Tag: terrorisme

  • 8. Het fanatisme dat de islam vernietigt

    8. Het fanatisme dat de islam vernietigt

    Een woedende reactie op een Syrisch oppositieblog.

    Onder de daders van de aanslagen in Parijs waren Arabische moslims, aanhangers van het kalifaat, die in Frankrijk wonen, het land waarvan zij de nationaliteit hebben verworven. Door oorlog te voeren uit naam van IS menen zij de wereld tot de islam te kunnen bekeren. Wanneer begrijpen ze nu eens dat de islam in de versie van het kalifaat zich tegen de moslims zelf zal keren en de islam zal vernietigen? Wanneer zullen ze de godsdienst nu eens terzijde schuiven om een seculiere politieke strijd te voeren, zoals de rest van de wereld dat doet? Oorlog dient ertoe om de vrijheid, de soevereiniteit van een land te verdedigen en zijn fundamentele belangen, niet om de onwetendheid en de haat te doen zegevieren in de naam van de godsdienst. Alleen het gezamenlijk bestaan naast andere beschavingen in de wereld kan de islam uitzicht bieden op vooruitgang, op een verbetering van het bestaansniveau en op een culturele renaissance. Dat de moslims op hun eigen grondgebied kunnen leven, is dankzij de westerse uitvindingen. De auto’s die moslims gebruiken zijn gemaakt door ‘ongelovigen’, evenals het vliegtuig waarmee ze comfortabel op pelgrimstocht naar Mekka gaan. Zelfs de luidsprekers die zij daar tijdens het gebed gebruiken zijn ‘ongelovige producten’. Ze verbieden niet-moslims om Mekka binnen te gaan, maar het zijn de mobiele telefoons uit die ‘ongelovige landen’ die in hun plaats Mekka overstromen.

    Ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen

    De ergste oorlogen die op dit moment in de wereld woeden zijn die waarin moslims tegenover moslims staan – in Libië, Egypte, Somalië, Libanon, Syrië en in een aantal landen in Afrika. Maar ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen. Om zich te verzoenen met het moderne leven en de uitdaging van de ontwikkeling aan te kunnen gaan, dienen de moslims de hele geschiedenis te herzien. De olie van de Arabische landen zou geen stuiver waard zijn geweest als het Westen niet de industriële revolutie had ontketend. En als het Westen eenmaal de bronnen voor alternatieve energie heeft ontwikkeld, zullen de Arabieren zich geen raad meer weten. Een revolutie binnen de islam moet ons in staat stellen ons te verzoenen met het leven. Leven in vrede met andere volken, strijden tegen onderontwikkeling met dezelfde snelheid als het virus van het extremisme. Laten we ophouden met die religieuze instanties die God aanroepen om de onwetendheid te prediken. Laten de moslims eindelijk eens gaan geloven in burger-schap en in politieke strijd.

    Auteur: Habib Saleh
    Vertaler: Peter Bergsma

    Habib Saleh is blogger. In Syrië werd hij drie keer gearresteerd en veroordeeld tot gevangenisstraf, nog altijd verkondigt hij zijn onverbloemde mening op diverse platforms, waaronder syria4all en elaph, een pan-Arabische nieuwssite die in Syrië wordt gecensureerd. Zijn arrestaties werden aangevochten door mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, die op hun site ook zijn tijdelijke vermissing in 2008 meldden.

    All4Syria
    Syrië, all4syria.info
    Voor een vrij en verbonden vaderland, tegen sektarisme, discriminatie en alle vormen van monopolie van mening.

  • 7. Nederlaag van de beschaving

    7. Nederlaag van de beschaving

    Een journalist van de Tunesische nieuwssite Leaders noemt de aanvallen op ‘de mooiste stad ter wereld’ een daad van onverbloemde barbarij.

    Woorden schieten tekort 
om uiting te geven aan de gevoelens van verdriet, opstandigheid en afschuw die de gebeurtenissen van afgelopen vrijdagavond in Parijs bij ons oproepen. Op de vraag naar het waarom valt op geen enkele manier antwoord te geven. 13 november 2015. In de geschiedenis zal deze datum vast en zeker op dezelfde manier worden geboekstaafd als die van de aanslag op het World Trade Center. Na 11 september 2001 dacht men dat deze agressie zich nooit ofte nimmer zou herhalen. Vrijdagavond heeft de mensheid een grote stap terug gedaan. Vergeleken met IS zijn de terroristen van Al-Qaida koorknaapjes. Dit betekent de terugkeer van de primitieve mens, van de wet van de jungle, van onverbloemde barbarij. Het is de neder
laag van de rede, van het denken, van de beschaving.

    De keuze voor Parijs was niet toevallig. Parijs is de mooiste stad van de wereld, de stad waar de mensen voor het eerst in de geschiedenis zijn opgestaan tegen tirannie en onderdrukking, waar de eerste verklaring van de rechten van de mens werd uitgevaardigd, waar de briljantste en meest vrije geesten zijn geboren of hebben geleefd. Parijs is de kwintessens van de universele beschaving. Het is tegen dit symbool dat de vijanden van de menselijke soort zich hebben gekeerd. De tientallen doden die zijn gevallen in Le Bataclan of in de straten van Parijs, slachtoffers van het meest abjecte terrorisme dat nota bene uit naam van een religie wordt bedreven, zijn vóór alles onze ‘broeders in menselijkheid’, net als de slachtoffers van 
het Bardomuseum en [de kustplaats] Sousse en die van het World Trade Center. Op vrijdag was niet alleen Parijs het doelwit, maar de hele mensheid.

    Eén vraag brandt op mijn lippen. De moslims hebben hem altijd ontweken. Maar nu is het tijd om zich er serieus over te buigen. Ik richt me zowel tot mijn landgenoten als tot al mijn geloofsgenoten op de wereld. Waarom baren onze samenlevingen, andere dan alle andere, zulke monsters?

    Auteur: Mustapha
    Vertaler: Peter Bergsma

    Leaders
    Tunesië, leaders.com.tn
    Nieuwssite voor m.n. Tunesische actualiteiten, sinds 2011 ook als maandblad verkrijgbaar.

  • 6. ‘Nachtmerrie veiligheidsdiensten is werkelijkheid geworden’

    6. ‘Nachtmerrie veiligheidsdiensten is werkelijkheid geworden’

    Gelijktijdige en op elkaar afgestemde aanslagen, dat is precies wat de Franse inlichtingendiensten al maandenlang vreesden, schrijft het Libanese dagblad L’Orient-Le Jour.

    Gelijktijdige aanslagen, een gijzel
neming door verschillende schutters en minstens één 
zelfmoordactie: dat is het nachtmerrie
scenario dat zich vrijdagavond in Parijs heeft voltrokken en dat al maandenlang door de terrorismebestrijders werd gevreesd.

    De afgelopen weken hebben experts herhaaldelijk gewaarschuwd dat er islamistische aanslagen van ongekende omvang in Frankrijk werden voorbereid die vrijwel onmogelijk konden worden verijdeld.

    ‘De thermometer stijgt. Ze wachten gewoon het juiste moment af om de gebeurtenis rechtstreeks door de media te laten verslaan zodat een maximum aan publiciteit is gegarandeerd,’ verklaarde een lid van de Franse terrorismebestrijding onlangs anoniem tegenover het Franse nieuwsagentschap AFP. ‘We vrezen aanslagen met kalasjnikovs, die lange tijd zullen duren.’

    Wat er vrijdagavond is gebeurd bij onder meer het Stade de France en Le Bataclan is precies wat de Franse terrorismebestrijders al maandenlang vreesden: een Parijse kopie, maar dan nog erger, van de aanslag door een goed bewapend islamistisch commando in het winkelcentrum Westgate in Nairobi, in september 2013, die 68 mensen het leven kostte tijdens een belegering van vier dagen, voor de lens van camera’s van over de hele wereld.

    ‘Op de dag dat je twee goede veteranen van de strijd in Syrië treft, heb je een probleem’

    ‘Als ze zich opsluiten in een warenhuis, is het een nachtmerrie om ze te vinden,’ had dezelfde leidinggevende eraan toegevoegd. ‘Je moet eerst weten hoeveel schutters er zijn, ze daarna zien te 
vinden en ze neutraliseren, en dat 
kost uren. Op de dag dat je twee goede veteranen van de strijd in Syrië treft, heb je een probleem.’

    Sinds begin dit jaar hebben alleen geluk en de onhandigheid van de mannen die een aanslag wilden plegen, zoals die op een Thalys en een kerk in Villejuif, een bloedbad kunnen voorkomen. Maar nu er tientallen steeds gehardere jihadistische strijders zijn teruggekeerd, zo’n groot aantal dat het onmogelijk is ze allemaal in het oog te houden, zijn de risico’s van een aanslag van ongekende omvang onophoudelijk toegenomen.

    Leden van de Forensische Opsporing verzamelen bewijsmateriaal bij café Comptoir Voltaire. – © SIPA / HH
    Leden van de Forensische Opsporing verzamelen bewijsmateriaal bij café Comptoir Voltaire. – © SIPA / HH

    ‘Het gevaar komt van een aanzienlijke groep jongemannen die gehard zijn in de strijd, misschien in Syrië, misschien in Libië, misschien in Jemen, en die ter plaatse (in Frankrijk) wapens vinden en tot actie overgaan,’ zo verklaarde Yves Trotignon, tot voor kort verbonden aan de antiterrorismeafdeling van Franse buitenlandse inlichtingendienst DGSE, onlangs tegenover AFP. 
Hij voegde eraan toe: ‘Jongens die vastbesloten zijn en bereid om te sterven, die hun doelwit hebben bestudeerd en operationeel gezien hun mannetje staan, kunnen veel kwaad aanrichten. Het aantal veteranen van de jihad neemt met de dag toe. De veiligheidsdiensten, je kunt er niet omheen, worden erdoor overspoeld.’

    Na de aanslagen op Charlie Hebdo en de Hyper Cacher afgelopen januari hebben de antiterrorismedienst, de inlichtingendiensten, de politie en de veiligheidsdiensten zich voorbereid op een eventuele gelijktijdige aanslag, zoals die zich in de nacht van vrijdag op zaterdag heeft voltrokken. Ze hebben geoefend op hoe ze moeten reageren, zich moeten mobiliseren en moeten samenwerken als zo’n aanslag werkelijkheid wordt.

    De aanslagen in Mumbai in november 2008, waarbij tien aanslagplegers tegelijkertijd vijf verschillende doelen aanvielen en 173 mensen doodden, waren door alle antiterrorismediensten op de wereld bestudeerd. Maar alle verantwoordelijken verklaarden desgevraagd dat het onvermijdelijk was dat de aanslagplegers methodes zouden kunnen gebruiken die ze niet hadden voorzien.

    Auteur: Michel Moutot
    Vertaler: Peter Bergsma

    Michel Moutot is journalist voor l’Agence France-Presse (AFP). Hij verbleef in die functie achtereenvolgens in Lyon, Beiroet, Bosnië, Kenia, Albanië en Servië en New York. Hij won prijzen voor zijn verslagen over de Kosovo-oorlog en de aanslagen in New York. In 2015 verscheen zijn eerste roman, Ciel d’acier: ces indiens qui ont construit l’Amérique, waarmee hij een debutantenprijs won.

    L’Orient-Le Jour
    Libanon, dagblad, oplage onbekend
    In 1971 fuseerden de twee grootste Franstalige kranten van Beiroet: L’Orient en Le Jour. Behartigt de preoccupaties van de Libanese christenen.

  • 5. Mumbai was blauwdruk voor Parijs

    5. Mumbai was blauwdruk voor Parijs

    In 2008 werd de Indiase stad Mumbai getroffen door soortgelijke aanslagen als in Parijs, met 166 doden als gevolg. Het is de hoogste tijd dat regeringen en veiligheidsdiensten gaan samenwerken om dit soort terrorisme te bestrijden.

    Bijna drie weken geleden klaagde een hoge functionaris van de Indiase inlichtingendienst over het mislukken van een initiatief dat de Indiase potentie tot contraterrorisme aanzienlijk had kunnen verhogen.

    Bezorgd om het gebrek aan samenwerking tussen de veiligheidsdiensten, kwamen twee sleutelfiguren uit de 
top van de inlichtingendiensten, Asif Ibrahim van het Intelligence Bureau en Alok Joshi van de Research and 
Analysis Wing, in de zomer van 2014 bij elkaar om een stoutmoedig plan op te stellen ten einde zaken die speelden tussen beide bureaus op te lossen. 
Hun plan was eenvoudig van opzet, maar beiden waren zich bewust van 
de moeilijkheid om het ook echt te implementeren.

    ‘Het plan was om professionals bij elkaar te brengen die te maken hebben met contraterrorisme, en vervolgens als één team samen te werken,’ liet de functionaris mij weten. ‘Beide chefs hadden gehoopt dat met een gezamenlijk optreden de informatiestromen sneller op gang zouden komen zodat de tegenmaat‑regelen effectiever zouden zijn dan op dit moment het geval is.’

    Maar zoals het met de meeste goede ideeën gaat, was de weerstand zo groot dat zelfs de twee kopstukken uit de wereld van de inlichtingendiensten het plan niet wisten te realiseren. Beiden namen ontslag, en het voorstel verdween in de torenhoge stapels dossiers van de ministeries van North en South Block.

    Het tegengaan van terroristische aanslagen zal moeten beginnen bij de vooronderstelling dat ze onmogelijk voorkomen kunnen worden

    Met de aanslagen in Parijs afgelopen vrijdag, werd het opnieuw duidelijk 
dat het terrorisme vandaag de dag een soort wereldwijde coalitie is. Helaas is het antwoord op het wereldwijde terrorisme allesbehalve eenduidig. Zoals India heeft aangetoond, is het een hele uitdaging om de twee belangrijkste veiligheidsinstanties tot een vorm 
van samenwerking te brengen, en de politieke wil om radicale veranderingen door te voeren blijft hopeloos klein. Elke stap die werd beschouwd als een tegenmaatregel in India’s strijd tegen het terrorisme na de aanslagen door 
de terroristen van Lashkar-e-Taiba (LeT) in november 2008 in Mumbai, is door de omvangrijke bureaucratie van India 
in de ijskast verdwenen.

    De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat veel van de voorgestelde maatregelen gebreken vertoonden. Het geplande Nationale Centrum voor Contraterror‑isme had uiteindelijk fataal kunnen zijn voor India’s federale principes, 
terwijl de plannen die de National Intelligence Grid had om de databanken van de belangrijkste Indiase veiligheidsdiensten aan elkaar koppelen, niet voorzagen in de vereiste veiligheidsgarantie. Maar die maatregelen hadden uitgebreid besproken moeten worden, de verschillen van inzicht erover bijgelegd, en vervolgens zonder verder uitstel geïmplementeerd moeten worden.

    Indiase Moslims in Mumbai verbranden een poster van IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi in reactie op de aanslagen in Parijs. – © Rafiq Maqboo / AP
    Indiase Moslims in Mumbai verbranden een poster van IS-leider Abu Bakr al-Baghdadi in reactie op de aanslagen in Parijs. – © Rafiq Maqboo / AP

    Dit is ironisch. De aanslagen in Mumbai door de moslimorganisatie Lashkar-e-Taiba vormen nu de blauwdruk voor wereldwijde terroristische aanslagen, zoals de recente tragedie in Parijs aantoont. Terwijl een 9/11 spectaculair is wat betreft planning en uitvoering, is het ook veel moeilijker te realiseren in deze tijd van toegenomen toezicht en bewaking. Maar een aanslag à la Mumbai is veel makkelijker te plannen en uit te voeren, en met als resultaat nog meer dodelijke slachtoffers. Het verkrijgen en binnensmokkelen van kleine wapens, het motiveren en vervolgens naar kwetsbare openbare gelegenheden sturen van zelfmoordterroristen, is de ergste nachtmerrie voor veiligheidsfunctionarissen, en die nachtmerrie 
is nu werkelijkheid geworden.

    Het tegengaan van terroristische aanslagen zal moeten beginnen bij de vooronderstelling dat ze onmogelijk voorkomen kunnen worden. Dergelijke aanslagen zullen plaats blijven vinden en zullen het kenmerk blijven van het terrorisme in de toekomst. Wat veiligheidsfunctionarissen kunnen doen is beginnen met het smeden van plannen voor tegenmaatregelen om het aantal van dergelijke aanslagen te verminderen, de veerkracht en veiligheid van openbare gelegenheden te verbeteren, het reactievermogen van contraterroristische eenheden te versnellen, worstcase‑scenario’s te bedenken en uit te werken, een doelgerichte inlichtingendienst op te zetten die opereert ver van het krachtenveld van de grootschalige bewaking, en werk te maken van het opsporen en wegnemen van de onderliggende oorzaken die tot terrorisme kunnen leiden.

    Niets van dit alles zal eenvoudig zijn. Al meer dan twintig jaar dringt India zonder veel succes aan op een Conventie van de Verenigde Naties over terrorisme, omdat velen het wereldwijd oneens zijn over wat ‘terrorisme’ precies is. Zolang er geen overeenstemming is over hoe terrorisme gedefinieerd moet worden, hoe kunnen er dan wereldwijde protocollen worden geschreven over het bestrijden van terrorisme? India kreeg ook te maken met tegenstand van wereldmachten als de VS toen het in het begin van de jaren negentig aandacht vroeg voor het door Pakistan gesponsorde terrorisme. Na de bomaanslagen van 1993 in Mumbai stelden Indiase inlichtingendiensten heel accuraat de verbanden vast tussen de wapenaankopen door het Pakistaanse leger en de munitie die werd gebruikt in Mumbai. Toen die bewijzen werden voorgelegd aan de VS, hielpen die het bewijsmateriaal ‘kwijt te raken’, en zodoende werd een mogelijke strafzaak tegen Pakistan succesvol de nek omgedraaid. Dat soort dubbele standaarden hebben de wereldwijde zaak tegen het terrorisme zelden of nooit goed gedaan.

    Nieuwe doctrines

    Terrorisme is ook een kwestie van leren en ervaring opdoen van nieuwe doctrines. Het VN Bureau voor Drugs- en Misdaadbestrijding gaf opdracht voor een onderzoek naar de vraag hoe terroristen gebruikmaken van online community’s om hun doelen te 
bereiken.

    Een citaat: ‘De snelheid, het wereldwijde bereik en de relatieve anonimiteit waarmee terroristen gebruik kunnen maken van het internet om hun zaak te bepleiten of terroristische aanslagen mogelijk te maken, maakt, (…) een alerte en effectieve internationale samenwerking tussen ordehandhaving en inlichtingendiensten tot een steeds crucialere factor in een succesvol onderzoek.’ Maar de afwezigheid van een universeel instrument om cyberkwesties aan te pakken voorkomt dat regeringen onderling samenwerken in de strijd tegen terroristische netwerken die online hun boodschap verspreiden. Zaken als jurisdictie, uitzetting en vervolging vormen de voornaamste onderlinge verschillen, waardoor regeringen het nog steeds niet eens kunnen worden over het vinden van gemeenschappelijke methoden om het internationale terrorisme te bestrijden.

    Zoals onderzoek heeft aangetoond, 
is de Islamitische Staat een meester in het gebruik van socialemedianetwerken voor financiering en rekrutering, waardoor hun terrorisme kan blijven groeien. Zoals onderzoekers onlangs ontdekten zijn de meeste van die sociale medianetwerken van IS vooral actief in Europa, en minder in het Midden-Oosten.

    Het is duidelijk dat de aanslagen in Parijs niet de laatste zullen zijn. 
Landen als India worden al als voornaamste doelwit aangemerkt door internationale terreurorganisaties als Al-Qaida en IS. Alleen maar toegeven dat er een dreiging bestaat is niet voldoende. Er is een gezamenlijke reactie nodig, zowel intern als op internationaal vlak. Tenzij naties het erover eens worden hoe ze gezamenlijk de gesel van het terrorisme kunnen bestrijden, zullen ze gedoemd zijn voor altijd de rol te spelen van het slachtoffer van terrorisme.

    Saikat Datta is journalist, auteur van een boek over India’s Speciale Eenheden en gastonderzoeker voor de Observer Research Foundation. Hij houdt zich ook bezig met zaken als contraterrorisme, inlichtingenkwesties en cyberbeveiliging.

    Auteur: Saikat Datta
    Vertaler: Peter Bergsma

    Saikat Datta is journalist, auteur van een boek over India’s Speciale Eenheden en gastonderzoeker voor de Observer Research Foundation. Hij houdt zich ook bezig met zaken als contraterrorisme, inlichtingenkwesties en cyberbeveiliging.

    Scroll.in
    India, scroll.in
    Website die is opgericht in 2013 door een team van prijswinnende journalisten. Het biedt een onafhankelijk nieuwsoverzicht en kritische analyse van de belangrijkste politieke en culturele verhalen die vormgevend zijn voor hedendaags India.

  • 3. ‘Frankrijk kan   rekenen op zijn voorsteden’

    3. ‘Frankrijk kan rekenen op zijn voorsteden’

    In een café vlak bij het Stade de France in Saint-Denis zijn de stamgasten woedend op de terroristen. ‘Men zal zich tegen de moslims keren.’

    Sommigen lezen de krant aan de bar, zwijgend. Anderen, op het trottoir, vertellen, praten met elkaar, discussiëren. Op deze zaterdagochtend is café La Royale, op een steenworp van het Stade de France in Saint-Denis, in rumoerige rouw gedompeld. Hier heeft bijna iedereen vrijdagavond de ontploffingen gehoord die door de drie zelfmoordenaars werden veroorzaakt. Al heel gauw verspreidde de angst zich door de wijk: ‘Mijn neef en mijn schoonzus waren in het stadion, maar we konden ze niet bereiken. Mijn moeder moest bijna overgeven,’ vertelt Hassen (45). Otman was aan het werk in een van de pizzeria’s voor het sportcomplex: ‘Het eerste wat ik heb gedaan was mijn familie bellen om te zeggen dat ze moesten maken dat ze weg‑kwamen of naar huis moesten gaan. Het is afgelopen, we zijn niet veilig meer.’ ‘Wat er is gebeurd heeft ons tot in het diepst van onze ziel geraakt,’ voegt Aziz, een vijftiger van Tunesische afkomst, eraan toe.

    Tarek (33) heeft twee verschillende avonden meegemaakt. De ene was ‘goed, want we hebben Duitsland verslagen met voetbal’. De andere was ‘walgelijk’. Hij fluistert dat het ‘erger’ was dan de aanslagen van januari 2015. Allereerst vanwege het aantal doden: ‘Dat is onvoorstelbaar.’ Hij voegt eraan toe: ‘En ten tweede kenden we geen zelfmoord
aanslagen in Frankrijk. We waren er niet op voorbereid.’ Hij heeft die nacht geen oog dichtgedaan. ‘Hoe kun je na zoiets slapen? Ze hebben ons aangevallen in onze eigen wijk. Zoiets als vrijdag
avond heb ik nog nooit gezien. Er was enorm veel politie op de been, maar als je naar hun gezichten keek, zag je dat ze allemaal geschokt waren,’ zegt Tarek, die ‘in het verzet’ is gegaan. ‘Frankrijk is in oorlog, het kan rekenen op zijn voorsteden.’

    Alles op één hoop

    Hassen, die persabonnementen verkoopt, benadrukt: ‘We stonden achter Charlie Hebdo en de vrijheid van meningsuiting. Maar nu hebben ze heel Frankrijk getroffen, om het even wie.’ Je merkt dat de mensen radeloos zijn. ‘Hoe kun je jezelf opblazen vanwege ideeën, in naam van een godsdienst?’ vraagt Hassen. ‘De wereld is tot stilstand gekomen. Het is volkomen geschift.’ Janel, van oorsprong Algerijns, verzucht: ‘De islam verbiedt bloedvergieten en zelfmoord. Hoe kun je zover komen?’ Zijn familie heeft in de jaren negentig het terrorisme van de FIS, een islamitisch-fundamentalistische Algerijnse groepering, meegemaakt: ‘De avondklok, de noodtoestand. Juist daarom zijn we naar Frankrijk gevlucht.’

    Tarek begrijpt het niet: ‘Ik ben een Franse moslim. Hier kan ik bidden, ramadan vieren. Als je er extreme ideeën op nahoudt, moet je hier niet willen blijven.’ De identiteit van de plegers van de aanslagen, waarvoor de verantwoordelijkheid is opgeëist door IS, baart hun zorgen: ‘Dit zal zich ongetwijfeld tegen de moslims, tegen de mensen uit de voorsteden keren,’ vreest Hassen. 
De term ‘alles op één hoop gooien’ keert telkens terug, vooral met het oog op de naderende verkiezingen. ‘Er zal vooral met een schuin oog naar één deel van de Franse bevolking worden gekeken, en dat is eerlijk gezegd wel te begrijpen,’ laat Tarek zich ontvallen. Om er even later op terug te komen: ‘We moeten de eenheid bewaren. We moeten ons geen angst laten aanjagen door de terroristen. Je kunt je niet gewonnen geven in je eigen wijk. Het zal tijd kosten om erbovenop te komen, maar we moeten ze laten zien dat ze ons met hun aanslagen alleen maar sterker maken.’ Hij hoopt ook dat de media niet in een ‘stigmatiseringsspiraal’ zullen vervallen en dat François Hollande ‘het volk kracht zal weten te geven om zich te verenigen’.

    ‘Toen ik Hollande vrijdagavond op tv zag, leek hij in paniek. Hij heeft me niet gerustgesteld’

    Deze oproep tot ‘nationale eenheid’ wordt door alle klanten gesteund. 
‘De politici moeten ophouden met 
kibbelen,’ zegt Jamel, ‘anders wordt 
het van kwaad tot erger.’ Hij maakt zich zorgen over de komende regionale verkiezingen: ‘Wie profiteert er van deze misdaden? Het Front National…’ Soms vallen er harde woorden: ‘Als ik een van die terroristen te pakken krijg, knevel ik hem en gooi hem in het zoutzuur.’ Een andere jongen: ‘We zullen onze wijk met hand en tand verdedigen!’

    Volgens Jamel heeft Frankrijk (een ‘grootse natie’) een echte leider nodig, ‘iemand als De Gaulle of Chirac. Toen ik Hollande vrijdagavond op tv zag, leek hij in paniek. Hij heeft me niet gerustgesteld.’ Hij roept op tot meer grenscontroles: ‘Tussen de migranten die momenteel naar Frankrijk komen zitten misschien wel terroristen.’ Hij wil dat mensen die van plannen voor een aanslag worden verdacht ‘het land worden uitgezet’. En als het Fransen zijn? ‘Dan moet je ze hun nationaliteit ontnemen!’ Hassen benadrukt: ‘Je moet de goeden van de kwaden scheiden!’ Met luide stem vraagt hij zich af, verwijzend naar Syrië, Egypte en Libië, ‘of een goede dictator niet beter zou zijn om het terrorisme te bestrijden.’ Tarek gaat nog verder: ‘Als je twijfels over iemand hebt, moet je niet aarzelen. Dan stop je hem in de gevangenis.’

    Auteur: Sylvain Mouillard
    Vertaler: Peter Bergsma

    Libération
    Frankrijk, dagblad, oplage 151.000
    In 1973 opgericht door o.a. Jean-Paul Sartre. De krant hoort inmiddels bij de grote, serieuze Franse dagbladen. Nieuwsgierig en brutaal.

  • Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    Financial Times-correspondent Simon Kuper zat in het stadion op vrijdag de 13de. Net als zijn kinderen houdt hij erg van Parijs. Maar hij vraagt zich nu voor het eerst af of hij er wel wil blijven wonen.

    Keuze uit het archief

    In Parijs werden deze week de terroristische aanslagen van 13 november 2015 herdacht. Dat ze een enorme impact hadden op het gevoel van veiligheid van de burgers, blijkt ook weer uit dit artikel van FT-correspondent Simon Kuper, die de aanslagen van dichtbij meemaakte. De vraag die hem na 13 november bezighield was: wil ik in Parijs blijven wonen? ‘Ik ben bang dat angst en gevaar hier misschien wel het nieuwe normaal worden.’

    Ik zat in het stadion naar de wedstrijd Frankrijk-Duitsland te kijken, toen ik de eerste explosie hoorde. Hij klonk heel hard en het leek of hij van vlak buiten het stadion kwam. De meeste mensen negeerden het geluid, of begonnen zelfs te juichen: voetbalpubliek is gewend aan vuurwerk. Zelfs na de tweede explosie, een paar minuten later, bleef de stemming onder het publiek goed en de wedstrijd ging gewoon door.

    Frankrijk-Duitsland is het soort eersteklas vermaak voor mensen in Parijs wonen: de wereldkampioen die tegen het land komt spelen dat over zeven maanden gastheer van het
Europese Kampioenschap is. Uren na de wedstrijd hoorden we dat bij twee zelfmoordaanslagen vijf mensen waren omgekomen en nog veel meer gewonden waren gevallen, vlak buiten het stadion, een paar honderd meter van de plek waar wij hadden gezeten.

    Het was een avond vol onzekerheid, van erachter proberen te komen wat er in hemelsnaam aan de hand was. Na de explosies bleef het publiek,
bizar genoeg, gewoon naar de wedstrijd kijken en voor de Franse doelpunten juichen. Ik keek al niet meer. Ik was online met mijn laptop, volgde het nieuws dat binnenkwam, verschrikkelijk nieuws, en vroeg me af: moet ik mijn kinderen hier wel grootbrengen?

    Ik woon al dertien jaar in Parijs. In mijn ogen functioneerde de stad altijd prima. Het is al eeuwenlang een van de echt grote steden. Ze hebben er hun eigen portie aan terroristen, maar de meeste Parijzenaren gaan over etnische grenzen heen aardig goed met elkaar om.

    – © Christophe Ena  / AP Photo
    – © Christophe Ena / AP Photo

    Vooral via de school en de voetbalclub van mijn kinderen hebben we min of meer vanzelf vriendschappelijke contacten opgebouwd met mensen van heel verschillende achtergrond, of die nu Arabisch is, christelijk, niet-religieus of Joods. Pas geleden nog zat bij
ons aan de keukentafel een islamitisch stel uit Senegal – onze kinderen spelen al sinds de crèche met elkaar – en ze vroegen zich af waarom niet iedereen gewoon met elkaar kan opschieten. In de Parijse agglomeratie wonen twaalf miljoen mensen boven op elkaar, vaak met een kort lontje, maar tot nu toe is dat uitstekend gegaan. Parijs is een wonder. Samen hebben we de Charlie Hebdo-aanslagen doorstaan. De meeste Parijzenaren houden zich niet bezig met de grote, wereldwijde strijd tussen religies. Net als de meeste mensen elders willen ze alleen maar hun leventje leiden, hun hypotheek afbetalen en ’s avonds onderuitzakken voor de televisie, met vrienden uit eten of naar een voetbalwedstrijd gaan.

    Na Charlie Hebdo zijn we allemaal doorgegaan met ons leven. De school van mijn kinderen ligt naast een nogal duidelijk doelwit voor terroristen, en zij raakten eraan gewend dat daar soldaten met machinegeweren stonden als ze ’s morgens langsliepen. Na een tijdje zagen ze het nauwelijks meer.

    Maar vanavond vraag ik me voor het eerst af of we wel in Parijs kunnen blijven. Le Bataclan, het populaire café annex concertzaal waar tientallen mensen zijn neergeschoten, ligt een paar honderd meter van ons huis. (Het ligt ook om de hoek bij het voormalige Charlie Hebdo-redactiegebouw). Ik heb een paar keer bij Le Bataclan gegeten, ben er talloze keren langsgelopen. Nu zal het voorgoed herinnerd worden als een plek des doods.

    Daarnet belde een vriend. Hij zat te eten in de straat waarin ook Le Bataclan ligt. Een politieagent had hem verteld welke kant hij op moest vluchten. Hij klonk hysterisch aan de telefoon. Ik hoop dat hij hier overheen komt.

    Mijn vrouw was uit eten met vrienden. Toen de schietpartijen begonnen waren mijn kinderen thuis met de oppas. Ik belde de oppas en vroeg haar, een beetje onzinnig, om de deur op slot te doen. Straks zal ik proberen een Uber-taxi te krijgen van het stadion naar huis in het centrum van Parijs, dat nu wel een oorlogsgebied lijkt, waar op allerlei plekken geschoten wordt, op loopafstand van onze flat.

    Vanavond zal mijn gezin waarschijnlijk niets overkomen. Maar daarna? In Parijs gaat het er juist om dat je de stad gebruikt. Iedereen hier woont in een krap appartementje. Er zijn vrijwel geen achtertuinen waar je kunt barbecueën of tikkertje kunt spelen met je kinderen en waar je jezelf van de wereld kunt afsluiten. In Parijs woon je om uit te gaan, om met vrienden af te spreken in een café als Le Bataclan, om gesprekken te voeren met intelligente mensen uit de hele wereld, om naar voetbalwedstrijden te gaan of naar het 
Louvre – waar vanavond ook een schietpartij in de buurt was. In Parijs gaat het om de openbare ruimte – 
de cafés, de culturele ontmoetingsplaatsen en de pleinen. Geen stad heeft betere. En als die openbare ruimte gevaarlijk wordt – de Parijse autoriteiten hebben nu gezegd dat mensen niet de deur uit moeten gaan, tenzij er een ‘absolute noodzaak’ is – valt de stad uit elkaar.

    Het probleem is dat er maar een paar mannen met een geweer nodig zijn om een plek onleefbaar te maken

    Ik denk niet dat dit een botsing
tussen beschavingen is. Ik zie het als een botsing van een paar duizend jihadisten met een geweldige stad. Het probleem is, zoals we ook hebben gezien in voormalig Joegoslavië of
in Libanon, dat er maar een paar mannen met een geweer nodig zijn om een plek onleefbaar te maken.

    Misschien klinkt dit hysterisch. Ik schrijf het op een emotionele avond. Misschien is alles over een week of twee weer normaal, net zoals na Charlie Hebdo, en net zoals in New York een paar maanden na de aanslagen van 11 september. Als dat zo is, blijf ik misschien nog wel dertien jaar in Parijs. Maar ik ben pessimistisch. Ik ben bang dat angst en gevaar hier misschien wel het nieuwe normaal worden.

    Ik weet niet hoe ik dit mijn kinderen moet vertellen. Ze houden van Parijs. Ze beschouwen zichzelf als Parijzenaren. Ze hebben nooit ergens anders gewoond en zeggen vaak dat we nooit mogen verhuizen. Maar ik kan tegenover hen niet doen alsof alles in orde is. Hun voetbalwedstrijd morgen zal denk ik wel afgelast worden. Normaal gesproken zouden we in het park in de buurt gaan spelen. Nu weet ik niet zeker of dat wel een goed idee is.

  • 1. Afschuw en koelbloedigheid

    1. Afschuw en koelbloedigheid

    In een hoofdredactioneel commentaar roept Jérôme Fenoglio, directeur van 
Le Monde, zijn lezers op waardig te reageren, en vooral zichzelf te blijven.

    Frankrijk is in oorlog. In oorlog tegen een totalitaire, blinde, verschrikkelijk moordzuchtige vorm van terrorisme. Dat wisten we al sinds januari, toen de aanslagen op Charlie Hebdo en de Hyper Cacher in Parijs werden gepleegd. Ondanks het feit dat de Franse bevolking die elfde januari massaal haar stem verhief, en ondanks de solidariteit die toen door de leiders van alle democratieën op de wereld is betuigd, zijn de president van de Republiek, de minister-president en de leiding van de veiligheidsdiensten er onophoudelijk op blijven hameren: de dreiging is niet verdwenen. De vraag was niet óf er andere aanslagen in Frankrijk zouden worden gepleegd, maar wanneer.

    Het werd dus de avond die Parijs en een van zijn voorsteden met bloed heeft bevlekt, vrijdag 13 november. En deze tragedie laat zien dat de terroristen die Frankrijk als doelwit hebben gekozen zich door niets laten weerhouden bij het zaaien van dood en verderf.

    De balans van het bloedbad dat ze hebben aangericht – meer dan 128 doden, tot nu toe – is gruwelijk en ongeëvenaard in ons land. Ze hebben gedaan wat de politieleiding het allermeeste vreesde: diverse gelijktijdige aanslagen in de hoofdstad en zijn voorsteden gepleegd; in de directe omgeving van het Stade de France, waar tachtigduizend mensen de voetbalwedstrijd Frankrijk-Duitsland bijwoonden, in aanwezigheid van François Hollande; voor vier cafés of restaurants in het tiende en elfde arrondissement; en ten slotte zelfs in de zaal van Le Bataclan, waar meer dan duizend mensen een concert bijwoonden en in gijzeling werden gehouden totdat de ordetroepen ingrepen.


    Voor de eerste keer in de Franse geschiedenis hebben enkele van deze terroristen niet geaarzeld zichzelf met hun gordels tot menselijke bommen te transformeren. Het was Frankrijk waar ze paniek en afschuw wilden zaaien. Het was Frankrijk dat ze kapot wilden maken.

    Op deze dwaasheid bestaat slechts één reactie. We moeten de paniek beantwoorden met waardigheid. Het zaaien van dood en verderf met vastbeslotenheid. De radeloosheid met scherpzinnigheid. En de afschuw met ‘koelbloedigheid’, zoals de president van de Republiek midden in de nacht verklaarde. En we moeten ons bovenal eensgezind tonen in deze beproeving.

    We moeten de paniek beantwoorden met waardigheid. Het zaaien van dood en verderf met vastbeslotenheid

    Er zijn vragen te over. Die zijn legitiem, en ze moeten beantwoord worden. De eerste en meest prangende is die over de algehele veiligheid van het land: wordt die bedreigd, vooral nu over drie weken in Parijs de internationale klimaatconferentie zal plaatsvinden, waaraan tientallen regeringsleiders zullen deelnemen, terwijl er op datzelfde moment regionale verkiezingen zullen worden gehouden? De regering heeft de noodtoestand afgekondigd en de grenscontroles versterkt. Dat was nodig om ons teweer te stellen in deze oorlog waarin de ‘jihadisten’ ons willen verwikkelen. Zoals het in onze ogen ook nodig is 
om de klimaatconferentie en de verkiezingen te laten doorgaan. Als we die zouden uitstellen of afblazen zouden we toegeven aan de chantage van de terroristen.

    De tweede vraag betreft de manier waarop het terrorisme op ons eigen grondgebied wordt bestreden. Is die opgewassen tegen de dreiging? Is die doeltreffend genoeg?

    Veiligheid en vrijheid

    Sinds twee jaar is Frankrijk, 
net als alle andere democratieën, onophoudelijk bezig de juridische en politionele middelen die ten dienste staan van de bestrijding van het jihad-terrorisme uit te breiden. Alle democratieën hebben daarbij hun best gedaan het evenwicht tussen veiligheid en vrijheid te bewaren. Het ontbreekt ons niet aan middelen, noch aan goede wil. De politie heeft de afgelopen weken diverse keren aanslagen op Frans grondgebied voorkomen. In de tragische nacht van 13 november pakte het helaas anders uit! Tegen dit soort agressie is helaas geen kruid gewassen, behalve door een politiestaat te worden of 
illusies te verkopen.

    De derde vraag gaat over de buitenlandse politiek van Frankrijk en zijn militaire interventies, zowel in Afrika als het Midden-Oosten: zijn die de oorzaak van deze moordspiraal en moeten ze worden heroverwogen? Het is logisch dat Frankrijk het doelwit is, want we staan in de voorste linies in de strijd tegen het jihadisme.

    Die voltrekt zich op diverse fronten, om te beginnen in Sub-Saharaans Afrika, waar Frankrijk samen met andere landen heeft geprobeerd te voorkomen dat een immens stuk woestijn volledig in handen van criminele netwerken viel. Het is vrijwel zeker dat we de hoofdstad van Mali, Bamako, begin 2013 voor een islamistische aanslag hebben behoed. Zonder ingrijpen van de Franse luchtmacht had de stad dezelfde rol kunnen vervullen die Kaboel, de hoofdstad van Afghanistan, tot aan 2001 voor Al-Qaida vervulde: als een belangrijk logistiek steunpunt voor terroristische operaties overal op de wereld.

    Op verzoek van de regering in Bagdad neemt Parijs, samen met een vijftigtal andere landen, deel aan de (voornamelijk in de lucht gevoerde) oorlog tegen ‘Islamitische Staat’, die inmiddels een flink deel van het Iraakse grondgebied in handen heeft. De afschuw over de praktijken van deze barbaarse organisatie volstaat niet om de interventie van deze internationale coalitie te verklaren. Ook hier speelt de verdediging van de strategische belangen van 
Europa, en dus ook van Frankrijk, een rol. Dankzij de olievelden die IS inmiddels in handen heeft kan deze organisatie acties tegen het Westen 
ondernemen, dat haar terroristische cellen voortdurend aan de schandpaal nagelt. De Europese actie in Irak kan daarom worden beschouwd als een vorm van zelfverdediging.

    Sinds het begin van deze herfst voert Frankrijk ook luchtinterventies uit in Syrië. De officiële verklaring voor de aanvallen op trainingskampen van Islamitische Staat is dat we onszelf moeten verdedigen. Vandaar dat islamistische commando’s de afgelopen maanden herhaaldelijk hebben geprobeerd toe te slaan op Frans grondgebied, en dat ze hun operaties in Syrië hebben voorbereid.

    Ware aard van de vijand

    Door de strijd die Parijs tegen het jihadisme voert maakt Frankrijk 
zich kwetsbaar. Maar we moeten de volgorde van de gebeurtenissen niet omdraaien. De Franse overheid is in oorlog met het gewapende islamisme omdat dat laatste Frankrijk uitdrukkelijk als een van zijn doelwitten heeft bestempeld. Je moet wel blind of doof zijn om de bedoelingen van Islamitische Staat, Al-Qaida en andere islamistische bewegingen niet te lezen of te verstaan: zij roepen op om een ‘heilige oorlog’ in Europa te voeren, om de ‘ongelovigen’, de ‘Joden’ en de ‘kruisvaarders’ te doden. Dat is geen retoriek. We moeten het ‘programma’ van het islamisme, deze ziekelijke uitwas van de islam, letterlijk nemen.

    Wie kan met zekerheid zeggen dat nietsdoen immuniteit garandeert? Hier raken we aan de ware aard van de vijand die bestreden moet worden. In dit begin van de eenentwintigste eeuw heeft het religieus fanatisme, in de vorm van het islamisme, de grote totalitaire bewegingen van de twintigste eeuw vervangen. Zoals Le Monde al dikwijls heeft uitgelegd is het islamisme, door zijn volstrekte radicalisme, een vorm van totalitarisme, een dwaze belofte om alle aspecten van het menselijk leven te regelen in naam van een godsdienst die zich als enige bron van verlossing opwerpt.

    Deze ‘partij van de zuiveren’, om de uitdrukking van de grote Franse politicoloog Pierre Hassner te citeren, richt zich in de eerste plaats tegen de democratieën. Ze bestrijdt ons evenzeer om wat we zijn als om wat we doen of niet doen. Onszelf blijven is een eerste vereiste voor succes in de oorlog die tegen dit fanatisme moet worden gevoerd.

    Auteur: Jérôme Fenoglio
    Vertaler: Tess Visser

    Le Monde
    Frankrijk, dagblad, oplage 345.000
    In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.

  • Extra dossier: Parijs 13/11

    Extra dossier: Parijs 13/11

    De bloedige aanslagen in Parijs stelden de afgelopen week al het andere Europese nieuws in de schaduw. In plaats van onze gebruikelijke pagina’s, presenteert 360 u daarom een overzicht van reacties uit de internationale pers.

    1. Afschuw en koelbloedigheid

    2. Vanavond zal mijn gezin niets overkomen. Maar daarna?

    3. ‘Frankrijk kan rekenen op zijn voorsteden’

    4. Waarom le Bataclan?

    5. Mumbai was blauwdruk voor Parijs

    6. ‘Nachtmerrie veiligheidsdiensten is werkelijkheid geworden’

    7. Nederlaag van de beschaving

    8. Het fanatisme dat de islam vernietigt

    Bekijk hier een In Memoriam van de 129 slachtoffers die bij de aanslagen hun leven verloren, uit de Franse krant Libération.

  • Hoe deradicaliseer je Boko Haram?

    Hoe deradicaliseer je Boko Haram?

    Niet alleen in het Westen wordt geprobeerd om jihadisten te deradicaliseren. In een gevangenis in Nigeria is met geld van de EU een programma opgezet om strijders van Boko Haram weer op het rechte pad te brengen. Grote vraag is natuurlijk: werkt het?

    Gevangenisbewaarder Mala Tata heeft een roeping. Hij ziet het als zijn religieuze plicht om mensen te helpen de staat van verlossing te bereiken. Daarnaast gelooft hij ook dat niet veel mensen zo ernstig hebben gezondigd als de 43 strijders van Boko Haram die hij onder zijn hoede heeft in de Kuje-gevangenis, 
aan de rand van Abuja, de Nigeriaanse hoofdstad. Tata werkt al zesentwintig jaar in de gevangenis. Hij leidt een team van imams in een unieke deradicaliseringstherapie gericht op de rehabilitatie van de Boko Haram-gevangenen. 
Zijn team, bestaande uit gevangenismedewerkers, heeft een zeer intensief contact met de groep en houdt dagelijks spirituele sessies met ze waarin 
de basis van hun geweldsideologie ter discussie wordt gesteld.
    ‘Sommigen zijn analfabeet. Zij kunnen zelf niet uit de Koran citeren, toch beweren ze dat ze de jihad nastreven,’ aldus Tata, een vrolijke, verzorgd uitziende man. ‘Anderen hebben wel op school gezeten. Ze hebben de Koran en de Hadith gelezen, maar ze begrijpen de islam niet echt. Satan heeft ze dingen in het oor gefluisterd.’
    Kuje, een extra beveiligd detentiecentrum, is Nigeria’s proeftuin voor een programma dat bedoeld is om gewelddadig extremisme aan te pakken (‘countering violent extremism’, CVE) en in maart is gestart. In de kern komt de ‘behandeling’ van mannen 
die vastzitten vanwege aan terrorisme gerelateerde misdrijven erop neer 
dat hun gedrag via activiteiten zoals therapie, sport, scholing en vakonderwijs kan worden aangepast. Als ze vastzitten worden ze bovendien minder gauw gerekruteerd door Boko Haram, en uiteindelijk kunnen ze worden geïntegreerd in de maatschappij.

    Een meisje wandelt langs een vernielde moskee in de Nigeriaanse stad Mararaba, die door het leger is terugveroverd op Boko Haram in 2015. – © Akintunde Akinleye / Reuters
    Een meisje wandelt langs een vernielde moskee in de Nigeriaanse stad Mararaba, die door het leger is terugveroverd op Boko Haram in 2015. – © Akintunde Akinleye / Reuters

    Open universiteit

    Het opbouwen van een band tussen het ‘behandelingsteam’ en de Boko Haram-gevangenen, die officieel 
cliënten worden genoemd, wordt gezien als de basis van het succes van de CVE-strategie. Tata heeft zich uit patriottische motieven bij het team aangesloten en ook vanuit het geloof dat hij door het verrichten van Gods werk een spirituele beloning zal krijgen.
    Dat biedt enige troost. ‘Het zijn uiterst gevaarlijke mensen. Er kan van alles gebeuren. We weten dat ze contact hebben met hun mensen buiten de gevangenis,’ vertelt hij. Tata heeft die risico’s persoonlijk ervaren: hij is gewond geraakt toen Boko Haram een aanval uitvoerde op de gevangenis, maar hij wil er niet over praten. Hij is ervan overtuigd dat het tij op militair terrein is gekeerd en dat nu de rebellen op de vlucht zijn geslagen. ‘De “cliënten” in Kuje weten dat ze aan de verliezende hand zijn,’ zegt hij. ‘Zij kijken ook tv.’
    Op de dag dat ik de gevangenis bezoek, speelt ‘Arsenal’ tegen ‘Chelsea’ in Kujes versie van de Champions League: beide gevangenisteams worden driftig aangemoedigd, het gejuich schalt over de muur.
    Maar het doel van mijn bezoek is de ‘derad’-vleugel, een rustiger, meer afgeschermd gedeelte met moderne klaslokalen, die oorspronkelijk bedoeld waren voor een open universiteit. In tegenstelling tot de rest van de sobere gevangenis is hier zelfs airco.
    Ik ga met een van de cliënten in een kamertje zitten. De forse kerel aan de andere kant van de tafel draagt een spijkerbroek en een strak T-shirt. Hij heeft een afrokapsel, een onverzorgde baard en een grote ring aan een vinger. Hij noemt zichzelf een commandant, maar ziet er meer uit als een man die
je ook in een club kunt tegenkomen. Hij spreekt Hausa, de lingua franca 
van het noorden, in korte zinnetjes, en eindigt iedere gedachte met een ‘Zeg dat tegen hem’ tegen de imam die tolkt – erop gebrand dat zijn verhaal wordt gehoord.
    Hij ziet zichzelf als een veranderd man, wat hij toeschrijft aan Tata en zijn team. Wanneer we hem tijdens het interview vragen waar in de Koran het doden van burgers wordt gerechtvaardigd, zegt de commandant herhaaldelijk dat hij zich dat niet meer kan herinneren. Kennelijk wil hij niet ingaan op zijn vroegere ideeën. ‘Ik ben veranderd, ik wil het niet hebben over rechtvaardiging.’ De imam stelt voor dat we verder gaan.


    Vrijwillige deelname

    Ferdinand Ikwang staat aan het hoofd van het nationale derad-programma, dat valt onder het Office of the National Security Adviser (ONSA). Hij heeft de leiding over een netwerk van projecten die de economische en sociale omstandigheden aanpakken die aanzetten tot radicalisme, maar zorgt er ook voor dat de basis wordt gelegd voor de ontwapening, demobilisatie en reïntegratie van Boko Haram als dat leger is verslagen en er een vredesovereenkomst is gesloten.
    Hij neemt een ferm standpunt in ten opzichte van mannen die de wapens opnemen. Degenen die wreedheden hebben begaan, komen in een derad-programma in de gevangenis. Maar het lagere voetvolk dat het programma heeft doorlopen komt in aanmerking voor vrijlating en mogen ‘hun gewone leven voortzetten’, zij het onder toezicht.
    De maatstaf is niet of ze hun overtuiging hebben laten vallen, maar of het gevaar bestaat dat ze ‘een wapen zullen oppakken’, legt Ikwang uit.
    Kuje is niet de enige gevangenis met Boko Haram-gedetineerden. Agwata, in de buurt van Onitsha, een stad in het oosten van Nigeria, heeft er ongeveer honderd, die zich eerder dit jaar hebben overgegeven. Daar begint binnenkort ook een derad-programma, onder leiding van personeel dat is opgeleid in Kuje. En nu steeds meer rebellen de wapens neerleggen komen er nog meer ONSA-centra die Boko Haramleden opnemen.
    Deelname aan het derad-programma is vrijwillig. In Kuje hebben vier gevangenen ervoor gekozen om niet mee te doen aan het programma, maar dat deden ze meer om een praktische dan om een ideologische reden: ze vechten de beschuldiging van het OM aan dat 
ze lid van de groep zijn.

    Sommigen zijn analfabeet. Zij kunnen niet uit de Koran citeren, toch beweren ze dat ze de jihad nastreven

    De meesten van de overige 39 cliënten – allemaal in voorarrest – worden al vier jaar vastgehouden, hoewel niet altijd in Kuje – en als ze in handen zijn van de veiligheidsdienst, is dat niet altijd onder de meest humane omstandigheden.
    De voordelen van deelnemen aan het derad-programma zijn duidelijk: ten eerste krijgen de meesten een afgeschermde cel met een stapelbed, totaal anders dan de omstandigheden in de rest van de gevangenis, die in 1989 werd geopend als een detentiecentrum met plaats voor tachtig mensen. Nu zitten er 910 gevangenen in.
    Ze hebben een gerenoveerde vleugel voor henzelf, gefinancierd door de Europese Unie, waar de gestructureerde dagelijkse activiteiten plaatsvinden. Ze hebben dingen als toiletpapier en zeep en dat is een voorzieningenniveau dat ongekend is in de met geldtekorten kampende gevangenissen van Nigeria, waar het woord rehabilitatie zelden valt.
    ‘Een belangrijk uitgangspunt van het programma is dat niemand gedwongen wordt eraan deel te nemen, het is op vrijwillige basis,’ vertelt Kasali Yusuf, coördinator van het gezamenlijke team van ONSA en de penitentiaire inrichting in Kuje. ‘Aanvankelijk melden ze zich waarschijnlijk alleen aan vanwege de privileges, die vervolgens toch ook maken dat ze milder gestemd worden.’
    Maar omdat de gedetineerden van Boko Haram onder de overige gevangenen toch al buitengewoon weinig geliefd zijn, ‘leiden die privileges tot veel rancune, wat voor ons weer een uitdaging is. We hebben de andere gevangenen moeten uitleggen dat 
het speciale programma wordt gefinancierd door de EU,’ legt Yusuf uit.
    Yusufs baas, de manager van het behandelingsteam, is de psycholoog dr. Wahaab Akorede. Na bestudering van de casestudy’s van de 43 cliënten komt hij tot de conclusie dat wat hen onderscheidt van de doorsneecrimineel, hun intense woede is, hun verlangen om ‘alles kort en klein te slaan’. Dat suggereert dat ze zelf een trauma hebben opgelopen: ze zijn zo wanhopig, hebben zo weinig toekomstmogelijkheden, dat ze bereid zijn om te geloven dat 
het paradijs de beloning voor hun 
martelaarschap zal zijn.’

    In alle steden nemen ze mensen gevangen, vermoorden ze mensen. Wie blijven er dan nog over als je onderdanen?

    Geen diepe religiositeit

    Noch Akorede noch Yusuf – allebei moslim en ervaren gevangenismedewerker – zien veel tekenen die wijzen op een diepe religiositeit onder de mannen in het derad-programma. Akorede noemt andere potentiële 
factoren: polygame gezinnen waar vrouwen concurreren om de liefde 
van de man ten koste van de kinderen; de traditionele wijze waarop de islam wordt onderwezen in het noorden, die de jongemannen onvoldoende voorbereidt op de moderne arbeidsmarkt; de harteloosheid van achtereenvolgende regeringen waaronder zovelen hebben geleden en een vroege dood zijn gestorven, ‘tot zelfs God er wel even genoeg van kreeg om die Nigerianen steeds weer te zien langskomen’.
    ‘Vervreemding’ is volgens hem de meest voor de hand liggende verklaring voor de aantrekkingskracht van Boko Haram. De aanhangers zijn voornamelijk mannen met weinig opleiding en alleen af en toe wat los werk aan de randen van de stad, ‘die ook door 
moslims in hun eigen gemeenschap als uitschot worden beschouwd’. Ze zijn boos, ‘en religie is het platform om die woede te ventileren’.
    Akorede verdeelt de mannen in Kuje in twee groepen: de grote jongens en de volgers. ‘De grote jongens zijn de slimmeriken. Zij weten hoe ze mensen moeten manipuleren. Ze zeggen: “Jouw religie is bijzonder en die wordt bedreigd.”’ In wezen creëren ze een sekte voor wie iedereen de vijand is, inclusief de traditionele religieuze leiders.
    En wanneer een beroep op de religie en het martelaarschap niet voldoende is, biedt Boko Haram aan om je familie 
te helpen. ‘Bijvoorbeeld: een man is niet gelukkig. Hij heeft niet de kans gekregen om een opleiding te volgen. Hij heeft geen toekomst. Als je hem 10.000 naira [$ 50] geeft, draagt hij die bom,’ zegt Akorede.

    Explosievenexperts inspecteren een voertuig na een bomaanslag van Boko Haram op een busstation in de Nigeriaanse stad Nyanya in 2014. Er vielen 88 doden en 200 gewonden. 
© Afolabi Sotunde / Reuters
    Explosievenexperts inspecteren een voertuig na een bomaanslag van Boko Haram op een busstation in de Nigeriaanse stad Nyanya in 2014. Er vielen 88 doden en 200 gewonden. 
© Afolabi Sotunde / Reuters

    Slechte indicatoren

    De commandant lacht wanneer hem wordt gevraagd naar de datum waarop hij zich aansloot bij Boko Haram. 
De sekte werd gesticht in 2002 door een jonge geestelijke, Mohammed Yusuf, in de noordoostelijke stad 
Maiduguri. Die stad ligt midden in 
een regio die eeuwenlang een centrum was van islamitisch onderwijs.
    Maar het radicalisme van de commandant dateert al van voor de beweging. ‘Ik was al Boko Haram voordat Boko Haram bestond,’ pocht hij, en hij gebruikt de officiële naam van de groep, Jama’atu Ahlis Sunna Lidda’awati wal-Jihad (‘een beweging gewijd aan de verbreiding van de leer van de Profeet en de Jihad’).
    De commandant komt uit ‘een familie waar onderwijs belangrijk werd gevonden’. Maar hij was opstandig, maakte zijn school niet af, en ging werken in een graanmolen in zijn geboorteplaats Biu. Toen zijn vader daarachter kwam, gooide hij hem het huis uit. Vanaf dat moment werd de commandant steeds meer aangetrokken tot de islam en belandde ten slotte in een koranschool in de naburige staat Adamawa, geleid door een Pakistaanse sjeik.

    De maatstaf is niet of ze hun overtuiging hebben laten vallen, maar of het gevaar bestaat dat ze een wapen zullen oppakken

    In Nigeria was destijds veel beroering over de sharia. In 2000 was de sharia 
in twaalf overheersend islamitische staten in het noorden ingevoerd na de roep van de gewone islamiet om een tegengif tegen de corruptie waar de gewone Nigeriaan dagelijks mee werd geconfronteerd. Maar in plaats daarvan werden werkelijke hervormingen tegengehouden door een ‘politieke sharia’, die de belangen van de elite beschermde, waardoor de noordelijke religieuze en politieke leiders nu door sommige radicalen als doelwit werden gezien.
    ‘Het was niet moeilijk om jongeren 
aan te trekken. Ze waren nieuwsgierig naar verhalen over de jihad,’ zegt de commandant. Deels kwam dat door de traditionele Almajirai-scholen, waar miljoenen jongens in het noorden nog steeds naartoe worden gestuurd. 
Ze komen bij een koranleraar (die 
niet noodzakelijkerwijs over een goed begrip van de tekst beschikt) om teksten uit hun hoofd te leren, en voorzien met bedelen in hun eigen onderhoud en dat van hun leraar. Dat heeft het noorden qua opleiding op een achterstand gezet, waardoor op straat het verzet sluimert.
    Het noordoosten van Nigeria heeft de slechtst denkbare sociale indicatoren. Tot de jaren tachtig bestond in het noorden een traditie van progressieve bewegingen. Die streden voor de rechten van de ‘talakawa’ (de gewone burgers) tegen het feodale conservatieve establishment, dat als de oorzaak van hun armoede werd gezien, maar tegenwoordig is het volksverzet tegen onrecht meer religieus georiënteerd.
    De confrontatie tussen Boko Haram en de overheid explodeerde in juli 2009. Yusuf had ruzie gekregen met de autoriteiten van de staat Borno en na de moord op een groep van zijn volgelingen beloofde hij wraak te zullen nemen. Zijn mannen vielen politiebureaus 
en overheidsgebouwen aan in vier noordelijke staten. Tijdens die gevechten vielen zevenhonderd doden, onder wie ook Yusuf, vermoord terwijl hij in Maiduguri in voorarrest zat.
    De commandant, die naar de noordelijke stad Kano vluchtte en daar tot zijn gevangenneming ondergedoken zat, brengt een onderscheid aan tussen de begindagen van Boko Haram en het extreme geweld van de groep onder Yusufs opvolger, Abubakar Shekau, 
een krijgsheer die als meer gewelddadig dan geschoold wordt beschouwd, en die gemene zaak maakt het de mondiale jihadistenbeweging.
    ‘Ik weet niet hoe het is gebeurd. In alle steden nemen ze mensen gevangen, vermoorden ze mensen. Wie blijven er dan nog over als je onderdanen? Dat begrijp ik niet,’ zegt de commandant. Meer dan 25.000 mensen zijn omgekomen bij aan Boko Haram gerelateerd geweld, zowel in Nigeria als over de grens – voor het overgrote deel medemoslims.
    Tata heeft nog een cliënt voor me om mee te praten, een tengere man met een bril, een keurig verzorgde baard 
en een schone witte dashiki, een tuniek. Hij spreekt vol respect over wat hij beschouwt als Yusufs integriteit en waarachtigheid. Zijn verklaring voor 
de opkomst van Boko Haram is dat de Nigeriaans maatschappij bevrijd moest worden van corruptie, onrecht en homoseksualiteit.
    Hij had deel uitgemaakt van Yusufs kabinet, of ‘shura’, en zegt dat hij 
voordat hij werd opgepakt in 2011, 
de leider van Boko Haram was in drie staten: Bauchi, Gombe en Plateau. Hij beschuldigt de autoriteiten van ongerechtvaardigde agressie en geeft als voorbeelden het platgooien van de grote Markaz-moskee van de groep 
na de opstand in Maiduguri en de 
buitengerechtelijke moord op Yusuf, waarvoor geen politieman is veroordeeld. Als iemand het levende bewijs is van Akoredes stelling over de gevaren van gefrustreerde, boze individuen, dan is het wel deze gedreven man.
    Hij had ‘38 of 40’ broertjes en zusjes en hoewel hij de basisschool had afgemaakt, ging hij op zijn twaalfde van de middelbare school af. Hij werd monteur van elektrische auto’s in Maiduguri, maar de armoede in het noorden en de onverschilligheid van de rijken wekten woede in hem op. ‘Ik geloofde dat als je bereid was om geweld te gebruiken, je je doel kon bereiken.’
    Hij praat niet over waar hij heeft gevochten of wat hij heeft gedaan, 
hij zegt alleen: ‘Voor ik dit programma had gevolgd zou ik geen tijd voor je hebben gehad. Er zouden geen grapjes worden gemaakt. Ik was hard. Nu besef ik dat het belangrijk is om te luisteren en meningen uit te wisselen.’
    Weinig mensen in Maiduguri geven toe dat familieleden van hen zich bij Boko Haram hebben aangesloten, maar Mohammed Garima wil zijn verhaal wel vertellen. Zijn 25-jarige neef sloot zich aan bij de groep en hij probeert nog steeds te begrijpen waarom.
    ‘Armoede zou een reden kunnen zijn,’ zegt hij. De jonge man was bandenreparateur, oftewel een vulkaniseerder, en verdiende waarschijnlijk zo’n vijf dollar per dag. ‘Maar er was nog iets. Hij zonderde zich altijd af van mensen, meende dat hij religieuzer was dan alle andere mensen.’
    Garima had zelf Yusuf horen preken en was er niet van onder de indruk. ‘Hij veroordeelde alles: de wegen, de sociale voorzieningen, het onderwijs, de ziekenhuizen, dingen waar we gebruik van maken – dingen waar hij gebruik van maakte – en weinig van wat hij zei had iets spiritueels.’ In 2009 verdween zijn neef en de familie wist toen meteen dat hij zich had aangesloten bij Boko Haram. Af en toe zocht hij contact, en toen zijn oma overleed, eiste zijn vader dat hij langskwam. Toen hij in de stad was, werd hij herkend en gearresteerd. Garima heeft later gehoord dat hij 
in detentie is gestorven op de luchtmachtbasis Kainji bij Maiduguri.

    Harde kern
    Alle mensen met wie ik in Maiduguri sprak, deelden een overtuiging die 
de moeilijke positie van het derad-
programma weergeeft: voor de harde kern van Boko Haram is re-integratie onmogelijk. ‘Ze verschijnen in de gedaante van een mens, maar eigenlijk zijn het duivels,’ zegt een man die anoniem wil blijven. ‘Zo iemand heeft je moeder of je vader vermoord, je huis in brand gestoken; hoe kan je met zo iemand samenleven? Dat is onmogelijk,’ voegt Garima eraan toe. Hij is iets verzoenender ten opzichte van hen die gedwongen werden zich aan te sluiten. In sommige gevallen kan er amnestie worden verleend, ‘maar ze zullen naar een andere staat moeten worden gebracht, anders gaan mensen wraak nemen,’ zeg hij.
    Volgens Ikwang, de leider van het derad-programma, maar ook een 
deskundige op het gebied van ontwapening, demobilisatie en re-integratie, mogen ze in de maatschappij terugkeren via zogenaamde ‘halfway houses’ en komen dan onder toezicht te staan. Ze worden op basis van hun beroep ingedeeld in coöperaties, waar therapie verplicht is.
    De acceptatie door de gemeenschap is essentieel. ‘Als je vierhonderd ex-krijgers laat terugkeren in de gemeenschap, moet je de gemeenschap erbij betrekken. Als er vierhonderd van die ex-rebellen bij komen, moet je ook voor vierhonderd lokale jongeren een plek bieden in een werkgelegenheidsprogramma van de overheid, anders gaat de ontvangende gemeenschap luidkeels protesteren en dreigen hen 
te zullen vermoorden,’ aldus Ikwang.
    Maar gezien de slechte reputatie van de Nigeriaanse overheid als het aankomt op het uitrollen van wat langer durende programma’s, het oormerken van de fondsen en de efficiënte besteding ervan, rijst de vraag hoe voorkomen kan worden dat het derad-programma ten onder gaat in schandalen en verspilling. Akoredes antwoord is een koppig ‘We hebben geen andere keuze dan stug door te zetten’.

    Acceptatie door de gemeenschap is essentieel

    Resultaten

    Er is een nog fundamentelere vraag: werkt zo’n deradicaliseringsprogramma nu echt? Natuurlijk is het in de Kuje-vleugel volkomen veilig, dat is zowel in het belang van het personeel als van de gedetineerden. De leden van het behandelingsteam dragen burgerkleding en bewegen zich vrijelijk onder de cliënten en praten gewoon met ze, een noviteit voor sommigen die gewend zijn aan gevangenissen waar een gedetineerde op zijn hurken moet gaan zitten voor hij een bewaarder mag aanspreken.
    ‘De uitdaging is om het hart en de ziel van de extremisten te bereiken,’ vertelt Ekpedeme Udom, het hoofd van alle derad-programma’s. ‘Dit is nieuw in Afrika en we hebben buitengewoon goede resultaten.’ Maar als ervaren gevangenismanager is ze heel goed 
op de hoogte van de discussies die er dagelijks in Kuje worden gevoerd 
tussen cliënten en de staf, waarbij beide partijen opkomen voor hun eigen belangen.
    Udom behoort tot een nieuwe generatie hervormingsgezinde gevangenismanagers. Ze kreeg carte blanche om namens ONSA het programma in Kuje te ontwikkelen, voortbordurend op de CVE-programma’s die in Azië en het Midden-Oosten worden toegepast.
    Deradicalisering vereist een reusachtige investering, van het opleiden van personeel tot het opschalen van voorzieningen en het financieren van programma’s die de ex-rebellen na hun vrijlating moeten volgen. De literatuur geeft geen duidelijke recidivismecijfers en biedt dus geen juist beeld van de resultaten. Een deel van het probleem is ‘dat het gewoon nog te vroeg is om er iets over te zeggen,’ legt Udom uit. ‘CVE wordt nog maar zo’n tien jaar in de wereld toegepast.’
    Ikwang maakt zich wel zorgen over een meer structureel probleem, dat voorkomt uit Nigeria’s slechte bestuurlijke staat van dienst, waardoor Boko Haram – 
en andere sluimerende conflicten verspreid over het hele land – konden 
ontstaan. ‘Extremisme is een ideologie die bij de kern moet worden aangepakt, te beginnen op de kleuterschool, met een overheid die zich veel ontvankelijker en verantwoordelijker opstelt ten opzichte van haar burgers,’ waarschuwt hij. En peinzend verzucht hij: ‘Hoe hebben wij deze generatie kinderen 
zo in de steek kunnen laten?’

    Obi Anyadike

  • Van mortuarium naar mortuarium

    Van mortuarium naar mortuarium

    De dubbele bomaanslag in het hart van Ankara op 10 oktober kostte 97 mensen het leven. Şirin Kılıçalp, het nichtje van journalist İlhan Taşçı, is een van de slachtoffers. Ze liep mee in de noodlottige betoging tegen het geweld tussen het Turkse leger en Koerdische militanten van de PKK in het grensgebied, bij Syrië en Irak. Vind mijn dochter terug, smeekte haar moeder. Maar wie weet waar ze is?

    Ik loop rond in de buurt waar de bommen zijn ontploft en doe mijn best niet naar de grond te kijken. Overal liggen lichaamsdelen en ingewanden. Ik heb talloze lijken gezien, ongelukken, incidenten met de politie, en ik heb ook een aardbeving meegemaakt, maar een bloedig slagveld als dit is mij tot nog toe bespaard gebleven.

    Ik keer het plein de rug toe en loop naar het Numune-ziekenhuis. Honderd, misschien tweehonderd meter verderop heeft een taxichauffeur zijn auto aan de kant gezet, en nu staat hij zijn banden glimmend schoon te schrobben. Ik sta er niet bij stil. Een eindje verderop komt een stelletje aangelopen, ze maken een selfie. De jongen heeft gel in zijn haar en probeert indruk te maken op het meisje. ‘Nu nog eentje alsof er een bom ontploft?’

    Ik loop de helling op en wacht in de rij voor het ziekenhuis om bloed te geven. Een oude kennis, Ömür, staat ook in 
de rij. We praten over wie het gedaan hebben, wat erachter zit, hoeveel families er getroffen zijn.

    ‘God weet wat er op de sociale media allemaal wordt geschreven,’ zegt Ömür. Ik kijk op mijn telefoon naar de twitterberichten, een mens is nou eenmaal nieuwsgierig. Het eerste bericht dat ik zie is van een nicht. Ze schrijft: ‘Şirin Kılıçalp is bij de aanslag omgekomen…’

    ‘Heb je Şirin gezien?’

    Ze zeggen wel dat de tijd dan stilstaat. De grond onder je voeten wegzakt, je 
in een afgrond wordt gezogen. Het is allemaal waar.

    ‘Heb je Şirin gezien?’

    Al die mensen waar ik verdwaasd langs ben gelopen, die in elkaars armen staan te huilen, rouwklachten aanheffen, het zijn mijn neven en nichten, mijn tantes, mijn familie.

    Ik omhels mijn tante, leg mijn hoofd op haar schouder. ‘Jij kent vast mensen, vind Şirin voor me. Alsjeblieft, ik smeek je, haal mijn blozende dochter terug…’

    Is ze dood? Niemand die het weet. De enige die haar heeft gezien is Çiğdem, een collega-lerares met wie ze samen uit Istanboel naar Ankara is gekomen. Ook zij staart wezenloos voor zich uit. Ze herhaalt voortdurend dezelfde zinnen. Het kost moeite om een gesprek met haar te voeren.

    ‘Heb je Şirin gezien?’ vraag ik haar. Çiğdem antwoord: ‘Er was een ontploffing, ik dacht dat mijn hoofd uit elkaar spatte…’
    ‘Maar heb je Şirin op het plein gezien?’ vraag ik nogmaals. ‘Hoe was ze eraan toe?’

    ‘We zaten bij die fontein. Ken je de 
fontein? Daar zaten we…’

    ‘Ik vraag niet wat er gebeurd is, ik wil weten waar je Şirin voor het laatst hebt gezien, en hoe het met haar was?’

    ‘Bij die fontein,’ begint Çiğdem weer, ‘Şirin en ik zaten te wachten op de groep met het spandoek van de onderwijsvakbond Eğitim-Sen, toen we op-eens verdoofd werden door een enorme explosie… Ze zeggen dat er nog een tweede bom is ontploft. Is dat zo?’

    ‘Maar Çiğdem, zeg me, was ze nog in leven?’ Dat wil ik weten.

    ‘De eerste arts die ik erbij heb gehaald,’ zegt ze, ‘is weggelopen zonder iets te zeggen. De volgende zei dat ze dood was. De derde zei dat ook. Ze is dood, zei hij. Ik heb haar tas meegenomen. Kijk, hier. Niet aankomen.’

    ‘En toen…’

    ‘Nou ben ik hier…’

    En Şirin, waar is Şirin?

    Nu zijn wij degenen die doodgaan, die gedood worden, hemel en aarde moeten we bewegen

    Vanaf dat moment begint onze helletocht naar het mortuarium van het Numune-ziekenhuis. Een plaats waar de dood en de dode iets gewoons worden.
    ‘We zoeken het stoffelijk overschot van een familielid.’

    ‘Man of vrouw?’

    ‘Vrouw.’

    ‘Hoe oud ongeveer?’

    ‘Drieëndertig.’

    ‘Kunt u haar identificeren?’

    ‘Ja.’

    ‘Wie van u is het flinkst? Die mag met mij meekomen.’

    Een luik gaat open, een lade wordt uitgetrokken. Eeuwen lijkt het, seconden in werkelijkheid…

    Terwijl het luik opengaat, de lade wordt uitgetrokken, haal je diep adem. Je bidt duizend-en-een gebeden en werpt een blik. Nee, godzijdank, dat is Şirin niet. Verder, het mortuarium van het Ibni Sina-ziekenhuis. Zoeken naar een medewerker die haar kan vinden. We wachten. Niemand te zien. Iemand zegt dat we gewoon naar binnen moeten gaan, zelf moeten kijken. Een neef gaat op onderzoek uit.

    Ik wacht…

    Hij komt naar buiten, Şirin is er niet.

    Het Hacettepe-ziekenhuis, het academisch ziekenhuis, het Gazi-ziekenhuis, het Dışkapı-ziekenhuis… Ze is in geen enkel mortuarium te vinden. Moeten we blij zijn of niet?

    De broer van Şirin is ondertussen naar het Forensisch instituut gegaan, en onverrichterzake weer teruggekomen, hij mocht niet naar binnen.

    Niks, we krijgen geen enkele informatie. Behalve van Çiğdem, nog steeds in shock, die beweert dat ze dood is.

    Dan gaan we met z’n allen naar het Forensisch Instituut. We lopen naar 
de taxistandplaats. De chauffeurs beginnen te kibbelen over wie aan de beurt is.

    ‘Jongens, laten we nou geen ruziemaken…’ zeg ik.

    Wij proppen ons met z’n allen in een auto, oom en neven…

    Twaalf uur na de bomaanslag

    Bij het instituut staan klagende, jammerende en huilende mensen te wachten tot ze naar binnen mogen, familieleden die uit alle macht erachter proberen te komen of hun kind nog in leven is of niet. Ik zie Aylin Nazlıaka op het terrein, bel haar op haar mobiel, waarna ze mij en een van mijn neven door het hek naar binnen loodst. We weten niet wat we moeten doen, lopen maar te ijsberen. Ik klamp de deken van de Ankarase orde van advocaten aan, Hakan Canduran, en de vicedeken, Seçkin Arıkan. ‘Mijn nicht is een van de doden. We willen zeker weten of haar stoffelijk overschot hier is.’

    Hakan Canduran is een meelevende man. ‘Meneer Taşçı, gaat u maar niet naar binnen. Dat wordt u te veel.’

    ‘Ik kan er wel tegen,’ zegt mijn neef meteen.

    ‘Hebt u nog heel even geduld.’

    Het is al tien uur in de avond. Twaalf uur na de bomaanslag. Nu zijn wij degenen die doodgaan, die gedood worden, hemel en aarde moeten we bewegen, tegen muren oplopen zonder een poot aan de grond te krijgen, in ijskoude mortuaria moeten we tientallen onbekenden in het gezicht kijken.

    Het terrein van het Forensisch instituut is aardedonker. Overal staan naast elkaar geparkeerde lijkwagens. Nu en dan wordt het verlicht door de lijkwagens en ambulances die af- en aanrijden.

    Een paar mensen laten een kabel met gloeilampen van de tweede verdieping van het bouwvallige pand naar beneden zakken, vandaar gaat hij van hand tot hand naar het andere blok ertegenover, wordt hij vastgemaakt aan de stang van het raam op de tweede verdieping. Er is licht nu.

    De metalen brancards die voor autopsie worden gebruikt, de op elkaar ge-stapelde lijkzakken worden nog zichtbaarder. Doodskisten die in lijkwagens worden geschoven.

    Ik vraag een van de officieren van justitie of hij iets weet. Mijn nicht zou alleen een granaatscherf in haar hals gekregen hebben. Ze is niet al te erg verminkt, ze kan nog geïdentificeerd worden. We hoeven alleen maar te weten dat ze hier is…

    De officier staat ook machteloos. We horen dat ieder lijk met de bijbehorende delen in een lijkzak zit. Iedere zak komt pas op tafel als hij aan de beurt is. Voor die tijd mogen de zakken onder geen beding geopend worden.

    Mijn neef en ik kijken urenlang hoe de lijkzakken worden aan- en afgevoerd, hoe degenen die de autopsies uitvoeren tussendoor wat eten met hun schorten aan.

    Met het verstrijken van de tijd worden de moedeloosheid, de woede en de opstandigheid groter. Nu en dan breekt op het terrein ruzie uit, klinkt er geschreeuw. Een hoge ambtenaar van het Openbaar Ministerie rijdt in een dienstauto het terrein op. Een oude bekende. Ik ga naar hem toe, leg hem onze situatie uit. Hij luistert en luistert, zegt dan zonder zelfs maar zijn medeleven uit te spreken: ‘Ik hoorde dat er binnen ruzie is uitgebroken tussen de advocaten en de officieren. Dat is de reden dat ik hier ben.’

    Heeft u wel eens op het goede nieuws gewacht dat u binnen kunt komen om een lijk te identificeren?

    Ali Haydar Hakverdi, parlementslid van de CHP Ankara, zet een glas voor me neer. Het valt me zwaar een slok te nemen. Zelfs voor de lucht die je inademt schaam je je als je ziet wat zich hier afspeelt.

    Iedere keer als het tumult, het geloop en geren bij de ingang van de autopsiezaal toeneemt, als ik mijn hart voel samenknijpen, loop ik naar de toegangspoort van het terrein. Terwijl ik er in het donker heen loop, merk ik dat de honderden mensen die bij de ingang staan te wachten in beweging komen zodra ze mij zien.

    Zo loop ik heen en weer tussen de autopsiezaal, het mortuarium, de officier, het parlementslid, de advocaten en de wachtenden bij het hek.

    Nog altijd hebben we het lichaam van Şirin niet gevonden.

    Ik deel een foto van haar identiteitskaart uit aan iedereen die de autopsiezaal in- of uitgaat, aan officieren, advocaten, bekenden, onbekenden, geef hen mijn nummer en zeg dat ze me moeten bellen als ze haar zien.

    Terwijl wij bij het Forensisch Instituut op de lijken staan te wachten, wordt er in Keçiören vuurwerk afgestoken, lichtstralen schieten door de lucht.

    We huilen zonder tranen.

    Heeft u wel eens op het goede nieuws gewacht dat u binnen kunt komen om een lijk te identificeren?

    Om 2 uur 30 was Şirin gevonden.

    Haar sjaaltje wappert nu in de uitgestrekte aarde van Anatolië, voor de vrede waar ze haar leven voor heeft gegeven.

    Auteur: İlhan Taşçı

    PS voor de lezer: Ik heb dit stuk geschreven nadat we onze dode hadden gevonden, en met opzet niet ieder afzonderlijk tafereel, iedere gebeurtenis waarvan ik getuige ben geweest op papier gezet. De dingen die ik gezien heb, bepaalde gevoelens, geuren die ik heb geroken, zullen me de rest van mijn leven bijblijven. Ik wil dat de achterblijvers zich hun doden kunnen herinneren in hun goede doen.