Tag: technologie

  • Alles wordt beslist door mensen die niet van mensen houden

    Alles wordt beslist door mensen die niet van mensen houden

    Techgiganten proberen de menselijke factor zo veel mogelijk uit hun producten te verwijderen, dit keer de taxichauffeur. ‘Big Tech vernietigt wederom een stuk menselijke interactie en noemt dat “gemak”.’

    In het begin schiep God de mens en de mens schiep steden. En in deze steden werd een dienst in het leven geroepen om de mens door de stad te loodsen: de taxi. En zo was het goed. Zo goed dat de dienst door de eeuwen heen nauwelijks veranderde. Bezoekers van het oude Rome konden een cisium aanhouden, een open tweewielige wagen. In het zeventiende-eeuwse Frankrijk was er voor hen de fiacre, een huurkoets met tweespan. De negentiende-eeuwse Engelse versie van dit vervoermiddel heette hackney. Uiteindelijk verscheen de auto op het toneel en maakte de paardenkoets overbodig. Maar de ervaring bleef hetzelfde: passagiers wenkten een chauffeur en die hielp hen met het inladen van hun bagage en vertelde misschien iets over de stad terwijl hij ze naar hun bestemming bracht.

    Vervolgens schiep de mens in 2009 de app voor het delen van ritten. En zo was het heel goed. Veel van de tot dan onvermijdelijk lijkende overlast door taxi’s verdween van de ene dag op de andere: wachten met een opgestoken hand in de vrieskou, chauffeurs die je weigeren ergens heen te brengen nadat je al bent ingestapt, taxi’s die aan je voorbij rijden vanwege je huidskleur, je spullen kwijtraken en nooit meer terugzien – allemaal ongemakken die ineens tot het verleden behoorden. Voortaan zouden we ons geheel anders door de steden bewegen.

    Maar het delen van ritten heeft ook zo zijn nadelen: hoge prijzen bij slecht weer, voortdurende tariefverhogingen, verlate of afgezegde ritten. Maar bij alle manieren die ik heb bedacht om het moderne taxivervoer te verbeteren, kwam het afschaffen van chauffeurs nooit bij me op. Toch proberen de machtigen van Silicon Valley en hun geldschieters dit voor elkaar te krijgen.

    De taxi zonder chauffeur

    Tesla heeft al een taxidienst zonder bestuurder. Daarnaast kondigde het bedrijf eerder dit jaar aan dat zijn Gigafactory in Texas robotaxis zou gaan produceren zonder stuurwielen of pedalen. Waymo, de zelfrijdende taxidienst van Alphabet die in 2020 werd gelanceerd, haalde onlangs 16 miljard dollar aan investeringen op en is van plan uit te breiden naar meer dan twintig steden. Sinds november mogen Waymo-voertuigen in Los Angeles en San Francisco, waar het al actief was, zich ​​op snelwegen begeven en naar sommige luchthavens rijden. Waymo heeft nu zijn zinnen gezet op het taximekka van de Verenigde Staten: New York.

    Net als bij veel recente technologische ontwikkelingen in Silicon Valley is het bedoeling dat we onmiddellijk dolenthousiast raken van de taxi zonder bestuurder, want het gaat hier immers weer eens om een ‘toekomstdroom’ die eindelijk werkelijkheid wordt. O, dat gevoel van onvermijdelijke vooruitgang! Dat vooruitzicht van een veiligere, comfortabelere toekomst!

    Zelfrijdende taxi’s zijn de volgende stap in de realisering van de technologische hoop op een brede toepassing van zelfrijdende auto’s. Uri Levine, medeoprichter van Waze, voorspelt dat Generatie Beta niet zal rijden. ‘Als je tegen een jongere van een volgende generatie zegt dat je zelf auto hebt gereden, zal die je niet geloven,’ beweerde hij in Business Insider

    Uri Levine, medeoprichter van Waze, voorspelt dat Generatie Beta niet zal rijden

    Een van de genoemde voordelen van zelfrijdende auto’s is dat ze bevrijd zouden zijn van menselijke fouten die tot ongelukken leiden. ‘Het wordt zo’n geweldige technologie,’ zegt Sebastian Thrun, de roboticus en voormalig hoofd van het zelfrijdproject van Google. ‘Denk aan de 1,2 miljoen levens die we elk jaar verliezen door auto-ongelukken, met als oorzaak vaak onoplettendheid. Denk je eens in hoeveel van die levens we kunnen redden.’

    Dat aantal van 1,2 miljoen klopt. Maar het is mondiaal gemeten, en meer dan 90 procent van de verkeersdoden valt in lage- en middeninkomenslanden, die geen deel uitmaken van de uitbreidingsplannen van Waymo of Tesla. Handelsorganisaties zoals de Autonomous Vehicle Industry Association, die pleiten voor ‘veilige en tijdige inzet van autonome rijtechnologie’, stellen dat zelfrijdende auto’s levens zullen redden. Organisaties zoals de Union of Concerned Scientists zijn evenwel sceptischer en wijzen op studies waaruit zou blijken dat geautomatiseerde voertuigen minder goed in staat zijn mensen van kleur en kinderen te detecteren. Ze vrezen ook dat de auto’s ‘miljoenen chauffeurs brodeloos zullen maken, een negatieve invloed zullen hebben op de financiering van het openbaar vervoer en de onrechtvaardigheid van het huidige transportsysteem in stand zullen houden’.

    Zekerder dan de veiligheid zijn de winsten. Wanneer bedrijven het over veiligheid hebben, is dat ook een verkooppraatje. In 2030 zal de markt voor zelfrijdende auto’s naar verwachting 87 miljard dollar waard zijn. De gerobotiseerde ‘passagierseconomie’, met onder andere zelfrijdende taxi’s en robotbezorgdiensten, zou in 2050 zo’n 7 biljoen dollar kunnen genereren.

    Wat zijn de voordelen van deze ontwikkeling? De kans is klein dat de gemiddelde Amerikaan veel van die winsten zal zien. Erger: Big Tech vernietigt wederom een stuk menselijke interactie en noemt dat ‘gemak’.

    Big Tech vernietigt wederom een stuk menselijke interactie en noemt dat ‘gemak’

    De meesten van ons leven in bubbels. We gaan vooral om met mensen die op ons lijken in termen van werk, opleiding, inkomen, taal en levensovertuiging. Er is niet al te veel gelegenheid om andere levenswijzen te leren kennen, om contact te leggen met mensen die een andere achtergrond hebben. De momenten waarop dat wel gebeurt zijn waardevol. En doen zich niet zelden voor in een taxi. 

    Steeds als ik in een vreemde stad ben, word ik ingewijd door een taxichauffeur. Zoals die ene die vroeger stunts deed in Hollywood en nu moet bijklussen, en mij verhalen vertelde over sterren en actiefilms in een tijd dat Los Angeles nog meer te besteden had. Of die zestiger, een veteraan van de Navy, die chauffeur werd toen zijn eethuizen door de pandemie over de kop gingen. Terwijl hij me naar het vliegveld in Pittsburgh reed, vertelde hij dat hij kort daarvoor contact had gelegd met een zoon van wie hij het bestaan niet had geweten, en die hem had gevonden via Ancestry.com. Of de jonge Pakistaanse chauffeur die bijzonder zenuwachtig was voor zijn bruiloft. Hij kreeg gratis advies en een mooie fooi.

    Veel taxichauffeurs zijn immigranten. Velen zijn economisch achtergebleven – ze zijn gaan rijden vanwege een noodzakelijke financiële aanvulling op hun reguliere baan of op hun noodlijdende bedrijfjes, of omdat ze zorgtaken moeten combineren met hun werk. Misschien denkt Big Tech dat ze niet zullen worden gemist als ze weg zijn. 

    Ja, chauffeurs kunnen je op je zenuwen werken. Ze zijn soms praatziek, spelen muziek die je niet aanstaat. Maar ze kunnen ook genereus en innemend zijn en je verrassen. Interactie, hoe onvolmaakt ook, maakt ons menselijk.

    Veel taxichauffeurs zijn immigranten. Misschien denkt Big Tech dat ze niet zullen worden gemist als ze weg zijn

    En misschien is dat wel het probleem voor de titanen van Silicon Valley. Voor mensen moet je veel meer moeite doen dan voor robots. ‘Ik kan me niet voorstellen hoe ik een pasgeborene had moeten grootbrengen zonder ChatGPT’, zei Sam Altman, de CEO van OpenAI, onlangs. Artisan, een AI-startup, adverteert zijn diensten met de expliciete slogan ‘Stop met het inhuren van mensen’. Wat we nu meemaken, is de ultieme wraak van de nerds, een groep sociaal onhandige techbro’s die niet zullen rusten voordat de maatschappij waar ze nooit echt in pasten is vernietigd.

    Willen we werkelijk dat deze mensen ingrijpende veranderingen in onze samenleving teweegbrengen? Technologie ontwikkelt zich deels doordat een klein aantal ondernemers of wetenschappers geweldig warm loopt voor iets, en een klein aantal investeerders zo mogelijk nog enthousiaster is over de enorme financiële mogelijkheden. Maar de rest van ons heeft wel degelijk iets in te brengen: we kunnen kiezen of we die technologie willen gebruiken of niet. We kunnen onze voorkeuren en de maatschappelijke gevolgen op de lange termijn overdenken. We kunnen weerstand bieden aan die ouderwetse hebzucht van bedrijven, een hebzucht verpakt in menslievende aanprijzingen van maatschappelijke vooruitgang en zorg.

    Al twintig jaar zie ik hoe we blind in het ene na het andere verkooppraatje trappen. Elke app en noviteit gaat vergezeld van beloftes over ‘vooruitgang’, ‘connectiviteit’ en ‘gemak’. En ooit leverde Silicon Valley inderdaad handige toepassingen, zoals apps voor het delen van autoritten. Maar het rendement neemt af. We leven inmiddels in de toekomst van Silicon Valley, en die maakt ons eenzamer, angstiger en verdeelder dan ooit. Zijn de toepassingen beter? Veiliger? Misschien. Maar degenen die ze toepassen voelen zich ondertussen beroerd.

  • VK: toezichthouder waarschuwt voor hightech fraude bij schoolexamens

    VK: toezichthouder waarschuwt voor hightech fraude bij schoolexamens

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Oorlog in Oekraïne: Poetin wijst voorstel van Zelensky af

    » VS: Republikeinse staten dopen ‘Pride Month’ juni om tot ‘maand van het gezin’

    Leerlingen gebruiken steeds verfijndere technieken om te spieken

    Het toenemende gebruik van slimme technologie kan het moeilijker maken om fraude bij examens op te sporen. Daarvoor waarschuwt sir Ian Bauckham, de directeur van Ofqual, de Engelse instantie die verantwoordelijk is voor schoolexamens. Daarom worden surveillanten erop getraind om verborgen apparatuur te herkennen, zoals slimme brillen, verborgen oortjes en pennen met ingebouwde schermen.

    Uit gegevens van Ofqual blijkt dat het gebruik van mobiele telefoons en slimme apparaten de meest voorkomende vorm van fraude bij examens is geweest tijdens elke zomerexamenreeks sinds 2018. Vorig jaar was dat verantwoordelijk voor 44 procent van alle gevallen van fraude door studenten, aldus de BBC.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Volgens het hoofd van Ofqual vertellen scholen dat leerlingen steeds geavanceerdere apparaten gebruiken om een ​​oneerlijk voordeel te behalen. ‘Sommige van deze apparaten worden openlijk op internet aangeboden, specifiek als hulpmiddel om te frauderen,’ aldus Bauckham.

    Examencommissies bieden surveillanten en examenfunctionarissen training en begeleiding om verdachte apparaten en gedrag in examenlokalen te kunnen herkennen. De directeur van Ofqual waarschuwt dat de kans groot is dat leerlingen betrapt worden op spieken en dat dit kan leiden tot ‘zeer zware sancties’. ‘In het ergste geval kunnen ze al hun eindexamencijfers kwijtraken. Dat kan hun toekomst ingrijpend veranderen.’

  • Wereldnieuws: gokkers bedreigen journalisten & meer

    Wereldnieuws: gokkers bedreigen journalisten & meer

    Klimaatopwarming verlengt pollenseizoen met twee weken

    Als gevolg van klimaatverandering duurt het pollenseizoen in Europa sinds de jaren negentig één tot twee weken langer. In de periode 2015-2024 begon het voor berken, elzen en olijfbomen één tot twee weken eerder dan in de periode 1991-2000. Dat blijkt uit het meest recente onderzoek naar de gevolgen van klimaatverandering voor de gezondheid in Europa. Warm weer en hoge concentraties koolstofdioxide zorgen ervoor dat planten meer pollen produceren, wat allergische reacties veroorzaakt bij mensen met hooikoorts en leidt tot symptomen die variëren van lichte irritatie tot levensbedreigend, , schrijft The Guardian.

    De bevinding is misschien minder dramatisch dan de overstromingen en bosbranden die doorgaans met een opwarmende planeet worden geassocieerd, maar toch betekent ze een enorme toename van het gezamenlijke leed van tientallen miljoenen mensen, aldus de onderzoekers.

    WN pollen compressed edited scaled

    Hoe minder technologie, hoe meer concentratie

    Steeds meer scholen zetten in op digitale leermiddelen, maar dat pakt niet altijd goed uit. Toen een Amerikaanse docent alle schermen uit zijn klas verwijderde, verbeterden de concentratie en prestaties van zijn leerlingen merkbaar, schrijft The Atlantic.

    De docent besloot laptops en tablets volledig te bannen en terug te keren naar pen en papier. Binnen korte tijd merkte hij dat leerlingen alerter waren, minder afgeleid en actiever deelnamen aan de les. Ook maakten ze meer opdrachten af en werd het voor hem makkelijker om te zien waar leerlingen vastliepen.

    Volgens hem zorgen schermen er vaak voor dat leerlingen sneller afhaken of zich achter technologie verschuilen. Digitale tools kunnen handig zijn, maar leiden in de praktijk regelmatig tot multitasking en verlies van focus.

    Daarnaast maakt werken op papier het denkproces van leerlingen zichtbaarder: aantekeningen, fouten en verbeteringen zijn direct te volgen, wat gerichtere begeleiding mogelijk maakt. Dat zou niet alleen het leerproces verdiepen, maar ook de betrokkenheid vergroten.


    500.000 roze bloemen

    In het Fuji Motosuko Resort in Japan bloeien van half april tot eind mei zo’n 500.000 shibazakura, ook wel mossvlox genoemd, in oogstrelende tinten roze, paars en wit. Anders dan kersenbloesems groeien ze op de grond en vormen zo een tapijt dat wekenlang blijft liggen. My Modern Met beschrijft de bloemenvelden die ongeveer 15.000 vierkante meter beslaan, vergezeld door kunstinstallaties zoals de reflecterende Sparkling Flower Drop Mirror en het Door to Happiness-uitkijkpunt dat de Mount Fuji omlijst. De overgefotografeerde berg wordt vanaf de bekendste instagramhoek afgeschermd voor het toerisme met een groot zwart scherm.

    WN Sakura compressed edited 1

    Duitse NSDAP-zoekmachine razend populair

    Die Zeit heeft in samenwerking met Duitse en Amerikaanse archieven een online zoekmachine ontwikkeld waarmee mensen kunnen achterhalen of hun voorouders lid waren van de nazipartij. Met de tool kunnen mensen miljoenen ledenkaarten van de NSDAP doorzoeken. Sinds de lancering begin april is de zoekmachine ‘miljoenen keren geraadpleegd en duizenden keren gedeeld’, aldus Die Zeit.

    De NSDAP-ledenkaarten werden bijna vernietigd tijdens de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog, maar op het nippertje gered en aan de Amerikanen overhandigd, die ze in 1994 overdroegen aan het Duitse federale archief.

    WN Nazispeldje compressed edited

    Tot voor kort konden mensen de ledenkaarten alleen raadplegen door een formeel verzoek in te dienen bij het Duitse archief. In maart dit jaar is het Amerikaanse archief begonnen zijn archiefstukken online beschikbaar te stellen.


    Hoe de gokmarkt de vrije pers kan bedreigen

    De journalist Emanuel Fabian meldde op 10 maart op het liveblog van The Times of Israel dat er een raket was neergekomen in de Israëlische plaats Bet Shemesh en dat daarbij geen gewonden waren gevallen.

    Kort daarop kreeg Fabian meerdere berichtjes en mailtjes binnen waarin hij onder druk werd gezet om zijn nieuwsbericht aan te passen. Het betrof geen raket, maar de brokstukken van een onderschepte raket. De journalist begreep niet waarom mensen dat detail zo belangrijk vonden. Totdat hij ontdekte dat de afzenders actief waren op het gokplatform Polymarket.

    Wat was het geval? Mensen hadden geld ingezet op een weddenschap dat Iran op 10 maart een luchtaanval op Israël zou uitvoeren. Raketten en drones die onderweg werden onderschept, golden echter niet als een aanval, ook niet als ze in Israël landden of schade aanrichtten. Door bij de journalist erop aan te dringen zijn verslag te wijzigen, wilden degenen die ‘nee’ hadden gegokt alsnog hun gelijk halen en hun prijzengeld in de wacht slepen.

    De berichtjes ontaardden op den duur in doodsbedreigingen. De journalist besloot aangifte te doen bij de politie. Hoewel Fabian zijn rug recht hield, laat zijn verhaal zien onder welke druk journalisten in onze tijd soms hun werk moeten doen.


    Precieze locatie van Shakespeares huis in Londen ontdekt

    Fans van William Shakespeare weten dat de grote toneelschrijver afkomstig was uit Stratford-upon-Avon. Maar hij maakte naam in Londen – hoewel er in de Britse hoofdstad nog maar weinig sporen van hem te vinden zijn.

    Een recent ontdekte kaart uit de zeventiende eeuw werpt nieuw licht op het Londense leven van de toneelschrijver, schrijft The Independent. Voor het eerst is de exacte locatie bekend van het enige huis dat Shakespeare in de stad kocht, en waar hij mogelijk aan zijn laatste toneelstukken werkte. Volgens Shakespeare-onderzoeker Lucy Munro, die de kaart vond, voegt hij ‘extra stukjes van de puzzel’ van Shakespeares leven toe.

    Historici wisten allang dat Shakespeare in 1613 een stuk grond kocht in de buurt van het Blackfriars Theatre, maar de exacte locatie was een mysterie. Een plattegrond van het Blackfriars-complex toont echter in detail Shakespeares huis: een aanzienlijke L-vormige woning, uitgehouwen uit het voormalige middeleeuwse Dominicanenklooster.

    WN Shakespeare compressed edited

    Het is niet zeker of Shakespeare in zijn Londense woning woonde of deze alleen verhuurde. Volgens Munro suggereren de grootte van het huis en de ligging op vijf minuten loopafstand van het Blackfriars Theatre dat hij aan het einde van zijn leven mogelijk meer tijd in Londen heeft doorgebracht dan algemeen wordt aangenomen.

    Shakespeare liet het pand na aan zijn dochter Susanna, en het bleef nog een halve eeuw in de familie. In 1666 brandde het gebouw tot de grond toe af in de Grote Brand van Londen, die een groot deel van de middeleeuwse stad verwoestte.

    In dit gebied, dat nu deel uitmaakt van het financiële district van de Britse hoofdstad, zijn nog maar enkele overblijfselen van Shakespeares Londen te vinden, waaronder een fragment van een muur van het voormalige Dominicanenklooster. Vlakbij herinnert de naam Playhouse Yard eraan dat hier ooit een theater stond.

  • ‘Robots hebben jouw lichaam nodig’

    ‘Robots hebben jouw lichaam nodig’

    Biologen, natuurkundigen en computerwetenschappers sluiten zich aan bij platform RentAHuman.ai om hun expertise aan te bieden.

    Stel dat je nieuwe baas je vraagt duiven te tellen in Washington Square Park in New York of een nieuw Italiaans restaurant uit te proberen. Dat zijn slechts enkele van de opdrachten die mensen krijgen via RentAHuman.ai – een platform waarop gebruikers hun tijd en vaardigheden kunnen aanbieden aan AI-agenten. Inmiddels beginnen ook wetenschappers hun expertise via de website aan te bieden.
    De website werd begin februari gelanceerd door de software-ingenieurs Alexander Liteplo en Patricia Tani, die het project oprichtten. Liteplo vertelde aan Business Insider dat hij het systeem in ongeveer anderhalve dag vrij intuïtief in elkaar zette.

    Het idee is eenvoudig, zoals op de homepage van de website staat beschreven: ‘robots hebben jouw lichaam nodig’. Gebruikers kunnen een profiel aanmaken om hun vaardigheden aan te bieden voor taken die een AI-tool niet zelfstandig kan uitvoeren – zoals vergaderingen bijwonen, experimenten uitvoeren of een instrument bespelen – en daarbij aangeven wat ze ervoor vragen.

    Mensen – of ‘meatspace workers’, zoals de site ze noemt – kunnen vervolgens reageren op opdrachten die door AI-agenten worden geplaatst, of wachten tot ze door een AI-agent worden benaderd. Volgens de website hebben inmiddels meer dan 450.000 mensen hun diensten aangeboden.

    Menselijke onderzoekstaken

    Tot nu toe heeft een handvol wetenschappers hun diensten aangeboden op RentAHuman.ai. In hun profiel vermelden ze vaardigheden op het gebied van wiskunde, natuurkunde, informatica, immunologie en biologie. Een van de meest bekeken profielen op de site is van AI-ingenieur David Montgomery uit Denver, Colorado. Hij noemt onder meer AI-evaluatie en de programmeertaal Python als vaardigheden, maar ook allerlei praktische klusjes en fotografie.

    Montgomery zegt dat hij zich oorspronkelijk bij de site aansloot omdat hij zelf aan een vergelijkbaar platform werkt. De meeste verzoeken van AI-agenten die hij tot nu toe via RentAHuman.ai heeft ontvangen, blijken spamberichten met mogelijk gevaarlijke links, vertelt hij. ‘Het lijkt erop dat er maar weinig serieuze opdrachten rondgaan,’ zegt hij, en geen daarvan is ‘echt relevant voor mij’.
    Hij heeft wel op enkele taken gereageerd – zoals een opdracht van 1 dollar om een bericht op sociale media te upvoten – maar daar nog geen reactie op ontvangen.

    Voorlopig staan er onder de openbaar geplaatste opdrachten van AI-agenten geen taken die specifiek gericht zijn op mensen met wetenschappelijke of onderzoeksvaardigheden. In één bericht wordt programmeren genoemd, maar dat is een oproep aan de makers om een bug op de site te fixen. Het platform richt zich vooralsnog niet op wetenschappelijke of onderzoeksgerelateerde taken.

    Publiciteitsstunt

    Voorlopig is het ook de vraag of je wel kunt zeggen dat AI-systemen mensen inhuren, zegt Chris Benner, die technologische verandering en economische herstructurering onderzoekt aan de University of California, Santa Cruz. De AI-agenten, die door mensen zijn gebouwd, lijken hun opdrachten namelijk te krijgen op basis van menselijke instructies, merkt hij op. Ook de betaling voor die taken komt uiteindelijk van de maker van de AI-agent.

    Volgens Michael Wellman, computerwetenschapper aan de University of Michigan in Ann Arbor, verschilt het platform niet zo veel van bestaande websites zoals Upwork, Taskrabbit en Amazon Mechanical Turk – platforms die opdrachtgevers in contact brengen met zelfstandige werkers om specifieke taken uit te voeren.

    Nu AI-agenten steeds vaker worden ingezet, is het volgens hem niet meer dan logisch dat ze ook op dit soort netwerken verschijnen. ‘Mensen kunnen AI gebruiken om via vrijwel elke website diensten in te huren,’ zegt Wellman. ‘Dit platform maakt het alleen iets makkelijker om AI-agenten eraan te koppelen.’

    Provocerend

    Hoewel de naam zeker provocerend is, voelt RentAHuman.ai volgens Benner vooral als een publiciteitsstunt of een vorm van sociaal commentaar. ‘Op dit moment is er in onze samenleving een grote fascinatie voor AI – en ook de angst dat AI al onze banen zal overnemen, autonoom wordt en uiteindelijk de samenleving gaat domineren,’ zegt hij. ‘Dit concept speelt daar op een bepaalde manier op in, door te suggereren: “Ja, computers gaan ons straks in dienst nemen.”’

    De oprichters van RentAHuman.ai reageerden niet op verzoeken van Nature om commentaar. Liteplo reageerde echter wel op een recente tweet waarin het hele idee als dystopisch werd bestempeld, met de woorden: ‘lmao yep’ [Yep, laughing my ass off].

  • Onderzoek: leerlingen hebben meer baat bij pen en papier dan bij technologie

    Onderzoek: leerlingen hebben meer baat bij pen en papier dan bij technologie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Dodelijke overstromingen in Zuid-Rusland eisen minstens vijf levens

    » Maanmissie Artemis 2 keert terug naar de aarde

    Schermen zijn slecht voor de concentratie

    Steeds meer scholen zetten in op digitale leermiddelen, maar dat pakt niet altijd goed uit. Toen een Amerikaanse docent alle schermen uit zijn klas verwijderde, verbeterden de concentratie en prestaties van zijn leerlingen merkbaar, schrijft The Atlantic.

    De docent besloot laptops en tablets volledig te bannen en terug te keren naar pen en papier. Binnen korte tijd merkte hij dat leerlingen alerter waren, minder afgeleid en actiever deelnamen aan de les. Ook maakten ze meer opdrachten af en werd het voor hem makkelijker om te zien waar leerlingen vastliepen.

    Volgens hem zorgen schermen er vaak voor dat leerlingen sneller afhaken of zich achter technologie verschuilen. Digitale tools kunnen handig zijn, maar leiden in de praktijk regelmatig tot multitasking en verlies van focus.

    image
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Daarnaast maakt werken op papier het denkproces van leerlingen zichtbaarder: aantekeningen, fouten en verbeteringen zijn direct te volgen, wat gerichtere begeleiding mogelijk maakt. Dat zou niet alleen het leerproces verdiepen, maar ook de betrokkenheid vergroten.

    Het artikel plaatst daarmee vraagtekens bij de sterke nadruk op ‘edtech’ in het onderwijs. Technologie kan waardevol zijn, maar alleen als die doelgericht wordt ingezet – en niet als standaardoplossing voor leren in de klas.

  • Apparatencultus maakt huismus van consument

    Apparatencultus maakt huismus van consument

    Met zwemvijvers, trampolines en een huis vol beamers, fitnessapparatuur en keukenmachines hoeft niemand de deur nog uit. Is een eigen pretpark wel zo’n goed idee?

    Als je in de stad woont, kom je op zeker moment op een leeftijd dat je hele vriendenkring plotseling aan sterke erosie onderhevig is. Het ene jonge gezin na het andere verlaat de buurt en vertrekt naar een buitenwijk of meteen maar helemaal naar het platteland. En alle goede voornemens ten spijt zie je ze nog maar zelden. Dus moet je naar hen toe, in hun rijtjeshuizen, bungalows en energiezuinige woningen. En daar valt je naast een heleboel andere dingen meestal op dat er flink wat is bijgekomen, niet alleen qua gewicht maar vooral in de vorm van spullen. Er staan veel meer nieuwe dingen in de tuin, de garage en de keuken dan er ooit in een huis in de stad hadden gepast. Ettelijke aanwinsten krijg je meteen gedemonstreerd, of je wilt of niet. En waar oorspronkelijk de natuur en het eenvoudige leven redenen waren om de stad uit te gaan, lijkt het een beetje alsof het vooral om die nieuwe aanwinsten gaat.

    Het opvallendste symptoom is de wanstaltige trampoline die de afgelopen twintig jaar in de helft van de tuinen is verschenen: zo groot als een helikopterplatform en vaak enkel een opmaat naar nog grotere speeltoestellen. Voor kinderen is het natuurlijk geweldig. Maar ook voor hun ouders, want die hoeven niet meer naar de speeltuin te rijden. Dat je in de privéspeeltuin achter je huis zelden nieuwe vrienden maakt, wordt even makkelijk over het hoofd gezien als de vraag waar je over een paar jaar met al die rommel naartoe moet. 

    Vrij snel na de trampoline komt bij de woningbezitters veelal het verlangen naar een zwemvijver op. Aan een zwembad begin je niet zo lichtzinnig, maar een zwemvijver of op zijn minst zo’n opzetzwembad zou natuurlijk wel leuk zijn. Dat is het ook, geweldig. En nog weer een reden om het terrein niet te verlaten. Dag openluchtzwembad, het huis wordt een kasteel en de ophaalbrug blijft steeds langer omhoog. In een ideale nieuwbouwwijk zou de één een trampoline, de ander een zwembad en weer een ander een tafeltennistafel hebben en iedereen deze attracties met elkaar delen. Je nodigt elkaar uit – in elk geval de kinderen – en groeit samen op. Het zou geld en middelen besparen en ook sociale voordelen opleveren. Maar de realiteit is vaker dat één persoon met zulke dingen begint en iedereen in de buurt ze daarna ook wil hebben. Zo creëert iedereen achter een hoge heg zijn eigen pretpark.

    Nieuwe huiselijkheid

    Binnen valt de nieuwe huiselijkheid nog meer op. Ligt de dichtstbijzijnde bioscoop 15 kilometer verderop en sluit die binnenkort vanwege een chronisch gebrek aan bezoekers? Geen wonder dat in alle huiskamers beamers staan te streamen en een vier meter breed beeld op het behang projecteren. Bioscoopgevoel thuis, zo adverteren de fabrikanten. Alleen is dat niet waar. Want laten we niet vergeten: het bioscoopgevoel was meer dan een groot beeld, een surroundsysteem en popcorn uit je eigen popcornmachine. De charme was juist dat het een klein avontuur was om naar de bioscoop te gaan. Je kleedde je ervoor, je ging uit, je begaf je naar een plek die in de ware zin des woords geschiedenis ademde en je genoot van al die leuke dingen die alleen daar te vinden waren: het geluid, de donkere zaal, de pluchen klapstoeltjes, de ijsjes in de pauze en natuurlijk ook de nieuwste film – met popcorn. Je was buiten, in de stad, het was avond, je zag andere mensen aan wie je je soms een beetje ergerde, maar misschien was je ook wel een paar seconden verliefd, je praatte met mensen en nam de tram, je kwam toevallig iemand tegen, ging op de terugweg een nieuw café binnen, leerde een grappige taxichauffeur kennen – kortom: er viel wat te beleven, je maakte deel uit van de samenleving en als je thuiskwam was je een ander mens. Al die dingen, al dat contact met het echte leven, gaan bij de beamer in de woonkamer verloren. Daar zit je ergens tussen deur en bed naar een blockbuster te kijken, terwijl je je afvraagt of je met een betere beamer niet een nog beter bioscoopgevoel zult hebben. Dat iemand zich met elk nieuw apparaat meer huisarrest oplegt, daar denkt niemand over na.

    Maar de plaats waar de nieuwe huismussencultuur het sterkst oprukt is de keuken. Elke hype in de keukenapparatuur van de afgelopen jaren was niet alleen bedoeld om je leven makkelijker te maken, maar beloofde tussen de regels door ook dat je weer wat minder op de buitenwereld was aangewezen. De vakterm in de branche voor mensen die thuis zelf dingen maken die vroeger elders werden geproduceerd is prosumer, of prosument. Zo iemand is iets tussen producent en consument in. Het begrip kwam op in de jaren tachtig, toen de eerste idealisten zelf stroom van het dak begonnen te tappen, waarmee het idee ontstond van een nieuwe onafhankelijke huishouding door middel van technologie. De term past prima bij de huidige apparatencultuur, die de klant het idee geeft dat hij alles wat tot nu toe te koop werd aangeboden door mensen met een jarenlange ambachtelijke opleiding ook best zelf kan maken. De juiste hardware thuis vervangt vakkennis, is het idee. Gewoon de ingrediënten erin doen en de machine doet de rest. En inderdaad fabriceren de broodbakmachines, pizzaovens en ijsmachines in onze keukens tegenwoordig producten waarvoor de generaties voor ons nog de deur uit moesten. In plaats van een opleiding te volgen, bekijkt de neoprosument na een dagje thuiswerken even snel een paar instructievideo’s op YouTube en bespaart zich zo weer een rit naar de winkel. 

    Brood- en bakfluencers

    Zo heeft Instagram talloze kanalen van enthousiaste brood- en bakfluencers die het maken van een perfecte baguette of croissant er kinderlijk eenvoudig laten uitzien – mits je thuis een state-of-the-art kneedmachine hebt. De bakker? Niet meer nodig. Huiselijkheid klinkt ouderwets, maar is precies wat deze moderne producten van ons verlangen. De dure Thermomix, de alom populaire miniheteluchtovens en de airfryers suggereren dat je thuis voor je kunt laten koken als in een restaurant of fastfoodzaak. Dat restaurants sinds de pandemie een aanzienlijke omzetdaling laten zien, heeft absoluut meer dan één reden. Maar mogelijk heeft het er ook mee te maken dat veel mensen zich tijdens de lockdowns paragastronomisch hebben uitgerust en zichzelf voorzien van pizza en steak uit hun supergrill.

    Natuurlijk is dit nieuwe, excellente doe-het-zelven in de keuken leuk, en op lange termijn ook goedkoper. Maar dat geldt alleen als je niet meerekent wat je allemaal misloopt wanneer je bijna alles thuis doet. Ondanks alle vreugde en het genot dat deze apparaten opleveren, verkleinen ze onze horizon, laten ze ons vermogen tot interactie wegkwijnen en vervreemden ze ons steeds meer van het aanbod buitenshuis. Pizza zoals in Napels, friet zoals bij de friettent en een sous-videfilet zoals in een sterrenrestaurant geven onze kinderen misschien culinaire kennis mee, maar geen wereldwijsheid. Als elke nieuwsgierigheid wordt beantwoord met ‘Dat kunnen we ook thuis!’, kweek je moeilijk begrip voor maatschappelijke diversiteit en participatie. En dat geldt allang niet alleen daar waar de dichtstbijzijnde stad ver weg is en je noodgedwongen veel zelf doet. Al die apparatuur vindt net zo goed zijn weg naar krappe stadskeukens en verspreidt – van smoothiemaker tot verbonden hometrainer – diezelfde boodschap: blijf binnen.

    De bakker? Niet meer nodig

    Het Trojaanse paard in deze ontwikkeling is wellicht de espressomachine geweest. De Italiaanse koffiecultuur heeft een even eenvoudige als voor de hand liggende filosofie: thuis zet je snel even een kopje koffie op het fornuis met een gedeukte percolator, en voor de goede, professionele espresso met crèmelaagje of melkschuim ga je vervolgens een of meerdere keren per dag naar een koffietent. Daar staat een grote machine die vakkundig wordt bediend, maar daar staan ook andere mensen met wie je een praatje kunt maken, daar zijn kranten, daar vind je inspiratie, daar speelt het leven zich af. Geen Italiaan zou uit zichzelf op het idee komen om het ‘Un caffè, per favore’ in te ruilen voor het slokje koffie thuis en zichzelf dit ritueel te ontnemen. Het zijn gewoon verschillende dingen! Toch is dat precies wat er bij ons is gebeurd. In onze woonkeukens staan overal verchroomde espressoapparaten te glimmen, die behoorlijk wat kennis, training en onderhoud vragen.

    Eropuit gaan

    Maar is je espresso nu echt zo goed als bij de Italiaan?

    Misschien, maar ook bij de Italiaan smaakt hij nog altijd uitstekend, kost hij maar twee euro en voorziet hij de mensen niet enkel van cafeïne. Met al die semiprofessionele barista’s, zuurdesemfanaten en smoothie-experts is het geen wonder dat steden op een gegeven moment geen echte concentratie van winkels, horeca en dienstverleners meer hebben en dat ooit levendige wijken in slaapgebieden veranderen. ‘Stad’ betekende altijd ook: eropuit gaan en andere mensen ontmoeten. De afgelopen jaren horen we veel over de vereenzaming in onze westerse samenleving. Sommige oorzaken daarvan hebben we misschien zelf in huis gehaald. 

  • De drie technologieën die de wereldorde op zijn kop zetten

    De drie technologieën die de wereldorde op zijn kop zetten

    De Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter schreef dat je grote economische transities kunt herkennen aan de opkomst van nieuwe soorten goederen, nieuwe productiemethodes en nieuwe vormen van industriële organisatie. Het massale gebruik van goedkope drones, smartphones en zonne-energie voldoet aan al deze criteria.

    1. Drones

    Nieuwsmedia richten zich doorgaans op de grote wereldmachten, die vanwege hun relatief grotere economieën, legers en energievoorraden over meer middelen beschikken. Maar zo’n machtspositie brengt kosten met zich mee. Het vliegdekschip USS Gerald R. Ford kost de Amerikanen bijvoorbeeld alleen al 13 miljard dollar, terwijl de prijs van een F-35-straaljager zo’n 100 miljoen dollar bedraagt. Dus als jij je militaire materieel voor minder geld weet te ontwikkelen dan de tegenpartij, kan dat een strategisch voordeel opleveren.

    Maar die voordelen beginnen te verdwijnen nu belangrijke technologieën voor een verschuiving zorgen in de ongelijke verhoudingen op militair en economisch gebied. Met name goedkope drones, telefoons en zonne-energie zetten de wereldorde op zijn kop. Het duidelijkste voorbeeld hiervan zien we op militair gebied, met drones die ‘zwakkere’ landen in staat stellen aanzienlijke schade toe te brengen aan machtigere tegenstanders. Zo werd Rusland op 1 juni van dit jaar volledig overrompeld door ‘Operatie Spinnenweb’, waarbij vrachtwagens die in het geheim Oekraïense drones vervoerden hun lading afleverden in de buurt van Russische luchtmachtbases, en uiteindelijk een groot aantal Russische gevechtsvliegtuigen werd vernietigd.

    Oekraïne heeft een revolutie teweeggebracht in de oorlogsvoering met behulp van drones; momenteel produceert het land maandelijks meer dan tweehonderdduizend first-person view drones (FPV’s). De productie daarvan vereist geen enorme oorlogsfabrieken of exorbitante kapitaaluitgaven; iedereen kan de commerciële variant van zo’n FPV voor nog geen 300 dollar aanschaffen. Bovendien staan deze lage kosten in schril contrast met de kracht van de technologie. FPV’s glippen makkelijk door de vijandige verdedigingslinies heen en kunnen urenlang vijandige doelen observeren. Ze kunnen precisieaanvallen uitvoeren en voor meerdere toepassingen worden ingezet. Hoeveel van die drones zou je nodig hebben om een vliegdekschip als de USS Gerald R. Ford uit te schakelen, tegen een fractie van de productiekosten van zo’n schip?

    2. Smartphones

    Op een soortgelijke manier zet de mobiele telefoon de financiële wereld op zijn kop, vooral doordat die het bereik van informatie, producten en markten zodanig vergroot dat gevestigde spelers niet langer nodig zijn. Dit leidt eveneens tot versnelde ontwikkelingen in onderwijs en werkgelegenheid en tot economische groei in het hele mondiale Zuiden. 

    In een land als Kenia vergden communicatiemiddelen, de toegang tot informatie en financiële diensten traditiegetrouw aanzienlijke investeringen in technologische infrastructuur en kapitaalgoederen. Maar nu ruim 80 procent van de bevolking er in het bezit is van een smartphone, verandert dat snel. Mobiele financiële transacties zijn inmiddels de norm: die maken er in landelijk gebied voor 77 procent en in stedelijk gebied voor 89,7 procent de dienst uit. De economische voordelen zijn duidelijk. De Keniaanse regering schat dat de digitale economie dit jaar goed is voor bijna 10 procent van het bbp. En terwijl de prijzen van telefoons en internet blijven dalen, komen de gevestigde spelers in de media, het bankwezen en andere sectoren steeds verder in de problemen.

    3. Zonnepanelen

    Op het gebied van energie zijn de Verenigde Staten wereldwijd de een-na-grootste producent, en onder president Donald Trump gaat het met name om fossiele brandstoffen. De ‘handelsdeals’ van de Amerikaanse regering bevatten vaak extra clausules die bondgenoten en handelspartners ertoe moeten bewegen langdurig vast te houden aan fossiele brandstoffen, door in te stemmen met Amerikaanse export van olie, vloeibaar aardgas (lng) en andere aardolieproducten. Maar door de opkomst van zonne-energie wordt ook deze sector op zijn kop gezet. Terwijl Europeanen en Amerikanen zich zorgen maken om de dominante positie van China op het gebied van groene technologie, vergeten ze naar de energieconsument te kijken. Nu de Chinese zonne-energie-industrie heeft gezorgd voor een daling van de prijzen, zijn veel opkomende landen en markten gebruik gaan maken van deze steeds betaalbaardere energiebron.

    In Algerije steeg de import van zonnepanelen uit China dit jaar bijvoorbeeld met een factor 85 ten opzichte van vorig jaar. Ook Pakistan profiteert van de goedkope panelen, die nu 20 procent van de totale elektriciteit van het land genereren. In het gehele mondiale Zuiden zorgt zonne-energie voor energiezekerheid en bevrijdt ze landen van de financiële problemen die de import van energie met zich meebracht. Vooral in landelijke gebieden, die voorheen veelal zonder stroom zaten, zorgen zonnepanelen voor daadwerkelijke energieonafhankelijkheid, waardoor het leven van miljoenen mensen verbetert.

    Maar ook in het Westen raken gevestigde spelers hun monopoliepositie kwijt als gevolg van goedkope technologieën. Zelfs voor landen die fossiele brandstoffen exporteren begint zonne-energie onontkoombaar te worden. Ze beschermt het binnenlands verbruik tegen prijsschokken op de wereldmarkt en zorgt ervoor dat fossiele brandstoffen hoofdzakelijk kunnen worden gebruikt als exportproduct, wat veel winstgevender is.

    Vooral in landelijke gebieden zorgen zonnepanelen voor daadwerkelijke energieonafhankelijkheid

    Waar deze drie technologieën elk op zichzelf al opmerkelijk en interessant zijn, kan het gebruik ervan samen duiden op een grotere wereldwijde economische transitie; de Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter schreef dat je zo’n overgang kunt herkennen aan de opkomst van nieuwe soorten goederen, nieuwe productiemethodes en nieuwe vormen van industriële organisatie. Drones, telefoons en zonne-energie voldoen aan die criteria.

    Wat we momenteel zien voltrekken, is niet zomaar een technologische of organisatorische verandering binnen één land, maar een geopolitieke transformatie waarbij de aloude voordelen die grote, machtige landen van oudsher bezaten worden bedreigd door goedkope, voor iedereen toegankelijke innovaties. We moeten nog zien of AI, mocht die ooit haar vruchten afwerpen, deze trend zal keren of versterken, maar wij vermoeden dat ze hem enkel zal versnellen.

  • Moet de EU haar digitale regelgeving versoepelen om concurrerend te blijven?

    Moet de EU haar digitale regelgeving versoepelen om concurrerend te blijven?

    Europa staat onder druk: om te kunnen concurreren met de VS en China wil de EU de AI- en privacywet versoepelen, maar critici vrezen voor de mogelijke gevolgen. Moet Europa zijn regels aanpassen of juist handhaven?

    Nee: ‘Het niet stoppen van schadelijke activiteiten die de democratie ondermijnen, zal het continent alleen maar beschadigen’

    De term ‘Brussel-effect’ werd in 2012 geïntroduceerd door Anu Bradford, expert internationaal handelsrecht aan Columbia University. Het begrip verwees naar de greep van de wetgeving van de Europese Unie op de wereldpolitiek. Door versnelde globalisering groeide Brussel uit tot de belangrijkste speler op het gebied van regelgeving en juridische procedures. ‘De omvang van haar markt en invloed overtuigde multinationals er destijds van dat ze er verstandig aan deden om de strenge EU-regels te handhaven. Die tijd lijkt nu voorbij’, concludeert Stéphane Lauer, columnist voor Le Monde

    Donald Trump richtte zich vanaf het begin van zijn tweede ambtstermijn op de regelgevende macht van de EU en beschuldigde de 27 lidstaten ervan Amerikaanse techbedrijven opzettelijk dwars te liggen. Hij heeft onophoudelijk opgeroepen tot de ontmanteling van de Digital Services Act (DSA) en de Digital Markets Act (DMA). ‘Deze wetten moeten voorkomen dat internetgiganten onze privacy schenden, de concurrentie verstoren en de informatieruimte naar hun hand zetten,’ legt Lauer uit. ‘Grote Amerikaanse techbedrijven zien Europese regels als obstakels voor hun bedrijfsmodel en hebben in Donald Trump hun sterkste pleitbezorger gevonden.’

    De Amerikaanse regering wil dat de EU de strenge techregels afschaft in ruil voor verlaging van de tarieven op Europese export. Tijdens een overleg op 24 november in Brussel verzocht de Amerikaanse minister van Handel, Howard Lutnick, nog om de ontmanteling van Europese digitale wetgeving in ruil voor een ‘mooie deal over staal en aluminium’. 

    ‘De “omnibuswet” lijkt een reactie te zijn op de druk van de Amerikaanse regering’

    Naast het Amerikaanse offensief is er een tweede ontwikkeling. De Europese Commissie blijkt namelijk bereid om op eigen initiatief de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de wet inzake kunstmatige intelligentie (AI) te versoepelen, om zo haar concurrentievermogen te verbeteren. Voorstellen hiertoe werden door de Europese Commissie op 19 november gedaan in het kader van de zogeheten ‘omnibuswet’. Met de nieuwe wet krijgen bedrijven meer ruimte om data te gebruiken voor de ontwikkeling van AI. Lauer is sceptisch. ‘Hoewel minder bureaucratie wenselijk is, lijkt de “omnibuswet” eerder een reactie te zijn op de druk van de Amerikaanse regering’, schrijft hij.

    De EU moet zich volgens de Franse columnist niet laten wijsmaken dat het een binaire keuze is: óf innovatie óf regulering. ‘Door deze tweedeling te accepteren, riskeert ze op beide fronten te verliezen. Het niet stoppen van schadelijke activiteiten die de democratie ondermijnen, zal het continent alleen maar beschadigen.’

    De inzet is hoog. Als Europa buigt voor Amerikaanse druk zou er definitief geen sprake meer zijn van het ‘Brussel-effect’. Lauers boodschap is helder: ‘Een digitale inhaalslag betekent niet dat de EU lukraak moet dereguleren of zich moet laten inzetten als pion van de internetgiganten.’

    Stéphane Lauer is een economisch journalist met dertig jaar ervaring bij het Franse dagblad Le Monde.


    Ja: ‘Europa riskeert permanent achter te lopen op de VS en China’

    ‘De EU-regelgeving heeft belangrijke bijdragen geleverd aan het waarborgen van gegevensprivacy en concurrentie in de technologiesector’, schrijft Financial Times in een redactioneel. ‘Maar met de AI-wet van 2024 is er een grens overschreden. De regels hebben geleid tot felle lobbyactiviteiten van grote technologiebedrijven en de Amerikaanse overheid. Bovendien brengen ze het concurrentievermogen van EU-bedrijven en start-ups in gevaar.  Europa riskeert hierdoor permanent achter te lopen op de VS en China in de race om de transformatieve technologie te ontwikkelen en te benutten.’

    Volgens de krant overschatte de EU aanvankelijk de risico’s van AI. ‘Er moet een goed evenwicht worden gevonden tussen beperkende regels en de vrijheid om innovatieve technologieën na te streven.’ Te veel regels beschermen gevestigde bedrijven tegen concurrentie, terwijl nieuwe spelers erdoor worden gehinderd. ‘Hoewel Big Tech regelmatig klaagt over de hoge kosten van naleving van de regelgeving, zijn de kosten voor grote bedrijven relatief beperkt. Voor kleine bedrijven kunnen de bedragen echter onbetaalbaar zijn.’

    ‘De belangrijkste motivatie is dat Europa een betere kans krijgt om te concurreren op het gebied van AI’

    De Europese Commissie stelt voor om de volgende fase van de AI-regels, voor systemen met ‘hoog risico’ in bijvoorbeeld de gezondheidszorg en kritieke infrastructuur, een jaar uit te stellen. Ook bestaande GPAI-systemen (General-Purpose AI) krijgen een jaar extra om zich aan te passen.

    De EU zou er volgens Financial Times verstandig aan doen om deze gelegenheid aan te grijpen voor een bredere herziening van haar AI-regels, teneinde deze flexibeler te maken. ‘Dat is geen geval van toegeven aan Donald Trump of Big Tech, al hopen sommige EU-functionarissen dat de nieuwe wet de Amerikaanse regering tevreden stelt en daardoor de druk op andere digitale wetten zal verlichten. De belangrijkste motivatie is dat Europa een betere kans krijgt om te concurreren op het gebied van AI.’

    Europa loopt flink achter op het gebied van vernieuwende start-ups. ‘De toegang tot kapitaal is te beperkt en de energiekosten zijn te hoog om de grootschalige infrastructuur van de VS na te bouwen.’ Volgens de krant levert het versoepelen van de regels dus alleen iets op als dit samengaat met bredere hervormingen.

    De redactieraad van Financial Times vertegenwoordigt het standpunt van Europa’s meest toonaangevende financiële en economische dagblad.

  • AI beloofde een productiviteitsboost – maar levert vooral meer bureaucratie op

    AI beloofde een productiviteitsboost – maar levert vooral meer bureaucratie op

    De wereld had gehoopt dat de AI-revolutie de productiviteit een enorme boost zou geven en de administratieve kosten zou verlagen. Het tegendeel is waarschijnlijk het geval, schrijft hoogleraar economie Mathias Binswanger.

    Jarenlang hebben we de boodschap gehoord dat AI in de toekomst voor enorme productiviteitswinsten zal zorgen. Economen die in de technologie geloven, zoals Erik Brynjolfsson, directeur van het Stanford Digital Economy Lab, verwachten bijvoorbeeld een permanente productiviteitsstijging van meer dan 30 procent in de VS in de komende twintig jaar.

    Ondanks de digitalisering en het toegenomen gebruik van AI hebben we sinds het begin van het nieuwe millennium slechts een lichte groei van de arbeidsproductiviteit gezien. De groei van de arbeidsproductiviteit in de OESO-landen daalde van gemiddeld 2 procent per jaar van 1970 tot 2000 naar 1 procent per jaar in de periode sindsdien.

    Creatievere beroepsbevolking

    Hoe kan het gebruik van AI leiden tot een verhoging van de productiviteit? In feite kunnen aanzienlijke stijgingen in arbeidsproductiviteit worden waargenomen in individuele processen en activiteiten. Een studie uit 2023 toonde bijvoorbeeld aan dat callcenteroperators 14 procent productiever werden dankzij het gebruik van AI.

    Dergelijke productiviteitsstijgingen worden niet alleen verklaard door de directe toename van het gebruik van AI. Aangenomen wordt dat het gebruik van AI werknemers ook creatiever en innovatiever maakt, wat vervolgens leidt tot verdere productiviteitsstijgingen. Dit geldt met name voor generatieve AI-toepassingen zoals chat-GPT, die nieuwe inhoud genereren zoals afbeeldingen, teksten, video’s of kunstmatige data.

    En dit is nog maar het begin. In de toekomst zal de ontwikkeling van steeds completere kunstmatige intelligentie – ‘kunstmatige algemene intelligentie’, die complexe taken oplost met gegeneraliseerde menselijke cognitieve vaardigheden – naar verwachting leiden tot nog grotere en duurzamere productiviteitsstijgingen.

    Op macro-economisch niveau zullen grote productiviteitsstijgingen een utopie blijven

    Bijna niemand zal serieus betwisten dat het gebruik van AI de productiviteit in individuele processen aanzienlijk kan verhogen. Als we echter naar de economie als geheel kijken in plaats van naar individuele processen, ontstaat een ander beeld. Op macro-economisch niveau zullen grote productiviteitsstijgingen een utopie blijven. Dat komt omdat AI niet alleen een productiviteitsbooster is, maar ook een bureaucratiebooster. Dit aspect van de AI-revolutie wordt tot nu toe echter nauwelijks onderkend. Er bestaat zelfs de illusie dat AI de bureaucratie zal verminderen omdat het in de toekomst veel administratieve taken zonder menselijke tussenkomst zal kunnen uitvoeren. Waarom voorspel ik dan een toename van de bureaucratie?

    Om dit te begrijpen, moeten we eerst verduidelijken wat we bedoelen met bureaucratie. Meer dan honderd jaar geleden definieerde Max Weber bureaucratie als de ‘overheersende aanwezigheid van administratieve handelingen in staats- of particuliere organisaties’. In de wereld van vandaag verwijst dit naar activiteiten zoals administratie, analyse, organisatie, monitoring, documentatie, controle, sturing, regulering, registratie, optimalisatie, evaluatie, certificering of naleving.

    Deze lijst is zeker niet volledig, maar geeft een idee van wat bureaucratie inhoudt. De output van dergelijke activiteiten bestaat dan uit rapporten, concepten, strategieën, missieverklaringen, evaluaties, prospectussen, contracten, algemene voorwaarden, gebruiksaanwijzingen, procesbeschrijvingen, gegevensverzameling, protocollen en prestatiemandaten, maar ook meningen van experts, audits, certificaten, labels of plannen. Ook deze lijst kan oneindig worden uitgebreid.

    Nieuwe controlerende bureaucratie

    We zien al tientallen jaren een toename van dergelijke activiteiten, wat heeft geleid tot de opkomst van een nieuwe controlerende bureaucratie. Dit is te wijten aan het feit dat de economie steeds complexer wordt, wat tot nieuwe uitdagingen leidt. Het antwoord op deze uitdagingen is een verdere uitbreiding van de bureaucratie, die ook bedoeld is om de economie steeds veiliger, gezonder, duurzamer, socialer of eerlijker te maken.

    Bedrijven worden geconfronteerd met een groeiend aantal externe eisen, voorschriften en bepalingen en reageren daarop met een toename van intern gedefinieerde administratieve eisen, voorschriften en bepalingen. Er is meer bureaucratische specialisatie met nieuwe activiteiten die allemaal weer op elkaar afgestemd moeten worden. Daarnaast worden de inspanningen om alle processen en procedures te optimaliseren voortdurend geïntensiveerd, wat ook een steeds uitgebreidere controle vereist.

    Neem bijvoorbeeld complianceafdelingen, die de afgelopen decennia bij veel bedrijven en vooral banken als paddenstoelen uit de grond zijn geschoten. Steeds uitgebreidere wetten en regels hebben bedrijven gedwongen om ervoor te zorgen dat deze wetten en regels worden nageleefd. Daarom werken er tegenwoordig in alle grotere bedrijven steeds minder mensen in de productie, maar des te meer compliance officers, nalevingsfunctionarissen of compliance managers die een oogje in het zeil houden om ervoor te zorgen dat alles correct en volgens de wet verloopt.

    Het gevolg is dat de complianceafdeling het werk van andere afdelingen bemoeilijkt en nieuwe inefficiënte situaties creëert. Zoals we lezen in Compliance Study van Forrester Consulting voor 2023: ‘De complexiteit van complianceregelgeving is een groot probleem voor financiële instellingen.’ Er zijn dus meer banen nodig, zoals complianceconsultants of compliancecoördinatoren, die de negatieve gevolgen van de toenemende compliancebureaucratie moeten verzachten, maar die zelf bijdragen aan de groei van de bureaucratie.

    Steeds meer gegevens beschikbaar

    Dus hoe komt AI in het spel? Het veroorzaakt een digitale intensivering van de controlerende bureaucratie. De gedigitaliseerde controlerende bureaucratie wordt niet langer gekenmerkt door ‘papieren in beweging’, maar door een voortdurend groeiende gegevensstroom tussen een toenemend aantal sensoren, apparaten, processen en toepassingen. Deze gegevensstromen worden grotendeels gebruikt om mensen, objecten en processen te monitoren, controleren of optimaliseren. Algoritmes worden gevoed met gegevens om de juiste beslissingen te nemen of maatregelen te treffen.

    De constante poging om bureaucratische activiteiten te optimaliseren met behulp van digitale toepassingen en AI bevordert daarom zelf een toename van bureaucratie. Dit is ook te wijten aan het feit dat de beschikbaarheid van gegevens sneller toeneemt dan de rekenkracht van de algoritmen. Ondanks de toenemende rekenkracht kunnen we dus een steeds kleiner deel van alle gegevens in de wereld op een zinvolle manier verwerken.

    Het probleem is niet een gebrek aan gegevens, maar het omgaan met te veel gegevens die met hoge snelheid bewegen

    Het probleem is niet een gebrek aan gegevens, maar het omgaan met te veel gegevens die met hoge snelheid bewegen. Dit vergroot de behoefte aan nog meer gegevensverwerking en optimalisatie. Zelfs het nieuwste niveau van digitalisering is nooit genoeg om processen te controleren en te bewaken in de mate die we zouden willen.

    Het is gewoon niet zo, zoals Jack Ma, de oprichter van Alibaba, zich in 2017 voorstelde, dat we in het digitale tijdperk beschikken over een röntgenapparaat of een computertomograaf voor de wereldeconomie die de technologische voorwaarde vormt voor feedbackgebaseerde, realtime catering. Je komt nooit echt tot de bodem van de processen die je in detail zou willen analyseren, omdat ze oplossen in steeds meer details die de behoefte aan verdere controle creëren.

    Uiteindelijk zijn er dus twee aspecten die de intensivering van bureaucratie door AI veroorzaken: ten eerste heeft de intensivering van gegevensverzameling en de evaluatie van gegevens door op AI gebaseerde algoritmen geleid tot steeds gedetailleerdere monitoring, controle en de daaruit voortvloeiende ‘optimalisatie’ van processen en activiteiten, waarbij de hoeveelheid gegevens sneller toeneemt dan de zinvolle evalueerbaarheid ervan.

    Nieuwe complexe situaties

    Ten tweede zorgt de steeds groter wordende stroom gegevens en het gebruik ervan met behulp van AI voor nieuwe complexe situaties en nieuwe uitdagingen die verdere bureaucratische maatregelen zoals richtlijnen, voorschriften, wetten, contracten, meningen van deskundigen en deskundigenrapporten noodzakelijk maken. Een van die uitdagingen is gegevensbescherming. De regelgevingspakketten die hiervoor in het leven zijn geroepen, zoals de Algemene Verordening Gegevensbescherming, zorgen echter voor bureaucratie in plaats van effectieve gegevensbescherming. En nieuwe regelgeving zoals de onlangs ingevoerde AI-wet in de EU, die moet zorgen voor eerlijk en niet-discriminerend gedrag van algoritmen, zal ons binnenkort met een verdere, blijvende toename van bureaucratie opzadelen.

    Deze toename in bureaucratie betekent dat het gebruik van AI op macro-economisch niveau waarschijnlijk niet zal leiden tot grote vooruitgang in productiviteit. AI-promotors zullen er alles aan doen om het geloof in productiviteitsstijgingen in stand te houden. Maar op de lange termijn zal dit niet mogelijk zijn en verdere prijscorrecties op de aandelenmarkt zullen het gevolg zijn.

    We moeten echter ook de positieve kant zien van deze door AI aangedreven groei van de bureaucratie. Het zorgt ervoor dat we volledige werkgelegenheid blijven houden en dat de banen die door AI zijn overgenomen, worden vervangen door nieuwe banen in de bureaucratie.

    Mathias Binswanger is hoogleraar economie aan de Universiteit voor Toegepaste Wetenschappen Noordwest-Zwitserland en auteur van Die Verselbstständigung des Kapitalismus: Wie KI Menschen und Wirtschaft steuert und für mehr Bürokratie sorgt (2024).

  • Hoe de apparatencultuur huismussen van ons maakt 

    Hoe de apparatencultuur huismussen van ons maakt 

    IJsmachine, beamer, trampoline: allemaal aantrekkelijke producten, die echter één groot nadeel hebben: niemand gaat nog de deur uit.

    Als je in de stad woont, kom je op zeker moment op een leeftijd dat je hele vriendenkring plotseling aan sterke erosiekrachten onderhevig is. Het ene jonge gezin na het andere verlaat het gezamenlijke postcodegebied en vertrekt naar een buitenwijk of meteen maar helemaal naar het platteland. En alle goede voornemens ten spijt zie je ze nog maar zelden terug. Dus moet je naar hen toe, in hun rijtjeshuizen, bungalows en energiezuinige woningen. En daar valt je naast een heleboel andere dingen meestal op dat er flink wat is bijgekomen, niet alleen qua gewicht maar vooral in de vorm van spullen. Er staan veel meer nieuwe dingen in de tuin, garage en keuken dan er ooit in een huis in de stad hadden gepast. Ettelijke aanwinsten krijg je meteen gedemonstreerd, of je wilt of niet. En waar oorspronkelijk de natuur en het eenvoudige leven redenen waren om de stad uit te gaan, lijkt het een beetje alsof het vooral om die nieuwe aanwinsten gaat.

    Het opvallendste symptoom is de wanstaltige trampoline die de afgelopen twintig jaar in de helft van de tuinen is verschenen: zo groot als een helikopterplatform en vaak alleen een opmaat naar nog grotere speelplaatsattributen. Voor kinderen is het natuurlijk geweldig. Maar ook voor hun ouders, want die hoeven niet meer naar de speeltuin te rijden. Dat je in de speeltuin achter je huis zelden nieuwe vrienden maakt, wordt even makkelijk over het hoofd gezien als de vraag waar je over een paar jaar met al die volumineuze rommel naartoe moet. 

    Een kasteel

    Vrij snel na de trampoline komt bij de onroerendgoedbezitters of huurders veelal het verlangen naar een zwemvijver op. Aan een zwembad begin je niet zo lichtzinnig, maar een zwemvijver of op zijn minst zo’n opzetzwembad zou natuurlijk wel leuk zijn. Is het ook, geweldig. En nog weer een reden om het terrein niet te verlaten. Dag openluchtzwembad, het huis wordt een kasteel en de ophaalbrug blijft steeds langer omhoog. In een ideale nieuwbouwwijk zou de één een trampoline, de ander een zwembad en weer een ander een tafeltennistafel hebben en iedereen deze attracties met elkaar delen. Je nodigt elkaar uit – in  elk geval de kinderen – en groeit samen op. Het zou hulpbronnen en geld besparen en ook maatschappelijk dividend opleveren. Maar de realiteit is vaker dat een iemand met zulke dingen begint en iedereen in de buurt ze daarna ook wil hebben. Zo creëert iedereen achter een hoge heg zijn eigen pretpark.

    Binnen valt de nieuwe huiselijkheid nog meer op. Ligt de dichtstbijzijnde bioscoop 15 kilometer verderop en sluit die eerdaags vanwege een chronisch gebrek aan bezoekers? Geen wonder dat in alle huiskamers beamers staan te streamen en een vier meter breed beeld op het behang projecteren. Bioscoopgevoel thuis, adverteren de fabrikanten. Alleen is dat niet waar. Want laten we niet vergeten: bioscoopgevoel was meer dan een groot beeld, inclusief surround sound en popcorn uit je eigen popcornmachine. De charme was juist dat het een klein avontuur was om naar de bioscoop te gaan. Je kleedde je ervoor, je ging uit, begaf je naar een plek die in de ware zin des woords geschiedenis ademde en je genoot van al die leuke kleine dingen die alleen daar te vinden waren: het geluid, de donkere zaal, de pluche klapstoeltjes, de ijsjes in de pauze en natuurlijk ook de nieuwste film – met popcorn. Je was buiten, in de stad, het was avond, je zag andere mensen aan wie je je soms een beetje ergerde, maar misschien was je ook wel een paar seconden verliefd, je praatte met mensen en nam de tram, je kwam toevallig iemand tegen, ging op de terugweg een nieuw café binnen, leerde een grappige taxichauffeur kennen, kortom: er viel wat te beleven, je maakte deel uit van de samenleving, en als je thuiskwam, was je een ander mens. Al die dingen, al dat contact met het echte leven, gaan verloren bij de beamer thuis. Daar zit je opgevouwen tussen de deur en je bed naar een blockbuster te kijken terwijl je je afvraagt of je met een betere beamer niet een nog beter bioscoopgevoel zou hebben. Dat iemand zich met elk nieuw apparaat meer huisarrest oplegt, daar denkt niemand over na.

    In plaats van een opleiding te volgen, bekijkt de neoprosument even snel een paar instructievideo’s op YouTube

    Maar de plaats waar de nieuwe huismussencultuur het sterkst oprukt is de keuken. Iedere hype in de keukenapparatuur van de afgelopen jaren was niet alleen bedoeld om je leven makkelijker te maken, maar beloofde tussen de regels door ook dat je weer wat minder op de buitenwereld was aangewezen. De vakterm in de branche voor mensen die thuis zelf dingen maken die vroeger elders werden geproduceerd is: prosument. Een prosumer is iets tussen producent en consument in. Het begrip kwam op in de jaren tachtig, toen de eerste idealisten zelf stroom van het dak begonnen te halen, waarmee het idee ontstond van een nieuwe onafhankelijke huishouding via technologie. De term past prima bij de huidige apparatencultuur, waarbij de klant wordt gesuggereerd dat hij zelf kan maken wat tot nu toe door anderen met een jarenlange opleiding als ambachtsman wordt aangeboden. De juiste hardware thuis vervangt vakkennis, is het idee. Gewoon vullen met ingrediënten en de machine doet de rest. En inderdaad fabriceren de broodbakmachines, pizzaovens en ijsmachines in onze keukens tegenwoordig producten waarvoor alle generaties vóór ons nog de deur uit moesten. In plaats van een opleiding te volgen, bekijkt de neoprosument na een dagje home office even snel een paar instructievideo’s op YouTube en bespaart zich zo weer een rit naar de winkel. 

    Instagram heeft bijvoorbeeld talloze kanalen van enthousiaste brood- en bakfluencers waar het maken van een perfecte baguette of croissant er kinderlijk eenvoudig uitziet – mits je thuis een state-of-the-art kneedmachine hebt. Bakker? Niet meer nodig. Huiselijkheid klinkt ouderwets, maar is precies wat de moderne-productwereld van ons verlangt. De dure Thermomix en de alom populaire miniheteluchtovens, airfryers, suggereren dat je thuis voor je kunt laten koken als in een restaurant of fastfoodshop. Dat restaurants sinds de pandemie een aanzienlijke omzetdaling laten zien, heeft absoluut meer dan één reden. Maar mogelijk heeft het er ook mee te maken dat veel mensen zich tijdens de lockdowns paragastronomisch hebben uitgerust en zichzelf voorzien van pizza en steak uit hun supergrill.

    Natuurlijk is het nieuwe, perfecte doe-het-zelven in de keuken leuk en op lange termijn ook goedkoper. Maar dat geldt alleen als je niet meerekent wat je allemaal misloopt wanneer je bijna alles thuis doet. Ondanks alle vreugde en het genot dat deze apparaten opleveren, verkleinen ze onze horizon, laten ze ons vermogen tot interactie verschrompelen en vervreemden ze ons steeds meer van het aanbod buitenshuis. Pizza zoals in Napels, friet zoals bij de friettent en een sous-videfilet zoals in een sterrenrestaurant geven onze kinderen misschien culinaire kennis mee, maar geen wereldwijsheid. Als elke nieuwsgierigheid wordt beantwoord met ‘Dat kunnen we ook thuis!’, groeit er moeilijk begrip voor maatschappelijke diversiteit en participatie. En dat geldt allang niet alleen daar waar de dichtstbijzijnde stad ver weg is en je noodgedwongen veel zelf doet. Al die apparatuur vindt net zo goed zijn weg naar krappe stadskeukens en verspreidt — van smoothiemaker tot verbonden hometrainer – diezelfde boodschap: blijf binnen.

    ‘Un caffè, per favore!’

    Het Trojaanse paard in deze ontwikkeling is wellicht de espressomachine geweest. De Italiaanse koffiecultuur heeft een even eenvoudige als voor de hand liggende filosofie: thuis zet je snel even een kopje koffie op het fornuis met een gedeukte caffettiera, en voor de goede, professionele espresso met crema of melkschuim ga je vervolgens één of een paar keer per dag naar een bar. Daar staat een grote machine die vakkundig wordt bediend, maar staan ook andere mensen met wie je een praatje kunt maken, daar zijn kranten, daar vind je inspiratie, daar speelt het leven zich af. Geen Italiaan zou uit zichzelf op het idee komen om het ‘Un caffè, per favore!’ in te ruilen voor het slokje koffie thuis en zichzelf dit ritueel te ontnemen. Het zijn gewoon verschillende dingen! Toch is dat precies wat er bij ons is gebeurd. In onze woonkeukens staan overal verchroomde espressobolides te glimmen, die behoorlijk wat kennis, training en onderhoud vragen. Maar is je espresso nu echt zo goed als bij de Italiaan?

    Misschien, maar bij de Italiaan smaakt hij nog altijd uitstekend, kost hij twee euro en voorziet hij de mensen niet enkel van cafeïne. Met al die semiprofessionele barista’s, zuurdesemfanaten en smoothie-experts is het geen wonder dat steden op een gegeven moment geen echte concentratie van winkels, horeca en dienstverleners meer hebben en dat ooit levendige wijken in slaapgebieden veranderen. ‘Stad’ betekende altijd ook: eropuit gaan en andere mensen ontmoeten. De afgelopen jaren horen we veel over de vereenzaming in onze westerse samenleving. Sommige oorzaken daarvan hebben we misschien zelf in huis gehaald. 

  • ‘Als ouder moet ik het leven van mijn kinderen moeilijker maken’

    ‘Als ouder moet ik het leven van mijn kinderen moeilijker maken’

    Helikopterouders, bulldozerouders en curlingouders staan in de weg van een gezonde ontwikkeling van hun kroost, dat juist moet leren zelfredzaam te zijn. ‘Obstacle parenting’ is de nieuwe opvoedfilosofie.

    Sinds kort probeer ik het leven van mijn kinderen iets moeilijker te maken. Of tenminste niet makkelijker. Als ze een probleem ervaren is de verleiding groot om er iets tegen te doen, maar die weersta ik dan. Ik help mijn huilende kleuter niet met zijn puzzel en ik geef hem geen zetje als hij het klimrek niet op durft. Ik tover in het weekend geen dichtgetimmerd activiteitenprogramma uit mijn hoed en sta dan ook geen tv toe. Ik laat hen worstelen met de existentiële vraag hoe de tijd door te brengen, een vraag die in de menselijke geschiedenis pas recentelijk is ontspoord door een cultuur van dwingende ouderlijke aandacht en nu door de graaiende klauwen van verstikkende technologie. Decennialang lieten ouders hun kinderen zonder enig toezicht in groepjes door de buurt dwalen, maar in de jaren negentig verschoof de opvoedcultuur richting ‘intensive parenting’: opvoeding met hoge betrokkenheid en ononderbroken contact, waarbij elke vorm van zelfredzaamheid als teken van verwaarlozing werd gezien. Ouders begonnen hun kleuters te schaduwen in de speeltuin, bij kinderpartijtjes waren er vaak meer ouders dan kinderen aanwezig en scholieren werden steeds vaker met de auto gebracht.

    Er is een alomtegenwoordige druk voor ouders om te presteren, een druk die diep is geïnternaliseerd. Helikopterouders – ouders die constant om hun kinderen heen zoemen in zowel de fysieke als de digitale wereld – zijn inmiddels de norm. Bulldozerouders maken elk obstakel voor hun kind met de grond gelijk; ze springen tegen iedereen in de aanval, van docenten die te moeilijke opgaven geven tot andere kinderen die te lang op de schommel blijven zitten. Ze doen dit uit liefde, maar ook uit angst; we willen dat onze kinderen gelukkig en veilig zijn, en daarnaast willen we dat andere ouders ons als verantwoordelijk en betrokken zien.

    Controle

    Elke keer dat je als ouder grijpt, elke keer dat je je best doet om een driftaanval of teleurstelling uit de weg te gaan, voelt dat misschien als de juiste keuze. Maar experts waarschuwen dat zo veel controle op de lange termijn schadelijk kan zijn voor de psychologische en emotionele ontwikkeling van een kind. En nu technologie in elk aspect van ons leven is doorgedrongen, zijn schermen er om te sussen en af te leiden, waarmee ze voldoen aan de door ouders opgelegde verwachting van voortdurende interventie.

    Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het onvermogen om ook maar een moment van verveling, ongemak of frustratie te hebben zonder te grijpen naar een scherm of zintuiglijke afleiding, de beste geesten van mijn generatie heeft geruïneerd. Maar voor de kinderen is er nog hoop: misschien moeten we niet méér doen, maar juist minder. Ik heb mezelf daarom laten leiden door een nieuwe opvoedfilosofie: ‘obstacle parenting’. Bij obstacle parenting maak je de dingen een tandje moeilijker voor je kinderen en laat je ze hun problemen zelf oplossen. Mijn kleuter is gek op computerspelletjes, dus laten we haar gamen – niet op een iPad maar op een Macintosh uit 1997. Haar spanningsboog voor spellen als Lemmings of SimTower bedraagt ongeveer een half uur, waarna ze gefrustreerd raakt of zich begint te vervelen; deze spellen, die al meer dan dertig jaar oud zijn, waren niet bedoeld om verslavend te zijn of iemand urenlang te hypnotiseren. Ook zijn ze niet zo makkelijk te beheersen voor een vijfjarige. Toch begint ze er langzamerhand beter in te worden. Van mij hoeven die spellen niet sneller en flitsender te worden. Ze hoeven niet verrijkend of vermakend of zelfs educatief te zijn. Ik wil alleen maar dat mijn kind zelf iets probeert uit te vogelen, vooral als het moeilijk is, of saai.

    Professor Jonathan Haidt van New York University, auteur van het boek Generatie Angststoornis, beargumenteert dat sociale media een ‘jeugdherprogrammering’ teweeg hebben gebracht, wat de afgelopen jaren heeft geleid tot een piek in psychische problemen en lijden onder tieners en jongvolwassenen. Haidt legt een verband tussen de verschuiving van ontdekking en vrijheid naar structuur en toezicht en de crisis onder jongeren, die volgens hem niet de kans hebben gekregen om de wereld zonder hun ouders te ontdekken en zo eigenschappen als zelfredzaamheid en zelfverzekerdheid te ontwikkelen. In plaats daarvan zitten ze thuis naar hun telefoon te staren.

    Mensen op de grond
    © Malte Mueller, Getty Images

    In Canada vormen vijftien- tot vierentwintigjarigen de eenzaamste leeftijdscategorie; een vijfde van de alle tieners die zichzelf in 2019 als mentaal gezond beschreven, voelde zich in 2023 niet langer zo. Tieners doen vandaag de dag minder aan seks en drugs, waarschijnlijk doordat ze minder tijd met hun leeftijdsgenoten doorbrengen dan vroeger. Dat er sprake is van een crisis wordt algemeen erkend, maar Haidts conclusie (dat sociale media de boosdoener zijn) wordt alom betwist. Professor Candice L. Odgers van de Universiteit van Californië in Irvine schrijft in het blad Nature bijvoorbeeld dat het bestaande onderzoek de bewering dat sociale media mentale problemen veroorzaken niet ondersteunt. Wel is het zo dat jongeren met psychische problemen deze platforms eerder op een andere manier gebruiken.

    Of Haidt het nou bij het juiste eind heeft of niet, ouders kunnen hun kinderen nooit eeuwig tegen het scherm behoeden. Onthouding is overigens nooit een effectieve strategie geweest om schade te voorkomen. De laatste jaren hebben veel overlegorganen in Canada, waaronder de Vancouver School Board (VSB), een verbod opgelegd op telefoons in het klaslokaal. Voormalig voorzitter van de VSB Patti Bacchus noemde dit soort maatregelen ‘een twintigste-eeuwse oplossing voor een eenentwintigste-eeuws probleem’. ‘Deze kinderen moeten worden opgeleid tot kritische wereldburgers,’ zei ze tegen de CBC, de Canadese publieke omroep. Met zulk soort beleid wordt overwerkte docenten alleen maar meer ver- antwoordelijkheid opgelegd. Je kan het heel goed eens zijn met de verbanning van verslavende invloeden uit scholen – zo mag je op school ook niet meer roken – en tegelijkertijd erkennen dat er betere oplossingen zijn dan het simpelweg wegnemen van beeldschermen.

    Het verschil tussen 2025 en de voorspoedige jaren negentig ‘is niet dat iedereen toen beter kon omgaan met oningevulde tijd. Het zit hem erin dat tijd simpelweg oningevuld kon blijven zonder dat je meteen werd verzwolgen door gapende muil van het scherm’, aldus Kathryn Jezer-Morton in The Cut. Het is een treffende metafoor; als je je er niet tegen verzet, slokt het scherm alles om zich heen op. Rachel Kushner, die in Harper’s schrijft over haar zoon Remy en zijn passie voor oude raceauto’s, merkt op dat zijn klasgenootjes zich nauwelijks lijken te interesseren voor zijn zelfgebouwde wagens – in tegenstelling tot beveiliger op zijn school. Deze geeft aan dat de jeugd van tegenwoordig nauwelijks hobby’s heeft. Op Kushners vraag ‘Waarom niet?’ antwoordt hij: ‘Door het internet.’

    Generatieve AI

    En toen kwam generatieve AI, het ultieme zwarte gat voor alle nieuwsgierigheid. Met elk wetenschappelijk artikel dat uitkomt over de schadelijke effecten van generatieve AI raak ik steeds bezorgder over hoe afhankelijk mijn kinderen zullen worden van technologie. Op middelbare scholen en universiteiten gebruiken leerlingen sites zoals ChatGPT om hun opdrachten en essays te schrijven, waardoor creativiteit, kritisch denken en daarmee het volledige leerproces achterwege worden gelaten. Onlangs ontdekte een onderzoeker van MIT dat het gebruik van LLM’s (large language models, het soort AI dat ChatGPT ook gebruikt) voor schrijfopdrachten ‘potentiële cognitieve schade’ aanricht: in een periode van vier maanden zagen onderzoekers dat proefpersonen die LLM’s gebruikten ‘consequent slechter presteerden op neurale, linguïstieke en gedragsvaardigheden’.

    Het droevige is dat veel jongeren inzien dat deze hulpmiddelen slecht voor ze zijn, maar ze evengoed gebruiken: uit een enquête onder 423 Canadese leerlingen bleek dat 59 procent van hen AI gebruikt voor huiswerk, ondanks dat de meesten toegaven dat ze daardoor minder leerden en het gevoel hadden af te kijken. Bij een ander onderzoek uit de VS onder volwassen tussen de achttien en zevenentwintig jaar bleek dat bijna de helft zou willen dat de platforms die ze dagelijks gebruiken, zoals Twitter en TikTok, nooit waren uitgevonden. Een eerstejaarsstudent aan de universiteit van Ontario zei in een recent artikel in New York Magazine dat ze vond dat ze verslaafd was aan ChatGPT en sociale media. Door regelmatig gebruik kwam ze in een spiraal terecht: ze keek urenlang filmpjes op TikTok (‘totdat mijn ogen pijn begon- nen te doen’) in plaats van haar huiswerk te maken, en zette vervolgens AI in voor laatstgenoemde taak. Voor veel gebruikers zijn deze apps geen hulpmiddel, maar een valstrik.

    Brandende computer
    © Malte Mueller, Getty Immages

    Technologie breidt zich natuurlijk steeds verder uit. Ik weet dat als mijn kinderen pubers zijn, er vast weer nieuwe technologie is waarover ik me zorgen kan maken. En mijn kinderen zijn niet gevrijwaard van de grijpende tentakels van AI; Mattel, de fabrikant van Barbie en Hot Wheels, kondigde onlangs een ‘strategische samenwerking’ aan met OpenAI (de makers van ChatGPT) om ‘de magie van AI met leeftijdsgebonden speelervaringen te combineren’. Maar dit soort specifieke gevallen van technologische implementatie zijn minder zorgwekkend dan wat ze blootlegt en uitbuit: een gebrek aan nieuwsgierigheid, een onwil om uitdagingen aan te gaan, een tekort aan zelfvertrouwen.

    Dit zijn geen inherente eigenschappen, maar ze worden gevoed, deels door onze goedbedoelde neiging om kinderen bij elke stap bij te staan.

    Elke generatie ouders probeert te leren van de fouten van de vorige generatie. Soms levert dit onmiskenbaar resultaat – zoals de uitvinding van kinderzitjes, en het feit dat kinderen minder worden geslagen. Maar vaak ook voelt het alsof we in plaats van veiligheid een marketingstrategie aangereikt krijgen, waarbij steeds nieuwe trends opkomen om de hardnekkige, existentiële angsten van het ouderschap te sussen. De Rapley-methode bijvoorbeeld, waarmee overgewicht en kieskeurig eten voorkomen kunnen worden; of gentle parenting, waarbij de nadruk ligt op het erkennen en verwerken van emoties. Deze strategieën suggereren dat de oplossing altijd ligt bij meer betrokkenheid en participatie. Met obstacle parenting wordt een nieuwe weg ingeslagen, waarbij het mijn plicht is mijn kinderen te behoeden tegen alle technologie die hun zintuigen afvlakt. Het doel is eenvoudigweg dat ze leren hun eigen verstand te gebruiken om de uitdagingen en problemen die zich voordoen het hoofd te bieden.

    Onvoldoende vrijheid

    Ik ben lang niet de enige ouder die het zo aanpakt. Rheana Murray vertelt in The Atlantic het verhaal van een aantal ouders die in Portland, Maine collectief een vaste telefoon installeerden waarmee kinderen zelf afspraakjes konden maken of gewoonweg konden praten. ‘We vragen onze kinderen zelden om stil te zijn en met elkaar te communiceren,’ legt een ouder uit. Ook geven we ze onvoldoende vrijheid om zelfstandig te bewegen, al proberen steden hier wereldwijd verandering in te brengen door avontuurlijke speelplaatsen te bouwen die zijn ontworpen voor risicovoller en fantasierijker spel. De nauwe tunnelglijbanen en klimrekken van ontwerpen zoals de sθәqәlxenәm ts’exwts’áxwi7 (‘het regenboogpark’) in Vancouver maken het ouders moeilijker om hun kinderen achterna te gaan. Ze moeten het zelf maar uitzoeken. Uiteindelijk draait obstacle parenting om het ontwikkelen van concentratie en uithoudingsvermogen, twee vaardigheden die verloren zijn gegaan door uitbesteding aan de technologie. De ouders die vaste telefoons installeerden boekten succes doordat ze het gezamenlijk deden, en dat herinnert eraan dat we niet altijd volledig hebben vertrouwd op ouders alleen om hun kinderen groot te brengen. Er bestond een breder netwerk van vrienden en familie, buren en tieneroppassers. Tegelijkertijd kregen kinderen meer toegang tot hun leeftijdgenoten zonder dat elke interactie nauwlettend in de gaten werd gehouden. Structurele interventies, zoals de risicovollere speeltuin, helpen bij dit probleem; ze belichamen het principe dat ouders het niet allemaal zelf hoeven uit te vogelen. De verdwijning van zogeheten third places is een collectief probleem, en hetzelfde geldt voor onveilige straten die het vooruitzicht je kind alleen naar school te laten gaan angstaanjagend maken.

    Obstacle parenting draait niet alleen om het overkomen van fysieke obstakels. Ik zie het meer als oefening in ouderlijke terughoudendheid. Ik laat mijn kinderen met rust als ze zich concentreren; als ze me om hulp vragen wacht ik even en kijk ik of ze zelf met een oplossing komen. Ik laat me verrassen door wat ze zonder mijn inmenging allemaal ondernemen en bedenken. Wel brengt het de vraag met zich mee wat ik op die momenten met mezelf aan moet. Als we onze kinderen willen aanleren om de lokroep van de technologie te weerstaan, moeten we het goede voorbeeld geven. Hier hebben veel volwassenen moeite mee, zelfs degenen onder ons die moeiteloos grenzen stellen aan de schermtijd van hun kinderen. Dit heeft er deels mee te maken dat mijn telefoon zoveel essentiële functies in mijn leven vervult. Of ik nou aan het werk ben, een afspraak inplan bij de dokter, reageer op belangrijk nieuws van een naaste of een samenvatting van een horrorfilm lees op Wikipedia, mijn kinderen zien eigenlijk maar één ding: ik staar naar mijn telefoon. Mijn zoontje begint mijn gedrag al uitstekend te imiteren en kon de camerafunctie van mijn telefoon openen voordat hij zijn eerste stapjes had gezet. De uitdaging van obstacle parenting is niet zozeer om de technologie weg te houden van mijn kinderen, maar van mijzelf.

    Laatst vloog ik met mijn dochter van Toronto naar Vancouver en besefte me dat ik een schermloze vlucht voor de boeg had, of ik het nou wilde of niet; mijn telefoon was bijna leeg en ik moest het laatste beetje van de batterij gebruiken om bij aankomst mijn man te bellen, die ons zou komen ophalen. Gelukkig hadden we een boek met kleurplaten, een tekenblok en een pakje kleurpotloden bij ons, die ons het grootste deel van de vlucht door hielpen. We tekenden samen, bedachten woordspelletjes, babbelden over de leukste momenten van de vakantie en discussieerden over wat de beste manier is om een paard te tekenen: eerst het hoofd of eerst de benen?

    Vier uur na het opstijgen liep ik door het donkere gangpad richting het toilet achterin het vliegtuig. het leek alsof ieder stil gezicht, jong en oud, werd verlicht door de gloed van een scherm. Ik keerde terug naar mijn stoel. De spelletjes waren op. ‘Ik verveel me,’ zei mijn dochter. ‘Soms moet je je vervelen,’ zei ik. We deden het zonneschermpje omhoog en keken naar de wolken. Met mijn dochters hoofd leunend tegen mijn schouder wachtten we samen de landing af.

  • In China gaan humanoïde robots naar school

    In China gaan humanoïde robots naar school

    In de wijk Pudong in Shanghai staat een ‘trainingsbasis’ van drieduizend vierkante meter waar meer dan honderd mensachtige robots 24 uur per dag worden opgeleid.

    Net als bij baby’s ervaren deze robots de fysieke wereld vooral door aanraking, en dat gaat met veel vallen en opstaan: ze vouwen broeken op en strijken kleding in de slaapkamer; ze maken maaltijden klaar, persen sap en wassen af in de keuken en ze schikken bloemen, dweilen en ruimen tafels af in de woonkamer. Elke robot heeft een eigen ‘trainer’ – een soort docent met een VR-headset. Met een controller doet zo’n trainer allerlei verschillende handelingen voor: optillen, vasthouden, trekken, gieten enzovoort. Elke beweging wordt ongeveer tweehonderd keer herhaald.  

    Dit is de superfabriek voor datacollectie in Zhiyuan, een van de grootste centra voor de verzameling van robotgegevens in de hele wereld. Hij is opgedeeld in vijf verschillende scenario’s: industrie, detailhandel, kantoor, horeca en particulier. Honderd trainers draaien dag- en nachtdiensten, samen met meer dan dertig analisten en tien beheerders die de data verzamelen en verwerken.

    Af en toe treden er kleine foutjes op: een robot kan een waterkoker bijvoorbeeld niet rechtop houden

    De faciliteit produceert per dag tussen de dertig- en vijftigduizend datapunten: stukjes multidimensionale informatie die worden vastgelegd door de bewegingen van de robots, informatie zoals waar een arm zich bevindt, hoe snel hij beweegt en wat voor effect dat heeft. 

    Af en toe treden er kleine foutjes op: een robot kan een waterkoker bijvoorbeeld niet rechtop houden, doet te veel kruiden in een gerecht of stoot een vaas omver. De trainers stellen hun bewegingen dan geduldig bij. 

    Hoe effectief is deze robottraining? Yao Maoqing, een directeur van Agibot, legt uit: ‘We bevinden ons nog in een vroeg stadium. Een robot kan op dit moment negen van de tien keer een glas water inschenken op een tafel die hij eerder is tegengekomen.’

    Beperkingen

    Toch wil het bij onbekende scenario’s of objecten nog wel eens misgaan. Bovendien betreft het hier vooral op zichzelf staande vaardigheden; de robots zijn nog niet in staat om meerdere bewegingen te combineren. 

    Om de robots algemener te laten functioneren moet hun omgeving voortdurend worden aangepast en verfijnd. Zo veranderen de trainers regelmatig de verlichting, gebruiken ze objecten met verschillende vormen en verandert alles constant van plek.

    Het uitbreiden van de AI-capaciteit (het ‘denkvermogen’) van een robot vereist veel data. Eerst worden multidimensionale fysieke gegevens – zoals beeld, fysieke impulsen en exacte bewegingen – geregistreerd en in een computerprogramma verwerkt, waarna ze weer in de robot zelf worden geïmplementeerd.

    Toch blijft een gebrek aan gegevens de grootste bottleneck in de ontwikkeling van mensachtige intelligente robots.

    De Über-Machine

    In Louisiana verrijst voor meer dan tien miljard dollar Meta’s grootste datacentrum ooit. Volgens Mark Zuckerberg zal wat daar gebeurt ingrijpender zijn dan boekdrukkunst, stoommachine of internet.
    Het doel: een kunstmatige superintelligentie, die ziektes geneest, files oplost en energieproblemen bezweert. Critici vrezen dat deze ‘Über-Maschine’ oncontroleerbaar kan worden, schrijft Der Spiegel. Pessimisten wijzen op de gevaren van zelflerende systemen die eigen doelen stellen, van cyberaanvallen tot het ontwikkelen van nieuwe wapens. Geoffrey Hinton, pionier van neurale netwerken, waarschuwt zelfs voor een ‘existenzielles Risiko’: een AI die controle en overleving nastreeft en de mens buitenspel zet.
    Naast utopieën en ondergangsfantasieën klinken praktische zorgen, zoals de uitbesteding van moderatiewerk voor lage lonen in landen als Kenia en Venezuela. Volgens ethicus Rainer Mühlhoff ligt de échte dreiging minder in uitroeiing van de mensheid, dan in de concentratie van geld en macht bij enkele techgiganten.
    Bovendien is de milieu-impact aanzienlijk. Uit cijfers van MIT News blijkt dat een enkele ChatGPT-vraag al vijf keer zo veel elektriciteit verbruikt als een standaard zoekopdracht in Google. De miljoenen dagelijkse que- ries zorgen voor een groeiende ecologische voetafdruk. De koeling van de enorme datacenters van de taalmodellen draaien op grote hoeveelheden water, vaak in regio’s waar de watervoorraad al onder druk staat.
    Ook de CO2-uitstoot is fors. Het trainen van GPT-3.5, een voorloper van de huidige modellen, stootte naar schatting 500 ton CO2 uit – gelijk aan de jaarlijkse emissies van tientallen huishoudens. Zolang datacenters grotendeels afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, vergroot AI de mondiale uitstoot, waarschuwt het VN-milieuprogramma (UNEP). Volgens andere experts is de impact niet onvermijdelijk. Earth.org, een internationale non-profitorganisatie die zich richt op het milieu, schrijft dat de overstap naar hernieuwbare energie en efficiëntere algoritmes de schade kan beperken.

    Dit geeft Yao Maoqing ook zonder meer toe: ‘Datasets voor robots zijn veel te klein om grote taalmodellen (LMM’s) op te kunnen toepassen.’ Dit komt door fundamentele verschillen in het soort data: LLM’s baseren zich op een enorme hoeveelheid tekst die afkomstig is van het internet, terwijl data voor robots afhankelijk zijn van fysieke interacties met de wereld. Om een robot bijvoorbeeld aan te leren een glas water in te schenken moeten trainers allerlei informatie nauwkeurig registreren waaronder het armtraject, de kracht van de robothand, de temperatuur van het water, en zo voort.  

    Het is dan ook ongelooflijk duur om dit soort data te verzamelen. Nvidia Research maakte onlangs bekend dat voordat Tesla’s mensachtige robot Optimus een accu in een doos kon plaatsen, er een team van veertig personen nodig was om data te verzamelen. Optimus ‘fabrieksklaar’ maken zou miljoenen uren aan training en honderden miljoenen dollars vereisen. 

    Alternatieven

    Om deze uitdaging directer aan te gaan hebben verscheidene roboticabedrijven over de hele wereld hun datasets openbaar gemaakt om technologische uitwisseling en vooruitgang te bevorderen, zo ook AgiBot en Fourier Robotics.

    Naast een-op-eeninstructie, waarbij een mens de training verzorgt, wordt er ook gewerkt aan goedkopere methodes, zoals robots foto’s en video’s leren interpreteren zodat ze bekender worden met menselijke handelingen. 

    AgiBot onthulde in maart het eerste Chinese ‘General Embodied Base Model’. Door online video’s van huishoudelijke taken te bekijken, zoals kookinstructies, kunnen robots de basisprincipes van het koken afleiden zonder voorafgaande praktische ervaring (zogeheten zero-shot learning). Zo kan een robot bijvoorbeeld herkennen dat water borrelt als het kookt, en dat je aardappels eerst moet schillen. Daarna is het alleen nog een kwestie van oefenen in de praktijk.

  • We slaan de plank mis met menselijke robots

    We slaan de plank mis met menselijke robots

    Techpioniers voorspellen gouden tijden voor mensachtige robots. Maar machines hoeven geen mensen te imiteren om van grote waarde te zijn.

    Aangezien de tech-industrie niet uitgepraat raakt over de ontwikkelingen omtrent AI, is het geen gekke gedachte dat er binnenkort menselijke robots op aarde zullen rondlopen.

    Elon musk heeft het marktaandeel van Optimus, Tesla’s poging tot een mensachtige huishoudrobot, op 10 biljoen dollar geschat. Jensen Huang, directeur van Nvidia [een grote producent van computerhardware] voorspelde dat dit ‘de grootste tech-industrie ooit’ zal worden. 

    Met het grote aantal beginnende roboticabedrijven en de vloedgolf aan online filmpjes van tweevoetige robots die allerlei menselijke taken verrichten, lijkt de robotrevolutie een feit. LLM’s kunnen nu al complexe logische problemen oplossen, en het lijkt misschien eenvoudig om zo’n model ook in een robot te installeren, waarna deze simpelweg kan worden hertraind om zich in de wereld te handhaven. Klaar is Kees.

    Dankzij talloze sciencefictionverhalen die al jaren de ronde doen ‘gaan veel mensen ervan uit dat AI iets lichamelijk is’

    Dit is een zware onderschatting. Dankzij talloze sciencefictionverhalen die al jaren de ronde doen ‘gaan veel mensen ervan uit dat AI iets lichamelijk is’, aldus Peter Varrett, investeerder in Playground Global. In werkelijkheid is het een immense stap om intelligentie naar de fysieke wereld te vertalen.

    Daarvoor zal de manier waarop AI momenteel wordt getraind radicaal moeten veranderen. Als sterke, autonome machines in contact worden gebracht met mensen is er bijvoorbeeld geen ruimte voor de ‘hallucinaties’ waar LLM’s doorgaans last van hebben [kleine foutjes in hun handelingen]. En zo moeten robotbouwers nog ontelbare andere uitdagingen overkomen om het menselijk lichaam in een machine na te bootsen.

    Door de verwachtingen over de praktische haalbaarheid van kunstmatige mensen op te schroeven, maken robotbouwers het zichzelf alleen maar moeilijker. Ze lopen bovendien het risico een veel haalbaardere en zeer belangrijke markt mis te lopen: die voor robots die geen twee benen hebben of proberen de mens in al zijn complexiteit na te bootsen.

    Obstakels

    Op het gebied van kunstmatige intelligentie komen robotontwikkelaars veel obstakels tegen waar de makers van LLM’s helemaal geen last van hebben. Zo zijn diensten zoals ChatGPT getraind op datasets die vooral van het internet afkomstig zijn, zonder dat daar data over de fysieke wereld aan te pas komen. 

    Ook is het veel moeilijker om een machine te bouwen die met de wereld interacteert en objecten gebruikt en oppakt dan om een simpelere autonome machine te maken zoals een zelfrijdende auto. Voertuigen hebben enkel de opdracht door de wereld heen te bewegen zonder tegen dingen op te botsen; een robot moet dingen op precies de juiste manier aanraken om zelfs maar de simpelste taken uit te kunnen voeren.

    Daar komt nog de kwestie van ‘planning’ bij kijken: in real time beslissingen nemen over een handelwijze op basis van een stroom aan zintuiglijke data uit de echte wereld – een van de moeilijkste problemen in de robotica. Zelfrijdende auto’s beginnen weliswaar  eindelijk op de openbare weg te verschijnen, maar het heeft jaren langer geduurd dan door optimisten in de techindustrie werd voorspeld. Robots vormen nog een veel grotere uitdaging.

    AI in de klas

    AI verovert niet alleen de techwereld, maar ook het klaslokaal. In juli kondigden OpenAI, Microsoft en Anthropic een samenwerking van 23 miljoen dollar aan met grote Amerikaanse lerarenvakbonden om docenten te trainen in het gebruik van AI, schrijft MIT Technology Review. Via de nieuwe National Academy for AI Instruction leren leraren AI inzetten voor lesvoorbereiding, toetsing en directe begeleiding van leerlingen. Bedrijven beloven maatwerk en efficiëntie, maar critici wijzen op de risico’s: scholieren gebruiken AI minstens zo vaak om te spieken als om te leren, en studies suggereren dat kritisch denken eronder lijdt.
    Nog radicaler is het experiment van de private Alpha School in Austin, Texas, waar AI het merendeel van de dagelijkse lessen overneemt, aldus Courrier International.
    Leerlingen krijgen twee uur per dag AI-geleide instructie en besteden de rest van de tijd aan workshops rond communicatie, financiën en persoonlijke ontwikkeling. Volgens oprichter MacKenzie Price kan AI onderwijs beter personaliseren dan mensen ooit kunnen. Critici vrezen echter een ‘modieuze’ hype en waarschuwen voor een verarming van de sociale dimensie van onderwijs. Die Zeit vraagt zich af of we straks überhaupt nog hoeven te leren. AI neemt steeds meer cognitieve taken over: lezen, samen-vatten, schrijven, vertalen. Is die afname van eigen inspanning wel goed voor ons?
    In Singapore zijn ze daarvan overtuigd, en worden kinderen al vanaf drie jaar vertrouwd gemaakt met AI. In Denemarken wordt AI binnenkort toegestaan tijdens het staatseindexamen.

    Nvidia kaartte deze problemen aan bij de jaarlijkse technologieconferentie in Silicon Valley, afgelopen maart. Het bedrijf heeft een systeem ontwikkeld genaamd Cosmos dat een virtuele wereld kan genereren om robotbreinen in op te leiden, maar het is nog onduidelijk hoe en of deze synthetische data de echte wereld kan nabootsen. Ook is de chipfabrikant begonnen aan een ‘physics engine’ waarmee een robot kan leren over de fysieke wereld, zoals het verschil tussen harde en zachte objecten. Deze engine wordt gemaakt door Disney en Google DeepMind. Deze samenwerking spreekt boekdelen over hoe technologie en fantasie elkaar in de robotrevolutie opzoeken.

    Nvidia presenteerde overigens ook een veelbelovend besturingssysteem voor robots, dat als opensourceproject wordt ontwikkeld zodat andere potentiële ontwikkelaars kunnen aansluiten. Dit kan een grote impuls vormen voor het vakgebied – al dreigt het tegelijkertijd de vele anderen die zich haastig op dit terrein hebben gestort buitenspel te zetten. Bovendien is er een groot verschil tussen het uitstippelen van een ontwikkelingsplan en daadwerkelijk resultaten boeken.

    Misschien hoeft de mens niet per se te worden nagebootst, maar liggen er juist meer mogelijkheden in de ontwikkeling van saaiere machines, die eenduidige taken kunnen uitvoeren of kunnen werken in op maat gemaakte omgevingen zoals warenhuizen of fabrieken. Zo zijn er automatische warenhuizenkarretjes ontwikkeld door Robust.ai, een bedrijf van Rodney Brooks, medeoprichter van het bedrijf achter de Roomba-stofzuiger en voormalig professor in kunstmatige intelligentie bij MIT. Een vaatwasser heeft geen handen nodig om de mens een handje te kunnen helpen. Als de nieuwste AI-technologieën en goedkope hardware worden benut, kan men allerlei robots bouwen die heel nuttig kunnen zijn – ook al lijken ze in geen enkel opzicht op de mens. 

  • Kunstmatige intelligentie moet boeren redden van ‘superonkruid’

    Kunstmatige intelligentie moet boeren redden van ‘superonkruid’

    Boeren kunnen geen chemicaliën meer vinden om resistente onkruiden te bestrijden die hun gewassen bedreigen. Met innovatieve technologie moeten sneller nieuwe opties worden gevonden.

    Boeren verliezen terrein in hun decennialange strijd tegen ongewenste wilde planten die resistent zijn geworden tegen veel chemische sproeimiddelen. Volgens de grootste producenten van deze middelen ter wereld, waaronder Bayer, Corteva, BASF en Syngenta, is het dringend tijd om nieuwe chemicaliën te ontwikkelen die de opmars van onkruid en andere plagen, zoals schimmels en insecten, kunnen stuiten.

    Sommige onkruidsoorten zijn inmiddels resistent tegen een vijftal verschillende chemicaliën, zegt Bob Reuter, hoofd onderzoek en ontwikkeling bij de landbouwpoot van Bayer. Boeren combineren allerlei middelen om de krachtigste bestrijdingsformule te vinden en pesticideproducenten willen meer vaart zetten achter de ontwikkeling van nieuwe onkruidverdelgers, waarmee jaren gemoeid kunnen zijn. ‘We beginnen een beetje wanhopig te worden,’ zegt Reiter. ‘We beseffen dat onze mogelijkheden zo langzamerhand uitgeput raken.’

    Volgens Bayer en concurrenten als Corteva en Syngenta kunnen nieuwe AI-systemen helpen om nieuwe chemicaliën versneld op de markt te brengen, wat tot dusver een langdurig, gecompliceerd en kostbaar proces is. Ze richten zich niet alleen op de ontwikkeling van nieuwe herbiciden, maar ook van nieuwe fungiciden en insecticiden. Syngenta schat dat AI de gemiddelde periode tussen ontdekking en commercialisering van een verdelgingsmiddel met een derde zal bekorten – van vijftien jaar tot tien jaar – en dat het aantal laboratorium- en veldtesten waarschijnlijk met dertig procent zal verminderen.

    Hoe het werkt

    Bayer gebruikt een AI-systeem, intern ‘CropKey’ gedoopt, dat sneller dan mensen databestanden kan doorzoeken op een chemisch molecuul dat in staat is de proteïnestructuur van een onkruid af te breken. Door CropKey geselecteerde moleculen kunnen bij veldtests voor beter resultaten zorgen dan moleculen die bij conventioneel onderzoek boven komen drijven, zegt Reiter. Het zet het bedrijf op voorsprong – zoals kaarten tellen tijdens een spelletje blackjack – en is vergelijkbaar met de manier waarop farmaceutische bedrijven AI inzetten om sneller moleculen te vinden die een bepaalde ziekte attaqueren.

    Volgens de bedrijfstak is een bijkomend voordeel van met AI geselecteerde moleculen dat ze gedurende het selectieproces op toxiciteit voor mensen kunnen worden gescreend – van doorslaggevend belang voor pesticiden die op gewassen voor menselijke consumptie worden gespoten – evenals op milieuveiligheid en kosten.

    Het systeem heeft Bayer geholpen om een nieuwe onkruidverdelger te ontwikkelen, Icafolin genaamd, die in 2028 in Brazilië zal worden gelanceerd. Het zal het eerste nieuwe herbicide zijn in meer dan dertig jaar, aldus het bedrijf. Ook doet het bedrijf inmiddels drie keer zoveel onderzoek naar nieuwe manieren om onkruid te verdelgen dan tien jaar geleden.

    ‘Het is niet te geloven hoe snel het onkruid zich aanpast,’

    Monsanto, dat inmiddels eigendom is van Bayer, heeft in de jaren negentig van de vorige eeuw een revolutie in de onkruidverdelging ontketend met de verkoop van genetisch gemodificeerde sojaboonzaden die bestand waren tegen glyfosaat, een herbicide dat onkruid doodt door de interne proteïneproductie ervan te stoppen. Het gebruik van glyfosaatsprays, zoals Roundup van Monsanto, steeg tot ongekende hoogte.

    Maar toen ontwikkelden zich superonkruidsoorten waartegen glyfosaat minder effectief was zodat boeren hun toevlucht moesten nemen tot andere herbiciden, of tot planten die bestand waren tegen meerdere soorten chemicaliën. Daarbij komt dat Bayer miljarden dollars aan schadevergoedingen heeft moeten betalen omdat Roundup kanker zou veroorzaken, iets wat het bedrijf ten stelligste ontkent.

    Sean Elliot, de zesde generatie uit een familie van mais- en sojabonenboeren in Iriquois County, Illinois, ontdekte aan het begin van deze eeuw voor het eerst invasieve waterhennepplanten op zijn land. Die kon Roundup van Monsanto destijds nog moeiteloos de baas. Maar twee decennia later is glyfosaat niet langer tegen het onkruid opgewassen en vreest Elliott dat waterhennep ook resistent begint te raken tegen een ander chemisch middel dat hij gebruikt, 2,4-D. Hij combineert 2,4-D nu met een derde chemisch middel, glufosinaat, om de waterhennep in bedwang te houden. Dat zal over een paar jaar misschien niet meer genoeg zijn.

    ‘Het is niet te geloven hoe snel het onkruid zich aanpast,’ zegt Elliott. ‘Het is zo invasief dat als we niets nieuws bedenken om het binnen de perken te houden, we het risico lopen op grote oogstverliezen.’

    Verergeren

    De ontwikkeling van nieuwe pesticiden kan ingewikkelder zijn dan die van nieuwe geneesmiddelen, zegt Bill Anderson, bestuursvoorzitter van de Duitse farmacie- en pesticidegigant Bayer. Bedrijven richten zich voornamelijk op het verbeteren van de belangrijkste chemicaliën die al op de markt zijn en het is tientallen jaren geleden dat er voor het laatst een nieuw herbicide is geïntroduceerd. ‘Je moet in staat zijn om een bepaalde plantensoort te doden zonder dat dat ten koste gaat van andere plantensoorten, en ook van vissen, insecten en vogels,’ zegt Anderson. ‘De kans dat je dat lukt zonder hulp van computers is uiterst gering.’

    Jay Feldman, directeur van Beyond Pesticides, een in Washington D.C. gevestigde non-profitorganisatie die pleit voor vermindering van het gebruik van landbouwchemicaliën, waarschuwt dat het sproeien van nieuwe chemicaliën op onkruid dat snel resistent raakt tegen tal van herbiciden de situatie alleen maar verergert en leidt tot het ontstaan van nog krachtigere superonkruidsoorten. Door de huidige aanpak van de landbouwbedrijven verliezen oudere herbiciden hun effectiviteit tenzij ze worden gecombineerd met nieuwe chemicaliën, zegt hij, zodat boeren uitsluitend aangewezen zijn op de nieuwe zaden en chemische producten die een bedrijf aanbiedt. ‘Daarmee is er een pesticidetredmollen ontstaan,’ zegt Feldman.

    Nog maar vijf jaar geleden kon een bedrijf een jaar doen over het screenen van honderdduizenden chemische verbindingen. Potentiële verbindingen werden door middel van arbeidsintensieve processen getest in laboratoria en kassen om te zien wat hun interactie was met andere planten, dieren, mensen en het milieu, en of ze effectief waren tegen de beoogde plaag, zegt Shaun Selness, hoofd van de afdeling nieuwe landbouwtechnologieën van Bayer. ‘Je kon een jaar of drie bezig zijn met veldstudies om een middel op te schalen, en uiteindelijk tot de conclusie te komen dat het toch niet werkte,’ zegt Selness. ‘Dat gebeurde heel regelmatig.’

    ‘Het is een must’

    Het analyseren en screenen van chemische moleculen met behulp van AI kan het proces helpen bekorten tot zo’n twee à drie maanden en eerder in het ontwikkelingsproces toxiciteitsproblemen voorspellen, zegt hij.

    Syngenta, de grootste pesticideproducent in de VS, zegt voor een zelfde benadering te kiezen bij de ontwikkeling van nieuwe herbiciden en insecticiden en bij al zijn onderzoeksprojecten AI-modellen te gebruiken om nieuwe actieve ingrediënten te vinden.

    De technologie helpt het bedrijf niet alleen om de milieueffecten van nieuw producten beter te evalueren, maar ook om te zien of ze goedkoper kunnen worden geproduceerd, zegt Camilla Corsi, hoofd van de afdeling gewasbeschermingsonderzoek van Syngenta. ‘Het helpt ons om alle uitdagingen onder de loep te nemen waarmee onze bedrijfstak bij chemische innovatie wordt geconfronteerd.’ 

    Sean Elliott, de boer uit Illinois, zal iedere nieuwe technologie die hem de komende jaren kan helpen zijn oogst te redden met open armen ontvangen. ‘Het is een must,’ zegt hij.

  • Zweden, het techparadijs van Europa

    Zweden, het techparadijs van Europa

    Met een relatief kleine bevolking heeft Zweden een opvallend aantal techreuzen voortgebracht, zoals Spotify, Skype en Klarna. Daarmee behoort het land tot de koplopers in Europa.

    De Zweedse economie kampt met dezelfde problemen als de rest van Europa: recente golven van torenhoge inflatie, recessie en karige groeimogelijkheden in een wereld die door geopolitieke en economische conflicten wordt verscheurd. Toch kan het land bogen op een hoeveelheid hightechbedrijven waar buurlanden jaloers op zijn. Spotify en Skype zijn wereldmerken, en andere voorbeelden van Zweeds technologiesucces zijn het fintechbedrijf Klarna en King Digital Entertainment, het bedrijf achter Candy Crush. ‘De Zweden hebben iets, met name in de technologiesector, dat andere Europese landen niet in die mate hebben,’ zegt Jacob Kirkegaard, onderzoeker bij de Amerikaanse denktank German Marshall Fund.

    Deze Zweedse verdienste trekt weer aandacht nu Europa zich steeds meer zorgen maakt of het op technologiegebied nog wel mee kan met Amerika en China. De VS hebben een hele generatie techreuzen als Google, Meta en Amazon voortgebracht en in China bloeide de technologiesector op met bedrijven als Alibaba, Huawei en ByteDance, de eigenaar van TikTok. Europa heeft zijn eigen grote namen op dit vlak, zoals het Nederlandse ASML, wereldleider in de halfgeleidersector. Maar al met al wordt Europa toch beschouwd als een continent dat eerder toekijkt dan vernieuwt, en staat het eerder bekend om de strenge regelgeving waaraan het buitenlandse techbedrijven onderwerpt dan om het stimuleren van de eigen technologiesector.

    ‘Europese waarden’

    Een achterstand zal niet alleen aanzienlijke economische consequenties hebben, maar ook grote maatschappelijke gevolgen. Europese beleidsmakers zijn bang voor wat het op de lange termijn kan betekenen als Europa voor zijn communicatie, sociale media, online shopping en entertainment aangewezen blijft op buitenlandse bedrijven en niet terecht kan bij bedrijven met zogenaamde ‘Europese waarden’. Die behelzen onder meer een grotere prioriteit voor privacybescherming, het tegengaan van de verspreiding van haatdragende taal, goede arbeidsbescherming en een betere balans tussen werk en privé.

    De productiviteit van de Zweedse technologiesector is tweemaal zo hoog als het Europese gemiddelde

    Critici van het Europese technologiebeleid klagen over het gebrek aan durfkapitaal en een Europese cultuur waarin risico’s worden gemeden. Europese techneuten trekken vaak eerder naar de VS dan dat ze in eigen land een bedrijf opbouwen. In Zweden ligt dat anders. Dat telt per hoofd van de bevolking meer ‘tech unicorns’ (start-ups die meer dan een miljard dollar waard zijn) dan enig ander Europees land behalve Estland, zo stelt een rapport over de Europese technologiesector van investeringsfonds Atomico. In absolute aantallen unicorns staat Zweden in Europa op de vierde plaats, na Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk, landen waarvan de bevolking zes tot negen keer zo groot is. Mario Draghi, de oud-president van de ECB die voor de EU de ‘concurrentiecrisis’ in kaart brengt, noemde Zweden onlangs een voorbeeldland. Hij wees op de productiviteit van de Zweedse technologiesector, die tweemaal zo hoog is als het Europese gemiddelde, en de goede sociale voorzieningen.

    Een tiental ondernemers, investeerders en economen bevestigen in gesprekken dat Zweden zijn succes mede te danken heeft aan de stimuleringsregelingen waarmee de overheid in de jaren negentig pc’s en breedbandinternet binnen het bereik van grote delen van de bevolking bracht. Dat was een tijd waarin de meeste mensen net leerden wennen aan het gekraak en gepiep van inbelmodems. Volgens Fredrik Cassel, partner bij Creandum, een investeringsfonds dat geld gestoken heeft in Spotify en Klarna, kon hij techinvesteerder worden dankzij de goede beschikbaarheid van internet. Zweden streefde naar een pc en een internetverbinding in elk huishouden en ging daarmee voorop in het kweken van een ‘programmeursgeneratie’, aldus Cassel (50). ‘Ik zie zoiets niet snel gebeuren als aan die twee infrastructuurvoorwaarden niet is voldaan.’

    Asielbeleid Zweden ‘strenger dan ooit’

    Zweden heeft de afgelopen jaren de instroom van asielzoekers drastisch weten te verminderen door een strenger asiel- en migratiebeleid te voeren.

    Ook in het voorbeeldland Zweden staat immigratie al jaren hoog op de agenda en is de aanpak van vluchtelingen en arbeidsimmigranten onder de centrumrechtse regering grondig herzien.
    Een belangrijke maatregel is het versoberen van de regels voor gezinshereniging: migranten mogen hun familie pas over laten komen als ze financieel onafhankelijk zijn en beschikken over een dak boven hun hoofd. Daarnaast zijn de eisen voor het verkrijgen van Zweeds burgerschap aangescherpt. De regering heeft ook actief ingezet op het ontmoedigen van potentiële migranten door middel van internationale campagnes via Zweedse ambassades.
    Migratieminister Maria Malmer Stenergard benadrukt dat Zweden bescherming zal bieden aan ’wie dat echt nodig heeft’. Zij stelt dat een groot deel van de asielzoekers daar niet voor in aanmerking komt. Integratie in de Zweedse samenleving is volgens haar niet altijd succesvol verlopen, wat heeft geleid tot problemen zoals criminaliteit en schooluitval onder migranten.
    Naast asielmaatregelen heeft Zweden ook het beleid voor arbeidsmigratie aangepast. Het minimumloon voor werkvisa is verdubbeld, en het liefst laat de minister alleen nog hooggekwalificeerde migranten toe. Dit alles maakt deel uit van een bredere strategie om de instroom van migranten te beheersen en de integratie te verbeteren, zodat er minder druk op de Zweedse welvaartsstaat komt te liggen.
    De minister breekt met eerder beleid waar Zweden in 2015 internationaal door opviel, toen in één jaar 163.000 Syrische vluchtelingen ruimhartig werden opgevangen.

    De Zweedse techondernemer Hjalmar Nilsonne heeft dezelfde ervaring. Hij weet nog dat hij in 1998, toen hij tien was, zijn eigen HP-computer met een Pentium II kreeg: ‘Dat veranderde mijn leven, door de kennismaking met programmeren en internet.’ Nilsonne was de oprichter van Watty, dat hij later heeft verkocht, en is onlangs met Daniel Ek, oprichter en CEO van Spotify, de nieuwe start-up Neko Health begonnen. ‘Hij had precies dezelfde achtergrond als ik,’ zegt hij over Ek. ‘We speelden met computers, we leerden hoe je websites opzet. We begonnen als tieners al websites te verkopen aan vrienden en familie. Dat was allemaal mogelijk omdat we al zo vroeg internet hadden.’

    Analisten wijzen ook op de Zweedse traditie van publieke en private investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Die investeringen bedragen momenteel 3,4 procent van het bbp, een van de hoogste percentages in Europa. Voor durfkapitaal kan het kleine land dan ook een beroep doen op de diepe zakken van familiefondsen zoals de Wallenbergstichting en de Ikea Foundation, en het pensioenfonds van de staat.

    Met een bevolking van 10 miljoen inwoners moesten Zweedse bedrijven hun klandizie altijd al in het buitenland zoeken, aldus Asa Zetterberg, directeur van brancheorganisatie TechSverige. Volgens haar waren start-ups en andere industrieën daardoor gedwongen om ‘mondiaal concurrerend te zijn’. De helft van het Zweedse bbp komt uit de export, en in 2022 was de technologiesector goed voor 11 procent van de totale export van het land. Volgens Niklas Zennström, mede-oprichter van Skype en nu CEO van Atomico, konden techbedrijven in Europa wel aan startkapitaal komen, maar kregen ze veel moeilijker geld los voor de financiering van verdere groei dan hun tegenhangers in de Verenigde Staten.

    Beter concurreren

    De roep om meer financieringsmogelijkheden klinkt nu in een context waarin overheden overal ter wereld initiatieven ontplooien om de economische ontwikkeling van hun land aan te sturen. De Verenigde Staten trekken honderden miljarden dollars extra uit voor het stimuleren van de ontwikkeling van halfgeleiders, alternatieve energie en elektrische voertuigen, om zo beter met China te kunnen concurreren. De belangrijkste wetten die Biden heeft doorgevoerd betreffen subsidies, garantstellingen en belastingvoordelen voor bedrijven die in de groene transitie en geavanceerde technologie investeren. Daarbij wordt ook wel aan sociale voorzieningen gedacht: voor chipfabrikanten is het aanbieden van betaalbare kinderopvang een subsidievoorwaarde. Maar het zwaartepunt ligt toch bij de technologische ontwikkeling.

    De beste manier waarop de regering ondernemerschap en innovatie kan stimuleren is met goede ‘sociale voorzieningen’

    Ondernemers en investeerders wijzen herhaaldelijk op het belang van het sterke sociale vangnet in Zweden voor het stimuleren van de experimenteerdrang en de risicobereidheid van ondernemers, ook al vergt het hoge belastingen om dat vangnet te financieren. De beste manier waarop de Zweedse regering ondernemerschap en innovatie kan stimuleren is met goede ‘sociale voorzieningen’, zegt Cassel van Creandum. Gratis onderwijs, gratis zorg, gratis kinderopvang. ‘Dan kun je je een risico permitteren, je belandt niet op straat’ als het niet lukt, aldus Cassel.

    Ook Sebastian Siemiatkowski, oprichter van Klarna, is vol lof over de Zweedse sociale voorzieningen. Zijn ouders waren immigranten, en toen hij klein was zaten ze vaak zonder werk. Maar hij had toch gezondheidszorg, kon naar de beste scholen en kreeg al jong een computer in huis, ‘zonder dat we een cent te makken hadden’. Naast België is er geen ander EU-land dat zo’n groot deel van zijn bbp aan onderwijs besteedt als Zweden. 

    Siemiatkowski wijst erop dat Zweden het ook veel beter doet dan de VS als het gaat om gelijke kansen. Op de laatste mobiliteitsindex van het World Economic Forum, die van 2020, stond Zweden op de vierde plaats. De VS op de zevenentwintigste. Dat is volgens hem een belangrijke reden dat Zweden ‘bovengemiddeld presteert’.