Tag: vrouwenrechten

  • ‘Hij noemde me een prostituee. Daarna werd hij premier’

    ‘Hij noemde me een prostituee. Daarna werd hij premier’

    De Sloveense premier Janez Janša, bondgenoot van Orbán, noemt journalisten zijn ‘belangrijkste politieke tegenstanders’. Vooral vrouwen zijn het slachtoffer van zijn online intimidaties. Journalist Evgenija Carl vertelt haar verhaal.

    Vrouwelijke journalisten, feministen, activisten en mensenrechtenverdedigers over de hele wereld worden geconfronteerd met virtuele intimidatie. In deze serie benadrukt de wereldwijde alliantie van het maatschappelijk middenveld CIVICUS de gendergerelateerde aard van virtuele intimidatie door middel van de verhalen van vrouwen die werken aan het verdedigen van onze democratische vrijheden. Deze getuigenissen worden hier gepubliceerd via een samenwerking tussen CIVICUS en Global Voices.

    Sinds de regering van premier Janez Janša in maart 2020 aan de macht kwam, is de persvrijheid in Slovenië in het geding. De premier uit zowel online als offline bedreigingen tegen journalisten en onafhankelijke media.

    De omvang van deze aanvallen door de premier en de leidende Sloveense Democratische Partij (SDS) was zelfs aanleiding voor de Raad van Europa om te waarschuwen tegen pesterijen en intimidatie van journalisten.

    Ondertussen heeft de regering stappen ondernomen om de media-onafhankelijkheid te verminderen, waarbij kanalen zoals Nova24 TV, Nova24 online en Planet TV in toenemende mate worden gefinancierd door partijen uit de omgeving van de autoritaire premier van Hongarije, Viktor Orbán, die een bondgenoot van Janša is. Ook maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met cultuur, mensenrechten, mediavrijheid en het milieu zijn herhaaldelijk beperkingen opgelegd.

    Evgenija Carl

    Evgenija Carl is een onderzoeksjournalist uit Slovenië. Nadat ze in 2016 een televisiereportage had gemaakt over de oppositiepartij SDS, noemde een vooraanstaand politicus, Janez Janša, haar op Twitter een ‘prostituee’. Toen Janša later premier van Slovenië werd, nam het onlinemisbruik toe.

    Dit is het verhaal van Evgenija Carl:

    ‘Ze zijn in staat ons straffeloos te beledigen

    Hij noemde mijn collega en mij, journalisten die werkzaam zijn op het gebied van internationale politiek voor de nationale Sloveense televisiezender (RTVSLO), ‘gepensioneerde prostituees’ die onze diensten verkopen voor 30 tot 35 euro. En daarna werd hij premier van Slovenië: Janez Janša.

    Zijn tweet luidde als volgt:

    ‘Bordelen bieden goedkope diensten aan van gepensioneerde prostituees Evgenija C en Mojca PŠ. Een voor 30 €, de tweede voor 35 €. #PimpMilan.’

    Ik ben onderzoeksjournalist en werk al vijfentwintig jaar in de journalistiek. Ik ben aanvallen gewend van degenen die mijn berichtgeving niet bevalt, maar vijf jaar geleden, in 2016, werd ik door het genoemde incident voor het eerst onderwerp werd van een openbare lynchpartij op sociale media.

    facebook 1 1 1
    Evgenija Carl.

    Dat begon met een beledigende tweet van Janez Janša, leider van de grootste Sloveense oppositiepartij op dat moment, de Sloveense Democratische Partij (SDS). Hij schreef hierin ook dat de toenmalige president van Slovenië, Milan Kučan, onze pooier was.

    Ik wist dat het gekozen pad niet gemakkelijk zou zijn, maar ik had nooit kunnen voorzien wat we allemaal over ons heen kregen – het was een stormloop

    U vraagt zich misschien af waar we Janša’s aanval aan te danken hadden? Het betrof een vergelding voor ons tv-item over leden van de SDS-partij van Janša. Hij wilde ons vernederen als journalisten en nog meer als vrouwen, want voor hem zijn we maar gewone ‘hoeren’. Dit is hoe Janša omgaat met vrouwen in het algemeen.

    Mijn collega en ik spanden een rechtszaak tegen hem aan en werden opnieuw doelwit van hem en zijn trouwe volgers, waaronder politici en enkele extreemrechtse media. Een nog nooit eerder vertoonde rechtszaak in Slovenië, die nog steeds loopt. Ik wist dat het gekozen pad niet gemakkelijk zou zijn, maar ik had nooit kunnen voorzien wat we allemaal over ons heen kregen.

    De kring van Sloveense extreemrechtse populisten – zoals Janša, enkele lokale politici, hun aanhangers, sympathisanten en volgers – belaagden ons via sociale media als Twitter en Facebook. Ze gebruiken extreemrechtse media, die de propaganda van de partij steunen, om vernederende artikelen te schrijven over journalisten die hun politieke opvattingen niet delen. Deze mediakanalen zijn opgericht door leden van de SDS-partij, die het merendeel van de belangen hebben verkocht aan Hongaarse bedrijven met eigenaren die dicht bij Janša’s bondgenoot Orbán staan.

    Ook ontving ik regelmatig enveloppen met wit poeder; één keer zat er een stof in de envelop die mijn luchtwegen aantastte

    Sinds Janša’s eerste tweet wordt vaak het label ‘prostituee’ aan mijn naam gehecht. Ik ontvang regelmatig openbare beledigingen, cynische opmerkingen, brieven en e-mails van anonieme mensen die mij willen vernederen. Een recente tweet die aan mij was gericht, luidde: ‘Ze is gewoon een ordinaire jihadist (…) journalistiek is prostitutie (…) In Amerika zouden ze haar een “tiendollarhoer” noemen!’

    Ook ontving ik regelmatig enveloppen met wit poeder; één keer zat er een substantie in de envelop die mijn luchtwegen aantastte. De brieven bevatten ook doodsbedreigingen en komen bijna altijd binnen na hoorzittingen in de rechtszaak tegen Janša.

    En ze vallen mijn kinderen aan, door ze in hun artikelen over mij of op sociale media te noemen. Niets, absoluut niets is heilig voor ze als ze zich op mij uitleven. In de elf maanden sinds Janez Janša opnieuw de leiding over de Sloveense regering heeft, zijn de aanvallen steeds erger geworden.

    ‘Coalitie van de dood’

    Tijdens de pandemie verklaarde de Sloveense president oorlog aan de media in het algemeen en noemde hij journalisten zijn ‘belangrijkste politieke tegenstanders’. Hij manipuleert foto’s en opnames en verspreidt leugens. Vrouwelijke journalisten zijn ‘teven, hoeren of dronkaards’. Dit is kenmerkend voor het mannelijk chauvinisme dat wordt gecultiveerd door de Sloveense politiek onder leiding van de premier.

    Een paar weken geleden deelde ik een bericht over een protest van ouders en kinderen tegen de sluiting van scholen. Vervolgens werd ik ervan beschuldigd medeplichtig te zijn aan het veroorzaken van coronadoden: beweerd werd dat de demonstranten het virus verspreidden. Janša noemde mijn collega’s en mij de ‘coalitie van de dood’.

    Soms heb ik het gevoel dat ik in een parallel universum leef, omdat dit voor een normaal, redelijk, beschaafd persoon ondenkbaar is

    Wat dit met me doet? Soms voel ik me depressief en hopeloos. Soms heb ik het gevoel dat ik in een parallel universum leef, omdat zoiets voor een normaal, redelijk, beschaafd persoon ondenkbaar is. Ik verwonder me over die ‘toetsenbordstrijders’, die altijd maar bereid zijn hun gedachten op een agressieve manier te uiten, en over het feit dat de kleinste kwestie een explosie van seksisme en vrouwenhaat kan veroorzaken.

    Diverse Europese instellingen en media over de hele wereld doen hun werk en vestigen aandacht op de ondraaglijke situatie onder het leiderschap van Janša en zijn houding ten opzichte van de media en journalisten, vooral zijn primitieve gedragingen ten opzichte van vrouwen, die door zijn volgelingen worden overgenomen.

    Dergelijke uitingen en acties zijn toegestaan ​​in Slovenië. Ze worden nooit bestraft. Onder het mom van vrijheid van meningsuiting nemen de beledigingen enkel toe. De politici zitten vol vooroordelen met betrekking tot vrouwen, alsof we niet al een lange weg hebben afgelegd, alsof er nog geen obstakels waren doorbroken, alsof de gevechten die door de vrouwen voor ons zijn gewonnen, niets hebben opgeleverd.

    Ik zou willen dat er juridische kaders kwamen, die een einde kunnen maken aan dergelijke intimidatie. Ik zou willen dat beledigende berichten snel worden verwijderd – veel berichten over mij staan ​​nog altijd online. Ik zou willen dat de media aanvallen op journalisten krachtdadiger veroordelen.

    Toen Janša ons ‘gepensioneerde prostituees’ noemde, handelde de directeur van de nationale Sloveense televisie ronduit opportunistisch: hij veroordeelde de daad niet. Het bestuur van het mediahuis waar ik voor werk hield zich een week lang stil, en werd toen door de publieke druk bijna gedwongen de belediging te veroordelen. Janša werd door hen niet genoemd.

    De angst voor wraak, opportunisme en pragmatisme dringen door tot in elke porie van ons land, en nemen alleen maar toe.

    Lees ook de andere bijdragen in deze reeks:

  • ‘Dit zijn dorpen met vrouwen zonder baarmoeder’

    ‘Dit zijn dorpen met vrouwen zonder baarmoeder’

    In de droge Beed-regio in India is zo moeilijk aan werk te komen, dat vrouwen massaal hun baarmoeder laten verwijderen om aan de eisen van hun werkgevers te voldoen.

    ‘U zult in deze dorpen nauwelijks vrouwen met een baarmoeder vinden. Dit zijn dorpen met vrouwen zonder baarmoeder’, zegt Manda Ugale met sombere blik in de ogen. Ze zit in haar kleine huisje in Hajipur, in het door droogte geteisterde Beed-district van de Marathwada-regio van Maharashtra [het gebied ten Oosten van Mumbai landinwaarts]. Het kost haar duidelijk moeite om over het onderwerp te praten.

    In Vanjarwadi, waar ze vandaan komt, is het voor vrouwen ‘de norm’ om de baarmoeder te laten verwijderen nadat ze twee of drie kinderen hebben gekregen. Vijftig procent van hen heeft een zogeheten hysterectomie gehad.

    De meerderheid van deze vrouwen trekken tijdens het suikerrietseizoen naar het suikergebied van westelijk Maharashtra; naarmate de droogte toeneemt, neemt het aantal migranten ook toe. ‘De mukadam (aannemer) heeft graag vrouwen zonder baarmoeder in zijn groep rietkappers’, vertelt SatyaBhama, een andere van de vrouwelijke werknemers.

    Echtparen uit de regio trekken tussen oktober en maart beide naar het gebied, en krijgen van de aannemer gezamenlijk één contract. Daarin staat onder andere dat als de man of de vrouw een dag pauze wil nemen van het intensieve werk, het paar elke keer een boete van 500 Indiase roepie [ca. € 5,60] aan de werkgever moet betalen.

    ‘We hebben een doel waaraan moet worden voldaan, en daarbij kunnen we vrouwen die menstrueren niet gebruiken’

    Ook menstruaties belemmeren het werk en brengen dus boetes met zich mee. Volgens werkgevers willen vrouwen tijdens de menstruatie meestal een of twee dagen pauze, zodat het werk wordt onderbroken.

    ‘Na een hysterectomie is er geen kans op menstruatie. En dus worden er tijdens het kappen geen pauzes meer genomen. We kunnen het ons niet veroorloven om zelfs maar een roepie te verliezen’, zegt SatyaBhama.

    ‘We hebben een doel te behalen binnen een beperkt tijdsbestek, en daarbij kunnen we vrouwen die tijdens het kappen van suikerriet menstrueren niet gebruiken’, aldus Dada Patil, een werkgever. Patil houdt vol dat hij en andere werkgevers de vrouwen niet dwingen een operatie te ondergaan; de keuze wordt gemaakt door hun families.

    Maar volgens de vrouwen betalen werkgevers een voorschot voor een operatie, waarna het geld wordt ingehouden op hun loon.

    Ernstige impact

    Achyut Borgaonkar van Tathapi, een organisatie die hier onderzoek naar heeft gedaan, weet te vertellen: ‘In deze kringen wordt menstruatie als een probleem beschouwd en een operatie gezien als de enige manier om ervan af te komen. Maar die heeft een ernstige impact op de gezondheid van de vrouwen. Ze raken hormonaal uit balans, krijgen geestelijke gezondheidsklachten, komen aan et cetera. We zien dat zelfs jonge meisjes van vijfentwintig deze operatie ondergaan.’

    Bandu Ugale, echtgenoot van Satyabhama en zelf ook rietkapper, rekent het voor. ‘Een paar krijgt ongeveer 250 Indiase roepie [€ 2,80] na het kappen van een ton suikerriet. Op een dag kappen we ongeveer drie tot vier ton suikerriet en in een heel seizoen van vier tot vijf maanden kappen we samen ongeveer 300 ton suikerriet. Wat we tijdens het seizoen verdienen, is ons jaarlijkse inkomen, want als we terugkomen van het riet kappen hebben we geen werk’, zegt Ugale. ‘We kunnen ons dus geen dag pauze veroorloven. We moeten werken, zelfs als we gezondheidsproblemen hebben. Er is geen rust. Voor menstruatie is geen tijd’, aldus Ugale.

    Vilabai, een oudere vrouw, noemt het leven van een ‘rietkappersvrouw’ een hel. Ze laat doorschemeren dat er herhaaldelijk sprake is van seksuele uitbuiting van vrouwen door werkgevers en hun mannen.

    ‘Rietkappers moeten in suikerrietvelden of in een tent bij de suikermolens leven [een suikermolen is een grote pers met draaiende rollen waartussen vers gekapt suikerriet wordt gebroken om er het sap uit te persen]. Er zijn geen badkamers of toiletten. Onder deze omstandigheden is het voor een vrouw al helemaal geen doen als ze menstrueert’, vertelt ze.

    Ook vertellen de vrouwen dat artsen al een hysterectomieoperatie voorschrijven als ze zelfs maar klagen over buikpijn of afscheiding.

  • Marokko in greep van wraakporno | Britse musici zingen brexitblues

    Marokko in greep van wraakporno | Britse musici zingen brexitblues

    Marokko windt zich op over buitenechtelijke seks

    Marokkaanse rechtbanken hebben een jonge vrouw veroordeeld voor haar rol in een seksfilmpje die op grote schaal op het internet is verspreid. De video werd zonder haar toestemming online geplaatst, maar toch was zij degene die werd aangeklaagd, aangezien het Marokkaanse strafrecht seks buiten het huwelijk strafbaar stelt.

    In Marokko heeft een ‘digitale sit-in’ op sociale media de aandacht getrokken van het Marokkaanse weekblad TelQuel. De hashtag #STOP490trending topic in Marokko – is duizenden keren gedeeld. Om daar tegengewicht aan te bieden is de hashtag #KEEP490 in het leven geroepen. 490 is het nummer van het artikel in het Marokkaanse Wetboek van Strafrecht dat buitenechtelijke seksuele relaties strafbaar stelt.

    De zaak van Hanaa, een 24-jarige alleenstaande moeder, die op 4 januari tot een maand gevangenisstraf werd veroordeeld, lag aan de basis van de socialemediastorm. Ze is door de rechtbank veroordeeld omdat ze, gekleed in een niqab, seks had met een man waarmee ze niet is getrouwd. Daar is een filmpje van gemaakt dat in december op een pornowebsite is geplaatst.

    De video, die zich als een lopend vuurtje over het Marokkaanse web verspreidde, is zonder haar toestemming gepubliceerd en, volgens haar advocaat, ook zonder haar medeweten gefilmd, schrijft TelQuel in een tweede artikel.

    ‘Hier in Marokko is het de vrouw die tegen haar zin werd gefilmd – het slachtoffer dus – die veroordeeld wordt tot een maand gevangenisstraf en een boete van 500 dirham’

    Volgens de advocaat gaat het om zogeheten ‘wraakporno’: het chanteren van of wraak nemen op een persoon door middel van belastende beelden.

    Aujourd’hui le Maroc betreurt dat fundamentele rechten in Marokko nog niet zijn gegarandeerd: ‘Artikel 490 is een soort van grote grap in het Wetboek van Strafrecht. De realiteit is anders. Men heeft het over het legaliseren van cannabis terwijl de basale vrijheden om over je eigen lichaam te beschikken niet eens zijn gewaarborgd.’

    ‘Hier in Marokko is het de vrouw die tegen haar zin werd gefilmd – het slachtoffer dus – die veroordeeld wordt tot een maand gevangenisstraf en een boete van 500 dirham’, aldus de Marokkaanse site Le360.

    Toch is een deel van de Marokkanen fel voorstander van de wet. ‘De conservatieven zien rood van woede’, schrijft TelQuel. “#Keep490 of ga het land uit’, schrijft een voorstander van artikel 490 op Twitter.

    De man die het filmpje heeft gemaakt woont in Nederland, verklaart de advocaat van Hanaa tegenover de Franse krant Le Monde. Omdat Nederland en Marokko geen uitleveringsverdrag kennen, is de man, in tegenstelling tot de vrouw, niet veroordeeld voor seks buiten het huwelijk, aldus de advocaat. Zij is wel van plan om in Nederland een aanklacht in te dienen tegen de man.


    Tweede impeachment van Trump is grondwettelijk

    Zesenvijftig van de honderd senatoren (vijfig Democraten, zes Republikeinen) hebben ermee ingestemd dat de voormalige president van de VS wel degelijk aan een impeachmentprocedure kan worden onderworpen, ook al is hij nu een gewone burger.

    De stemming vond plaats ‘na een emotioneel beladen dag’, meldt Politico. De democratische aanklagers begonnen hun pleidooi met een videomontage van de bestorming van het Capitool op 6 januari. Zij beschuldigen het voormalige staatshoofd ervan in zijn toespraak, enkele minuten voor de incidenten, de menigte te hebben aangezet tot geweld.

    Voor het Trump-kamp is het proces ‘politiek theater’ dat ‘het land zal verscheuren’ en is het er uitsluitend op gericht te voorkomen dat de voormalige president zich in 2024 herkiesbaar stelt, bericht Politico. Impeachment zou volgens Trumps verdediging zinloos zijn aangezien hij niet meer in functie is.

    De Democratische afgevaardigde uit Colorado, Joe Neguse, verwerpt dat argument: ‘Dat zou betekenen dat een president zijn land zou kunnen verraden, zijn ambt zou kunnen neerleggen en zijn straf volledig zou kunnen ontlopen.’

    Volgens CNN was Trump niet blij met het ietwat onsamenhangende optreden van zijn advocaat Bruce Castor ten overstaan van de Senaat. De stemverhouding van 56-44 bevestigt niettemin dat Trump alle kans maakt om opnieuw te worden vrijgesproken, merkten de Amerikaanse media op. Er is een tweederde meerderheid nodig om hem te veroordelen.


    Post-brexitblues voor Britse muzikanten

    ‘Britse muzikanten zingen de blues’, kopt Financial Times. Sinds het begin van de coronapandemie wordt het ene na het andere concert afgelast. Zelfs Glastonbury, het emblematische muziekfestival dat gewoonlijk in juni in het zuiden van Engeland plaatsvindt, is al van de kalender gehaald. Voor het tweede jaar op rij. ‘Het besluit heeft de somberheid alleen maar doen toenemen door de hoop op een opleving van het festivalseizoen deze zomer te temperen’, aldus de zakenkrant.

    Zeker nu naast de onrust over de coronacrisis ook de gevolgen van brexit te voelen zijn. Sinds 1 januari kunnen Britse en Europese onderdanen niet langer onbelemmerd reizen tussen beide kanten van het Kanaal. Concerten en tournees die op het continent zijn gepland, zullen daardoor moeilijker te organiseren zijn, vreest de pers. Financial Times noemt bijvoorbeeld het geval van ‘John Smith, een folkzanger voor wie brexit tien jaar werk om een fanbasis op te bouwen in landen als Duitsland en Nederland, waar hij regelmatig optreedt, vrijwel teniet heeft gedaan’.

    Volgens The Guardian ‘moeten Britse muzikanten nu visa, werkvergunningen en importvergunningen voor hun apparatuur aanvragen wanneer zij naar de EU reizen om te werken, een vervelende en dure administratieve procedure die vooral opkomende muzikanten dreigt te treffen’.

    Zoals Sky News uitlegt, geven Brussel en Londen elkaar de schuld van deze blinde vlek in de brexitonderhandelingen die eind 2020 werden afgerond. Tijdens de besprekingen stelde de EU ‘een wederzijdse vrijstelling van administratieve formaliteiten voor reizen van maximaal negentig dagen voor kunstenaars, sportlieden en journalisten’ voor. Maar dat was onverenigbaar met de belofte van de regering om de controle over de grenzen van het Verenigd Koninkrijk terug te krijgen, antwoordde Londen.

  • ‘Er heerst een vreemde machtsdynamiek op Wikipedia’

    ‘Er heerst een vreemde machtsdynamiek op Wikipedia’

    De online-encyclopedie toont vooral de prestaties van westerse witte mannen. Natuurkundige Jess Wade vecht voor meer diversiteit. ‘De criteria van Wikipedia zijn zo opgesteld dat witte, mannelijke academici vaker op de site staan dan andere wetenschappers.’

    Keuze uit het archief

    Op 15 januari bestond Wikipedia vijfentwintig jaar. De digitale encyclopedie telt inmiddels meer dan 65 miljoen artikelen in meer dan 300 talen en wordt bijgehouden door zo’n 250.000 vrijwilligers.
    Hoewel het platform populair is en veel gebruikt wordt, klinken er vanuit verschillende hoeken kritische geluiden. Zo vindt extreemrechts in Amerika het platform te woke, terwijl linkse mensen juist vinden dat Wikipedia meer aan diversiteit moet doen.
    Een van hen is natuurkundige Jess Wade. In dit interview met New Scientist van zes jaar geleden vertelt ze tegen welke problemen ze als wetenschapper en editor van Wikipedia aanloopt.

    Als Jess Wade niet aan het werk is in het natuurkundig laboratorium van het Imperial College London voert ze strijd om de wetenschap toegankelijker te maken voor iedereen. Haar vlaggenschipproject is het schrijven en bewerken van artikelen op Wikipedia, de grootste encyclopedie van de mensheid ooit, om er zeker van te zijn dat de wetenschappelijke bijdragen van vrouwen en andere ondervertegenwoordigde groeperingen niet verloren gaan voor het nageslacht. Dankzij haar heeft de website pagina’s over Magdalena Skipper, de eerste vrouwelijke hoofdredacteur van het tijdschrift Nature, over Jo Dunkley, de astrofysicus en wetenschapsvoorlichter aan Princeton University, en over bijna negenhonderd andere baanbrekende vrouwen in de wetenschap.

    Iedereen met een internetverbinding kan Wikipedia bewerken, maar de meeste van die tienduizenden editors blijven in de schaduw. Wade heeft echter de krantenkoppen gehaald en werd in 2019 door Wikimedia UK uitgeroepen tot Wikimedian van het jaar. Maar niet alle aandacht was positief. Eind vorig jaar markeerden haar mede-editors een serie artikelen van haar die volgens hen verwijderd moesten worden omdat de onderwerpen onvoldoende vermeldenswaardig zouden zijn voor een wereldwijd publiek. Wade beschuldigde die editors openlijk van systematische vooringenomenheid, waarna de controverse de Britse pers haalde, die berichtte over de schimmige machtsspelletjes die bepalen welke informatie op Wikipedia terechtkomt.

    We spraken haar over haar beweegredenen om aan dit project te beginnen en over de vraag waarom het soms niet zo goed wordt ontvangen.

    Jess Wade – © Dave Guttridge / Wikipedia
    Jess Wade – © Dave Guttridge / Wikipedia

    Wat maakt Wikipedia de moeite waard?

    ‘Wikipedia wordt miljoenen keren per dag bezocht – en dan heb ik het alleen nog maar over de Britse versie – door mensen van over de hele wereld, uit alle lagen van de bevolking, en dat maakt het tot een superbelangrijk platform. Maar slechts zo’n 18 procent van de Engelstalige biografieën gaat over vrouwen en hoewel het moeilijker is om gegevens te krijgen over andere ondervertegenwoordigde groepen twijfel ik er niet aan dat wetenschappers met een handicap of zij die afkomstig zijn uit de lhbtq-gemeenschap minder snel een Wikipedia-pagina krijgen. Dus sinds begin 2018 heb ik geprobeerd om de aanwezigheid van vrouwelijke wetenschappers en mensen van kleur te stimuleren, en vooral die van mensen uit het mondiale zuiden.’

    Was het moeilijk om die profielen op Wikipedia te krijgen?

    ‘Wikipedia hanteert strikte criteria. Oké, niet iedereen die je ontmoet, hoeft erop te staan. Het probleem is dat de criteria zo zijn opgesteld dat witte, mannelijke academici vaker op de site staan dan andere wetenschappers; het gaat dan bijvoorbeeld om bijzondere hoogleraren, en mensen die wezenlijk hebben bijgedragen aan wetenschappelijke literatuur en die prestigieuze prijzen en beurzen hebben ontvangen. Zaken die vooral witte mannen uit westerse landen ten deel vallen.

    Het moeilijkste is om een onafhankelijke, gerenommeerde bron te vinden die al over deze wetenschappers heeft geschreven. Bijgevolg worden mijn biografieën soms afgedaan als niet opmerkelijk genoeg om op te nemen. Eind 2019 tweette ik op een weekend over deze kwestie en dat kreeg heel veel aandacht, omdat mensen dachten dat Wikipedia daarvoor verantwoordelijk was in plaats van de andere editors.’

    Waarom denkt u dat die editors kritiek hebben op uw bijdragen?

    ‘Het verbaast me echt dat dit gebeurt. Wikipedia is een wereldwijd project en we werken allemaal samen aan deze gratis kennis. Dus als editors een pagina lezen die volgens hen nog wel een extra citaat kan gebruiken, waarom zoeken ze dat dan zelf niet op? Volgens mij is er een vreemde machtsdynamiek gaande, waarin een paar individuele editors bovenaan staan in de hiërarchie van Wikipedia die denken dat ze kunnen bepalen welke informatie voor de site van belang is.’

    ‘Ik keek op de website en die was zo typerend dat ik er droevig van werd: een hele muur met 32 foto’s van witte mannen’

    Waarom bent u naast uw gewone baan campagne gaan voeren?

    ‘Dat kwam door het boek Inferior van Angela Saini. Ik vind Angela de belangrijkste schrijver en radiopresentator die we op dit moment in het Verenigd Koninkrijk hebben. Inferior stelt de negatieve manier waarop het werk van vrouwen in de wetenschap wordt behandeld aan de kaak. Dat boek heeft de manier waarop ik over gelijkheid denk totaal veranderd.’

    Heeft u zelf obstakels moeten overwinnen?

    ‘Er is één voorval dat me in het bijzonder heeft gefrustreerd. Ik was net uitgenodigd om over nanomaterialen te spreken op een conferentie in Parijs. Ik keek op de website en die was zo typerend dat ik er droevig van werd: een hele muur met 32 foto’s van witte mannen. Als je zoiets ziet, dan denk je meteen: ze hebben me niet uitgenodigd vanwege mijn research, maar omdat iemand kritiek had op hun gebrek aan diversiteit.

    Ik schreef terug om een aantal bezwaren te uiten en heb, om een lang verhaal kort te houden, een groep fantastische vrouwen bij elkaar gekregen die wilden komen spreken op die bijeenkomst. Maar toen werden we naar de zijlijn geschoven en in een parallelle sessie voor zo’n twaalf mensen gestopt die “Vrouwen in nanomaterialen” werd genoemd. We waren slechts met vrouwen onder elkaar over ons werk aan het praten. Ik heb me nog nooit in mijn leven zo betutteld en vernederd gevoeld.’

    Vertel ons eens iets meer over uw werk met nanomaterialen.

    ‘Ik probeer nieuwe materialen te ontwikkelen om te gebruiken in tv- en mobieletelefoonschermen. Ik werk vooral met halfgeleiders die chirale eigenschappen hebben, wat betekent dat hun structuren niet-overlappende spiegelbeelden zijn, zoals je linker- en je rechterhand. We kunnen zorgen dat die moleculen op veel geavanceerdere manieren licht kunnen absorberen en uitstralen dan huidige materialen, zodat ze, als je ze in je tv of mobiele telefoon stopt, het scherm veel helderder maken en minder stroom vereisen.’

    181206 f dt527 136

    Wiskundige Gladys West is opgenomen in de US Air Force Space and Missile Pioneers Hall of Fame voor haar bijdrage aan de ontwikkeling van gps. West was een van de ‘computers’ van het Amerikaanse leger, voordat elektronische systemen het van haar zouden overnemen. Met behulp van satellietdata rekende ze de vorm van de aarde uit en stelde ze algoritmes op die aan de basis stonden van gps. – © Adrian Cadiz

    Is chiraliteit ook van belang buiten een laboratorium?

    ‘Een heleboel dingen zijn chiraal, zoals slakkenhuizen, schroeven en fusilli-pasta. Het blijkt zelfs dat zo’n 95 procent van de fusilli rechtsdraaiende helices zijn. Als we gelijke hoeveelheden van de links- en rechtsdraaiende soort hadden, zou dat de meest efficiënte manier zijn om de stukjes pasta te verpakken. Maar omdat we onevenredig veel rechtsdraaiende pasta maken, moeten de verpakkingen zo’n 10 procent groter zijn dan nodig is.’

    Wat moeten we volgens u doen om meisjes aan te moedigen natuurkunde te gaan studeren?

    ‘In het VK is het al zo ver dat er veel voorlichting wordt gegeven op schoolniveau. Maar wat natuurkunde aangaat, is er in de afgelopen vijftig jaar geen verandering gekomen in de scheve verhouding tussen jongens en meisjes wat betreft de vakkenkeuze op de middelbare school en evenmin op hbo- en academisch niveau. Als je meer kinderen wilt inspireren om natuurkunde als hoofdvak te kiezen, is het niet voldoende ze in de lunchpauze even voor te laten lichten door een paar wetenschappers.

    Dat is naïef. In plaats daarvan moeten we erover nadenken om succesvolle voorbeelden uit de praktijk te gebruiken, dingen waarvan bewezen is dat ze werken. Als een natuurkundige vier jaar lang met dezelfde middelbareschoolleraar optrekt, zullen er waarschijnlijk meer leerlingen natuurkunde kiezen dan als hij elke week bij een andere school zou langsgaan.’

    Als u een goed gesprek zou kunnen voeren met een van de mensen over wie u heeft geschreven, wie zou dat dan zijn?

    ‘Een wiskundige die Gladys West heet. Een van de eerste Wikipediapagina’s die ik schreef, ging over haar. Ze is in 1930 geboren in Virginia en studeerde wiskunde in een totaal andere omgeving dan de huidige. Daarna ging ze voor de Amerikaanse regering werken en legde met haar vroege computerkennis de basis voor de gps-technologie. Sinds ik die Wikipediapagina schreef, heeft ze op de 100 Women-lijst van de BBC gestaan, een jaarlijkse opsomming van invloedrijke en inspirerende vrouwen van over de hele wereld. Ze is opgenomen in de US Air Force Space and Missile Pioneers Hall of Fame en rondde in 2018 na een schriftelijke studie haar proefschrift af. Deze vrouw loopt tegen de negentig en ze rockt nog steeds.’

    Noot redactie: Gladys West is onlangs, op 17 januari 2026, op 95-jarige leeftijd overleden.

  • Arabisch feminisme 
vind je op Facebook

    Arabisch feminisme 
vind je op Facebook

    De Palestijnse feministe Samah Salaime vond op het 
sociale netwerk tal van getuigenissen van vrouwen die zich langzaam ontworstelen aan tradities.

    Onlangs heeft een van mijn Facebook-vriendinnen me toegevoegd aan een groep Arabische vrouwen. ‘O nee! Weer zo’n suf groepje!’ dacht ik meteen. Maar goede feministe als ik ben, kon ik uiteraard de verleiding niet weerstaan er een blik op te werpen.

    Ik vond op deze pagina getuigenissen van Arabische vrouwen van alle leeftijden en uit alle uithoeken van Israël: moslima’s, druzen en christenen, meer of minder belijdend, getrouwd of vrijgezel. Zowel ontroerende verhaaltjes als pretentieloze anekdotes, confidenties over grote liefdes en al even 
grote teleurstellingen, verhalen over 
existentiële crises en een nieuw begin.

    Veerkracht

    De afgelopen jaren hebben tienduizenden vrouwen op Facebook een podium gevonden om zich te uiten. Het zijn leraressen, sociaal werksters, verpleegkundigen, zakenvrouwen en zelfstandig privécoaches die praktisch alle onderwerpen op hun pagina’s aansnijden.

    Zo stuitte ik op het verhaal van een jonge vrouw, Lamis, wier moeder 
tijdens de bevalling is overleden en die vanaf haar geboorte de naam draagt van een moeder die ze nooit heeft gekend of in de ogen gekeken. Lamis, te vroeg geboren met een lichamelijke handicap, beschrijft de moeilijkheden waarmee ze sinds haar kinderjaren kampt en weidt uit over de verschillende fases van haar leven. Momenteel geeft ze leiding aan een re-integratieprogramma voor jonge gehandicapten uit de Arabische gemeenschap. De naam van haar programma is ‘I can’.

    Hanan, een heel bijzondere vrouw van dertig, heeft haar getuigenis geïllustreerd met een foto van een tatoeage op haar arm: een esculaap, het symbool van de geneeskunde, met het onderschrift ‘Ik beloof dat ik het weer oppak’. Nadat ze geneeskunde was gaan studeren kreeg ze een ernstig ongeluk waardoor ze eenzijdig verlamd raakte. Ze zwoer dat ze als ze erbovenop zou komen haar studie weer zou oppakken, en maakte haar droom waar. Na een periode als EHBO’er te hebben gewerkt vatte ze de moed om terug te keren naar de medische faculteit, zoals ze zichzelf had beloofd, waar ze momenteel afstudeert als medisch onderzoeker. De vrouwen uit deze Facebook-groep hebben comfortabele posities opgegeven om hun kinderdroom te verwezenlijken. Fitnessinstructrices en gezondheidscoaches, leidsters van vrouwelijke wielrenploegen, een vrouw die haar baan bij een vrouwenorganisatie vaarwel zegde om styliste en modeontwerpster te worden.

    “Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren”, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe

    Marianna, moeder van vier kinderen, verloofde zich op haar vijftiende en was zwanger toen ze eindexamen deed. ‘Een vroeg huwelijk’: dat was genoeg om meteen alle rode lampjes bij mij te doen branden. Toch heb ik niet te snel geoordeeld en ben ik door blijven lezen. Daarna nam ik contact met haar op om haar beter te kunnen begrijpen. Ze vertelde me over haar man, die haar niet alleen ‘toestemming’ had gegeven om te studeren en werken, maar haar ook echt steunde en haar dromen en ambities deelde. Geheel in tegenstelling met de in zijn milieu geldende normen zorgde hij voor de baby, en daarna voor het broertje dat anderhalf jaar later kwam, en stelde hij alles in het werk om zijn vrouw haar vleugels te laten uitslaan. ‘Als ik naar de universiteit ging, streek hij mijn kleren’, vertrouwde ze me op een avond op Facebook toe. ‘Ik kolfde voordat ik naar college ging, het huis was een puinhoop en het kwam voor dat de gootsteen vol vuile vaat stond 
en dat er niet één schoon lepeltje meer te vinden was. Maar hoewel ik daarna nog twee kinderen kreeg, lukte het me om af te studeren. Nu ga ik op zoek naar een baan en gaat mijn man door met zijn islam- en shariastudie. Want hij is imam in een moskee.’

    Imam? Ik wist niet wat ik hoorde. ‘Ja, hij is heel gelovig, en hij is heel oprecht en eerlijk. Hij behandelt me met alle egards die zijn geloof en zijn religieuze wet voorschrijven. De islam heeft niets tegen ambitie, en mijn man steunt me volledig bij mijn pogingen gelukkig te worden en me te ontplooien. Hij is aanwezig geweest bij mijn drie diploma-uitreikingen: mijn eindexamen, mijn bachelor en mijn master. Dat is inderdaad iets wat je niet vaak hoort,’ voegt ze eraan toe.

    © Ali Al-Shehabi  (Zie ook de toelichting onderaan)
    © Ali Al-Shehabi (Zie ook de toelichting onderaan)

    Ik had misschien liever gehad dat ze niet in haar eindexamenjaar was getrouwd, maar wie ben ik om te 
oordelen over het hart van een meisje dat weet wat ze met haar leven wil?

    Steeds meer vrouwen laten zich op het internet met ontroerende eerlijkheid van hun feministische kant zien. Het zijn geen verhalen die de voorpagina’s van kranten zullen halen, maar ze geven de lezeressen een gevoel van macht, helpen hen steviger in hun schoenen te staan en laten ze zien 
dat ze niet alleen zijn.

    In het veelsoortige ecosysteem van Facebook vind je vrouwen die op allerlei gebieden werkzaam zijn en hun dromen najagen, daarin slagen en zich ontplooien. Waarom zou je naar een Hollywoodfilm als Wonder Woman gaan om een vrouw te zoeken die haar lot in eigen hand neemt, obstakels uit de weg ruimt en met hetzelfde gemak plafonds van glas en beton doorbreekt, als je op Facebook zulke vrouwen kunt vinden die veel dichter staan bij de Arabische meisjes die hun eerste 
stappen in het leven zetten?

    Ik werk al twintig jaar met Arabische vrouwen. En elke keer weer ben ik getuige van de stille revolutie die deze vrouwen dag in dag uit in hun natuurlijke omgeving ontketenen. Met kleine stapjes leiden ze ons en onze samenleving naar een betere en inspirerendere toekomst.

    Sommigen van ons hebben het geluk gehad dat ze door hun ouders gemotiveerd en aangemoedigd zijn. Anderen hebben hun ouders nooit gekend en zijn slachtoffer geworden van geweld, onrechtvaardigheid en traumatische ervaringen. Er zijn vrouwen bij die fysieke, seksuele of psychologische mishandeling hebben ondergaan. Sommigen slaan zich er helemaal in hun eentje doorheen, maar de meesten van ons hebben in elk geval iemand 
die in ons gelooft. Om in het leven te slagen hebben Arabische vrouwen, zoals alle vrouwen ter wereld, 
soms maar één iemand nodig die hen begrijpt, plus de onbedwingbare wil om vooruit te komen.

    Met vreemde ogen

    Ik heb me afgevraagd waarom dit fenomeen me zo ontroerde en begeesterde. Zijn die tienduizenden sterke, actieve, onafhankelijke vrouwen een uitzondering? En zo ja, door wie worden de regels waarop ze een uitzondering 
vormen dan opgelegd?

    Ik ben tot de conclusie gekomen dat mijn enthousiasme zich deels laat 
verklaren door het ongelooflijk grote aantal getuigenissen van vrouwen die erin zijn geslaagd zich te ontplooien, wat me alleen maar sterkt in mijn feministische overtuiging. Aan de andere kant benadrukt mijn enthousiasme dat zelfs iemand zoals ik, die doorgaat voor een ‘verlichte Palestijnse’, het leven van de vrouwen uit haar gemeenschap met vreemde ogen blijft bezien. Het wordt hoog tijd daar verandering in aan te brengen.

    De ‘normale’ ontwikkeling van vrouwen in de Arabische samenleving 
verloopt volgens een westers patroon dat een onveranderlijke volgorde van de verschillende levensfases van de vrouw impliceert: schooltijd, jongens, werk, huwelijk, carrière en de ontplooiing van haar mogelijkheden. Daarom is elk verhaal dat ook maar enigszins afwijkt van deze normale sequens in mijn ogen een ‘indrukwekkende’ uitzondering. Vooral als het goed afloopt. Ze is immers tegen alle verwachtingen in geslaagd; ondanks dat ze een 
Arabische vrouw is, uit een dorp in het noorden of een stam in het zuiden komt, een hidjab draagt, is opgegroeid in een traditionele gelovige familie, jong is getrouwd, veel kinderen heeft gekregen, en heel wat andere obstakels heeft overwonnen – die vooral in onze gedachten bestaan.

    Van alle vrouwen die hun verhaal vertelden hebben vele niet het westerse persoonlijke ontwikkelingspatroon gevolgd. Zij hadden gewoon een ander uitgangspunt, of ze nou uit vrije wil handelden, of omdat ze geen andere keus hadden. In plaats van hun school af te maken, een vervolgopleiding te doen, te werken en daarna een gezin 
te stichten, heeft de overgrote meerderheid van de Arabische vrouwen 
een enigszins ander parcours gevolgd, waarbij liefdesbetrekkingen en seksualiteit onverbrekelijk verbonden zijn met het gezin en het instituut huwelijk. Ze proberen niet zozeer aan deze voorwaarden te tornen, maar gaan stug hun eigen gang ondanks de geldende omstandigheden. Het verlangen de regels te schenden en te normale gang van zaken te trotseren komen 
van binnenuit en met de jaren.

    We durven nog niet van de “verantwoordelijkheid” van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We 
durven nog niet hardop ”Ik heb het allemaal zelf gedaan” te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten

    Ik ben zelf op mijn twintigste getrouwd en kreeg op mijn eenentwintigste mijn eerste kind, zonder ook maar een moment stil te staan bij de gevolgen die dat zou hebben voor mijn studie en mijn carrière. Het heeft me enkele jaren gekost om te begrijpen dat ik voor een andere weg had kunnen kiezen. Maar één ding is zeker: in de Arabische samenleving zijn de sociale normen voortdurend in ontwikkeling, vooral dankzij de tienduizenden vrouwen die het er niet bij laten zitten.

    De vrouwen die zich uitspreken in deze verschillende Facebook-groepen hebben ook een partner: de nieuwe Arabische man.
    Het merendeel van de actieve vrouwen is getrouwd, en ook bij hun echtgenoot voltrekt zich een langzame, radicale en soms pijnlijke revolutie. De bevoorrechte status van de man die de scepter over het gezin zwaait omdat hij nu eenmaal een man is (iets wat men in feministische termen het patriarchaat noemt) wordt steeds meer ter discussie gesteld in het licht van nieuwe sociaaleconomische ontwikkelingen.

    De vrouw van tegenwoordig werkt, studeert, beslist mee en deelt de economische en familiale verantwoordelijkheden met haar echtgenoot. De man neemt niet meer dezelfde plaats in als vijftig jaar geleden.

    De meeste vrouwen met wie ik contact heb gehad prezen hun geweldige 
partner, die hen had gesteund en 
aangemoedigd en dankzij wie ze waren geslaagd in wat ze hadden ondernomen. We durven nog niet van de ‘verantwoordelijkheid’ van de echtgenoot te spreken of te zeggen dat hij onze keuzes moet respecteren. We 
durven nog niet hardop ‘Ik heb het allemaal zelf gedaan’ te zeggen of openlijk over gelijkheid te praten. 
Maar ik zou niets willen afdoen aan het ideaalbeeld dat deze vrouwen 
wensen voor te spiegelen, en een goede verstandhouding binnen het huwelijk kan alleen maar op waarde worden geschat.

    Toch is de gelijkheid tussen man en vrouw nog heel ver weg en heeft de feministische revolutie nog een lange weg te gaan.

    De Arabische man begint getuige te worden van de langzame en moeizame bewustwording van de vrouwen in zijn omgeving, die zich nog in een beginfase bevindt. Ik ben ervan overtuigd dat er een moment zal komen dat onze mannen, vaders, broers en zoons zich wel zullen moeten schikken in deze veranderingen en in de revolutie die tot een moderne Arabische man zal leiden, tot een nieuw idee over viriliteit. Er zullen natuurlijk altijd mannen blijven zijn die, omdat ze zich niet in de veranderingen kunnen vinden, 
hun vrouw weer onder de duim zullen proberen te krijgen en voorwendsels zullen zoeken om geweld, onderdrukking en andere vormen van dominantie te rechtvaardigen.

    Daarom, dames en heren, ontdoe ik mij hier en nu van een van die dikke lagen van westers feministisch bewustzijn die zich op mijn lichaam hebben afgezet en vervang ik die door de zachte, tere, onvolmaakte maar authentieke sluier van het Arabische feminisme. 
Ik zal de bevrijding van de Arabische vrouw niet langer als een vorm van eenrichtingsverkeer beschouwen, ik zal niet langer van mening zijn dat de enige legitieme weg de weg is die ons wordt opgelegd door de Israëlische samenleving of het westers feminisme. Het Arabische bevrijdingsproces is 
valide op zich, zonder dat we het ritme van onze veranderingen hoeven te 
vergelijken met dat van andere samenlevingen. De ‘sociologische gps’ moet gewoon de Arabische kaart leren lezen en zich aanpassen.

    Auteur: Samah Salaime

    Samah Salaime (te zien in het openingsbeeld) werd geboren in het noorden van Israël in een gezin van Palestijnse vluchtelingen. Ze behaalde een master Maatschappelijk Werk aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. In 2009 richtte ze de ngo Arab Women in the Center (AWC) op, die vrouwen aanmoedigt voor zichzelf op te komen. Deze ngo strijdt vooral tegen het geweld waaraan vrouwen in de Arabische gemeenschap worden blootgesteld. AWC spoort vrouwen en meisjes ook aan om een actieve rol te spelen in het protest tegen de verwoesting van Palestijnse huizen door het Israëlische leger.

    Bij het beeld van de twee vrouwen:

    De Bahreinse fotograaf Ali Al-Shehabi (23) putte voor zijn serie Freej Sisterhood uit zijn jeugdherinneringen aan de wijk Al Karama in Dubai. Als kleine jongen ontmoette hij vaak gesluierde vrouwen die hun inkopen kwamen doen in de buurt. Dit leidde tot de serie Freej Sisterhood (Freej betekent buurt in het Arabisch van de Golf).

  • Koerdische vrouwenrechten zijn óók voor de bühne

    Koerdische vrouwenrechten zijn óók voor de bühne

    In de Syrisch-Koerdische gebieden heeft de meerderheidspartij wetten uitgevaardigd die de rechten van vrouwen ondersteunen. Probleem: ze worden zelden toegepast.

    Augustus vorig jaar. Een jongeman uit de stad Al-Darbasiyah in Rojava, een gebied in het noordoosten van Syrië dat in handen is van de Koerden, verspreidt een video op de sociale netwerken. Daarin klaagt hij dat de plaatselijke politie zijn broer wilde arresteren op grond van een rechterlijke beslissing. Naar verluidt had een rechter, Shams Farhan, zijn huwelijk namelijk ontbonden omdat zijn beoogde echtgenote de wettelijke leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt. De rechtbank had ook een gevangenisstraf van een jaar opgelegd aan de degene die het huwelijk had gesloten, aan de respectieve vaders van de echtgenoot en de echtgenote, en aan de moeder van de bruid, omdat zij zich tegen de uitvoering van het vonnis had verzet.

    Er zijn veel van dit soort video’s. De gezagsdragers in de Koerdische Autonome Regio beweren dat ze huiselijk geweld en zogeheten eremoorden terugdringen, maar uit berichten van lokale en sociale media blijkt dat dit soort misdaden niet afneemt.

    Bij gebrek aan officiële cijfers en door het sociale taboe rond het onderwerp worden de meeste van deze misdaden gesmoord achter een muur van stilte. Sommige gevallen komen echter aan het licht via geruchten en dankzij lokale bronnen. De site Kurdstreet meldde bijvoorbeeld dat een vader in een Koerdisch dorp in de buurt van de stad Afrin zijn vijftienjarige dochter had vermoord omdat ze een relatie had met haar neef. Een andere site, Thari, repte van een misdrijf op de Al-Zeitouniyye-begraafplaats van Qamishli, waar een broer zijn zus vermoordde omdat zij een liefdesrelatie had.

    Regels en principes

    Onder de Koerdische autonome overheid leven mensen in twee werelden, die haaks op elkaar staan. De eerste wereld bestaat uit toespraken, wetten en slogans. De vrouw – haar rol, haar identiteit – staat daarin centraal en vormt zelfs de grondslag van de officiële ideologie. Er is niet één verklaring, niet één bijeenkomst, niet één uiteenzetting van de Koerdische Democratische Unie [PYD, de officieuze Syrische tak van de PKK] die geen verwijzing bevat naar de vrijheid van vrouwen, hun rechten en het belang van hun rol in de samenleving: economisch, politiek, militair.

    De PYD en haar president onderstrepen dit onderwerp nadrukkelijk om te laten uitkomen hoe bijzonder ze zijn in vergelijking met andere politieke krachten in het Midden-Oosten. Vrouwen op dergelijke wijze eren is ook een troefkaart in het smeden van banden met westerse landen. Dit blijkt uit alle activiteiten en publicaties van de partij. Zo heeft de afdeling van [de Syrisch-Koerdische stad] Kobani op 29 augustus 2015 een reeks regels en principes ingesteld die specifiek voor vrouwen zijn bedoeld. De belangrijkste punten zijn:

    ▶ gelijkheid van mannen en vrouwen op alle gebieden van het openbare en privéleven
    ▶ het recht van vrouwen om politieke, sociale, economische en culturele organisaties op te richten
    ▶ een verbod om met een vrouw te trouwen zonder haar expliciete instemming
    ▶ gevangenisstraffen van een tot drie maanden en boetes van 100 tot 200 dollar voor gedwongen verlovingen
    ▶ gevangenisstraffen van drie maanden tot een jaar en boetes van 200 tot 600 dollar voor gedwongen huwelijken, waarbij een vrouw een dergelijk huwelijk gedurende 
de eerste twaalf maanden kan afwijzen
    ▶ verbod op polygamie; elk huwelijk met een tweede vrouw wordt nietig verklaard en bestraft met een jaar cel en een boete van 1000 dollar
    ▶ gelijke rechten voor mannen en vrouwen om een scheiding aan te vragen; afwijzing van een scheiding is verboden
    ▶ gelijkheid van mannen en vrouwen op alle terreinen van de wettelijke nalatenschap
    ▶ doden om redenen van ‘eer’ is geen 
verzachtende omstandigheid
    ▶ zware straffen voor ontrouw van echtelieden, mannelijk dan wel vrouwelijk; gevangenisstraffen van een tot twee jaar.

    Syrisch-Koerdische meisjes in Aleppo. – © Valery Sharifulin / Getty
    Syrisch-Koerdische meisjes in Aleppo. – © Valery Sharifulin / Getty

    Uit deze wetten spreekt ogenschijnlijk een ware maatschappelijke revolutie. Ze dienen echter vooral als politiek en ideologisch propagandawapen tegen andere Koerdische politieke partijen, die impliciet als reactionair worden afgeschilderd.

    In werkelijkheid worden deze wetten en uitgangspunten slechts op een uiterst beperkte, zeer selectieve manier toegepast. Velen in de regio denken dat ze alleen een middel zijn om degenen die zich niet loyaal hebben verklaard aan de Koerdische machthebbers onder druk te zetten.
    Betekent dit dat de Koerdische regionale overheden nalaten om vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld te beschermen en de daders van eerwraak te straffen? Dat nu ook weer niet. Veel jonge vrouwen hebben hun toevlucht gezocht bij de overheid. Maar het heeft er alle schijn van dat dit een prijs heeft: alle verenigingen en organisaties zijn op een of andere wijze gedwongen opgenomen in de politieke organen die onder controle staan van de PYD. En allemaal zijn verplicht bij te dragen aan de militaire strijd die deze zelfde partij voert.

    Auteur: Rustom Mahmoud
    Vertaler: Carl Stellweg

    Daraj
    Libanon | daraj.com

    Daraj is een in november vorig jaar gelanceerde pan-Arabische nieuwssite met grootse ambities. Met de tagline ‘Het derde verhaal’ wordt verwezen naar de zwart-witte neigingen in Arabische media: ‘Het verhaal wordt ofwel gefinancierd door Iran ofwel door Saoedi-Arabië, het is voor soennieten of sjiieten, het is Assad of IS – het is nooit onpartijdig en objectief gerapporteerd. “Het derde verhaal” is gebaseerd op feiten en op professionele doelstellingen,’ aldus de 43-jarige oprichter Alia Ibrahim. Daraj betekent ‘stappen’ in het Arabisch; als het project slaagt, betekent dat een volgende stap voor de Arabische media. Er is volgens de oprichters geen gebrek aan talent, maar een gebrek aan kennis van digitale journalistiek en social media. Met hun initiatief wil Daraj een nieuw soort ‘influencers’ creëren, om op die manier ook taboes te doorbreken, bijvoorbeeld over ouderschap of seks. Financiële onafhankelijkheid is daarvoor van groot belang; Daraj is geen ngo, maar moet een winstgevend bedrijf worden. De opstartfase wordt gefinancierd door European Endowment for Democracy. Met een grote focus op video en een uitgekiende social media-strategie richt de site zich op millennials.  Midden-Oosten p. 32

  • De Tunesische vrouw krijgt haar rechten niet cadeau

    De Tunesische vrouw krijgt haar rechten niet cadeau

    Het voorstel van de Tunesische president Essebsi om man en vrouw in het erfrecht gelijk te stellen en vrouwen toe te staan met niet-moslims te trouwen, zorgt voor een felle polemiek. Vooral in het buitenland.

    Door te streven naar gelijkheid tussen man en vrouw vervult Tunesië in de regio wederom een pioniersrol. Het voorstel van onze president wordt naar alle waarschijnlijkheid een zware bevalling, vanwege het verzet van de – religieuze en niet-religieuze – conservatieven in het land zelf en daarbuiten.

    Zoals president Beji Caid Essebsi in zijn speech op 13 augustus ter gelegenheid van de nationale Dag van de Vrouw aangaf, is het initiatief om de discussie te openen over de dubbele kwestie van het erfrecht en het huwelijk van een moslima met een niet-moslim, geheel in overeenstemming met de geest van Grondwet van januari 2014. Het sluit ook goed aan bij de ontwikkeling van de maatschappelijke realiteit in het land: 75 van de in totaal 217 parlementsleden, 60 procent van het hoger medisch personeel, 41 procent van de leden van de magistratuur, 43 procent van de advocaten en 60 procent van de afgestudeerden aan de universiteit is vrouw. Het voorstel is daarnaast een aanvulling op de wet tegen geweld jegens en discriminatie van vrouwen, die in juli werd aangenomen.

    De toespraak van de president veroorzaakte een storm van protest onder degenen die de tekst van de Koran aanhalen om uiting te geven aan hun verontwaardiging over het voorstel om 
de wet inzake de persoonlijke status 
te wijzigen. [De Code du statut personnel 
is al van kracht sinds januari 1957 en kent de Tunesische vrouw rechten toe die in andere Arabisch-islamitische landen ongekend zijn.] Toch is deze wet goedgekeurd door de staatsgodsdienst (de islam), in de persoon van de moefti van de republiek.

    De tegenstanders zitten politiek gezien bij de islamistische Ennahda-partij, de salafistische partijen en bij Hizb el-Tahrir, die naar het kalifaat streven, en niet te vergeten bij de Al-Mahabba-partij, waarvan leider Hachmi Hamdi [oud-militant van Ennahda] heeft opgeroepen tot een petitie voor afzetting van de president.

    Heftige woordenwisselingen

    Er bestaat nog een derde stroming die een genuanceerder standpunt inneemt in deze polemiek. Deze gematigden zijn van mening dat het voorstel van de president op dit moment niet wenselijk is en wordt ingegeven door electorale motieven. Dit standpunt wordt veelal ingenomen door militanten van links en Arabische nationalisten.
    Het krachtenveld in de polemiek wordt dus niet alleen bepaald door seculiere modernisten en islamitische conservatieven. Bovendien kunnen de standpunten evolueren. Dat geldt bijvoorbeeld voor Ennahda, waarvan leider Rached Ghannouchi afwezig was bij de viering van de Dag van de Vrouw in Carthago, terwijl hij een strategische bondgenoot is van de zittende macht en zegt politiek en religie te willen scheiden. Ennahda ziet zich voor een dilemma geplaatst: wanneer de partij instemt met gelijkheid van man en vrouw in het erf- en huwelijksrecht, laat zij de oude overtuigingen van de Moslimbroeders los en verliest ze een deel van haar electoraat. Maar als zij de gelijkheid van man en vrouw uit naam van de sharia afwijst, wordt haar idee van een politieke transformatie tot een burgerlijke en democratische partij pure fictie.

    De polemiek heeft als resultaat dat de tegenstellingen tussen de bondgenoten die aan de macht zijn, Ennahda 
en Nidaa Tounes [Oproep aan Tunesië, de partij waaruit president Essebsi is voortgekomen] aan het licht treden. Maar ondanks de heftige woordenwisselingen tussen modernisten en conservatieven viel ditmaal niet het woord takfir! Dat hield vroeger een banvloek in: degene over wie dit werd gezegd, zou niet langer moslim zijn. Maar inmiddels is dit een verboden gebruik.

    Wel was er een gewelddadige reactie van de naar Turkije verbannen Egyptische predikant en salafist Wajdi Ghoneim. Hij noemde het voorstel een vorm van ongelovigheid en riep op tot een jihad tegen seculiere Tunesiërs.

    Een Tunesisch huwelijksfeest. Als het aan de president ligt mogen Tunesische vrouwen binnenkort ook met niet-moslims trouwen. © Fabio Bucciarelli / HH
    Een Tunesisch huwelijksfeest. Als het aan de president ligt mogen Tunesische vrouwen binnenkort ook met niet-moslims trouwen. © Fabio Bucciarelli / HH

    Een andere islamistische imam, Yusuf al-Qaradawi, voorzitter van de Internationale Unie van Moslimgeleerden, achtte het Tunesische initiatief eveneens in strijd met de regels van de islam. En een hoogwaardigheidsbekleder 
van de moskee van Al-Azhar [in Caïro], Abbas Shuman, heeft een fatwa uitgevaardigd tegen het voorstel van de Tunesische president.

    Daarmee is deze zaak niet langer alleen een nationale kwestie. Onmiddellijk volgden in Tunesië vijandige reacties op de bemoeienis vanuit Egypte via de hashtag Yezzi Al-Azhar [‘Nu is ‘t genoeg, Al-Azhar’]. Daarbij werd erop gewezen dat dit een interne Tunesische kwestie is, en werd de bal teruggespeeld naar Egypte, waar polygamie veel voorkomt en waar de status van de vrouw te wensen overlaat.

    Het doel van de huidige president is het opheffen van de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen. Dat dit geen overbodige luxe is, bewijzen het verschil in salariëring en status, en de stereotiepe ideeën en beelden die de media en de publieke opinie nog altijd over vrouwen uitdragen.

    Auteur: Mohamed Kerrou

    HuffPost Maghreb
    Tunesië | huffingtonpost.com

    Nieuws en analyses van experts over Tunesië, Algerije en Marokko, met de bedoeling het debat te stimuleren en te verhelderen.

  • Een sprankje hoop in de Syrische chaos

    Een sprankje hoop in de Syrische chaos

    In de Noord-Syrische regio Rojava hebben bewoners een democratische confederatie in het leven geroepen, gebaseerd op lokaal zelfbestuur. Ze streven naar een egalitaire samenleving waarin de rechten van vrouwen en minderheden worden gerespecteerd.

    Ondanks de nacht heerst er 
nog een verstikkende hitte in Kamishli. Nadat we snel zijn vertrokken van de kleine luchthaven die nog altijd wordt gecontroleerd door enkele tientallen politiemannen en soldaten van het regime van Bashar al-Assad, komen we onmiddellijk op het grondgebied van de Democratische Federatie van Noord-Syrië, vaak ‘Rojava’ genoemd (Koerdisch voor ‘west’). In dit gebied langs de Turkse grens tussen de Eufraat en Irak, dat is terugveroverd op de jihadisten van Islamitische Staat, wonen minstens twee miljoen mensen, van wie 60 procent Koerden. Sinds 2014 waait in dit deel van Noord-Syrië een politieke wind die is geïnspireerd door Abdullah Öcalan, de oprichter van de Koerdische Arbeiderspartij PKK, die al vanaf 1999 gevangenzit in Turkije. De PKK en haar Syrische bondgenoot PYD (Democratische Uniepartij) hebben het marxistisch-leninisme vaarwel gezegd en zich bekeerd tot het anarchosyndicalisme van de Amerikaanse ecoloog Murray Bookchin (1912-2006).
    Hun beginselverklaring, het in 2014 aangenomen Sociaal Contract van de Democratische Federatie van Noord-Syrië, verwerpt nationalisme en staat een egalitaire samenleving voor waarin alle bevolkingsgroepen gelijkelijk zijn vertegenwoordigd en de rechten van minderheden worden gerespecteerd.

    Rojava is de facto autonoom. Behalve de enclave Hasakah en de luchthaven van Kamishli, die onder het gezag van Damascus vallen, wordt de regio gecontroleerd door de Syrische Democratische Strijdkrachten (SDF), waarin de Koerdische strijders en strijdsters van de Volksbeschermingseenheden (YPG), de Vrouwelijke Volksbeschermingseenheden (YPJ) en leden van de soennitische, yezidische en christelijke milities zich hebben verenigd.

    Reusachtige YPG-vlaggen wapperen boven de talrijke wegversperringen in Kamishli, waar de politie van de autonome regering ieder voertuig minutieus inspecteert. Zelfmoordaanslagen door jihadisten vormen een permanente dreiging. Iedereen herinnert zich die van 2016, waarbij 44 doden en 140 gewonden vielen. De duisternis in de straten contrasteert met de verlichting van Nusaybin en Mardin, twee steden aan de andere kant van de Turkse grens. In een regio die wemelt van de natuurlijke hulpbronnen illustreert het energieprobleem de uitdagingen waarvoor het nieuwe bewind zich gesteld ziet. In Rumeilan, op honderd kilometer van Kamishli, langs de weg naar Irak, vormen zich lange wachtrijen bij de pompstations. Voor het begin van de oorlog, in 2011, leverde deze regio 380.000 vaten ruwe olie per dag, eenderde van de productie van het land. Door de strijd is de oliewinning met 70 procent gedaald en is er een schreeuwend gebrek aan benzine. Omdat er geen raffinaderijen zijn, ziet de autonome regering zich gedwongen een deel van de ruwe olie aan het Syrische bewind te verkopen, dat voor een forse prijs brandstof teruglevert: 80 eurocent per liter.

    Bovendien schieten de kleine ambachtelijke raffinaderijen die benzine voor 20 eurocent per liter verkopen als paddenstoelen uit de grond, maar hun aanslag op het milieu begint zorgwekkend te worden. De rook kleurt het landschap zwart; huidziekten en ademhalingsproblemen nemen hand over hand toe. ‘We hebben voorlopig geen andere oplossing,’ erkent Samer Hussein, de vrouwelijke adjunct-directeur van de energiecommissie die in Rumeilan zetelt. ‘Zodra we kunnen, zullen we moderne raffinaderijen bouwen en de regio schoonmaken. En we zullen al die arbeiders natuurlijk 
in de nieuwe fabrieken tewerkstellen.’

    Excuus

    In andere regio’s van Rojava, zoals Manbij, is het verbod op ambachtelijke raffinaderijen in het verkeerde keelgat geschoten van het deel van de bevolking waarvoor elektriciteit al op rantsoen is gesteld, hoewel de SDF de drie grootste stuwmeren langs de Eufraat heeft veroverd. Volgens internationale afspraken moet Turkije, dat het stroomopwaartse deel van de rivier benut, de doorstroming van 600 
kubieke meter water per seconde garanderen. ‘Toen IS de stuwmeren controleerde, liet Turkije een groter volume door,’ bevestigt Ziad Rustem, ingenieur en adjunct-directeur van de energiecommissie van het kanton Jazira. ‘Maar sinds de Syrische Democratische Strijdkrachten het gebied hebben bevrijd, zijn de Turken het watervolume gaan verminderen. Momenteel stroomt er nog geen 200 kubieke meter per seconde door.’

    Sherwan Youssef, journalist bij de Koerdische tv-zender Ronahi in Kamishli, onderstreept de onvrede bij de bevolking. ‘In Kamishli hebben enkele honderden mensen een protestbetoging gehouden. Ze geven de autonome regering de schuld, maar niet Turkije. Toch vind ik die betogingen terecht. Oorlog kan niet altijd een excuus zijn voor het gebrek aan geleverde diensten.’

    Ook al speelt milieubescherming een prominente rol in het Sociaal Contract, er zijn ook mensen die benadrukken dat de context daarvan de bouw van raffinaderijen, de modernisering van stuwmeren en de ontwikkeling van duurzame energie verhindert. Turkije heeft een blokkade in de regio opgeworpen, net als zijn bondgenoten van de Democratische Partij van Koerdistan (PDK), die het noorden van Irak bezet houden en met een scheef oog naar het succes van de PKK en de PYD kijken.

    Koerdische vrouwen in traditionele kleding vieren het voorjaarsfeest Noroez in de Noord-Syrische stad Kamishli in maart 2017. © Rodi Said / Reuters
    Koerdische vrouwen in traditionele kleding vieren het voorjaarsfeest Noroez in de Noord-Syrische stad Kamishli in maart 2017. © Rodi Said / Reuters

    De dringende behoeften en de onderlinge strijd hebben niet kunnen verhinderen dat er een democratische confederatie in het leven is geroepen, gebaseerd op het principe van lokaal zelfbestuur. De gemeenten hebben zich gehergroepeerd tot drie kantons – Jazira, Kobani en Afrin – die alle drie over een parlement en een kantonnale regering beschikken. Een Syrische Democratische Raad moet de drie kantons, die hun beleid al op elkaar afstemmen, op termijn overkoepelen. De eerste verkiezingen hebben plaatsgevonden in maart 2015, en andere 
zijn voorzien voor eind dit jaar, terwijl de parlementen begin 2018 moeten worden gekozen. De eerste stemmingsronde is geboycot door de Syrische Koerden, die nauwe banden hebben met de PDK, zoals Narin Matini, bestuurslid van de Koerdische Toekomstbeweging en de Koerdische Nationale Raad (CNK), die wordt geleid door 
Massoud Barzani, de president van 
de regionale regering van Iraaks-Koerdistan.

    Mevrouw Matini ontvangt ons in haar huis in de volkswijk van Kamishli: ‘Wij zetten ons in voor een onafhankelijk Koerdistan,’ zegt ze. ‘We zijn geen voorstanders van een Democratische Federatie van Noord-Syrië. De autoriteiten hebben onze kantoren gesloten en onze leiders gearresteerd en daarna weer vrijgelaten. De autonome regering zegt dat we ons moeten registreren om te mogen functioneren. Maar dat zou betekenen dat we hen steunen.’

    Het parlement van Jazira zetelt in Amuda, op een twintigtal kilometers van Kamishli. Het gebouw wordt zwaar bewaakt en is alleen te voet bereikbaar; bezoekers worden zorgvuldig gefouilleerd en geïdentificeerd. 99 van de 101 leden, waarvan de helft vrouwen, zijn vertegenwoordigers van politieke partijen die het Sociaal Contract hebben ondertekend. Daarnaast hebben er twee vertegenwoordigers van organisaties uit de burgermaatschappij zitting, volgens de regels een man en een vrouw. Zij worden naar voren geschoven door hun gemeenschap of vereniging en benoemd door het parlement. Ten slotte heeft een tiental Koerdische en Arabische politieke organisaties de bevoegdheid en middelen om in het parlement te functioneren zonder er daadwerkelijk deel van uit te maken.

    De stichting van een Koerdische natiestaat was geen doelstelling van Abdullah Öcalan, die zijn beweging als antinationalistisch bestempelt. ‘Ik wil dat de bevolkingsgroepen het recht op zelfverdediging krijgen en dat ze bijdragen aan de democratisering van alle partijen van Koerdistan, zonder de bestaande politieke grenzen ter discussie te stellen’, schrijft hij vanuit zijn gevangenis. ‘Wij willen niet gescheiden worden van ander Syrisch grondgebied,’ licht Siham Queyro toe, de vrouwelijke medevoorzitter van het comité van Buitenlandse Zaken van 
de autonome regering van het kanton Jazira. ‘De Koerden, de Arabieren en de Syriërs hebben in 2013 afgesproken om een autonome regering te vormen.’ Als lid van de christelijke gemeenschap, die voornamelijk uit Syriërs, Assyriërs en Chaldeeërs bestaat, herinnert ze er en passant aan dat de godsdienstvrijheid gegarandeerd is en dat er geen staatsreligie bestaat.

    ‘De beste manier om te voorkomen dat we opnieuw een dictator in Damascus krijgen, is de macht verdelen tussen de regio’s’

    In de ogen van de Nationale Syrische Coalitie, die geacht wordt de oppositie te verenigen maar nauwe banden onderhoudt met de Moslimbroeders, zijn de PYD en de daarmee verbonden militaire groeperingen zonder uitzondering ‘terroristische organisaties’ die gelieerd zijn aan de PKK. Veel leden van de Syrische oppositie beschuldigen de Coalitie ervan onder één hoedje te spelen met het regime. Maar anderen zijn van standpunt veranderd, zoals Bassam Ishak, voormalig directeur van een mensenrechtenorganisatie in Hasakah. Hij had zich in het begin aangesloten bij de Syrische Nationale Raad (SNR), die deelneemt aan de Coalitie en eerst in Istanboel gevestigd was alvorens te verhuizen naar Rojava: ‘Toen de revolutie van vreedzame betogingen in gewapende opstand ontaardde, werd duidelijk dat de SNR een ander doel voor ogen had dan ik. Ze willen Bashar al-Assad verdrijven en een machtsmonopolie verwerven. Ik had dus de keus tussen de religieuze staat die de Syrische Nationale Raad voor ogen heeft, die van een Arabisch nationalistisch Syrië en die van een pluralistische staat. De beste manier om te voorkomen dat we opnieuw een dictator in Damascus krijgen, is de macht verdelen tussen de regio’s.’

    Veel Koerden die we ontmoeten ontkennen de beschuldiging dat Rojava met Damascus heult; ze komen telkens weer terug op wat ze als strategische fouten van het regime beschouwen. Leraar Muslim Nabo heeft aan de Universiteit van Latakia gestudeerd. Zijn vrienden en hij publiceerden daar in het geheim een tijdschrift in het Koerdisch. Nadat ze in 2007 waren gearresteerd en overgebracht naar Damascus, werden ze in een minuscule cel gepropt en drie maanden lang geslagen. ‘Sommigen zeggen dat wij het regime van Bashar al-Assad steunen. Dat is een leugen,’ zegt hij. Na een jaar en een week werd hij vrijgelaten, het maximum voor administratieve hechtenis zonder proces. ‘We hebben veel geleden onder dit regime, dat sommige van onze politieke leiders heeft gemarteld en vermoord. Aan de andere kant wilden de Koerdische partijen geen gemilitariseerde revolutie die afhankelijk is van Turkije, Saoedi-Arabië en Qatar. De steun van deze landen aan jihadistische groeperingen is catastrofaal geweest voor de Syrische revolutie.’ Wat de Amerikaanse hulp betreft, ‘dat is militaire steun en geen politieke of economische,’ zegt commandant Nashrin Abdallah. ‘Een tijdelijke, transparante en tactische overeenkomst’, volgens diverse Koerdische leidinggevenden die we hebben gesproken.

    In 2014 en 2015 hebben twee internationale rapporten onenigheid gezaaid over het werkelijke beleid van de PYD in de op IS terugveroverde zones, met name in Tal Abyad: ‘Door opzettelijk woningen van burgers te verwoesten, in sommige gevallen door hele dorpen met de grond gelijk te maken en in brand te steken en door de bewoners zonder enige militaire reden te verplaatsen, misbruikt het autonome bestuur zijn gezag en maakt het schaamteloos inbreuk op de internationale mensenrechten door middel van aanslagen die oorlogsmisdaden vormen,’ zei Lama Fakih, crisisadviseur bij Amnesty International, in oktober 2015. Een jaar eerder stelde een rapport van Human Rights Watch hetzelfde.

    Je kunt niet spreken van een etnische zuivering onder Arabieren, verdedigt mevrouw Queryo zich. ‘Toen er gevechten dreigden uit te breken, heeft de YPG de bevolking verzocht haar huizen tijdelijk te verlaten. Na de gevechten heb ik zelf veel dorpen rond Tal Abyad en Raqqa bezocht. De mensen hebben me allemaal verzekerd dat het zo is gegaan. Na twee weken zijn ze teruggekeerd.’ Ook het rapport van de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties, gepubliceerd in maart 2017, weerspreekt de beschuldigingen van etnische zuivering: ‘De commissie heeft geen enkel bewijs gevonden dat de strijdkrachten van 
de YPG of SDF zich om etnische redenen tegen de Arabische bevolking hebben gekeerd, noch dat het kantonnale YPG-bestuur systematisch heeft geprobeerd de demografische samenstelling van de gebieden die onder hun gezag vielen vanuit etnisch oogpunt te 
veranderen.’ Hoewel de commissie opmerkte dat de verborgen bommen van IS de verplaatsingen rechtvaardigden, had ze kritiek op het gebrek aan ‘adequate’ humanitaire hulp aan de verplaatste gemeenschappen en de ‘gedwongen rekrutering’ door de YPG voor de militaire dienst.

    Kobani

    We verlaten Amuda en gaan naar Kobani, in het westen van Rojava. De weg loopt langs een eindeloze muur 
van 500 kilometer lang, gebouwd door Turkije dat daarmee het Syrische grondgebied is binnengedrongen. Dit betonnen bouwwerk, afgezet met prikkeldraad, versterkt het gevoel van isolement van deze gebieden die altijd de graanschuur van het land zijn geweest. Begin juli is het graan van de immense graanvelden geoogst en nu scharrelen er kuddes schapen hun kostje bij elkaar. De heuvels zijn bedekt met keurige rijen olijfbomen – een recente cultuur in de regio. De vaak zeer jonge landarbeiders beginnen vroeg te werken om voor de ergste hitte klaar te zijn. In de buurt van Tal Abyad loopt de weg over een sterk stromende rivier. Dit was kort geleden nog maar een onbeduidend stroompje, maar doordat Turkije het water uit de Eufraat grotendeels voor zichzelf houdt heeft men zich in allerijl op secundaire rivieren gericht, waarvan de irrigatie profiteert.

    Bij het binnenrijden van Kobani zien we in de middenberm foto’s van ‘martelaren’, onder wie veel vrouwen. Ook het portret van Öcalan is alom aanwezig. De stad, die nog maar twee jaar geleden grotendeels was verwoest, bruist van energie en activiteit. Door raketten en granaten verwoeste huizenblokken worden afgewisseld door hijskranen en panden in aanbouw. ‘We willen de stad zo snel mogelijk weer opbouwen, zodat de mensen terugkomen,’ zegt Hawzin Azeez, die bij een organisatie voor stedelijke ontwikkeling werkt. Volgens haar voldoet de humanitaire hulp niet aan de verwachtingen en de beloftes. ‘De herbouw komt hoofdzakelijk op onszelf neer.’

    De strijd om Kobani, die plaatsvond tussen september 2014 en januari 2015, vormde een beslissend keerpunt in de strijd tegen IS. Na de verovering van Mosul in Irak en Raqqa in Syrië is de uitbreiding van het ‘kalifaat’ hier voor het eerst een halt toegeroepen.

    Door de strijd heeft de wereld ook kunnen ontdekken dat de situatie voor vrouwen in het Midden-Oosten aan het veranderen is. Kongra Star is de naam die aan het vrouwenopvanghuis in de stad is gegeven. Dit enorme gebouw, gelegen in een rustig straatje, ontvangt voornamelijk vrouwen die een klacht hebben ingediend wegens geweld binnen het huwelijk. Een grote vergaderzaal komt uit op de tuin, met aan de muur een reproductie van een schilderij van een kunstenaar uit Gaza: een jonge vrouw die oprijst uit de ruïnes, een symbool van toekomst en hoop. Aan weerskanten van dit schilderij hangen portretten van vrouwen die zijn gedood in de strijd om Kobani. Een ander deel van het huis, dat van een aparte, discrete ingang is voorzien, is bedoeld voor de opvang van vrouwen in nood.

    De vrouwen met wie we spreken benadrukken dat seksegelijkheid de belangrijkste pijler van het Sociaal Contract van Rojava is. ‘Volgens de nieuwe wetten die door de autonome regering zijn aangenomen, erven een zoon en een dochter een gelijk deel, terwijl de islamitische wet maar in een half deel voor de dochter voorziet,’ geeft Sara al-Khali, een van de medewerkers van Kongra Star, als voorbeeld. ‘Het valt niet mee om deze nieuwe wetten aan een traditionele samenleving op te leggen, maar geleidelijk beginnen de mensen het te accepteren.’ De autonome regering verbiedt ook polygamie, al bestaat er een uitzondering op de regel. De ‘schaarste aan jongemannen’ dwingt sommige vrouwen ertoe om met een man te trouwen die al getrouwd is, vertelt mevrouw Azeez. ‘Als alle betrokken partijen ermee instemmen, kan de rechter ontheffing van het verbod verlenen.’

    © Courrier International
    © Courrier International

    ‘In deze regio bestaat een verschrikkelijke gewoonte, de eerwraak,’ zegt mevrouw Al-Khali, die er trots op is een bijdrage te leveren aan de uitroeiing daarvan. ‘Als iemand mijn broer doodt, moet mijn familie zich wreken door een lid van de andere familie te doden. Kongra Star heeft een comité gevormd om een verzoening tussen vertegenwoordigers van beide families te bewerkstelligen en daarmee een vendetta te voorkomen. Als er in een wijk een probleem ontstaat, komt een comité van vrouwen tussenbeide om een oplossing te vinden. Lukt dat niet, dan komen de vrouwen hier. Als het vrouwenopvanghuis geen oplossing vindt, wordt het conflict voor de rechter beslecht.’

    Hier zien we een rechtstreekse toepassing van de anarchosyndicalistische beginselen van Murray Bookchin. ‘Elke straat, elke wijk hier kan een deelraad vormen,’ bevestigt Ibrahim Moussa, inwoner van Kobani. ‘Dat is een soort basisbestuur, gekozen door de bewoners en afzetbaar. Vorig jaar zijn er 2300 deelraden geregistreerd in het kanton Kobani. Die hebben 9700 klachten kunnen behandelen, en maar vijfhonderd daarvan zijn voor de rechter gekomen. Ander voorbeeld: de bewoners controleren of de antimonopoliewet in elke wijk wel goed wordt nageleefd, zodat de winkeliers niet van het embargo profiteren door hun prijzen te verhogen.’

    De situatie in Kobani illustreert ook de uitdaging waarvoor de coalitie van diverse gemeenschappen zich geplaatst ziet: ze strijden zij aan zij tegen IS, maar zijn het niet per se eens over de rest. Onder het regime van Assad werd onderwijs alleen maar in het Arabisch gegeven. Niet zonder problemen heeft een hervorming van het schoolsysteem de drie officiële talen, Syrisch, Arabisch en Koerdisch, als gelijkwaardig aangemerkt, vertelt Dildar Kobani, lid van de directie Onderwijs van het kanton. ‘Sommigen beschuldigen ons van “koerdisering”. Dat is absurd. De helft van onze twintigduizend docenten is Arabisch. In Kobani is het grootste deel van het bestuur Koerdisch, net als de bevolking. Maar in Tal Abyad, een gemengde regio, is het bestuur half Koerdisch, half Arabisch.’

    Volledig gesluierde vrouwen doen hun boodschappen naast vrouwen met een onbedekt hoofd

    Onze voorlaatste tussenstop is Manbij, een stad die in augustus 2016 van het juk van IS is bevrijd door de SDF, na een heftige strijd waaraan ook Turkse troepen en het Vrije Syrische Leger deelnamen. In de soek valt meteen de culturele diversiteit op. Volledig gesluierde vrouwen doen hun boodschappen naast vrouwen met een onbedekt hoofd. Arabieren verkopen fruit naast Koerdische slagers en bakkers. Ahmed, een Turkmeen, bereidt pizza’s en verwerpt het idee van een Turkse interventie. ‘We leven hier samen, als broeders. De relatie tussen de Turkmeense, Koerdische, Arabische en Tsjetsjeense gemeenschappen is heel goed. Er zijn zelfs gemengde huwelijken. Wat zou Turkije hier dan te zoeken hebben?’

    Abeer al-Aboud, die een sluier draagt, behoort tot de grote Arabische stam Beni Sultan. Haar naam wordt genoemd voor een plek in de burgerregering van Manbij, en ook zij maakt zich kwaad over de bedoelingen die aan Turkije worden toegeschreven: ‘Wij verzetten ons fel tegen de Turkse beschuldigingen dat de Koerden de Arabische, Turkmeense, Tsjetsjeense of Tsjerkessische burgers zouden overheersen. De vijf gemeenschappen zijn vertegenwoordigd in de grote raad, en in alle andere zijn de Arabieren in de meerderheid. Turkije probeert onze reputatie te besmeuren. Als het onder dat voorwendsel tegen de Koerden wil strijden, zullen wij, de Arabieren, achter de Koerden staan om ons mozaïek van volkeren te verdedigen.’

    Niet ver van de markt komen we Ali Hatem tegen, een Arabier die zijn hele leven in de bouw heeft gewerkt. Nu verkoopt hij sigaretten, waarop onder IS de doodstraf stond. ‘Toen het Vrije Syrische Leger en het al-Nusrafront hier kwamen, werd de situatie heel slecht. Ze bemoeiden zich overal mee. Bovendien bestalen ze ons en vochten ze met elkaar. Onder IS was het nog erger. Je was bang om te praten, je dacht dat de muren oren hadden. Als we nu een probleem hebben, hebben we een deelraad.’

    De lokale autoriteiten doen er alles 
aan nieuwe haatuitbarstingen te voorkomen. Abeer Mahmoud, lid van de Raad voor Verzoening en Integratie, heeft al drie jaar niets van haar man gehoord, die door IS werd gearresteerd. Toch dringt ze aan op verzoeningsmaatregelen. ‘Toen Manbij werd bevrijd, zijn veel mensen naar de SDF gelopen om collaborateurs aan te geven. Die werden door de militaire raad gearresteerd om te voorkomen dat er wraak werd genomen zonder proces. Na onze verzoeningsinspanningen zijn 250 mannen die geen bloed aan hun handen hadden bevrijd. De doodstraf bestaat hier niet.’ Jihadisten die verdacht worden van halsmisdrijven of daarvoor zijn veroordeeld, worden vastgehouden in gevangenissen die naar men zegt de Conventie van Genève respecteren, die is ondertekend door de YPG.

    Ain Issa

    Op de weg naar Raqqa stoppen we in Ain Issa, het militaire hoofdkwartier van de SDF. Een dienstplichtige is bezig ‘Syrische Democratische Strijdkrachten’ op een muur te schilderen, in het Arabisch, Koerdisch en Syrisch. De autonome regering legt een militaire dienstplicht van negen maanden op. Maar de overgrote meerderheid van 
de soldaten aan het front zijn vrijwilligers, onder wie enkele buitenlanders; een van hen was Robert Grodt, vroeger actief in Occupy Wall Street, die op 6 juli werd gedood toen de YPG de buitenwijken van Raqqa binnenviel. Konvooien lichte Amerikaanse pantservoertuigen rijden over de 
weggetjes van de sector. Na twee uur rijden, door een landschap dat bezaaid is met verwoeste gebouwen en verbrande voertuigen, doemt de stad op. De scherpschutters en de jihadistische aanslagen remmen de opmars van de SDF. Aan het begin van de stad biedt een eerstehulppost de mogelijkheid om lichtgewonden te behandelen. 
Een stukje verder, in een ander pand, maakt een groep jonge vrouwelijke dienstplichtigen met een yezidische achtergrond zich op om naar het front te vertrekken. Een van hen zegt dat ze alle vrouwen wil wreken die slachtoffer zijn geworden van IS. ‘Het kan me weinig schelen of de gevangen gehouden vrouwen yezidisch, Arabisch of Turkmeens zijn, we zijn gekomen om ze te bevrijden. Daarna gaan we weer naar huis, we zijn geen bezetters.’

    Vanaf het terras van het gebouw waar de strijders op verhaal kunnen komen is het uitzicht op deze agglomeratie, die vroeger tweehonderdduizend inwoners telde, indrukwekkend. De straten tussen de verwoeste en nog overeind staande gebouwen zijn uitgestorven. Alle bewoners van de wijk zijn geëvacueerd; af en toe hoor je schieten of 
een explosie. Op een lagere verdieping doen strijders zich tegoed aan een grote schaal rijst, groenten en kip. De insignes op hun uniform zijn verschillend.

    Sommige zijn Arabisch, andere Koerdisch of yezidisch, maar allemaal luisteren ze aandachtig naar een gesprek over de radiotelefoon tussen een lid van de groep en iemand van het hoofdkwartier van de SDF, die hem instructies geeft. IS blijft zich verzetten, en hoewel men voorspelt dat hun ondergang onafwendbaar is, zal er nog heel wat strijd moeten worden geleverd voordat Rojava of de Democratische Federatie van Noord-Syrië met naam en toenaam op de kaart prijken.

    Auteur: Mireille Court

    Le Monde Diplomatique
    Frankrijk | maandblad | oplage 300.000

    ‘Le Diplo’ heeft een linkse blik op de internationale politiek en cultuur. Kritisch op de wereldwijde effecten van het neoliberalisme. Met tien buitenlandse edities komt het lezersaantal op 1 miljoen.

  • De een z’n harem is de ander z’n school

    De een z’n harem is de ander z’n school

    De Turkse presidentsvrouw Ermine Erdogan prees de Ottomaanse harems als ‘leerscholen voor vrouwen’. Het kwam haar ook in eigen land op veel kritiek te staan.

    Emine Erdogan, de first lady van Turkije, deed vorige maand van zich spreken. Op een evenement in Ankara prees zij de zogenaamde valide sultans – ofwel de wettige moeders van sultans – als ‘pioniers van hun generatie, voorbeelden voor onze moeders’.

    Ook bestreed ze het westerse beeld van de harem als een plek waar ambitieuze vrouwen het wapen van hun seksualiteit inzetten om zich een weg omhoog te banen. ‘Voor leden van de Ottomaanse familie was de harem een school,’ zei ze, ‘een centrum van onderwijs, waar vrouwen werden voorbereid op het leven en op georganiseerde vrijwilligersactiviteiten.’

    Afrodisiaca uit het Ottomaanse tijdperk hebben een krachtige comeback gemaakt en zijn reguliere handel geworden

    Zoals Erdogans toespraak liet zien roept het begrip ‘harem’ vragen op bij het hedendaags publiek. In zijn oorspronkelijke betekenis (‘verboden’ of ‘heilig’) was het woord van toepassing op vrouwelijke familieleden. In samenlevingen waar mannen en vrouwen gescheiden zijn, hebben vrouwen hun eigen verblijf: de harem. In Ottomaanse paleizen was dit de plek waar alle slavinnen, concubines, eunuchen en vrouwelijke familieleden van de sultan woonden. Welk soort onderwijs de harembewoners kregen hing af van de heerser en van de periode in kwestie, maar de voornaamste rol van de jonge vrouwen die als slavinnen werden binnengebracht was toch om de sultan te behagen en mannelijke baby’s op de wereld te zetten. Dit bood hun de kans om op een dag valide sultan te worden, ofwel de vrouw die het hof bestierde.

    Erdogans geestdriftige aanprijzing van de harem als school leidde zowel in binnen- als buitenland tot stevige reacties. De laatste werden door neo-Ottomaanse groepen – conservatieven, islamisten, maar ook commentatoren die op de hand zijn van Erdogans Partij voor Rechtvaardigheid en Ontwikkeling (AKP) – afgedaan als oriëntalisme. Maar uit discussies op de Turkse sociale media blijkt dat het populaire beeld van haremconcubines bij Turkse burgers zowel afschuw als fascinatie opwekt.

    Scène uit een Turkse harem, schilderij van Franz Hermann, Hans Gemminger, Valentin Mueller (olieverf op doek, tweede helft zeventiende eeuw). – © Google Art Project
    Scène uit een Turkse harem, schilderij van Franz Hermann, Hans Gemminger, Valentin Mueller (olieverf op doek, tweede helft zeventiende eeuw). – © Google Art Project

    Ondank de scherpe afkeuring van de regeringspartij AKP, zijn series als Muhteşem Yüzyıl (De schitterende eeuw) – over het leven van prominente sultans en hun geliefden – zeer populair in Turkije. Ze hebben zelfs een niche gecreëerd voor neo-Ottomaanse producten. Geurtjes vernoemd naar machtige vrouwen aan het Ottomaanse hof, alsmede badjassen, badkameraccessoires, sieraden en zelfs haarverf met een Ottomaans thema gaan als warme broodjes over de toonbank.

    Afrodisiaca uit het Ottomaanse tijdperk hebben een krachtige comeback gemaakt en zijn reguliere handel geworden. Ook kun je als consument zelf een paleiservaring opdoen, afgestemd op je voorkeur en wat je te besteden hebt. Zo biedt het chique hotel Les Ottomans aan de Bosporus kamers die zijn ingericht naar de smaken van tien verschillende sultans en de unieke sfeer van hun tijd. De Amerikaanse Republikeinse presidentskandidaat Donald Trump was er reeds te gast.

    Het linkse kamp

    Niet iedereen was ingenomen met het positieve beeld dat mevrouw Erdogan van de harem schetste. Met name vrouwen uit het linkse kamp namen haar onder vuur. ‘Graag wijs ik mevrouw Erdogan erop dat de harem die zij een school noemt, leerlingen of concubines telde die met geweld naar het paleis werden gebracht,’ aldus Yasemin Cankurtaran, vicevoorzitter van de Republikeinse Volkspartij. ‘Het waren minderjarigen die tot geestelijke en lichamelijke slavernij werden gedwongen… Ik begrijp niet hoe een presidentsvrouw een deel van onze cultuur kan aanprijzen dat van Byzantijnse oorsprong is. Je verstand staat erbij stil.’ Een groepering met de naam Communistische Vrouwen was nog feller. Deze verklaarde de first lady de oorlog en riep het publiek op de familie Erdogan van haar monarchie- en haremwanen te verlossen.

    ‘Seksuele intriges maakten wel degelijk deel uit van het haremleven,’ zegt een cultuurhistorica die anoniem wenst te blijven uit angst haar baan te verliezen. ‘Iedereen had een specifieke taak, waarbij leeftijd, seksuele identiteit en de specifieke rol die je werd toebedeeld cruciaal waren,’ verklaart ze. ‘Zo speelden lesbische relaties tussen concubines en homoseksuele neigingen van sommige sultans of zonen van sultans een belangrijke rol in het overlevingsysteem van de harem, samen met de verhalen van de eunuchen. Het was een plek waar je tamelijk jong terechtkwam en van je hele identiteit werd beroofd. Dus moest je die zelf, binnen de muren van de harem, opnieuw uitvinden. Seksualiteit was de kern van deze identiteit.’

    Waar journalisten van regeringsgezinde media hun best deden de educatieve waarde van de harem aan te tonen, vroegen anderen zich af of je de harem een school kon noemen, simpelweg omdat de bewoners bepaalde beroepen werd geleerd. Historicus Ozlem Kumrular tweette een plaatje van een schilderij met naakte vrouwen rond een zwembad, en schreef: ‘Dit haremtafereel is geschilderd door de laatste kalief, Abdülmecid. Raar maar waar.’ Opmerkelijk is dat Kumrulars tweet honderden keren werd geretweet, maar dat niemand uit het kamp van Ermine Erdogan inging op de betekenis van het schilderij. De meeste retweets waren voorzien van satirisch commentaar, zoals: ‘Zou [Sultan] Abdülmecid de harem beter hebben gekend dan mevrouw Erdogan? Ik vraag me af wat voor klas dit was.’


    Een andere persoon tweette een foto van twee schoolgebouwen met als bijschrift: ‘Masteropleiding Kamasutra’ en ‘Academie van Flirten en Hofmakerij, Paleisintriges en Vergiftiging’. Bij weer een tweet, van een schilderij van een koninklijk hof met dansende vrouwen, luidde de tekst: ‘Dus de harem was een school. Vandaar dat we analfabeet zijn gebleven.’ Sefer Selvi, vooraanstaand cartoonist voor de krant Evrensel Daily, tekende mevrouw Erdogan met een bord waarop stond: ‘Hé meiden, laten we naar de Harem gaan.’

    Vrouwelijke slavernij

    Veel reageerders en commentatoren bekritiseerden de familie Erdogan ook om het feit dat ze heeft geprofiteerd van westers, seculier onderwijs – de kinderen van Erdogan zijn alle vier westers opgeleid –, terwijl ze in eigen land een ander onderwijssysteem propageert. Vandaar dat de meest voorkomende en meest afgezaagde vraag op sociale media was of Erdogan een harem wilde vestigen in het presidentiële paleis van meer dan duizend kamers.

    In sommige landen zou een simpele opmerking over een historische periode geen beroering hoeven wekken, maar in Turkije zijn de maatschappelijke verhoudingen vertroebeld door de pogingen van de islamisten om de plaats en de rol van de vrouw in het publieke domein opnieuw te definiëren. Daarbij gaat het niet langer om het dragen van een hoofddoek, maar om de wens vrouwenrechten terug te draaien en om het verheerlijken van vrouwelijke slavernij.

    Vertaler: Carl Stellweg

    Al-Monitor
    Verenigde Staten | al-monitor.com

    Website die is opgericht door Jamal Daniel en zijn basis heeft in Washington DC. Nieuws en analyses uit het Midden-Oosten in zowel eigenhandige als vertaalde artikelen. Werkt samen met de grootste nieuwsorganisaties in het Midden-Oosten.

  • Japanse moeders eisen kinderopvang

    Japanse moeders eisen kinderopvang

    Veel Japanse vrouwen stoppen met werken omdat er te weinig crèches zijn. Een van hen schreef een woedende blog.

    ‘Mijn zoon is op geen enkele crèche geaccepteerd. Dood aan Japan!!!’ Onder deze titel verscheen onlangs een bericht op een anonieme blog. De tekst, een aanklacht tegen het tekort aan plaatsen op crèches en het gebrek aan bereidwilligheid bij de autoriteiten om hier iets aan te doen, is sindsdien het gesprek van de dag. De moeder die het bericht schreef, laat haar woede de vrije loop: ‘Leven we soms niet in een samenleving waarin “elke burger mee mag doen” [een verwijzing naar een verkiezingsleuze van de conservatieve premier Shinzo Abe]? Ik heb geen andere keus dan mijn baan op te zeggen.’

    Toen onlangs een vrouwelijk lid van de oppositie Abe in het parlement vragen stelde over deze kwestie, antwoordde de premier dat hij niet kon nagaan of het verhaal waar was, omdat de schrijfster van de blog ervoor had gekozen anoniem te blijven. De parlementariër werd uitgejouwd door haar collega’s van de regeringspartijen, en een van hen daagde haar uit met de woorden: ‘Wie is die schrijfster dan? Laat ze haar gezicht maar eens zien!’

    Deze woordenwisseling ontlokte heftige reacties bij ouders [vooral moeders] die met dezelfde problemen rondom de kinderopvang te kampen hebben. Voor het parlementsgebouw werd gedemonstreerd en er werd een petitie aangeboden met 28.000 handtekeningen, waarin geëist werd dat de kinderopvang in het land structureel wordt verbeterd. De liberaal-democratische regering en de coalitiepartijen, door dit alles overvallen, lijken nu eindelijk te zijn begonnen na te denken over nieuwe maatregelen om de wachtlijsten van kinderdagverblijven te verkorten.

    Crèchekinderen lopen door de tulpenvelden in Toyooka, Japan. – © Getty
    Crèchekinderen lopen door de tulpenvelden in Toyooka, Japan. – © Getty

    Toch is hun antwoord volstrekt onvoldoende. Een woordvoerder van de liberaal-democratische partij gaf toe dat de ‘aanvankelijke reactie (van de fractieleden) ongepast was’, maar er is meer aan de hand. De affaire toont aan hoe weinig benul de autoriteiten hebben van de omvang van het probleem. De ellenlange wachtlijsten voor een plekje op de crèche brengen veel huishoudens ernstig in de problemen. Moeders die graag willen blijven werken, en gezinnen die om de eindjes aan elkaar te knopen afhankelijk zijn van twee inkomens, kunnen geen kant op. De storm aan bijval die de blog opwekte en het massale protest dat erop volgde, duiden erop dat er over de laksheid van de regering op dit punt een diepe onvrede bestaat. Het valt te hopen dat de regering dit ter harte neemt.

    De inkomensongelijkheid tussen de seksen wordt nog steeds alsmaar groter. Dit ligt deels aan het feit dat veel vrouwen geen vast contract hebben

    Premier Abe is dol op leuzen als ‘vrouwen kunnen actief deelnemen’ of ‘we leven in een maatschappij waarin alle vrouwen zich kunnen ontplooien’. Maar hebben zij in het huidige systeem die mogelijkheid echt? Het gebrek aan kinderopvangplaatsen is niet de enige factor die vrouwen belet om ‘actief deel te nemen’ aan het arbeidsproces.

    Eerder deze maand deed het comité van de VN voor de Bestrijding van Vrouwendiscriminatie de Japanse regering een aanbeveling. Het stuk stelt dat ‘de vorige aanbevelingen (uit 2009) onvoldoende zijn toegepast’. Opnieuw maant het comité Tokio om juridische maatregelen te nemen om vrouwendiscriminatie op de werkvloer te verbieden en te voorkomen. Een andere aanbeveling is om het aantal vrouwen in leidinggevende posities, zoals in het parlement of in de directie van bedrijven, te vergroten.


    Japan heeft in 1985 het verdrag over de uitbanning van alle vormen van vrouwendiscriminatie geratificeerd (het verdrag werd al in 1980 opgesteld). 
In 1999 werd een wet aangenomen die stelt dat onze samenleving gebaseerd is op gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Weliswaar is het aantal werkende vrouwen sindsdien sterk toegenomen, maar de inkomensongelijkheid tussen de seksen wordt nog steeds alsmaar groter [een verschil van 28 procent, oftewel het op twee na hoogste van alle OESO-landen]. Dit ligt deels aan het feit dat veel vrouwen geen vast contract hebben.

    Ook doen mannen onvoldoende mee bij de opvoeding van de kinderen en bij de zorg voor ouderen die niet meer voor zichzelf kunnen zorgen. Het idee dat mannen en vrouwen andere taken te vervullen hebben, blijft de norm in onze samenleving. In het laatste rapport van het World Economic Forum over sekseongelijkheid bungelt Japan nog altijd onder aan de lijst, op de 101e plaats. Als politici leuzen debiteren zoals dat ‘vrouwen actief mee kunnen doen’, moeten ze om te beginnen de realiteit onder ogen gaan zien.

    CONTEXT: De bevolking krimpt snel

    Japan heeft te maken met een sterke demografische terugloop. Dat komt door de toenemende vergrijzing van de bevolking, in combinatie met een erg laag geboortecijfer (gemiddeld 1,42 kinderen per vrouw). Als deze tendens zich voortzet, ‘is de Japanse bevolking aan het eind van deze eeuw nog maar half zo groot’, schrijft de Nihon Keiz ai Shimbun. Het lage geboortecijfer is een van de meest urgente sociale kwesties van het land. In 2007 is er een ministerie opgezet dat zich speciaal met dit probleem moest gaan bezighouden. Doel is om het geboortecijfer op te krikken tot minstens 1,8, en ervoor te zorgen dat de bevolking zich over vijftig jaar stabiliseert rond de 100 miljoen mensen (momenteel zijn het er 127 miljoen). De laatste 
regeringen hebben echter nauwelijks vergaande maatregelen genomen.

    In 2013 was de regering-Abe van plan om aan alle Japanse vrouwen in de vruchtbare leeftijd een ‘levensloopplan’ uit te delen, om ze bewust te maken van hun afnemende vruchtbaarheid in de loop van hun leven. Dit idee kreeg zo veel kritiek dat er snel weer van af werd gezien. Sinds het parlementaire debat over de blog ‘Dood aan Japan!!!’ (zie artikel hierboven) heeft de regering snel een aanbevelingscommissie in het leven geroepen die binnen enkele weken met een rapport over het gezin moet komen. De ambitie is om het aantal kinderen dat geen plek op een crèche kan vinden terug te brengen tot nul: een enorme uitdaging, aangezien het naar schatting om 850.000 kinderen gaat.

    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Asahi Shimbun
    Japan | dagblad | oplage 11.720.000

    De ‘Krant van de Rijzende Zon’, pleitbezorger van het Japanse pacifisme na de Tweede Wereldoorlog. 3000 journalisten, verdeeld over 300 nationale kantoren en 30 in het buitenland.

  • 4. Wil iedereen die verkracht is zijn hand opsteken?

    4. Wil iedereen die verkracht is zijn hand opsteken?

    Volgens de VN is ‘Congo de verkrachtingshoofdstad van de wereld’. Tientallen humanitaire organisaties hebben zich op deze ‘markt’ gestort, aangetrokken door de gigantische budgetten die ervoor beschikbaar zijn. In Bukavu, in het oosten van het land, is verkrachting pure business geworden.

    Op de applausmeter verslaat Denis Mukwege Angela Jolie met groot gemak. De Congolese arts baant zich een weg door de menigte. Mensen raken hem aan, geven hem een staande ovatie, feliciteren hem met een handdruk of een weinig protocollaire omhelzing. Hij beklimt het podium en de zaal valt op slag stil. Er worden schokkende uitspraken verwacht van deze arts, gebaseerd op wat hij met eigen ogen heeft gezien. Een toekomstige Nobelprijswinnaar. Naast hem de lieftallige vrouw van Brad Pitt, goodwillambassadeur van het Hoge Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN.

    De mondiale top over seksueel geweld in conflictgebieden die in juni 2014 in Londen werd gehouden trok 123 landen, 80 ministers, 900 deskundigen, honderden ngo’s, artsen, juristen en vertegenwoordigers van religieuze groeperingen. Elke delegatie had haar ‘eigen’ verkrachtingsslachtoffers meegenomen. Vrouwen die analfabeet waren, die hun dorp of land soms nooit uit waren geweest, was gevraagd het vliegtuig te nemen om tot in de intiemste details kond te doen van het geweld dat ze hadden ondergaan. ‘Verkrachting is in de mode,’ fluistert een Amerikaanse jurist tegen me.

    Achter zijn katheder herhaalt Denis Mukwege wat hij al tien jaar onvermoeibaar verkondigt: in de Democratische Republiek Congo wordt verkrachting als oorlogswapen gebruikt. Hij heeft kortgeleden een meisje van twee geopereerd – ‘hersteld’ luidt de officiële term – van wie de vagina door haar belagers was vernield. In zijn land wordt verkrachting gebruikt om een heel volk te vernielen en een gebied in handen te krijgen. Er moet een einde komen aan de barbarij, vrouwenlichamen mogen niet langer als slagveld worden gebruikt. Stop, maak er een einde aan, ‘tot hier en niet verder’.

    Gladde slogans

    Ik hoor sleutelwoorden die door de hele wereldpers zullen worden overgenomen – ‘verkrachting als oorlogswapen’, ‘strijd tegen straffeloosheid’, ‘overlevenden van seksueel geweld’ – want ‘slachtoffer’ is achterhaald, voldoet niet langer aan de communicatiebehoeften. Gladde slogans voor glanzend papier.

    Congo, ‘verkrachtingshoofdstad van de wereld’. ‘Minstens’ vijfhonderdduizend verkrachte vrouwen in het oosten van het land, een getal dat naar hartenlust wordt herhaald. Een gruwel waarbij het verstand stilstaat. Dat zou in deze regio één op de elf vrouwen betekenen. Dat is ofwel monsterlijk, ofwel idioot. Waarom sla ik u er dan mee om de oren? Omdat ik het wil begrijpen.

    ‘Sinds Rwanda en Bosnië zijn er twee “ideale” slachtofferstereotypen om geld binnen te halen: de kindsoldaat en de verkrachte vrouw’

    Enkele maanden na de top in Londen steek ik de houten brug over de Ruzizi over, de rivier die het kleine Rwanda van het grote Congo scheidt. In 1994 vluchtten tienduizenden Rwandezen via deze kleine grenspost voor de genocide van de Tutsi. Onder hen de handlangers en leiders van de slachtpartij, maar ook burgers, families, vrouwen en kinderen.

    Bukavu, de hoofdstad van de regio Zuid-Kivu, waar dokter Mukwege praktiseert, ligt even voorbij deze brug over de Ruzizi, bij de grens tussen de twee landen, op het breukvlak tussen twee werelden.

    Mathilde Muhindo (62), een van de oudste activistes van de stad, ontvangt me in het Olame Centrum, een organisatie voor de verdediging van vrouwen die in de beboste heuvels boven de stad gevestigd is, op een open plek waar de regen vrij spel heeft. Ze was erbij toen de inwoners van Bukavu in 1994 de Rwandese vluchtelingen verwelkomden als ‘broers en zussen’. Ze herinnert zich de inzamelingen, de geleende bedden, de aangeboden stukjes grond. En de vluchtelingenkampen, die langzaam hun tentakels uitstrekten en steden werden.

    Ze was er ook bij toen Kigali deze kampsteden waar de leiders van de genocide de scepter zwaaiden in 1996 met geweld ontmantelde. Duizenden vluchtelingen gingen terug naar Rwanda, duizenden anderen zochten hun heil in het binnenland van Congo. De leiders van de genocide, die burgers als schild gebruikten, werden opgespoord door Rwandese troepen die werden bijgestaan door Congolese opstandelingen. Het oerwoud werd het toneel van ontelbare misdaden.

    Vanaf 1997 zag Muhindo vrouwen verschijnen die verkracht, gewond of verminkt waren; ze hadden dagenlang gelopen of zich vanaf de middenplateaus van Kivu vastgeklampt aan de rug van een motorrijder alsof het een reddingsboei was.

    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz
    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz

    Toen er in 2002 en 2003 vredesakkoorden werden ondertekend, dacht Mathilde Muhindo weer te kunnen ademhalen. De openlijke oorlog liep ten einde, maar uit de as van de rebellengroepen verrezen plaatselijke milities. De criminele facties vermenigvuldigden zich snel. In 2002 publiceerde Human Rights Watch een eerste rapport over de manier waarop verkrachting in Congo als oorlogswapen werd gebruikt, dat onmiddellijk veel aandacht trok. Binnen enkele maanden stroomden de ngo’s en VN-agentschappen in groten getale naar Bukavu en koloniseerden de stad zodanig dat hun aantal van een tiental naar driehonderd steeg.

    Dokter Mukwege, de ster van de top in Londen, was toen nog onbekend buiten de regio Kivu. Deze uitstekende chirurg had in Bukavi het Panzi-ziekenhuis opgericht, waar hij de slachtoffers van seksuele martelingen opereerde met behulp van een in Congo nog onbekende techniek, laparoscopie. Hij trok de aandacht van geldschieters en ontving vanaf 2004 financiële steun uit Europa voor het programma ‘Slachtoffers van seksueel geweld’.

    Het Panzi-ziekenhuis werd een ontmoetingsplaats, een soort hub voor seksueel geweld. De verkrachting van Congolese vrouwen haalde de televisieschermen in 2009, toen Hillary Clinton de regio bezocht om uiting te geven aan haar ‘bezorgdheid’. ‘Dit land is getuige van een van de ergste wreedheden van de mensheid,’ verklaarde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Een jaar later zei Margot Wallström, de speciale VN-gezant voor de slachtoffers van seksueel geweld in conflictgebieden, het haar na: ‘Congo is de verkrachtingshoofdstad van de wereld.’ Een jaar of tien nadat het geweld zijn hoogtepunt had bereikt maakte de pers van deze karikatuur een kop.

    Panzi-koffie en Panzi-T-shirts

    ‘Seksueel geweld is sexy. Het roept enorm veel emoties op,’ vat Alejandro Sánchez, Vrouwenbeschermingsadviseur van de VN-vredesmacht Monusco in Congo, de situatie met een berustend schouderophalen samen. De juridisch directeur van Artsen Zonder Grenzen, Françoise Bouchet-Saulnier, bevestigt: ‘Sinds Rwanda en Bosnië zijn er twee “ideale” slachtofferstereotypen om geld binnen te halen: de kindsoldaat en de verkrachte vrouw.’

    Het Panzi-ziekenhuis van dokter Mukwege ligt op een halfuur rijden ten zuiden van het centrum van Bukavu, tegen het omgevingslawaai beschermd door bewakers en hoge hekken. De witte lanen en door bloemen omringde huizen doen denken aan een chique Amerikaanse buitenwijk. Denis Mukwege ontvangt me in de patio die zich langs zijn hele kantoor uitstrekt. Zijn brede glimlach en ogen die alles gezien lijken te hebben maken hem onmiddellijk sympathiek.

    De kolossale man is teleurgesteld teruggekomen van de top over seksueel geweld. In Londen werden Panzi-koffie en Panzi-T-shirts verkocht en zijn samenwerking met Angelina Jolie tilde de aandacht voor verkrachting naar ‘stratosferische hoogten’, aldus Susannah Sirkin van de ngo Physicians for Human Rights. Na de top maakte de Wereldbank bekend zestig miljoen euro vrij te maken voor een ‘holistische’ behandeling van ‘minstens vijfhonderdduizend vrouwen en meisjes’ die slachtoffer waren van seksueel geweld. Hij had op meer gehoopt: ‘Ik verwachtte dat men de verkrachtingen een halt zou toeroepen.’

    Ik vraag hem om het activiteitenrapport van het ziekenhuis, dat hij me met plezier overhandigt. Ik lees dat het programma ‘Slachtoffer van seksueel geweld’ tussen 2004 en 2013 32.247 vrouwen heeft ontvangen, onder wie echter ook 13.071 vrouwen die ‘specifieke’ gynaecologische zorg nodig hadden, zoals het opereren aan obstetrische fistels, een scheur in de vaginawand die kan optreden na een moeizame bevalling.

    Ik ben verbaasd: ‘Dus deze vrouwen zijn niet verkracht?’ De dokter bevestigt dit en legt het graag uit: ‘We wilden niet dat een vrouw zou liegen dat ze verkracht was om gratis geopereerd te kunnen worden. Daarom hebben we ze opgenomen in ons programma, ook al kunt u zien dat onze statistieken twee heel verschillende categorieën onderscheiden.’

    Het ziekenhuis heeft dus 19.176 vrouwen ontvangen die slachtoffer waren van seksueel geweld. Waarom blijven de media dan overal ter wereld herhalen dat hij ‘veertigduizend verkrachte en verminkte vrouwen heeft geopereerd’? ‘Dat weet ik niet. Journalisten willen een sappig verhaal.’

    En die ‘vijfhonderdduizend verkrachte vrouwen in het oosten van Congo’? Zelfde laken een pak, dat aantal slaat nergens op. ‘Volgens de VN zijn er sinds 1998 op het hele Congolese grondgebied tweehonderdduizend vrouwen verkracht. Maar het American Journal of Public Health schrijft dat er alleen al in 2007 vierhonderdduizend Congolese vrouwen zijn verkracht, oftewel 48 per uur. En dat zijn nog maar twee van de tientallen schattingen die niet met elkaar stroken.

    ‘Mensen die zeggen dat verkrachting ‘in de mode’ is, hebben een verknipte geest. Ik zie de slachtoffers elke dag en ik vind het onethisch om over getallen en geld te discussiëren’

    Dus vijfhonderdduizend is hooguit een gok! Waarom zou je je het hoofd breken over zulke details? Waarom zou je erop wijzen dat je in Congo onmogelijk statistische gegevens kunt verzamelen? Dat Congo een land zonder staat is, waar al sinds 1984 geen volkstelling heeft plaatsgevonden, waar geen identiteitskaarten bestaan, waar iedereen twee of drie verschillende voornamen heeft, om nog maar te zwijgen van de achternamen van zowel vaders- als moederskant? Dat het een stuurloos land is waar een groot deel van de bevolking officiële registratie ontloopt?

    In de onpersoonlijke vergaderzaal waar we elkaar spreken vraag ik dokter Mukwege naar de verkrachte, gemartelde kinderen waar hij het in al zijn redevoeringen over heeft. Gevallen die volgens hem ‘absoluut traumatisch zijn voor ons personeel’. Deze kinderen, dertig in getal, zijn in 2014 aangevallen in Kavumu, een stad die verscheidene jaren voor het conflict gespaard was gebleven. Er doen geruchten de ronde over mystieke handelingen, bedreven door mannen die rijkdom en roem wilden vergaren door het ontmaagden van kleine meisjes. Dus van oorlogsverkrachtingen is geen sprake. ‘Maar uiteindelijk komt het op hetzelfde neer, het zijn uitzaaiingen van de oorlog!’ verzekert Mukwege.

    Dan slaat hij krachtig zijn handen tegen elkaar. Hij heeft genoeg van het gemuggenzift over de gruwelen van zijn dagelijkse praktijk. ‘Mensen die zeggen dat verkrachting “in de mode” is, hebben een verknipte geest. Ik zie de slachtoffers elke dag en ik vind het onethisch om over getallen en geld te discussiëren terwijl de menselijke waardigheid geweld wordt aangedaan. Dat vind ik walgelijk.’ Hij staat op. Einde interview.

    Burgerdaders

    Buiten is het klam. Voor het ziekenhuis klampt een jongetje voorbijgangers aan om een taxi te vullen die midden op de weg staat te wachten en het verkeer hindert. De taxichauffeurs luisteren naar Radio Okapi, het uitstekende station van de VN. De verhalen die je er hoort bevestigen, net als de verhalen die ik sinds mijn aankomst heb verzameld, dat verkrachting als oorlogswapen niet de meest courante vorm van verkrachting is. De schuldigen zijn veel vaker burgers.

    Ik interview een advocaat, Patient Bashombe, die samenwerkt met het Panzi-ziekenhuis. Hij heeft zich op de verdediging van slachtoffers van seksueel geweld gestort omdat dat, zoals hij ruiterlijk toegeeft, een ‘lucratieve niche’ is. De 64 zaken die hij heeft behandeld betroffen drie verkrachtingen door buitenlandse gewapende groepen, twee door Congolese militairen en 59 door burgers.

    Maar dat is natuurlijk minder spectaculair voor de internationale gemeenschap dan ‘verkrachting als oorlogswapen’. Minder glorieus voor de Congolese regering, die liever gewapende groepen beschuldigt dan haar eigen burgers. En minder statusverhogend voor dokter Mukwege.

    Waarom wordt er dan toch keer op keer met deze verbijsterende aantallen gezwaaid door de internationale organisaties, de geldschieters en de media? Nzigire, een veertiger uit Walungu, een dorp op vijftig kilometer van Bukavu, heeft het antwoord: ‘Zodat de blanken geld kunnen binnenhalen!’

    ‘De plaatselijke programma’s slaan nergens op, maar iedereen is tevreden zolang er maar geld binnenkomt’

    ‘Geld binnenhalen.’ Enkele duizenden kilometers verderop, in Frankrijk, komt de juridisch directeur van Artsen Zonder Grenzen met dezelfde woedende analyse: ‘De ngo’s in Kivu verzorgen tegenwoordig geen mensen meer, ze zijn alleen op zoek naar statistische gegevens. Ze zoeken vrouwen die verkracht zijn om meer statistische gegevens te verzamelen voor hun pleidooi voor meer budget voor meer programma’s om verkrachte vrouwen te identificeren. Het is een vicieuze cirkel. De plaatselijke programma’s slaan nergens op, maar iedereen is tevreden zolang er maar geld binnenkomt.’

    En de budgetten zijn gigantisch. Volgens een studie van twee Nederlandse onderzoekers, Nynke Douma en Dorothea Hilhorst, getiteld Fond de commerce (Geldla), is er sinds 2010 meer dan 70 miljoen euro aan seksueel geweld gespendeerd, waarbij de eerder genoemde 60 miljoen van de Wereldbank nog buiten beschouwing is gelaten. Alleen de door de VN geleide missies in Congo hebben tussen januari 2010 en december 2011 al 7,4 miljoen euro opgestreken voor de strijd tegen seksueel geweld, twee keer zo veel als het budget voor de hervorming van de binnenlandse veiligheid van het land, en de helft van de gelden voor het nationale vredesprogramma. En dat in een land dat al bijna twintig jaar door gewapende groepen wordt gedestabiliseerd.

    In Bukavu krijg je deze miljoenen niet te zien, laat staan dat je ervan kunt profiteren. Dat krijg je dagelijks ingepeperd. Hier leeft men volgens de ‘taux du jour’, een plaatselijke uitdrukking voor ‘leven bij de dag’. Er is geen werk, geen industrie, geen landbouw, geen elektriciteit tenzij je smeergeld betaalt.

    De blanken vormen een aparte sekte en wonen allemaal in het oosten van de stad, dicht bij de Rwandese grens, alsof ze elk moment moeten kunnen vluchten. Ze wonen in elegante villa’s met uitzicht op het meer met zijn Zwitsers-Afrikaanse allure, omringd door hoge muren en prikkeldraad. Ze rijden rond in jeeps, gaan nooit te voet, wagen zich heel zelden in de stad en als ze toch lopen is het op en neer over de onverharde weg die ze goed kennen en die de grote hotels met hun kantoren verbindt.
    Vanwege hun aanwezigheid in de stad die al diverse jaren geen conflicten heeft gekend zeggen de inwoners van Bukavu: ‘No viols, no job’: ‘Geen verkrachtingen, geen werk.’ Hoe grappig de mengeling van Frans en Engels ook lijkt, de constatering is onthutsend. Fond de commerce is niet alleen de titel van het rapport van Nynke Douma en Dorothea Hilhorst, het is ook een constatering die op ieders lippen bestorven ligt. De verkrachtingen hebben de ngo’s gebracht, die ‘programma’s’ hebben gebracht, die financiering hebben gebracht. Geld in overvloed, net als ambitie, hebzucht en aanleiding voor corruptie.

    Lijsten

    Ik besluit me naar het ‘binnenland’ te begeven om zo dicht mogelijk in de buurt te komen van degenen die van dit financiële manna zouden hebben moeten profiteren, de verkrachte vrouwen. Walungu, op anderhalf uur rijden van Bukavu, is een dorp dat langdurig onder aanvallen van gewapende groeperingen te lijden heeft gehad. In de hoofdstraat van Walungu wemelt het van de organisaties: UNDP (United Nations Development Programme), War Child, Jehova’s getuigen, IEDA (International Emergency and Development Aid), OSD (sociale bijstand aan misdeelden), de juridische kliniek van de Panzi Stichting, APEO (Actie voor het Vergeten Kind), AJP (Vrouwenactie voor Vrede en Gerechtigheid), Save the Children, Belgische Organisatie voor Technische Samenwerking…

    Een twintigtal vrouwen wacht me op in de bibliotheek. Ze zijn gekomen op verzoek van Venantie Bisimwa en haar RFDP (Women for the Defence of Rights and Peace).
    Ik luister naar hen. Eén ding valt me op: verkrachting is in hun verhalen maar een van de vele gruwelen die zich in de loop der tijd hebben voltrokken, naast moordaanslagen, martelingen, plunderingen, bedreigingen en ontvoeringen. Zo vertelt Bénite, ‘ongeveer’ veertig, dat haar dorp in maart 2005 is aangevallen door ‘mensen uit Rwanda’, waarbij een van haar broers werd gedood en zijzelf met vijf anderen naar het oerwoud werd meegenomen. Een van hen werd vrijgelaten om het losgeld te vragen dat de anderen moest redden. Haar familie had niet genoeg geld om de 130 dollar losgeld te betalen zodat ze hun land moesten verkopen. Bénite werd acht dagen na haar ontvoering vrijgelaten.

    Bénite heeft haar verhaal ‘vele tientallen keren’ verteld, maar niemand heeft haar geholpen om haar land terug te kopen en haar leven weer op te pakken. ‘Ik heb op een heleboel lijsten gestaan, maar dat heeft niets geholpen.’

    Alle vrouwen in Walungu hebben het over deze ‘lijsten’, deze ‘statistieken’ die het aantal verkrachte vrouwen vermelden en de ngo’s in staat stellen ‘hun behoeften te evalueren’ en geld binnen te halen. In Bukavu had Venantie Bisimwa me het systeem al uitgelegd: ‘Toen ik de coördinatievergaderingen nog bijwoonde, kwam elke ngo en elk VN-agentschap met zijn eigen slachtofferlijst alsof dat het bewijs was van hun goede werk.’


    Bénite legt uit hoe de ngo’s de slachtoffers identificeerden: ‘Bij ons organiseerden de buitenlanders een gesprek in een school of kerk, en daarna vroegen ze hun tussenpersonen om de verkrachte vrouwen aan te wijzen.’ Een praktijk waarover Mathilde Muhindo van het Olame Centrum zich nog steeds geschokt toont: ‘Vind je het normaal dat een verkrachte vrouw in het openbaar haar hand opsteekt om te zeggen: “Ik ben verkracht! Ik! Ik!”? Ik weet niet hoe het in Europa gaat, maar hier is zoiets niet normaal.’

    De vrouwen in Walungu hebben zich op verschillende lijsten ingeschreven. Het grote aantal namen, die nooit geverifieerd zijn, hebben de statistieken opgedreven. ‘We hebben geen idee wat de invloed van deze onnauwkeurigheid is,’ zegt Marie-Noël Cikuri van de ngo Action d’espoir: ‘Er zijn zo veel dorpen in het oerwoud die nooit benaderd zijn.’

    Martin Birindwa Balyahamwabo, een aanhanger van de pinksterbeweging van een jaar of vijftig, draagt een onberispelijk overhemd en laat zijn aktetas, die hij voorzichtig op zijn schoot heeft gevlijd, geen moment los. Hij heeft als ‘tussenpersoon’ gefungeerd voor diverse ngo’s in Nindja, een door veelvuldig geweld getroffen dorp op enkele tientallen kilometers van Walungu. Hij behoorde tot degenen die informatie doorspeelden, behoeften blootlegden. Hij weet zeker dat dat de lijsten niet alleen doublures bevatten, maar ook vrouwen die helemaal geen slachtoffer waren.

    Met zijn komische air van beste jongetje van de klas vertelt hij: ‘Soms hoorde ik op de radio dat er honderd vrouwen waren verkracht terwijl het er maar achttien of twintig waren. Mensen waren de dorpen langsgegaan om de vrouwen te laten zeggen dat ze verkracht waren.’

    ‘Wie dan?’

    ‘Medewerkers van de ngo’s. De Duitse vereniging Malteser betaalde bijvoorbeeld tussenpersonen in de dorpen om ze verkrachte vrouwen te brengen. Dus die moesten absoluut gevonden worden! Anders zou de hulppost dichtgaan, zou er geen werk meer zijn. Dat is nauwelijks een geheim, weet u. In de gemeenschap heerst een soort verstandhouding: de vrouwen verklaren zich bereid om op de lijsten te komen en daarna mogen ze het voedsel van de ngo’s onderling verdelen. Dat zat me dwars, ik vond het niet kunnen.’

    ‘Als een ngo een geit geeft aan een verkrachte vrouw en een andere vrouw er ook een nodig heeft, dan zal ze zeggen dat ze ook verkracht is’

    Ik speel dit verhaal door aan Johan Bultinck van Malteser. Hij bevestigt dat de tussenpersonen ongeveer twintig dollar per maand kregen. Dat de vrouwen nog lang na hun verkrachting extra hulp probeerden te krijgen, dat er nauwkeurig onderzoek was vereist om ze uit te noodprogramma’s te kunnen weren. En dat de gezondheidscentra hun cijfers moedwillig aandikten om meer financiering te krijgen. Maar wat Malteser betreft is hij stellig: ‘Wij hebben nooit een geval van honderd verkrachte vrouwen in Nindja gehad en we geven de vrouwen geen eten. Ik geloof niet dat dit over Malteser gaat, of ze hebben u maar wat op de mouw gespeld.’

    Ik vervolg mijn onderzoek in Kaniola, zo’n dertig kilometer verderop in de heuvels boven Walungu. In het centrum van het dorp bewijst een torentje van roze baksteen eer aan de slachtoffers van de oorlog. Op de binnenkant van de muren staan de namen van de gevallenen met de plaats en datum van hun dood. De slachtpartijen hebben plaatsgevonden tussen 1996 en 2007, met een hoogtepunt in de periode 2006-2007. Ik kijk door het raam van het mausoleum. In de afgesloten ruimte hangen foto’s van vrouwen met opengereten buiken, van mannen met een afgesneden tong, arm of geslacht.

    Priester Maurice Bisimwa heeft de beschaamde bekentenissen van de verkrachtingsslachtoffers in zijn parochie aangehoord. Hij weet dat er ‘verzonnen verhalen’ bij zitten, maar daar heeft hij begrip voor: ‘Als een ngo een geit geeft aan een verkrachte vrouw en een andere vrouw er ook een nodig heeft, dan zal ze zeggen dat ze ook verkracht is. Vanwege de armoe…’

    Françoise Bouchet-Saulnier van Artsen Zonder Grenzen bevestigt dit: ‘Ik zal nooit zeggen dat de verkrachtingsbusiness profijtelijk is voor de slachtoffers. Die is profijtelijk voor ons, de humanitaire organisaties. Als de slachtoffers tegen ons liegen, dan is het om te overleven, dan is het een aanpassingsstrategie, geen business.’ Ze schudt haar hoofd en zoekt naar woorden om haar collega-ngo’s afdoende op hun nummer te zetten: ‘Het is in de humanitaire wereld dat de cyclus van straffeloosheid doorbroken moet worden!’ Ze vertelt over een ervaring van Artsen Zonder Grenzen: ‘Het was ons opgevallen dat verkrachte vrouwen gemakkelijker voor een consult kwamen als het marktdag was: het was geruststellender om met vriendinnen naar de stad te gaan, en het kostte ze bovendien geen werkdag. Toen we motortaxi’s gingen vergoeden om de gang naar het ziekenhuis te vergemakkelijken, rees het aantal consulten op marktdagen de pan uit. Zeiden die vrouwen dus dat ze verkracht waren om gratis naar de markt te kunnen? Geen idee. Het is iets waar je je voortdurend het hoofd over breekt. We moeten altijd oog hebben voor de negatieve effecten van onze acties. Daar zijn professionaliteit en moed voor nodig, dingen die ontbreken bij al die zondagsredders die Kuifje in Afrika spelen.’

    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz
    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz

    In Kaniola wordt de lucht doorkliefd door bliksemschichten en het kabaal van de regen maakt onze stemmen minutenlang onverstaanbaar. Op de overdekte binnenplaats van een vroegere school praat ik met Batunike M’ntuga, een van de tussenpersonen naar wie door Martin, de kleine man van de pinksterbeweging, met de beschuldigende vinger was gewezen. Ook zij voelt zich bedonderd. De ngo’s hadden bepaalde doelen voor ogen, eisten dat ze op iedere tocht vijftig of honderd verkrachte vrouwen identificeerde. ‘Ze vroegen ons naar Luhago te gaan, vijftig kilometer lopen, waar milities zijn. Om terug te komen met de lijsten moest je ze in een mand verstoppen onder de bladeren van zoete aardappels, zodat de militieleden dachten dat we van de akker kwamen. Het was gevaarlijk voor ons.’

    Batunike ging van deur tot deur. ‘Op de lijsten noteerde ik “seksueel geweld” of “fysiek geweld”.’

    Ik ben verbaasd: ‘Fysiek geweld, wat betekent dat precies?’

    ‘Dat is bijvoorbeeld marteling.’

    ‘Maar marteling is toch geen verkrachting?’

    ‘Zeker wel! Als ze je een hand afhakken, is dat zonder toestemming.’

    ‘En als de ngo vroeg hoeveel vrouwen er verkracht waren, hoeveel gaf je er dan op?’

    ‘Het totale aantal.’

    ‘En als ze vroegen hoeveel vrouwen slachtoffer waren van seksueel geweld?’

    ‘Dan noemde ik het aantal vrouwen dat seksueel geweld had ondergaan.’

    Ik ben met stomheid geslagen. Werden de vrouwelijke tussenpersonen op die manier getraind? Werden de resultaten geverifieerd? Was er verwarring over de verschillende vormen van agressie? ‘Dit is voor het eerst dat ik dat hoor,’ reageert activiste Mathilde Muhindo, duidelijk geschrokken door deze volstrekte idiotie.
    Zoho CRM – Affordable On-demand CRM

    Diverse ngo’s geven desgevraagd toe dat ze de verhalen van de vrouwen niet checken. Dat is hun taak niet, zeggen ze, ze moeten begrip hebben voor het verdriet van de verkrachte vrouwen. Dat in twijfel trekken zou hun trauma nog verergeren. Johan Bultinck, van de Duitse ngo Malteser: ‘Bij de behandeling van de slachtoffers spelen ook vertrouwelijkheid en instemming een rol. Verificatie is niet eenvoudig.’

    Terug in Bukavu dringt zich de vraag op: waar zijn die gigantische budgetten gebleven? Wie heeft ‘het geld opgegeten’, zoals men hier zegt? De internationale organisaties draaien eromheen. Alejandro Sánchez van Monusco houdt het op ‘de organisatiezeef’, oftewel de salarissen van de expats. Johan Bultinck van Malteser kiest voor ‘gebrek aan coördinatie’ en ‘een land waar het moeilijk is om te werken’, oftewel corruptie.

    In de archieven van de [Congolese] krant Le Souverain vind ik een artikel van mei 2012, getiteld ‘Wie profiteren er van het seksueel geweld in Oost-Congo?’ De journaliste had zich in het geval Mamas for Africa verdiept. Deze Belgische ngo schakelde een kleine Congolese vereniging in die verkrachtingsslachtoffers opving. Mamas for Africa had toegang tot hun foto’s en getuigenverklaringen, stelde mailinglijsten samen en haalde geld voor hen op. Maar al heel gauw kwam de Congolese vereniging erachter dat ‘minder dan een procent van de ingezamelde gelden in hun centrum werd geïnvesteerd’.

    In 2008 zei Mamas for Africa een groter huis nodig te hebben om de verkrachte vrouwen op te vangen. De directrice van de Congolese ngo haalde 360 duizend dollar op voor een nieuw opvanghuis met uitzicht op het meer. Maar het gebouw werd algauw een doorgangshuis voor Belgen die op bezoek waren in Bukavu. ‘Een ongebruikelijk concept,’ luidde de ironische conclusie van de journaliste, die bovendien onthulde dat Mamas for Africa in een brief aan de donateurs zei een opleidingscentrum te willen creëren om de inwonende vrouwen van een inkomen te voorzien. Oftewel, ‘het centrum was alleen maar een opvanghuis voordat de vrouwen werden doorgestuurd naar het Panzi-ziekenhuis’.

    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz
    © Sam Vanallemeersch / Kolchoz

    In Kaniola wordt de lucht doorkliefd door bliksemschichten en het kabaal van de regen maakt onze stemmen minutenlang onverstaanbaar. Op de overdekte binnenplaats van een vroegere school praat ik met Batunike M’ntuga, een van de tussenpersonen naar wie door Martin, de kleine man van de pinksterbeweging, met de beschuldigende vinger was gewezen. Ook zij voelt zich bedonderd. De ngo’s hadden bepaalde doelen voor ogen, eisten dat ze op iedere tocht vijftig of honderd verkrachte vrouwen identificeerde. ‘Ze vroegen ons naar Luhago te gaan, vijftig kilometer lopen, waar milities zijn. Om terug te komen met de lijsten moest je ze in een mand verstoppen onder de bladeren van zoete aardappels, zodat de militieleden dachten dat we van de akker kwamen. Het was gevaarlijk voor ons.’

    Batunike ging van deur tot deur. ‘Op de lijsten noteerde ik “seksueel geweld” of “fysiek geweld”.’

    Ik ben verbaasd: ‘Fysiek geweld, wat betekent dat precies?’

    ‘Dat is bijvoorbeeld marteling.’

    ‘Maar marteling is toch geen verkrachting?’

    ‘Zeker wel! Als ze je een hand afhakken, is dat zonder toestemming.’

    ‘En als de ngo vroeg hoeveel vrouwen er verkracht waren, hoeveel gaf je er dan op?’

    ‘Het totale aantal.’

    ‘En als ze vroegen hoeveel vrouwen slachtoffer waren van seksueel geweld?’

    ‘Dan noemde ik het aantal vrouwen dat seksueel geweld had ondergaan.’

    Ik ben met stomheid geslagen. Werden de vrouwelijke tussenpersonen op die manier getraind? Werden de resultaten geverifieerd? Was er verwarring over de verschillende vormen van agressie? ‘Dit is voor het eerst dat ik dat hoor,’ reageert activiste Mathilde Muhindo, duidelijk geschrokken door deze volstrekte idiotie.

    De naam Mamas for Africa kwam me opnieuw ter ore tijdens een gesprek met een collega van dokter Mukwege, die zich bezighield met het personeelsbeleid in het Panzi-ziekenhuis. Hij noemde de Belgische ngo een van de meest efficiënte organisaties, die hun de meeste verkrachte vrouwen had aangeleverd.

    Naast vrouwen die zeggen verkracht te zijn om hulp te krijgen, organisaties die hun statistieken aandikken om meer geld te krijgen, malversaties op alle niveaus en verhalen die kant noch wal raken, ontdek ik in Bukavu dat er ook mannen zijn die onschuldig in de gevangenis creperen, mannen die ook slachtoffer zijn van de verkrachtingsbusiness.

    Deze constatering was de aanleiding voor de studie Fond de commerce van Nynke Douma. In september 2008 was de Nederlandse onderzoeker aanwezig bij een zitting van een mobiele krijgsraad in een Congolees dorp, bedoeld om de plaatselijke bevolking een ‘gerechtelijke show’ voor te schotelen. Een man werd tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens verkrachting. ‘Er klopte niets van de zaak, helemaal niets. Er was geen enkel bewijs. Hoe konden ze mensen op zo’n wankele basis veroordelen?’

    Ze ontdekte algauw dat dit proces geen geval op zichzelf was. ‘Het recht op een eerlijk proces wordt momenteel in Kivu met voeten getreden,’ oordeelt Faustin Cirhuza, die in Bukavu werkt voor Advocaten Zonder Grenzen. De ngo’s die opkomen voor verkrachte vrouwen ‘kopen gerechtigheid’, zegt hij. Ze organiseren processen, betalen dagvergoedingen aan rechters en advocaten en sporen de rechtbanken aan om hun zittingen te houden op plekken die zwaar getroffen zijn door het conflict.

    Cordaid

    Faustin Cirhuza was in 2013 adviseur voor een programma dat werd gefinancierd door Cordaid, een Nederlandse ngo die zestig slachtoffergevallen in de regio Kabare moest behandelen: ‘Zo veel dossiers verzamelen in één jaar, dat is volstrekt onmogelijk! Ze hebben in allerijl zaken geïdentificeerd en alle procedurele regels overtreden. Vaak was er sprake van een flagrant gebrek aan bewijs, van zaken die van geen kanten klopten. De helft van de zaken hebben ze verloren. Ze deden maar wat.’

    Waarom hadden ze hun doelen dan niet naar beneden bijgesteld?

    ‘Het schept werkgelegenheid! Als je je doelen niet haalt vernieuwen de geldschieters je contract niet!’ De advocaat is ontgoocheld: ‘Ze handelen niet in het belang van de mensen. De ngo’s willen geen genoegdoening voor de slachtoffers, ze willen alleen maar een kopie van het vonnis dat ze aan de geldschieters kunnen sturen om te laten zien dat ze goed werk hebben geleverd, dat ze “strijden tegen straffeloosheid”. Ik heb zo veel vrouwen horen zeggen dat ze er spijt van hadden dat ze naar de rechter waren gegaan. Het is dramatisch voor ons land.’

    Wanneer ik naar deze zaak informeer, antwoord Astrid Frey van Cordaid: ‘Vrouwen die liegen, die om ons heen draaien om ons hun verhaal te verkopen, dat komt voor. We moeten erg goed opletten, onze programma’s evalueren. Dat is een uitdaging!’ Dan voegt ze eraan toe: ‘Cordaid is in elk geval geen directe speler, wij financieren alleen de programma’s van onze partners.’

    Ik loop voor de laatste keer door Bukavu. De lage ochtendzon schijnt op de orchideeën die de gevels roze kleuren. In de haven kom ik Alejandro Sánchez van Monusco tegen. Hij vertelt me dat hij zijn post binnenkort gaat verlaten. ‘Ik ga terug naar Colombia. Het is hier echt een te grote puinhoop.’

    In het Europees Parlement ontvangt dokter Mukwege de Sacharovprijs. In geluiddichte radiostudio’s en onder felle tv-lampen herhaalt hij dat er in zijn land wordt verkracht om een volk te vernielen, een gebied in handen te krijgen. Er moet een einde komen aan de barbarij, vrouwenlichamen mogen niet langer als slagveld worden gebruikt. Stop, maak er een einde aan, ‘tot hier en niet verder’.

    Auteur: Marion Quillard
    Vertaler: Peter Bergsma

    Marion Quillard studeerde in Toulouse, Toronto, Lyon en Lille, en schrijft voor de Franse bladen Revue XXI en 6Mois. Haar werk verscheen eveneens in Libération en op Mediapart.

    Genomineerden in de categorie Investigative reporting award

    Nizar Manek & Jeremy Hodge (Verenigd Koninkrijk):
    Opening the Black Box of Egypt’s Slush Funds

    Jürgen Dahlkamp, Sven Becker, Gunther Latsch, Walter Mayr & Jörg Schmitt (Duitsland):
    Besondere Verdienste

    Jonathan Calvert, George Arbuthnott, Heidi Blake & Bojan Pancevski (Verenigd Koninkrijk):
    The FIFA Scandal

    Mar Cabra (Spanje):
    Swiss Leaks: Murky Cash Sheltered by Bank Secrecy

    Roman Anin in samenwerking met FBK (Rusland):
    The Values of the Clan

    Luke Dale-Harris & Sorin Semeniuc (Verenigd Koninkrijk / Roemenië):
    Land Grabbing in the EU: How Rabobank is Profiting of Theft and Abuse in Romania

    Anita Vorák (Hongarije):
    How the Son-in-Law of Hungary’s Prime Minister Benefited from EU Funds

    Marion Quillard (Frankrijk):
    Que celles qui ont été violées lèvent la main

    Revue XXI
    Frankrijk | kwartaalblad, oplage 50.000

    Tijdschrift van voormalig Figaro-journalisten, een driemaandelijks avontuur van narratieve journalistiek, bestaande uit grote reportages in tekst, schetsen, foto’s en stripverhalen. Bijzonder grafisch vormgegeven. Gevrijwaard van reclame.

  • Is de nieuwe Portugese wet tegen seksuele intimidatie nodig?

    Is de nieuwe Portugese wet tegen seksuele intimidatie nodig?

    Net nu heel Europa op zijn kop staat vanwege de aanrandingen in Keulen, is in Portugal een nieuwe wet aangenomen die seksuele intimidatie strafbaar stelt. Overtreders kunnen in het uiterste geval een gevangenisstraf van drie jaar krijgen. Is zo’n wet noodzakelijk?

    Nee

    Het is net alsof er nog maar twee soorten mensen bestaan in dit land. Aan de ene kant degenen die vinden dat op een opmerking als ‘god, wat ben jij lekker’ een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou moeten staan. En aan de andere kant de machomannen die menen vrouwen voortdurend te mogen lastigvallen met obsceniteiten, als een soort natuurrecht. Zo karikaturiseren tenminste de tegenstanders elkaar in het debat rondom de zogenaamde ‘wet van de complimentjes’. 
De hele discussie is een opeenvolging van vergissingen en simplificaties.

    Ik persoonlijk krijg niet de indruk dat mijn rechten als vrouw, evenmin als de strijd voor gelijkheid tussen de seksen in het algemeen, gediend zijn bij de recente wijziging van artikel 170 van het Wetboek van Strafrecht. Of hooguit misschien een heel klein beetje. Allereerst moet worden opgemerkt dat een complimentje, in de zin van een ‘opmerking bedoeld om iemand fysiek te prijzen’, niet echt binnen de door de wet gehanteerde formulering valt. Het gewraakte wetsartikel beschouwt als ‘seksueel opdringerig’ en daarom strafbaar 
een ‘voorstel van seksuele aard’. Alleen in een zeer losse interpretatie van de wet is dat van toepassing op complimentjes, zoals gerenommeerde juristen als Clara Sottomayor al hebben opgemerkt.

    Het idee dat je een vrouw kunt bezitten ligt aan de wortel van allerlei vormen van gevaarlijk gedrag en geweld tegen vrouwen

    De wet maakt het wel makkelijker om gevallen van seksuele intimidatie voor de rechter te brengen. Situaties van herhaaldelijke seksuele opdringerigheid. Maar feitelijk omvatte de vroegere formulering van het wetsartikel dit al: strafbaar waren het uitvoeren van exhibitionistische handelingen of het dwingen tot seksueel contact. Zulke praktijken konden dus al aangepakt worden: aan een juridisch kader ontbrak het niet.

    Er wordt gezegd dat de nadruk op complimentjes vooral bedoeld is om – vaak kwetsbare – minderjarigen te beschermen tegen onbeschofte opmerkingen waar ze bang van worden. Ik heb zo mijn twijfels of het zal helpen. Zou een jongere die op straat seksistisch en agressief bejegend wordt, nou echt de agressor durven confronteren, de politie erbij halen 
en hem laten arresteren? Ik vraag het me af.

    Dat er iets moet veranderen lijdt geen twijfel. Een vrouw moet niet als object worden gezien, op straat, in de reclame, op het werk, op dagen dat ze zin heeft om een iets dieper decolleté te dragen. Het wordt hoog tijd dat mannen ophouden met het maken van seksistische opmerkingen en inzien dat ze vrouwen niet kunnen overheersen of bezitten. Het idee dat je een vrouw kunt bezitten ligt aan de wortel van allerlei vormen van gevaarlijk gedrag en geweld tegen vrouwen. Maar de wet maakt het al mogelijk om zulke excessen aan te pakken.

    Auteur: Inês Cardoso
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Inês Cardoso is opinieredacteur bij Jornal de Notícias  in Lissabon. 

    Jornal de Notícias
    Portugal | oplage 102.000

    De oudste en een van de meest gelezen kranten van Portugal. Heeft vier regionale edities: Noord, Zuid, Midden en de regio Minho (met daarin Lissabon). De toon is overwegend rechts.

    Zonnebadende vrouw in Cascais, Portugal. – © Pedro Ribeiro Simões / Flickr Creative Commons
    Zonnebadende vrouw in Cascais, Portugal. – © Pedro Ribeiro Simões / Flickr Creative Commons

    Ja

    Ik denk niet dat veel mensen zich beledigd zullen voelen, of beperkt in hun persoonlijke vrijheid, als iemand ze op een vleiende manier complimenteert. Maar bij deze wet gaat het om iets heel anders: seksuele intimidatie. Banale opmerkingen als ‘volgens mij moet jij eens even flink geneukt worden’ zijn namelijk niets anders dan dat: een vorm van seksuele intimidatie. En ga nou niet beginnen over de vrijheid van meningsuiting, want dat is een kulargument.

    Ik besteed een groot deel van mijn tijd aan het schrijven over situaties die vrouwen als ongemakkelijk ervaren. Alledaagse vormen van seksuele intimidatie worden vaak afgedaan met: ‘Er zijn wel ergere dingen op de wereld.’ Ja, die zijn er inderdaad, maar toch mag je zulk gedrag niet bagatelliseren. Hoe zou jij het vinden als je dertienjarige dochter te horen kreeg dat ze ‘een lekker pijpbekkie’ heeft? Vind je dan ook dat zoiets niet bestraft hoeft te worden? Als je moeder, zus, vrouw of vriendin op straat ‘ik neuk je helemaal gek’ naar haar hoofd krijgt, vind je dan nog dat daar niet tegen opgetreden hoeft te worden? En als ze op hun werk door hun baas bij hun kont gepakt worden, of promotie kunnen maken als daar seksuele diensten tegenover staan, hoe zou je dat vinden?

    Bij Master Chef Júnior zei een vrouw dat ze een jochie van dertien jaar zo zou aanranden als ze de kans kreeg

    Dit soort dingen gebeuren. Dagelijks, en vaak zelfs bij meisjes die nog niet eens goed begrijpen waar die mannen het eigenlijk over hebben. Zulke opmerkingen zijn funest voor de spontaniteit waarmee vrouwen zich kunnen gedragen en deelnemen aan het openbare leven. Ze bedreigen onze persoonlijke vrijheid, maken ons minder zelfredzaam en beïnvloeden zeker ook onze houding tegenover mannen in het algemeen.

    Toen het nieuws bekend werd, hoorde ik opmerkingen als: ‘Daar heb je die hysterische feministen weer.’ Maar de wet beperkt zich helemaal niet tot het vrouwelijk geslacht: het slachtoffer kan een vrouw, man, jongen of meisje zijn. Bij het Braziliaanse kookprogramma Master Chef Júnior zei een vrouw onlangs dat ze een jochie van dertien jaar ‘een schatje’ vond en hem zo zou aanranden als ze de kans kreeg. Dit is niet iets om luchthartig over te doen, en het is dan ook goed dat de nieuwe Portugese wet extra streng is als het om minderjarigen gaat. De meeste mensen zullen dat wel met me eens zijn, maar als het om volwassenen gaat rijst de vraag waar precies de grens ligt. Een goede stelregel in alle aspecten van het leven lijkt mij: ‘Mijn vrijheid eindigt waar die van anderen begint.’ Dat gaat dus ook op voor seksuele intimidatie. Overigens hangt de effectiviteit van de wet af van het feit hoe individuele rechters deze zullen interpreteren. Maar in ieder geval is nu een eerste stap gezet: de maatschappij moet duidelijk aangeven waar de grenzen liggen.

    Auteur: Paula Cosme Pinto
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Paula Cosme Pinto schrijft al meer dan tien jaar voor Expresso, onder meer over feminisme. 
Ze publiceerde verschillende boeken, waaronder Os Segredos da Maleta Vermelha.

    Expresso
    Portugal | oplage 140.000

    Het eerste weekblad voor de moderne Portugees kwam uit in 1973. Het wist direct lezers aan zich te binden door zijn kwaliteit, onafhankelijkheid en het originele, grote formaat.

  • De nikab verdeelt – ook in Canada

    De nikab verdeelt – ook in Canada

    Net als in Nederland is 
de boerka – of liever: de nikab – een heikel onderwerp in Canada, waar 2 procent van de bevolking moslim is. Is het een non-issue, of precies het soort emotioneel beladen thema dat de verkiezingen kan doen kantelen?

    Als de regering-Harper uiteindelijk haar zin krijgt – en immigranten die een nikab dragen voor even worden gedwongen die af te doen op de dag dat ze als burger van Canada worden beëdigd – op hoeveel vrouwen zou die maatregel dan van toepassing zijn? Enkele tientallen per jaar? Honderd misschien? Hoe dan ook, het zou een minuscuul aantal zijn in vergelijking met alle aandacht die de kwestie heeft gekregen.

    Praktisch gesproken zou het plan van de Conservative Party inbreuk maken op de rechten van een miniem percentage: een paar mensen, gedurende een paar minuten van hun leven. De Conservatieven proberen geen wettelijk verbod van de islamitische gezichtsbedekking in te voeren. Zij zeggen alleen dat als een vrouw in een nikab Canadese wil worden (of in de woorden van 
premier Stephen Harper: deel wil gaan uitmaken van de nationale ‘familie’), zij bereid moet zijn zichzelf te tonen tijdens de officiële burgerschapsceremonie. Als de plechtigheid is afgelopen, staat het haar vrij zichzelf weer te bedekken.

    In een land dat met veel belangrijker problemen kampt – onze wankele economie bijvoorbeeld – is het redelijk om je af te vragen waarom de verkiezingscampagne zich zo concentreert op iets wat vrijwel op geen enkele stemgerechtigde van invloed is. National Post-columnist Andrew Coyne was een van degenen die niet kon bevatten waarom de vraag ‘of enkele tientallen vrouwen’ een sluier mogen dragen tijdens een burgerschapsplechtigheid zoveel zendtijd in beslag nam in het Franse leidersdebat van vorige week. ‘Het is bespottelijk,’ zei hij in een verhit moment van het At Issue-panel op The National van CBC. ‘Het is geen relevant probleem voor de toekomst van dit land. In het grote geheel is het een triviale kwestie.’


    Afleidingswapen

    Maar ís het wel zo triviaal? Is het echt een ‘verkeerd debat’, om de leider van de Groenen, Elizabeth May, te citeren? Een ‘weapon of mass distraction’ (massa-
afleidingswapen), zoals NDP (New Democratic Party)-leider Tom Mulcair het beschreef? Of geeft dat symbolische beeld – een moslimvrouw die haar gezicht mag bedekken terwijl ze de burgerschapseed aflegt – een kijkje in een veel diepgaander debat over de kernwaarden die Canadezen koesteren? Met andere woorden: is het zo’n zeldzaam soort emotionele, gevoelsmatige kwestie die een zwevende kiezer over de streep kan trekken?

    ‘Dit zijn zelden kwesties waarover je in het stemhokje staat te dubben, maar ze kunnen wel het algemene gevoel bepalen van: “Waar sta ik in het politieke spectrum?”’ zegt Frank Graves, voorzitter van het onderzoeksbureau Ekos Research Associates. ‘Ik denk niet dat mensen zeggen: “Ik ga alleen stemmen vanwege de nikab-kwestie.” Maar ik denk wel dat het een factor is. Het is verkeerd om te zeggen dat het de mening van de kiezer niet beïnvloedt. Echt waar.’

    Het debat dat nu wordt gevoerd, heeft zijn oorsprong in 2011, toen de toenmalige minister van Immigratie, Jason Kennedy, plotseling een nieuw beleid introduceerde dat mensen verbood hun gezicht te bedekken tijdens burgerschapsceremonies. Zunera Ishaq, een negenentwintigjarige Pakistaanse, betwistte die beslissing voor het Federale Hof, waarbij ze aanvoerde dat de Citizenship Act alle kandidaten verzekert van de grootst mogelijke religieuze vrijheid als ze de eed afleggen. (Ze benadrukt dat ze er geen bezwaar tegen zou hebben haar gezicht vóór de plechtigheid aan een ambtenaar te laten zien, maar dat ze er om religieuze redenen op staat haar eed af te leggen in een nikab.)

    Het is het eerste, openlijke, politieke debat over normen en waarden dat we sinds een tijdje in Canada voeren

    Het Federale Hof stelde Ishaq in het gelijk, maar Ottawa tekende meteen beroep aan. De nikab ‘heeft zijn oorsprong in een cultuur die anti-vrouw is’, zei Stephen Harper tegen het Canadese Lagerhuis. Toen de regering eind september weer verloor – en meteen nogmaals beroep aantekende, dit keer bij het Hooggerechtshof – werd de 
discussie onvermijdelijk onderdeel van de verkiezingscampagne.

    ‘Eigenlijk zijn het de grenzen van de tolerantie die hier op de proef worden gesteld,’ zegt Darrell Bricker, opiniepeiler bij Ipsos Global. ‘Er is één groep, advocaten en vrijzinnige burgers, die zeggen dat dit riekt naar intolerantie. Maar het probleem is dat dit het soort intolerantie is dat door de overgrote meerderheid van de Canadezen niet wordt gezien als intolerantie. Zij zien het als het vaststellen van de grenzen van aanvaardbare sociale normen.’

    Dat wordt beslist bevestigd door de laatste peilingen. Het ene onderzoek, door Forum Research uitgevoerd in maart, kwam tot de conclusie dat tweederde van de Canadezen (67 procent) tegen het dragen van een nikab bij een burgerschapsceremonie is, terwijl een peiling van Ipsos aantoonde dat maar liefst 88 procent achter het regeringsstandpunt staat. Een onderzoek van Leger, waarvoor afgelopen winter opdracht werd gegeven, maar dat pas vorige week is gepubliceerd, kwam tot dezelfde resultaten: 82 procent van de ondervraagde drieduizend mensen was het eens met het geen-nikabbeleid.

    ‘De deelnemers waren van mening dat mensen die aanwezig waren bij dat soort plechtigheden duidelijk herkenbaar moesten zijn en vonden het vreemd dat iemand haar gezicht mocht verbergen’, bleek uit het Leger-rapport. ‘Andere deelnemers vonden dat dit vooral een kwestie was van 
normen en waarden. Voor hen ging dit over nieuwe immigranten die Canadese normen en waarden omarmen bij hun intrede als nieuwe burgers. Het afdoen van de nikab of boerka werd in Canada als normaal beschouwd en daarom was de eis van de Canadese regering dat vrouwen hun gezicht moesten laten zien terecht.’

    Zunera Ishaq werd na haar proces op 15 september jl. in het gelijk gesteld, maar Ottawa tekende meteen beroep aan. © The Canadian Press / Patrick Doyle
    Zunera Ishaq werd na haar proces op 15 september jl. in het gelijk gesteld, maar Ottawa tekende meteen beroep aan. © The Canadian Press / Patrick Doyle

    Hoewel de maatregel slechts van toepassing is op een gering aantal mensen, wijst de controverse duidelijk op een dieperliggend probleem, zegt Bricker. Zoals elke peiling heeft bevestigd, beschouwt meer dan de helft van de Canadezen de islamitische sluier als een symbool van onderdrukking, ondanks het feit dat veel vrouwen die een nikab dragen het daar niet mee eens zijn. En volgens één Leger-onderzoek uit maart (niet het onderzoek waarvoor opdracht was gegeven door Ottawa) zei 60 procent van de ondervraagden dat nikabs verboden moesten worden, niet alleen tijdens de burgerschapseed, maar ook in openbare ruimten zoals overheidsgebouwen en rechtbanken.

    ‘Voor de gewone burger suggereert de nikab, ongeacht de uitleg die de draagster eraan geeft, een vorm van vrouwenonderdrukking,’ zegt Bricker. ‘Of dat zo is of niet, is een ingewikkelde kwestie, en die discussie laat ik over aan mensen die slimmer zijn dan ik. Maar de gemiddelde Canadees kijkt ernaar en zegt: “Daar is iets mis mee.” Als je in een vrije, democratische maatschappij leeft, vooral een die zo’n enorme vooruitgang heeft geboekt op het gebied van de positie van vrouwen en de noodzaak van gelijkheid, strijkt het je tegen de haren in als je zoiets ziet.’

    Zichtbare minderheden

    Het is niet verbazingwekkend dat het anti-nikabsentiment samenvalt met een duidelijke verschuiving in de 
algemene houding van Canadezen tegenover immigratie. Tien jaar geleden vond slechts een kwart van de bevolking dat er te veel immigranten naar Canada kwamen. Het aantal mensen dat het eens is met die uitspraak is, volgens een rapport van 
EKOS uit maart, gestegen tot bijna de helft (46 procent), terwijl 41 procent vindt dat de overheid te veel zichtbare minderheden toelaat. ‘Wij hebben 
niet hetzelfde soort verhitte debatten over immigratie en rassenkwesties gehad als in Europa en de VS, maar er zijn aanwijzingen dat we misschien een beetje die richting uitgaan,’ zegt Graves. ‘De allergie voor pluralisme en multiculturalisme, die vrij recent is, neemt op het moment toe.’

    En dat zou kunnen verklaren waarom zo’n ogenschijnlijk triviaal stukje beleid – het verbod op nikabs tijdens een burgerschapsceremonie – zulke hartstochtelijke reacties oproept. ‘Het valt niet te ontkennen dat het de kiezers op dit moment meer verdeelt dan kwesties die ze zelf van groter belang achten, in het bijzonder de zieltogende economie,’ concludeerde het EKOS-onderzoek. ‘Maar het is wel het eerste, openlijke, politieke debat over 
normen en waarden dat we sinds een tijdje in Canada voeren.’

    Maar is de nikabkwestie urgent genoeg om in een bepaald kiesdistrict de doorslag te geven? Zou het op 19 oktober werkelijk verschil maken? Misschien wel in Quebec, waar de NDP de meeste steun heeft, hoewel hun oppositie tegen het geen-nikabstandpunt van de Conservatieven niet strookt met de opvatting van de meeste inwoners. In Ontario? Waarschijnlijk niet, vooral niet omdat het provinciale bestuur gezworen heeft in het geweer te komen tegen de nationale regering als de zaak-Ishaq voor het Hooggerechtshof komt. ‘In de Prairies is het misschien van invloed,’ zegt Lorne Bozinoff, directeur van Forum Research. ‘Maar daar stemmen ze toch op de Conservatieven. Of die nu 45 of 50 of 55 procent van de stemmen krijgen, wat maakt dat uit?’

    Toen Forum zijn onderzoek in maart uitbracht (het onderzoek waaruit bleek dat 67 procent van de Canadezen tegen gezichtsbedekking tijdens burgerschapsplechtigheden is), zei Bozinoff dat de nikabkwestie ‘niet meer dan een bijzaak’ zou zijn bij de verkiezingen, omdat de maatregel ‘slechts direct van invloed zou zijn op een almaar kleiner wordend aantal vrouwen’. Een half jaar later blijft hij bij zijn voorspelling, ondanks de toenemende heftigheid van het debat.
    ‘Bij een lange campagne zoals deze is het niet waarschijnlijk dat zo’n even oplaaiende kwestie een omkering veroorzaakt, omdat er zo veel over gedebatteerd wordt,’ zegt hij. Neem bijvoorbeeld het proces tegen senator Mike Duffy of de Syrische vluchtelingencrisis. ‘Uiteindelijk is men erover uitgepraat en gaat het weer over iets anders. We hebben nog een hele tijd te gaan, zo’n drie weken, bijna even lang als een gewone campagne. Het is moeilijk voorstelbaar dat we het over drie weken nog steeds over nikabs hebben.’

    Michael Friscolanti

    Maclean’s
    Canada, weekblad, oplage 350.000
    Weekblad voor politiek, actualiteiten, onderwijs en cultuur. Jaarlijks in maart verschijnt bovendien Maclean’s Guide to Canadian Universities, in november gevolgd door Maclean’s University Rankings, bedoeld voor middelbarescholieren in hun laatste jaar.

    Kader – Vreemde recessie

    Technisch gezien verkeert Canada na twee opeen-volgende kwartalen van economische krimp in een
 recessie, maar veel economen kijken naar de cijfers 
van StatsCan en zien iets heel anders dan een recessie. De optimisten – waaronder de grote banken – zien tekenen dat de Canadese economie in het derde 
kwartaal alweer is gegroeid dankzij een goedkopere Canadese dollar en een sterkere Amerikaanse economie. Pessimisten menen dat de gevolgen van een dalende olieprijs nog zal doorwerken in de Canadese economie, gekoppeld aan de tragere groei in China.

    Maar beide groepen zijn het erover eens: dit is een vreemde recessie. En waarom dan? Omdat ondanks 
het feit dat de maakindustrie, de bouw, de olie-, gas- 
en mijnsector allemaal krimpen, de recessie Canada nog niet heeft getroffen daar waar het werkelijk pijn doet: in de werkgelegenheid. Die is het afgelopen jaar met 0,9 procent of 161.000 banen gegroeid, hoewel er in de provincie Alberta in de olie-industrie 35.000 banen verloren gingen.

    Ook econoom Avery Shenfeld van de Canadian Imperial Bank of Commerce (CIBC) voorziet een groei in het derde kwartaal, en de Bank of Montreal durft daar al een percentage van 2,5 tot 3 op te plakken. Dat moet premier Stephen Harper als muziek in de oren klinken. Zijn verkiezingscampagne is er vooral op gericht de grootst mogelijke positieve draai te geven aan al het slechte economische nieuws van de voorbije maanden.

    (Huffington Post, Toronto)


  • Iran is bang voor ‘vrouwelijk en meisjesachtig’ gedrag

    Iran is bang voor ‘vrouwelijk en meisjesachtig’ gedrag

    De historische afspraken die over het nucleaire programma van Iran zijn gemaakt, zijn goed voor de liberalisering van de economie, maar verruimen de mogelijkheden voor vrouwen helaas niet.

    Op 18 september hield het ministerie van Onderwijs zijn landelijke examen voor nieuwe sollicitanten. 178.000 kandidaten deden mee. Van tevoren werd bekendgemaakt dat vrouwelijke deelnemers, ongeacht hoe hoog ze scoren, slechts 10 procent zullen uitmaken van het aantal mensen dat een baan krijgt. Van de 3703 banen in het onderwijs die er te vergeven zijn, zullen 630 naar vrouwen gaan. Vrouwelijke deelnemers in de Iraanse hoofdstad worden misschien wel het hardst door dit beleid getroffen; van de 190 nieuwe werknemers die bij het ministerie van Onderwijs komen te werken, mogen er maar zes vrouw zijn.

    Het lijkt erop dat deze maatregelen al lang van tevoren zijn voorbereid. In februari sprak het hoofd van de afdeling Onderzoek en Planning van het ministerie van Onderwijs tegenover het Farsi Nieuwsagentschap dat banden heeft met de Islamitische Revolutionaire Garde, zijn zorg uit dat jongens die op de lagere school les krijgen van een vrouw ‘vrouwelijk en meisjesachtig gedrag’ zullen ontwikkelen. Deze opmerkingen hebben blijkbaar 
de weg geplaveid voor het instellen 
van de seksediscriminatie in het examen voor sollicitanten van dit jaar.

    © Ruben
    © Ruben

    Balans

    Momenteel is in grote steden, en vooral in Teheran, tussen de 70 en 80 procent van alle leerkrachten vrouw. Maar als het om leidinggevende posities gaat, slaat de balans door naar de mannen. Abdollahi in Al-Monitor: ‘Vrouwen hebben binnen het onderwijssysteem minder dan 1 procent van de leidinggevende posities, en de functies op bestuurlijk en directieniveau worden uitsluitend door mannen bezet.’
    Niet alleen het miniserie van Onderwijs heeft een quotum ingesteld om het aantal vrouwelijke medewerkers te verlagen. Drie maanden geleden gebeurde hetzelfde op nog grotere schaal, toen duizenden sollicitanten deelnamen aan een examen voor 2800 verschillende banen bij 18 overheidsinstellingen. Uit de brochure voor dat examen, die eind maart werd verspreid, bleek dat 2284 banen uitdrukkelijk bedoeld waren voor mannen (81,5 procent), 
terwijl maar 16 banen (0,57 procent) vrij werden gehouden voor vrouwen. Van de 2800 banen waren er 500 beschikbaar voor beide seksen.

    Niets wijst op een evenwichtigere verdeling van de seksen

    Deze duidelijke en grootschalige seksediscriminatie in het aannamebeleid bij de overheid heeft zelfs in Rohani’s eigen kring tot kritiek geleid. In een interview met het dagblad Sharvand noemde onderminister voor vrouwen- en gezinszaken Shahindokht Molaverdi het beleid discriminatie en uitsluiting. ‘Ik vind dat dit examen, waarmee zo weinig vrouwen worden aangenomen, indruist tegen het beleid, de plannen, leuzen en beloften van de elfde regering [Rohani].’
    In hetzelfde interview kondigde Molaverdi ook aan dat ze in gesprek ging met relevante autoriteiten om hen te bewegen de quota te herzien. Maar bij het toelatingsexamen voor de publieke functies van dit jaar, dat in de Iraanse maand khordad (22 mei tot 21 juni) is gehouden, bleek dat niets was veranderd. Molaverdi’s gesprekken hebben dus geen resultaat gehad. Een verklaring tegen seksediscriminatie, ondertekend door honderden vrouwenrechtenactivisten, heeft de Iraanse autoriteiten evenmin op andere gedachten gebracht.
    Sinds Ahmadinejad in 2005 president werd, zijn de werkgelegenheidscijfers onder vrouwen in een negatieve spiraal terechtgekomen. In 2005 hadden 3,69 miljoen vrouwen een baan. Dit jaar staat de teller op 3,1 miljoen. Op 6 september heeft Molaverdi publiekelijk verklaard dat meer dan 40 procent van de vrouwelijke afgestudeerden werkloos is. Om deze cijfers in perspectief te plaatsen: uit officiële statistieken blijkt dat er in Iran nu twee keer zoveel vrouwen werkloos zijn als mannen. Meer dan de helft van hen is op zoek naar een baan.

    Marc Saghie

    (Foto boven: Meisjes in Ishafan. © Cordelia Persen/Creative Commons)