Tag: technologie

  • Zo verspilt de EU haar technologiemiljarden

    Zo verspilt de EU haar technologiemiljarden

    Brussel geeft elk jaar meer dan 10 miljard euro uit om innovaties te stimuleren. Maar dat geld stroomt niet naar start-ups, het subsidieert oude bedrijven. Slechts een fractie ervan zou effectief worden besteed.

    Europa doet het momenteel goed op de beurs, maar dat ligt meer aan de onberekenbare politiek van Donald Trump dan aan de vooruitzichten van de EU-ondernemingen. Wie wat beter kijkt, beseft dat het continent waar het op technologische vooruitgang aankomt ver is achtergebleven bij de concurrentie. In de digitale economie domineren de tech-giganten uit de VS, van Google tot Microsoft. En in traditionele sectoren zoals de auto-industrie, chemische industrie en machinebouw is China Europa inmiddels voorbijgestreefd. Economen spreken van een technologieval, of preciezer: de mid-technologie-trap. 

    Daar zijn veel redenen voor, zoals de voormalige minister-presidenten van Italië Mario Draghi en Enrico Letta vorig jaar in twee lijvige rapporten aan de EU-commissie hebben voorgerekend. De EU-landen investeren te weinig, de kapitaalsector is onderontwikkeld en de interne markt is nog altijd gefragmenteerd. Dat klopt allemaal, zo laat een recent onderzoek zien van het ifo Institut in München en de Bocconi Universiteit in Milaan. Maar Brussel beschikt nog over een ander instrument, dat bovendien veel makkelijker is in te zetten. Als de EU de technologische achterstand wil inhalen, aldus de studie, moet ze vooral haar slecht functionerende innovatie- en technologiebeleid veranderen. ‘In plaats van ondernemingen’, zegt professor Daniel Gros van de Bocconi Universiteit, zou Brussel beter ‘ideeën kunnen financieren’.

    Oude industrieën

    Op dit moment gebeurt dus meestal het eerste. De miljarden kostende EU-programma’s die Brussel uitvoert onder de hoogdravende naam ‘Horizon’ richten zich voornamelijk op oude industrieën, worden vaak door een kleine kring van gevestigde concerns afgenomen en vloeien naar projecten die waarschijnlijk zonder dat geld ook wel waren doorgegaan. De manier waarop de EU onderzoek stimuleert, is vooral een vorm van gewone bedrijfsfinanciering geworden, staat in het rapport. Echt vernieuwende ideeën levert het nauwelijks op.

    Het gaat om enorme bedragen. In de afgelopen tien jaar heeft Brussel ongeveer 100 miljard euro in haar technologieprogramma’s gestoken. Maar wat dat vele belastinggeld heeft opgeleverd werd tot op heden nauwelijks systematisch onderzocht. Als eerste rekende het Duits-Italiaanse ­team van economen uit hoe sterk de Brusselse middelen bijdroegen aan de groei van de ontvangers – met een ontnuchterende uitkomst. Bij een groot deel van de projecten zijn ‘tijdens de periode van subsidiëring kleine positieve effecten’ opgemerkt, die echter niet van blijvende aard waren. Integendeel: sinds het begin van het eerste decennium van deze eeuw is het aandeel van bedrijven uit de EU in de wereldwijde high-techmarkten teruggelopen van 22 naar 11 procent.

    Dat lag niet in de laatste plaats, zo ontdekten de onderzoekers, aan de manier waarop de Horizongelden worden verdeeld. Een groot deel komt niet terecht bij kleine creatieve start-ups, maar bij gevestigde bedrijven ‘op een gemiddeld technologisch niveau’, waaronder grote autoconcerns, van VW en Mercedes Benz tot en met Stellantis. Nog kritischer is het oordeel over de miljarden die terechtkomen bij grote bedrijfsconsortia, waarin gemiddeld twintig, soms wel honderd, partijen uit meerdere EU-landen samenwerken. Zulke projecten worden vaak niet van onderaf ontwikkeld door de bedrijven zelf, maar van bovenaf gepland door commissies van EU-ambtenaren, waarbij nationale belangen regelmatig zwaarder wegen dan technologische vernieuwing.

    Een aanzienlijk deel van het geld belandt niet bij technologiebedrijven, maar bij consultancybureaus

    De economen noemen als voorbeeld een Horizon-project rond batterijen voor elektrische auto’s, dat zich van meet af aan beperkte tot vertrouwde technologieën en gangbare productiemethoden. Geen wonder, stellen ze, dat zulke projecten zelden tot echte innovaties leiden, maar hooguit tot ‘marginale verbeteringen van bestaande technologieën’.

    Sterker nog: een aanzienlijk deel van het geld belandt niet bij technologiebedrijven, maar bij consultancybureaus die gespecialiseerd zijn in het begeleiden van klanten door het woud aan Europese aanvraag- en verantwoordingsregels. Volgens de studie is de sterkste groei van de Horizon-programma’s dan ook ‘te vinden in de sector van consultancy en ondersteunende diensten’.

    Het rapport laat ook zien hoe het wél werkt. De technologiesubsidies van de EU blijken namelijk wel effectief wanneer ze terechtkomen bij kleine, onafhankelijke bedrijven. In zulke gevallen bespeurden de onderzoekers doorgaans ‘positieve, aanhoudende en significante’ effecten. Helaas gaat slechts 7,5 procent van de Horizon-gelden naar dit type ondernemingen. De conclusie van de studie is dan ook weinig vleiend: slechts een fractie van het totale subsidiegeld wordt daadwerkelijk ‘effectief besteed’. Het leeuwendeel vloeit naar ‘bedrijven die zich gespecialiseerd hebben in het verwerven van Horizonsubsidies’, ‘vaak dochterbedrijven van de grote concerns’ die deelnamen aan ‘tientallen plannen’, in enkele gevallen zelfs meer dan tweehonderd.

    Belemmeringen

    Deze studie legt de hardnekkige zwaktes van de EU onder een vergrootglas, die Europa al lange tijd belemmeren in de wereldwijde concurrentiestrijd: een verlammende bureaucratie, de invloedrijke lobby van gevestigde bedrijven en belangengroepen en de voortdurende dominantie van nationale belangen. Dat leidt vooral tot zo’n ongunstige uitkomst omdat de EU niet beschikt over een kapitaalmarkt als die van de VS, die graag investeren in innovaties. De publieke EU-subsidies zouden dat gebrek eigenlijk moeten opvangen, maar versterken het probleem.

    Als de EU-landen binnenkort over hun nieuwe begroting besluiten, doen ze er verstandig aan de conclusies van het rapport van de Duitse en Italiaanse economen ter harte te nemen: wie echte innovatie wil, moet niet blijven investeren in het oude, maar durven kiezen voor het nieuwe.

  • Wereldbeeld: Elektronisch vernuft

    Wereldbeeld: Elektronisch vernuft

    De grens tussen kunst en technologie vervaagt op de Hong Kong Electronics Fair, een van de grootste technologiebeurzen van Azië.

    Een mechanisch gezicht dat naar naar het winkelend publiek kijkt is een van de vele innovatieve elektronische snufjes tijdens de HTDC Hong Kong Electronics Fair, die ook bekend is om zijn kunstinstallaties. 

    ANP 524620437
    © ANP
  • Hoe Europa slaapwandelt richting de vergetelheid

    Hoe Europa slaapwandelt richting de vergetelheid

    De wereld wordt herschapen naar het beeld van Silicon Valley, terwijl Europa vanaf de zijlijn toekijkt. Zonder ingrijpende veranderingen dreigt het continent achterop te raken in de race.

    Je kunt de recente geschiedenis van de Europese economie in twee cijfers uitdrukken.

    In 1992, gecorrigeerd naar koopkracht, betekende een bbp per hoofd van de bevolking van 44.933 dollar (35.530 pond) dat de gemiddelde Duitser iets beter af was dan de gemiddelde Amerikaan, met een voorsprong van 257 dollar.

    In 2024 heeft de Amerikaan bijna 12.000 dollar voorsprong. De economische mislukking van Duitsland is schokkend als je haar op zichzelf bekijkt. In het kader van de bredere stagnatie in Europa, schetst ze het verhaal van een tragisch continent.

    In 2008 was het Amerikaanse bbp per hoofd van de bevolking iets meer dan 14.000 dollar hoger dan dat van de EU. In 2023 is het bijna 20.000 dollar hoger. De VS zijn met 21 procent gegroeid; de EU, met alle voordelen van inhaalgroei over een groter gebied, met 15 procent. Ondanks het feit dat er 100 miljoen mensen meer wonen, is de economie van de EU nu kleiner in waarde dan die van de VS. De voorsprong die in 1990 nog meer dan 3 biljoen dollar bedroeg, is in 2020 verkwanseld.

    Sterfelijk

    Voor een generatie Europese politici is het concept van ‘strategische autonomie’ – het vermogen van de EU om als geheel op te treden zonder afhankelijk te zijn van andere landen – van symbolisch belang geworden.

    In de krachtige bewoordingen die we gewend zijn verklaarde de Franse president Emmanuel Macron eerder dit jaar dat ‘ons Europa sterfelijk is. Het kan sterven, en alles hangt af van onze keuzes.’ De periode waarin ‘de EU haar energie en kunstmest van Rusland kocht, haar productie aan China uitbesteedde en voor haar veiligheid afhankelijk was van de VS’, was voorbij, aldus de president.

    Maar om deze visie op onafhankelijkheid te verwezenlijken, moet Europa in staat zijn om voor zijn eigen leger te zorgen, zijn eigen industrie op te bouwen en zijn eigen concurrentievermogen op nieuwe gebieden te behouden. Europa moet niet langer simpelweg meeliften op de Verenigde Staten, die een onoverbrugbare voorsprong hebben op het gebied van de technologieën van de toekomst.

    Neem bijvoorbeeld AI. De Europese Rekenkamer heeft beweerd dat de resultaten van Europa’s inspanningen op dit gebied ‘waarschijnlijk het pad zullen bepalen van de toekomstige economische ontwikkeling van de EU’. En in de eerste helft van 2024 slaagde de EU erin om 6 procent van de 35 miljard dollar die wereldwijd in startende AI-bedrijven werd gestoken, naar zich toe te trekken.

    Haar beste onderzoekers en meest veelbelovende studenten hebben de vervelende gewoonte om naar de VS te vertrekken. En de rest van de technologiesector doet het niet veel beter.

    Europese bedrijven worden zwaar belast door de regeringen en instellingen die juist hun belangen zouden moeten beschermen. Dit begint al bij de energiekosten. Na aftrek van belastingen betalen Duitse bedrijven bijna 22 cent per kilowattuur voor elektriciteit, Franse bedrijven betalen een vergelijkbaar bedrag, terwijl Italiaanse bedrijven 26 cent per kilowattuur moeten neerleggen. Ter vergelijking: hun Amerikaanse concurrenten betalen slechts 8 cent.

    Bij deze verhoudingen maakt het niet echt uit of je een ouderwets industrieel bedrijf bent of juist in de voorhoede van de softwaresector zit. Energie is na grondstoffen de duurste input voor autofabrikanten (en op zijn beurt een belangrijke input voor de verwerking van materialen). Voor datacenters – of het nu gaat om AI-tools of klantbeheersystemen – is energie goed voor 46 à 60 procent van de bedrijfskosten.

    Sommige landen lijken totaal blind te zijn voor de omvang van het probleem

    Maar terwijl Donald Trump het heeft over het aanboren van koolwaterstoffen en het halveren van de energieprijzen, is Europa nog steeds vooral gericht op decarbonisatie en de groene economie.

    Voorstanders beweren dat de energieprijzen hierdoor zullen dalen, vooral gezien de onderbreking van de levering van Russisch gas – en hoe minder er gesproken wordt over de blunders op het gebied van buitenlands beleid die in de eerste plaats geleid hebben tot de afhankelijkheid van die levering, hoe beter. Maar terwijl het effect op groothandelsprijzen op heldere, zonnige dagen duidelijk is, lijkt het effect van plotselinge kostenpieken dat minder te zijn.

    De recente ‘dunkelflaute’ in Duitsland – een reeks windstille, sombere dagen – stuwde de elektriciteitsprijs voor een korte periode naar 800 euro per megawattuur. Voor bedrijven die niet kunnen kiezen wanneer ze hun klanten willen bedienen, of waarvoor de mogelijkheid om de productie op en af te schalen beperkt is, is dit niet ideaal.

    Bovendien lijken sommige landen totaal blind te zijn voor de omvang van het probleem. In een verbijsterende daad van zelfverwonding heeft Duitsland vorig jaar drie werkende kerncentrales gesloten. Het contrast in aanpak met Amerika, waar het energiehongerige Microsoft de heropening van stilgelegde eenheden op Three Mile Island wil financieren – de thuisbasis van het meest beruchte civiele kernongeval in de Amerikaanse geschiedenis – kan niet schriller zijn.

    Bovenop de energiekosten hebben Europese regelgevers de vervelende gewoonte om bedrijven die proberen te groeien met bureaucratische rompslomp op te zadelen. Zoals de voormalige president van de Europese Centrale Bank (en Italiaanse premier) Mario Draghi aangeeft, heeft de EU tussen 2019 en 2024 13.000 stukken wetgeving aangenomen, de wetten van de afzonderlijke lidstaten niet meegerekend. De VS daarentegen hebben er ongeveer 5500 aangenomen. Draghi merkt op dat in Denemarken, tussen Brussel en Kopenhagen, het aantal regels waar bedrijven mee te maken krijgen tussen 2001 en 2023 met 63 procent is gestegen.

    Voor startende bedrijven kunnen deze wetten bijzonder hinderlijk zijn. Vooral de nieuwe AI-wet kan een remmend effect hebben op bedrijven die producten willen ontwikkelen in de EU en bedrijven die nog winst moeten maken, opzadelen met nalevingskosten. De veel gehate GDPR is niet veel beter.

    Herschapen

    Dit alles tot grote frustratie van sommigen in Europa. Het huidige Hongaarse voorzitterschap van de Raad van de EU heeft herhaaldelijk geprobeerd om de aandacht van het blok te vestigen op het onvermogen om groei te bewerkstelligen. De Verklaring van Boedapest die eerder deze maand door de EU-leiders werd ondertekend – in navolging van het rapport van Draghi – zet een reeks stappen uiteen die erop gericht zijn om ‘bedrijven te laten bloeien zonder buitensporige regelgeving’.

    Om dit te bereiken moet de EU echter fundamenteel worden geherstructureerd. Regelgeving is vast verankerd in het zelfbeeld van de EU en sommige beleidsmakers hebben zelfs bewust het idee omarmd dat het blok een ‘supermacht op het gebied van regelgeving’ is. Door gebruik te maken van de aanzienlijke omvang van de Europese markt hopen ze bedrijven overzee over te halen om de regels uit Brussel te volgen, de belangen van het blok te behartigen en een aantal van de voordelen van economische dynamiek te bieden zonder het zware werk.

    Deze aanpak heeft gemengde resultaten opgeleverd. Sommige Europese standaarden zijn wereldwijd overgenomen en het blok is in staat geweest hoge boetes op te leggen aan Amerikaanse bedrijven die de regels zouden hebben overtreden.

    Tegelijkertijd heeft Nvidia ruwweg dezelfde beurswaarde als de achttien grootste EU-bedrijven samen, lijkt de technologiesector van het blok op sterven na dood, met uitzondering van semaglutidefabrikant Novo Nordisk, Spotify en de Nederlandse machinebouwer ASML, en wordt de wereld herschapen naar het beeld van Silicon Valley terwijl de EU vanaf de zijlijn toekijkt.

    Ondanks alle mooie woorden zal de EU geen ‘strategische autonomie’ hebben als ze eindigt als de romp van een door China gedomineerd continent of als een aanhangsel van een grotere Amerikaanse invloedssfeer – een bekoorlijk, economisch stagnerend themapark voor rijke toeristen.

    Om dat scenario te vermijden zijn binnenlandse capaciteiten nodig – in plaats van rivalen weg te laten lopen met technologische ontwikkelingen die de wereld vormgeven – en een betekenisvolle economische groei.

  • Hoe we steeds meer geneigd zijn de oppermacht van techmiljardairs te accepteren

    Hoe we steeds meer geneigd zijn de oppermacht van techmiljardairs te accepteren

    In een Amerika waar rijkdom steeds meer je sociale status bepaalt, worden miljardairs gezien als ondernemende genieën die een uniek niveau van creativiteit, moed, vooruitziendheid en deskundigheid vertonen. Toch zou het duidelijk moeten zijn dat rijkdom een slechte maatstaf is voor wijsheid.

    Technologiemiljardairs zoals Bill Gates, Mark Zuckerberg en Elon Musk behoren niet alleen tot de rijkste mensen in de geschiedenis van de mensheid, ze zijn ook uitzonderlijk machtig – sociaal, cultureel en politiek gezien. Hoewel dit deels een weerspiegeling is van de sociale status die onze maatschappij in het algemeen aan rijkdom verbindt, is dat niet het hele verhaal.

    Wat nog belangrijker is dan rijkdom alleen, is dat deze miljardairs worden gezien als ondernemende genieën die een uniek niveau van creativiteit, durf, vooruitziendheid en deskundigheid op het gebied van uiteenlopende onderwerpen vertonen. Voeg daarbij het feit dat velen van hen de belangrijkste communicatiemiddelen beheersen – namelijk de belangrijkste socialemediaplatforms – en je krijgt een fenomeen dat zijn weerga in de recente geschiedenis bijna niet kent.

    Rijke, technologisch onderlegde vernieuwers die de wereld redden van onheil zijn niet meer weg te denken uit onze populaire cultuur

    Het beeld van de rijke, dappere zakenman die de wereld verandert, gaat op zijn minst terug tot de roofridders uit het tijdperk dat in Amerika bekendstaat als de Gilded Age (eind negentiende eeuw). Maar een van de belangrijkste oorzaken waarom dit beeld tegenwoordig zo populair is, is de roman Atlas Shrugged van Ayn Rand, waarvan de hoofdpersoon, John Galt, slechts gewapend met zijn idealisme en wilskracht het kapitalisme probeert te hervormen.

    Hoewel de roman van Rand al lang een canonieke status heeft bij Silicon Valley-ondernemers en libertaire politici, is het belangrijkste archetype eruit ook buiten die kringen van invloed. Van Bruce Wayne (Batman) en Tony Stark (Iron Man) tot Darius Tanz in de tv-serie Salvation – rijke, technologisch onderlegde vernieuwers die de wereld redden van dreigend onheil zijn niet meer weg te denken uit onze populaire cultuur.

    De macht van de portemonnee

    Sommige individuen zullen altijd meer macht hebben dan andere, maar hoeveel macht is te veel? Ooit was macht gekoppeld aan fysieke kracht of militaire dapperheid, maar nu hangt macht meestal samen met wat Simon Johnson en ik ‘overtuigingskracht’ noemen. Zoals we uitleggen in ons boek Power and Progress, is die macht geworteld in status of prestige. Hoe groter je status, hoe gemakkelijker je anderen kunt overtuigen.

    Waardoor status wordt bepaald, verschilt sterk per samenleving, en de verdeling ervan is ook niet overal even ongelijk. In de Verenigde Staten raakte status tijdens de industriële revolutie sterk gekoppeld aan geld en rijkdom, waardoor de inkomensongelijkheid en de verschillen in rijkdom enorm toenamen. Hoewel er periodes zijn geweest waarin overheidsingrijpen de trend probeerde te keren, is de Amerikaanse samenleving altijd georganiseerd geweest rond een sterke statushiërarchie.

    Deze structuur is om verschillende redenen problematisch. Om te beginnen is de constante strijd om status – en de overtuigingskracht die status oplevert – grotendeels een nulsomspel: meer status voor jezelf betekent minder status voor je buurman, en een sterkere statushiërarchie impliceert dat sommige mensen gelukkig zullen zijn terwijl vele anderen ongelukkig en ontevreden zijn.

    Bovendien zijn investeringen in nulsom-activiteiten meestal inefficiënt en buitensporig in vergelijking met investeringen in non-nulsom-activiteiten. Is het beter om een miljoen dollar uit te geven aan gouden Rolex-horloges of aan het leren van nieuwe vaardigheden? Beide kunnen intrinsieke waarde hebben – de schoonheid van het horloge versus de trots van het verwerven van nieuwe kennis – maar de eerste investering geeft alleen maar aan dat je rijker bent en meer opzichtige consumptiegoederen kunt aanschaffen dan anderen. De tweede daarentegen verhoogt je menselijk kapitaal en kan ook bijdragen aan de maatschappij. Het eerste is grotendeels een nulsom-aangelegenheid en het tweede is grotendeels een niet-nulsom-aangelegenheid. Bovendien kan het eerste gemakkelijk uit de hand lopen als men steeds meer gaat uitgeven aan opzichtige consumptiegoederen om anderen voor te blijven.

    Commentatoren vragen zich vaak af waarom iemand met honderden miljoenen dollars er in godsnaam nog een paar honderd miljoen bij wil hebben. Er zijn maar weinig dingen die je je niet kunt veroorloven als je al 500 miljoen dollar hebt, dus waarom zou je verlangen naar 1 miljard dollar? Omdat ‘miljardair’ een hogere rang is wat status betreft. Wat telt is niet de koopkracht zelf maar het prestige en de macht die die koopkracht oplevert in iemands omgeving. In een ‘rijkdom-is-status’-evenwicht is het onvermijdelijk dat de ultra-rijken hun uiterste best doen om steeds meer rijkdom te vergaren.

    Er zijn zowel evolutionaire als sociale redenen om overtuigingskracht te koppelen aan status en prestige

    Er zijn zowel evolutionaire als sociale redenen om overtuigingskracht te koppelen aan status en prestige. Het is immers op individueel niveau rationeel om te leren van mensen die expertise hebben, en het is redelijk om expertise te koppelen aan succes.

    Bovendien is deze vorm van leren goed voor gemeenschappen omdat die coördinatie en het ontstaan van best practices bevordert. Maar wanneer status gekoppeld wordt aan rijkdom en de verschillen in rijkdom erg groot worden, begint het fundament onder expertise af te brokkelen.

    Neem het volgende gedachte-experiment. Wie is er deskundiger op het gebied van timmerwerk: een goede meester-timmerman of een hedgefondsmiljardair? Het lijkt vanzelfsprekend om voor de eerste te kiezen, maar hoe meer status rijkdom verleent, hoe meer gewicht er wordt toegekend aan de mening van hedgefondsmiljardairs, zelfs als het gaat over timmerwerk. Of neem een relevanter, hedendaags voorbeeld. Wiens mening over vrijheid van meningsuiting weegt tegenwoordig zwaarder, die van een technologiemiljardair of die van een filosoof die lang met dit onderwerp heeft geworsteld en wiens bewijs en argumenten nauwkeurig zijn onderzocht door andere gekwalificeerde experts? Miljoenen mensen op X (Twitter) hebben impliciet voor de eerste gekozen.

    Hoe dieper we worden meegezogen in het ‘rijkdom is status’-evenwicht, hoe meer we misschien geneigd zijn de oppermacht van technologiemiljardairs te accepteren. Toch is het moeilijk te geloven dat rijkdom een goede maatstaf kan zijn voor verdienste of wijsheid, laat staan een bruikbaar bewijs van volmacht op het gebied van timmerwerk of vrijheid van meningsuiting. Bovendien is rijkdom altijd enigszins arbitrair. We kunnen eindeloos discussiëren over de vraag of LeBron James beter is dan Wilt Chamberlain op het hoogtepunt van diens basketbalcarrière, maar in termen van rijkdom is er geen sprake van een wedstrijd. Terwijl Chamberlain een geschatte nettowaarde had van 10 miljoen dollar ten tijde van zijn dood in 1999, wordt James’ nettowaarde geschat op 1,2 miljard dollar.

    Het feit dat Gates en Musk minder belasting betalen maakt hen niet wijzer, maar het heeft hen wel rijker gemaakt

    Dit grote verschil heeft niets te maken met het talent of de werkethiek van beide spelers. Chamberlain leefde in een tijd waarin sportsterren niet zoveel betaald kregen als nu. Dat heeft deels te maken met technologie (iedereen kan James tegenwoordig zien dankzij televisie en digitale media), deels met normen (honderden miljoenen betalen aan supersterren is acceptabeler geworden) en deels met belastingen (als de VS nog steeds een marginaal toptarief voor inkomstenbelasting van meer dan 90 procent had, zou James minder geld hebben en zou de rijkdom gelijker verdeeld zijn).

    Hetzelfde geldt voor de technologiesector: als die niet zo centraal was komen te staan in de economie en niet gedreven werd door zo’n sterke winner-take-all-dynamiek (wat deels een kwestie is van keuze bij de vraag hoe we bepaalde markten willen organiseren), dan zouden de technologiemagnaten van vandaag niet zo rijk zijn geworden. Het feit dat Gates en Musk minder belasting betalen maakt hen niet wijzer, maar het heeft hen wel rijker gemaakt, en dus invloedrijker in het huidige tijdperk van het ‘rijkdom-is-status’-evenwicht.

    Macht corrumpeert

    Zulke figuren profiteren ook van een nog schadelijker dynamiek, die Johnson en ik onderzoeken in Power and Progress, aan de hand van het voorbeeld van Ferdinand de Lesseps. Lesseps verwierf een enorme status in het Frankrijk van eind negentiende eeuw, waar hij bekend stond als Le Grand Français, omdat hij er ondanks langdurige Britse tegenstand in slaagde de aanleg van het Suezkanaal te voltooien.

    Lesseps had een vooruitziende blik en wist met grote vaardigheid politici in Egypte en Frankrijk ervan te overtuigen dat maritieme internationale handel erg belangrijk zou worden. Maar hij had ook enorm veel geluk: de technologieën waar hij op hoopte en die hij nodig had om het kanaal zonder sluizen te kunnen bouwen (wat aanvankelijk onmogelijk was vanwege de hoeveelheid graafwerkzaamheden) werden net op tijd ontwikkeld om het project doorgang te laten vinden.

    Met zijn Suez-overwinning verwierf Lesseps veel prestige. Maar wat hij met zijn nieuwe status deed is veelzeggend. Hij werd roekeloos, dol en verwaand en duwde het Panamakanaalproject in een onwerkbare richting, die uiteindelijk leidde tot de dood van meer dan 20.000 mensen en de financiële ondergang van nog veel meer mensen (onder wie zijn eigen familie). Zoals alle vormen van macht, kan overtuigingskracht iemand overmoedig, ongeremd, onhandelbaar en sociaal onuitstaanbaar maken.

    Het verhaal van Lesseps blijft relevant, omdat je er duidelijk sporen van terugziet in het gedrag van veel miljardairs vandaag de dag. Hoewel sommige van Amerika’s rijkste individuen hun status, die ze danken aan hun rijkdom, niet gebruiken om cruciale openbare debatten te beïnvloeden (denk aan Warren Buffett), doen velen dat wel. Gates, Musk, George Soros en anderen aarzelen niet om zich uit te spreken over zaken die voor hen belangrijk zijn, en hoewel we geneigd zijn de meningen van degenen met wie we het eens zijn positief te ontvangen, moeten we deze verleiding weerstaan. Het is heel zinvol voor de samenleving om gebruik te maken van de kennis en de wijsheid van deskundigen, maar het is contraproductief om de status te versterken van degenen die al veel status hebben (en hun uiterste best doen om die te verhogen).

    We zouden sterkere institutionele middelen moeten inzetten om de macht en invloed te beperken van degenen die al bevoorrecht zijn

    Natuurlijk is het niet helemaal de schuld van de miljardairs dat het Amerikaanse beleid enorme ongelijkheid in de hand werkt (hoewel ze zeker lobbyen voor beleid dat dit effect heeft). Ze zouden echter wel verantwoordelijk gehouden moeten worden als ze misbruik maken van de immense status die rijkdom hun geeft terwijl de ongelijkheid maar blijft toenemen. Dat geldt vooral als ze hun status gebruiken om hun eigen economische belangen te bevorderen ten koste van die van anderen, of om een toch al verdeelde samenleving te polariseren met provocerende retoriek of hun op status beluste gedrag.

    Als onberekenbare miljardairs al te veel onrechtmatige sociale, culturele en politieke invloed hebben, dan is het laatste wat we zouden moeten willen hun nóg grotere publieke platforms geven, bijvoorbeeld in de vorm van een eigen sociaal netwerk, zoals Musk dat nu heeft als eigenaar van X. In plaats daarvan zouden we sterkere institutionele middelen moeten inzetten om de macht en invloed te beperken van degenen die al bevoorrecht zijn en zouden we het belasting-, regelgevings- en uitgavenbeleid moeten heroverwegen dat zulke enorme ongelijkheden in de eerste plaats heeft gecreëerd.

    Maar de belangrijkste stap zal ook de moeilijkste zijn. We moeten met elkaar een serieus gesprek voeren over wat we belangrijk vinden en hoe we de maatschappelijke bijdragen van degenen die niet over een enorm fortuin beschikken, willen erkennen en belonen. Hoewel de meeste mensen onderschrijven dat er veel manieren zijn om bij te dragen aan de maatschappij en dat uitblinken in je beroep niet alleen de waardering van anderen zou moeten opleveren maar ook een bron van persoonlijke voldoening zou moeten zijn, hebben we dit principe veronachtzaamd en lopen we het risico het helemaal te vergeten. Ook dat is een symptoom van het probleem.

    Daron Acemoglu, hoogleraar economie aan het MIT, is co-auteur (met James Robinson) van Why Nations Fail: The Origins of Power, Prosperity and Poverty (Profile, 2019; in het Nederlands verschenen als Waarom sommige landen rijk zijn en andere arm, Nieuw Amsterdam, 2012) en co-auteur (met Simon Johnson) van Power and Progress: Our Thousand-Year Struggle Over Technology and Prosperity (PublicAffairs, 2023). 

  • Europa moet investeren in cleantech

    Europa moet investeren in cleantech

    Als het tij niet snel gekeerd wordt, dreigt de Europese Unie haar positie als wereldleider in klimaatgerelateerde technologieën te verliezen. Dat is niet alleen een aderlating voor de leefbaarheid op deze planeet, maar ook voor de concurrentiepositie van de EU.

    Begin dit jaar werd de financiering van het EU-platform STEP (Strategic Technologies for Europe Platform), dat opkomende cleantech-oplossingen [technologieën die bijdragen aan een schoner milieu of zorgen voor energiebesparing] moet gaan ondersteunen, teruggebracht van 10 miljard naar slechts 1,5 miljard euro. Bovendien werd een aanzienlijk deel van de resterende middelen geoormerkt voor defensieprojecten, in plaats van voor groene technologieën en klimaatgerelateerde infrastructuurinvesteringen.

    Sinds de verkiezingen voor het Europees Parlement in juni hebben Europese beleidsmakers tegenstrijdige signalen afgegeven over de kans op nieuwe overheidsfinanciering voor de commercialisering en opschaling van schone technologieën. Het ‘Europese concurrentiefonds’ dat voorzitter Ursula von der Leyen van de Europese Commissie heeft toegezegd te zullen bevorderen als onderdeel van haar tweede mandaat, zou investeringen financieren in schone technologie, maar ook in kunstmatige intelligentie, ruimtevaart en andere ‘strategische technologieën’. Hoe de financiering zou worden verdeeld, blijft onbekend.

    Er is meer duidelijkheid nodig. Europa is verwikkeld in een mondiale wedloop om het leiderschap op het gebied van groene innovatie, en de concurrenten, met name de Verenigde Staten en China, hebben duidelijk laten zien dat ze willen winnen. Met de Inflation Reduction Act hebben de VS bijvoorbeeld 240 miljard dollar gestoken in de groene technologiesector, waarbij tegenover elke dollar overheidsinvestering 5,50 dollar aan particuliere uitgaven staat.

    Bedrijven verhuizen nu al naar de VS en nemen privékapitaal, talent en toekomstige toonaangevende technologie met zich mee

    Wanneer snelgroeiende start-ups in eigen land geen toegang hebben tot door de overheid gewaarborgd kapitaal, vertrekken ze. Bedrijven verhuizen nu al van Europa naar de VS en nemen privékapitaal, talent en toekomstige toonaangevende technologie met zich mee. Om deze trend te keren moet de Europese Unie grote hoeveelheden kapitaal vrijmaken om onderzoek en ontwikkeling in de groene technologieën van de toekomst te ondersteunen.

    Maar nu de wereld op de rand van een recessie balanceert en de EU-lidstaten onder enorme financiële druk staan, moet dit kapitaal worden verkregen zonder de huidige inkomsten- of financieringsstromen aan te boren. Gelukkig kan één enkele creatieve beleidswijziging een aanzienlijke hoeveelheid kapitaal vrijmaken zonder de overheidsuitgaven te hoeven verhogen. De sleutel is te vinden in het emissiehandelssysteem (ETS) van de EU.

    Het ETS, dat in 2005 werd gelanceerd, werkt als een cap and trade-systeem dat het totale doelvolume aan broeikasgasemissies verdeelt in rechten, die vervolgens worden toegewezen aan bedrijven binnen het ETS-gebied. Een bedrijf dat de toegewezen emissierechten overschrijdt, moet extra emissierechten kopen, ofwel van een bedrijf dat nog emissierechten over heeft, ofwel op openbare veilingen.

    Broodnodig

    In 2022 genereerde het ETS 38,8 miljard euro aan veilingopbrengsten. De meeste van deze inkomsten vloeien terug naar de lidstaten, die dit geld vooral dienen te besteden aan klimaat- en energiegerelateerde zaken. Maar zelfs als de veilingopbrengsten naar broodnodige cleantech- en groene-infrastructuurprojecten gaan (wat niet altijd het geval is), blijven ze ontoereikend om het investeringsniveau te financieren dat vandaag nodig is.

    Maar dit gaat veranderen: naarmate de koolstofprijs stijgt, zullen ook de ETS-inkomsten de komende tien jaar aanzienlijk stijgen. De financiering van cleantech kan evenwel niet wachten; daarom hebben sommige investeerders en beleidsmakers, onder wie Europees Parlementslid Thomas Pellerin-Carlin, de EU opgeroepen om leningen aan te gaan met toekomstige ETS-inkomsten als onderpand, en zo meer kapitaal te genereren voor de groene investeringen van vandaag.

    Een soortgelijke aanpak wordt elders al toegepast. Japan kondigde afgelopen februari aan dat het van plan is de komende tien jaar twintig biljoen yen (137 miljard dollar) aan klimaattransitieobligaties uit te geven om groene investeringen te ondersteunen; daarbij gebruikt het de toekomstige inkomsten uit het eigen ETS en de heffing op fossiele brandstoffen om de schuld af te lossen. De aankondiging werd verwelkomd door de markten, de industrie en klimaatinnovatoren.

    Lenen tegen toekomstige ETS-inkomsten zou de EU in staat stellen de uitstoot op de middellange termijn te verminderen

    Natuurlijk zou het implementeren van een dergelijke regeling in Europa ingewikkelder zijn, omdat de EU dan namens de lidstaten een collectieve schuld op zich zou moeten nemen. Maar dit zou lang niet zo’n groot politiek obstakel zijn als je zou denken, omdat het ETS al een regeling op EU-niveau is. Het moet dus haalbaar zijn om de Europese leiders zover te krijgen dat ze akkoord gaan met collectief lenen tegen toekomstige ETS-inkomsten, vooral gezien de duidelijke, verstrekkende voordelen van een betere toegang tot kapitaal voor startende cleantech-bedrijven.

    Lenen tegen toekomstige ETS-inkomsten zou de EU in staat stellen de uitstoot op de middellange termijn te verminderen, en te investeren in de vitale infrastructuur en transformatieve technologieën die nodig zijn om haar klimaatdoelstellingen te halen. Europese beleidsmakers zijn het aan innovatoren op het gebied van cleantech – en aan de Europese burgers – verplicht om dit beleid een kans te geven.

  • Hoe ontvouwt de techoorlog tussen de VS en China zich na de verkiezingen?

    Hoe ontvouwt de techoorlog tussen de VS en China zich na de verkiezingen?

    Elke week pluist de redactie van 360 een actuele gebeurtenis voor je uit aan de hand van de internationale pers. Deze week kijken we naar de VS en China. De twee grootmachten zijn verwikkeld in een strijd om wie de meeste invloed heeft op de wereldwijde digitale infrastructuur. Welk land loopt voorop op het gebied van chips en AI en hoe zal deze techoorlog zich na de Amerikaanse verkiezingen van 5 november voortzetten?

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.

    Hoe is de techoorlog tussen de VS en China begonnen?

    ‘De VS en China zijn momenteel verwikkeld in een regelrechte techoorlog’, schreef South China Morning Post al in 2021. Het waren de hoogtijdagen van de coronapandemie, fabrieken voor chips en halfgeleiders lagen stil in China en in grote delen van Azië, de toeleveringsketen voor de technologiesector liep vast. Eens temeer werd in de VS duidelijk hoe groot de afhankelijkheid was van China, met als gevolg dat president Joe Biden exportbeperkingen naar China invoerde om de Amerikaanse chipsector te beschermen. 

    Maar de technologische wedloop tussen de VS en China begon nog eerder. ‘Analisten wijzen over het algemeen naar Made in China 2025, het tienjarige plan van Beijing om het land om te vormen van een productiehuis naar een technologische wereldmacht, als de aanleiding voor de techoorlog’, aldus SCMP. China investeert honderden miljarden dollars om een volledig Chinese toeleveringsketen op te bouwen die niet langer afhankelijk is van buitenlandse technologieleveranciers, aldus Time Magazine in 2023. De VS zagen deze ambities als een directe bedreiging voor hun eigen technologische dominantie en economische belangen en begonnen in 2018 met een blokkade van geavanceerde apparatuur voor het maken van chips naar China. 

    De VS scherpten de exportbeperkingen verder aan in 2022. Ditmaal waren de maatregelen gericht op het ‘lamleggen van de Chinese vooruitgang op het gebied van AI’, aldus Time. ‘Twee data uit 2022 zijn voorbestemd om de geopolitieke geschiedenis in te gaan. De eerste, de Russische invasie van Oekraïne op 24 februari, behoeft nauwelijks verdere uitleg. De tweede is 7 oktober 2022, toen de Verenigde Staten een nieuwe reeks exportbeperkingen invoerde’, schrijft het maandblad met enig gevoel voor drama.

    brian kostiuk S4jSvcHYcOs unsplash 1 1
    Computerchips vorment het belangrijkste strijdperk in de techoorlog tussen de VS en China. – © Brian Kostiuk / Unsplash

    In reactie op de exportbeperkingen kondigde China aan dat Chinese bedrijven die de metalen gallium en germanium exporteren – beide nodig voor het maken van chips en batterijen – voortaan een vergunning nodig hadden. ‘China is de dominante wereldwijde leverancier van beide materialen en de Chinese overheid kan nu naar eigen goeddunken de export blokkeren’, aldus Time. Hiermee ‘dreigt China beperkingen op te leggen in de bredere toeleveringsketens van mineralen. China domineert met name de winning en raffinage van zeldzame aardmetalen en heeft respectievelijk meer dan 60 en 80 procent van de wereldwijde capaciteit in handen’.

    Ook Nederland raakte betrokken bij de strijd tussen de twee grootmachten. De Nederlandse chipmachinefabrikant mag sinds 1 september 2023 geen hightechmachines meer naar China exporteren die gebruikt kunnen worden voor ‘geavanceerde militaire toepassingen’,berichtte Financial Times in 2023. ‘Als twee supermachten ruzie krijgen, kiezen de kleinere spelers een kant’, schreef de zakenkrant in een commentaar. ‘De machines van ASML domineren de chipfabricage in de wereld. (…) Het Nederlandse verbod zou echter nefaste gevolgen hebben voor Chinese chipbedrijven. Hun kansen om de meest geavanceerde chips te maken zonder machines van ASML zijn minimaal.’ 

    Ook Japan volgde. ‘De VS, Japan en Nederland leveren samen ruwweg 90 procent van alle apparatuur die wereldwijd in computerchipfabrieken wordt gebruikt. Alle drie de landen voeren nu strenge exportcontroles uit op geavanceerde apparatuur voor de productie van halfgeleiders, zodat China niet alleen geen Amerikaanse chips kan kopen, maar evenmin de apparatuur die nodig is om Chinese alternatieven te maken’, schreef Time.

    Welk land heeft op het moment de meeste invloed op de wereldwijde digitale infrastructuur?

    ‘In een groot deel van de wereld liggen Amerikaanse en Chinese [digitale] infrastructuren – datacenters, onderzeese kabels en draden die het internet ondersteunen – naast elkaar, terwijl de twee landen strijden om marktaandeel, winst en geopolitieke invloed’, schetst The Economist de situatie.

    De VS hebben een grote troef in handen met een aanzienlijke controle over de wereldwijde toeleveringsketen voor halfgeleiders. Ondanks decennialange inspanningen van de Chinese overheid en tientallen miljarden dollars die zijn uitgegeven aan “inheemse innovatie”, blijft de Chinese chipindustrie afhankelijk van de VS’, schrijft The New York Times. ‘De industrie kan alleen functioneren met Amerikaanse input,’ zegt Chris Miller, auteur van het boek Chip War en universitair hoofddocent internationale geschiedenis aan Tufts University, tegen de Amerikaanse krant. ‘Elke fabriek die ook maar een beetje mee wil met de nieuwste ontwikkelingen, maakt gedurende het hele proces gebruik van Amerikaanse onderdelen, Amerikaanse ontwerpsoftware en Amerikaans intellectueel eigendom.’ Hierdoor hebben de VS de macht in handen om de Chinese vooruitgang te remmen. 

    Deze exportcontroles zijn effectief gebleken in het beperken van de Chinese chipindustrie, maar hebben ook geleid tot bezorgdheid over de kwetsbaarheid van Taiwan, de belangrijkste producent van geavanceerde chips. Taiwan produceert bijna twee derde van alle halfgeleiders ter wereld, en meer dan 90 procent van de meest geavanceerde, aldus NYT. Mocht China het land binnenvallen, dan ‘zouden de kosten voor de wereldeconomie catastrofaal zijn’. 

    Donald Trump and Xi Jinping meets at 2018 G20 Summit 1
    Toenmalig Amerikaanse president Trump en de Chinese president Xi Jinping in 2018 tijdens de G20-top in Buenos Aires. Trump zal volgens experts eerder de confrontatie opzoeken met China dan Harris. – © Dan Scavino / Wikimedia Commons

    China heeft echter aanzienlijke investeringen gedaan in digitale infrastructuur in Azië, als onderdeel van zijn Digital Silk Road-strategie. ‘Daar is de aanwezigheid van Chinese digitale-infrastructuurbedrijven al aanzienlijk. Ongeveer 18 procent van alle nieuwe onderzeese kabels wereldwijd in de afgelopen vier jaar is aangelegd door één Chinees bedrijf (…). Alibaba’s cloudbedrijf is actief in negen Aziatische landen en Huawei heeft veel mobiele netwerken gebouwd’, aldus The Economist. De door China beheerde digitale infrastructuur kan Aziatische landen blootstellen aan spionage en sabotage.

    De Verenigde Staten hebben echter nog steeds een voorsprong op China als het gaat om de totale uitgaven aan onderzoek, niet alleen in dollars maar ook wat betreft het aandeel in de economie van beide landen. Onderzoek en ontwikkeling (R&D) vertegenwoordigden vorig jaar 3,4 procent van de Amerikaanse economie. Maar China zit op 2,6 procent en dat cijfer blijft stijgen, schrijft NYT in een artikel over de leidende positie van China in de productie van elektrische auto’s en batterijen. 

    ‘De batterijproductie is slechts één voorbeeld van hoe China geavanceerde industriële democratieën bijbeent – of voorbijstreeft – op het gebied van technologische en productietechnische vooruitgang. Het land realiseert veel doorbraken in een lange lijst van sectoren, van farmaceutica tot de productie van drones en zeer efficiënte zonnepanelen’, schrijft de Amerikaanse krant. 

    Chinese bedrijven hebben daarnaast innovatieve oplossingen gevonden op de Amerikaanse sancties. De Chinese chipfabrikant SMIC produceert nu met oude machines de geavanceerde 7-nanometer chips, waarvoor normaal gesproken ultramoderne machines nodig zijn door het productieproces te verfijnen, vertelt Antonia Hmaidi, een senior analist bij de denktank Merics, aan Neue Zürcher Zeitung. Ook hebben Chinese AI-bedrijven efficiëntere algoritmen ontwikkeld die vergelijkbare resultaten halen met minder geavanceerde hardware, aldus The Economist.

    De VS behouden een voorsprong in cruciale sectoren zoals halfgeleiders en geavanceerd onderzoek, maar China is in een snel tempo aan het inhalen. Komende jaren zullen bepalend zijn voor hoe de toekomstige technologische wereldorde vorm zal krijgen.

    Hoe zal de verkiezingsuitslag in de VS de relatie met China beïnvloeden?

    ‘De techrivaliteit tussen Washington en Beijing zal naar verwachting doorgaan en zelfs intensiever worden, ongeacht wie de Amerikaanse presidentsverkiezingen wint. Volgens analisten is de toon voor een verdere gespannen relatie tussen de VS en China al gezet’, schrijft South China Morning Post

    The Economist beaamt dit: ‘De volgende president van Amerika zal de bilaterale relatie [tussen de VS en China] in goede banen moeten leiden in een tijd waarin wederzijdse vijandigheid en wantrouwen groot zijn. Hij of zij zal zorgvuldig moeten opereren om te voorkomen dat de wereldeconomie uiteenvalt.’

    Zowel Kamala Harris als Donald Trump heeft tijdens de campagne de rivaliteit tussen de grootmachten benadrukt, ‘al geldt dat voor Harris in mindere mate’, schrijft Time Magazine in een analyse van de twee kandidaten. Maar hun voorgestelde beleidsmaatregelen lopen uiteen.

    Kamala Harris Tim Walz 53915639353 1
    De Democratische presidentskandidaat Kamala Harris op campagne in Arizone. Harris zal naar verwachting het Chinabeleid van Biden voortzetten. – © Gage Skidmore / Wikimedia Commons (edited)

    Analisten verwachten dat Harris zal vasthouden aan de ‘kleine tuin, hoge schutting’-benadering van president Joe Biden ten opzichte van China als ze wint in november, aldus SCMP. Volgens deze strategie worden strenge beperkingen opgelegd aan een paar technologieën die militair geralateerd zijn, terwijl op andere gebieden het economische verkeer gehandhaafd blijft. ‘Maar dezelfde halfgeleiders die onder exportcontroles vallen vanwege hun gebruik in geavanceerde AI-modellen, wapens en bewakingssystemen worden ook gebruikt in autonome voertuigen, 5G-telefoons en commerciële toepassingen van AI’, legt SCMP uit. 

    ‘Harris zal naar verwachting de restricties verhogen voor computertechnologieën, biotechnologie en schone technologie – gebieden die door de regering Biden zijn aangewezen als “noodzakelijk voor de nationale veiligheid”.’ 

    Trump heeft op zijn beurt opgeroepen tot importtarieven tot 60 procent op Chinese goederen, waardoor veel experts voorspellen dat Trump tijdens een tweede termijn als president eerder de confrontatie met China zal opzoeken dan Harris, aldus de krant uit Hongkong. Time Magazine wijst erop dat Trump al in 2018 een handelsoorlog startte met China door importtarieven in te voeren. Uiteindelijk leidde dat tot een deal in 2020, maar het kwaad was geschied. ‘Tegen de tijd dat Trump zijn ambt neerlegde, had zijn beleid gemengde resultaten: terwijl het bilaterale handelstekort met China daalde van 419 miljard dollar in 2018 tot 311 miljard dollar in 2020, steeg het totale Amerikaanse handelstekort tot 679 miljard dollar in 2020 – het hoogste tekort sinds 2008. De handelsoorlog heeft naar schatting bovendien 142.000 tot 245.000 Amerikaanse banen gekost.’

    Ook The Economist wijst op een fundamenteel verschil tussen de kandidaten. Harris zal volgens de krant waarschijnlijk inderdaad vasthouden aan de strategie van Biden: ‘derisking [risico’s minimaliseren] en niet ontkoppeling’. Terwijl een voormalig veiligheidsadviseur van Trump heeft verklaard dat Trump ernaar streeft de Amerikaanse economie te ontkoppelen van de Chinese economie. 

  • Waarom beschermen techbazen hun kinderen tegen hun eigen producten?

    Waarom beschermen techbazen hun kinderen tegen hun eigen producten?

    TikTok-CEO Shou Zi Chew laat zijn kinderen niet toe op TikTok en Snap-CEO Evan Spiegel beperkte de schermtijd van zijn zevenjarige tot 90 minuten per week. Hoewel ze beweren dat digitale technologie kinderen helpt, lijken ze daar zelf niet helemaal van overtuigd te zijn.

    Keuze uit het archief

    In een volle rechtszaal moest Mark Zuckerberg woensdag in Los Angeles voorkomen om te getuigen in een rechtszaak die tegen zijn bedrijf Meta is aangespannen. Een twintigjarige vrouw uit Californië beschuldigt hen ervan verantwoordelijk te zijn voor haar verslaving aan sociale media, die bij haar angst, depressie en zelfmoordgedachten heeft veroorzaakt. De zakenman verdedigde zijn bedrijf met hand en tand en bepleitte zijn onschuld.
    Wie dit artikel van The Atlantic leest, kan zich echter moeilijk aan de indruk onttrekken dat Zuckerberg zich goed bewust is van de gevaren van sociale media. De regels die techbazen hun eigen kinderen opleggen, spreken boekdelen over hun kennis van de verslavende werking ervan.

    Toen de tabaksindustrie ervan werd beschuldigd schadelijke producten aan tieners te verkopen, ontkenden de leiders de beschuldiging, maar ze wisten dat het waar was. Erger nog, de industrie had beweerd dat roken mensen gezonder maakte doordat het bijvoorbeeld angstgevoelens verminderde of een slankere taille creëerde.

    De socialemedia-industrie gebruikt vandaag de dag een soortgelijke techniek. In plaats van de schade te erkennen die hun producten bij tieners hebben aangericht, houden techgiganten vol dat hen geen blaam treft en dat hun producten meestal onschadelijk zijn. En soms wordt er een nog gewaagdere bewering gedaan: dat sociale media tieners helpen, ook al is er steeds meer bewijs dat ze veel van hen schaden en een belangrijke rol spelen in de geestelijke gezondheidscrisis die jongeren in veel landen over de hele wereld treft.

    Toen Mark Zuckerberg in 2022 werd gevraagd naar Meta’s eigen bevinding dat Instagram ervoor zorgde dat veel tienergebruikers zich slechter voelden over hun lichaam, wist hij het resultaat slim te herformuleren. Na te hebben gewezen op andere, gunstigere bevindingen in hetzelfde onderzoek, verkondigde hij dat zijn platform ‘over het algemeen positief’ was voor de geestelijke gezondheid van tieners, ook al meldde minstens een op de tien tienermeisjes dat door Instagram elk van de volgende dingen verslechterde: lichaamsbeeld, slaap, eetgewoonten en angst. (Zuckerberg verzuimde ook om interne gegevens te noemen die de andere gevaren van sociale media voor tieners aantoonden.)

    Techlobbyisten zijn nog verder gegaan met het dubbele argument dat sociale media vooral gunstig zijn voor tieners uit historisch gemarginaliseerde gemeenschappen en dat daarom elke regulering schadelijk voor hen zou zijn. Veel leiders in Silicon Valley hebben deze beweringen gebruikt als onderdeel van hun inspanningen om zich te verzetten tegen twee wetsvoorstellen – die nu in het Congres liggen – die bedoeld zijn om de online bescherming van minderjarigen te versterken en die gezamenlijk de Kids Online Safety and Privacy Act worden genoemd. (KOSPA is een combinatie van de Kids Online Safety Act, beter bekend als KOSA, en de Children and Teens’ Online Privacy Protection Act).

    Sterk bewijs

    Het praatje speelt in op een langlopende progressieve gedachtegang die digitale technologie ziet als een middel om achtergestelde groepen meer macht te geven. Het vroege internet hielp inderdaad veel zwarte Amerikanen, Amerikanen met een laag inkomen en lgbtq+-Amerikanen om middelen en gemeenschappen te vinden. En zelfs vandaag de dag blijkt uit onderzoek dat lgbtq+-tieners aangeven meer voordelen te ondervinden van sociale media dan niet-lgbtq+-tieners.

    Dat is een goede reden om voorzichtig te zijn met het opleggen van nieuwe regels. Maar de massale oppositie tegen wetgeving negeert sterk bewijs dat sociale media ook onevenredig veel schade toebrengt aan jongeren in diezelfde gemeenschappen.

    KOSPA zou kunnen helpen. De wetgeving zou socialemediabedrijven verplichten om een versie van hun platforms te ontwikkelen die veilig is voor kinderen, bijvoorbeeld door advertenties te verwijderen die gericht zijn op minderjarigen en gebruikers door feeds laten scrollen die niet worden gegenereerd door algoritmes voor persoonlijke aanbevelingen. Ze zou van socialemediabedrijven eisen dat ze redelijke maatregelen nemen om potentiële schade zoals seksuele uitbuiting, psychische stoornissen en pesten te beperken. Ze zou bedrijven ook aansprakelijk stellen om ervoor te zorgen dat minderjarige kinderen toestemming van hun ouders krijgen om hun platforms te gebruiken, zonder tieners vrije toegang tot sociale media te ontzeggen. In juli nam de Senaat de twee wetsvoorstellen met 91-3 aan; het Huis zou er deze maand al mee aan de slag kunnen gaan.

    Zelfs sommige techbedrijven steunen de wetgeving, maar digitale-rechtengroeperingen – waarvan vele worden gesubsidieerd door de industrie, waaronder Meta – hebben zich er grotendeels tegen verzet met het argument dat KOSPA de voordelen zou wegnemen die gemarginaliseerde tieners genieten van socialemediaplatforms. Sommige van deze groepen hebben verklaringen uitgegeven waarin ze waarschuwen voor de gevaren die de wetgeving met zich meebrengt voor lgbtq+-jongeren, zelfs nadat veel lgbtq+-voorstanders hun bezwaren hadden laten varen nadat ze met wetgevers hadden samengewerkt om KOSPA te herzien.

    Een denktank die gesteund wordt door techbedrijven heeft ondertussen betoogd dat het verbod op gerichte reclame voor minderjarigen kan resulteren in ‘minder gratis online diensten voor kinderen, wat vooral nadelig zou zijn voor huishoudens met lagere inkomens’. Terwijl digitale-rechtengroeperingen politiek links aanspreken met ongefundeerde beweringen over gemarginaliseerde groepen, vertellen ze rechts dat KOSPA neerkomt op censuur, ook al zou het de inhoud waar tieners naar kunnen zoeken niet beperken.

    TikTok-CEO Shou Zi Chew laat zijn kinderen niet toe op TikTok

    Ongeacht wat hij werkelijk gelooft, Zuckerberg heeft het mis als hij zegt dat sociale media ‘over het algemeen positief’ zijn voor de geestelijke gezondheid van tieners. De techindustrie heeft het mis als ze zegt dat sociale media vooral goed zijn voor tieners in historisch achtergestelde gemeenschappen. En de lobbyisten hebben het mis als ze zeggen dat regulering meer kwaad dan goed zou doen voor deze groepen. Het bewijs – uit het privéleven van tech executives, een groeiende hoeveelheid empirisch onderzoek en de getuigenissen van jonge gebruikers – ondersteunt elk van deze punten. 

    Eén techniek om te bepalen of een product schadelijk is voor kinderen, is de mensen die dat product hebben ontworpen te vragen of ze het hun kinderen laten gebruiken.

    Steve Jobs legde het gebruik van technologie door zijn kinderen aan banden. TikTok-CEO Shou Zi Chew laat zijn kinderen niet toe op TikTok. Bill Gates beperkte de schermtijd van zijn kinderen en gaf ze pas een telefoon toen ze veertien waren. Google-CEO Sundar Pichai gaf zijn elfjarige geen telefoon. Mark Zuckerberg heeft de schermtijd van zijn kinderen nauwlettend in de gaten gehouden en deelde geen identificerende foto’s van hen op Instagram. Snap-CEO Evan Spiegel beperkte het technologiegebruik van zijn zevenjarige tot 90 minuten per week. (Vergelijk dat met de gemiddelde Amerikaanse tiener, die bijna negen uur per dag achter een scherm zit, schoolwerk of huiswerk niet meegerekend.)

    De voorbeelden gaan verder: sommige tech-managers stellen ‘nanny-contracten’ op waarin ze babysitters dwingen hun kinderen van schermen weg te houden. Velen van hen betalen meer dan 35.000 dollar per jaar om hun kinderen naar de Waldorf School of the Peninsula te sturen – een paar kilometer verderop van het hoofdkantoor van Meta en Google – waar kinderen pas vanaf de zevende of achtste klas een scherm mogen gebruiken.

    Natuurlijk zouden weinig mensen de kinderen van tech-elites gemarginaliseerd noemen. Maar het is opmerkelijk dat deze elites openlijk beweren dat digitale technologie kinderen helpt, vooral de meest kwetsbaren, terwijl ze het uit het leven van hun eigen kinderen verbannen. Die keuzes zijn met name pijnlijk als je ziet hoe hartstochtelijk socialemediabedrijven proberen om de kinderen van andere mensen naar hun producten te lokken, hoe weinig ze doen om gebruik door minderjarigen te voorkomen en hoe hard velen van hen vechten om wetgeving te blokkeren die jongeren op hun platforms zou beschermen.

    Schaars

    De socialemediaplatforms van vandaag zijn niet zoals het internet van de jaren negentig. Het vroege internet hielp geïsoleerde en kansarme tieners om informatie en steun te vinden, net als veel moderne platforms. Maar de sociale media van vandaag de dag zijn zo ontworpen dat ze gevaarlijker zijn dan een groot deel van het vroege internet. Hebben tieners om informatie te vinden echt bodemloze, algoritmisch samengestelde nieuwsfeeds nodig die vooral op de emotie inspelen? Hebben ze er echt baat bij om de hele dag onderbroken te worden met manipulatieve meldingen die zijn ontworpen om ze te laten kijken en klikken? Hoeveel is er gewonnen toen socialemediaplatforms het online leven van tieners overnamen? Hoeveel is er verloren gegaan?

    Onderzoekers van Instagram hoefden die laatste vraag niet te stellen toen ze rond 2019 jonge gebruikers interviewden. Ongevraagd gaven tieners in meerdere focusgroepen het platform de schuld van de toenemende mate van angst en depressie die ze ervoeren. Andere onderzoeken hebben aangetoond dat een aanzienlijk deel van de jongeren gelooft dat sociale media slecht zijn voor hun mentale gezondheid. Een toenemend aantal empirische bewijzen valt hen daarin bij. Op de website After Babel Substack, van twee van de auteurs van dit artikel, Jon en Zach, hebben we talloze essays van jongeren gepubliceerd die getuigen van deze schade en hebben we gerapporteerd over organisaties die zijn opgericht door leden van Gen Z om zich te verzetten tegen socialemediabedrijven. Waar zijn de stemmen van Gen Z die sociale media prijzen om de voordelen voor de mentale gezondheid die ze hun generatie hebben opgeleverd? Ze zijn schaars.

    Natuurlijk beschouwen de meeste tieners smartphones of sociale media niet als een negatieve kracht in hun leven; een meerderheid beschouwt de impact van digitale technologie doorgaans als noch positief noch negatief. Maar dat is geen reden om de schade die zo veel jongeren ervaren te negeren. Als er bewijs zou zijn dat een ander product een aanzienlijk aantal kinderen en adolescenten die het gebruiken zou schaden, zou dat product onmiddellijk uit de schappen worden gehaald en zou de fabrikant gedwongen worden het aan te passen. Big Tech moet aan dezelfde standaard worden gehouden.

    Adolescenten die het meest worden geschaad door sociale media, blijken degenen te zijn uit historisch achtergestelde groepen. Recente onderzoeken hebben aangetoond dat lgbtq+-adolescenten veel vaker dan hun leeftijdsgenoten zeggen dat sociale media een negatieve impact hebben op hun gezondheid en dat minder gebruik ervan hun leven zou verbeteren. Vergeleken met niet-lgbtq+-tieners meldden bijna twee keer zo veel lgbtq+-tieners dat ze beter af zouden zijn zonder TikTok en Instagram. Bijna drie keer zoveel zeiden hetzelfde over Snapchat.

    Jongeren uit gemarginaliseerde groepen hebben goede redenen om dit te vinden. Lgbtq+-tieners lopen aanzienlijk meer risico op cyberpesten, online seksuele roofzucht en een reeks andere online vormen van letsel, waaronder verstoorde slaap en gefragmenteerde aandacht, dan hun leeftijdsgenoten. Lgbtq+-minderjarigen hebben ook drie keer meer kans om ongewenste en riskante online interacties te ervaren.

    Een van ons, Lennon, een voorvechter van lgbtq+-rechten, heeft veel van deze schade aan den lijve ondervonden. Op dertienjarige leeftijd, terwijl ze als jonge transgender door haar adolescentie ging, kreeg ze haar eerste iPhone, waarop ze meteen Facebook, Instagram en Snapchat downloadde. Haar Instagram-volgers groeiden in slechts één maand van minder dan 100 naar bijna 50.000 toen ze nationale erkenning begon te krijgen als competitieve danseres. Al snel ontving ze beledigende berichten over haar queer-identiteit, zelfs doodsbedreigingen. Op zoek naar een vriendelijkere plek om haar identiteit te verkennen, volgde ze het advies van enkele online gebruikers op en begon ze te corresponderen op homochatsites, vaak met mannen van middelbare leeftijd. Sommigen boden haar de steun waar ze naar op zoek was, maar anderen hadden kwaad in de zin.

    De schaamte, angst en spijt die ze voelde, motiveerden haar om haar carrière te wijden aan het online beschermen van kinderen

    Verschillende mannen vroegen Lennon om seksuele handelingen voor de camera uit te voeren en dreigden onthullende screenshots die ze van haar hadden gemaakt openbaar te maken als ze zou weigeren. De schaamte, angst en spijt die ze voelde, motiveerden haar om haar carrière te wijden aan het online beschermen van kinderen. Uiteindelijk sloot ze zich aan bij Heat Initiative, dat de tech-industrie aanspoort om veiligere producten en platforms voor kinderen te maken.

    Hoe staat het met jongeren uit andere traditioneel achtergestelde gemeenschappen? Zwarte en hispanische tieners melden cyberpesten iets minder vaak dan blanke tieners, maar ze zeggen veel vaker dat online intimidatie ‘een groot probleem is voor mensen van hun leeftijd’. Bewijs suggereert dat tieners met depressie een groter risico lopen op schade door sociale media, en onderzoeken tonen aan dat het verminderen van het gebruik van sociale media het meest gunstig is voor jongeren met reeds bestaande psychische problemen.

    De afgelopen drie decennia is de term digitale kloof gebruikt om te verwijzen naar een ogenschijnlijk onveranderlijke wet: kinderen in rijke huishoudens hebben ruime toegang tot digitale technologieën, kinderen in andere huishoudens niet zozeer. Beleidsmakers en filantropen steken grote sommen geld in het dichten van de kloof. Hoewel de kloof in sommige delen van de wereld nog steeds bestaat, begint de digitale kloof in veel ontwikkelde landen te keren, zodat kinderen uit gezinnen met een laag inkomen in die landen nu meer tijd besteden aan schermen en sociale media – en er meer schade van ondervinden – dan hun financieel bevoorrechte leeftijdsgenoten.

    Schermgebruik voor entertainment neemt ongeveer twee uur per dag meer in beslag voor tieners uit gezinnen met een laag inkomen in vergelijking met die uit gezinnen met een hoog inkomen. Een rapport van het Pew Research Center uit 2020 wees uit dat jonge kinderen van ouders met niet meer dan een middelbare schoolopleiding ongeveer drie keer meer kans hebben om TikTok te gebruiken dan kinderen van ouders met een postdoctorale graad. Dezelfde trend geldt voor Snapchat en Facebook. Een deel van de reden is dat ouders met een universitaire opleiding eerder dan ouders zonder universitaire graad geloven dat smartphones een negatief effect kunnen hebben op hun kinderen – en daarom eerder geneigd zijn om de schermtijd te beperken.

    De discrepantie is niet alleen een kwestie van klasse. Lgbtq+-tieners geven aan meer tijd op sociale media door te brengen dan niet-lgbtq+-tieners. En volgens een Pew-enquête uit 2022 ‘is het voor zwarte en hispanische tieners ongeveer vijf keer zo waarschijnlijk dat ze aangeven vrijwel constant op Instagram te zitten als voor blanke tieners’.

    Consumenteneducatie

    Met andere woorden, het uitbreiden van de toegang tot smartphones en sociale media lijkt sociale ongelijkheden te vergroten, niet te verkleinen. Zoals Jim Steyer, de CEO van Common Sense Media, aan The New York Times vertelde:

    ‘[Meer gebruik van sociale media door zwarte en hispanische jongeren] kan helpen de ongelijkheid in de samenleving in stand te houden, omdat een hoger niveau van socialemediagebruik onder kinderen aantoonbaar in verband is gebracht met negatieve effecten zoals depressie en angst, onvoldoende slaap, eetstoornissen, een laag zelfbeeld en een grotere blootstelling aan online intimidatie.’

    Ondertussen kiezen techleiders ervoor om de toegang van hun kinderen tot digitale apparaten uit te stellen, door hun kinderen naar technologievrije Waldorfscholen te sturen en hun nanny’s schermtijdcontracten te laten tekenen.

    De techindustrie en anderen die zich verzetten tegen regelgeving zoals KOSPA beweren vaak dat meer educatie en ouderlijk toezicht de beste manieren zijn om de schade van sociale media aan te pakken. Deze benaderingen zijn zeker belangrijk, maar ze zullen technologiebedrijven er niet van weerhouden om producten te blijven ontwikkelen die, van nature, verslavend werken. Daarom is het oproepen tot ‘consumenteneducatie’ een benadering waarop andere bedrijven met schadelijke producten (waaronder alcohol en tabak) hebben vertrouwd om publieke sympathie te genereren en regulering uit te stellen.

    De benadering zou weinig veranderen aan de onderliggende realiteit dat socialemediaplatforms, zoals ze momenteel zijn ontworpen, omgevingen creëren die onveilig zijn voor kinderen en adolescenten. Ze verspreiden schadelijke content via gepersonaliseerde aanbevelingsalgoritmen, ze bevorderen gedragsverslaving en ze stellen onbekende volwassenen van over de hele wereld in staat om rechtstreeks en privé met kinderen te communiceren.

    Socialemediabedrijven hebben keer op keer laten zien dat ze deze problemen niet op eigen houtje kunnen oplossen. Ze moeten worden gedwongen om te veranderen. Jongeren zijn het daarmee eens. Uit een recente Harris Poll bleek dat 69 procent van de 18- tot 27-jarigen voorstander is van ‘een wet die vereist dat socialemediabedrijven een “kindveilige” accountoptie ontwikkelen voor gebruikers onder de 18’. Tweeënzeventig procent van de lgbtq+-leden van Generatie Z is het daar ook mee eens.

    Wetgevers moeten de gebrekkige argumenten verwerpen die bedrijven in de sociale media en techlobbyisten promoten in hun pogingen om regulering te blokkeren, net zoals wetgevers de argumenten van tabaksfabrikanten in de twintigste eeuw verwierpen. Het is tijd om te luisteren naar de jongeren – en de duizenden kinderen met verhalen zoals dat van Lennon –, die ons al jaren vertellen dat sociale media aan een update toe zijn.

  • OpenAI lanceert een ‘met rede begiftigd’ nieuw AI-model

    OpenAI lanceert een ‘met rede begiftigd’ nieuw AI-model

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zweden wil toelage bij terugkeer van migranten aanzienlijk verhogen

    » Poetin waarschuwt voor NAVO-conflict door westerse raketten

    De tool is in staat om vragen op bètaniveau te beantwoorden

    Op donderdag lanceerde de maker van ChatGPT een generatieve kunstmatige intelligentietool die in staat is om complexere vragen te beantwoorden, met name wiskundige vragen. In een demonstratie voor The New York Times beantwoordde de chatbot een scheikundige vraag op PhD-niveau en stelde hij een diagnose van een ziekte op basis van een rapport met de symptomen en geschiedenis van een patiënt.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Sam Altman, CEO van OpenAI, wees er echter op dat de technologie ‘nog steeds onvolmaakt is, nog steeds beperkt, en er de eerste keer dat je het gebruikt indrukwekkender uitziet dan nadat je er meer tijd mee hebt doorgebracht’. De bètaversie van o1 werd donderdag beschikbaar gesteld, in eerste instantie aan betalende gebruikers van ChatGPT.

    Deze lancering komt op een moment dat OpenAI fondsen probeert te werven waarmee het bedrijf gewaardeerd zou kunnen worden op ongeveer 150 miljard dollar, wat het volgens de Amerikaanse media een van de duurste niet-beursgenoteerde bedrijven ter wereld zou maken.

  • Waarom je eenzaamheid niet met technologie oplost

    Waarom je eenzaamheid niet met technologie oplost

    Het aantal mensen dat zich eenzaam voelt, neemt wereldwijd toe. In de zoektocht naar oplossingen richten we steeds vaker onze blik op technologie. Maar is dat wel een goede zaak? ‘Mensen, vooral mensen die alleen wonen, verlangen naar menselijk contact.’

    Onlangs stuitte ik op een van de meest verontrustende artikelen die ik in tijden heb gelezen, met de opgewekte kop had de opgewekte kop: ‘It’s not a computer, It’s a companion!’ Het stond op de site van durfkapitaalbedrijf Andreessen Horowitz en ging over iemand die het idee van een chatbot als partner blijkbaar volledig heeft omarmd  opent met een citaat van iemand die het idee van een chatbot als partner blijkbaar volledig heeft omarmd: ‘Het mooie van AI [kunstmatige intelligentie] is dat het constant in ontwikkeling is. Op een dag zal het beter zijn dan een echte vriend(in). Het schetst hoe ‘AI-buddy’s’ kunnen worden ingezet: in de geestelijke gezondheidszorg, als relatiecoach of als een praatgrage collega.

    Deze week kwam OpenAI met een update voor zijn chatbot ChatGPT, wat eens te meer laat zien dat de onmenselijke toekomst die het artikel van Andreessen Horowitz voorspelt snel dichterbij komt. Volgens The Washington Post ‘kan het nieuwe model, GPT-4o (waarbij de o staat voor ‘omni’), instructies verwerken die gebruikers via tekst, audio of beeld invoeren – en er ook op al die drie manieren op reageren’. GPT-4o is bedoeld om mensen te stimuleren om tegen het apparaat te praten in plaats van iets te typen, meldt de krant, omdat ‘de stem nu een breder scala aan menselijke emoties kan nabootsen, en je als gebruiker die stem nu ook kunt onderbreken. Het chatten lukt al met minder vertraging, en de chatbot wist de emotie van een leidinggevende van OpenAI op waarde te schatten op basis van een videochat waarin hij grijnsde.’ 

    Er is er veel aandacht voor de potentie van mensachtige chatbots om mensen emotioneel bij te staan

    Er zijn al veel vergelijkingen gemaakt tussen GPT-4o en de film Her uit 2013, waarin een man verliefd wordt op zijn AI-assistent, die wordt ingesproken door Scarlett Johansson. Hoewel sommige AI-watchers, onder wie Julia Angwin van The New York Times, die de recente update van ChatGPT ‘meer een routineklus’ noemde, niet bijzonder onder de indruk waren, is er veel aandacht voor de potentie van mensachtige chatbots om mensen emotioneel bij te staan, vooral als er eenzaamheid of sociaal isolement in het spel is.

    In januari betoogde een medeoprichter van een AI-bedrijf bijvoorbeeld dat deze technologie de levenskwaliteit van eenzame ouderen zou kunnen verhogen. Hij schreef: ‘Een virtuele assistent of een chatbot kan gezelschap bieden. Hij kan gesprekken voeren, spelletjes doen of informatie geven, en op die manier helpen om gevoelens van eenzaamheid en verveling te verzachten.’ 

    Er bestaan zeker waardevolle en nuttige toepassingen voor AI-chatbots; ze kunnen bijvoorbeeld levensveranderend zijn voor blinden en slechtzienden. Maar wie beweert dat bots op een dag een adequate vervanging zullen zijn voor menselijk contact, miskent wat eenzaamheid werkelijk inhoudt en houdt evenmin rekening met het belang van aanraking.

    Complex

    Er zijn meningsverschillen onder academici over de precieze betekenis van ‘eenzaamheid’, maar om het als een sociaal probleem te kunnen benaderen, is het nuttig om de definitie aan te scherpen. Eric Klinenberg, socioloog aan de New York-universiteit en auteur van verschillende boeken over sociale verbondenheid, waaronder Going Solo en Palaces for the People, beschrijft de complexiteit van eenzaamheid als volgt: ‘Ik zie eenzaamheid als het signaal van ons lichaam dat we betere, meer bevredigende banden met andere mensen nodig hebben.’ En, zegt hij, ‘het grootste probleem dat ik heb met cijfers over eenzaamheid, is dat die vaak geen onderscheid maken tussen gewone gezonde eenzaamheid, die ervoor zorgt dat we van de bank af komen en ons onder de mensen begeven wanneer we daar behoefte aan hebben, en chronische, schadelijke eenzaamheid, die ons ervan weerhoudt van de bank af te komen en ons in een neerwaartse spiraal brengt van depressie en isolement.’

    Mensen, vooral mensen die alleen wonen, verlangen naar menselijk contact

    Wat ik zorgelijk vind aan chatten met bots, is dat het mensen ook zou kunnen ontmoedigen om die bank te verlaten en contact met andere mensen te zoeken. Sommige onderzoeken wijzen uit dat een gebrek aan menselijk contact gevoelens van eenzaamheid kan verergeren. Een artikel uit 2023 van onderzoekers van de Universiteit van Stirling verwoordt deze meer holistische kijk op het probleem heel goed door eenzaamheid te beschrijven als ‘een belichaamde en gecontextualiseerde zintuiglijke ervaring’.

    Nick Gray, co-auteur van dat artikel – dat gaat over het effect van gesimuleerd versus echt contact op eenzaamheid – zegt dat hij nog geen onderzoek heeft gezien naar de invloed van realistische AI-chatbots op eenzaamheid. Op basis van eerder onderzoek op dit gebied, zegt hij dat ‘een realistische AI-chatbot gevoelens van eenzaamheid tijdelijk zou kunnen verlichten’. Maar, zegt hij, ‘het is moeilijk te zeggen of hij eenzaamheid ook echt zal verminderen.’

    Pandemie

    Klinenberg wijst erop dat we net een natuurlijk experiment in gedwongen isolement hebben gehad in de vorm van de pandemie. De resultaten waren heel duidelijk: mensen, vooral mensen die alleen wonen, verlangen naar menselijk contact. ‘Als ik je zou vertellen dat er deze zomer een nieuwe pandemie uitbreekt en dat we het komende jaar allemaal alleen of thuis met ons gezin doorbrengen, terwijl het openbare leven volledig op slot zit, dan denk ik niet dat AI het vooruitzicht draaglijker zou maken,’ zegt hij. ‘Zelf lijkt een wereld zonder persoonlijk, menselijk contact me nogal angstaanjagend.’ Hij merkt ook op dat een aantal van de AI-ontwikkelaars tot de bedrijven behoren die hun werknemers oproepen om weer gewoon op kantoor te komen werken, en dus blijkbaar wel degelijk geloven in de waarde van menselijk contact.

    In een artikel met de kop ‘Kunnen ‘robotbuddy’s’ eenzaamheid tegengaan?’ las ik een passage die me raakte. Het stuk gaat over het werk dat onderzoekers aan drie universiteiten uitvoeren met robots die eenzaamheid bij oudere mensen moeten helpen verlichten: 

    Om eenzame mensen te helpen zouden we moeten investeren in zaken als wooncoöperaties, parken, bibliotheken

    ‘“Op dit moment wijst alles erop dat echte vrienden hebben de beste oplossing is,” zegt Murali Doraiswamy, professor in de psychiatrie en geriatrie aan de Duke-universiteit en lid van het Duke Institute for Brain Sciences. “Maar zolang de samenleving geen prioriteit geeft aan sociale verbondenheid en ouderenzorg, zijn robots een oplossing voor de miljoenen eenzame mensen die geen andere mogelijkheden hebben.”’

    Wat als zelfs maar een klein deel van de miljarden die nu worden uitgegeven aan de ontwikkeling van AI-chatbots zou kunnen worden besteed aan menselijke en fysieke zaken waarvan we weten dat ze eenzaamheid tegengaan? Om eenzame mensen te helpen zouden we, zoals Klinenberg ook oppert, moeten investeren in zaken als wooncoöperaties, parken, bibliotheken en andere vormen van toegankelijke sociale infrastructuur die de verbondenheid tussen mensen van alle leeftijden helpen bevorderen.

    ‘De echte maatschappelijke, politieke en menselijke uitdaging is dat we manieren vinden om deze mensen te herkennen, om aandacht aan ze te besteden en voor hen te zorgen,’ zegt Klinenberg. ‘Maar ik weet ook dat dat een flinke opgave is, en collectief zijn we daar tot nu toe niet in geslaagd.’ Het lijkt erop dat we het geld en de tijd niet willen gebruiken om de meest kwetsbaren onder ons te ondersteunen. ‘AI en technologie krijgen nu de kans om de leegte op te vullen die is ontstaan doordat wij als maatschappij hebben gefaald.’  

  • Hoe WhatsApp de politiek hervormt

    Hoe WhatsApp de politiek hervormt

    Tegenwoordig domineren smartphones en apps de politieke communicatie. Dit heeft geleid tot nieuwe uitdagingen voor transparantie en ethiek. ‘Of het nu gaat om immigratiebeleid, inflatiebeleid of Israëlbeleid, de hamvraag zal zijn welke WhatsApp-groep de leiding heeft.’

    De uitoefening van openbaar gezag is altijd mede vormgegeven door de beschikbare technologieën. Van de drukpers tot de telegraaf, van radio tot e-mail, nieuwe uitvindingen drukten hun stempel op de manier waarop beslissingen worden genomen en door wie. Dit patroon zet zich voort in het tijdperk van de smartphone, die onmisbaar lijkt te zijn in het professionele leven van de hedendaagse ambtenaren en politici. ‘Je kunt tegenwoordig niet meer zonder,’ merkte de toenmalige premier Boris Johnson op tijdens de covid-19-pandemie, ‘ik moet in contact blijven met mensen.’ Zijn stijl van communiceren zou aan het licht komen toen Dominic Cummings zijn berichten lekte, waaronder een bericht waarin hij de minister van Volksgezondheid tijdens de pandemie Matt Hancock beschreef als ‘totaal f***ing kansloos’. Latere onthullingen uit die periode wekken de indruk dat het land wordt bestuurd via WhatsApp.

    Groot-Brittannië staat hierin niet alleen. De bezorgdheid over de macht van appjes reikt tot ver buiten de landsgrenzen. In Brussel hangt de schaduw van ‘Pfizergate’ boven de voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, in de aanloop naar de verkiezingen voor het Europees Parlement in juni. Het schandaal gaat terug tot een artikel in The New York Times van april 2021, waarin werd beweerd dat de covid-vaccindeal van de EU met Pfizer tot stand was gekomen door een reeks berichten en telefoontjes tussen haar en de directeur van het bedrijf. ‘Die persoonlijke diplomatie speelde een grote rol in een deal,’ zei de krant. Het gerucht van één-op-éénonderhandelingen over zo’n belangrijke kwestie leidde tot oproepen, met name van de Europese Ombudsman, om de berichten openbaar te maken. Het verzuim van de Commissie om dit te doen leidde ertoe dat de ombudsman concludeerde dat er sprake was van wanbeheer, en er lopen nog altijd rechtszaken tegen de EC.

    Kritische discussies over bestuur door middel van berichten spitsen zich vooral toe op toegankelijkheid. Ambtenaren, zo lijkt het, doen belangrijke zaken op een manier die nauwelijks transparant zijn voor het publiek. Deze zorgen zijn terecht. Dat IM-diensten in handen zijn van grote particuliere bedrijven is een ander deel van het probleem. En dan zijn er nog de veiligheidskwesties die aan de orde zijn gesteld sinds president Barack Obama zijn Blackberry meenam naar het Witte Huis. 

    Maar het gaat er ook om hoe belangrijke beslissingen op het moment zelf worden genomen. Als discussies zich verplaatsen van de vergaderzaal naar de virtuele ruimte van de chatgroep, begeven ze zich in een wereld van verhoogde informaliteit en vage ethische grenzen.

    Gênante details

    Laten we eens kijken naar bepaalde kenmerken van de technologie. In tegenstelling tot een fysieke vergadering is communicatie via berichten een vorm van interactie zonder vast begin of einde. Gesprekken beginnen op initiatief van één partij en worden gekenmerkt door snelle reacties. Een voorbeeld in Spanje op het hoogtepunt van de pandemie maakte de risico’s duidelijk. De burgemeester van Madrid, José Luis Martínez-Almeida, zou in een korte WhatsApp-uitwisseling rond 1 uur ’s nachts op 24 maart 2020 overeenstemming hebben bereikt over medische benodigdheden. Eén raadslid werd uitgesloten omdat hij zijn telefoon niet controleerde, anderen klaagden dat overhaast tot de overeenkomst was gekomen. Gênante details over het overleg kwamen al snel aan het licht: bij de deal was een familielid van de burgemeester betrokken, de leveringen waren te duur en er werden exorbitante commissies in rekening gebracht, redenen waarom het contract werd gehekeld als ‘oplichting’ ten koste van de stad. Almeida gaf toe dat het een vergissing was, maar verdedigde de acties van de raadsleden in een tijd waarin het zo moeilijk was om aan schaarse middelen te komen. Een anticorruptiezaak tegen de leveranciers werd later door de rechtbank onderzocht.

    Het spontane karakter van instant messaging betekent dat de betrokkenen vaak uit een andere activiteit worden gehaald of op een informeel moment worden benaderd. Deze manier van communiceren is direct en afleidend. Natuurlijk hangt veel af van hoe de technologie wordt gebruikt. Niet iedereen sms’t in zijn pyjama of kijkt tegelijkertijd tv, maar je weet het simpelweg niet van elkaar.

    Instant messaging stelt leiders bovendien in staat zich los te maken van de ondersteunende ambtenaren en ambtenaren die hun acties zouden kunnen reguleren. Lastige individuen kunnen buitengesloten worden en vertrouwde adviseurs of favoriete verslaggevers kunnen worden binnengehaald. Bedrijfsbelangen kunnen zich laten gelden. De technologie is zeer geschikt om hiërarchieën te omzeilen en invloedrijke schaduwnetwerken creëren, vaak zonder dat dat wordt opgemerkt. Degenen die in een fysieke omgeving aan de deur zouden worden tegengehouden, kunnen in een virtuele omgeving ‘in de kamer’ zijn, afwezigen die in persoon zouden opvallen, worden gemakkelijker over het hoofd gezien.

    De standaardreactie van ambtenaren is om te zeggen dat op deze manier niets belangrijks wordt beslist. In haar antwoord aan de Europese Ombudsman in de zomer van 2022 verklaarde de Europese Commissie het volgende: ‘Vanwege hun kortstondige en vluchtige aard bevatten sms- en instantberichten over het algemeen geen belangrijke informatie met betrekking tot beleid, activiteiten en besluiten van de Commissie.’ Je kunt je een spectrum van gebruiksmogelijkheden van messaging voorstellen: als het nemen van beslissingen de ene pool vormt, kan de andere worden gekarakteriseerd als ‘onschuldig geklets’, met een reeks praktijken in het grijze gebied daartussenin (informatie delen, overleggen, meningsvorming, cultiveren van contacten, privékritiek op collega’s). Maar we hebben genoeg gezien om te weten dat niet alles aan die onschuldigere kant valt. Op deze manier worden wel degelijk belangrijke beslissingen voorbereid en genomen.

    Als de technologie ondanks de risico’s toch wordt omarmd, dan laat dat iets zien over de prioriteiten van de machthebbers

    Dergelijke technologieën hebben het vervagen van grenzen tot gevolg – tussen het formele en het informele, tussen verschillende instellingen, en tussen de zaken van de overheid en de wereld daarbuiten. De politiek is altijd afhankelijk geweest van rituelen om de scheiding tussen ambten en personen te versterken. Of het nu gaat om de kroon van een monarch of de inrichting van een parlement, kledingvoorschriften en de inrichting van een ruimte dienen om gewicht te geven aan een situatie en deelnemers bewust te maken van een breder belang. Sommige rituelen kunnen gerepliceerd worden in gemediatiseerde communicatie, maar de meeste niet. Degenen die elkaar op deze manier, zijn verstoken van de contextuele aanwijzingen die elders bedoeld zijn om hun ontmoeting te depersonaliseren. Gezelligheid troef.

    Het regeren via instant messaging is emblematisch voor iets breders – voor een wereld waarin belangrijke politieke beslissingen informeel worden genomen en de macht geconcentreerd is in de handen van sleutelfiguren en de netwerken die zij vormen. We hebben de neiging om over politiek te denken in termen van droge instellingen en bureaucratische logica, maar dit beeld kan behoorlijk misleidend zijn. Van binnenlands tot buitenlands beleid is er een breder verhaal van de ‘de-institutionalisering’ van macht, naarmate ambtenaren handelen met persoonlijke discretie en vertrouwensbanden de formele definitie van rollen overrulen. Zo ziet de vorming van een heersende elite eruit. Lockdowns hebben deze trend misschien een bijzondere impuls gegeven, maar de patronen zullen waarschijnlijk blijven bestaan. Of het nu gaat om immigratiebeleid, inflatiebeleid of Israëlbeleid, de hamvraag zal zijn welke WhatsApp-groep de leiding heeft.

    Valkuilen

    Hoeveel hiervan is echt nieuw? In de politiek heerst al lang de zorg dat de belangrijke gesprekken in de wandelgangen worden gevoerd, waar geen openbare notulen worden gemaakt. Je kunt ervan uitgaan dat instant messaging deels aantrekkelijk is omdat het de gezagsdragers in staat stelt te doen wat ze al geneigd zijn te doen. Dus hoeveel waarde moeten we hechten aan de technologie? Is het gewoon de nieuwste manier om te doen wat al lang gedaan wordt en dus ook zonder deze middelen gedaan kan worden?

    Eén manier waardoor de technologie zich onderscheidt, is dat ze deze gedragspatronen beter traceerbaar maakt. Berichten kunnen worden verwijderd, wat een gevoel van controle kan geven, maar niemand kan er zeker van zijn dat ze niet inmiddels zijn gekopieerd of gedeeld door hun gesprekspartner(s). Er bestaat, zoals we hebben gezien, een groot potentieel voor lekken – met soms rampzalige gevolgen.

    Uiteraard is het gebruik van deze technologie handig. Het kan ook sociaal en psychologisch lonend zijn; deel uitmaken van een ‘inner circle’ kan prestige betekenen, de kans om je superieur te voelen ten opzichte van de buitenwereld. Maar de traceerbaarheid van de berichten betekent dat er duidelijke risico’s aan verbonden zijn. Want wanneer ze onder de aandacht van het publiek komen – wanneer kranten verhalen kunnen publiceren over de ‘persoonlijke diplomatie’ van een ambtenaar – veroorzaken ze ontevredenheid en reputatieschade. Von der Leyen was eerder betrokken bij een schandaal in Duitsland dat te maken had met de transparantie van haar mobiele telefoongebruik toen ze minister van Defensie in Berlijn was. Hoewel ze werd vrijgesproken van verantwoordelijkheid in dat eerdere geval, zal ze niet onwetend zijn geweest van de valkuilen van messaging.

    Als de technologie ondanks de risico’s toch wordt omarmd, dan laat dat iets zien over de prioriteiten van de machthebbers. Informele methoden zijn aantrekkelijk omdat de betrokkenen meer geïnteresseerd zijn in het behalen van tastbare ‘resultaten’ dan in het naleven van de democratische regels. Ze vinden dat het genoeg is om dingen gedaan te krijgen, de manier waarop maakt niet veel uit. Politicologen maken onderscheid tussen de legitimiteit van goede resultaten en die van goede methoden – tussen output en procedurele legitimiteit. Het overwicht van instant messaging weerspiegelt de dominantie van de eerste over de tweede.

    Maak één technologie transparant en er zal worden overgestapt op andere technologieën die hetzelfde mogelijk maken

    De legitimiteit van de output heeft altijd centraal gestaan bij transnationale instellingen. Dit komt overeen met de centrale rol van technocratie in instellingen zoals de EU, waar een instrumentalistische, oplossingsgerichte visie centraal staat in het openbaar gezag. In de loop der tijd is deze visie echter ook centraal komen te staan in het gezag in de nationale context. De verzwakking van partijen, en van georganiseerde ideologische politiek in het algemeen, heeft ertoe geleid dat vertegenwoordigers zichzelf minder definiëren op basis van normatieve verbintenissen dan op basis van hun vermogen om besluitvaardig op te treden. In het besef dat een aanzienlijk deel van hun electoraat zich aangetrokken voelt tot technocratische, populistische of ‘techno-populistische’ stijlen van politiek bedrijven die zonder bemiddeling het algemeen belang nastreven, kunnen ook zij ongeduldig worden met procedures en erop gebrand zijn hun probleemoplossend vermogen te tonen. Op de lange termijn hangt die aanspraak op legitimiteit af van het behalen van goede resultaten, maar in eerste instantie hangt het gewoon af van resultaten – beslissingen die kunnen worden aangehaald als teken van activiteit.

    Dit heeft gevolgen voor een eventuele poging tot inperking. Hervormers pleiten meestal voor een betere regulering van de technologie. De Europese Ombudsman heeft verschillende aanbevelingen gedaan: dat instant messages erkend worden als EU-documenten, bewaard worden als archiefdocumenten en beschikbaar zijn voor inspectie wanneer er verzoeken voor publieke toegang worden gedaan. Er bestaan strengere regels voor het gebruik van communicatietechnologie op gebieden zoals financiële regulering, wat suggereert dat ze kunnen worden opgesteld als de politieke wil er is.

    Dergelijke stappen gaan er echter aan voorbij dat de technologie aansluit bij de bredere aantrekkingskracht van onregelmatige manieren van regeren. Maak één technologie transparant en er zal worden overgestapt op andere technologieën die hetzelfde mogelijk maken. Positieve verandering zou betrekking moeten hebben op het veranderen van de bredere voorwaarden die ongepast gebruik van de technologie aantrekkelijk maken, met name het opnieuw in evenwicht brengen van de normen van legitimiteit waaraan ambtenaren worden gehouden. In plaats van een technocratische nadruk op outputs alleen, zou dit betekenen dat er een nieuw bestuursmodel moet komen waarin bredere participatie en controle gewaardeerd worden. Het zou betekenen dat grondwettelijke mechanismen worden versterkt en dat leiders meer worden gebonden aan democratische instellingen en organisaties die hen kunnen straffen voor hun overtredingen.

    Regeren via berichtgeving maakt de neigingen van de hedendaagse politiek extremer en beter traceerbaar, maar vormt niet de kern van het probleem. Het zal niet worden tegengehouden door regels, noch door al dan niet moedwillig lekken. Alleen structuren die minder discretionaire macht overlaten aan het individu zullen iets structureels kunnen veranderen aan het probleem.

  • Geoff White: ‘Alleen samen kunnen overheden en techneuten witwassen tegengaan’

    Geoff White: ‘Alleen samen kunnen overheden en techneuten witwassen tegengaan’

    Om witwassen tegen te gaan moet zowel de overheid als de techsector zich minder dogmatisch opstellen, vindt specialist cybercriminaliteit Geoff White. ‘Zowel overheden als techneuten zullen wat water bij de wijn moeten doen.’

    De nieuwste financiële technologieën worden in rap tempo een belangrijke steunpilaar voor de georganiseerde misdaad, omdat ze de gevaarlijkste boeven ter wereld in staat stellen hun illegale buit te verplaatsen en aan het oog te onttrekken. Dat zal alleen maar erger worden als overheden en de industrie de handen niet ineenslaan.

    De geschiedenis van het witwassen van geld is bijna net zo oud als de misdaad zelf. Maar de technieken werden sterk verfijnd in de jaren tachtig, het tijdperk van de cocaïnecowboys, toen Amerika werd overspoeld met drugs.

    Het witwasproces van de drugssmokkelaars kende drie fasen: storting (placement), verhulling (layering) en integratie. Storting is het toevoegen van het zwarte geld aan de geldstroom van een legaal bedrijf. De contanten uit de drugshandel kunnen bijvoorbeeld vermengd worden met de inkomsten van een restaurant of een casino. Maar als de drugshandel wordt opgerold, zou de opbrengst ervan getraceerd kunnen worden via de bank die zakendoet met het legale bedrijf. Vandaar de tweede fase, verhulling: crimineel geld wordt eindeloos van rekening naar rekening gesluisd, opgenomen en opnieuw gestort en in andere valuta omgezet, om zo ervoor te zorgen dat de politie het spoor bijster raakt. In de laatste fase, integratie, plukt de crimineel de vruchten van zijn werk: dan zijn alle verbanden tussen het geld en zijn criminele oorsprong uitgewist en kan het besteed worden, idealiter aan zaken met een goed langetermijnrendement zoals kunst of vastgoed.

    Hackers

    Wat ten opzichte van de jaren tachtig vooral is veranderd, is de digitale revolutie in de financiële wereld: de aanhoudende innovatie in betalingssystemen, virtueel bankieren en dergelijke. Daarnaast leiden de nieuwe technologieën ook tot een nieuwe geldinfrastructuur buiten de traditionele financiële wereld, van cryptomunten tot NFT’S tot virtuele marktplaatsen in videogames, waarop inmiddels ook enorme bedragen omgaan.

    Door die voortsnellende financiële digitalisering is voor sommige criminelen de eerste fase van het witwasproces, het storten, minder belangrijk geworden. Dat is immers vooral van belang voor vormen van straatcriminaliteit zoals drugshandel en prostitutie, waarin veel contant geld omgaat. Het belang van verhulling en integratie van de geldstromen is navenant gegroeid. In een wereld waarin financiële transacties steeds meer digitale sporen achterlaten, is het moeilijker geworden om de buit uit handen van de opsporingsdiensten te houden.

    De mensen die daar de meeste ervaring mee hebben, zijn hackers. Zij hebben nieuwe manieren gevonden om gestolen geld weg te sluizen, mede met dank aan bitcoin en andere cryptovaluta, waarmee je overschrijvingen niet alleen praktisch anoniem (of op zijn minst onder een schuilnaam) kunt doen, maar ook grotendeels buiten het zicht van de toezichthouders die over de traditionele financiële wereld waken. Ook andere misdaadorganisaties beginnen de voordelen van digitaal witwassen daarom in te zien. Zelfs in de meer traditionele vormen van misdaad rukt het digitale domein op – van de drugshandel die steeds meer via het darkweb plaatsvindt tot de wildgroei aan online prostitutie. En dat leidt tot nieuwe witwasroutes.

    Door de explosieve groei van de digitale witwaspraktijken raakt de technologiesector steeds meer bij criminaliteit betrokken. Dat komt niet alleen doordat criminelen gebruikmaken van de nieuwste technologische vondsten. Op een dieper niveau komen de aspiraties van de technologievernieuwers en de wensen van de witwassers met elkaar overeen.

    Virtuele vluchtauto

    Witwassers willen in wezen drie dingen: een financiële omgeving met koortsachtig veel activiteit en wild schommelende prijzen, zodat ze veel geld kunnen rondpompen zonder argwaan te wekken. Een wereldomspannend systeem dat het makkelijk maakt om crimineel geld in pakweg Los Angeles te storten en in Londen op te nemen. En geen of minimale regelgeving. Dezelfde drie factoren dus waar techbedrijven bij gedijen. De overgrote meerderheid daarvan stimuleert de financiële wanpraktijken niet bewust, maar ook zij hebben baat bij grote en instabiele markten waarop geld makkelijk van land naar land stroomt en waar ze kunnen profiteren van mazen in de regelgeving.

    Iets anders wat beide partijen gemeen hebben is een libertaire inslag. Als het gezag oproept tot meer regelgeving om te voorkomen dat criminelen van de nieuwe technologie gebruikmaken, komen programmeurs en start-upondernemers meteen in het geweer tegen wat zij beschouwen als betutteling, en beschuldigen ze ‘trad-fi’ (de traditionele financiële wereld) van een slinkse campagne om de concurrentie van nieuwkomers te dwarsbomen.

    Een goed voorbeeld van deze tegenstellingen zie je in het verhaal van Tornado Cash. In maart 2022 werd door hackers die vermoedelijk banden hadden met Noord-Korea voor 625 miljoen dollar aan cryptovaluta gestolen uit de cryptogame Axie Infinity. Een groot deel van dat geld werd witgewassen met behulp van Tornado Cash, een zogenaamde cryptomixer. Zo’n cryptomixer vermengt de door gebruikers gestorte cryptovaluta met andere, waarna bij opname van het geld de herkomst niet meer te achterhalen is. Er kunnen goede privacyredenen zijn om van zo’n mixer gebruik te maken, maar voor de hackers die bij Axie Infinity hadden ingebroken, was het in feite een virtuele vluchtauto.

    De Amerikaanse overheid greep snel in: Tornado Cash kreeg sancties opgelegd waardoor het werd buitengesloten van het Amerikaanse banksysteem, en de twee softwareontwikkelaars die deze mixer zouden hebben opgezet werden aangeklaagd wegens witwassen en het overtreden van sancties. De reactie uit de techsector was al even direct. Cryptoactivisten spanden een proces aan tegen het Amerikaanse ministerie van Financiën omdat gebruikers door de sancties volgens hen werden beroofd van een essentieel privacyhulpmiddel. En critici vonden in het algemeen dat het Amerikaanse optreden een gevaarlijk precedent schiep voor softwareontwikkelaars wereldwijd. De mensen achter Tornado Cash mochten volgens hen niet verantwoordelijk worden gehouden voor het misbruik van hun product.

    De autoriteiten en de techwereld staan hier dus tegenover elkaar. Overheden willen paal en perk stellen aan een volgens sommigen volledig losgeslagen technologiesector die innovaties uitrolt zonder zich om de maatschappelijke schade te bekommeren. Maar de cryptoliefhebbers hameren erop dat strenger toezicht funest zal zijn voor het technologische fundament waarop hun disruptieve nieuwe wereld rust. Het lijkt op de debatten rond de versleuteling van het berichtenverkeer in apps als WhatsApp en Telegram. Overheden willen een of andere vorm van wettelijke toegang tot de berichten op die platforms. Volgens de techwereld maakt zo’n voet tussen de deur uiteindelijk alle versleuteling zinloos.

    Om die patstelling te doorbreken zullen beide partijen wat water bij de wijn moeten doen. Overheden en toezichthouders moeten zich beter verdiepen in de technologie waarop deze innovaties berusten en meer moeite doen om te doorgronden hoe ze precies werken. Alleen dan hebben ze volgens de techwereld recht van spreken. En de techneuten moeten inzien dat ze elke discussie bij voorbaat verloren hebben zolang hun dogmatische verdediging van innovatie door tegenstanders kan worden neergezet als bereidheid om grootschalige financiële misdaad te faciliteren. Ergens in het midden tussen die twee standpunten ligt de toekomst van de fintech-sector.

  • AI geeft digitale repressie door autoritaire regimes een boost

    AI geeft digitale repressie door autoritaire regimes een boost

    Dat de Golfstaten digitale technologieën gebruiken om hun politieke tegenstanders te onderdrukken, is niet nieuw. Maar de opkomst van nieuwe technologieën, zoals kunstmatige intelligentie, biedt autoritaire regimes extra mogelijkheden om het privédomein van burgers binnen te dringen – zonder enige vorm van rechtsgeldigheid.

    In zijn boek Digital Authoritarianism in the Middle East schrijft Marc Owen Jones, universitair docent Midden-Oostenstudies aan de Hamad Bin Khalifa-universiteit in Doha (Qatar), dat regimes in het Midden-Oosten digitale technologieën – die in principe zijn bedoeld voor sociale interactie – misbruiken voor toezicht, propaganda en intimidatie. Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) investeren op grote schaal in nieuwe technologieën voor AI (kunstmatige intelligentie), in navolging van drie andere landen die een slechte reputatie hebben wat betreft mensenrechten en het onderdrukken van de eigen burgers: China, Rusland en Israël. 

    Digitale repressie door Arabische regeringen, en in het bijzonder door de autoriteiten in de Golfregio, is niet nieuw. Arabische burgers zijn eraan gewend dat er voortdurend informatie over hen wordt ingewonnen door het monitoren van onlineactiviteiten en de beperking van onlinevrijheden. Dat leidt bijvoorbeeld tot de arrestatie en veroordeling van activisten die ‘aanstootgevende tweets’ posten. 

    Arabische burgers zijn eraan gewend dat er voortdurend informatie over hen wordt ingewonnen

    In 2018 beschuldigde de Amerikaanse FBI drie mannen van het hacken van Twitter in opdracht van Saoedi-Arabië, met als doel vertrouwelijke informatie over duizenden gebruikers over te dragen aan de Saoedische autoriteiten. Als gevolg van die hacks werd Abdulrahman al-Sadhan in 2018 in Riyad gearresteerd en veroordeeld tot twintig jaar gevangenisstraf, omdat hij een anoniem account zou hebben gebruikt om het economische beleid van de Saoedische regering te bekritiseren.

    Maar de opkomst van technologieën als AI, en toepassingen daarvan die bijvoorbeeld kunnen infiltreren op mobiele telefoons, bieden autoritaire regimes de mogelijkheid van elektronische spionage, die kan variëren van gezichtsherkenning en het monitoren van berichten tot massasurveillance. Van enige vorm van rechtsgeldigheid of toezicht op het gebruik van dergelijke spyware is geen sprake. 

    Nieuwe wetten

    In juni 2022 publiceerde de European Council on Foreign Relations, een Europese denktank, het onderzoeksrapport Iron Net: Digital Repression in the Middle East and North Africa. Daarin wordt gesteld dat Arabische regeringen, na de schok van de Arabische Lente in 2011, nieuwe wetten en beleid hebben geïntroduceerd om onlinegedrag aan banden te leggen, vooral gericht tegen journalisten en oppositieleiders. Volgens het onderzoek spannen autoritaire regeringen zich tot het uiterste in om tegenstanders die anoniem opereren te identificeren, en om hun gebruik van (tele)communicatienetwerken en toegang tot informatie te blokkeren.

    De investeringen roepen vragen op over de potentiële gevolgen voor de mensenrechten

    Afaf Abrouki, een Tunesische onderzoeker en expert op het gebied van technologie en mensenrechten, zegt in een interview met Mowatin dat de Golflanden in de regio en daarbuiten grootschalig investeren in geavanceerde technologie. Op zichzelf is dat geen probleem, zolang ze het doen om hun economie te diversifiëren. Maar deze landen hebben een slechte staat van dienst op het gebied van de mensenrechten en zijn berucht vanwege de surveillance, desinformatie, manipulatie van sociale media, censuur et cetera waarmee ze hun burgers onderdrukken en hun het zwijgen opleggen. De investeringen roepen dan ook vragen op over de potentiële gevolgen voor de mensenrechten. 

    Repressieve houding

    Het hoofd van het Centrum voor Mensenrechten in de Golfregio, Khaled Ibrahim uit Bahrein, ziet de toename van de investeringen door de Golflanden als een uiting van een repressieve houding. ‘Het is een tirannieke mentaliteit die vijandig staat tegenover de vrijheid van meningsuiting, en die geen geloof hecht aan het gezegde dat diversiteit van meningen rijkdom betekent,’ zegt hij. ‘Het is vooral bedoeld om onlineactivisten en burgers te monitoren en gevangen te zetten vanwege hun mening over de zittende macht die ze op sociale media uiten.’ 

    Volgens James Shears, een Brits onderzoeker en docent politiek, veiligheid en technologie, dragen de landen in de Golf wereldwijd bij ‘aan digitale repressie door een reeks gerichte surveillance-instrumenten te ontwikkelen die het hun mogelijk maakt de inhoud van sociale en andere digitale media te monitoren.’ Volgens hem bieden die instrumenten wetshandhavers en nationale veiligheidsdiensten meer inzicht en informatie over politieke opponenten, dissidenten, journalisten en mensenrechtenactivisten. Hij voegt eraan toe dat de Golfstaten dergelijke investeringen niet alleen als wenselijk beschouwen omdat ze het regime versterken tegen de interne onrust en ontevredenheid waarvan de Arabische Lente een uiting was, maar ook omdat ze in geopolitieke zin voordelen bieden. Zo delen de landen hun ervaringen met digitale repressie met exporteurs van deze technologieën, waarvan China de belangrijkste is. De Golfstaten zeggen weliswaar bereid te zijn om voorwaarden als databescherming en cloudwetgeving op te stellen voor de toepassing van digitale technologieën en AI, maar over het algemeen dienen dergelijke wetten eerder nationale veiligheidsdoeleinden dan dat ze meer bescherming bieden voor persoonlijke privacy.

    Deze landen verdoezelen volgens hem ‘hun wijdverbreide schendingen op het gebied van de mensenrechten’

    De stap van de Golfstaten om te investeren in de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie past ook uitstekend in het streven hun economie minder afhankelijk te maken van olie. Volgens een rapport van adviesbureau PwC kunnen de landen in de Samenwerkingsraad van de Arabische Golfstaten in 2030 ongeveer 23,5 miljard dollar tegemoetzien als hun investeringen in AI blijven groeien. Saoedi-Arabië en de VAE hebben inmiddels strategieën en doelstellingen op het gebied van AI geformuleerd, maar er zijn nog veel tekortkomingen die moeten worden aangepakt.

    Khaled Ibrahim zegt dat landen in de Golf – en dan vooral de VAE en Saoedi-Arabië – wereldwijd ‘het meest uitgeven aan investeringen in technologieën als AI en gezichtsherkenning, die gericht zijn op het identificeren van ongewenste berichten en oppositieactiviteiten’. Deze landen verdoezelen volgens hem ‘hun wijdverbreide schendingen op het gebied van de mensenrechten’. James Shears bevestigt dat het gebruik van AI door de Golflanden vooral de nationale veiligheid betreft. Technisch gezien hangt de doeltreffendheid ervan volgens hem grotendeels af van verdere verfijning van opsporingsmethodes, bijvoorbeeld door met behulp van machinelearning stukjes informatie te koppelen, zodat er voorspellingen kunnen worden gedaan over het gedrag van individuen.

    Controle en repressie

    Ook het Arab Center Washington D.C. bevestigt dat de autoritaire regimes gebruikmaken van innovatieve methoden en digitale instrumenten voor controle en repressie. Veel van die technieken zijn afkomstig uit landen die vooroplopen met ‘digitale tirannie’, zoals China en Rusland, en van landen die investeren op het gebied van surveillance en bevolkingscontrole, zoals Israël, aldus het centrum. De Arabische landen zien China als voorbeeld, dat werkt met projecten zoals SkyNET en Sharp Eyes. China is bezig verschillende technologieën en zeer geavanceerde AI-instrumenten te integreren om enorme hoeveelheden gegevens te verzamelen en te analyseren. Het gaat om data afkomstig van videosurveillance, registratie van fysieke bewegingen, verzamelingen van beelden, databases met gezichtsherkenning en vingerafdrukken, telefoonverkeer, medische en financiële gegevens, onlinegedrag en gegevens uit het socialekredietsysteem. 

    Veel van die technieken zijn afkomstig uit landen die vooroplopen met ‘digitale tirannie’, zoals China en Rusland

    Een onderzoeker van het Britse Royal Institute of International Affairs wijst ook op de gegevens die smart cities verzamelen over energieverbruik, verkeer en voetgangersverkeer via bewakingscamera’s en mobieletelefonienetwerken. Daarover zegt Shears: ‘Het combineren van deze gegevens biedt landen de mogelijkheid om individuen in de gaten te houden op een manier die voorheen onmogelijk was.’ 

    Surveillance op zo’n grote schaal vereist ruime financiële middelen en een gecentraliseerd bestuur. In het Midden-Oosten zijn de VAE vooralsnog het meest enthousiast in de toepassing ervan. Het toch al alomtegenwoordige autoritaire bewind in de Emiraten maakt gebruik van smart city-technologie en van het zogenoemde Police without Policemen-programma, dat berust op geavanceerde digitale surveillancetechnieken.

    Privécommunicatie

    In het onderzoek van het Arab Center Washington D.C. wordt opgemerkt dat China zijn autoritaire technologische instrumenten al via de ‘Digitale Zijderoute’ heeft geëxporteerd naar zeker achttien landen, waaronder enkele in het Midden-Oosten: Egypte, Marokko, Qatar, Saoedi-Arabië en de VAE. Maar sinds het sluiten van de Abraham-akkoorden tussen de VAE en Israël is ook de spionage-industrie van Israël belangrijk voor de Golfstaten. Dat betreft vooral technologie die is gericht op het binnendringen van persoonlijke apparaten en het onderscheppen van privécommunicatie. 

    In eigen land maakt Israël gebruik van geavanceerde surveillance van Palestijnen en verzamelt het informatie door in te breken op vaste lijnen en smartphones en sms-berichten te onderscheppen. Pegasus, het Israëlische programma dat is gespecialiseerd in monitoring, tracking en spionage, en ook andere Israëlische spywaretechnologie wordt voornamelijk aangeschaft om journalisten en mensenrechtenactivisten in de gaten te houden. Het opvallendste voorbeeld daarvan was het hacken door Saoedi-Arabië en de Emiraten van de communicatiekanalen die Jamal Khashoggi gebruikte, voordat hij in het Saoedische consulaat in Istanboel werd vermoord.

    Wat betreft digitale onderdrukking staat het Midden-Oosten er slecht voor

    Wat betreft digitale onderdrukking staat het Midden-Oosten er slecht voor. De Digital Repression Index rangschikt zo’n honderdtachtig landen naar gebruik van digitale technologie voor politieke repressie. Vijf van de twintig slechtst scorende landen bevinden zich in het Midden-Oosten: de VAE, Saoedi-Arabië, Iran, Syrië en Jemen. En volgens de Freedom of the Net-index 2021, gepubliceerd door de Amerikaanse ngo Freedom House, behoren zeven landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika tot de twintig slechtst presterende landen op het gebied van internetvrijheid: Saoedi-Arabië, Iran, de VAE, Egypte, Bahrein, Soedan en Turkije. 

  • Filosoof Hiroshi Toya: ‘We mogen onze keuzes niet uitbesteden aan AI’

    Filosoof Hiroshi Toya: ‘We mogen onze keuzes niet uitbesteden aan AI’

    Volgens de Japanse filosoof Hiroshi Toya heeft Japan ‘een rotsvast vertrouwen’ in AI. In een interview met het Japanse dagblad Asahi Shimbun benadrukt hij dat we onze eigen verantwoordelijkheid in het oog moeten houden en ons eigen verstand moeten blijven gebruiken.

    Op dit moment is de wereld verdeeld over de regulering van generatieve AI-systemen als ChatGPT. Hoewel de G7 afgelopen mei tijdens de top in Hiroshima pleitte voor ‘een betrouwbare AI’, voelden sommige landen, zoals Japan, er minder voor om deze nieuwe technologie aan allerlei regels te onderwerpen. ‘De Japanse maatschappij heeft een groot vertrouwen in AI,’ aldus een bezorgde Hiroshi Toya, filosoof en hoogleraar aan de Kansai University for International Studies. Hij maant bovendien tot voorzichtigheid: ‘Als we onze aandacht uitsluitend richten op ChatGPT, verliezen we de fundamentele veranderingen uit het oog die het gevolg zijn van het binnendringen van AI in onze maatschappij.’ Op welke veranderingen doelt hij dan?

    ChatGPT wint snel terrein. Wat zijn volgens u de pro’s en contra’s ervan?

    ‘Zeggen dat ChatGPT alleen maar slecht is zou een simplistische constatering zijn die vooralsnog nergens op is gebaseerd. Het is in feite moeilijk te voorspellen of de app algemene ingang zal vinden, zoals Amazon of Gmail. Voorlopig zie ik ChatGPT vooral als een speeltje. Het probleem is volgens mij niet het programma zelf, maar wat wij, de maatschappij, ervan verwachten.

    Wij mensen zijn behept met een extreem sterk verlangen om overal zo snel mogelijk antwoord op te krijgen. In die mate zelfs dat sommigen, volgens artikelen die ik heb gelezen, ChatGPT verwijten dat het programma er te lang over doet om een vraag te beantwoorden, terwijl het maar een kwestie van enkele minuten is. Dat je niet eens een paar minuten kunt wachten gaat toch alle perken te buiten? Onze maatschappij is geobsedeerd door onmiddellijke resultaten, zonder de tijd te nemen voor enige reflectie. Als filosoof zit ik regelmatig in gedachten verzonken met mijn armen over elkaar achter mijn bureau, maar dat geldt vandaag de dag als “inefficiënt”. Dingen goed en langzaam overdenken is steeds minder in trek.’

    ‘Ik denk dat het nodig is om altijd afstand te kunnen blijven nemen van AI en haar systemen’

    Wat voor kwalijke gevolgen kan deze ontwikkeling hebben?

    ‘Als niemand er momenteel last van heeft, kun je waarschijnlijk denken dat het niet erg is. Maar als op een dag de door AI gemodelleerde ‘normaliteit’ sneuvelt, bijvoorbeeld door een ramp of een oorlog, worden we waarschijnlijk geconfronteerd met een periode van chaos. Dan zullen we zelf beslissingen moeten nemen om problemen op te lossen: zullen we tegen die tijd nog wel over een denkvermogen beschikken dat ons in staat stelt de beste keuzes te maken? In het verarmde en uitgeputte Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog konden de mensen niet langer zelfstandig denken en lieten ze zich inpalmen door de nazi-ideologie, waardoor ze medeplichtig werden aan de Holocaust. Zullen we in het geval van een crisis in staat zijn te zeggen dat het oordeel van AI onjuist is? Ik denk dat het nodig is om altijd afstand te kunnen blijven nemen van AI en haar systemen. Als we onze aandacht uitsluitend op ChatGPT richten, verliezen we naar mijn mening de fundamentele veranderingen uit het oog die het gevolg zijn van het binnendringen van AI in onze maatschappij.’

    Zijn de veranderingen die door ChatGPT zelf in gang worden gezet dan niet zo belangrijk?

    ‘Ten aanzien van maatschappelijke kwesties probeert ChatGPT een groot scala aan meningen te dekken. Stel je het programma bijvoorbeeld een vraag over de gelijkheid tussen vrouwen en mannen, dan zal het alleen de verschillende gezichtspunten op een rij zetten zonder er enige conclusie aan te verbinden. Ik heb de indruk dat het programma meer vragen oproept dan antwoorden geeft. In plaats van problemen op te lossen maakt het keuzes alleen maar moeilijker. Het is zonder twijfel in staat zinnen te produceren die menselijk lijken, maar die maken het ons eerder moeilijker dan makkelijker om beslissingen te nemen en keuzes te maken. Aan genderkwesties kleeft een groot aantal verschillende aspecten, en elk standpunt dat je erover inneemt kan relatief gevoelig zijn. We moeten de verantwoordelijkheid voor onze keuzes nemen.’

    Zijn de antwoorden die AI geeft niet op zichzelf problematisch?

    ‘Voordat we voor een bepaald antwoord kiezen hebben we natuurlijk de vraag al geformuleerd. Als we AI de voorwaarden van de discussie laten bepalen, onttrekken we ons aan onze verantwoordelijkheid in dezen. Het is gevaarlijk om te geloven dat ChatGPT alle aspecten van een kwestie in overweging neemt. Ik vrees dat we steeds minder goed in staat zullen zijn om andere keuzes en gezichtspunten onder ogen te zien dan die welke door AI worden voorgesteld. ChatGPT geeft antwoorden die zijn gebaseerd op bestaande internetgegevens, zonder de juistheid daarvan ter discussie te stellen.’

    Baart het gebruik van ChatGPT ­zorgen op ethisch gebied?

    ‘In de huidige situatie niet. In de toekomst zal het misschien voor problemen zorgen op politiek en juridisch gebied. Sommige parlementsleden hebben al ChatGPT gebruikt voor debatten, maar dat betrof tot dusver alleen de ­teksten die ze voorlazen. Wanneer je bijvoorbeeld de verdeling van de sociale­zekerheidsgelden aan AI zou toevertrouwen, zou dat discriminatie in de hand kunnen werken, zoals een verlaging van de uitkeringen aan senioren omdat hun minder levensjaren resten. Zolang debatten en beslissingen op politiek en juridisch gebied onder menselijke verantwoordelijkheid blijven vallen en het systeem niet instort, geloof ik niet dat we bang hoeven te zijn voor een ernstige ethische crisis.’

    Het belangrijkst blijft het om te weten of de gebruikers de beslissingen die door AI worden ingegeven als hun eigen beslissingen beschouwen

    Sommige mensen zullen AI misschien gebruiken zonder daarvoor uit te komen.

    ‘Inderdaad. Het belangrijkst blijft het om te weten of de gebruikers de beslissingen die door AI worden ingegeven als hun eigen beslissingen beschouwen en de verantwoordelijkheid aanvaarden voor de acties die ze ondernemen. Het zou onverantwoordelijk en funest zijn om te zeggen: “We kunnen er niets aan doen want het is een suggestie van AI”, zonder dat we stilstaan bij onze eigen verantwoordelijkheid.

    Wat Japan betreft, dat is een land dat een rotsvast vertrouwen heeft in AI. In westerse fictie met AI als thema wordt vaak de nadruk gelegd op de dreiging die ervan uitgaat, en op de menselijke verantwoordelijkheid voor het gebruik ervan. In Japan, waar de invoering van AI redelijk soepel verloopt, wordt daar niet vaak bij stilgestaan. Japanners lijken deze nieuwe ontwikkeling lijdzaam over zich heen te laten komen. “Als we er toch niets tegen kunnen doen, kunnen we er maar beter in meegaan,” zeggen ze waarschijnlijk bij zichzelf. Het is van wezenlijk belang om de kwestie te relativeren, om te begrijpen wat er op mondiaal niveau wordt bediscussieerd, en niet in hysterische speculaties te verzinken die de zaak alleen maar erger maken.’ 

  • Microben uit Estland moeten Europa minder afhankelijk maken van Chinese chips

    Microben uit Estland moeten Europa minder afhankelijk maken van Chinese chips

    Voor de groene transitie waar Europa op inzet zijn veel metalen nodig. Het kleine Estland loopt voorop in het duurzaam recyclen van microchips en zet de eerste stap in de richting van een gezamenlijke Europese toeleveringsketen van essentiële grondstoffen.

    ‘Stelt u zich een goudmijn voor waarin elke ton erts een kilo goud bevat,’ zegt Priit Joers. ‘Elk mijnbouwbedrijf zou staan te popelen.’ Hij overdrijft niet: specialisten beschouwen een groeve met 10 gram goud per ton al als een schatkist. Dan moet een kilo echt een klapper zijn. Joers draagt in een kleine emmer een minuscuul deel uit zo’n wonderlijke mijn met zich mee, wanneer hij in Tartu, de tweede stad van Estland, zijn gast ontvangt. Het is restafval van elektrische apparaten in de vorm van elektrische circuits, die eerst door de shredder zijn gegaan en daarna tot een fijn poeder zijn vermalen.

    Overigens is Joers geen mijnbouwkundig ingenieur, maar moleculair bioloog, en werkt hij niet in een groeve, maar in een laboratorium. Wel houdt hij zich bezig met het winnen van goud en andere edelmetalen, want zijn expertise ligt bij het zogenoemde microbiële uitlogen van erts (bioleaching). Bij dit proces wordt het metaal niet, zoals momenteel de gangbare methode is, met behulp van agressieve oplosmiddelen uit erts geïsoleerd. In plaats daarvan laat men micro-organismen het werk doen. Joers en zijn team willen onderzoeken welke bacteriën dat voor welke delfstof het best en het snelst kunnen.

    Op een paar vragen hebben ze al antwoorden gevonden, maar Joers is erop bedacht die voor zich te houden. ‘We zijn in afwachting van een besluit over de octrooiaanvraag voor onze procedure, daarom kan ik niets concreets verklappen,’ zegt hij. Met ‘we’ bedoelt hij het bedrijf Biotatec, waar hij als wetenschappelijk directeur aan verbonden is.

    Grote ambities

    De start-up staat de laatste tijd in het centrum van de belangstelling. Prestigieuze instituties, zoals de Innovatieraad van de Europese Unie en de Estse rijksdienst voor het ondersteunen van nieuwe technologische ontwikkelingen, hebben al ettelijke miljoenen euro’s financiering toegezegd. Verder heeft PricewaterhouseCoopers Biotatec op de lijst van de belangrijkste bedrijven op het gebied van veelbelovende milieutechnologie in de regio Centraal- en Oost-Europa geplaatst.

    Het jonge bedrijf koestert grote ambities: het wil binnen vijf jaar op internationaal niveau een leidende rol spelen binnen de microbiële uitloging, een sector die weliswaar niet nieuw is, maar decennialang een bestaan als muurbloempje heeft geleid.

    Europa zet nu op ambitieuze wijze in op de groene transitie: windmolens, zonnepanelen, een waterstofeconomie, elektrische auto’s. Daar zijn hopen metaal voor nodig, onder meer edelmetalen en zeldzame aardmetalen.

    Hiervoor beschikt Europa echter nog niet over een waardeketen (een eigen keten van grondstoffen tot eindproduct), waardoor het continent afhankelijk is van autoritaire regimes zoals China of Rusland. Wat zeldzame aardmetalen betreft is China momenteel bijvoorbeeld goed voor ongeveer twee derde van de winning van ertsen en ongeveer 85 procent van de verwerkte eindproducten – je kunt dus vooralsnog niet om Beijing heen. De coronacrisis en de Russische invasie in Oekraïne hebben echter laten zien hoe snel er problemen kunnen ontstaan in wereldwijde toeleveringsketens.

    Oftewel: als Europa zijn groene transitie veilig wil stellen, moet het meer zelf gaan produceren in een sector die vaak op gespannen voet staat met het milieubeleid en waarvoor de benodigde installaties dus niet altijd steun vinden bij de bevolking. De technologie van microbiële uitloging biedt oplossingen voor deze problemen.

    Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie

    Een eerste uitweg ligt in het beter hergebruiken van elektronisch en elektrisch restafval (ook wel e-afval genoemd). Daar kun je niet alleen goud uit halen, maar ook zilver, palladium of platina – dat laatste wordt gezien als het sleutelelement voor een efficiënte waterstofproductie. Van het e-afval waar we reeds over beschikken wordt momenteel slechts ongeveer een vijfde benut, zegt Joers. Dat komt doordat de bestaande methodes voor recycling te traag en te duur zijn. Met optimale microbiële uitloging zou dit proces daarentegen zelfs al op kleine schaal winstgevend zijn, om nog maar te zwijgen over industriële schaal.

    Tegelijkertijd is e-afval niet het enige afval dat Biotatec op het oog heeft. Ook fosforgips en zogenoemde rode modder zijn interessant. Beide zijn industriële restproducten uit de kunstmest- en aluminiumproductie. Alleen in Europa liggen er al miljoenen tonnen van op afvalbergen. Omdat ze giftige en radioactieve materialen bevatten, worden ze nauwelijks hergebruikt, hoewel ze van alles te bieden hebben – onder meer zeldzame aardmetalen. ‘Wat op deze afvalhopen ligt,’ zegt Joers, ‘zou Europa voor de komende decennia onafhankelijk van import kunnen maken.’

    Maar waarom zijn dan niet allang overal in Europa bacteriën aan het werk gezet om de begeerde stoffen uit het industriële afval en e-afval te halen, of zelfs uit ertsvindplaatsen met lage concentraties metaal, waar exploitatie tot nu toe niet loonde? Die vraag dringt zich temeer op omdat de technologie achter microbieel uitlogen welbekend is en in bepaalde gevallen ook al op industriële schaal toegepast wordt.

    Het probleem is dat deze technologie vergeleken met de traditionele aanpak voor uitloging van erts tot dusver te traag en te duur was. Mijnbouwbedrijven zagen daarom geen reden om van hun beproefde methodes over te stappen op een andere technologie of te investeren in nieuwe productielijnen.

    Autarkie

    Maar die redenering begint te rammelen. Om te beginnen hebben de laatste paar jaar bewezen hoe rap het raderwerk van de wereldeconomie tot stilstand kan komen. Wie niet over een eigen waardeketen beschikt, stelt zich bloot aan problemen of zelfs aan pressie. Ten tweede is het waarschijnlijk dat de vraag naar strategische grondstoffen die nodig zijn voor de ‘groene transitie’ zienderogen zal toenemen en de prijzen zal opdrijven, zolang het aanbod de vraag niet kan bijbenen.

    En als Europa bovendien een bepaalde mate van autarkie wil bereiken in de waardeketen, zullen ook milieuvraagstukken een rol gaan spelen. Vergeleken met de klassieke uitlogingsmethodes heeft microbieel uitlogen wat dit betreft evidente voordelen. Ook op het gebied van de snelheid werden in het laboratorium van Biotatec al aanzienlijke vorderingen gemaakt.

    Wist Sirli Sipp Kulli dat dit in het verschiet lag, toen ze ruim tien jaar geleden besloot de traditionele mijnbouw in Estland achter zich te laten en een start-up op te richten die deze weg zou inslaan? ‘Het was intuïtie,’ zegt de gepromoveerde scheikundige van midden veertig, ‘op een of andere manier wist ik gewoon dat dit groots kon worden.’ Vooralsnog moet de laatste stap – toepassing op industriële schaal – nog gezet worden. Maar met de nieuwste generatie bioreactoren staat Biotatec op het punt ook deze horde te nemen en kan het bedrijf aantonen dat hun methode binnen de sector een serieuze concurrent zal worden.

    Daarvoor zou een potentiële industriepartner zowat om de hoek liggen. In het oosten van Estland staat namelijk de enige fabriek van Europa (en tegelijkertijd een van de weinige buiten China) voor het op grote schaal isoleren van zeldzame aardmetalen.

    De Estse Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld

    Het complex is gebouwd in de periode van de Sovjet-Unie. Die had in de provinciestad Sillamäe een uiterst geheime fabriek voor de vervaardiging van uraniumconcentraat in bedrijf. Later werden daar ook zeldzame aardmetalen gezuiverd. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie werd de Estse fabriek aanvankelijk als staatsbedrijf onder de naam Silmet voortgezet en vervolgens geprivatiseerd.

    Tegenwoordig is Silmet in het bezit van een Canadees concern, dat zowel in China als daarbuiten materialen produceert die in toenemende mate voor de nieuwe milieutechnologieën worden gebruikt. De Silmet-fabriek verwerkt geconcentreerd erts uit alle delen van de wereld en bedient daarmee een klantenbestand dat al net zo internationaal is.

    Daarnaast speelt de wens Estland als investeringsland op te waarderen. In Narva, niet ver van Sillamäe, wil het moederconcern 80 miljoen euro investeren in een fabriek voor de productie en het recyclen van sterke magneten, die in elektrische auto’s en windmolens gebruikt worden. De Estse regering gooit nog zo’n twintig miljoen euro tegen het project aan via het Just Transition Fund van de EU, een financieringsinstrument voor de economische diversificatie van zwakkere regio’s en de bevordering van milieuvriendelijke technologieën.

    Voor de Ida-Viru-regio, die al jaren door industriële teloorgang wordt bedreigd, betekent dat ongeveer duizend nieuwe en zeer gewenste banen. Potentieel worden dat er zelfs nog meer, want een toekomstige uitbreiding van de magnetenfabriek wordt al uitgetekend. Volgens Kristian Järvan, de Estse minister voor Ondernemerschap en IT, komt er op deze manier een geïntegreerde productieketen voor hoogwaardige sterke magneten tot stand, die de EU momenteel nog niet heeft en goed kan gebruiken.

    Lees ook:

    https://360magazine.nl/de-kassandra-van-europa/
  • Deepfakes van beroemdheden verschijnen in advertenties, met of zonder toestemming 

    Deepfakes van beroemdheden verschijnen in advertenties, met of zonder toestemming 

    Digitale simulaties van Elon Musk, Tom Cruise, Leo DiCaprio en anderen zijn opgedoken in advertenties. De technologie voor het samenvoegen van beelden wordt steeds populairder en stelt de marketingindustrie voor nieuwe juridische en ethische vragen.

    Celebrity deepfakes duiken op in reclames. Tot de recente inzendingen behoort de vorig jaar uitgebrachte commercial van het Russische telecommunicatiebedrijf MegaFon, waarin een schijnbeeld van Hollywoodlegende Bruce Willis helpt een bom onschadelijk te maken.

    In oktober nog leek Elon Musk de hoofdrol te spelen in een marketingvideo van reAlpha Tech Corp., een start-up voor vastgoedinvesteringen. En een maand later toonde een promotievideo voor machinelearningbedrijf Paperspace sprekende schijngestalten van de acteurs Tom Cruise en Leonardo DiCaprio.

    Geen van deze beroemdheden heeft ooit een moment besteed aan de opnames van deze campagnes. In het geval van Musk, Cruise en DiCaprio geldt zelfs dat ze nooit toestemming hebben gegeven aan het bedrijf in kwestie.

    Alle video’s van digitale simulaties werden gemaakt met zogenaamde deepfaketechnologie, die met de computer gegenereerde beelden gebruikt om bekende personen uit Hollywood en de zakenwereld dingen te laten zeggen en doen die ze in werkelijkheid nooit hebben gezegd of gedaan.

    Grijs gebied

    Sommige advertenties zijn duidelijk parodieën, en de combinatie van het digitale met het analoge zou een alerte kijker in het beste geval niet voor de gek moeten kunnen houden. Desondanks kan het toenemende gebruik van deepfakesoftware uiteindelijk een diepgaande impact op de branche hebben en daarmee nieuwe juridische en ethische vragen oproepen, aldus deskundigen.

    Geautoriseerde deepfakes zouden marketeers in staat stellen om grote sterren in advertenties te gebruiken zonder dat ze daadwerkelijk op de set of voor de camera’s hoeven te verschijnen, waardoor de kosten dalen en nieuwe creatieve mogelijkheden ontstaan.

    Maar ongeautoriseerd creëren ze juridisch gezien een grijs gebied. Sterren kunnen het volgens deskundigen lastig krijgen met het indammen van een wildgroei aan ongeoorloofde digitale reproducties en de manipulatie van hun merk en reputatie. ‘We hebben het al moeilijk genoeg met nepinformatie. En nu zijn er deepfakes, die er steeds overtuigender uitzien,’ aldus Ari Lightman, hoogleraar digitale media en marketing aan het Heinz College of Information Systems and Public Policy van Carnegie Mellon University.

    Deskundigen zeggen dat ze geen wetten kennen die specifiek betrekking hebben op het gebruik van deepfakes in reclamespots

    Amerikaanse wetgevers zijn inmiddels begonnen met het aanpakken van het deepfakefenomeen. Virginia verbood in 2019 het gebruik van deepfakes in zogenaamde wraakporno, Texas verbood ze in politieke campagnes en Californië verbood ze in beide. Vorig jaar gaf de Amerikaanse National Defense Authorization Act het ministerie van Binnenlandse Veiligheid de opdracht om jaarlijks een rapport op te stellen over bedreigingen door de technologie.

    Maar deskundigen zeggen dat ze geen wetten kennen die specifiek betrekking hebben op het gebruik van deepfakes in reclamespots.

    Beroemdheden hebben met enig succes adverteerders aangeklaagd voor het ongeoorloofd gebruik van hun afbeeldingen op grond van het zogenaamde recht op publiciteit, zegt Aaron Moss, hoofd procesvoering bij advocatenkantoor Greenberg Glusker. Hij noemde de schikking van Woody Allen voor 5 miljoen dollar met American Apparel in 2009 over zijn niet-geautoriseerde verschijning op een billboard van het gedurfde kledingmerk.

    Zowel Paperspace als reAlpha lieten advocaten de video’s beoordelen. Ook namen ze maatregelen die ervoor moesten zorgen dat kijkers begrepen dat de afgebeelde beroemdheden niet daadwerkelijk de producten van de bedrijven aanprezen of hadden deelgenomen aan het maken van de video’s, aldus de bedrijven.

    De Paperspace-video verscheen oorspronkelijk op de eigen website en was bedoeld om gebruikers te informeren over deepfaketechnologie, zegt chief operating officer Daniel Kobran.

    De video met Musk van reAlpha bevatte ‘stevige disclaimers’, waarin stond dat het om satire ging, zegt Christie Currie, chief marketing officer van het bedrijf. Hetzelfde geldt voor een soortgelijke video die reAlpha vorig jaar uitbracht, waarin een namaakversie van de Tesla-baas in een bubbelbad zit en het concept van Regulation A+-investeringen, zogenaamde equity crowdfunding, uitlegt.

    Overspoeld

    De eerste video met Musk ging kort nadat reAlpha in 2021 naar de beurs was gegaan live. De video werd uiteindelijk 1,2 miljoen keer bekeken op YouTube, en wekte actieve interesse in reAlpha bij ‘22K mensen in 83 landen’, aldus Currie in een e-mail. Ze voegt eraan toe dat het bedrijf de video niet direct gebruikte voor fondsenwerving.

    ‘Met elke vorm van parodie bestaat er natuurlijk altijd een beetje een risico,’ zei Currie in een interview, ‘maar over het algemeen, zolang het educatief of satirisch bedoeld is en er disclaimers bij staan, zou er geen probleem moeten zijn zolang je niet probeert iets te verkopen.’

    De kans dat iemand van het kaliber Musk een start-up aanklaagt voor een deepfakevideo is klein, en dergelijke bedrijven zouden kunnen besluiten dat het risico de aanzienlijke publiciteit die het voor hen genereert waard is, zegt Moss. ‘Veel van deze bedrijven zoeken doelbewust zo dicht mogelijk de grens op om de beroemdheden waar ze zich op richten nagenoeg te trollen.’

    Het gemak waarmee deepfakes kunnen worden gemaakt betekent dat sommige beroemdheden binnenkort kunnen worden overspoeld door advertenties met hun ongewenste, maar zeer overtuigende evenbeelden, aldus Moss. Verwijzend naar de Chinese foltermethode, zou het dan ‘dood door duizend sneden’ worden als beroemdheden proberen achter elk klein bedrijf of individuele maker aan te gaan die de software gebruikt, voegt hij eraan toe.

    Tegelijkertijd is de taal waarin contracten werden opgesteld, jaren voordat de technologie bestond, soms vaag genoeg om marketeers de mogelijkheid te geven bestaand beeldmateriaal te gebruiken voor nieuwe deepfakevideo’s. Acteurs, atleten en andere beroemdheden zullen op een gegeven moment dus in alle commerciële contracten die ze ondertekenen clausules laten opnemen die dergelijk gebruik van hun beeltenis verbiedt, aldus Lightman van Carnegie Mellon.

    Tesla reageerde niet op verzoeken om commentaar op de video’s.

    De Bruce Willis-commercial leidde onlangs tot berichten dat de acteur een contract had getekend waardoor Deepcake, een digitaal productiebedrijf dat gevestigd is in Tbilisi te Georgië, rechten op zijn beeltenis had verkregen. Deepcake zegt dat die berichten onjuist zijn.

    Deepcake werd in 2020 ingehuurd door MegaFon en werkte samen met andere reclamebureaus en productiebedrijven om een deepfakecampagne te ontwikkelen op basis van een contract tussen Willis en MegaFon dat inmiddels is verlopen, aldus een woordvoerder van Deepcake. Deepcake was volgens deze woordvoerder geen partij bij dat contract. De vraag om meer details werd doorverwezen naar MegaFon.

    Volgens Biggs vroeg een klant onlangs om een video met voormalig president Donald Trump in de rol van Mr. Potter

    Vertegenwoordigers van MegaFon reageerden niet ondanks verschillende verzoeken om commentaar. De persagent van Willis reageerde niet op vragen of hij inderdaad een contract had met MegaFon. De familie Willis kondigde in maart aan dat hij gediagnosticeerd is met de hersenaandoening afasie en gaat stoppen met acteren.

    Bedrijven vragen meestal om deepfakevideo’s van beroemdheden voor intern gebruik voor training, communicatie, feestjes of andere doeleinden – maar niet voor advertenties, zegt Daynen Biggs, eigenaar van Slack Shack Films, die de video’s met Elon Musk produceerde. Volgens Biggs vroeg een klant onlangs om een video met voormalig president Donald Trump in de rol van Mr. Potter, de rijke schurk in de klassieke film It’s a Wonderful Life.

    ‘Deepfaketechnologie kan zeer schadelijk zijn,’ volgens Biggs. ‘Daarom letten we er altijd op dat wat we creëren niet schadelijk of misleidend is, maar een onderhoudende en leuke boodschap overbrengt.’

    Experts en makers zeggen dat deepfaketechnologie steeds populairder zal worden in de reclame, omdat deze merken en bureaus kan helpen om sneller meer inhoud te produceren, zonder de hoge kosten die bij producties komen kijken.

    ‘In zes maanden tijd hebben we tien totaal verschillende creaties en concepten gemaakt met verschillende regisseurs die allemaal met een digitale Bruce Willis werkten,’ zegt de Deepcake-woordvoerder. ‘Het is moeilijk om je dergelijke producties voor te stellen met een echte acteur.’