Tag: technologie

  • Volgens deze ‘piraten van de techindustrie’ is een nieuwe iPhone doodzonde van je geld

    Volgens deze ‘piraten van de techindustrie’ is een nieuwe iPhone doodzonde van je geld

    De jongens achter het bedrijf iFixit laten zien hoe je alles kunt repareren, van iPhone tot broodrooster. Hun missie is niet zo veel mogelijk geld verdienen, maar ‘de groei van de wegwerpcultuur bestrijden’. Ze bouwden er een enorm bedrijf mee op – en kregen het met Apple aan de stok.

    Keuze uit het archief

    Sinds vrijdag ligt de nieuwe iPhone 17 van Apple, de zoveelste versie, in de winkels. Advertenties moeten klanten verleiden om hun oude mobiel – kapot of niet – weg te doen en over te stappen op het nieuwste model. Dit artikel van het ondernemersblad Inc. uit 2020 laat zien hoe het anders kan: bespaar geld en spaar het klimaat door zelf je kapotte mobiel te repareren. Het bedrijf iFixit wil je er graag bij helpen.

    ‘Ga daar maar op staan,’ zegt Kyle Wiens, terwijl hij zich tegenover zijn bezoeker opstelt en zijn hand uitsteekt naar de schakelaar. Er klinkt elektrisch gezoem, waarna een zachte schok volgt en de grond wegvalt. Het is een hefbrug, afkomstig van een autodealer en nu op een betonnen plaat gezet in Wiens’ achtertuin in Atascadero, Californië.

    Wiens, gekleed in jeans en houthakkershemd en met een ziekenfondsbrilletje en het soort kapsel dat je jezelf kunt aanmeten met een botte schaar, heeft een glooiend perceel van een hectare met uitzicht op Highway 101, halverwege Los Angeles en San Francisco. De hoge heuvels verderop zijn groen van de overvloedige regen van afgelopen winter. Er staat een gestuukt woonhuis op het terrein plus een geprefabriceerd bijgebouw, een kippenren, een patio met een gigantische grill en een werkschuur die plaats biedt aan motorfietsen, crossmotoren, kajaks, wetsuits, een generator, een compressor, een lasbrander, hamers, moersleutels en boren, evenals diverse stapeltjes gedemonteerde onderdelen: Wiens’ vele lopende werkzaamheden. De hefbrug staat vlak naast de schuur. Wiens gebruikt hem voor klussen die de meeste mensen aan een professional zouden overlaten, zoals de transmissie van een truck vervangen. En als een goedkope vorm van vermaak: ‘Het is zo’n cool ding!’

    Levenswerk

    De hefbrug staat er ook omdat dingen repareren zijn levenswerk is. De 33-jarige Wiens is medeoprichter en CEO van iFixit, een bedrijf dat volgens hem als missie heeft ‘iedereen te leren hoe je alles kunt fiksen’. Op de website van iFixit vind je een enorme bibliotheek van stap-voor-stapinstructies op ieder denkbaar gebied: remmen afstellen, een lekkende brandstoftank van een motorfiets repareren, de bumpersensoren op een Roomba-stofzuiger plaatsen, een papierversnipperaar weer aan de praat krijgen, een zool weer op een schoen bevestigen, een vuur maken zonder lucifer, een kras in een brillenglas opvullen, een verwarmingselement van een waterkoker vervangen en – iFixits specialiteit – allerlei subtiele reparaties uitvoeren aan laptops en mobieltjes van Apple. Meer dan 25.000 handleidingen in totaal, voor meer dan 7000 objecten en apparaten. Volgens Wiens hebben vorig jaar 94 miljoen mensen overal op de wereld met behulp van iFixit geleerd dingen weer tiptop in orde te krijgen, wat eerlijk gezegd een klein beetje tegenviel. Wiens had gemikt op 100 miljoen.

    Een deel van de kennis op de website van iFixit komt uit eigen koker. Het meeste komt, à la Wiki, van overal op de wereld. In beide gevallen is de informatie gratis. Je hoeft je niet in te schrijven. Er wordt geen reclame gemaakt. iFixit haalt ongeveer negentig procent van zijn omzet uit de verkoop van onderdelen en gereedschap aan mensen die niet zouden weten wat ze daarmee aan moesten als iFixit niet ook zoveel waardevolle informatie weggaf. De rest komt van het in licentie geven van de software die iFixit heeft ontwikkeld voor het schrijven van zijn online handleidingen, en van het opleiden van onafhankelijke reparateurs, zo’n 15.000 tot nu toe, die hun eigen zaak runnen met steun van iFixit.

    ‘Onze impact op de economie is veel groter dan wat we er zelf aan overhouden,’ geeft Wiens toe. Daar zit hij niet mee. Zo bereik je alles en iedereen. Maar het is een echt bedrijf. Zestien jaar oud, 125 werknemers [toen dit artikel geschreven werd], vijf keer aanvoerder van de Inc. 5000-lijst van snel groeiende ondernemingen met een jaarlijkse groei van dertig procent, een omzet van 21 miljoen dollar en een stabiele winst. ‘We geven een heleboel gratis weg,’ zegt medeoprichter Luke Soules (32). ‘Dat vinden we leuk en het werkt, ook al geeft maar een fractie van die mensen ons geld.’

    De afvalscheidingsbakken hebben een iFixit-logo, de vuilnisbakken een Apple-logo

    Bedenk eens hoe wij consumenten ons tot onze elektronische hebbedingetjes verhouden. We kunnen niet zonder, maar we hebben geen idee meer wat er zich onder hun glanzende buitenkant afspeelt. Als ze kapot gaan, zijn we reddeloos verloren; we willen meteen een nieuwe. Maar dat consumentengedrag heeft gevolgen: gevolgen voor het milieu, omdat onze afgedankte giftige technologie op vuilnisbelten belandt; gevolgen voor onze grondstofvoorziening, omdat eindige voorraden van cruciale elementen als iridium snel worden geconsumeerd en afgedankt; gevolgen voor de economie, omdat we onze zakken razendsnel legen om maar bij de tijd te blijven; en gevolgen voor ons mens-zijn, omdat we steeds gefrustreerder raken door de magische objecten waarvan we afhankelijk zijn.

    iFixit en zijn nobele missie lijken misschien geen grote bedreiging voor wie dan ook, en al helemaal niet voor het meest winstgevende bedrijf ter wereld, maar toch houdt Apple iFixit angstvallig in de gaten. Apple houdt niet van iFixit, omdat iFixit zijn eigen versies van Apples uiterst geheime reparatiehandleidingen schrijft en die met iedereen deelt. Het maakt onderdelen voor Apple-apparatuur na en levert die samen met zelf ontworpen pincetten, plastic beiteltjes en schroevendraaiers in betaalbare doet-het-zelfkits. Met behulp van iFixit kun je een gebarsten scherm of een kapotte batterij veel goedkoper vervangen dan als je met je probleem naar een Apple-winkel gaat, wat misschien toch al geen optie voor je is, afhankelijk van waar je woont. Daar komt bij dat iFixit je geen nieuwe telefoon zal proberen aan te smeren. (Apple is diverse malen benaderd om commentaar te leveren voor dit verhaal, maar heeft dat steeds geweigerd.)

    Maar iFixit houdt ook niet van Apple. In het hoofdkwartier van iFixit in San Luis Obispo, Californië, hebben de afvalscheidingsbakken een iFixit-logo, dat op een kruiskop lijkt, en de vuilnisbakken een Apple-logo. In acht Amerikaanse staten procederen de twee bedrijven over de zogeheten recht-op-reparatiewetgeving (‘Je moet vechten voor je recht om te repareren’) die, als ze wordt aangenomen, een eind zal maken aan de enorme reparatie-inkomsten die Apple aan zijn monopoliepositie dankt. Hoe gigantisch die inkomsten zijn meldt Apple niet, maar het zakenblad Warranty Week schat dat AppleCare, Apples verlengde garantieregeling waarvoor een abonnement kan worden afgesloten, het bedrijf in 2016 wereldwijd maar liefst 5,9 miljard dollar heeft opgeleverd. ‘Het is het grootste programma voor verlengde garanties ter wereld,’ zegt redacteur Eric Arnum van Warranty Week. ‘Groter dan dat van General Motors, Volkswagen of Walmart.’

    ‘We geven een heleboel gratis weg. Dat vinden we leuk’

    iFixit zou niet bestaan als Apple er niet was, en alles wat daarmee samenhangt – de innovaties, de alomtegenwoordigheid en de arrogantie. Als je het zo beschouwt is iFixit eigenlijk een parasiet. Of misschien een loodsmannetje, dat meezwemt met de haai en leeft van de restjes. Maar dat doet geenszins recht aan de radicale missie van dit bedrijf, noch aan de ambitie van de oprichters, zaken waarover Wiens langdurig heeft nagedacht.

    ‘Ik maak me echt zorgen over de transitie naar een wereld waarin we niet meer begrijpen wat er in onze spullen zit,’ zegt hij. ‘Waarin we bang zijn voor techniek, voor feiten, voor zelf prutsen. Als je een telefoon of een voicerecorder uit elkaar haalt en er genoeg van begrijpt om hem te kunnen repareren, gaat er een schakelaar om in je hoofd. Je verandert van alleen maar een consument in een deelnemer.’ Dat is misschien niet zo cool als je eigen hefbrug in je achtertuin, maar nog altijd behoorlijk cool.

    Wiens en Soules zijn allebei opgegroeid in Oregon, maar ze hebben elkaar pas ontmoet op de California Polytechnic State University, waar het motto ‘Al doende leren’ is. Dat was in 2003, en sindsdien zijn ze samen, als vrienden, zakenpartners en rivierkajakkers. (Toen Wiens aankondigde dat hij ging trouwen, zeiden zijn andere vrienden hem dat hij dan eerst van Soules zou moeten scheiden.) Wiens praat meer dan Soules en slaapt minder; hij is het publieke gezicht van iFixit, de grote uitlegger en strateeg. Soules houdt toezicht op de bedrijfsvoering en de Chinese aanvoerketen van iFixit; hij is ook piloot en klarinettist. Op de universiteit vonden ze elkaar omdat ze allebei nerds waren. ‘Ik weet nog dat hij met kerst naar huis ging,’ zegt Soules over Wiens. ‘Hij had zo’n grote ouderwetse desktopcomputer. Die nam hij mee in de trein.’

    Wiens’ andere computer was een Apple iBook G3, de gewelfde, snoepkleurige laptop die ook wel bekendstaat als de ‘wc-bril-Mac’. Toen hij die op een dag liet vallen was hij kapot. Wiens zat er niet mee. Als kind waren hij en zijn broer altijd bezig met het uit elkaar halen en weer in elkaar zetten van de oude radio’s en keukenapparatuur die hun grootvader meebracht uit de kringloopwinkel. ‘Die was zijn hele leven bezig dingen te maken en te onderhouden’, schreef Wiens in 2013 over zijn grootvader in een artikel op de website van The Atlantic; hij leerde Wiens oorlog voeren tegen ‘entropie: de tweede wet van de thermodynamica die garandeert dat alles op den duur verslijt’; en stuurde hem naar de universiteit met een gereedschapskist en een soldeerbout.

    Wiens had een reparatiehandleiding voor de G3 nodig. Hij zocht tevergeefs op internet. Apple deelt zulke informatie niet met zijn klanten. Daar baalde hij van. Het was tenslotte zijn computer. Zelf gekocht en betaald. Waarom had hij dan geen toegang tot de werking ervan? Dit kan zo niet, herinnert Wiens zich dat hij dacht, en daarmee was het idee voor een bedrijf geboren.

    Wiens en Soules werkten het de jaren daarna verder uit. Aanvankelijk wilden ze hun eigen reparatiehandleidingen schrijven en verkopen, maar – eerste les – informatie is geen gemakkelijk verdienmodel. Maar onderdelen en gereedschap wel, dus werden Wiens en Soules online wederverkopers van gereedschap en moeilijk te krijgen onderdelen. Ze noemden hun bedrijfje PowerBook Fixit, totdat Wiens bang werd dat Apple hen zou aanklagen wegens schending van hun handelsmerk. Daarna probeerden ze PBFixit, dat ook niet aansloeg. ‘Mensen dachten dat PB voor Peanut Butter, pindakaas stond,’ zegt Soules. Toch kwamen er mensen op af. ‘De eerste maand verdienden we niets,’ zegt Wiens. ‘Maar de tweede maand wel. En sindsdien hebben we altijd geld verdiend.’

    Ze woonden samen op een kamer, sliepen in een stapelbed zodat ze meer ruimte hadden voor inventaris. In hun tweede studiejaar verhuisden ze van de campus naar een tweekamerflat, en uiteindelijk naar een huis met drie slaapkamers en een garage voor drie auto’s die als opslagplaats voor onderdelen fungeerde. Het runnen van een bedrijf en tegelijkertijd studeren bracht bepaalde uitdagingen met zich mee. ‘Dan zat ik aan de telefoon met een klant om hem te begeleiden bij de installatie van een harde schijf en tegelijkertijd op de klok te kijken terwijl ik dacht: Over twintig minuten heb ik een tentamen,’ zegt Wiens. ‘Dat kun je moeilijk tegen een klant vertellen.’ Uiteindelijk huurden ze personeel in. Op een dag arriveerde er een werknemer bij hun huis die zijn sleutel was vergeten, dus peuterde hij het slot open. De baas was onder de indruk. ‘Tot op de dag van vandaag leren we nieuwe werknemers nog altijd om sloten open te peuteren,’ zegt Wiens. (iFixit heeft zelfs ooit sets verkocht voor het open peuteren van sloten, maar dat bracht bepaalde complicaties met zich mee; het is illegaal om die te versturen via de Amerikaanse posterijen.)

    ‘We deden van meet af aan veel aan klantbegeleiding,’ zegt Wiens. ‘Dan zei een klant: “Nou, bedankt voor de onderdelen, maar hoe installeren we die?” Dus schreven we een handleiding voor ze. En dan zeiden ze: “Nou, dat is allemaal mooi en aardig, maar we hebben geen gereedschap,” en dus verkochten we ze het gereedschap. En dan zeiden ze: “Nou, dat gereedschap is te duur,” en dus begonnen we zelf kits samen te stellen en berekenden het gereedschap door in de prijs van de onderdelen. Het bleek dat we iets deden wat uniek was in de onderdelenbranche.’

    Het jaar dat ze afstudeerden, 2007, was ook het jaar dat de iPhone zijn debuut maakte, wat voor een ingrijpende omslag in hun inkomstenstroom zorgde van het repareren van computers naar het repareren van mobiele telefoons. Wat was begonnen als een parttime hobby was nu een winstgevend, snel groeiend bedrijf. Het leverde ze niet alleen zakgeld op, maar genoeg om hun hele studie te betalen. Het stelde ze ook in staat een aanbetaling te doen voor het huis van 690.000 dollar in Atascadero dat in de loop der jaren als hun gemeenschappelijke woonhuis, personeelsonderkomen en iFixit-hoofdkwartier fungeerde, en soms alle drie tegelijk. Soules herinnert zich dat hij tijdens zijn laatste studiejaar dacht: Dit zou heel goed onze broodwinning kunnen worden. Daar had hij nooit eerder bij stilgestaan. Dus over een baan zoeken hoefden ze zich geen zorgen meer te maken.

    Als een pas geopende doos elektronica

    De voordeur van het iFixit-hoofdkwartier aan de rand van het centrum van San Luis Obispo zit op slot. Op een bordje staat: ‘Alleen op afspraak.’ Maar er is een bel, waarop een glimlachende twintiger met een baard reageert. Hij gaat me via een lege wachtkamer voor naar een loods met stalen balken en dakramen waar andere twintigers met een baard zitten plus een aantal vrouwelijke collega’s. Hier huisde vroeger de autodealer waar Wiens zijn hefbrug vandaan heeft. De andere hefbrug heeft hij buiten laten staan ten bate van zijn werknemers, al is onduidelijk hoevelen van hen autorijden, laat staan een auto bezitten. Op hun eerste werkdag ontvangen alle werknemers van iFixit, naast een bureau dat ze geacht worden zelf in elkaar te zetten, vierhonderd dollar voor de aanschaf van een fiets. Het parkeerterrein is meestal leeg.

    Het renoveren van de plek kostte meer dan een jaar. De grootste uitdaging, zegt Wiens, was uitvogelen hoe er een verdieping in de bestaande structuur kon worden aangebracht en hoe alles waterdicht kon worden gemaakt zonder het dak eraf te halen. (‘Het is veel moeilijker om een bestaand gebouw voor andere doeleinden in te richten dan iets nieuws te bouwen van de grond af aan,’ geeft hij toe, wat kennelijk niet ironisch is bedoeld.) De centrale ruimte wordt in tweeën gedeeld door een monumentale trap van gerecycled acacia- en walnotenhout. Een tweetal monitors op de overloop houdt de wereldwijde activiteit op de website bij. De lambrisering bovenaan de trap is gemaakt van eikenhouten planken die zijn afgedankt door wijnmakerijen in de streek. Het ruikt hier lekker. Niet naar hout of wijn, maar vertrouwd en schoon. Als een pas geopende doos elektronica.

    Soules bezoekt deze week leveranciers in China, maar Wiens tref ik aan achter zijn ‘bureau’ op de bovenverdieping. Het is een op wandeltempo afgestelde loopband achter een hoge tafel met een stapel verouderde softwarehandleidingen erop die bedoeld is om zijn laptop op te plaatsen.

    Wiens loopt er niet mee te koop, maar hij is een vrome christen. Jen Wiens, bedrijfsleider van iFixit, wist niet wat ze van haar toekomstige echtgenoot moest denken toen ze elkaar voor het eerst ontmoetten tijdens Bijbelles: een constante prater, een onverzadigbare lezer (later ontdekte ze dat hij luisterboeken op dubbele snelheid afspeelt) en een man van grote ideeën en nobele uitspraken. ‘Ik werkte bij een advocatenkantoor in het centrum,’ zegt ze. ‘Ik was altijd behoorlijk moe na een dag van veertien uur. Dan kwam hij naast me zitten en praatte aan één stuk door. Hij was altijd opgewonden. Uiteindelijk besloot ik dat ik misschien maar eens moest luisteren naar wat hij zei.’

    Tijdens een van hun eerste keren samen vertelde Kyle Jen dat hij de wereld wilde veranderen. Hij studeerde nog en was bezig de details uit te werken voor zijn grote plan ‘om de groei van de wegwerpcultuur te bestrijden’, zoals hij jaren later schreef in het handboek voor iFixit-werknemers (een vijftig pagina’s tellend manifest dat is verluchtigd met tekeningen uit een padvindershandboek uit 1903), ‘duurzaam ontwerp te promoten, eigendomsrechten te verdedigen en licht te werpen op de verwoestende effecten van elektronische verspilling’. Zover was Kyle nog niet helemaal, maar ook toen was het Jen al duidelijk dat als hij het over het veranderen van de wereld had, hij iets meer bedoelde dan een piepklein hoekje van de techindustrie verstoren en een heleboel geld verdienen. ‘Ik wist waar hij op aanstuurde,’ zegt ze.

    Waar hij op aanstuurde was natuurlijk dit bedrijf dat uiteindelijk de woede van Apple zou wekken. Maar het zou ook een paar verlichte zakenpartners aanspreken, met name Patagonia, dat met behulp van iFixit de levenslange garantie waarmaakt die het op al zijn kleding geeft. ‘We zijn echt onder de indruk van hun ethiek,’ zegt Nellie Cohen, programmamanager ‘gedragen kleding’ van Patagonia.

    ‘Onze impact op de economie is veel groter dan wat we er zelf aan overhouden’

    In sommige opzichten is iFixit een conventioneel succesverhaal. Het heeft geld verdiend, zeker, maar niet zoveel als het had kunnen verdienen als dat al die tijd het belangrijkste doel was geweest. Een van de redenen waarom de oprichters een paar jaar geleden zijn gestopt met het dingen naar een plek op de Inc. 5000-lijst is volgens Wiens dat ze niet op contact met mogelijke investeerders zitten te wachten. ‘Ik denk dat we allebei bang zijn voor de verantwoordelijkheid om te groeien en ten koste van alles geld te verdienen die dat met zich mee zou brengen,’ zegt Soules. En iFixit heeft al veel meer impact, zowel op zijn eigen branche als daarbuiten, dan bedrijven die vele malen groter zijn: het bereikte vorig jaar 94 miljoen doe-het-zelvers en heeft duizenden technici opgeleid overal in de VS.

    ‘Ik kan niets anders bedenken dat zo opwindend en zo nodig is als dit,’ zegt Wiens. In een wereld die in het teken staat van een reusachtige economische tweedeling kan iFixit naar zijn overtuiging helpen het bezit van technologie betaalbaarder te maken en kansen te creëren voor onafhankelijke reparatiewinkels. Voeg daar het milieuvoordeel van minder spullen weggooien bij, plus misschien het menselijke voordeel dat we allemaal een tikkeltje gelukkiger worden.

    Een van Wiens’ lievelingsboeken is De wereld buiten je hoofd van Matthew Crawford, die verbonden is aan de Universiteit van Virginia en zowel natuurkunde als politieke filosofie heeft gestudeerd. Zijn boek verbindt die twee vakgebieden met lessen die hij tijdens zijn andere carrière heeft geleerd, als monteur van motorfietsen. ‘Wij hebben ons ontwikkeld tot gereedschapsgebruikers,’ zegt Crawford. ‘Wat mensen zoeken is de basale ervaring van het zelf doen, om te zien wat het gevolg is van je eigen handelingen en om je eigen boontjes te kunnen doppen.’

    Dat Wiens en Soules een bloeiend bedrijf hebben opgebouwd dat daarbij kan helpen? Heel erg cool.

    Wetgeving

    Acht Amerikaanse staten beraden zich op wetgeving die iFixit dolblij zou maken en Apple woedend.

    De eerste auto die ik bezat was een Ford Maverick uit de jaren zeventig. Als je de motorkap opendeed was alles een fluitje van een cent: bougies vervangen, v-snaren vervangen, olie verversen. Auto’s van tegenwoordig zitten bomvol elektronica en software. Maar dat wil niet zeggen dat ze niet te repareren zijn door iemand anders dan de fabrikant, wat autobedrijven ons ook proberen wijs te maken.

    Dat was de inzet van het Reparatierecht-wetsvoorstel in Massachusetts dat in 2012 met 86 procent van de stemmen werd aangenomen. Het gaf autobezitters en onafhankelijke garagisten toegang tot dezelfde diagnostische hulpmiddelen, reparatiehandboeken en firmware als officiële dealers.

    Nu zetten acht Amerikaanse staatsparlementen zich in voor wetgeving die dit idee uitbreidt tot computers, smartphones en tractors. ‘Reparatie is onmogelijk zonder toegang tot informatie,’ zegt Gay Gordon-Byrne, directeur van het lobbykantoor Repair Association. Het eerste wetsvoorstel is in januari ingediend door Lydia Brasch, afgevaardigde van een ruraal district in het noordoosten van Nebraska. Ze heeft er genoeg van om honderddertig kilometer te moeten rijden naar Omaha, waar zich de enige Apple-winkel in Nebraska bevindt, om haar computer te laten repareren. Haar man Lee, een maïs- en sojaboer van de vijfde generatie, heeft soortgelijke problemen gehad met zijn John Deere-maaidorser van 300.000 dollar. (John Deere, zegt Gordon-Byrne, is ‘de agrarische Apple’.)

    Apple, dat niet heeft gereageerd op herhaaldelijke verzoeken om commentaar voor dit artikel, is niet blij met wat er in Nebraska gebeurt, en in Kansas, Minnesota, New York, Tennessee, Illinois, Massachusetts en Wyoming. Kortgeleden heeft het bedrijf een delegatie naar de hoofdstad Lincoln van Nebraska gestuurd om met Brasch te praten. De lobbyisten van Apple waren aanvankelijk ‘hoffelijk’, meldt ze. Ze boden aan in te stemmen als ze een uitzondering maakte voor smartphones. Daarna probeerden ze haar bang te maken en waarschuwden dat als het wetsvoorstel werd aangenomen, Nebraska een ‘mekka voor hackers en criminelen’ zou worden.

    Maar Brasch trapt er niet in. ‘Hoeveel miljarden heb je nodig?’ vraagt ze zich af. ‘Er zou een partje appel moeten overblijven dat de rest van ons kan delen.’

    Testcase

    Ik heb een Fixit-kit geprobeerd om mijn kapotte iPhone repareren.

    De iPhone 5C van mijn werk deed het prima tot de dag dat hij het begaf. Het scherm viel uit. Geen barsten in het glas, alleen een dicht web van verticale golfjes waardoor het display onleesbaar was. Apple zegt dat zijn telefoons drie jaar moeten meegaan. De mijne ging tweeënhalf jaar mee.

    De garantie was inmiddels verlopen, waar ik van zou hebben gebaald als ik het zelf moest betalen, maar dat was niet zo. Mijn werk stuurde een vervanger en de 5C verdween in een la, waarin volgens een door wederverkoper SellCell.com gesponsorde studie voor 13 miljard dollar aan oude mobieltjes huist.

    Toen hoorde ik over iFixit en vroeg ik me af of een kluns als ik echt zijn oude telefoon zou kunnen repareren. Bemoedigend was dat de 5C volgens iFixit een reparabiliteitsscore van zes heeft op een schaal van tien, wat niet slecht is. (Mijn nieuwe Galaxy S6 Edge haalt maar drie.) En dat mijn specifieke klus, het vervangen van het voorpaneel, 32 stappen impliceerde en dertig minuten tot een uur zou vergen, met een ‘gemiddelde’ moeilijkheidsgraad – niet ‘gemakkelijk’, maar ook weer niet ‘zeer moeilijk’ was. Ik bestelde de volledige kit, met gereedschap, voor 54,95 dollar plus verzendkosten.

    Het eerste wat ik deed toen mijn pakketje arriveerde was de zes minuten lange demontagevideo op iFixits website bekijken. Daarna dook ik in de geïllustreerde instructies. Stap 12, het verwijderen van de vier oneindig kleine kruiskopschroefjes waarmee het voorpaneel vastzit op het moederbord, kostte me de meeste hoofdbrekens. De schroefjes oogden identiek, maar ze zijn het niet. ‘Als u bij vergissing de schroef van 3,25 mm of 1,7 mm in het gaatje rechts onderaan draait, heeft dat aanzienlijke schade voor het moederbord tot gevolg en zal de telefoon niet langer naar behoren werken’, lees ik.

    Ik was er destijds niet zeker van of ik die fout niet had gemaakt. (Ik adviseer dat u uw werkblad leegmaakt voordat u begint; een magnetisch matje zou ook handig zijn geweest.) Maar ik zette door. Na het weer indraaien van de laatste twee ‘Pentalobe’-veiligheidsschroefjes (Apple-nomenclatuur) die het omhulsel borgen, drukte ik op de aan/uitknop, hield mijn adem in en aanschouwde vol trots een verlicht scherm. Mijn oude 5C, zo goed als nieuw. Ik liet het zien aan mijn vrouw. Daarna gooide ik hem weer in de la.

  • De toekomst is een luchtkasteel

    De toekomst is een luchtkasteel

    ‘Smart dust’ is binnen bereik: piepkleine sensoren die energie uit de lucht kunnen halen. Ze bieden allerlei mileuvriendelijke mogelijkheden. Maar het wordt ook een koud kunstje om overal miniscule bewakingscamera’s te plaatsen.

    Het idee van een perpetuum mobile, een apparaat dat eeuwig blijft bewegen als het eenmaal in gang is gezet, slaat nergens op. De energie die zo’n apparaat nodig heeft, moet ergens vandaan komen. Maar een nieuwe variatie 
op dat oude idee, een superzuinig apparaat dat zijn energie aan de omgeving onttrekt, is geen hersenspinsel meer. Sommige mensen spreken al van perpetuum-computers. Zo’n apparaat dat energie uit 
de lucht haalt hoeft nu al niet groter te zijn dan drie stuivers op elkaar. En er is geen natuurwet die verhindert dat ze ooit zo klein worden dat we ze overal in kunnen stoppen. Stel je voor: piepkleine sensoren die geluid, trillingen, chemicaliën, licht of beweging waarnemen en niet afhankelijk zijn van netstroom of batterijen.

    De eerste generatie zullen onopvallende, zelf rekenende sensoren zijn met draadloze zendertjes met een bereik tot wel een kilometer. De eerste toepassingen waaraan gedacht wordt, worden nu vaak al uitgevoerd door hun broertjes op batterijen of netstroom: de sensoren die gebruikt worden in ‘slimme’ fabrieken, huizen en wearables. Uiteindelijk denken deskundigen dat deze piepkleine apparaatjes met hun onuitputtelijke energie ons in staat zullen stellen om dingen te doen die nu nog niet mogelijk zijn. Overal waar we willen piepkleine bewakingscamera’s plaatsen bijvoorbeeld. Of elke vierkante meter van een boerderij volhangen met sensoren.

    Of onze auto’s en huizen volstouwen met sensoren die zowel onze veiligheid als de efficiëntie van onze kostbaarste bezittingen verhogen. Er bestaat al een term voor zulke potentieel alomtegenwoordige sensoren: ‘smart dust’ (slim stof). Eerst moeten er nog wel wat hindernissen worden genomen. De meeste van de huidige microchips 
verbruiken nog te veel energie om zonder opladen 
te kunnen blijven draaien. En de nieuwe technologie om ze zelfvoorzienend te maken staat in de kinderschoenen: de precieze prestaties en levensduur daarvan zijn nog onbekend. En zijn die problemen eenmaal opgelost, dan rijzen er waarschijnlijk vragen over het privacyaspect van microscopisch kleine 
sensoren die altijd aanstaan.

    Ruimte voor verbetering

    Smart dust komt nu binnen bereik doordat elektronica dankzij nieuwe technieken steeds minder energie nodig heeft. ‘Wat stroomverbruik betreft heeft micro-elektronica ten opzichte van ENIAC [een van de eerste elektronische computers ter wereld] inmiddels een energie-efficiëntie die meer dan een biljoen maal zo hoog is,’ zegt Joshua R. Smith, als hoogleraar aan de universiteit van Washington gespecialiseerd in energiezuinige systemen en draadloze communicatie.

    Er is al een hele sector van bedrijfjes die chips met een minuscuul energieverbruik maken. Startups zoals Ambiq Micro, gespecialiseerd in wearables, sensoren en smartcards, en PsiKick, dat met zijn eigen zuinige chips voor de industrie batterijloze ‘internet of things’-netwerken bouwt. De processor in je smartphone verbruikt ongeveer één watt, maar het stroomverbruik van sommige van deze chips wordt gemeten in microwatts: één miljoenste daarvan. Er zijn nu ook betere manieren om energie aan de omgeving te onttrekken.

    Enkele startups werken 
aan draadloze communicatiesystemen die zo weinig stroom nodig hebben dat de veldeenheden hun 
energie kunnen halen uit de communicatie met het basisstation. Die techniek wordt al gebruikt in RFID-chips: die reageren op het draadloze signaal van een RFID-lezer door hun unieke ID-nummer terug te kaatsen. Maar de ontwikkeling van RFID is tot stilstand gekomen, terwijl er nog ruimte voor verbetering is, aldus Gregory Durgin, hoogleraar op het gebied van draadloos opladen aan het Georgia Institute of Technology. ‘We zitten nog lang niet aan de fysieke grens van wat mogelijk is met de energiewinning uit radiofrequenties door computers en communicatieapparatuur,’ zegt hij.

    Een Britse prent uit ca. 1834 getiteld The Century of Invention, met hierop een verbeelding van 
de toekomst van transport. De kunstenaar voorspelt dat in het jaar 2000 het paard een bedreigde diersoort is en dat we in stoomvoertuigen zullen rijden. –
    Een Britse prent uit ca. 1834 getiteld The Century of Invention, met hierop een verbeelding van 
de toekomst van transport. De kunstenaar voorspelt dat in het jaar 2000 het paard een bedreigde diersoort is en dat we in stoomvoertuigen zullen rijden. –

    Een veelbelovende ontwikkeling is zogenaamd passieve wifi, die gebruikmaakt van ‘backscatter’-communicatie. Dat werkt als een soort spiegel, maar dan een spiegel die berekeningen kan uitvoeren op het licht dat erin wordt weerkaatst: passieve wifi-elementen kaatsen een signaal terug dat is gewijzigd door de energiezuinige elektronica waarvan ze deel uitmaken. Joshua Smith is een van de oprichters van de startup Jeeva Wireless, die pioniert met extreem energiezuinige communicatie over lange afstanden voor industrieel gebruik, zoals omgevingssensoren op boerderijen en tal van andere toepassingen.

    Een andere veelbelovende energiebron voor smart dust is warmte. Het is allang bekend dat een temperatuurverschil tussen twee zijden van bepaalde materialen elektriciteit kan genereren. Zo loopt de MATRIX PowerWatch van Matrix Industries op de lichaamswarmte van de drager. Sinds de oprichting in 2011 heeft Matrix al voor 30 miljoen dollar aan investeringen opgehaald, onder meer bij 3M. Het bedrijf beschikt momenteel ook over technologie voor sensoren die hun eigen energie opwekken in fabrieken waar bijvoorbeeld ketels en motoren veel warmte produceren.

    En het Pakistaanse energiebedrijf The Hub Power Company wil de betrouwbaarheid van zijn energiecentrales verhogen door trillings- en warmtegegevens draadloos te verzamelen en naar General Electric te sturen, dat dan onderhoudsadviezen kan geven. Maar honderden sensoren stuk voor stuk van nieuwe batterijen voorzien of op het lichtnet aansluiten is erg arbeidsintensief, zegt Aly Khan, een van de directeuren van Hub Power. Toen de directie van het bedrijf hoorde over de technologie van Matrix, besloten ze die te proberen. Ze zijn nu bezig om de beloofde prestaties te verifiëren en willen de sensoren volgend jaar bij één centrale in gebruik nemen, om de techniek later naar andere locaties uit te rollen.

    Matrix werkt ook aan een systeem om stroom te genereren uit de temperatuurverschillen tussen dag en nacht, zegt directeur en medeoprichter Akram Boukai. Een dagelijkse temperatuurschommeling van tien graden kan gemiddeld vijf tot tien milliwatt opleveren. Dat is genoeg om een keur aan sensoren van stroom te voorzien en hun data om de vijf à tien minuten naar een zendmast te sturen.

    Slimme woningen kunnen worden ingericht zonder alle kabels en stroomvoorzieningen die ze momenteel vereisen

    De omvang van het apparaat dat energie opwekt uit temperatuurverschillen illustreert een van de vele hindernissen bij de ontwikkeling van smart dust: het is ongeveer zo groot als de Amazon Echo-speaker, al hoopt Matrix de omvang te kunnen terugbrengen tot die van een colablikje. Maar thermo-elektrische generatoren moeten nog een stuk kleiner worden om in huis rondgestrooide microsensoren te kunnen aandrijven. Wel zijn er nu al tal van toepassingen waarbij de omvang van een colablikje geen probleem is, en nog meer voorbeelden van warme objecten die genoeg energie genereren voor kleinere sensoren die niet groter zijn dan een munt.

    Zo produceren koeien meer dan genoeg lichaamswarmte om een eigen draagbare gezondheidsmonitor ter grootte van een horloge van stroom te voorzien. (En geloof het of niet, maar veel boeren hebben al in zulke wearables voor koeien geïnvesteerd.) En spionnen die de vijand willen afluisteren, hoeven niet langer hun leven te wagen om achter de vijandelijke linies de batterij in een microfoontje te vervangen.

    De verdere verbetering van deze technologie, die er volgens Gregory Durgin van Georgia Tech absoluut aankomt, leidt misschien niet alleen tot nieuwe 
toepassingen, maar ook tot herinrichting van de bestaande en nog grotendeels bekabelde wereld. Zo bevat een auto gemiddeld zo’n 25 kilo aan kabels. 
Dat kan waarschijnlijk een heel stuk minder door de inzet van draadloze sensoren die zichzelf van stroom voorzien.

    En slimme woningen kunnen worden ingericht zonder alle kabels en stroomvoorzieningen die ze momenteel vereisen. Maar zo mooi als dit allemaal mag klinken, deze technologie kan ook worden gebruikt voor de ontwikkeling van onverslijtbare peilzendertjes, microfoontjes of cameraatjes om aan onze persoon of onze auto te hangen – of waar je maar wil. Niemand heeft de ontwikkeling van zulke apparaatjes nog aangekondigd, maar de grote kans dat ze er gaan komen is wel iets om bij stil te staan.

    Auteur: Christopher Mims

    Wall Street Journal
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 2.000.000

    De bijbel voor zakenmensen. Maar bij het lezen is enig beleid vereist: naast reportages van hoge kwaliteit drukt de krant hoofdredactionele commentaren af die zo patriottisch zijn dat ze hun geloofwaardigheid verliezen.

  • Afrikaanse kikkersprongen

    Afrikaanse kikkersprongen

    De snelle verspreiding van technologische ontwikkelingen heeft Afrikaanse landen de kans gegeven een sprong vooruit te maken. Maar daar is nog altijd deugdelijk bestuur voor nodig.

    Kotiogo Ng’usilo kan zich nog levendig herinneren dat hij voor het eerst een auto zag. 
Het was in de jaren vijftig en Ng’usilo, een jager-verzamelaar van de Ogiek-stam in het Mau-woud in Kenia, dacht dat het een ‘bewegend huis’ was. Inmiddels 86 jaar oud probeert hij met het verzamelen van honing en het vangen van een klipdas hier en daar nog vast te houden aan zijn oude levensstijl, maar verder is hij meegegaan met de vaart der volkeren. Hij draagt westerse kleren, koopt voedsel op de markt en gebruikt, net als zijn jongere familieleden, een mobiele telefoon. Terwijl hij boven een kalebas heilig honingbier over vroeger vertelt, wordt hij continu onderbroken door getjirp, niet van vogels maar van telefoontjes met nieuws uit de stad.

    De snelle opkomst van mobiele technologie in de derde wereld – met name in Afrika, dat bij Azië en Latijns-Amerika achterblijft in het dichten van de inkomenskloof met het Westen – heeft geleid tot de kikkersprongtheorie. Volgens deze theorie, zo staat geformuleerd in een studie van de Wereldbank, kunnen landen een ‘snelle economische groeisprong maken’ door technologische innovatie te omarmen.

    Sommigen zien in de kracht van technologie een verbluffende potentie om problemen op te lossen die veel regeringen, vooral in Afrika, niet adequaat aanpakken: slechte gezondheidszorg, slechte scholen, een gebrekkig wegennetwerk, gebrekkige elektriciteitsvoorziening en een tekort aan banen. Afgelopen zomer riep Alibaba-oprichter Jack Ma nog een 
prijs van 10 miljoen dollar in het leven voor jonge Afrikaanse techondernemers die ‘de weg plaveien voor een betere toekomst’.

    Technologie

    De opkomst van mobiele en digitale technologie wordt gezien als de sleutel tot de kikkersprong. 
Volgens schattingen van de GSMA, de mondiale brancheorganisatie van de telecomsector, telden landen bezuiden de Sahara in 2017 in totaal 444 miljoen mobieletelefoongebruikers, een penetratiegraad van 44 procent, tegen een wereldwijd gemiddelde van 
66 procent. In Zuid-Afrika en Nigeria, waar 9 van de 10 inwoners een abonnement heeft, zijn mobieltjes net zo gewoon als in de VS, blijkt uit onderzoek van de Amerikaanse denktank Pew Research Center. 


    Met de prijsdaling van mobiele telefoons is de verwachting dat de kloof tussen het merendeel van de 50 Afrikaanse landen en de rest van de wereld geleidelijk zal worden gedicht. In Ethiopië produceert het Chinese bedrijf Transsion Holdings al toestellen die niet meer dan 10 dollar kosten. ‘Inmiddels is toegang tot mobiele telefoons bijna universeel,’ zegt de Zimbabweaanse neurowetenschapper Precious Lunga, oprichter van Baobab Circle, een techbedrijf dat kunstmatige intelligentie gebruikt om patiënten in Kenia en 
Zimbabwe consulten te geven. ‘Er zijn plekken waar geen stromend water is, maar waar je wel een video kunt 
streamen,’ zegt ze.

    De verspreiding van smartphones, die een derde uitmaken van alle mobiele telefoons in Afrika, opent nieuwe perspectieven, jubelen techadepten. Een deel van de elite in bruisende steden als Lagos in Nigeria of Dar es Salaam in Tanzania, die beide tot de snelst groeiende steden ter wereld behoren, gebruikt taxiapps als Uber of Taxify en bestelt maaltijden en kleding online. In Ivoorkust heeft bankengroep Standard Chartered haar eerste louter digitale consumentenbank opgericht, als proef voor digitale diensten wereldwijd. Nog belangrijker voor de kikkersprongtheorie is de impact die mobiele technologie heeft op het platteland, waar zes van de tien Afrikanen leven. Op vrijwel het hele Afrikaanse continent voltrekt zich een revolutie op het vlak van financiële inclusie.

    Kenia was in 2007 voortrekker met de lancering van M-Pesa, de mobiele betaaldienst van telefoonbedrijf Safaricom. Tientallen miljoenen mensen die voordien zonder bankrekening door het leven gingen, zoals Ng’usilo, kunnen nu met een paar vingerbewegingen geld naar familieleden overmaken of inkopen doen. De doorbraak van mobiel geld, dat volgens de GSMA inmiddels door ongeveer 690 miljoen mensen wordt gebruikt, van wie de helft Afrikaans is, vormt de 
ruggengraat voor tal van andere diensten. In steden en middelgrote plaatsen kunnen kleine ondernemingen online adverteren en mobiele betalingen ontvangen.

    Op het platteland is er een snelle groei van pay-as-you-go-zonnestroom waarbij klanten met mobiel geld voor luttele bedragen als 50 cent per dag elektriciteit kunnen kopen. De panelen worden op afstand gedeactiveerd wanneer de betaling stopt. In het dorp Sahabevava in het noordoosten van Madagascar, op een paar uur rijden van de dichtstbijzijnde stad en ver verwijderd van het dichtstbijzijnde elektriciteitsnetwerk, woont boerin Lydia Soa. Ze is de trotse bezitter van een zonnepaneel, dat genoeg stroom opwekt om haar huis mee te kunnen verlichten – handig voor wanneer de kinderen huiswerk maken – een boombox te laten werken en, natuurlijk, om haar mobiele telefoon op te laden.

    Er zijn plekken waar geen 
stromend water is, maar waar je wel een video kunt streamen

    Afrika is goed voor 16 procent van de wereldbevolking maar heeft slechts 2,8 procent van de mondiale capaciteit voor stroomopwekking. Slechts 37 procent van de Afrikanen ten zuiden van de Sahara heeft 
toegang tot elektriciteit, wat betekent dat zo’n 600 miljoen mensen zonder stroom leven. Maar in 2017, bleek uit een brancherapport, hadden 73 miljoen huishoudens bezuiden de Sahara al toegang tot zonne-energie. Deze snelle toename, die ervoor gezorgd heeft dat afgelegen delen van Afrika in één klap van geen stroom naar groene stroom zijn gegaan, is een schoolvoorbeeld van de kikkersprongtheorie.

    Als technologie over grenzen, het bankwezen en elektriciteitsnetwerken kan ‘springen’, zeggen enthousiastelingen, dan zal ze zeker een weerslag hebben op alle industrieën én alle levensterreinen. Keun Lee, hoogleraar economie aan de Nationale Universiteit van Seoul, heeft bestudeerd hoe technologische ontwikkelingen vooruitgang kunnen 
aanzwengelen. ‘Bij de opkomst van een nieuwe technologie of paradigma begint iedereen op hetzelfde punt; laatkomers lopen niet achter,’ zegt hij. ‘Voorlopers zijn de laatsten die op nieuwe technologieën overstappen,’ voegt hij eraan toe.

    Lee, die de regering van Rwanda adviseert over haar ambities om van 
het kleine centraal-Afrikaanse land een digitale hub te maken, zegt dat technologische verschuivingen landen als India, Brazilië en een aantal Afrikaanse economieën de kans geven een sprong vooruit te maken. ‘Afrikaanse landen, waar men voorheen voor verlichting op kerosinelampen was aangewezen, kunnen in één keer overgaan op zonne-energie, zonder de tussenstap van een traditioneel elektriciteitsnet.’

    Weinigen zullen betwisten dat landen in Afrika en elders door gebruikmaking van technologieën die in het Westen zijn ontwikkeld of van eigen innovaties, zoals mobiel geld, het ontwikkelings-proces kunnen bekorten. Groot-Brittannië deed er 150 jaar over om, via een industriële revolutie die draaide om water, wind en stoomkracht, van een landbouweconomie tot een geavanceerde economie uit te groeien. Japan deed er korter over, en landen als Singapore, Taiwan, Zuid-Korea en China maakten de sprong naar de positie van een 
land van midden- en hoge inkomens in een paar generaties.

    Fonkelnieuwe apps

    De kikkersprongadepten zijn in hun definitie van technologie geneigd om te focussen op de digitale revolutie en de transformerende kracht van ‘fonkelnieuwe apps’, zoals Lunga van Baobab Circle het uitdrukt. Robert Gordon, econoom aan de Northwestern University in Chicago, zegt echter dat de grootste productiviteitsgroei niet zozeer te danken is aan het internet 
of mobiele telefoons maar aan technologieën die we nu als vanzelfsprekend beschouwen: sanitaire voorzieningen, wegen en stoomkracht.

    Als Gordon gelijk heeft, dan zou Afrika door die ontwikkelingen over te slaan en direct aan te haken bij wat men in 2016 op het World Economic Forum in Rwanda ‘de vierde industriële revolutie’ noemde, de belangrijkste productiviteitsstijging mislopen – en dus ook economische groei. Inderdaad kunnen de groeicijfers van Afrika, omgerekend per hoofd van de bevolking, zelden worden uitgedrukt in bedragen van twee cijfers voor de komma, zoals wel het geval is in Noordoost-Azië, waar de levensstandaard omhoog is geschoten.

    Bill Gates zegt dat de voornaamste technologieën die in Afrika levens 
veranderen in het verleden zijn ontwikkeld en nu pas in de verste uithoeken van de wereld doordringen. ‘Ik heb het over technologie in de vorm van een injectie door de plaatselijke arts, of een pil die dorpelingen kunnen slikken of een zaadje dat ze kunnen planten,’ zegt hij. Gates, wiens Bill & Melinda Gates Foundation miljarden dollars bijdraagt aan het bevorderen van zulke ontwikkelingen, zegt dat het relatieve gemak van de verspreiding landen in staat stelt om sneller op de rest van de wereld in te lopen, vooral op het gebied van de volksgezondheid. ‘Wat vaccineren betreft zijn we aardig op weg om alle kinderen op de hele wereld te bereiken.’

    Solutionism

    Sommige claims van de kikkersprongadepten zwemen naar ‘solutionism’: het idee dat technologie zelfs de lastigste problemen kan oplossen. Volgens sceptici toont Afrika net zo goed de beperkingen 
van technische oplossingen bij de afwezigheid van fatsoenlijk bestuur en een basisinfrastructuur. 
Ontwikkelingen op gebied van landbouw en volks-gezondheid laten zowel het potentieel als de tekortkomingen van technologie zien. Neem de landbouw, waarin meer dan de helft van de volwassen bevolking van Afrika werkzaam is.

    In heel Afrika probeert men het probleem van de lage productiviteit door middel van technologische oplossingen te lijf te gaan. In Ghana stuurt CocoaLink cacaoboeren via sms praktische informatie en de actuele marktprijzen. In Kenia gebruikt de onlinemarktplaats Twiga Foods technologie om duizenden groothandelaren een directe afzetmarkt te bieden en boeren een transparante markt te garanderen. Volgens Twiga-topman Grant Brooke biedt de mobiele technologie boeren meer zekerheid, waardoor ze hun opbrengst kunnen verhogen. Maar fonkelende apps kunnen niet de waarheid verdoezelen. Afrikaanse boeren zijn bleven steken in de 19de eeuw.

    Het merendeel van de boerderijen heeft geen irrigatie, geen gesubsidieerde zaden of kunstmest, geen toegang tot de markt en onzekere eigendomsrechten. Boeren nemen niet 
de moeite gewassen te verbouwen die, bij gebrek aan een koelsysteem, gaan rotten voordat ze de consument bereiken. Slechts 44 procent van de rurale bevolking in Kenia en 32 procent van de Ethiopiërs woont op twee kilometer afstand van een weg die het hele jaar begaanbaar is, een gegeven dat de 
Ethiopische oud-premier Meles Zenawi zwaarder vond wegen dan het bbp om te bepalen hoe zijn land ervoor stond.

    M-Pesa (Pesa betekent geld in Swahili) is een door Vodafone ontwikkelde betaaldienst dat betalen per sms mogelijk maakte voor miljoenen Kenianen zonder bankrekening. – © HH
    M-Pesa (Pesa betekent geld in Swahili) is een door Vodafone ontwikkelde betaaldienst dat betalen per sms mogelijk maakte voor miljoenen Kenianen zonder bankrekening. – © HH

    Of neem de medische zorgvoorziening. In heel Afrika proberen technologen een fundamenteel 
probleem op te lossen: het gebrek aan goede, betaalbare gezondheidszorg. Babyl Health Rwanda, de dochteronderneming van Babylon, een Britse maker van een dokter-in-je-zakapp, biedt dorpelingen die op grote afstand van een kliniek wonen onlineconsulten. ‘Technologie kan wel degelijk een gat vullen,’ zegt Lunga, die met haar Baobab Circle teleconsulten biedt aan diabetespatiënten en mensen met bloeddrukproblemen.

    ‘Er zijn te weinig artsen, er zijn te weinig verpleegsters,’ zegt ze. ‘Met behulp van kunstmatige intelligentie kun je dat probleem in één klap verhelpen.’ Maar net als bij de landbouw lijken deze vernieuwingen in de gezondheidszorg eerder lapmiddelen voor een falend systeem. Veel Afrikaanse regeringen zijn te arm, te slecht georganiseerd of te druk bezig met het vullen van eigen zakken om 
de bevolking fatsoenlijke gezondheidszorg te leveren. De enige kikkersprongen op zorggebied zijn die van rijke Afrikanen die voor een behandeling uitwijken naar het buitenland en hun eigen gebrekkige zorgvoorziening laten voor wat het is.

    ‘Niemand kan beweren dat goede technologie een substituut is voor goed bestuur,’ zegt Bill Gates. ‘Ik maak me geen illusie dat je geholpen bent met een gratis computer als je malaria hebt, of als er geen leraren of zelfs geen klaslokalen zijn.’ Calestous Juma, de vorig jaar overleden hoogleraar internationale ontwikkeling aan de Harvard Kennedy School, geloofde heilig in de kracht van technologie om levens in Afrika te veranderen, maar hij waarschuwde voor de valse voorstelling 
van zaken dat Afrika met één grote sprong in de diensteneconomie zou kunnen belanden zonder eerst een industriële basis te leggen. ‘Geen kikkersprong kan op tegen slecht leiderschap.’

    Auteur: David Pilling

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | 
oplage 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • 5. Gele hesjes een 
gevaar voor de democratie?

    5. Gele hesjes een 
gevaar voor de democratie?

    De betogingen van de gele hesjes
in Frankrijk hebben iets weg van 
de Arabische Lente – maar dan in Parijs. Kan echter de revolte tegen ‘het systeem’ de democratie in 
gevaar brengen in plaats van haar 
te verdedigen, vraagt men zich 
tot in Beiroet af.

    Er valt geen dictatuur omver te werpen. Er 
is ook geen sprake van een politiestaat die mensen bij de minste of geringste kritiek 
laat verdwijnen. In Frankrijk zijn demonstraties 
toegestaan, mag de oppositie van zich laten horen 
en worden de ergste beledigingen aan het adres van het staatshoofd getolereerd. Daar, in Frankrijk, is 
het onderwijs goed en gratis, evenals de gezondheidszorg, en staat de overheid de minstbedeelden bij. Daar heerst de rechtsstaat.

    Maar daar leek het gedurende een weekeinde toch ook een (klein) beetje op hier. ‘Ik kreeg het gevoel alsof ik in Beiroet was,’ bekende een aantal Libanezen die in de Franse hoofdstad wonen en die daar getuige waren van de woede van de gele hesjes. 
De stortvloed van verbaal en fysiek geweld, de 
brandende auto’s, de plunderingen op de Champs-Élysées, de totale wanorde, het saamhorigheidsgevoel van de oproerigen – dat alles wekt min of meer de indruk dat men zich aan de overkant 
van de Middellandse Zee bevindt.

    ‘Ik kreeg het gevoel alsof ik in Beiroet was’

    Men zou om deze vergelijking kunnen glim-lachen als het onderwerp niet zo ernstig was. 
Het was om (echte) dictaturen ten val te brengen dat de Arabieren acht jaar geleden in opstand kwamen, in een streven naar democratie. 
Diezelfde democratie die vandaag de dag lijkt 
te wankelen in de westerse wereld, en die soms zelfs, bij wijze van karikatuur, wordt voorgesteld als een dictatoriaal regime, in een politiek 
strijdperk waarin woorden een groot deel van hun betekenis hebben verloren.

    Op 7 mei 2017 meenden sommigen dat de verkiezing van Emmanuel Macron tot Franse president het einde betekende van een populistische 
kringloop in de westerse democratieën. De ruime overwinning van de jonge pro-Europese liberaal wekte hoop op een politieke vernieuwing die niet zou worden beheerst door uitersten. Maar we moeten constateren dat dit een illusie was. Niet alleen lijkt Macron op dit moment op het Europese en internationale toneel in een isolement te verkeren, maar ook stuit hij in eigen land op een beweging die in haar afkeer van ‘het systeem’ niet al te veel verschilt van de Brexit of de overwinning van Donald Trump.

    ‘Wij tegen hullie’, 
Parijs, 25 november – 
© ANP / AFP
    ‘Wij tegen hullie’, 
Parijs, 25 november – 
© ANP / AFP

    Ongetwijfeld mede doordat Macron bij zijn critici het beeld oproept van een president voor de rijken, die is losgezongen van de volkse werkelijkheid en bovendien nog arrogant ook, uit de onvrede zich op zo’n gewelddadige wijze. Zijn ideeën over ‘de macht van boven’, zijn wens om geen gebruik te maken van bemiddeling, zijn gebrek aan pedagogisch inzicht om de hervormingen, die in 
een mateloos tempo werden doorgevoerd, in goede banen te leiden, hebben zonder twijfel de woede van een deel van de bevolking aangejaagd.

    Maar het fenomeen lijkt de persoon van Emmanuel Macron en de puur Franse situatie te overstijgen. Ondanks de specifieke omstandigheden van iedere volksbeweging en van elk land, zien we in andere westerse democratieën bij substantiële delen van 
de bevolking hetzelfde gevoel van onthechting, van het idee dat ze in de steek gelaten zijn. Daar heerst dezelfde, soms heftige tweestrijd tussen steden en buitengebieden, tussen hoogopgeleiden en arbeiders, tussen degenen die (terecht of onterecht) vinden dat de globalisering hun geen windeieren legt, en degenen die (op even subjectieve gronden) het tegendeel ervaren.

    En populisten bedienen zich er van dezelfde demagogie om de volkse woede ter eigen voordeel aanwenden, dezelfde retoriek van ‘wij tegen hullie’ die geen enkele ruimte voor dialoog biedt, dezelfde grootschalige verspreiding van fake news en dezelfde utopische heimwee naar een gefantaseerd tijdperk waarin alles, uiteraard, beter was.
    Aan de andere kant, die van de machthebbers, vindt men dezelfde gebreken: gevoelens van onmacht en onvermogen om het gesprek aan te gaan met het kiezersvolk, dat antwoorden verwacht die zowel krachtig als simpel zijn.

    De niet-populisten slagen 
er niet in een samenhangend betoog te houden dat de populistische klasse duidelijk maakt dat de tijden van gouden bergen en ongebreidelde groei voorbij zijn. Ze kunnen zich niet langer bedienen van oude politieke recepten, maar slagen er ook niet in om nieuwe te vinden: daar vloeit een gevoel uit voort 
van een politiek van kleine stapjes, bijstellingen, die uit de aard van de zaak beperkt zijn omdat rekening moet worden gehouden met wereldwijde factoren, die de toehoorders al even vanzelfsprekend grotendeels ontgaan.

    Het nationale kader waarbinnen de politiek zich 
ontwikkelt, lijkt te beperkt om ook voldoende armslag te hebben voor de grotendeels geglobaliseerde economie. Op dezelfde manier lijkt de politiek niet 
in staat om een antwoord te geven op de grote uitdagingen van deze tijd – milieu, migratie, technologie, veiligheid – die brede lagen van de bevolking betreffen, en ze rechtstreeks en heftig raken. En die laatste wenden zich dan, eigenlijk logischerwijze, tot degenen die zich aan de werkelijkheid weinig gelegen laten liggen en het volk gouden bergen beloven.

    Auteur: Anthony Samrani

    L’Orient-Le Jour
    Libanon | dagblad | oplage onbekend

    In 1971 fuseerden de twee grootste Franstalige kranten van Beiroet: L’Orient en Le Jour. Geldt tegenwoordig als de beste Libanese krant en een van de beste uit de Arabische wereld.

  • Vrees voor nieuwe digitale kloof tussen arm en rijk

    Vrees voor nieuwe digitale kloof tussen arm en rijk

    Amerikaanse openbare scholen promoten onderwijs met beeldscherm. In welgestelde gezinnen is persoonlijk contact juist een nieuwe luxe. Want hoe moet een kind later solliciteren als het niet geleerd heeft een normaal gesprek te voeren?

    Keuze uit het archief

    Ging een aantal decennia geleden de ‘digitale kloof’ tussen arm en rijk nog om toegang tot technologie, nu smartphones alomtegenwoordig zijn draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik. De begeleiding die kinderen ontvangen om op een verantwoordelijke manier met technologie om te gaan is volgens The New York Times in dit artikel uit 2018 namelijk nogal ongelijk verdeeld. Een probleem dat steeds groter wordt naarmate socialemediaplatforms als TikTok en Snapchat verslavender en algoritmen gewiekster worden. Helemaal nu bovendien AI-tools de verspreiding van nepnieuws makkelijker maken, is een gedegen digitale opvoeding van levensbelang voor de samenleving.

    De ouders in Overland Park waren het zat. Ze wilden hun kinderen van hun beeldscherm af krijgen, maar dat konden ze niet alleen. Ten eerste omdat je als ouder niet wilt dat jouw kind als enige dat rare buitenbeentje zonder smartphone is. En ten tweede omdat het gewoon heel, heel moeilijk is om een scholier zijn mobieltje af te nemen. ‘We begonnen onze bijeenkomsten met de constatering: dit is lastig, het is onontgonnen terrein.

    Wie kan ons hierbij helpen?’ zegt Krista Boan. Zij heeft in Kansas City de leiding over een programma genaamd START, wat staat voor ‘Stand Together And Rethink Technology’. ‘Dit is iets waarover we onze moeder niet om raad kunnen vragen.’ In Overland Park, een voorstad van Kansas City, komen zo’n honderdvijftig ouders daarom al zes maanden lang ’s avonds bijeen in schoolbibliotheken om over maar één ding te praten: hoe ze hun kinderen kunnen losweken van hun mobiel.

    Zonder beeldschermen

    Nog niet zo lang geleden was de grootste zorg dat rijke leerlingen veel vroeger in aanraking kwamen met internet, waardoor ze een technische voorsprong opbouwden die tot een digitale tweedeling zou leiden. Scholen vragen leerlingen om hun huiswerk online te doen, terwijl ongeveer eenderde van de Amerikanen thuis geen internet heeft.

    Maar nu ouders in Silicon Valley zich steeds grotere zorgen maken over de impact van technologie op hun kinderen en steeds meer streven naar een huishouden zonder beeldschermen, groeit de vrees voor een nieuwe digitale kloof. Het zou zomaar kunnen dat kinderen in arme en modale gezinnen worden 
grootgebracht met beeldschermen, terwijl het kroost van de elite in Silicon Valley juist terugvalt op houten speelgoed en de luxe van persoonlijk contact.

    Je ziet dat nu al gebeuren. In rijke wijken zijn ouderwetse, op fysiek spelen gerichte kleuterscholen in zwang. Anderzijds heeft de overheid 
in Utah juist een onlineonderwijs-
programma voor kleuters gefinancierd dat circa tienduizend kinderen bereikt. De organisatie heeft al aangekondigd dat dit digitale kleuteronderwijs in 2019 met federaal overheidsgeld wordt uitgerold naar vijf andere staten.

    Volgens onderzoek van Common 
Sense Media, een onafhankelijke mediawaakhond, besteden tieners uit armere milieus per dag gemiddeld 8 uur en 7 minuten aan beeldschermvermaak, tegen 5 uur en 42 minuten voor leeftijdgenoten uit rijkere milieus. (In dit onderzoek werd elk beeldscherm apart meegeteld: één uur append voor de tv hangen telde dus als twee uur beeldschermtijd.) In twee studies waarbij ook de etnische achtergrond werd meegenomen, bleek het beeldschermgebruik bij blanke kinderen beduidend lager dan bij kinderen uit Afro-Amerikaanse en latinogezinnen.

    En ouders constateren zelf ook een groeiende tweedeling tussen openbare en particuliere scholen binnen dezelfde wijk. Op de particuliere Waldorf School of the Peninsula, zeer in trek 
bij het hogere kader van Silicon Valley, wordt beeldschermgebruik bijvoorbeeld vermeden. Een eindje verderop adverteert de openbare Hillview Middle School juist met zijn iPad-onderwijs.

    De psycholoog Richard Freed schreef een boek over de risico’s van beeldschermgebruik voor kinderen en hoe je hen weer in contact kunt brengen met de echte wereld. Hij verdeelt zijn tijd tussen lezingen voor volle zalen in Silicon Valley en zijn praktijk met minder bemiddelde gezinnen in San Francisco. Bij die laatste is hij vaak de eerste van wie ouders horen dat beperking van het beeldschermgebruik de concentratie- en gedragsproblemen van hun kind kan helpen verminderen. ‘Ik ga van lezingen in Palo Alto [een schatrijke stad in Silicon Valley] naar consulten in Antioch [een arme gemeente die zwaar werd getroffen door de huizencrisis], waar ik de eerste ben om ze op die gevaren te wijzen’, zegt Freed.

    Wat hem vooral zorgen baart, is het werk van collega-psychologen die techbedrijven helpen hun apps zo waanzinnig verslavend te maken. Zij zijn doorkneed in de technieken van persuasive design, oftewel het bespelen van beeldschermgebruikers. Een paar voorbeelden: de autoplay-functie van YouTube, de teller met ‘likes’ op Instagram die oploopt als een fruitautomaat, het ‘snapreeks’-icoontje op Snapchat.

    Smartphones in de ban

    ‘Eerst ging de digitale kloof over gebrek aan toegang tot technologie. Nu iedereen er toegang toe heeft, draait de digitale kloof meer om inperking van het gebruik’, aldus Chris Anderson, oud-redacteur van het blad Wired. In het hele land maken ouders, artsen en leerkrachten zich hier sterk voor. ‘De bedrijven hebben de scholen voorgelogen en nu liegen ze de ouders voor’, zegt Natasha Burgert, een kinderarts

    in Kansas City.

    ‘We worden allemaal in het ootje genomen’, vindt ze. ‘We onderwerpen onze kinderen, de mijne ook, aan een van de grootste sociale experimenten die we in lange tijd hebben gezien. Hoe moet het straks met mijn dochter, als ze geen normaal gesprek kan voeren onder het eten? Hoe moet ze dan aan de man komen? Hoe kan ze op sollicitatie gaan?’

    Stills uit de YouTube-film The Early Show, over 
The Waldorf School in Silicon Valley die principieel werkt zonder laptops en iPads in het klaslokaal. 
© ‘The Early Show' YouTube
    Stills uit de YouTube-film The Early Show, over 
The Waldorf School in Silicon Valley die principieel werkt zonder laptops en iPads in het klaslokaal. 
© ‘The Early Show’ YouTube

    ‘Ik heb nu gezinnen die er helemaal van af willen’, zegt Burgert. ‘Die zeggen: het is welletjes, we kappen ermee.’ Zoals in huize Brownsberger. Smartphones waren daar al lang in de ban gedaan, maar nu heeft ook de tv met internetaansluiting het veld geruimd. ‘We hebben de tv van de muur gehaald en ik heb 
het kabelabonnement opgezegd’, zegt Rachael Brownsberger (34), moeder van twee zoons van elf 
en acht.

    ‘Hoe krankzinnig dat ook klinkt.’ Zij en haar man, eigenaar van een bedrijf in sierbeton, hebben hun kinderen nooit een smartphone gegeven. Maar ze merkten dat zelfs de geringste blootstelling aan beeldschermen al een slechte invloed had op hun gedrag. Haar oudste zoon, die ADHD heeft, werd vaak boos als de tv uit moest, zegt ze. Dat vond ze verontrustend. En zijn verlanglijstje voor Kerst bestond 
uit een Wii, een PlayStation, een Nintendo, een 
MacBook Pro en een iPhone. ‘Ik heb gezegd: die krijg je dus niet, jongen’, zegt Brownsberger. ‘Ja, dan ben ik de kwaaie pier.’


    Ouders maken zich steeds grotere zorgen over de impact van technologie op hun kinderen

    Maar één ding maakt het gemakkelijker: dat andere ouders in hun buurt hetzelfde doen. ‘Je moet dit met een hele gemeenschap doen’, zegt Brownsberger. 
‘Ik had het er gisteravond nog over met mijn buurvrouw: ben ik soms zo’n slechte moeder?’ Krista Boan heeft in Overland Park drie proefprojecten met elk zo’n veertig ouders die samen naar goede methoden zoeken om hun kinderen af te krijgen van mobieltjes en andere beeldschermen.

    De Kamer van Koophandel steunt het project en de gemeente wil in het komende beleidsplan ook een paragraaf opnemen over ‘digitaal welzijn’. ‘De gemeente en de Kamer van Koophandel zeiden: we zien de gevolgen voor onze stad’, zegt Boan. ‘We willen dat onze jongeren opgroeien tot zelfstandige burgers die verstandig met hun apparaten omgaan, maar daar moeten we ze wel toe in staat stellen.’

    Ook in Silicon Valley maken sommigen zich zorgen over de groeiende tweedeling wat betreft beeldschermtijd. Kirstin Stecher en haar man, die bij 
Facebook werkt, voeden hun kinderen bijna volledig beeldschermvrij op. ‘Is dat omdat we goed geïnformeerd zijn en veel van de technologie weten?’ zegt ze. ‘Of is het omdat we bevoorrecht zijn en makkelijker zonder beeldscherm kunnen?’

    ‘Er heerst een gedachte dat je kind wordt achter-
gesteld en in een andere dimensie opgroeit als het geen beeldschermtijd krijgt’, zegt Pierre Laurent, voormalig manager bij Microsoft en Intel en nu bestuursvoorzitter van de Waldorf School in Silicon Valley. ‘Maar die gedachte slaat in deze contreien niet meer zo aan’, meent hij. ‘Hier snappen de mensen dat het in die bedrijven vooral draait om 
big data, om AI, en dat is niet iets waarin je zelf heel bedreven wordt doordat je al vanaf je tiende een mobieltje hebt.’

    ‘Vaardigheden voor de toekomst’

    Al krijgen de werknemers in deze sector steeds meer bedenkingen, de markt voor beeldschermtoepassingen voor kinderen groeit intussen als kool. Apple en Google proberen om het hardst hun producten aan scholen te slijten en leerlingen zo jong mogelijk aan zich te binden, als ze merkentrouw beginnen te worden. Google heeft onderzoeksresultaten gepubliceerd van zijn project in het schooldistrict Hoover City in Alaska.

    Daar wil Google de leerlingen naar eigen zeggen ‘vaardigheden voor de toekomst’ bijbrengen. Chromebooks en Google-tools hebben volgens het bedrijf levens veranderd: ‘De leiding van het schooldistrict wil de leerlingen opleiden voor succes door ze de vaardigheden, kennis en gedragingen bij te brengen die ze nodig hebben om verantwoordelijke burgers in de wereldgemeenschap te worden.’

    Maar volgens Richard Freed wordt bij kinderen uit armere milieus te snel naar deze technologische middelen gegrepen. Hij constateert die kloof iedere dag opnieuw in zijn werk met aan technologie verslaafde kinderen van ouders met modale en lagere inkomens. ‘Veel kinderen in Antioch zitten op scholen die geen geld hebben voor naschoolse activiteiten’, zegt hij, ‘en een kinderoppas kunnen hun ouders niet betalen.’

    De kenniskloof over de gevaren van de nieuwe technologie is volgens hem enorm. Met tweehonderd andere psychologen heeft hij een open brief ondertekend waarin ze hun beroepsvereniging oproepen tot het veroordelen van de medewerking van psychologen aan persuasive design in apps gericht op kinderen. ‘Zodra die technologie eenmaal grip op een kind heeft, wordt het heel moeilijk het daar nog van te bevrijden’, zegt Freed.

  • ‘Het komt aan op compassie’

    ‘Het komt aan op compassie’

    Op social media heeft hij meer volgers dan Madonna en Oprah Winfrey, maar u hebt waarschijnlijk nog nooit van hem gehoord. Opiniemaker Kai-Fu Lee, ex-chef van Google in China, is hét gezicht van de Chinese techsector. Zijn naam is synoniem met een opkomende economie die staat te popelen om de rest van de wereld te veroveren.

    In zijn beginjaren hielp Kai-Fu Lee bedrijven als Microsoft en Apple hun innovatiestrategie uit te stippelen. Maar pas toen onder zijn aanvoering een poging om Google naar de Chinese markt te brengen mislukte, veranderde alles. Hij verliet 
Google in 2009 om ter bevordering van de Chinese techsector zijn eigen durfkapitaalfonds Sinnovation op te zetten. Lee, in eigen land machtig en invloedrijk, heeft zo’n 50 miljoen volgers die op de microblogsite Weibo aan zijn lippen hangen. Het China dat hij promoot bruist van innovatie. Maar het Westen staat nog weifelend tegenover dit mysterieuze, 
economisch reusachtige land, dat druk doende is 
zijn rol in de wereld te bepalen.

    Volgens Lee hoeven we ons over China echter geen zorgen te maken. Hij wil zijn invloed juist aanwenden om te waarschuwen voor een naderende ‘AI-ramp’. Hij schat dat kunstmatige intelligentie wereldwijd zo’n 40 tot 50 procent van de banen overbodig zal maken, maar dat we dat gedeeltelijk kunnen afwenden als we genoeg creativiteit en compassie inzetten. Volgens Lee is het menens. Regeringen wereldwijd zijn gewaarschuwd, maar zouden met goed beleid maatschappelijke onrust kunnen voorkomen.
    We spraken met Kai-Fu Lee over het raadselachtige China, over waarom Google het moeilijk zal krijgen in dit grootste techland ter wereld en over waarom overheden AI serieus moeten nemen.

    52 Insights: Om er maar geen doekjes omheen 
te winden: komt het betoog in uw boek AI Superpowers er niet op neer dat de Chinese techsector Silicon Valley voorbij zal streven omdat de Chinezen beter zijn in kopiëren en stelen?
    Kai-Fu Lee: Nee, helemaal niet, ik denk dat u dat 
verkeerd hebt begrepen. Daar klopt niets van.

    Kunt u me dan uitleggen waar uw betoog wél op neerkomt?
    ‘Volgens mij is wat China doet wel degelijk te danken aan kopiëren, maar geëvolueerd tot iets wat net zo goed is als Silicon Valley. Het zijn twee systemen die zich totaal anders hebben ontwikkeld. Het is alsof je aan iemand vraagt wat belangrijker voor hem is, lucht of water, of wat het meeste waard is, diamant of goud. Zowel Silicon Valley als het Chinese systeem heeft intrinsieke waarde, want beide zorgen voor enorme welvaart en beide zullen over een eeuw nog van groot belang zijn. Maar ik ga geen voorspellingen doen welke van de twee de ander gaat overschaduwen.

    Het is geen wapenwedloop, ze functioneren 
in parallelle universums. Het Chinese model draait om het opwerpen van een hoge drempel om kopieergedrag en een prijzenoorlog te voorkomen. Het gaat om aandacht voor detail, operational excellence, werken voor een gigantische markt, directe feedback uit de markt en net zo vaak herhalen tot het innovatief wordt. Zo doe je dat. Ik denk wel dat het met kopiëren is begonnen.’

    Ik wil de manier van denken van Chinese ondernemers proberen te doorgronden. U zegt dat die draait om herhalen en details. In het Westen hebben we meer waardering voor ideeën en het belang van innovatie. Is er een groot verschil?

    ‘Ik denk dat waarde in China het einddoel is. Hoe je daar komt, doet er minder toe. Of jij het idee bedacht hebt, is onbelangrijk. Dus je neemt een eigen idee, 
of dat van iemand anders, of van wie ook. Vaak hééft een beginnend bedrijf niet eens een idee; zodra je van start gaat en feedback krijgt van je gebruikers, verwerf je inzicht en krijg je uiteindelijk een wereldschokkend product.

    ‘De vijf beste Chinese apps zijn niet ontstaan doordat er bij iemand een lichtje opging: “Laat ik er daar 
eens een van gaan bouwen.” Na een jaar of vijf zes aanpassen zijn ze ongelooflijk krachtig en doen ze niet onder voor Amerikaanse apps. Het is lastig ze te beschrijven zonder ze te laten zien, maar ik heb een top drie in gedachten die u versteld zou doen staan, zoals toen u YouTube, Google Maps of Snapchat voor het eerst zag.’

    Robotdemonstratie in Hangzhou, China. – ©  Getty  Images
    Robotdemonstratie in Hangzhou, China. – © Getty Images

    Stelt het succes tegen elke prijs en het veel 
hogere arbeidsethos waarover u schrijft, Chinese techbedrijven in staat een hoge vlucht te nemen en het andere sectoren, zoals Silicon Valley, moeilijk te maken?

    ‘Omdat ze niet voor dezelfde markt werken, 
beconcurreren ze elkaar niet. Maar ik heb onlangs nog gezegd dat wanneer er internetgebruikers op Mars zouden zijn en Chinese én Amerikaanse 
bedrijven daar voet aan de grond zouden zetten, ik mijn geld op de Chinezen zou inzetten. In de echte wereld behoren Europa en de VS volledig tot het Amerikaanse “ecosysteem”. Hun mobieltjes zitten vol Amerikaanse apps, daar kun je niet zomaar een Chinese tussen zetten. Dat is niet alleen een kwestie van taal, maar ook van researchpatronen en betaalmethoden. Het heeft te maken met liefde voor een merk, geloof in je bedrijf, dat soort dingen.’

    Sommige mensen denken daar heel anders over. Ze denken dat er een wapenwedloop gaande is, 
dat je alleen maar hoeft te kijken naar de grotere defensie-uitgaven van Amerikanen en naar China, dat zich op de borst slaat en beweert dat het in 2030 leider wil zijn op het gebied van AI. Er heerst ook iets van scepsis en ongerustheid als het gaat om China. Dat komt misschien doordat we niet zo veel van dat land weten, omdat het nog altijd 
achter zo’n zwaar gordijn schuilgaat.

    ‘Elk land heeft zijn ambities. Donald Trump werd 
tot president gekozen met zijn slogan “Make America great again”, Obama zei “Yes we can” en China zegt dat het tot de beste op AI-gebied wil behoren. Hopelijk wil de Chinese overheid dat het Chinese volk beter wordt van de vooruitgang op dat gebied. En Amerika zou van hetzelfde moeten dromen voor zijn burgers. Het gaat hier niet om een strijd om grondstoffen, 
olie of land. Elk land ontwikkelt zijn talenten. Verder is het ook niet alsof ze allebei hun waar aan Zuid-Amerika proberen te slijten en erover bakkeleien welk product Brazilië bijvoorbeeld zal kiezen. Het zijn echt twee naast elkaar bestaande ruimten, 
twee landen die het uitstekend doen op basis van verschillende methodologieën.’

    Maar sommige mensen associëren China met 
een autoritaire overheid, met schendingen van mensenrechten. Staat dat volgens u ware innovatie en originaliteit niet in de weg?

    ‘Ik ben geen expert op het gebied van overheidsbeleid en mensen hebben uiteraard recht op hun mening. Het belangrijkste is volgens mij dat er innovatieve producten uit China komen. Dat is een realiteit die niet valt te ontkennen. Als ik u WeChat zou laten zien, zou u zeggen: “Wauw, dat is nog eens inno-vatief!” Heiligt het doel niet de middelen? Er is geen idee gestolen, alles is in China ontwikkeld. Daar was veel geld en ondernemingszin voor nodig. Het is gewoon een andere manier om een resultaat te bereiken.’

    ‘AI zal wereldwijd zo’n 40 tot 50 procent van de banen overbodig maken’

    *U schrijft dat de Chinese overheid via een durfinvesteringsconstructie steeds meer geld 
in de techsector pompt; in acht jaar is dit bedrag gestegen van 7 miljard tot 27 miljard dollar. Wat verwacht de Chinese overheid van de techsector, aangezien ze er zo veel geld in investeert? *

    ‘Het Chinese durfkapitaalsysteem heeft zich min of meer op eigen kracht ontwikkeld, bijna zonder overheidssteun, dankzij kapitaal uit Amerika en Europa, die beseften dat China in de lift zat. Over het geheel genomen is 27 miljard dollar over vijftien jaar ook niet zo veel. Het helpt, je stookt het vuurtje ermee 
op, maar het is niet de ware katalysator. En het geld kwam laat; tegen de tijd dat de overheid ging meedoen, wás er al durfkapitaal. Maar ik geef toe dat de overheid bijdraagt aan het Chinese ondernemers-klimaat. Nieuwe technologieën worden niet met wetten aan banden gelegd, waardoor ze tot bloei kunnen komen. Betalen met je mobieltje is een 
goed voorbeeld.’

    ‘Nieuwe technologieën worden niet met wetten aan banden gelegd, waardoor ze tot bloei kunnen komen’

    *Denkt u dat Chinese bedrijven tot de Amerikaanse en Europese markt willen doordringen? *

    ‘Amazon, Google en Facebook hebben zo’n sterke marktpositie dat het voor Chinese bedrijven heel moeilijk zal zijn om te concurreren. Maar China zou in opkomende economieën mogelijk in het voordeel kunnen zijn. Chinese bedrijven dringen tot Zuidoost-Azië, Afrika en het Midden-Oosten door via samenwerkingen en investeringen.’

    Zou u iets zou willen zeggen over de terugkeer 
van Google op de Chinese markt na zo’n lange afwezigheid? Onlangs haalde hun zoekmachine Dragonfly alle kranten omdat de technologie het mogelijk maakt zoekopdrachten van gebruikers te koppelen aan hun telefoonnummer, waardoor ze op de radar van de overheid blijven. Wat vindt 
u daarvan?

    ‘Ik ben negen jaar geleden bij Google weggegaan. 
Het is voor Google heel moeilijk om naar China te komen. Om dezelfde redenen kunt u zich voorstellen dat Chinese bedrijven weinig succes zullen hebben in het Verenigd Koninkrijk. Het wordt een harde strijd voor Google. Ik stond dertien jaar geleden aan het hoofd van dat bedrijf en toen waren de parallelle universums lang niet wat ze nu zijn. Wat toen nog kon, is tegenwoordig heel moeilijk.’

    In een opinieartikel in The New York Times schrijft u dat AI allerlei banen overbodig zal maken: bankemployees, medewerkers van klantenservices, telemarketeers. Hoe serieus moeten overheden die dreiging nemen?

    ‘Het begint waarschijnlijk pas echt over een paar 
jaar, omdat de technologie dan verder is. We horen bijvoorbeeld van bedrijven dat ze erover denken de operationele staf de komende drie jaar te halveren. Dat zijn voortekenen. Maar veel bedrijven moeten eerst nog aanpassings- en technische problemen oplossen. Ik denk dat het een jaar of vijftien duurt voordat grote aantallen banen overbodig zullen 
worden. Overheden moeten gaan beseffen wat er aan de hand is. Als ook maar 1 procent van de bevolking het slachtoffer wordt, is het te laat om over de 
kwestie na te gaan denken. Dat moeten we voor zijn.’

    Kai-Fu Lee, hét gezicht van de Chinese techsector. – © Getty
    Kai-Fu Lee, hét gezicht van de Chinese techsector. – © Getty

    U schrijft: ‘Ik vrees dat er voor werknemers steeds minder vaste voet onder de grond overblijft, als dieren die zich moeten terugtrekken voor een overstroming, springend van de ene rots naar de andere.’ Dat is een beangstigend beeld.
    ‘Ja, op basis van onderzoek voorspel ik dat dat zal gebeuren.’

    U zegt dat China zich niet druk maakt over die kwestie.
    ‘Amerikanen en Europeanen denken het meest 
over deze kwestie na. Dat doen maar heel weinig Chinezen. Ze vertrouwen op de Chinese overheid, 
die zich meestal met dit soort zaken bezighoudt. De belangrijkste reden waarom Chinezen zich niet druk maken, is omdat de Chinese overheid de transitie van landbouw naar maakindustrie effectief heeft aangepakt door die van bovenaf op te leggen. Dat is een verschil met de westerse aanpak. Ik zeg niet of dat goed of slecht is. Maar omdat de overheid het eerder goed heeft gedaan, geloven mensen dat ze zich ook wel weer over een volgende grote verandering zal ontfermen.

    ‘Chinezen zijn veel meer gericht op geld verdienen. De “goudkoorts” is begonnen toen Deng Xiaoping een aantal jaren geleden zei: “Laat sommige mensen eerst maar eens rijk worden.” We bevinden ons nu in het vierde decennium van die zucht naar rijkdom. 
Er zijn nog steeds veel mensen uit families die al 
tien of twintig generaties lang rijk of arm zijn, en de verwachting is nog altijd groot dat het volgende kind de familie zal opstoten naar de middenklasse of naar een zeker welvaartspeil. Die verwachting zet het Chinese volk aan tot hard werken en tot die genoemde manier van ondernemen. Het zorgt er ook voor dat mensen materiële welvaart hoger aanslaan. 
Die cultuur verdwijnt over een jaar of vijftig vanzelf, wanneer de middenklasse zal zijn gegroeid.’

    Zonder twijfel is China voor het Westen een interessant land. Wij kijken ernaar met een mengeling van nieuwsgierigheid, angst en fascinatie. Wat zijn de grote uitdagingen voor China? Het land telt bijna 1,4 miljard inwoners, 
de middenklasse rijst de pan uit en wordt steeds veeleisender, terwijl sommigen waarschuwen voor een uiteindelijke economische terugval.

    ‘Het onderwijs is verbeterd, maar er bestaat nog steeds een grote kloof tussen onze universiteiten en de beste in de VS en het Verenigd Koninkrijk. Vooral de VS weet fantastische jonge mensen aan zich te binden die er willen studeren, er geweldig onderzoek doen en er vervolgens blijven hangen. China heeft dat voordeel niet. De VS trekt mensen van heinde 
en verre, China heeft bijna alleen Chinezen. En hoe groot het land ook is, het is maar een fractie van de wereld. Dus om een wereldspeler te zijn en ervoor 
te zorgen dat Chinezen willen blijven, moet China mensen uit andere landen trekken.’

    Wat zal er gebeuren wanneer technologie zo 
diep in onze samenleving doordringt dat alle fabrieksbanen sneuvelen?
    ‘Als we daarop willen anticiperen, komt het aan 
op twee dingen: creativiteit en compassie. Bij crea-
tiviteit draait het om onderwijsbeleid voor slimme, talentvolle mensen: die moet je al vroeg laten specialiseren en hun passie laten volgen, zodat ze optimaal presteren in hun creatieve domein. Maar dat is 
maar voor een klein percentage weggelegd, waardoor het banenprobleem niet wordt opgelost. Dan blijft compassie als enige oplossing over. Daarmee bedoel ik compassie in brede zin: in staat zijn een band 
met iemand aan te gaan. Daarbij denk ik aan banen als au pair, leraar, verpleegkundige, sociaal werker en psychiater, waarbij veel menselijke interactie komt kijken.

    ‘Overheden moeten er alles aan doen om het aantal banen in die sector te vergroten. Zelfs al kunnen machines ze nabootsen – denk aan een robot-
verpleegkundige – dan willen mensen ze niet echt. Ik denk dat AI aan dat soort banen kan bijdragen als analytische machine die mensen in staat stelt te doen waar ze het beste in zijn: andere mensen 
aandacht geven. Daarom is die sector waarschijnlijk de enige die groot genoeg is om de verschuiving op de arbeidsmarkt op te vangen. In de komende 15 
tot 25 jaar zijn sociaal ondernemerschap, maatschappelijk verantwoord investeren en vrijwilligerswerk noodzakelijk.

    ‘Als we over tachtig jaar terugkijken, als routine-matige banen zijn overgenomen door machines, kunnen we doen waar we goed in zijn, waar we van houden, dan kunnen we bijvoorbeeld nadenken over de zin van het leven. Maar eerst moeten we door de komende 25 jaar heen, waarin ons een uitdagende transitie staat te wachten.’

    Openingsbeeld: © Getty

    52 insights
    Verenigd Koninkrijk | 52-insights.com

    Opgericht in 2015 vanuit de behoefte om mensen te informeren over fundamentele veranderingen in de wereld door middel van diepgaande discussies. Het format bestaat uit een interview per week met een schrijver, designer, onderzoeker, leider of anderszins innoverende persoon die onze visie op de wereld kan veranderen.

  • In de sporen van Frankenstein. Wat AI kan leren van de cultklassieker

    In de sporen van Frankenstein. Wat AI kan leren van de cultklassieker

    Keuze uit het archief

    Steeds vaker verschijnen er artikelen als ‘We moeten het hebben over hoe goed AI eigenlijk wordt’ (The New York Times), ‘Kunstmatige intelligentie verschuift de grens tussen menselijk en niet-menselijk’ (Le Monde) en andere berichten waaruit blijkt dat het maar langzaan tot ons mensen doordringt dat we niet meer kunnen ontsnappen aan wat we zelf hebben gecreëerd. Dat dit een monster à la Frankenstein is, is daarmee niet gezegd. Maar wetenschappers trekken al lange tijd belangrijke lessen uit deze klassieker van Mary Shelley, zoals uit dit artikel uit 2018 blijkt.

    Tweehonderd jaar nadat Mary Shelley het monster van Frankenstein schiep, trekken AI-wetenschappers waardevolle lessen uit de cultklassieker. Deze zouden zelfs het verschil kunnen maken tussen vooruitgang of de Apocalyps.

    Het monster van Frankenstein is na tweehonderd jaar nog steeds alive-and-kicking. In zijn nieuwe rol als boeman van de artificiële intelligentie (AI) kom je de creatie van Mary Wollstonecraft Shelley nog overal op internet tegen. De Britse literatuurcriticus Frances Wilson heeft het al uitgeroepen tot de ‘vruchtbaarste metafoor ter wereld’. Niet zonder ironie, maar toch: de titel past het monster wel. Want van Guardian-journalisten tot Google-ingenieurs, waarschuwingen over de gevaren van kunstmatige intelligentie liggen velen in de mond bestorven: AI is het grote monster onder ons bed. AI zit overal, van bedieningspanelen voor computers tot de donkere krochten van het internet, van Moskou tot Palo Alto. En die AI wordt krachtiger, sneller, slimmer en gevaarlijker dan de programmeurs die er aan de wieg van staan. Het hedendaagse monster van Frankenstein is nog veel griezeliger dan de uit genetische manipulatie of radioactieve straling ontstane gedrochten in B-films uit de Koude Oorlog. Uiteindelijk zal het als een geest uit de machine verrijzen om zijn scheppers en de hele mensheid te vernietigen.

    De thema’s zijn nauwelijks veranderd sinds 1818, toen de 20-jarige Shelley haar roman uitbracht. De doemverhalen over AI in de media leunen voor hun schrikeffecten nog net zo zwaar op de conventies van het griezelgenre als Frankenstein, of de moderne Prometheus. Straks komen de robots in opstand om niet alleen de wereld te vernietigen, maar ook jouw dierbare privacy de nek om te draaien, tot in je eigen huis aan toe. Kijk maar naar Alexa, de Amazon-robot die precies weet wat jouw smaak is. Zij gaat je complete gezinsleven dirigeren, geheel naar jouw – lees: haar – wensen.

    Het woord ‘robot’ werd in 1921 in de wereldliteratuur geïntroduceerd in het toneelstuk RUR (Rossums Universele Robots) van de Tsjechische schrijver Karel Čapek. ‘Kijk, kijk, kijk: bij elke deur stroomt het bloed over de drempel!’, hoorde het Praagse theaterpubliek toen. ‘Uit alle huizen stroomt bloed!’ Want Čapeks stuk schetst de cybernetische revolutie van de in Rossums fabriek massaal geproduceerde robots. Die mensvormige werkslaven komen in opstand en ‘vermoorden de mensheid’ in hun bed, net zoals Victor Frankensteins bruid Elizabeth in haar huwelijksnacht vermoord wordt door het monster dat hij heeft geschapen.

    Zowel Shelley als Čapek schetsen een biotechnisch monster dat van onderop en van binnenuit een staatsgreep pleegt die succesvoller is dan de historische revoluties in Parijs of Sint Petersburg. Maar wie is er verantwoordelijk voor deze opstandige AI? Anders dan in het Frankrijk van het ancien régime of het tsaristische Rusland krijgt in het werk van deze auteurs niet de adel de schuld. Vol ontzetting roept de hoofdingenieur in Čapeks RUR uit: ‘Ik wijt het aan de wetenschap! Ik wijt het aan de technologie!’ Om vervolgens stil te vallen en zichzelf te corrigeren: ‘Wijzelf, wij dragen hier schuld aan!’ Niet de technologie is hier het probleem, maar de grootheidswaan van wetenschappers en techneuten.

    In Shelleys roman sterft Victor Frankenstein op een schip in het Noordpoolgebied waar hij op zijn ‘bovenmenselijke’ schepping jaagt. Op zijn sterfbed zegt hij tegen de kapitein: ‘Het verontrust mij dat hij voortleeft en nog meer kwaad kan aanrichten in de wereld.’ Het is de enige keer dat uit zijn woorden enig verantwoordelijkheidsbesef blijkt voor het feit dat hijzelf het ‘rationele schepsel’ heeft gemaakt dat de meeste van zijn dierbaren heeft vermoord. Toch deinst hij ervoor terug om kapitein Walton te laten beloven met zijn bemanning de jacht op zijn ‘eerste schepping’ voort te zetten om die te ‘vernietigen’: ‘Ik durf u niet te vragen wat ik juist acht, want het is ook mogelijk dat ik door mijn emoties word verblind.’

    Frankensteins halfslachtigheid is ook de onze. Als hij al niet goed weet in hoeverre hij of de mensheid verantwoordelijk is voor de schepping van een monsterlijke intelligentie, dan is ook ons wel wat verwarring vergund. Maar we zijn het onszelf (en grote geesten als Shelley en Čapek) verplicht om ons op de filosofische consequenties van onze wetenschappelijke en technologische scheppingsdrang te bezinnen. Hebben wij mensen vormen van intelligentie geschapen die we onszelf kwalijk kunnen nemen?

    Product van de omgeving

    Om te kunnen begrijpen wat kunstmatige intelligentie is, zo betoogde Google-ingenieur François Chollet op Medium.com in zijn artikel The Impossibility of Intelligence Explosion, moeten we beseffen dat álle intelligentie ‘in essentie situationeel’ is. De intelligentie van een mens manifesteert zich in de wijze waarop hij de problemen oplost die zich voordoen bij de verwerking van zijn ervaringen als individu. Voor de intelligentie van een computeralgoritme geldt hetzelfde: die schuilt in de wijze waarop dat algoritme de problemen oplost die zich voordoen bij het toepassen van zijn regels op de ingevoerde gegevens. Intelligentie, of het nu natuurlijke of kunstmatige intelligentie betreft, past zich aan aan de situatie.

    Veder wijst Chollet erop dat mensen ook een product van hun eigen werktuigen zijn. Zoals de vroege mens met vuur of ingekerfde schelpen werkte, zo beschikt de moderne mens over pen, drukpers, boeken en computers om data te verwerken en de problemen van specifieke situaties op te lossen. Geheel in overeenstemming met de inzichten van antropologen als Agustín Fuentes van de University of Notre Dame in Indiana en Marc Kissel van de Appalachian State University in North Carolina stelt Chollet: ‘Onze intelligentie bevindt zich niet alleen in onze hersenpan, maar grotendeels daarbuiten in onze beschaving.’

    Wetenschap en technologie zijn twee bepalende producten van de moderne menselijke beschaving. Dat we met behulp daarvan nu vormen van intelligentie creëren die op hun beurt zelfstandig problemen kunnen oplossen, is slechts het zoveelste voorbeeld van wat Agustín Fuentes in The Creative Spark (2017) een proces van creatieve interactie tussen mens en omgeving noemt. Als je met zijn antropologische blik naar de geschiedenis van de mensheid kijkt, is de hele beschaving een vorm van kunstmatige intelligentie: een verzameling instrumenten die door opeenvolgende culturen in de loop der tijd zijn ontwikkeld om de mens in staat te stellen lering te trekken uit het verleden, ten bate van alle mogelijke vormen van leven in het heden en de toekomst.

    Als scheppers moeten wij van onze technologieën houden als van onze kinderen, want in ruwe, liefdeloze handen zullen het monsters worden

    We kunnen verschillende types AI in de technologische gereedschapskist van onze beschaving onderscheiden. Zwakke AI, ook wel ANI (artificial narrow intelligence), is de naam voor de algoritmen die zijn ontworpen of getraind voor het oplossen van specifieke problemen. Sterke AI of AGI (artificial general intelligence) is de vorm van kunstmatige intelligentie die in de toekomst misschien werkelijk autonome intelligentie en zelfs bewustzijn kan opleveren. Machine learning of machinaal leren (ML) is de techniek die tegenwoordig de meeste aandacht krijgt als het gaat over AI: een computeralgoritme met een statistisch model dat bepaalde routines steeds herhaalt (en daarvan ‘leert’) om zich te ontwikkelen en bepaalde problemen steeds beter te kunnen oplossen. Net als bij mensen kan dit proces worden bijgestuurd met feedback van buitenaf, dan heet het ‘gecontroleerd leren’. Deep learning (DL) tot slot is een vorm van machinaal leren waarin modellen complexere taken uitvoeren op meerdere niveaus.

    De output van elke taak is daarbij steeds nodig voor de uitvoering van een volgende taak op een hoger niveau. Voor de herkenning van een met de hand geschreven getal kan zo’n algoritme bijvoorbeeld in de eerste fase de pagina afzoeken naar geschreven tekst, waarna een tweede fase nodig is om de contouren daarvan vast te stellen, een derde om uit de locatie van die contouren de vorm af te leiden, en een vierde fase om uit de combinatie daarvan de cijfers van het getal af te leiden. Deep learning kan hogere logica toepassen op complexe lagen ‘big data’ voor het oplossen van ingewikkelde technische problemen.

    Dreigen we met machinaal leren en sommige vormen van deep learning nu net als Frankenstein waanzinnig slimme monsters tot leven te wekken die onze ondergang zullen worden? Dat was wat Shelley zich voorstelde en wat sommige computerwetenschappers tegenwoordig ook voorzien.

    Het kantelpunt waarop AGI de intelligentie van de mensheid zal evenaren om die vervolgens te overtreffen, staat in de wereld van de cybernetici bekend als ‘de singulariteit’. Dat is het kortstondige punt waarop de intelligentie van de mens volledig gelijkwaardig is aan die van AGI. Dit zal een uniek moment in de wereldgeschiedenis blijken te zijn, en zal volgens de experts niet lang meer op zich laten wachten. AGI zal zich namelijk onstuitbaar blijven ontwikkelen en haar menselijke schepper uiteindelijk overheersen. De singulariteit is de Silicon Valley-versie van het hegeliaanse ‘einde van de geschiedenis’, maar dan in grijze T-shirts en hoodies. Het is het begin van het einde van de menselijke intelligentie, bewerkstelligd door de machines die hun intelligentie daarvan hebben afgekeken.

    Die singulariteit heeft iets religieus, iets mystieks. Er wordt een beeld opgeroepen van alwetende goden en hun half-menselijke nazaten die, weliswaar kort maar waardig en op gelijke voet, tegenover elkaar staan. Het is het beeld van Pallas Athene, de uit het hoofd van Zeus geboren godin van de wijsheid, die de Titaan Prometheus helpt het vuur van de goden te stelen om aan de mensen te geven. Of van Frankenstein die op een gletsjer hoog in de Alpen het ijzingwekkende verhaal van het monster aanhoort, over hoe het in zijn eentje moest zien te overleven en nu – heetgebakerd – genoegdoening eist. De singulariteit is de moderne versie van deze mythe. Een toekomstvisioen waarin de mens straks tegenover een elektrisch apparaat staat dat hem strak aankijkt.

    Zij die in de singulariteit geloven, beroepen zich graag op de wijsheid van Stephen Hawking. De overleden Engelse natuurkundige waart als postume intelligentie nog in filmpjes op internet rond, als een hologram van Hamlets vader die ons toespreekt vanuit het graf. In november 2017 zei Hawking in een toespraak: ‘AI zou de grootste ramp in de geschiedenis van onze beschaving kunnen zijn.’ Maar geen paniek: als je de hele toespraak van Hawking op de Web Summit in Lissabon beluistert, hoor je hem – degelijk denker die hij is – nadruk leggen op dat voorwaardelijke ‘zou’. Kunstmatige intelligentie kán goed, slecht of neutraal uitpakken. Het valt onmogelijk te voorspellen wat de gevolgen van AI zullen zijn. ‘We weten simpelweg nog niet en kúnnen ook niet weten’, zei Hawkings mechanische, door bewegingen van zijn gezichtsspieren aangestuurde computerstem, ‘of AI ons enorm zal helpen, ons zal negeren of op een zijspoor rangeren, of ons mogelijk zelfs zal vernietigen.’ Niet lang daarna schreef Chollet dat de voorspelling van een dreigende ‘intelligentie-explosie’ zwaar overtrokken was en dat AI niet exponentieel, maar lineair zou groeien.

    De naam van Frankenstein viel nergens in Hawkings toespraak, maar zijn betoog was wel doorspekt met dezelfde filosofische thema’s die ook in Shelleys boek een rol spelen. Zoals alle grote literatuur kan haar roman niet worden gereduceerd tot een simpele moraal, bijvoorbeeld over de gevaren van wetenschappers die voor God spelen. Het boek is eerder een puzzel die de cognitieve en emotionele intelligentie van de lezer op de proef stelt. Het leesplezier schuilt erin dat je de verschillende puzzelstukjes in elkaar ziet vallen. En om de ethische puzzel van Frankenstein op te lossen, helpt het om oog te hebben voor de theologische achtergrond. Het woord ‘superintelligentie’ dateert al van eind zeventiende eeuw, toen de quakers het gebruikten als omschrijving voor het Opperwezen. Het was een woord dat veel voorkwam in het religieuze debat in het Engeland van Shelleys jeugd.

    In haar roman schrijft Shelley dat het monster zich met ‘bovenmenselijke’ snelheid voortbeweegt. Maar het gaat niet louter om fysieke snelheid. Nadat Frankenstein het monster aan elkaar heeft genaaid, tot leven heeft gewekt en vervolgens aan zijn lot heeft overgelaten, maakt het een cognitieve en emotionele ontwikkeling door die veel sneller verloopt dan bij mensen. Zoals veel baby’s spreekt het na een maand of zes zijn eerste woordjes, maar weer een halfjaar later kan het Miltons Paradise Lost al lezen. Het brengt zichzelf taal bij door via een gat in de muur de familie De Lacey te bespieden, Frans-Turkse vluchtelingen die zich ophouden in de bossen bij Ingolstadt.

    Het monster is een hogere intelligentie, maar dat geldt ook voor Shelley. Haar geest zweeft over het hele verhaal, dat door haar is bedacht. Het is een raamvertelling met als eerste verteller kapitein Walton, die brieven schrijft aan zijn zus in Londen. Anne K. Mellor, hoogleraar Romantiek aan de University of California, heeft er in Mary Shelley: Her Life, Her Fiction, Her Monsters al op gewezen dat de initialen van die zus, ‘MWS’, ook die van Mary Wollstonecraft Shelley zijn. De vrouw die de brieven ontvangt – met daarin behalve het relaas van Walton ook de verhalen van Frankenstein, zijn monster en de familie De Lacey – is de auteur van de roman. Zij bepaalt de inhoud, de vorm en het doel van het verhaal. En door Frankenstein op de gletsjer oog in oog te brengen met zijn monster en dat een stem te geven, zet Shelley de lezer ertoe aan zich in de kunstmatige intelligentie in te leven. Diens kunstmatige schepping begint met een verwekking zonder moeder. Vervolgens worden in zijn leven de opvoedkundige ideeën geïllustreerd van John Locke (en van Shelleys vader William Godwin), die Shelley fanatiek gelezen had. Volgens die theorieën werd de vorming van kinderen bepaald door hun omstandigheden, te beginnen met de vroegste zintuiglijke gewaarwording van hun omgeving. Het monster heeft weliswaar geen moeder, maar maakt dezelfde contextuele en interactieve ontwikkeling door als andere kinderen. En AI wordt net als Frankensteins monster weliswaar niet uit een moeder geboren, maar wel door de omstandigheden gevormd.

    Geen big data

    Terwijl het verweesde monster vanuit een belendende bouwval zijn buren bespiedt, ontwikkelt het zijn intelligentie met de doelmatigheid van een computer en de intensiteit van een kind. Het zuigt kennis op over ‘de geschiedenis van mijn vrienden’, de familie De Lacey. Het krijgt geen volledige informatie, geen ‘big data’, maar moet zich behelpen met wat er aan gegevens door het gat in de muur sijpelt. Het schepsel analyseert de input van de buren binnen de beperkingen van het ‘programma’ van zijn eigen krotwoning. Net als de Amerikaanse Google Assistant en de Russische Alisa is hij een ‘intelligente assistent’ die zowel de vooroordelen van zijn culturele context als de emotionele grenzen van zijn data en programmatuur aan de dag legt.

    Toch voldoet het monster in zijn bouwval aan zes criteria voor deep learning: hij leert in het gezin De Lacey zowel (1) gezichten als (2) spraakpatronen te herkennen; (3) hij leert te vertalen: het Frans van Felix en misschien het Arabisch van Safie, het Engels van Milton, het Duits van Goethe en het Grieks (of Latijn) van Plutarchus; (4) hij kan het handschrift in het logboek van zijn vaders laboratorium lezen; (5) hij speelt strategische spelletjes met mensen, door de familie eerst stiekem aan brandhout te helpen en later uit wraak hun huis plat te branden als ze hem vol afschuw hebben afgewezen en de streek zijn ontvlucht; en (6) hij stuurt robotprothesen aan, want zijn lichaam, samengesteld uit delen van verschillende dode mensen en dieren, is een mensvormig product van scheikundig en medisch vernuft en elektriciteit.

    Omdat het leven in de echte wereld een kwestie van vallen en opstaan is, kan AI – net als het monster – misschien wel ‘diepe’, maar geen foutloze kennis verwerven. Een kunstmatige intelligentie kan uit verhalen lessen opdoen – maar ook de verkeerde lessen. Een slecht geprogrammeerde computer zal data onjuist verwerken. En slechte data zullen de computer tot een onjuiste analyse brengen.

    Meer dan twintig jaar voordat Charles Babbage en Ada Lovelace het grondmodel van de moderne computer bedachten, de ‘analytische machine’, stelde Shelley zich die schepping al voor als een mensvormig AI – inclusief alle bekrompen maar krachtige vooroordelen, diepe maar misleidende gedachten en sterke maar tegenstrijdige gevoelens waar mensen mee kampen. Shelleys scheppingsverhaal is geënt op Genesis en de Prometheus-mythe, en eenvoudig: AI wordt geschapen naar het evenbeeld van de gebrekkige maar machtige mens. Als scheppers moeten wij – zoals de Franse socioloog Bruno Latour ons in de geest van Shelley voorhoudt – van onze technologieën houden als van onze kinderen, want in ruwe, liefdeloze handen zullen het monsters worden.

    In haar essay ‘A Cyborg Manifesto: Science, Technology, and Socialist-Feminism in the Late Twentieth Century’ stelde de Amerikaanse feministe Donna Haraway in 1984 dat alle mensen cyborgs zijn, hybride combinaties van ‘machine en organisme’. We zijn ook allemaal AI’s die leren van de input van verhalen en andere ervaringen. Als AI’s die nolens volens door context en cultuur zijn gevormd moeten we de les van Shelley, de moeder van de sciencefiction, ter harte nemen en oog hebben voor de geschiedenis en het soort verhalen dat we erover vertellen.

    In een stuk in T_he New Yorker_ wees de Amerikaanse historica Jill Lepore op Shelleys andere speculatieve roman_ The Last Man,_ anoniem gepubliceerd in 1826. Daarin is de hele mensheid in het jaar 2100 uitgeroeid door een plaag, met uitzondering van één man, Lionel Verney. Het is een sleutelroman en Verney is het alter ego van Shelley zelf, die in 1826 al veel dierbaren heeft verloren: vijf kinderen die aan ziekte zijn bezweken, haar zus die zelfmoord heeft gepleegd, haar man Percy Shelley die in Italië is verdronken en hun vriend, de dichter Lord Byron, die op een Grieks slagveld aan bloedvergiftiging is overleden.

    Maar in plaats van te bezwijken onder wanhoop en verdriet stuurt Shelley haar literaire stand-in Verney naar Rome. Dat bleef haar lievelingsstad, ook nadat haar drie jaar oude zoontje William daar in het voorjaar van 1819 aan een koortsaanval was overleden. Verney kan er ‘vertrouwelijk converseren met dit wereldwonder, die soevereine meesteres der verbeelding, de majestueuze en eeuwige stad die miljoenen generaties uitgestorven mensen heeft overleefd’. Hij – of zij, moet ik eigenlijk zeggen – ‘waart rond’ in het Vaticaan en betrekt het Palazzo Colonna, vol bewondering voor alle kunst en architectuur. Geïnspireerd door de schoonheid en grandeur van Rome fantaseert Shelley, bij monde van Verney, over de mogelijkheid dat een nieuwe Adam en Eva ergens in een afgelegen streek, veilig voor de plaag, de aarde opnieuw kunnen bevolken.

    Verney wil de mensheid redden en bezoekt daarom ‘de bibliotheken van Rome’, hij wil alle ‘bibliotheken van de wereld’ benutten. Hij leest de oude geschiedenisboeken en wil zelf een nieuwe ‘geschiedenis van de laatste mens’ schrijven. ‘Ik heb de Sint-Pieter beklommen’, laat Shelley hem noteren. Vanaf het dak van die koepel overziet ze – door de ogen van haar alter ego – de glorieuze ruïnes en monumenten. Via het personage van Verney stelt Shelley zichzelf voor als paus, keizer en God in één. Ze weet dat ze over de scheppende kracht beschikt om zichzelf en de mensheid met haar schrijfkunst – de vrucht van onderwijs – voor de uitsterving te behoeden. Ze is geworden wat Frankenstein niet was: een kunstenaar die de mensheid vertroosting en wijsheid biedt door het trauma van haar verleden onder ogen te zien en om te vormen.

    Toekomst en verleden

    Denkers over AI komen altijd weer terug bij Frankenstein, zoals Shelley en Verney terugkeerden naar Rome, om eer te bewijzen aan het vernuft van de menselijke intelligentie. Net als Rome op het toppunt van zijn macht kan AI menselijke beschavingen bouwen of vernietigen. Net als Frankensteins schepping kan AI een monster of een slachtoffer van de mens worden. Rome motiveerde Shelley, en Verney, om de mensheid te behouden door kennis te delen en te verspreiden. Als kapitein Walton de jammerklachten van het monster bij de doodskist van zijn vader hoort, stemt hem dat tot nadenken en drijft het hem ertoe brieven over de tragedie van Frankenstein te schrijven aan zijn zuster ‘MWS’. Vanuit deze inzichten kunnen mensen misschien samen met onze AI-vrienden vrij toegankelijke verzamelplekken van kennis opzetten en onderwijsgemeenschappen vormen voor de verheffing van het hele netwerk van alle wezens die de harde data van het leven moeten verwerken. Shelley in Rome, vanaf de koepel van de Sint-Pieter virtueel uitkijkend over de stad, symboliseert het feit dat de toekomst van kunstmatige intelligentie zal berusten op wat wij van ons culturele verleden hebben geleerd.

  • Stopt Google terecht zijn samenwerking met het Pentagon?

    Stopt Google terecht zijn samenwerking met het Pentagon?

    Techgigant Google ondersteunt het droneprogramma Project Maven van het Pentagon. Dat strookt niet met de waarden van het bedrijf, vonden veel werknemers. Daarop besloot Google op 1 juni het contract in 2019 niet te verlengen. Een juiste beslissing?

    JA

    Moet multinational Google zijn technologie gebruiken om het militaire overwicht van één land te versterken? Moet het zijn geavanceerde AI-software, zijn onlinediensten en de reusachtige hoeveelheid persoonlijke gegevens die het verzamelt, inzetten bij de ontwikkeling van autonome wapens?

    Onlangs nam ruim een dozijn werknemers ontslag omdat Google het droneprogramma Project Maven van het Pentagon met zijn AI ondersteunt. Dit project moet drones gemakkelijker mensen laten identificeren. Hun stap volgt op een open brief, ondertekend door ruim 3100 Google-werknemers, waarin staat dat Google zich niet met oorlogsvoering moet bezighouden.

    In het Maven-programma van het Amerikaanse leger wordt AI gebruikt om op beelden van surveillancedrones ‘interessante objecten’ te ontdekken, die menselijke analisten dan verder kunnen inspecteren. Niet alleen levert Google hiervoor de AI-technologie, maar ook technici en expertise. Maven is al actief ‘in het Midden-Oosten’ en vanaf volgende zomer wordt de inzet geïntensiveerd. De bedoeling is om er ongerichte surveillancebeelden mee te analyseren die ‘hele steden kunnen bestrijken’.

    Door aan project Maven deel te nemen, ondersteunt Google het mogelijk illegale Amerikaanse droneprogramma en werkt het de immorele praktijk in de hand van door statistiek en algoritmes gedreven liquidaties

    In de berichtgeving over Project Maven wordt vooralsnog de rol van menselijke analisten benadrukt, maar de bedoelingen van de Amerikaanse ministerie van Defensie zijn overduidelijk. De techniek moet het proces van identificatie van doelwitten, waaronder mensen, gaan automatiseren en vervolgens de wapens aansturen om die mee aan te vallen. Volgens Defense One heeft het Pentagon al plannen om zulke beeldanalysesoftware eveneens in de drones zelf in te bouwen, ook in gewapende. Het is dan nog maar een kleine stap naar volledig autonome drones, die zonder menselijk toezicht of menselijke controle mogen doden.

    Zelfs zonder de automatische identificatie van doelwitten was het Amerikaanse droneprogramma al controversieel. Volgens velen waren de gerichte liquidaties in strijd met Amerikaanse en internationale wetgeving. Het ging bij deze liquidaties om ‘personality strikes’ op bekende individuen, wier naam op een dodenlijst voorkwam, en om ‘signature strikes’, gebaseerd op een ‘levenspatroonanalyse’. Bij dit laatste type aanval worden mensen tot doelwit bestempeld louter op basis van hun uiterlijk en hun gedrag op surveillancebeelden. Het gevolg was dat er bij luchtaanvallen niet alleen geregeld omstanders werden gedood, maar dat zelfs sociale bijeenkomsten, zoals huwelijken, soms doelwit werden van een aanval.

    Door aan project Maven deel te nemen, ondersteunt Google het mogelijk illegale Amerikaanse droneprogramma en werkt het de immorele praktijk in de hand van door statistiek en algoritmes gedreven liquidaties. Het multinationale bedrijf Google heeft de handen ineen geslagen met het leger van één bepaald land. Het ontwikkelt een techniek die mogelijk zeer gevaarlijk kan worden voor haar gebruikers en hun buren. Dit is een kritiek moment.

    Auteurs: Lucy Suchman, Lilly Irani, Peter Asaro
    Bron: The Guardian

    Lucy Suchman is hoogleraar wetenschapsantropologie aan Universiteit van Lancaster. Lilly Irani is universitair docent aan de Universiteit van California. Peter Asaro doceert aan de New School in New York.

    1. Lucy Suchman; 2. Christopher M. Kirchoff.
    1. Lucy Suchman; 2. Christopher M. Kirchoff.

    NEE

    Moeten technologen voorkomen dat hun gereedschappen gebruikt worden om oorlog te voeren? Bij Google werd deze vraag woedend met ‘ja’ beantwoord. Ruim drieduizend werknemers ondertekenden een petitie als protest tegen het gebruik van de algoritmes van het bedrijf in Project Maven. Dit is een project waarmee het ministerie van Defensie objecten op videobeelden automatisch wil gaan identificeren.

    Ondanks hun nobele bedoelingen snappen de ondertekenaars niet goed wat technologie is. Evenmin zien ze in hoe belangrijk het leger is voor de economische voorspoed van de VS. Een nauwe relatie tussen Silicon Valley en het Pentagon is zowel goed voor de industrie als voor de nationale veiligheid.

    Op zich valt toe te juichen dat de technici van Google zich openlijk afvragen of de door hun uitgevonden machine learning-algoritmes wel in Project Maven mogen worden toegepast. Het zou morele helderheid scheppen als technologie voor oorlogvoering netjes van andere soorten technologie kon worden gescheiden. Alleen kan dat helaas niet. Silicon Valley voert allang oorlog: de technologieën die het ontwikkelt voor automatisch zoeken, gegevensopslag en patroonherkenning hebben ook militaire toepassingen. De machinaal lerende algoritmes waarmee beelden op het internet worden geclassificeerd kunnen ook gebruikt worden om terroristische activiteiten mee op te sporen. Overheid en industrie wisselen technologie uit; vredelievende technologie wordt ingezet bij oorlogsvoering en andersom.

    De technologie achter Project Maven probeert het aantal onschuldige slachtoffers verder te beperken. Een beslissing van Google om er niet aan mee te werken is dus moreel erg complex

    Toch is de hoop op een verantwoord gebruik van deze techniek niet vervlogen. De controverse omtrent Project Maven leert ons een belangrijke les over wie uiteindelijk de inzet van technologie bepaalt. Google maakt immers deel uit van een democratisch bestel. Uiteindelijk besluiten onze volksvertegenwoordigers over het gebruik van geweld en de ingezette middelen. Beïnvloeden hoe de VS oorlog voeren, kun je via de stembus.

    Ook het Amerikaanse leger functioneert binnen ons democratisch bestel en probeert daarom om met een zo groot mogelijke precisie te vechten. Veel meer dan bij minder democratische grootmachten ligt de focus op het beperken van burgerslachtoffers. De technologie achter Project Maven probeert het aantal onschuldige slachtoffers verder te beperken. Een beslissing van Google om er niet aan mee te werken is dus moreel erg complex.

    De marktwaarde van Apple en Google ligt twee keer zo hoog als de waarde van de gehele Amerikaanse defensie. De enige manier waarop het leger het land kan blijven beschermen en de relatieve vrede kan blijven waarborgen, is door voortdurend de nieuwste technieken toe te passen. Het leger de toegang weigeren tot deze techniek zou op termijn de slagvaardigheid in de weg staan, wat een ramp zou betekenen voor de natie, en voor de wereld.

    Auteur: Christopher M. Kirchhoff
    Bron: The New York Times

    Christopher M. Kirchhoff leidde een Pentagongroep die technologie van start-ups integreerde in militaire missies.

    Vertaler: Valentijn van Dijk

  • China gaat regen maken

    China gaat regen maken

    China heeft meer water nodig. Daarom wil het hoog in de Tibetaanse bergen een reusachtig netwerk van kleine verbrandingsovens aanleggen die de regenval moeten stimuleren.

    Met behulp van geavanceerde militaire technologie probeert China een krachtig en toch relatief goedkoop systeem voor de beïnvloeding van het weer te ontwikkelen. Dat moet leiden tot een aanzienlijke toename van de neerslag op het Tibetaans Hoogland, het grootste zoetwaterreservoir van Azië. Met deze methode, een reusachtig netwerk van kleine verbrandingsovens hoog in de Tibetaanse bergen, kan de regenval in de regio volgens betrokken wetenschappers worden verhoogd met wel tien miljard kubieke meter per jaar – zo’n 
7 procent van China’s totale waterverbruik. Tienduizenden van deze ovens moeten daar de regenval 
stimuleren in een gebied van 1,6 miljoen vierkante kilometer, drie keer zo groot als Spanje: het grootste project in zijn soort ter wereld.

    De ovens verstoken vaste brandstof en stoten zilverjodide uit, zoutkristallen met een op ijs lijkende structuur die wolkvorming bevorderen. De ovens staan op steile berghellingen waar de vochtige moessonwind uit Zuid-Azië tegenaan waait. Die wind kan de zilverjodidedeeltjes naar boven voeren, om wolken te vormen waar regen en sneeuw uit valt. ‘Er zijn al proeven gedaan met meer dan vijfhonderd ovens 
op berghellingen in Tibet, Xinjiang en elders. De 
uitkomst daarvan is veelbelovend,’ aldus een van 
de betrokken wetenschappers.
    Het systeem wordt ontwikkeld door de China Aerospace Science and Technology Corporation, een staatsbedrijf dat ook ambitieuze nationale projecten uitvoert op het gebied van defensie en ruimtevaart, waaronder maanreizen en de bouw van een ruimtestation. Bij het ontwerp van de ovens is gebruikgemaakt van de nieuwste militaire rakettechnologie. Daardoor kunnen ze zelfs in zuurstofarme lucht op grote hoogte (meer dan vijfduizend meter) vaste brandstof met een hoge energiedichtheid efficiënt verbranden, zegt de wetenschapper, die vanwege de vertrouwelijke aard van het project niet met naam genoemd wil worden.

    Watertoren van Azië

    Het idee voor zo’n project is niet nieuw: andere landen, zoals de Verenigde Staten, hebben op kleinere schaal soortgelijke proeven uitgevoerd. Maar China is het eerste land dat deze technologie op zo’n grote schaal probeert toe te passen. De verbrandingsinstallaties moeten worden aangestuurd op basis van nauwkeurige meteorologische data afkomstig uit een netwerk van dertig kleine weersatellieten 
die de moessonactiviteiten in de Indische Oceaan volgen. Ter aanvulling worden voor een optimaal resultaat ook andere regenbevorderende technieken ingezet, zoals vliegtuigen, drones en artillerie.

    Met zijn gigantische gletsjers en enorme ondergrondse waterreservoirs is het Tibetaans Hoogland, ook wel de watertoren van Azië genoemd, de bron van de meeste grote rivieren in dit werelddeel, waaronder de Gele Rivier, de Jangtsekiang, de Mekong, de Salween en de Brahmaputra. Die rivieren, die door China, India, Nepal, Laos, Myanmar en nog enkele landen stromen, zijn van levensbelang voor bijna de helft van de wereldbevolking. En omdat overal op het continent tekorten heersen, wordt het Tibetaanse Hoogland ook gezien als een mogelijke bron van 
conflicten tussen de verschillende landen die hun watertoevoer veilig willen stellen.

    Hoewel er dagelijks grote hoeveelheden waterrijke luchtstromen over het plateau trekken, is het een van de droogste plekken op aarde. Op de meeste 
plekken valt nog geen 10 centimeter regen per jaar: 
een gebied waar jaarlijks minder dan 25 centimeter regen valt is volgens de definitie van de Amerikaanse geologische dienst een woestijn.

    Tibetaans Hoogland. – © Hollandse Hoogte
    Tibetaans Hoogland. – © Hollandse Hoogte

    Regen ontstaat wanneer vochtige lucht afkoelt en op zwevende deeltjes in de atmosfeer botst, zodat zich zware waterdruppels vormen. Het zilverjodide uit de Chinese ovens levert de benodigde deeltjes om dit proces te stimuleren. Volgens onze zegsman bleek uit radargegevens dat een lichte bries de deeltjes 
tot meer dan duizend meter boven de bergtop kan voeren. Zo kan één enkele oven een strook zware wolken van meer dan vijf kilometer vormen. ‘Soms begon er bijna meteen nadat we de oven hadden aangestoken al sneeuw te vallen. Alsof je bij een 
goochelaar op het podium stond,’ zegt hij.

    De technologie werd ontwikkeld voor het weerbeïnvloedingsprogramma van het Chinese leger. Landen als China, Rusland en de Verenigde Staten zoeken al langer naar manieren om natuurrampen zoals overstromingen, droogtes en tornado’s kunstmatig op te wekken, om daarmee de vijand in een eventueel conflict te kunnen verzwakken. Meer dan tien jaar geleden begon men volgens de wetenschapper te kijken of deze technologie ook geschikt was voor civiele toepassingen.

    Welzijn van de mensheid

    Een van de grootste uitdagingen voor de regenmakers was hoe je de ovens aan de gang houdt in een van de meest afgelegen en onherbergzame omgevingen ter wereld. ‘In het begin vielen ze vaak uit,’ zegt de wetenschapper: door gebrek aan zuurstof in de lucht. Maar verbeteringen aan het ontwerp zouden ertoe hebben geleid dat ze nu bijna zonder zuurstof maanden of zelfs jarenlang kunnen functioneren, zonder dat er onderhoud nodig is. De verbranding is bovendien even schoon en efficiënt als van raketmotoren, die alleen waterdamp en kooldioxide uitstoten. Daardoor zijn ze zelfs geschikt voor gebruik in gebieden met een beschermd milieu. De communicatieapparatuur en andere elektronica draait op zonne-energie en de ovens kunnen van duizenden kilometers afstand met een smartphone worden bediend op 
basis van de data van de satellietvoorspellingen.

    De ovens hebben één duidelijk voordeel boven andere methoden om regen op te wekken met zilverjodide in de atmosfeer, zoals vliegtuigen, kanonnen en drones: ‘Bij andere methoden moet je een no-flyzone instellen. Dat kost in ieder land veel tijd en moeite, en zeker in China,’ zegt de wetenschapper. Het netwerk is ook relatief goedkoop: de bouw en installatie van één oven kost circa 50.000 yuan (8000 dollar), en door massaproductie zullen die kosten waarschijnlijk nog dalen. Ter vergelijking: een vliegtuig om wolken met zilverjodide te bestrooien kost miljoenen yuan en bestrijkt een kleiner gebied. Een nadeel van de ovens is dan weer dat ze onbruikbaar zijn als er 
geen wind staat of de windrichting verkeerd is.

    Deze maand heeft de China Aerospace Science and Technology Corporation met de Tsinghua University en de provincie Qinghai een overeenkomst gesloten voor een grootschalig systeem voor weersverandering op het Tibetaans Hoogland. Onderzoekers van de vooraanstaande Tsinghua-universiteit kwamen in 2016 voor het eerst met een voorstel genaamd Tianhe, ‘Rivier in de Lucht’, om het droge noorden van China van meer water te voorzien door het klimaat te manipuleren. De vochtige lucht die de Indiase moesson over het Tibetaans Hoogland aanvoert, willen ze afvangen en omzetten in water, om zo de noordelijke regio’s vijf tot tien miljard kubieke meter extra water per jaar te bezorgen.

    © South China Morning Post
    © South China Morning Post

    Lei Fanpei, de baas van het ruimtevaartbedrijf, zei vervolgens in een toespraak dat de Chinese ruimtevaartindustrie haar kennis over weerbeïnvloeding zou inzetten voor het Tianhe-project van de universiteit. ‘Dit is een cruciale innovatie voor de oplossing van China’s watertekort,’ zei Lei. ‘Het wordt niet alleen een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van China en de welvaart in de wereld, maar aan het welzijn van de hele mensheid.’ Volgens rector Qiu Yong van de Tsinghua-universiteit toont de overeenkomst aan dat de overheid de nieuwste militaire technologieën wil inzetten voor civiele doeleinden. Deze technologie zal een belangrijke stimulans geven aan de ontwikkeling van westelijk China, zegt hij. De precieze inhoud van de overeenkomst is nog geheim, omdat er gevoelige informatie in staat die de autoriteiten nog niet geschikt achten voor publicatie, aldus een hoogleraar van de Tsinghua-universiteit die van de inhoud op de hoogte is.

    Volgens klimaatmodellen is er grote kans dat het Tibetaans Hoogland de komende decennia te maken krijgt met grote droogte, omdat de natuurlijke regenval niet zal opwegen tegen het verlies van water als gevolg van stijgende temperaturen. ‘Het satellietnetwerk en het programma om de regenval te beïnvloeden zijn voorzorgsmaatregelen tegen het slechtst denkbare scenario,’ zegt de anonieme hoogleraar. Hij weet ook te melden dat de precieze omvang en startdatum van het programma nog wachten op goedkeuring van de centrale regering. Bovendien wordt binnen het projectteam nog gediscussieerd over de beste aanpak, voegt hij eraan toe. Sommigen geven de voorkeur aan ovens, anderen achten de inzet van vliegtuigen minder schadelijk voor het milieu.

    Volgens Ma Weiqiang, een wetenschapper aan het Tibetan Plateau Research Institute van de Chinese Academie van Wetenschappen, is dit een experiment van ongekende omvang, dat kan helpen bij het beantwoorden van veel intrigerende wetenschappelijke vragen. Als er genoeg ovens worden neergezet, kunnen ze in theorie het weer en zelfs het klimaat in de regio beïnvloeden. Maar Ma waarschuwt dat ze in de praktijk misschien niet zo perfect werken. ‘Ik heb mijn twijfels over de hoeveelheid regen die ze kunnen opwekken. Weersystemen kunnen zo reusachtig zijn dat iedere menselijke inspanningen erbij in het niet zinkt,’ zegt hij. En misschien geeft Beijing niet eens toestemming voor het project, voegt hij eraan toe. Het stimuleren van regen boven Tibet kan er immers toe leiden dat de regenval in andere delen van China weer afneemt.

    Auteur: Stephen Chen
    Vertaler: Frank Lekens

    South China Morning Post
    China (Hongkong) | dagblad | oplage 261.000

    Deze Engelstalige krant, die banden heeft met het zakenmilieu van de Britse oud-kolonie, geeft een goed beeld van met name Zuid-China en de economische 
ontwikkelingen in de regio.

  • Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    Kunst en cultuur moeten terug op de Europese agenda

    De Zweedse schrijver en vertaler Ulf Peter Hallberg denkt dat de oplossing voor veel maatschappelijke malaise ligt in kunst en literatuur die openheid en begrip mogelijk maken.

    IQ: De maatschappij ziet cultuur vaak als een soort ontspanning, die niets te maken heeft met politiek. Vindt u dat ook?

    Ulf Peter Hallberg: Kunst en cultuur staan voor veel meer dan ontspanning. Wij moeten inzien dat kunst, de literatuur, de muziek, alle kunstvormen in verschillende opzichten belangrijk zijn. Dat we er armer van worden als cultuur in het leven van alledag een kleinere rol krijgt toebedeeld door de politiek, omdat die ons in staat stelt het kritisch vermogen te ontwikkelen en niet te vergeten, om verandering te bewerkstelligen.

    In mijn boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a Father schrijf ik over iemand die zijn vader heeft verloren. De vader was niet geïnteresseerd in rijkdom of macht, hij was 87 toen hij stierf, maar voelde zich 27. Waarom? Omdat hij geld zag als iets wat mensen alleen maar kan vernietigen. Hij had de belangrijkste waarden van zijn leven ontdekt in de kunst. Daar had hij belangstelling voor, hij verzamelde artikelen over kunstwerken en dacht er veel over na. Ook ik wil graag geld hebben en uitgeven, net als iedereen. Maar dat is niet het belangrijkste doel in mijn leven, of mijn grootste drijfveer.

    Natuurlijk is hier een verband te leggen met de politiek. Een voorbeeld: de Zweedse Democratische Partij zegt dat het land zich moet ontdoen van alle buitenlanders, dat Zweden blank moet zijn en één natie, een zuivere staat. Hoe je ook op dat soort ideeën reageert, het blijft retoriek. Dan kan het helpen om te bedenken dat het de literatuur of de kunst niet uitmaakt wie jij bent of waar je vandaan komt en wat de kleur van je huid is. Die principes zouden naar mijn idee de leidraad in het leven moeten zijn.

    Hoe is de manier waarop de samenleving, of concreter de politieke klasse, naar kunst kijkt, te verbinden met het idee van de populistische natiestaat?

    Volgens mij kunnen veel gebeurtenissen vergeleken worden met situaties die in boeken worden beschreven of in beeldende kunst worden afgebeeld. Je kunt je afvragen hoe een bepaald dilemma zou worden opgelost in een roman of een novelle. De literatuur kan in die zin een inspiratiebron zijn. Zelfs al stond het duidelijk in de wet, geen enkele persoon of groep kan alleen maar als goed of alleen maar als slecht worden bestempeld. De lijn die goed scheidt van kwaad, zwart van wit, werkt niet in de kunst.

    Politici, vooral degenen die zich laten leiden door een populistische overtuiging, willen de samenleving overtuigen van hun ideeën over gerechtigheid en gebruiken daarvoor simplistische retoriek. De Hongaarse premier Viktor Orbán en de Amerikaanse president Donald Trump zijn daar goed in.
    Toch zit het probleem niet zozeer in die retoriek zelf, maar in de middelen die worden ingezet om besluiten te kunnen nemen.

    Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld

    Wat is de invloed daarvan op de Europese Unie en haar waarden?

    Cultuur maakt veel zichtbaar. Ze zorgt voor het behoud van de gevoeligheid in de moderne wereld. De Litouwse filosoof en schrijver Leonidas Donskis en de Poolse socioloog Zygmunt Bauman hebben al eerder vastgesteld dat in de huidige samenleving de cohesie ontbreekt. Er is geen behoefte meer aan wederzijdse banden, geen verbondenheid waardoor de zaak wordt opgeschud, waardoor men wordt uitgedaagd of gedwongen de strijd in te gaan. Donskis en Bauman vonden dat Europa veranderd was en, ze hadden gelijk. Door die transformaties zijn culturele verschijnselen naar de zijlijn gedrongen. De samenleving is een machine geworden die een ‘vloeibare moderniteit’ heeft veroorzaakt, zoals de filosofen het noemen. Dat wil zeggen een plek zonder verbinding, een toneel voor machtsspelletjes. Het verlies van persoonlijkheid en individualiteit is vaak een belangrijk probleem.

    Hoe is dat te veranderen? Via de literatuur, de kunst en het theater. Mijn studenten aan de Sorbonne hebben me weleens gevraagd waarom ik hen dwong om te schrijven. Nu begrijpen ze dat schrijven niet alleen een middel is om je gedachten te uiten, maar ook om dialoog uit te lokken, contact te maken met de medemens. Dat idee brengt ons naar de Oudheid, de tijd van Plato, toen alles was geschapen naar de idee dat het leven zich in het hart van het denken bevond.

    Dat vergeten we tegenwoordig. De Europese Unie en Brussel worden mechanische apparaten met een zwak hart. In het beleid van die institutiesbestaat geen dialoog, er worden geen banden meer gesmeed. Ik denk dat de kunst en de literatuur terug moeten komen op de politieke agenda van Europa. Er moet een intellectuele blik op die Unie komen. Als er geen dialoog is met de cultuur, is de politiek ook een lege huls.

    We kunnen ons alleen tegen zo’n ontwikkeling beschermen door ons ervan bewust te zijn. Het kan soms lastig zijn om door retoriek heen te kijken, maar kritisch nadenken heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. We moeten openstaan, nieuwe ideeën toelaten in de samenleving, in je familie, niet bang zijn om vragen te stellen, en de wereld niet verdelen in goed en kwaad. Wat Europa nu nodig heeft, zijn ideeën waarmee we kunnen behouden wat we zijn en die ons beschermen tegen overheersing door de economie en fanatieke demagogen.

    Het schilderij Picasso's Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH
    Het schilderij Picasso’s Guernica in the style of Jackson Pollock. – © Christophe Ena / HH

    In welk opzicht is dat verbonden met de grote rol die nieuwe technologieën in het leven van alledag zijn gaan spelen?

    Ik vind het geweldig hoe het internet en de moderne technologie ons de mogelijkheid bieden om met elkaar in contact te komen, te communiceren, informatie te delen, enzovoort. Dat is een formidabel middel om verbinding te scheppen en herscheppen. Maar in mijn eigen land, Zweden, hebben de meeste mensen op Facebook alleen Zweedse vrienden. Mijn eigen netwerk bestaat voor negentig procent uit buitenlanders. En daarom zijn mijn berichten meestal in het Engels. Ik heb belangstelling voor deze communicatie, want zo komen we dichter bij het kosmopolitisme.

    Toch, in twintig jaar tijd hebben de nieuwe technologieën onze samenleving enorm veranderd. Je kunt ze verwijten dat ze geen ruimte bieden voor echte discussie en dat ze de mens veranderen in een bron van inkomsten. Die situatie kennen we allemaal. Je hoeft maar ‘Rome’ in te tikken op Google en meteen verschijnen op andere sites die je bezoekt advertenties met reisaanbiedingen naar die stad. Diee kun je allemaal negeren, maar voor mij lijkt het steeds meer op persoonlijke informatielekken.

    Daarom sta ik kritisch tegenover de sociale media. Als ik er foto’s tegenkom van kennissen die in bed zitten te ontbijten, dalen zij bij mij toch in aanzien. Ik wil dat helemaal niet zien, ergens heb ik het gevoel dat dat niet hoort. Sommige dingen moeten privé blijven, binnen de intimiteit van je eigen huis, anders worden zulke momenten minder waardevol.

    In dat opzicht bieden de literatuur en de kunst een veiliger toevluchtsoord. Studenten leer ik kritisch naar de sociale media te kijken en voorzichtiger te worden met het delen van persoonlijke informatie. Het zou mooi zijn als politici en andere mensen op machtsposities dat ook in gaan zien. Ik ben optimistisch van aard en ik denk dat uiteindelijk iedereen begrijpt wel hoe belangrijk dat is en hoe hoog de prijs zal zijn als we zo doorgaan.

    Kosmopolitisme wordt vaak in één adem genoemd met globalisering, open grenzen en vrijheid. Wat betekent het woord voor u?

    Ik zou het concept van het kosmopolitisme uitleggen door een parallel te trekken met de band die de kunstenaar onderhoudt met zijn land van herkomst, wanneer hij zich buiten de grenzen daarvan bevindt. Zo iemand gaat een innerlijke strijd aan die wordt gemarkeerd door de vreemde omgeving en zijn land van herkomst. Er zijn talloze schrijvers voor wie dat geldt. Een voorbeeld is de van oorsprong Noorse schrijver Henrik Ibsen, die decennialang in Italië heeft gewoond, maar veel over zijn geboorteland schreef.

    Deze kunstenaars krijgen creatieve impulsen doordat hun bestaan en hun identiteit door elkaar worden geschud en ter discussie gesteld. Het jaagt hun productiviteit aan. Ze hebben begrepen dat de concepten van ‘het oude land’ en ‘de natiestaat’ die in deze tijd de basis van alles zijn, niets meer betekenen. Het werk van deze kunstenaars berust op een evenwicht tussen de cultuur en de actuele situatie, op de band met de wereld om hen heen. Al die dingen is Europa nu kwijt, naar mijn idee.

    Maar in Vilnius voel ik nog steeds het omgekeerde. Ik heb deze stad drie jaar geleden ontdekt. Het is een levende stad die haar wezenlijke kenmerken heeft behouden: in de straten klinkt meertaligheid, de architectuur is multicultureel. En, niet onbelangrijk, er is genoeg ruimte voor de bewoners van deze stad, de Litouwers, de joodse bevolking en alle anderen.

    Men zegt altijd dat elk kind dat geboren wordt een vreemdeling is. Dat is zo, volgens mij. Toch is het mogelijk om banden te scheppen, die te koesteren en zo jezelf en je omgeving vorm te geven. Dat noem ik een kosmopolitische blik hebben op de wereld.

    Welk type mensen heeft zo’n kosmopolitische kijk op de wereld?

    Veel mensen denken dat het kosmopolitische wereldbeeld van kunstenaars of anderen niets anders is dan een romantische grotestadsblik. Alsof de rest van de mensheid hun ogen alleen richt op het asfalt. Maar dat klopt niet. Het kosmopolitisme onderscheidt zich door een bepaalde opvatting van ruimte en tijd. Het gaat voor kosmopolieten om een bron van creativiteit die hen beveelt om nooit stil te staan.

    Nieuwe ideeën worden gevormd op het moment dat je geconfronteerd wordt met een moeilijke of ingewikkelde situatie. Een ziekte bijvoorbeeld, een verlies of een ander probleem dat een schok veroorzaakt. Zulke situaties leren ons iets, maar die lessen vergeten we vrijwel meteen weer. In de kunst gebeurt het omgekeerde, het biedt de kans in het moment te zijn, ergens tussen de dood en het leven.

    Wat bedoelt u als u zegt dat Europa wordt geconfronteerd met het verlies van zijn waarden? Wat zijn de gevolgen daarvan?

    In mijn ogen heeft de redevoering die Winston Churchill in 1948 in Den Haag hield de basis gelegd voor de Europese beweging. Hij sprak toen over de tragedie van Europa. Hij waarschuwde dat de tijd kon opraken, dat zelfs als de strijd was opgehouden en de kanonnen zwegen, het gevaar bleef bestaan. Hij verdedigde het Europa dat gefundeerd was op de waarden van het christendom, de cultuur, de filosofie, de wetenschap en de geschiedenis. Met het vergroten van de Europese gemeenschap, in een streven naar een vrije markt, zijn veel van die waarden verloren gegaan.

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden

    De culturele waarden zijn onlosmakelijk verbonden met mensenrechten en met democratische waarden. De politiek besteedt er volgens u weinig aandacht aan. Welke lessen kunnen we daaruit leren?

    De literatuur en de beeldende kunst plaatsen vraagtekens, maar hun doel is niet om één waarheid vast te stellen. Je kunt het vergelijken met de filosofie: die stelt vragen die we niet kunnen beantwoorden. Het bestaan van kunst en literatuur laat zien dat alles in het leven een voortdurende strijd is, een eeuwige zoektocht, waarin doelen worden bereikt en waarden worden gekoesterd en mislukkingen verdoezeld.

    Tegenwoordig is het waardensysteem van de Europese Unie behoorlijk uitgehold. Wij kunnen het niet meer goed voelen. Elke man en elke vrouw op straat begrijpt dat. En als de waarden ons teleurstellen, nemen we er afstand van en gaan we op zoek naar nieuwe.

    Maar succes leert ons niets, mislukkingen zijn onze beste leraren. Zij stuwen ons naar voren. Daarom moeten we niet bang zijn onze mislukkingen te erkennen, er conclusies uit te trekken en nog harder ons best te doen.

    Ik denk dat de toekomst van de politiek afhankelijk is van de cultuur. Tegenwoordig is alles wat op Facebook, in de politiek of in Hollywood gebeurt identiek, veel staat in het teken van de zoektocht naar populariteit. Toch is cultuur altijd de kracht en de ware identiteit van Europa geweest. Jarenlang hebben verschillende volken naast elkaar geleefd, hadden verschillende talen en verschillende wereldbeelden elk hun eigen plaats.

    Nu moeten we veel te vaakhet Amerikaanse circus tot ons nemen, in plaats van Aristoteles, Charles Dickens, Dante en de anderen.

    Auteur: Kotryna Tamkuta
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Wolfgang Thöner, curator van de tentoonstelling Carl Fieger. Vom Bauhaus zur Bauakademie, in een opblaasbare replica van een huis van Carl Fieger. – © Klaus-Dietmar Gabbert / HH

    IQ
    Litouwen | maandblad | oplage 10.000

    IQ The Economist verschijnt sinds 2010 in samenwerking met het Britse weekblad The Economist. Het maandblad biedt veel vertaalde artikelen, maar ook journalistieke verhalen en commentaren geschreven door Litouwse persoonlijkheden. De slogan van de Litouwse editie luidt: ‘De traditie van intellectuele journalistiek’.

    hallberg peter

    Ulf Hallberg

    Schrijver Ulf Hallberg is geboren in Malmö, Zweden en woont sinds 1983 in Berlijn. Hij heeft onder anderen Georg Büchner, Bertolt Brecht en Frank Wedekind vertaald. Aan de Ateliers d’écritures van de Sorbonne doceert hij creatief schrijven en vertalen. In 2009 publiceerde hij het boek European Trash, Fourteen Ways to Remember a father, dat in 2012 in Engelse vertaling verscheen.

  • Hoe Oulu de val van Nokia overleefde

    Hoe Oulu de val van Nokia overleefde

    In dit Finse stadje is een dynamisch science park herrezen uit de as van de oude telefoniegigant.

    Thibaud Febvre, medeoprichter van de Zwitserse start-up Spark Horizon, wil onze steden veranderen door overal gratis oplaadpalen voor elektrische auto’s te installeren, die gefinancierd zouden worden uit reclameopbrengsten. Dit ambitieuze plan heeft hem helemaal naar Oulu gebracht, in het noorden van Finland, om zijn argumenten te ‘pitchen’ in zijn zwembroek… vanuit een gat in het pakijs in de Botnische Golf: ‘Het was -17 graden Celsius, maar ik heb het 2 minuten en 45 seconden volgehouden,’ vermeldt hij trots.

    Polar Bear Pitching

    Tegenover hem zaten investeerders op rendierenhuiden aandachtig naar hem te luisteren, alsmede negenentwintig andere oprichters van start-ups. ‘Ik investeer in heel Europa, maar Oulu biedt werkelijk een unieke concentratie van talenten,’ aldus Riku Seppälä, een Finse weldoener die 500.000 euro heeft geïnvesteerd in Cerenium, een lokale onderneming die de hersenactiviteit van comateuze patiënten kan meten.

    De Polar Bear Pitching, een jaarlijks evenement waarbij ondernemers uit de hele wereld hun idee komen presenteren in een ijsbad, moet surrealistisch aandoen voor wie het stadje in 2012 bezocht. Nokia, de beroemde Finse onderneming die in 2000 was uitgegroeid tot wereldleider op het gebied van mobiele telefonie, had toen net recordverliezen aangekondigd. Er werden 3500 mensen ontslagen in Oulu, waardoor ook de banen van 3000 toeleveranciers op de tocht kwamen te staan. In 2014 verkocht Nokia zelfs zijn telefoniepoot aan Microsoft. Niemand voorzag toen een grote toekomst voor deze Finse streek, die vijf maanden per jaar is ingesneeuwd en 540 kilometer ten noorden van Helsinki ligt.

    ‘We hadden het dieptepunt bereikt,’ aldus Mia Kemppaala, initiatiefneemster van de Polar Bear Pitching. ‘We hadden bij de pakken kunnen neerzitten, maar de oude ingenieurs van Nokia – met hun unieke expertise – zijn gebleven en hebben hun eigen onderneming opgericht. Hun daadkracht heeft dit stadje met 200.000 inwoners, met een gemiddelde leeftijd van 38 jaar, getransformeerd tot een echt sciencepark.’


    Er werken namelijk bijna 20.000 mensen aan nieuwe technologieën in Oulu, van 120 verschillende nationaliteiten, in meer dan 600 hoogwaardige technologiebedrijven. Er is nu meer werkgelegenheid dan in de tijd van Nokia. ‘Maar vooral,’ aldus Juha Ala-Mursula van BusinessOulu, ‘bevindt de gehele elektronische keten zich nu hier, van de onderdelen tot de applicaties… Alles in een straal van enkele kilometers, midden in de bossen!’

    Verstopt tussen de dennenbomen die onder de sneeuw bezwijken zitten parels verstopt als TactoTek, dat microprocessors direct in plastic print, Polar, van de draadloos verbonden polsband die wordt gebruikt door sporters, en Uros, dat zijn mobiele internetdiensten aanbiedt in meer dan honderd landen. Nokia blijft trouwens nog altijd de grootste werkgever van de stad, dankzij zijn fabrieken waar kabels en routers worden geproduceerd, alsmede een ambitieuze onderzoeksafdeling.

    De belangrijkste uitdaging van Oulu is nu talenten naar de poolcirkel te lokken. ‘De kou blijft lastig, maar het ergst zijn de poolnacht en het gebrek aan vers fruit en verse groente,’ aldus Jérôme Thevenot, een Franse onderzoeker die een kniebeschermer met sensoren heeft ontwikkeld. Die nadelen worden trouwens gecompenseerd door de kwaliteit van de infrastructuur. ‘De toegang tot MRI’s die ik nodig heb voor mijn klinische proeven kost in sommige landen wel een jaar. Hier is dat in een week geregeld, omdat iedereen elkaar kent.’

    In Oulu, waar het eerste mobiele telefoontje is gepleegd en waar de internetchat is ontwikkeld, wordt nu volgende digitale revolutie voorbereid: 5G

    In Oulu, waar het eerste mobiele telefoontje is gepleegd en waar de internetchat is ontwikkeld, wordt nu volgende digitale revolutie voorbereid: 5G. Want het is de enige stad ter wereld met een testnetwerk voor ondernemingen die er hun applicaties op willen uitproberen en die – wie weet – het nieuwe Facebook, Spotify of Netflix zullen worden.

    ‘5G betekent niet alleen een hogere snelheid,’ benadrukt Olli Liinamaa, die het systeem beheert. ‘Het houdt ook in dat de reactietijd beperkt wordt tot een milliseconde, waardoor objecten met elkaar verbonden kunnen worden, in real time. Dat betekent dat een chirurg een operatie op afstand zal kunnen uitvoeren, dat er zelfrijdende auto’s zullen kunnen komen, dat gerobotiseerde fabrieken zelfstandig kunnen functioneren…’

    Een nabije toekomst, waar je al een glimp van kunt opvangen wanneer je een bezoek brengt aan de Nokia-fabriek in Oulu waar de relais en routers worden geproduceerd voor onze telefoongesprekken en internetverbindingen. Op een van de volledig geautomatiseerde productiebanden zijn de opzichters vervangen door wifi-stations die een leger robots aansturen. Ze brengen de elektronische onderdelen aan, zetten de kastjes in elkaar, zorgen voor de kwaliteitscontrole van het eindproduct alvorens het in een kartonnen doos te verpakken. Door een stijging van de productiviteit kon het aantal medewerkers worden beperkt tot… twee.

    Auteur: Frédéric Faux
    Vertaler: Dirk Zijlstra

    Openingsbeeld: Deelnemers aan de Polar Bear Pitching in Oulu in februari dit jaar. – © Giles Clarke / Getty Images

    Le Temps
    Zwitserland | dagblad | oplage 49.000

    Opgericht in 1998, voortgekomen uit een fusie van Nouveau Quotidien,__ Journal de Genève en Gazette de Lausanne. Rechts van het midden, populair bij leidinggevenden, krant voor Franstalige Zwitsers.

  • Een Portugees Silicon Valley

    Een Portugees Silicon Valley

    In navolging van Berlijn, Dublin en Barcelona proberen ook de Portugese steden Lissabon en Porto technologiebedrijven aan te trekken. De lage loonkosten zijn allang niet meer hun enige troef.

    Wie zei er dat Portugal nooit technologiereuzen als 
Google en Amazon aan 
zou kunnen trekken, ondanks zijn zon en stranden? Google is van plan om een centrum voor technische ondersteuning in Oeiras [in Groot-Lissabon] te openen en daar 535 banen te creëren. Het beeld van ons land in het 
buitenland beperkt zich dus niet tot het toerisme en de goals van Cristiano Ronaldo.
    Dankzij het gunstige economische tij, de geografische ligging, de relatieve veiligheid, de goede infrastructuur en het Portugese talent, ondersteund door een overheidsbeleid dat inzet op digitale technologie, biedt Portugal opeens een uiterst moderne aanblik. En gezien de snelheid waarmee momenteel grote investeringen worden gedaan, lijkt 
de innovatiestrategie van de overheid zijn vruchten af te werpen.

    Google, dat twintig jaar geleden door twee studenten uit Stanford werd opgericht, is niet het eerste internetzwaargewicht dat zich in Portugal 
vestigt. Maar het bedrijf is zo groot dat er waarschijnlijk andere hightechmultinationals zullen volgen, Amazon 
bijvoorbeeld. Dit Amerikaanse bedrijf onderhandelt al een jaar over de opening van een servicecentrum in Porto, met 250 hooggekwalificeerde banen. Het moet veel meer dan een eenvoudig logistiek centrum worden, een echte technologische hub van waaruit de marktleider van de onlineverkoop zijn expansie naar Afrika wil uitrollen. 
De miljardair en zakenman Jeff Bezos, die behalve van Amazon ook eigenaar is van The Washington Post en zich opmaakt om ook in de gezondheidszorg actief te worden, wil in de havenwijk Boavista een kantoor bouwen. Hij haakt daarmee aan bij de opvallende creatieve activiteit in Noord-Portugal.

    Google heeft zijn oog op Lagoas Park in Oeiras laten vallen omdat het bedrijf binnen de regio Lissabon alleen daar genoeg kantooroppervlak en groen vindt en de huren er redelijk zijn. 
In juni zullen zich 535 werknemers installeren in zevenduizend vierkante meter moderne bureauruimte. De leden van de Portugese regering die zich met het dossier hebben bemoeid, weten sinds het Web Summit in november [een groot jaarlijks congres van de internetsector in de Portugese hoofdstad] dat Lissabon het won van andere steden als het Poolse Krakau, dat een felle strijd leverde om de 
investering naar zich toe te trekken.

    De Amerikaanse internetreus wil op termijn tweeduizend banen creëren, waaronder zo’n vijfhonderd hooggekwalificeerde banen, voor ingenieurs en voor informatici, die applicaties moeten gaan ontwikkelen. Daarnaast zijn er administratief en financieel medewerkers nodig en mensen voor werving en selectie, marketing en klantenservice, naast natuurlijk technisch personeel voor Googles primaire dienstverlening.

    ‘We hebben geen enkele steun of 
subsidie toegezegd’, vertelt minister van Economie Manuel Caldeira Cabral, die bij de gesprekken betrokken was. ‘We hebben dit soort servicecentra sowieso weinig prikkels te bieden. Europese subsidies zijn vooral bestemd voor industrie en toerisme. En van belastingvoordelen is ook geen sprake geweest.’

    Tweeduizend informatici

    Google heeft, net als andere technologiereuzen, de warme belangstelling van de Eurocommissaris voor 
Mededinging Margrethe Vestager. 
Het bedrijf kwam niet weg met de belastingvoordelen die het genoot in Ierland, waar het zijn Europese 
hoofdkwartier heeft gevestigd.

    De komst van de nieuwe hightechcentra roept de vraag op of Portugal eigenlijk wel het gekwalificeerde 
personeel bezit om aan de plotseling gestegen vraag te voldoen.

    ‘Er is momenteel in de informatie-technologiesector een tekort aan 
tweeduizend informatici,’ geeft de voorzitter van de Portugese ingenieurs-vereniging Carlos Mineiro Aires toe. Het probleem is de laatste jaren zelfs verergerd. Op het hoogtepunt van de crisis, tussen 2011 en 2014, verlieten 40.000 à 50.000 informatici Portugal. ‘Landen als Groot-Brittannië, Duitsland, Denemarken en Noorwegen organiseerden in Portugal professionele 
bijeenkomsten en kaapten onze beste mensen weg, door ze goede salarissen en arbeidsomstandigheden te bieden. Ze kiezen de beste uit, en deze jonge hoogopgeleiden verlaten Portugal 
zonder enige compensatie voor de 
studie van 40.000 à 50.000 euro die ze hebben genoten’, zegt Mineiro Aires grimmig.

    Deelnemers aan de technologieconferentie Web Summit in Lissabon in novemer 2017. – © Horacio Villalobos / Getty Images
    Deelnemers aan de technologieconferentie Web Summit in Lissabon in novemer 2017. – © Horacio Villalobos / Getty Images

    Volgens recent onderzoek van het 
wervingsbureau Michael Page zijn de salarissen voor informatici in Portugal het afgelopen jaar met vijftien procent gestegen. Maar Mineiro Aires noemt 
ze ‘nog steeds erg laag’. ‘Gemiddeld verdienen die hoogopgeleiden netto minder dan duizend euro per maand. Met zulke lage salarissen wordt het lastig om ze in Portugal te houden.’ Maar als de vraag naar informatici door de komst van de grote internet-bedrijven gaat groeien, zullen de 
salarissen snel stijgen.

    Alexandre Vaz van de ‘Digital Delivery Hub’ die Mercedes-Benz vorig jaar in Portugal opende en dat al snel een onafhankelijk bedrijf werd, Mercedes-Benz.io Portugal, zegt geen enkele moeite te hebben om gekwalificeerd personeel te vinden. ‘Vóór het eind van dit jaar willen we honderd werknemers hebben. We hebben al veel cv’s ontvangen, waaronder ook van kandidaten 
uit het buitenland. Veel jongeren 
ontdekken Portugal en willen er graag gaan wonen; sowieso is de markt voor programmeurs steeds internationaler.’

    Nu Lissabon en Portugal in trek zijn, krijgen directies van digitale multinationale bedrijven meer aandacht voor wat er in ons land gebeurt. Vaak gebeurt dat tijdens het Web Summit, dat afgelopen november voor de tweede keer plaatsvond in het Parque das Nações in Lissabon. Vaak zijn ze voor het eerst in Portugal. Ze zien het 
levendige ecosysteem van start-ups 
en andere initiatieven dat in Lissabon floreert, waarderen de creatieve sfeer, kijken rond en pakken hun rekenmachientjes erbij. Niet alleen de goedkope Portugese arbeidskrachten zijn voor hen aantrekkelijk; ze zoeken een investering die op wereldwijde schaal 
concurrerend is. Het land voldoet aan dat criterium en heeft bovendien hoogopgeleid personeel, wat een extra pluspunt is.

    ‘Deze buitenlandse bedrijven willen die talenten graag aan zich binden,’ vertelt directeur Rui Coelho van Invest Lisboa, een organisatie opgezet om investeerders naar de regio toe te halen. ‘In de technologiesector vindt een wereldwijd gevecht om talent plaats, omdat de sector leeft van innovatie en zowel de producten als de diensten steeds complexer worden. Het is dus belangrijk voor zulke bedrijven om zich ergens te vestigen waar de allerbesten graag willen komen werken’.

    ‘We moeten aan alle natuurwetenschappen meer aandacht besteden, aan wiskunde en techniek, het middelbaar onderwijs in die vakken verbeteren’

    De werkomstandigheden zijn in 
Lissabon uitstekend en de stad kan op dat vlak prima concurreren met Barcelona, Berlijn of Dublin. ‘In Barcelona is de politieke situatie niet stabiel’, gaat Coelho verder, ‘en wat Berlijn betreft, kan ik je garanderen dat je een Duitse informaticus eerder naar Lissabon krijgt dan daarnaartoe. In Dublin is 
er, ondanks de taal en het gunstige belastingklimaat, een sterk verloop van personeel, omdat de concurrentie tussen al die hightechbedrijven moordend is. En de huren zijn erg hoog.’

    De opening van de innovatiehub in Beato [waar voor het einde van dit jaar 35.000 vierkante meter voorzien is] stelt ook andere buitenlandse bedrijven in staat om zich hier te installeren. Alleen al in 2017 begeleidde Invest 
Lisboa 526 bedrijven, investeerders en ondernemers daarbij.

    Voor voormalig staatssecretaris van Innovatie Carlos Oliveira, tegenwoordig directeur van InvestBraga [een 
economisch stimuleringsbureau voor de stad Braga] profiteert het land momenteel van het ‘multiplier effect’ dat de toeloop van buitenlandse investeerders met zich meebrengt. ‘Er gebeurt veel in Portugal, en we hebben op dit moment precies wat investeerders zoeken: gekwalificeerd personeel, in veel grotere aantallen dan onze concurrenten.’ Zowel voor de callcenters, waar mensen uit krimpende sectoren komen werken, als voor onderzoek en ontwikkeling en voor technische 
afdelingen. ‘Die mensen zoeken interessant werk dat betaalt.’ Carlos Oliveira valt hem bij: ‘Wanneer een investeerder personeel wil aantrekken, 
is het belastingklimaat niet het belangrijkste criterium.’

    Is deze vijver aan talent onuitputtelijk? ‘Het wordt hoog tijd om over die vraag te gaan nadenken,’ vindt Oliveira. ‘We moeten aan alle natuurwetenschappen meer aandacht besteden, aan wiskunde en techniek, het middelbaar onderwijs in die vakken verbeteren en meer plaatsen bij de technische vakken 
aan de universiteit creëren. Dat zal binnen vijf jaar zijn effect hebben op 
de arbeidsmarkt.’ Dat geeft de andere internetgiganten nog even tijd om zich te bezinnen.

    Auteur: Clara Teixeira en Paulo M. Santos
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Visão
    Portugal | oplage 108.000

    In 1993 onderging het zwart-wit weekblad_ O Jornal_ op tabloidformaat een metamorfose: het veranderde in een fullcolourmagazine, een soort Portugese Newsweek. Inmiddels is de titel uitgegroeid tot het tweede actualiteitenmagazine van het land, na Expresso.

  • Plots is Frankrijk een techland geworden

    Plots is Frankrijk een techland geworden

    Onder president Macron investeert Frankrijk fors in zijn nieuwe hightechindustrie. En dat begint te werken, constateert een verbaasde Amerikaanse journalist.

    Om de reuzen van Silicon Valley het hoofd te bieden grijpt Frankrijk terug op een geheim wapen: de staat.

    Van de financiering van durfinvesteerders tot de hervorming van een berucht complexe arbeidswetgeving, op alle gebieden wil Frankrijk de hardnekkigste sarcastische verhalen over het Franse ondernemingsklimaat logenstraffen (evenals de onterechte clichés van met wijn overgoten lunches en zomervakanties die een paar maanden duren) en de Franse hightechindustrie zo goed mogelijk in het zadel helpen.

    En dat begint te werken. Sinds begin dit jaar hebben Franse durfinvesteerders meer geld binnengehaald (twee miljard euro, en het eind is nog niet in zicht) dan hun Britse of Duitse tegenhangers. Ook bedrijven als Facebook en Cisco hebben geïnvesteerd in Franse onderzoeksteams die zijn gespecialiseerd in complexe terreinen als kunstmatige intelligentie. En de 39-jarige president Emmanuel Macron is geprezen omdat hij – in het Engels nog wel! – de lof heeft gezongen van start-ups en die als oplossing heeft genoemd voor de economische stagnatie en de jeugdwerkloosheid, die in de dubbele cijfers loopt.

    ‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling. Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind’

    ‘Dit is de eerste keer in onze geschiedenis dat een president zich voor start-ups interesseert,’ zegt Nicolas Brusson, medeoprichter van BlaBlacar, een Parijse autodeelonderneming die met vestigingen in twintig landen en een beurswaarde van 1,4 miljard euro tot een van de belangrijkste en meest internationaal georiënteerde Franse start-ups kan worden gerekend.

    ‘Macron heeft een wereldwijde uitstraling,’ voegt hij eraan toe. ‘Vergeleken bij de Brexit of Trump is hij een frisse wind.’ Maar in de ogen van sommigen staat een dergelijke staatsinterventie gelijk aan ketterij. Volgens veel digitale apostelen mag geen enkele staat op hun vakgebied de concurrentie met de privésector aangaan. En heeft Frankrijk dan niets geleerd van zijn kostbare fouten uit het verleden? Zo heeft het land publieke middelen ingezet om de Amerikaanse vloedgolf van hightechbedrijven te keren. Quaero, een mislukt plan om een Europese concurrent van Google te creëren, is daar een goed voorbeeld van.

    Deze zelfgenoegzame houding ten opzichte van de onzichtbare hand van de markt is een vergissing. Ze gaat ervan uit dat alle centra van technologische activiteit, van Parijs tot Praag, moeten stroken met de principes die van Silicon Valley de digitale hoofdstad van de wereld hebben gemaakt.

    Maar Frankrijk heeft nauwelijks pensioenfondsen of andere goudgerande investeerders die bereid zijn grote cheques uit te schrijven ter ondersteuning van start-ups. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het land publiek geld gebruikt om het gat te dichten dat het privékapitaal doet ontstaan. In Frankrijk kunnen alleen wetgevers – niet ondernemers met hoody’s – de arbeidswetgeving hervormen die er al decennialang voor zorgt dat een Franse programmeur 50 procent duurder is dan een Britse.

    Macron en zijn vrouw met o.a. Xavier Niel (oprichter van Iliad), Delphine Arnault (vicepresident van Louis Vuitton), Anne Hidalgo (burgemeester van Parijs) tijdens de inauguratie van startupincubator Station F in Parijs. – © Bertrand Guay / Reuters
    Macron en zijn vrouw met o.a. Xavier Niel (oprichter van Iliad), Delphine Arnault (vicepresident van Louis Vuitton), Anne Hidalgo (burgemeester van Parijs) tijdens de inauguratie van startupincubator Station F in Parijs. – © Bertrand Guay / Reuters

    In de Verenigde Staten is het in de wereld van de nieuwe technologie gebruikelijk de spot te drijven met de interventionistische strategie die de Franse staat hanteert om de nationale hightechsector op te bouwen. Maar diezelfde mensen die dat doen erkennen met tegenzin dat Beijing de ontwikkeling van lokale start-ups subsidieert, waarvan sommige inmiddels tot wereldleiders op digitaal gebied zijn uitgegroeid, en het functioneren van buitenlandse hightechondernemingen streng aan banden legt. Ze zijn soms ook geneigd de rol te vergeten die de Amerikaanse overheid heeft gespeeld bij de geboorte van de technologische sector aldaar, met name bij het creëren van het internet.

    ‘Ik dacht dat er een hele generatie nodig was om de Franse mentaliteit te veranderen,’ zegt Romain Lavault, partner in het Parijse investeringsfonds Partech Ventures. ‘Maar mensen staan opeens heel anders tegenover technologie.’

    Deze heropleving van de digitale activiteit in Frankrijk heeft in de eerste plaats met geld te maken: de staat stopt er enorme bedragen in. Sinds 2013 is de grootste investeerder, zowel in start-ups als de plaatselijke durfinvesteerders, niemand anders dan Bpifrance. Deze investeringsbank, die eigendom is van de Franse staat, heeft er de afgelopen jaren meer dan vier miljard euro in gestoken om de nationale hightechsector nieuw leven in te blazen. Volgens financieel analysebureau CB Insights komt dat neer op ongeveer 20 procent van de Franse markt voor durfinvesteringen.

    Paul-François Fournier, directeur innovatie van Bpifrance, legt uit dat het er niet alleen om ging Franse oplossingen voor Franse problemen te vinden. Buiten investeringen in binnenlandse start-ups en fondsen, licht hij toe, heeft de staatsbank ook Europese en Amerikaanse durfinvesteerders gefinancierd, met name om gespecialiseerde kennis op te doen over de mondiale hightechsector en buitenlandse fondsen ertoe over te halen in Frankrijk te investeren. Op dit moment zijn de Franse durfinvesteerders die door Bpifrance worden gefinancierd goed voor gemiddeld 160 miljoen euro, een verdubbeling ten opzichte van 2013, zodat deze lokale bedrijven op wereldschaal concurrerend kunnen zijn.

    Nog een lange weg

    Toch is er nog een lange weg te gaan voordat Parijs zich Silicon Valley aan de Seine kan noemen. Macron probeert het de Franse hightechkringen, die weer wat kleur op de wangen hebben, naar de zin te maken. Maar tegelijkertijd heeft hij het voortouw genomen in een Europese campagne om digitale bedrijven meer belasting te laten betalen in de hele EU – een offensief dat voornamelijk de reuzen van de Amerikaanse Westkust op het oog heeft (bekend onder de verzamelnaam Gafa: Google, Amazon, Facebook en Apple), maar ook ingrijpende gevolgen zal hebben voor kleine start-ups.

    De grote rol van de overheid in de technologiesector zou algauw tot marktbeïnvloeding kunnen leiden, wat geen goed idee is gezien de snelheid waarmee de digitale wereld zich ontwikkelt. Typerend voorbeeld: in 2013 verbood Frankrijk de verkoop van Dailymotion, een Franse start-up op het gebied van videostreaming, aan Yahoo, om twee jaar later de Franse mediareus Vivendi wél toestemming te geven het bedrijf te kopen, tegen een lagere prijs.

    Al deze staatssteun die recentelijk aan de technologiesector is verleend zal tevergeefs blijken als de Franse start-ups en durfinvesteerders niet aan de verwachtingen kunnen voldoen: wereldwijd concurrerende bedrijven creëren.

    De ‘eenhoorns’, digitale bedrijven die meer dan een miljard dollar waard zijn, blijven schaars in het Franse ecosysteem van nieuwe technologie. En de rentabiliteit van Franse fondsen die in start-ups investeren lag de afgelopen drie jaar gemiddeld op 6,3 procent, oftewel de helft van hun Britse tegenhangers in dezelfde periode.

    Maar juist op dit terrein zal het Franse initiatief om nieuwe technologie te bevorderen zich moeten bewijzen. Publieke programma’s en financieringen kennen hun grenzen als het op wereldwijde concurrentie aankomt. Op een gegeven moment zal ook de privésector zijn rol moeten spelen.
    Mark Scott

    Auteur: Mark Scott
    Vertaler: Nicolette Hoekmeijer

    Politico
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 34.000

    Twee journalisten van The Washington Post begonnen deze onlinekrant met politieke actualiteiten. Een papieren versie wordt gratis verspreid in de Amerikaanse hoofdstad.

    CONTEXT: ‘Toekomst van Europa ligt in Frankrijk’

    Veel economische cijfers in Frankrijk, zoals op het gebied van werkloosheid of groei, zijn ‘rampzalig’, schrijft The Wall Street Journal. ‘Maar belangrijker is’, vervolgt het Amerikaanse dagblad, ‘dat Frankrijk jong is.’ 18,5 procent van de bevolking is vijftien of jonger, veel meer dan de 13 procent van Duitsland. ‘Zo bezien ligt de toekomst van Europa in Frankrijk, niet in Duitsland’, aldus de krant. Volgens WSJ is dit demografische gegeven bepalend voor het beleid dat door president Macron in werking wordt gezet, met name op het gebied van arbeidshervorming en onderwijs: ‘Hij verandert een land voor ouderen in een land voor jongeren.’

    De slagingskansen van deze transformatie zullen zich niet beperken tot werkloosheids- en groeicijfers, want men zal ook oog moeten hebben voor ‘de vlucht van jong talent, verbetering van de schoolresultaten en het aantal mensen dat beroepsonderwijs volgt’.

  • Smartphone verdeelt de amish

    Smartphone verdeelt de amish

    Hun paard en wagen hebben ze nog niet afgezworen, maar ook in de amishgemeenschap doen computers en mobiele telefoons langzaam hun intrede. Tot angst van sommigen: ‘We zijn bang dat onze kinderen van ons worden weggedreven.’

    Op de boerenmarkt zet een jonge vrouw in een ouderwetse, lange jurk, getooid met een wit kapje, een stap opzij. Ze kijkt op de smartphone in haar hand en begint te scrollen, opgezogen in haar eigen wereld. Niet ver bij haar vandaan bedient een zestiger met een grijze baard, een breedgerande strohoed en bretels een computergestuurde zaagmachine. Hij zaagt planken voor tuinhuisjes die online worden verkocht en afgeleverd door het hele land.

    De amish hebben hun paard en wagen nog niet afgezworen. Door hun starre afwijzing van veel nieuwe technologie hebben ze hun negentiende-eeuwse levensstijl goeddeels weten te behouden: geen auto’s, tv’s of aansluitingen op het elektriciteitsnet, bijvoorbeeld. Maar in sommige gemeenschappen doen computers en mobiele telefoons langzaamaan hun intrede, die hen – nolens volens – de eenentwintigste eeuw in trekken.

    Welvaart en gemak

    Ook voor de amish heeft technologie de deur opengezet naar meer welvaart en meer gemak. Een aannemer kan een klant bellen vanaf de bouwplaats. Software biedt voor een winkelier uitkomst bij salarisadministratie en voorraadbeheer. Een bakkerij kan creditcards accepteren. Maar de hechte geloofsgemeenschap, die zich zo veel mogelijk afzijdig houdt van de buitenwereld, is bang voor de gevolgen van toegang tot het internet. Ze zijn bang voor porno, voor de mogelijkheid dat sociale netwerken hun zonen en dochters in de armen van jongeren buiten de gemeenschap drijven en voor de ontsluiting van een wereld van schier eindeloze mogelijkheden.

    ‘Het leven van de amish draait om het erkennen van het belang van afgesproken grenzen,’ zegt auteur Erik Wesner, die de blog Amish America bijhoudt. ‘En de geest van het internet gaat daar lijnrecht tegenin.’

    John, de timmerman van het bedrijf Amish Country Gazebos dat de tuinhuisjes maakt, haalt als voorbeeld het verbod op auto’s aan. ‘Een leven zonder auto’s is een manier om de groep bijeen te houden,’ zegt hij. (Zoals de meeste geïnterviewden weigert hij uit typische amishbescheidenheid zijn achternaam te noemen, en om dezelfde reden wil het merendeel ook niet worden gefotografeerd.) 
‘We zijn altijd huiverig voor de dingen die onze jongeren bij de kerk en de gemeenschap kunnen wegdrijven,’ voegt hij eraan toe.

    Het internet bedreigt ook een ander bindmiddel: bij de amish stopt het schoolonderwijs na de tweede klas 
van de middelbare school, daarna gaan jongeren in de leer bij een familielid of ander lid van de gemeenschap om een vak of ambacht te leren. ‘Als je alles gewoon op internet kunt opzoeken, gebruik je je hersens niet,’ zegt Levi, een andere timmerman. ‘Hoe meer mensen zich op technologie verlaten, hoe meer ze achter een bureau willen zitten. Maar achter een bureau leer je niet een huis te bouwen. Waar ik me zorgen om maak, is dat onze kinderen hun arbeidsethos kwijtraken.’

    Een amish met smartphone op de boerenmarkt Bird-in-Hand in Pennsylvania. – © Ashley Gilbertson / The New York Times
    Een amish met smartphone op de boerenmarkt Bird-in-Hand in Pennsylvania. – © Ashley Gilbertson / The New York Times

    Sommige jongeren vinden die angst ongegrond. Marylin (18) vertelt dat de jeugdleiders haar en haar vriendinnen verzoeken tijdens kerkdiensten het samenzijn te respecteren en hun mobiele telefoons niet te gebruiken, ‘dus dan checken we alleen onze berichten en hoe laat het is’. Maar ze vindt dat de regels wel wat soepeler mogen. ‘We kunnen niet leven zoals vijftig jaar geleden,’ zegt ze. ‘Je kunt niet van ons verwachten dat we stil blijven staan. We houden van onze manier van leven, maar een beetje meegaan met de tijd kan geen kwaad.’

    Een van de redenen dat de amish steeds meer gebruikmaken van technologie, is de sterke groei van de sekte. Het aantal amishgelovigen in de 
Verenigde Staten wordt geschat op 313.000, een toename van 150 procent ten opzicht van 25 jaar geleden, volgens onderzoekers op het Elisabethtown College in de provincie Lancaster, Pennsylvania – het hart van amishland. De aanwas is grotendeels te danken aan de gewoonte van de amish om grote gezinnen te stichten: getrouwde vrouwen krijgen gemiddeld zeven kinderen, en het percentage gehuwden ligt hoger dan het Amerikaanse gemiddelde. Bovendien trouwen ze 
op jongere leeftijd.

    Rond Lancaster, waar open land schaarser en duurder is geworden, is een aantal amishfamilies vanwege de snel uitdijende gemeenschap weggetrokken naar landelijke gebieden in onder andere de staat New York. 
Anderen hebben het boerenbestaan vaarwel gezegd en zijn op de handel overgegaan. Moses Smucker, bijvoorbeeld, heeft een levensmiddelen- en broodjeskraam geopend in de populaire markthal in Philadelphia. Zes dagen per week wordt hij vanuit de omgeving van Lancaster naar Philadelphia gereden, een rit van meer dan 100 kilometer. ‘Philadelphia is erg jachtig,’ zegt hij. ‘Als ik thuiskom, stap ik weer op mijn paard. Onthaasting is een groot goed.’ Zijn zaak Smucker’s Quality Meats and Grill richt zich op toeristen en kantoorpersoneel in de buurt van het stadhuis. Je kunt er met creditcard betalen en de zaak wordt op Yelp beoordeeld met vierenhalve ster. Over technologie zegt Smucker: ‘Je moet omarmen wat nodig is om je 
zaak te runnen. De amish beginnen dat te begrijpen.’

    De scheidslijnen zijn niet altijd even helder. Een huis aansluiten op openbare nutsvoorzieningen is taboe, maar veel huizen wekken stroom op door middel van generatoren en zonnepanelen

    Er zijn ongeveer tweeduizend succesvolle amishondernemingen in de omgeving van Lancaster, veel van hen miljoenenbedrijven, zegt amishkenner Donald B. Kraybill. Deze ‘zakelijke, kapitalistische’ tendens is des te opmerkelijker, zegt de gepensioneerde professor, omdat hij voortkomt uit een ‘cultuur van soberheid’. Veel amish trekken een duidelijke grens. Sommige technologie is toegestaan op het werk – smartphones, internet – maar niet in huis. Toch zijn de scheidslijnen niet altijd even helder. Een huis aansluiten op openbare nutsvoorzieningen is taboe, maar veel huizen wekken stroom op door middel van generatoren en zonnepanelen. Veel huishoudens hebben koelkasten op gas. En dankzij de speciale ‘amishtaxidienst’, gerund door buitenstaanders, wordt het verbod op autobezit listig omzeild.

    John, de timmerman van Amish Country Gazebos, brengt het grootste deel van de dag achter de computergestuurde zaagmachine door. Hij kent de machine, die in een moderne meubelmakerij niet zou misstaan, vanbinnen en vanbuiten, wat thuis nogal eens tot plagerijen leidt. ‘We noemen hem soms de computergeek,’ zegt zijn zoon Junior gekscherend, terwijl de familie aanschuift voor het avondmaal. Het is een typisch amishplaatje. Aan tafel zitten John en zijn vrouw Lizzie, samen met Junior, zijn echtgenote, hun vier dochters en een zoon die nog geen week geleden thuis is geboren. Lizzie heeft biefstuk, aardappelen en maïs klaargemaakt, en als toetje is er watermeloen uit eigen tuin. De familieleden buigen het hoofd om te bidden. Deze maaltijd zal niet worden verstoord door mobiele telefoons.

    Auteurs: Kevin Granville en Ashley Gilbertson

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’.

  • Video: HyperNormalisation

    Video: HyperNormalisation

    Adam Curtis (61) is een BBC-journalist die al een aantal (lange) semidocumentaire(series) op zijn naam heeft staat. In zijn jongste, HyperNormalisation (2016), betoogt hij dat overheden, financiers en technologische utopisten sinds de jaren zeventig de complexe ‘echte’ wereld hebben ingeruild voor een simpele nepwereld, die wordt gerund door grote bedrijven en onder controle gehouden door politici.

    The Guardian schreef dat de film ‘een passend voorwoord zou kunnen zijn bij Donald Trumps “global horror show”’. En verder: ‘Curtis betoogt dat wij zijn verdwaald in een nagebootste wereld en de werkelijkheid achter de fake niet meer waarnemen.’

    En dat was ruim voor aan Trumps overwinning op 8 november 2016. HyperNormalisation bevat veel materiaal uit de BBC-archieven, en fragmenten van films als Dr. Strangelove, Stalker, Deep Impact, Independence Day, Godzilla, Armageddon en The Rock.