Gevechten langs Oekraïense kustlijn zorgen voor milieuschade
De duizenden aangespoelde dolfijnen op de kusten van de Dode Zee zijn waarschijnlijk het gevolg van de oorlog in Oekraïne, zo meldt The New York Times. De gevechten langs de Oekraïense kustlijn hebben onnoemelijke milieuschade aangericht en hebben de habitat van de dolfijnen verstoord, aldus wetenschappers.
Recente studies uit Bulgarije, Turkije en Oekraïne tonen aan dat door de oorlog de biodiversiteit in zee in toenemende mate wordt bedreigd: er vallen bommen in voedselrijke gebieden aan de kust, olie lekt uit gezonken schepen, en uit de rivieren stroomt water naar zee dat vervuild is door chemicaliën die in munitie worden gebruikt.
Ivan Roesev, een milieuwetenschapper verbonden aan het nationaal park Toezly in Oekraïne, zei dat uit gegevens die sinds het begin van de oorlog door zijn organisatie zijn verzameld, blijkt dat enkele duizenden dolfijnen zijn gedood. Volgens Roesev kunnen het toegenomen lawaai van schepen en het gebruik van krachtige sonarsystemen ook de dolfijnen desoriënteren, die geluid gebruiken om te navigeren. ‘Sommige dolfijnen hadden brandwonden van bom- of mijnexplosies en konden niet meer navigeren en natuurlijk ook niet meer naar voedsel zoeken’, schrijft Roesev.
Voor de oorlog lag het aantal dolfijnen in de Zwarte Zee op 253.000
Ook de Turkse organisatie voor zeeonderzoek meldt ‘een uitzonderlijke toename’ van dode dolfijnen die aanspoelen aan de Turkse kust.
De Russische marine domineert de Zwarte Zee voor de kust van Oekraïne en heeft een blokkade opgelegd aan alle Oekraïense scheepvaart. Daardoor is het onmogelijk om gedetailleerde wetenschappelijke informatie te verzamelen, zodat de massale dolfijnensterfte vooralsnog een mysterie blijft.
Vóór de oorlog hebben honderd wetenschappers van een internationale verdragsgroep voor het behoud van walvisachtigen met behulp van tien vliegtuigen en zes schepen onderzoek gedaan naar het zeeleven in de Zwarte Zee en het Middellandse Zeegebied. Zij stelden vast dat de Zwarte Zee meer dan 253.000 dolfijnen herbergde, een gezond aantal, dat volgens de wetenschappers een positieve ecologische indicator was van het totale ecosysteem. Het valt nu echter nog te bezien wat de uiteindelijke tol van de oorlog zal zijn voor dolfijnen en ander zeeleven.
Corridor NG13 open verklaard voor jacht op trofeeën
De internationaal belangrijke olifantencorridor in Botswana is in gevaar, zo meldt Daily Maverick. Onlangs werd de corridor NG13 (NG staat voor Ngamiland) langs de rivier de Kwando open verklaard voor de jacht op trofeeën, waaronder de enorme slagtanden van olifanten. Volgens Audrey Delsink, directeur Wildlife van Humane Society Africa, kan de toestemming die Botswana heeft gegeven aan trofeejagers niet alleen verwoestende gevolgen hebben voor de olifanten die door de corridor trekken maar voor het hele ecosysteem.
‘Trofeejagers jagen voornamelijk op de grootste en oudste stieren,’ zegt Delsink. ‘Dat is buitengewoon schadelijk voor de olifantenpopulatie, omdat die olifanten ecologische en sociale kennis verschaffen en zij cruciaal zijn voor het voortbestaan van de hele groep. Oudere stieren houden jongere stieren in bedwang, die anders verstorend gedrag zouden vertonen.’
Een levende olifant is levend 53 keer meer waard dan als trofee
Vorige maand werden twee van de grootste slagtandolifanten in de regio gedood, wat leidde tot verontwaardiging onder natuurbeschermers over de hele wereld. Een van de olifanten, met slagtanden van bijna vijftig kilo elk, werd gedood in opdracht van Derek Brink, een van de rijkste mannen van Botswana.
Volgens de regering van Botswana zijn er meer dan genoeg olifanten in het gebied en profiteert de plaatselijke bevolking financieel van de jacht. Gedode olifanten worden op de zwarte markt beneden hun waarde verkocht. Een studie van Sheldrick Wildlife Trustberekende dat een levende olifant 53 keer meer waard is dan als trofee.
Ze golden als uitgestorven, maar duiken nu weer op. Veel door de mens uitgeroeide wilde dieren worden de laatste decennia fanatiek geherintroduceerd. Sommige slagen er zelfs in op eigen kracht terug te keren.
Over soortbescherming hoor je bijna alleen slechte berichten. Op de wereldconferentie over biodiversiteit die op 11 oktober begint, zal het weer gaan over de razendsnelle verdwijning van dieren en planten, en over de vraag of en hoe die zich nog laat stoppen. Ook Duitsland is zwaar getroffen door soortensterfte. Maar er zijn ook voorbeelden van positieve ontwikkelingen. Best wat diersooren die verdwenen waren, zijn nu weer terug. Een overzicht van lammergier tot wolf.
Lammergier of baardgier (Gypaetus barbatus). Sinds juni leven er weer twee lammergieren in Duitsland. De twee jonge vogels, ‘Bavaria’ en ‘Wally’, werden uitgezet in het Nationale Park Berchtesgaden. In de komende tien jaar zullen er elk jaar drie of vier volgen, in de hoop dat ze ooit gaan broeden. Met een spanwijdte van de vleugels van bijna drie meter behoren de lammergieren tot de grootste vliegende vogels die er zijn.
Er werd op ze gejaagd omdat men dacht dat ze vee, wild en zelfs kleine kinderen doodden
Dat de vogels aan het begin van de twintigste eeuw in het hele alpengebied zijn uitgestorven had veel te maken met de angst van de mensen. Als ‘lammergier’ werd er op ze gejaagd omdat men ze toedichtte dat ze vee, wild en zelfs kleine kinderen wegsleepten en doodden. In werkelijkheid eten lammergieren uitsluitend aas, vooral beenderen van dode dieren, die ze van grote hoogte op de rotsen laten vallen om ze tot behapbare stukken te verkleinen. Tegenwoordig is het grootste gevaar voor de streng beschermde dieren dat ze zich vergiftigen met resten loodhoudende munitie in de dierkadavers die ze eten.
Bever (Castor fiber). In de negentiende eeuw waren er nauwelijks nog bevers in Duitsland. Het kanaliseren van rivieren verwoestte hun habitat; bovendien werden de dieren bejaagd om hun vlees en hun pels. Slechts 190 exemplaren overleefden langs de Mittel Elbe. Een consequente bescherming en een hervestigingsprogramma hebben ertoe geleid dat er op dit moment weer ongeveer 40.000 bevers leven in Duitsland.
Bruine beer (Ursus arctos). De bruine beer geldt in Duitsland als uitgestorven sinds het laatste exemplaar in 1835 in de Alpen werd doodgeschoten. Maar sinds het jaar 2019 wordt weer een solitaire bruine beer gezien in Beieren, de laatste keer bij Garmisch-Partenkirchen. Het dier is waarschijnlijk vanuit het Italiaanse Trentino via Tirol Beieren ingekomen. Laten we hopen dat deze beer niet hetzelfde lot wacht als Bruno, die in het jaar 2006 uit Italië was gekomen. Bruno werd nog hetzelfde jaar dood geschoten omdat hij zich vaak in de buurt van huizen ophield en ook schapen en kippen doodde.
Eland (Alces alces). Minstens tien elanden zwerven door Duitsland. De grootste herten ter wereld worden tot drie meter lang en hebben een schofthoogte van tot 2 meter 30. Rond het jaar 1940 verdwenen de laatste elanden uit Duitsland. Een van de hoofdoorzaken was het verdwijnen van hun leefgebieden. Elanden voelen zich het best thuis in vochtige gebieden zoals loof- of moerasbossen, waarvan er veel drooggelegd en bebouwd werden, of in akkers veranderd.
Hoeveel elanden op dit moment in Duitlsand leven is niet precies bekend, omdat de meldingen niet consequent worden geregistreerd. De meeste elanden zijn er in Brandenburg, maar ook in Mecklenburg-Vorpommern, Sachsen, Sachsen-Anhalt en Thüringen worden regelmatig elanden gespot. Veel van deze dieren zijn binnengekomen uit Polen. In Tsjechië zijn er ook elanden die af en toe de grens oversteken naar Beieren.
Grijze zeehond (Halichoerus grypus). Kegelrobben kunnen 2,5 meter lang en 330 kilo zwaar worden. Daarmee zijn ze de grootste in Duitsland levende roofdieren. Vissers beschouwen de robben als concurrenten, er werd meedogenloos op de dieren gejaagd, tot ze in het jaar 1920 vrijwel uitgeroeid waren. Daarna werden ze aan de Duitse kusten lange tijd niet meer gezien. Pas sinds de jaren negentig zijn ze dankzij jachtverboden en de vermindering van giftige stoffen in het milieu weer terug aan de stranden van de Noord- en de Oostzee. Sinds het jaar 2004 ook in het Greifswalder Bodden.
Kraanvogel (Grus grus). Aan het begin van de jaren zeventig waren er vrijwel geen kraanvogels meer in Duitsland. Intussen broeden hier weer ongeveer 11000 paren van deze vogelsoort, die met een hoogte tot 1 meter 30 en een vleugelspanwijdte tot 2 meter 45 groter zijn dan witte ooievaars. Voordat kraanvogels paren, dansen ze met elkaar. Daarbij springen mannetjes en wijfjes met gespreide vleugels rond, en lopen in kringen en slingeren stukken van planten de lucht in.
Dat hun aantal in Duitsland al jaren achtereen stijgt, is het succes van beschermingsprogramma’s
Behalve de vogels die hier broeden, vliegen er elk jaar zo’n 400.000 over Duitsland, op weg naar hun winterverblijven in Zuid-Europa en Noord-west Afrika. Vele van hen landen op verzamelplaatsen in het Noord-Duitse laagland om te rusten. Dat hun aantal in Duitsland al jaren achtereen stijgt, is het succes van beschermingsprogramma’s waarin de leefgebieden van de grote loopvogels worden hersteld: vochtige gebieden waar ze onder andere kikkers, kleine visjes, slakken en wormen kunnen vinden en hun jongen kunnen grootbrengen in een nest dat door water omringd en daardoor goed beschermd is.
Kortsnuitzeepaardjes (Hippocampus hippocampus). Met de zeegrasvelden verdween waarschijnlijk in de jaren dertig van de vorige eeuw ook het kortsnuitzeepaardje uit de Noordzee. De beenvissen hebben zeegras nodig om zich aan vast te klampen en niet door de stroming meegesleept te worden. Toen het zeegras werd vernietigd door een schimmel hadden de zeepaardjes geen plek meer waar ze konden leven.
Door de warmere Noordzee overleven meer dieren waarschijnlijk de winter
Sinds enkele jaren zijn er weer meer zeepaardjes in de Noordzee. Waar dat door komt, is niet helemaal duidelijk, want zeegrasvelden zijn er nog steeds niet. Twee fenomenen komen in aanmerking: enerzijds verspreidt zich sinds enige tijd Japans bessenwier, een invasief bruinwier, in de Noordzee en vormt dichte onderwaterwouden. Voor de zeepaardjes zouden die een vervanging voor het zeegras kunnen zijn. Anderzijds is het water van de Noordzee door de klimaatverandering warmer geworden. Daardoor overleven meer dieren waarschijnlijk de winter.
Lynx (Lynx lynx). Ooit leefden er overal in de wouden van Duitsland lynxen. Maar al omstreeks 1850 waren de grote katten verdwenen. Mensen jaagden erop, en bovendien was het aantal van hun prooidieren sterk geslonken. Hoewel de omstandigheden intussen helemaal niet meer zo slecht zijn, heeft de lynx moeite met zijn terugkeer naar Duitsland. Ondanks meerdere hervestigingsprojecten stagneert het aantal lynxen. ‘Dat komt onder andere doordat de natuurlijke sterfte onder jonge dieren extreem hoog is,’ zegt Moritz Klose, die bij het WNF leiding geeft aan het programma voor de terugkeer van wilde dieren naar Duitsland en Europa. Minder dan een derde wordt twee jaar oud. Veel jonge dieren verhongeren omdat ze niet genoeg prooien vangen, andere sterven aan ziektes of worden overreden.
In het Pfälzer Wald steunen nu zelfs de jagers de terugkeer van de lynx
In Duitsland zijn er op dit moment drie lynxpopulaties, die stuk voor stuk met moeite werden opgebouwd. De oudste populatie leeft in Beieren en in het Oberpfälzer Wald, waar de dieren al in de jaren zeventig weer uitgezet werden. In 2006 volgde een project in de Harz, in 2016 een in het Pfälzer Wald. De projecten lopen niet allemaal even goed. ‘Aan de lynx wordt duidelijk hoe belangrijk het is om de bevolking er tijdig bij te betrekken,’ zegt Klose. In het Pfälzer Wald informeerden dierenbeschermers de bevolking lang voordat de dieren daadwerkelijk werden uitgezet, en maakten reclame voor de roofkatten. Daar steunen nu zelfs de jagers de terugkeer van de lynx. In het Bayerische Wald daarentegen werden de dieren in de jaren zeventig eenvoudig vrijgelaten. Ook daarom staan veel mensen daar sceptisch tegenover de lynx. Nergens worden zoveel dieren geschoten als daar, ondanks het verbod.
Zeearend (Haliaeetus albicilla). Het wapendier van Duitsland werd in de negentiende eeuw beschouwd als een voedselconcurrent van de mens en zo fanatiek bejaagd dat de zeearend omstreeks 1900 zo goed als uitgestorven was. Toen de jacht aan het begin van de twintigste eeuw verboden werd, herstelde de populatie zich aanvankelijk, maar stortte in de jaren vijftig en zestig weer in. Het insecticide DDT hoopte zich op in vissen, en zo kregen de arenden het ook binnen. DDT maakte de eierschalen zo dun dat ze braken bij het broeden. Sinds DDT werd verboden, neemt het aantal zeearenden weer toe. Intussen leven er in Duitsland ongeveer zeshonderd broedparen, de meeste in Mecklenburg-Vorpommern.
Steur (Acipenser). Nog in de negentiende eeuw zaten er veel steuren in de Noordzee, de Oostzee en in veel rivieren. Steuren zijn echte trekvissen die in de zee leven, maar om te paaien de rivieren in zwemmen om hun eitjes te leggen in zoetwater. Voor deze trektochten hebben ze rivieren nodig die niet gekanaliseerd zijn, waarin de weg niet versperd is door stuwen of waterkrachtcentrales. Ook scheepvaart en overbevissing hebben ertoe bijgedragen dat de vissen, die langer dan 3 meter kunnen worden, in Duitsland zijn uitgestorven. In 1969 werd het laatste exemplaar gevangen in de Eider.
Of die projecten succesvol zijn zal pas blijken als de eerste volwassen steuren weer terugkeren in ‘hun’ rivier
Sinds 2007 worden gekweekte jonge steuren uitgezet in de Oder – tot op heden meer dan twee miljoen. Een soortgelijk project loopt sinds 2008 in de Elbe. Of die projecten succesvol zijn zal pas blijken als de eerste volwassen steuren weer terugkeren in ‘hun’ rivier, om te paaien. Tussen beide gebeurtenissen ligt meer dan een decennium: mannelijke steuren worden pas op de leeftijd van twaalf jaar geslachtsrijp, de vrouwtjes pas op hun vijftiende.
Kaalkopibis (Geronticus eremita). De kaalkopibis is wereldwijd een van de ernstigst bedreigde vogelsoorten. De opvallende dieren met de lange, sikkelvormige snavel en de ruige veren in de nek waren in Duitsland en in heel Midden-Europa al in de zeventiende eeuw uitgestorven. De mens heeft die vogels, die als een delicatesse golden, gewoon opgegeten. Tegenwoordig bestaan er in Duitsland meerdere hervestigingsprogramma’s voor kaalkopibissen.
De dieren vallen ook op door hun gedrag: als twee kaalkopibissen elkaar tegenkomen, dan leggen beide vogels de kop in de nek, buigen voor elkaar en begroeten elkaar met hese kreten. Een probleem is dat kaalkopibissen trekvogels zijn die de route naar hun winterkwartier normaal gesproken van hun ouders leren. Maar in de projecten worden ze door mensen grootgebracht. Er is een oplossing, maar die is extreem duur. Als hun opvoeders voor de dieren uit vliegen in een licht vliegtuigje en hun zo de weg wijzen, vliegen de jonge kaalkopibissen achter ze aan; hebben ze de vluchtroute eenmaal geleerd, dan vinden ze in het voorjaar de weg naar Duitsland op eigen kracht terug.
Wilde kat (Felis silvestris). De Europese wilde kat leeft vooral in bossen. Hij is sterker dan de huiskat en heeft in verhouding tot het lichaam langere poten. De dieren zijn uiterst schuw; aan het eind van de 1negentiende eeuw waren ze zo goed als verdwenen uit Duitsland. De redenen daarvan zijn onduidelijk. Lange tijd gold de jacht als de voornaamste reden, maar volgens recentere inzichten zou ook een epidemie tot de verdwijning geleid kunnen hebben. Tegenwoordig leven er weer enkele duizenden exemplaren in Duitsland.
Wisent (Bison bonasus). De laatste vrij levende wisent werd in 1927 geschoten in de Kaukasus; uit Duitsland waren de dieren al lang voordien verdwenen, vermoedelijk omstreeks het jaar 1700. Wereldwijd overleefden nog slechts 54 van deze reusachtige wilde runderen in gevangenschap. Met een lengte tot wel 3 meter en een schofthoogte tot 1 meter 95 zijn zij de grootste landzoogdieren van Europa. Enkele wisenthouders slaagden er samen in de dieren in het wild uit te zetten. Volgens de meest recente editie van het wisent stamboek van 2019 leven er wereldwijd 6244 wisenten in het wild.
De wisenten staan onder andere bij particuliere bosbezitters niet in een goed blaadje
Ook in Duitsland werden in het jaar 2013 acht wisenten uitgezet: in het Roothaargebergte in Noordrijn-Westfalen. ‘Het project is echter geen groot succes,’ zegt Moritz Klose. De wisenten staan onder andere bij particuliere bosbezitters niet in een goed blaadje omdat ze ook scheuten van loofbomen eten, en vooral in de winter, als er geen gras is, de schors van bomen afschillen. Er leven momenteel zesentwintig dieren in het Rothaargebergte.
Wolf (Canis lupus). De wolf is een van de weinige terugkeerders die hun comeback in Duitsland op eigen kracht hebben gemaakt – helemaal zonder hervestigingsprojecten. Het was voldoende om de jacht op de dieren te verbieden. Nadat de wolven in het jaar 1990 in Duitsland een beschermde diersoort werden, trokken eerst enkele exemplaren vanuit Polen ons land in. In het jaar 2000 – bijna 150 jaar na de uitroeiing in Duitsland – kwamen op een oefenterrein van het leger in de Lausitz de eerste welpen ter wereld. Intussen leven in Duitsland 128 roedels, 35 wolvenparen en tien solitaire dieren.
Meer dan driehonderd wolven zouden sinds het jaar 1999 zijn overreden
Of de wolven verder beschermd moeten worden is omstreden onder de bevolking. Ze verscheuren vooral reeën, herten, wilde zwijnen en kleine gewervelde dieren – maar ook weidedieren als schapen en kalveren. Vanwege de conflicten tussen wolf en mens komt het steeds opnieuw voor dat wolven illegaal gedood worden. Volgens opgaven van het WNF zijn sinds de terugkeer van de wolf naar Duitlsand meer dan veertig exemplaren illegaal gedood. ‘Maar het grootste gevaar voor de wolf is het verkeer,’ zegt Moritz Klose. Meer dan driehonderd wolven zouden sinds het jaar 1999 zijn overreden.
In steeds meer gemeenten in Australië is het verboden om katten onaangelijnd buiten te laten lopen. De katten zouden een grote bedreiging vormen voor de inheemse fauna, meldt The Guardian.
Een studie gepubliceerd in het tijdschrift Wildlife Research heeft uitgewezen dat huiskatten ongeveer 230 miljoen inheemse Australische dieren per jaar doden. Neem ook de verwilderde katten in ogenschouw, en het totaal komt uit op ongeveer 1,7 miljard inheemse dieren. Uit onderzoek blijkt dat wilde en gedomesticeerde katten verantwoordelijk zijn voor het uitsterven van tientallen soorten dieren en een bedreiging vormen voor nog eens honderdtwintig andere soorten.
Sommige gemeenten stellen een avondklok in voor katten
In veel Australische regio’s worden de eigenaars opgedragen hun katten binnenshuis te houden, waarbij sommige gemeenten een avondklok instellen en zelfs een verbod uitvaardigen om katten buiten te laten. Vanaf juli moeten in Canberra alle katten binnen worden gehouden. Greater Bendigo doet dat al, en de Adelaide Hills voerden begin dit jaar soortgelijke regels in.
Om de huiskatten alsnog in de buitenwereld te laten komen, is het een oplossing om ze aan een lijn uit te laten. Dr. Jacqui Ley, een specialist in veterinaire gedragsgeneeskunde in Melbourne, werkt met dieren met geestelijke gezondheidsproblemen. Ze zegt in een interview met de Britse krant dat je een kat kunt leren aan de lijn te lopen. ’Sommige katten vinden het leuk om aan een lijn uitgelaten te worden. Ze zijn net als mensen. Sommige zijn sociaal, extravert, en sommige … blijven graag thuis.’
Honden kunnen kanker, Parkinson, malaria en andere aandoeningen ruiken die veranderingen in de lichaamsgeur veroorzaken. Ze kunnen zelfs corona ruiken. Het zou enorme gevolgen voor de volksgezondheid hebben om dat vermogen van honden in een draagbare, toegankelijke vorm te hebben zodat ziekten in een vroeg stadium kunnen worden gesignaleerd, aldus Vox. Een smartphone kan al horen, zien en voelen, maar nog niet ruiken.
Het zal niet lang duren voordat het zover is, denkt Andreas Mershin, onderzoeker en uitvinder aan het MIT. ‘Ik denk dat het nog ongeveer vijf jaar zal duren om geurdetectie in een telefoon te krijgen. In miljoenen telefoons.’ De privacy-implicaties zijn niet gering, maar het voordeel lijkt duidelijk: een robotneus in zakformaat kan immers levensreddend zijn. ‘Ieder van ons kan een moedervlek hebben die kwaadaardig wordt,’ zegt Mershin. ‘Als je zes maanden wacht, wordt dat soms een doodvonnis.’ Maar met een telefoon die een geurverandering waarneemt, word je mogelijk eerder gewaarschuwd.
In de Zuidspaanse provincie Almeria, ook wel de moestuin van Europa genoemd, wordt behalve veel groente en fruit elk jaar ook zo’n 30.000 ton plastic afval geproduceerd. In The Greenhouse Series II brengt de Duitse fotograaf Tom Hegen dit door landbouw overspoelde landschap, dat zich uitstrekt over 360 vierkante kilometer ruig, bergachtig terrein, in beeld als een abstracte landkaart. De meestal zelfgebouwde kassen bestaan bijna volledig uit een soort folie dat wordt achtergelaten zodra het niet meer bruikbaar is. De kleine plastic deeltjes komen uiteindelijk in de zee terecht, dus in de vis en uiteindelijk bij de consument.
Recent onderzoek keek naar verschillen tussen mannen en vrouwen die hun eigen intelligentie of IQ moesten schatten. Het blijkt dat eerst het biologische en daarna het psychologische geslacht het sterkst de overschatting van IQ voorspellen, aldus The Conversation. Oftewel: geboren zijn als man of sterke mannelijke eigenschappen hebben (zowel mannen als vrouwen) vergroot de kans op een opgeblazen intellectueel zelfbeeld. Over het algemeen denken mannen dat ze beduidend slimmer zijn, terwijl vrouwen zichzelf veel bescheidener inschatten.
Dit effect wordt wel het probleem van de mannelijke hybris en de vrouwelijke nederigheid genoemd. Voor onderwijspsychologen is dit onderzoek belangrijk omdat het iets zegt over bijvoorbeeld vakkenkeuze op school: als je denkt dat je iets niet kunt, doe je het niet. De onderzoekers denken dat de uitkomsten voor een deel ook de genderloonkloof kunnen verklaren.
Bibliotheek voor verboden boeken
In de bibliotheek van het afgelegen, honderd inwoners tellende Matinicus Isle, 35 kilometer voor de kust van Maine, zijn alle boeken welkom, maar de bibliotheek heeft een speciale voorkeur voor boeken die elders in het land verboden zijn. Zo kwam bewoner Eva Murray onlangs terug van het vasteland met onder meer And Tango Makes Three, het verhaal van twee mannelijke pinguïns die samen een kuiken grootbrengen. Volgens de American Library Association is dat een van de meest verboden boeken in de VS. ‘We kopen verboden boeken om publiekelijk weerstand te bieden tegen de drang om boeken te verbieden,’ zegt vrijwilliger Murray in gesprek met Bangor Daily News. Het past bij Matinicus, waar tolerantie voor leven en laten leven en waardering voor verschillen essentieel is. ‘Wij zijn in de bevoorrechte positie om te zeggen: we verbieden geen boeken.’
Verbod mobiele telefoon zorgt voor achterstand meisjes in India
In conservatieve delen op het platteland van India is het taboe voor meisjes om mobiele telefoons te gebruiken, uit angst dat ze online mogelijk jongens zullen ontmoeten of gecorrumpeerd zullen worden door online-invloeden, aldus NPR. Jongens met een smartphone worden daarentegen gezien als vooruitstrevend en slim. Dit zegt Shabnam Aziz, hoofd gendergelijkheid en inclusiviteit bij Educate Girls, een non-profitorganisatie voor meisjesonderwijs die in meer dan 20.000 dorpen in India werkt. Een UNICEF-rapport van vorig jaar bevestigt dat meisjes van 15 tot 19 jaar in de voorafgaande twaalf maanden minder vaak een mobiele telefoon bezaten dan jongens van hun leeftijd en minder vaak internet gebruikten. Dat was vooral het geval in Zuid-Azië, inclusief India. Daardoor was het voor meisjes tijdens de pandemie bijzonder moeilijk om over te stappen naar online-onderwijs, zeggen experts en activisten.
Het gebrek aan toegang tot mobiele telefoons brengt hoge kosten met zich mee voor meisjes: het kan wezenlijk hun toekomst beïnvloeden, zegt econoom Mitali Nikore. Haar denktank Nikore Associates bestudeert de genderbarrières waarmee meisjes worden geconfronteerd als het gaat om technologie. Zonder telefoon hebben meisjes veel moeilijker toegang tot online-inhoud, nodig om in de toekomst een baan te vinden. ‘Ze kunnen niet op kantoor werken zonder kennis van Word of Excel. Ze kunnen geen ondernemer worden als ze niet weten hoe ze betaalapps moeten gebruiken. En voor digitale marketing moet je sociale media kunnen gebruiken,’ aldus Nikore.
Belarus pakt Wikipedia-redacteur op
Half maart werd Mark Bernstein uit Minsk gearresteerd door Belarussische troepen. Hij zou zijn gearresteerd voor ‘het verspreiden van valse anti-Russische informatie’, meldt Haaretz. Bernstein, die werkt onder de gebruikersnaam Pessimist2006, is een van de meest prominente en productieve redacteuren van het Russische Wikipedia. Zijn artikelen worden door het Kremlin gezien als kritisch ten aanzien van de Russische president Vladimir Poetin.
Toen de eerste Russische troepen de grens met Oekraïne overstaken, startten vrijwilligers in Rusland een Russischtalig Wikipedia-lemma over de ‘Russisch-Oekraïense oorlog’ van 2022. Dat is sindsdien omgedoopt tot ‘Russische invasie van Oekraïne’ en werd al miljoenen keren gelezen. Bernstein had er verschillende artikelen over de invasie voor geredigeerd.
Wikimedia Foundation (WMF), een in de VS gevestigde non-profitorganisatie die toezicht houdt op verschillende ‘wiki’-projecten waaronder Wikipedia’s in verschillende talen, ontving onlangs een brief met het verzoek sommige artikelen over de invasie te verwijderen. Afzender: het Russische bureau dat de facto de autoriteit is op het gebied van internetcensuur. WMF, die zich nooit bemoeit met de inhoud van de open encyclopedie, weigerde dat. In een verklaring aan de San Francisco Examiner gaf Maryana Iskander, CEO van WMF, daar een verklaring voor: ‘In een tijd waarin kennis en informatie steeds meer gepolitiseerd worden, is het belangrijker dan ooit om de betrouwbaarheid van de informatie op Wikipedia te handhaven.’
De arrestatie van Mark Bernstein is de meest recente en expliciete poging van het Kremlin om de online-encyclopedie, die wordt gemaakt door vrijwilligers in de hele wereld, te ondermijnen. Moskou verzet zich al langer tegen Wikipedia. In het kader van een breder optreden tegen onafhankelijke media dreigde Poetin eerder al de toegang tot Wikipedia te blokkeren. Drie jaar geleden suggereerde hij plannen te hebben voor een Grote Russische Encyclopedie online die, anders dan Wikipedia, ‘betrouwbare’ informatie zou bevatten.
Hamsters kunnen niet alleen absurd grote hoeveelheden alcohol verstouwen, maar ze zijn er nog dol op ook. Deze verrassende eigenschap komt goed van pas vanwege het gefermenteerd voedsel dat de knaagdieren tot zich nemen als ze hun winterslaap houden.
De eerste studies over het onderwerp dateren uit de jaren 1950, volgens het Amerikaanse tijdschrift The Atlanticin een artikel met de veelzeggende titel ‘You Have No Idea How Hard It Is to Get a Hamster Drunk’, oftewel ‘Je hebt geen idee hoe moeilijk het is om een hamster dronken te krijgen’.
‘De zwaarste drinkers’, aldus auteur Sarah Zhang, ‘zijn kleiner dan je zou verwachten. Olifanten zijn bijvoorbeeld enorm, maar relatief zijn het lichtgewichten, want ze missen een gen om alcohol af te breken. Mensen scoren eigenlijk behoorlijk hoog, vanwege de neiging van onze voorouders om gefermenteerd fruit van de grond op te rapen. Maar om de echte kampioenen te vinden, moet je nog kleiner denken.’
Ondanks hun kleine formaat, vervolgt Zhang, zijn hamsters ‘de zwaarste drinkers van het dierenrijk’. Het feit dat de bescheiden knaagdieren alcohol beter verdragen dan mensen of olifanten, komt voor een deel door hun levensstijl in de winter die hun stofwisseling heeft gevormd.
Naarmate de winter vordert, begint de voorraad te gisten en neemt het alcoholgehalte toe
Voor hun winterslaap verzamelen hamsters zaden en fruit en slaan die op in hun holen, die als voorraadkast fungeren. De hamsters dommelen in en naarmate de winter vordert, begint de voorraad te gisten en neemt het alcoholgehalte toe.
Vervolgens krijgen ze in de loop van een dag regelmatig 18 gram ethanol per kilogram lichaamsgewicht binnen. Qua hoeveelheid alcohol komt dat neer op een mens die anderhalve liter Everclear, gerectificeerde graanalcohol van 95 procent drinkt.
Ook ratten kan worden geleerd om alcohol te drinken, door bijvoorbeeld ethanol met suiker te mengen, maar bij hamsters is de neiging al aanwezig. Zonder enige training, gewenning of dwang krijg je een ‘onervaren’ hamster zo aan de pure Everclear. Omdat ze ’s winters verzwakt raken door de kou, is het zeer waarschijnlijk dat het vooral de aanwezigheid van calorieën in de alcohol is die de dieren aanspreekt.
Zeer efficiënte lever
Hamsters zijn uiterst efficiënt in het verwerken van enorme hoeveelheden alcohol, zegt Gwen Lupfer, een psycholoog van de Universiteit van Alaska Anchorage, die het onderwerp bestudeert. In een recente studie onderzocht Lupfer hoe en wanneer dwerghamsters bedwelmd raken.
Bij orale inname gaat de alcohol rechtstreeks van de darm naar de lever, die de toxine, die ethanol is, meteen begint af te breken. Het onderzoek toont aan dat de hamsterlever dit bijzonder effectief doet. De lever werkt als een toxinefilter en voorkomt de afgifte van alcoholmoleculen aan de rest van het lichaam. Daardoor komt er dus heel weinig ethanol in het bloed vrij en worden de gebruikelijke effecten van alcohol geëlimineerd.
Als de hamster bij experimenten in laboratoria moeten kiezen tussen water of alcohol, dan kiezen ze voor alcohol
Ander onderzoek door Tom Lawton, een Britse intensivecarearts, bevestigt dat levers van hamsters zo ‘efficiënt’ zijn in het verwerken van ethanol dat er maar heel weinig van in hun bloed terechtkomt. Dat wordt anders wanneer hamsters worden geïnjecteerd met ethanol. In dat geval kan de stof de lever omzeilen en in hun bloedbaan terechtkomen en vervolgens in hun hersenen, en dat heeft dan stevige dronkenschap tot gevolg.
Hamsters zijn overigens niet alleen bijzonder resistent tegen de effecten van alcohol, maar ze ‘houden’ er ook echt van, aldus Lupfer. Als de diertjes bij experimenten in laboratoria moeten kiezen tussen water of alcohol, dan kiezen ze voor alcohol.
Omdat hamsters niet de enige dieren zijn die zich tijdens het overwinteren voeden met gefermenteerd voedsel, zijn er waarschijnlijk andere soorten die net zo resistent zijn tegen alcohol, aldus Zhang in The Atlantic. Maar, concludeert ze, die ‘zijn niet zo gemakkelijk te bestuderen in het laboratorium’.
Lange tijd is de westerse wetenschap beheerst door antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats inneemt in het centrum van de wereld. Doordat dit voor Japan niet gold, ontdekten studenten hier ‘precultuur’ bij dieren. Ben Crair wilde dit zelf waarnemen en koos ervoor de Japanse sneeuwaap te bestuderen: die was het schattigst.
De Snow Monkey Expresswas bijna leeg toen ik met een paar andere toeristen van Nagano naar de laatste stop in Yamanouchi reed, een stad met 12.400 inwoners. Een spandoek verwelkomde ons in Snow Monkey Town en borden op het station toonden rode Japanse makaken die tot aan hun nek in warm bronwater zaten te weken. De apen hadden de ogen gesloten en de armen uitgestrekt terwijl stoom om hen heen opsteeg en sneeuwvlokken neerdaalden in de droge vacht op hun hoofd.
Na een lange reisdag besloot ik zelf een duik te nemen in een van de onsenbaden van de stad. Ik liet mezelf in het kokendhete zwavelhoudende water zakken en dacht aan soortgelijke ervaringen die ik op andere plaatsen had gehad: de geurige vochtige hitte van de Russische banya, het Indiase ayurvedische stoombad in de kitscherige cabine. Door de eeuwen heen hebben mensen over de hele wereld de eenvoudige praktijk van het baden op vele verschillende uitgebreide manieren beoefend. Japanse primatologen waren de eersten die zich afvroegen of ook dieren hun eigen rituelen hebben ontwikkeld.
De sneeuwapen zijn een van de vele groepen Japanse makaken die de manier waarop we dieren en onszelf zien hebben veranderd. Ze hebben ons geholpen de ware complexiteit van dierlijk gedrag te herkennen – en daarmee inzicht gegeven in de evolutionaire oorsprong van ons gedrag. Mijn plan was om verschillende van deze apentroepen door heel Japan te bezoeken en in deze Snow Monkey Town te beginnen omdat, nou ja, de apen hier het schattigst waren.
Allesbehalve zen
De volgende ochtend liep ik enkele kilometers door het bos naar het Jigokudani Monkey Park, waar een bord voor een ‘apenonsen’ over een voetgangersbrug wees. De poel stoomde op de rand van een klif boven de Yokoyu-rivier, en in het midden zat een enkele aap, een oud vrouwtje met een lange snuit en ronde amberkleurige ogen. Ze was een van de ongeveer veertig makaken die wel eens in bad gingen. Andere apen kibbelden over het graan dat arbeiders in het apenpark op de rivieroever en op de berghelling hadden uitgestrooid.
De foto’s die ik voor de reis had gezien, gaven een indruk van ontspannen kleine dieren, maar het tafereel was allesbehalve zen. Wetenschappers beschrijven Japanse makakengemeenschappen als ‘despotisch’ en ‘nepotistisch’. Elke aap binnen een bepaalde groep had een plaats in een lineaire dominantiehiërarchie, één voor mannen en één voor vrouwen, en ze verdrongen voortdurend ondergeschikten om hun rang te versterken. De apen waren waakzaam terwijl ze graan uit de sneeuw plukten, ze keken voortdurend over hun schouders om hun buren in de gaten te houden; een hogere aap zou ze aan hun been mee kunnen slepen of zijn tanden in hun nek kunnen zetten.
Toen etenstijd voorbij was, begonnen de apen elkaar te verzorgen – hun manier om niet alleen parasieten te elimineren, maar ook om een meerdere te paaien of een alliantie te vormen. Een paar juvenielen sprongen in de onsen, terwijl volwassen vrouwtjes voorzichtig het water in waadden. Ik hurkte neer voor een vrouwtjesmakaak, die met beide handen een steen vastpakte en haar achterhand onder water plaatste. Haar puberzoon hurkte achter haar terwijl haar dochtertje naast haar peddelde. De zoon kamde met zijn poot door haar vacht, eerst met zijn linkerhand en toen met zijn rechterhand, werkte door haar grijze ondervacht naar de blanke huid en at de stukjes op die hij erin vond. De moeder sloot haar blauwachtige oogleden en legde haar rode wang op de rots tussen haar handen. Haar naam was Tomiko, vertelde een parkmedewerker me. ‘Tomiko houdt erg van onsen’, verklaarde hij.
Apen zoals Tomiko begonnen bijna zestig jaar geleden te baden in de onsen in Jigokudani. ‘Ik was de eerste die ze erin zag gaan’, vertelt een gepensioneerde professor genaamd Kazuo Wada van het Primate Research Institute van de Universiteit van Kyoto. Het was 1963, en hij bestudeerde de apen in Jigokudani. Het park voorzag in die tijd een groep van 23 apen van appels, in de buurt van een onsen waar gasten van een lokale ryokan, een traditionele Japanse herberg, kwamen om te baden. De apen vermeden het water, tot op een dag een appel het bad in rolde. ‘Een aap ging erachteraan en ontdekte dat het warm was’, herinnert Wada zich. Een paar minuten later nam de aap nog een duik. Jonge apen die vanaf de rand toekeken, werden nieuwsgierig en probeerden het al snel zelf.
Zowel wetenschappers als de lokale bevolking keken al jaren naar de Jigokudani-apen, maar tot dat moment had niemand ze het water in zien gaan. Binnen een paar maanden was baden populair bij de jongere apen in de groep. Het was meer dan een rage. Hun baby’s leerden ook zwemmen. Uiteindelijk was een derde van alle apen in de troep aan het baden. In 1967 moest het park om hygiënische redenen een speciale apenonsen in de buurt bouwen zodat ze niet samen met hun gasten in het bad zouden gaan.
‘Monkey see, monkey do’ is een meestal spottend gebruikte uitdrukking voor leren middels imitatie, maar wetenschappers van Jigokudani geloofden dat ze getuige waren van iets diepgaands. Ze waren discipelen van Kinji Imanishi, een ecoloog en antropoloog die in 1967 het Primate Research Institute mede oprichtte. Terwijl westerse wetenschappers het leven als een darwinistische strijd om te overleven beschouwden, geloofde Imanishi dat in de natuur harmonie de basis vormde, en dat cultuur een uitdrukking was van deze harmonie. Hij voorspelde dat bij alle dieren die leefden in een ‘eeuwige sociale groep’ waar individuen van elkaar leerden en generaties lang bij elkaar bleven, een eenvoudige vorm van cultuur zou ontstaan. Antropologen hadden nooit aandacht besteed aan dieren, omdat de meesten van hen aannamen dat ‘cultuur’ strikt menselijk was. Vanaf de jaren vijftig ontdekten Imanishi’s studenten in Jigokudani en andere locaties in Japan dat dit niet het geval was.
Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken
Tegenwoordig zijn culturen niet alleen erkend bij apen, maar ook bij verschillende zoogdieren, vogels en zelfs vissen. Net als mensen vertrouwen dieren op sociale gewoonten en tradities om belangrijk gedrag door te geven dat individuen niet instinctief kennen en niet zelf kunnen bedenken. De verspreiding van dit gedrag wordt bepaald door de sociale relaties tussen de dieren – degenen met wie ze tijd doorbrengen en degenen die ze mijden – en verschilt per groep. Onderzoekers hebben bijna veertig verschillende gedragingen bij chimpansees gevonden die ze als cultureel beschouwden, van een groep in Guinee die noten kraakt tot een andere in Tanzania die danst in de regen. Potviswetenschappers hebben verschillende vocale clans geïdentificeerd met hun eigen klikdialecten, waardoor wat een wetenschapper ‘multiculturele gebieden’ noemt in de zee zijn ontstaan.
Cultuur is zo belangrijk voor sommige dieren dat Andrew Whiten, een evolutionair en ontwikkelingspsycholoog aan de Universiteit van St. Andrews in Schotland, het een ’tweede overervingssysteem’ noemt naast genetica. En wanneer dieren verdwijnen, verdwijnen ook de culturen die ze in de loop van de generaties hebben ontwikkeld. Instandhoudingsprogramma’s kunnen soms nieuwe dieren in een leefgebied herintroduceren, maar deze nieuwkomers kennen niets van het culturele gedrag van hun voorgangers. In 2019 publiceerde het tijdschrift Science twee artikelen waarin werd betoogd dat inspanningen voor natuurbehoud de impact van menselijke activiteit op gedrags- en culturele diversiteit bij dieren altijd over het hoofd hebben gezien. De auteurs van een van de artikelen drongen aan op het creëren van ‘culturele erfgoedsites’ voor chimpansees, orang-oetans en walvissen.
De kranten maakten geen melding van Japanse makaken, die namelijk geen bedreigde diersoort zijn. Maar het voorstel van culturele erfgoedsites voor dieren deed me meteen denken aan Japan, waar Imanishi en zijn studenten in de eerste plaats dierenculturen leerden herkennen. Van Jigokudani trok ik naar mijn volgende bestemming: de meest legendarische van hun veldsites, een eiland genaamd Koshima.
‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn’
Vanuit Jigokudani reed ik met een oude bus langs de Pacifische kust door Kyushu, het meest zuidelijke van de vier belangrijkste eilanden van Japan. Kleine huizen werden door hun tuinen grotendeels aan het zicht onttrokken, bergen rezen op en omarmden het water in de ronde blauwe baaien. Deze regio was ooit populair bij Japanse pasgetrouwden, maar de gouden eeuw eindigde toen het gemakkelijk werd om naar plaatsen als Hawaï te vliegen. Ik stapte uit de bus bij het veldstation dat in 1967 was opgericht door het Primate Research Institute en nu wordt beheerd door de Universiteit van Kyoto.
Een Amerikaanse student genaamd Nelson Broche Jr. wachtte me op bij de bushalte. Hij bestudeerde acute stress bij Japanse makaken in het Koshima Field Center. ‘Eén ding waar mensen makaken niet de eer voor geven, is dat ze na mensen de meest succesvolle primaten zijn,’ vertelde hij me. Je kunt verschillende soorten makaken vinden in heel Azië, ook in de harten van grote steden zoals Delhi. Japanse makaken hebben zich aangepast aan bijna elke natuurlijke habitat in het land, van de besneeuwde bergen van Jigokudani tot de subtropische bossen op Kyushu.
Broche stelde me voor aan Takafumi Suzumura, die al achttien jaar voor de universiteit van Koshima werkt. We liepen naar het water en ze wezen naar Koshima, een stuk groen bos in een kalme turquoise zee. Het was zo dichtbij dat surfers erheen konden zwemmen. We betaalden een visser om ons om de rotsachtige kustlijn heen naar een verborgen inham met een strand te varen.
De apen stonden op het zand te wachten, als overlevenden van een schipbreuk. Zodra we verschenen begonnen ze te kirren en te zoemen. ‘Dat betekent: “Geef me eten”’, zei Suzumura. Het alfamannetje, Shika, stapte op Suzumura af met zijn staart in de lucht en joeg elke andere aap die te dichtbij kwam weg. In tegenstelling tot de apen in Jigokudani, die volledig onverschillig waren voor mensen, gromden sommige apen op Koshima naar me en vielen me aan als ik in de buurt kwam. Suzumura zei dat ik rustig moest blijven, oogcontact moest vermijden en me geen zorgen moest maken. ‘Ze bijten nooit,’ zei hij.
Imanishi en zijn studenten arriveerden in 1948 op hetzelfde strand. Ze waren op zoek naar bewijs van ‘precultuur’ bij dieren, een fundamenteel proces dat ook de evolutionaire grondslag zou kunnen zijn van de diverse en verfijnde samenlevingen van de mens. Hun doel was om te onderzoeken hoe ‘een eenvoudig gedragsmechanisme zich heeft ontwikkeld tot een hoger complex mechanisme’, schreef Syunzo Kawamura, een student van Imanshi. Ze begonnen hun onderzoek ergens daar in de buurt op halfwilde paarden maar schakelden over op apen nadat ze merkten hoe goed hun troep was georganiseerd. Ze ontmoetten een plaatselijke leraar, Satsue Mito genaamd, die bekend was met de apen van Koshima. In 1952 hielp zij hen om twintig apen te voorzien van graan en zoete aardappelen op bospaden en op het strand.
Het was ongebruikelijk voor onderzoekers om wilde dieren te voeren, maar er was wel meer ongebruikelijk aan het onderzoek van Imanishi. Hij moest de apen tolerant maken tegenover menselijke waarnemers, zodat ze elk individueel dier konden identificeren en gedetailleerde observaties konden doen over hun gedrag en sociale relaties gedurende meerdere generaties. Het zou nog een decennium duren voordat westerse wetenschappers zoals Jane Goodall en Dian Fossey op deze manier naar apen gingen kijken. De meeste westerse wetenschappers waren gedrild om dieren nooit te antropomorfiseren. Ze gaven ze alfanumerieke identiteiten in plaats van namen en deden niet aan langetermijnobservaties: in hun ogen waren individuele dieren uitwisselbaar en niet in staat tot complexe sociale relaties.
Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt
Anti-antropomorfisme kreeg steeds meer trekjes van een ander bekend vooroordeel: antropocentrisme, ofwel de overtuiging dat de mens een unieke plaats in het centrum van de wereld inneemt. De moderne westerse wetenschap ontwikkelde zich in samenlevingen met ouderwetse opvattingen over de suprematie van de mens over dieren, zoals de Nederlandse primatoloog Frans de Waal opmerkte. In de religieuze tradities in Japan heeft de mens daarentegen geen speciale status. ‘De Japanse cultuur benadrukt het verschil tussen mensen en dieren niet’, schreef de Japanse primatoloog Junichiro Itani. ‘En we hebben het gevoel dat dat veel belangrijke ontdekkingen mogelijk maakte.’
Preculturele verspreiding
Nadat de apen het graan van Suzumura op Koshima hadden opgegeten, begonnen ze op het strand naar eten te zoeken. Ze ontspanden zich en namen weinig zelfbewuste houdingen aan. Sommigen ploften languit op het zand neer terwijl een metgezel zich over hen heen boog, als Orpheus die om Eurydice rouwde. Anderen gingen slap over rotsen hangen, als offerslachtoffers. Eentje keek me bedeesd over haar schouder aan; een ander bekeek me hooghartig, met de kin in de lucht. Moeders hielden hun baby’s tegen hun borst gedrukt zoals elke Madonna die ik ooit heb gezien met haar kind doet.
Terwijl ik met mijn smartphonecamera zo dicht mogelijk bij de apen probeerde te komen, verzamelde Suzumura met een paar eetstokjes fecesmonsters uit het zand. Hij hield gedetailleerde gegevens bij van elke aap op het eiland. Hij kon elk van hen identificeren en wist van alle apen de naam, leeftijd, sociale rang en status en de persoonlijkheid te vertellen. De gegevens gingen helemaal terug tot de tijd van Imanishi en volgden de levensgeschiedenis van elke individuele aap op Koshima gedurende meer dan zeventig jaar. Ze lieten zien hoe sommige apenfamilies de overhand kregen terwijl andere gaandeweg verdwenen. Imanishi en zijn studenten waren de eersten die zich realiseerden dat apen hun hele leven hechte allianties met familieleden onderhielden – en dus ‘nepotistisch’ waren. Precies het soort complexe sociale orde waaruit Imanishi voorspelde dat cultuur zou ontstaan.
Imanishi en zijn team waren al vijf jaar op Koshima toen ze op een dag zagen hoe een anderhalfjarige aap genaamd Imo een zoete aardappel pakte en deze naar de rand van een beek droeg. Ze doopte de aardappel in het water en veegde het zand van de schil. Zo smaakte hij mogelijk beter, want daarna bleef ze haar aardappelen op die manier schoonmaken. De eerste apen die Imo kopieerden, waren twee die veel tijd met haar doorbrachten: haar moeder en een speelkameraadje. Al snel probeerden haar familieleden het ook, en hun speelkameraadjes kopieerden hen weer. Het wassen van zoete aardappelen werd een rage onder jongere apen. In 1958 wasten vijftien van de negentien jonge apen hun aardappelen.
Masao Kawai, een andere student van Imanishi, beschreef deze fase als ‘preculturele verspreiding’. Imo had nieuw gedrag ontwikkeld dat zich verspreidde onder haar leeftijdsgenoten. Leeftijd en geslacht waren beide van invloed op de overdracht: jongere apen en vrouwtjes leerden zich vaker aan hun aardappelen te wassen dan volwassen apen en mannetjes. De volgende fase begon toen Imo en haar leeftijdsgenoten volwassen werden en zich voortplantten. Nu werd het gedrag overgegeven aan de volgende generatie, zowel mannetjes als vrouwtje, die het wassen van de zoete aardappelen van hun moeder leerde. Leeftijd en geslacht speelden niet langer een rol. ‘Preculturele druk werkt’, schreef Kawai. Een nieuw gedrag was vastgesteld binnen de troep.
In 1961 wasten de meeste apen hun aardappelen niet langer in de beek maar in de zee. Misschien omdat zeewater overvloediger was, hoewel sommige wetenschappers dachten dat de apen misschien de smaak van het zoute water prefereerden: sommige doopten de aardappel er na elke hap weer in.
Ik had gehoopt de huidige populatie apen op Koshima hun zoete aardappelen te zien wassen, maar Suzumura voerde ze nog slechts één of twee keer per jaar zoete aardappelen. De oorspronkelijke groep van twintig apen groeide in 1971 tot honderdtwintig. Sinds 1972 leverde het Primate Research Institute alleen nog graan. Toch was de culturele impact van het zoete aardappelen wassen nog altijd zichtbaar op Koshima.
De kieskeurige kleine Imo had nóg een nieuw gedrag ontwikkeld dat zich snel verspreidde binnen de groep: ze scheidde haar tarwe van het zand waarmee het vermengd raakte door het in het water te gooien. Het graan bleef drijven en het zand zonk. (Sommige apen wassen hun tarwe nog steeds, zei Suzumura, maar zelf zag ik het niet gebeuren.) Baby’s die tijdens het wassen van de aardappelen door hun moeder mee het water in werden gedragen, begonnen tijdens het spelen te zwemmen, iets wat hun ouders nooit hadden gedaan.
Voordat Imanishi’s team arriveerde, brachten de apen bijna al hun tijd door in het bos. Nu brachten ze ook een groot deel van hun tijd op het strand door en hadden ze een nieuw repertoire van gedragingen aangeleerd. ‘Sinds de wetenschappers voor het eerst begonnen met het voeren van de makaken op het eiland Koshima, heeft zich een geheel nieuwe levensstijl ontwikkeld’, schreven de Israëlische onderzoekers Eva Jablonka en Eytan Avital. Ze noemden dit een voorbeeld van ‘cumulatieve culturele evolutie’. Kawai was verrast door hoe snel de apen zich aanpasten aan hun nieuwe strandomgeving, gezien hun aanvankelijke afkeer van water. ‘We leren via de Koshima-troep dat zodra dat sterke traditionele conservatisme door een of andere oorzaak begon af te breken, het gemakkelijk helemaal verdween’, schreef hij.
Toen ik er was slenterden de apen enkele uren over het strand. Het was middag, de temperatuur begon al te dalen en de dieren verdwenen in het bos om te foerageren. Het lege strand stak misschien bleek af bij ‘culturele erfgoedsites’ in de mensenwereld, zoals paleizen en kathedralen. De apen hadden niets gebouwd dat op architectuur leek, zelfs geen zandkasteel. Maar wat Koshima ons liet zien, is dat cultuur geen product was. Het was een proces. Stap voor stap begon het leven van de apen in Koshima er anders uit te zien dan dat van andere apen – en begon het iets meer op het onze te lijken.
Ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd
Ik moest kiezen waar ik heen wilde na Koshima. Er waren andere sites die in aanmerking konden komen als cultureel erfgoed voor Japanse makaken. In Arashiyama bij Kyoto begonnen sommige apen in de jaren zeventig met stenen te spelen, en dat gedrag verspreidde zich in hetzelfde patroon als het wassen van zoete aardappelen in Koshima en het baden in Jigokudani: eerst horizontaal onder leeftijdsgenoten en vervolgens van de ene generatie op de andere. De wetenschapper die het gedrag voor het eerst observeerde, een Amerikaan genaamd Michael Huffman die nu verbonden is aan het Primate Research Institute, merkte dat verschillende groepen apen in de loop der tijd hun eigen manier ontwikkelden om met stenen om te gaan. In sommige groepen wreven de apen ze tegen elkaar, in andere knuffelden ze de stenen of sloegen ermee op de grond.
Maar ik was nieuwsgierig om apen te zien die nog nooit door mensen waren gevoerd. De Japanse onderzoekers realiseerden zich ook dat het nieuwe gedrag op plaatsen als Koshima, Jigokudani en Arashiyama niet bepaald natuurlijk was. De wetenschappers zelf hadden hun ontwikkeling gestimuleerd door te voeren, waardoor de dieren in onbekende habitats terecht kwamen en tijd hadden om nieuw gedrag uit te proberen. Ook op andere plekken had het voeren invloed op het leven van de groep. ‘In de voederplaatsen waren de relaties tussen de mannetjes heel duidelijk. De ene is dominant, de andere is ondergeschikt,’ vertelde Yukimaru Sugiyama, een voormalig wetenschapper van het Primate Research Institute. Maar toen hij apen het bos in volgde, zaten jonge mannetjes vaak in de buurt van dezelfde dominante apen die ze op de voederplaats hadden vermeden.
Naarmate de interesse van onderzoekers in het natuurlijke leven van de primaten toenam, leerden ze ze beter kennen door ze simpelweg te volgen. Aanvankelijk renden de primaten weg, maar de meeste verloren uiteindelijk hun angst voor mensen. Vanaf het einde van de jaren vijftig brachten Imanishi en zijn studenten wat ze in Japan hadden geleerd naar Afrika om chimpansees, gorilla’s en andere primaten te bestuderen. Door een combinatie van veldobservatie en experimenteel werk hebben ze daar veel van wat ze van apen in Japan hadden geleerd over cultuur, kunnen verifiëren en verbeteren. Dankzij het werk van mensen als Goodall kwamen westerlingen tot hun huidige technieken en bevindingen.
Onheilspellend
Omdat ik ze niet helemaal naar Afrika kon volgen, ging ik naar een ander eiland, genaamd Yakushima. Je kan naar Yakushima vliegen of een hogesnelheidsveerboot nemen, maar ik koos voor de goedkoopste optie: een tocht van dertien uur op een nachtelijk vrachtschip vanuit Kagoshima, een stad naast een vulkaan op de zuidpunt van Kyushu. Het eiland zag er onheilspellend uit toen we de volgende ochtend de haven binnenvoeren, de bergen omringd door mist en regen. Yakushima was beroemd om zijn oude mos en oerbossen. Ook leefden er ongeveer 10.000 Japanse makaken op het eiland – ongeveer evenveel als de menselijke populatie van ongeveer 13.000. De apen leefden in groepen van minder dan vijftig, en er was geen bevoorrading. Ze zochten naar fruit, bladeren, eikels en scheuten, maar ook naar insecten en spinnen.
‘Op Yakushima houden apen van paddestoelen’, zegt Akiko Sawada, een onderzoeker van de Chubu Universitaire Academie van Opkomende Wetenschappen. De Yakushima-apen aten meer dan zestig verschillende soorten en Sawada onderzocht of ze konden ruiken of een paddestoel al dan niet giftig was. Ze dacht dat dit sociale kennis was, waarbij een jonge aap leerde welke paddestoelen hij moest eten en welke hij moest vermijden door naar zijn moeder en andere volwassenen te kijken. Het was moeilijk te zeggen of gedragingen in Yakushima cultureel waren of op een andere manier aangeleerd, zoals door instinct of gewoon door vallen en opstaan. Al deze processen werkten samen om het leven van een aap vorm te geven en konden in een volledig natuurlijke omgeving niet gemakkelijk van elkaar worden gescheiden.
Sawada nam me mee naar de rustige westkust van Yakushima, waar wetenschappers verschillende groepen hadden ondergebracht. De apen waren gemakkelijk te vinden, omdat ze onderweg graag elkaar verzorgden en zonnebaadden. Ze haastten zich uit de weg voor auto’s die snel reden, maar reageerden nauwelijks op langzaam rijdend verkeer. Het was ook paartijd en mannetjes en vrouwtjes zochten elkaar op en maakten leeftijdsgenoten op een afstand jaloers. Sawada wees erop hoe een van de oudere apen achterover leunde en naar haar armen keek terwijl ze een partner verzorgde: haar zicht werd slechter.
We volgden een grote groep vanaf de weg het bos in. Professor Sugiyama had gelijk: er waren minder conflicten, omdat de apen een groot gebied hadden om te foerageren. Sommige braken eikels met hun tanden; anderen klommen in bomen voor fruit. Een jonge vrouw ontdeed de bodem van het bos van opgekrulde dode bladeren. ‘Ik denk dat ze cocons zoekt,’ zei Sawada.
Tijdens de wandeling werden we door vier herten vergezeld. Ze waren zo klein als honden en bijna net zo vertrouwd met mensen. De apen waren rommelige eters en de herten volgden hen om hun restjes op te rapen. Er ontstond een relatie: de apen verzorgden de herten, en klommen er soms op. Op een andere onderzoekslocatie in de buurt van Osaka bestegen apen soms zelfs herten in een zeldzaam voorbeeld van seks tussen soorten. Het is mogelijk dat de herten zachtaardiger partners waren voor kleine adolescenten die routinematig werden afgewezen door het andere geslacht of fysieke schade riskeerden van agressieve volwassenen. ‘Toekomstige observaties op deze plek zullen uitwijzen of deze groepsspecifieke seksuele eigenaardigheid een kortstondige rage was of het begin van een cultureel in stand gehouden fenomeen’, schreven de onderzoekers.
Die middag liet Sawada me verschillende video’s zien die zij en haar collega’s in het bos hadden opgenomen. In één verslond een aap een gigantische duizendpoot; in een andere wreef een aap een rups tussen haar handen heen en weer om de stekende stekels te verwijderen voordat ze hem at; in een derde plukte een aap mollige witte horzellarven uit een nest. Sawada giechelde toen ze een video afspeelde van de apen die op grote hoogte leefden en bamboe aten: ze waren, om redenen die niemand echt begreep, extreem dik.
Later, toen ik in mijn eentje de berg beklom, waren er geen bamboebossen of mollige apen op de rotsachtige top. Ik keek neer op het bladerdak van het oude cederbos en over de zee, denkend aan wat de primatoloog Itani had waargenomen: dat de Japanse cultuur geen sterk onderscheid maakt tussen mensen en dieren. In het Westen lijken cultuur en wetenschap vaak gescheiden krachten, maar hier versterkten ze elkaar. De wetenschap had de makakencultuur ontcijferd en de cultuur had ons wetenschappelijke begrip van de dierenwereld verbreed.
Maciek Pożoga, gevestigd in Frankrijk, heeft voor dit verhaal twee weken lang Japanse makaken gefotografeerd. Bekijk in het originele artikel zijn werk.
De activistische theekransjes van Emily Williamson stonden eind negentiende eeuw aan de wieg van het verzet tegen de handel in vogelveren, destijds een populaire modeaccessoire – en met succes. De tweede in onze reeks inspirerende persoonlijkheden.
In 1889 verzond Emily Williamson (1855-1936) een reeks uitnodigingen om thee te drinken in haar huis in Didsbury, destijds een bosrijke omgeving van Manchester. Maar terwijl ze haar gasten thee en cakejes serveerde, ontstak de deugdzame getrouwde vrouw – door haar tijdgenoten beschouwd als een zachtaardige en meelevende ziel – plotseling in een woedende tirade.
Het doel van de bijeenkomsten was namelijk om haar vooraanstaande gasten bewust te maken van het bloedbad waarvan vogels over de hele wereld slachtoffer zijn, enkel en alleen zodat de elegante gasten hun hoeden konden versieren met lange struisvogel- of zilverreigerveren, of die van paradijsvogels of kleine, glinsterende gekleurde kolibries – individueel met draad vastgebonden zodat ze mee zwiepten op de voetstappen van hun baasje.
200 miljoen vogels per jaar
Aan het einde van de negentiende eeuw was Londen het epicentrum van de internationale handel in veren. De haven stond vol met enorme ladingen huiden, hoofden en vleugels van vogels en een grote verscheidenheid aan veren. De handel trok internationale klanten aan en genereerde bijna 20 miljoen pond per jaar (tegenwoordig zou dat zo’n 2,9 miljard euro zijn). Wereldwijd werden jaarlijks maar liefst 200 miljoen vogels geofferd.
Ook Britse vogels ontkwamen hier niet aan, vooral zeezwaluwen en rissa’s waren geliefd, die de kliffen aan de kust bewoonden. De fuut, een elegante watervogel, siert zichzelf tijdens het broedseizoen met een franje van hazelnootkleurige en zwarte veren. Deze halsbanden waren welbekend bij hoedenmakers en vormden een zeer modieus accessoire. Al snel waren er nog maar 42 futenpaartjes in de reproductieve leeftijd [nog altijd is de fuut een beschermde diersoort].
In 1889 richtte Emily Williamson de Society for the Protection of Birds [SPB] op. Een brief die in 1890 in het tijdschrift Punch werd gepubliceerd, laat zien dat er draagvlak was voor haar ideeën: de columnisten zijn van mening dat het opgeven van vogelveren niet ‘zo’n ernstige ontbering’ voor vrouwen betekent. Maar daar is niet iedereen het mee eens.
Een vrouw in een mannelijk universum
Williamson mocht niet lid worden van de British Ornithologists’ Union (BOU), een club die uitsluitend uit mannen bestond die van mening waren dat een vrouw geen echte vogelaar kon zijn. Dit weerhield haar er niet van massaal te rekruteren: zes maanden na haar oprichting telde de SPB vijfduizend leden en in 1893 al twee keer zoveel. De vereniging publiceerde jaarlijks meer dan vijftienduizend brieven en vijftigduizend brochures.
Een portret van Emily Williamson
In het najaar van 1892 boekte de SPB enkele winsten: hoeden versierd met veren en vogels werden nog steeds verkocht, maar waren niet langer in hoedenwinkels te vinden. Maar er was een belangrijker probleem dat de SPB moest aanpakken. De meeste vogelaars in het land waren mannen, en de verenhandel, de mode-industrie en krantenindustrie werden nog altijd door mannen gerund. Maar de SPB had ondanks de groei nog altijd weinig mannen in zijn gelederen. De oplossing: invloedrijke mannen werden gevraagd om zich als ‘geassocieerd lid’ bij de SPB aan te sluiten – wat velen van hen deden.
In 1899 telde de vereniging twintigduizend leden. In dat jaar bevestigde koningin Victoria – een fel tegenstander van dierenmishandeling – het verbod op het dragen van zilverreigerveren in haar leger. Ze werden evengoed vervangen door gekweekte struisvogelveren.
Ondanks de rol die ze speelde, is Emily Williamson grotendeels vergeten
In 1906, twee jaar nadat de SPB veranderde in de Royal Society for Protection of Birds [RSPB, die nog steeds bestaat], schreef koningin Alexandra, de echtgenote van koning Edward VII, de vereniging dat ze het dragen van veren als accessoire afkeurde. Koningin Alexandra was een mode-icoon en enorm populair, en haar steun voor de zaak hielp de RSPB om haar invloed in het parlement uit te breiden.
Nog steeds was er echter nog enige weerstand tegen de ontwikkelingen. Telkens wanneer vogelbeschermers een argument aanvoerden voor een verbod op de handel in veren, verzetten de hoedenmakersgilde en bondgenoten zich daartegen met het argument dat een dergelijke stap negatieve gevolgen zou hebben – en dat de vogels op de een of andere manier toch zouden sterven.
Parlement verbiedt invoer van vogelveren
De vereniging behaalde haar eerste echte politieke overwinning in 1920, toen kolonel Sir Charles Yate een wetsvoorstel in het Lagerhuis voorstelde. De tekst werd ingetrokken, maar in juli 1921 werd door het parlement een wet aangenomen die de invoer van vogelveren verbood. Het jaar erop trad deze in werking, drieëndertig jaar na de start van de campagne die door Williamson was gelanceerd.
Een handvol soorten is echter vrijgesteld, zoals gekweekte struisvogels en eidereenden, waarvan het dons wordt gebruikt om quilts te maken. Maar dat ging slechts om een fractie van de verschillende soorten veren waar hoedenmakers gebruik van maakten. De wet verbood de invoer in het Verenigd Koninkrijk van veren, huiden en andere delen van vogels. En omdat Londen het centrum van deze internationale business was, bracht deze beslissing die handel een fatale slag toe.
Ondanks de rol die ze speelde, is Emily Williamson grotendeels vergeten. Tot onlangs, na veel verzoeken, de RSPB zich verdiepte in zijn oprichters. Williamsons vastberadenheid en activistische theekransjes maakten een einde aan een wereldwijde handel waarin miljoenen ponden omgingen en maakten vogelbescherming tot de nationale politieke prioriteit die het altijd is gebleven.
Tien jaar geleden werd een jonge, bijna verhongerde orka aangetroffen in de Nederlandse Waddenzee. De walvis werd gered en leeft intussen in een aquarium. Sindsdien ruziën veel verschillende partijen over de vraag wat het beter voor haar is: weidse, maar gevaarlijke vrijheid, of een benauwde veiligheid tussen betonwanden?
Keuze uit het archief
Op 4 mei dit jaar bracht een groep orka’s een jacht tot zinken voor de kust van Gibraltar. Het voorval was een van de vele incidenten waarbij de ‘killerwhales’ schepen aanvallen in de buurt van de Spaanse en Portugese kust. Volgens The Guardian is een van de mogelijke verklaringen voor dit gedrag dat een van de orka’s een traumatische ervaring met mensen heeft gehad. Want dat de relatie tussen de orka en de mens niet altijd soepel verloopt, blijkt wel uit dit artikel van Die Zeit. Journalist Johannes Böhme onderzocht het verhaal van orka Morgan, die ‘gered’ werd uit de Waddenzee en uiteindelijk in een aquarium in Tenerife belandde. Logisch dat zijn soortgenoten besloten wraak te nemen.
De Latijnse benaming is een toespeling op de orcus, de onderwereld. De Engelse, ‘killerwhale’, op de jachtmethode van het dier. We horen de zeven orka’s al voor we ze zien: hun ademhaling, de lange teugen lucht, als het zuchten van reusachtige blaasbalgen, en hun spookachtig hoge kreten, die echoën tegen de lege bankjes van het stadion. Het meest bezochte dierenpark van de Canarische Eilanden, het Loro Parque op Tenerife, is al maanden gesloten. De laatste bezoekers kwamen er in maart; nu is het augustus. Toch zijn de paden in het park aangeveegd, de heggen gesnoeid, de ruiten gezeemd. Wolfgang Kiessling, de 83-jarige eigenaar, heeft een huis in het midden, tussen de leeuwen, de papegaaien en de flamingo’s. Hij bezit niet alleen de dierentuin, maar ook een reusachtig waterpark, een aquarium, een vijfsterrenhotel en een steakrestaurant zo dicht bij de dierentuin dat je van daaruit een mooi uitstapje kunt maken: dieren bekijken, en dan dieren eten. Forbes schatte zijn vermogen in 2019 op 270 miljoen euro. Kiessling kwam begin jaren zeventig uit Duitsland naar de Canarische Eilanden. Sindsdien woont hij er.
Verantwoording
Johannes Böhme (33) stuitte toevallig op blogbijdragen over Morgan op een prozoowebsite, doorspekt met harde aanvallen op Ingrid Visser. Böhme wilde begrijpen waarom de strijd om een dier zo drastisch gevoerd wordt. Hij sprak met walvisdeskundigen en voormalig medewerkers van Loro Parque en Dolfinarium Harderwijk, en las honderden pagina’s wetenschappelijke studies.
Ik ben naar de dierentuin gekomen om het dier te zien dat hem verreweg de meeste narigheid heeft bezorgd: een wilde orka die men Morgan heeft genoemd. Kiessling zelf begeleidt me naar het bassin. Hij draagt een wit poloshirt met een papegaaienlogo, zijn gezicht is rood van de zon. Onderweg pikt hij een blaadje op van het pad.
Kiessling kan zijn orka’s niet uit elkaar houden. De vrouwelijke dieren zijn allemaal even groot: ongeveer vijf meter lang en iets minder dan twee ton zwaar. Maar de trainers leggen me later uit hoe je Morgan kunt herkennen: aan een klein zwart puntje, nauwelijks groter dan een knoop, dat midden in de witte, ovale vlek achter haar rechteroog is aangestipt. Aan haar rugvin, die geen kerven of littekens heeft, zoals die van de andere vrouwtjes in het bassin. Haar ogen zijn zwarte knikkers met een lichtblauwe rand.
Tot op heden is de opvallende zwart-wittekening van de dieren een raadsel voor de biologen
Al tien jaar is deze walvis omstreden. Het is een strijd die al zeven keer voor de rechter is geweest, en een keer voor de petitiecommissie van het Europees Parlement. Een conflict dat duidelijk maakt welke symboolwaarde een dier kan krijgen in de discussie over de vraag hoe de mens met de natuur moet omgaan.
Wat Kiessling me wil laten zien, is de show. ‘U zult zien dat mijn dieren in blakende vorm zijn,’ zegt hij. Minstens twee keer per dag oefenen de trainers ook in het lege park met de orka’s salto’s, water spuiten, kop schudden, tong uitsteken, langs de rand van het bassin glijden, met de vinnen wuiven en de ‘alien’, een figuur waarbij de walvissen loodrecht als een raket uit het water opspringen en op het hoogste punt de kop vooruit steken.
Er klinkt dad-rock: Phil Collins’ You’ll Be In My Heart. Het is een warme, zonnige dag, 27 graden. Achter het bassin bewegen de bananenplanten van een aangrenzende plantage traag in de wind. Morgan maakt drie snelle sprongen achter elkaar, de rug gebogen als een kerkraam. Een volwassen persoon had rechtop onder de curve van haar sprong kunnen staan. Kletterend valt ze terug in het water, een golf slaat over de rand van het bassin. De Europese Noordzee, het koude, donkere water, de scholen haring en de robbenkadavers – dat alles is duizenden kilometers ver weg. Morgan heeft een lange weg achter de rug.
Orka’s zijn zulke buitengewone dieren dat het misschien geen wonder is dat de mens ze gebruikt als projectiescherm. Dat zie je al aan de naam die we ze gegeven hebben; de Duitse naam ‘schwertwal’ slaat op hun lange rugvinnen, tot wel twee meter lang bij de mannetjes en vaak van ver zichtbaar.
Tot op heden is de opvallende zwart-wittekening van de dieren een raadsel voor de biologen. Jagers proberen doorgaans zo onzichtbaar mogelijk te zijn.
Lange tijd vonden mensen orka’s heel eng. Vissers en walvisjagers hadden keer op keer waargenomen hoe groepen orka’s grote walvissen aanvielen en doodden. Aan de Amerikaanse westkust strandden orka’s met hun buik vol dode robbenbaby’s, wel tien of meer. Er bestaan talloze horrorverhalen over deze dieren. Ze werden doorboord met lansen en harpoenen, met geweren beschoten, met artilleriegranaten en explosieven aan flarden geschoten. Nog in het jaar 1954 richtte het Amerikaanse leger met machinegeweren een slachting aan bij IJsland, waarbij honderden orka’s gedood werden.
Later, in de jaren zestig en zeventig, toen de eerste dieren in aquariums getoond werden, begrepen miljoenen mensen hoe speels, intelligent en sociaal orka’s zijn. Vanaf dat moment veranderde alles. Angst sloeg om in bewondering. Mensen werden verliefd op de orka. De monsters veranderden in showdieren.
Hello en bye bye
In een van de eerste orka-shows, in 1968 in Seaworld, een pretpark in het Amerikaanse San Diego, speelde de trainer een dokter die zijn patiënt, een orka, onderzoekt met een stethoscoop. Antropomorfiseren noemen wetenschappers dat; het toeschrijven van menselijke eigenschappen aan dieren. En dat was precies wat de mensen deden met de orka. De film Free Willy, waarin een jongen vriendschap sluit met een orka en hem uit een aquarium bevrijdt, was een van de succesvolste film van de jaren negentig. Meer dan 153 miljoen dollar bracht hij wereldwijd op. In een Frans aquarium leerden een paar jaar geleden wetenschappers een orka geluiden te maken die klonken als ‘hello’ en ‘bye bye’. En de Lumi, een indianenvolk in de staat Washington in de VS, noemen de orka’s ‘onze broeders en zusters onder water’.
De bemanning van patrouilleboot De Krukel, die niet ver van Lauwersoog op de Waddenzee voer, dacht eerst dat ze gevolgd werden door een dolfijn. Het dier was klein en vermagerd. Niemand van hen had ooit een orka in de Noordzee gezien. Ze stuurden foto’s naar de wetenschapper Kees Camphuysen. ‘Ik zei tegen ze: dat is een jonge orka. Die is ver, ver afgedwaald van zijn groep. Die gaat dood. Daar valt niets aan te doen,’ vertelt Camphuysen mij via Zoom. ‘Maar ze wilden niet naar me luisteren.’
Het was 23 juni 2010. Het enige bassin in Nederland dat groot genoeg was voor een orka, ligt in Harderwijk, 160 kilometer verderop. Het Dolfinarium is een commercieel aquarium waar dolfijnen, zeeleeuwen en bruinvissen te zien zijn. Ambtenaren van het ministerie van Landbouw en Natuurbeheer mailden foto’s van het dier naar het personeel van het Dolfinarium. Tegen twee uur ’s middags besloten ze daar dat het dier gered moest worden. De Nederlandse regering zorgde voor een speciale vergunning.
Het duurde meer dan zes uur tot het reddingsteam uit Harderwijk bij de orka aankwam. Het was kort na acht uur ’s avonds. Het water stond zo laag dat het de mannen in hun wetsuits maar tot net boven de heupen kwam. Het dier zwom nog net, met maar een paar handbreedtes water onder de buik.
‘Het was warm, zonnig en windstil. De zee was kalm, zonder golfslag,’ vertelt Steve Hearn, indertijd de hoofdtrainer van de dolfijnen in Harderwijk. ‘Ze bewoog niet toen we haar benaderden. Ze lag gewoon stil in het water. Toen we haar pakten, verweerde ze zich niet. Op een video van de redding is te zien hoe ze het dier met zeven man vastpakten. Hearn in zijn wetsuit omvatte de orka als een boomstam. Toen gingen ze aan de slag. Ze droegen het dier een beetje, en het zwom een beetje mee. Zo loodsten ze het tweehonderd meter in de richting van het schip. Hearn zegt dat hij dacht: ‘Als er nu aan de horizon een grote zwarte rugvin opduikt, dan hebben we een probleem.’ Maar daar lag alleen het eiland Schiermonnikoog en de gladde, lege Noordzee. Om de dichtstbijzijnde orkapopulatie te bereiken had je in alle richtingen meer dan zevenhonderd kilometer moeten zwemmen, naar de Hebriden, de westkust van Groot-Brittannie, de Faeröer eilanden of de Noorse kust. Het dier was heel ver van huis. Het liet zich zonder verweer in de draagbanden leggen en aan boord hijsen.
De dierenarts Niels van Elk gaf de orka infusen, omdat het beest zo uitgedroogd was. ‘Het zag eruit als een paling, zo vermagerd was hij,’ zegt Van Elk. ‘Ik maakte me grote zorgen dat het zomaar onder onze handen kon sterven. Het was een vrouwtje, drie meter veertig lang, tussen twee en drie jaar oud. Ze woog maar 430 kilo, zoveel als een eenjarig kalf. Ze leek wekenlang vooral algen gegeten te hebben. Ze laadden haar over op een vrachtwagen, legden natte handdoeken op haar huid en besproeiden haar tijdens de meer dan twee uur durende rit met water. Onderweg begon ze plotseling geluiden te maken, hoog en piepend.
Pas om half twee ’s nachts kwamen ze bij het aquarium aan. Men hees het dier in een leeg bassin, het oude showbad voor zeeleeuwen en dolfijnen dat iets meer dan twintig meter lang, bijna acht meter breed en maar ongeveer drie meter diep was. Ze voerden haar vissen.
Ze was nog geen eigendom, maar dat wat juristen res nullius noemen: niemands zaak
Orka’s kunnen kieskeurig zijn wat hun voeding betreft. Er zijn orka’s die in gevangenschap tweeënhalve maand niets anders aten dan vis. De groepen in het wild specialiseren zich vaak op een prooidier, waar ze dan in hoofdzaak op jagen, terwijl al het andere ze niet interesseert. Er zijn groepen orka’s die bijna uitsluitend roggen eten, of haaien, of zeeleeuwen. Andere zijn volledig gespecialiseerd op de jacht op andere walvissen. Ze eten vaak niet eens het hele slachtoffer op, maar alleen de tong, het weekste deel van de walvis.
Dit dier hield van haringen, inktvissen en lodden, kleine, langwerpige visjes, iets groter dan sardines. De dure zalmfilets die een lokale onderneming had gedoneerd, spuugde ze weer uit. Het kleine walviswijfje overleefde de eerste nacht, en de tweede, en de derde. Ze werd Morgan genoemd.
Niels van Elk, de dierenarts, probeerde dagenlang uit te vinden wat er met Morgan aan de hand was. Hij onderzocht haar met een maagsonde, met een camera in haar ademgat en nam bloed af. ‘Ik kon niks vinden. Ze had al lang niets meer gegeten, maar verder leek ze niks te mankeren,’ zegt Van Elk. Het bleef een raadsel: waarom had ze de aansluiting bij haar groep verloren, ergens daarbuiten, in het voorjaar? Was er iets gebeurd met haar familie, of kon ze zich niet meer oriënteren? En: kon ze worden teruggezet in zee? Het is nu moeilijk voor te stellen hoe open Morgans toekomst toen nog was. Dat er een moment was waarop nog niet alle meningen vaste vorm hadden aangenomen. Op dat moment werd ze nog door niemand als bezit gezien. Ze was nog geen eigendom, maar, zoals alle wilde dieren in de EU, dat wat juristen res nullius noemen: niemands zaak.
Het dispuut rond orka’s is, zoals zoveel discussies, een strijd over wat werkelijkheid is en wat niet. Het gaat om verschillende percepties van de werkelijkheid en om de metaforen die ons helpen haar te begrijpen. Wat betekent een bassin vol water voor een walvis? Een luxehotel? Of een piepkleine gevangeniscel?
We weten niet precies hoe de orka een zwembad beleeft. Net als voor een vleermuis bestaat de wereld voor hem vooral uit klank, resonantie, die hij met klikgeluiden aftast. Middels hoge kreten vindt hij de andere orka’s van zijn groep, zelfs als die meer dan tien kilometer ver weg zijn. Maar voor een dier dat veel tijd in diepe duisternis doorbrengt zijn ook zijn ogen verbazend goed.
De jacht op de walvis
Onze kennis van de omvang van de industriële walvisvangst komt grotendeels voort uit verhalen over walvissen die met succes werden gevangen. Maar Morgana Vighi en haar team van de Universiteit van Barcelona wilden het aantal
walvissen vaststellen dat walvisjagers hebben gedood maar niet verhandeld, schrijft Hakai Magazine.
Vooral in de begindagen van de walvisjacht, voordat technologische vooruitgang de tactieken effectiever maakte, kwam het vaak voor dat walvisjagers walvissen ‘verloren’. Een opvallend groot aantal walvissen raakte gewond of stierf zelfs, maar ging vervolgens verloren op zee – ‘en alle arbeid was verloren, zoals al zo vaak is gebeurd’, klaagde Frederic Marten, een zeventiende-eeuwse Britse walvisvaarder.
Uit het onderzoek van Vighi en haar team bleek dat geen enkele reis zonder verliezen verliep. In de vroege fase van de industriële walvisvangst, tussen 1775 en 1850, waren die verliezen aanzienlijk. De wetenschappers berekenden dat het verliespercentage voor potvissen 1 op 10 bedroeg; voor elke tien gevangen walvissen op zee ging er één verloren. Voor zuidelijke rechtse walvissen was dat aantal zelfs 5 op 10; voor elke tien die werden gedood en gevangen, gingen er vijf verloren.
‘Deze reconstructies zijn van fundamenteel belang voor de huidige herstelinspanningen, omdat ze ons vertellen hoe ver of hoe dicht de huidige populaties af zitten van de natuurlijke situatie,’ zegt Ana Rodrigues, ecoloog bij het Centre for Functional and Evolutionary Ecology in Frankrijk (niet betrokken bij het onderzoek). ‘Het negeren van deze [verloren] walvissen leidt tot onderschatting van de historische populatie en vertaalt zich in minder ambitieuze doelstellingen.’
Weinig mensen hebben zich zo erg in orka’s geprobeerd in te leven als Ingrid Visser. Ze is walvisonderzoekster, 54 jaar oud en woont in een afgelegen huis aan de steile kust van Tutukaka in het noorden van Nieuw-Zeeland. Vaak kan ze de walvissen vanuit haar raam observeren. Gezien vanuit Harderwijk woont ze vrijwel precies aan het andere eind van de wereld. Ze heeft stroblond haar en blauwe, bijna doorzichtige ogen, die haar iets onthechts geven. We spreken elkaar via Zoom.
Morgan hield de rechtbanken voortdurend bezig; een dierenbeschermster heeft haar geval zelfs voor een commissie van het Europese Parlement gebracht. Zolang ze zich kan herinneren is ze bezeten geweest van walvissen, vertelt Visser. Op haar veertiende had zij, een boerendochter, zo ongeveer de complete vakliteratuur over de dieren gelezen. Op haar zestiende begon ze maandenlang op zee te varen, als steward op een zeilschip. Van haar negentiende tot haar eenentwintigste jaar bracht ze bijna al haar tijd op zee door, voer de wereld rond, legde 96000 kilometer op het water af. Toen ze terugkwam, had ze driekwart van alle walvis- en dolfijnensoorten in het wild meegemaakt.
Ze was een jonge biologiestudente toen ze bij het snorkelen voor het eerst een orka onder water zag. ‘Een groot wijfje, met een rog in de bek, zwom met haar kalf vlak langs me,’ vertelt ze. ‘Dat was een magisch, betoverend moment.’ Het materiaal voor haar proefschrift verzamelde ze door met wilde orka’s voor de kust van Nieuw-Zeeland te gaan duiken, wat tot dan toe nog vrijwel niemand had gewaagd.
Visser heeft duizenden uren met orka’s doorgebracht, honderden daarvan onder water. Bij Nieuw-Zeeland kan ze de dieren aan hun vinnen herkennen. Ze heeft ze namen gegeven. Ze heeft gezien hoe ze jagen, wat ze eten, hoe ze spelen en hun kalfjes opvoeden. En ze heeft ze af en toe het leven gered. Vijftien keer, vertelt ze, heeft ze gestrande orka’s terug de zee in geholpen. De meeste van die dieren waren gezond en in goede conditie. Ze waren verdwaald in ondiep water en waren op een zandbank gezwommen. Of ze hadden zich verstrikt in vissersnetten en moesten bevrijd worden.
Visser is nooit professor aan een universiteit geworden en heeft desondanks meer dan dertig wetenschappelijke artikelen gepubliceerd. Haar onderzoek heeft ze gefinancierd met donaties en bijbaantjes. ‘Ik ben sinds twintig jaar niet meer op vakantie geweest, ik ga zelden naar restaurants. Ik word niet betaald voor mijn onderzoek, dus vrienden en familie doneren af en toe geld, zodat ik mijn rekeningen kan betalen.’ Ze vertelt dat ze voor het eerst orka’s in gevangenschap heeft gezien in een bassin in Antibes, in Frankrijk. ‘Ik moest braken.’ De benauwdheid van het bad en het onnatuurlijk gedrag van de dieren kon ze nauwelijks verdragen. ‘Het was zó verkeerd,’ zegt ze.
Ze hoorde over de redding van Morgan op televisie. In haar ogen was er voor de walvis vanaf dat moment maar één doel: de oceaan.
De mensen die Morgan in de eerste weken in Harderwijk bezochten, verbaasden zich over hoe communicatief ze was. ‘Het leek niet helemaal normaal,’ zegt Filipa Samarra, orka-onderzoekster aan de IJslandse universiteit in Reykjavik en een van de eerste wetenschappers die bij haar waren. ‘Maar wij wisten ook niet echt wat normaal was. Ze communiceerde dag en nacht.’
In Tenerife heb ik haar geluiden gehoord. Ze klinken als het piepen van een slecht geoliede deur, als een vogel, of als het geluid wanneer je met je vingers over een luchtballon wrijft. En dan weer klinken ze volkomen buitenaards.
Verschillende dialecten
Orka’s hebben verschillende dialecten. De geluiden verschillen van groep tot groep. Een orka uit Antarctica klinkt anders dan een orka uit Alaska of Noorwegen of de Salish Sea bij Vancouver. Zelfs verschillende groepen in dezelfde wateren hebben vaak een compleet eigen code die ze leren van hun verwanten. Met een beetje geluk kun je aan de hand van de geluiden vaststellen waar ze vandaan komen. Morgan piepte een onbekend, waarschijnlijk Noors dialect, zoals Samarra achterhaalde nadat ze de geluiden had vergeleken met enkele duizenden orka-roepen die wetenschappers in het wild hadden opgenomen.
Morgan werd steeds sterker. Ze at begerig. Ze kwam aan. Na tweeënhalve maand was ze al 260 kilo aangekomen. Het bassin was snel te klein. Als ze loodrecht in het water stond, raakte ze met haar staartvin de bodem. De ramen van haar bad waren allemaal ondoorzichtig, op één na. Vaak wachtte ze achter dit ene, heldere raam, tot er iemand voorbij kwam.
Steve Hearn, de trainer, stond voor een dilemma. ‘Het zijn intelligente dieren, ze vervelen zich snel,’ zegt hij. Maar het is eigenlijk geen goed idee om een dier dat in zee teruggezet moet worden, al te zeer aan mensen te laten wennen. Niettemin zegt Hearn dat het ‘gewoon te wreed zou zijn geweest als we niets anders hadden gedaan dan Morgan elke dag vijftien pond vis in de bek te gooien en er dan weer vandoor te gaan’.
Hearn begon de monotonie van haar dagen in het kleine bad te doorbreken. Hij bedacht spelletjes voor haar. Hij liet een op afstand bestuurbaar autootje voor haar bassin heen en weer rijden. Hij zette een pak cornflakes voor het raam, zodat er meeuwen op af kwamen. Hij ging het water in en zwom met haar rond. Hij masseerde haar buik, haar rug, haar tong.
Weidse, maar gevaarlijke vrijheid, of een benauwde veiligheid tussen betonwanden
Na iets meer dan een maand lieten ze in Harderwijk toeschouwers bij Morgan toe. Enkele honderden bezoekers zagen haar elke dag in het Dolfinarium. De toekomst van Morgan vernauwde zich met de dag.
Hearn zegt dat hij zes dagen per week zestien uur per dag met haar doorbracht. ‘Maar natuurlijk kon dat zo niet verder gaan. Ze moest terug naar andere zwart-witte dieren.’ Er waren twee mogelijkheden: een leven in een zwembad – zij het groter dan in Harderwijk – met andere orka’s. Of in het wild, met een onzeker resultaat. Weidse, maar gevaarlijke vrijheid, of een benauwde veiligheid tussen betonwanden.
Seaworld
Eigenlijk begon het conflict rond Morgan, het orkawijfje, lang voordat ze strandde. Het gaat decennia terug en het draait vooral om één firma, de Amerikaanse themaparkexploitant Seaworld. Seaworld heeft de orka veranderd in een merk. In een entertainmenticoon. Iets meer dan de helft van alle orka’s in gevangenschap was eind 2010 van deze firma: 24 dieren in totaal, verdeeld over drie parken in San Diego, Orlando en San Antonio, en nog vijf dieren die uitgeleend waren aan Loro Parque. Het was een kleine groep, vergeleken met de op ongeveer 50.000 geschatte orkapopulatie in het wild. De onderneming maakte in dat jaar een omzet van 1,2 miljard dollar dankzij 22,4 miljoen bezoekers. Het bedrijf is in het verleden meedogenloos te werk gegaan om aan dieren te komen.
De eerste orka’s ving Seaworld in 1970 bij Seattle. Men spoorde de dieren met vliegtuigen op en dreef ze met explosieven in ringzegennetten. Later, toen de jacht in Amerika werd verboden, weken de jagers van Seaworld uit naar IJsland, waar de firma extra bassins liet bouwen. Daarin werden de pas gevangen dieren vastgehouden tot ze afgevoerd konden worden. Vaak stierven ze er. Om te versluieren dat het om in het wild gevangen dieren ging, sluisde de firma een deel van de orka’s eerst door Japanse aquariums, voordat ze de VS in gebracht werden. Toen ook in IJsland het tij keerde, kocht Seaworld de markt leeg.
Een van de laatste beschikbare orka’s haalde het bedrijf in 1987 vanuit Nederland naar de VS – uit het Dolfinarium Harderwijk. Ook de orka’s in het Loro Parque in Tenerife waren tot 2017 het eigendom van Seaworld. Zij zijn de nakomelingen van de dieren die men bij Seattle en IJsland had gevangen. Die race om steeds nieuwe orka’s ligt al tientallen jaren achter ons. Maar toen Morgan gered werd, doken de oude reflexen meteen weer op. ‘Ik wist dat er problemen zouden komen,’ zegt Ingrid Visser. ‘Op dat moment waren er al dertien jaar geen wilde orka’s meer gevangen. De genenpool in de aquariums was beperkt. Morgan was nieuw bloed voor een industrie die een inteeltprobleem had – en daarmee een van de waardevolste dieren ter wereld.’
De waarde van een orka schatten is vrijwel onmogelijk, omdat maar weinig aquariums in de wereld de gelegenheid hebben om dieren onder te brengen, en de handel door de wetgeving sterk is ingeperkt. Dennis Speigel, een deskundige op het gebied van Amerikaanse pretparken, schat desondanks dat een orka op dit moment vijf tot tien miljoen dollar waard is. Ter vergelijking: in 2011 lag de jaaromzet van het Dolfinarium in Harderwijk rond 16,4 miljoen euro.
Maar Steve Hearn en Niels van Elk, de voormalige dierentrainer en de toenmalige dierenarts van het Dolfinarium in Harderwijk, bestrijden allebei dat het om het geld ging. Zij wilden eenvoudig een dier redden, zeggen ze. Of het Dolfinarium ooit iets in ruil voor Morgan heeft gekregen, is onduidelijk. Het Dolfinarium Harderwijk heeft al mijn vragen onbeantwoord gelaten.
In de loop van millennia zijn ze tot het vreeswekkendste roofdier van de zee geworden, enkel overtroffen door de mens. Onderzoekers vermoeden dat ze een hele reeks soorten hebben uitgeroeid
Vrijwel alles wat een orka zal leren, leert hij van zijn moeder. Zij brengt hem het systeem van geluiden bij waarmee ze communiceert, de jachttechnieken, die verfijnder zijn dan die van vrijwel elk ander dier, de opvoedmethoden, de lichaamsverzorging en de spelletjes. De rest leert een orka van zijn grootmoeder en zijn tantes. De wijfjes vormen het geheugen van de groep. In sommige orkagroepen blijven de dieren een leven lang bij hun moeder en grootmoeder. De mannetjes worden daar nooit helemaal zelfstandig. Ze sterven meestal korte tijd na de dood van hun moeder.
De coördinatie van orka’s in het water is adembenemend. Hun waarneming van de wereld is er volledig op ingesteld om als groep te jagen. Die collectieve samenhang heeft ze in de loop van millennia tot het vreeswekkendste roofdier van de zee gemaakt, enkel overtroffen door de mens. Onderzoekers vermoeden dat ze een hele reeks soorten hebben uitgeroeid. Na het opduiken van de killerwhale tien miljoen jaar geleden nam het aantal grote walvissoorten tijdelijk af, van naar schatting 85 tot 38; het aantal robbensoorten werd gehalveerd. De meeste orka’s leven in koude wateren, in de poolzeeën, maar ze komen overal, ook in de tropen. Je kunt ze evengoed aantreffen in Hawaii als voor Moermansk. En hun honger is als die van ons: veelomvattend.
Ze doden bijna tweehonderd soorten, in grootte variërend van 60-tonners tot rolmopsen; 37 walvissoorten, waaronder de blauwe vinvis, de potvis en dwergwalvissen, alle grote haaien- en roggensoorten, inclusief de grote witte haai, twintig soorten robben, 27 soorten zeevogels, 29 octopus- en inktvissoorten, 44 soorten vis, in het bijzonder zalmen, haringen en makrelen, evenals twee soorten zeeschildpadden. Af en toe grijpen ze ook herten en elanden die zee-engten oversteken. Het is bijna ontroerend dat ze ons tot dusver gespaard hebben. Voor zover bekend is in het wild nog nooit een mens door hen gedood. Het is onduidelijk waarom wij, die zo vaak argeloos in zee rond plonzen, nooit op hun menu zijn beland. Wel hebben de dieren zo nu en dan wel doelgericht boten geramd.
Maar de hechte samenhang van hun groepen heeft ook nadelen. In hun eentje raken ze snel verloren. Het zijn hyperconformistische gemeenschappen, hun intelligentie is conservatief. De Canadese orka-onderzoeker Lance Barrett-Lennard heeft eens geschreven: ‘Ze kunnen bijna alles nadoen, maar ze houden niet van experimenteren en nieuwigheden.’
Het zijn voorzichtige dieren, die vaak dagen nodig hebben voor ze in een nieuw bassin door een onbekende doorgang durven te zwemmen. Dat is fataal voor een terugplaatsing in de natuur: orka’s hebben een tendens ontwikkeld die de mens ook bekend is: xenofobie. Ze houden niet van dieren die anders jagen, anders klinken en er anders uitzien dan zijzelf. Veel orkagroepen zijn volgens genetische analyses meer dan 150.000 jaar geleden uit elkaar gegaan en hadden sindsdien nauwelijks contact met elkaar. Voor het terugplaatsen van een orka als Morgan moet je derhalve in de weidsheid van de oceaan iets heel kleins vinden: haar school, een groep van misschien twintig, dertig walvissen, waaruit ze afkomstig is.
Besluit
In september 2010 vroeg Niels van Elk, de dierenarts van het Dolfinarium Harderwijk aan zeven experts – vier orka-onderzoekers, twee waddenzee-experts en een voormalige dierenarts van Seaworld – wat het Dolfinarium het beste kon doen. In november 2010 werden hun aanbevelingen in een rapport voor de Nederlandse regering gepubliceerd, bijna vijf maanden na de redding van Morgan. Alle zeven zeiden tegen terugplaatsing te zijn, zolang niemand wist waar Morgans walvisgroep was. John Ford, een van de bekendste walvisonderzoekers van de wereld, schreef in zijn rapport voor het aquarium: ‘Ze heeft al laten zien dat ze waarschijnlijk niet in staat is zelfstandig voedsel te vinden en zou waarschijnlijk lijden en in haar eentje sterven.’
Voor het Dolfinarium was het besluit daarmee gevallen. In de maanden daarna kwamen er veel mensen op bezoek in Nederland: trainers van Marineland in Antibes kwamen langs en deden trainingssessies met de orka. Een dierenarts van Seaworld inspecteerde het dier. Steve Hearn vertelt dat hij een telefoontje kreeg van de intussen overleden eigenaar van het Marineland Park in het Canadese Niagara Falls, die hem vroeg hoeveel Beluga’s, dus witte walvissen, hij wilde hebben voor de orka. Hearn zei hem dat hij alleen maar de trainer was, en hem niet verder kon helpen.
Kort daarop klaagde een coalitie van zeven organisaties voor dierenrechten de Nederlandse regering en het Dolfinarium aan. Ingrid Visser werd de orka-expert van deze coalitie, die eiste dat de walvis ondanks het advies van de zeven wetenschappers in zee zou worden teruggezet – eerst in een afgeschermde zee-omgeving, waar men haar verder kon voederen en medische zorg kon geven. De dierenbeschermers wilden Morgan daar voorbereiden op terugkeer in zee.
Wilde walvissen worden in Europa streng beschermd. Er bestaat een hele reeks internationale verdragen, EU-reguleringen en nationale wetten die verbieden ze te vangen. Ze zijn niet allemaal even streng, maar alle voorzien erin dat walvissen die gered worden uit een noodsituatie zo snel mogelijk terug in zee worden gebracht. De scherpste tekst, het ‘Verdrag tot behoud van de kleine walvissen in de Noord- en de Oostzee, de Noord-Atlantische oceaan en de Ierse Zee’, afgekort het ASCOBANS-verdrag, verbiedt het langdurig gevangen houden van kleine walvissen zonder uitzondering. De Nederlandse wet laat een klein gaatje open. Die staat toe gestrande walvissen te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek wanneer ze niet in zee terug gezet kunnen worden. Een EU-verordening verbiedt de ‘overwegend commerciële uitbating’ van wilde orka’s, evenals de handel in de dieren – maar staat wel uitzonderingen toe in bijzondere gevallen.
Een terugplaatsing zou niet alleen riskant zijn, maar ook duur. Heel duur. Er zijn in het verleden pas twee pogingen tot terugplaatsing met orka’s gedaan. Een daarvan was Keiko, de ster uit de film Free Willy, die na bijna twintig jaar in gevangenschap terug werd gebracht naar IJsland. Hij werd per vliegtuig van Mexico naar de VS, en later, in 1998, naar IJsland vervoerd. Een team begeleidde hem met peilzenders, boten, helikopters en vliegtuigen. De hele operatie kostte uiteindelijk ongeveer 20 miljoen dollar, gefinancierd uit donaties, waarvan meer dan 10 miljoen van de tech-miljardair Craig McCaw kwam, en twee miljoen van Warner Brothers, de productiemaatschappij die Free Willy produceerde. Desondanks werd Keiko nooit meer een echte wilde walvis. Hij stierf in 2003 in een baai in Noorwegen. Hij was vrijwel zijn hele leven door mensen begeleid en verzorgd.
De tweede poging was goedkoper en succesvoller. In juni 2002 werd een jong wijfje, dat blijkbaar alleen en gedesoriënteerd was, gevangen in Puget Sound, in de buurt van Seattle. Wetenschappers kenden haar groep, die zich vijfhonderd kilometer noordelijker ophield. Ze werd een maand lang in een afgeschermd stukje zee verzorgd en toen per boot een paar honderd kilometer verderop naar haar verwanten gebracht, die haar weer opnamen. De kosten waren gering in vergelijking met de bedragen die voor Keiko waren opgehaald. Een paar honderdduizend dollar aan donaties was voldoende. Voor Morgan zou aanzienlijk meer uitgegeven moeten worden. Alleen al het transport naar Noorwegen zou tonnen hebben gekost. Een commercieel aquarium kostte de Nederlandse staat niets.
In juni 2011 verleende de Nederlandse regering het Dolfinarium een exportvergunning voor Morgan. De afnemer zou Wolfgang Kiesslings Loro Parque in Tenerife zijn. Het Loro Parque is een commerciële onderneming. Tot de pandemie was het ook een heel winstgevend bedrijf. De balans van de dierentuin laat voor 2019 een winst zien van iets meer dan dertig miljoen euro.
Het volledige gepubliceerde onderzoek aan de orka’s in het Loro Parque tot eind 2011 bestond daarentegen uit slechts twee wetenschappelijke artikelen in vaktijdschriften en een handjevol presentaties op wetenschappelijke conferenties. En de orka’s in Loro Parque waren allemaal eigendom van Seaworld. Ze waren slechts uitgeleend aan Kiessling. Morgan zou de vijfentwintigste orka worden in de collectie van een miljardenconcern.
Het leek een duidelijke overtreding van meerdere wetten en internationale verdragen. In september 2011 bepaalde een rechter in Amsterdam daarom dat de export zes weken lang moest worden opgeschort.
Kort daarop gebeurde er iets waarmee vrijwel niemand nog rekening had gehouden: de Duitse wetenschapper Heike Vester had in het jaar 2005 de geluiden opgenomen van een Noorse orkafamilie in de Tysfjord, terwijl ze een haringschool samendreven tot een compacte bal, de zogenaamde carousseljacht. Zij vergeleek de klanken met die van Morgan. Hun geluiden stemden verbazend nauwkeurig overeen.
Goede kans
‘Het was ofwel haar eigen groep, ofwel een die er nauw verwant mee is,’ zei Vester mij. Vier van de zeven experts die aanvankelijk tegen terugplaatsing waren, veranderden daarop van mening. John Ford en Christophe Guinet, beiden internationaal bekende orka-onderzoekers, spraken zich uit voor een poging tot terugplaatsing. De twee andere orka-onderzoekers in de groep, Christina Lockyer en Fernando Ugarte, wilden zo’n poging op z’n minst overwegen. Drie van hen stelden bovendien voor om Morgan naar Noorwegen te brengen, niet naar Spanje, om haar eerst in een afgeschermd stuk zee te houden. De drie andere opstellers van het rapport die bij hun standpunt bleven, waren een voormalige dierenarts van Seaworld en twee Nederlandse Waddenzee-experts.
Enkele weken lang zag het er naar uit dat de walvis een goede kans had in zee terug te keren. En toen viel alles uit elkaar. Op 21 november 2011 hief een rechter in Amsterdam de exportstop weer op. Het vonnis schoof de internationale verdragen en de EU-richtlijnen eenvoudig terzijde. De veranderde mening van de experts werd door de rechter niet serieus genomen. Dat het dier volgens de Nederlandse wet alleen voor onderzoek vastgehouden mocht worden, legde ze ruim uit: twee academische artikelen waren voldoende als bewijs. Het vonnis werd later in twee beroepsprocedures bevestigd.
‘De wet werd gewoon genegeerd als die in de weg zat. Ik heb zoiets daarvoor noch daarna ooit meer meegemaakt’
Arie Trouwborst is professor in Tilburg, gespecialiseerd in milieurecht. Een nuchtere man die mijn vragen met kwellend lange pauzes beantwoordt om vooral niets ondoordachts te zeggen. Hij had destijds een advies opgesteld voor de coalitie van dierenbeschermers waartoe Ingrid Visser behoorde. ‘Ik kan nog steeds niet helemaal begrijpen wat er gebeurd is,’ zegt hij. ‘Ik leg mijn studenten altijd uit hoe belangrijk een precieze interpretatie van woorden voor de wet is. Maar dat deed er helemaal niet meer toe. Het was een beetje alsof we allemaal in die absurde bubbel gevangen zaten. De wet werd gewoon genegeerd als die in de weg zat. Ik heb zoiets daarvoor noch daarna nooit meer meegemaakt.’
De Nederlandse rechters gaven in de motivatie van hun vonnis steeds weer blijk van hun zorg om de walvis niet in gevaar te brengen. Daar hadden ze beslist gelijk in. De wildernis is gevaarlijk, ook voor een alfa-roofdier, een roofdier dat geen enkel ander roofdier hoeft te vrezen. Hoe gevaarlijk het voor Morgan zou zijn, wist op dat moment niemand.
De grote vraag is er uiteindelijk een die de mens in laatste instantie alleen voor zichzelf beantwoorden kan: is het beter om kort in het wild te leven, of lang in gevangenschap?
Het was nog donker toen de trainers Morgan op 29 november 2011 in een draagbaar loodsten. Ze woog intussen bijna 1400 kilo. Sinds haar aankomst was ze iets minder dan een ton aangekomen. Het transport van een orka is een gecompliceerde, inspannende aangelegenheid. De dieren kunnen niet verdoofd worden, omdat ze hun bewustzijn nodig hebben om te ademen. Onder narcose zouden ze stikken. Ze zijn dus de hele tijd wakker. Ze worden wekenlang getraind om rustig in de draagbaar te liggen die in een met water gevulde container wordt gehangen.
Morgan spartelde nauwelijks toen ze haar uit het bassin tilden. Maar ze ademde sneller dan anders, stootte ademwolkjes uit in het schelle licht van de schijnwerpers. In de container begon ze luid te piepen. In de dagen voor het transport hadden medewerkers van het Dolfinarium, onder wie ook Hearn, doodsbedreigingen ontvangen. Bij het aanbreken van de dag vertrok het konvooi.
Men had de container met Morgan op een vrachtwagen geladen. Daarachter volgden auto’s van de politie. ‘We hadden een enorm politie-escorte, bijna dertig voertuigen,’ herinnert Hearn zich. ‘Elke brug op weg naar de luchthaven was afgesloten.’ Het vliegtuig was leeg, op de walviscontainer na. Hearn stond aan het hoofdeinde in het water om Morgan tijdens de vlucht gerust te stellen. Met een pollepel goot hij water over haar rug, zodat haar huid niet zou uitdrogen.
Het was al donker toen ze in Loro Parqe aankwamen. Wolfgang Kiessling stond aan de rand van het bassin en keek toe hoe de vrachtwagen het orkastadion binnenreed. Morgan werd neergelaten in het bassin dat groter was dan dat in Harderwijk. Het grote bad is meer dan twaalf meter diep en 50,5 meter lang, iets meer dan tien keer haar lichaamslengte. In de eerste nacht bleef ze nog door een traliehek gescheiden van de andere walvissen. Wolfgang Kiessling noemde haar tegenover Spaanse journalisten ‘een geschenk van de natuur’. Hij verheugde zich over de ‘compleet nieuwe bloedlijn’. Ze was de zesde orka in Loro Parque. De vijf andere waren allemaal in gevangenschap geboren. Zij was daar het enige dier dat ooit in een arctische storm had gezwommen, levende vissen had gegeten, gezien had hoe haringscholen werden omsingeld – en dat zonder mensen had geleefd.
Javier Almunia, directeur van de Stichting Loro Parque, die aan het commerciële dierenpark is gelieerd, zei in een interview kort na Morgans aankomst dat ze ‘onaangepast’ gedrag vertoonde. ‘Ze zwemt heel dicht tegen de anderen aan. Ze is soms heel opdringerig, probeert over de anderen heen te springen of ze te bijten in de genitale zone.’ De trainers merkten nog iets anders op, wat komisch was: ze hield de hele tijd haar kop boven water.
In juni 2012 kwam Ingrid Visser voor ruim drie weken naar Tenerife. Indertijd kon je de orka’s nog de hele dag bekijken als je bij het metalen hek aan de ingang van het stadion stond. Je staat daar iets meer dan tien meter bij het water vandaan. Visser kwam bijna iedere dag, met camera en notitieblokje. Ze stond er van ’s morgens tot ’s avonds en observeerde de dieren, vertelt ze me. De orkatrainers merkten haar al gauw op. Aan het eind van die drie weken werd er een hoge houten schutting gebouwd, waarover een voormalige medewerker van het park tegen me zei dat ze die maar beter de ‘Ingrid Visser-palissade’ kunnen noemen.
De littekens die een orkagebit achterlaat zien er een beetje uit zoals het patroon dat een tuinhark in het zand achterlaat
Toen ze weer thuis was, schreef Visser een rapport dat de hoogte van de afscheiding verklaart. In de 77 uur aan de rand van het bassin had ze 91 aanvallen op Morgan gezien door de andere orka’s. Ze telde 320 nieuwe beetwonden en vers geheelde littekens op haar lichaam. Morgan was meermalen voor haar ogen met volle kracht door een ander dier geramd.
‘Nooit eerder heb ik zoveel geweld tussen orka’s gezien,’ vertelt Visser me. ‘Ik heb honderden uren onder water met de dieren in het wild doorgebracht. En nooit een aanval tussen twee orka’s gezien. In het Loro Parque gebeurde het bijna ieder uur.’
De littekens die een orkagebit achterlaat zien er een beetje uit zoals het patroon dat een tuinhark in het zand achterlaat. Je vindt ze ook bij veel wilde orka’s. Volgens een studie zelfs bij de meeste. In het wild zitten de mannetjes heel vaak onder de littekens. Maar hoe die wonden precies ontstaan, weten we niet. Gevechten binnen een orkagroep werden zo goed als nooit waargenomen. De matriarchen in het wild lijken hun leiderschap in de hiërarchie maar heel zelden – misschien wel nooit – met geweld af te dwingen. Mogelijk ontstaan ze bij confrontaties tussen verschillende groepen. Misschien verklaart dat ook waarom Morgan in het begin zo heftig werd aangevallen. Zij was de vreemde.
Het Loro Parque bestrijdt dat de agressie buitengewoon heftig zou zijn geweest. Javier Almunia, directeur van de Stichting Loro Parque, verwijst naar een studie uit 2019, waaraan hij zelf heeft meegeschreven, volgens welke minder dan 1 procent van de interacties tussen de walvissen in het park agressief is. Als ik Wolfgang Kiessling aanspreek over Ingrid Visser en haar kritiek, is hij niet onder de indruk. Hij noemt haar – als een echte dierentuinbezitter – ‘een vals dier’.
Morgans lichaam is nu overdekt met groeven, in wilde patronen, als een schilderij van Pollock. Lange littekens die zigzag over de lengte van haar rug lopen, en korte horizontale op haar zijkant die eruitzien als een wrede grap: alsof iemand haar heeft beschilderd met haaienkieuwen.
Na haar aankomst in Loro Parque werd al snel duidelijk dat Morgan vaak niet op de trainers reageerde. Ze negeerde hen. Soms zwom ze minutenlang razendsnel rondjes door het bassin, ongecontroleerd en wild. Ten slotte kwamen ze op het idee dat ze haar verzorgers mogelijk niet kon horen. In november 2012 werden drie wetenschappers ingevlogen, een uit Nederland, twee uit de VS. Allen experts inzake het hoorvermogen van dolfijnen en kleine walvissen. Met zuignappen plaatsten ze elektroden op haar lichaam om haar hersengolven te meten. Toen lieten ze haar een luid klikgeluid horen. Bij alle andere orka’s in het Loro Parque zagen de wetenschappers een reactie op de klanken, alleen bij Morgan niet. Morgan hoorde duidelijk slechter dan de andere orka’s. Mogelijk, schreven ze, was Morgan ‘compleet doof’.
Dat is voor een wild dier een groot probleem. ‘Deze dieren zijn op hun gehoor aangewezen,’ vertelde de Franse orkaspecialist Christophe Guinet mij. ‘Ze gebruiken echolocatie om vissen te vinden, ze coördineren de jacht middels geluiden, en via geluiden vinden ze ook hun groep terug wanneer ze die kwijt zijn. Daarmee kunnen ze zich ook oriënteren in het donker. Het is bijna onmogelijk dat een dove orka in het wild overleeft. Zonder hun gehoor zijn ze verloren.’
Toen was het duidelijk dat Morgan nooit meer vrij in de Noordzee zou zwemmen. Ze had een handicap die een orka niet hebben mag als ze robbenschedels wil kraken en haringscholen wil opdrijven. Degenen die zich uit alle macht verzetten tegen terugplaatsing, hadden plotseling de beste argumenten.
Visser heeft Morgans gehoorschade nooit geaccepteerd als wat het was: een catastrofale tegenvaller. Ze is gewoon doorgegaan: ze heeft nog een proces tegen de Nederlandse regering aangespannen via twee instanties. De laatste uitspraak werd gedaan op 10 juli 2019 door de Raad van State, de hoogste instantie van het Nederlandse rechtssysteem. Ook deze keer weigerden de rechters om de exportvergunning voor Morgan alsnog te casseren. De orka werd niet teruggehaald.
Visser heeft het geval van Morgan in juni 2018 ook voorgelegd aan de petitiecommissie van het Europees Parlement in een vijftien minuten durende presentatie, waarvoor ze speciaal vanuit Nieuw-Zeeland was gekomen. De zaal was slechts voor een kwart gevuld. De petitie werd tien maanden later zonder resultaat gesloten.
Chemisch afval
Waarom heeft ze zoveel energie gestoken in de bevrijding van één enkel dier? Buiten in de oceaan waren al lang praktijken gaande die de belangen van een enkel dier volledig ontstegen. Orka’s staan aan de top van een voedselketen die door de mens vergiftigd is. De dieren slaan in hun lichaam toxinen op zoals het insecticide DDT en de industriële chemische stof PCB, die tientallen jaren in de zee zijn geloosd. Een paar orkagroepen brengen nauwelijks nog gezonde kalveren ter wereld. En als ze dood aanspoelen, gelden hun kadavers als zo zwaar verziekt dat ze in sommige landen als chemisch afval moeten worden behandeld.
Voor Visser is het geval Morgan een symbool. Het staat voor iets groters: de menselijke zelfzucht. Voor het feit dat we wilde dieren nog altijd als vanzelfsprekend uitbuiten voor ons genoegen en ons profijt. Zij gelooft dat orka’s in gevangenschap zozeer lijden, dat het het beste zou zijn om onmiddellijk een einde te maken aan de shows. De aquariums waarin ze gehouden worden moeten worden geleegd, het fokken moet worden gestaakt. En de resterende orka’s moeten in zeereservaten worden gehouden: in grote baaien, achter netten waar men zich wel met hun verzorging bezig kan houden, maar in een natuurlijker omgeving waar ze bovendien meer ruimte hebben.
Het is vaak verbazend moeilijk om te zeggen of een dier lijdt of niet. Je moet de tekenen daarvan kunnen lezen, die openbaren zich niet meteen. Je moet ze kunnen interpreteren. Op mijn tweede middag in Loro Parque gooien de trainers twee reusachtige plastic tonnen van duizend liter in het bassin, als speelgoed. De orka’s stoeien ermee, bijten erin, drukken ze onder water. Na vijf minuten zien ze eruit als gedeukte colablikjes. Dan voederen de trainers de orka’s haringen en lodden. Ze gooien ijsblokjes in het water, sneeuwballen en gele geleiblokjes die de dieren vocht moeten bieden.
Vijftien trainers zijn de hele dag bezig de verveling van de dieren te verdrijven en frustraties in de kiem te smoren. ‘Frustratie,’ zegt Eric Bogden, ‘is niet goed voor zo’n groot roofdier.’ Bogden (59), is de hoofdtrainer van Loro Parque. Hij is afgetraind, glad geschoren en gebruind, een Amerikaan die er twintig jaar jonger uitziet dan hij is. Bogden heeft lang voor Seaworld gewerkt, toen de trainers daar zich nog tien meter de lucht in lieten slingeren door de walvissen. Met één oor hoort hij niet heel veel meer. Het trommelvlies is bij zo’n landing gebarsten.
Bogden heeft een bijzondere relatie met Morgan. Vaak vergezelt ze hem als een hond langs de rand van het bassin. Als hij oefeningen met haar doet, heb je soms de indruk dat ze niet meer is dan een op afstand bestuurbare automaat, zo snel en precies volgt ze de tekens die hij met zijn hand geeft. Ze draait naar links, naar rechts, wiebelt met de vin, komt uit het water en laat zich masseren.
Stille wereld
Bogden vraagt zich af hoe zij de wereld ervaart. ‘Ze is altijd een beetje vreemd. De andere orka’s communiceren de hele tijd met elkaar in het bad. Dat hoort ze niet. Het moet een merkwaardige, stille wereld voor haar zijn.’ Terwijl ik hem volg bij zijn werk mag ik een gele lijn, die op ongeveer twee meter van het water is getrokken, niet overschrijden. In 2011 heeft Keto, een van de twee reusachtige orkamannetjes in het Loro Parque, bij een trainingsshow zijn trainer onder water geduwd, geramd en gebeten. De trainer overleed aan zijn inwendige verwondingen.
Elke dag maken de trainers de tanden van de dieren schoon met apparaten die eruitzien als stoomreinigers. De orka’s leggen hun kin op de rand van het bassin en sperren de machtige kaken open. Dan spuiten de trainers hun tanden schoon. Veel dieren hebben uitgeboorde of kapotte tanden, die tweemaal per dag gedesinfecteerd moeten worden. De orka’s kauwen op de tralies en de betonwanden. Bij Morgan zijn de voorste rijen tanden deels vrijwel tot op het tandvlees versleten.
Twee voormalige dierenartsen van het Loro Parque, die beiden anoniem willen blijven, vertellen me later hoe moeilijk ze het hadden met de orkahouderij. Beiden hadden op enig moment begrepen hoe slecht de omstandigheden in het bassin voor de dieren waren, hoezeer de trainers ook hun best deden om voor afwisseling te zorgen. Een vrouwelijke arts zei dat ze bij een endoscopie stukjes verf van de bassinwand en siliconen, gebruikt voor het afdichten van het bad, in de magen van de dieren had aangetroffen. ‘De orka’s knaagden voortdurend aan de wanden,’ vertelt ze. ‘Het immuunsysteem van de orka’s was verzwakt door het steriele water en de stress van de disfunctionele groep. Ze waren vaak ziek. Ze kregen makkelijk schimmelziekte en bacteriële infecties. We moesten ze steeds weer antibiotica geven.’
Volgens de tweede vrouwelijke arts was voor iedereen duidelijk dat de dieren niet in een dierenpark thuishoorden. ‘Het is vrijwel onmogelijk om deze grote, veeleisende roofdieren in de bassins voldoende prikkels te bieden.’ Beide dierenartsen hebben hun geloof in het houden van orka’s verloren. Javier Almunia, directeur van de Stichting Loro Parque, schreef dat de uitspraken van deze dierenartsen ‘speculatief’ waren. Er zouden geen bewijzen zijn dat de immuunsystemen van de dieren in Loro Parque zwakker waren dan die van de dieren in zee. Ook zou geen van de dierenartsen er ooit bezwaar tegen hebben gemaakt dat de dieren regelmatig medicijnen toegediend kregen. Beide dierenartsen achten de gezondheidsproblemen van de dieren zo ernstig dat ze het fokken met de orka’s nu volstrekt afwijzen.
De orka’s hadden de daad mogelijk door de spijlen van het hek heen voltrokken
In Morgans geval is het daarvoor nu te laat. In december 2017 maakte Loro Parque bekend dat Morgan drachtig was. Het dierenpark beweert tot op heden dat het een vergissing is geweest. Almunia zei tegen mij te vermoeden dat de orka’s de daad mogelijk door de spijlen van het hek heen hadden voltrokken. Op 22 september 2018 werd het kalf geboren. Op een video van de geboorte zie je Morgan in steeds kleinere kringen zwemmen. De kleine staartvin komt als eerste naar buiten. Morgan gaat op haar zij liggen, kromt haar lichaam en dan volgt het kalf in een golf van bloed, en zwemt weg alsof het nooit iets anders heeft gedaan.
Niets kan je voorbereiden op hoe het voelt om tegenover een dier van drie ton te staan dat oogcontact met je maakt. Op mijn derde dag in Loro Parque komen Morgan en Ula, haar kalf, naar mij toe gezwommen. Ik leg mijn hoofd opzij, naar links. Daarop draait Morgan haar lijf ook naar links. Ik leg mijn hoofd naar rechts. Weer volgt ze me. Ik verstop me achter een metalen balk. Ze spuwt een grote waterstraal tussen haar tanden door op mijn notitieblok. Het water ruikt zoet, een beetje naar chloor en algen, naar zeedieren. Later brengt Ula mij aan het venster een blad, nauwelijks groter dan een munt van 2 euro. Ze tilt het op met haar bek, draagt het heel voorzichtig tot recht voor mijn ogen en laat het dan naar de bodem zinken. Het blad is het enige object in het bad, waarvan het water verder helemaal glad is. Ze herhaalt het spel met het blaadje meerdere keren.
Ik kan begrijpen waarom je dicht bij deze dieren wilt zijn. Maar misschien schuilt daar al het probleem. Het is een egoïstische behoefte. Die gaat van ons uit, niet van hen. Zij gaan alleen maar met ons om omdat ze geen andere keuze hebben.
Apathie
Tot op heden brengt Ula iedere nacht alleen door in het kleine medische bassin van het park, dat maar twaalf meter lang is, zeven meter breed en vier meter diep. De maten van een hotelzwembad. Eric Bogden vertelt me dat Morgan ‘soms een beetje ruw’ met haar kalf omgaat. ‘Zij is een dove moeder, en dat leidt af en toe tot frustratie. Ula is soms bang voor de grote walvissen, en dan is ze liever alleen.’
Toen ik daar was, beleefde ik momenten die vredig oogden: Ula die zich over de rug van Morgan heen legt als een sjaal; Ula die zich door Eric Bogden laat masseren op de buik en rug, en daarbij de ogen sluit; Ula die speels een van de tonnen wegwerpt met haar bek. Maar steeds weer zijn er ook fasen van apathie.
Orka’s in het wild zijn permanent in beweging, zelfs wanneer ze slapen, zwemmen ze heel langzaam, vlak bij elkaar. De diepste duik van een orka die wetenschappers hebben geregistreerd is 1087 meter. Veel groepen duiken regelmatig dieper dan 250 meter. Ze kunnen in 24 uur meer dan honderd kilometer afleggen. Een orka wiens bewegingen negentig dagen lang gevolgd werden, legde in die tijd meer dan 5400 kilometer af, van Baffin Island in Canada tot aan de Azoren.
Morgan dreef soms meer dan een half uur gewoon aan de oppervlakte, vaak vlak voor de tralies van het medisch bassin waarin Uli gevangen zat, en bewoog zich niet. Van een afstand zag ze eruit als een grote zak die elke paar minuten diep in en uit ademde. Een gered en gebruikt wezen. In de verte, achter het bad, was de oceaan te zien. Schuimkoppen op een winderige, wilde zee. Onbereikbaar ver weg.
Walvissen zijn net als wij
James Cameron, bekend van epische films als Titanic en Avatar, maakte samen met cameraman Brian Skerry een film over een dier dat hem al lange tijd intrigeerde: de walvis. Zijn grootste ontdekking: ze zijn net als wij.
Walvissen hebben complexe levens, familiebanden en een sterke cultuur, net als mensen, zegt Brian Skerry tegen Newsweek. Hun manier van leven deed hem denken aan de buurten van New York aan het begin van de vorige eeuw, met veel enclaves van verschillende culturen en talen. Net als wij hebben orka’s een voorkeur voor de internationale keuken: orka’s in Nieuw-Zeeland eten graag roggen, terwijl de dieren in Noorwegen vooral van haring houden.
Moeders leren hun kalveren niet alleen de vaardigheden die ze nodig hebben om te overleven, maar ook culturele tradities. Zo houden bultruggen ‘zangwedstrijden’ en bezoeken beloegawalvissen elk jaar een ‘zomerresort’, waar ze spelletjes doen. Walvissen vieren hun identiteit en rouwen om hun doden. ‘Het zijn buitengewoon intelligente wezens die deze planeet met ons delen,’ zegt Skerry.
De documentaire heeft onder meer tot doel om deze zienswijze over te brengen. ‘Vrijwel alles van onze beschaving is schadelijk voor de walvis,’ zegt Cameron, ‘van giftige, waterverontreinigende stoffen tot geluidsvervuiling, bijvoorbeeld door seismische tests of militaire sonar: die is zeer schadelijk voor walvissen, die hun wereld via geluiden ‘zien’ en echolocatie gebruiken om op hun prooi te jagen. Camerons ploeg filmde ook een keer een reddingsoperatie waarbij een National Geographic-duiker een orka te hulp kwam die verstrikt was in een visserstouw – een manier waarop dagelijks bijna duizend van deze zoogdieren verdrinken. ‘De grote mannetjesorka had de duiker makkelijk kunnen doden, maar hij leek te begrijpen wat er gebeurde.’
Bekend is dat op sociale media in exotische, meestal illegale (huis)dieren wordt gehandeld. Bellingcat onderzocht hoe beroemdheden en influencers een gevaarlijke miljoenenindustrie in stand houden door op Instagram met een tijgerwelpje te poseren.
Het aapje kronkelt terwijl een vrouw het met één hand zonder commentaar ophoudt naar de camera. De korte TikTokvideo heeft geen beschrijving; het enige geluid is het gekir van het babyaapje. Andere filmpjes op sociale media tonen jonge tijgers, leeuwen, cheeta’s en poema’s, maar ook aapjes, luiaards en stokstaartjes, allemaal zonder commentaar.
Steeds vaker worden deze jonge dieren door influencers en beroemdheden gebruikt om hun socialemediapagina’s mee op te leuken. Rappers, filmsterren, grote ondernemers, tv-presentatoren, modellen, vloggers en zelfs een voortvluchtige crimineel posten beelden waarop ze met de dieren poseren. Onderzoek laat zien dat de individuele dieren te herleiden zijn tot een kleine groep van anonieme personen die exotische dieren illegaal verhuren en mogelijk zelfs verhandelen.
De handel in exotische dieren is een miljoenenindustrie. Net als auto’s en horloges doen exotische dieren het goed als statussymbool, vooral in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). Schijnbaar geeft niemand erom dat het niet goed is voor leeuwen, tijgers en andere wilde dieren om als ‘huisdier’ te fungeren: erger nog, het brengt ze fysieke en mentale schade toe.
Bovendien is het verboden en werkt het stroperij en georganiseerde misdaad in de hand. In 2017 werd in de VAE een wet van kracht die het verbiedt om gevaarlijke of exotische dieren als apen en grote katten te bezitten, te verhandelen of te transporteren. Sindsdien hebben dierentuinen en fokbedrijven met sterke beperkingen te maken gekregen.
Ondanks deze nieuwe wet gaat de handel gestaag door. Nog steeds laten socialemediasterren hun miljoenen volgers foto’s en filmpjes van tijgers, cheeta’s en apen zien. Daarmee maken ze gratis reclame voor illegale handelaars – met als enige voordeel dat ze onderzoeksjournalisten de kans bieden om met opensourcetechnieken meer te weten te komen over deze duistere handel.
Vooral foto’s met leeuwen- of tijgerwelpjes doen het goed. Meestal vinden de fotosessies plaats als zo’n welpje pas een paar maanden oud is. Tijgerwelpjes zijn niet alleen peperduur om aan te schaffen, maar ook om te verzorgen. Wanneer ze wat ouder zijn, worden ze al snel gevaarlijk.
Het meest gewild zijn misschien wel witte tijgers. Eigenlijk zijn dit Bengaalse tijgers met een pigmentaandoening die extreem zeldzaam is in het wild. Ze zijn dan ook het product van inteelt in gevangenschap, waardoor ze niet zelden ernstige genetische aandoeningen hebben.
In augustus 2019 trakteerde de Indiase filmactrice en fotomodel Esha Gupta haar 5 miljoen Instagramvolgers op een foto waarop ze een witte tijgerwelp in de armen houdt. De foto is inmiddels alweer gewist maar is nog terug te vinden in Google’s cache en op Pinterest.
Diezelfde maand postte Moe Money, een socialemediamanager die veel beroemdheden bijstaat en zelf ook 400.000 Instagramvolgers heeft (@moemoneyofficial), een aantal beeldverhalen waarin een tijgerwelp figureert.
En op 1 september 2019 zette MoVlogs, die wel 10 miljoen abonnees heeft op YouTube, een video op het platform met als titel ‘Swimming with babytigers’. Er zijn een witte tijger met welpje in te zien en hij is opgenomen bij hem thuis.
Strepen van tijgers veranderen hun hele leven niet. We konden daarom vrij eenvoudig nagaan of het één en hetzelfde welpje is dat in deze drie video’s voorkomt. Verschillen in belichting, resolutie en camerahoek daargelaten, zouden de strepen en vlekken, naast de kleur van de ogen en de snorhaarstippen, identiek moeten zijn.
En dat zijn ze. Het patroon van alle strepen, hoe vaag ook, komt duidelijk overeen, net als dat van de snorhaarstippen en het vlekje op de neus.
MBE.777
Behalve het feit dat hetzelfde welpje erin voorkomt, hebben deze drie filmpjes nog iets met elkaar gemeen. Bij alle drie stond MBE.777 getagd in de posts, het verhaal of de beschrijving. MBE.777 is de naam van een privé-Instagramaccount waar ook veel naar wordt verwezen in andere posts en verhalen van beroemdheden over tijgers, leeuwen en cheeta’s.
Zo poseerden de Britse rapper Fredo (1,1 miljoen volgers), de Saoedische beroemdheid Dyler (2,7 miljoen volgers) en de Egyptische tv-presentator Sara Khalifa (738.000 volgers) allemaal in november 2019 met weer een andere witte tijgerwelp. Deze Instagramposts zijn gemarkeerd met MBE.777, wat feitelijk neerkomt op gratis reclame voor dit account bij de vele volgers van deze beroemdheden. De witte tijgerwelp is in alle drie de Instagramposts dezelfde.
Niet alleen beroemdheden verwijzen naar dit account, ook fotografen doen dat, schijnbaar huren zij exotische dieren in om hun fotosessies mee op te fleuren.
Wereldwijd leverbaar, tegen contante betaling bij ontvangst
In dezelfde maand dat deze beelden van een tweede witte tijgerwelp op Instagram verschenen, schreef de Britse krant de Birmingham Mail dat de Britse voortvluchtige crimineel Zahid Khan, terwijl hij zich schuilhield in Dubai, met een witte tijgerwelp poseerde. Khan was in Groot-Brittannië wegens fraude bij verstek veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf; de Britse autoriteiten hebben de Verenigde Arabische Emiraten om zijn uitlevering gevraagd.
En al noemt Khan MBE.777 niet in zijn post, aan het uiterlijk van de welp is duidelijk te zien dat het om hetzelfde dier gaat dat eerder op de foto’s van de drie beroemdheden te zien was.
Deze twee welpen bezorgden deze beroemdheden duizenden – voor hen zeer welkome – views. Maar waar komen ze eigenlijk vandaan?
Over MBE.777 is weinig bekend – en dat wil hij blijkbaar graag zo houden. Op zijn Instagramposts is nooit zijn gezicht te zien of zijn stem te horen. Deze zorgvuldig in stand gehouden anonimiteit suggereert dat hij de wetten in de Verenigde Arabische Emiraten over het houden van exotische en gevaarlijke dieren maar al te goed kent.
Ondanks dat het om een besloten account gaat, heeft MBE.777 bijna 15.000 Instagramvolgers. Zijn volgers vragen vaak ‘hoeveel?’ Als antwoord worden ze uitgenodigd voor een privéchat.
Op foto’s met exotische dieren worden illegale dierenhandelaars getaggd, zoals MBE.777.De tijger die Humaid Albuqaish in zijn privédierentuin houdt.
Continue aanvoer
MBE.777 houdt al zeker sinds oktober 2019 dieren: er is een continue aanvoer van leeuwen- en tijgerwelpen en andere exotische dieren. Foto’s en filmpjes die MBE.777 op sociale media zet zijn steeds opgenomen in dezelfde kamers. Ondanks MBE.777’s hang naar privacy verraden andere personen in zijn netwerk toch details over hem. Soms staan deze mensen samen met hem getagd, ze posten vanaf dezelfde locatie of zijn op de achtergrond te zien, soms alleen in een ruit of een spiegel.
Alhoewel MBE.777 alleen binnenshuis te zien is, kunnen we deze ruimtes toch lokaliseren dankzij de socialemediapost van een Russische vrouw die schijnbaar tot zijn intimi behoort. De foto’s die zij op sociale media zet zijn genomen in dezelfde kamers, met exact dezelfde meubels erin.
Zijn volgers vragen vaak ‘hoeveel?’ Als antwoord worden ze uitgenodigd voor een privéchat
Op een van de foto’s is door het raam een blauw reclamebord op het gebouw ernaast te zien. Het laat zich herkennen als een twintig verdiepingen hoge flat op Jumeirah Beach Residence in Dubai.
De meubels en de tags van MBE.777 maken het ook mogelijk om gebruikers te identificeren die dit appartement bezochten om met tijger- en leeuwenwelpen te poseren. Dezelfde bank en hetzelfde model televisie zijn, opnieuw getagd met MBE.777, te zien op foto’s van de Indiase beroemdheid Adnaan Shaikh (13.4 miljoen Tiktokvolgers), de Duitse ondernemer Saygin Yalcin (717.000 Instagramvolgers) en de Indiase ‘mode-influencer’ Shadan Farooqui (4.2 miljoen Instagramvolgers). Uit de overeenkomstige locatie en de tijdspanne tussen de posts valt af te leiden dat MBE.777 de jonge dieren weken achtereen in het Dubaise appartement moet hebben gehouden. Daarnaast blijken de dieren ook geregeld naar andere locaties of huizen te worden getransporteerd voor fotosessies met beroemdheden.
Wereldwijd leverbaar
MBE.777 organiseert niet alleen fotosessies maar lijkt de dieren die hij in zijn Dubaise appartement houdt ook te verkopen. Een Instagramaccount met de toepasselijke naam Exotic Pets Dubai [Exotische Huisdieren Dubai] helpt MBE.777 zo te zien bij de verkoop. In de beschrijving van het account lezen we dat de dieren die in de post voorkomen wereldwijd leverbaar zijn, tegen contante betaling bij ontvangst. Het account valt aan MBE.777 te koppelen doordat er in de post afbeeldingen en filmpjes te zien zijn van dieren die ook figureren in afbeeldingen en filmpjes van MBE.777. Ze zitten of liggen op dezelfde meubels.
‘Veel geluk, schat, bij je nieuwe familie’
Ook op andere accounts in MBE.777’s netwerk is sprake van handel. De Russische vrouw die MBE.777 goed lijkt te kennen deelt afbeeldingen van dezelfde dieren, maar geeft er meer informatie bij. Zo deelde zij op VKontakte [een Russische socialemediasite] een foto van een cheetawelp. Cheeta’s staan als kwetsbaar aangemerkt op de rode lijst van de IUCN [International Union for the Conservation of Nature]. Naar schatting leven er nog maar achtduizend in het wild, een aantal dat door de dierenhandel aanzienlijk daalt. Net als leeuwen gelden ze in de Golfstaten en in Saoedi-Arabië als statussymbool.
Toen een gebruiker haar vroeg of de cheeta van haar was, antwoordde ze: ‘Was van mij, maar is nu verkocht.’ Op Instagram deelde ze een video van dezelfde welp en schreef ze erbij dat ze zat te wachten op een oudere cheeta.
Een andere gebruiker vroeg haar of een anderhalve maand oude welp op een foto haar huisdier was. Zij antwoordde dat het welpje de nacht bij hen had doorgebracht en nu naar een ander land was gevlogen. De vraagsteller zei te hopen dat ‘de kat het goed maakt’, waarop zij antwoordde met een verdrietig biddende emoji.
Ze kan bidden wat ze wil, maar met deze dieren gaat het absoluut niet goed. Tijgers hebben in gevangenschap veel ruimte, specialistische zorg en een gebalanceerde voeding nodig.
MBE.777 wordt gevolgd door een Saoedische man die zelf ook in exotische dieren handelt. Ruim een jaar geleden postte hij een foto van dode dieren, waaronder een witte tijgerwelp en een leeuwenwelp, die op plastic zakken lagen. ‘Van de hitte,’ schreef hij erbij.
Iemand anders uit de omgeving van MBE.777, die vaak dezelfde dieren toont, deelde een filmpje van twee leeuwen. Een van de twee zit in een kleine kooi, de ander is vastgeketend en lijdt aan lensluxatie. Deze medische aandoening, waar honden ook vaak aan lijden, is op zich geen teken van slechte behandeling, maar er moet wel door een arts naar worden gekeken.
Andere exotische dieren die eerder in het netwerk van MBE.777 te zien waren, doken later als huisdieren op bij andere instagrammers.
Op 27 maart 2020 postte MBE.777 een video van een servalwelp. De serval is een bedreigde wilde katachtige die in de recente wet van de Verenigde Arabische Emiraten ook expliciet als ‘gevaarlijk’ wordt vermeld, een dier dat je niet mag verhandelen en niet als huisdier mag houden. Toch vraagt een van de gebruikers in het commentaar naar de prijs. Drie dagen later, op 30 maart, verschijnen op het Instagramaccount van ene Dubai_Serval, een volger van MBE.777, video’s van een dier dat er precies zo uitziet.
Een (bedreigde) serval op het account van MBE.777. Onder: dezelfde serval op het account van iemand die door de handelaar wordt gevolgd.De welp in handen van MoVlogs, Esha Gupta en MoeMoney. Omdat strepen van tijgers hun leven lang niet veranderen, is het eenvoudig aan te tonen dat het om steeds hetzelfde welpje gaat.
Tijger- en leeuwenwelp
Is het inderdaad dezelfde serval? Verschillen qua resolutie, camerahoek en belichting daargelaten, lijkt het vlekkenpatroon identiek. Ook de stippen bij de snorharen komen overeen. Nog voordat hij twee maanden oud was, werd deze serval schijnbaar vanuit MBE.777’s appartement overgebracht naar het huis van iemand anders en leeft hij daar nu al tien maanden als huisdier.
Dit is maar één voorbeeld; een ander geval betreft een Chinese vrouw die MBE.777 volgde en later een tijger- en een leeuwenwelp als huisdier nam.
Zo te zien is het dezelfde tijgerwelp als op de eerdere foto’s van de Russische vrouw uit MBE.777’s naaste omgeving. In de beschrijving schreef ze: ‘Veel geluk, schat, bij je nieuwe familie.’ Een nauwgezette vergelijking van het strepenpatroon en de snorhaarstippen laat zien dat het dier op de foto’s inderdaad hetzelfde is.
Ergens moeten ook de moederdieren aanwezig zijn. Volwassen cheeta’s en tijgers kun je moeilijk in een appartement houden, dus er moet een ruimere faciliteit bestaan waar die worden gehouden. Alhoewel MBE. 777 zijn gezicht zorgvuldig verborgen houdt, is zijn contactenlijst niet geheim. Veel van deze personen staan geregeld naast MBE.777 getagd. Zo postte een van zijn contacten, die ook het appartement bezocht, een Instagramverhaal waarin een andere man getagd is die een welpje vasthoudt. Zou dit soms MBE.777 zijn? Het zou dezelfde man kunnen zijn die op de achtergrond in een video van MoVlog te zien is wanneer de welpen arriveren. Op beide foto’s had hij de zuigfles in de hand die ook op het profiel van MBE.777 te zien is.
Ook een andere man komt vaak in de fotosessies voor. In een video van MoVlog draait de camera opeens weg als de tijger wegloopt, waardoor onbedoeld de mensen achter de schermen te zien zijn.
Op een fotosessie van Rohit Roy (@doncasanova), een autoverzamelaar die zeer actief is op Instagram, zijn dezelfde twee personen te zien. Een gaat schuil achter het account Safari_Dubai, waarop, naast veel selfies, foto’s staan van jonge dieren. Volgens zijn Instagramprofiel is zijn voornaam Abdulla.
Abdulla’s digitale voetafdruk is veel groter dan die van MBE.777. Ten eerste werd zijn Instagrampseudoniem ooit in de Daily Mail genoemd, in een artikel uit augustus 2019 waarin een beroemdheid beschuldigd werd van dierenmishandeling nadat hij geposeerd had met een leeuwenwelp. Ten tweede tagden gebruikers soms MBE.777 en Safari_Dubai in dezelfde Instagramverhalen.
Wie is Safari_Dubai?
Anders dan zijn naam doet vermoeden, heeft Abdulla niets met safari’s van doen. Wel hield hij openlijk jonge dieren in kooien in een vrij kleine tuin, dieren die elkaar snel opvolgden. Op 3 maart 2002 merkte een verslaggever in een kort televisie-interview met hem op dat het een dure hobby is om dieren groot te brengen. Hij vroeg of Abdulla van plan was om bezoekers en toeristen toe te laten. Abdullah antwoordde dat hij dat niet nodig heeft, dat het zijn huis is en hij gewoon graag dieren fokt en traint.
In een interview met de krant Al-Ittihad op 22 januari van dit jaar vertelt Abdulla, die zegt voluit Abdulla bin Sabd te heten, dat zijn hobby dieren fokken is, wat volgens de wet uit 2017 nog gewoon mag. Op dit moment houdt hij twee jonge volwassen leeuwen; de ouders van de welpen die hij eerder hield (waaronder tijgers, witte tijgers en witte leeuwen) zijn nergens te zien.
In een van zijn Instagramposts vermeldt Abdulla zijn mobiele nummer. Dit nummer uit de Verenigde Arabische Emiraten is ook terug te vinden op onlinemarktplaatsen waar dieren worden verhandeld. In een van deze advertenties staan jonge hyena’s te koop voor iets meer dan negenhonderd euro. De foto bij deze advertentie is identiek aan het openingsshot van een filmpje dat hij op dezelfde dag op zijn Instagrampagina plaatste, maar waarop zijn hoofd onherkenbaar is gemaakt.
Ook hyena’s gelden volgens de wet uit 2017 als gevaarlijke dieren. De gestreepte hyena, waar Abdulla er een van vasthoudt, is een bijna-bedreigde diersoort die steeds zeldzamer wordt.
In andere Instagramposts waarop leeuwenwelpen te zien zijn, vragen volgers herhaaldelijk naar de prijs van de dieren. Net als MBE.777 antwoordt Abdulla steevast door een privéchat voor te stellen. Uit andere berichten op sociale media blijkt dat Abdulla in contact staat met privédierentuinen die een vergunning hebben voor het houden van exotische dieren.
Herinner je je die eerste witte tijgerwelp die in augustus 2019 door meerdere beroemdheden werd geknuffeld, allemaal getagd met MBE.777? Dezelfde welpen verschenen in juli 2019 op Safari_Dubai’s Instagramaccount.
In mei 2020 was dezelfde tijger te zien in de privédierentuin van ene Humaid Albuqaish, een Instagraminfluencer uit de Emiraten die bekendstaat om zijn weelderige levensstijl. Albuqaish zette meerdere foto’s van hemzelf op sociale media met de tijger aan een lijn, staand naast zijn huis, auto’s en boot. Opnieuw valt uit de vlekken en strepen op te maken dat het dezelfde tijger is die wederom van hand is gewisseld.
Safari_Dubai houdt ook leeuwen, individuen die figureren op socialemediaposts van beroemdheden. Weliswaar hebben leeuwen geen strepen, maar je kunt ze heel goed identificeren aan de hand van hun snorhaarstippen. Dit unieke stippenpatroon blijft het hele leven van een leeuw onveranderd. Gebruikmakend van een door Living with Lions ontwikkelde methode, kunnen we nagaan of sommige beroemdheden wellicht dieren van Safari_Dubai en MBE.777 gebruikten zonder ze te taggen.
Memphis Depay
Zo kreeg de Nederlandse voetbalster Memphis Depay kritiek omdat hij op sociale media en in zijn muziekvideo Dubai Freestyle had geposeerd met een leeuwenwelp. We kunnen de welp die in deze muziekvideo voorkomt vergelijken met een jonge leeuw die Safari_Dubai in juli 2020 filmde. Gezien de algehele gelijkenis (naast de vlek op de neus en de kleur van de ogen), lijkt het om dezelfde leeuw te gaan – eentje die Depay huurde van Safari_Dubai.
Volgens de Nederlandse website Voetbal Primeur liet Depay op Instagram weten dat hij de welp van een ‘privédierentuin’ geleend had. Schijnbaar was hij er zich niet van bewust waar deze welpen en leeuwen eerder waren geweest.
Een jonge hyena is te koop voor iets meer dan negenhonderd euro
Beroemdheden en rijke mensen poseren met tijger- en leeuwenwelpen en taggen MBE.777 en Safari_Dubai in hun posts. MBE.777 houdt al geruime tijd welpen in zijn appartement in een torenflat en het lijkt erop dat hij ze online verkoopt en verhuurt.
Safari_Dubai, zo blijkt, fokt openlijk wilde dieren. Het is goed mogelijk dat hij dit legaal doet en dat tenminste een van zijn tijgers in een privédierentuin is beland. Wel kunnen we vraagtekens zetten bij de onlineadvertenties waarin exotische dieren te koop worden aangeboden en waarin hij te zien is. Bovendien suggereert zijn aanwezigheid op de achtergrond van meerdere foto’s dat Safari_Dubai samenwerkt met MBE.777. De twee mannen hebben dezelfde welpen in handen gehad.
Het is gevoeglijk bekend dat op sociale-media in exotische dieren gehandeld wordt en hoe gevaarlijk deze industrie is. Nauwelijks bekend echter is de rol die beroemdheden en influencers hierin spelen. Door te poseren met leeuwen- en tijgerwelpen en deze accounts te taggen, maken socialemediasterren onder hun miljoenen volgers reclame voor een netwerk dat online exotische dieren verhandelt. Sommige van deze dieren worden meerdere keren per maand gebruikt voor fotosessies en eindigen vaak als huisdier bij privépersonen.
Dit heeft niet alleen juridische consequenties en bedreigt het welzijn van deze dieren, maar maakt ook wilde populaties kwetsbaarder voor stroperij. Experts waarschuwen dat zelfs als deze dieren gefokt worden en niet gevangen, hun rol als statussymbool de handel een impuls geeft. Fans en volgers kunnen dat tegengaan door de relatie tussen Instagramfoto’s en deze handel te benoemen. Dit maakt de posts verdacht en dat kan indirect een positief effect hebben op populaties wilde dieren.
‘Ons team heeft gemerkt dat zich online een gedragsverandering voltrekt: steeds meer mensen spreken zich uit tegen de eigenaars van exotische huisdieren. Ze zijn zich bewuster van de negatieve gevolgen van het houden van een wild dier, voor de eigenaar, de mensen om hem heen en ook voor het natuurlijk leefmilieu van het dier,’ vertelt Elsayed Mohamed van het IFAW, het Internationale Fonds voor Dierenwelzijn. Mohamed prijst daarom de Verenigde Arabische Emiraten voor de nieuwe, strenge wetgeving op dit gebied.
Bellingcat vroeg MBE.777 en Safari_Dubai of zij zich bewust waren van de wet uit 2017, of zij de dieren die te zien zijn op hun foto’s verkopen en waar ze vandaan komen. Geen van beiden heeft geantwoord.
In januari 2021 veranderde MBE.777 zijn Instagrampseudoniem naar_79797_ en wiste een flink aantal volgers. Niet lang na ons verzoek om commentaar verwijderde MBE.777 ook de laatste van zijn foto’s op Instagram. Safari_Dubai blokkeerde ons op meerdere kanalen.
Na een pandemie van meer dan een jaar die waarschijnlijk veroorzaakt is door de illegale handel in wilde dieren, lijkt deze handel nog steeds in blakende gezondheid te zijn. Niet alleen levende, ook dode tijgers en soortgenoten zijn zeer gewild.
De inbeslagname van goederen die onderweg waren van Nigeria naar Vietnam was alleen wat omvang betreft al schrikbarend. De Nigeriaanse douane onderschepte, in samenwerking met de Britse grenswacht, een lading van 10 ton slagtanden, botten en schubben die naar schatting afkomstig waren van 709 olifanten, 11 leeuwen en 10.658 schubdieren.
Na een pandemie van meer dan een jaar die waarschijnlijk veroorzaakt is door de illegale handel in wilde dieren – en die meer dan twee miljoen gemelde doden en biljoenen dollars heeft gekost – lijkt die handel nog steeds in blakende gezondheid te zijn.
Het opmerkelijkst aan de inbeslagname in januari 2021, afgezien van de onthutsende aantallen bedreigde dieren met een marktwaarde van meer dan 16 miljoen dollar, is de aanwezigheid van de leeuw. Natuurexperts denken dat Afrikaanse leeuwen slachtoffer zijn geworden van de schimmige handel in tijgers.
Gestimuleerd door de schijnbaar onverzadigbare vraag uit Vietnam en China en geleid door criminelen uit Laos en Thailand, is de druk op tijgerpopulaties zo ernstig dat delen van leeuwen, die in Afrika relatief makkelijker te krijgen zijn, gebruikt worden als vervanging om de markt te bedienen.
Zwakke rechtshandhaving en corruptie
Freeland, een antismokkel-ngo en partner van The Independent in de campagne ‘Stop de illegale handel in wilde dieren’, denkt dat de handel in tijgers, waarvan er nu wereldwijd minder dan vierduizend in het wild leven, geleid wordt door ‘Tiger Queens’ in heel Zuidoost-Azië.
Net als in de Netflix-serie Tiger King fokken die dealers hun eigen tijgers, zogenaamd voor toerisme en instandhouding, wat in Thailand en Laos is toegestaan. Maar veel van die fokkerijen, die geregistreerd staan en ‘dierentuinen’ worden genoemd, laten in werkelijkheid geen toeristen toe of doen dat alleen om hun echte winstoogmerk te verdoezelen: de verkoop en heling van tijgerdelen.
Volgens het Environmental Investigation Agency (EIA) zijn zo’n half dozijn onderkomens waar tijgers gevangenzitten betrokken bij de handel in tijgerproducten. Multinationale, criminele syndicaten maken misbruik van de zwakke rechtshandhaving en corruptie, terwijl ze profiteren van de hoge prijzen die betaald worden voor zeldzame en bedreigde dieren.
Steve Galster, de oprichter van Freeland, zei: ‘Vanwege het strengere toezicht en omdat er meer aandacht is voor de handel, besloten de tussenpersonen in Laos hun eigen infrastructuur voor het fokken van wilde dieren te ontwikkelen. Daarmee willen ze ten eerste witwaskanalen opzetten – van elk dier dat van Thailand naar Laos werd gesmokkeld, kon op papier worden aangetoond dat het afkomstig was uit fokkerijen in Laos. Ten tweede willen ze hun eigen dieren fokken en minder afhankelijk zijn van onbetrouwbare Thaise leveranciers, die óf als smokkelaars gepakt werden óf hun prijzen verhoogden als compensatie voor duurdere maatregelen om het verscherpte toezicht te omzeilen.’
Bij een politie-inval in december 2020 werden ter plekke zes tijgerkarkassen en een afgehakte tijgerkop aangetroffen
Volgens Freeland is de Mukda Tiger Park Farm, in Noordoost-Thailand aan de grens met Laos, zo’n tijgerfokkerij. Uit onderzoek dat Freeland aan The Independent heeft laten zien, blijkt dat de ‘dierentuin’ in de zomer van 2020 zo’n dertig tijgers bevatte en levende welpen en volwassen tijgers de grens over bracht. Bij een politie-inval in december 2020 werden ter plekke zes tijgerkarkassen en een afgehakte tijgerkop aangetroffen. Een DNA-analyse van de levende tijgers wees uit dat ze genetisch niet verwant waren aan de andere, wat erop duidt dat ze van elders het land in waren gesmokkeld.
Volgens Galster beweerden de eigenaren van de fokkerij dat ze de zes skeletten wilden opzetten, wat volgens de Thaise wet nog steeds legaal is. Dr. Mark Jones van de organisatie Born Free schat dat er in Zuidoost- en Oost-Azië meer dan 8300 tijgers in gevangenschap leven, vergeleken met 5000 in de VS.
Een andere organisatie, Vannaseng, is in verband gebracht met een tijgerfokkerij en een apenfokkerij in de buurt van Vientiane, de hoofdstad van Laos. Freeland meent dat de directeur ervan, Viengnasone Ounalom, de schoondochter is van de directeur-generaal van de Laotiaanse douane.
The Guardian schreef dat het bedrijf in 2014 van de Laotiaanse regering toestemming kreeg om 20 ton tijgervellen, botten en klauwen te verhandelen ter waarde van 1,2 miljoen dollar, in een land waarin 80 procent van de bevolking van minder dat 2,50 dollar per dag leeft. Vannaseng reageerde niet op een verzoek van The Independent om commentaar te geven op de activiteiten van het bedrijf en de staat van de dierenvoorzieningen.
De Convention on International Trade in Endangered Species (CITES), waar alle Aziatische landen behalve Noord-Korea en Turkmenistan aan deelnemen, roept al sinds 2007 op een eind te maken aan het fokken van tijgers om handel mee te drijven. Sommige leden van de pro-fokkerijlobby betogen dat het fokken van tijgers de druk op in het wild levende tijgerpopulaties vermindert, maar dat wordt gelogenstraft door het almaar afnemende aantal wilde tijgers.
Mazen in de wetten
Volgens het World Wildlife Fund ondermijnen de tijgerfokkerijen de pogingen om het verbod op de handel in tijgerproducten af te dwingen. Het meent ook dat tijgerfokkerijen ertoe bijdragen om ‘de vraag ernaar te laten voortduren en toenemen’, omdat hun bestaan ‘die producten legitimeert en normaliseert in een gebied dat momenteel een grote en duurzame groei van consumentenklassen doormaakt’.
In Laos en Thailand bestaan wetten die de landen dwingen zich te houden aan hun CITES-verplichtingen, maar veel mensen zeggen dat er onaanvaardbare mazen in die wetten zitten. Een rapport van de Environmental Investigation Agency uit 2019 wijst erop dat vergunningen om tijgers te fokken en te vervoeren vrij eenvoudig te krijgen zijn, en dat er ‘geen voorschrift’ bestaat om de handel in producten die delen van tijgers bevatten tegen te houden. Het rapport Op het slagersblok – de Mekong-route van de tijgerhandel richt zich vooral op de rol van de Speciale Economische Zones in de regio, zoals de Golden Triangle Speciale Economische Zone (GTSEZ), die in Laos ligt, maar feitelijk bestuurd wordt door een Chinees bedrijf.
De GTSEZ wordt, met een leaseovereenkomst van negenennegentig jaar met de Laotiaanse regering, bestuurd door het in Hong Kong geregistreerde bedrijf de Kings Roman Group, dat op de sanctielijst van het Amerikaanse ministerie van Financiën staat wegens betrokkenheid bij illegale activiteiten zoals het smokkelen van drugs, mensen en dierlijke producten.
Het ministerie verklaart dat miljardair Zhao Wei, die de controle heeft over de regio, en zijn vrouw Su Guiqin, directeur van het bedrijf die in een artikel in de South China Morning Post de ‘Koningin van de Speciale Economische Zone Golden Triangle’ wordt genoemd, ‘de GTSEZ uitbuiten om deel te nemen aan de smokkel van bedreigde en kwetsbare dieren, waaronder Aziatische zwarte beren, schubdieren, tijgers, neushoorns en olifanten’.
Het kroonjuweel van het gebied van 100.000 hectare is het Kings Roman Casino, dat zeer in trek is bij Vietnamese en Chinese bezoekers. De muntsoort die er wordt gebruikt, is de Renminbi en buiten patrouilleren vaak Chinese agenten.
Debbie Banks van de EIA noemt wat zich afspeelt in die speciale economische zones ‘door Chinezen geleide activiteiten die wetteloze gebieden opleveren waar misdaden tegen dieren kunnen worden gepleegd’. Ze suggereert ook dat er in het gebied minstens twee faciliteiten zijn met tientallen tijgers, waar producten als tijgerbotwijn makkelijk verkrijgbaar zijn.
Tijgerfokkerijen maken deel uit van een bredere tijgerhandel die al eeuwen bestaat en gevoed wordt door de vraag naar delen van tijgers in Zuidoost- en Oost-Azië. Die delen worden voornamelijk gebruikt voor medicijnen die gebaseerd zijn op de traditionele Chinese geneeskunde.
Debbie Banks legt uit: ‘Tijgerbotten worden in Vietnam tot een lijmachtige substantie gekookt waar ze tijgerlijm van maken. In China worden ze op twee manieren gebruikt: vermalen tot een poeder dat als ingrediënt wordt gebruikt binnen de traditionele geneeskunde of geweekt in rijstwijn om tijgerbotwijn te maken, die op de markt wordt gebracht als een gezondheidsproduct of als een prestigieus cadeau.’
Het eten van tijgervlees wordt door sommigen als luxueus beschouwd, net zoiets als een goede champagne, en de botten als een geneesmiddel
De groei van de middenklasse in die twee landen verklaart voor een groot deel de aanhoudende vraag naar tijgerproducten: het eten van tijgervlees wordt door sommigen als luxueus beschouwd, net zoiets als een goede champagne, en de botten als een geneesmiddel. ‘Sommigen geloven dat ze door een tijger te eten net als een tijger worden,’ zei Steve Galster.
Waar illegale handel wordt gedreven, komt onvermijdelijk fraude voor. Toen het moeilijker werd om tijgers te stropen, en landen als Thailand en China strengere beperkingen op de handel legden, begonnen natuurbeschermers delen van leeuwen te ontdekken in geconfisqueerde vrachten. Ze veronderstelden dat het substituten voor zeldzamer delen waren.
Leeuwenskeletten zijn in grote aantallen beschikbaar in Zuid-Afrika, vanwege de populariteit van de jacht op grote dieren aldaar. In een rapport uit 2017 van Born Free met als titel ‘Cash Before Conservation’ staat dat Zuid-Afrika de grootste exporteur van leeuwenbotten en -skeletten naar het Verre Oosten is. Het land heeft tussen 2008 en 2015 98 procent van de leeuwenkarkassen naar Vietnam of Laos gestuurd.
En dus hebben de Tiger Queens hun blik nu grotendeels op Afrika gericht. Freeland wijst erop dat er een onderzoek loopt naar een Laotiaanse tijgerfokkerij die een dochteronderneming in Zuid-Afrika heeft geopend. Intussen zijn mensen zoals Vixay Keosavang, een inwoner van Laos, nog op vrije voeten, ondanks het feit dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken in 2013 een beloning van een miljoen dollar heeft uitgeloofd voor informatie over zijn netwerk voor het smokkelen van wilde dieren van Afrika naar Azië.
Monster in de hoek
Freeland heeft diverse autoriteiten ingelicht over Keosavangs netwerk, en dat leidde tot elf arrestaties, vier vervolgingen en miljoenen in beslag genomen dollars. Het lijkt er dus op dat Keosavangs netwerk niet meer bestaat, maar zelf blijft hij onvindbaar en de Tiger Queens zorgen dat de zaken doorgaan.
Galster legt uit: ‘De syndicaten die wilde dieren smokkelen en verbonden zijn met de fokkerijen in Laos en Thailand, sturen tussenpersonen naar Zuid-Afrika om voor duizend dollar leeuwenkarkassen te kopen, die ongeveer vijfentwintig keer goedkoper zijn dan karkassen van volwassen tijgers. Diezelfde personen zijn uiteindelijk overgestapt op hoorns van rhinocerossen.’ Natuurbeschermers luiden nu de noodklok over leeuwenpopulaties in Afrika, die sinds 1994 met de helft zouden zijn gekrompen.
Debbie Banks van de EIA vertelt nog dat verkopers en consumenten het verschil tussen tijger- en leeuwenbotten zonder een DNA-test niet kunnen zien. En vanwege de pandemie vindt de handel nu bijna helemaal online plaats.
De EIA ontdekte onlangs een Chinees bedrijf in Vientiane dat adverteerde met producten van tijgerbotten op WeChat, een berichten-app van het Chinese Tencent, dat vorig jaar een blog vrijgaf met als titel ‘Het is belangrijker dan ooit om een eind te maken aan de illegale handel in bedreigde diersoorten’.
Steve Galster: ‘Het is een grote, etterende wond, een monster dat we in een hoek hebben geplaatst. En het probleem is moeilijk aan te pakken omdat de fokkerijen geleid worden door zeer invloedrijke mensen en omdat het om grote hoeveelheden dieren gaat.’
Van regenworm tot octopus, ook de ‘lagere’ diersoorten beschikken over een zenuwstelsel, hebben een leervermogen en zoiets als een wil of een bewustzijn.
Het laatste boek van Charles Darwin, verschenen in 1881, was een studie naar de nietige regenworm. Het hoofdthema – zoals al blijkt uit de titel, The Formation of Vegetable Mould through the Action of Worms – was het formidabele vermogen van wormen om in de loop van miljoenen jaren in grote aantallen de bodem om te ploegen en het aanzien van de aarde te veranderen. Maar de eerste hoofdstukken gaan simpelweg over de ‘gewoonten’ van de diertjes.
Wormen kunnen licht en donker onderscheiden en blijven overdag meestal onder de grond, op veilige afstand van hun vijanden. Ze hebben geen oren en kunnen dus geen luchttrillingen horen, maar zijn des te gevoeliger voor trillingen van de bodem, zoals de voetstappen van naderende dieren. Al die prikkels, zo noteerde Darwin, worden overgebracht naar groepjes zenuwcellen (die hij de ‘hersenganglia’ noemde) in de kop van de worm.
‘Als er plotseling licht op een worm valt’, aldus Darwin, ‘schiet hij als een konijn zijn holletje in.’ Hij schreef dat hij aanvankelijk geneigd was ‘die handeling als een reflex te beschouwen’, maar later merkte dat het geen vast patroon was: als een worm bijvoorbeeld iets aan het doen was, vluchtte hij niet voor het plotselinge licht.
Volgens Darwin duidde dat vermogen om verschillend te reageren op ‘de aanwezigheid van een soort wil’. Ook schreef hij over het ‘geestelijk vermogen’ van wormen die hun holletjes dichtstopten: ‘Als wormen in staat zijn om te beoordelen hoe ze een voorwerp dat ze naar de ingang van hun holletje hebben gesleept het beste naar binnen kunnen trekken, dan moeten ze zich enigszins hebben vergewist van de vorm.’ Om die reden vond hij dat wormen ‘met recht intelligent kunnen worden genoemd, want ze gedragen zich dan bijna net zo als een mens in een vergelijkbare situatie’.
De schoonheid van simpele zeebeestjes
Als kind speelde ik met de regenwormen bij ons in de tuin (en later zou ik ze bij onderzoeksprojecten gebruiken), maar ik hield het meest van de kust, en dan vooral van getijdenpoelen, want we gingen met vakantie bijna altijd naar zee. Mijn jeugdig enthousiasme voor de schoonheid van simpele zeebeestjes kreeg een wetenschappelijker karakter dankzij een leraar biologie, die ons elk jaar meenam naar het Marine Station in Millport, in het zuidwesten van Schotland, waar we ons konden verdiepen in de immense verscheidenheid aan ongewervelde dieren langs de kust van Cumbrae. Die excursies naar Millport vond ik zo fantastisch dat ik van plan was om later zeebioloog te worden.
Darwins werk over regenwormen was een van mijn lievelingsboeken, net als Jelly-Fish, Star-Fish, and Sea-Urchins: Being a Research on Primitive Nervous Systems van George John Romanes uit 1885, dat vol stond met eenvoudige, fascinerende experimenten en schitterende illustraties. Romanes, een jonge leerling en vriend van Darwin, zou zijn leven lang hartstochtelijk geïnteresseerd blijven in de kust en de dieren die daar voorkomen, en hij legde zich vooral toe op het onderzoek naar de gedragsmatige manifestaties van een ‘wil’ bij deze wezens.
Ik genoot van Romanes’ persoonlijke stijl. (Hij schreef dat hij zijn proefnemingen naar de wil en het zenuwstelsel van de ongewervelde dieren met veel plezier uitvoerde in ‘een laboratorium op het strand … een mooi houten werkplaatsje waar de zeewind vrijelijk naar binnen woei’.) Maar het ging Romanes natuurlijk vooral om de zoektocht naar een verband tussen zenuwstelsel en gedrag. ‘Vergelijkende psychologie’ noemde hij zijn werk, naar analogie van de vergelijkende anatomie.
Louis Agassiz had in 1850 al aangetoond dat de kwallensoort Bougainvillea een behoorlijk ontwikkeld zenuwstelsel had, en in 1883 bewees Romanes het bestaan van afzonderlijke zenuwcellen (ongeveer duizend in getal). Aan de hand van eenvoudige experimenten – het doorsnijden van bepaalde zenuwen, het maken van sneetjes in het lichaam of het bestuderen van losse weefselplakjes – stelde hij vast dat kwallen zowel gebruikmaakten van autonome, lokale mechanismen (aangestuurd door ‘zenuwnetten’) als van handelingen die centraal werden gecoördineerd vanuit het cirkelvormige ‘brein’ dat langs de randen van het lichaam liep.
Romanes kon in 1883 zelfs afbeeldingen van losse zenuwcellen en groepjes zenuwcellen, oftewel ganglia, in zijn boek Mental Evolution in Animals opnemen. ‘In het gehele dierenrijk’, schreef Romanes, ‘is bij alle soorten die niet lager in de zoölogische rangorde staan dan de Hydroïdpoliepen onveranderlijk zenuwweefsel aanwezig. De laagste dieren waarbij dat tot dusver is waargenomen, zijn de Medusae, oftewel kwallen, en daarboven is het zoals gezegd onveranderlijk aanwezig. En overal waar het voorkomt, heeft het vrijwel dezelfde structuur, dus of we nu te maken hebben met het zenuwweefsel van een kwal, een oester, een insect, een vogel of een mens, we kunnen het makkelijk herkennen aan de bouwstenen die altijd min of meer hetzelfde zijn.’
Biologen verzamelen zeewezens bij Monterey, Californië.
De vrije wil van de kwal
Op het moment dat Romanes levende kwallen en zeesterren te lijf ging in zijn laboratorium aan zee, was de jonge Sigmund Freud, toen al een fervent darwiniaan, aan het werk in het lab van de Weense fysioloog Ernst von Brücke. Hij hield zich vooral bezig met het vergelijken van de zenuwcellen van gewervelde en ongewervelde dieren, met name die van een zeer primitieve gewervelde (Petromyzon, een lamprei) met die van een ongewervelde (een rivierkreeft). In die tijd was het heersende idee dat het zenuwstelsel van ongewervelden uit heel andere zenuwelementen bestond dan dat van gewervelden, maar Freud liet zien – met prachtige, gedetailleerde illustraties als bewijs – dat de zenuwcellen van de rivierkreeft amper verschilden van die van de lamprei – of van de mens.
En hij was de eerste die echt begreep dat de zenuwcel en zijn vertakkingen – dendrieten en axonen – de elementaire bouwstenen en boodschappers van het zenuwstelsel vormden. Eric Kandel schrijft in zijn boek In Search of Memory: The Emergence of a New Science of Mind (2006) dat als Freud geen arts was geworden maar was doorgegaan met elementair onderzoek, hij nu misschien wel bekend zou staan als ‘een van de grondleggers van de zenuwceltheorie in plaats van als de vader van de psychoanalyse’.
Hoewel zenuwcellen in vorm en omvang kunnen verschillen, zijn ze in wezen altijd hetzelfde, van de primitiefste tot de hoogst ontwikkelde levensvormen. Ze verschillen alleen in aantal en wijze van organisatie: wij hebben honderd miljard zenuwcellen, terwijl een kwal er maar duizend heeft. Maar hun functie als cellen die razendsnel achter elkaar signalen kunnen doorgeven is in wezen gelijk.
De cruciale rol van de synapsen – de contactplaatsen tussen zenuwcellen waar de zenuwimpulsen kunnen worden gemoduleerd, waardoor een organisme flexibel wordt en zijn gedrag kan variëren – werd pas aan het eind van de negentiende eeuw helder beschreven door de grote Spaanse anatoom Santiago Ramón y Cajal, die het zenuwstelsel van allerlei gewervelde en ongewervelde dieren had onderzocht, en de Engelsman C.S. Sherrington (die de term ‘synaps’ bedacht en aantoonde dat synapsen een inhiberende of een exciterende functie kunnen hebben).
Maar in de jaren tachtig van de negentiende eeuw bestond, ondanks het werk van Agassiz en Romanes, nog altijd het idee dat kwallen weinig meer waren dan willoos dobberende hoopjes tentakels die gewoon staken en opvraten wat er in hun buurt kwam, als een soort drijvende zonnedauw.
In werkelijkheid zijn kwallen juist verre van willoos. Ze maken ritmische zwembewegingen door hun hele lichaam samen te trekken, en elk van die bewegingen wordt vanuit een centraal regelsysteem in gang gezet. Kwallen kunnen van richting en hoogte veranderen, en veel kwallensoorten kunnen ‘vissen’ door even ondersteboven te gaan liggen en hun tentakels als een net uit te spreiden, en dan terug te keren naar hun normale stand, met behulp van acht zwaartekrachtgevoelige evenwichtsorganen. (Worden die organen verwijderd, dan raakt de kwal gedesoriënteerd en heeft hij zijn positie in het water niet meer onder controle.) Als een kwal door een vis wordt gebeten of op een andere manier wordt bedreigd, gaat hij er snel vandoor door zijn lichaam een paar keer achter elkaar extra krachtig samen te trekken. Dan worden er speciale, extra grote (en daardoor extra snel reagerende) zenuwcellen geactiveerd.
Een buitengewoon interessante – en onder duikers beruchte – soort is de dooskwal (Cubomedusae), een van de primitiefste dieren met volledig ontwikkelde ogen, die weinig verschillen van de onze. De bioloog Tim Flannery schreef vorig jaar in een artikel in The New York Review of Books: ‘Ze maken actief jacht op middelgrote vissen en schaaldieren en halen snelheden tot zeven meter per minuut. Ze zijn de enige kwallensoort met zulke geavanceerde ogen, compleet met netvliezen, hoornvliezen en lenzen. En ze hebben een brein dat in staat is om te leren, te onthouden en complexe handelingen aan te sturen.’
Wij en alle andere hogere dieren zijn bilateraal symmetrisch, hebben een voorkant (een hoofd) met hersenen, en een voorkeur voor een bepaalde bewegingsrichting (naar voren). Het zenuwstelsel van een kwal is radiaal symmetrisch, net als het dier zelf, en al lijkt het misschien minder ontwikkeld dan het brein van een zoogdier, het kan beslist als een brein worden beschouwd, want het stuurt complexe, aangeleerde gedragingen aan en coördineert alle sensorische en motorische mechanismen van het dier. Of we van een ‘wil’ kunnen spreken (zoals Darwin doet bij regenwormen), hangt er maar van af wat je onder een ‘wil’ verstaat.
Onderscheid tussen planten en dieren maken we allemaal. We gaan ervan uit dat planten doorgaans op een vaste plek in de grond staan; ze spreiden hun groene bladeren uit naar de hemel en leven van zonlicht en aarde. We gaan ervan uit dat dieren daarentegen wel van hun plaats komen, om voedsel te zoeken of op jacht te gaan; ze vertonen daarbij allerlei soorten eenvoudig herkenbaar gedrag. Planten en dieren hebben zich in twee richtingen ontwikkeld die sterk van elkaar verschillen (en schimmels zijn weer een andere kant op gegaan), en ze hebben dan ook totaal verschillende verschijningsvormen en leefwijzen.
En toch, beweerde Darwin stellig, hebben ze meer met elkaar gemeen dan je zou denken. Hij schreef een aantal botanische werken, met als hoogtepunt The Power of Movement in Plants (1880), vlak voor zijn boek over regenwormen. Hij was zo onder de indruk van het bewegingsvermogen van vleesetende planten, en vooral van hun vermogen om insecten waar te nemen en te vangen, dat hij niet eens helemaal een grap maakte toen hij de Drosera, oftewel zonnedauw, in een brief aan de botanicus Asa Gray niet alleen een schitterende plant noemde, maar ook ‘een zeer scherpzinnig dier’.
Darwin werd in zijn opvatting gesterkt door de ontdekking dat vleesetende planten net als dieren bij hun bewegingen gebruikmaken van elektrische stroompjes – dat er behalve ‘dierenstroom’ ook ‘plantenstroom’ bestaat. Maar ‘plantenstroom’ beweegt maar heel langzaam, ongeveer een centimeter per seconde, zoals je kunt zien aan de blaadjes van het kruidje-roer-mij-niet (Mimosa pudica), die zich bij aanraking een voor een sluiten. ‘Dierenstroom’, die via zenuwen loopt, gaat ongeveer duizend keer zo snel.
De uitwisseling van signalen tussen cellen verloopt via elektrochemische veranderingen: elektrisch geladen atomen (ionen) stromen de cellen in en uit via speciale, zeer selectieve moleculaire poriën of ‘kanalen’. Deze ionenstromen veroorzaken elektrische stroompjes, impulsen – actiepotentialen – die (direct of indirect) van de ene cel naar de andere worden overgedragen, zowel bij planten als bij dieren.
Bij planten gaat dat vooral via calciumionkanalen, die prima passen bij hun trage leven. Zoals Daniel Chamovitz schrijft in zijn boek What a Plant Knows (2012), zijn planten in staat om wat wij beelden, geluiden en tactiele signalen zouden noemen te registeren. Planten weten wat ze moeten doen en hebben een ‘geheugen’. Maar bij gebrek aan zenuwcellen leren planten niet op dezelfde manier als dieren. In plaats daarvan maken ze gebruik van een heel arsenaal aan chemische stoffen en instrumenten – devices, om Darwins term te gebruiken. De blauwdrukken daarvoor moeten allemaal in het genoom van de plant zijn vastgelegd, en het genoom van planten is inderdaad vaak groter dan dat van de mens.
Met de calciumkanalen waarop planten zijn aangewezen, kunnen cellen niet snel achter elkaar signalen aan elkaar doorgeven. Als bij een plant een actiepotentiaal wordt opgewekt, kan dat niet vlug genoeg worden herhaald om bijvoorbeeld de vaart te creëren waarmee een worm ‘zijn holletje in schiet’. Voor snelheid zijn ionen en ionkanalen nodig die in milliseconden open en dicht kunnen gaan, waardoor er binnen een seconde honderden actiepotentialen kunnen worden gegenereerd. Dat kunstje kon wel worden geklaard met natrium- en kaliumionen, waarmee de ontwikkeling van snel reagerende spiercellen, zenuwcellen en neuromodulatie in de synapsen mogelijk werd. Zo konden organismen ontstaan die in staat waren om te leren, ervaringen te benutten, te oordelen, te handelen en uiteindelijk ook te denken.
Deze nieuwe levensvorm – dierlijk leven – dat zo’n 600 miljoen jaar geleden zijn intrede deed, kende enorme voordelen, waardoor populaties in rap tempo konden transformeren. Tijdens de zogeheten Cambrische explosie (die met merkwaardige precisie is gedateerd op 542 miljoen jaar geleden) verschenen er minstens twaalf nieuwe dierstammen, met sterk uiteenlopende bouwplannen, in nog geen miljoen jaar tijd – geologisch gezien een oogwenk. De ooit zo stille zeeën veranderden in het Cambrium in een jungle vol jagers en prooien, die zich voortaan vrijelijk konden verplaatsen. En hoewel sommige dieren (zoals sponzen) hun zenuwcellen kwijtraakten en terugvielen tot een vegetatief bestaan, kregen andere, vooral roofdieren, steeds hoger ontwikkelde organen, geheugens en verstandelijke vermogens.
Het is een fascinerend idee dat Darwin, Romanes en andere biologen uit die tijd zochten naar een ‘wil’, naar ‘geestelijke processen’, ‘intelligentie’ en zelfs ‘bewustzijn’ bij primitieve dieren als kwallen en zelfs protozoa. Luttele decennia later zou de wetenschap worden gedomineerd door het radicaal behaviorisme, en zou het bestaan van alles wat niet objectief aantoonbaar was eenvoudig worden ontkend. Dat gold zeker voor innerlijke processen tussen prikkel en reactie, die als irrelevant werden beschouwd, of op zijn minst werden geacht buiten het bereik van wetenschappelijk onderzoek te liggen.
Die beperking maakte het onderzoek naar prikkel en reactie – met of zonder ‘conditionering’ – een stuk eenvoudiger, en Pavlovs beroemde experimenten met honden betekenden een formele erkenning – als ‘sensitisering’ en ‘habituatie’ – van wat Darwin bij zijn wormen had waargenomen.
Zoals Konrad Lorenz schreef in The Foundations of Ethology: ‘Een regenworm [die] net bijna is verschalkt door een merel … reageert daar wijselijk op door de drempel voor soortgelijke prikkels drastisch te verlagen, want de vogel zal waarschijnlijk nog niet meteen gevlogen zijn.’ Dat verlagen van de drempel, oftewel sensitisering, is een primitieve vorm van leren, zij het een niet-associatieve vorm met een kortstondig effect. Omgekeerd doet zich een afzwakking voor van de reactie, oftewel habituatie, bij een prikkel die herhaaldelijk zonder gevolgen blijft – en dus veilig kan worden genegeerd.
Slechts een paar jaar na Darwins dood werd aangetoond dat zelfs eencellige organismen als protozoa een scala aan aangeleerde reacties konden vertonen. Zo bewees Herbert Spencer Jennings dat het eencellige trompetdiertje (Stentor) op minstens vijf manieren op aanraking kan reageren en pas een ander heenkomen zoekt als die allemaal niet afdoende blijken. Wordt het daar dan ook weer aangeraakt, dan slaat het diertje de tussenstappen over en verkast het meteen naar een ander plekje. Het is gesensitiseerd geraakt voor onaangename prikkels, of, eenvoudiger gezegd, het ‘herinnert’ zich de nare ervaring en heeft daarvan geleerd (al onthoudt het dat maar een paar minuten). Wordt het trompetdiertje daarentegen een paar keer heel zachtjes aangeraakt, dan reageert het daar algauw niet meer op – er is habituatie opgetreden.
Jennings beschreef zijn onderzoek naar sensitisering en habituatie bij organismen als Paramecium en Stentor in zijn boek Behavior of the Lower Organisms uit 1906. Hoewel hij zich bij de beschrijving van het gedrag van de protozoa zorgvuldig van subjectief, mentalistisch taalgebruik onthield, wijdde hij aan het eind van het boek een hoogst opmerkelijk hoofdstuk aan het verband tussen waarneembaar gedrag en ‘wil’.
Hij meende dat wij mensen de protozoa geen wil of aanverwante eigenschappen toekennen omdat ze zo klein zijn: ‘De schrijver is er na langdurige bestudering van het gedrag van dit organisme ten diepste van overtuigd geraakt dat als de Amoeba een groot dier was geweest dat de mens in zijn dagelijks leven zou opvallen, dat gedrag zonder aarzeling zou worden toegeschreven aan toestanden van genot of pijn, van honger, begeerte en dergelijke, op precies dezelfde gronden als we die zaken toekennen aan de hond.’
Jennings beeld van een hypergevoelige Amoeba ter grootte van een hond vormt een haast karikaturaal contrast met het idee van Descartes dat honden zo weinig gevoel hebben dat ze probleemloos voor vivisectie kunnen worden gebruikt, en dat hun gejammer slechts een ‘reflexmatige’ reactie is van quasimechanische aard.
Sensitisering en habituatie zijn van levensbelang voor het voortbestaan van alle organismen. Deze primitieve vormen van leren hebben bij protozoa en planten maar even effect, hooguit een paar minuten. Voor een langduriger effect is een zenuwstelsel nodig.
In de hoogtijdagen van het behaviorisme was er nauwelijks aandacht voor de cellulaire basis van gedrag – de precieze rol van zenuwcellen en hun synapsen. Onderzoek bij zoogdieren, bijvoorbeeld naar het hippocampale of geheugensysteem van de rat, stuitte op bijna onoverkomelijke technische problemen, vanwege de geringe omvang en extreme dichtheid van zenuwcellen (en als de elektrische activiteit in een cel al kon worden geregistreerd, dan was ook nog eens een hele toer om de cel al die tijd dat zo’n experiment duurde levend en volledig functionerend te houden).
Vanwege dit soort problemen richtte Ramón y Cajal – de eerste en grootste microanatoom van het zenuwstelsel – zich begin vorige eeuw bij zijn anatomisch onderzoek op de meest eenvoudige stelsels: die van jonge of nog ongeboren dieren en van ongewervelden (zoals insecten, schaaldieren en inktvissen). En om vergelijkbare redenen zocht Eric Kandel in de jaren zestig voor zijn onderzoek naar de cellulaire basis van leerprocessen en geheugen een dier met een eenvoudig en makkelijk toegankelijk zenuwstelsel. Hij koos de zeehaas of Aplysia, een reusachtige naaktslak met ongeveer twintigduizend zenuwcellen, verdeeld over een tiental ganglia met elk rond de tweeduizend zenuwcellen. Die zenuwcellen zijn ook nog eens heel groot – sommige zijn zelfs met het blote oog zichtbaar – en met elkaar verbonden in vaste anatomische circuits.
Van het idee dat de zeehaas een te lage levensvorm zou zijn om als studieobject voor geheugenonderzoek te dienen, zoals sommige collega’s meenden, trok Kandel zich niets aan – net zomin als Darwin zich van zulke overwegingen iets aantrok toen hij over het ‘geestelijk vermogen’ van de regenworm schreef. ‘Ik begon te denken als een bioloog’, schrijft Kandel over zijn keuze voor de zeehaas. ‘Ik begreep dat alle dieren een vorm van geestelijk leven hebben die in overeenstemming is met de bouw van hun zenuwstelsel.’
Zoals Darwin had gekeken naar de vluchtreflex van de regenworm en hoe die onder verschillende omstandigheden afzwakte of heftiger werd, zo keek Kandel naar een beschermingsreflex bij de zeehaas – het intrekken van zijn uitwendige kieuwen – en de modulatie van die reactie. Door bestudering (en soms stimulering) van de zenuwcellen en synapsen in het abdominale ganglion van waaruit deze reacties worden geregeld, wist hij aan te tonen dat bij leren en kortstondig onthouden – zoals gebeurt bij habituatie en sensitisering – zich functionele veranderingen in de synapsen voordoen, maar dat bij de vorming van langdurigere herinneringen, die enkele maanden kunnen aanhouden, structurele veranderingen in de synapsen optreden. (In geen van beide gevallen was sprake van een verandering in de circuits zelf.)
Toen zich in de jaren zeventig nieuwe technologieën en inzichten aandienden, konden Kandel en zijn collega’s dit elektrofysiologische onderzoek naar leerprocessen en het geheugen aanvullen met chemisch onderzoek. ‘We wilden de moleculaire biologie van een mentaal proces doorgronden, achterhalen welke moleculen precies verantwoordelijk zijn voor het kortetermijngeheugen.’ Dat werden vooral onderzoeken naar de ionkanalen en neurotransmitters die betrokken zijn bij synaptische functies – indrukwekkend werk waarvoor Kandel de Nobelprijs kreeg.
Terwijl de zeehaas maar twintigduizend zenuwcellen bezit, verspreid over ganglia in zijn hele lichaam, kan een insect er wel een miljoen hebben, geconcentreerd in één brein, dat ondanks zijn geringe omvang in staat is tot buitengewone cognitieve prestaties. Zo zijn bijen meesters in het herkennen van verschillende kleuren, geuren en geometrische vormen die ze in het laboratorium krijgen voorgeschoteld, ook als die systematisch worden veranderd. En natuurlijk doen ze dat net zo knap in het wild of bij ons in de tuin, waar ze niet alleen de geuren, kleuren en patronen van bloemen herkennen, maar ook hun locatie kunnen onthouden en aan elkaar doorgeven.
Het is zelfs aangetoond dat papierwespen, heel sociale beestjes, elkaars gezicht kunnen herkennen. Voordien was alleen van zoogdieren bekend dat ze in staat waren tot gezichtsherkenning. Het is fascinerend dat ook insecten die specifieke cognitieve vaardigheid kunnen bezitten.
We beschouwen insecten vaak als automaatjes, als robotjes waarbij alles is ingebouwd en voorgeprogrammeerd. Maar het wordt steeds duidelijker dat insecten dingen kunnen leren, onthouden, denken en communiceren, op de prachtigste en meest onvermoede manieren. Dat vermogen is ongetwijfeld voor een groot deel ingebouwd, maar daarnaast lijken ook individuele ervaringen een rol te spelen.
Hoe het ook zij bij insecten, bij de genieën onder de ongewervelden, de inktvisachtigen – te weten de octopus, de zeekat en de pijlinktvis – is het weer een heel ander verhaal. Zij hebben om te beginnen een veel groter zenuwstelsel: een octopus kan wel een half miljard zenuwcellen hebben, verspreid over zijn brein en zijn ‘armen’ (ter vergelijking: een muis heeft er maar 75 tot 100 miljoen). Het octopusbrein zit heel bijzonder in elkaar, met tientallen kwabben die verschillende functies vervullen, en leerprocessen en geheugensystemen die vergelijkbaar zijn met die van zoogdieren.
Inktvissen laten zich niet alleen heel makkelijk trainen in het onderscheiden van vormen en voorwerpen, maar kunnen ook leren door te observeren, een vermogen waar verder alleen zoogdieren en sommige vogels over beschikken. Ze hebben razend knappe camouflagetechnieken, en kunnen complexe emoties en bedoelingen uitdrukken door de kleur, de tekening en de textuur van hun huid te veranderen.
Darwin heeft in The Voyage of the Beagle beschreven hoe een octopus in een getijdenpoel op hem leek te reageren: het dier was afwisselend waakzaam, nieuwsgierig en zelfs speels. Octopussen laten zich tot op zekere hoogte domesticeren, en hun baasjes voelen vaak een geestelijke en emotionele band met ze. Of er sprake is van bewustzijn is geen uitgemaakte zaak. Maar wie vindt dat een hond duidelijk een eigen bewustzijn heeft, kan dat ook de octopus niet ontzeggen.
De natuur hanteert op zijn minst twee heel verschillende manieren om een brein te vormen – sterker nog, er bestaan bijna evenveel manieren als er stammen zijn in het dierenrijk. En in al die breinen zetelt, in mindere of meerdere mate, een wil – hoe diep de biologische kloof tussen de stammen onderling, en tussen hen en ons, ook mag zijn.
Auteur: Oliver Sacks
Vertaler: Cecilia Tabak
The New York Review of Books Verenigde Staten, maandblad, oplage 119.000
Het lijfblad van de New Yorkse intelligentsia bestaat sinds 1963 en dankt zijn reputatie aan doorwrochte en lange bijdragen van hoge kwaliteit van diverse grote schrijvers, journalisten en historici als J.M. Coetzee, Orhan Pamuk, en eerder Tony Judt, Hannah Arendt en Saul Bellow.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.