectie van een bos- of veldbrand kan er op deze manier onmiddellijk worden gereageerd. De groep werd opgericht in 2015, het jaar waarin ongekende bosbranden de eilanden Sumatra en Kalimantan teisterden. Aanvankelijk had de groep maar 20 leden, maar nu zijn het er al 83. De leden zijn merendeels publieke diensten op regionaal, provinciaal en zelfs landelijk niveau. Er zijn burgemeesters bij, leger-, politie- en brandweercommandanten, ambtenaren die bosbouwvergunningen verstrekken en zelfs journalisten. De leden zijn verplicht om altijd te reageren. ‘Als een van ons niet alert is, wordt hij onmiddellijk door de andere leden tot de orde geroepen,’ zegt de coördinator van de groep Dalmanto, die hoofd is van de rampenbestrijdingsdienst van de regio Jambi.

    In de provincie Riau wordt met hetzelfde communicatiesysteem gewerkt en telt de WhatsApp-groep al bijna tweehonderd leden. Indien nodig schakelen de patrouille-eenheden op de grond het leger en de politie in. Elke patrouillemedewerker ontvangt dagelijks een premie van 150.000 roepia’s [11 euro]. Mochten de eenheden op de grond de vlammen niet meester worden, dan roepen ze de hulp in van de blusvliegtuigen van Canadair.

    Een brand in een veengebied in Pemulutan, Zuid-Sumatra, in 2015. Hier wordt nog ouderwets gecommuniceerd met de walkietalkie. – © AP Photo
    Een brand in een veengebied in Pemulutan, Zuid-Sumatra, in 2015. Hier wordt nog ouderwets gecommuniceerd met de walkietalkie. – © AP Photo

    Na de gebeurtenissen van 2015 begon men te beseffen hoe belangrijk dit soort netwerken zijn. De traagheid waarmee toen op de bosbranden werd gereageerd bleek fataal te zijn. Zeven Indonesische provincies, Singapore en gedeeltes van Maleisië stikten tussen juni en november 2015 in de rook van felle bosbranden. De schade bedroeg meer dan 200 biljoen roepia’s [14 miljard euro].

    Iedereen, zonder uitzondering, had eronder te lijden. ‘Toen ik mijn scriptiebegeleider te spreken wilde krijgen, lukte dat niet,’ vertelt de 23-jarige student Iliyin Toni, die momenteel stage loopt bij de Dienst Voorkoming Bosbranden van het ministerie van Milieu. In 2015 was hij nog student aan de Tanjungpura-universiteit in West-Kalimantan. Sinds juni 2016 bemant Toni elke vrijdag en zondag de surveillancepost voor bos- en veldbranden. Hij houdt de computerschermen in de gaten, alert op de eerste tekenen van vuur. Van hem en zijn collega’s wordt verwacht dat ze elke ochtend om zeven uur een observatierapport gereed hebben, dat via de satellieten Terra-Aqua en NOA A wordt verspreid. Zelfs de minister van Milieu en Bossen, Siti Nurbaya Bakar, ontvangt het dagelijks op zijn smartphone. Toni was eerder al getuige van de verschrikkelijke bosbranden die Indonesië in 1997 teisterden [in die tijd zuchtte Indonesië bovendien onder een economische crisis, die een jaar later de toenmalige dictatuur fataal werd]. Hij was toen nog een kind en had een zaklamp nodig om in de dichte rook de weg naar school te vinden.

    In 2015 was er in de provincie Jambi alleen al voor het bluswerk van het Canadair-vliegtuig 6,52 miljoen liter water nodig

    De afgelopen twintig jaar kwamen de bos- en veldbranden regelmatig in alle hevigheid weer terug. In 2015 was er in de provincie Jambi alleen al voor het bluswerk van het Canadair-vliegtuig 6,52 miljoen liter water nodig, en 6,7 ton zout voor de kunstmatige beregening. Om herhaling van deze desastreuze episodes te voorkomen, is de surveillance nu geïntensiveerd. President Joko Widodo riep op 23 januari jongstleden de regiohoofden en ook de commandanten van leger en politie bijeen om over de nationale coördinatie van preventie en bestrijding te overleggen. Hij hield hen voor dat voortaan bij evaluaties de prestaties van de troepen bij het bestrijden van branden meegewogen moesten worden. ‘Dat was ter motivatie bedoeld, niet als waarschuwing. Samen met de bevolking moeten we er alles aan doen om de branden te stoppen. En mocht dat voor jullie als soldaten een risico opleveren, dan moeten jullie bereid zijn dat te nemen,’ hield commandant Naudi Nurdika zijn troepen voor.

    Dankzij de intensieve communicatie via WhatsApp-groepen kunnen niet alleen de risico’s worden geminimaliseerd, maar bovendien de trauma’s van de branden en rookwolken van voorgaande jaren worden geheeld.

    CONTEXT: Veengebieden in gevaar

    Koran Tempo bericht dat een aantal organisaties fel protesteert tegen een wetsvoorstel over palmolieplantages, waarover dit jaar gestemd moet gaan worden. Deze wet kan een gevaar opleveren voor veenlandschappen. Deze ecosystemen, waarin enorme massa’s organisch, CO2-rijk materiaal liggen opgeslagen, hadden bijzonder te lijden onder de branden van 2015. Tijdens de klimaattop in Parijs had president Joko Widodo toegezegd om zich persoonlijk in te zetten voor het herstel en de bescherming van de veengebieden, waarvan Indonesië maar liefst zestig procent van het wereldwijde totaal herbergt. In 2016 werd een decreet aangenomen waarin dit geregeld werd.

    Syahrul Fitra, lid van de Koalisi Antimafia Hutan de antimaffiacoalitie voor de bossen) protesteert vooral tegen artikelen 23 en 24 van voornoemd wetsvoorstel, waarin staat: ‘Het is personen of rechtspersonen toegestaan om op minerale gronden of veengebieden oliepalmen te verbouwen. Indien de status van nationale bosgebieden of van onbebouwde grond verandert, mag de regering deze omvormen tot palmolieplantages.’

    Volgens vicedirecteur Andi Muttaquien van het Instituut voor Beleidsonderzoek en Belangenbehartiging (ELSAM) vormt het wetsvoorstel ook voor mensen een gevaar. Artikel 29 biedt conglomeraten allerlei mogelijkheden om concessies te verwerven. ‘Maar het welzijn van kleine exploitanten en plantagearbeiders is in het voorstel niet geregeld,’ legt hij uit.

    ‘Van de naar schatting 10,4 miljoen arbeiders op palmolieplantages in het land, zijn zeventig procent dagloners die geen enkele sociale bescherming genieten’, schrijft Koran Tempo.

  • 1. Welkom in het feitenvrije tijdperk

    1. Welkom in het feitenvrije tijdperk

    Feiten lijken er steeds minder toe te doen in het politieke debat. Zowel de Brexit-campagne als de Amerikaanse voorverkiezingen stonden bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Maar is het werkelijk zo veel erger dan vroeger? Vox zocht het uit.

    Na het referendum over de Britse uittreding uit de Europese Unie wordt door velen in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten niet alleen getreurd om de breuk in de Europese eenheid, maar ook om de teloorgang van de waarheid. Aan feiten en deskundig commentaar lieten de voorstanders van Brexit zich niets gelegen liggen. Hoewel economen massaal waarschuwden dat uittreding de Britse economie blijvende schade zou toebrengen, besloot 52 procent van de kiezers dat ze de EU wilden verlaten.

    En waarom negeerden die kiezers de feiten? Omdat ze over hun eigen ‘feiten’ beschikten. Pro-Brexit-politici konden in de campagne kwistig met valse informatie strooien en praktisch ongestraft de meest grove leugens verkondigen. Neem UKIP-leider Nigel Farage, die de ochtend na het referendum al meteen op zijn woorden terugkwam. De officiële Leave-campagne had voorgespiegeld dat een Brexit 350 miljoen pond per week zou opleveren, die dan in het Britse zorgstelsel konden worden gestoken. In zijn eigen onafhankelijke campagne had Farage nooit kanttekeningen gezet bij die belofte. Maar zodra op vrijdagochtend de stemmen waren geteld, erkende hij dat de officiële Leave-campagne luchtkastelen had beloofd en ontkende hij dat hij die belofte ooit had ondersteund – terwijl dat aantoonbaar wel zo was.

    ‘Welkom in de feitenvrije democratie’ luidde een lezersreactie in de Financial Times op de uitslag van het referendum. En voor de politiek aan onze kant van de Atlantische Oceaan geldt eigenlijk hetzelfde. Ook de lopende Amerikaanse verkiezingscampagne staat bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Dat roept de vraag op: leven we nu echt in een tijd waarin de feiten geen rol meer spelen? Wordt dat door de feiten gestaafd? Ik vroeg politicologen, professionele factcheckers en filosofen naar hun mening over onze omgang met feiten.

    Elk “feit” dat je zoekt, kun je op internet wel ergens vinden

    Is er tegenwoordig meer desinformatie dan ooit?

    Om te beginnen: het is verrassend lastig te zeggen of er in de politiek tegenwoordig meer desinformatie en leugens worden verspreid dan vroeger. Brendan Nyhan, hoogleraar politicologie aan Dartmouth College, wijst erop dat we niet beschikken over goede langetermijngegevens met betrekking tot de vraag of het ‘oprekken’ van de waarheid tegenwoordig vaker voorkomt dan bijvoorbeeld tijdens de oorlog in Vietnam, bij de inval in Irak in 2003 of in de door de Amerikaanse schandaalpers opgehitste Spaans-Amerikaanse oorlog aan het eind van de negentiende eeuw. Als men zegt dat we nu leven in het tijdperk van de feitenvrije democratie, wordt daarmee gesuggereerd dat er ooit een gouden tijdperk was waarin politiek alleen om feiten draaide. ‘En ik denk niet dat er ooit zo’n tijd is geweest,’ zegt Nyhan. Anderzijds zegt hij ook: ‘Ik denk dat er altijd veel valse informatie in omloop is geweest, over allerlei onderwerpen – maar de manier waarop is wel veranderd.’

    En inderdaad, door internet en sociale media is valse informatie toegankelijker, beter zichtbaar en moeilijker te onderscheiden van onweerlegbare feiten. En dat kan op drie manieren bijdragen aan de verspreiding van politieke desinformatie.

    1) Mensen hebben toegang tot een onmetelijke hoeveelheid data, en dat kan verwarring in de hand werken.

    Volgens Michael Lynch, hoogleraar filosofie aan de University of Connecticut en auteur van het boek The Internet of Us: Knowing More and Understanding Less in the Age of Big Data, raken we gemakkelijk de weg kwijt in alle informatie die we tegenwoordig binnen handbereik hebben. ‘Hoe meer informatie mensen tot hun beschikking hebben, ook al is dat juiste informatie, hoe meer ze ertoe neigen hun eigen kennis te overschatten,’ zegt hij.

    Elk ‘feit’ dat je zoekt, kun je op internet ook wel ergens vinden. Maar doordat er zo veel feiten beschikbaar zijn, denken we dat we meer weten dan we eigenlijk doen, legt Lynch uit. Terwijl lang niet al die informatie nuttig of zelfs maar waar is. ‘Dat er meer ís, wil niet zeggen dat je ook meer wéét. Het moet goede en betrouwbare informatie zijn,’ zegt Lynch. ‘En de duivel mag weten of er daarvan nu meer of juist minder is.’

    2) We kunnen selectiever zijn met de informatie die we wel en niet tot ons nemen.

    Met zo’n overvloed aan informatie moet je wel gaan schiften en selecteren. ‘Ons onlineleven is zo selectief als een museum,’ zegt Lynch. ‘We kiezen zelf uit wat we aan de muur hangen, op welke bronnen we ons baseren. Dat kan er ook toe leiden dat ons hele wereldbeeld ineens op zijn kop komt te staan – zoals bij de tegenstanders van Brexit die wakker werden en ineens tot het besef kwamen dat Brexit een feit was.’

    Het maakt misschien vooral verschil bij politiek geëngageerde mensen, zeker in deze tijd van polarisatie. Tim Lee schreef op Vox al over onderzoek waaruit blijkt dat linkse gebruikers op Facebook sneller linkse artikelen in hun nieuwsoverzicht tegenkomen, terwijl conservatieve gebruikers meer conservatieve berichten te zien krijgen. ‘Niet alleen zijn de politieke partijen en hun ideologieën sterker gepolariseerd, hun aanhang is ook uniformer geworden,’ zegt Nyhan. ‘Dus in Amerika zijn Democraten zijn nu vaker links en Republikeinen eerder rechts, en ze gaan vooral om met gelijkgestemden, zodat alternatieve informatie minder tot hen doordringt.’

    Dat wordt nog versterkt door het feit dat de traditionele poortwachters van informatie (grote kranten, tv-journaals) aan invloed verliezen. ‘Politici springen daarop in,’ zegt Nyhan, ‘door hun doelgroep direct te benaderen via blogs en campagnes op sociale media. Dat draagt ertoe bij dat we in onze vooroordelen en overtuigingen worden gesterkt en ons afsluiten voor andere denkbeelden – en daardoor misschien ook makkelijker te misleiden zijn.’

    3) Desinformatie is nu zichtbaarder.

    De laatste jaren is de vindbaarheid van onjuiste informatie wel degelijk toegenomen. ‘Desinformatie die altijd al bestond maar niet altijd even makkelijk te vinden was, komt dankzij sociale media en internet nu sneller bovendrijven,’ zegt Nyhan. ‘Er zijn tegenwoordig meer beweringen over zogenaamde feiten die publiek toegankelijk zijn.’ Zo was het in de jaren zestig niet zo eenvoudig om de hand te leggen op nieuwsbrieven van de John Birch Society, de extreemrechtse groepering die paranoïde samenzweringstheorieën verspreidde over vermeende communistische infiltratie. ‘Desinformatie die vroeger in kleine kring circuleerde, onttrok zich vaak aan het zicht van mensen daarbuiten,’ zegt Nyhan. Maar nu is alles op internet te vinden.

    Anderzijds worden ook de leugens beter zichtbaar door de opkomst van websites die beweerde feiten controleren, zegt Bill Adair. Hij is behalve hoogleraar journalistiek aan Duke University is ook de oprichter van de Amerikaanse onderzoekssite PolitiFact, die in 2009 met een Pulitzer Prize werd bekroond. Van 2015 tot 2016 is het aantal sites dat feiten natrekt naar zijn schatting wereldwijd met 60 procent gestegen, van 44 naar 105. Dus of er nu meer wordt gelogen of niet, we worden er in ieder geval vaker op attent gemaakt.

    12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als “onwaar” tegenover 61 procent van die van Trump

    Factcheckers kunnen de verspreiding van desinformatie afremmen, maar Nyhan wijst op eigen onderzoek waaruit blijkt dat feitencontrole ook een averechts effect kan hebben: het kan ertoe leiden dat mensen zich nog dieper ingraven in hun eigen gelijk, zeker bij omstreden kwesties. Toch blijft feiten controleren een van de beste manieren om valse kennis te bestrijden.

    ‘Soms heeft het natrekken van feiten een averechts effect, zeker bij mensen die sowieso niet openstaan voor andere informatie,’ zegt ook Jason Reifler, hoogleraar politicologie aan Exeter University. Maar hij voegt eraan toe: ‘Uit ander onderzoek blijkt dat het publiek wel degelijk baat heeft bij controle van de feiten.’ Zo kwam uit onderzoek van hem en Nyhan naar voren dat politici die bang zijn voor reputatieschade als ze door factcheckers op een leugen worden betrapt, minder snel geneigd zijn onwaarheden te verkopen.

    © Paul Faassen
    © Paul Faassen

    Reifler denkt zelfs dat het gebrek aan prominente controleurs in het Verenigd Koninkrijk heeft bijgedragen aan het succes van de Leave-campagne. ‘In Groot-Brittannië bestaat er eigenlijk niets met een vergelijkbare invloed als PolitiFact of de onderzoeksredactie van The Washington Post in de VS,’ zegt hij.

    De aperte leugens van de Leave-campagne waren ook voorafgegaan door jarenlange anti-Europese stemmingmakerij in de Britse media, vaak zonder enig tegengeluid of pogingen om beweringen op hun feitelijkheid te controleren. ‘Feiten moeten worden nagetrokken om te voorkomen dat kleine leugentjes uitgroeien tot grote leugens,’ zegt Reifler. ‘Voorkomen is beter dan genezen. Dus feiten controleren om de verspreiding van desinformatie te voorkomen – en politici een prikkel te geven om geen leugens meer te vertellen – moet de gouden standaard zijn.’

    Daar wordt ook werk van gemaakt wordt bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Daarin kunnen volgens PolitiFact 12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als ‘onwaar’ of zelfs als ‘regelrechte leugens’, tegenover 61 procent van de uitlatingen van Trump.

    Bill Adair: ‘Ik durf gerust te zeggen dat geen enkele belangrijke Amerikaanse politicus ooit dat niveau heeft benaderd.’

    Auteur: Julia Belluz
    Vertaler: Frank Lekens

    Vox
    VS | Vox.com

    Vox (Media) is een Amerikaanse algemene nieuwssite, opgericht in 2014 door Ezra Klein, tot dan toe politiek columnist voor The Washington Post. De site richt zich op ‘huishoudens met een inkomen van zes cijfers, met aan het hoofd iemand jonger dan 35 jaar’. Volgens de jongste cijfers gaat het een heel eind die kant op: Vox heeft 54 miljoen unieke bezoekers, van wie 41 procent tussen de 18 en 34 jaar oud.

    In de Amerikaanse context is Vox een liberale verspreider van ‘verklarende journalistiek’. Het onderwerp van Kleins allereerste column voor Vox had dan ook als titel ‘How politics makes us stupid’. Klein en zijn staf van twintig mensen, voor een deel afkomstig van de WP, maken zich druk om ‘linkse’ zaken als Obamacare. Vox is eigendom van Vox Media, een onderneming waaronder verschillende gespecialiseerde websites vallen, zoals The Verge (technologie), SB Nation (sport), Polygon (games) en Racked (mode), samen goed voor 1 miljard dollar.