Onderwerpen: Arbeid

  • De jeugd wil zich niet meer uitsloven voor een habbekrats

    De jeugd wil zich niet meer uitsloven voor een habbekrats

    Geen zin in werken is niet een generatieverschijnsel. Misschien dat jongeren voor het eerst durven te dromen van een leven zonder tolpoortjes.

    Mijn vader, die dierenarts is en vlak voor zijn pensioen zit, vroeg onlangs voor het eerst of ik wou helpen bij een chirurgische ingreep. Ik zei natuurlijk ja, onnadenkend als ik ben, maar algauw sloeg de schrik me om het hart en was ik bang dat ik zou flauwvallen of overgeven en tot mijn schande eerder een sta-in-de-weg zou zijn dan behulpzaam. Ik weet niet zo goed wat ik me in het hoofd haalde – een explosie van bloed of ingewanden of zo? – maar ik betrapte me op iets heel onverwachts: totale fascinatie vanwege de precieze en bekwame handelingen van iemand die al veertig jaar lichamen opensnijdt en weer dichtmaakt, een vaardigheid die hij door stug volhouden perfect onder de knie had gekregen.

    Ach kijk, dacht ik, dit is wat hij deed tijdens mijn balletuitvoeringen of piano-optredens en al die dingen in mijn jeugd waar hij niet bij kon zijn. Eindelijk begreep ik het: dat was belangrijk. En vanuit deze openbaring ten overstaan van een opengesneden poezenlijfje, vol ontzag en liefde, terwijl ik met een pincet een bloedvat dicht klemde, vroeg ik hem: ‘Hé, ga je dit niet missen?’

    En mijn vader, die bepaald niet met zijn gevoelens te koop loopt, keek me priemend aan – sorry voor het cliché maar zo was het – en siste woedend: ‘Ik heb twintig jaar vergooid.’ En ik kon alleen maar knikken. Het is waar: mijn vader droomt al van zijn pensioen zolang het me heugt. Het mag voor mij dan niet meer belangrijk zijn maar híj betreurt nog altijd de schooluitvoeringen waar hij niet bij kon zijn, het leven dat hij niet geleefd heeft, dat andere, niet geleefde leven want ja, dat was verdomme zijn leven.

    Mentale kwetsbaarheid

    Ik wilde per se met deze anekdote te beginnen om niet klakkeloos aan te nemen dat de huidige hekel aan werk louter een generatiekwestie is, ondanks de berichten waarmee we dagelijks worden doodgegooid: over dat de generatie Z geen leidinggevende meer wil zijn; dat de lazy girl jobs (banen voor luie meisjes) horen bij een generatie die inspanningen schuwt; dat alles erop wijst dat burn-outs voorkomen bij vijfentwintigjarigen, maar dat dat dan door mentale problemen zou komen; dat het Chinese tangping – ‘gaan liggen’ als protest tegen uitbuiting op het werk – een TikTok-dingetje zou zijn. 

    De conclusie lijkt steeds hetzelfde: het zijn de jongeren die er de brui aan geven want vroeger, in een utopisch verleden, fungeerde werk wel degelijk als middel tot zelfverwezenlijking.

    Wat volgens mij niet klopt. En niet omdat er niets nieuws is in de manier waarop mijn generatie en de volgende zich verhouden tot werk, maar omdat het moeilijk voorstelbaar is dat er vroeger een gouden tijdperk vol arbeidsethos bestond waarin de mensen iedere ochtend fluitend opstonden, vol verlangen om aan de slag te gaan. Wat is veranderd lijkt niet zozeer de uitputting maar eerder het feit dat je er voor het eerst hardop voor uit mag komen. Het kan ook zijn dat we ons voor het eerst beginnen toe te staan om te dromen van iets wat vroeger alleen aan wat rijkelui was voorbehouden: de mogelijkheid van een leven zonder tolpoortjes.

    Onlangs las ik dat er in de Griekse mythologie godinnen bestonden die zich uitsluitend bezighielden met het reguleren van de dromen van de koningen, die vast niet gelijk waren aan die van een boer. Dromen zijn nooit democratisch geweest: niet alle dromen waren evenveel waard en ze kwamen niet allemaal door dezelfde deur naar binnen. Er waren reële dromen en bedrieglijke dromen, dromen die ergens op sloegen en dromen die gedoemd waren in de ochtend te verdampen. Misschien hebben we lange tijd aangenomen dat de onze, die van de werkers, hoorden bij die tweede categorie: onbeduidende dromen, een soort compensatie, zonder anker in de werkelijkheid. 

    Wat nu aan het veranderen zou kunnen zijn is niet zozeer onze relatie tot werken als wel het karakter van wat we onze verbeelding toestaan. Het is of we ons voor het eerst collectief afvragen: hé, stel je voor dat we zouden kunnen leven zoals rijke mensen altijd al hebben geleefd, zonder de plicht om ons brood te verdienen omdat brood simpelweg een recht was? 

    Mogen alleen rijke mensen genieten?

    Misschien was de grote sensatie tijdens de pandemie niet alleen de ontdekking dat onze bazen ons, ook al liep ons leven gevaar, nog zouden willen verplichten om door te werken, maar ook dat andere, opzienbarender feit: dat velen ontdekten hoe hun leven zonder werk zou zijn en niet langer bang waren voor dat cliché dat ons, armen, van kinds af aan is ingeprent om ons huiverig te maken voor onze koningsdromen: dat er mensen zijn – mensen zoals jij dus – die als ze niet zouden werken, niet zouden weten wat ze met hun leven aanmoesten. Maar de mensen wisten precies wat ze met hun leven aanmoesten als ze thuis moesten blijven omdat ze op non-actief waren gesteld: ze lazen als nooit tevoren; ze gingen zorgen voor hulpbehoevende buurtbewoners, ze begonnen aan yoga te doen, brood te bakken, taart te bakken; online te studeren of door te geven wat ze al wisten zodat anderen gratis konden studeren; te mediteren voor een raam met uitzicht op een autoloze straat, waarin de vogels kwinkeleerden.

    Ik vroeg de vrouwen om me heen wat ze zouden doen als ze niet hoefden te werken, en er was er maar een die zei dat ze zou doorgaan met werken (het ging om een creatief beroep, ‘al zou ik er wel veel minder uren in stoppen’, zei ze erbij). De anderen, we waren met een overweldigende meerderheid, leek het dat we zouden gaan klooien met onze vriendinnen, meer kinderen of meer honden of meer katten zouden nemen, of een reusachtige, fraaie tuin zouden aanleggen, dus zorgen voor levende dingen en alleen studeren voor zover het in dat kader nodig was en verder niks; geen balletvoorstelling van onze dochters of nichtjes meer missen; een verantwoordelijke en genotvolle ledigheid creëren die ons zou behoeden voor de spijt van morgen, dat wil zeggen oud worden met het gevoel te veel te hebben gestoken in een bepaalde deskundigheid in ruil voor bijna niks, een habbekrats.

    een gelukkige 1 mei, met de droom dat spoedig, op een dag, werk een achterhaald concept moge zijn

    Het is, zeker weten, als in dat gedicht van Li Yuansheng dat in 2014 niets meer of minder dan een hype in China veroorzaakte: ‘Ik wil niksen met jou; bijvoorbeeld / het hoofd buigen, naar de vissen kijken; bijvoorbeeld / de thee koud laten worden, zien hoe het spel van de schaduwen langzaam oplost; ja, ze aan hun lot overlaten, samen de zonsondergang verdoen; bijvoorbeeld rondlopen; praten tot de hemel de sterren kwijtraakt / ik wil die tijd waarin de wind blaast verspillen; gaan zitten in een gang, kijken naar het niets / dat je blik bevolkt met de wolken / die zwart langstrekken aan de andere kant van het glas’.

    Maar tot het zo ver is willen, nee eisen we al het andere: fatsoenlijke lonen die de gelegenheid bieden een kind groot te brengen zonder partner, zonder dat het recht op scheiding in discussie is omdat twee huizen erop nahouden in dit land bijna onmogelijk is; fatsoenlijke roosters om er met onze kinderen op uit te kunnen trekken, want de doekjes voor het bloeden mogen niet betekenen dat zij meer tijd tussen tralies doorbrengen; en universeel recht op een woning, OP Z’N MINST. 

    Kortom, vriendinnen, een gelukkige 1 mei, met de droom dat spoedig, op een dag, werk een achterhaald concept moge zijn dat niet langer ons leven afpakt, dat, zeker weten, elders is.  

  • Door AI kom je nu om in de klusjes

    Door AI kom je nu om in de klusjes

    Tips van AI-chatbots maken het mogelijk om huishoudelijke en administratieve taken zelf te regelen, zonder behoefte aan een professional. Maar is dat wenselijk? AI verplaatst arbeid niet alleen van werknemer naar machine, maar ook van werknemer naar consument.

    Laatst zagen mijn vrouw en ik een rat in onze tuin. Normaal zou ik de ongediertebestrijding hebben gebeld, maar nu won ik eerst advies in bij ChatGPT, dat me aanraadde een val te zetten, een kooi met vlees erin. Dus deed ik dat, en het gaf een korte voldoening – het tevreden gevoel dat je zelf iets hebt opgelost, zonder daar een vakman voor te moeten betalen en te moeten wachten tot die komt opdagen. (Het loste niks op. De rat liet mijn kooi links liggen.)

    Uit de ervaringen van één academicus in Oxford kun je geen algemene conclusies trekken, maar ik weet dat ik niet de enige ben die de laatste tijd zijn eigen ongediertebestrijder, klusjesman of boekhouder is geworden. Een kwart van de Amerikanen heeft gebruikgemaakt van kunstmatige intelligentie bij het invullen van hun belastingaangifte. Uit een analyse van 1,1 miljoen ChatGPT-gesprekken bleek dat bijna driekwart van de berichten niet werkgerelateerd was. Mensen wendden zich vooral tot de chatbot voor praktische tips in hun dagelijks leven: over gezondheid, klusjes in huis, financiële beslissingen en meer van zulke zaken waarvoor ze vroeger hadden aangeklopt bij een vakman.

    We horen altijd dat AI de banen van mensen gaat inpikken. Wat niemand erbij zegt, is dat we veel van dat werk nu op ons eigen bordje krijgen. De AI-revolutie brengt een grote arbeidsverschuiving teweeg: niet van werknemer naar machine, maar van werknemer naar consument. Dat we alles zelf kunnen, schenkt misschien voldoening, maar met al die klusjes kunnen we onszelf ook ongemerkt gaan overbelasten. Werk dat vroeger werd uitbesteed, wordt nog steeds gedaan. Het is alleen overgeheveld van de arbeidsmarkt naar het huishouden, in de vorm van nieuwe soorten onzichtbare, onbetaalde arbeid.

    Werk dat vroeger werd uitbesteed, wordt nog steeds gedaan. Het is alleen overgeheveld van de arbeidsmarkt naar het huishouden

    De tendens richting zelfbediening is een van de krachtigste en meest veronachtzaamde ontwikkelingen in de geschiedenis van arbeid. In de negentiende eeuw was in veel steden de reiniging van kleding een belangrijk beroep, en een van de zwaarste. Water sjouwen, hout hakken, wasgoed koken in loog, elk kledingstuk met de hand op een wasbord schoon schrobben, uitwringen, drogen en stijven, strijken met zware, op de kachel opgewarmde strijkbouten. Daar ging bijna de hele week aan op. Wasvrouwen werkten overal. Zelfs in gezinnen waar de vrouw des huizes zelf kookte en al het naaiwerk deed, werd een ander betaald om de was te doen. Toen in Atlanta in de jaren 1880 de zwarte wasvrouwen staakten, hoopte de vuile was zich op en liep de hele stadseconomie vast.

    Aan deze wereld kwam langzaam een einde met de komst van de wasmachine en de infrastructuur die deze mogelijk maakte: elektriciteit, stromend water, synthetische wasmiddelen. Maar daarmee was het werk niet verdwenen. Consumenten kochten nu een wasmachine en deden het zelf. De wasvrouw was vervangen door haar voormalige klanten.

    Historicus Ruth Schwartz Cowan wijst op nog een ander ironisch gevolg: dat de huisvrouw per saldo vaker en meer huishoudelijk werk is gaan doen, waarbij de lat hoger kwam te liggen – en allemaal onbetaald. Mannen droegen geen losse kragen en manchetten meer, zodat het hele overhemd in de was moest. Kinderen kregen voortaan elke dag schone kleren aan in plaats van elke week. De wasvrouw verloor haar baan. De huisvrouw kreeg er een berg werk bij.

    Dat patroon herhaalt zich steeds. Met zelfscankassa’s wordt het scannen van de artikelen een klusje voor de klant. Via internet kunnen reizigers nu zelf de vluchtschema’s en hotelbeoordelingen bekijken waar vroeger alleen de reisagent bij kon. Met online beleggingsdiensten heeft iedereen een effectenmakelaar in zijn broekzak. En dankzij de smartphone is de bankmedewerker vervangen door jouzelf.

    We zijn eraan gewend geraakt om onze eigen kassabediende, reisagent en bankmedewerker te zijn

    We zijn eraan gewend geraakt om onze eigen kassabediende, reisagent en bankmedewerker te zijn. Het is vaak efficiënter om deze dingen zelf te kunnen doen. Maar door AI begint de zelfbedieningseconomie zich uit te breiden naar vakgebieden die een jarenlange opleiding vergen, zoals geneeskunde en rechten. In januari werden wereldwijd dagelijks door 40 miljoen mensen vragen aan ChatGPT gesteld over zaken rond gezondheidszorg: van symptoomherkenning tot onbegrijpelijke facturen en conflicten met verzekeraars.

    Dat kan tastbare resultaten opleveren. Er is een man die zegt dat zijn gezin met hulp van Claude een ziekenhuisrekening van 195.000 dollar heeft kunnen verlagen tot nog geen 33.000 dollar, door het opsporen van verkeerd gebruikte codes en dubbel opgevoerde kosten. De chatbot gaf boekhoudadvies dat ze anders misschien nooit hadden gekregen. Toen de wasmachine goedkoop genoeg werd voor de middenklasse, had dat een democratiserend effect. Op slag konden miljoenen gezinnen dagelijks over schone kleding beschikken. Dat effect zie je nu ook.

    Maar zelfbediening levert niet automatisch hetzelfde resultaat op als advies van een vakman. De financieel specialist ziet codes waar de patiënt niet bij zou stilstaan. De accountant wijst op aftrekmogelijkheden waarvan de belastingbetaler het bestaan niet eens vermoedt. De chatbot geeft antwoord op wat je vraagt, de expert vertelt je wat je moet vragen. De voor- en nadelen van AI in een notendop: de geboden expertise is breder toegankelijk, maar ook oppervlakkiger.

    De AI-revolutie heeft je baan misschien nog niet ingepikt. Maar ze heeft je al wel aan het werk gezet. 

    Bovendien voelt elk afzonderlijk geval van zelfbediening nooit als een grote belasting. We denken aan het geld dat we op een accountant besparen, maar staan meestal niet stil bij de avond die we zelf aan die klus besteden. Daar bestaat een term voor: het negeren van opportuniteitskosten – de goed gedocumenteerde neiging om over het hoofd te zien wat iets ons kost wanneer de prijs niet in geld maar in tijd wordt betaald.

    Naarmate steeds meer consumenten gebruikmaken van AI, worden vakmensen wellicht steeds moeilijker te vinden: het is nu al zoeken naar een kassa of een bankloket waar nog iemand achter zit.

    Wanneer het werk verschuift naar de consument, verdwijnt het uit de arbeidsstat istieken. Een bedrijf kan een werknemer vervangen door een machine, of de taak doorschuiven naar de klant; in beide gevallen verdwijnt een betaalde baan. Als jij het werk thuis doet, registreert niemand jouw uren. Daarom verhoogt de digitale revolutie de arbeidsproductiviteit – en de bedrijfswinsten –, terwijl mensen zich tegelijk steeds zwaarder belast voelen.

    Al lang voordat de wasvrouw uit het collectief geheugen verdween, was ze uit de statistieken verdwenen. Voor veel beroepen dreigt hetzelfde lot. De AI-revolutie heeft je baan misschien nog niet ingepikt. Maar ze heeft je al wel aan het werk gezet. 

  • Hoe Syrische scheepsbouwers de oorlog hebben doorstaan

    Hoe Syrische scheepsbouwers de oorlog hebben doorstaan

    Arwad is het enige bewoonde Syrische eiland en staat bekend om haar Fenicische scheepsbouwtraditie, die meer dan 2500 jaar teruggaat. Ook tijdens de burgeroorlog heeft het eiland de traditie in stand weten te houden.

    In de zinderende zon, tegen een achtergrond van de Middellandse Zee, slaan mannen spijkers in de achtersteven van een houten boot. Duizenden jaren lang hebben vele handen gezwoegd om deze vaartuigen tot stand te brengen. Halfafgebouwde geraamtes staan verspreid over het strand terwijl hun reeds voltooide witgeschilderde evenbeelden aan de horizon prijken.

    Een meter of twee verderop kijkt Mohamed Bahlawan toe. In zijn gerimpelde handen houdt hij een wandelstok, zijn ogen zijn vochtig van de ouderdom. Hij knijpt ze een beetje dicht terwijl hij zijn woorden lang- zaam maar duidelijk articuleert. ‘Wat wij hier doen is zeldzaam,’ zegt hij met een sprankje trots in zijn stem. ‘Dit werk is nergens anders ter wereld te vinden.’

    Bahlawan is een bewoner van Arwad, een eiland op 4 kilometer afstand van de Syrische kuststad Tartus. Arwad is het enige van een handjevol Syrische eilanden dat bewoond is en staat deels bekend om haar Fenicische scheepsbouwtraditie, die meer dan 2500 jaar teruggaat.

    Arwat staat deels bekend om haar Fenicische scheepsbouwtraditie, die meer dan 2500 jaar teruggaat.

    Vrijwel alle bewoners van het idyllische eiland zijn soenitisch. Hoewel de burgeroorlog het grootste deel van het land verwoestte, is Arwad er zonder fysieke schade van afgekomen. Wel vertrokken veel inwoners naar het buitenland om het regime van Bashar al-Assad of de militaire dienstplicht voor jonge mannen te ontvluchten. Veel anderen verhuisden naar het vasteland om werk te zoeken.

    Voor de eilanders is de manier om de kost te verdienen onlosmakelijk verbonden met de omliggende zee; de meesten zijn matroos of visser en een kleiner gedeelte omarmt de traditie van scheepsbouw. Bahlawan erfde het beroep van zijn vader, die het weer van zijn vader leerde. Hij haalt herinneringen op over hoe het vak door de jaren heen veranderde.

    Handwerk

    ‘In het begin deden we alles met de hand. We hadden geen elektrisch gereedschap, enkel een zaag, een dissel, een boor. Later innoveerden we; we kregen een houtzagerij en begonnen met elektriciteit te werken,’ vertelt hij. Zijn woorden worden overstemd door werkgeluiden verderop.

    Iets verderop regelt zijn zoon, Farouk Mohamed Bahlawan, de productie van een boot naast zijn werkplaats aan zee. De vijfenvijftigjarige Farouk zit al vijfenveertig jaar in het vak. Tijdens de burgeroorlog kampte hij met de hoge materiaalprijzen, die zijn export beïnvloedden. De problemen werden verergerd door de helse bureaucratische procedures van de Algemene Syrische Autoriteit voor Land- en Zeehavens. ‘Ooit kon je alleen een [scheeps]bouwvergunning krijgen door iemand om te kopen,’ vertelt hij. ‘Nu is de rust teruggekeerd, worden er dingen gefaciliteerd en worden we aangemoedigd om in het vak te blijven.’

    Nazem Taleb, huidig hoofd van de haven van Arwad, legt uit hoe de oorlog en de aanwezigheid van controleposten – waar reizigers tussen de verschillende gouvernementen vaak werden gearresteerd – mensen ontmoedigden om Arwad te bezoeken. ‘Er kwam zelfs bijna niemand meer,’ vertelt hij, en voegt eraan toe dat het eiland nu ook vaak bezoekers uit andere delen van Syrië ontvangt, evenals uit andere landen, zoals Libanon en Turkije.

    MO Kinderen compressed
    Kinderen spelen aan de waterkant op het eiland Arwad, Syrië. – © Anagha Nair

    De veertigjarige Hibra Qanatre uit Idlib is een van die bezoekers. Voor de val van het regime was het vanwege de aanhoudende burgeroorlog nagenoeg onmogelijk om het eiland aan te doen. Idlib werd geregeerd door de rebellengroep Hayat Tahrir al-Sham. Andere delen van het land vielen nog steeds onder het gezag van Assad.

    ‘Voor de revolutie kwam ik vaak naar Arwad – dit is mijn eerste keer na de val van het regime,’ vertelt ze op een van de veerponten die tussen Tartus en het eiland varen. Taleb zegt dat er dertig à veertig boten per dag aankomen op het eiland, elk met ongeveer veertig mensen aan boord. ‘Als begin is dat een mooi aantal bezoekers,’ zegt ze. Qanatres negenjarige nichtje Sara kijkt toe terwijl haar tante over haar bezoek vertelt. Ze is hier samen met haar moeder en haar nicht Naya. Terwijl de boot Arwad benadert, glimlachen de meiden breed en maken ze met hun vingers hartjes voor de foto, met de rug naar het eiland gekeerd. Lachende moeders houden telefoons in de lucht om ze te fotograferen.

    ‘Dit is de eerste keer dat ik naar het eiland kom. Het is heel anders [dan Idlib],’ zegt Sara terwijl ze plukjes haar uit haar gezicht veegt. ‘Wij hebben geen zee, en het weer is hier ook beter.’

    Er klinken geen toeterende auto’s en er hangt geen uitlaatrook.

    Tijdens Assads regime was de lucht altijd vervuld van de geur van wantrouwen en de gevreesde inlichtingendienst van de staat. Zoals in veel andere delen van het land voelden ook de inwoners van Arwad de ijzeren greep van het regime. Nu slenteren mensen rond in de hitte, hun handen plakkerig van het ijs dat ze aan zee hebben gegeten. Er klinken geen toeterende auto’s en er hangt geen uitlaatrook. Er heerst een geanimeerde sfeer tussen bewoners die elkaar passeren. Verder landinwaarts kijkt Mustafa Ali Bahar, een bewoner van Arwad, trots naar een bord dat hij voor de snoep- en drankjeszaak van zijn zoon heeft geplaatst. Naast een karikatuur van de ten val gebrachte president Assad staan de woorden ‘Waarom zouden we elkaar ontmoeten? Om bijvoorbeeld een drankje te drinken, haha’. De woorden zijn een referentie naar Assads antwoord op een journalist die hem in augustus 2025 in een interview vroeg waarom hij weigerde in gesprek te gaan met de Turkse president Recep Tayyip Erdoğan. ‘Voorheen zou ik hiervoor naar Sednaya moeten,’ zegt hij terwijl hij naar het bord wijst. Hij doelt op de beruchte gevangenis waar tegenstanders van het regime en gewone Syriërs werden gemarteld.

    Maar, geeft hij ook toe, niet alle wonden zijn geheeld. Veel mensen die door de regering gevangen werden genomen, zijn nog niet teruggekeerd. Over hen is nog niets bekend.

    180 graden gedraaid

    In Arwad zijn we allemaal een soort familie – sommige van mijn buren werden gezocht en sommige van mijn familieleden ook,’ zegt hij. Hij vertelt dat het eiland destijds zwaar was doordrongen van informanten en functionarissen uit verschillende overheidsdiensten, zowel administratief als gerelateerd aan de inlichtingendiensten. ‘Na de bevrijding keerden veel [vluchtelingen] terug.’

    Farouk Bahlawan vertelt dat de situatie van Arwad ‘180 graden is gedraaid’ sinds het regime ten val kwam, maar dat hij hoopt dat de faciliteiten nog verder zullen verbeteren. ‘Vandaag de dag worstelen we met [het gebrek aan] elektriciteit. Ook moeten belastingen van de gemeente of het ministerie van Binnenlandse Zaken worden verlaagd zodat we in ons vakgebied kunnen blijven.’

    Farouk werd geboren in een familie die veel kennis heeft van de scheepsbouwtraditie. Zijn zonen wilden hem graag opvolgen, maar Farouk was het daar niet mee eens. Nu zijn zijn zonen opgeleid in werktuigbouwkunde. ‘Ze wilden het vak leren, maar ik liet het niet toe,’ zegt hij op ietwat defensieve toon. ‘De reden is dat we hevig werden onderdrukt en beïnvloed door de havenautoriteiten.’
    De meeste eilanders moesten in die tijd knokken om hun vak te beoefenen. Visser Mustafa Alaa Othman vertelt dat hoewel zijn kinderen niet voor het vak hebben gekozen, een van hen wel besloot maritieme studies te doen, wat ook een manier is om maritiem officier te worden.

    Plofvissen

    Othman legt uit dat de prijzen torenhoog waren en dat het regime op veel plekken aan plofvissen deed, een verwoestende techniek die vissen in het water doodt, zodat ze de vishandel konden monopoliseren. ‘Uiteindelijk hadden deze praktijken effect op ons en we konden er niets tegen doen,’ zegt hij. Hij hoopt dat de tijd waarin de zee nog barstte van de vissen, op een dag zijn wederkeer maakt.

    Ook Farouk is optimistisch over de toekomst van zijn werk op het eiland. Hij vertelt dat hij er bij de regering op aandringt een instituut te stichten waar mensen scheepsbouw kunnen leren, zodat meer jonge mensen zich in het vak kunnen specialiseren. ‘Ik zou docent willen worden bij zo’n soort school, zodat dit beroep kan blijven bestaan.’

    MO Farouk compressed edited scaled
    Farouk Bahlawan wijst naar de arbeiders terwijl zij een boot bouwen. – © Anagha Nair

    Voor hem is scheepsbouw niet slechts een manier om geld te verdienen, maar een levenswijze. Hij beweert dat hij zich elke boot kan herinneren die hij in de afgelopen dertig jaar heeft gebouwd. ‘Als ik zie dat een van mijn boten wordt verwaarloosd, of aan reparatie toe is, doet me dat veel pijn,’ vertelt hij. ‘Ik ga met de boten om alsof het mensen zijn.’ Othman onderschrijft dit gevoel; hij gelooft dat het eiland Arwad moet worden gekoesterd en financieel gesteund. Zijn band met het ruime sop en zijn liefde voor deze levenswijze zijn in de loop der jaren alleen maar gegroeid. ‘Mensen die van de zee houden zijn daar vaak aan overgeleverd,’ zegt hij. ‘De zee overheerst en heeft een geheel eigen karakter.’

    Hij heeft een zus in Baniyas, een kuststad op het Syrische vasteland, maar dat leven trekt hem niet aan. ‘In twintig jaar ben ik slechts één keer bij haar gaan logeren,’ zegt hij.

  • In Denemarken neemt het aantal vrijwilligers de laatste jaren rap toe

    In Denemarken neemt het aantal vrijwilligers de laatste jaren rap toe

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Taiwan wil zijn defensie-uitgaven met 40 miljard dollar verhogen

    » Overval Louvre: politie arresteert vier nieuwe verdachten

    Het aandeel vrijwilligers in de bevolking bedraagt 45 procent

    In Denemarken is het aantal vrijwilligers de laatste jaren hard gegroeid, meldt Politiken. Een voorbeeld van deze toename is de Deense moederhulpvereniging Modrehjælpen, die gerund wordt door onbetaalde vrijwilligers. De organisatie beschikt over 2217 vrijwilligers, verspreid over 44 lokale verenigingen in het hele land en besteedde in 2024 meer dan 400.000 uur aan babycafés, motorische ontwikkeling, babyzwemmen, natuurwandelingen, winkels en het bijstaan ​​van kwetsbare gezinnen bij familierechtszittingen.

    Volgens een rapport van onderzoekers van Vive, het Deense Nationale Centrum voor Sociaalwetenschappelijk Onderzoek, sluiten steeds meer Denen zich als vrijwilliger aan bij een vereniging van landeigenaren, een sportclub, een vakbond, een culturele club of een kiezersvereniging.

    In 2024 verrichtte 40 procent van de burgers boven de 16 jaar onbetaald werk voor een non-profitorganisatie, wat betekent dat ongeveer 2 miljoen Denen vrijwilligerswerk deden. Dit is 5 procentpunt meer dan in 2020. Vorig jaar verrichtten vrijwilligers gemiddeld negentien uur onbetaald werk per maand. Dat is meer dan vier jaar geleden, toen het cijfer vijftien uur bedroeg.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Als we ook degenen meetellen die zich af en toe inzetten, bijvoorbeeld op een festival, dan bedraagt ​​het aandeel vrijwilligers in de bevolking 45 procent. En amper 33 procent van de bevolking heeft nog nooit vrijwilligerswerk gedaan. Dit aandeel is sinds 2004 stabiel gebleven.

    Een van de redenen voor de toename is de goede gezondheid van steeds meer senioren. Denemarken is samen met Noorwegen, Zweden en Nederland wereldkampioen vrijwilligerswerk, misschien niet toevallig ook de landen met de sterkste verzorgingsstaat.

    Vrijwilligers zijn absoluut essentieel voor Modrehjælpen, benadrukt Ninna Thomsen, directeur van de organisatie: ‘Zonder hen zouden we geen nationale vereniging zijn die actief is in 44 steden in het hele land. Het is belangrijk voor de mensen die bij ons komen dat ze gratis hulp krijgen.’

  • De microwerker, het ultieme werkpaard

    De microwerker, het ultieme werkpaard

    Dankzij de smartphone kunnen we overal e-mails voor ons werk versturen. We kunnen documenten bewerken in de metro, in de wachtkamer of in het park terwijl de kinderen aan het spelen zijn. Is deze manier van gefragmenteerd werken een bevrijding of een nieuwe vorm van slavernij?

    De term ‘microwerken’, die aan het eind van de jaren 2010 opdook, beschrijft een trend waarbij je je tijd optimaal benut door tijdens de dagelijkse beslommeringen korte werksessies te doen op plekken die daar niet voor bedoeld zijn. We doen onbewust aan ‘microwerken’ als we een werkmail  beantwoorden bij de kapper of Slackberichten checken in het openbaar vervoer. Overal zie je microwerkers. Ze zitten met hun computer op schoot in het park, verbonden via 4G, of kijken documenten na op een bankje tijdens de dansles van de kinderen.

    ‘Met Google Drive hebben we toegang tot alles,’ zegt manager vastgoedbeheer Simon, die anoniem wil blijven. Hij is te vroeg voor een afspraak en verzendt tijdens het wachten ‘een e-mailsalvo’ in een café in Parijs. Aan een tafel naast hem is een groep architecten spontaan begonnen met vergaderen. Niemand realiseert zich waarschijnlijk dat ie aan het microwerken is. De term is nooit echt ingeburgerd geraakt, ondanks de inspanningen van vastgoedmensen die ervan overtuigd waren dat er een markt voor was. Hun idee was om overal microbureaus te installeren voor al deze microwerkers.

    Op de meest onverwachte plaatsen doken microwerkplekken op, zoals in de Monoprix des Ternes [een Franse winkelketen] in het noordwesten van Parijs, of in het stadhuis van het 17e arrondissement van de hoofdstad. De start-ups Weem en Kabin onder andere, kwamen op het idee om cabines voor telewerkers te ontwikkelen – geluidsdichte, aan elkaar gekoppelde cabines die het midden houden tussen een telefooncabine en een pasfotohok. Deze exemplaren werden uitgerust met software die advies gaf over hoe je je beter kon concentreren. Volgens die bedrijven zouden overal zulke cabines opduiken.

    Op 20 maart 2023 vond in het Théâtre Mogador in Parijs de Nacht van de Future of Work [Toekomst van Werk] plaats, waar bedrijven, start-ups en vastgoedbedrijven hun innovaties presenteerden. Geen woord meer over het fameuze microwerken. Weem had vier jaar geleden laten weten een ‘microwerkerskring’ op te zullen richten, met een aantal deskundigen die een witboek over deze praktijk op zouden stellen. Antropologe Fanny Parise zegt zich niet meer te kunnen herinneren dat ze aan het project zou meewerken – Weem werd enkele weken geleden opgeheven. Emmanuel Ratel, ex-directeur-generaal van Weem, herinnert zich dat de cabines die hij in Frankrijk had geplaatst, het meest werden gebruikt op het platteland, en dan niet zozeer als ‘expreswerkplek’, maar ‘als ontmoetingsplek’.

    Out of the box

    Wat Kabin betreft: hun plek in Monoprix des Ternes bestaat niet meer. ‘Het was misschien een beetje té disruptief,’ geeft oprichter Adrien Lemaire toe. Misschien is niet iedereen klaar voor microwerk in een cabine naast de vleesafdeling. Kabin wil nu in mei andere cabines gaan testen. Op dit moment zijn er vijf operationeel, verspreid over Parijs, in Levallois-Perret (Hauts-de-Seine) en in Luxemburg. Het stadhuis van het 17e arrondissement heeft van de renovatie van zijn hal gebruikgemaakt om het bedrijf te vragen zijn cabines opnieuw te installeren, zodat burgers die hun identiteitsbewijs komen vernieuwen, voor of na hun bezoek aan het loket, bijvoorbeeld aan een Zoomvergadering kunnen deelnemen.

    Rebels als ze zijn, volharden werkgevers in het out-of-the-box microwerken. SNCF, de Franse spoorwegmaatschappij, schiep 197 microwerkplekken in stationshallen voor reizigers die er tijdens het wachten een poosje kunnen werken. Maar volgens Gare & Connexions, dat de stations beheert, worden die vooral gebruikt gewone reizigers om hun batterijen op te laden. Ondertussen valt wel op hoeveel mensen op dit soort plekken aan het werk zijn, zittend aan een tafeltje in een café of restaurant, op een bankje of zelfs op de grond…

    Misschien schuilt de charme van het geïmproviseerde werken – in afwachting van iets of iemand – wel in het gevoel flexibeler te zijn dan je agenda. Misschien willen mensen die op deze gefragmenteerde manier werken zich niet van de wereld afsluiten in een ruimte waar de zintuigen worden uitgeschakeld. De app Coffitivity doet dit inderdaad vermoeden. Deze belooft ‘het geluidsbeeld van een café na te bootsen om de creativiteit te stimuleren’. Er zijn verschillende audio-omgevingen beschikbaar, zoals die van een café in Parijs. Kennelijk willen mensen graag werken op plekken die daar niet voor bedoeld zijn. Werknemers van het Amerikaanse bedrijf Buffer – die volledig op afstand werken – krijgen een tegemoetkoming in de kosten voor een co-werkplek en hebben ze recht op tweehonderd dollar per maand voor consumpties in het café van waaruit ze eventueel willen werken.

    ‘Nomadische werknemers werken overal en altijd’

    Nicolas Cochard, hoofd onderzoek en ontwikkeling van de Kardham Group en specialist in de werkomgeving, ziet een andere verklaring voor het feit dat cabines voor microwerk niet het verwachte succes hadden. Professionals van Future of Work hebben de neiging om het aantal mensen te overschatten dat werkt zoals zij. ‘Let op het elitaire karakter van dit soort trends die worden aangeprezen als universeel,’ waarschuwt hij. ‘Ons wordt wijsgemaakt dat ze zich als een lopend vuurtje verspreiden, maar in feite gaat het vooral om activiteiten van bepaalde groepen in de metropolen.’ En laten we wel wezen: werkcabines en microarbeid zijn handig voor het afronden van een PowerPoint, maar minder praktisch voor het storten van beton of het bakken van stokbroden. Trouwens, als het zou gaan leraren die in het café huiswerk nakijken of om vertegenwoordigers die in hun auto aan orders werken, zou niemand op het idee komen dat als ‘trendy’ te bestempelen.

    Broekzak

    Dankzij de technologie beweegt de werkplek tegenwoordig mee in de broekzak van de werknemer, merkte socioloog Yves Lasfargue al begin jaren 2000 op. Hij was een van de eersten die over nomadisch werken schreef. Degenen die dit ‘werken op onverwachte momenten van de dag’ willen formaliseren, zien daar volgens Nicolas Cochard vooral een bron van inkomsten in, zoals professionals in de hotel- of flexwerkbranche of in het kantoorvastgoed. Ze hopen de opbrengst van hun ruimte te kunnen maximaliseren door ze voor korte tot zeer korte periodes te verhuren. Microwerkers zijn echter gesteld op informaliteit. ‘Nomadische werknemers werken overal en altijd,’ aldus Cochard. Een cabine hebben ze niet nodig – oortjes of een koptelefoon zorgen voor afzondering, waar ze ook zijn.

    Elodie, een microwerker die weigert om zo genoemd te worden, leidt een bureau voor marketingonderzoek en heeft een hekel aan plaatsen die tot ‘werkplek’ worden bestempeld (ze blijft liever anoniem – haar klanten hoeven niet te weten dat ze e-mails vanuit de wachtkamer van de tandarts stuurt). ‘“Werkplek” herinnert me eraan dat ik aan het werk ben,’ zegt ze. Maar als ik in een wachtkamer ideeën noteer of in een coffeeshop de PowerPoint van een collega doorneem, kan ik, omdat dat werk geen naam en geen vaste plek heeft, mezelf wijsmaken dat ik niet werk. Het is een truc: vaker werken in het café om minder vaak te werken op kantoor.’

    Cochard merkt op hoe dit ‘lukrake’ werken de poreusheid van werk en privé accentueert. Het risico is dat je de hele tijd aan het werk bent als je elk vrij moment in je leven gebruikt om in te loggen, drie e-mails te versturen of een document te herlezen. In plaats van zich te beklagen over deze poreusheid, hebben ‘de Stakhanovisten van het vrije moment’ [een verwijzing naar Alexei Stakhanov die in de Sovjet-Unie de arbeidsproductiviteit wilde verhogen] eerder een gevoel van microtriomf: ze raken bijna bedwelmd door hun vermogen zich overal te concentreren. Uiteindelijk worden ze minder gestoord tijdens het werken vanaf de tribune in het zwembad, wachtend op het einde van de zwemles van de kinderen, dan op kantoor.

    Frédéric (die anoniem wenst te blijven) zegt dat hij zich erop toelegt om zo vroeg mogelijk op de luchthaven te arriveren als hij op reis moet, ‘om twee uur de tijd te hebben om te werken’. Deze directeur van een grote Franse onderneming beschrijft ook het plezier dat hij beleeft aan het werken in een taxi. ‘Daarin richt ik echt een kantoortje voor mezelf in.’ Files? Die beschouwt hij als een kans om nog van zijn tijd te profiteren. Deze mensen voelen zich slimmer omdat ze gebruikmaken van tijd die anders eigenlijk ‘verspild’ zou zijn – een beetje zoals iemand die stiekem zijn buikspieren traint tijdens een vergadering die maar eindeloos doorgaat.

    ‘We reageren, gewoon om ons te laten zien. Het gaat om “Hallo, ik ben er”’

    Het is geen toevallig fenomeen, signaleert de Amerikaan Cal Newport, auteur van het boek Deep Work. Finding focus in a world of distractions, waarin hij het belang van monotasking en werkuren zonder afleiding verdedigt. Alles is veranderd sinds productiviteit in de diensteneconomie een persoonlijke verantwoordelijkheid is geworden, zei hij tegen The New York Times. Je kunt niet meer zoals vroeger voor iedereen het werk organiseren. ‘Het probleem is dat wanneer productiviteit persoonlijk wordt, de druk bij individuen komt te liggen – zij moeten de spanning oplossen tussen de verschillende rollen die zij in hun leven spelen.’ Vandaar de verleiding om privéleven en werk tegelijkertijd te runnen. En om dus werkdocumenten door te nemen in afwachting van een schoolvoorstelling.

    Als je al die mensen ziet werken in de trein of in het café, denk je dat ze allemaal enorm goed werk zullen verzetten. Maar de productiviteit is niet enorm toegenomen sinds deze trend. Verre van dat. In plaats van microwerken ziet Cal Newport microagitatie. Nomadische digitale hulpmiddelen zorgen voor entropie en complicaties, zegt hij. Voor het behalen van eenzelfde resultaat vindt er nu meer uitwisseling en ge-heen-en-weer plaats, omdat dat overal en op elk moment mogelijk is. De overgang naar een volgende fase van het werkproces wordt vertraagd omdat je zelfs lopend kan vragen om een verduidelijking, een update en vervolgens een andere, en dan nóg een andere versie van een contractvoorstel. Voorheen waren voor de afronding slechts twee telefoongesprekken, de uitwisseling van een paar faxen nodig gevolgd door een mondeling ‘oké’.

    Cal Newport verklaart deze ontwikkeling als volgt: productiviteit is in veel van de huidige banen onmogelijk te meten en daarom vertrouwen we op ‘zichtbare activiteit’ om die te kunnen kwantificeren. Tot in de jaren 2000 bestond die uit lang op kantoor blijven. Tegenwoordig laat iemand zien dat ie aanwezig is door op vreemde tijden en overal vandaan e-mails te sturen. ‘We reageren, gewoon om ons te laten zien. Het gaat om “Hallo, ik ben er”,’ geeft de logistieke manager van een bank toe.

    In feite voelen we nu een zekere trots als we kunnen zeggen dat we ons werk hebben afgemaakt vanuit een stoeltjeslift of tijdens het verjaardagsfeestje van de kinderen. Niemand zegt: ‘Weet je waar ik dat gouden idee kreeg? Op kantoor!’

  • Zal AI in de toekomst leiden tot hogere belastingen?

    Zal AI in de toekomst leiden tot hogere belastingen?

    De arbeidsmarkt krijgt binnenkort een heel ander aanzien door de razendsnelle opkomst van kunstmatige intelligentie. Wereldwijd kunnen er honderden miljoenen banen verdwijnen. Een verhoging van de vermogens- en winstbelasting zou weleens onvermijdelijk kunnen zijn.

    De Verenigde Staten zijn nog steeds onomstreden koploper op het gebied van technologische innovatie. Door de aanhoudende dominantie van de ‘Magnificent Seven’ – Alphabet, Amazon, Apple, Meta, Microsoft, Nvidia en Tesla – is de Amerikaanse toppositie in de technologiesector verstevigd en hebben andere economieën moeite om aan te haken.

    Kijk naar de Europese Unie: 381 miljard euro bedroegen in 2023 de totale bruto interne uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling door overheden, bedrijven, onderwijsinstellingen en ngo’s. Dat komt ongeveer overeen met de 350 miljard dollar aan herinvesteringen die de zeven toonaangevende Amerikaanse technologiebedrijven alleen al in 2024 deden. 

    De invloed van de tech-boom op de mondiale financiële markten is ondertussen ingrijpend. Het aandeel van de sector bedraagt bijna 30 procent van de S&P 500 – meer dan de twee daaropvolgende grootste sectoren (de S&P 500 is een index die door zijn brede samenstelling een betrouwbaar beeld geeft van de ontwikkelingen op de Amerikaanse aandelenmarkt). Deze extreme concentratie, die voortkomt uit stijgende waardebepalingen van de Magnificent Seven, heeft twee tegengestelde effecten: de animo van investeerders stijgt erdoor, maar tegelijkertijd nemen de zorgen over mogelijke risico’s toe.

    Optimisten en sceptici

    Al met al is het geen wonder dat er een hevig debat woedt over de snelle ontwikkeling van kunstmatige intelligentie: hoe de verstorende effecten te beheersen? Je hebt tech-optimisten die denken dat AI uiteindelijk goed zal zijn voor de werkgelegenheid. Ze wijzen op eerdere technologische omwentelingen. Weliswaar maakten die sommige arbeid overbodig door automatisering, ze leidden ook tot nieuwe bedrijfstakken en beroepen die het banenverlies ruim compenseerden en in één moeite door de productiviteit en economische groei stimuleerden.

    De optimisten hebben misschien een punt. Aan het begin van de twintigste eeuw werkte 40 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking in de landbouw. Nu is dat aandeel nog geen 2 procent. Toen het werk in de agrarische sector verdween, konden de mensen die brodeloos waren geworden terecht in nieuwe bedrijfstakken, die de ruggengraat van de moderne economie zouden gaan vormen. Het opvallendste voorbeeld is de dienstensector, die bijna 80 procent van de werkgelegenheid uitmaakt, tegen slechts 20 procent in de voorheen toonaangevende productie- en bouwsector tezamen.

    Er zijn echter ook tech-sceptici – met name onder beleidsmakers – die het niet zo rooskleurig inzien voor de werkgelegenheid. Ze vrezen dat AI een tijdperk van toenemende werkloosheid zal inluiden, waarbij steeds meer mensen overbodig worden in het arbeidsproces en de economische winst voornamelijk naar kapitaalbezitters vloeit.

    ‘wereldwijd staan arbeidsmarkten op het punt diepgaand te veranderen door AI’

    Goldman Sachs komt met wel heel verontrustende cijfers: volgens de bank kunnen door AI wereldwijd 300 miljoen voltijdsbanen verdwijnen. Het World Economic Forum is duidelijk optimistischer: dat voorspelt dat er 83 miljoen banen verloren gaan, maar 69 miljoen bij komen. Een nettoverlies dus van 14 miljoen banen, of slechts 2 procent van de huidige werkgelegenheid in bedrijfstakken die met AI te maken hebben.

    Eén ding staat vast: wereldwijd staan arbeidsmarkten op het punt diepgaand te veranderen door AI. Massale werkloosheid in de technologiesector zou de ongelijkheid kunnen vergroten, vooral tussen kapitaalbezitters en de miljoenen nieuwe werklozen. 

    Belastingen

    Ondertussen dient zich een dringende vraag aan: zullen de huidige winsten door AI leiden tot hogere belastingen in de toekomst? Beleidsmakers moeten immers nieuwe inkomstenbronnen zien aan te boren, willen ze de effecten van het banenverlies verzachten, sociale onrust voorkomen en essentiële overheidsdiensten, zoals nationale veiligheid, onderwijs, gezondheidszorg en infrastructuur behouden. Sommige overheden zien zich wellicht gedwongen om gaten in de begroting te dichten door de belastingen op de meest winstgevende sectoren te verhogen.

    Dat krijgen bedrijven en investeerders dan op hun bord, aangezien beleidsmakers zullen proberen de winst die voortkomt uit automatisering te herverdelen. Twee aspecten zijn van belang: ten eerste zijn bedrijven het primaire doelwit van belastingverhogingen, aangezien de fiscale basis krimpt vanwege banenverlies door technologische innovatie. In de tweede plaats kan de consumentenvraag dalen door lagere werkgelegenheid en minder besteedbaar inkomen, met nadelige gevolgen voor de economische groei.

    Hierdoor komen ondernemers in een lastig parket. Om belastingverhogingen te voorkomen, moeten ze de fiscale basis in stand houden en dus zorgen voor hoge werkgelegenheid. Maar hogere efficiëntie en meer winst bereik je alleen via automatisering – met het gevaar van hogere vennootschapsbelasting en een zwakkere consumentenvraag.

    Op korte termijn zal automatisering leiden tot meer efficiëntie en hogere winstmarges. Na verloop van tijd zullen deze winsten waarschijnlijk worden verminderd door hogere vennootschaps- en vermogensbelasting, aangezien overheden op zoek moeten naar nieuwe inkomsten om een universeel basisinkomen te financieren, dat essentieel is voor het waarborgen van de levensstandaard en het behouden van economische en sociale stabiliteit.

    Als de door AI veroorzaakte werkloosheid en extreme ongelijkheid niet worden aangepakt, kunnen ze grote schade toebrengen aan het sociale weefsel dat markten nodig hebben om te functioneren. Overheden zullen dan misschien genoodzaakt zijn de belastingen te verhogen, zodat de voordelen van automatisering niet ten koste gaan van de sociale cohesie op de lange termijn.

    Dambisa Moyo, internationaal econoom, schreef vier New York Times-bestsellers, waaronder Edge of Chaos: Why Democracy Is Failing to Deliver Economic Growth – and How to Fix It (Basic Books, 2018).

  • Te midden van de oorlog in Gaza vinden mensen een houvast in freelancen

    Te midden van de oorlog in Gaza vinden mensen een houvast in freelancen

    Met haperend internet en gebrekkige elektriciteit zoeken deze Palestijnen hun heil in coworkingruimtes, waar ze ondanks de Israëlische aanvallen hoop vinden.

    Het kostte meer dan twintig minuten en acht afgebroken WhatsAppgesprekken voordat we eindelijk contact hadden met Farida Algoul in Gaza. De internetverbinding is nergens in het gebied betrouwbaar, ook niet in de provisorische coworkingruimte in de stad Deir al-Balah, van waaruit zij en zo’n vijftig anderen werken. Als bevoegd lerares Engels verdeelt Algoul haar tijd tussen een geïmproviseerd klaslokaal in een tent, waar ze gratis lesgeeft, en een tafel in dit tot werkruimte omgebouwde café, waar ze documenten van het Arabisch naar het Engels vertaalt. Op het korrelige beeld zijn naast haar andere freelancers aan het werk te zien, die noodgedwongen naar de stad in Centraal-Gaza zijn verhuisd. Allemaal strijden ze om de felbegeerde internetverbinding.

    Algoul brengt zes uur per dag door in deze werkruimte, waar ze opdrachten uitvoert die ze binnenkrijgt via Upwork, een marktplaats voor freelance werk. Het is een van de drie gratis werkplekken die zijn opgezet door Hope Hub, een initiatief dat een paar maanden na het begin van de Israëlische aanvallen op Gaza werd opgezet in een tent in Rafah. Ze verdient 200 dollar per maand, waarvan Upwork 10 procent inhoudt en geldwisselkantoren nog eens 20 tot 30 procent.

    Verwoesting

    ‘Alles om ons heen is verwoest’, zegt Algoul. ‘Dit heeft de economische kansen voor mensen in Gaza verkleind. Ik ben al acht maanden op zoek naar een baan. Ik ben in mijn eentje geëvacueerd, zonder mijn ouders. Ik had geen inkomen waarmee ik mezelf kon onderhouden. Nu klap ik gewoon mijn laptop open en ga aan het werk als freelancer.’

    Algoul heeft, net als veel anderen, qua werk weinig andere opties. De zeventien jaar durende land- en zeeblokkade van Gaza door Israël heeft de economische mogelijkheden in de Gazastrook lange tijd beperkt, een van de redenen waarom ten minste 12.000 werkenden in het gebied zich hebben gewend tot online freelance werk om in hun levensonderhoud te voorzien, volgens de VN. Als gevolg van de Israëlische bombardementen na 7 oktober 2023 op de toch al bezette Gazastrook zijn er bijna geen banen meer, volgens een schatting van de Internationale Arbeidsorganisatie.

    Ondertussen heeft een jaar van luchtaanvallen de infrastructuur van Gaza gedecimeerd, waardoor de twee zaken waarvan freelancers afhankelijk zijn – een goede internetverbinding en betrouwbare elektriciteit – moeilijk te krijgen zijn. Als het internet al werkt, is het traag of instabiel; de stroom valt om de haverklap uit.

    ‘Problemen van dit kaliber ervaart niemand in de hele wereld. Deze situatie heb je alleen in Gaza’

    En dan is er nog de kwestie van hun veiligheid. Algoul en andere werkenden die met The Guardian spraken, zeggen dat ze een aanzienlijk risico nemen wanneer ze zich op straat begeven om naar coworkingruimtes of provisorische internethotspots te gaan. ‘Werknemers in Gaza leven in constante angst voor luchtaanvallen,’ aldus Algoul, die het afgelopen jaar driehonderd familieleden heeft verloren. ‘Problemen van dit kaliber ervaart niemand in de hele wereld. Deze situatie heb je alleen in Gaza.’

    Voordat Algoul meer kan zeggen, wordt ze onderbroken door een plotseling rumoer om haar heen. Ze zegt dat ze het gesprek moet afbreken. Delen van de stad worden gebombardeerd en iedereen in de coworkingruimte moet vertrekken. Algoul, die geëvacueerd is uit het noorden van Gaza en haar ouders heeft achtergelaten, weet niet waar ze heen moet. Maar het komt wel goed, zegt ze zelfverzekerd. Ze is alleen bezorgd om de veiligheid van de kinderen aan wie ze lesgeeft. ‘Het valt niet mee om onder deze omstandigheden te werken,’ zegt ze. ‘Ik weet niet of ik over één minuut nog leef, of dat ik dan een martelaar zal zijn.’

    Wanneer Waleed Iky met potentiële klanten praat op Upwork of Mostaql, een populair freelanceplatform in het Midden-Oosten en Noord-Afrika, vertelt hij er niet altijd bij dat hij in Gaza woont. Iky, een ondernemer die een eenmansmarketingbedrijf is begonnen, zegt dat hij zich zorgen maakt dat klanten zijn situatie of zelfs zijn achtergrond als een risico zien. ‘Het is soms riskant voor bedrijven om met ons te werken,’ zegt hij. ‘Soms weten de klanten ervan en steunen ze ons. En anders beginnen we er niet over. We proberen ervoor te zorgen dat het ons werk niet beïnvloedt.’

    Overleven

    Verstoringen van het werk zijn onvermijdelijk, zegt Iky. Hij studeerde krap twee maanden voor het begin van de oorlog af aan de Islamitische Universiteit van Gaza (IUG) en moest gedurende de eerste vijf maanden van de Israëlische aanval telkens evacueren naar steden waarvan hem en zijn familie was verteld dat ze veilig zouden zijn voor luchtaanvallen. Een van die steden, Al-Zahra, werd om hem heen kapotgebombardeerd. ‘Ze hebben de hele stad verwoest,’ vertelt hij. ‘Vierentwintig gebouwen stortten voor onze ogen in. Voor mijn familie was het een zware nacht.’

    In die paar maanden richtten Iky en zijn gezin zich puur op overleven. Zijn bedrijf hervatten was het laatste waar hij aan dacht. Maar nu werkt hij, net als Algoul, vanuit de werkplek van Hope Hub. Momenteel heeft hij via Upwork twee klanten voor wie hij de marketing doet.

    Het is gevaarlijk om deze tenten waar veel freelancers zich schuilhouden te verlaten. Je weet vaak niet wanneer of waar er bommen zullen vallen, of er op je geschoten zal worden of dat je op een andere manier wordt aangevallen. Maar voor Iky is het beter dan zitten wachten tot de volgende bom afgaat. ‘Ik heb besloten om weer online te gaan,’ zegt hij. ‘Toen ik weer aan het werk ging, ging mijn mentale gezondheid erop vooruit. Thuisblijven en niets doen, niet doen waar je van houdt, is verschrikkelijk. Liever werk ik en riskeer ik daarmee mijn leven dan dat ik thuisblijf.’

    Voor veel klanten is het business as usual; veel oog voor de omstandigheden waaronder de mensen die in Gaza hun werk moeten doen hebben ze niet. Zo vroeg een potentiële klant aan Iky of hij voor een Israëlische organisatie wilde werken. Toen hij zei dat hij dat niet wilde, besloten ze hem niet in te huren. Anderen bieden weinig flexibiliteit rond de deadlines die ze stellen voor de projecten die hij aanneemt. ‘Soms zitten ze in het buitenland en begrijpen ze niet in welk gevecht wij verwikkeld zijn,’ aldus Iky.

    In een poging niet te veel elektriciteit te verbruiken laden de freelancers hun laptop om de beurt op

    In een poging niet te veel elektriciteit te verbruiken laden de freelancers hun laptop om de beurt op. Na een uur opladen kan Iky vier tot vijf uur werken. Als er geen elektriciteit is, probeert hij zijn klanten updates te sturen via WhatsApp of gaat hij naar een café in de buurt en betaalt hij voor de internetverbinding.

    En als het ze lukt om te werken, dan nog hebben veel freelancers moeite om bij hun geld te komen. Bankfilialen en geldautomaten zijn verwoest, PayPal is gestopt met zijn diensten aan Palestijnen in de bezette gebieden en wisselkantoren vragen een vergoeding van 15 tot 30 procent, afhankelijk van de vraag. Iky, een van de weinigen met een bankrekening, kiest er vaak voor om te wachten met geld opnemen om exorbitante kosten te vermijden.

    Iky is een van de ruim 1300 freelancers en studenten die gebruikmaken van de flexibele werkruimtes van Hope Hub in Gaza, Egypte en sinds kort ook Libanon. De uit Gaza afkomstige Salah Ahmad en zijn medeoprichter Fady Issawi lanceerden het initiatief in januari 2024. Hoewel er sindsdien ook andere coworkingruimte zijn geopend, was Hope Hub de eerste die van start ging tijdens de oorlog en het is nog steeds een van de weinige die gratis te gebruiken is. Vanwege de beperkte middelen verdeelt Hope Hub de dag in vier shifts: de eerste voor telewerkers, de tweede en derde voor freelancers en de laatste voor studenten.

    Ahmad werkt al minstens vier jaar met freelancers. In 2020 opende hij zijn eerste coworkingruimte, die in samenwerking met internationale universiteiten en organisaties mentorschap en training aanbood voor werknemers op afstand. Maar na 7 oktober werd hij, net als honderdduizenden andere Palestijnen, gedwongen zijn leven en zijn dromen achter te laten. Het gebouw dat ooit zijn ruim 1000 vierkante meter grote werkruimte huisvestte, werd twee keer getroffen door luchtaanvallen, zegt hij; daardoor werd het bedrijf dat hij met zijn team had opgebouwd volledig vernietigd. Video’s van het kantoor van voor en na de bombardementen laten puin en verbrijzeld glas zien op de plek waar zich voorheen strakke en moderne vergaderzalen en cafés bevonden. Ahmad sloeg vier keer op de vlucht, voordat hij uiteindelijk Rafah bereikte, waarvan hem en anderen was verteld dat het een veilig gebied zou zijn.

    Hope Hub

    Daar, in het vluchtelingenkamp Tal al-Sultan, richtte hij vanuit een tent samen met vijf anderen Hope Hub op. Hij wilde mensen helpen hun bedrijf weer op te starten, of op zijn minst iets te vinden om de tijd mee te verdrijven en het gezoem van de drones om hen heen te verdringen. ‘Veel mensen vinden het heel moeilijk om niets anders te doen dan wachten, in een gebied dat elke minuut gebombardeerd wordt. Dan zit je gewoon te wachten tot je bij de volgende bom doodgaat,’ vertelt hij. ‘Maar wij proberen juist te overleven.’

    Issawi en hij begonnen fondsen te werven om Hope Hub uit te breiden. Ze zochten naar de meest rendabele manier om aan elektriciteit te komen in zo’n penibele situatie. Ze huurden een voormalig café en kochten zonnepanelen, tafels en stoelen. Toegang tot internet was moeilijker te regelen. De belangrijkste telecomprovider van Palestina, Paltel, was op dat moment niet operationeel. De kantoren en 80 procent van de vijfhonderd zendmasten waren verwoest. Ahmad was in het begin afhankelijk van een draadloze verbinding van een lokale provider die zich richtte op internationale hulporganisaties in Gaza. Het was duur en ingewikkeld, vertelt hij. ‘Het werd op dat moment niet gestimuleerd om mensen of projecten van internet te voorzien, omdat internetnetwerken het doelwit waren [van Israël],’ zegt hij.

    Na drie maanden afhankelijk te zijn geweest van instabiel draadloos internet en na meerdere gesprekken met het Palestijnse ministerie van Communicatie en Digitale Economie slaagde Ahmad erin om snelle internetlijnen van Paltel te bemachtigen. Hope Hub opende in april een tweede locatie in Deir al-Balah en in mei een derde in Khan Younis. Eind mei begon Israël evenwel aan de invasie van het als veilig bestempelde Rafah. Het café waar de eerste Hope Hub-locatie was gevestigd, werd verwoest en Ahmad moest opnieuw evacueren. ‘We konden onze apparatuur nog redelijk ongeschonden meenemen, maar de eigenaar [van het café] was alles kwijt,’ vertelt hij.

    Nu de winter eraan komt, zullen de zonnepanelen die Hope Hub van stroom voorzien minder opleveren

    In de locaties van Hope Hub die nu nog overeind staan, is de elektriciteitsvoorziening nog altijd beperkt en is de internetverbinding, hoewel sneller dan elders in Gaza, nog steeds instabiel. Nu de winter eraan komt, zullen de zonnepanelen die Hope Hub van stroom voorzien minder opleveren.

    Othman Shbeir zou vorig jaar afstuderen in computerwetenschappen aan de IUG. Maar de colleges werden maandenlang uitgesteld. Nu loopt hij elke dag twee uur naar Hope Hub, waar hij online college volgt. Er is geen plek dichter bij zijn woonplaats waar hij zijn studie kan afmaken. ‘Het is de enige keuze die ik heb,’ zegt Shbeir. ‘Ik moet dit doen omdat we geld nodig hebben. We leven in een rampzalige situatie met hoge prijzen. We moeten in ons eigen levensonderhoud voorzien. We moeten onze levensdoelen blijven halen. Het leven stopt niet voor ons. Het leven is niet gestopt met de oorlog, het leven moet doorgaan.’

    Er zijn veel gebieden waar helemaal geen coworkingruimtes zijn. Daar wenden studenten zich tot internetcafés of scharen zich rond wat zij ‘straatinternet’ noemen – een provisorische hotspot midden op straat waar ze per uur voor betalen. Ze zitten in de open lucht en lopen daarmee het risico om beschoten te worden, terwijl ze hun opdrachten maken of onlinecolleges volgen.

    Shbeir heeft meer vragen dan antwoorden. Hij weet niet wanneer hij kan afstuderen.

    Hij weet niet of hij aangevallen zal worden terwijl hij naar Hope Hub loopt. Hij weet niet of hij een baan zal vinden als hij eenmaal is afgestudeerd. Maar hij weet dat hij moet afstuderen om een baan te krijgen. Hoewel hij al meerdere stages heeft gelopen, zijn lokale organisaties die datawetenschappers zoals hij nodig hebben, niet bereid om iemand zonder diploma aan te nemen.

    Veerkracht

    Andere studenten in Gaza hebben met dezelfde obstakels te maken. Aya Esam zit in het laatste jaar van haar studie tandheelkunde. Maar als student moeten zij en haar klasgenoten eerst het praktijkgedeelte afmaken voordat ze kunnen afstuderen. Ze weten niet wanneer het veilig genoeg zal zijn voor de universiteit om fysieke praktijklessen te geven of wanneer ze Gaza kunnen verlaten om elders hun opleiding af te ronden. ‘Het is moeilijk om grote dromen te hebben in Gaza,’ zegt Esam. ‘Als mens heb ik in dit leven het recht om mijn studie af te maken. Vroeger droomde ik over mijn toekomst.’

    Bij deze toekomstige generatie computerwetenschappers, dokters en freelancers hebben ambities plaatsgemaakt voor zorgen over de vraag waar ze hun volgende maaltijd vandaan moeten halen, zegt Algoul. Voor veel van de vijftig studenten in de onderwijstent die ze heeft opgezet, is Engels leren een kwestie van overleven. Ze willen een beroep kunnen doen op mensen in het buitenland om voedsel te sturen of geld te doneren, zegt ze. Toch geeft ze niet op. ‘Ondanks alles, wallah, blijf ik manieren vinden die hoop en veerkracht bieden, niet alleen voor mezelf maar ook voor de mensen om me heen,’ zegt ze. ‘We zullen de wereld laten zien wat veerkracht betekent.’

  • Gaan we allemaal aan de zesdaagse werkweek?

    Gaan we allemaal aan de zesdaagse werkweek?

    Voor de burgers in alle rijke landen geldt: willen ze hun huidige levenskwaliteit behouden, dan moeten ze ofwel de grenzen openzetten voor migranten of zelf meer gaan werken.

    Een van de meest vreugdevolle herinneringen aan mijn Griekse jeugd betreft de dag waarop bekendgemaakt werd dat de schoolweek (evenals de werkweek) werd ingekort van zes naar vijf dagen. En omdat het me bijstaat dat mijn landgenoten destijds even blij waren met dat nieuws als ik, was ik verrast dat er nu een nieuwe wet is aangenomen die werkgevers in verschillende sectoren weer toestaat hun werknemers een zesdaagse werkweek op te leggen.

    Dat is om tal van redenen een verrassende stap. Ten eerste gaat dit regelrecht in tegen de algemene trend naar meer flexibele werktijden en een betere balans tussen werk en privé. In diverse geavanceerde economieën (België, Singapore en het Verenigd Koninkrijk) heeft de regering juist een kortere werkweek aangekondigd, en in andere landen (Duitsland, Japan, Ierland, Zuid-Afrika en Spanje) wordt deze overwogen. 

    Ten tweede staan Grieken erom bekend dat ze veel belang hechten aan de balans tussen werk en privéleven, en hebben ze nu al een langere werkweek dan andere Europeanen. Gemiddeld werkt een Griekse werknemer 39,8 uur per week, waar het gemiddelde in de hele EU 36,1 uur bedraagt.

    Ten derde maakt het huidige Griekse kabinet zich weliswaar vooral sterk voor het bedrijfsleven en economische groei, maar is het in het verleden ook opgekomen voor de rechten van vrouwen – een doelgroep die juist te lijden zal krijgen onder langere en minder flexibele werktijden. Bovendien heeft deze regering laten zien dat ze haar beleid wil baseren op wetenschappelijk inzicht, en onderzoek wijst uit dat juist een kortere werkweek en een meer evenwichtige levensstijl resulteren in meer tevredenheid, een betere gezondheid en uiteindelijk een grotere productiviteit van werknemers.

    Tikkende tijdbom

    Waar komt deze ommezwaai dan vandaan? Zelf omschrijft de regering deze als een ‘buitengewone maatregel’, wat we allemaal herkennen als een eufemisme voor ‘laatste redmiddel’. Zoals veel hoge-inkomenslanden kampt Griekenland met een acuut personeelstekort. In Griekenland is dat extra nijpend door de grote uitstroom van arbeidskrachten na de financiële crisis van 2010 (toen naar schatting vijfhonderdduizend Grieken, 5 procent van de huidige bevolking, het land verlieten), maar het is niet het enige land met zo’n tekort.

    Kern van het probleem zijn de lage geboortecijfers en de vergrijzing, demografische ontwikkelingen die de Griekse regering met recht een ‘tikkende tijdbom’ noemt. Door de toegenomen rijkdom verwachten de burgers een steeds betere levenskwaliteit en een betere balans tussen werk en privé, maar het arbeidsaanbod groeit niet mee doordat er steeds minder mensen in de werkende leeftijd zijn.

    Hogere lonen leiden automatisch tot hogere consumentenprijzen, en daarmee maakt een regering zich niet populair

    Hoe moet een geavanceerde economie met dit probleem omgaan? Vier mogelijkheden dienen zich aan. De eerste is inzetten op automatisering, vanuit de gedachte dat machines, robots en kunstmatige intelligentie uiteindelijk de plaats van de ontbrekende werknemers kunnen innemen. Maar niet alle soorten werk kunnen worden uitgevoerd door een machine of een groot taalmodel. We hebben nog steeds mensen nodig voor veel van het minst gewilde, laaggeschoolde werk in de bouw, de voedselindustrie en de horeca.

    De tweede optie is het verhogen van de beloning voor werk. Een elementaire economische wet luidt dat als de vraag groter is dan het aanbod, de prijzen (in dit geval de lonen) stijgen. Maar hogere lonen leiden automatisch tot hogere consumentenprijzen, en daarmee maakt een regering zich niet populair, zeker niet in een tijd waarin de inflatie al zo veel zorgen baart. Bij een kleine open economie als die van Griekenland zouden hogere lonen en prijzen bovendien slecht zijn voor de internationale concurrentiepositie van het land.

    Vijfde optie

    De derde optie is de werknemers in een geavanceerde economie vragen om meer te gaan werken, zoals Griekenland nu gedaan heeft. Dat lijkt misschien in te gaan tegen de algemene trend naar een kortere werkweek, maar verschilt eigenlijk niet zoveel van het verhogen van de pensioenleeftijd, een maatregel waartoe verschillende andere landen (Denemarken, Frankrijk, Duitsland) al zijn overgegaan. In beide gevallen is het een beleidsbeslissing die bij werknemers zeer slecht valt. En in beide gevallen lieten die werknemers blijken dat ze liever afzagen van de inkomensverhoging (in Griekenland gaat de zesde werkdag gepaard met een loontoeslag van veertig procent) dan dat ze meer gingen werken.

    Dan resteert de vierde optie: verhoging van het arbeidsaanbod door in te zetten op gecontroleerde, wettige immigratie. Regio’s die zuchten onder een vluchtelingencrisis en illegale immigratie (zoals het grootste deel van Europa en de Verenigde Staten) kunnen met een weldoordacht immigratiebeleid twee vliegen in één klap slaan. Alleen lijkt zulk beleid momenteel uitgesloten. Met de versplintering van de geopolitieke wereldorde en de groeiende zorgen om nationale veiligheid hebben landen steeds meer de neiging de grenzen te sluiten en zich naar binnen te keren.

    De meeste mensen willen op dezelfde voet doorleven zonder meer te werken. Dat gaat niet

    Zo blijkt maar weer dat in een geglobaliseerde wereld de scheidslijn tussen binnenland en buitenland dun is. Problemen die zich voordoen in andere delen van de wereld, hebben verstrekkende gevolgen voor binnenlandse aangelegenheden, zoals in dit geval de arbeidsmarkt.

    Er is natuurlijk ook nog een vijfde optie: dat de burgers in de rijke landen een rem zetten op hun consumptie en economische groei en alleen nog leven van de vruchten van de arbeid die ze zelf willen leveren. Ook zo kunnen ze op een duurzame manier komen tot de balans tussen werk en vrije tijd waarnaar ze verlangen. Alleen zijn weinig mensen daartoe bereid. 

    De meeste mensen willen op dezelfde voet doorleven zonder meer te werken. Dat gaat niet. Om hun huidige levenskwaliteit te behouden, zullen de burgers van hoge-inkomenslanden ofwel hun grenzen moeten openstellen voor immigranten of zelf meer moeten werken. In het licht van de internationale spanningen lijkt de slinger momenteel in de richting te slaan van meer werken, of dat nu bereikt wordt met verhoging van de pensioenleeftijd of een langere werkweek. Griekenland zou weleens eerder een trendsetter dan een trendbreker kunnen zijn.

  • Amazon eist van medewerkers dat ze fulltime naar kantoor terugkeren

    Amazon eist van medewerkers dat ze fulltime naar kantoor terugkeren

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Iran: president Pezeshkian belooft zedenpolitie aan banden te leggen

    » Myanmar: dodental als gevolg van overstromingen stijgt naar 226

    Sinds de coronapandemie werken veel mensen nog op afstand

    De baas van het Amerikaanse megabedrijf Amazon, Andy Jassy, waarschuwde maandag werknemers van zijn administratieve diensten dat zij vanaf januari moeten stoppen met thuiswerken. Zoals veel giganten in de technologiesector had het Amerikaanse bedrijf geaccepteerd dat zijn werknemers tijdens de covid-19-pandemie op afstand werkten en ondervond het moeilijkheden toen het hen fulltime naar kantoor wilde laten terugkeren.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Amazon eiste in februari 2023 al dat werknemers ten minste drie dagen per week op kantoor aanwezig zijn. Eén medewerker vertelde The Seattle Times dat werknemers ‘verrast’ waren door het besluit en dat sommigen op maandag ‘de mogelijkheid hadden geopperd om te gaan staken en acties te ondernemen’ als protest tegen de afschaffing van thuiswerken.

  • Onderzoek: vakantie heeft geen blijvend effect bij burn-out

    Onderzoek: vakantie heeft geen blijvend effect bij burn-out

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Californië wil bosbranden voorkomen door brand te stichten

    » Hongkong: ‘systematische’ intimidatie van grote groep journalisten

    Na twee tot vier weken is het vakantie-effect verdwenen

    Uit een meta-analyse gepubliceerd in het Journal of Occupational Health blijkt dat vakantie een lichte vermindering van burn-out en werkgerelateerde aandoeningen tot gevolg heeft. Maar de effecten nemen af zodra werknemers weer een voet op kantoor zetten, totdat ze na twee tot vier weken volledig verdwenen zijn, stellen de onderzoekers van onder meer de Radboud Universiteit vast.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Psychologen beschrijven burn-out als een aanhoudend gevoel van uitputting en vervreemding van het werk. De WHO beschouwt het als een beroepsfenomeen en niet als een psychische aandoening. ‘Dit betekent niet dat het minder belangrijk is, alleen dat het niet te wijten is aan een interne aandoening van een individu. Het ligt niet aan jou, het ligt aan je baas’, schrijft El País die het onderzoek aanhaalt. De WHO schat dat er elk jaar 12 miljard werkdagen verloren gaan door depressie en angststoornissen, wat de wereldeconomie bijna een biljoen dollar kost. ‘Niet alle gevallen zijn zo extreem, er zijn mensen die geen burn-out hebben, die niet depressief zijn, die gewoon niet willen werken’, concludeert de Spaanse krant.

  • Canada draait de duimschroeven aan voor buitenlandse werknemers

    Canada draait de duimschroeven aan voor buitenlandse werknemers

    Lees ook het andere nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Amerikaanse verkiezingen: Trump dreigt debat met Harris op ABC News over te slaan

    » VN-chef geeft noodsignaal af wegens zeespiegelstijging Stille Oceaan

    Aanleiding voor de maatregelen is de werkloosheidsstijging

    Na jaren van wat werd gezien als een zeer open immigratiebeleid, is Ottawa van plan om ‘de toelatingscriteria aan te scherpen om het aantal buitenlandse werknemers […] in banen met lage lonen te verminderen’, meldt Radio-Canada. Premier Justin Trudeau legde maandag uit dat door de inflatie de situatie niet meer dezelfde is als twee jaar geleden en dat Canada niet zoveel buitenlandse arbeidskrachten nodig heeft.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De nieuwe regels omvatten een herinvoering van het verbod op het afgeven van tijdelijke werkvergunningen aan buitenlandse werknemers voor laagbetaalde banen in steden waar de werkloosheid 6 procent of hoger is. Het land kende onlangs zijn sterkste demografische groei in meer dan een halve eeuw dankzij immigratie. Maar het werkloosheidscijfer is het afgelopen jaar gestegen naar 6,4 procent.

  • Dossier: Ontwerken

    Dossier: Ontwerken

    Na het industriële tijdperk leven we nu met een post pandemische arbeidsmarkt waarin een duidelijke scheiding is aangebracht tussen essentiële beroepen en de rest.

    In het dossier Ontwerken:

    1. Hoeveel werk volstaat, en waarvoor?
    2. De kunst van het niksen

  • Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Waarom werken we eigenlijk? ‘Het leven draait om meer dan succes en productie’

    Sinds werknemers tijdens de pandemie de lusten (en lasten) van het thuiswerken hebben leren kennen, willen miljoenen mensen niet meer terugkeren naar hun kantoorbaan. Er staat een revolutie op de arbeidsmarkt voor de deur.

    De coronapandemie mag dan officieel voorbij zijn, maar als een reeks wissels op het spoor heeft ze tal van levens totaal verschillende richtingen op gestuurd. Miljoenen mensen keren niet meer terug naar hun arbeidsroutine van vóór de pandemie. Dit dwingt zowel werkgevers als werknemers om nieuwe modellen te bedenken die aan hun veranderende behoeften voldoen. Uit al die probeersels met hybride modellen rijst een cruciale vraag op: hoeveel werk volstaat?

    Solliciteren

    Thomas Edison zou in de jaren 1920 sollicitanten een kom soep voor hun neus gezet hebben met zout en peper ernaast. Als ze de soep op smaak brachten voordat ze een hap namen, werden ze afgewezen: hij wilde niet dat mensen die hij in dienst nam zich door aannames lieten leiden.

    De soeptest wordt niet meer gebruikt, maar generaties werkzoekenden bereiden zich nog altijd voor op de klassieke verwachtingen waaraan zij denken te moeten voldoen. Je moet je opdoffen. Je moet doen alsof projectmanagement, of data-entry, of telemarketing je enige echte passie is. Je moet een antwoord hebben op stompzinnige vragen als: beschrijf jezelf in één zin. Of noem je grootste zwakte. Uit een onderzoek uit 2017 bleek dat 73 procent van de sollicitanten zegt dat het zoeken naar een baan een van de stressvolste ervaringen in hun leven is. Het is daarom steeds gebruikelijker dat sollicitanten vooraf een lijst met interviewvragen krijgen, zodat kandidaten doordachte antwoorden kunnen geven. ‘Een sollicitatiegesprek moet niet onnodig eng of moeilijk zijn en het moet niemand opzettelijk laten struikelen,’ zeggen hr-managers.

    The Wall Street Journal meldt dat meer docenten studenten helpen met ­elementaire basisvaardigheden, zoals sollicitatiebrieven schrijven en mensen bij hun naam noemen als ze met hen praten. Ze hopen dat deze cursussen de generatiekloof zullen helpen overbruggen en de scholieren zullen helpen bij het voeren van een geslaagd sollicitatiegesprek.

    De postpandemische veranderingen en experimenten kunnen in ieder geval in ontwikkelde landen leiden tot een revolutie op de arbeidsmarkt die niet meer is vertoond sinds de industriële revolutie, toen de overgang van landbouw naar fabriekswerk diepgaande veranderingen in werkomgeving, arbeidstijden en loon tot gevolg had. De huidige veranderingen kun je op twee niveaus bekijken. Op macroniveau ontstaat er geleidelijk een nieuwe balans tussen werk en privé. Met de nadruk op ‘geleidelijk’, zoals het ook een halve eeuw aan arbeidsconflicten, vakbondsacties en bedrijfsexperimenten duurde voordat de werkdag in de Verenigde Staten terugging van veertien naar acht uur en de werkweek van zeven naar vijf dagen.

    In 1914 verbaasde de Ford Motor Company concurrenten door de werkdag te beperken tot acht uur en werknemers een minimumloon van 5 dollar per dag uit te betalen. Het Congres maakte deze innovatie in 1938 tot wet, de Fair Labor Standards Act, en zo ontstond wat cultuurhistoricus Fred Turner het ‘sociaal pact uit het industriële tijdperk’ noemt. Evenzo leidden recente experimenten met een 32-urige werkweek tot gunstige effecten: minder vermoeidheid, een betere geestelijke gezondheid en een tevredener levensgevoel. Sterker, wie zijn week eenmaal zo heeft ingedeeld, wil meestal niet meer terug.

    Nieuwe arbeidsroutine

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen. Tijdens de lockdowns moesten veel werknemers zich een nieuwe arbeidsroutine aanwennen; daarbij genoten ze van de mogelijkheid om te pauzeren, meer tijd met hun dierbaren door te brengen en te sporten zonder de stress van het woon-werkverkeer of van de kantooromgeving. Deze ervaringen droegen later bij aan de zogeheten Great Resignation [grote ontslaggolf] in de VS en een toenemende populariteit van ‘quiet quitting’ [het afzweren van overwerk en andere overbodige inzet voor je werkgever]. 

    Dus toen bedrijven hun werknemers begonnen te verzoeken om terug te keren naar de status quo van vóór de pandemie, leidde de vraag ‘Hoeveel werk volstaat?’ al snel tot een andere: ‘Volstaat waarvoor?’ Om de kost te verdienen? Om aan de productiviteitsverwachtingen van werkgevers te voldoen? Om te voorzien in ons streven naar geluk, of misschien om met pensioen te kunnen gaan? De antwoorden variëren al naargelang wie de vraag stelt en wie erop ingaat. Voor miljoenen werknemers met een laag inkomen is het antwoord eenvoudig: ‘volstaan’ betekent het verdienen van een loon waarmee ze zichzelf en hun gezin kunnen onderhouden.

    Op microniveau hebben miljoenen mensen de coronajaren benut om tijd en geld opnieuw tegen elkaar af te wegen

    Onder degenen die het zich kunnen veroorloven om tijd en geld tegen elkaar af te wegen, komen twee groepen werknemers naar voren in de brede discussie over wat een adequate hoeveelheid werk precies inhoudt. De eerste groep bestaat uit zorgverleners, een sector die nog steeds gedomineerd wordt door vrouwen, maar geleidelijk meer mannen aantrekt. In de arbeidseconomie verwijst ‘werk’ traditioneel naar betaalde arbeid waarbij goederen en diensten worden geproduceerd in ruil voor een geldelijke vergoeding. Maar sinds de integratie van vrouwen in de beroepsbevolking (inclusief die van arbeidseconomen) heeft het onderzoeksveld zich uitgebreid naar onbetaald werk. Dit omvat een gezin stichten, een thuis scheppen en in de behoeften voorzien van degenen die niet voor zichzelf kunnen zorgen. Dit zorgwerk is, zoals de Amerikaanse activist Ai-jen Poo zegt, ‘het werk dat al het andere werk mogelijk maakt’. Voor velen heeft deze vorm van arbeid evenveel betekenis als hun formele baan, of zelfs meer.

    Als we met de vraag ‘hoeveel werk volstaat?’ ook onbetaald werk bedoelen, wordt duidelijk dat miljoenen mensen met zorgtaken en betaalde banen vaak veel langer moeten werken dan de traditionele achturige werkdag. Het is dan niet verwonderlijk dat velen, als ze de kans krijgen, ervoor kiezen het aantal betaalde werkuren te verminderen om voor anderen te kunnen zorgen. Gezien het sociale belang van zorgwerk moet deze onmisbare maar onbetaalde vorm van arbeid terug te vinden zijn in economische statistieken en door overheden worden erkend in hun uitkeringsbeleid.

    Vrije tijd als gegeven

    Amerikanen geloven over het algemeen heilig in een volledige werkweek. Werk is alles voor ons, schrijft geschiedenisprofessor James Livingstone in No More Work: Why Full Employment Is a Bad Idea.

    Een baan geeft zin, doel en structuur aan ons dagelijks leven; door je werk kom je je bed uit, kun je je rekeningen betalen en ontwikkel je een gevoel van verantwoordelijkheid, aldus Aeon. Maar zoals antropoloog David Graeber in zijn boek Bullshit Jobs: A Theory stelt, zijn er miljoenen zinloze banen waar geen haan naar zal kraaien als die opeens verdwijnen. Sinds de pandemie weten we ook welke banen wel en welke banen niet als essentieel worden gekenmerkt en dat je de typische van 9 tot 5-baan ook heel anders kunt invullen.

    Ook Livingstone vindt bovenstaande beweringen niet langer plausibel, want er is niet genoeg ‘zinvol’ werk voor iedereen en bovendien betaalt het in de meeste gevallen nauwelijks de rekeningen. De krapte op de arbeidsmarkt voor essentiële banen is weer een ander probleem, dat zou kunnen worden opgelost door omscholing, maar daar blijkt weinig animo voor.
    Net zoals in veel Europese landen ligt het werkloosheidscijfer in de VS al onder de 6 procent, wat dicht in de buurt komt van wat economen ‘volledige werkgelegenheid’ noemen, maar de inkomensongelijkheid is niet veranderd. De zogeheten bullshit jobs lossen de sociale problemen niet op. Bovendien voorspellen economen dat bijna de helft van de bestaande banen binnen twintig jaar zal verdwijnen door automatisering. Daarom, stelt Livingstone, zullen we ons een wereld moeten voorstellen waarin werk niet langer zaligmakend is noch ons inkomen bepaalt of ons dagelijks leven domineert.

    Wat zouden we doen als we niet meer hoefden te werken om in ons levensonderhoud te voorzien? vraagt hij zich af. Als we meer vrije tijd zouden hebben? Die door een falende arbeidsmarkt afgedwongen ethische en morele omslag houdt in dat er een heel nieuw referentiekader bedacht moet worden voor de betekenis van werk, aldus Livingstone. Over de gevolgen voor de economie moeten economen zich op hun beurt buigen.

    Tegencultuur

    Een andere belangrijke groep werknemers die zich afvraagt ‘hoeveel werk volstaat’, bestaat uit jonge mensen, met name jongere millennials en leden van generatie Z, van wie velen tijdens de pandemie hun eerste stappen op de arbeidsmarkt zetten. Net zoals veel jonge mensen in de jaren zestig de tegencultuur omarmden – ‘turn on, tune in, drop out’ – en het conformisme van hun ouders verwierpen, zetten veel gen Z’ers nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur, die ze geneigd zijn te verwerpen als het zoveelste giftige product uit Silicon Valley.

    Gen Z’ers zijn opgegroeid in twee tumultueuze decennia, getekend door de terroristische aanslagen van 11 september, de introductie van de smartphone en sociale media, de financiële crisis van 2008 en de pandemie. Tegenwoordig worden ze geconfronteerd met neerwaartse sociale mobiliteit, tegen de achtergrond van een toenemende politieke polarisatie die de democratie onder druk zet, en een dreigende klimaatramp. Dit alles in aanmerking genomen is het niet vreemd dat ze kritisch staan tegenover de levenswijze van hun ouders en zich richten op het behoud van hun eigen geestelijke en lichamelijke gezondheid.

    Veel gen Z’ers zetten nu vraagtekens bij een op productiviteit, ambitie en succes gerichte cultuur

    Gen Z-iconen zoals turnster Simone Biles en tennisster Naomi Osaka, die zich terugtrokken uit grote sportevenementen om hun geestelijke gezondheid te beschermen, toonden de drive, het lef en het uithoudingsvermogen die nodig zijn om uit te blinken op het hoogste niveau. Maar door het idee te verwerpen dat hun waarde – zeker als prominente vrouwen van kleur – afhangt van de verwachtingen van anderen, lieten ze perfect zien dat persoonlijk welzijn niet mag worden opgeofferd aan goedkeuring van buitenaf. Hun besluit dat het leven om meer moet draait dan om productie en succes alleen is een daad van verzet tegen het kapitalisme zelf.

    Sinds de opkomst van ChatGPT en zijn concurrenten draait de discussie over de toekomst van werk om de mate waarin menselijke arbeid noodzakelijk blijft. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunstmatige intelligentie de arbeidsmarkt stevig zal ontwrichten, doordat traditioneel werk en arbeidsomgevingen uit het industriële tijdperk overbodig zullen worden. Maar ongeacht wat ons te wachten staat, kunnen we de vraag waar en hoelang we werken niet beantwoorden zonder eerst de meest fundamentele vraag te beantwoorden: waarom we werken.

    Het is geen kwestie van ‘niet willen’

    Er wordt vaak gezegd dat jonge mensen ‘niet willen werken’, maar klopt dat wel? Dat vroeg de Mexicaanse arbeidsmarktonderzoeker Nataly Hernández zich af in zakenkrant El Economista. Ook Mexicaanse bedrijven kunnen moeilijk personeel vinden, ondanks het feit dat er 2 miljoen werkzoekenden zijn en 6 miljoen mensen in de beroepsgeschikte leeftijd zich momenteel niet op de arbeidsmarkt begeven.

    ‘Het is opvallend dat dit gebeurt in ons land, waar zo veel mensen willen werken, onder wie veel jonge mensen die met hun vaardigheden kunnen bijdragen aan de economie,’ aldus Hernández. Volgens haar zijn de beschikbare banen in Mexico slecht te combineren met een gezinsleven, door een gebrek aan flexibele werktijden en goede kinderopvang, waardoor vooral jonge vrouwen worden uitgesloten.

  • Argentinië: rechtbank schort arbeidshervormingen Milei op

    Argentinië: rechtbank schort arbeidshervormingen Milei op

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Minstens 103 doden bij dubbele bomaanslag in Iran tijdens herdenking Soleimani

    » Hezbollah-leider waarschuwt Israël voor oorlog met Libanon

    Megadecreet van Milei loopt eerste deuk op

    ‘Het megadecreet van de Argentijnse president Javier Milei om de staat te ontmantelen kreeg woensdag een eerste tegenslag van de rechtbank’, aldus El País. De Nationale Kamer van Arbeid, die in handen is van de CGT, de grootste vakbond van het land, vernietigde woensdag de arbeidshervormingen uit het uitgebreide pakket van maatregelen van de ultraliberale president.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    De regering kondigde woensdag aan in hoger beroep te gaan. Voor de vakbonden zijn de meest controversiële aspecten van de voorgestelde arbeidsrechthervormingen de verlenging van de proeftijd van drie naar acht maanden, de verlaging van de vergoeding bij ontslag en de beperking van het stakingsrecht. Milei’s megadecreet is het onderwerp van verhitte discussies onder juridische experts over de vraag of het al dan niet in overeenstemming is met de grondwet.

    Lees ook:

  • Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Het tijdperk van extreem goedkope spullen uit Azië is voorbij

    Fabrieken in heel Azië hebben moeite om jonge werknemers aan te trekken. Het geglobaliseerde productiemodel dat de verkoop van goedkope goederen over de hele wereld mogelijk maakte, is daardoor niet meer in stand te houden.

    De werkplek heeft ramen van de vloer tot het plafond, een café waar matcha wordt geserveerd en er zijn gratis yoga- en danslessen. Werknemers komen bij elkaar tijdens maandelijkse teambuildingsessies en om bier te drinken, te karten of te bowlen. Dit is niet Google. Dit is een kledingfabriek in Vietnam. 

    Azië, de werkplaats van de wereld en de bron van veel van de spullen die Amerikanen kopen, loopt tegen een groot probleem aan: de meeste jonge mensen willen niet in een fabriek werken. Daarom probeert deze kledingfabriek de werkvloer aantrekkelijker te maken. Ondertussen gaan er alarmbellen rinkelen bij westerse bedrijven die erop vertrouwen dat de goedkope arbeidskrachten uit deze regio betaalbare consumptiegoederen produceren. 

    ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken’

    De nadagen van de ultragoedkope Aziatische fabrieksarbeid zijn begonnen. Het is de nieuwste uitdaging voor het geglobaliseerde productiemodel, dat de afgelopen drie decennia een breed scala aan goedkoop gefabriceerde goederen voor consumenten over de hele wereld mogelijk maakte. Amerikanen die gewend zijn aan goedkope mode en flatscreens zullen binnenkort wellicht te maken krijgen met hogere prijzen.

    ‘Nergens ter wereld kun je wat dat betreft nog krijgen wat je wil,’ zegt Paul Norriss, de Britse medeoprichter van de Vietnamese kledingfabriek UnAvailable in Ho Chi Minhstad. ‘Mensen zullen hun consumentengedrag moeten aanpassen, en dat geldt ook voor merken.’

    Trainingsprogramma

    Werknemers van in de twintig, traditioneel gezien de arbeidskrachten in de kledingindustrie, stoppen vaak voortijdig met het trainingsprogramma van zijn bedrijf, zegt Norriss. En degenen die blijven, werken er vaak maar een paar jaar. Norriss hoopt dat het aantrekkelijker maken van de werkplek het verschil zal gaan maken. ‘Iedereen wil instagrammer, fotograaf of stylist zijn, of in een café werken,’ zegt hij.

    Als gevolg van de crisis hebben Aziatische fabrieken de lonen moeten verhogen en soms dure strategieën moeten toepassen om hun werknemers te behouden: van het verbeteren van het aanbod in kantines tot het realiseren van crèches voor de kinderen van werknemers. 

    Ook Nike gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten

    Speelgoedfabrikant Hasbro zei eerder dit jaar al dat het tekort aan arbeidskrachten in Vietnam en China de kosten heeft opgedreven. Barbiefabrikant Mattel, die een grote productiebasis heeft in Azië, worstelt ook met stijgende loonkosten. Beide bedrijven hebben de prijzen van hun producten verhoogd. Ook Nike, dat de meeste van zijn schoenen in Azië maakt, gaf in juni aan dat de productiekosten zijn gestegen door de hogere arbeidskosten. 

    ‘Amerikaanse consumenten die altijd gewend zijn geweest aan min of meer vaste prijzen voor bepaalde producten zullen zich moeten instellen op een nieuwe situatie,’ zegt de Londense econoom Manoj Pradhan, coauteur van The Great Demographic Reversal.

    Generatieprobleem

    Vanaf de jaren negentig werden China en andere Aziatische productiecentra onderdeel van de wereldeconomie, waardoor landen met arme boeren veranderden in grootmachten op productiegebied. Duurzame goederen zoals koelkasten en sofa’s werden goedkoper. Maar nu stuiten deze productielanden op een generatieprobleem. Jongere werknemers, die beter opgeleid zijn dan hun ouders en ervaring hebben met Instagram, TikTok en andere sociale media, vinden dat hun werk zich niet binnen fabrieksmuren zou moeten afspelen.

    Demografische verschuivingen spelen daarbij een rol. Jonge mensen in Azië krijgen minder en op latere leeftijd kinderen dan hun ouders, wat betekent dat ze, wanneer ze in de twintig zijn, minder onder druk staan om een vast inkomen te verdienen. Dankzij een bloeiende dienstensector kunnen ze kiezen voor minder slopend werk, als medewerker in een winkelcentrum of als receptionist in een hotel.

    In China is het probleem acuut. De jeugdwerkloosheid in de steden bedroeg daar in juni 21 procent, ook al hebben fabrieken een tekort aan arbeidskrachten. Multinationals hebben hun productie verplaatst van China naar landen als Maleisië, Indonesië, Vietnam en India, maar ook daar zeggen fabriekseigenaren moeite te hebben om jongeren aan te trekken.

    ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte’

    Volgens gegevens van de Internationale Arbeidsorganisatie van de Verenigde Naties zijn de fabriekslonen in Vietnam sinds 2011 meer dan verdubbeld, tot 320 dollar per maand – een drie keer zo hoge stijging als in de VS. In China stegen de fabriekssalarissen van 2012 tot 2021 (de laatste periode waarover gegevens van de VN beschikbaar zijn) met 122 procent. 

    Nguyen Anh Tuan, een 25-jarige Vietnamees, stopte eerder dit jaar als monteur in een fabriek voor auto-onderdelen in een voorstad van Hanoi, om te gaan werken als motorrijder voor Grab, het lokale equivalent van Uber. Hij vervoert passagiers voor een lager uurloon dan hij in de fabriek verdiende, maar zegt dat de verandering de moeite waard is, want nu is hij zijn eigen baas. ‘Ik kreeg vaak vervelende opmerkingen van mijn leidinggevenden, waardoor ik gestrest raakte,’ zegt Tuan over de drie jaar die hij in de fabriek werkte. Hij zou alleen nog verleid kunnen worden tot fabriekswerk als ze zijn vroegere maandsalaris van 400 dollar zouden verdubbelen, zegt hij.

    In het verleden konden fabrikanten hun productie simpelweg naar minder dure bestemmingen verplaatsen, maar tegenwoordig is dat niet meer zo eenvoudig. Veel landen in Afrika en Zuid-Azië met grote hoeveelheden arbeidskrachten zijn politiek instabiel of hebben geen goede infrastructuur of voldoende geschoolde arbeidskrachten. Kledingmerken kregen het zwaar te verduren toen ze hun activiteiten uitbreidden naar Myanmar en Ethiopië, en daar werden geconfronteerd met onlusten en burgeroorlog. Bangladesh is een betrouwbare basis voor de productie van kleding, maar een restrictief handelsbeleid en te grote drukte in de havens verhinderen een verdere ontwikkeling.

    Liever boer

    India heeft een enorme bevolking en bedrijven die op zoek zijn naar alternatieven voor China gaan vaak die kant op. Maar ook in India beginnen fabrieksmanagers te klagen hoe moeilijk het is om jonge werknemers vast te houden. Veel jongeren worden liever boer, gesteund door socialewelzijnsprogramma’s, of verkiezen tijdelijke baantjes in de stad boven het leven in een industrieel centrum met fabrieksslaapzalen. Gediplomeerde ingenieurs verlaten fabrieken voor IT-banen.

    Aziatische fabriekseigenaren proberen de banen aantrekkelijker te maken door onder meer het subsidiëren van crèches en het financieren van technische trainingsprogramma’s. Sommigen verplaatsen hun fabrieken naar landelijke gebieden waar mensen eerder bereid zijn om met hun handen te werken. Dat brengt ze echter wel verder weg van havens en leveranciers, en dwingt ze om zich aan te passen aan het leven op het platteland, waar werknemers vaak tijdens de oogsttijd afwezig zijn. 

    Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen

    Christina Chen, de Taiwanese eigenaar van een meubelbedrijf dat zijn producten verkoopt aan Amerikaanse winkelketens, besloot vier jaar geleden om haar fabriek weg te halen uit het zuiden van China, in de hoop dat het elders makkelijker zou zijn om personeel te werven. Eerst overwoog ze de industriegebieden rond Ho Chi Minhstad, maar ze hoorde vreselijke verhalen over een hoog personeelsverloop en torenhoge lonen.

    In plaats daarvan vestigde ze zich op het platteland van Noord-Vietnam. Haar arbeiders zijn grotendeels tussen de veertig en zestig jaar oud en sommigen kunnen niet goed lezen, zegt ze, waardoor het werk mondeling moet worden uitgelegd, of met visuele demonstraties. Maar het personeel is wel stabieler, zegt ze.

    Ze is blij met de jongere werknemers die wel kunnen lezen. Ze betrekt hen bij de besluitvorming, nodigt ze uit om haar Amerikaanse inkopers te ontmoeten die langskomen en laat hen foto’s zien van hun tafels en stoelen in Amerikaanse winkels. Haar bedrijf, Acacia Woodcraft Vietnam, is gedeeltelijk geautomatiseerd, zegt ze, maar voor veel taken is nog steeds menselijk vakmanschap nodig. 

    Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31

    Het arbeidslandschap zag er twintig jaar geleden heel anders uit, toen je om werknemers te vinden alleen maar de fabriekspoorten hoefde te openen en de arbeiders op de fiets binnenstroomden. In 2001 meldde Nike dat ruim 80 procent van zijn fabrieksarbeiders in Azië werkte en dat de gemiddelde arbeider 22 jaar oud was, alleenstaand en opgegroeid op het platteland. Tegenwoordig is de gemiddelde werknemer van Nike in China 40 jaar en in Vietnam 31, mede doordat de Aziatische landen snel vergrijzen.

    Extra trainingen

    Maxport Limited Vietnam, een toeleverancier van Nike die in 1995 werd opgericht, heeft de strijd om werknemers zien toenemen. Bij de fabrieken van dit bedrijf schijnt nu zonlicht door de ramen en Maxport heeft duizenden planten en bomen geplant. Het bedrijf geeft jonge werknemers extra trainingen, zodat ze kunnen doorgroeien tot supervisor. Toch heeft het moeite om jonge mensen aan te trekken. Het is gestopt met een trainingsprogramma voor jongeren die net van de middelbare school komen, deels omdat maar weinigen van hen daarna een baan accepteerden, zegt senior complianceofficer Do Thi Thuy Huong. Ongeveer 90 procent van de werknemers van Maxport is dertig jaar of ouder.

    Lovesac, een meubelfabrikant in Connecticut, zegt dat zijn personeelsbestand in China aan het vergrijzen is en dat het moeilijker is geworden om jongere werknemers te vinden om vacatures in te vullen. Directeur Shawn Nelson zegt dat jongeren uit landen als China en Vietnam, die tegenwoordig smartphones hebben en in contact staan met de rest van de wereld, minder interesse hebben in fabriekswerk. ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen,’ zegt hij. ‘Dan werken ze liever in een winkel.’ 

    ‘Als ze eenmaal de Kardashians kunnen zien, willen ze dat werk niet meer doen’

    Het bedrijf is van plan om een aantal activiteiten naar de VS te verplaatsen. Later dit jaar wil het beginnen met de productie van stoelen in een geautomatiseerde fabriek in North Carolina.

    Aziatische fabrieken die automatiseren hebben veel moeite om werknemers te vinden die de geavanceerde machines kunnen bedienen. Managers zeggen dat er niet genoeg jongeren zijn die geïnteresseerd zijn in werktuigbouwkunde, en dat degenen die dat wel zijn voor andere beroepen kiezen.

    Abhyuday Jindal, directeur van Jindal Stainless, een Indiase fabrikant van roestvrij staal, zegt dat werknemers uit generatie Z zich aangetrokken voelen tot de IT-sector en dat de meesten van hen ‘op zoek gaan naar een kantoorbaan, ook als ze worden aangenomen voor een technische functie’.

    Fabrieken ‘moeten ofwel meer betalen voor de vaardigheden die ze zoeken, ofwel concessies doen aan de capaciteiten die ze nodig hebben,’ zegt Richard Jackson, directeur van het in Thailand gevestigde wervingsbureau JacksonGrant.

    Uniform

    In Maleisië, een hub voor halfgeleiders en elektronica, laten fabrieken het dragen van een uniform achterwege – daar hebben jonge werknemers een hekel aan – en laten ze hun faciliteiten opnieuw ontwerpen. ‘We proberen onze fabrieken wat sexyer te maken, tussenwanden te openen, meer glas te gebruiken, meer licht binnen te laten, leuke muziek te draaien en een Apple-achtige omgeving te creëren,’ zegt Syed Hussain Syed Husman, voorzitter van de Maleisische werkgeversfederatie, die de fabrikanten vertegenwoordigt.

    Jonge mensen uit ontwikkelingslanden die anders fabriekswerk zouden doen, gaan nu aan de slag in de zorg voor het groeiende aantal ouderen in ontwikkelde landen; ze vullen de gaten op in de vergrijzende beroepsbevolking van die landen. Susi Susanti, een 29-jarige Indonesische, zegt dat ze na haar middelbare school een baan in een fabriek probeerde. Maar de druk die haar managers haar oplegden om sneller te werken, eerst in een elektronicafabriek en daarna in een baan waarbij ze schoenen maakte, beviel haar allerminst. Ze zei tegen haar moeder dat ze iets anders wilde gaan doen.

    Tijdens een zes maanden durende cursus leerde ze de basis van het Mandarijn, en vervolgens ging ze aan de slag als verzorgster van een ouder echtpaar in Taiwan. Haar loon is drie keer zo hoog als wat ze in haar thuisland in de fabrieken verdiende, zegt Susanti, en het is minder vermoeiend. ‘Als het goed gaat met de persoon voor wie ik zorg, kan ik me ontspannen.’ 

    Lees ook: