Tag: technologie

  • Een huis vol ogen en oren

    Een huis vol ogen en oren

    We stoppen onze huizen vol met slimme apparaten. Maar de gegevens die ze doorgeven, kunnen eenvoudig worden misbruikt door bedrijven en overheden. Mediafilosoof Ian Bogost maakt zich grote zorgen.

    Ik maak me zorgen. Over het welzijn van mijn gezin. Over mijn huis. Mijn stomme spullen, en mijn dierbare spullen. Doet iedereen toch? ‘Geluk,’ zegt Don Draper in de pilot van Mad Men, ‘is vrij zijn van angst.’ Bedrijven verkopen remedies tegen die angsten – ook al zijn ze soms ingebeeld. Mondwater, bedacht als remedie voor de verzonnen aandoening halitose. De gympen van Nike, waarop meer wordt gesjokt dan hardgelopen. Het modernistische kastje van glas en aluminium van Apple, de droom van iedere controlfreak. Zoals mensen oorspronkelijk een mobiele telefoon kochten voor hypothetische noodgevallen, zo moeten ook slimme apparaten met een internetverbinding nu allerlei angsten bezweren. Camera’s met bewegingsdetector om boosaardige babysitters van snode plannen te weerhouden. Een videocamera in de deurbel om straatventers en inbrekers af te schrikken. Een digitale weegschaal om een ramp met je gasbarbecue te voorkomen. Sensoren die waarschuwen voor overstroming.

    Op individueel niveau zijn zulke angsten en remedies meestal onschadelijk en hooguit vergeefs. Maar als veel mensen zo’n product gaan gebruiken, wordt het tijd om je zorgen te maken. Slimme apparaten veroorzaken ingrijpende veiligheidsproblemen – zoals duidelijk blijkt uit een recente botnetaanval, waarbij slecht beveiligde settopboxen en internetcamera’s werden gebruikt om het halve internet plat te leggen [zie kader ‘Cyberleger’, onderaan]. Met de totale controle die het ‘internet der dingen’ belooft, verruil je de onzekerheid van angst voor de zekerheid van totaal toezicht. Als je gadgets wilt hebben om alles in de gaten te houden, moeten die gadgets ook jou in de gaten kunnen houden. In veel sterkere mate dan je denkt.

    Heb je een cirkelzaag of een vibrator in huis? Dat vindt je verzekeraar misschien interessant – en anders je werkgever wel

    Ik kijk op mijn smartphone naar de app Sense. Die toont me een livegrafiek van het stroomverbruik in mijn huis. Als ik een lamp aandoe, gaat de grafiek meteen een beetje omhoog. De data zijn afkomstig van een in de meterkast geïnstalleerde verbruiksmeter – een klein oranje doosje met een wifi-antenne om de data via internet door te geven aan Sense. Op een ander scherm van de app wordt met kleine en grote cirkels gevisualiseerd hoeveel stroom de afzonderlijke apparaten in huis verbruiken. Mijn airco-installatie is de grootste cirkel, dan komt de oven (we zijn cupcakes aan het bakken), daarna de lamp. Zodra ik de lamp uitschakel, verdwijnt die cirkel als bij toverslag. Mijn lampen en mijn oven zijn niet verbonden met internet, maar omdat mijn meterkast dat nu wel is, weet Sense wanneer ik welke apparatuur gebruik, en hoelang, en hoeveel stroom dat kost.

    Deze vorm van data-analyse wordt energy disaggregation genoemd, ‘energiedesaggregatie’, en bestaat al sinds de jaren tachtig. Bij desaggregatie van energiesignalen wordt geprobeerd het totale stroomverbruik in een gebouw uit te splitsen naar afzonderlijke segmenten: het verbruik van de airco, huishoudelijke apparatuur, verlichting, enzovoort. Met deze methode wordt van oorsprong het verbruik en de efficiëntie van elektrische apparatuur gemeten. Maar Sense Labs, de start-up in Massachusetts waarvan ik dat apparaatje in de meterkast mag uitproberen, heeft grotere en vreemdere plannen.

    Mike Phillips, de CEO van Sense, komt uit de wereld van de spraakherkenning. Zijn bedrijf SpeechWorks, dat in 2000 naar de beurs ging, heeft spraakherkenningssoftware ontwikkeld voor telefonische keuzemenu’s bij grote bedrijven. Sommige technieken waarmee computers spraak kunnen herkennen en begrijpen, blijken ook toepasbaar op stroomverbruik. Sense desaggregeert het stroomverbruik door uit minieme wijzigingen in voltage en wattage de signatuur van afzonderlijke apparaten af te leiden. Ter verhoging van de kwaliteit van die herkenning beschikt het systeem over lerend vermogen: door de data van alle verbruikspatronen van alle elektrische apparatuur van alle Sense-gebruikers te verzamelen, kan de app steeds meer apparaten steeds beter en sneller herkennen.

    Op het eerste gezicht lijkt Sense alleen een product voor mensen met obsessieve neigingen: mensen die alles in huis op internet willen aansluiten om er op hun smartphone naar te kunnen turen, mensen die hun stroomverbruik tot ver achter de komma willen bijhouden, mensen die geregeld bang zijn dat ze de oven of het strijkijzer aan hebben laten staan. Maar Sense Labs is er niet alleen voor de kostenbewuste of ziekelijk bezorgde consument. Op het eerste gezicht lijkt de waarde van het systeem vooral te schuilen in de inzage in je stroomverbruik. Maar dat zegt nog veel meer over wat er in je huis gebeurt, legt Phillips uit. Als Sense-gebruikers bijvoorbeeld zien dat om vier uur ’s middags de tv aangaat, kunnen ze daaruit afleiden dat de kinderen veilig thuis zijn van school. Als ze zien dat de oven aangaat, weten ze dat hun wederhelft niet is vergeten om de kip in de oven te doen. Als ze kijken wanneer de garagedeur gisteravond voor het laatst is gebruikt, weten ze of hun tiener inderdaad op tijd thuis was. Zo hoopt Sense uiteindelijk een soort huisbrein te bieden dat veel meer doet dan alleen je stroomverbruik meten.

    Dan kan het ook functies van andere gadgets overnemen. Een veelgebruikt apparaatje van het internet der dingen is bijvoorbeeld een vochtmeter met wifi, zoals die van Twine. Monteer die in je kelder en je krijgt een tekstbericht zodra de kelder overstroomt. Sense kan dat doen door het verbruik van je vaste kelderpomp te meten. Op de website van Sense worden nog allerlei andere veelbelovende toepassingen genoemd, zoals een melding dat de wasmachine klaar is of een overzicht van hoeveel je tv kijkt. Uiteindelijk kun je apparaten via dit systeem misschien ook aan- en uitzetten.

    Illustraties: © Paul Faassen
    Illustraties: © Paul Faassen

    In de praktijk is zelfs een simpel seintje dat de was klaar is nog toekomstmuziek. Op dit moment kan Sense alleen een overzicht tonen van wanneer verschillende apparaten aan- en uitstaan. Voor zover het die apparaten dus herkent. Het duurt een paar dagen voordat Sense de apparaten in je huis begint te herkennen, en volgens Phillips heeft de app na een maandje een compleet overzicht. Zo zie ik maar een paar van de lampen in ons huis in de app staan, en sommige apparaten staan soms wel in de lijst en dan weer niet. Dat is een verschil met de onmiddellijke bevrediging van de meeste internetgadgets: Sense is traag en semipermanent. Het apparaat moet door een professionele monteur worden geïnstalleerd (zodat je jezelf niet elektrocuteert). En het werkt alleen als er wifi is – maar de meterkast zit vaak in de kelder of de garage, terwijl de wifi-router vaak heel ergens anders staat. Sense overweegt het kastje te voorzien van een ethernetingang, maar veel huiseigenaren hebben ook geen ethernetkabel naar de meterkast liggen.

    Deze consumentenversie van stroomdesaggregatie staat dan ook nog in de kinderschoenen. De precisie van het Sense-systeem moet nog groeien, en dat gebeurt vanzelf naarmate meer mensen het systeem installeren en het in staat stellen zijn kennis te vergroten. Sense lijkt mij het begin van een nieuwe en blijvende ontwikkeling van het internet der dingen. Om die toekomst te ontsluiten moet Sense een dienst leveren die interessant genoeg is om voldoende consumenten over te halen dit apparaat permanent in hun meterkast te installeren. In een tijd waarin met ‘slimme’ apparaten grootschalige DDoS-aanvallen worden gepleegd en je met een drone de verlichting van een kantoorgebouw kunt hacken, vormt de zorg om onze veiligheid en privacy misschien nog de grootste hinderpaal voor grootschalige invoering.

    Op het gebied van beveiliging is Sense in theorie een verbetering op reeds bestaande slimme apparaten, die al in grote aantallen worden gebruikt terwijl bij het ontwerp ervan de beveiliging vaak is verwaarloosd. Als je niet meer elk afzonderlijk apparaat maar alleen één sensor in de meterkast met internet laat communiceren, verminder je het aantal mogelijke inbraakpunten. Alleen het Sense-kastje zelf kan dan nog worden gehackt. Maar met privacy ligt het lastiger. Sense luistert immers mee met elk elektrisch apparaat in huis en legt daar alles van vast. Dat zijn wel heel veel privacygevoelige en bijzonder waardevolle data.

    Early adopters installeerden de slimme thermostaat van Nest vaak zonder ten volle te beseffen hoeveel dat apparaat weet over wie er wanneer in huis is. Toen Nest in 2014 voor 3,2 miljard dollar door Google werd gekocht, kon Google dat kijkje in al die huishoudens in één klap combineren met wat het verder over zijn gebruikers weet: wat ze op internet zoeken, waar ze zich bevinden, enzovoort. Sense biedt dezelfde mogelijkheid om direct data te verzamelen over alles wat mensen thuis met stroom doen – wat tegenwoordig bijna alles is.

    Dom houden

    De Nest-thermostaat weet ruwweg wanneer iemand wel en niet thuis is. Maar als je een smartphone met Google Maps hebt, wist Google dat waarschijnlijk toch al. Sense kan ook zien wanneer mensen specifieke apparaten en lampen gebruiken: hoe vaak en hoelang. Het lijkt misschien onschuldig dat ze meten hoe vaak jij je garagedeur en je oven gebruikt, tot je bedenkt dat big data nu al worden gebruikt om te beoordelen of mensen in aanmerking komen voor een verzekering of een lening. Hoe vaak je garagedeur open- en dichtgaat kan iets zeggen over het risico dat je loopt als automobilist, afgemeten aan hoe vaak en op welke tijdstippen je de auto gebruikt. En hoe vaak je de elektrische oven of het fornuis, de blender of de magnetron aanzet (of juist niet) kan iets zeggen over het kookpatroon in een huishouden, en daarmee over de gezondheid van de leden daarvan. Heb je een cirkelzaag of een vibrator in huis? Ook dat vindt je verzekeraar misschien interessant – en anders je werkgever wel. Een sollicitant bij wie iedere dag het strijkijzer aanstaat is misschien aantrekkelijker dan iemand die elke dag een ‘persoonlijke stimulator’ gebruikt. En een magazijnmedewerker die in zijn vrije tijd met gevaarlijk gereedschap in de weer is, is misschien een minder aantrekkelijke werknemer dan iemand die in zijn vrije tijd meestal veilig voor de tv zit.

    Ook de commerciële toepassingen van deze data zijn legio. Stel dat Amazon, Walmart en Google niet alleen weten welke producten hun klanten zoeken en kopen, maar ook welke alledaagse niet-elektronische producten ze al bezitten en hoe vaak ze die gebruiken. Dan kan hun pornoconsumptie worden afgezet tegen hun drinkgedrag. Hun slaapgewoonten (afgeleid van het gebruik van de tv en lampen in huis) tegen hun neiging om online impulsaankopen te doen. Hebben mannen die zich dagelijks elektrisch scheren een voorkeur voor boxershorts en mannen die dat om de dag doen een voorkeur voor slips? Binnenkort weet Facebook het misschien en past er dan zijn advertenties op aan.

    Voorlopig kan Sense zulke gedetailleerde informatie nog niet geven. Maar mettertijd zal het potentieel van deze vorm van dataverzameling groeien. Niet alleen door het zelflerend vermogen van hun systeem, maar ook omdat desaggregatie van stroomverbruik uiteindelijk misschien wordt ingebakken in afzonderlijke apparaten of zelfs in het hele stroomnet. Voor het internet der dingen moeten apparaten nu ieder afzonderlijk een netwerkverbinding kunnen maken. Dat is een van de redenen dat die slimme apparaten zo lastig te beheren zijn, om niet te zeggen ronduit onveilig. Maar het stelt je ook in staat om die slimme apparaten dom te houden: je kunt er altijd voor kiezen om de wifi-functie van je waterkoker of je koelkast níét te gebruiken, en er gewoon thee mee te zetten of eten mee te koelen zoals je vroeger gewend was. Zodra echter eenmaal een apparaatje zoals dat van Sense is geïnstalleerd, kunnen gegevens over welke apparaten je gebruikt, en hoe vaak en wanneer, gewoon worden verzameld via het lichtnet, ook zonder dat jij als consument daar weet van hebt.

    De meeste zogenaamde slimme apparaten zijn eigenlijk oliedom. Ten eerste omdat ze vooral ten dienste staan van een Internet der Dingen Die Je Helemaal Niet Nodig Hebt

    Ik ben te rade gegaan bij mijn collega Justin Romberg van Georgia Tech, docent elektrotechniek en deskundige op het gebied van digitale signaalverwerking. Een gewoon apparaat zoals een blender of een scheerapparaat kan volgens hem gemakkelijk met een elektriciteitsmeter samenwerken door een vooraf bepaalde elektrische puls te versturen, om aan te geven wanneer het aan en uit wordt gezet of zelfs extra informatie te geven over wat het uitvoert. Het is hypothetisch en het zou nog jaren kosten om zoiets uit te rollen. Maar als het voortaan standaard wordt ingebouwd, kan die ingebouwde puls compatibel worden gemaakt met lokale analysesystemen als Sense of met een uitleespunt buitenshuis. Dan staan straks alle apparaten stiekem te vertellen hoe ze door hun eigenaar worden gebruikt. Neutraal kun je deze techniek dus bepaald niet noemen.

    Het moet gezegd dat de leiding van Sense zich bewust is van de privacygevaren van hun dienst. Mike Phillips erkent dat het van vitaal belang is voor het succes van zijn product om het vertrouwen van de consument te winnen. Maar hij hoopt dat vertrouwen van meet af aan te hebben. Volgens de eigen voorwaarden mag het bedrijf immers geen gegevens doorverkopen zonder expliciete toestemming van de gebruiker en belooft het alle gegevens te wissen als een gebruiker daarom vraagt. Sense behoudt zich wel het recht voor geanonimiseerde data te gebruiken om zijn zelflerende algoritmes te voeden.

    Technologiebedrijven veranderen hun voorwaarden natuurlijk aan de lopende band, en zodra zo’n met durfkapitaal gefinancierd bedrijf succes heeft, wordt het meestal opgekocht. In dat opzicht garandeert de financiering van Sense misschien wat meer fatsoen in de omgang met data dan bij traditionele start-ups. In september heeft het bij een investeringsronde 14 miljoen dollar opgehaald, met als grootste investeerders twee fondsen die naar investeringen in nieuwe energie zoeken voor grote, traditionele bedrijven: Energy Impact Partners, een investeringsfonds waarin uitsluitend energiebedrijven deelnemen, en de investeringstak van Shell. Door slimme energiemeters in te voeren om de facturering te automatiseren en het aanbod beter af te stemmen op de vraag, hebben energiebedrijven het wantrouwen van de consument aangewakkerd, die vaak met monopolisten te maken heeft. Lindsay Luger, managing director van Energy Impact Partners, zegt dat de investeerders in haar fonds manieren zoeken om het contact met hun klanten te verbeteren. Huiseigenaren zijn misschien niet dol op energiebedrijven, maar wel op hun huis; voor veel Amerikanen is dat hun kostbaarste bezit. Een product als Sense kan energiebedrijven in staat stellen hun klanten nieuwe diensten aan te bieden op het gebied van duurzaamheid, controle en automatisering in huis. Veel energiebedrijven proberen deze ontwikkeling te stimuleren door korting te geven op de aanschaf van een Nest-thermostaat, en in de toekomst misschien ook op het kastje van Sense.

    Nieuwe databases

    Dat kan natuurlijk weer leiden tot het aanleggen van nieuwe databases. Luger toont zich net als Phillips bewust van het privacy-aspect, maar zegt ook dat mensen er steeds minder moeite mee hebben persoonlijke data te delen, zeker als ze er zelf beter van worden. En dat zou allemaal prima zijn, als Sense garanties kon bieden tegen mogelijk ander gebruik van die data in de toekomst. Maar als start-up moet het bedrijf uiteindelijk toch erkennen dat het een financieel instrument in handen van zijn investeerders is.

    Op dat vlak heeft Sense een voordeel dat zowel indrukwekkend als angstaanjagend is. De meeste zogenaamde slimme apparaten zijn eigenlijk oliedom. Ten eerste omdat ze vooral ten dienste staan van een Internet der Dingen Die Je Helemaal Niet Nodig Hebt: apparaten met internet verbinden maakt simpele zaken vaak nodeloos ingewikkeld. Vraag maar aan de man die elf uur lang probeerde thee te zetten met een wifi-waterkoker. Ten tweede zijn het domme apparaten omdat de processoren die erin zitten complete computertjes zijn, terwijl die apparaten toch weinig meer bieden dan een extra knopje en de mogelijkheid om data door te sluizen. Tel daarbij op de veiligheidsproblemen, en dat hele internet der dingen lijkt eigenlijk grote zottigheid.

    Erger nog: het alternatief voor die domme ‘slimme’ apparaten is misschien niet intelligentie maar geslepenheid. Mensen als Mike Phillips en Lindsay Luger kunnen nog zo eerlijk en vol goede bedoelingen zijn, een dienst zoals die van Sense blijft een doos van Pandora. Meer dan ooit moeten de maatschappelijke en ethische implicaties van een product worden beoordeeld op basis van alle mógelijke toekomstige manieren waarop het kan worden gebruikt.

    Luger zegt dat haar fonds geen investeringen doet met een specifieke exitstrategie in het achterhoofd. ‘Ontwikkel een goed bedrijf en je vindt vanzelf een uitgang,’ zegt ze. Ze wijst erop dat het systeem van Sense voor veel sectoren interessant kan zijn: energiebedrijven, de beleggers in haar fonds, zijn logische kandidaten om het op te kopen. Maar ze erkent dat ook Google en Amazon interesse kunnen hebben, evenals verzekeraars of fabrikanten die de door hun apparatuur gegenereerde data willen verzamelen. De toekomst van datadesaggregatie in huishoudens lijkt er dus een te worden van data die continu wordt verzameld.

    Als die toekomst al te bedreigend wordt, kunnen gebruikers altijd een monteur inschakelen om het kastje van Sense uit hun meterkast te halen. Maar de werkelijkheid is nooit zo simpel, zeker niet als een curiositeit eenmaal de norm is geworden. Hoe makkelijk is het nu nog om op internet te zoeken zonder Google, om contact met je vrienden te onderhouden zonder Facebook of te netwerken zonder LinkedIn? Het is allang duidelijk dat consumenten hun persoonlijke data grif afstaan in ruil voor geld of kortingen. Verzekeraars vinden dat ook interessant. Straks kun je misschien je auto niet meer verzekeren als je er geen internetkastje in wilt installeren. Of krijg je geen zorgverzekering als je geen fitnesstracker gebruikt. Kun je geen lening afsluiten zonder volledige inzage te geven in je socialmediagebruik. En kun je misschien geen stroom meer afnemen zonder in te stemmen met het gebruik van zo’n energiedesaggregator.

    Voeg daarbij de onzekerheid over hoe technologiebedrijven en de nieuwe regering gaan samenwerken onder president Trump, en het verzamelen van al die informatie over het alledaagse leven van gewone mensen gaat steeds minder lijken op een eerlijke uitwisseling van gratis diensten en steeds meer op de ongeplande komst van een maatschappij van totaal toezicht. Het lijkt vergezocht om zo’n beeld te schetsen naar aanleiding van een energiemetertje van 250 dollar dat nu nog weinig afnemers heeft en gemaakt wordt door alleraardigste mensen met de beste bedoelingen. Maar zoiets lijkt altijd vergezocht tot het ineens een voldongen feit is. Het schrikbeeld van een slim apparaatje zoals dat van Sense valt samen met de belofte die het uitdraagt: dat dit echt de toekomst is, en dat die onafwendbaar is. Dat is wel iets om even bij stil te staan als je een apparaat aanzet of een stekker in het stopcontact steekt. Op den duur, over niet al te lange tijd zelfs, zal de kleine elektrische puls die dat veroorzaakt via de blender en de spaarlamp zo je huis uit zweven, naar de cloud daar boven, waar hij wordt geboekstaafd en bewaard door federale instanties en marketingafdelingen en actuarissen – tot in eeuwigheid.

    Auteur: Ian Bogost
    Vertaler: Frank Lekens

    Ian Bogost is in de VS een bekende persoonlijkheid in de wereld van de videospelletjes. Behalve ontwerper is hij ook hoogleraar in de informatica aan het Georgia Institute of Technology, en mediafilosoof. Zijn specialiteit is het ontwerpen van ‘serieuze’ videospelletjes met sociale en politieke thema’s (veiligheid op luchthavens, bescherming van consumenten tegen het maken van schulden, grieppandemieën et cetera). Hij gaat ook door voor een pionier op het gebied van newsgames, die steeds vaker opduiken – een toepassing van journalistieke technieken in videospelletjes waarbij de informatie op een ludieke en interactieve manier wordt verpakt.

    CONTEXT: CYBERLEGER

    Veel op het internet aangesloten apparaten zijn slecht beveiligd, waardoor ze een wapen kunnen worden in cyberaanvallen.

    Op 21 oktober 2016 ‘kreeg de wereld een voorproefje van de toekomst met een grootschalige cyberaanval, die de toegang blokkeerde tot talrijke websites, zoals die van Twitter en Amazone’, brengt Foreign Policy in herinnering. Die dag kozen de hackers de Amerikaanse onderneming Dyn, waarvan de servers het verkeer op het internet regelen, tot doelwit. Hun wapen? Een leger dat bestond uit een fenomenaal aantal op internet aangesloten objecten, zoals camera’s, printers en zelfs babyfoons, die werden ingezet zonder medeweten van de eigenaren of gebruikers.

    ‘Deze manipulatie berust geheel op het feit dat de honderden miljoenen apparaten die bij dit soort aanvallen worden ingezet, worden verkocht met weinig ingebouwde beveiliging, áls er al sprake is van enige beveiliging’, betoogt Motherboard.

    Deze nieuwe vorm van agressie heeft niet alleen tot gevolg dat de verbindingssnelheid van het internet wordt vertraagd. De aanvallen vormen een werkelijke bedreiging voor de objecten die worden aangevallen, voor het privéleven van de eigenaren, maar ook voor hun gezondheid en in sommige gevallen zelfs voor hun leven. Dat is in elk geval de boodschap die vooraanstaande deskundigen op het gebied van internetbeveiliging medio november vorig jaar neerlegden in een rapport aan het Amerikaanse Congres.

    Volgens deze experts ontbreekt een degelijke beveiliging ook op computers en andere op het internet aangesloten instrumenten in ziekenhuizen, vooral in systemen die bijvoorbeeld het functioneren van liften, de ventilatie en andere installaties regelen. ‘Het is niet zo lastig om je voor te stellen welke dodelijke catastrofe zich zou kunnen voordoen – en dat dwingt de overheid tot ingrijpen om dit falen van de markt te corrigeren’, schrijft Bruce Schneier, veiligheidsexpert aan Harvard, in MIT Technology Review. Schneier pleit voor een agentschap dat regels opstelt voor de ‘cyberveiligheid’.

    VS – DE TV KIJKT MEE

    ‘Uw televisie bespiedt u ongetwijfeld meer dan dat u naar het scherm kijkt’, waarschuwt Pacific Standard. Het Amerikaanse tijdschrift heeft één speciaal merk op het oog, namelijk Vizio, de nummer 1 op de markt van ‘intelligente’ tv-toestellen in de Verenigde Staten.

    ‘De toestellen registreren de kijkgewoonten van de bezitter en delen die gegevens met reclamebureaus, die op hun beurt u weten terug te vinden op uw laptop of op andere apparatuur die met het internet in verbinding staat’, onthult Standard.

    Het systeem wordt in werking gesteld door een ‘mankement’ aan de toestellen van dit merk (om het systeem uit te schakelen moet de gebruiker zelf actie ondernemen), in tegenstelling tot de toestellen van de concurrentie, waarvan het volgsysteem pas in werking treedt als de gebruiker daarin toestemt.

    DUITSLAND – VEILIGHEID INTERESSEERT FABRIKANTEN NAUWELIJKS

    We worden omringd door apparaten die op het internet der dingen zijn aangesloten, ‘maar elk van die apparaten is een potentieel lek in het wereldwijde web’, schrijft Süddeutsche Zeitung verontrust. Om onze apparatuur te beveiligen is niets zo goed als een deugdelijk wachtwoord, raadt de Duitse krant aan, die het onderwerp grondig heeft onderzocht. Vergeet het klassieke ‘123456’, dat vaak tevoren op het apparaat is geïnstalleerd en dat veel gebruikers na aankoop niet wijzigen.

    Maar dan moet de fabrikant de koper wel de mogelijkheid bieden de toegangscode te wijzigen. En daar schort het soms aan, constateert de Süddeutsche. Het Duitse bureau voor veiligheid op het gebied van informatica raadt trouwens aan om de UPnP-functie (Universal Plug and Play) uit te schakelen, die het apparaat in staat stelt in een systeem te functioneren, maar die tevens piraterij vergemakkelijkt. Bovendien moet de gebruiker van dergelijke apparaten zo veel mogelijk de nieuwste updates installeren die de fabrikant verstrekt.

    Tot op heden tonen de fabrikanten zich nauwelijks geïnteresseerd in beveiliging

    Een ingewikkelde maar relatief veilige methode is het installeren van een zogeheten VPN (Virtual Private Network), schrijft de krant. Het betreft een privénetwerk dat alle apparaten in huis onderling verbindt. Daartoe moet waarschijnlijk de hulp van een specialist worden ingeroepen.

    De verantwoordelijkheid voor de beveiliging van dergelijke apparaten berust dus geheel bij de gebruiker, benadrukt de krant. ‘Die opgelegde verantwoordelijkheid is een vergissing, want de gebruikers zijn goeddeels afhankelijk van de fabrikant.’ Hun bewegingsvrijheid is wat dit soort apparaten betreft dus beperkt. ‘Ze kunnen noch het gebruikssysteem kiezen, noch aanvullende apparatuur installeren om zich te beveiligen.’

    Tot op heden tonen de fabrikanten zich nauwelijks geïnteresseerd in beveiliging, en het wordt hoog tijd dat daar verandering in komt, schrijft de Süddeutsche, die de suggestie doet een keurmerk te introduceren waarop de koper kan aflezen in hoeverre een product veilig te gebruiken is.

    VS – BARBIE ALS KLIKSPAAN

    Is met internet verbonden speelgoed het nieuwe doelwit van Big Brother? Die vraag stelde onlangs New Scientist, dat zich verontrust afvroeg hoeveel van dat speelgoed de Kerstman dit jaar weer onder de kerstboom had gelegd. Al in 2015 veroorzaakte Hello Barbie, het popje waarmee de kleintjes kunnen praten, een schandaal.

    Alle woordjes die de kinderen uitspreken worden opgevangen door een microfoon en doorgestuurd naar en ontleed door algoritmen voor stemherkenning, opdat het popje een enigszins adequaat antwoord op gestelde vragen kan formuleren.

    ‘Er is op zich niets illegaals aan het functioneren van Hello Barbie’, schrijft het wetenschapsblad, ‘maar een fabrikant kan zich keurig houden aan alle wetten en voorschriften en niettemin het privédomein van kleine kinderen betreden. Want die kindertjes begrijpen niet dat een speelpopje geen geheimen kan bewaren en dat alles wat ze tegen hun Barbie zeggen ook afgeluisterd kan worden door een onzichtbare batterij ingenieurs en ontwerpers – en ook door hun ouders.’

    unnamed 2

    ITALIË – DE TOEKOMST IS AL BEGONNEN

    Het internet der dingen – en niet alleen het internet van de computers en mobiele telefoons – behelst een woud van voorwerpen (van auto’s en thermostaten tot broodroosters en pacemakers) die met het internet zijn verbonden voor meer gemak en – dat was de oorspronkelijke belofte – voor meer veiligheid, schreef de Italiaanse krant Corriere della Sera eind 2014, verwijzend naar een rapport van Europol over onlinecriminaliteit. Naast diefstal van persoonlijke gegevens en identiteitsfraude kan piraterij ten aanzien van gebruiksvoorwerpen die met internet zijn verbonden leiden tot ‘lichamelijke schade, zelfs tot de dood’.

    ‘Het risico van een hartinfarct, veroorzaakt door een hacker via een pacemaker, bestaat natuurlijk, maar die dreiging lijkt veraf, de daad van een krankzinnige’, relativeerde de krant, die tot de slotsom kwam: ‘De bescherming van de persoonlijke gegevens van miljoenen mensen zou daarentegen prioriteit moeten krijgen. Europol heeft in elk geval alarm geslagen.’

    DUITSLAND – ANGSTAANJAGEND ONDERZOEK

    De Süddeutsche Zeitung heeft onlangs na maandenlang onderzoek een serie artikelen gepubliceerd over de veiligheid van op het internet aangesloten apparatuur. ‘Alleen al in Duitsland worden duizenden apparaten geproduceerd die niet worden beveiligd met een wachtwoord en voor iedereen toegankelijk zijn’, luidt de conclusie. De journalisten hebben gebruikgemaakt van de zoekmachine Shodan (shodan.io), waarop een lijst wordt bijgehouden van apparatuur die op het internet moet worden aangesloten, maar het zonder beveiliging moet stellen. Dat kunnen webcams zijn, maar evenzeer controlesystemen in waterzuiveringsinstallaties. Hele levens worden blootgelegd aan wie maar wil toekijken, terwijl elk niet-beveiligd apparaat tevens kan dienen als schakel in massale cyberaanvallen.

    ISRAËL – KNIPPERLICHT IN DE NEGEV

    Op een avond in 2016 begonnen de ‘intelligente’ lampen van een gebouw van het Weizmann Instituut en vervolgens ook van een woonflat in Beer Sheva in de Negev-woestijn voortdurend aan en uit te knipperen, zonder regelmaat, en ze veranderden daarbij ook nog eens bij voortduring van sterkte en van kleur. Waren ze gek geworden?

    In werkelijkheid werden beide gebouwen ‘aangevallen’ door onderzoekers van het Weizmann Instituut zelf en van de Dalhousie-universiteit in het Canadese Halifax, die erin waren geslaagd de controle in beide gebouwen over te nemen. Daartoe hadden ze een ‘informaticaworm’ ontwikkeld met behulp van een tamelijk onbekend internetprotocol, genaamd ZigBee, een standaard voor verbindingen op korte afstand, te vergelijken met de Bluetooth-technologie.

    ‘De onderzoekers toonden aan dat zij door controle te krijgen over slechts één enkele lamp, binnen een paar minuten een groot aantal andere lampen in de nabijheid een voor een konden manipuleren’, schreef_ The New York Times._ Dezelfde techniek zou gebruikt kunnen worden, aldus de krant, als opstapje om informatie te stelen, enorme hoeveelheden spam te versturen en zelfs een groot aantal aanvallen van epilepsie te veroorzaken.

    unnamed

    ISRAËL – DE KOPTELEFOON TELEFONEERT

    Stelt u zich voor dat uw koptelefoon en andersoortige luidsprekers zich zouden ontpoppen tot microfoons. Of nog erger: dat men uw gesprekken zou kunnen afluisteren via dit soort apparaten. Het klinkt als sciencefiction, maar toch zijn onderzoekers van de Ben Goerion Universiteit in Beer-Sheva daar op redelijk eenvoudige wijze in geslaagd, zo maakten zij eind vorig jaar bekend.

    ‘Ze ontwikkelden “vijandige” programmatuur om de membranen van dergelijke apparaten in omgekeerde richting te laten werken, waarbij geluidstrillingen uit de omgeving werden omgezet in electromagnetische signalen,’ zo bericht The Times of Israel. De onderzoekers beweren dat er op het moment geen enkel antwoord bestaat tegen hun programmatuur.

    NIEUW-ZEELAND – ZELFS DE VIBRATOR WORDT NIET ONTZIEN

    In de zomer van vorig jaar onthulden twee hackers uit Nieuw-Zeeland hoe zij erin slaagden clandestien verbinding te maken met seksspeeltjes. Ze richtten hun aanvallen op We-Vibe 4 Plus, een van de meest verkochte producten op deze markt, en vingen gegevens op die door de apparaatjes werden uitgezonden.

    ‘Wat het duo vond was verbazingwekkend,’ schrijft het Amerikaanse onlinemagazine Motherboard. Niet alleen bleek het apparaat elke minuut zijn temperatuur door te seinen naar de fabrikant, maar ook de intensiteit waarmee het apparaat werd gebruikt werd terstond gemeld.

    De fabrikant wordt er op die manier rechtstreeks van verwittigd dat het apparaat wordt gebruikt en op welke wijze, of het nu op het internet is aangesloten of niet. Dat is verontrustend nieuws, want afgezien van de manifeste inbreuk op het privé-leven van de gebruiker, is de verkoop of het bezit van dit soort speelgoed in een aantal landen, waaronder India en de Filippijnen, verboden.

  • Met DNA kanker te lijf

    Met DNA kanker te lijf

    De Amerikaanse biochemicus Jennifer Doudna is een drijvende kracht achter CRISPR, een revolutionaire techniek voor het ‘herschrijven van DNA’ die zou kunnen helpen bij de genezing van kanker. Technologiesite The Verge – die vijf jaar bestaat – interviewde haar over haar verwachtingen voor het jaar 2021.

    Misschien hebt u weleens gehoord van CRISPRcas9, of kortweg CRISPR, een techniek om in te grijpen in genetisch materiaal. CRISPR, dat in 2012 is geïntroduceerd, werkt als een soort schaar die DNA kan knippen en bepaalde stukken genetisch materiaal kan herordenen of toevoegen, met opmerkelijke, sciencefictionachtige resultaten: CRISPR kan helpen om muggen te maken die geen malaria overbrengen, en het kan worden gebruikt om buitengewoon gespierde honden te kweken, of zelfs minivarkens. Bij de mens wordt de techniek getest om te kijken of ze kan helpen in de strijd tegen kanker – door de immuuncellen van patiënten te verwijderen en te bewerken, en de gewapende cellen vervolgens weer terug in het lichaam te brengen, waar ze de jacht op kankercellen kunnen openen. Een van de wetenschappers achter deze techniek is Jennifer Doudna, een biochemicus die is verbonden aan de Universiteit van California in Berkeley. Samen met Emmanuelle Charpentier, Martin Jinek en Krzysztof Chylinski is Doudna erin geslaagd het systeem van bacteriën die de strijd aanbinden met virussen zodanig te manipuleren dat de veelgeprezen celaanpassingstechniek is ontstaan.

    Hoe kijkt het publiek aan tegen CRISPR?

    ‘Het publiek heeft het idee dat deze ontwikkeling nog in een zeer vroeg stadium is. Men heeft er wel van gehoord. Het acroniem klinkt mensen bekend in de oren. Ik neem weleens een taxi en dan zegt de chauffeur soms: “O, houdt u zich bezig met CRISPR? Ja, daar heb ik weleens wat over gelezen.” Mensen moeten nog altijd moeite doen om te bevatten waar het over gaat en wat het betekent, voor hen persoonlijk en voor onze toekomst. In algemene zin is het altijd lastig voor mensen om te bevatten dat het tijd kost voordat een nieuwe technologie ook echt realiteit is. Op het terrein van de CRISPR-technologie voor genetische manipulatie zien we dat het allemaal opmerkelijk snel gaat, wetenschappelijk gezien. De technologie is nog maar iets van vier jaar oud, en nu al heeft dit de manier veranderd waarop wetenschappelijk onderzoek wordt uitgevoerd. Ook het commerciële landschap is erdoor veranderd – er zijn inmiddels veel bedrijven die deze technologie gebruiken.

    Maar voor veel mensen is het moeilijk te begrijpen waarom het zo lang duurt voordat er een nieuw geneesmiddel is ontwikkeld. Als ik realistisch ben kan dat nog wel een jaar of tien duren, want het kost tijd om ons ervan te verzekeren dat het veilig en effectief is.’

    We zien heel voorzichtig de eerste tests van CRISPR-technologie bij mensen. Hoe denkt u dat het er in 2021 voorstaat?

    ‘De komende vijf jaar zullen heel interessant zijn op dit terrein. In 2021 zullen er ongetwijfeld meer klinische tests worden gedaan. De tests die momenteel zijn toegestaan, hebben allemaal betrekking op kanker. Men is bezig met een bepaald type aanpassing dat zou kunnen aanslaan bij kanker – en wel door de eigen immuuncellen van de patiënt zo te programmeren dat ze kankercellen opsporen en vernietigen. Dat is een opwindend vooruitzicht, maar als we verder in de toekomst kijken zullen we steeds meer pogingen zien, en naar ik hoop ook steeds meer klinische tests, die zijn bedoeld om genetische aandoeningen van het bloed, de ogen en de lever te bestrijden. Als we nog iets verder in de toekomst kijken, dan richt het zich wellicht ook op ziekten die ander weefsel aantasten. Daarbij denk ik dan aan Duchenne, een spierziekte, waar je veel over hoort. Ook taaislijmziekte komt veel aan de orde.’

    Jennifer Doudna.
    Jennifer Doudna.

    Wat voor tests kunnen we de komende vijf jaar bijvoorbeeld verwachten met betrekking tot sikkelcelanemie? [Een erfelijke aandoening waarbij de rode bloedlichaampjes door een afwijkend type hemoglobine sikkelvormig raken, wat zuurstofgebrek veroorzaakt.]

    ‘Met de technologie voor genaanpassing die momenteel beschikbaar is, zijn we al in staat het defect te repareren dat verantwoordelijk is voor sikkelcelanemie bij cellen die in een laboratorium zijn gekweekt. De uitdaging is nu om die techniek zo in te zetten dat hij aanslaat bij patiënten. Daartoe moet de genaanpassingstechnologie ingrijpende veranderingen aanbrengen in de bloedcellen. We moeten in staat zijn in te grijpen in de bloedstamcellen, zodat die het bloedvatenstelsel voorzien van nieuwe cellen die geen sikkelvormige afwijking hebben. Het mooie is dat hier momenteel in heel veel laboratoria heel hard aan wordt gewerkt. Ik denk dat we belangrijke ontwikkelingen zullen blijven zien op dit terrein.’

    Als je bijvoorbeeld kijkt naar taaislijmziekte, hoe ziet de toekomst er dan uit als we zeggen: ‘We gaan dit zo aanpakken dat de genetische mutaties die wij teweegbrengen niet worden doorgegeven aan onze kinderen?’

    ‘Verschillende laboratoria die aan diverse technieken voor taaislijmziekte werken, hebben successen geboekt in laboratoria. Men is in staat geweest genaanpassingen te doen aan weefsel dat in het laboratorium is gekweekt en dat overeenkomt met het weefsel van mensen met taaislijmziekte. We weten dat de technologie hiertoe in staat is. Nu moeten we wederom de kloof overbruggen tussen wat zich in het laboratorium afspeelt en wat we graag zouden willen doen in tests, en dat dan op een veilige manier. Er is duidelijk nog veel werk te verzetten, maar het is zijn spannende tijden, omdat je langzaam gaat zien hoe de puzzelstukken in elkaar zouden kunnen grijpen. Er is een manier om CRISPR toe te passen bij embryo’s, maar die hebben we nog niet tot op de bodem onderzocht, deels vanwege het ethische aspect en deels omdat we nog niet helemaal in kaart hebben gebracht wat het zou kunnen gaan betekenen.’

    Wat zou het aanpassen van embryo’s kunnen betekenen voor bijvoorbeeld taaislijmziekte of spierziekten?

    ‘Een van de interessante dingen op dit moment is dat er vier landen zijn die toestemming hebben gegeven om CRISPR-experimenten te doen bij menselijke embryo’s. We hebben het er dan alleen over om deze techniek te gebruiken in een heel vroeg embryonaal stadium om te onderzoeken hoe effectief het is, en of het veilig is, en of het de gewenste mogelijkheden biedt om veranderingen aan te brengen aan het menselijke genoom – veranderingen die, in principe, ziekten kunnen genezen. Afhankelijk van de uitkomsten van deze experimenten zal er meer interesse komen, en meer druk, om verder onderzoek te doen naar de toepassing van bepaalde vormen van genetische manipulatie bij embryo’s. Daarom is het zo belangrijk er nu een open debat over te voeren, al zijn we momenteel nog niet zover met de technologie. Hoe kunnen we zorgen dat we een ethisch verantwoord pad bewandelen? Er zijn geen simpele antwoorden, maar ik heb het gevoel dat er in de toekomst redenen kunnen zijn om te zeggen: “Het is in bepaalde gevallen misschien ethisch onverantwoord om het níét voor die doeleinden te gebruiken.” Ervan uitgaande dat kan worden aangetoond dat bepaalde toepassingen bij embryo’s veilig en zinvol zijn.’

    ‘Ja, ik maak me zorgen, maar die zorgen zijn niet specifiek gerelateerd aan deze technologie’

    Boezemt deze technologie, de macht van deze technologie, u op wat voor manier dan ook angst in?

    ‘Als ik kijk naar wat me zorgen baart, aangaande deze technologie, dan is dat eigenlijk hoe weinig we weten van de werking van genen, met name de interactie van genen binnen ons eigen genoom. Niet alleen bij mensen, maar ook bij andere organismen. Een van de grootste vragen is of we, misschien pas over tientallen jaren, geconfronteerd zullen worden met onbedoelde gevolgen wanneer we gebruikmaken van deze technologie om permanente wijzigingen aan te brengen in de kiembaan van een embryo. Hoe ga je om met die vraagstukken? Ik weet het niet. Kun je dierproeven doen? Misschien, maar als we echt die kant op willen komt er toch een moment dat je het op een mens zult moeten uitproberen. Alleen al het nadenken over de vraag hoe je dat moet doen, hoe je zelfs maar het onderzoek moet opzetten om de gegevens te vergaren die nodig zijn om tot een afgewogen besluit te kunnen komen, is een ongekende uitdaging.’

    Maakt u zich weleens zorgen dat er mensen zullen zijn die deze technologie voor onethische doeleinden zouden kunnen aanwenden?

    ‘Zeker maak ik me daar zorgen over, maar eerlijk gezegd baart het kernwapenarsenaal me minstens zo veel zorgen. We beschikken over andere technologieën die ook zonder meer heel invloedrijk zijn en die ook kunnen worden ingezet door mensen die andere ethische normen aanhangen dan wij graag zouden zien. Dus ja, ik maak me zorgen, maar die zorgen zijn niet specifiek gerelateerd aan deze technologie.’

    We hebben het voornamelijk over de mens gehad. Staan we voor andere uitdagingen wanneer het gaat over het modificeren van gewassen of dieren? Zijn de risico’s en de voordelen in theorie anders?

    ‘In termen van technologie zijn de uitdagingen vergelijkbaar, maar de details verschillen. Bij planten is het bijvoorbeeld een heel spannende ontwikkeling dat we in theorie veel sneller dan vroeger, en in ieder geval veel preciezer, veranderingen in het DNA kunnen aanbrengen. Dat betekent bijvoorbeeld dat we geen zaden hoeven te muteren met behulp van chemicaliën, om vervolgens te proberen een selectie te maken van planten die de verlangde reacties vertonen – de manier waarop het nu gaat, als we eerlijk zijn. Met voldoende informatie kunnen we heel precies de verlangde verandering in het gen aanbrengen, zonder te hoeven gokken welke veranderingen ook nog elders in het DNA van dat organisme gaan plaatsvinden. Dat klinkt heel aantrekkelijk, maar ook hier is het de vraag hoe we die verandering aanbrengen. Hoe krijgen we die modificerende moleculen ín de plant? Planten hebben een celwand, wat het nog lastiger maakt om tot in de cel door te dringen. Wat we met CRISPR feitelijk doen is op een bepaalde plek een scheurtje aanbrengen in het DNA. Dan neemt de cel het over om het scheurtje te repareren. En precies daar vindt de mutatie plaats. Bij planten is dat proces niet zo makkelijk te sturen. Bij dieren is het ook lastig, maar bij planten weten we maar betrekkelijk weinig over hoe het precies in zijn werk gaat. Het onderzoek zal erop gericht zijn greep te krijgen op dat proces.’

    Hoelang denkt u dat het gaat duren voor we bijvoorbeeld gemodificeerde muggen in de natuur zullen aantreffen?

    ‘Dat zal op korte termijn het geval zijn. Er is heel veel belangstelling, vooral bij diverse instellingen die zich bezighouden met de vraag: hoe kunnen we technologie aanwenden om de verspreiding van ziekten tegen te gaan? Ziekten als zika of dengue, en andere ziekten die door insecten worden overgebracht, hebben een ongekende negatieve invloed op de mensheid. Het is van cruciaal belang om op een creatieve manier na te denken over het gebruik van nieuwe technologieën bij de bestrijding van ziekten. Nogmaals, daarbij moeten we niet de ogen sluiten voor de mogelijke gevaren van het werken met dergelijke organismen, en we moeten zorgen dat we alle richtlijnen en voorschriften volgen om onbedoelde milieu-effecten te voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld door proeven te doen met gemengde muggenpopulaties in een gecontroleerde omgeving, en dan te kijken wat er in de loop der tijd gebeurt. Dat is gewoon de wet van de natuurlijke selectie. Als een bepaald organisme binnen een populatie een reproductief nadeel heeft, zal het in de loop der tijd door zijn soortgenoten worden verdrongen. Of andersom. 
Als het reproductieve voordelen heeft, zal de populatie binnen die omgeving in de loop der tijd groeien, als alle andere factoren gelijk blijven. Dat fenomeen doet zich nu al voor met die gemodificeerde muggen.

    Omdat deze proeven worden gedaan binnen een gecontroleerde omgeving, is de verwachting dat wetenschappers steeds verfijndere methoden zullen vinden om gebruik te maken van technologieën die bepaalde eigenschappen van muggen kunnen sturen, eigenschappen die gunstig zijn voor de mens, en te garanderen dat deze eigenschappen op de lange termijn binnen de populatie behouden blijven, maar zonder onwenselijke, onbedoelde gevolgen.’


    Zijn er bredere toepassingen? Kunnen we in theorie dieren die nu leven modificeren en min of meer terugwerken naar een dinosauriër, of een mammoet?

    ‘Er is heel veel belangstelling voor wat we “het terugbrengen van uitgestorven dieren” noemen: het idee dat je een organisme dat niet langer op aarde rondloopt kunt terughalen; het herintroduceren van genen die bij het uitsterven verloren zijn gegaan. Er zijn verschillende pogingen gedaan om bijvoorbeeld de wolharige mammoet weer tot leven te wekken. Dat is geen echte dinosauriër, maar het zou behoorlijk spectaculair zijn wanneer men erin zou slagen. Ik heb ook weleens gesproken met Beth Shapiro van de Universiteit van California in Santa Cruz. Zij bestudeert bijvoorbeeld beren, en evolutionaire patronen bij beren en vogels. Er zijn zeker mogelijkheden bij dat soort dieren. Het is een veel grotere uitdaging om echt een dinosauriër terug te halen. We weten niet precies wat de DNA-sequentie is van een dinosauriër.

    U herinnert zich wellicht nog dat het verhaal van Michael Crichton in Jurassic Park stoelde op de aanname dat er insecten in hars waren gevangen, en dat die insecten bloed van dinosauriërs bevatten, en dat daar DNA in zat waarmee nog sequenties konden worden opgebouwd. Helaas is DNA een chemische stof die geen 65 miljoen jaar meegaat. Ik denk dan ook niet dat het erg waarschijnlijk is, maar misschien is het wel mogelijk om de kennis die we hebben vergaard over amfibieën en vogels te combineren, en van daaruit verder te gaan. Ik weet niet hoe dicht men in de buurt kan komen van een echte dinosauriër, maar we zullen ongetwijfeld veel aan de weet komen over de genetische kenmerken van het DNA dat verantwoordelijk is voor enkele van de eigenschappen die we dinosauriërs toedichten.’

    Ziet u de toekomst met vertrouwen tegemoet?

    ‘Ik heb wel vertrouwen in de toekomst, ja. Ik zou er graag op willen wijzen dat veel van de technologieën die de laatste decennia zo in de belangstelling staan – en CRISPR valt ook in deze categorie – het gevolg zijn van zeer fundamenteel onderzoek. Het gaat meestal niet om een gerichte poging om iets uit te vinden, of om een technologie of een idee of een inzicht te ontwikkelen – vaak komen dit soort dingen tot stand dankzij onderzoekers die op ogenschijnlijk zeer verschillende terreinen van wetenschap werkzaam zijn en die door omstandigheden, en domweg door hun data heel grondig te analyseren, tot inzichten komen waaruit ofwel nieuwe technologieën ontstaan, ofwel een nieuw, fundamenteel begrip van de natuur. Ik wil dat graag benadrukken, omdat er in de Verenigde Staten, en ook elders op de wereld, veel druk wordt uitgeoefend op wetenschappers om zich meer te specialiseren, om zich te richten op een specifiek probleem: laten we kanker genezen, laten we een breinonderzoek opzetten om het bewustzijn te doorgronden, of iets in die geest. Ik wil niet zeggen dat dergelijke onderzoeken geen waarde zouden hebben, maar ik denk dat we niet te ver moeten afdwalen van het idee dat we, als we eerlijk zijn, nog te weinig afweten van onze natuurlijke wereld om te kunnen voorspellen uit welke hoek de volgende inzichten of technologieën afkomstig zullen zijn. Ik hoop dat onze nieuwe regering ondersteuning zal blijven bieden aan fundamenteel onderzoek dat wetenschappers en onderzoekers in de Verenigde Staten en de rest van de wereld in staat stelt een positieve impuls te geven aan de gezondheid van de mens.

    Auteur: Elizabeth Lopatto
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Jennifer Doudna ontving voor haar werk onder meer de Dr. H.P. Heinekenprijs voor Biochemie en de dr. Paul Janssen Award for Biomedical Research.

    The Verge
    Verenigde Staten | theverge.com


    The Verge is een toonaangevende technologiewebsite die zich naar eigen zeggen ‘op het snijpunt tussen technologie, wetenschap, kunst en cultuur’ beweegt. Je vindt er naast nieuwsberichten en diepgravende reportages ook recensies van de nieuwste hightechproducten (tablets, smartphones en software), podcasts en veel videomateriaal. The Verge werd opgericht in 2011 en is in handen van de Amerikaanse mediagroep Vox Media.

  • De magische bril die alles gaat veranderen

    De magische bril die alles gaat veranderen

    Magic Leap in Florida gold jarenlang als de geheimzinnigste start-up van de planeet. Niemand wist wat eigenaar Rony Abovitz precies uitspookte, maar hij harkte wel 1,4 miljard dollar durfkapitaal binnen. In een zeldzaam interview licht Abovitz nu een tipje van de sluier op. Binnen anderhalf jaar wil hij een ‘mixed-reality’-bril op de markt brengen die je elke mogelijke virtuele illusie kan voorschotelen: van de nieuwe bank die je wilt bestellen tot pijlen op de weg die je naar je afspraak loodsen. ‘Gooi je pc, laptop en telefoon maar weg.’

    In de hightechwereld doet iedereen een moord om te worden uitgenodigd op een anoniem bedrijventerrein in het zuiden van Florida, in wat aan de buitenkant een onopvallend kantoorgebouw lijkt. Maar binnen is het een heel ander verhaal. Daar stap je letterlijk een andere werkelijkheid in. Door de gangen lopen humanoïde robots, in de ontvangsthal zitten groene reptielmonsters te chillen. De verlichting wordt bediend door elfjes die zo uit een tekenfilm komen. Het parkeerterrein bewaakt door 25 meter hoge vechtmachines. Zelfs de kantoorapparatuur is niet van deze wereld. De hd-tv aan de muur lijkt doodnormaal – tot hij ineens verdwijnt. Even later verschijnt hij weer, maar nu midden in de kamer. Raar maar waar: hij zweeft daar gewoon in de lucht. Loop er maar naartoe, bekijk hem van alle kanten: een enorme breedbeeld-tv, afgestemd op ESPN, die vrij in de ruimte zweeft.

    Die tv lijkt echt, maar is het niet. Al deze wonderlijke taferelen zijn illusies die je worden voorgetoverd door een ‘mixed reality’-headset, de met veel geheimzinnigheid omgeven uitvinding van start-up Magic Leap. En zoals elke goede goochelaar legt oprichter Rony Abovitz (45) liever niet uit hoe zijn trucs precies werken. Sinds de oprichting in 2011 heeft Magic Leap zijn product in het grootste geheim ontwikkeld. Slechts een klein aantal mensen heeft het in werking gezien, nog veel minder mensen weten hoe het werkt, en allemaal hebben ze zulke strenge geheimhoudingsclausules moeten tekenen dat ze bijna niet eens mochten toegeven dat het bedrijf bestond.

    Toch stroomden er massa’s geld naar Dania Beach, een klein stadje ten zuiden van Fort Lauderdale. Magic Leap heeft al bijna 1,4 miljard dollar aan durfkapitaal bijeengeharkt – afgelopen februari haalde het weer 794 miljoen op, een recordbedrag voor een bedrijf in deze fase. Bijna elke grote investeerder heeft er geld in zitten, waaronder Andreessen Horowitz, Kleiner Perkins, Google, JPMorgan, Fidelity en Alibaba, naast minder conventionele investeerders als Warner Bros. en Legendary Entertainment, verantwoordelijk voor films als Godzilla en Jurassic World. In de laatste financieringsronde werd de waarde van Magic Leap geschat op 4,5 miljard dollar. Als Abovitz nog steeds 22 procent van het bedrijf in handen heeft (wat hij ontkent) is hij nu miljardair.

    Die dollarlawine heeft in het vak vreemde geruchten losgemaakt: Magic Leaps zou iets doen met hologrammen, of met lasers, of had een machine ontworpen die de werkelijkheid kan vervormen maar zo groot is als een gebouw en dus nooit, maar dan ook nooit commercieel uitgebaat zou kunnen worden. Het gebrek aan harde informatie gaf nog meer voeding aan de geruchtenmachine. Per slot van rekening heeft Magic Leap nog steeds geen product op de markt gebracht. Het heeft nog nooit een openbare demonstratie van een product gegeven, nooit een product aangekondigd en nooit enige uitleg willen geven over de zelf ontworpen ‘lightfield’-technologie waar zijn product op gebaseerd is.

    ‘Je moet het zien als de volgende fase in de evolutie van de computer, waarbij de hele wereld je bureaublad wordt’

    Maar nu treedt het bedrijf dan toch uit de schaduw. In een zeldzaam interview zegt Abovitz dat Magic Leap een miljard dollar in de perfectionering van een prototype heeft gestoken en bezig is in Florida een productielijn op te tuigen, ter voorbereiding op de lancering van een consumentenversie van zijn technologie. Als die er eenmaal is – ergens binnen nu en anderhalf jaar – kan het een heel nieuw tijdperk inluiden, een totaal nieuwe generatie computerinterface voor de komende decennia. ‘We bouwen een nieuw soort contextuele computer,’ zegt Abovitz. ‘We maken echt iets totaal nieuws.’

    De innovatie van Magic Leap is meer dan alleen een geavanceerde nieuwe display – dit apparaat zet alles op zijn kop. Deze technologie kan grote gevolgen krijgen voor elke sector waar computers en beeldschermen worden gebruikt en veel sectoren waar dat niet het geval is. Het kan de doodssteek zijn voor de hele flatscreenmarkt (waar 120 miljard dollar in omgaat) en kan de wereldwijde markt voor consumentenelektronica (1 biljoen dollar) op zijn grondvesten doen schudden. De mogelijkheden gaan heel ver: gooi je pc, laptop en mobiele telefoon maar weg. Alle rekenkracht die je nodig hebt, zit straks in een bril die jou een display voorschotelt waar en wanneer je maar wil, zo groot of klein als je wil.

    Zo’n bril kan je álles voorschotelen. Kan je bijvoorbeeld met grote gele pijlen op de weg naar je volgende afspraak loodsen. Kan je laten zien hoe een nieuwe bank in je woonkamer zou staan – vanuit elke denkbare hoek, met elke denkbare lichtval, en allemaal zonder dat je de deur uit hoeft. Zelfs iemand met twee linkerhanden kan straks zelf zijn auto repareren met een interactief programma dat precies aangeeft welk onderdeel moet worden vervangen en waarschuwt als je iets fout doet. En Magic Leap moet aan al die interacties geld kunnen verdienen: niet alleen aan de verkoop van hardware en software maar ook, zou je denken, aan de enorme hoeveelheid data die het kan verzamelen, analyseren en doorverkopen. ‘Er is bijna geen sector te bedenken die hierdoor niet totaal zal veranderen,’ zegt Abovitz.

    Je hebt vast al eens een virtualrealityproduct uitgeprobeerd. Sony, Google, Samsung en Facebook hebben de afgelopen maanden allemaal VR-producten uitgebracht. Virtual reality is een vorm van computersimulatie die nu vooral wordt gebruikt voor videogames. Een headset schermt je daarbij af van de echte wereld en vervangt die door een virtual reality. Misschien heb je ook al eens gespeeld met augmented reality (AR): digitale beelden die op je fysieke omgeving geprojecteerd worden. AR is inmiddels mainstream dankzij een van de grootste digitale hypes van het jaar: het in juli gelanceerde Pokémon Go van spellenmaker Niantic. Een app voor je smartphone waarin tekenfilmmonsters in de echte wereld rondlopen, althans op het schermpje van je mobiel. Maar VR-games en Pokémon Go verbleken bij de mixed reality van Magic Leap. Virtual reality voert je mee naar een andere wereld, augmented reality laat een Pikachu in je woonkamer verschijnen. Bij Mixed reality blijf je waar je bent én komt die Pikachu ook echt tot leven.


    Hoe dat kan? Het kroonjuweel van Magic Leap is nu nog een grote headset, maar uiteindelijk moet hun technologie in een simpele bril passen. Eentje die je het zicht op de werkelijkheid niet ontneemt. In plaats daarvan projecteert de hardware, verwerkt in een stukje halfdoorzichtig glas, een beeld regelrecht op je netvlies. (Het beschadigt je ogen niet en je kunt gewoon om je heen kijken in plaats van dat je naar een schermpje moet staren.) De hardware verzamelt ook continu informatie: het apparaat scant de omgeving op obstakels, luistert naar stemmen en volgt de bewegingen van je ogen en handen. Daardoor zijn de mixedrealityobjecten zich bewust van hun omgeving en kunnen ze erop reageren. Met de technologie van Magic Leap kan een Pokémon dus wegduiken achter de bank of – als je in een smart home woont – het licht uitschakelen zodat je hem niet meer ziet.

    In een van de demo’s van Magic Leap zie je een ‘interactieve virtuele mens’ die levensgroot en verrassend realistisch is. Abovitz willen zulke virtuele personen (of dieren of wat je maar wil) gebruiken als digitale assistent – een soort opgevoerde versie van Siri [de personal assistent van Apple], met een menselijke gedaante die haar makkelijker te gebruiken en moeilijker te negeren maakt. Als je een collega iets wilt mededelen, kan de virtuele assistent je kamer uit lopen, via de MR-headset van die collega naast zijn of haar bureau verschijnen en de boodschap persoonlijk overbrengen. In de wereld van mixed reality is de output van computers niet gebonden aan één apparaatje op je bureau. Ieder willekeurig object, echt of virtueel, kan een drager worden en is zich bewust van zijn locatie, zijn doel en wat jij ermee wilt. ‘Je moet het zien als de volgende fase in de evolutie van de computer,’ zegt Abovitz, ‘waarbij de hele wereld je bureaublad wordt.’

    Dromen over een hightech toekomst

    Rony Abovitz’ leven staat al vanaf het begin in het teken van dromen over een hightech toekomst. De in 1971 in Cleveland geboren zoon van Israëlische immigranten was als kind al gefascineerd door computers en sciencefiction. ‘De mensen van mijn generatie zijn de kinderen van Steve Jobs en George Lucas,’ zegt hij. ‘Daar zijn wij mee opgegroeid en dat heeft ons een klap van de molenwiek gegeven. Mijn vriendjes en ik wilden allemaal Luke Skywalker zijn en de Death Star vernietigen en C-3PO bouwen.’ Toen hij elf was, verkaste het gezin naar het zuiden van Florida. Abovitz sloeg een klas over en ging al op zijn dertiende naar high school. Daarna werd hij toegelaten tot MIT, maar hij bleef liever dicht bij huis en ging aan de University of Miami studeren. In 1993 haalde hij er een bachelor in werktuigbouwkunde en twee jaar later een master in biomedische technologie. En toen begon hij weer aan Star Wars te denken.

    In 1997 richtte Abovitz zijn eerste bedrijf op, Z-KAT. ‘Na mijn afstuderen wilde ik de medische droid uit Star Wars bouwen, omdat ik dacht, echt letterlijk: een X-Wing Fighter kan ik niet bouwen, want dat kan ik niet uitleggen aan mijn ouders,’ zegt hij. Met een paar van zijn medeoprichters bouwde hij de robotica-afdeling van Z-KAT in 2004 uit tot een nieuw bedrijf, Mako Surgical. Dat maakt robotarmen voor gebruik bij chirurgische ingrepen. Er was grote vraag naar dat product: toen het bedrijf in 2008 naar de beurs ging, bracht dat 51 miljoen dollar op.

    Abovitz, inmiddels getrouwd en met een jonge dochter, werkte fulltime bij Mako en had daarnaast een project waarin hij zijn creativiteit kwijt kon: Hour Blue. Dat is een fictieve wereld, een buitenaardse planeet met allerlei fantasiefiguren zoals pratende robots en vliegende walvissen. In 2010 richtte hij Magic Leap Studios op om zijn fantasie uit te bouwen tot een reeks stripverhalen en films. ‘Ik was de enige werknemer en het bedrijf zat letterlijk in mijn eigen garage,’ zegt Abovitz. ‘Mijn moeder maakte een spandoek met de tekst Magic Leap Studios in letters in allerlei kleuren.’

    Van het geld dat hij met Mako had verdiend huurde hij Weta Workshop in, de specialeffectstudio uit Nieuw Zeeland die vooral beroemd is vanwege zijn werk aan de _Lord of the Rings_-trilogie. Samen ontwikkelden ze graphics voor zijn verhaalideeën en diepten ze de fantasiewereld verder uit. Ondertussen raakte Abovitz gefrustreerd dat de augmented en virtualrealitytechnologie die hij kende van SF-romans als William Gibsons Neuromancer en Vernor Vinge’s Rainbows End nog steeds niet bestond. Hij begon na te denken over hoe hij dat zelf kon maken.

    ‘Het was een uniek moment. Werkelijkheid en sciencefiction begonnen in elkaar over te lopen,’ zegt Richard Taylor, CEO van Weta Workshop en bestuurslid van Magic Leap. ‘De fictieve technologieën die we bedachten voor Hour Blue gingen gelijk op met de echte augmented reality-applicaties waar Rony mee bezig was.’

    In 2011 verlegde Magic Leap Studios de koers en veranderde de naam in Magic Leap Inc. Abovitz stelde een klein team samen om te helpen met de ontwikkeling van zijn ideeën over mixed reality. Al snel hadden ze een stel werkende prototypes. ‘Toen we voor het eerst één enkele pixel in de ruimte konden laten zweven en door de kamer laten bewegen, waren we door het dolle heen,’ zegt Abovitz. ‘Ander mensen hadden iets van: Wat is dat nou helemaal? Gewoon een stipje. Maar wij wisten beter. Vanaf toen wist ik dat dit iets zou worden.’

    Hij wist ook dat hij veel meer geld nodig had. Abovitz had het bedrijf aanvankelijk gefinancierd uit de opbrengst van de beursgang van Mako. Toen Mako in 2013 voor 1,7 miljard werd overgenomen door Stryker Corp., een fabrikant van medische apparatuur, stak hij ook een deel van die opbrengst in Magic Leap. Abovitz wil niet zeggen hoeveel geld hij erin heeft gestopt (alleen dat het ‘miljoenen’ zijn), maar hij wist dat het bij lange na niet genoeg was. Gelukkig verkocht deze technologie zichzelf. ‘Als we mensen vertelden waar we mee bezig waren, geloofden ze ons eerst niet,’ zegt Abovitz. ‘En dan vlogen ze naar Florida om te komen kijken en was het: O, het is jullie echt gelukt. Zo ging het bij iedereen die erin geïnvesteerd heeft: van “dat bestaat niet” tot “wij willen meedoen”.’ In februari 2014 maakte Magic Leap bekend dat het meer dan 50 miljoen dollar van particuliere investeerders had gekregen. Acht maanden later volgde een door Google aangevoerde tweede kapitaalronde van 542 miljoen dollar.

    Weer eens wat anders dan Pokémon: een virtueel olifantje in je handpalm.
    Weer eens wat anders dan Pokémon: een virtueel olifantje in je handpalm.

    Rony Abovitz doet niet denken aan een typische captain of industry – tenzij je aan Willy Wonka denkt. Hij straalt hetzelfde enthousiasme als Roald Dahls briljante snoepgoedmagnaat uit als hij je rondleidt op zijn nieuwe bedrijfsterrein in Plantation (waar ze naartoe verhuizen omdat deze locatie beter bij Abovitz’ visie past dan de kleurloze kantoren in Dania Beach, een kwartiertje verderop). Hij wijst enthousiast op machines die hij cool vindt, bewondert apparatuur en spoort je aan even de ladder op te klimmen om de geavanceerde luchtfilters van dichtbij te bekijken. Hij is vriendelijk en opgewekt, heel informeel in de omgang en in zijn kleding (meestal een sweatshirt en een spijkerbroek). Je hoort mensen net zo vaak zeggen dat hij heel aardig is als dat hij heel slim is. En hij gaat vaak helemaal op in zijn werk. Onlangs was hij op vrijdagmiddag nergens te bekennen terwijl hij een half uur later gasten moest rondleiden op het nieuwe hoofdkantoor. Hij is wel vaker te laat, maar nu dreigde een probleem: Abovitz komt uit een orthodox-joods gezin en wil vrijdag ook op tijd naar huis voor de sjabbes. Uiteindelijk werd hij door een van zijn managers gevonden op het parkeerterrein, waar hij de hele tijd in zijn auto had zitten bellen. Straal vergeten dat hij die afspraak had.

    Magic Leap heeft deze campus van bijna tweeënhalve hectare in oktober 2015 betrokken en voor het eind van dit jaar moeten alle 850 werknemers van de oude locatie verkast zijn. Het bedrijf heeft ook nog werknemers in negen kantoren elders ter wereld. Niet alleen in hightech-hotspots als Silicon Valley en Austin, maar ook in verre oorden als Tel Aviv en het Nieuw-Zeelandse Wellington. Op de nieuwe locatie zijn sommige afdelingen al operationeel, waaronder een machinewerkplaats en verschillende ontwerpteams. Abovitz wil de belangrijkste ontwikkelingsteams per se dicht bij elkaar houden vanwege zijn ‘flexibel hardware-model’. Daardoor heeft het bedrijf nu al ‘letterlijk honderden versies’ van het prototype van de headset kunnen produceren. ‘Een van de redenen waarom we zo snel prototypes kunnen produceren is omdat we de juiste mensen bij elkaar hebben,’ zegt Abovitz. Op de campus in Plantation worden ook echte productiefaciliteiten ingericht. ‘Dit deel van Magic Leap doet nog het meest aan een ruimteschip denken,’ zegt Abovitz bij de productielijn: een reeks lange, zelfstandige modulaire compartimenten, als duikboten in een haven. Die kunnen ieder naar behoefte worden ingeschakeld, om de productie van enkele duizenden stuks per jaar op te schroeven tot meer dan een miljoen.

    Abovitz wil met Magic Leap in Florida blijven. Een van de voordelen daarvan is dat het bedrijf zijn geheimen beter kan bewaken. In Californië zou dat bijna onmogelijk zijn, vanwege de cultuur van jobhoppen en de geoliede geruchtenmachine in Silicon Valley. Hij zou daar natuurlijk wel makkelijker aan mensen kunnen komen, maar ook hier oefent de technologie van Magic Leap al vanaf het begin grote aantrekkingskracht uit op mensen uit Silicon Valley en andere hotspots. ‘We trekken een waanzinnige hoeveelheid talent op het gebied van ontwerp en productie naar Florida,’ zegt Abovitz.

    Hij is natuurlijk niet de enige ondernemer die hier brood in ziet. Alleen al in de afgelopen twaalf maanden is er volgens Digi-Capital 2,3 miljard dollar geïnvesteerd in virtual en augmented reality door durfkapitalisten die elkaar met argusogen volgen. International Data Corp voorziet dat de wereldwijde opbrengst van de markt voor VR en AR zal groeien van 5,2 miljard dit jaar tot 162 miljard in 2020. Met zulke groeiprognoses willen alle grote spelers graag een graantje meepikken. Google heeft in 2013 al een uitstapje naar augmented reality gemaakt met Google Glass, een bril die je een virtueel computerscherm voor ogen toverde. Die is de bètafase nooit ontgroeid vanwege kritiek op de privacy- en veiligheidsaspecten. Maar uit Googles investering in Magic Leap blijkt dat het bedrijf zijn interesse niet verloren heeft. ‘Al vanaf de eerste gesprekken die we met Rony en zijn team hadden, wisten we dat we ze wilden helpen hun visie te verwezenlijken,’ zegt Don Harrison, plaatsvervangend directeur Corporate Development bij Google.

    Magic Leap-CEO Rony Abovitz.
    Magic Leap-CEO Rony Abovitz.

    Magic Leap heeft deze campus van bijna tweeënhalve hectare in oktober 2015 betrokken en voor het eind van dit jaar moeten alle 850 werknemers van de oude locatie verkast zijn. Het bedrijf heeft ook nog werknemers in negen kantoren elders ter wereld. Niet alleen in hightech-hotspots als Silicon Valley en Austin, maar ook in verre oorden als Tel Aviv en het Nieuw-Zeelandse Wellington. Op de nieuwe locatie zijn sommige afdelingen al operationeel, waaronder een machinewerkplaats en verschillende ontwerpteams. Abovitz wil de belangrijkste ontwikkelingsteams per se dicht bij elkaar houden vanwege zijn ‘flexibel hardware-model’. Daardoor heeft het bedrijf nu al ‘letterlijk honderden versies’ van het prototype van de headset kunnen produceren. ‘Een van de redenen waarom we zo snel prototypes kunnen produceren is omdat we de juiste mensen bij elkaar hebben,’ zegt Abovitz. Op de campus in Plantation worden ook echte productiefaciliteiten ingericht. ‘Dit deel van Magic Leap doet nog het meest aan een ruimteschip denken,’ zegt Abovitz bij de productielijn: een reeks lange, zelfstandige modulaire compartimenten, als duikboten in een haven. Die kunnen ieder naar behoefte worden ingeschakeld, om de productie van enkele duizenden stuks per jaar op te schroeven tot meer dan een miljoen.

    Abovitz wil met Magic Leap in Florida blijven. Een van de voordelen daarvan is dat het bedrijf zijn geheimen beter kan bewaken. In Californië zou dat bijna onmogelijk zijn, vanwege de cultuur van jobhoppen en de geoliede geruchtenmachine in Silicon Valley. Hij zou daar natuurlijk wel makkelijker aan mensen kunnen komen, maar ook hier oefent de technologie van Magic Leap al vanaf het begin grote aantrekkingskracht uit op mensen uit Silicon Valley en andere hotspots. ‘We trekken een waanzinnige hoeveelheid talent op het gebied van ontwerp en productie naar Florida,’ zegt Abovitz.

    Hij is natuurlijk niet de enige ondernemer die hier brood in ziet. Alleen al in de afgelopen twaalf maanden is er volgens Digi-Capital 2,3 miljard dollar geïnvesteerd in virtual en augmented reality door durfkapitalisten die elkaar met argusogen volgen. International Data Corp voorziet dat de wereldwijde opbrengst van de markt voor VR en AR zal groeien van 5,2 miljard dit jaar tot 162 miljard in 2020. Met zulke groeiprognoses willen alle grote spelers graag een graantje meepikken. Google heeft in 2013 al een uitstapje naar augmented reality gemaakt met Google Glass, een bril die je een virtueel computerscherm voor ogen toverde. Die is de bètafase nooit ontgroeid vanwege kritiek op de privacy- en veiligheidsaspecten. Maar uit Googles investering in Magic Leap blijkt dat het bedrijf zijn interesse niet verloren heeft. ‘Al vanaf de eerste gesprekken die we met Rony en zijn team hadden, wisten we dat we ze wilden helpen hun visie te verwezenlijken,’ zegt Don Harrison, plaatsvervangend directeur Corporate Development bij Google.

    Ook Apple werkt aan AR, maar het is nog niet duidelijk of het een eigen headset wil ontwikkelen of vooral de functionaliteit van de iPhone wil uitbreiden. Silicon Valley-start-ups als Meta (heeft al 73 miljoen aan kapitaal binnen) en Atheer (23 miljoen) werken aan een eigen headset en zouden logische kandidaten voor een overname zijn als ze succes hebben. Maar de grootste rivaal van Magic Leap is voorlopig Microsoft, dat in 2014 de augmented-realityheadset HoloLens aankondigde. Een preproductieversie, de HoloLens Development Edition, is in maart van dit jaar naar een onbekend aantal hardware- en software-ontwikkelaars gestuurd en in 2017 zou er een consumentenversie op de markt kunnen komen. ‘Microsoft heeft een grote voorsprong met zijn zakelijke relaties,’ zegt Brian Blau, analist bij onderzoeksbureau Gartner. ‘Ze zitten diep in de zakelijke markt en daar willen ze zich met de HoloLens op richten.’

    Dus wat is de planning van Magic Leap? Ze hebben nu een productielijn, wanneer willen ze de markt op gaan? ‘Vrij snel,’ zegt Abovitz vaag. Hij laat ook weinig los over wat de headset moet gaan kosten. ‘Geen luxe-item,’ zegt hij uiteindelijk. Maar als Microsoft zijn HoloLens volgend jaar op de markt brengt, kan Magic Leap niet te lang achterblijven, wil het niet meteen terrein verliezen aan zijn grootste rivaal. En de headset van Meta kun je nu al voorbestellen voor zo’n 1000 dollar: ga er dus maar vanuit dat de prijs van de kijkbril van Magic Leap ook ergens in die buurt zal liggen.

    Begindagen van de film

    Uiteindelijk ziet Magic Leap vooral kansen in zakelijke toepassingen, met name in de medische sector en de detailhandel (stel je voor dat je kleding bijvoorbeeld thuis virtueel kunt ‘passen’). Maar zoals bij veel technologie moet entertainment de weg banen. Veel van de content voor de headset van Magic Leap wordt door het bedrijf zelf ontwikkeld. Het heeft al verschillende bekende videogame-ontwerpers, striptekenaars en schrijvers in dienst genomen. Neal Stephenson, de schrijver van Snow Crash, een belangrijke roman over virtual reality uit 1992, is de belangrijkste ‘futurist’ van Magic Leap. Op een kantoor in Seattle werkt hij aan een geheime game. Verder wordt er content geleverd door Abovitz’ partner Weta Workshop, waarmee Magic Leap een 25 man groot lab in Nieuw Zeeland heeft opgezet. Hun eerste project, Dr. Grordbort’s Invaders, is een actiegame in het steampunkgenre. Als speler vecht je dan met een laserpistool tegen boze robots die je in je eigen huis aanvallen.

    In juni kondigde Magic Leap ook een strategisch partnerschap aan met ILMxLAB, de virtualrealityafdeling van Lucasfilm. Ze hebben samen een onderzoekslab geopend op het terrein van Lucasfilm in San Francisco. ‘Het voelt alsof we in de begindagen van de film zitten,’ zegt Vicki Dobbs Beck, hoofd van ILMxLAB. De samenwerking heeft al geleid tot verschillende mixed-realityervaringen in het Star Wars-universum. Een daarvan, met C-3PO en R2-D2, is al onthuld bij de bekendmaking van de samenwerking. De andere is een nog geheime sequentie die plaatsvindt tijdens de fameuze slag om Hoth in The Empire Strikes Back. En zo is Rony Abovitz weer terug bij af. De man die ondernemer werd omdat hij eigenlijk X-Wing Fighters wilde bouwen, mag dat nu echt gaan doen.

    Auteur: David M. Ewalt


    Technologiewebsite The Information zet vraagtekens bij Abovitz’ verhaal.

    Volgens een bericht op The Information van begin december gaat het niet zo goed met de ontwikkeling van de bril van Magic Leap. Het bedrijf zou kampen met technische problemen, en voorlopig nog achterlopen op concurrent Microsoft. Tevens werd onthuld dat een van de spectaculaire video’s die Magic Leap gebruikt om investeerders te lokken, nep is. Het filmpje werd geproduceerd door Weta Workshops, een bedrijf dat visuele effecten maakt voor de filmindustrie. Het grootste technische struikelblok voor Magic Leap is blijkbaar om de techniek die mixed reality mogelijk maakt, tot een handzaam formaat terug te brengen. Oprichter Rony Abovitz onderkende de problemen.

    Forbes
    Verenigde Staten | tweewekelijks tijdschrift | oplage 925.051

    Forbes Magazine is een Amerikaans zakenblad dat opgericht is door B.C. Forbes en momenteel wordt geleid door zijn kleinzoon, Steve Forbes. Het tijdschrift is vooral bekend door de jaarlijkse lijstjes: de rijkste mensen, de grootste bedrijven, de machtigste vrouwen en de Celebrity Top 100.

  • De Chinese Mark Zuckerberg komt eraan

    De Chinese Mark Zuckerberg komt eraan

    Tien jaar geleden aapten Chinese hightechbedrijven slaafs Silicon Valley na. Maar die mentaliteit begint te veranderen. Steeds meer jonge uitvinders en ondernemers in China willen zélf het nieuwe Google of Apple bouwen.

    De jonge programmeur had een idee en iedereen verklaarde hem voor gek. Meteen na zijn studie had hij werk gevonden als programmeur voor YY, een livestreamingbedrijf in Guangzhou, in de Chinese Parelrivierdelta. Elke maand zijn er meer dan honderd miljoen gebruikers die beelden van zichzelf streamen of naar streams van anderen kijken om samen te zingen, te gamen of complete shows te presenteren vanuit hun flatje in Beijing. Het publiek praat dan uitgebreid mee, via microfoon of tekstberichtjes. De programmeur vond dat YY iets nieuws moest proberen: een datingservice. Zijn idee was dat een presentator eenzame singles uitnodigt in een soort onlineontmoetingskamer en hen stimuleert om in gesprek te komen en zo misschien een partner te vinden.

    De directie zag het niet echt zitten. ‘De directeur had het bijna afgeblazen,’ zegt hoofd Financiën Eric Ho op het hoofdkantoor van YY, waar drie verdiepingen gevuld zijn met verwoed tikkende programmeurs en designers. Weet je zeker dat je dit wilt doen, had de directeur gevraagd. Het is zo’n stom idee. Ik denk niet dat de mensen hier trek in hebben. Maar de programmeur was enthousiast en bleef aandringen, en dus lieten ze hem begaan: vooruit, probeer maar.

    Amerikaanse houding

    In China bestond dit type werknemer vroeger niet. Tien jaar geleden werd er geklaagd dat de hightechindustrie van het land gebrek had aan vernieuwers met lef. Je had natuurlijk wel razend winstgevende hightechbedrijven, maar die namen geen creatieve risico’s. Ze aapten gewoon Silicon Valley na. Baidu was een kloon van Google, Tencent een kopie van Yahoo! en JD een dubbelganger van Amazon. Jonge Chinese programmeurs hoorden tot de beste van de wereld, maar ze misten de gedrevenheid van een Mark Zuckerberg of een Steve Jobs. De Amerikaanse houding – vaak falen en snel falen om des te sneller bij een echte knaller uit te komen – was deze jongeren wezensvreemd. Zij vonden dat eng, gedrild als ze waren in een onderwijsstelsel dat nog zwaar leunt op stampwerk en de afstraffing van fouten. Eenmaal afgestudeerd verlangden ze niet naar een eigen bedrijf, maar naar een baan bij een grote, degelijke firma.

    Die mentaliteit begint nu te verdwijnen, als gevolg van een welvaartsstijging die jonge technologiestudenten nieuw zelfvertrouwen schenkt. In 2000 behoorde krap 4 procent van de Chinese bevolking tot de middenklasse (gedefinieerd als mensen met een jaarinkomen van 9000 tot 34.000 dollar), maar in 2012 valt al twee derde van de bevolking in die groep. Binnen dezelfde periode is het aantal hogeropgeleiden verzevenvoudigd: vorig jaar hebben zeven miljoen Chinezen een universitaire studie voltooid.

    ‘We zien begintwintigers die bedrijven starten. Mensen die net zijn afgestudeerd, en zelfs een paar die met hun studie zijn gestopt,’ zegt Kai-Fu Lee, voormalig werknemer van Apple, Microsoft en Google, en nu een durfkapitalist die al tien jaar overal in zijn land jongeren helpt bij het opstarten van een bedrijf. In de grote steden stikt het bij broedplaatsen en hackerspaces inmiddels van de ambitieuze uitvinders en ondernemers. En die azen niet meer op een baan bij Google of Apple. Zij willen – net als hun tegenhangers in San Francisco – zelf het nieuwe Google of Apple bouwen.

    Er wordt met geld gesmeten door mannelijke en vrouwelijke gasten die elkaar – en de presentator – virtuele cadeaus geven: ringen (1,55 dollar), kusjes (16 cent) en liefdesbriefjes (5 cent). Voor zo’n 1000 dollar kun je iemand een virtuele Lamborghini geven

    Iedereen met een veelbelovend idee en enige ervaring kan aan geld komen. Durfkapitalisten hebben in 2014 een recordbedrag van 15,5 miljard dollar in Chinese start-ups gepompt. De jonge ondernemers worden hier dus bedolven onder het geld én onder de goede raad van hun superrijke weldoeners. (Al zinken deze investeringen nog in het niet bij de 48 miljard dollar die in 2014 in de VS aan durfkapitaal is uitgezet.) Zelfs de Chinese overheid, die toch weinig op heeft met vrije meningsuiting op het internet en een enorm digitaal censuurapparaat heeft opgetuigd, heeft een stimuleringsfonds van 6,5 miljard dollar ingesteld. Nu de groei van de economie stagneert, is de partij naarstig op zoek naar nieuwe manieren om banen te creëren.

    YY voer wel bij het besluit om de ondernemende jonge programmeur de vrije hand te geven. De vorig jaar gelanceerde datingshow werd een grote hit en heeft al veel geld in het laatje gebracht. YY verdient niet aan reclame maar aan gebruikers, die virtuele cadeautjes kopen voor elkaar of voor de ‘sterren’ die online hun eigen leven streamen. Van elke aankoop strijkt YY 60 procent op, het resterende bedrag gaat naar de ontvanger van de gift. (Populaire livestreamers kunnen daarvan leven.)

    Samen met Ho kijk ik op een laptop naar een datingevent dat net aan de gang is. Er wordt met geld gesmeten door mannelijke en vrouwelijke gasten die elkaar – en de presentator – virtuele cadeaus geven: ringen (1,55 dollar), kusjes (16 cent) en liefdesbriefjes (5 cent). Voor zo’n 1000 dollar kun je iemand een virtuele Lamborghini geven. In de eerste negen maanden bracht de datingshow 16 miljoen dollar op, en de opbrengst stijgt nog iedere maand. Vorig jaar kon YY een jaaropbrengst van 580 miljoen dollar rapporteren, en drie jaar na de beursgang bedraagt de beurswaarde 3 miljard dollar. Het nieuwe Silicon Valley bestaat al – het ligt in het oosten.

    Bezoekers van een stand van livestreamingbedrijf YY. ‘Zelfs de Chinese overheid, die toch weinig op heeft met vrije meningsuiting op het internet en een enorm digitaal censuurapparaat heeft opgetuigd, heeft een stimuleringsfonds van 6,5 miljard dollar i
    Bezoekers van een stand van livestreamingbedrijf YY. ‘Zelfs de Chinese overheid, die toch weinig op heeft met vrije meningsuiting op het internet en een enorm digitaal censuurapparaat heeft opgetuigd, heeft een stimuleringsfonds van 6,5 miljard dollar i

    China’s technologische boom van eind jaren negentig leverde het land zijn eigen Web 1.0 op: eigen zoekmachines, mailprogramma’s en blogsites, nieuwsportals en de enorme onlinemarktplaats Alibaba. Destijds had China eigen kopieën van Amerikaanse bedrijven nodig, omdat Amerikaanse bedrijven China niet makkelijk binnenkwamen. Veel buitenlandse sites werden door de overheid geblokkeerd met een complex systeem van filters dat bekendstaat als de Great Firewall. Lokale bedrijven hadden sowieso een voorsprong op buitenlandse: zij hadden beter inzicht in de specifieke wensen van Chinese internetgebruikers in de eerste jaren van deze eeuw, toen goede internettoegang nog maar mondjesmaat verspreid was. Toen eBay tien jaar geleden bijvoorbeeld China probeerde te veroveren, mislukte dat deels doordat kleine bedrijven vaak nog geen computer of internetaansluiting hadden. Jack Ma, de oprichter van Alibaba, was zich daar terdege van bewust en stuurde daarom eerst een legertje vertegenwoordigers het land in om mkb’ers te leren hoe ze online konden gaan.

    Die eerste golf leverde bedrijven op als Baidu en Alibaba, de ‘grote draken’ van de Chinese hightech, en creëerde net zulke internetmiljonairs als Microsoft in de jaren negentig. Deze succesvolle na-apers van Amerikaanse bedrijven effenden de weg voor de ‘kleine draken’: de creatieve start-ups van Web 2.0 die de laatste tien jaar zijn opgekomen. De grote draken zijn niet alleen hun grote voorbeeld maar hebben, nog belangrijker, de infrastructuur opgebouwd die de huidige hausse mogelijk maakt.

    Een van de succesvolste bedrijven van deze tweede golf is Meituan, een onlinemarktplaats die handelaren in heel China in staat stelt klanten via de website of de mobiele app attent te maken op interessante aanbiedingen bij hen in de buurt. Bij een bezoek aan hun hoofdkantoor wanen we ons in een tropisch regenwoud: tussen de werkplekken staan grote planten en luchtbevochtigers blazen stoomwolkjes uit. Boven het hoofd van tientallen programmeurs hangt een lcd-scherm zo groot als een eettafel voor zes personen, met daarop het getal 8309: het aantal transacties dat die dag al via Meituan is afgesloten. De opbrengst van het bedrijf is in vijf jaar tijd gigantisch gegroeid. In 2014 genereerde het voor 7 miljard dollar aan transacties voor de 900.000 aangesloten bedrijven; eind 2015 zal dat waarschijnlijk 18,5 miljard dollar zijn.

    De directeur van Meituan, de beminnelijke Wang Xing, is een ondernemer die verslaafd is aan het oprichten van creatieve start-ups. Hij had al Chinese klonen van Facebook en Twitter opgericht toen hem in 2008 opviel hoe goed Groupon het deed. Maar hij was inmiddels ook ervaren genoeg om de zwakke plek in dat businessmodel te zien: Groupon roomt bij elke transactie een groot deel van de winst af, tot wel 50 procent, en dat wekt wrevel bij de handelaren. Wang wilde juist dat Meituan de makkelijkste manier voor kleine handelaren zou worden om hun waar aan de man te brengen en contact met klanten te houden. Door een vaste provisie van slechts 5 procent te hanteren garandeert Meituan dat ook de handelaar bijna altijd iets aan een transactie verdient.

    Dienstverlening en gemak

    Wang heeft ook zijn eigen betalingssoftware laten ontwikkelen. Hij haalt zijn telefoon tevoorschijn om het te demonstreren. Programmeurs zijn overal in het land bij bioscopen langsgegaan om hun kassasystemen aan de app van Meituan te koppelen. Dat had veel voeten in de aarde, maar nu kunnen bioscoopgangers met de Meituan-app niet alleen een kaartje kopen maar zelfs hun stoel uitkiezen.

    Inmiddels wordt een derde van alle bioscoopkaartjes in China via Meituan verkocht. Dat was een slimme zet, want dienstverlening en gemak is precies waar de stedelijke middenklasse van China steeds meer naar verlangt. De dienstensector was in 2013 verantwoordelijk voor 44 procent van alle bestedingen van de Chinese middenklasse. Dat cijfer zal volgens McKinsey stijgen tot 50 procent in 2022, naarmate jonge stedelingen steeds meer zaken via hun telefoon gaan bestellen, van massages tot afhaalmaaltijden.

    Er zit ook nog veel groeipotentieel in de Chinese onlinehandel, want tal van alledaagse diensten zijn nog steeds niet online beschikbaar. Zo wordt 80 procent van de hotelkamers nog steeds niet via internet geboekt. Toch bestellen mensen graag online, niet alleen vanwege het gemak maar ook omdat het veel minder corrupt en ondoorzichtig is dan traditionele handel. Zoals Kai-Fu Lee uitlegt: ‘In de VS is de handel door eeuwenlange eerlijke concurrentie redelijk eerlijk en transparant geworden.’ Maar in China niet. Door de tussenhandel te omzeilen en met een waarderingssysteem te werken kunnen onlinebedrijven transacties nu betrouwbaarder maken, aldus Lee.

    Heb je voor autoritjes in de VS twee grote spelers, Uber en Lyft, in Meituan moest je in de begindagen opboksen tegen naar schatting zo’n drieduizend rivalen, verspreid over het hele land

    Maar op de korte termijn veroorzaakt de digitale goldrush vooral een manische concurrentiestrijd. Zodra er een nieuw gat in de markt wordt ontdekt, zijn er meteen tientallen of zelfs honderden ondernemers die erop duiken. Vergeleken daarmee is het concurrentieklimaat in de VS uitgesproken mild. Voor autoritjes heb je daar bijvoorbeeld maar twee grote spelers, Uber en Lyft. Maar Lee schat dat Meituan in de begindagen moest opboksen tegen zo’n drieduizend rivalen, verspreid over het hele land. Als je dat overleeft, kom je gehard uit de strijd.

    En dat geldt nu ook voor Wang. Hij zit qua leeftijd tussen de nieuwe en de oude garde in en is als investeerder nu een mecenas voor jongeren met goede ideeën: de toekomstige kleine draken. Eén bedrijf waarin hij heeft geïnvesteerd is eDaijia, waarmee je een chauffeur kunt bestellen om je naar huis te laten rijden als je te veel gedronken hebt. ‘Ze domineren de markt in China en zijn vorig jaar begonnen in Seoel,’ lacht hij, ‘omdat dat volgens hen de stad met de meeste zuipschuiten ter wereld is.’

    China beleeft dus een aanzienlijke bloei van creatieve webdiensten, maar het is vooral op het gebied van hardware dat het de VS kan aftroeven. Het land is al dertig jaar bezig om de grootste maakindustrie ter wereld op te bouwen. In kuststeden als Shenzhen en Guangzhou wemelt het nu van de elektronicaproducenten – van kleine ateliers met drie man personeel tot de enorme fabriekscomplexen van Foxconn met 30.000 werknemers waar de nieuwe iPhones worden gemaakt. Allemaal weten ze hoe je dingen moet maken, dus het was haast onvermijdelijk dat lokale ondernemers hier een grote rol in zouden spelen.

    ‘Het is in China makkelijker dan elders,’ zegt Robin Han, ‘omdat wij Shenzhen hebben.’ Han is de 32-jarige medeoprichter van Zepp Labs, een hardwarestart-up in Beijing die hoge ogen gooit in de sportwereld. Het bedrijf maakt een sensor die de beweging volgt van je golfclub, honkbalknuppel of tennisracket; met een bijbehorende iPhone-app kun je vervolgens je swing of slag verbeteren.

    Han werd vijf jaar geleden door het ondernemersvirus gegrepen toen hij als promovendus voor Microsoft in Beijing werkte. Een baan bij zo’n groot bedrijf gaf wel zekerheid, maar voor hetzelfde geld zat je er jarenlang te zwoegen aan een project dat misschien wel nooit zou worden gerealiseerd. Je had het succes daar niet in eigen hand, vertelt hij me in het felverlichte kantoor van Zepp, waar een twintigtal programmeurs en designers achter toetsenborden zit.

    Han zag dat telefoons van HTC en HP en de afstandsbediening van de Nintendo Wii met een gyroscoop werden uitgerust. Hij bedacht dat die techniek wel eens snel in prijs zou kunnen dalen naarmate meer grote bedrijven dat voorbeeld zouden volgen. Hij en zijn vriend Peter Ye (nu hoofd R&D van Zepp) houden van sporten en kwamen zo op het idee voor de swingsensor. Spelers kunnen hun beweging analyseren en vergelijken met die van profsporters. Coaches kunnen hiermee de training van een heel team analyseren, zelfs op afstand.

    De lancering van een nieuwe smartphone van telefoonfabrikant Xiaomi in Beijing. – © Kim Kuyng-Hoon / Reuters
    De lancering van een nieuwe smartphone van telefoonfabrikant Xiaomi in Beijing. – © Kim Kuyng-Hoon / Reuters

    Han en Ye nemen me mee naar de kelder, waar ze een grote oefenkooi voor honkbal en golf hebben gebouwd. ‘We zijn hier uren bezig geweest om de werking van de sensoren met onze eigen swing te verbeteren,’ zegt Han. De muren zijn bezaaid met inslagen van afgezwaaide ballen. Hun prototype werkte zo goed dat het de aandacht trok van een vertegenwoordiger van Apple die in China op zoek was naar nieuwe producten voor de Apple Store. Voordat ze volledig voldeden aan alle strenge vormgevingseisen van Apple waren ze veertien prototypes verder, maar het is de moeite wel waard geweest: in 2012 werd de Zepp-sensor wereldwijd in de Apple Store gelanceerd, en inmiddels hebben ze al 300.000 afnemers.

    Han en Ye zijn Zepp Labs begonnen met een beginkapitaal van 1,5 miljoen dollar en hebben met behulp van hun eigen contacten een goede fabriek voor de ontwikkeling van prototypes en de uiteindelijke massaproductie gevonden. Die laatste stap is altijd de moeilijkste geweest bij het opzetten van een productieproces in China: het vinden van een capabele fabriek à la Foxconn, met voldoende ervaring in het oplossen van ontwerpproblemen. Maar ook dat gaat de laatste jaren steeds makkelijker. Er zijn nu bemiddelaars tussen industrie en designers, zoals Highway 1, een programma van industriegigant PCH: dat speurt wereldwijd naar bedenkers van nieuwe gadgets en zoekt vervolgens topfabrieken die het aandurven om een product van een onbekend nieuw talent te produceren.

    China heeft ook zijn eigen hackerspaces. De eerste hackerspace, XinCheJian in Shanghai, werd in 2010 mede opgericht door de Chinese internetondernemer David Li. Hij zag dat relatief goedkope apparatuur amateuruitvinders steeds beter in staat stelde om zelf gelikte prototypes van hun uitvindingen te produceren. Nu komen op XinCheJian uitvinders uit heel China samen met Chinese expats uit de hele wereld om te brainstormen en vervolgens excursies naar fabrieken te maken om inzicht te krijgen in het ecosysteem van China’s hardwareproductie. De leden betalen een maandelijkse contributie, net als bij de sportschool. In ruil daarvoor krijgen ze toegang tot de technische middelen van de hackerspace en advies van hun mede-uitvinders.

    ‘Ik spoor mensen altijd aan: maak snel een prototype, zoek partners voor de productie en zet een Kickstartercampagne op’

    ‘Ik spoor mensen altijd aan: maak snel een prototype, zoek partners voor de productie en zet een Kickstartercampagne op,’ zegt Li. We zitten aan een tafel in de hackerspace; achter hem zien we ruimtes vol draaibanken, allerhande elektrisch gereedschap en hele rijen 3D-printers. Eén recent product dat uit XinCheJian voortkomt, is de Wearhaus Arc-koptelefoon. Daarmee kun je de muziek waar je naar luistert draadloos streamen naar de koptelefoon van een vriend, zodat je tijdens het werken of studeren van dezelfde muziek kunt genieten. De eerste oplage van drieduizend stuks is al uitverkocht, een grotere tweede lading is in de maak.

    De Chinese bedrijven kunnen geduchte concurrenten worden, maar het werkt twee kanten op: het wordt voor westerse ondernemers ook steeds makkelijker om in China voet aan de grond te krijgen. Ze gaan al geregeld naar hardware- en softwarebijeenkomsten in de kuststeden om lokale zakenpartners of geschikte fabrieken te vinden. China wordt in feite een mekka voor mensen met ideeën – zoals Silicon Valley dat een generatie geleden was.

    Dat zag ik tegen het eind van mijn verblijf heel duidelijk geïllustreerd toen ik nog even langsging in hackerspace XinCheJian van David Li. Die was daar in gesprek met een start-upteam dat hij coacht, met onder meer de Nederlands-Italiaanse Lionello Lunesu en de Amerikaan Berni War. Ze bekeken hun laatste prototype, vers uit de fabriek bezorgd door een koerier. Het was een klein apparaatje dat meldingen van je computer of telefoon doorgeeft. Een soort Apple Watch, maar dan voor op je bureau in plaats van aan je pols. Li pakte het apparaat en streelde de gladde witte buitenkant. ‘Hetzelfde plastic dat ze voor de iPhone 5c gebruiken,’ zei hij. Grote grijns op het gezicht van de jonge ondernemers. Dat soort mogelijkheden heb je in de VS vaak niet. En daarom zitten ze hier.

    Auteur: Clive Thompson
    Vertaler: Frank Lekens

    Beeld bovenaan: Een winkel van Xiaomi in Chengdu. – © HH

    Wired
    Verenigde Staten | maandblad | oplage 750.000

    Wired bericht in print en online over de verbanden tussen technologische ontwikkelingen en cultuur, politiek en economie. Absolute referentie voor internationale technologie. Spraakmakende covers, ongeëvenaarde inhoud.

  • Wanneer de waarheid er niet meer toe doet

    Wanneer de waarheid er niet meer toe doet

    Dat politici liegen, dat waren we wel gewend. Maar de schaamteloze manier waarop Trump en Poetin het doen is nieuw, schrijft de Russische intellectueel Peter Pomerantsev. ‘We leven in een maatschappij waarin het politici en media niet meer uitmaakt of ze de waarheid vertellen of niet.’ 

    Keuze uit het archief

    De ongekende verkiezingswinst van de PVV in Nederland past in een patroon dat over de hele wereld zichtbaar is: extreemrechtse en populistische leiders grijpen de macht nadat het politieke midden geen oplossingen kon vinden voor de vele crises. Eerst waren het de VS, Brazilië, Italië, Slowakije en Argentinië, nu is Nederland aan de beurt.
    Een reden voor de populariteit van het populisme is volgens Peter Pomerantsev in een artikel in Granta uit 2016 dat we in een tijdperk en maatschappij leven waarin feiten er niet meer toe doen. ‘Je kunt nu alle gekte die je voelt eruit gooien en dan is het prima. En een publiek dat al een decennium zonder feiten leeft, kan zich nu koesteren in een volledig anarchistische bevrijding van de geloofwaardigheid’, aldus Pomerantsev. Woorden die tot nadenken stemmen na een verkiezingscampagne in Nederland die volgens alle deelnemers over ‘de inhoud’ moest gaan, maar waarin vooral feiten, cijfers en woorden van anderen verdraaid werden. Tot zover ‘het eerlijke verhaal’.

    Terwijl zijn leger schaamteloos de Krim annexeerde, verscheen Vladimir Poetin op de televisie en vertelde de wereld doodleuk dat er geen Russische soldaten in Oekraïne waren. Dat was natuurlijk een leugen, maar hij zei er vooral mee dat de waarheid niet belangrijk is. Wanneer Donald Trump zomaar beweert dat hij duizenden moslims in New Jersey heeft zien juichen toen de Twin Towers omlaag kwamen, of dat de Mexicaanse regering met opzet ‘slechte’ immigranten naar de VS stuurt, en bedrijven die zich met het controleren van feiten bezighouden 78 procent van zijn uitspraken als onwaar aanmerken, maar hij toch kandidaat voor het presidentschap van Amerika wordt, dan lijkt het erop dat feiten er niet meer veel toe doen in the land of the free.

    Het is duidelijk dat we in een ‘post-feiten’ of ‘post-waarheid’-maatschappij zonder waarheid leven. Een maatschappij waarin politici en media niet alleen liegen – dat hebben ze altijd gedaan – maar waarin het ze ook niet uitmaakt of ze de waarheid vertellen of niet.

    Technologie

    Hoe heeft het zover kunnen komen? Komt het door de technologie? Door economische globalisering? Is het de culminatie van de geschiedenis van het denken? Er schuilt een puberaal genot in om de last van feiten van je af te schudden – die zware symbolen van opleiding en gezag, die ons herinneren aan onze plaats en onze beperkingen – maar waarom doet deze rebellie zich juist nu voor?

    Velen geven de schuld aan de technologie. Het informatietijdperk heeft niet gezorgd voor een nieuwe tijd waarin de waarheid wordt gesproken, maar maakt juist mogelijk dat leugens zich razendsnel verspreiden in wat techneuten ‘digitale bosbranden’ noemen. Tegen de tijd dat een factchecker een leugen heeft ontdekt, zijn er alweer duizenden nieuwe gecreëerd, en door de enorme omvang van de ‘cascades van desinformatie’ is de onwaarheid niet meer te stuiten. Het enige wat telt is dat de leugen clickable is en dat wordt bepaald door de mate waarin die leugen inspeelt op bestaande vooroordelen van mensen. Algoritmen die zijn ontwikkeld door bedrijven als Google en Facebook zijn gebaseerd op eerdere zoekopdrachten en clicks, dus met elke nieuwe zoekopdracht en elke volgende klik ziet men de eigen vooroordelen bevestigd. Sociale media, die nu voor de meeste Amerikanen de belangrijkste bron van nieuws vormen, lokken ons in echokamers van gelijkgestemden en geven ons alleen wat we aangenaam vinden – of dat nu waar is of niet.

    Misschien heeft de technologie ook subtielere invloeden op onze verhouding met de waarheid. De nieuwe media met hun talloze schermen en streams maken de realiteit zo gefragmenteerd dat deze niet meer te bevatten is, en zo stuwen ze ons, of laten ze ons ontsnappen, naar virtuele realiteiten en fantasieën. Door deze fragmentatie, in combinatie met de desoriëntatie van de globalisering, gaan mensen verlangen naar een veiliger verleden, en zo ontstaat nostalgie. ‘De eenentwintigste eeuw wordt niet gekenmerkt door de zoektocht naar nieuwe mogelijkheden,’ schreef de overleden Russisch-Amerikaanse filoloog Svetlana Boym, ‘maar door de toename aan nostalgie (…) nostalgische nationalisten en nostalgische kosmopolieten, nostalgische natuurbeschermers en nostalgische metrofielen [liefhebbers van steden] wisselen pixelvuur uit in de blogosfeer.’

    Zo verkopen de legers internettrollen van Poetin dromen over de herrijzenis van het Russische Rijk en de Sovjet-Unie; Trump twittert over ‘Make America Great Again’; Brexiteers hunkeren op Facebook naar een verloren Engeland; de virale gruwelvideo’s van IS verheerlijken een mythisch kalifaat. Zoals Boym betoogde: restauratieve nostalgie streeft er ‘met paranoïde vastberadenheid’ naar om het verloren vaderland opnieuw op te bouwen, ziet zichzelf als ‘waarheid en traditie’, heeft een obsessie voor indrukwekkende symbolen en ‘vervangt kritisch denken door emotionele binding’. ‘In extreme gevallen kan deze nostalgie een schijnvaderland creëren, waarvoor mensen bereid zijn te sterven of te doden. Ondoordachte nostalgie kan monsters baren.’

    Als alle feiten zeggen dat je geen economische toekomst hebt, waarom zou je dan feiten willen horen?

    De vlucht in technofantasieën heeft veel te maken met economische en sociale onzekerheid. Als alle feiten zeggen dat je geen economische toekomst hebt, waarom zou je dan feiten willen horen? Als je in een wereld leeft waarin een kleine gebeurtenis in China leidt tot verlies aan banen in Lyon, waarin je regering kennelijk geen macht heeft over de gebeurtenissen, dan verdwijnt het vertrouwen in oude gezagsinstituties – politici, wetenschappers, de media. En dat leidt tot de bewering van Brexit-leider Michael Gove dat de Britten ‘genoeg hebben van deskundigen’, tot Trumps tirades tegen de ‘lamestream’-media en tot de bloei van sites voor ‘alternatief nieuws’ op internet.

    Paradoxaal genoeg blijk uit een onderzoek van Northeastern University dat mensen die de ‘mainstream’-media niet vertrouwen, meer geneigd zijn onjuiste informatie te geloven: ‘Het is verrassend dat consumenten van alternatief nieuws, die juist proberen de “massamanipulatie door mainstreammedia” te vermijden, het meest ontvankelijk zijn voor valse beweringen.’ Gezonde scepsis eindigt in een zoektocht naar onwaarschijnlijke complotten. Poetins door het Kremlin gecontroleerde televisie ziet achter alles een Amerikaanse samenzwering, en volgens sommige elementen in de Brexit-campagne was er sprake van een Duits-Frans-Europees complot tegen Groot-Brittannië.

    ‘Objectieve verslaggeving bestaat niet,’ beweren Dmitri Kiseljov en Margarita Simonyan, die aan het hoofd staan van Poetins propagandanetwerken, als hen wordt gevraagd om de redactionele uitgangspunten te verklaren waarbinnen aan samenzweringstheorieën evenveel waarde wordt gehecht als aan wetenschappelijk onderzoek. RT, de internationale zender van het Kremlin, beweert dat het ‘een alternatief standpunt’ biedt, maar in de praktijk betekent dit dat de hoofdredacteur van een uiterst rechts blaadje een even geloofwaardige studiogast wordt gevonden als een onderzoeker van de universiteit, en zo wordt een leugen even geschikt bevonden voor uitzending als een feit. Donald Trump speelt eenzelfde spel door ongefundeerde geruchten voor te stellen als redelijke, alternatieve meningen, en door verzinsels, zoals dat Obama moslim is of dat Ted Cruz in het geheim een Canadees paspoort heeft, te brengen onder de dekmantel van ‘veel mensen zeggen dat…’

    Dit gelijkstellen van waarheid en vervalsing wordt gevoed door een alomtegenwoordig laat-postmodernistisch relativisme dat de afgelopen dertig jaar van de wetenschappelijke wereld is doorgesijpeld naar de media en vandaar naar de rest van de wereld. Hierin wordt het credo van Nietzsche, ‘Er bestaan geen feiten, alleen interpretaties’, zo opgevat dat elke versie van gebeurtenissen gewoon een ander verhaal is, waarin leugens verontschuldigd kunnen worden als ‘een alternatieve kijk’ of ‘een mening’, omdat ‘alles betrekkelijk is’ en ‘iedereen zijn eigen waarheid heeft’ (en op internet is dat ook zo).

    © Paul Faassen
    © Paul Faassen

    Volgens Maurizio Ferraris, een van de oprichters van de beweging New Realism en een van de meest overtuigende critici van het postmodernisme, maken we nu de culminatie mee van twee eeuwen denken. De Verlichting streefde er oorspronkelijk naar het onderzoeken van de wereld mogelijk te maken door het recht om de werkelijkheid te definiëren weg te halen bij een goddelijke autoriteit en over te dragen aan de individuele rede. Het ‘Ik denk dus ik ben’ van Descartes plaatste de zetel der kennis in de menselijke geest. Maar als het enige wat je kunt kennen je geest is, dan ‘is de wereld mijn voorstelling’, zoals Schopenhauer stelde.

    Aan het eind van de twintigste eeuw gingen de postmodernisten nog verder, door te beweren dat ‘er niets is buiten de tekst’ en dat al onze ideeën over de wereld komen van de machtsstructuren die ons zijn opgelegd. Dit heeft geleid tot een syllogisme dat Ferraris zo formuleert: ‘Alle realiteit blijkt een constructie van macht te zijn, en dat maakt die realiteit zowel verwerpelijk (wanneer we met “Macht” de macht bedoelen die ons overheerst) als kneedbaar (wanneer we met “macht” bedoelen “in onze macht”).’

    Het postmodernisme zag zichzelf oorspronkelijk als emanciperend, een manier om mensen te bevrijden van de onderdrukkende vertellingen waaraan ze waren blootgesteld. Maar, zegt Ferraris, ‘de komst van het mediapopulisme toonde een afscheid van de realiteit dat helemaal niet emanciperend was’. Als de realiteit oneindig kneedbaar is, dan kon Berlusconi, die zo veel invloed op Poetin heeft gehad, terecht zeggen ‘Snap je dan niet dat iets – een idee, een politicus of een product – niet bestaat als het niet op televisie is?’ Dan kon de regering-Bush een oorlog die gebaseerd was op onjuiste informatie legitimeren. ‘Als we handelen, scheppen we onze eigen werkelijkheid,’ zei een adviseur van Bush, waarschijnlijk Karl Rove, tegen The New York Times in een citaat dat Ferraris als voorbeeld neemt, ‘en terwijl jullie die werkelijkheid bestuderen – op jullie eigen, grondige wijze – zullen wij weer handelen, en zo weer nieuwe werkelijkheden scheppen.’

    ‘De Remain-campagne kwam steeds met feiten, feiten, feiten, feiten, feiten. Dat werkt gewoon niet. Je moet emotioneel contact leggen met mensen’

    En wat nog erger is: door te zeggen dat alle kennis (onderdrukkende) macht is, nam het postmodernisme de basis weg van waaruit je tegen de macht kon redeneren. Het poneerde dat ‘omdat rede en intellect vormen zijn van overheersing, bevrijding gezocht moet worden via gevoelens en het lichaam, die van nature revolutionair zijn’.

    Het verwerpen van op feiten gebaseerde argumenten en kiezen voor emoties wordt een onderwerp op zichzelf. De politieke echo hiervan kunnen we horen in de redenering van Arron Banks, de oprichter van de campagne om de EU te verlaten: ‘De Remain-campagne kwam steeds met feiten, feiten, feiten, feiten, feiten. Dat werkt gewoon niet. Je moet emotioneel contact leggen met mensen. Dat is het succes van Trump.’ Ferraris ziet de wortel van het probleem in het antwoord van filosofen in de achttiende eeuw op de opkomst van de wetenschap. Naarmate de wetenschap het interpreteren van de werkelijkheid overnam, werd de filosofie antirealistischer, om zo een ruimte te houden waarin ze nog een rol kon spelen.

    Koude Oorlog

    In mijn pogingen de wereld te begrijpen waarin ik ben opgegroeid en waarin ik leef – een wereld die in mijn geval werd bepaald door Rusland, de EU, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten – hoef ik niet zo ver terug te gaan om een tijd te vinden waarin feiten ertoe deden. Ik weet nog dat feiten verschrikkelijk belangrijk leken tijdens de Koude Oorlog. Zowel Sovjet-communisten als westerse democratische kapitalisten vertrouwden op feiten om te bewijzen dat hun ideologie de juiste was. Vooral de communisten hadden er een handje van de feiten in hun voordeel te draaien – maar uiteindelijk verloren ze toch, omdat ze hun verhaal niet langer konden volhouden. Als ze op een leugen werden betrapt, reageerden ze woedend. Het was belangrijk om als consciëntieus beschouwd te worden.

    Waarom waren feiten voor beide partijen belangrijk? Allebei probeerden ze, ten minste officieel, het bewijs te leveren voor een idee van rationele vooruitgang. Ideologie, verhaal en het gebruik van feiten gingen hand in hand. Des te meer, zoals mediaondernemer en activist Tony Curzon Price me heeft uitgelegd, omdat gezag en leiderschap in oorlogstijd belangrijk zijn voor je veiligheid. Je kijkt tegen leiders op vanwege – en zij overtuigen je met – de feiten.

    Toen kwamen de jaren negentig. Er was geen vooruitgang meer om naar te streven, er viel niets meer te bewijzen. Feiten raakten gescheiden van politieke verhalen. Dat verschafte wel een zeker geluk: het was een tijd van hedonisme en ecstasy, van een lichthoofdigheid waarin we de feiten van onze bankrekening konden negeren en zo veel schulden konden maken als we wilden. Zonder feiten en ideeën werden de nieuwe meesters van de politiek spindoctors en politieke technologen.

    In Rusland werd de traditie van het tsarisme en de KGB om politieke marionettenbewegingen te vormen gecombineerd met westerse pr-trucs, en zo ontstond een Potemkin-democratie waarin het Kremlin alle vertellingen en alle partijen manipuleerde, van uiterst links tot uiterst rechts. Dit begon in 1996, toen neppartijen en nepnieuws werden gebruikt om president Jeltsin te redden, en het werd vervolgens een model van ‘virtuele politiek’ dat in heel Eurazië werd nagevolgd (Paul Manafort, de spindoctor van Trump, werkte in 2005 in de wereld van het Kremlin om Poetin-adept president Janoekovitsj van Oekraïne te helpen kneden).

    In Groot-Brittannië werd het zichtbaar in de spectaculaire carrière van Alastair Campbell, een niet-verkozen persvoorlichter, die zo invloedrijk werd geacht dat de meest succesvolle politieke satire van die tijd hem de vertegenwoordiger van de macht in het land maakte. In de VS begon het met de Eerste Golfoorlog, door Baudrillard beschreven als een pure media-uitvinding, vervolgens kwam het gedoe rond Bill Clinton en daarna de Tweede Golfoorlog en het legendarische ‘Wij scheppen de werkelijkheid’ van Rove.

    Maar hoe cynisch ze ook waren, de spindoctors en politieke technologen probeerden tot dan toe nog steeds een illusie van de waarheid te geven. Hun verhaal moest geloofwaardig zijn, ook al waren de feiten mager. Toen de werkelijkheid ze inhaalde – het publiek kreeg de illusie van Moskou door, de verhalen over Irak bleken niet waar en de aandelenmarkten stortten in – was één reactie om de hakken in het zand te zetten, te ontkennen dat feiten er überhaupt iets toe doen, je op de borst te kloppen omdat je niets om die feiten geeft.

    Dit heeft veel voordelen voor heersers – en is een opluchting voor kiezers. Poetin hoeft geen overtuigender verhaal te hebben, hij hoeft alleen maar duidelijk te maken dat alle anderen liegen, het morele gezag van zijn tegenstanders te ondermijnen en zijn mensen te laten geloven dat er geen alternatief voor hem is. ‘Wanneer Poetin schaamteloos liegt, wil hij dat het Westen erop wijst dat hij liegt,’ zegt de Bulgaarse politiek wetenschapper Ivan Krastev (zie 360 Magazine #104). ‘Dan kan hij terugwijzen en zeggen: Maar jullie liegen ook.’ En als iedereen liegt dan mag het, of het nu over je persoonlijke leven is of over een invasie in een ander land.

    Dit is een (duister) genoegen. Je kunt nu alle gekte die je voelt eruit gooien en dan is het prima. Het enige wat Trump doet is mensen het plezier gunnen om vuil te mogen spuiten, het genot van pure emotie, vaak woede zonder enige redelijkheid. En een publiek dat al een decennium zonder feiten leeft, kan zich nu koesteren in een volledig anarchistische bevrijding van de geloofwaardigheid.

  • 1. Welkom in het feitenvrije tijdperk

    1. Welkom in het feitenvrije tijdperk

    Feiten lijken er steeds minder toe te doen in het politieke debat. Zowel de Brexit-campagne als de Amerikaanse voorverkiezingen stonden bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Maar is het werkelijk zo veel erger dan vroeger? Vox zocht het uit.

    Na het referendum over de Britse uittreding uit de Europese Unie wordt door velen in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten niet alleen getreurd om de breuk in de Europese eenheid, maar ook om de teloorgang van de waarheid. Aan feiten en deskundig commentaar lieten de voorstanders van Brexit zich niets gelegen liggen. Hoewel economen massaal waarschuwden dat uittreding de Britse economie blijvende schade zou toebrengen, besloot 52 procent van de kiezers dat ze de EU wilden verlaten.

    En waarom negeerden die kiezers de feiten? Omdat ze over hun eigen ‘feiten’ beschikten. Pro-Brexit-politici konden in de campagne kwistig met valse informatie strooien en praktisch ongestraft de meest grove leugens verkondigen. Neem UKIP-leider Nigel Farage, die de ochtend na het referendum al meteen op zijn woorden terugkwam. De officiële Leave-campagne had voorgespiegeld dat een Brexit 350 miljoen pond per week zou opleveren, die dan in het Britse zorgstelsel konden worden gestoken. In zijn eigen onafhankelijke campagne had Farage nooit kanttekeningen gezet bij die belofte. Maar zodra op vrijdagochtend de stemmen waren geteld, erkende hij dat de officiële Leave-campagne luchtkastelen had beloofd en ontkende hij dat hij die belofte ooit had ondersteund – terwijl dat aantoonbaar wel zo was.

    ‘Welkom in de feitenvrije democratie’ luidde een lezersreactie in de Financial Times op de uitslag van het referendum. En voor de politiek aan onze kant van de Atlantische Oceaan geldt eigenlijk hetzelfde. Ook de lopende Amerikaanse verkiezingscampagne staat bol van overdrijving, aanvechtbare beweringen en aperte leugens. Dat roept de vraag op: leven we nu echt in een tijd waarin de feiten geen rol meer spelen? Wordt dat door de feiten gestaafd? Ik vroeg politicologen, professionele factcheckers en filosofen naar hun mening over onze omgang met feiten.

    Elk “feit” dat je zoekt, kun je op internet wel ergens vinden

    Is er tegenwoordig meer desinformatie dan ooit?

    Om te beginnen: het is verrassend lastig te zeggen of er in de politiek tegenwoordig meer desinformatie en leugens worden verspreid dan vroeger. Brendan Nyhan, hoogleraar politicologie aan Dartmouth College, wijst erop dat we niet beschikken over goede langetermijngegevens met betrekking tot de vraag of het ‘oprekken’ van de waarheid tegenwoordig vaker voorkomt dan bijvoorbeeld tijdens de oorlog in Vietnam, bij de inval in Irak in 2003 of in de door de Amerikaanse schandaalpers opgehitste Spaans-Amerikaanse oorlog aan het eind van de negentiende eeuw. Als men zegt dat we nu leven in het tijdperk van de feitenvrije democratie, wordt daarmee gesuggereerd dat er ooit een gouden tijdperk was waarin politiek alleen om feiten draaide. ‘En ik denk niet dat er ooit zo’n tijd is geweest,’ zegt Nyhan. Anderzijds zegt hij ook: ‘Ik denk dat er altijd veel valse informatie in omloop is geweest, over allerlei onderwerpen – maar de manier waarop is wel veranderd.’

    En inderdaad, door internet en sociale media is valse informatie toegankelijker, beter zichtbaar en moeilijker te onderscheiden van onweerlegbare feiten. En dat kan op drie manieren bijdragen aan de verspreiding van politieke desinformatie.

    1) Mensen hebben toegang tot een onmetelijke hoeveelheid data, en dat kan verwarring in de hand werken.

    Volgens Michael Lynch, hoogleraar filosofie aan de University of Connecticut en auteur van het boek The Internet of Us: Knowing More and Understanding Less in the Age of Big Data, raken we gemakkelijk de weg kwijt in alle informatie die we tegenwoordig binnen handbereik hebben. ‘Hoe meer informatie mensen tot hun beschikking hebben, ook al is dat juiste informatie, hoe meer ze ertoe neigen hun eigen kennis te overschatten,’ zegt hij.

    Elk ‘feit’ dat je zoekt, kun je op internet ook wel ergens vinden. Maar doordat er zo veel feiten beschikbaar zijn, denken we dat we meer weten dan we eigenlijk doen, legt Lynch uit. Terwijl lang niet al die informatie nuttig of zelfs maar waar is. ‘Dat er meer ís, wil niet zeggen dat je ook meer wéét. Het moet goede en betrouwbare informatie zijn,’ zegt Lynch. ‘En de duivel mag weten of er daarvan nu meer of juist minder is.’

    2) We kunnen selectiever zijn met de informatie die we wel en niet tot ons nemen.

    Met zo’n overvloed aan informatie moet je wel gaan schiften en selecteren. ‘Ons onlineleven is zo selectief als een museum,’ zegt Lynch. ‘We kiezen zelf uit wat we aan de muur hangen, op welke bronnen we ons baseren. Dat kan er ook toe leiden dat ons hele wereldbeeld ineens op zijn kop komt te staan – zoals bij de tegenstanders van Brexit die wakker werden en ineens tot het besef kwamen dat Brexit een feit was.’

    Het maakt misschien vooral verschil bij politiek geëngageerde mensen, zeker in deze tijd van polarisatie. Tim Lee schreef op Vox al over onderzoek waaruit blijkt dat linkse gebruikers op Facebook sneller linkse artikelen in hun nieuwsoverzicht tegenkomen, terwijl conservatieve gebruikers meer conservatieve berichten te zien krijgen. ‘Niet alleen zijn de politieke partijen en hun ideologieën sterker gepolariseerd, hun aanhang is ook uniformer geworden,’ zegt Nyhan. ‘Dus in Amerika zijn Democraten zijn nu vaker links en Republikeinen eerder rechts, en ze gaan vooral om met gelijkgestemden, zodat alternatieve informatie minder tot hen doordringt.’

    Dat wordt nog versterkt door het feit dat de traditionele poortwachters van informatie (grote kranten, tv-journaals) aan invloed verliezen. ‘Politici springen daarop in,’ zegt Nyhan, ‘door hun doelgroep direct te benaderen via blogs en campagnes op sociale media. Dat draagt ertoe bij dat we in onze vooroordelen en overtuigingen worden gesterkt en ons afsluiten voor andere denkbeelden – en daardoor misschien ook makkelijker te misleiden zijn.’

    3) Desinformatie is nu zichtbaarder.

    De laatste jaren is de vindbaarheid van onjuiste informatie wel degelijk toegenomen. ‘Desinformatie die altijd al bestond maar niet altijd even makkelijk te vinden was, komt dankzij sociale media en internet nu sneller bovendrijven,’ zegt Nyhan. ‘Er zijn tegenwoordig meer beweringen over zogenaamde feiten die publiek toegankelijk zijn.’ Zo was het in de jaren zestig niet zo eenvoudig om de hand te leggen op nieuwsbrieven van de John Birch Society, de extreemrechtse groepering die paranoïde samenzweringstheorieën verspreidde over vermeende communistische infiltratie. ‘Desinformatie die vroeger in kleine kring circuleerde, onttrok zich vaak aan het zicht van mensen daarbuiten,’ zegt Nyhan. Maar nu is alles op internet te vinden.

    Anderzijds worden ook de leugens beter zichtbaar door de opkomst van websites die beweerde feiten controleren, zegt Bill Adair. Hij is behalve hoogleraar journalistiek aan Duke University is ook de oprichter van de Amerikaanse onderzoekssite PolitiFact, die in 2009 met een Pulitzer Prize werd bekroond. Van 2015 tot 2016 is het aantal sites dat feiten natrekt naar zijn schatting wereldwijd met 60 procent gestegen, van 44 naar 105. Dus of er nu meer wordt gelogen of niet, we worden er in ieder geval vaker op attent gemaakt.

    12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als “onwaar” tegenover 61 procent van die van Trump

    Factcheckers kunnen de verspreiding van desinformatie afremmen, maar Nyhan wijst op eigen onderzoek waaruit blijkt dat feitencontrole ook een averechts effect kan hebben: het kan ertoe leiden dat mensen zich nog dieper ingraven in hun eigen gelijk, zeker bij omstreden kwesties. Toch blijft feiten controleren een van de beste manieren om valse kennis te bestrijden.

    ‘Soms heeft het natrekken van feiten een averechts effect, zeker bij mensen die sowieso niet openstaan voor andere informatie,’ zegt ook Jason Reifler, hoogleraar politicologie aan Exeter University. Maar hij voegt eraan toe: ‘Uit ander onderzoek blijkt dat het publiek wel degelijk baat heeft bij controle van de feiten.’ Zo kwam uit onderzoek van hem en Nyhan naar voren dat politici die bang zijn voor reputatieschade als ze door factcheckers op een leugen worden betrapt, minder snel geneigd zijn onwaarheden te verkopen.

    © Paul Faassen
    © Paul Faassen

    Reifler denkt zelfs dat het gebrek aan prominente controleurs in het Verenigd Koninkrijk heeft bijgedragen aan het succes van de Leave-campagne. ‘In Groot-Brittannië bestaat er eigenlijk niets met een vergelijkbare invloed als PolitiFact of de onderzoeksredactie van The Washington Post in de VS,’ zegt hij.

    De aperte leugens van de Leave-campagne waren ook voorafgegaan door jarenlange anti-Europese stemmingmakerij in de Britse media, vaak zonder enig tegengeluid of pogingen om beweringen op hun feitelijkheid te controleren. ‘Feiten moeten worden nagetrokken om te voorkomen dat kleine leugentjes uitgroeien tot grote leugens,’ zegt Reifler. ‘Voorkomen is beter dan genezen. Dus feiten controleren om de verspreiding van desinformatie te voorkomen – en politici een prikkel te geven om geen leugens meer te vertellen – moet de gouden standaard zijn.’

    Daar wordt ook werk van gemaakt wordt bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Daarin kunnen volgens PolitiFact 12 procent van de uitlatingen van Hillary Clinton worden gekwalificeerd als ‘onwaar’ of zelfs als ‘regelrechte leugens’, tegenover 61 procent van de uitlatingen van Trump.

    Bill Adair: ‘Ik durf gerust te zeggen dat geen enkele belangrijke Amerikaanse politicus ooit dat niveau heeft benaderd.’

    Auteur: Julia Belluz
    Vertaler: Frank Lekens

    Vox
    VS | Vox.com

    Vox (Media) is een Amerikaanse algemene nieuwssite, opgericht in 2014 door Ezra Klein, tot dan toe politiek columnist voor The Washington Post. De site richt zich op ‘huishoudens met een inkomen van zes cijfers, met aan het hoofd iemand jonger dan 35 jaar’. Volgens de jongste cijfers gaat het een heel eind die kant op: Vox heeft 54 miljoen unieke bezoekers, van wie 41 procent tussen de 18 en 34 jaar oud.

    In de Amerikaanse context is Vox een liberale verspreider van ‘verklarende journalistiek’. Het onderwerp van Kleins allereerste column voor Vox had dan ook als titel ‘How politics makes us stupid’. Klein en zijn staf van twintig mensen, voor een deel afkomstig van de WP, maken zich druk om ‘linkse’ zaken als Obamacare. Vox is eigendom van Vox Media, een onderneming waaronder verschillende gespecialiseerde websites vallen, zoals The Verge (technologie), SB Nation (sport), Polygon (games) en Racked (mode), samen goed voor 1 miljard dollar.

  • Dossier: Waarom de leugen regeert

    Dossier: Waarom de leugen regeert

    Feiten zijn passé.

    We leven in het feitenvrije tijdperk, zeggen deskundigen. Politici als Trump, Poetin en Nigel Farage liegen er lustig op los, zonder dat het hun aanhang veel lijkt te kunnen schelen. Is het werkelijk zo veel erger dan vroeger? Hoe kan dat dan? En wat is er zo aantrekkelijk aan een leider die spot met de waarheid?

    1. Welkom in het feitenvrije tijdperk

    2. Het succes van fact free politics verklaard

    3. Lak aan de waarheid

    4. Onwetendheid als deugd, Poetins digitale soldaatjes, De invloed van technologie en Zo erg is het niet

    © Paul Faassen
    © Paul Faassen