Onderwerpen: Arbeid

  • ‘Banen verdwijnen niet door technologie, maar door hebzucht’

    ‘Banen verdwijnen niet door technologie, maar door hebzucht’

    Sommige economen, technologiefreaks en CEO’s zijn zo vol van de geautomatiseerde wereld dat ze zich niet kunnen herinneren wat mensen doen of waarom. Maar volgens Harvard-professor Shoshana Zuboff is het allerminst onvermijdelijk dat menselijke arbeid in de toekomst overbodig wordt. 

     

    Keuze uit het archief

    In 2014 publiceerden we dit artikel uit de Frankfurter Allgemeine Zeitung over hoe CEO’s in de techwereld niet in lijken te zien hoe belangrijk menselijke arbeidskrachten zijn. Acht jaar later tonen de acties van Elon Musk als nieuwe baas bij Twitter en Mark Zuckerberg recent bij Meta dat ze nog steeds geloven dat technologie mensen overal kan vervangen. Zoals Shoshana Zuboff hier schrijft: ‘Businessmodellen die kortetermijnmaatregelen voor kostenverlaging belonen, zijn een uitgeholde karikatuur van de “grote productkennis en de continue ontwikkeling van productspecifieke vaardigheden van managers en werknemers” die bedrijven ooit groot hebben gemaakt.’

    Volgens de legende keek Newton hoe de appel uit de boom viel, maar zag hij eigenlijk iets heel anders: een onzichtbare kracht die sterk genoeg was om de appel naar zich toe te trekken. Was hij een ingenieur of econoom uit Silicon Valley geweest, dan was hij waarschijnlijk in de ban geraakt van het vallende voorwerp: ‘Wow, moet je die appel zien!’ Hij had een algoritme kunnen ontwikkelen om de beweging van de appel te simuleren, of de efficiëntie van zijn naar de aarde gerichte beweging kunnen berekenen.

    In plaats daarvan formuleerde hij zijn theorie van de universele zwaartekracht, een onzichtbare kracht die aanwezig is in elk materieel lichaam, en in staat is zijn invloed over honderden miljoenen kilometers uit te oefenen. Soms helpt het om te denken als Newton – vooral wanneer het de economie en onze vooruitzichten voor de toekomst betreft. Net als de zwaartekracht trekken verborgen krachten digitale technologieën aan en bepalen ze hoe deze in onze economie en onze banen ‘vallen’. Om ze op de proef te stellen en vorm te geven moeten we deze krachten opsporen en benoemen.

    Ons publieke debat wordt beheerst door een gevoel van onheil en hulpeloosheid. Als herten verblind door koplampen kijken we toe hoe economen, technologiefreaks en CEO’s in vervoering raken van de nieuwe digitale mogelijkheden. Ze zeggen dat de machines bijna al ons werk zullen kunnen overnemen en dat de onverbiddelijke wetten van de markt gebieden dat mensen worden vervangen door almaar goedkoper wordende digitale krachten in de vorm van robots en algoritmen.

    Hierdoor raakt de mens verwikkeld in een dodelijke race tegen de machine. Sommige van deze lieden lijken zich zelfs af te vragen in hoeverre de mens nog een bijdrage kan leveren aan deze gerobotiseerde toekomst. *Ze zijn zo vol van de geautomatiseerde wereld dat ze zich niet kunnen herinneren wat mensen doen of waarom.

    Er is niets onvermijdelijks aan de manier waarop digitale technologie wordt gebruikt

    42 57317248

    Eerder deze maand namen Google-oprichters Sergey Brin en Larry Page deel aan een zeldzame publieke ‘chat’ met medemiljardair en durfkapitalist Vinod Khosla. Daarbij bleek dat Page een wereld voorziet waarin machines bijna al het werk doen. Mensen, die in deze situatie niets meer te doen hebben, zullen volgens hem blij zijn ‘dat ze meer tijd met hun gezin kunnen doorbrengen of zich aan hun eigen interesses kunnen wijden’.

    In zijn utopische visie ziet Page echter één punt over het hoofd: de meesten van ons zijn geen miljardair. Zullen de kapitaalbezitters hun winsten werkelijk herverdelen zodat we allemaal voorgoed afscheid kunnen nemen van banen die, althans naar de mening van Page, meestal toch onnodig zijn? Als Page zijn roze wolk een dag zou verlaten, zou hij ontdekken dat voor de rest van ons werkloosheid geen vrije tijd betekent; het betekent strijd, onzekerheid en almaar toenemende sociale ongelijkheid. Zelfs degenen die boven aan de banenladder staan ontkomen niet aan deze nieuwe angst. Zoals Bill Gates het onlangs formuleerde: ‘Over twintig jaar zal de vraag van werkgevers naar veel vaardigheden aanmerkelijk lager zijn.’

    Er is maar één probleem met dit perspectief: het is een goocheltruc. Er is in feite niets onvermijdelijks aan de manier waarop digitale technologie wordt gebruikt. Net als bij elke goede truc leidt het verhaal onze aandacht af naar de digitale appel, terwijl de werkelijke krachten die de baan van de appel bepalen aan het oog worden onttrokken. Wat zijn deze verborgen krachten? Het zijn bekrompen businessmodellen en economische aannames die kostenbesparing boven alles stellen, vooral als het om lonen gaat.

    In veel gevallen gaat het alleen maar om vormen van bijgeloof waarop de machtigen een beroep doen om de status quo te handhaven. Er bestaat niet maar één beste manier om markten of technologieën te laten werken. Integendeel, er zijn gegronde redenen om te denken dat deze toekomstvisie evolutionair gezien een doodlopende straat is, net als een vogel met tanden. In plaats van de Apocalyps kunnen digitale technologieën een nieuwe menselijke wending in de economische geschiedenis aankondigen.

    Vaak gaat het om bijgeloof waarmee de machtigen de status quo proberen te handhaven

    Laten we even inzoomen op de taal van onvermijdelijkheid en digitaal determinisme, zodat we later weer kunnen uitzoomen om te zien welke verborgen krachten aan deze formuleringen ten grondslag kunnen liggen. Het proces van misleiding blijkt alleen al uit de koppen en de sleutelpassages van veel artikelen die op mijn bureau liggen. De auteurs daarvan wijzen ‘technologie’ aan als de drijvende kracht achter automatisering, in plaats van ‘kapitaal’ of ‘zakelijke belangen’.

    In een recente studie bijvoorbeeld van economen van de Universiteit van Chicago, waarbij vijftien jaar lang gegevens van 56 landen zijn onderzocht, wordt geconstateerd dat in 47 van die landen het arbeidsaandeel in het inkomen is afgenomen. De auteurs concluderen dat hun resultaten ‘de visie ondersteunen dat technologische veranderingen, die waarschijnlijk verband houden met het computer- en informaticatijdperk, belangrijke factoren zijn voor het verklaren van langetermijnveranderingen’ in het arbeidsaandeel.

    Een andere veelgeciteerde studie van twee Oxford-onderzoekers betoogt dat ‘computers steeds meer cognitieve taken overnemen van de menselijke werknemer’. Een artikel in de Technology Review van het Massachusetts Institute of Technology [MIT] is getiteld ‘Hoe technologie banen vernietigt’. Een boek van twee MIT-hoogleraren, The Second Machine Age, voorspelt een nieuwe economie van ‘winnaars en verliezers’: ‘Sommige mensen zullen achterblijven terwijl de technologische vooruitgang voortraast, misschien zelfs heel veel mensen (…); digitale technologie heeft de neiging de economische baten voor winnaars te vergroten, terwijl andere mensen minder nodig worden, en daarom minder goed beloond.’

    Hogere goochelkunst

    Een veel geciteerd artikel uit The Economist stelt dat een nieuw automatiseringstijdperk, ‘mogelijk gemaakt door steeds krachtiger en capabeler computers’, tot massale werkloosheid kan leiden. ‘De combinatie van “big data” en slimme machines zal sommige beroepen in hun geheel overnemen; in andere gevallen zal ze bedrijven in staat stellen meer te doen met minder werknemers.’

    Een ander voorbeeld komt van het World Economic Forum van dit jaar, waar Google-CEO Eric Schmidt een ‘haardvuurgesprek’ voor vijftig uitverkorenen organiseerde, waarin hij verkondigde dat de ‘technologisch gerelateerde banenvernietiging nog maar net begint, dat de ongelijkheid erger zal worden en dat de oplossing is dat de bevolking zich tot ondernemers omschoolt om in dit nieuwe tijdperk te kunnen overleven’. Schmidt waarschuwde: ‘De race gaat tussen computers en mensen, en de mensen moeten winnen (…). In deze wedstrijd is het heel belangrijk dat we de dingen ontdekken waarin mensen echt goed zijn.’

    Volgens The Economist zullen Big Data en slimme machines beroepen geheel overnemen

    Schmidts woorden suggereren dat hij de CIA-handboeken van John Mulholland heeft gelezen, ‘de goochelaar aller goochelaars’. Hoewel hij minder bekend is dan Harry Houdini, genoot Mulholland veel respect binnen het goochelvak vanwege de verfijnde precisie waarmee hij te werk ging, vooral zijn vingervlugheid – het vermogen om mensen van dichtbij te misleiden.

    ‘Alle goochelaars’, schreef Mulholland, ‘zijn voor een groot deel afhankelijk van het feit dat ze niet bekendstaan als goochelaars, of daar zelfs maar van verdacht worden (…); ze moeten zo normaal te werk gaan, en hun handelingen moeten zo natuurlijk zijn, dat niets aan hen argwaan wekt (…). Goochelen staat of valt met een bepaalde manier van denken. Het is een geacteerde leugen (…). Het doel van de goochelaar is eerder om de geest te misleiden dan het oog.’

    Mulholland werd in 1953 ingehuurd om een uiterst geheim officieel CIA-handboek voor list en bedrog te schrijven en agenten te trainen. Mulholland benadrukte dat bedrog afhankelijk was van het vermogen om te verwarren, met de bedoeling om te misleiden. Hij hamerde op het belang van ensceneringstechnieken en de manipulatie van zichtlijnen om de aandacht strategisch te af te leiden. Met de juiste enscenering en afleiding, stelde hij, konden feiten worden vervangen door plausibele redenen om echte bedoelingen te camoufleren en de aandacht van de toeschouwer af te leiden van de leugen.

    De triomf van Schmidts haardvuurenscenering, vermoedelijk bedoeld om associaties te wekken met de wekelijkse radiopraatjes van Franklin Delano Roosevelt, duidt erop dat hij de goochelkunst machtig is. Wat zit er verstopt onder zijn mantel? Om te beginnen, denk aan Newton, de taal die de aandacht naar ‘de computer’ trekt in plaats van naar de verborgen businessmodellen, aannames en keuzes van leidinggevenden die bepalen hoeveel computers er zullen worden gebruikt.

    Dan is er nog een andere vorm van misleiding: het idee dat we er op de een of andere manier achter moeten zien te komen ‘waar mensen echt goed in zijn’. De implicatie is dat mensen te slordig, dom, onvoorspelbaar en onbeheerst zijn om in de toekomst nog een rol van betekenis te kunnen spelen. Onze talenten zijn Schmidt een raadsel.

    Wordt dit soort handwerk in de toekomst alleen nog maar door robots verricht?
    Wordt dit soort handwerk in de toekomst alleen nog maar door robots verricht?

    Ten slotte is er het beroep op de elite om iets te vinden om de massa’s bezig te houden, te vermaken en bovenal af te leiden van het geheim dat de kern vormt van de truc. Schmidts commentaren roepen een angst op die mensen afleidt van woede. In plaats van naar de leugen te zoeken, vragen we ons bezorgd af hoe we onszelf en onze kinderen kunnen behoeden voor deze onontkoombare golf van verdringing en verbanning.

    Men herinnere zich dat de vingervlugheid van de goochelaar afhankelijk is van de nabijheid van de toeschouwer. Wat gebeurt er met deze argumenten wanneer we uitzoomen om de cyaankalikogels en giftige pennen te zien die verborgen liggen achter de zichtlijnen van de truc? Wat voor geheimen gaan er schuil in deze elektronische hoge hoed? Als we naar het grotere plaatje kijken, is een eerste voor de hand liggende vraag: wie profiteert van de schijnbaar onontkoombare digitale krachten die klaarstaan om je baan over te nemen?

    U hebt waarschijnlijk gehoord dat de bedrijfswinsten naar recordhoogte zijn gestegen terwijl het arbeidsaandeel afneemt en de inkomensongelijkheid groeit. Maar al sinds Henry Fords ‘vijf dollar per dag’ gaan economische modellen ervan uit dat bedrijven liever een grote vraag hebben, ook al moet daarvoor een hoger loon worden betaald. Deze aanname maakt het idee dat de technologie de schuldige is geloofwaardig. Lage lonen zouden immers nooit het resultaat kunnen zijn van keuzes van het management.

    Maar econoom Paul Krugman vraagt zich af of ‘een bescheiden crisis bedrijven misschien niet in de kaart speelt’. Hij stelt dat elke werkgever zijn winst probeert te maximaliseren door lonen te verlagen of banen af te schaffen. Collectief leiden deze individuele keuzen tot meer werkloosheid, aangezien bedrijven liever investeren in goede hardware die kan worden afgeschreven dan in het aannemen van mensen.

    Karikatuur van bedrijven

    Wat Krugmans hypothese plausibeler maakt, is de wetenschap dat CEO’s volgens de regels van het huidige businessmodel van het financieel kapitalisme worden beloond voor het verlagen van de kosten, vooral arbeidskosten. Dit is een van die onzichtbare krachten achter onze zichtlijn. Het zou ook kunnen verklaren waarom, blijkens een antitrustonderzoek uit 2010 door het Amerikaanse ministerie van Justitie, Steve Jobs van Apple en Eric Schmidt van Google in het geheim afspraken de werknemerssalarissen kunstmatig te verlagen door geen mensen bij elkaar te rekruteren en door informatie over inkomens uit te wisselen. Deze illegale deal, door Michael Bloomberg gekarakteriseerd als ‘onvoorstelbare overmoed’, strekte zich uiteindelijk ook uit tot Adobe, Pixar, Intel en Intuit en reduceerde de loonkosten met meer dan 9 miljard dollar, geld dat ten goede kwam aan de bedrijfswinsten.

    Bestuursvoorzitters zijn verplicht de aandeelhouderswaarde te maximaliseren

    Hier nog zo’n exploderende zeeschelp: de betaling van CEO’s wordt vaak gelinkt aan de aandelenkoers van hun bedrijven, en analisten taxeren de koersen van bedrijven hoger naarmate ze de kosten en salarissen verder verlagen. Dit verklaart mede waarom volgens het Institute for Policy Studies Amerikaanse CEO’s die ‘het diepst in hun loonkosten hadden gesneden’ in 2009 met 42 procent meer compensatie naar huis gingen dan het dat jaar toch al ijzingwekkend hoge CEO-gemiddelde.

    NBC News maakte dit verhaal wereldkundig en voegde er een nadere verklaring aan toe: ‘Er mag niet worden vergeten dat de bestuursvoorzitter van een bedrijf de fiduciaire verplichting heeft de aandeelhouderswaarde van zijn bedrijf te maximaliseren.’ Dat mag tegenwoordig gebruikelijk zijn, het is een nieuwe wending in de geschiedenis van het kapitalisme. Volgens economisch historicus Alfred Chandler is dit nieuwe financieel kapitalisme een uitzondering op de aloude logica van industrieel succes.

    Volgens zijn lezing is de veronderstelde onvermijdelijkheid van grootscheepse arbeidsvervanging het resultaat van een specifieke en recente geschiedenis die sterk afwijkt van wat eerder gebruikelijk was. Businessmodellen die kortetermijnmaatregelen voor kostenverlaging belonen, zijn een uitgeholde karikatuur van de ‘grote productkennis en de continue ontwikkeling van productspecifieke vaardigheden van managers en werknemers’ die bedrijven ooit groot hebben gemaakt.

    Vluchtelingen in eigen land

    Dit alles suggereert dat banen niet door de technologie worden vernietigd, maar door mensen. Door businessmodellen en economische aannames. Hebzucht speelt een rol. Automatisering hoeft het belang van de aanwezigheid van mensen en hun probleemoplossend vermogen niet per se in de weg te staan. Evenmin worden winnaars er onvermijdelijk door beloond en zogeheten ‘verliezers’ uitgerangeerd. Denk aan de luchtvaartmaatschappijen en de gevolgen van hun businessmodel.

    Luchtvaartmaatschappijen zijn voorbeelden van economische modellen die erop vertrouwen dat de automatisering van menselijke arbeid kostenbesparend werkt. Van het kopen van tickets tot aan vertrek en aankomst heeft men niet langer met luchtvaartpersoneel te maken, maar met een gigantisch computersysteem. Reizigers onderhandelen met een anonieme kolos, waarbij het menselijk contact is beperkt tot enkele personeelsleden die de sociale orde moeten handhaven.

    De luchtvaartmaatschappijen hebben de kosten verlaagd door ze op de reiziger af te wentelen. Men moet zelf online gaan om tickets aan te schaffen en informatie te verwerken, krijgt te maken met substantiële en niet onderhandelbare extra kosten wanneer wordt afgeweken van systeemregels en ondervindt stress op de luchthaven wanneer er in het geval van problemen, veranderde omstandigheden of onzekerheid letterlijk niemand is tot wie men zich kan wenden.

    Banen worden niet door technologie vernietigd, maar door mensen

    The New York Times berichtte onlangs over de situatie op de luchthaven van Atlanta, waar 225.000 dagelijkse passagiers geen enkele hulp krijgen. Hun behoefte daaraan is zo groot dat vrijwilligers van lokale kerken zich ermee zijn gaan bemoeien, in weerwil van het businessmodel. Zij hebben de klantenservice op zich genomen die de luchtvaartmaatschappijen niet langer geven en verlenen bijstand bij alles wat varieert van gemiste vluchten tot discussies aan de ticketbalie. De onnodige ‘verliezers’ bij het businessmodel van de luchtvaartmaatschappijen – de werknemers – waren in feite nog de enigen die de verder gerobotiseerde ervaring een menselijk tintje gaven.

    De luchthaven van Atlanta is een concreet voorbeeld van het soort wereld dat sommige CEO’s, economen en beursanalisten voor onze toekomst in gedachten hebben. In zo’n wereld zijn we vluchtelingen in ons eigen land, uitgesloten van de activiteiten die de kwaliteit en effectiviteit van ons leven bepalen. Er dreigt een soortgelijke situatie in de onderwijssector, waar online leren als een manier wordt gezien om kosten te besparen en docenten te ontslaan.

    Technologische netwerken zullen ons in staat stellen in elke uithoek van de aarde veel meer mensen op te leiden tegen veel geringere kosten, maar onderzoek toont aan dat het een misvatting is te denken dat dit met minder docenten kan worden gedaan. Een onlangs gepubliceerde studie van Gallup-Purdue wees de drie universitaire ervaringen aan die succes in leven en werk het beste voorspellen: 1) een docent door wie je leren leuk ging vinden, 2) een docent die om je gaf als persoon en 3) een mentor die je aanmoedigde om je dromen na te volgen. Geen van deze ervaringen kun je bij geautomatiseerd onderwijs opdoen. Er zullen vele nieuwe manieren komen om les te geven, te leren en hulpmiddelen te configureren, maar die zullen stuk voor stuk mensen vereisen – docenten, facilitators, begeleiders, opvoeders, coördinators, visionairs, integrators, ondersteunende gemeenschappen en medestudenten. Het zal geen robotwereld van winnaars en verliezers zijn zoals de modellen suggereren, maar eerder een rijke menselijke wereld met vele winnaars.

    Begrip te boven

    Hier nog zo’n leugen van de goocheltruc: kunstmatige intelligentie vraagt niet om minder menselijke vaardigheden – maar juist om meer. Of het nu om geprogrammeerde financiële producten of militaire drones gaat, complexe systemen verhogen de behoefte aan mensen die kritisch kunnen redeneren en strategisch overzicht hebben. Dit is een van de meest beangstigende lessen van de financiële crisis geweest. Het eindrapport van de Amerikaanse commissie die de oorzaken van de financiële en economische crisis in de VS onderzocht, beschrijft de wankele fundamenten van de industrie van subprime-hypotheken: ‘Deze gehele markt was afhankelijk van vernuftige computermodellen – die los bleken te staan van de realiteit (…). Toen die zeepbel barstte, barstte ook de zeepbel van de complexiteit: de schuldbrieven die bijna niemand begreep (…) waren de eerste dominostenen die omvielen.’

    Bedrijven op Wall Street vertrouwden op quants, wiskundigen die complexe financiële producten en handelsalgoritmes ontwierpen. De managers zelf begrepen de producten of de werking daarvan niet, evenmin als de financiële toezichthouders die ‘het steeds meer aan de banken overlieten om hun eigen risico’s te managen’.

    Kunstmatige intelligentie vraagt niet om minder menselijke vaardigheden, maar om meer

    Deze menselijke fouten stortten de wereld in een nachtmerrie waarvan de meesten van ons nog niet geheel zijn bekomen. Toen de mantel van de goochelaar werd weggerukt, bleek er een wezenloze blik en een vraagteken achter schuil te gaan. De bedrijven op Wall Street vertrouwden op hun gerobotiseerde digitale circuits. Ze koesterden de algoritmes en lieten het menselijk systeem tot verontrustende passiviteit en afhankelijkheid vervallen. Economische waarde werd vernietigd, en de menselijke tol bestond uit chaos en pijn. Het komt goed uit om deze feiten over het hoofd te zien, maar rationeel is het beslist niet.

    Wat blijft er ten slotte over onder de mantel van de goochelaar? Louter één doorklinkende gedachte: dezelfde technologieën waarmee ze ons wilden verbannen, kunnen ons in staat stellen om de oude businessmodellen aan flarden te schieten. ‘Alles wat we hebben bereikt wordt door de machine bedreigd, zolang die het waagt als Idee te bestaan, en niet als een gehoorzaam hulpmiddel,’ schreef Rilke.

    De door velen voorspelde robotinvasie gaat uit van een economie van minachting die leidt naar een doodlopende straat van uitsluiting en stagnatie. In plaats daarvan kunnen we een nieuwe, menselijke economie opzetten. Ze zal nieuwe beroepen ontsluiten, nieuwe relaties kweken en nieuwe vormen van participatie voorstaan. Onder de goochelaarsmantel zal de valse dichotomie van winnaars en verliezers verdwijnen.

    We kunnen het ons niet veroorloven alle informatierijkdom en de activiteiten die daarmee gepaard gaan over te laten aan een elite. We kunnen de technologie allemaal vooruithelpen en er ons voordeel mee doen. Belangrijke nieuwe onderzoeksliteratuur over ‘neurale plasticiteit’ [veranderingen in de organisatie van de hersenen als gevolg van ontwikkeling, leren of ervaring] suggereert dat ieder van ons in staat is om veel meer te begrijpen, te voelen en te presteren dan de wereld ons ooit heeft gevraagd of toegestaan. En toch blijven we ons lichaam en onze geest opsluiten in werkplekken, scholen en ziekenhuizen waarvan de organisatieprincipes eeuwenlang nauwelijks veranderd zijn.

    Er is niets onvermijdelijks of noodzakelijks aan de huidige regels van het marktspel

    Ik zie een wereld waarin nog maar een fractie van het menselijk potentieel wordt benut. De digitale technologie kan ons helpen een nieuwe menselijke wending in de economische geschiedenis te bewerkstelligen en onze hardnekkigste problemen in elke sector aan te pakken, vooral op het gebied van klimaat, onderwijs en gezondheid. Elk daarvan zal vereisen dat mensen elkaar op nieuwe manieren steunen om moeilijke problemen op te lossen.

    Er is geen andere reden dan de gewoonte om te veronderstellen dat markteconomieën maar op één manier kunnen werken. In feite is juist het tegendeel het geval. Ons kapitalisme is defect geraakt. De vroegere successen van het kapitalisme waren het gevolg van zijn vermogen om zich voortdurend aan te passen aan de nieuwe behoeften van nieuwe mensen. Er is niets onvermijdelijks of noodzakelijks aan de huidige regels van het marktspel of de politiek die daardoor wordt ingegeven. Dit is geen utopische gedachte. Integendeel, het zou onrealistisch zijn te denken dat het huidige bestel niet kan en moet worden uitgedaagd.

    De meesten van ons hoeven geen ‘dingen te zoeken waar mensen echt goed in zijn’. Dat weten we al: we zijn goed in het mens zijn. Op die manier maken we de wereld menselijker, en dat gaat beter als we in de gelegenheid zijn om te leren en een bijdrage te leveren. We hebben lief, en dat doen we beter als we zelf worden liefgehad en op waarde geschat. Het sonnet van Rilke vervolgt: ‘Maar ons kan het bestaan nog altijd bekoren; op een honderdtal plekken is het nog altijd de Oorsprong.’ Laat dit onze elektronische wereld zijn. ‘Ik bezing het elektrische lichaam,’ schreef [de Amerikaanse dichter] Whitman, ‘de legers van degenen die ik liefheb omgorden mij en ik omgord hen…’ Laat ook dit onze elektronische wereld zijn.

  • Zweet, sissend vlees en gezwaai met messen: een inkijk in de keuken van een Parijse bistro

    Zweet, sissend vlees en gezwaai met messen: een inkijk in de keuken van een Parijse bistro

    Een voormalige ober onthult wat er achter de klapdeur van een Parijse bistro gebeurt. Hij vergelijkt de hectiek in de keuken met een aards inferno. ‘De chef-kok duwt me tegen de muur, zijn mes vlak bij mijn oog.’

    Keuze uit het archief

    De Deense topchef René Redzepi kondigde deze week aan te vertrekken bij het wereldberoemde sterrenrestaurant Noma. Hij wordt beschuldigd van fysiek en verbaal geweld richting personeel. Daarmee lijkt er sprake te zijn van een cultuuromslag: ondergeschikten pikken het niet langer om door hun chef-kok geïntimideerd te worden.
    In dit artikel van The Telegraph uit 2022, een fragment uit het boek A Waiter in Paris, doet ober Edward Chisholm uit de doeken hoe het er in de Parijse bistro Les Deux Magots achter de schermen aan toegaat. Het stuk sluit naadloos aan bij de onthullingen van de afgelopen week.

    ‘Veel mensen zien een restaurant in Parijs misschien als iets moois, een goed geoliede machine vergelijkbaar met een goed getraind leger, iets wat al eeuwen op rolletjes loopt. Dat beeld klopt niet. Een restaurant in Parijs is een tweemaal daagse oefening in crisisbeheer en winstmaximalisatie en eerlijk gezegd, nu ik weet hoe het werkt, kan ik vertellen dat het een wonder is dat de gerechten zoals jij ze besteld hebt op tafel belanden. Een restaurant in Parijs is in werkelijkheid een inefficiënte bedoening, bemand door onderbetaalde en ondervoede slaven.’

    Dat zegt Edward Chisholm, die tien jaar geleden aan de grond zat in Parijs en een baan kreeg in een restaurant dat het midden hield tussen een buurtbistro en een sterrentent, en zich profileerde als ‘een soort Mekka waar mode en goed eten bij elkaar komen: het hedendaagse Parijs in een notendop’.

    Dat betekende dat hij twaalf tot veertien uur per dag moest werken, slechts gevoed door koffie en sigaretten

    Chisholm, beter bekend als ‘l’Anglais’, ‘de Engelsman’, begon als runner, de laagste positie op de ladder van de bedieningshiërarchie. Dat betekende dat hij twaalf tot veertien uur per dag moest werken, slechts gevoed door koffie en sigaretten, en tijdens zijn pauzes in een hokje van de herentoiletten in een naburig luxehotel wat bijsliep.

    De klapdeur achter in het restaurant vormde voor Chisholm het begin van een groot avontuur en van een levenslange liefde voor Frankrijk en Europa. Plotseling werd hij ingewijd in een van de meest iconische steden op aarde. Hij ontdekte een verborgen wereld bevolkt door dieven, immigranten zonder papieren, ex-soldaten, zogenaamde acteurs, drugsdealers en meer.

    Zoals de vergeten arbeiders in veel rijke steden zwoegden ze gezamenlijk in de schaduw van de Lichtstad, in de hoop dat dat tijdelijk was en het echte leven ergens om de hoek lag. Hier moesten ze alleen even doorheen.

    Nu, tien jaar later, heeft Chisholm een boek geschreven over zijn ervaringen. Het volgende fragment beschrijft de gruwelen van de Passage en de grote gevaren die op de loer liggen wanneer je de bovenkeuken betreedt…

    Afdaling naar de eethel

    Een restaurant in Parijs is als een bijenkorf, met jullie, de gasten, bovenaan, en de keukens ergens beneden. Maar het knooppunt van deze operatie, de plek die deze twee werelden verbindt en waar ik het grootste deel van mijn tijd doorbracht, heet de Passage.

    Dit vagevuur van zes vierkante meter met lage plafonds is de plek waar al het eten en drinken langskomt, hetzij vanuit de keukens richting restaurant, hetzij op de terugweg in de vorm van vuile borden en glazen. Hier komen ook de obers samen, een groep buitenbeentjes die meer weghebben van een goed geklede straatbende dan van een groep obers in een chic restaurant in Parijs.

    De Passage is de poort naar de onderwereld, compleet met zijn eigen Hellehond in de vorm van drie linke Sri Lankanen die geen genade kennen en hun werk verrichten in een ruimte ter grootte van een cockpit, slechts verlicht door een kaal peertje. Ze dragen vuile laboratoriumjassen die ooit wit waren en die bij de knopen opbollen door de vele lagen kleding eronder. Ook al zijn deze mannen de bewakers van het inferno beneden, in de Parijse winters werken ze bij ijskoude temperaturen aangezien de Passage voor de zomer ook een opening heeft naar het terras, die in de winter attent wordt afgedekt met een dun metalen luik.

    De leider van de bende in Le Bistrot de la Seine is Nimsath, een kleine pezige man met diepe groeven in het gezicht, een intense blik en vinnige houding, die schijnbaar altijd op het punt staat te ontploffen. Hij is donker en gespierd. Hij zou eind twintig of veertig kunnen zijn – dat is lastig te bepalen aan de hand van zijn uiterlijk. Hij maakt een prachtig grommend geluid als hij boos is. ‘Tamiltijger, vrijheidsstrijder,’ blaft hij dan. ‘Niet Sri Lankaans, niet Indiaas, Ingleeshman.

    De mannen die de Passage beheren, blijken allemaal lid te zijn van een guerrillaorganisatie

    De tweede Tamil is reusachtig, met zeer donkere trekken. Alle obers noemen hem Baloo. Hij heeft vriendelijke ogen en beweegt zich langzaam en doelgericht, alsof hij bang is iets te breken. De derde heet Mani. Ik heb hem niet eerder gezien. Hij zegt niets, kijkt alleen naar me en glimlacht.

    De mannen die de Passage beheren, blijken allemaal lid te zijn van een guerrillaorganisatie die sinds 2006 op de zwarte lijst van de Europese Unie staat. Uit gesprekken met Nimsath en de andere Tamils blijkt dat het geharde soldaten zijn, met genoeg gruwelverhalen om de obers door de tragere diensten te loodsen. Je kunt je soms moeilijk voorstellen dat deze mannen die daar borden aan het stapelen zijn en tegen de obers schreeuwen, bedreven zijn in lijf-aan-lijfgevechten en weten hoe ze een guerrilla-aanval op een gewapend konvooi moeten plannen en uitvoeren.

    Kwijtgeraakt bord

    Van iedereen die in het restaurant werkt respecteer ik Nimsath waarschijnlijk het meest. Niemand werkt harder. Een meter zestig, louter spieren en agressie. De obers mogen dan schreeuwen en tekeergaan over een kwijtgeraakt bord, ze weten allemaal dat Nimsath hen met gemak in elkaar timmert. Hij hoeft het niet te zeggen, je ziet het aan de blik in zijn ogen. Tegelijkertijd heeft hij iets komisch, haast kinderlijks.

    Natuurlijk probeert het management met haar kleingeestige regeltjes soms de onafhankelijke geest van de Tamils te breken. Maar ze onderschatten hen en weten waarschijnlijk niet precies met wie ze te maken hebben. Want hoe zwaar het ook wordt, de Tamils krijg je er niet onder. Ze breken niet. Op momenten dat het wat rustiger is, stel ik me graag voor dat Corentin, de manager, de Passage binnenkomt om hen te berispen, waarna de Tamils als uit een schuttersputje tevoorschijn sluipen, messen tussen de tanden geklemd, om ‘het gevaar te neutraliseren’. Mogelijk sleept Baloo daarna het nog warme lijk van Corentin terug de Passage in om het vervolgens op gepaste wijze te laten verdwijnen.

    Als enige Engelsman in het restaurant kreeg ik snel de naam, of misschien de identiteit van l’Anglais, de Engelsman. Ik kwam erachter dat die naam op veel verschillende manieren kan worden uitgesproken: met afkeer, bewondering, achterdocht. Maar niemand schept er meer genoegen in mijn naam te roepen dan Nimsath, die de voorkeur geeft aan de Engelse versie, die hij uitspreekt als Ing-gleeesh-maan.

    Behalve deze vrij oppervlakkige buitenkant, weet niemand iets over mij. Niemand lijkt ook erg geïnteresseerd, en dat is prima. We zijn hier tenslotte om te werken, en alleen daarop word ik beoordeeld. Maar voor Nimsath heb ik een zekere fascinatie. Hoewel onze levens totaal verschillen en de redenen waarom we hier zijn nog meer, ziet Nimsath ons als gelijken: we zijn beiden buitenlanders in Frankrijk. En hij heeft een obsessie met Londen. Dat is een voordeel, want ik ontdek al snel dat je voor een succesvolle baan als runner maar beter de Tamils, en in het bijzonder Nimsath, aan jouw kant kan hebben.

    Als gast denk je dat je naar een restaurant gaat om te eten, maar wat je daadwerkelijk wordt verkocht is een illusie

    Als gast denk je dat je naar een restaurant gaat om te eten, maar wat je daadwerkelijk wordt verkocht is een illusie. Het is doodeenvoudig theater. En jouw ober, de eerste en laatste schakel in de keten die jou, die boven zit, verbindt met de arme drommels die onder de grond lopen te zweten en te vloeken, is de grootste acteur van allemaal.

    GettyImages 635968091
    Op het terras van de beroemde bistro Les Deux Magots lijkt alles van een leien dakje te gaan. – © Peter Turnley/ Corbis/VCG via Getty Images

    Vergeet niet dat de ober slechts één doel heeft en dat is ervoor zorgen dat jouw bestelling precies op tijd op jouw tafel terechtkomt. Het lijkt zo eenvoudig. Daarom verwijt je hem soms dat hij onaardig is en laat je na hem fooi te geven. Maar om zijn eenvoudige doel te bereiken, moet de ober ervoor zorgen dat Nimsath en de andere Tamils in de Passage prioriteit geven aan jouw bestelling. Simpel gezegd betekent dit dat hij de Tamils paait, onder druk zet en overhaalt om andere bestellingen even te laten voor wat ze zijn, en tegelijkertijd gerechten van andere obers steelt zodat hij zijn eigen bestelling compleet heeft en kan wegbrengen.

    Dit proces wordt bemoeilijkt door het feit dat elke ober precies hetzelfde doet. En ze doen het omdat ze jouw fooi willen. Als runner sta ik regelmatig aan de ontvangende kant van al deze stress. De obers hebben het vaak zo druk met het afhandelen van verzoeken van hun tafels dat ik regelmatig met strikte instructies naar de Passage wordt gestuurd om iets te halen dat nog ontbreekt. Als er dan een probleem is, is het dus meteen mijn schuld: zo is het leven aan de onderkant van de voedselketen nu eenmaal. En als ik snel iets moet regelen, dien ik me tot Nimsath te wenden.

    Niet meer dan een concept

    De gebeurtenissen in het restaurant laten Nimsath koud: het restaurant ligt weliswaar direct achter de klapdeur, maar voor hem is het niet meer dan een concept, ongeveer net zo vaag en onbestemd als Londen. De wereld van Nimsath bestaat uit de zes vierkante meter waar hij werkt. Of een Hollywoodster misschien op haar seizoensgroenten wacht en een van de obers op het punt staat mij te vermoorden, interesseert hem geen moer. Zijn werk is eenvoudig: het eten arriveert, hij doet zijn best om complete bestellingen samen te voegen zonder al te veel inmenging van de obers; de vuile borden die binnenkomen stuurt hij terug naar beneden. En als je iets van hem gedaan wil krijgen, tja, dan zal je dat moeten verdienen.

    Je zal je fooien met hem moeten delen; je zal moeten accepteren dat hij jouw gerechten soms aan iemand anders meegeeft en dus met hem in discussie moeten gaan en daarbij, als vast onderdeel van je baan, elk denkbaar Tamil-scheldwoord voor je kiezen krijgen; en ten slotte zal je tegen hem terugschreeuwen, en wel in het Tamil, want elke zichzelf respecterende Parijse runner of ober spreekt wel een klein beetje Tamil. Maar als de dienst dan voorbij is en de slachtoffers geteld zijn, drink je weer koffie met hem en hoop je dat hij je van wat overgebleven voedsel kan voorzien, want je hebt al acht uur niet gegeten. En dan praat je over van alles en nog wat totdat de volgende keer exact hetzelfde gebeurt. Het is een herhaling van herhalingen.

    Als runner is mijn positie ten opzichte van de Tamils extra zwak aangezien ik geen fooien krijg en ze dus ook niet kan delen, hoewel zij volgens mij denken dat ik gewoon gierig ben. In theorie is het de bedoeling dat de obers mij elk drie euro geven voor mijn werk, maar dat doen ze zelden en het is vernederend om ze aan het eind van de dienst als een Oliver Twist met uitgestoken hand langs te gaan.

    Het gevolg is dat het Nimsath geen zier kan schelen of de obers tegen me schreeuwen dat ik de ontbrekende pommes dauphinoises voor tafel 487 moet gaan halen. Ik heb meer harde valuta nodig om dit alles draaiende te houden, ik moet fooi gaan verdienen en niet alleen om de Tamils om te kopen, ook om van te kunnen leven. Tot die tijd heb ik één troefkaart wat Nimsath betreft: Londen. Maar hoelang dat zal duren? Ik heb geen idee.

    ‘Londen goed, Parijs slecht’ is zijn vaste uitspraak.

    Voor Nimsath is het ondenkbaar dat ik Londen heb verlaten, waar, volgens hem, iedereen vriendelijk is en je nooit als slaaf wordt behandeld. De kans dat hij ooit Londen zal bereiken is klein, en dat weet hij. Dus neemt hij er genoegen mee mij vragen te stellen in gebroken Engels in de hoop dat hij door met mij, een echte Engelsman, te spreken op de een of andere manier dichter bij zijn droom komt.

    Als de dienst voorbij is, wikkelt Nimsath zich, net als de andere Tamils, in nog meer lagen kleding en vertrekt hij naar de vergeten buitenwijken. Ik weet niet precies waar hij woont, maar hij beschrijft een plek met verwaarloosde torenflats waar de liften niet meer werken en de bewoners hun boodschappen met touwen omhoog moeten hijsen. Geen wonder dat hij denkt dat Londen beter is. Bovendien kan hij nooit meer terug naar Sri Lanka, zegt hij.

    ‘Tamiltijger, vrijheidsstrijder,’ mompelen de Tamils in zichzelf als ze het zwaar hebben.

    Nimsath is al tien jaar in Parijs, waarvan hij het merendeel in de Passage heeft doorgebracht. Hij is weliswaar geen soldaat meer, maar hij vecht nog steeds voor zijn vrijheid.

    Onderbemand

    Het is lunchtijd en we zijn onderbemand. Een Amerikaanse vrouw houdt me staande, verontwaardigd dat haar filet de boeuf niet à point is, zoals gevraagd, maar absoluut saignant. De opengesneden, roze binnenkant van het gewraakte stuk vlees staart me aan als een oude wond. Wat zij heeft gekregen is wat Franse koks medium zouden noemen, zeg ik beleefd; misschien wil ze het eerst proeven? Met taalgebruik dat eerder thuishoort in de Passage duwt de dame me het bord in handen en draagt me op me uit de voeten te maken. Je raakt er als ober al snel aan gewend dat mensen menen tegen je te kunnen praten alsof je tot een lagere soort behoort.

    In de Passage kan de timing niet slechter zijn. Bijna alle obers zijn er, en de sfeer is giftig. Je hebt Lucien, mijn onwillige Gallische gids; De Souza, een kleine, voormalige bokser met gebroken neus; Salvatore, een Siciliaan zo groot als een beer; Renaud, de beroepsober met het onbetrouwbare gezicht; Jamaal, scheel en bedrieglijk en natuurlijk Adrien, de maître d’ouvrage, met zijn vettige blonde haar, zijn puisterige gezicht en zijn bijbaantje als cokedealer van de directie.

    De beschuldigingen vliegen in het rond, Nimsath schreeuwt obsceniteiten in het Tamil, en De Souza en Renaud staan tegenover elkaar, met Adrien als bemiddelaar. De Souza zegt iets over Renaud, die opnieuw fooien zou hebben gestolen. Renaud lacht hem uit.

    Nimsath weigert botweg het vlees terug te sturen naar de keuken. De andere obers zijn het daarmee eens en ik word de Passage uitgewerkt en teruggeduwd naar het restaurant.

    Ik zal het vlees zelf naar de bovenkeuken moeten brengen, besluit ik. Daar ben ik nog nooit geweest. We moeten er uit de buurt blijven. Het kastenstelsel houdt ons strikt gescheiden. Uit de bovenkeuken komen de belangrijkste onderdelen van elk gerecht: het vlees en de vis. Ze worden met dienstliften naar beneden gestuurd. Daar voegen de Tamils ze met de rest van het gerecht samen.

    Bovenaan de trap tref ik een ruimte aan ter grootte van een cockpit, met aan alle kanten op vol gas vlammende kookplaten

    Ik stel me de bovenkeuken voor als een redelijk glamoureuze plek, gezien de prestige, vol hoogopgeleide mensen die belangrijk culinair werk verrichten op glanzende metalen werkbladen met behulp van chique apparatuur. Bovenaan de trap tref ik echter een ruimte aan ter grootte van een cockpit, met aan alle kanten op vol gas vlammende kookplaten.

    steven lasry m9 Igxe55nM unsplash
    © Unplash

    Het lawaai is oorverdovend, een aanhoudend kabaal van afzuigkappen, ventilatoren, sissend vlees, metaal dat tegen metaal klettert en geschreeuw. Boven de hoofden bevindt zich een klein raampje, dat gesloten is. De intensiteit van de hitte is onbeschrijfelijk. De zwarte muren en het plafond zijn bedekt met grote plekken condens. Tussen de vlammen staan vijf Afrikaanse mannen. Grote mannen in doorweekte, bevuilde kokskleren. Het lijkt hier meer op een ijzersmederij in een afgelegen Romeinse buitenpost dan op een Parijse keuken. Ik zie hoe stukken schroeiend vlees en sissende vis uit de pannen worden geschept en op borden worden gegooid om na een snelle veeg met een vuile doek met de liften naar beneden te worden gestuurd.

    De chef-kok zwaait de scepter over dit aardse inferno

    De chef-kok zwaait de scepter over dit aardse inferno. De enige witte man in de keuken. Een Corsicaan. Een reus van een man die een mes hanteert dat zo groot is dat het waarschijnlijk ooit van Hercules zelf is geweest. Hij wijst, prikt, snijdt, smeert met het mes, slaat ermee op metalen oppervlakken. Een man vol schuimbekkende woede. Niets is ooit goed genoeg. Een kleine printer spuugt aan één stuk door kaartjes uit die hij zo woest afscheurt dat de machine van de muur dreigt los te komen. De bestellingen schreeuwt hij bruut in de oren van de koks, alsof hij er intens behagen in schept hen met een dergelijke minachting te behandelen.

    ‘Deux poulets! Trois loups! Un filet – bien cuit!’ Hij buigt zich naar hen toe als hij in hun oren schreeuwt: ‘Heb je me verdomme gehoord?’

    ‘Oui, chef!‘ roepen ze als in trance eenstemmig terug. Ze nemen niet eens de moeite om zijn spuug van hun wangen te vegen.

    ‘Bon, espèce de connard. Encore! Deux magrets! Un loup! Trois saumons!’

    ‘Deux veaux!’

    Dan ziet hij mij. ‘Flikker op jij!’

    Ik sta daar als een idioot met het uitgestoken bord.

    Hij wijst op me met het reusachtige mes. ‘Heb je me niet begrepen? Va te faire foutre! Fils de pute!’

    Door de zenuwen laat mijn Frans me in de steek en ik stotter. Het voelt alsof ik me in een trainingsscène uit een film over de Vietnamoorlog bevindt.

    ‘Dégage! Deze biefstuk is medium. Jouw klant is niet speciaal. Ze is een pute!’

    Hij keert terug naar zijn personeel. Om de een of andere reden blijf ik staan waar ik sta, op de drempel. Vastbesloten om het vlees gegaard te krijgen.

    Als hij zich weer omdraait en mij nog steeds ziet staan met het bord biefstuk in de hand, zie ik voor mijn ogen gebeuren dat hij verteerd raakt door woede, door onvervalste, pure haat. In een oogwenk duwt hij me tegen de muur, met zijn vrije hand op mijn keel en de punt van het reusachtige mes vlak bij mijn oog.

    ‘Hoe durf je me te vertellen hoe ik moet koken!’ schreeuwt hij.

    Ik krijg geen lucht meer. Zijn bankschroefachtige greep vermorzelt mijn luchtpijp. Hij houdt mijn keel nog steeds vast, laat het mes zakken en trekt het bord uit mijn hand. De steak glijdt in een pan.

    ‘Cremeer het!’ schreeuwt hij naar de kok.

    ‘Oui, chef!’

    Ik voel paniek opkomen want ik krijg nog steeds geen lucht. Ik probeer me vergeefs te ontworstelen aan zijn greep, wat hem alleen maar bozer maakt, zodat hij nog harder knijpt. Zijn adem ruikt naar sigaretten en cognac, de muur ruikt naar vlees. Nog nooit is de tijd zo langzaam voorbijgegaan. Ik sta op het punt een black-out te krijgen en dan…

    ‘Cramé, chef!’ schreeuwt de kok die het dichtst bij ons staat. Verbrand.

    Nu laat de chef-kok eindelijk mijn keel los, pakt het stuk vlees met zijn blote hand, houdt het voor mijn gezicht zodat het mijn neus raakt, en smijt het dan op het bord, dat bijna uit mijn hand valt. Ik draai me om en haast me de trap af. Beneden raap ik mezelf bijeen. Het kost me moeite om adem te halen. Ik controleer mijn verschijning en strijk mijn haar glad. Met een servet dat aan de zijkant van het bord is blijven liggen veeg ik eerst het bord en daarna mijn gezicht af, waarna ik me een weg baan door de smalle gangen, richting het restaurant.

    In de eetzaal is niets veranderd. Ik ben nauwelijks een paar minuten weg geweest. Er klinkt nog steeds het gekletter van bestek tegen borden en het geroezemoes van beleefde gesprekken, obers zwermen nog steeds rond als vliegen. Ik ga rechtstreeks naar de tafel van de Amerikaanse dame en zet het vlees voor haar neer. Ze kijkt me niet aan en bedankt me niet. Ze prikt er simpelweg met haar vork in, laat weten dat het in orde is en gaat verder met eten. Als een speer begeef ik me naar de Passage, elke gast en ober negerend die mijn aandacht probeert te trekken. Ik schreeuw naar Nimsath om water, dat ik weer ophoest als ik drink. Yulia, een van de gastvrouwen, komt me achterna gesneld. ‘Wat heb je gedaan?’

    Ik kijk om. Geschrokken. ‘Wat?’

    ‘Je rug!’

    Ze draait me om en begint te wrijven met een doek. ‘Walgelijk.’

    Mijn jasje is bedekt met een laagje slijm. Vet, zweet en condens van de muren in de bovenkeuken. Gaat er nooit meer uit. En dat midden in mijn dienst. Als ik geen jasje heb, kan ik niet in de eetzaal werken en als ik niet kan werken, word ik ontslagen.

    Lucien, de ober die de weinig benijdenswaardige opdracht heeft ervoor te zorgen dat ik er geen zooitje van maak, stormt naar binnen. Als ik hem vertel wat er is gebeurd, is hij onvermurwbaar: ‘Wat heb ik je nou gezegd? Hè? Je mag nooit in de bovenkeuken komen. Nooit!’

    9781800960183 front

    Edward Chisholm, A Waiter in Paris: Adventures in the Dark Heart of the City, Octopus.

  • Hoe burn-out een modewoord werd

    Hoe burn-out een modewoord werd

    Is chronische stress een signaal dat we teleurgesteld zijn in ons werk, dat zelden oplevert wat ons werd voorgespiegeld? Volgens hoogleraar Jonathan Malesic is het arbeidsregime afgestemd op de winst voor enkelen en de uitputting van velen.

    Wat hebben bankiers, influencers op TikTok en prins Harry met elkaar gemeen? Het klinkt als het begin van een flauwe grap, maar om het antwoord valt allerminst te lachen. Want die hard werkende professionals hebben allemaal last van een burn-out.

    Al vijf decennia lang bestuderen psychologen het fenomeen burn-out, en beroepsgroepen zoals artsen en maatschappelijk werkers waarschuwen er al langer voor binnen hun gelederen. In de afgelopen twee jaar is de culturele status van het verschijnsel radicaal veranderd. ‘Burn-out’ is niet langer een gespecialiseerde term die een toestand van uitputting beschrijft bij werknemers in bepaalde zware beroepen in de dienstverlening; het is een storm geworden die door de professionele elite raast. Iedereen, van dierenartsen tot accountmanagers bij Amazon, lijdt aan een burn-out; bij The New York Times lijkt het wel een vast thema, zo overvloedig als erover wordt geschreven. Hoe is ‘burn-out’ een sleutelwoord van onze tijd geworden?

    Dat de term recentelijk zo populair is geworden, heeft natuurlijk veel te maken met de pandemie

    Dat de term recentelijk zo populair is geworden, heeft natuurlijk veel te maken met de pandemie. Corona was de oorzaak van een uitputtingsepidemie onder werknemers. De stress en de sociale ontwrichting als gevolg van een slecht gemanagede, schijnbaar eindeloos durende gezondheidscrisis stelden grenzen aan wat werknemers konden verdragen. Toch kunnen we de alomtegenwoordigheid van de burn-out niet alleen aan corona toeschrijven. De uitputting bij verpleegkundigen en leraren verklaart ten dele het toegenomen gebruik van het begrip, maar de term komt nog het meest voor bij hoogopgeleide externe medewerkers in de technologie, financiën en media. Is het syndroom dan echt het gevolg van chronische stress op het werk, zoals de Wereldgezondheidsorganisatie het heeft geclassificeerd? Is het een vorm van depressie? Of is het veeleer een signaal dat we teleurgesteld zijn in ons werkende leven, dat zelden oplevert wat ons werd voorgespiegeld? 

    De intelligente en zorgvuldige studie The End of Burn-out van Jonathan Malesic schept duidelijkheid in een verwarrende discussie. Hij werpt een kritische blik op de term burn-out, die in het maatschappelijke discours een nonchalante, haast complimenteuze klank heeft gekregen. Journalistieke verhalen over het verschijnsel, zoals het veelgelezen essay van Anne Helen Petersen uit 2019, leggen vaak nadruk op de heldhaftige inspanningen van de opgebrande werknemer die tegen beter weten in tot het gaatje gaat. Dergelijke verhalen hebben het prestige van de burn-out aanzienlijk verhoogd, betoogt Malesic. Hierin wordt de aandoening op één lijn geplaatst met ‘het Amerikaanse ideaal van constant werken’. Maar ze bieden hooguit een verkapt beeld van wat een burn-out werkelijk is.

    Valse belofte

    Psycholoog Christina Maslach is een van de grondleggers van het onderzoek naar de burn-out; de Maslach Burnout Inventory is de standaard beoordelingswijze geworden bij mensen met klachten. Volgens haar bestaat de aandoening uit drie componenten: uitputting; cynisme of depersonalisatie (bijvoorbeeld wanneer artsen hun patiënten gaan zien als ‘problemen’ die opgelost moeten worden, in plaats van als mensen die een behandeling nodig hebben); en een gevoel van ineffectiviteit of zinloosheid. Over uitputting zou je nog kunnen opscheppen, maar over ineffectief werk kan dat niet. Verhalen over de wanhopige werknemer als arbeidsheld gaan voorbij aan het belangrijke feit dat een burn-out je vermogen aantast om je werk te doen. Een ‘nauwkeurige diagnostische checklist’, schrijft Malesic, kan helpen om nonchalant gebruik van de term tegen te gaan en mensen die eraan lijden aansporen om hulp te zoeken.

    We bleven hopen dat we door onze aanhoudende inspanningen datgene zouden vinden waarnaar we op zoek zijn

    Malesic is in meer geïnteresseerd dan alleen de klinische geschiedenis van de burn-out. Als godsdienstwetenschapper diagnosticeert hij het verschijnsel als een aandoening van de ziel. Ze komt volgens hem voort uit een kloof tussen het ideaalbeeld dat we van het werk hebben en de realiteit. Amerikanen koesteren grote fantasieën over wat werk hun kan bieden: geluk, waardering, identiteit en verbinding. De realiteit is echter veel minder rooskleurig. Sinds de jaren zeventig zijn de arbeidsomstandigheden in veel economische sectoren steeds slechter geworden. Terwijl onze economie de ongelijkheid in de hand werkt en steeds veeleisender wordt, hebben velen van ons die fantasieën alleen maar versterkt.

    We bleven hopen dat we door onze aanhoudende inspanningen datgene zouden vinden waarnaar we op zoek zijn, en zouden worden wie we willen zijn. Een valse belofte, zegt Malesic. Zijn boek wordt zelden polemisch, toch is de strekking ervan sterk moreel-religieus. Hij verzet zich tegen het wrange idee dat we onze waardigheid ontlenen aan ons werk, waardoor degenen die niet werken – ouderen en mensen met een beperking – geen waarde hebben. Integendeel: alle mensen hebben intrinsieke waardigheid, maar door een arbeidsregime dat is afgestemd op de winst voor enkelen en de uitputting van velen, slagen we er niet in elkaars menselijkheid in ere te houden.

    Geen schim van zichzelf

    Malesic is misschien een ongeloofwaardige spreekbuis voor burn-outslachtoffers, omdat hij de perfecte baan leek te hebben. Als hoogleraar met een vaste aanstelling kon hij lesgeven over zijn geliefde onderwerpen: religie, ethiek en theologie. Hij had intelligente en vriendelijke collega’s en zijn salaris en secundaire arbeidsvoorwaarden waren royaal. Maar niemand had door dat hij geen schim meer was van zijn vroegere zelf. ’s Middags kon hij amper lesgeven. Door zijn langeafstandshuwelijk was hij veel alleen en hij vulde zijn avonden met ijs eten en bier drinken. Zijn ongeïnspireerde en onverschillige studenten, met hun neiging naar verveling en plagiaat, hadden hem geestelijk gebroken.

    Een depressie was het niet, niet helemaal althans, want gesprekstherapie en antidepressiva hielpen niet

    Malesic zegde zijn baan op en besloot uit te zoeken wat er met hem aan de hand was. Een depressie was het niet, niet helemaal althans, want gesprekstherapie en antidepressiva hielpen niet. Zijn baan opzeggen hielp daarentegen wel. Zo kwam hij tot de conclusie dat hij een burn-out had. 

    De legendarische socioloog C. Wright Mills opperde dat de ‘sociologische verbeelding’, waarmee we kunnen begrijpen hoe onze eigen ervaringen bredere sociale en historische krachten weerspiegelen, ons kan helpen onze schijnbare privéproblemen te koppelen aan maatschappelijke kwesties. De burn-out biedt als individuele manifestatie van een kapot arbeidssysteem een uitgelezen kans om nieuw licht te werpen op dat systeem. De opkomst van de burn-out loopt ruwweg parallel met de ontwikkeling van een specifieke fase in de Amerikaanse economische geschiedenis.

    Uitzendbranche

    In de jaren zeventig doofde de naoorlogse bezieling uit en nam de ongelijkheid exponentieel toe. De opkomst van de uitzendbranche, twee decennia daarvoor, was daarvan de voorbode. Consultants begonnen bedrijven te adviseren dat ze hun vaste werknemers moesten ontslaan. ‘De uitzendkracht werd de ideale werknemer,’ merkt Malesic op. De werknemer werd beschouwd als een blok aan het been, niet langer als een productieve kracht. Als gevolg van de deregulering en de afnemende macht van de vakbonden wisten bedrijven het risico te verschuiven van kapitaal naar arbeid. Ondertussen stelde de groeiende dominantie van de dienstensector nieuwe emotionele eisen aan werknemers. In dienstverlenende banen zijn onze persoonlijkheid en emoties ‘de belangrijkste productiemiddelen’: dat is wat de werkgevers inhuren en waarover zij controle uitoefenen.

    In die context ontstond een nieuwe morele richtlijn voor het werk: een ‘eenrichtingsstelsel van beloning’ tussen werkgevers en werknemers, zoals socioloog Allison Pugh het noemt. Werknemers moeten zich met hart en ziel aan hun werk wijden, willen ze een baan krijgen (en behouden), terwijl hun werkgevers zich niet verplicht voelen iets terug te doen. Het zijn de ideale omstandigheden voor een burn-outepidemie. Hierbij mogen we één feit niet vergeten: sinds 1974 is de arbeidsproductiviteit gestegen, terwijl de reële lonen gelijk zijn gebleven. We werken harder en krijgen er niets voor.

    Hard werken is waarschijnlijk de meest algemeen gekoesterde waarde in de VS

    Ondertussen zijn, als compensatie voor een steeds onzekerder economie, onze fantasieën over werk alsmaar intenser geworden. Hard werken is waarschijnlijk de meest algemeen gekoesterde waarde in de VS. Uit een recent onderzoek van Pew Research Center blijkt dat 80 procent van de Amerikanen zichzelf omschrijft als ‘hardwerkend’; geen enkele andere eigenschap werd zo vaak genoemd. Het werk zelf is slechter geworden, maar onze werkidealen blijven verheven. Als een burn-out, zoals Malesic zegt, voortkomt uit de discrepantie tussen het ideale en het reële, dan is de aandoening een straf voor idealisten.

    William Morris droomde in zijn beroemde essay Useful Work versus Useless Toil van een politieke transformatie waarbij al het werk plezierig zou worden gemaakt. Malesic daarentegen vindt dat ons werk helemaal niet het middelpunt van ons leven zou moeten zijn. Sinds Max Webers studie van de protestantse ethiek wordt het christelijke gedachtengoed vaak verantwoordelijk gehouden voor giftige arbeidsidealen. Malesic stelt echter dat het gif het tegengif kan leveren. Religieuze erediensten en de joodse sabbat zijn bijvoorbeeld vormen van vrije tijd die bevestigen dat er hogere waarden zijn dan werk. Hij laat ons gemeenschappen zien die denken en handelen op een religieuze manier, waarbij werk marginaal is of binnen strikt in acht genomen grenzen wordt uitgevoerd: een benedictijns klooster in de woestijn van New Mexico en een non-profitorganisatie in Dallas die voor de een een droomwerkplek lijkt en voor de ander een charismatische sekte. Dergelijke voorbeelden laten zien hoe gemeenschappen waarin werk ondergeschikt is aan hogere doelen economisch kunnen overleven en tegelijkertijd het welzijn van hun leden kunnen bevorderen.

    Nerveuze uitputting

    Het uitstekende boek van Malesic heeft één tekortkoming. Ondanks de grote zorgvuldigheid waarmee hij de klinische geschiedenis van de burn-out blootlegt, onze werkidealen aanklaagt en nieuwe manieren voorstelt om ons leven te organiseren, blijft de politieke lading van zijn centrale term erg vaag. Is de burn-out een wapen van de zwakkeren, een manier om terug te slaan tegen een onrechtvaardig arbeidsregime? Of is het de nieuwste aanstellerij van een in zichzelf gekeerde en neurotische elite die voortdurend claimt het slachtoffer te zijn, terwijl ze op veilige afstand staat van de deaths of despair die de Amerikaanse arbeidersklasse teisteren en van het vuile werk in slachthuizen, gevangenissen en dergelijke?

    Malesic heeft aandacht voor de druk op de werkplek, die vrouwen en raciale minderheden naar een burn-out dirigeert. Ook is zijn benadering van invaliditeit verfrissend: hij laat zien hoe leven met een beperking ons ertoe kan brengen ons heersende verhaal over werk te heroverwegen; daarvoor baseert hij zich op het voortreffelijke essay The Right Not to Work van de gehandicapte kunstenaar Sunny Taylor. Klassenverschillen komen echter nauwelijks in zijn analyse voor, behalve in een beknopte bespreking over de ‘witteboordendienstbaarheid’ die tegenwoordig van de arbeidersklasse wordt verwacht en in een interview met een fervent fietser die een vinger verloor tijdens zijn werk in een bandenfabriek. Hij vermeldt niet hoe wijdverbreid de burn-out is onder mensen uit de arbeidersklasse; in zijn boek gaat het meestal over artsen en hoogleraren.

    De beste historische vergelijking die Malesic vindt met de burn-out is neurasthenie, een toestand van nerveuze uitputting

    De beste historische vergelijking die Malesic vindt met de burn-out is neurasthenie, een toestand van nerveuze uitputting. Het was de ziekte van de welgestelde, hoogopgeleide negentiende-eeuwse Amerikaanse intellectuelen. De taal die doet denken aan de burn-out duikt inderdaad op in American Nervousness, de klassieke verklaring over neurasthenie die in 1881 werd gepubliceerd door de arts George M. Beard. Hij vergelijkt het menselijk zenuwstelsel met een elektrisch circuit: ‘Er breekt een periode aan waarin de hoeveelheid kracht onvoldoende is om alle lampjes brandende te houden; de zwakste lampjes doven het eerst.’

    Dit precedent is zo evident dat het nog een andere reden biedt om te vermoeden dat de burn-out, net als neurasthenie, een exclusieve aandoening is. Het is bizar, stelt Daniel Markovits in zijn recente boek The Meritocracy Trap, hoe hard de superrijken werken in de huidige economische orde. De rijkste 1 procent bestaat grotendeels uit directeuren, investeerders, consultants, advocaten en gespecialiseerde artsen die extreem veel werken, soms meer dan zeventig uur per week. Het is onwaarschijnlijk dat deze werkverslaafde elite erg hoog zou scoren als het aankomt op inefficiëntie (uitputting en cynisme zijn een ander verhaal). Maar de vreemde werkethiek die de rijken voor zichzelf hebben bedacht is wel uitermate relevant als je de burn-out wilt begrijpen als cultureel fenomeen, vooral nu het zijn traditionele slachtoffers overstijgt – artsen, verpleegkundigen, leraren, maatschappelijk werkers – en toeslaat in de ruimere gelederen van kenniswerkers.

    Arbeidersklasse

    De arbeidsidealen die Malesic bestempelt als verhalen die de ziel verwoesten, zijn voor een groot deel die van de midden- en hogere klasse; veel mensen uit de arbeidersklasse, die door ervaring wijs zijn geworden, hebben allang door dat uitbuiting een realiteit is. Het moge duidelijk zijn dat ook in de arbeidersklasse burn-outs voorkomen. Uit een recent Brits onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat slechtbetaalde, laagopgeleide werknemers vaker het gevoel hebben dat hun baan zinloos is.

    De burn-out is ook niet alleen een Amerikaans verschijnsel. Van de tang ping-protestbeweging in China tot de verontwaardiging over sterfte door overwerk in Japan en Zuid-Korea: in rijke landen groeit het verzet tegen onmenselijke arbeidsidealen die van welvaart een vloek maken. Zweden en een paar andere Europese landen geven werknemers met een burn-out betaald verlof, en in Finland kunnen burn-outpatiënten in aanmerking komen voor betaalde revalidatieworkshops.

    In de strijd voor humanere arbeidsomstandigheden heeft de burn-out dus weinig invloed. Bovendien bewijst Malesic ons een dienst door te verhelderen hoe onze massale waanideeën ons ervan weerhouden te floreren op het werk. ‘Burn-out’ is hooguit een overgangsterm: als onderwerp van culturele fixatie is het op z’n minst een begrip dat gemakkelijk kan worden weggekaapt door de elite. Op z’n best is het bijna volledig een fenomeen van de elite.

    De term heeft culturele bekendheid verworven, juist omdat hij weerklank vindt bij welgestelde professionals

    Dat de burn-out mainstream aan het worden is, betekent niet dat er een beter maatschappelijk gesprek ontstaat over de positieve kanten van het nietsdoen, of over het streven naar minder vervreemdende vormen van werk. De term heeft culturele bekendheid verworven, juist omdat hij weerklank vindt bij welgestelde professionals die van overwerk een fetisj maken. De burn-out zal de kenniswerkers en de arbeidersklasse niet dichter bij elkaar brengen, als die laatste consequent buiten de cijfers wordt gehouden of als de arbeiders anders over hun uitbuiting denken. Malesic hoopt de term ‘burn-out’ te beperken tot de officiële klinische criteria. Maar juist de brede betekenis van de term maakt hem aantrekkelijk; zelfverklaarde burn-outgevallen kunnen zichzelf feliciteren met hun ijver, terwijl ze het stigma van depressie of een andere zwaardere diagnose ontlopen.

    De burn-out is een indicator dat er iets is misgegaan in de manier waarop we ons werk organiseren. Maar als concept blijft het vastzitten in een oud denkkader: een arbeidsethos dat al twijfelachtig was in de Amerikaanse industriële periode. Een arbeidsethos dat nu nog moeilijker op waarde kan worden geschat, in deze periode van extreme ongelijkheid en toenemende onzekerheid bij beroepen die ooit zekerheid boden. De burn-out van Malesic lijkt voorbestemd om het lot van neurasthenie achterna te gaan, en misschien wel dat van alle ideeën die ooit in de tijdgeest opkwamen: fel branden om vervolgens weer uit te doven.

    Jonathan Malesic, The End of Burnout: Why Work Drains Us and How to Build Better Lives (‘Het einde van de burn-out: Waarom werk ons leegzuigt en hoe we een beter leven kunnen opbouwen’), University of California Press, 288 pagina’s.

  • Revolutie in de koekjesfabriek – deze werknemers namen het heft in eigen handen

    Revolutie in de koekjesfabriek – deze werknemers namen het heft in eigen handen

    Het personeel van koekjesfabriek La Nirva werd maanden niet betaald en ging de barricade op. Uiteindelijk namen de arbeiders de hele operatie over. En deden het nog beter ook. Kom je aan de alfajores, de nationale trots van Argentinië (en van koningin Máxima), dan zwaait er wat.

    Het is een regenachtige dag, en de stakende arbeiders schuilen waar het maar kan – sommigen staan dicht opeengepakt onder een kleine partytent; anderen hebben hun toevlucht gezocht onder strandparasols. Ze zijn bang en ze hebben het koud, maar hier hebben ze voor gestemd. Ze hebben hun kamp opgeslagen voor de La Nirva-fabriek, waar ze jaren achtereen lange uren hebben gemaakt en allemaal hun eigen bijdrage hebben geleverd aan de productie van de alfajor el Grandote, ofwel ‘De grote’, een driedubbeldik koekje met een karamelvulling en een chocoladecoating, misschien wel de populairste zoetigheid in Argentinië. Maar de Grandote ligt inmiddels al meer dan vijf maanden niet in de schappen. Voor de mensen die een groot deel van hun leven hebben gewijd aan de productie van deze koeken was er een grens bereikt. Ze hadden geen van allen ooit eerder zoiets gedaan, maar het water stond hun aan de lippen.

    Grofweg tachtig procent van het personeel in de fabriek is vrouw, van wie het merendeel kostwinner. Velen werken al meer dan tien jaar in de fabriek. Maar de laatste tijd kostte het steeds meer moeite om voor brood op de plank te zorgen. Ze hadden al maanden hun loon niet volledig uitbetaald gekregen. In mei 2020, toen het coronavirus het land binnendrong, stond er een landelijke staking op stapel. Terwijl het overgrote deel van de bevolking binnen bleef om niet te worden blootgesteld aan het virus, sloegen de La Nirva-medewerkers hun kamp op in een allerlaatste poging hun recht te halen. Ze hadden nog geen idee over wat voor woelige baren hun gemeenschappelijke reis zou voeren.

    De La Nirva-fabriek is een drie verdiepingen hoge kolos aan de rand van Buenos Aires. In de fabriek worden niet alleen alfajores gemaakt, maar ook andere koekjes. Met 120 werknemers had de fabriek in 2018 een productiecapaciteit van zo’n 1,6 miljoen eenheden per dag. Aangezien de meeste werknemers in de hoofdstad of de nabijgelegen steden wonen, komen ze naar het werk met de trein, de bus of de auto.

    Carmen Gómez, een 42-jarige kokkin en operateur, was elke dag een uur onderweg naar haar werk. Het werk in de alfajorfabriek was Carmens eerste echte baan nadat ze van school was gegaan om voor haar familie te zorgen. Niet lang nadat ze hier was begonnen, trouwde ze en kreeg haar eerste kind, dat inmiddels twintig is. Ze heeft vaak gezegd dat La Nirva haar ‘tweede huis’ is.

    In 2017 stevende Argentinië af op een zoveelste economische crisis. De marktvriendelijke hervormingen die door de nieuwe presidentiële regering in gang waren gezet, hadden de economie niet weten aan te zwengelen, maar hadden juist geleid tot een ongeëvenaarde inflatie en een ongekende schuldenlast, én tot een scherpe stijging van zowel de armoede als de werkeloosheid. Tussen december 2015 en december 2019 gingen er 24.505 Argentijnse bedrijven over de kop. Nadat de oorspronkelijke eigenaars La Nirva meer dan dertig jaar draaiende hadden weten te houden, verkochten ze de fabriek aan Grupo Blend, een conglomeraat dat in het bezit was van twee zakenmannen, Matías Pérez Paradiso en Marcelo Iribarren.

    Vakbondskwesties

    ‘De eerste paar maanden bleef alles bij het oude. Er waren geen problemen met de betalingen,’ zegt Marcelo Cáceres, een 36-jarige La Nirva-werknemer die in 2008 bij de fabriek is komen werken, toen hij net van school kwam. Hij werkte in het laboratorium van de fabriek totdat hij vanwege rugproblemen werd overgeplaatst naar de schoonmaakafdeling. Hij is ook de afgevaardigde van de vakbond, sinds zijn tweede jaar bij La Nirva. Waarom? ‘Ik ben een beetje gek en ik kan slecht tegen onrecht,’ zegt hij.

    Tijdens Marcelo’s eerste tien jaar bij de fabriek bleef dat onrecht meestal beperkt tot standaard vakbondskwesties, zoals te korte lunchpauzes. Vlak na de overname door Grupo Blend veranderde er het een en ander, zegt Marcelo. Er werd gekort op werktijden, overuren en bonussen. De werknemers zeggen dat ze begin 2018 nog maar drie dagen per week werkten. Vanaf dat moment ging het bergafwaarts.

    Mónica Moyano, die 22 jaar in de fabriek heeft gewerkt, viel het op dat de koopwaar geen aftrek leek te vinden. ‘We produceerden nog wel gewoon, maar alles bleef in het pakhuis liggen,’ vertelt ze. ‘Soms moesten we dozen alfajores openmaken en weggooien omdat ze niet goed meer waren.’ In de twee decennia daarvoor had ze dat nog nooit meegemaakt.

    Vervolgens werden de elektriciteit, het gas en het stromende water afgesloten. Kennelijk hadden de eigenaren de rekeningen niet betaald. De werknemers konden bijna een jaar lang niets produceren. Ze kregen in deze periode nog wel betaald, maar slechts zo’n 4000 peso (destijds iets van 140 dollar) per vijftien dagen, een fractie van hun normale salaris.

    ‘We zagen de fabriek aftakelen,’ zegt Noelia, die al twaalf jaar in de fabriek werkt als inpakster. ‘Toen begonnen we ons echt zorgen te maken: “Als hij de rekeningen niet kan betalen, hoe moet hij ons dan betalen?” vroegen we ons af.’

    Noelia’s zorgen waren zonder meer terecht. Niet lang hierna zette Grupo Blend niet alleen de betalingen stop aan het personeel, maar ook aan de leveranciers. Ondertussen waren de klanten ook niet blij. La Nirva had lange tijd alfajores geleverd aan supermarkten en tankstations, die de leveringen vooruit hadden betaald. Toen Grupo Blend de boel overnam, bleven de winkels vooruitbetalen – maar nu kregen ze er geen koeken voor terug.

    Vervolgens werd meer dan de helft van het personeel ontslagen. Marcelo, de vakbondsvertegenwoordiger, liet van zich horen en probeerde het op te nemen voor zijn ontslagen collega’s. Maar hij zegt dat hij op een dag een anoniem telefoontje kreeg: ‘Hou je erbuiten of je krijgt een kogel door je kop,’ hoorde hij aan de andere kant van de lijn.

    In oktober 2019, toen de fabriek al bijna een jaar dicht was en het personeel nog maar een deel van hun salaris ontving, kwam het tot een staking. ‘We noemden het een asamblea permanente,’ zegt Marcelo, een permanente vergadering, wat wil zeggen dat ze in de fabriek waren om de situatie te bespreken. Paradiso, de nieuwe mede-eigenaar en grootaandeelhouder, beloofde de productie weer op te starten en bezwoer dat hij alle achterstallige salarissen zou uitbetalen.

    Hij hield zijn belofte maar half: tegen het einde van die maand was de fabriek weer in bedrijf. Het personeel beëindigde de staking en maakte enorme hoeveelheden alfajores. Uiteindelijk stemde het bedrijf ermee in het personeel het achterstallige loon uit te betalen en werden er cheques uitgeschreven voor maar liefst 300.000 peso (5000 dollar). Het personeel ging hoopvol gestemd de feestdagen in – maar het einde van de ellende was nog niet in zicht.

    De banken waren gesloten, dus veel werknemers hielden hun cheque nog even bij zich. Anderen, die meteen geld nodig hadden, gingen ermee naar een wisselkantoortje of ruilden de cheque bij vrienden of familieleden in voor contant geld. Uiteindelijk kwamen ze allemaal tot dezelfde ontdekking: de cheques waren niet gedekt. Het bedrijf had geen tegoeden.

    Er waren minstens 290 ongedekte cheques uitgeschreven, wat neerkomt op zo’n 1,2 miljoen dollar

    Volgens Argentiniës officiële kredietregistratie zijn er door La Nirva minstens 290 ongedekte cheques uitgeschreven, wat neerkomt op zo’n 52,2 miljoen Argentijnse peso, destijds ruwweg zo’n 1,2 miljoen dollar. Niet alleen stond het bedrijf in het krijt bij het personeel – er was ook een schuld van 6 miljoen dollar bij de voormalige eigenaars en een schuld van 370.000 dollar bij banken en andere financiële instellingen.

    ‘Ik wist niet wat ik hoorde,’ zegt Carmen, die haar zussen om geld had gevraagd voor eten, en hun wilde terugbetalen nadat ze haar cheque had geïnd. Marcelo had zijn cheque ingewisseld bij een vriend en moest later zijn auto en andere spullen verkopen om die vriend terug te betalen. Hij kreeg wat extra tijd om terug te betalen, maar dat geluk had niet iedereen. ‘Ik heb een collega die een serieus probleem had omdat hij zijn cheque op straat had ingewisseld. Bij mensen die niet van geintjes houden,’ zegt Marcelo ernstig. ‘Ze dreigden hem te vermoorden.’

    Het was een stressvolle kerst voor het personeel. Sommigen gingen op zoek naar ander werk, maar velen vreesden dat ze inmiddels te oud waren, al helemaal omdat door de economische crisis de banen in Buenos Aires niet voor het oprapen lagen.

    In februari 2020 besluit het personeel dat ze niet langer werkloos kunnen toekijken. Ze besluiten voor de deuren van de fabriek te gaan demonstreren. Naarmate het nieuws over hun strijd de ronde doet, krijgen ze steeds meer steun van leraren, buren, studenten, leden van linkse politieke partijen, en vele anderen. Er worden ook veel donaties gedaan aan het fondo de lucha, ofwel het strijdfonds.

    Sympathiserende buren wijzen de werknemers op een nieuwe ontwikkeling: ze hebben gemerkt dat er ’s nachts een vrachtwagen is gekomen en dat er allerlei apparatuur is ingeladen. Het lijkt erop dat Grupo Blend de machines probeert te verkopen en de fabriek in haar geheel wil sluiten. Het personeel is niet van plan dat te laten gebeuren. Dit is het moment waarop ze besluiten de fabriek dag en nacht te bewaken. De protesten van overdag gaan over in een nachtelijk kampement. 

    Het personeel van La Nirva verdedigt een nationaal icoon

    Het personeel van La Nirva komt niet alleen op voor hun eigen levensonderhoud. Ze verdedigen een nationaal icoon. Waarschijnlijk heeft niemand de culturele waarde en de vele aspecten van alfajores zo goed weten vast te leggen als Facundo Calabró, ofwel de Alfajor Taster (@alfajorperdido) zoals hij heet op Twitter, waar hij zijn bevindingen post over de verschillende versies van de zo geliefde koek.

    ‘Alfajores roepen, net als andere cultuuruitingen zoals voetbalwedstrijden of het geloof, irrationele gevoelens op,’ zegt Calabró. Volgens hem maakt de haast onvoorwaardelijke liefde die velen koesteren voor de verschillende merken alfajores een wezenlijk onderdeel uit van de Argentijnse identiteit. Bepaalde regio’s van Argentinië hebben hun eigen merk, er zijn sjieke alfajores die je in een restaurant krijgt voorgeschoteld en eenvoudige versies die je op elke straathoek kunt krijgen. Er zijn versies die je in de schoolkantine koopt en versies die je zelf maakt.

    ‘Welke alfajores je eet zegt iets over wie je bent, waar je woont, waar je vandaan komt,’ aldus Calabró.

    La Nirva maakt twee van deze identiteitsbepalende alfajores: La Recoleta, hun duurdere alfajor, en de Grandote, de alfajor voor de gewone man. Die laatste wordt in het informele circuit verkocht aan forenzen in de trein of de bus. De drie lagen koek en de dubbele laag dulce de leche vullen elke rammelende maag. Misschien is het niet ieders lievelingsalfajor, maar vele generaties Argentijnen herkennen deze grote koek en kennen ook de bijbehorende reclameleus uit hun hoofd: Ya probaste el chiquito, ahora probá el Grandote. (‘De kleine heb je al geproefd, nu is het tijd voor De grote.’)

    Volgens Calabró dreigt het hele Argentijnse volk iets van haar identiteit te verliezen als de Grandote zou verdwijnen. ‘Als een dergelijk product verdwijnt, verliest de Argentijnse cultuur iets waardevols.’

    ’s Nachts bemannen de werknemers om beurten de plek van het protest. Hun familieleden helpen: Antonella Llanos, een alleenstaande moeder van 31 die in de fabriek werkt, sluit zich aan bij het protest, en als zij naar huis moet om voor haar pasgeboren dochtertje te zorgen, valt haar vader voor haar in bij de fabriek. Sympathiserende buren stellen hun huis open voor wie naar de wc moet, en ze brengen koekjes en yerba mate – een zeer Argentijnse manier om het lichaam te voorzien van warmte en energie.

    In de nacht van 10 mei neemt het verhaal een andere wending. De arbeiders hebben een week lang vredig gedemonstreerd als de plaatselijke politie besluit hun een bezoek te brengen.

    ‘Ineens doken er uit het niets politieauto’s op. Het waren er wel een stuk of tien,’ vertelt Marcelo. Ze komen met getrokken wapens op de werknemers af en zeggen dat ze weg moeten in verband met de coronalockdown. De werknemers zeggen dat ze geen keus hebben. ‘We zijn de discussie aangegaan met de politiecommissaris,’ zegt Noelia. Het mag allemaal niet baten.

    Kookpot

    Uiteindelijk drijven de politieauto’s de demonstranten uiteen. ‘De ene groep eindigde in het park, een andere groep midden op de weg,’ zegt Marcelo. ‘En ik belandde op het politiebureau.’ 

    Na een paar uur wordt Marcelo vrijgelaten en tarten de werknemers het gezag door terug te keren naar de plek van het protest.

    Twee dagen na de confrontatie met de politie helpt Barrios de Pie, een non-gouvernementele organisatie die veel maatschappelijke projecten in arme wijken organiseert, met het opzetten van een olla popular bij de ingang van de fabriek. Een olla popular is vrij vertaald een ‘gemeenschappelijke kookpot’, wat letterlijk en figuurlijk betekent dat de plaatselijke gemeenschap samenkomt en dat iedereen wat te eten meebrengt, meestal voor een goed doel. De werknemers voelen zich gesterkt, en hun buik wordt gevuld met warme chocolademelk als ontbijt en een traditionele pastaschotel voor de lunch.

    Voor velen is het eten meer dan een gebaar; het is broodnodig. ‘Sommigen namen alle restjes van de olla popular mee naar huis om hun gezin te eten te geven,’ zegt Paula Rojas, een 32-jarige werkneemster die nog maar twee jaar bij het bedrijf werkte toen het conflict oplaaide.

    Terwijl de werknemers de buurtbewoners voor zich weten te winnen, gaan de eigenaren nog een stap verder en spannen een kortgeding aan wegens openbare ordeverstoring op het terrein bij de fabriek. Dat is olie op het vuur voor de werknemers. Ze voeren de druk op met een mars naar het ministerie van Werkgelegenheid. Pas na drie maanden protesteren komt er een hoorzitting op het ministerie, maar de fabriekseigenaren nemen niet de moeite daarbij aanwezig te zijn.

    Eindelijk, na maanden vruchteloos onderhandelen, weten de overheid, het personeel en de eigenaren een overeenkomst te sluiten. Het is een betere deal dan de werknemers ooit hadden kunnen dromen: Paradiso (de baas met wie de werknemers al deze tijd het meeste contact hebben gehad) belooft de helft terug te betalen van het bedrag waarop ze recht hebben. En er wordt ook afgesproken dat hij, als hij die verplichting niet nakomt, de werknemers de sleutels van de fabriek moet overhandigen zodat ze zelf de boel kunnen runnen.

    De deadline verstrijkt en Paradiso betaalt geen peso. Ook overhandigt hij de sleutels niet. De werknemers zijn doodop en gefrustreerd en willen gewoon weer aan het werk, ook als dat betekent dat ze de fabriek zelf draaiende moeten houden en zelf moeten zien dat ze de koeken produceren en verkopen.

    En dat is precies wat ze doen.

    ‘Onze juristen zeiden dat we naar binnen konden gaan en ons protest daar konden voortzetten,’ zegt Noelia.

    Dus gaan ze naar binnen. Alles is er nog, min of meer zoals ze het zich herinneren: de drie lopende banden, de reusachtige ovens, de machines om de chocolade- en suikerlaag aan te brengen, zelfs hun witte schorten.

    ‘We dachten: Nou, het is ons gelukt om binnen te komen. Hoe nu verder?’ zegt Paula.

    Er zijn nog genoeg grondstoffen om weer aan het werk te gaan, en ze hebben voldoende mankracht om de productie weer op te starten. Dus gaan ze weer koeken maken. Natuurlijk hebben ze nog wel klanten nodig. Dus worden de werknemers van La Nirva niet alleen hun eigen baas, maar ook hun eigen salesmanager. ‘We namen allemaal alfajores mee om in eigen beheer te verkopen,’ zegt Paula. ‘Ik ging ermee naar alle winkels in mijn buurt en zette bordjes voor mijn huis, zodat iedereen wist dat ik ze verkocht.’

    Het idee om van de fabriek een coöperatie te maken krijgt geleidelijk vorm. Ze snuffelen in oude archieven en paperassen, op zoek naar de namen van klanten en groothandels om daar weer aan te kunnen verkopen. Met hulp van het Movimiento Nacional de Empresas Recuperadas (Nationale beweging voor herstelde bedrijven) zoeken ze de samenwerking met een overheidsinstelling die coöperaties steunt. Officiële erkenning van de regering is een belangrijke stap om ook wettelijk gezien de leiding over de fabriek te krijgen.

    In juli 2020 krijgen ze eindelijk bericht: ze worden officieel erkend als coöperatie.

    ‘Alle offers, alle inspanningen, hebben uiteindelijk geloond,’ zegt Noelia.

    Er komt een stemming en Marcelo wordt gekozen tot hoofd van de coöperatie. Dan krijgen ze hun eerste grote klant. Een verkoper die vroeger met La Nirva heeft samengewerkt neemt contact op met de kersverse coöperatie, met de vraag of ze alfajores kunnen leveren voor een nieuw merk. Die afnemer zal zelfs de grondstoffen leveren. Dit betekent een geweldige kans om de weg terug te vinden naar een volledig operationeel bedrijf.

    ‘Iedereen had afschuwelijke situaties meegemaakt,’ zegt Noelia. ‘We dachten dat alles verloren was, en het was een onbeschrijflijk gevoel dat we onze baan terug hadden.’

    La Nirva is niet het eerste bedrijf in Argentinië dat ‘erbovenop is geholpen’ door gedupeerde werknemers, maar het is het meest recente voorbeeld van een beweging die eind jaren 1990 op gang is gekomen. In die tijd had Argentinië een torenhoge buitenlandse schuld en het land was meer en meer afhankelijk van goedkope geïmporteerde goederen, wat betekende dat lokale fabrieken zich in allerlei bochten moesten wringen. Het was niet ongebruikelijk dat fabriekseigenaars hun pand leeghaalden, alle machines verkochten en het personeel op straat zetten.

    Maar niet alle arbeiders waren bereid zomaar hun biezen te pakken. Overal in het land namen arbeiders allerhande bedrijven over (zelfs een viersterrenhotel in het centrum van Buenos Aires) met de bedoeling het bedrijf nieuw leven in te blazen en zo banen te behouden. Als ze geluk hadden, lieten de autoriteiten hen met rust. Als ze pech hadden, maakte de politie met grof geweld een einde aan hun protest. ‘Destijds was het heel moeilijk voor arbeiders om iets van erkenning te krijgen,’ zegt Juan Pablo Hudson, een socioloog en journalist die zich zeven jaar in dit soort herstelde bedrijven heeft verdiept voor het schrijven van zijn boek Acá no, Acá no me manda nadie: Empresas recuperadas por obreros 2000-2010 (Hier is niemand de baas: bedrijven die door werknemers nieuw leven zijn ingeblazen).

    Roerig jaar

    De beweging vond geleidelijk navolging en in 2001, aldus Hudson, ‘kreeg het fenomeen veel aandacht van de politiek en van burgers.’ 2001 was zacht gezegd een roerig jaar in Argentinië. Het jaartal roept meteen de rellen van 19 en 20 december in herinnering, toen duizenden demonstranten, uit vrijwel alle sociale klassen, de straat op gingen om politieke en economische veranderingen te eisen. Het kwam tot confrontaties tussen demonstranten en politie, de toenmalige president Fernando de la Rúa kondigde de staat van beleg af en er kwamen 39 burgers om het leven. ‘De gemoederen waren nog niet tot bedaren gekomen toen De la Rúa, nog voor het einde van dat jaar, gedwongen zijn ontslag indiende.

    Twee jaar later kwam de centrumlinkse regering van president Néstor Kirchner met nieuw beleid in reactie op de eisen die de demonstranten in 2001 hadden gesteld. In 2004 kwam het ministerie van Werkgelegenheid met een programma voor zelfbesturende arbeiderscollectieven en sindsdien is er een structuur opgezet waarbinnen bedrijven die nieuw leven zijn ingeblazen kunnen worden gelegaliseerd. Maar het is nog altijd niet makkelijk om een coöperatie erkend te krijgen. De wettelijke procedures die de arbeiders daarvoor moeten doorlopen zijn zwaar en de eigenaars van de bedrijven geven het natuurlijk ook niet zomaar op.

    In de nacht van 7 december 2020 krijgen de arbeiders een groepsbericht van de weekendbewaker bij de fabriek. Hij is er net uit geschopt door ‘een stelletje tuig’, waarvan hij vermoedt dat ze door de eigenaars zijn gestuurd. Het nieuws doet de ronde en de arbeiders trekken naar de fabriek, verzamelen zich weer voor de ingang. Ook nu weer zijn ze niet alleen. Buren, leden van linkse groeperingen en zelfs hun advocaat komen naar het hek. Het is duidelijk dat de zaak nijpend is. Paradiso is niet van plan zich te houden aan de mondelinge overeenkomst die ze hebben bereikt op het ministerie van Werkgelegenheid, en juridisch gezien is de overeenkomst dermate schimmig dat het moeilijk zal worden een van beide partijen uit het pand te zetten. ‘Onze advocaat zei: “Als jullie die lui er niet uit schoppen, nemen ze de fabriek weer over,”’ zegt Marcelo. Ze moeten wel naar binnen.

    De fabriek zit van binnenuit op slot, en afgaande op de beschrijving van de bewaker zijn de mannen die binnen zitten bepaald geen doetjes. Terwijl de arbeiders overleggen wat ze moeten doen, dringt ineens tot hen door dat Marcelo is verdwenen. Hij is in zijn Fiat 147 gestapt, heeft een aanloopje genomen en is met zijn auto bij een hoek op het hek van het pakhuis ingereden.

    ‘Het was net een film,’ zegt Marcelo tegen ons. De overige arbeiders kijken geschokt toe. Ze hadden nooit gedacht dat hij tot zoiets in staat zou zijn. Maar hij doet het gewoon, hij rijdt keer op keer met zijn auto in op het hek, net zolang tot er een opening is ontstaan. Meteen stormen de arbeiders en hun buren naar binnen, de vrouwen voorop. Marcelo komt erachteraan, met een ijzeren staaf in zijn hand.

    ‘Op die momenten heb je geen tijd om bang te zijn,’ zegt Noelia. ‘Je weet niet wat je binnen zult aantreffen. Het was erop of eronder: het gevecht aangaan of alles kwijtraken.’

    Dan zien ze hun tegenstanders. ‘Het waren net uitsmijters in een club,’ zegt Paula later. ‘Echt van die kleerkasten.’ Maar de arbeiders beschikken over een wapen dat hun tegenstander niet heeft: ‘Wij kennen de fabriek op ons duimpje.’

    ‘De arbeiders zijn verenigd, en wie het niet zint kan oprotten’

    De arbeiders hebben een strategie uitgedacht en ze hebben de plekken waar ze binnendringen met zorg gekozen. Al snel hebben ze de overhand en weten hun tegenstander in een hoek te dringen. Opgezweept door de adrenaline van de hele situatie weten de arbeiders en hun buren het tuig de fabriek uit te jagen. Daar worden ze opgewacht door een woedende menigte van nog meer arbeiders en buren, die scanderen: Unidad de los trabajadores, y al que no le gusta se jode, se jode. Vrij vertaald: ‘De arbeiders zijn verenigd, en wie het niet zint kan oprotten.’

    Meer dan een jaar na die confrontatie in de fabriek is La Nirva nog altijd een arbeiderscoöperatie en is er op de werkvloer duidelijk het nodige veranderd. Alle kamers die werden gebruikt door de eigenaars en de managers blijven leeg, behalve de kamer die de arbeiders gebruiken voor vergaderingen. Velen hebben nieuwe taken en verantwoordelijkheden. Noelia, de koekinpakster die nu deel uitmaakt van het uitvoerende comité, zegt dat het leren van de administratieve kant het moeilijkste van de hele overname is geweest. ‘Wij waren arbeiders die nog nooit een verkoop hadden gedaan, of een winst- en verliesrekening hadden opgesteld,’ zegt ze.

    Paula, die voorheen alleen aan de lopende band stond, heeft nu ook de leiding over de betalingen – wat ze volgens haarzelf veel beter doet dan de vorige administrateur. Hoe hebben arbeiders die geen enkele ervaring hadden met iets als boekhouden dat allemaal geleerd? ‘Het is gewoon een beetje van alles. Je moet er vol voor gaan,’ zegt Paula. ‘We hebben mensen van andere coöperaties om raad gevraagd… en veel instructiefilmpjes op internet bekeken. Het is heel bevredigend. Je leert elke dag wel weer iets, maar niet alleen voor jezelf. Je leert ook voor al je partners.’

    ‘De hele productie is volledig in onze handen,’ vervolgt Paula. ‘Er is niet één iemand die opdrachten geeft. Elke beslissing stoelt op een meerderheidsstem in de vergadering.’

    Nu de arbeiders precies weten hoe het er binnen het bedrijf aan toe gaat, blijven ze meestal nog wat langer als hun dienst is afgelopen. ‘We weten dat het bedrijf van ons is, dus vragen we ook meer van onszelf,’ zegt Noelia.

    Ze werken met de helft van het oorspronkelijke aantal mensen, en op machines die soms hard aan onderhoud toe zijn, en zo produceren ze rond de 200.000 alfajores per dag. Dat is nauwelijks genoeg om van rond te komen, maar ze hopen op groei. Ze hebben zelfs een nieuw product opgenomen in hun catalogus: Carmen heeft voorgesteld om panettone te maken, zoet brood dat traditioneel tijdens de kerstdagen wordt gegeten.

    Kwaliteit

    Wat de alfajores betreft: kunnen consumenten het verschil proeven tussen een koek die wordt gemaakt door een private onderneming of door een bedrijf dat in handen is van de arbeiders zelf? Nou, volgens Marcelo wel: ‘We hebben op elk vlak de kwaliteit verbeterd, in vergelijking met de vorige eigenaren. Zij kochten van alles het slechtste. Maar wij niet: Wij kopen goede chocolade, goede dulche de leche; we gebruiken goede bloem.’ Het is niet alleen een kwestie van eersteklas ingrediënten, zegt hij – het is een volkomen andere filosofie. ‘We zijn geen zakenmannen die alleen maar op geld uit zijn. Wij leveren kwaliteit,’ zegt hij vol trots. 

    Calabró, de zogeheten Alfajor Taster, zegt verbaasd te zijn over de arbeidersvariant van deze beroemde koek. ‘Hij is verfijnder,’ beaamt hij. ‘Ik vind het geweldig dat de koek is gered en nieuw leven is ingeblazen door een coöperatief en niet door een private onderneming. Het is een soort erkenning van de collectieve waarde van de alfajor.’

    Marcelo’s functie als voorzitter van de arbeiderscoöperatie brengt veel meer verantwoordelijkheid met zich mee, maar hij is blij met zijn nieuwe rol. ‘Het is mijn strijd. Het is de strijd van mijn partners. En we hebben de strijd nog niet gewonnen. Elke dag opnieuw word je wakker en bind je de strijd aan. Sinds dit is begonnen hebben we geen rustig moment gekend.’

    Geen rustig moment – zeg dat wel. Op 30 december 2021 kregen de arbeiders een bericht in een WhatsAppgroep. Rechter Fernando D’Alessandro had een uitzettingsbevel afgegeven, op grond van een klacht van onrechtmatige inbezitname, ingediend door Paradiso. (Grupo Blend en Paradiso hebben laten weten niet te willen reageren op dit artikel).

    ‘We sluiten het jaar af met een bittere nasmaak,’ zegt Noelia, die weer voor de fabriek staat te demonstreren. ‘Er is de gedachte dat we straks misschien weer op straat staan, en er is de woede dat een man die zo veel personeelsleden een loer heeft gedraaid, het rechtssysteem aan zijn kant vindt.’

    Het feit dat de arbeiders mogelijk uit de fabriek worden gezet, eist zijn tol van de coöperatie. ‘We waren echt op de goede weg,’ zegt Marcelo. ‘We hadden projecten op stapel staan om 2022 goed te beginnen, maar nu staat overal een rem op. Je krijgt problemen met leveranciers en kopers… Ze zeggen: “Er ligt een uitzettingsbevel, kunnen jullie straks wel betalen? Kunnen jullie wel leveren?”’

    De juristen van de coöperatie zijn in beroep gegaan tegen het uitzettingsbevel, en daarmee winnen ze wat tijd. De arbeiders zijn weer gaan protesteren, nog altijd gesteund door hun buren en sympathisanten. Op 6 januari houden ze een bijeenkomst voor de deuren van de fabriek, waar zo’n tweehonderd man op afkomt. Op 29 januari wordt dat gevolgd door een festival, compleet met livemuziek, springkastelen en tafels met eten. Er komen zo’n vierhonderd mensen. Op 10 februari is er een indrukwekkende mars vanaf de Obelisk, een belangrijk markeerpunt in het hart van Buenos Aires, naar het Nationale Hof voor Commerciële Zaken, waar het verzoek tot uitzetting van Paradiso wordt behandeld. Voor het gebouw staat een opgewonden menigte arbeiders, activisten en buurtgenoten, klappend, handen hoog in de lucht gestoken, springend en scanderend: ‘Matías Paradiso is een oplichter. De arbeiders van La Nirva blijven werken zonder baas! We staken de strijd pas als we hebben gewonnen – we laten ons niet uitzetten!’

    Te midden van al het tumult lopen Marcelo, Paula en een derde arbeider, Lorena Pereira, naar het gerechtsgebouw, waar ze te horen krijgen dat ze, vanuit wettelijk oogpunt, de fabriek illegaal bezetten – in ieder geval totdat officieel het faillissement van La Nirva is uitgeroepen.

    Verbeurdverklaring

    Ondertussen hebben gemeenteraadsleden die achter de arbeiders staan een verbeurdverklaring ingebracht waarmee de fabriek op wettige wijze kan worden opgeëist voor de arbeiders. Als Marcelo het gebouw uit komt, spreekt hij de menigte sympathisanten toe die in gespannen afwachting zijn van wat hij gaat zeggen.

    ‘We hebben veel moeten doorstaan om dit punt te bereiken,’ zegt Marcelo tegen hen. ‘We hebben kou doorstaan, we hebben honger doorstaan. Maar ik zie dat we niet alleen zijn.’ Hij geeft de microfoon aan een aanvankelijk aarzelende Paula, die hem uiteindelijk toch pakt en zegt: ‘Namens de 55 gezinnen die afhankelijk zijn van deze fabriek, wil ik zeggen dat we doorgaan met onze strijd… La Nirva is van de arbeiders en zal dat ook blijven.’

    De menigte herhaalt Paula’s laatste woorden en opnieuw laaien de strijdkreten op. Onder een felle zomerzon, die de arbeiders er nog eens extra van doordringt wat een lange weg ze hebben afgelegd sinds die koude en regenachtige nachten, zijn ze strijdbaarder dan ooit.

  • Wereldbeeld: Pissy is niet voor de poes

    Wereldbeeld: Pissy is niet voor de poes

    Het is hard werken voor vrouwen in de veertig jaar oude granietmijn in Burkina Faso.

    Vrouwen, vaak op alleen slippers, dragen eerst het graniet uit de veertig jaar oude mijn Pissy in Ouagadougou (Burkina Faso) op hun hoofd langs de steile wanden naar boven, om het daarna te vermalen tot kleine steentjes voor de verkoop. Grote blokken worden beneden in de mijn verkocht.

    Het graniet wordt gebruikt om gebouwen, straatstenen en wegen van te maken, maar mijnwerkers verdienen een schijntje – vaak maar 1 of 2 euro per dag. Bovendien is er geen enkele bescherming tegen de gevaren die in een mijn op de loer liggen, zoals de giftige rook van brandende autobanden die worden gebruikt om de enorme granietblokken te kraken.

    ANP 443417728 3
    © John Wessels / AFP

    Lees ook:

  • Recordaantal werkenden in Spanje ondanks pandemie

    Recordaantal werkenden in Spanje ondanks pandemie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Onderzoek: wereldwijd daalt productiviteit door klimaatverandering

    » ‘Partygate’: Johnson hield ook een feestje aan vooravond begrafenis prins Philip

    Grootste banentoename sinds 2005

    De Spaanse economie lijkt zich onafhankelijk van de pandemie te ontwikkelen: vorig jaar werden er 776.000 nieuwe werkenden geregistreerd, bericht El País. Dat blijkt uit gegevens van de ministeries van Arbeid en Sociale Zekerheid die deze week werden gepubliceerd. Momenteel telt Spanje 19.824.911 werknemers, een historisch hoog niveau, en 3.105.905 werklozen. Op dit moment zijn er meer werkenden en minder werkzoekenden dan voor de uitbraak van corona. Sinds 2005 zijn er niet meer zoveel banen gecreëerd.

    Spanje heeft samen met Griekenland weliswaar het hoogste werkloosheidspercentage in de EU, maar vergeleken met eerdere crises, zoals de kredietcrisis van 2008, zijn de cijfers opmerkelijk gunstig.

    Lees ook:

  • Duitsland kampt met tekort aan vakmensen

    Duitsland kampt met tekort aan vakmensen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Amerikaanse rechter: Rechtszaak om Facebook op te splitsen kan doorgaan

    » Colombia: Gevechten tussen oud-FARC-leden en ELN om grens met Venezuela

    Scholing is ondermaats, aldus vakbond

    Naast ‘klassieke’ redenen voor een tekort aan geschoolde arbeidskrachten, zoals een laag geboortecijfer en een te lage instroom van geschoolde migranten, kampt Duitsland met slechte beroepsopleidingen om vacatures te kunnen vervullen, schrijft Der Spiegel.

    ‘Hoogbegaafden worden met 60 miljoen ondersteund, het academisch onderwijs met 300 miljoen’, aldus voorzitter Hans Peter Wollseifer van de Ambachtskamer, een organisatie voor vakmensen. ‘Maar 600 ambachtelijke opleidingscentra worden overgeslagen terwijl dat juist “de universiteiten van het ambacht” moeten zijn. Zij hebben passende steun nodig’. Sommige scholen voor beroepsonderwijs verkeren volgens Wollseifer in een erbarmelijke toestand.

    ‘Klimaattransitie, energie-efficiëntie, e-mobiliteit, uitbreiding van laadstations en infrastructuur zijn alleen mogelijk met professioneel gekwalificeerde vakmensen’

    Duitsland heeft grote behoefte aan gekwalificeerd personeel want veel ambachtslieden gaan met pensioen en er is te weinig doorstroom vanuit opleidingen; vandaar de noodkreet van Wollseifer. Hij ziet de situatie nog nijpender worden rond de energietransitie: ‘Klimaattransitie, energie-efficiëntie, e-mobiliteit, uitbreiding van laadstations en infrastructuur zijn alleen mogelijk met professioneel gekwalificeerde vakmensen. We moeten alles op alles zetten om meer waardering voor het beroepsonderwijs te realiseren.’

    Lees ook:

  • Verenigde Arabische Emiraten voeren werkweek van 4,5 dag in

    Verenigde Arabische Emiraten voeren werkweek van 4,5 dag in

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zwitserland sluit witwasonderzoek naar voormalige Spaanse koning Juan Carlos

    » Commissie wil strafrechtelijke vervolging van stafchef Trump

    Werkweek moet zo beter aansluiten op westerse landen

    De Verenigde Arabische Emiraten hebben aangekondigd dat alle overheidsinstanties een nieuwe werkweek van vierenhalve dag zullen invoeren, waardoor het weekend voortaan zal bestaan uit vrijdagmiddag, zaterdag en zondag, bericht Al Jazeera. Werknemers maken van maandag tot en met donderdag een werkdag van acht uur, op vrijdag bestaat deze slecht uit 4,5 uur.

    De verandering, die deze week door het staatspersbureau WAM werd aangekondigd, zal op 1 januari 2022 ingaan en heeft tot gevolg dat de werkweek beter aansluit op werkschema’s in westerse landen. Weekenden in de VAE  bestaan momenteel nog uit vrijdag en zaterdag, aansluitend bij andere landen in de regio. Volgens WAM is de VAE ‘het eerste land ter wereld dat een nationale werkweek introduceert die korter is dan de wereldwijde vijfdaagse werkweek’.

    Lees ook:

  • De toekomst van werk in een veranderende arbeidsmarkt

    De toekomst van werk in een veranderende arbeidsmarkt

    Niet alleen de pandemie heeft de manier waarop mensen denken over hun baan verandert. Ook andere ontwikkelingen, zoals voortschrijdende digitalisering en het groeiende aantal burn-outs, maken dat werk en de arbeidsmarkt aan een grondige herziening toe zijn.

    Heeft het kantoor nog de toekomst?

    In de afgelopen decennia veranderde het uiterlijk van veel kantoren drastisch.

    Aparte ruimtes en hokjes verdwenen en toepassingen uit de technologie werden geïntegreerd in open kantoorruimtes die geschikt waren voor werk in teamverband. Tegelijkertijd maakte digitalisering met e-mail, Google Docs, videoconferenties en Slack de aanwezigheid van werknemers in die kantoren minder essentieel. De pandemie maakte duidelijk dat veel werk ook elders verricht kan worden en wierp de vraag op waar het kantoor eigenlijk voor is: een plek voor nieuwelingen om te leren van ervaren collega’s? Een vorm om luiwammesen in de gaten te houden? Een ruimte voor samenwerking en sociaal contact?

    Een groot deel van Amerikaanse werknemers wil verhuizen uit de grote stad of heeft dat al gedaan

    Volgens Upwork, een platform voor freelancers, werkt 27 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking dit jaar op afstand en willen zo’n twintig miljoen werknemers verhuizen, of hebben dat al gedaan, velen van hen uit de grote steden. Leegstand in kantoren blijft stijgen. CBRE, ’s werelds grootste vastgoedadviesbureau, schat de leegstand van kantoren in San Francisco op ruim 16 procent, hoger dan ooit. Grote vastgoedbedrijven die voorheen recessiebestendig waren vanwege langlopende commerciële huurcontracten, hebben het afgelopen jaar ruim een derde van hun beurswaarde verloren. Kortom, er zal een nieuw evenwicht moeten worden gevonden.


    De ‘digitalenvaardighedenkloof’

    Digitalisering dwingt bedrijven om voortdurend hun bedrijfsmodellen en -processen aan te passen.

    Ondertussen merken werknemers dat ze, om mee te kunnen blijven gaan met die veranderingen, bereid moeten zijn om levenslang te leren. Maar uit onderzoek van Initiative21, een Duitse ngo die onderzoek doet naar de maatschappelijke uitdagingen van het digitale tijdperk, blijkt dat de ‘digitalevaardighedenkloof’ in Duitsland nog groot is. Zo is 59 procent van de internetgebruikers anderhalf jaar na het uitbreken van de pandemie nog steeds niet in staat een videoconferentie op te zetten. Slechts 20 procent van de mensen met een kantoorbaan beheerst een programmeertaal. Die hebben ze momenteel waarschijnlijk nog niet nodig, maar dat kan snel veranderen. De samenleving heeft behoefte aan ‘een beter begrip van onderlinge verbanden in tijden van digitalisering’, aldus Hannes Schwaderer, voorzitter van het D21-initiatief. ‘Een leven lang leren moet routine worden.’

    Sommige bedrijven in Duitsland hebben eigen opleidingen, maar dat is nog een zeldzaamheid. Experts verwachten dat dat in de toekomst gaat veranderen, omdat het opleiden van werknemers in alle sectoren steeds belangrijker wordt. Want hoe verder de digitalisering vordert, des te specialistischer de banen worden. Daardoor zal het voor bedrijven zonder eigen opleiding steeds moeilijker worden om geschikte medewerkers te vinden. (Focus, München)


    Meer dan alleen werk

    In aanloop naar zijn boek The End of Burnout: Why Work Drains Us and How to Build Better Lives, dat in januari verschijnt, publiceerde Jonathan Malesic onlangs een opinieartikel in The New York Times.

    Na bijna twee jaar massale werkloosheid en thuiswerken keren miljoenen mensen nu terug naar het ritme van de veertigurige werkweek en de droom van opwaartse mobiliteit, schrijft Malesic, ook al leidden die vóór de pandemie tot wijdverbreide ontevredenheid en burn-outs. Veel mensen zien werk niet alleen als een manier om de kost te verdienen, maar als cruciaal voor zelfontplooiing.

    De algemene gedachte is dat werk betekenis, zingeving en waardigheid verschaft en recht geeft op deelname aan de samenleving. Maar, aldus Malesic, je baan, of het ontbreken ervan, is niet bepalend voor je menselijke waarde. ‘We zouden moeten beginnen met het idee dat ieder van ons waardigheid heeft, of we nu werken of niet.’ De pandemie bewees dat: miljoenen verloren plotseling hun baan, maar niet hun waardigheid. Volgens Malesic is dit hét moment om te bedenken hoe we werk kunnen inpassen in ons leven: ‘De pandemie heeft ons eraan herinnerd dat we bestaan om meer te doen dan alleen maar werken.’ Zijn advies: zoek naar zingeving in dingen buiten je baan en pas je werk daarop aan, in plaats van andersom.

  • Japanners schuwen werkborrels vanwege corona

    Japanners schuwen werkborrels vanwege corona

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Regering Burkina Faso treedt af vanwege jihadistisch geweld

    » Hongkong: Mediamagnaat Jimmy Lai veroordeelt voor prodemocratisch protest

    Japanners: liever geen werkborrel

    Ruim 60 procent van de respondenten van een enquête in Japan ziet werkgerelateerde borrels niet zitten vanwege corona. Mensen die de zogenaamde nominication mijden, een samentrekking van de Japanse woorden voor ‘borrel’ en communication, die doorgaans wordt gebruikt voor werkgerelateerde borrels, haalden voor het eerst de voorstanders in, sinds Nippon Life Insurance Co startte met een jaarlijks onderzoek in 2017, bericht The Japan Times. In de enquête zegt 36,9 procent van de respondenten dat ze drankjes na het werk als ‘onnodig’ beschouwen, terwijl nog eens 25 procent vindt dat dergelijke evenementen ‘enigszins onnodig’ zijn. Dat totaal van 61,9 procent is een stijging van 16,2 procent ten opzichte van vorig jaar.

    ‘Het aantal mensen dat twijfelt aan de noodzaak om elkaar onder het genot van een drankje te leren kennen, is gestegen, omdat nu vanwege covid-19 geen feestjes kunnen worden gehouden’, aldus een onderzoeker van het NLI Research Institute. De steun voor nominication zal weer groeien zodra de pandemie is verdwenen, verwacht hij.

    Lees ook:

  • Aan ‘Made in Xinjiang’ kleeft inmiddels een smet

    Aan ‘Made in Xinjiang’ kleeft inmiddels een smet

    De fabrieken van BASF, Coca-Cola en Volkswagen in Xinjiang zeggen te voldoen aan strenge normen met betrekking tot mensenrechten en milieu. Maar is dwangarbeid werkelijk uit te sluiten in een regio waar meer dan één miljoen Oeigoeren worden vastgehouden in interneringskampen?

    Het sist en het dreunt, stoom ontsnapt via smalle buisjes op de grond. De uit beton en staal opgetrokken blokken op het enorme terrein hebben diverse verdiepingen. Ze hebben wel wat weg van een parkeergarage – met dit verschil dat er op de etages geen auto’s staan maar tanks gevuld met chemicaliën en dat er overal pijpleidingen lopen. Een paar honderd meter verderop is aan de horizon een felle roodoranje vlam zichtbaar, daar worden overtollige gassen afgefakkeld. 

    Eigenlijk lijkt de fabriek van het Duitse chemieconcern BASF in de West-Chinese stad Korla erg op de hoofdvestiging van het bedrijf in Ludwigshafen. En toch is deze fabriek, die BASF met zijn Chinese jointventurepartner Markor exploiteert, niet als al die andere. Ze staat namelijk in Xinjiang, een provincie waar het Chinese staatsbestuur beticht wordt van zware schending van de mensenrechten. De regering van de Volksrepubliek China ‘begaat jegens Oeigoeren en leden van andere etnische en religieuze minderheidsgroepen in de autonome regio Xinjiang aanhoudend genocide en misdrijven tegen de menselijkheid’, waarschuwde de VS-regering vorige maand in een rapport. Hoezeer in Xinjiang productie en onderdrukking hand in hand gaan blijkt ook uit het voorbeeld BASF.

    Voor ondernemingen die zaken doen in Xinjiang niet alleen reputatieschade maar ook hoge geldstraffen

    De BASF-fabriek staat in de Korla Economic and Development Zone. Het is een industriegebied zoals er zoveel zijn in China. Een verharde weg met meerdere rijbanen voert door het gebied. Aan weerszijden ervan staan enorme industriecomplexen. Op een plek op hooguit tien minuten rijden buiten het stadscentrum exploiteert de Chinese overheid diverse gevangenkampen, aldus een internationaal veel aandacht trekkend onderzoek van de gerenommeerde Australische denktank Australian Strategic Policy Institute (ASPI). 

    Hier en in tientallen andere kampen en gevangenissen in Xinjiang zouden onder het mom van terreurbestrijding meer dan één miljoen leden van de Oeigoerse moslimminderheid tegen hun wil worden vastgehouden. Reden voor deze vaak maanden of jaren durende opsluiting kunnen volgens uitgelekte regeringsdocumenten kleinigheidjes zijn als het dragen van religieuze symbolen of het hebben van contact met buitenlanders. De Chinese overheid bestrijdt deze beschuldigingen. 

    Smet

    Stijn Brughmans, vicepresident Operations, Technology and Investments van BASF heeft in Azië-Pacific alle fabrieken van tussenproducten in zijn portefeuille. Hij leidt zijn bezoekers rond in het chemiecomplex in Korla, wijst op uitstaltafels met producten die gemaakt worden van de in Xinjiang gefabriceerde stoffen. Zoals inlineskates en sportkleding. Naar eigen zeggen lieten de berichten over wat er in de regio gebeurt hem ‘niet koud’.

    BASF zit er middenin, produceert in de regio van onderdrukking – en probeert zich volledig te distantiëren van aantijgingen van dwangarbeid en internering. En niet alleen BASF, 350 kilometer verderop, in Xinjiangs hoofdstad Ürümqi, hebben naast veel Chinese bedrijven ook het Amerikaanse drankenconcern Coca-Cola en de Duitse autoproducent Volkswagen een fabriek. Niet alleen de morele component geeft daarbij altijd weer aanleiding tot kritiek. Aanwezigheid in Xinjiang stelt bedrijven bloot aan het risico en de verdenking dat zij dwangarbeiders tewerkstellen – direct dan wel indirect via hun toeleveranciers. Omdat overal ter wereld regeringen intussen onder druk van de publieke opinie strikter toekijken op wat er in de regio gebeurt, dreigt voor ondernemingen die zaken doen in Xinjiang niet alleen reputatieschade maar ook hoge geldstraffen. Onlangs heeft het Duitse parlement een productieketenwet aangenomen die bedrijven met ingang van 2023 op straffe van boetes ertoe verplicht de eigen keten van toegevoegde waarde tot en met de toeleveranciers zo te controleren dat die voldoet aan de normen met betrekking tot mensenrechten en milieu. De EU werkt aan een soortgelijke regel.

    Aan ‘Made in Xinjiang’ kleeft inmiddels een smet. Na de internationale textielindustrie, die circa een vijfde van haar katoen uit de regio betrekt, wordt nu de solarbranche getroffen door Amerikaanse sancties tegen fabrikanten in de provincie.  

    De interneringskampen in de buurt van BASF en Volkswagen zijn vermomd als opleidingscentra

    BASF moet zich er meermaals van verzekeren dat niemand gedwongen tewerkgesteld wordt in zijn fabriek. In 2019 verordende CEO Martin Brudermüller een interne audit. Daarop volgde in 2020 een externe audit door een internationaal economisch onderzoeksbureau. Daarbij is volgens BASF-manager Brughmans onderzocht of bij het bedrijf in Xinjiang de internationale sociale normen en arbeidsstandaarden worden nageleefd. ‘Toen waren er geen aanwijzingen tegen welk vergrijp dan ook.’

    BASF houdt volgens Brughmans goed in de gaten dat alleen de joint venture beslist over de aanstelling van werknemers in de fabriek. ‘We werken bij de personeelsvoorziening of in het algemeen op humanresourcegebied niet samen met overheidsinstanties,’ benadrukt hij. Initiatieven vanuit overheidsinstanties om medewerkers te plaatsen zijn er bij zijn weten niet geweest. Vanwege de vereiste vakkennis kwamen de medewerkers niet vanuit de opleidingscentra, maar vanuit andere bedrijven naar BASF. 

    Maar controle ter plekke op het nakomen van arbeidsstandaarden wordt steeds moeilijker. ‘De pogingen van buitenlandse ondernemingen om naleving van mensenrechtstandaarden in China te implementeren, bijvoorbeeld via onderzoek, worden door de Chinese overheid inmiddels beschouwd als een vijandige daad, waartegen dan ook sancties worden getroffen,’ vertelt Katja Drinhausen die bij de Berlijnse denktank Mercis onderzoek doet naar mensenrechten in Xinjiang. De juridische basis hiervoor creëerde Beijing de afgelopen weken en maanden. Met de antisanctiewet bijvoorbeeld. 

    ‘Betrokkenheid’

    Van de in totaal 122 medewerkers die BASF met zijn jointventurepartner in Korla in dienst heeft, zijn er in de zengende hitte op het enorme terrein maar weinig te zien. Het Handelsblatt en de ARD-radio zijn de eerste internationale media die de fabriek in Korla bezoeken. Bij hun naspeuringen worden de teams gevolgd en geschaduwd – en dat moeten ze kennelijk merken ook. 

    Ondanks diverse verzoeken daartoe laat Volkswagen in zijn fabriek in Ürümqi geen bezoekers toe. Bezoek zou niet mogelijk zijn omdat er problemen zijn bij het afstemmen met zijn Chinese jointventurepartner SAIC, zo voert het autoconcern als reden aan. Ook weigert Volkswagen te antwoorden op gedetailleerde vragen hoe het bedrijf dwangarbeid denkt te voorkomen. Ditmaal onder verwijzing naar de halfjaarcijfers die binnenkort worden gepubliceerd.  

    Xinjang is een politiestaat. Messen in winkels en restaurants liggen aan een ketting

    Wie rondkijkt in Ürümqi kan moeilijk over het hoofd zien dat Xinjiang allang een politiestaat is. Om de paar honderd meter is er een politiebureau, agenten bewaken kruisingen en patrouilleren voor de grote Erdaoqiao-moskee. Messen in winkels en restaurants liggen aan een ketting. Zelfs voor benzinestations staan beveiligers en slagbomen. Daarbij komt nog alle bewakingstechniek. ‘Veel van de bewaking is niet meer zichtbaar maar vindt digitaal in het verborgene plaats,’ vertelt Mercis-expert Drinhausen. De Chinese overheid verdedigt de maatregelen onder het mom van terreurbestrijding. Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw waren er telkens weer conflicten in de regio. 

    Waarnemers die geregeld in het gebied rondreizen klagen hoezeer de situatie veranderd is: veel inwoners zaten al in interneringskampen of hebben familieleden die daar hebben gezeten. Anderen zitten opgesloten in gevangenissen. Er heerst een klimaat van angst of berusting. Hoe denkt een Duits of een Amerikaans bedrijf hier te kunnen garanderen dat al zijn werknemers uit vrije wil bij hen werken? Hoe vrij kunnen medewerkers in een dergelijk systeem echt zijn?

    De interneringskampen in de buurt van BASF en Volkswagen zijn vermomd als opleidingscentra. Daarna worden betrokkenen, zo luidt de aanklacht, overgedragen aan ondernemingen, waar ze gedwongen tewerkgesteld worden. Zo moeten ze verder kunnen worden gecontroleerd. Meer dan 80.000 mensen moeten alleen al tussen 2017 en 2019 met dwangarbeid zijn geconfronteerd, aldus het ASPI in een analyse.

    Voor Duitse bedrijven zijn de fabrieken in de regio een last geworden. Hoewel niet hardop uitgesproken, gaat men er in economische kringen in Beijing van uit dat geen enkel Duits bedrijf vandaag de dag nog voor deze standplaats zou kiezen. Maar ook toen onder toeziend oog van China’s minister-president Li Keqiang en bondskanselier Angela Merkel in 2013 de contracten voor de fabriek van BASF werden ondertekend, gingen er al verhalen rond over de onderdrukking van de moslimbevolking in Xinjiang. Volkswagen besloot ongeveer in dezelfde tijd als BASF er een fabriek te bouwen. In zijn Chinees-Duitse joint venture SAIC-Volkswagen verschaft VW in Ürümqi werk aan 600 medewerkers, allen Chinees staatsburger. Ongeveer 10 procent van hen behoort volgens eerdere informatie van Volkswagen tot de Oeigoerse moslimminderheid. 

    Ondanks alle kritiek wil Volkswagen vasthouden aan zijn fabriek. ‘Wij staan voor onze betrokkenheid in China, ook in Xinjiang,’ zei CEO Herbert Diess onlangs in de Frankfurter Allgemeine Sonntagszeitung: ‘Wij noch onze toeleveranciers stellen dwangarbeiders tewerk.’ 

    BASF is voorzichtiger met zulk soort uitspraken. Alle leveranciers hebben een codex ondertekend. Bij overtreding van clausules in het maatschappelijk contract spreekt het bedrijf zijn partners daarop aan, zegt Brughmans. Indien verandering achterwege blijft, zo vervolgt hij, ‘moeten we ons beraden op alternatieve bedrijfsmogelijkheden en dan behouden we ons ook het recht voor de zakenrelatie te beëindigen’.

  • Inflatie in de VS bereikt hoogste punt in dertig jaar

    Inflatie in de VS bereikt hoogste punt in dertig jaar

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Eerste vrouwelijke premier van Zweden treedt al na een paar uur af

    » Duitsland: SPD, Groenen en FDP verenigd door hun ‘geloof in vooruitgang’

    VS kampt met grootste prijstoename sinds 1990

    In oktober was de inflatie van prijzen in Amerika voor een groot aantal dagelijkse producten hoger dan verwacht. De inflatie bereikte volgens het Amerikaans ministerie van Arbeid zelfs het hoogste punt in meer dan dertig jaar, bericht CNBC. De CPI, de consumentenprijsindex die bestaat uit een pakket met producten variërend van benzine en gezondheidszorg tot boodschappen en huur, steeg met 6,2 procent ten opzichte van een jaar geleden. Dat is de grootste toename sinds december 1990. De reële lonen na inflatie zijn van september tot oktober met 0,5 procent gedaald, als gevolg van een stijging van de gemiddelde uurlonen met 0,4 procent die meer dan teniet werd gedaan door de stijging van de CPI, schrijft het Amerikaanse tv-station.

    Ondanks de tegenvallende cijfers zeggen Fed-voorzitter Jerome Powell en minister van Financiën Janet Yellen dat de huidige prijsdruk tijdelijk is en verband houdt met corona. Ze erkennen dat de inflatie hardnekkiger is dan verwacht, maar rekenen op normalisering in de loop van volgend jaar.

    Lees ook:

  • Op de huidige arbeidsmarkt stelt de werknemer de eisen

    Op de huidige arbeidsmarkt stelt de werknemer de eisen

    Door krapte op de arbeidsmarkt is het in steeds grotere mate de werknemer die eisen kan stellen aan de baas. Goede arbeidskrachten zijn schaars, maar betekent dat ook dat de lonen eindelijk omhooggaan?

    ‘Het mag dan hard klinken, maar ook de arbeidsmarkt is een markt.‘ Dat was de boodschap van een in 2002 gepubliceerde paper van het Institut für Weltwirtschaft in Kiel. Om uw geheugen even op te frissen: 2002, dat was nog vóór de Hartz-hervormingen [ingrijpende veranderingen in het Duitse arbeidsmarktsysteem]. Een jaar waarin Duitsland gold als de ‘zieke man van Europa’, een jaar waarin iedereen bang was werkloos te worden. Het instituut had daarom ‘75 punten tegen de werkloosheid’ opgeschreven en die betroffen vrijwel allemaal de vraag hoe je arbeid goedkoper kon maken, zodat meer bedrijven meer arbeidskrachten zouden aannemen – waardoor meer mensen werk zouden hebben, ook al was dat dan slechter betaald.

    De sociale bijstand moest soberder, de cao-lonen voor laagbetaalden ook. De paper staat voor een tijd waarin de macht tussen werkgevers en werknemers nogal ongelijk verdeeld was, een tijd waarin duidelijk was wie zich moest aanpassen. Sommige van die voorstellen kwamen later terug in de Hartz-wetgeving. De arbeidsmarkt is een markt, schreef het instituut dus – in punt 75 – en dat was toen vooral hard voor wie zijn of haar arbeidskracht niet wist te verkopen of voortaan met minder geld moest zien rond te komen.

    DO 2.2 1 1

    Momenteel is de arbeidsmarkt nog altijd een markt, maar degenen die destijds hard waren voor anderen krijgen het nu zelf hard te verduren: de werkgevers. Onverwacht zien zij zich voor twee problemen gesteld: ten eerste ontbreekt het vaak aan voldoende geschikte sollicitanten en ten tweede laten die zich niet alles meer welgevallen. De machtsbalans verschuift, langzaam maar onmiskenbaar.

    Schaars

    Zoals voor Kerstin Wagner. Zij is hoofd personeelswerving bij de Duitse spoorwegen en dus moet zij mensen aannemen, heel veel mensen. Vorig jaar waren het er vijfentwintigduizend, dit jaar moeten daar nog eens twintigduizend bij. De spoorwegen willen groeien en daarvoor hebben zij ingenieurs en machinisten nodig, bouwvakkers en conducteurs. Al met al zijn er vijfhonderd verschillende beroepen werkzaam, op elk salarisniveau. Het personeel is een ‘spiegelbeeld van de samenleving’, zegt Wagner.

    Als zij over sollicitanten spreekt, dan heeft ze het over ‘klanten’. In een bedrijf als Deutsche Bahn is personeelsplanning een heel gespecialiseerd proces. Achthonderd mensen zijn er op de afdeling van Wagner druk mee. Ze gaan langs op scholen, organiseren speciale conferenties, stellen personeelsadvertenties op. Er zijn open dagen voor ouders (zodat ook papa en mama met eigen ogen kunnen zien wat je bij de spoorwegen allemaal kunt worden) en specialisten die zich bezighouden met de vraag welke kwalificaties binnen enkele jaren vereist zullen zijn bij onderhoud of bouwtoezicht. De spoorwegen zijn hierin geen uitzondering; ook in hotels, restaurants en in de bouw worden medewerkers schaars.

    Een dergelijke toewijding legden bedrijven vroeger hooguit aan de dag bij gewilde computerspecialisten. Wie zelf niet hooggekwalificeerd was, mocht zich bij het zoeken naar werk nauwelijks begeerd voelen.

    Niets vormt zo’n graadmeter voor de machtsverhoudingen op een markt als de prijs

    Dat heeft veel met december 1978 van doen. Toen kwam in China het Centraal Comité van de Communistische Partij bijeen; het tot dan toe afgesloten land besloot zichzelf open te stellen. Datzelfde gebeurde enkele jaren later in India en na de val van de muur in het Oostblok. De Amerikaanse econoom Richard Freeman schat dat het wereldwijd beschikbare aanbod aan arbeidskrachten hierdoor binnen enkele jaren verdubbelde. In plaats van ongeveer 1,46 miljard mensen werden dat er 2,93 miljard. Natuurlijk waren die arbeiders in Azië en Oost-Europa er voor die tijd ook al, maar zij produceerden nog niet voor de wereldmarkt. Fabrieken konden niet naar China worden verplaatst en al evenmin konden vliegtuigonderdelen worden betrokken uit Slowakije.

    Lees ook:

    Wat er vervolgens gebeurde is vele malen beschreven: hoeveel fabrieken zijn er wel niet gesloten omdat arbeid in China zoveel goedkoper was. Er zijn studies die uitwijzen dat als gevolg van de concurrentie uit China alleen al in de VS twee miljoen arbeidsplaatsen verloren zijn gegaan. En in veel gevallen was dreigen met het inkrimpen van de productie al voldoende om ondernemingsraden en vakbonden tot salarisconcessies te bewegen. In februari 2004 sloten de cao-partijen in de [Duitse] metaal- en elektro-industrie het zogeheten ‘Pact van Pforzheim’; dat maakte het voor bedrijven mogelijk om de in de cao afgesproken lonen te verlagen als daarmee arbeidsplaatsen behouden konden blijven.

    Niets vormt zo’n graadmeter voor de machtsverhoudingen op een markt als de prijs: in 1995 verdienden Duitse werknemers volgens berekening van het Duitse Instituut voor Economisch Onderzoek (DIW) gemiddeld 17,63 euro bruto per uur, in 2013 was dat (gecorrigeerd voor inflatie) nog maar 16,90 euro. Weliswaar ontstonden er veel nieuwe banen, maar het aandeel werknemers in de lagelonensector – zij die minder dan twee derde van het gemiddelde uurloon verdienen – groeide ook. In 1998 ging het nog om 17 procent van alle werknemers in loondienst, in 2007 om een kleine 24 procent.

    Leasing

    Momenteel worden de bedrijfsmodellen juist bepaald door een tekort aan medewerkers.

    Een kantoortoren vlak bij de Hackescher Markt in Berlijn. Lege bureaus, vanwege corona, donker tapijt, vrijwel geen geluiden. Aan de muur boven twee deuren hangt in grote letters de slogan ‘candidates first’ – gegadigden op de eerste plaats. Want kandidaten vormen zogezegd de grondstof voor dit bedrijf. Medwing is een uitzendbureau en arbeidsbemiddelingsbedrijf voor verpleegkundigen en artsen. De oprichter, Johannes Roggendorf, had naar eigen zeggen beroepsmatig eigenlijk nooit met gezondheidszorg van doen, maar signaleerde wel het probleem: aan de ene kant de ziekenhuizen die dringend op zoek zijn naar personeel, aan de andere kant het potentiële aanbod van personeel dat niet in wisseldiensten wil werken, niet in starre dienstroosters en niet voor het cao-loon. Personeel dat deels al was uitgestroomd naar kantoorwerk of een andere branche. Als je dat personeel terug zou weten te winnen, had je een groot deel van het tekort in de zorg al opgelost, dacht Roggendorf.

    Als een zorgmedewerker zich overdag inschrijft op de website van Medwing, krijgt die volgens Roggendorf binnen 100 seconden een telefoontje. Een loopbaanadviseur informeert naar de wensen: een vaste baan of liever werken als invaller in verschillende klinieken? Is een korte reistijd van belang of vooral een goed salaris? Medwing biedt twee soorten van bemiddeling. Ofwel in vaste dienst; in dat geval matcht een zelfontwikkeld algoritme de voorkeuren van werknemers met bestaande vacatures. Voor die bemiddeling betalen de zorginstellingen de start-up ongeveer 10 procent van het betreffende jaarsalaris. Ofwel de kandidaten komen bij Medwing zelf in dienst en worden daarna op basis van een door henzelf opgesteld rooster bij telkens andere ziekenhuizen gedetacheerd. Leasing noemen ze dat in de gezondheidszorg. Dat klinkt beter dan uitzendwerk.

    ‘Ze zouden mij juist moeten uitleggen waarom ik een dienstverband bij hen zou willen tekenen’

    Een van de zorgmedewerkers die via een leaseconstructie werkt, is Marek Goebel (33). Hij is gespecialiseerd in intensive care, houdt van zijn vak, reed als zestienjarige al mee op de ambulance. Goebel had onlangs een sollicitatiegesprek, vertelt hij. Een ziekenhuis in Brandenburg. Hij wilde gewoon eens zien hoe dat zou gaan. De eerste vraag was toen waarom hij juist daar wilde werken. ‘Toen dacht ik: die snappen het echt nog niet,’ zegt hij. ‘Die zouden mij juist moeten uitleggen waarom hun ziekenhuis zo geweldig is dat ik bij hen een dienstverband zou willen tekenen.’

    Het ziekenhuis had hem ook nog eens een salaris onder het cao-loon aangeboden, zegt Goebel. Dat ligt voor intensivecareverpleegkundigen tussen de 3200 en 4200 euro. Als leasekracht verdient Goebel ongeveer 20 procent meer dan in een vaste aanstelling. Hij heeft niet eens de moeite genomen om met het ziekenhuis te onderhandelen. Hij is gewoon opgestapt. En omdat dit veel gebeurt, ziet Medwing-oprichter Roggendorf dat ziekenhuizen kritischer naar hun arbeidsvoorwaarden gaan kijken.

    Zoals in de gezondheidszorg gaat het in steeds meer branches; inmiddels is er in Duitsland volgens het DIW bij 45 procent van alle beroepen een tekort aan personeel, onder meer bij stratenmakers, schoonmakers en administratief medewerkers. Dat betekent niet dat er geen werklozen of werknemers in beroerde baantjes meer zijn. Die zijn er nog altijd: de uitzendkrachten, de pakjesbezorgers. Maar ook hun aantal loopt terug. In de lagelonensector werkte recentelijk nog 20,7 procent van de Duitse werknemers. Al met al zijn de gemiddelde bruto-uurlonen tussen 2013 en 2019 (recentere cijfers zijn nog niet beschikbaar), gecorrigeerd voor inflatie, met circa 8 procent gestegen. Bij mensen met een laag inkomen viel die stijging ‘bovengemiddeld sterk’ uit, zegt Markus Grabka van het DIW.

    9,3 miljoen vacatures

    En hoewel momenteel een van de zwaarste naoorlogse economische crises – die meer dan 1 miljoen mensen hun baan heeft gekost – op haar einde loopt, wordt er alweer naar personeel gezocht. In juni stonden er in Duitsland 693.000 vacatures open, bedrijven als Porsche plannen weer royale toelagen voor hun medewerkers. In de VS waren onlangs zelfs 9,3 miljoen arbeidsplaatsen vacant, een record. Amazon verhoogt daar het startsalaris van 15 naar 18 dollar, sportartikelenconcern Under Armour schroeft zijn minimumloon op met 5 dollar.

    Dat de machtsbalans verschuift, komt ook naar voren in een ander cijfer: je kunt het bruto nationaal product – de financiële waarde van alle in een jaar in een land geproduceerde auto’s, kappersbeurten, hotelovernachtingen, bijlesuren et cetera – opsplitsen in een arbeids- en kapitaalaandeel. Lange tijd liep het arbeidsaandeel terug, terwijl de kapitaalbezitters zich een steeds groter deel toe-eigenden. Die trend is gestopt. Sinds een jaar of tien stijgt de Duitse loonquote weer en inmiddels zit deze weer ongeveer op het niveau van dertig jaar terug.

    Heeft het kantoor nog toekomst?

    In de afgelopen decennia veranderde het uiterlijk van veel kantoren drastisch.

    Aparte ruimtes en hokjes verdwenen en toepassingen uit de technologie werden geïntegreerd in open kantoorruimtes die geschikt waren voor werk in teamverband. Tegelijkertijd maakte digitalisering met e-mail, Google Docs, videoconferenties en Slack de aanwezigheid van werknemers in die kantoren minder essentieel. De pandemie maakte duidelijk dat veel werk ook elders verricht kan worden en wierp de vraag op waar het kantoor eigenlijk voor is: een plek voor nieuwelingen om te leren van ervaren collega’s? Een vorm om luiwammesen in de gaten te houden? Een ruimte voor samenwerking en sociaal contact?

    Volgens Upwork, een platform voor freelancers, werkt 27 procent van de Amerikaanse beroepsbevolking dit jaar op afstand en willen zo’n twintig miljoen werknemers verhuizen, of hebben dat al gedaan, velen van hen uit de grote steden. Leegstand in kantoren blijft stijgen. CBRE, ’s werelds grootste vastgoedadviesbureau, schat de leegstand van kantoren in San Francisco op ruim 16 procent, hoger dan ooit. Grote vastgoedbedrijven die voorheen recessiebestendig waren vanwege langlopende commerciële huurcontracten, hebben het afgelopen jaar ruim een derde van hun beurswaarde verloren. Kortom, er zal een nieuw evenwicht moeten worden gevonden.

    Jaana Hampel staat op een vrijdag in juni op een podium op de Kornmarkt in Neurenberg. Ze is woedend. Natuurlijk is dat een pose, want Hampel is vakbondssecretaris en dit is een staking van detailhandelspersoneel: ze willen meer loon, ze willen hun deel van de coronawinsten. Maar de werkgevers willen de cao-onderhandelingen liefst nog een jaar uitstellen. Zij hebben verliezen geleden, vanwege corona. Bijzonder verontwaardigd is Hampel over het feit dat sommige stakers zojuist een telefoontje hebben gekregen van hun werkgever die hun verwijt ongeoorloofd afwezig te zijn. ‘Wat een smeerlapperij,’ roept ze. ‘Mocht dat nog ergens toe leiden, dan kunnen ze hun borst wel nat maken, dat wil ik hier ter plekke heel duidelijk stellen!’ Hampel heeft bij ver.di [de vakbond voor de dienstensector] in Franken het detailhandelspersoneel in haar portefeuille, ze noemt hen ‘de meisjes van Douglas’ of ‘mijn H&M-vrouwen’. Een paar mannen van de Metro [een levensmiddelengroothandel] zijn er ook bij. Samen roepen ze: ‘Wij zijn hier, wij laten van ons horen, wij laten ons geen geld door de neus boren!’

    Kwaliteit van werk

    Wanneer je met de stakers spreekt, valt op dat het hun niet alleen om geld te doen is, maar ook om de kwaliteit van werk. ‘Onze nieuwe directeur ziet de toekomst van het bedrijf vooral online,’ zegt een verkoopster van Douglas. Ze heeft nauwelijks nog tijd voor adviesgesprekken. Een werkneemster van Marktkauf klaagt dat er geen voltijdsmedewerkers maar hulpkrachten in dienst genomen worden. Maar waarom gaat ze daar dan niet weg, als ze overal personeel zoeken? ‘Ik werk daar al 23 jaar. Ik ken alle vaste klanten, zie hun kinderen opgroeien. Dan kan ik toch niet weg?’ De medewerker van Douglas zegt: ‘Ik ben met hart en ziel toch Douglas-verkoopster.’

    Hampel is opgegroeid met arbeidsstrijd, haar vader was voorzitter van de ondernemingsraad bij Siemens. Dat werknemers momenteel een sterkere positie hebben, merkt ze in haar werk nog niet. Natuurlijk zijn er voorbeelden, zoals in Bautzen. Werknemers van Bautzner Senf staakten vijf dagen lang voor een minimumloon van 12 euro en gelijktrekking van de salarissen tussen de mosterdfabrieken in Oost- en West-Duitsland. Uiteindelijk wisten ze vrijwel al hun eisen ingewilligd te krijgen. Maar in veel bedrijven en hoofden werken de Hartz-hervormingen nog na, zegt Hampel. ‘De angst om bestaanszekerheid te verliezen heeft ertoe geleid dat het gemeenschapsgevoel weg is en dat iedereen eerst alleen opkomt voor zichzelf.’

    Al in 2025 kan Duitsland een tekort hebben van 2,9 miljoen geschoolde werknemers

    Toch hebben de werknemers in dit land alle reden voor zelfbewustzijn. Allereerst vanwege de wereldmarkt. De VS hebben nieuwe invoerrechten ingevoerd en handelsbarrières opgeworpen. Voor veel werknemers neemt de concurrentiedruk door dit soort beperkingen af. En China is na decennia met hoge groeicijfers inmiddels zelf een welgesteld land. De lonen zijn er de afgelopen tijd met circa 10 procent per jaar gestegen.

    Daarbij komt in de meeste westerse landen de voortschrijdende veroudering. Momenteel heeft Duitsland op elke 100 werknemers 57 gepensioneerden; in 2030 zullen dat er 67 zijn, en in 2050 zelfs 77. Die senioren willen eten, wonen, reizen en op enig moment ook worden verzorgd. Dat betekent meer werk voor jongeren. Hun skills worden een kostbaar goed. Het economisch onderzoeksinstituut Prognos heeft berekend dat Duitsland al in 2025 een tekort kan hebben van circa 2,9 miljoen geschoolde werknemers. De Britse econoom Charles Goodhart meent daarom dat er voor werknemers in de industrielanden ‘een goede tijd’ aanbreekt.

    En dan is er nog de politieke trend. In de VS wil president Biden een commissie in het leven roepen die moet onderzoeken hoe de positie van vakbonden versterkt kan worden. Duitsland kent een minimumloon, het recht om in deeltijd te werken en een Teilhabechancengesetz [wet op participatiemogelijkheden] die het mogelijk maakt dat de staat tijdelijk een groot deel van het salaris van langdurig werklozen overneemt. Er zijn nieuwe voorschriften tegen uitbuiting in de vleesindustrie en door buitenlandse toeleveranciers van Duitse concerns. En via verschillende wetten kunnen bedrijven hulp krijgen voor het bijscholen van werknemers. Want ook in de ogen van werkgevers wordt dat steeds belangrijker.

    Purpose

    Wanneer je een trui bestelt bij Otto, heeft waarschijnlijk iemand van Otto International hem ingekocht. Het bedrijf heeft zijn hoofdkantoor in Hongkong en vestigingen over heel de wereld. Daar kopen veertienhonderd medewerkers de goederen voor dit Hamburgse verzendhuis in: broeken, overhemden, ondergoed, schoenen.

    Op een donderdag in juni loggen zestien medewerkers van Otto International in voor een videoconferentie. Die maakt deel uit van een negen maanden durend bijscholingsprogramma dat de deelnemers moet voorbereiden op de uitdagingen van de toekomst. Deze donderdag gaat het om het verbeteren van de interne communicatie. Slides met kleurige grafieken gaan over het scherm.

    Zoiets is tegenwoordig niet ongewoon, om medewerkers aan zich te binden. ‘De medewerkers zijn zich zeer bewust van hun waarde,’ zegt Florian Hoffmann, oprichter van het in Berlijn, New York en Hongkong gevestigde opleidingsplatform The Do, dat wereldwijd bedrijven adviseert en het programma van Otto International verzorgt. Wanneer flexibele projectgroepen in plaats van hiërarchieën het beroepsleven bepalen, neemt het belang van leidinggevenden voor het zakelijk succes af en dat van medewerkers toe.

    Juist voor jonge mensen is het naast goede betaling en flexibele werktijden belangrijk dat ze zich met het bedrijf kunnen identificeren, vertelt Kerstin Wagner van Deutsche Bahn. ‘De mogelijkheid om via de uitbreiding van het spoorverkeer actief iets aan klimaatverandering te kunnen doen, speelt bij ons een belangrijke rol.’ Purpose noemen ze dat bij grote ondernemingen. Zin, betekenis. Als je tussen twee, drie of vier banen kunt kiezen, moet iets tenslotte toch de doorslag geven.

    Begin juli gaf Joe Biden in het Witte Huis een persconferentie, waarbij journalisten hem confronteerden met het probleem dat veel bedrijven hebben om vacatures te vervullen. Biden zei dat hij het probleem van de werkgevers zeker zag. Maar er was een simpele oplossing. Vervolgens boog hij zich voorover naar de microfoon en fluisterde: ‘Betaal ze beter!’

    DE ‘DIGITALEVAARDIGHEDENKLOOF’

    Digitalisering dwingt bedrijven om voortdurend hun bedrijfsmodellen en -processen aan te passen.

    Ondertussen merken werknemers dat ze, om mee te kunnen blijven gaan met die veranderingen, bereid moeten zijn om levenslang te leren. Maar uit onderzoek van Initiative21, een Duitse ngo die onderzoek doet naar de maatschappelijke uitdagingen van het digitale tijdperk, blijkt dat de ‘digitalevaardighedenkloof’ in Duitsland nog groot is. Zo is 59 procent van de internetgebruikers anderhalf jaar na het uitbreken van de pandemie nog steeds niet in staat een videoconferentie op te zetten. Slechts 20 procent van de mensen met een kantoorbaan beheerst een programmeertaal. Die hebben ze momenteel waarschijnlijk nog niet nodig, maar dat kan snel veranderen. De samenleving heeft behoefte aan ‘een beter begrip van onderlinge verbanden in tijden van digitalisering’, aldus Hannes Schwaderer, voorzitter van het D21-initiatief. ‘Een leven lang leren moet routine worden.’

    Sommige bedrijven in Duitsland hebben eigen opleidingen, maar dat is nog een zeldzaamheid. Experts verwachten dat dat in de toekomst gaat veranderen, omdat het opleiden van werknemers in alle sectoren steeds belangrijker wordt. Want hoe verder de digitalisering vordert, des te specialistischer de banen worden. Daardoor zal het voor bedrijven zonder eigen opleiding steeds moeilijker worden om geschikte medewerkers te vinden. (Focus, München)

    Lees ook:

  • Novembernummer | Uitgewerkt

    Novembernummer | Uitgewerkt

    »  Lees dit nummer online

    Met onder andere:

    » Thomas Piketty over de Pandora Papers: ‘Het hoog tijd om in actie te komen’

    » De macht aan de werknemer

    » Wederopstanding van de nachttrein onderweg

    » Amerika exporteert behalve culturele, ook politieke thema’s

    Machtsverschuivingen

    Redactioneel

    Toen Marek Goebel (33) onlangs tijdens een sollicitatie in een ziekenhuis de vraag kreeg waarom hij daar wilde werken, dacht hij: Die snappen het niet. Zij zouden mij moeten uitleggen waarom ik bij hen in dienst zou willen. Vervolgens kreeg hij ook nog een laag salarisaanbod, en hield hij het voor gezien.

    Hoewel momenteel een van de zwaarste naoorlogse economische crises – die meer dan 1 miljoen mensen hun baan heeft gekost – op haar einde loopt, worden banen massaal opgezegd, met als gevolg een groot tekort aan personeel, schrijft Die Zeit (p. 14). Hebben werknemers, zoals The Atlantic suggereert (p. 18), geprofiteerd van de gunstige regelingen tijdens de crisis en ingezien dat ze te weinig verdienen? Zouden we na een tijdperk waarin gebrek aan carrière je eigen schuld was, personeel voortdurend beschikbaar moest zijn en jongeren zich al op hun twintigste uitgeblust voelden, nu daadwerkelijk naar een baan kunnen gaan shoppen, zonder concurrentiestrijd met collega’s, eeuwig toezicht van de werkgever en mét ruimte tot salarisonderhandeling? Zijn de rollen eindelijk omgedraaid? Het maandblad schetst een nabije toekomst waarin robots productieve taken overnemen, zonder dat het ons banen kost.

    In die nabije toekomst reizen we als het aan de Duitse Groenen ligt in Europa nog uitsluitend per trein (p. 20); de EuroNight Sprinter moet ervoor zorgen dat we in 2030 in willekeurig welke Europese stad ’s avonds de slaaptrein kunnen pakken om ergens anders te ontwaken. Is je bestemming Oxford, dan kan je een bezoek brengen aan de vierhonderd jaar oude botanische tuin, die inmiddels zal zijn begroeid met vijgen- en olijfbomen (p. 24).

    En de macht van China zal volgens een andere verrassende voorspelling inmiddels zijn afgenomen – met nog onvoorziene geopolitieke gevolgen (p. 28). Als een van de oorzaken noemt The Economist de Great Firewall, die niet alleen helpt de rest van de wereld buiten te houden, maar ook verhindert dat Chinese ideeën doordringen in het buitenland, waar die uit Amerika vaak klakkeloos worden overgenomen (p. 26).

    De mysterieuze geniale Russische miljardair Pavel Doerov wilde de ongebreidelde macht van sociale media tegengaan met de oprichting van Telegram, dat geen gebruikersgegevens aan derden ter beschikking stelt – en dus een walhalla vormt voor criminelen en extremistische organisaties (p. 36). Maar dat die de reguliere kanalen even goed weten te benutten, blijkt uit een interview met taliban-influencer Mullah Muhamad Rasol, die op Facebook en Twitter ongestoord propaganda verspreidt (p. 32). ‘We richten de wapens van onze vijand graag op de vijand zelf,’ verkondigt hij met een grijns.

    Laura Weeda

    weeda@360international.nl

    INT 21201 1 LR 2
  • Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Overheden moeten bedrijven en investeerders helpen bij de vergroening

    Zogeheten groene knelpunten, zoals snelle prijsstijgingen en grondstoftekorten, zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk in de praktijk wordt gebracht. Ze kunnen alleen worden overkomen als overheden zich ‘activistisch’ opstellen, zonder er een tweede nationale agenda op na te houden.

    Terwijl de wereldeconomie aantrekt, hebben tekorten en snelle prijsstijgingen een alomvattende invloed: van de levering van Taiwanese chips tot de kosten van een Frans ontbijtje. Eén knelpunt verdient echter speciale aandacht: problemen aan de aanbodzijde, zoals schaarste aan metalen en beperkende regels voor grondgebruik die de hausse op het gebied van groene energie dreigen te vertragen. 

    Deze knelpunten zijn geenszins tijdelijk. Ze zouden de komende jaren een terugkerend probleem kunnen vormen in de wereldeconomie, doordat de overgang naar een schoner energiestelsel nog in de kinderschoenen staat. Aan overheden de taak om op deze signalen van de markt te reageren en de komende tien jaar een forse investeringsstijging in de particuliere sector mogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan blijft capaciteitsvergroting uit en kunnen beloften van ‘nulemissies’ waarschijnlijk niet worden nagekomen.

    Gekanteld

    Wetenschappers en activisten maken zich al tientallen jaren zorgen over klimaatverandering. Sinds kort lijkt de boodschap bij politici te zijn aangekomen: landen die goed zijn voor meer dan 70 procent van het mondiale bbp én verantwoordelijk voor een even hoog percentage aan uitstoot van broeikasgassen, hebben nu doelstellingen voor nulemissies geformuleerd. De meeste moeten rond 2050 zijn gerealiseerd. 

    De houding van het bedrijfsleven is daarmee gekanteld. Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, aangespoord door de nieuwe realiteit dat schone technologieën goedkoper zijn. De reuzen van het fossiele-brandstoftijdperk, zoals Volkswagen en Exxonmobil, moeten hun investeringsplannen aanpassen, terwijl de pioniers op het gebied van schone energie hun kapitaaluitgaven snel opdrijven. Orsted, leider op het gebied van windmolenparken, voorziet dit jaar een stijging van 30 procent; Tesla, fabrikant van elektrische auto’s, maakt een sprong van 62 procent. Ondertussen stroomde in het eerste kwartaal van 2021 niet minder dan 178 miljard dollar naar inmiddels groene investeringsfondsen.

    Beleggers eisen dat bedrijven het roer omgooien, ook omdat schone technologieën goedkoper zijn

    Deze plotselinge verschuiving veroorzaakt de nodige spanningen, aangezien de vraag naar grondstoffen stijgt en er om de weinige wettelijk goedgekeurde projecten wordt gestreden. Uit berekeningen blijkt dat een samenstel van vijf mineralen voor gebruik in elektrische auto’s en elektriciteitsnetten het afgelopen jaar met 139 procent in prijs is gestegen. Houtmaffia’s stropen de Ecuadoraanse bossen af, op zoek naar balsahout voor verwerking in windturbinebladen. In februari bracht een Britse veiling van zeebodemrechten voor offshore windparken 12 miljard dollar op, omdat energiebedrijven gespitst zijn op exposure, ongeacht de kosten. 

    Ook tekenen zich financieringstekorten af: terwijl een handvol bedrijven op het gebied van hernieuwbare energie onder geld wordt bedolven, beginnen de waardebepalingen behoorlijk te zwabberen. Hoewel de hernieuwbare energiesector, getuige de indexcijfers van de consumptieprijzen, nog steeds weinig gewicht in de schaal legt, vrezen sommige financiers dat tekorten aan de aanbodzijde op den duur tot hogere inflatie kunnen leiden.

    Tien keer zo hoog

    Opvallend aan deze tekenen van overbelasting is dat er nu al sprake van is, terwijl de energietransitie nog voor geen 10 procent is voltooid (gemeten naar het aandeel reeds gepleegde cumulatieve energie-investeringen dat in 2050 nodig is). Weliswaar zijn sommige noodzakelijke technologieën nog nauwelijks gerealiseerd, zodat er niet in kan worden geïnvesteerd. Ook daarom zijn onderzoek en ontwikkeling bittere noodzaak. En op andere gebieden is het hersenwerk grotendeels gedaan, zodat dit decennium spijkers met koppen moet worden geslagen en veel kapitaal uitgegeven, waardoor gevestigde technologieën een hoge vlucht kunnen nemen.

    Cijfermatig blijkt hoe ontzaglijk de opgave de komende tien jaar is. Om op koers te blijven voor een netto uitstoot van nul, moet in 2030 de jaarlijkse productie van elektrische voertuigen tien keer zo hoog zijn als vorig jaar en moeten er eenendertig keer meer laadstations langs de weg staan dan nu het geval is. Duurzame energieopwekking moet verdrievoudigen en internationale mijnbouwbedrijven dienen de jaarlijkse productie van essentiële mineralen met 500 procent te verhogen. En misschien zal het nodig zijn om twee procent van het Amerikaanse grondgebied met turbines en zonnepanelen te bedekken.

    Energiebedrijven zijn gespitst op exposure, ongeacht de kosten

    Dit alles vergt het komende decennium zo’n 35 biljoen dollar, ofwel een derde van de activa waarover de vermogensbeheersector op dit moment wereldwijd beschikt. Het beste systeem om dit te realiseren is via het netwerk van grensoverschrijdende toeleveringsketens en kapitaalmarkten dat sinds de jaren negentig een wereldwijde revolutie teweeg heeft gebracht. Maar zelfs dit systeem schiet tekort. De energie-investeringen liggen op ongeveer de helft van het vereiste niveau, en vertonen een scheefgroei: ze komen grotendeels voor rekening van een aantal rijke landen en China. Ondanks de stijgende metaalprijzen, bijvoorbeeld, zijn mijnbouwbedrijven huiverig voor een verruiming van het aanbod.

    De voornaamste reden voor het investeringstekort is dat het te lang duurt om projecten goedgekeurd te krijgen, en dat het verwachte risico en rendement ondoorzichtig zijn. Overheden maken het er niet beter op door klimaatbeleid te gebruiken als vehikel voor andere politieke doeleinden. De Europese Unie streeft naar strategische autonomie op het gebied van batterijen, en met haar groene agenda sluist ze een deel van haar begroting naar achtergestelde gebieden. China overweegt binnenlandse prijsplafonds voor grondstoffen in zijn volgende vijfjarenplan op te nemen. Evenzo geeft het klimaatplan in wording van president Joe Biden prioriteit aan vakbondsbanen en lokale industrieën. Deze mix van vage doelen en protectionisme ‘light’ belemmert noodzakelijke investeringen.

    Snelheid van handelen

    Overheden moeten meer standvastigheid aan de dag leggen. Er is een cruciale rol weggelegd voor een activistische staat die helpt om essentiële infrastructuur zoals transmissielijnen te realiseren, en om onderzoek en ontwikkeling te stimuleren. Het aanjagen van particuliere investeringen heeft echter de allerhoogste prioriteit. 

    Dat moet op twee manieren gebeuren. In de eerste plaats door de regels voor planning te versoepelen. Wereldwijd kost het gemiddeld zestien jaar om een mijnbouwproject goedgekeurd te krijgen; bij een doorsnee windenergieproject in de VS zijn leaseovereenkomsten en vergunningen na ruim tien jaar rond – een van de redenen dat de offshorewindcapaciteit er nog geen honderdste van de Europese bedraagt. Snelheid van handelen vereist gecentraliseerde besluitvorming, waarbij lokale natuurbeschermers en bewakers van de eigen achtertuin het nakijken zullen hebben.

    In de tweede plaats kunnen overheden bedrijven en investeerders helpen om risico’s te beheersen. Bijvoorbeeld door bepaalde zekerheden te bieden, zoals gegarandeerde minimumprijzen voor elektriciteitsopwekking. Westerse regeringen hebben ook de plicht om goedkope financiering te verlenen waarmee ze investeringen in armere landen stimuleren. 

    Het allerbelangrijkste is echter dat er koolstofprijzen worden ingevoerd die marktsignalen verankeren in miljoenen dagelijkse zakelijke beslissingen, en dat ondernemers en investeerders een breder perspectief op de lange termijn krijgen. Vandaag de dag wordt slechts 22 procent van de uitstoot van broeikasgassen in de wereld gedekt door tariefregelingen, en die zijn niet geharmoniseerd. Groene knelpunten zijn een teken dat CO2-vermindering eindelijk van theorie naar praktijk verschuift. Een krachtige stoot voorwaarts is nu nodig om de revolutie werkelijk tot stand te brengen.