Onderwerpen: Eten

  • Junkfood is toe aan een nieuwe definitie

    Junkfood is toe aan een nieuwe definitie

    Ons dieet bestaat voor een steeds groter gedeelte uit ultrabewerkte producten. Dat is niet bepaald goed voor de gezondheid. Maar voor veel mensen is ‘echt eten’ onbetaalbaar. Volgens de Britse arts infectie­ziekten Chris van Tulleken ligt hier een taak voor de overheid.

    Het lijkt misschien raar, maar toch is het echt zo: wereldwijd is niet langer tabak, maar voedsel de belangrijkste oorzaak van een vroegtijdige dood. Jaarlijks sterven in de Verenigde Staten meer mensen aan ziekten die zijn veroorzaakt door slechte voeding dan er soldaten zijn gesneuveld in alle Amerikaanse oorlogen bij elkaar. In het Verenigd Koninkrijk is de situatie al net zo ernstig.

    Volgens officiële bronnen zijn de gezondheidseffecten van voedsel direct gerelateerd aan de voedingswaarde ervan, dus de hoeveelheid vet, zout, suiker en vezels die het bevat. In het huidige systeem is het aan de consument om de uitgebreide informatie op de verpakking te lezen en op basis van de aanbevolen hoeveelheden te beslissen wat een geschikte portie is. Als je kinderen hebt, moet je die hoeveelheden ook voor hen kunnen inschatten. Voor de meeste mensen is dat vrijwel onmogelijk – maar zelfs als je precies zou kunnen berekenen hoeveel vet, zout en suiker je per hap binnenkrijgt, zou je nog steeds voorbijgaan aan een cruciale factor: in hoeverre het voedsel bewerkt is.

    Bewerkt voedsel

    Misschien klinkt dit je allemaal bekend in de oren, want mensen maken zich al lange tijd zorgen over ‘bewerkt voedsel’. Toch is dat niet altijd een duidelijk begrip geweest: we bewerken immers al honderdduizenden jaren voedsel. Het menselijk dieet is uitgevonden door huishoudelijk deskundigen, voornamelijk vrouwen, die planten en dieren bewerkten door ze te malen, schudden en stampen; of die ze transformeerden door ze te fermenteren en te verwarmen, waarna ze ze pekelden, rookten en droogden om ze te conserveren. Voedselbewerking heeft bijna elk onderdeel van het menselijk lichaam beïnvloed: van alle dieren met onze omvang hebben wij de kortste darmen, omdat we de darmfunctie deels hebben uitbesteed aan onze keuken. We zijn de enige diersoort die zijn voedsel moet bewerken om te overleven. Voedselbewerking is dus prima.

    Maar iets meer dan tien jaar geleden stuitte een groep wetenschappers op een paradox in de gegevens van Braziliaanse voedingsonderzoeken. Obesitas was uitgegroeid van een zeldzame kwaal tot het grootste volksgezondheidsprobleem van het land, terwijl mensen minder olie en suiker kochten dan voorheen. Wel aten ze meer industrieel bewerkt voedsel: koekjes, geëmulgeerd brood, snoepgoed enzovoort. Het team ontwikkelde een definitie die onderscheid maakt tussen enerzijds traditionele levensmiddelen, al dan niet bewerkt, en anderzijds industrieel bewerkte producten, die ze ultra processed foods [ultrabewerkt voedsel] noemden, kortweg UPF’s.

    De volledige definitie is pagina’s lang, omdat er zo veel verschillende producten onder vallen. Maar als je wilt weten of iets een UPF is, is een goede vuistregel dat het veelal in plastic is verpakt en een ingrediënt bevat dat je niet in een doorsneekeuken aantreft. Dankzij de uitgewerkte definitie kon de hypothese van het Braziliaanse team – dat UPF’s de oorzaak zijn van gezondheidsproblemen – worden getest. Er zijn inmiddels honderden wetenschappelijke onderzoeken die UPF’s op overtuigende wijze in verband brengen met gewichtstoename, beroertes, hartaanvallen, kanker, diabetes type 2, een hoge bloeddruk, leververvetting, chronische darmontsteking, depressie, dementie en een vroegtijdige dood.

    Volproppen met UPF’s

    UPF’s zijn in het Verenigd Koninkrijk goed voor zo’n 60 procent van de calorieën die we binnenkrijgen, en dat cijfer ligt voor jongeren nog hoger. Onze Britse eetcultuur draait inmiddels zodanig om UPF’s dat we onze kinderen ermee volproppen. Veel UPF’s staan al bekend als ‘junkfood’, maar het traditionele beeld dat daarbij hoort – patat, chips, frisdrank – moet worden bijgesteld. Supermarktbrood, ontbijtgranen, verpakte snacks, bewerkte vleesproducten en diepvriesmaaltijden vallen er eigenlijk ook allemaal onder. En pas op: veel UPF’s worden op de markt gebracht als producten die gezond en voedzaam zijn, of die je zelfs kunnen helpen afvallen.

    Additieven en textuur

    Onderzoek toont nu aan dat UPF’s niet alleen schadelijk zijn omdat ze zout, vet, suikerrijk en vezelarm zijn; het simpele feit dat ze bewerkt zijn, is de boosdoener. Als je goed naar de ingrediënten kijkt, zul je zien dat de meeste UPF’s zijn gemaakt van basisgewassen zoals maïs of soja, die zijn gereduceerd tot hun meest elementaire moleculen (eiwitisolaten, geraffineerde oliën en gemodificeerde koolhydraten). Deze worden vervolgens opnieuw samengevoegd en voorzien van additieven, om het voedsel in elke gewenste vorm of textuur te kunnen produceren.

    De manipulatie van de textuur van het voedsel is een belangrijk deel van het probleem. UPF’s zijn vaak erg zacht en droog. Met behulp van gommen en oliën wordt vochtigheid nagebootst, maar het watergehalte is laag zodat de producten lang houdbaar blijven. Dat zorgt ervoor dat ze een zeer hoge energiedichtheid hebben, wat er, in combinatie met de zachte textuur, voor zorgt dat je (te) snel eet. De systemen die ons lichaam in de loop van miljoenen jaren heeft ontwikkeld om een vol gevoel te signaleren, kunnen dat niet bijhouden. Er zijn veel mogelijke verklaringen voor de schade die UPF’s veroorzaken.

    Stofwisseling

    Fruit en groenten zijn bijvoorbeeld complex: ze bevatten tienduizenden fytochemicaliën, moleculen die essentieel zijn voor gezonde voeding. In UPF’s is het aantal fytochemicaliën drastisch verminderd. En veel van de gebruikte additieven (zoals emulgatoren, smaakversterkers en zoetstoffen) hebben directe ongewenste effecten op onze stofwisseling en ons microbioom.
    Vanuit wetenschappelijk oogpunt is dit allemaal fascinerend. Achterhalen wat UPF’s precies zo schadelijk maakt is belangrijk. Maar voor de volksgezondheid is het nuttiger om je af te vragen waarom ze überhaupt in de schappen liggen. Culinair deskundigen in de prehistorie vonden voedselproducten uit om hun gezin en hun omgeving te voeden.

    Een economisch voedselsysteem waarin het draait om winst

    Ultrabewerkt voedsel daarentegen is onderdeel van een economisch voedselsysteem waarin het draait om winst. Hierdoor persen we werkelijk elk verhandelbaar ingrediënt uit dingen die niet eens voor menselijke consumptie worden verbouwd: soja-eiwitisolaat, maïssiroop en gemodificeerd zetmeel zijn allemaal afkomstig van gewassen die op grote schaal worden verbouwd om dieren te voeden. Ons voedsel ondergaat decennialange cycli van productontwikkeling en -marketing; om de producten onweerstaanbaar te maken laten producenten ze steeds meer bewerkingsprocessen doorlopen en voegen ze steeds meer ingrediënten toe. Onderzoek wijst uit dat sommige UPF’s voor veel mensen, waaronder ikzelf, even verslavend zijn als sigaretten en andere drugs.

    Multinationals

    Voedsel dat is ontwikkeld door multinationals die uit zijn op winst doet iets anders met ons lichaam dan een maaltijd die is bereid door iemand die van ons houdt. Dat is misschien niet verrassend, maar het heeft lang geduurd voordat we het met zekerheid konden aantonen. Inmiddels raken onafhankelijke wetenschappers van toonaangevende instellingen zoals University College London, waar ik werk, er steeds meer van overtuigd dat ultra-processing een belangrijke motor is van de gezondheidsproblemen waaraan zo veel mensen lijden.

    Echt voedsel

    Dus wat moeten we doen? Nationale voedingsadviezen moeten niet alleen waarschuwen tegen zout, vet en suiker, maar ook tegen UPF’s. Dat lijkt een kleine stap, maar die is van cruciaal belang. Vervolgens moeten we voorzichtig te werk gaan. Voor veel mensen zijn UPF’s het enige betaalbare voedsel dat beschikbaar is. Beleidsveranderingen moeten voorkomen dat de kansarme groepen die het kwetsbaarst zijn voor de gevolgen ervan verder worden gestigmatiseerd. Het zou enorm helpen om de marketing van deze producten, vooral aan kinderen, te beperken. En we moeten ervoor zorgen dat alles wat in instellingen zoals scholen, ziekenhuizen en gevangenissen wordt geserveerd echt voedsel is. Uiteindelijk zullen we, net als bij tabaksproducten, moeten inzien dat een waarschuwing op de verpakking noodzakelijk is. En er zijn bredere inzichten die we in acht moeten nemen. We weten dat mensen die het kunnen betalen ook daadwerkelijk gezonder eten. Als we de gevolgen van UPF’s – gewichtstoename, diabetes en hartaanvallen – willen beperken, moeten we de oorzaken aanpakken waardoor ze voor veel mensen de enige optie zijn: armoede en ongelijkheid.

  • Van pizza tot parmezaan. Deze historicus ontkracht de mythes over Italiaans eten

    Van pizza tot parmezaan. Deze historicus ontkracht de mythes over Italiaans eten

    Veel ‘klassieke’ Italiaanse gerechten, zoals pannetone en tiramisu, zijn in werkelijkheid recente uitvindingen, ontdekte voedselhistoricus Alberto Grandi. Zijn kritiek op de machtige Italiaanse voedsel- en drankensector maakt hem nou niet bepaald populair in eigen land. ‘De Italiaanse keuken is meer Amerikaans dan Italiaans.’

    ’s Avonds is het stil in Parma. De man die tegenover me zit is bang dat iemand ons gesprek zal afluisteren. ‘Ze haten me hier,’ zegt hij op gedempte toon. Hij gluurt achterom, maar de enige andere persoon in de osteria is een serveerster die niets te doen heeft sinds ze onze ossobuco bottoncini heeft geserveerd. De geur van geroosterd beenmerg stijgt op van het bord. Uit een radio ver weg klinkt ‘Valerie’ van Amy Winehouse.

    ‘Mag ik iets slechts over ze zeggen?’ vraagt hij. Van mij mag het. Hij is tenslotte niet uitgenodigd om bedrijfsfraude aan de kaak te stellen, maar om me de waarheid over Parmezaanse kaas te vertellen.

    De man met wie ik dineer is Alberto Grandi, marxistisch academicus, podcastberoemdheid tegen wil en dank en jurylid van het wereldkampioenschap tiramisu bereiden, dit jaar in Treviso (‘Dat had ik niet willen missen, al had ik een eetafspraak met de paus gehad’). Grandi heeft zijn carrière gewijd aan het ontkrachten van de mythes over Italiaans eten, en dit is de eerste keer dat hij met de buitenlandse pers spreekt. Toen zijn boek uit 2018, Denominazione di origine inventata [‘Verzonnen herkomstnaam’], begon te verkopen in Italië, stelde zijn vriend Daniele Soffiati voor om als spin-off een podcast te gaan maken.

    Het Italiaanstalige DOI, vernoemd naar het boek, loopt sinds de lancering in 2021 al drie seizoenen en de podcast is al meer dan een miljoen keer gedownload. Grandi doet graag gewaagde uitspraken over nationale gerechten – je zou het zijn specialiteit kunnen noemen. Zo zegt hij dat de meeste Italianen pas in de jaren vijftig van pizza hoorden, en dat pasta carbonara een Amerikaans recept is. Veel Italiaanse ‘klassiekers’, van panettone tot tiramisu, zijn volgens hem relatief recente uitvindingen. Sommige beweringen in DOI waren vast al wel bekend bij insiders in de voedselbranche, maar de meeste zijn gebaseerd op Grandi’s eigen bevindingen, deels op basis van bestaande academische literatuur. Hij is er goed in om academisch onderzoek behapbaar te maken. Morrelen aan de fundamenten waarop wij Italianen onze beroemde – en berucht onbuigzame – culinaire cultuur hebben gebouwd, beschouwt hij als zijn missie. Die cultuur schrijft voor dat je na 12.00 uur geen cappuccino meer mag drinken en dat tagliatelle precies 7 millimeter breed moet zijn.

    Grandi heeft zich in sommige kringen impopulair gemaakt door kritiek te leveren op de machtige Italiaanse voedsel- en drankensector, die volgens sommige schattingen goed is voor een kwart van het bbp. In de podcast grapt hij dat hij eigenlijk alleen de deur uit kan ‘met persoonlijke bewakers, net als Salman Rushdie’. Grandi werd op een conferentie in Ankara in 2019 door de Italiaanse ambassadeur in Turkije berispt, omdat hij de spot had gedreven met de achthonderd denominazioni, beschermde Italiaanse producten waarvan de kwaliteit door de EU wordt erkend en die onlosmakelijk verbonden zijn met hun regio. Op het literaire festival Les Mots in Aosta in 2018 viel een Romeinse presentator hem aan; die was beledigd door Grandi’s uitspraken over carbonara en ‘schold hem verrot’ ten overstaan van een stomverbaasd livepubliek.

    Gladde penne

    Een voedselexpert horen zeggen dat onze nationale keuken, met haar reputatie van traditie en authenticiteit, gebaseerd is op leugens, voelt voor mij, als in het buitenland wonende Italiaanse, alsof een familiegeheim wordt onthuld waarvan ik altijd al een vermoeden had. Ik heb een hekel aan de hype rond Italiaans eten, of die nu van overmatig enthousiaste buitenlandse vrienden komt (zoals een New Yorker die zeer goed thuis is in de niche ‘regionale Italiaanse pastarecepten’) of van beschamend pedante landgenoten (zoals mijn Napolitaanse vriend die in het Verenigd Koninkrijk verse tomaten niet eens wil aanraken). Ik moest lachen maar was ook verbijsterd toen ik ten tijde van de hamsterwoede van de eerste lockdowns hoorde dat de schappen van Italiaanse supermarkten waren leeggehaald, op gladde penne na, omdat die volgens Italianen van mindere kwaliteit is.

    ‘Het gaat allemaal om identiteit,’ vertelt Grandi me bij de ossobuco. Hij is fan van Eric Hobsbawm, de Britse marxistische historicus die schreef over ‘het uitvinden van traditie’. ‘Wanneer een samenleving merkt dat ze haar gevoel van identiteit kwijt is, door een historische schok of een breuk met haar verleden, vindt ze tradities uit die als stichtingsmythe kunnen dienen,’ zegt Grandi.

    Tussen 1958 en 1963, tijdens de economische hoogconjunctuur die volgde op de jaren van armoede in oorlogstijd, maakte Italië dezelfde progressie door als het Verenigd Koninkrijk tijdens de industriële revolutie, aldus Grandi. ‘Italianen die nog brood op rantsoen hadden gekend, kwamen in zeer korte tijd in een situatie van overvloed terecht. Dat welvaartsniveau was volkomen onvoorzien, en voor hen leek er geen eind aan te komen.’ De natie had een nieuwe identiteit nodig om de strijd uit het verleden te vergeten, en ondertussen hadden degenen die naar Amerika waren geëmigreerd mythen nodig die hun nederige afkomst enige waardigheid kon geven.

    ‘Na een bizarre reis werd panettone wat het nooit eerder was geweest: een ambachtelijk product’

    Panettone is hier een typisch voorbeeld van. Vóór de twintigste eeuw was panettone een hard plat brood, gevuld met een handvol rozijnen. Alleen de armen aten het, en het had geen enkele relatie met Kerstmis. De panettone zoals we die nu kennen is een industriële vinding. In de jaren twintig van de vorige eeuw introduceerde Angelo Motta van het voedingsmerk Motta een nieuw deegrecept en begon hij de ‘traditie’ van de koepelvormige panettone. Toen bakkerijen in de jaren zeventig de concurrentie door supermarkten zagen toenemen, begonnen ze zelf koepelvormige panettone te maken. Zoals Grandi in zijn boek schrijft: ‘Na een bizarre reis werd panettone wat het nooit eerder was geweest: een ambachtelijk product.’

    Een ander voorbeeld is tiramisu. De recente oorsprong ervan wordt verhuld door allerlei fantasierijke verhalen. Het dessert verscheen voor het eerst in kookboeken in de jaren tachtig. Het hoofdingrediënt, mascarpone, was vóór de jaren zestig zelden buiten Milaan te vinden en de lagen met koffie doordrenkte koekjes zijn Pavesini, een supermarktproduct dat in 1948 op de markt kwam. ‘In een normaal land,’ zegt Grandi met een glimlach, ‘zou het niemand iets uitmaken waar (en wanneer) een bepaald gerecht is bedacht.’

    Parmezaan, zegt hij, is opmerkelijk oud, waarschijnlijk wel duizend jaar. Maar tot begin jaren zestig wogen wielen Parmezaanse kaas slechts zo’n 10 kilo (in tegenstelling tot de forse wielen van 40 kilo die we vandaag de dag kennen) en hadden ze een dikke, zwarte korst. De textuur was vetter en zachter dan tegenwoordig. ‘Sommigen zeggen zelfs dat er uit deze kaas, ten teken van kwaliteit, een druppel melk moest komen als je erop drukte,’ zegt Grandi. ‘Dat komt exact overeen met de moderne parmezaan uit Wisconsin.’ Hij gelooft dat Italiaanse immigranten – waarschijnlijk afkomstig uit de Po-regio ten noorden van Parma – deze kaas aan het begin van de twintigste eeuw zijn gaan produceren in Wisconsin, en dat hun recept, in tegenstelling tot dat van de kaasmakers uit Parma, nooit is geëvolueerd. Dus terwijl parmigiano in Italië in de loop der jaren een harde kaas met een lichte korst werd, die in enorme formaten werd geproduceerd, bleef de Parmezaanse kaas uit Wisconsin trouw aan het origineel.

    In het verhaal over de moderne Italiaanse keuken leiden vele wegen naar Amerika. De massale migratie van Italië naar de VS heeft zulke nauw met elkaar verweven gastronomische culturen voortgebracht dat het onmogelijk is om de ene van de andere te onderscheiden. ‘De Italiaanse keuken is meer Amerikaans dan Italiaans,’ zegt Grandi onomwonden.

    Pizza is een goed voorbeeld. ‘Deegschijven belegd met ingrediënten,’ zoals Grandi ze noemt, waren al eeuwenlang overal in het Middellandse Zeegebied te vinden, als piada, pida, pita, pitta of pizza. Desondanks schreven Italiaans-Amerikaanse soldaten die in 1943 op Sicilië terechtkwamen en vervolgens naar het noorden van Italië trokken, vol ongeloof naar huis dat er geen pizzeria’s waren. Want voor de oorlog, vertelt Grandi, was pizza alleen te vinden in enkele Zuid-Italiaanse steden. Daar werden ze op straat gemaakt en gegeten door de lagere klassen. Zijn onderzoek laat zien dat het eerste volwaardige restaurant dat uitsluitend pizza serveerde niet in Italië werd geopend, maar in New York, in 1911. ‘In de jaren zeventig was pizza voor mijn vader net zo exotisch als sushi tegenwoordig voor ons,’ voegt hij eraan toe.

    ‘Alleen op zondag aten we pasta’

    Na mijn ontmoeting met Grandi ga ik in het Toscaanse Massa op bezoek bij mijn achtentachtigjarige oma, Fiorella Tazzini. Zoals altijd is ze piekfijn opgemaakt en draagt ze een gesteven crèmekleurige blouse met daarover een zwart vest. Nonna [oma] Fiore, zoals haar kleinkinderen haar noemen, schenkt kopjes kruidenthee in en presenteert een bord met koekjes. De thee verspreidt een kalmerende geur van citroenmelisse. We zitten in de smetteloze keuken met gordijnen met jarenzestigmotief waar ze mij als kind soms een diepvriesmaaltijd voorschotelde en dan knipogend zei: ‘Niet tegen je moeder zeggen!’

    ‘Ik herinner me nog dat ik voor het eerst een pizzeria zag,’ zegt ze. ‘In Viareggio, een half uur van huis. Ik was negentien of twintig. En de eerste keer dat ik mozzarella zag was nog later – dat moet in de jaren zestig zijn geweest; je moeder was toen al geboren. Dat was toen ze hier een supermarkt openden.’

    Mozzarella komt uit het zuiden van Italië, honderden kilometers verderop. Omdat ik er meer over te weten wil komen, bel ik de Siciliaanse oudtante van een vriendin. Ze heet Serafina Cerami, is vijfennegentig en een beetje doof en neemt onmiddellijk de telefoon op. ‘In Sicilië aten we voor de oorlog heel wat mozzarella!’ roept ze door de telefoon. Net als pizza werd mozzarella al snel wereldberoemd door de massale migratie vanuit Zuid-Italië naar de VS.

    Als ik de herinneringen van de Siciliaanse oudtante vergelijk met die van mijn oma, wordt duidelijk dat het de verheven ‘zondagse’ maaltijden van Sicilië zijn (parmigiana di melanzane, cannoli, pasta con le sarde) die wereldwijd populair zijn geworden, dankzij de Zuid-Italiaanse invloed op de Italiaanse wijken in de VS. Mijn oma daarentegen groeide op met tordelli alla massese (grote verse tortelli met een vleesvulling, gekookt in een ragù-saus) en cappelletti in brodo (verse tortelli in kippenbouillon), gerechten die buiten haar regio vrijwel onbekend zijn.

    ‘Van carbonara had ik vóór de oorlog nog nooit gehoord’

    Zowel mevrouw Cerami op Sicilië als mijn oma in Toscane herinnert zich dat ze voor de oorlog vaak bonen en aardappelen aten – niet echt ingrediënten die worden geassocieerd met de typische Italiaanse keuken. Maar door groeiende waardering in het Verenigd Koninkrijk en de VS voor de armere regionale keukens van het land is veel van deze cucina povera in ere hersteld. Denk aan de gnocco fritto uit de regio Emilia, de pappa al pomodoro uit Toscane of de polenta uit het noorden. 

    Voor Grandi sluit het verhaal van de pasta carbonara perfect aan bij Hobsbawms idee over het ‘uitvinden van traditie’. Om meer over dit populaire Italiaanse gerecht te weten te komen voer ik een videogesprek met Bernardino Moroni, de zevenennegentigjarige grootvader van een vriend in Rome. ‘Alleen op zondag aten we pasta,’ zegt hij vanuit zijn huis in Morlupo, in de provincie Rome. In zijn jeugd aten ze voornamelijk minestra [groentensoep], bonen en groenten uit de moestuin van de familie, vertelt hij. Als ik hem vraag naar carbonara – dat een klassieker uit de Romeinse keuken zou zijn – kijkt hij weg van de camera. ‘Misschien aten we één keer per jaar amatriciana [een gerecht op basis van tomaten en spek], als we het ons konden veroorloven om een varken te slachten. Maar van carbonara had ik vóór de oorlog nog nooit gehoord.’

    Dat komt doordat pasta carbonara ‘een Amerikaans gerecht is dat in Italië werd geboren’ en pas tijdens de Tweede Wereldoorlog is ontstaan, aldus voedselhistoricus Luca Cesari, auteur van A Brief History of Pasta. De meeste experts zijn het erover eens dat een Italiaanse chef-kok, Renato Gualandi, het in 1944 voor het eerst maakte voor het Amerikaanse leger in Riccione. Onder de gasten bevond zich Harold Macmillan [de latere Britse premier]. ‘De Amerikanen hadden heerlijke bacon, heel goede room, kaas en gedroogd eigeel,’ zou Gualandi later vertellen. Dat pasta carbonara een gerecht zou zijn geweest van achttiende-eeuwse Italiaanse arbeiders in de houtskoolindustrie, doet Cesari af als ‘geschiedkundige nonsens’.

    Voor Italianen die na de babyboom zijn geboren bevat carbonara de volgende, vaste ingrediënten: guanciale [kinnebakspek], Romeinse pecorino, eieren en peper. Maar vroege recepten tonen verrassend veel variatie. Het oudste recept – uit 1952, opgesteld in Chicago – bevat Italiaanse bacon, en dus geen guanciale. Italiaanse recepten uit diezelfde periode bevatten onder meer gruyère (1954, in het tijdschrift La Cucina Italiana) en ‘ham en dungesneden gebakken champignons’ (1958, restaurant Tre Scalini in Rome). Pas in de jaren negentig nam guanciale de plaats van bacon in.

    En toch leidt carbonara soms tot extreme vormen van culinair dogmatisme. Veel Italianen leren het tegenwoordig thuis te bereiden volgens vaste regels. Het gerecht wordt gerekend tot de ‘Romeinse pastafamilie’, waartoe ook cacio e pepe, gricia en amatriciana behoren. Het idee is dat je het ene klassieke pastagerecht in het andere verandert op het moment dat je bepaalde ingrediënten toevoegt of weglaat. Elke afwijking van de regels is een kwestie van nationaal belang. In 2015 deed de stad Amatrice een officiële verklaring uitgaan ter correctie van de met een Michelinster bekroonde chef-kok Carlo Cracco. Die had onthuld dat hij graag knoflook in zijn amatriciana deed. ‘Wij zijn ervan overtuigd dat de vermaarde chef-kok zich versprak,’ luidde de verklaring. ‘We zijn er zeker van dat hij het zo niet bedoelde.’

    Geen traditie

    Er zit een duistere kant aan de vaak belachelijke houding van Italië tegenover culinaire zuiverheid. In 2019 stelde de aartsbisschop van Bologna, Matteo Zuppi, voor om varkensvleesvrije ‘welkomstortellini’ toe te voegen aan het menu voor het feest van San Petronio. Dat was bedoeld als een inclusief gebaar, als een uitnodiging aan moslims om deel te nemen aan de viering van de beschermheilige van de stad. De leider van de extreemrechtse Liga, Matteo Salvini, deed daar niet aan mee. ‘Ze proberen onze geschiedenis en cultuur uit te wissen,’ zei hij.

    Toen kwam Grandi tussenbeide om te verduidelijken dat de vulling van tortellini tot eind negentiende eeuw geen varkensvlees bevatte. De voorzitter van het tortellini-consortium van Bologna (een echt bestaande functie) bevestigde dat Grandi gelijk had. In de oudste recepten wordt de vulling gemaakt van gevogelte. ‘Dit is precies de reden waarom ik doe wat ik doe,’ zegt Grandi. ‘Om te laten zien dat wat wij als traditie beschouwen, in feite geen traditie is.’

    Vandaag de dag is Italiaans eten net zo’n onderwerp voor rechtse politici als mooie jonge vrouwen en voetbal dat waren in het tijdperk-Berlusconi. Als onderdeel van haar verkiezingscampagne in 2022 zette premier Giorgia Meloni een filmpje op TikTok waarin een oud vrouwtje haar leerde hoe ze tortellini-kussentjes met de hand moest dichtmaken. In maart stelde Meloni’s minister van Landbouw, Francesco Lollobrigida, voor om een taskforce op te richten die toezicht houdt op de kwaliteitsnormen van Italiaanse restaurants over de hele wereld. Hij vreest dat chef-koks verkeerde recepten gebruiken, of ingrediënten die niet Italiaans zijn. (Officieel staan er nu maar liefst 4820 ‘traditionele’ voedingsmiddelen op de lijst). 

    Als je googelt op ‘Salvini mangia’ [‘Salvini eet’], krijg je een lachwekkende reeks beelden voorgeschoteld: Salvini die met wijdopen mond spaghetti eet, een grijnzende Salvini die zich tegoed doet aan een gigantische pizza, Salvini met een schort voor die rijen varkenspoten inspecteert, Salvini met duim omhoog naast Siciliaanse cannoli, Salvini met ontbloot bovenlijf die vlees grilt, een gebruinde Salvini die een ijshoorntje in zijn mond steekt en een slaperige Salvini die in toast met Nutella bijt.

    Weinig dingen zijn geruststellender en aangenamer dan een oud vrouwtje dat tortellini maakt

    Deze politici begrijpen de kracht van wat Grandi ‘gastronationalisme’ noemt. Wat maakt het uit of de traditionele eetcultuur die ze promoten deels gebaseerd is op leugens, dat recepten door multinationals zijn bedacht of dat gerechten uit Amerika zijn geïmporteerd? Weinig dingen zijn geruststellender en aangenamer dan een oud vrouwtje dat tortellini maakt.

    Het is niet altijd zo geweest. ‘Opa’s en oma’s wisten dat het een leugen was,’ zegt Grandi terwijl hij een laatste slok prosecco neemt. ‘De taalkundige bezorgdheid over de herkomst van ingrediënten is een heel recent fenomeen.’ Het is inderdaad moeilijk voor te stellen dat mensen die de Tweede Wereldoorlog overleefden door kastanjes te eten, zoals mijn grootvader, zich zorgen zouden maken over het gebruik van kinnebakspek in plaats van buikspek in een pastarecept. Of zoals Grandi zegt: ‘Hun “traditie” was om te proberen niet te verhongeren.’

    Op de vraag of de obsessie voor de nationale keuken is begonnen bij babyboomers zoals hijzelf – een generatie die onbekend is met de Italiaanse keuken van vóór de naoorlogse periode van bloei – glimlacht hij: ‘Klopt. Net als veel andere dingen is ook dit allemaal onze schuld.’

    Toch kan het geruststellend zijn om te geloven in oude tradities, zowel die van je eigen land als die van anderen. Wereldwijd worden kenners van de Italiaanse keuken toegejuicht die in hun boeken, podcasts en tv-programma’s vaak obsessief op zoek zijn naar ‘authenticiteit’. Toen de Italiaanse chef-kok Gino D’Acampo in 2010 de Britse presentatrice Holly Willoughby, na haar suggestie dat carbonara met ham kon worden gemaakt, terechtwees met de woorden ‘als mijn oma wielen had, was ze een fiets geweest’, ging het tv-fragment viraal. We omarmen én haten de karikatuur van de obsessief puristische Italiaanse chef-kok.

    Er is een complete industrie ontstaan rond de mythe van eeuwenoude culinaire tradities die onaangetast zijn door moderne voedselgrillen. Reisorganisaties organiseren kooklessen met echte Italiaanse nonne in hun eigen huis. (‘Ik heb mijn eigen Italiaanse oma!’ vertelde een Britse vriendin na haar vakantie in Toscane). Maar een dergelijke fixatie op traditie werkt per definitie beperkend. Zoals Grandi zegt: een traditie is niets anders dan een innovatie die ooit succesvol werd.

    In dit huis serveerde mijn nonna Fiore in de jaren tachtig aan Engelse gasten eens lasagne uit de diepvries

    Mijn oma vraagt zich af of ik haar koekjes niet lekker vond. Ik heb er maar één gegeten. Ze legt me andere opties voor: panforte, torrone, cantuccini. Dan staat ze langzaam op en haalt een kookboek uit 1967 uit de servieskast. We bladeren het door. We zien kleurrijke salades van orecchiette met basilicum, pijnboompitten en kerstomaatjes, fraai geboetseerde bergjes spaghetti met gehaktballetjes op glanzende schalen, stukken geroosterd kalfsvlees aan spiesjes, kunstig op het bord gerangschikt met pappardelle. Net als bij de carbonara’s uit de jaren zestig zijn deze recepten copieus en schrijven ze geen regels voor. De pagina’s weerspiegelen de overvloedige opwinding van een natie die het had gered. Van voedselrijen en bommen tot het Marshallplan, Vespa’s en pizza met buffelmozzarella.

    In dit huis serveerde mijn nonna Fiore in de jaren tachtig aan Engelse gasten eens lasagne, op verzoek van mijn oom. De lasagne kwam uit de diepvries. Ze had een druk leven en had er geen moeite mee om kant-en-klaarmaaltijden uit de supermarkt te serveren. Dat was een luxe waarvan mensen in de oorlog alleen maar hadden kunnen dromen. Niemand van de Britten vermoedde dat ze het niet zelf had bereid en iedereen vond het heerlijk, inclusief haar Italiaanse zoon, zegt ze. Ze knipoogt.

    Lees ook:

  • VS geven groen licht aan kweekvlees voor de consumentenmarkt

    VS geven groen licht aan kweekvlees voor de consumentenmarkt

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » IJsland schort de walvisjacht op vanwege dierenwelzijn

    » China: minstens 31 mensen gedood door een explosie in een restaurant

    Kweekvlees zal eerst in toprestaurants beschikbaar zijn

    De Verenigde Staten staan toe dat in het laboratorium gekweekt kippenvlees op de markt wordt gebracht. ‘Het is een historische stap die het voedsellandschap onherroepelijk zal veranderen’, aldus Time Magazine. Op woensdag werden de Verenigde Staten het tweede land, na Singapore, dat de weg vrijmaakt voor kunstmatig vlees op ons bord door goedkeuring te geven aan de Californische bedrijven Upside Foods en Good Meat om hun producten op de markt te brengen.

    Aanbiedingen 360 artikel
    360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.

    Tal van start-ups streven ernaar om zogenaamd ‘kweekvlees’ te produceren en op de markt te brengen, zodat mensen dierlijke eiwit kunnen consumeren zonder dierenleed te veroorzaken. Time wijst er echter op dat de producten van Upside Foods en Good Meat naar verwachting niet onmiddellijk in supermarkten verkrijgbaar zullen zijn. De twee bedrijven plannen ‘een geleidelijke uitrol, te beginnen met toprestaurants’ in de VS.

    ‘Het nieuws uit de VS is een opwindende ontwikkeling voor het hele ecosysteem van cellulaire landbouw,’ zegt Maarten Bosch tegen Time. Bosch is de CEO van Mosa Meats, een in Nederland gevestigd bedrijf dat een van de eerste was die met deze technologie aan de slag ging. Kweekvlees wordt gemaakt van een klein aantal stamcellen dat in een bad met voedingstoffen in een bioreactor wordt opgekweekt tot een volwaardig stukje vlees.

    Lees ook:

  • Om de rijstcrisis te bezweren heeft Azië een nieuwe groene revolutie nodig

    Om de rijstcrisis te bezweren heeft Azië een nieuwe groene revolutie nodig

    In zowel Afrika als Azië dreigt een rijsttekort – geen enkel gewas is zo kwetsbaar voor de opwarming van de aarde. Maar naast slachtoffer is rijst, een belangrijke voedingsbron voor 60 procent van de wereldbevolking, ook een aanjager van klimaatverandering.

    Volgens een Indonesische legende schonk de godin Dewi Sri rijst aan het eiland Java. Cassave was tot dan toe de belangrijkste voeding, maar omdat ze medelijden had met de Javanen vanwege die saaie cassave, leerde ze hun hoe ze rijstzaailingen konden laten groeien in weelderige, groene rijstvelden. In India zou de hindoegodin Annapurna een soortgelijke rol hebben gespeeld en in Japan was deze voorbehouden aan Inari. In heel Azië wordt aan rijst een goddelijke – en meestal vrouwelijke – oorsprong toegekend.

    Die mythologisering is begrijpelijk. De zaden van de grasplant Oryza sativa (bekend als Aziatische rijst) zijn rijk aan zetmeel, en al duizenden jaren vormen ze het belangrijkste voedingsmiddel van het continent. Azië is goed voor 90 procent van zowel de wereldproductie als de wereldconsumptie van rijst. Aziaten halen er ruim een kwart van hun dagelijkse calorieën uit. De VN schatten dat een gemiddelde Aziaat 77 kilo rijst per jaar consumeert – meer dan de gemiddelde Afrikaan, Europeaan en Amerikaan bij elkaar. Honderden miljoenen Aziatische boeren zijn afhankelijk van de rijstteelt, en de meesten verbouwen het gewas op een klein lapje grond. Maar er vertonen zich barsten in de rijstkom van de wereld.

    Zowel in Afrika als in Azië stijgt momenteel de wereldwijde vraag naar rijst, terwijl de opbrengst stagneert. Grond, water en arbeid die nodig zijn voor de rijstproductie worden schaarser. Klimaatverandering is een nog grotere bedreiging. Het wordt steeds warmer, waardoor de gewassen verdorren, en er vinden vaker overstromingen plaats, die de rijst vernietigen. De rijstteelt is niet alleen slachtoffer maar ook een belangrijke oorzaak van de opwarming van de aarde, omdat rijstvelden veel van het krachtige broeikasgas methaan uitstoten. Zo is het gewas dat als voeding voor 60 procent van de wereldbevolking dient, een bron van onzekerheid en een bedreiging geworden.

    Stijgende vraag

    Het probleem wordt verergerd door de stijgende vraag. In 2050 zullen er 5,3 miljard mensen zijn in Azië tegenover 4,7 miljard nu, en 2,5 miljard in Afrika tegenover 1,4 miljard nu. Volgens een studie in het tijdschrift Nature Food zal deze groei de vraag naar rijst met 30 procent doen toenemen. Alleen in de rijkste Aziatische landen, zoals Japan en Zuid-Korea, beconcurreren brood en pasta het monopolie van rijst als basisvoedsel.

    Toch neemt de groei van de rijstproductiviteit in Azië af. Volgens gegevens van de VN steeg de opbrengst het afgelopen decennium met gemiddeld slechts 0,9 procent per jaar, tegenover ongeveer 1,3 procent in het decennium daarvoor. De daling was het sterkst in Zuidoost-Azië, waar het stijgingspercentage daalde van 1,4 procent tot 0,4 procent – Indonesië en de Filipijnen voeren al veel rijst in. Als de opbrengsten niet stijgen, zullen deze landen steeds afhankelijker worden van andere om hun 400 miljoen inwoners te voeden, aldus de studie in Nature Food.

    De rijstteelt is niet alleen slachtoffer maar ook een belangrijke oorzaak van de opwarming van de aarde, omdat ze methaan uitstoot

    Jarenlang hield de productie gelijke tred met de stijgende vraag dankzij het aanhoudende effect van de groene revolutie, die in de jaren zestig begon. Om slechte oogsten te voorkomen, ontwikkelden wetenschappers van het Internationaal Instituut voor Rijstonderzoek (IRRI), gevestigd op de Filipijnen, een variëteit, IR8, die het goed doet in combinatie met kunstmest en irrigatiesystemen. China had net een hongersnood achter de rug terwijl India zich juist op de rand van een hongersnood bevond. IR8 heeft toen op grote schaal levens gered.

    Toen IR8 zich over Azië verspreidde – van de Filippijnen tot Pakistan – nam de rijstopbrengst toe. De grotere productiviteit maakte rijst aantrekkelijker om te verbouwen, waardoor er ook meer middelen voor werden uitgetrokken. De zorg om voedselzekerheid nam af en stelde Aziatische regeringen in staat zich te concentreren op industrialisatie en economische groei.

    Het IRRI heeft nieuwe rijstvariëteiten ontwikkeld die iets van dit succes zouden kunnen herhalen. Ze leveren meer op, zijn klimaatbestendiger en hebben minder water nodig. Toch lijkt het moeilijker dan in de jaren zestig om aan de groeiende vraag te voldoen. Verstedelijking en meedogenloze verkaveling slokken veel land op. Tussen 1971 en 2016 werd een gemiddeld landbouwbedrijf in India meer dan de helft kleiner, van 2,3 tot 1,1 hectare.

    Het wordt daardoor steeds moeilijker om winst te maken met de productie, vooral ook als de arbeidskrachten schaars zijn. Zaden planten in keurige rijen, zaailingen herplanten en oogsten is slopend werk, waaraan steeds meer Aziatische arbeiders weten te ontkomen. Water – ook een belangrijke factor – wordt schaarser. Op veel plaatsen is de bodem uitgeput en zelfs vergiftigd doordat er overmatig gebruik is gemaakt van kunstmest en pesticiden.

    De rijstvelden van Vietnam produceren meer koolstofequivalent dan de vervoersector van het land

    Geen enkel gewas is zo kwetsbaar voor de opwarming van de aarde als rijst, aldus wetenschappers van het IRRI. Uit een studie uit 2004 bleek dat een stijging van de minimumtemperatuur met 1°C zorgt voor een daling van de opbrengst met 10 procent. De stijging van de zeespiegel, een ander gevolg van de opwarming, zorgt nu al voor toename van het zoutgehalte in laaggelegen gebieden van de Mekong-delta, waardoor de rijstopbrengsten daar afnemen. Massale overstromingen vorig jaar in Pakistan, de op drie na grootste rijstexporteur ter wereld, vernietigden naar schatting 15 procent van de oogst.

    Rijst draagt bij aan de opwarming van de aarde en is een feedback loop die vaak over het hoofd wordt gezien. Door irrigatie van de rijstvelden krijgt de grond geen zuurstof, zodat de groei van methaan-uitstotende bacteriën wordt bevorderd. En zo is de rijstproductie verantwoordelijk voor 12 procent van de totale uitstoot van methaan en 1,5 procent van de totale uitstoot van broeikasgassen. Deze aantallen zijn vergelijkbaar met de luchtvaart. De rijstvelden van Vietnam produceren meer koolstofequivalent dan de vervoersector van het land.

    Glucose

    Een ander toenemend probleem is de voedingskwaliteit van rijst. De korrel bevat veel glucose – wat bijdraagt aan diabetes en obesitas – en weinig ijzer en zink, twee belangrijke micronutriënten. In Zuid-Azië kan de grote aanwezigheid van diabetes en ondervoeding worden teruggevoerd op een te grote afhankelijkheid van rijst.

    Het aanpakken van al deze problemen is ingewikkeld. Ging de eerste groene revolutie over productiviteit, zegt Jean Balié, directeur-generaal van het IRRI, de volgende moet gaan over ‘systemen in plaats van oplossingen op plant- of perceelniveau’. Een beter rijstbeleid en betere variëteiten dus.

    De meeste zorgen over productiviteit en het milieu zijn het gevolg van slechte of verouderde overheidsmaatregelen. Deze verstoren de markten en belemmeren stimulansen voor verandering. Neem Sandeep Singh uit Bassi Akbarpur, een klein dorp in de Noord-Indiase deelstaat Haryana. Hij verbouwt rijst maar eet liever roti, een brood gemaakt van tarwe. Dat gewas is veel geschikter voor het hete, droge klimaat van Haryana. Toch dwingen stimuleringsmaatregelen van de regering Singh tot wisselteelt van rijst en graan.

    India koopt rijst van boeren tegen een gegarandeerde prijs, die vaak boven de marktprijs ligt. De oogst wordt aan de armen verkocht tegen een gesubsidieerde prijs, zodat de rijstconsumptie bevorderd wordt. Ook meststoffen en water worden gesubsidieerd. Dergelijke maatregelen komen overal in Azië voor. De meeste werden ingevoerd in tijden van aanhoudende voedselonzekerheid, toen diabetes en het milieu nog veel minder zorgen baarden dan nu.

    Het is moeilijk om aan beleid te tornen dat al decennialang steeds strakker wordt doorgevoerd. De boeren zijn bovendien goed voor vele stemmen – overheden durven ze niet tegen zich in het harnas te jagen. De regerende Bharatiya Janata Party van India, die er prat op gaat harde maar noodzakelijke maatregelen door te voeren, ondervond dat aan den lijve toen zij zich in 2021 gedwongen zag landbouwhervormingen terug te draaien als gevolg van boerenprotesten.

    Vietnam presenteerde onlangs een ambitieus plan om op een miljoen hectare ‘koolstofarme’ rijst te verbouwen

    Hoewel er niet één oplossing is voor de groeiende rijstcrisis, zijn er vele kleinere oplossingen. In delen van Azië waar de opbrengst laag is, zoals Myanmar en de Filipijnen, is het mogelijk de productiviteit te verhogen door meer kunstmest en pesticiden te gebruiken, zonder dat het milieu ernstige schade wordt toegebracht.

    Wetenschappers van het IRRI en andere onderzoeksinstellingen hebben rijstvariëteiten ontwikkeld die bestand zijn tegen overstromingen, droogte en hitte. Ze hebben ook voedzamere soorten ontwikkeld. Deze veranderingen, gecombineerd met innovaties in de teelt zoals direct zaaien – een manier van planten die minder water en arbeid vergt – kunnen milieuschade beperken en de opbrengst verhogen.

    Experimenten in heel Azië bevestigen dit. Boeren in Bangladesh die Sub1 verbouwden, een rijstsoort die tolerant is voor overstromingen, behaalden 6 procent hogere opbrengsten en 55 procent meer winst, volgens een studie die in 2021 werd gepubliceerd in het tijdschrift Food Policy. Een studie van veldproeven in Global Food Security toont dat rassen die resistent zijn tegen droogte een opbrengstvoordeel van 0,8-1,2 ton per hectare behalen.

    Het is nog een uitdaging ervoor te zorgen dat verbeterde zaden en methoden op grote schaal ingang vinden. Veel boeren weten niet dat ze bestaan, anderen zijn huiverig iets nieuws te proberen. Uit een landelijk onderzoek onder rijstboeren in India in 2017 en 2018 bleek dat slechts 26 procent werkte met nieuwe rassen, hoewel deze al sinds 2004 beschikbaar zijn.

    Regeringen kunnen een belangrijke rol spelen door de voordelen van nieuwe rassen en methoden onder de aandacht te brengen. Vietnam heeft onlangs het voortouw genomen met de aankondiging van een ambitieus plan om op een miljoen hectare ‘koolstofarme’ rijst te verbouwen. Het land ziet dit als een middel om op arbeid te besparen en efficiëntie te verhogen. Een essentiële stap die voorkomt dat emissiebeperking een extra last op de boeren legt, zegt Bjoern Ole Sander, klimaatwetenschapper bij het IRRI.

    Ook een bottom-upbenadering is belangrijk. Landbouwvoorlichters kunnen een grote rol spelen bij kennisoverdracht, maar ze worden vaak veronachtzaamd door beleidsmakers. De meeste overheidsuitgaven voor landbouw gaan naar subsidies en irrigatie en komen ten goede aan rijkere boeren met grotere stukken grond.

    Diversifiëren

    Regeringen zullen ook veel meer moeten doen om mensen minder afhankelijk te maken van rijst. Op verzoek van India heeft de VN 2023 uitgeroepen tot het jaar van de gierst. India hoopt boeren en consumenten te overtuigen van dit gewas, dat veel voedzamer is dan rijst of tarwe en veel minder water nodig heeft. Ook Indonesië promoot het. Momenteel zullen enkel gezondheidsbewuste hipsters in Delhi een biryani van gierst verkiezen boven een biryani van rijst. Maar waar de elite vooroploopt, volgt vaak de massa. Als de afzetmarkt groter wordt, zal dat eerst enkele boeren over de streep helpen en zullen uiteindelijk zelfs de meest fervente rijsttelers omschakelen of diversifiëren.

    Door de eerste groene revolutie werd een Aziatische catastrofe afgewend. Vandaag de dag is de situatie dan misschien minder precair, maar in sommige opzichten is de uitdaging groter. Landen zullen meer moeten produceren met minder middelen en met veel meer zorg voor het milieu. En dat vereist een ‘echte groene revolutie’, aldus IRRI-baas Balié.

    De beloning zou ongekend groot kunnen zijn. Duurzamere teelt en hogere opbrengsten kunnen de boeren een hoger en stabieler inkomen opleveren. Dat kan hen motiveren zich aan te passen aan de klimaatverandering, terwijl ze er minder aan bij hoeven dragen. Dat succes, dat nu nog niet verzekerd is, kan de voedselzekerheid voor Aziaten – en voor de wereld – helpen garanderen.

    Lees ook:

  • Waarom je speeksel bepaalt wat je proeft

    Waarom je speeksel bepaalt wat je proeft

    De vloeistof die onze mond produceert, is niet alleen een glijmiddel. Speeksel speelt een actieve rol in hoe we smaak ervaren en heeft invloed op onze voedselkeuze, zo hebben onderzoekers ontdekt.

    Op het eerste gezicht lijkt speeksel nogal saai spul. Handig om ons voedsel mee te bevochtigen, meer niet. De realiteit is heel anders, beginnen wetenschappers nu te begrijpen. De vloeistof gaat een ingewikkelde interactie aan met alles wat in de mond komt, en hoewel speeksel voor 99 procent uit water bestaat, heeft het een grote invloed op de smaak van wat we eten en drinken, en het genot dat we daaruit putten.

    ‘Het is een vloeistof, maar niet zomaar een vloeistof,’ zegt oraal bioloog Guy Carpenter van King’s College London.

    Wetenschappers weten al een tijd dat speeksel voor van alles en nog wat dient: het beschermt het gebit, vergemakkelijkt het spreken en biedt binnenkomend voedsel een uitnodigende omgeving. Nu zijn onderzoekers erachter gekomen dat speeksel ook bemiddelend optreedt en als vertaler dienst doet, dat het invloed uitoefent op hoe voedsel door de mond beweegt en onze zintuigen prikkelt. En er zijn steeds meer aanwijzingen dat uitwisselingen tussen speeksel en voedsel voor een deel bepalen wat we graag eten.

    ‘Orale voedselverwerking’

    De substantie is niet erg zout, waardoor we het zout van een aardappelchip kunnen proeven, en niet erg zuur, waardoor een scheutje citroen zo kan prikkelen. Elke hap voedsel wordt met water- en speekseleiwitten ingevet, waarop enzymen zoals amylase en lipase het verteringsproces op gang brengen. Het speeksel levert smaakstoffen af bij de smaakpapillen, waar de twee met elkaar kunnen communiceren. Speeksel, zo zegt de Chinese voedingswetenschapper Jianshe Chen, zorgt ervoor dat we ‘de chemische informatie van voedsel – het aroma, de smaak – detecteren.’

    Chen bedacht de term ‘orale voedselverwerking’ in 2009 om het multidisciplinaire veld te beschrijven dat bestaat uit voedingswetenschap, de fysica van voedingsstoffen, de fysiologische en psychologische reacties van het lichaam op voedsel en meer. Hij schreef over het onderwerp in de Annual Review of Food Science and Technology 2022. Als mensen eten, legt hij uit, proeven ze eigenlijk niet het eten zelf, maar een mengsel van voedsel en speeksel. Zo kun je alleen een zoet- of zuursmakend molecuul in een hap eten proeven als dat molecuul de smaakpapillen kan bereiken – en daarvoor moet het door de laag speeksel heen die de tong bedekt.

    Anders proeven

    Dat is allemaal niet zo vanzelfsprekend, zegt de eerder aangehaalde oraal bioloog Guy Carpenter, die erop wijst dat frisdrank zoeter smaakt als er geen prik in zit. Lang werd aangenomen dat dit kwam doordat sprankelende bubbeltjes kooldioxide in verse frisdrank zorgden voor een zuur stootje dat de hersenen afleidde van de zoetheid. Niet dus. Carpenter en zijn collega’s bestudeerden het proces in een kunstmatige laboratoriummond en ontdekten dat het speeksel de frisdrankbubbels belette om hun weg te vinden tussen tong en verhemelte. Carpenter denkt dat deze ophoping van bubbels voorkomt dat de suikers de smaakreceptoren op de tong bereiken. Met frisdrank zonder koolzuur zijn er geen luchtbellen die de zoete smaak blokkeren.

    Speeksel heeft ook invloed op de aroma’s – aroma’s die voor het overgrote deel onze smaakperceptie bepalen en voortkomen uit voedsel in de mond. Door het kauwen lossen sommige smaakmoleculen op in het speeksel en andere niet. Die laatste moleculen kunnen in de neusholte terechtkomen en worden er opgemerkt door de talloze receptoren aldaar. Wat betekent dit? Dat mensen met verschillende speekseldebieten of speekselsamenstelling – met name van eiwitten in de vorm van slijmstoffen – iets heel anders kunnen proeven terwijl ze hetzelfde eten of drinken.

    De proefpersonen die meer speeksel produceerden ervoeren meestal intensere smaken

    Spaanse onderzoekers maten bijvoorbeeld de speekselvloed van tien wijnproevers. Aan de wijn waren fruitige esters toegevoegd. De vrijwilligers die meer speeksel produceerden ervoeren meestal intensere smaken – misschien omdat ze vaker slikten en daardoor meer aroma’s in hun neusholtes kregen. Met andere woorden: wijnliefhebbers die prat gaan op hun vermogen aromanuances te detecteren, hebben dit op zijn minst voor een deel aan hun spuug te danken.

    Speeksel speelt ook een prominente rol in onze perceptie van textuur. Neem wrangheid, dat droge gevoel in je mond als je rode wijn drinkt of onrijp fruit eet. Dat is niet de schuld van de wijn, nee, tanninemoleculen in de wijn zorgen ervoor dat eiwitten uit het speeksel neerslaan, waardoor dat speeksel niet meer zo goed smeert.

    Dankzij speeksel weten wij ook voedsel met een hoog en laag vetgehalte te onderscheiden. Ook als twee yoghurts er hetzelfde uitzien en net zo vloeibaar zijn, voelt een vetarme versie droger in de mond, aldus Anwesha Sarkar, voedingswetenschapper aan de universiteit van Leeds. ‘We proberen niet de eigenschappen van het voedsel te doorgronden, maar de wisselwerking ervan met de oppervlakte,’ zegt Sarkar. Een mengsel van melkvet en speeksel creëert een laag druppeltjes in de mond die de wrangheid kan verdoezelen en de yoghurt een rijkere smaak geeft.

    Mechanische tong

    Sarkar gebruikt voor haar onderzoek een mechanische tong, gedoopt in kunstmatig speeksel, die simuleert wat er gebeurt als voedsel door de mond beweegt en hoe dat de zintuiglijke ervaring van het eten beïnvloedt. Een smoothie met weinig vet, zegt Sarkar, lijkt op het eerste gezicht romig, maar mist de weelderige textuur die vet levert indien vermengd met speeksel.

    Een volledig inzicht in deze interacties tussen speeksel, voedsel en de mond – en de overdracht van de informatie naar de hersenen – kan leiden tot de productie van gezonder voedsel, aldus Sarkar. Ze denkt aan ‘getrapt voedsel’ dat genoeg suiker aan de buitenkant bevat om in speeksel te kunnen oplossen met een gevoel van zoetheid als gevolg, maar dat in zijn geheel lagere concentraties suiker en dus ook een lager calorieniveau kent. Een dergelijke opzet kan volgens haar leiden tot voedsel met minder vet.

    Maar het is niet makkelijk om deze interacties zo goed te begrijpen dat je zulke voedingsmiddelen kunt ontwikkelen. Speeksel en smaakperceptie variëren de hele dag door, en dan zijn er op dat gebied ook nog eens verschillen tussen individuen. Meestal is speeksel traag in de ochtend en het vloeiendst vroeg in de middag. En de componenten van het speeksel van ieder individu – hoeveelheden van bepaalde eiwitten bijvoorbeeld – fluctueren de hele dag, net als stimulerende aroma’s.

    Speekseleiwitten

    Oraal biochemicus Elsa Lamy van de Universiteit van Évora in Portugal heeft dit onderzocht door geblinddoekte vrijwilligers zo’n vier minuten lang aan een stuk brood te laten ruiken. Ondertussen hield ze in de gaten of er veranderingen in hun speeksel optraden. Twee soorten eiwit – zetmeel verterende amylases en cystatines – die met smaakgevoeligheid en smaakperceptie in verband worden gebracht, namen toe na de blootstelling aan het brood. Soortgelijke experimenten volgden met vanille en citroen, en in alle gevallen veranderden de niveaus van speekseleiwitten, hoewel die afhingen van het voorgezette voedsel. Lamy en haar team proberen er nu achter te komen wat voor functie die stijging in eiwitten kan hebben.

    De samenstelling van speeksel verschilt van persoon tot persoon – en hangt deels af van iemands vroegere voedselkeuzes, zegt Ann-Marie Torregrossa, een gedragsneurowetenschapper aan de Universiteit van Buffalo. Toen zij ratten onderwierp aan een dieet met additieven die bitter smaakten, registreerde zij scherpe toenamen van speekseleiwitten in tal van categorieën. Ondertussen leken de ratten dat bittere spul in hun eten steeds meer te accepteren. ‘De conclusie is dus dat broccoli best lekker is als je niets anders meer eet,’ zegt Torregrossa.

    In een ander experiment gebruikte ze katheters om speeksel van ratten die bitter voedsel gewend waren over te brengen naar andere rattenbekjes. Die diertjes gingen bitter voedsel prompt beter verdragen. Maar controledieren die de bitterheid verdragende speekseleiwitten werden onthouden, moesten niets van het bittere voedsel hebben.

    Torregrossa en haar medewerkers zijn er nog niet uit welke eiwitten precies verantwoordelijk zijn voor deze tolerantie. Er zijn wel een paar kandidaten, zoals prolinerijke eiwitten en proteaseremmers, maar er zijn misschien nog andere. Ze moeten weten om welke eiwitten het gaat voordat ze kunnen beoordelen hoe reacties op bittere smaken in de mond en in de hersenen worden beïnvloed.

    Ratten zijn natuurlijk geen mensen. Wel zijn er aanwijzingen gevonden dat hun speeksel soortgelijke dingen doet met smaakperceptie als bij mensen. Het beeld is echter ingewikkelder. ‘Het menselijk dieet en de menselijke ervaring worden beïnvloed door tal van andere factoren die knaagdieren gewoon vreemd zijn,’ zegt Lissa Davis, wetenschapper aan de Purdue University in Indiana, die smaak en gedrag bestudeert.

    Gezondere eetgewoonten

    Maar als deze patronen kunnen worden gedecodeerd en begrepen, dan belooft dat wat, zegt Lamy. Als je kinderen een additief zou kunnen geven dat veranderingen in hun speeksel stimuleert en hun ervaring met een bittere groente daardoor letterlijk en figuurlijk verteerbaarder maakt, zou dat gezondere eetgewoonten kunnen bevorderen. Als hun eerste ervaring met nieuw voedsel verschoond blijft van een hoge bitterheidsgraad, dan zullen ze goede smaakervaringen met die groente hebben.

    Meer in het algemeen zal een beter begrip van de invloed van speeksel op smaak – en die van voedsel op de samenstelling van speeksel – veel nieuwe manieren mogelijk kunnen maken om eetvoorkeuren om te buigen naar vaak weinig populair maar gezond voedsel. ‘Hoe,’ zegt Torregrossa, ‘kunnen we haters van dat voedsel veranderen in liefhebbers? Die vraag houdt me bezig.’

    Lees ook:

  • EC-rapport: 46 procent van alle honing die Europa importeert is namaak

    EC-rapport: 46 procent van alle honing die Europa importeert is namaak

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Israëlisch parlement neemt controversiële wet aan

    » Duizenden botresten uit nazitijdperk begraven in Berlijn

    De meeste namaakhoning komt uit China en Turkije

    Bijna de helft van alle honing die Europa importeert bevat toegevoegde ingrediënten, wat in strijd is met de EU-regelgeving. Het gaat bijvoorbeeld om suikerstroop op basis van rijst, tarwe of suikerbieten. Zo luidt de conclusie van de Europese Commissie in een rapport dat gisteren verscheen. ‘Van een aanzienlijk deel van de in Europa ingevoerde honing wordt vermoed dat ermee is gefraudeerd, maar deze honing blijft vaak onopgemerkt’, citeert Le Monde uit het rapport.

    Met 175.000 ton geïmporteerde honing per jaar is Europa na de Verenigde Staten de grootste honingimporteur ter wereld. Het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid van de Europese Commissie coördineerde een grootschalig onderzoek in de hele EU, in samenwerking met zestien Europese landen. De onderzoekers vonden bewijs voor het gebruik van additieven en kleurstoffen die toegevoegd werden om de schijn te wekken dat de honing van plantaardige herkomst is.

    ‘Er moet sprake zijn van steeds grotere hoeveelheden namaakhoning en een gebrek aan controle’

    Voor de Franse Nationale Bijenteeltbond (UNAF) zijn deze resultaten niet verrassend. ‘Wij waarschuwen al jaren voor kunstmatige honing,’ aldus Henri Clément, woordvoerder van de UNAF, tegen de Franse krant. ‘Door de achteruitgang van het milieu zijn de oogsten steeds onregelmatiger, maar er wordt nog steeds evenveel honing op de markt gebracht als voorheen. Er moet sprake zijn van steeds grotere hoeveelheden namaakhoning en een gebrek aan controle.’

    Verder wijst Clément erop dat het Europese onderzoek alleen betrekking had op geïmporteerde honing, maar dat de situatie ook problematisch kan zijn voor in Europa geproduceerde honing. ‘Het probleem is dat grote hoeveelheden honing aankomen in bepaalde Europese landen, zoals Spanje, en daar worden gemengd en herverpakt,’ legt hij uit. ‘Ze worden dan beschouwd als Europese honing. Op sommige etiketten staan wel zes landen van herkomst vermeld!’

    Lees ook:

  • Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Het geheime ingrediënt dat nepvlees zou kunnen redden: varkensvet uit een laboratorium

    Om onze vleesconsumptie te verminderen is nepvlees nodig dat minstens net zo lekker is als vlees waarvoor een dier is geslacht. Deze Amerikaanse start-up heeft de oplossing: plantaardig vlees met toegevoegd varkensvet dat gekweekt is in een laboratorium.

    Vorige maand werd ik aan een eettafel in een zonnige hotelsuite in New York City volledig verrast door een reepje nepbacon. Ik was er voor de proeverij van een nieuw soort plantaardig vlees. Net als de meeste Amerikanen had ik dat al eens eerder geprobeerd, al had ik er nooit zo’n zin in als in echt vlees. Maar nog voor ik de bacon geproefd of zelfs maar gezien had, wist ik al dat dit anders was. De geur van zout, rook en sissend vet die uit de nabijgelegen keuken kwam leek onmiskenbaar echt. De knapperige baconreepjes zagen er ook echt uit: tijgerstrepen met goudkleurig vet, gepresenteerd op een miniatuur BLT-sandwich. De knapperigheid maakte plaats voor een bevredigende beet, gevolgd door een walnootachtige smaak en de onvergelijkbare sappigheid van dierlijk vet.

    Ik wist dat het geen echte bacon was, maar even tuimelde ik er bijna in. De bacon was inderdaad gemaakt van planten, net als de hamburgers die je kunt kopen van merken als Impossible Foods en Beyond Meat. Maar het was gemengd met echt varkensvet. Nou ja, soort van. Wat door het ‘vlees’ marmerde was niet afkomstig van een geslacht varken, maar van een levend varken waarvan vetcellen waren afgenomen die vervolgens waren opgekweekt in een vat.

    Dat in het lab gekweekte of ‘gecultiveerde’ vet wordt gemaakt door Mission Barns, een startup uit San Francisco die als doel heeft om mensen te overtuigen van de kwaliteit van plantaardig vlees. En het lijkt erop dat veel mensen overtuigd moeten worden. Producenten van plantaardig vlees, voor wie een paar jaar geleden succes verzekerd leek, hebben het nu moeilijk. Toen de nieuwigheid van het ‘bloeden’ van plantaardig eiwitten eenmaal voorbij was, werd het voor consumenten lastiger om de hoge prijs, de matige voedingswaarde en de ‘best-wel-oké’-smaak van plantaardig vlees voor lief te nemen, zeggen voedseldeskundigen. In 2021 en 2022 verloren veel fastfoodketens die ooit een grote rol speelden op dit gebied – Burger King, Dunkin’, McDonald’s – de interesse om het nog te verkopen. In de afgelopen vier maanden hebben de twee meest zichtbare bedrijven die plantaardig vlees maken, Beyond Meat en Impossible Foods, ontslagen aangekondigd.

    Ondertussen ligt de toekomst van andere alternatieven voor vlees – een laboratoriumvariant die moleculair gezien identiek is aan echt vlees – nog minstens enkele jaren in het verschiet, ergens tussen science fiction en werkelijkheid in. Maar we kunnen niet wachten met minder vlees eten. Het is een van de beste dingen die we als burgers kunnen doen voor het klimaat en het neemt ook nog eens de zorgen over dierenleed en gezondheid weg. Vet uit laboratoria zou de brug kunnen zijn. Het wordt op dezelfde manier gemaakt als vlees uit laboratoria, maar is veel eenvoudiger te produceren en kan worden gemengd met bestaande plantaardige voedingsmiddelen, vertelt Elysabeth Alfano, CEO van investeringsbedrijf VegTech Invest. Als zodanig zal het waarschijnlijk veel eerder commercieel beschikbaar worden – misschien zelfs al binnen een paar jaar. Mogelijk is alles wat nodig is om nepvlees te redden slechts een beetje dierlijk vet.

    Mondgevoel

    Dierlijk vet is culinaire magie. Het geeft een hamburger zijn sappigheid en laat een boterachtig laagje achter op de tong. Het ontbreken ervan is de reden dat kipfilet zo flets smaakt. Vet, schreef kok Samin Nosrat in Salt, Fat, Acid, Heat, is ‘de bron van een rijke smaak en van een specifiek gewenste textuur’. Het nepvlees dat nu op de markt is, schiet tekort op het gebied van smaak en textuur. De meeste producten benaderen vlezigheid met een mengsel van plantaardige oliën, smaakstoffen, bindmiddelen en zout, dat zeker vleziger is dan de vroegere burgers van bonen, maar nog verre van perfect. Voedselblog Serious Eats wees bijvoorbeeld op onaangename geuren, althans vóór het koken, zoals die van kattenvoer en kokos. Op moleculair niveau heeft plantaardig vet moeite om zijn dierlijke tegenhanger na te bootsen. Kokosolie, dat vaak wordt gebruikt in plantaardig vlees, is bij kamertemperatuur vast, maar smelt bij relatief lage hitte, zodat het tijdens het koken in de pan achterblijft. Daardoor is het mondgevoel van plantaardig vlees eerder vettig dan weelderig.

    Als we die plantaardige oliën vervangen door gekweekt dierlijk vet, dat bij verhitting zijn structuur behoudt, zouden de smaak en sappigheid behouden blijven die je van echt vlees verwacht, zegt Audrey Gyr. Ze is specialist startupinnovatie bij het Good Food Institute, een non-profit die zich inzet voor vleesalternatieven. In zekere zin is de techniek waarbij dierlijk vet wordt ingezet om planten op smaak te brengen niet nieuw. Kippenvet wordt al sinds lang gebruikt om een rijke nootachtige smaak aan aardappelkoekjes te geven; gesmolten guanciale [Italiaans wangspek] geeft een klassieke pasta amatriciana zijn sappigheid. Plantaardige bacon versterkt met varkensvet volgt dezelfde culinaire traditie, maar is zeer hightech. In enorme bioreactoren worden vetcellen van een levend dier opgekweekt en gevoed met van planten afkomstige suikers, eiwitten en andere groeicomponenten. Na verloop van tijd vermenigvuldigen ze zich tot een massa vetcellen: een zachte, bleke vaste stof met een robuuste smaak, die doet denken aan de witte substantie die om een varkenskarbonade zit of in een biefstuk marmert.

    Zo uit de bioreactor lijkt het vet ‘een beetje op margarine’, zegt Ed Steele, medeoprichter van het in Londen gevestigde bedrijf Hoxton Farms. Het is een ingewikkeld proces, maar wel veel makkelijker dan de ontwikkeling van kweekvlees, waarbij veel celtypen moeten worden omgezet in stijve spiervezels. Vet bestaat maar uit één type cel en is als vormloze klodder het meest bruikbaar. Net als in het menselijk lichaam zijn enkel tijd, ruimte en een gestaag infuus van suikers, oliën en andere vetten nodig, zegt Eitan Fischer, CEO van Mission Barns. De bacon van mijn proeverij was gemaakt door gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit, het mengsel te pekelen en te roken en het vervolgens in baconachtige reepjes te snijden. Door slechts 10 procent gekweekt vet te mengen met plantaardig eiwit kan een product al smaken en aanvoelen als echt vlees.

    Gekweekt vet kan met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is

    Gekweekte vetproducten zijn al in zicht. Mission Barns is van plan zijn gekweekte vet te verwerken in zijn eigen plantaardige producten; Hoxton Farms hoopt zijn vet rechtstreeks te verkopen aan bestaande fabrikanten van plantaardig vlees. Andere bedrijven, zoals de Belgische startup Peace of Meat, het in Berlijn gevestigde Cultimate Foods en het op vis gerichte ImpacFat uit Singapore, werken ook aan hun eigen versies van gekweekt vet. In theorie kan het vet worden gemengd met vrijwel elk soort plantaardig vlees, zoals vleesklompjes, worstjes of paté. In de VS ligt de weg naar de markt al open. Afgelopen november kreeg gekweekte kip van de Californische startup Upside Foods toestemming van de Food and Drug Administration (FDA); nu is het wachten op aanvullende toestemming van het ministerie van Landbouw. In afwachting van wettelijke goedkeuring zegt Mission Barns klaar te zijn om haar producten in een paar supermarkten en restaurants te lanceren. Daaronder ook een overtuigende, varkensvleesachtige gehaktbal op plantaardige basis die ik ook op de proeverij heb geprobeerd. In afwachting van de FDA-toestemming moest ik een aansprakelijkheidsverklaring ondertekenen voordat ik mocht proeven.

    Ik verliet de proeverij met dierlijk vet op mijn lippen en een nieuwe overtuiging in mijn hoofd: voor de juiste prijs zou ik deze bacon kopen in plaats van het gewone spul. Omdat gecultiveerd vet kan worden gemaakt zonder dieren te schaden – de vetcellen in de bacon die ik proefde waren afkomstig van een vrolijk scharrelvarken genaamd Dawn, aldus een pr-medewerker van Mission Barns – kan het aantrekkelijk zijn voor flexitariërs zoals ik, die gewoon minder vlees willen eten.

    Hoewel er geen garantie is dat het thuis net zo goed zou smaken als na de bereiding door de privékok van Mission Barns, kan gekweekt vet met zijn realistische textuur en smaak het belangrijkste probleem van plantaardig vlees oplossen, namelijk dat het gewoon niet zo lekker is. Volgens Jennifer Bartashus, analist verpakte levensmiddelen van Bloomberg Intelligence, is gekweekt vet ‘de volgende stap in het smakelijker maken van milieuvriendelijk voedsel voor de doorsneeconsument’.

    Pakkende naam

    Maar gekweekt vet heeft wel nog steeds te kampen met enkele van dezelfde problemen die ons van plantaardig vlees hebben afgehouden. De huidige producten op de markt zijn niet bijzonder gezond en gekweekt vet zou daar niets aan veranderen. Het opbouwen van consumentenvertrouwen en vertrouwdheid met de producten kan ook een probleem zijn. Sommige mensen zijn huiverig voor plantaardige producten omdat ze niet weten waar ze van gemaakt zijn. Het meer complexe begrip ‘gekweekt vet’ is op z’n best net zo onappetijtelijk. ‘We weten nog steeds niet precies hoe de consument zal denken over gekweekt vet,’ zegt Gyr. Een pakkende naam voor deze producten zou zeker helpen, maar het kost me moeite om een omschrijving te vinden die minder stroef klinkt dan ‘plantaardig vlees op smaak gebracht met gekweekt dierlijk vet’. Tenzij bedrijven met gecultiveerd vet hun marketing echt goed aanpakken, zouden ze wel eens dezelfde weg kunnen afleggen als ‘gemengd vlees’– mengsels van plantaardig eiwit en echt vlees die in 2019 werden geïntroduceerd door drie vleesbedrijven, wat ‘nogal een mislukking’ was, aldus Gyr.

    Het belangrijkst is echter de prijs ten opzichte van die van traditioneel vlees. De hogere kosten van plantaardig vlees zijn deels de oorzaak van de ineenstorting van de sector, en producten met gekweekt vet zullen in de nabije toekomst waarschijnlijk niet goedkoper worden. Fischer, van Mission Barns, zegt dat de huidige kleine productieschaal van zijn bedrijf de producten ‘vrij duur’ maakt in vergelijking met traditionele vleesproducten. Steele van Hoxton Farms zegt te hopen dat bedrijven die gekweekt vet in hun plantaardige vleesrecepten gebruiken niet meer hoeven uit te geven dan nu.

    Ondanks deze obstakels is geteeld vet veelbelovend voor de kwijnende plantaardige vleesindustrie, omdat het absoluut lekker is. Gekweekt vet zou ‘kunnen leiden tot een nieuwe ronde van innovatie die weer consumenten zal aantrekken’, aldus Bartashus. Plantaardig en echt vlees zullen immers rond 2026 op een gelijke prijs kunnen uitkomen, waardoor mogelijk meer bedrijven geïnteresseerd zullen raken in de vleesalternatieven. Gekweekt vet zou ons warm kunnen maken voor de toekomst van volledig gekweekt vlees. En na verloop van tijd kan een in het laboratorium gekweekte kipfilet net zo saai worden als gewone kipfilet.

    Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen

    Aan het enthousiasme over gekweekt vet, en nepvlees in het algemeen, hangt een uitgesproken techno-optimistisch tintje – alsof het gemakkelijk zal worden om alle vleeseters over te halen om in baconvet gehulde planten te omarmen. ‘Uiteindelijk is ons doel om de huidige conventionele vleesprijzen te overtreffen, of het nu gaat om gehaktballen of bacon,’ aldus Fischer. Maar zelfs nu de problemen rond het eten van vlees alleen maar duidelijker zijn geworden, blijft de consumptie ervan in de VS stijgen. Mondiaal gezien zal de vleesconsumptie in landen als India en China de komende jaren naar verwachting explosief stijgen. Gekweekt vet biedt de consument op zijn minst een andere optie. Biefstuk bij de ene maaltijd en plantaardig vlees bij de volgende kan al als winst worden gezien.

    Sinds de proeverij heb ik vaak nagedacht over de reden waarom de bacon me zo perplex deed staan. Knagend op de knapperige gouden rand van een van de reepjes wist ik dat ik echt baconvet at. Maar mijn hersenen worstelen nog steeds met het idee dat het niet rechtstreeks van een stuk varkensvlees afkomstig was. Tot nu toe kende ik alleen een wereld waarin dierlijk vet van geslachte dieren kwam. Dat is aan het veranderen. Als gekweekt vet de tijd kan overbruggen totdat vlees werkelijk in een laboratorium kan worden gekweekt, hebben deze nieuwe producten hun steentje al bijgedragen. En in de tussentijd vinden we ze misschien wel goed genoeg.

    Lees ook:

  • Waarom ‘vergeten’ gewassen de oplossing tot de voedselcrisis zijn

    Waarom ‘vergeten’ gewassen de oplossing tot de voedselcrisis zijn

    De wereldwijde agrovoedingsindustrie is verspillend en schadelijk, maar er zijn manieren om die aan te pakken, aldus landbouwprofessor Sayed Azam-Ali. ‘We moeten lokaal, voedzaam en divers voedsel herontdekken.’

    Verstoringen in de toeleveringsketen, een pandemie, extreem weer en oorlog in Oekraïne hebben barsten in het wereldwijde voedselsysteem aan het licht gebracht die we niet mogen veronachtzamen. Eigenlijk is een volledige transformatie van de agrovoedingsindustrie bittere noodzaak. Dit houdt in dat we de gewassen die we verbouwen, de manier waarop we die verbouwen en de wijze waarop we ze vervoeren moeten diversifiëren.

    Klimaatverandering is funest voor onze voedselvoorziening. Meer dan 40 procent van de tarwe op de Great Plains (het uitgestrekte gebied van prairies, steppen en grasland in het midden van de Verenigde Staten) is aan het uitdrogen. Vanwege overstromingen is in China de tarweoogst dit jaar een van de slechtste ooit. In mei steeg het kwik in India naar een recordhoogte van 49 graden Celsius. En op dit moment zucht een groot deel van Europa onder een dodelijke hittegolf.

    In elke fase, van ploeg tot bord, spelen fossiele brandstoffen een rol

    Daarnaast verstoort de oorlog in Oekraïne de kwetsbare mondiale voedselvoorziening. Rusland en Oekraïne leveren samen 28 procent van de wereldwijd verhandelde tarwe, 29 procent van de gerst, 15 procent van de maïs, en 75 procent van de zonnebloempitten die goed zijn voor 11,5 procent van de markt voor plantaardige olie. Rusland is daarnaast de grootste exporteur van stikstofhoudende kunstmest, de op een na grootste exporteur van kalium en de op twee na grootste exporteur van fosfor – energiebronnen die van groot belang zijn voor de landbouwsector, waar ook ter wereld.

    Waar het op neerkomt is dat we een ‘fossiel voedselsysteem’ hebben: basisgewassen, geteeld in een klein aantal exporterende landen, worden over grote afstanden naar de consument vervoerd. En in elke fase, van ploeg tot bord, spelen fossiele brandstoffen een rol. 

    Zevenduizend plantensoorten

    Wat te doen? Tot op heden is ons antwoord ‘business-as-usual’ geweest. Importerende landen proberen in allerijl alternatieve aanbieders van basisgewassen, zoals tarwe uit Oekraïne en Rusland, te vinden. Streep door de rekening is dat drieëntwintig landen, waaronder India, de uitvoer van tarwe en andere voedingsmiddelen hebben beperkt. Meer landen zullen volgen.

    Nog meer investeren in reguliere basisgoederen loont steeds minder – als we al problemen hebben om een wereldbevolking van 7,8 miljard mensen te voeden, hoe kunnen we dan de voorspelde 10 miljard in 2050 voeden op een warmere planeet?

    Het komt erop neer dat we van een fossiel voedselsysteem moeten overstappen op een toekomstgericht voedselsysteem, met klimaatbestendige en voedzame ‘vergeten’ gewassen, naast allerlei landbouwmethodes die zijn verdrongen door de industriële monocultuur van energie- en kunstmestverslindende producten.

    De mens heeft ongeveer zevenduizend plantensoorten gekweekt. Slechts drie daarvan (tarwe, rijst en maïs) bepalen heden ten dage grotendeels het menselijke voedingspatroon. We gebruiken 10 procent van deze gewassen en 18 procent plantaardige oliën voor biobrandstoffen – wat overeenkomt met de voedselbehoefte van bijna 2 miljard mensen. In 2021 importeerde China 28 miljoen ton maïs om aan varkens te voeren. Van de in de EU en in de VS verbouwde tarwe werd respectievelijk 40 procent en 33 procent aan koeien gevoerd. We moeten stoppen om dieren en machines voedselgewassen te voeren. 

    We moeten een einde maken aan onze verslaving aan een eentonig dieet van uniforme, extreem bewerkte producten

    Ook is het noodzakelijk om landbouwmethoden te diversifiëren en om landschappen, stedelijke ruimtes, gemeenschappelijke grond en zelfs tuinen als voedselbronnen te gaan zien. Veel landbouwvormen kunnen beter tegen extreem weer dan reguliere monoculturen en zijn een potentiële bron van levensonderhoud voor een nieuwe generatie boeren.

    Tot slot behoren we voedsel culturele waarde toe te kennen en zouden we er ook vreugde uit moeten putten – het gaat niet alleen om een economisch goed, een middel om geld te verdienen. Het Global Manifesto on Forgotten Foods, gelanceerd in 2021, roept op tot een actieplan waarin vergeten voedselbronnen, van klimaatbestendige en lokale gewassen zoals fonio en bambara-aardnoot, deze transformatie kunnen bewerkstelligen. We moeten lokaal, voedzaam en divers voedsel herontdekken en een einde maken aan onze verslaving aan een eentonig dieet van uniforme, extreem bewerkte producten die de hele wereld worden overgesleept.

    Dit vereist visie, investeringen, wetenschappelijke kennis en boeren die innoveren in plaats van slaafs nieuwe technologieën afnemen. Als het om het telen van vergeten gewassen in een veranderend klimaat gaat zijn zij de experts, niet wij. Producenten en consumenten, niet bedrijven, moeten het voortouw nemen bij de heroverweging van het voedselsysteem die zo broodnodig is voor het welzijn van de mensheid en de aarde.

    Lees ook:

  • Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Waarom stadstuinen een oplossing zijn voor corruptie en honger in Zuid-Afrika

    Het verbouwen van voedsel in de stad kan een middel zijn om honger tegen te gaan, de voedselaanvoerketen te verkorten en tot dan toe verdeelde gemeenschappen dichter bij elkaar te brengen. ‘Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s.’

    Door middel van stedelijke landbouw kunnen mensen hun intense teleurstelling in de regering opvangen en meer zelfvoorzienend worden, zeggen stadstuinders en wetenschappers. En nu de kosten voor levensonderhoud in Zuid-Afrika de pan uit rijzen en ook de werkloosheidscijfers tot grote hoogte stijgen, moeten de stadsbewoners zo snel mogelijk aan de slag om de dichtstbijzijnde stoep in een moestuin te veranderen.

    Als het voedsel eenmaal is geoogst, is de volgende stap om het uit te delen, en dan zullen als vanzelf de apartheid en de op klassenverschillen gebaseerde ruimtelijke segregatie verdwijnen, zegt Djo BaNkuna, een stoeptuinder uit Pretoria. In zijn achtertuin en op de stoep voor zijn huis verbouwt hij bananen, kruiden, avocado’s, spinazie, biet, zoete aardappel en uien. Hij en zijn vrouw, een maatschappelijk werkster, delen alles vervolgens uit in Soshanguve en omstreken, aan gezinnen met een kind aan het hoofd of gezinnen waarvan de ouders geen werk hebben.

    ‘Velen van ons hebben geen idee van de honger die er heerst. De tranen springen in mijn ogen als ik een kind van vijf zie dat al twee dagen niet heeft gegeten, hier in Soshanguve, niet ver van het winkelcentrum. Er zijn gezinnen met een meisje van dertien aan het hoofd, en dat meisje heeft dan de zorg voor vijf andere kinderen, die overdag naar het winkelcentrum gaan om te kijken of er nog wat restjes eten bij elkaar geschraapt kunnen worden. Ons land staat er heel slecht voor,’ zegt BaNkuna.

    BaNkuna kwam in november in de publiciteit toen de politie hem beval de groente uit te trekken die hij op de stoep voor zijn huis had geplant, en in plaats daarvan bloemen of gras te planten. Daarnaast moest hij een boete betalen van vijfhonderd rand [zo’n dertig euro]. Toen BaNkuna beide weigerde, moest hij voor de rechter verschijnen. De rechter trok de zaak tegen hem in.

    ‘Ik ben groot voorstander van tuintjes, maar onze overheid is niet bepaald vooruitstrevend op dat gebied. Het evangelie van de grote winkelketens zit er zo in geramd dat mensen niet langer op zichzelf en de natuur durven te vertrouwen, terwijl we geschikte grond hebben die ons in voedsel kan voorzien,’ zegt hij.

    Ui, kool en aardappel

    ‘Als je eenmaal een ui en kool hebt, heb je verder alleen nog maar gekookt maismeel nodig. En vervolgens kom je tot de ontdekking dat je geen maismeel nodig hebt, maar een aardappel die je ook zelf hebt geplant. Die drie dingen samen vormen een maaltijd. In Soshanguve word ik vaak vreemd aangekeken als ik zeg dat ik de kool heb verbouwd in mijn eigen stoeptuin. Voor velen van ons komt voedsel uit het winkelcentrum.

    Melissa Britz is een van de oprichters van Oppieyaart (In de tuin), een achtertuin vol medicinale kruiden, met de nadruk op inheemse planten. Samen met haar partner Lucelle Campbell heeft ze alles aangeplant in hun achtertuin in Elsies River, op de Kaapse Vlakte.

    ANP 427929419
    – Oogsten op een stadsboerderij in Banda Atjeh, Indonesië. Meer mensen in Indonesië hebben hun toevlucht genomen tot stadslandbouw omdat de aanhoudende Covid-19-pandemie hen dwong thuis te blijven. © Sepa / Hotli Simanjuntak

    Het project heeft zich nog niet uitgebreid naar de stoep, maar ze maken en distribueren wel compost om andere stadstuinders te helpen en om de vruchtbaarheid van de zanderige grond te verhogen in dit gebied, dat zich van nature niet echt leent voor het verbouwen van groente. In de achtertuin liggen enorme hopen compost, bestaande uit bladeren, gebruikte zakjes rooibosthee, gemaaid gras en groenteafval van de buren. Alles wat het Oppiyaart-team niet composteert, wordt gebruikt om mulch te maken. Zowel compost als mulch wordt gratis uitgedeeld.

    ‘Een van de belangrijkste dingen voor mensen die net beginnen, is de aarde beschermen tegen de zon, want er zit leven in de aarde: organismen, wormen, bacteriën en schimmels, die allemaal gevoelig zijn voor licht en de warmte van de zon. Het makkelijkste is om mulch te maken van wat er ook maar voorhanden is in het gebied waar je woont,’ zegt Britz.

    Zanderige grond houdt geen water vast en door de klimaatverandering en het veranderde patroon van regenval, moeten stadstuinders zorgen dat de grond meer water kan vasthouden, zegt ze.

    ‘Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen’

    Britz heeft net gember geoogst die acht maanden heeft gegroeid. Ze pakt een handvol van de donkerbruine, vochtige aarde waar de gember in heeft gestaan – het resultaat van haar inspanningen om de aarde te verrijken, van zanderig naar meer leemachtig. Ze voedt de aarde ook met wormenmest. ‘Een wormenfarm hoeft niet duur te zijn. We hebben een oude badkuip vol wormen, en zo komen er weer voedingsstoffen in de aarde.’

    Voor beide projecten wordt regenwater opgevangen in bakken, lege vaten en emmers die ze op de hoeken van het huis zetten, waar het water uit de goten loopt. Ze hebben geen dure irrigatiesystemen nodig met watertanks en leidingen, zeggen ze.

    Robert Wolfe, die ook in het Oppieyaart-team zit, giet het regenwater vervolgens in lege frisdrankflessen, die hij opslaat om de tuinen in de droge maanden van water te kunnen voorzien. ‘We hadden bijna een hele kamer vol tweeliterflessen,’ zegt Britz.

    BaNkuna’s huis heeft geen dakgoten, maar als het hard regent verzamelt hij zo’n duizend liter water per nacht door domweg emmers bij de hoeken van zijn huis te zetten.

    Vers en organisch

    Het is van groot belang dat zo veel mogelijk mensen een tuintje bij hun huis aanleggen, aldus Munyaradzi Chitakira, een expert op het gebied van klimaatbestendige middelen van bestaan in rurale en stedelijke omgevingen, en verbonden aan Unisa (Universiteit van Suid-Afrika). ‘De voedselprijzen blijven maar stijgen en er is steeds meer werkloosheid. Het is heel belangrijk dat mensen nadenken over manieren om hun gezin van voedsel te voorzien. Vers en organisch voedsel is van groot belang, ook omdat je er zelf controle over kunt uitoefenen.’

    annie spratt GaLzDCnA5EI unsplash
    – Eten verbouwen op de stoep of in de achtertuin is voor velen een manier om zelfvoorzienend te worden. © Unsplash

    ‘Als je geen land hebt, gebruik dan emmers en blikken of iets anders waarin je iets kunt verbouwen, zodat je niet alles hoeft te kopen,’ zegt Chitakira. Hij voegt eraan toe dat gemeentebesturen zouden moeten zorgen voor stukjes grond en voor bewakers, zodat er buurttuinen kunnen worden aangelegd.

    Lokale buurttuintjes zijn van cruciaal belang om te komen tot kortere distributieketens

    Veel kleine moestuintjes vormen een integraal deel van klimaatbestendige stedelijke landbouw. Ze vormen een buffer tegen klimaatschokken omdat ze voedselzekerheid bieden aan gezinnen die lijden onder de gevolgen van de klimaatverandering. De gewassen zelf zorgen voor een vermindering van broeikasgassen, een effect dat nog eens wordt versterkt doordat er minder groente van commerciële boeren in vrachtwagens door het land vervoerd hoeft te worden.

    Ook Juanee Cilliers, een specialist stedelijke landbouw, denkt dat lokale buurttuintjes van cruciaal belang zijn om te komen tot kortere distributieketens en duurzamere vormen van landbouw.

    Uit onderzoek is al gebleken dat bestaande moestuintjes een waardevolle rol spelen in de economische en sociale ontwikkeling van bepaalde gemeenschappen. ‘Het potentieel van deze innovatieve markten is nog niet onderzocht, maar ze zouden een katalysator kunnen blijken voor stedelijke gemeenschappen in Zuid-Afrika, en ze zouden kansen kunnen bieden op het gebied van voedselzekerheid, werkgelegenheid, empowerment en ondernemingszin,’ aldus Cilliers.

    Gezamenlijke inspanning

    BaNkuna heeft onderzocht hoe de stijgende werkloosheidscijfers hebben geleid tot hongersnood, zelfs in dorpen in de buurt van Tzaneen in Limpopo – een vruchtbare streek met veel regen – waar de inwoners van oudsher hun eigen gewassen verbouwen en zelfredzaam zijn. ‘Ik kwam tot de ontdekking dat zelfs daar dorpskeukens moeten worden geïnstalleerd, omdat er honger heerst. Als je maismeel met zout moet eten, is dat niet fijn. Sterker nog, het is erg pijnlijk,’ zegt hij.

    Hoewel een groot deel van de bevolking kampt met extreme honger, collectief geschokt is door de ongekende corruptie die welig tiert binnen de overheid, en de gevolgen ondervindt van de klimaatverandering en de noodlottige modderstromen, zegt BaNkuna dat ze nooit de hoop mogen opgeven dat ze het land weer gezond kunnen maken door gezamenlijke inspanning – om te beginnen moet er een einde worden gemaakt aan het achterhouden van voedsel.

    ‘We moeten zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid’

    ‘Het is nergens voor nodig om voedsel achter te houden. Het is een eerste levensbehoefte, net als zuurstof. Als we voedsel met elkaar delen, zullen de Van Tonders gaan praten met de Ngobeni’s en de Ngobeni’s zullen weer gaan praten met de Mahmoods. Zo zullen we de kloof overbruggen die is geslagen door ruimtelijke segregatie,’ zegt hij.

    Momenteel interviewt BaNkuna andere stoeptuinders voor een boek. Onlangs heeft hij een vrouw ontmoet die honderd meter stoep heeft bebouwd. De oogst zal genoeg zijn voor honderd gezinnen.

    ‘We moeten echt zorgen dat mensen weer teruggaan naar de natuur, naar zelfredzaamheid. Ja, natuurlijk kun je zeep kopen in de supermarkt. Dat is normaal. Maar er is geen enkele reden om een ui of een zoete aardappel te kopen,’ besluit hij.

  • Woon je in Alaska en geen zin om te koken? Je hamburger komt nu per vliegtuig

    Woon je in Alaska en geen zin om te koken? Je hamburger komt nu per vliegtuig

    Met de hulp van bushpiloten hebben mensen die op plekken wonen waar geen restaurants of kruidenierswinkels zijn, toegang tot alle keukens die de dichtstbijzijnde stad te bieden heeft. ‘Ik had wel eens pizza’s gezien op tv, maar er nog nooit een gegeten.’

    Dat Robert Golike zich de duurste voedselbezorger ter wereld voelt, komt waarschijnlijk omdat hij een Cessna gebruikt.

    Golike, piloot voor Alaska Air Transit, stond onlangs op een ochtend op de landingsbaan van Merrill Field, een vliegtuig met negen zitplaatsen, vol te laden met onder andere poststukken, etenswaren en luiers. Hij zou deze goederen afleveren in de Upper Kuskokwim-regio, meer dan 300 kilometer verderop.

    Aan boord bevond zich ook een lading waar misschien wel het meest naar werd uitgezien: twee bestellingen van DoorDash, een Amerikaanse onlinevoedselbezorger. De ene bevatte steak taco’s en churros van Pedro’s Mexican Grill in Anchorage, en de andere een verzameling Chinese afhaalklassiekers van Famous Wok, waaronder lo mein, rundvlees met broccoli en General Tso’s kip.

    Verderop verheugden Natalia Navarro en haar gezin zich al op de bezorging van hun ‘stadse eten’. ‘Je kunt echt alles bestellen wat je wilt,’ aldus Navarro. ‘En als het er eenmaal is genieten we met volle teugen.’

    Voordat ze aan tafel konden, moest de bestelling via een lange luchtreis door de piloot worden getransporteerd

    Voordat ze aan tafel konden, moest de bestelling via een lange luchtreis door de piloot worden getransporteerd over de slibrijke wateren van Cook Inlet, de steile sneeuwtoppen van de Alaska Range en het met meren bezaaide gebied rond het vliegveld in Nikolai, waar hij zou landen.

    Daar werd de doos met het eten, enigszins gedeukt, overhandigd aan de 29-jarige Natalia Navarro, die als gezondheidsassistente werkt in de kliniek van het dorp. Er zijn geen kruideniers of restaurants in deze gemeenschap met minder dan honderd mensen, dus een of twee keer per maand bestelt haar familie eten bij DoorDash om de eentonigheid van op kip en eland gebaseerde soepen en stoofschotels te doorbreken.

    Na het opwarmen van hun bestelling, die de middag tevoren op het vliegveld van Anchorage was afgeleverd, konden Navarro en haar gezin aanvallen.

    Stadsvoedsel

    Het is weliswaar niet helemaal hetzelfde als stadsvoedsel eten in een stad, zei ze, ‘maar het is wel fijn om de optie te hebben om zoiets te bestellen. Het is niet warm, het is niet vers. Maar het heeft wel de smaak waarnaar je verlangt.’

    Om aan deze verlangens te kunnen voldoen, helpt een fijnmazige bevoorradingsketen van bezorgers, luchtvaartpersoneel en piloten om de smaken van de stad naar de bush en de toendra te brengen. Alaska Air Transit is een van de tientallen kleine regionale luchtvaartmaatschappijen die mensen en goederen naar honderden afgelegen gemeenschappen in Alaska vervoeren. Daarbij gaat het om alledaagse benodigdheden als Netflix-dvd’s, outdooruitrustingen en boodschappen, maar ook om pizza’s, Big Macs en stevig verpakte bakjes Vietnamese pho.

    ‘Ik snakte naar andere dingen, maar DoorDash bestond toen nog niet’

    Vijf jaar geleden, toen ze in het dorp Fort Yukon aan de Yukon River woonde, net ten noorden van de poolcirkel, was het een belevenis om 225 kilometer verderop pizza te halen in Fairbanks, vertelt Supanika Ordonez. In Fort Yukon kon je nergens uit eten, en er was slechts één kleine dorpswinkel. Aan haar maandelijkse zending boodschappen voegde ze een enkele keer een bestelling bij Pizza Hut toe, die op de luchthaven werd bezorgd. Destijds waren pizza en Chinees eten de enige bezorgopties op het vliegveld, zegt ze. ‘Ik snakte naar andere dingen, maar DoorDash bestond toen nog niet.’

    Dankzij de alomtegenwoordige maaltijdbezorgdiensten hebben mensen die op plekken wonen waar geen restaurants of kruidenierswinkels zijn tegenwoordig toegang tot alle keukens die de dichtstbijzijnde stad te bieden heeft.

    Regionale luchtvaartmaatschappijen

    Robert Golike (38) vertelt dat hij op bijna elke vlucht naar locaties in Prince William Sound bestellingen van afhaalvoedsel vervoert. ‘Het populairst is KFC,’ zegt hij.

    Midnight Air, een luchtvaartdienst uit Anchorage, vervoert op zijn vluchten ongeveer drie keer per week bestellingen van DoorDash en Uber Eats, vertelt eigenaar Robert May. Lake & Peninsula Airlines, een regionale luchtvaartmaatschappij die vliegt op de regio’s Lake Clark en Kuskokwim in Zuidwest-Alaska, levert dagelijks bestellingen van bezorgdienst Instacart en ‘nagenoeg om de dag’ van DoorDash, aldus medewerker Katie Burrows (29).

    Josie Owen, eigenaar van Alaska Air Transit, zag hoe bezorgapps stedelijk eten toegankelijker maakten voor mensen die ver weg wonen van het belangrijkste wegennet in de staat. Om de toestroom van bestellingen te verwerken, heeft haar bedrijf een grote tent op de parkeerplaats gezet. Daar labelen leveranciers de bestellingen met de naam van het dorp en de ontvanger voordat ze aan het luchtvaartpersoneel worden overhandigd.

    Het kost alleen al tussen de tien en dertig dollar [9,50 tot 28,50 euro] om het eten in het vliegtuig te krijgen

    Owen vertelt dat hoewel sommige mensen op het platteland van Alaska wel eens boodschappen halen in de dichtstbijzijnde stad, velen van hen een zelfvoorzienende levensstijl hebben en hun eigen voedsel oogsten. ‘Het bezorgde eten is vaak gewoon een traktatie,’ zegt ze.

    De meeste luchtvaartmaatschappijen landen alleen op de afgelegen plekken als er een passagier naartoe gaat of vertrekt. De mensen in het dorp weten dan dat ze kunnen bestellen bij DoorDash, Grubhub, Uber Eats of een lokale expediteur die ook klusjes doet voor de bewoners. De voedselbezorger haalt de bestellingen op en brengt ze rechtstreeks naar de luchtvaartmaatschappij. Afhankelijk van de bestemming, het gewicht van het eten en de beschikbare ruimte op de vlucht kost het de plattelanders van Alaska alleen al tussen de tien en dertig dollar [9,50 tot 28,50 euro] om hun eten in het vliegtuig te krijgen.

    De meeste mensen hebben zulke bedragen ervoor over, merkt Katie Burrows op. ‘Er zijn letterlijk geen wegen die deze mensen verbinden met McDonald’s, KFC of wat dan ook. Een expediteur of DoorDashing betalen om naar ons te gaan en dan nog eens twintig dollar erbovenop is nog altijd een stuk goedkoper dan naar de stad reizen.’

    Vluchten annuleren

    Het aantal bestellingen kan afhangen van het weer, want als vluchten vanwege een onverwachte storm worden geannuleerd, blijven de vliegtuigen aan de grond. Als dat gebeurt, moeten maaltijden in de koeling bewaard worden, of worden ze opgegeten.

    ‘Die DoorDash-bestellingen zijn er dan al, dus een goede oplossing is vaak dat ons personeel in Anchorage de maaltijden opeet en ze dan opnieuw bestelt en betaalt, zodat ze hopelijk de volgende dag verzonden kunnen worden,’ aldus Burrows.

    Voor veel bewoners van het platteland spelen expediteurs een sleutelrol. Caiti O’Connor en haar tweelingzus Shari van tweeëntwintig, afkomstig uit Dillingham maar tijdens het schooljaar woonachtig in Anchorage, hebben in de herfst van 2020 een expeditiebedrijf opgezet. De zussen helpen plattelandsbewoners van Alaska met verschillende klusjes, zoals het ophalen van huisdieren op het vliegveld voor een bezoek aan de dierenarts in de stad, het bergen van voertuigen of het op het vliegveld afleveren van Panda Express-maaltijden ter waarde van 300 dollar, voor een personeelsfeest op St. Paul Island. ‘We beschouwen onszelf hier als “de nichtjes”,’ zegt Caiti O’Connor.

    De afhaalmaaltijden per vliegtuig lopen zo goed dat Kristen Taylor (40) in juni 2020 een franchise van restaurantketen Papa Murphy’s in Anchorage kocht en kort daarna een tweede bedrijf startte, Alaska Sky Pie, dat de verzending van diepvriespizza’s, taarten en feestversieringen in heel Alaska verzorgt.

    Door contracten af te sluiten met verschillende luchtvaartmaatschappijen in Anchorage, kan ze nu naar ‘zowat elk dorp’ pizza’s van 40 centimeter doorsnede verzenden voor minder dan 5 dollar. Vanaf tien pizza’s is de verzending gratis.

    ‘Ik had wel eens pizza’s gezien op tv, maar er nog nooit een gegeten’

    In de zomer, wanneer veel Alaskanen druk zijn met vissen, jagen en voedsel verzamelen voor de winter, verstuurt ze 25 tot 50 pizza’s per week. In de herfst en winter gaat het om enkele honderden pizza’s per dag. Taylor schat dat ze 7500 pizza’s per jaar naar afgelegen delen van Alaska verstuurt, voor gelegenheden als verjaardagen, diplomauitreikingen, begrafenissen, bruiloften en schoolfeesten. ‘Ik leef erg mee met de ontberingen van mensen in afgelegen streken,’ zegt ze.

    De briefjes die ze soms ontvangt van families die haar pizza’s ontvangen, ontroeren haar. Bijvoorbeeld dat van een meisje uit Arctic Village: ‘Ik had wel eens pizza’s gezien op tv, maar er nog nooit een gegeten.’

  • Aanhoudende droogte leidt tot uitzonderlijk slechte oogsten in Italië

    Aanhoudende droogte leidt tot uitzonderlijk slechte oogsten in Italië

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van deze week:

    » Bibliotheken Oklahoma verboden om informatie over abortus te verstrekken

    » Lange rijen aan grens dreigen ‘nieuwe normaal’ te worden voor Britse vakantiegangers

    Droogte funest voor oogsten in Italië

    Door de aanhoudende droogte in Italië vallen de oogsten dit jaar bijzonder slecht uit, zegt de Italiaanse landbouworganisatie Coldiretti. De productie van mais en gewassen voor diervoeder ging met 45 procent omlaag, terwijl de opbrengsten van rijst en tarwe met 30 procent en de fruitopbrengst met 15 procent terugliepen, meldt ANSA. De melkproductie is met 20 procent gedaald doordat de koeien gestrest zijn door de extreme hitte.

    Door watergebrek in de Po-delta is een vijfde van de kweek van mosselen en spiering gestorven

    Door watergebrek in de Po-delta is een vijfde van de kweek van mosselen en spiering gestorven. ‘Er moeten noodmaatregelen komen voor het redden van de oogsten van landbouwbedrijven die in ernstige moeilijkheden verkeren,’ aldus Ettore Prandini, voorzitter van Coldiretti.

    Extreme weersomstandigheden, zoals de hittegolven die delen van Europa teisteren, zullen volgens wetenschappers steeds frequenter voorkomen. 

    Lees ook:

  • Wordt de octopus het volgende slachtoffer van de bioindustrie?

    Wordt de octopus het volgende slachtoffer van de bioindustrie?

    De octopus is een schepsel met vele geheimen. Hij is intelligent, koppig – en totaal anders dan mensen. Maar het ziet ernaar uit dat het weekdier binnenkort hetzelfde doel zal dienen als zovele dieren voor hem: dat van grondstof voor de industriële massaproductie van vlees.

    Choco Frito is de Portugese versie van fish and chips. Het ligt in vette stapels op het bord van Lucas Martins. Rechts de reepjes gesneden aardappelen, links stukjes gesneden en gefrituurde inktvis. Een uur geleden hield Lucas op de bodem van de zee zijn korte, brede vingers naast de altijd kronkelende tentakels van een octopus, in de hoop hem aan te kunnen raken, maar het dier gunde hem dit plezier niet. In plaats daarvan maakte het een sprong, stootte een wolk inkt uit en zwom met de melkachtig witte huid weg als een speer.

    Wat wij inktvis noemen, verwijst naar verschillende soorten koppotigen: op het bord van Lucas ligt een sepia (in stukken gesneden), onder water kwam hij een octopus tegen (in één stuk). Dat het woord voor het ene dier vrouwelijk is en voor het andere mannelijk, is even irrelevant als de hond en het poesje, het is gewoon zo. Een sepia lijkt een beetje op een vliegende, of liever: zwevende schotel, met tien tentakels rond zijn mond, als een baard. Een octopus heeft een zakvormig lichaam, onderaan een mond die bek of soms snavel wordt genoemd, en acht tentakels die in alle richtingen uitwaaieren. ‘Ik vind het gaaf om de octopussen daar beneden te zien,’ zegt Lucas Martins. ‘Maar ik heb ze ook graag op mijn bord.’

    Dit is een verhaal over tegenstrijdigheden, onwetendheid en heimelijkheden. En het is een toenadering tot een dier waarop al zoveel werd geprojecteerd: de dood, monsterlijkheid, list en lust. Velen beschouwen de octopus als een wezen dat het dichtst in de buurt van een buitenaardse verschijning komt, of althans bij ons idee ervan. Omdat het totaal anders is dan wij.

    Dit verhaal gaat over de mens die denkt voldoende te hebben begrepen van onderwaterwezens om er een calculeerbaar product voor een kapitalistisch industrieel systeem van te maken.

    Industriële kweek

    De octopus ‘voldoet aan veel van de vereisten om in aanmerking te komen voor industriële kweek’, schreef het wetenschappelijke tijdschrift Aquaculture in 2004: ‘gemakkelijke aanpassing aan de omstandigheden in gevangenschap, hoge groeisnelheid, aanvaarding van laagwaardig natuurlijk voedsel, hoge reproductiesnelheid en hoge marktprijs’. Het was slechts een kwestie van tijd.

    Evolutionair biologisch gezien kunnen mens en octopus nauwelijks verder uit elkaar staan. Onze wegen gingen ongeveer zeshonderd miljoen jaar geleden uiteen, toen al het leven zich nog in zee afspeelde en geen enkel organisme nog voet op land had gezet.

    Onze meest recente gemeenschappelijke voorouder is een wormachtig wezen dat enerzijds uitgroeide tot gewervelde dieren, zoogdieren en bovengemiddeld intelligente mensen. Aan de andere kant ontstonden ongewervelden zoals mosselen, slakken en bovengemiddeld intelligente koppotigen. Ons bloed is rood omdat het ijzer bevat als zuurstofdragend molecuul; hun bloed is blauwgroen omdat ze koper gebruiken om zuurstof te transporteren. Dat we geboren worden, leven en sterven hebben we gemeen, evenals onze ogen, vreemd vertrouwd in dit vreemde lichaam. Afgezien daarvan is alles anders, alsof de evolutie twee keer de geest kreeg, maar wel twee keer totaal anders. Vandaar de vergelijking met een buitenaards wezen, afkomstig van de Britse zoöloog Martin Wells. Onze wens de octopus te begrijpen is een uitdaging voor onze eigen intelligentie.

    In de oudheid werden octopussen vereerd als symbolen van de liefde

    Is het altijd goed om alles te begrijpen? In ieder geval bewijzen we de octopussen er geen dienst mee. Tot op zekere hoogte verhinderen zij ons dat begrip dan ook: we weten nog steeds niet wat er in hun hoofden omgaat, omdat zij de elektroden waarmee we hun hersengolven proberen te meten, er binnen een mum van tijd aftrekken met een van hun acht armen.

    Met elk stukje informatie dat wij over hen krijgen, verliezen ze iets van hun geheimen. In de oudheid werden octopussen vereerd als symbolen van de liefde; in talloze verhalen zijn ze angstaanjagende, onaantastbare monsters; Victor Hugo beschrijft ze als ‘beesten van as’; in Japan heeft kunstenaar Katsushika Hokusai ze in een houtsnede vereeuwigd als de belichaming van wellust. Maar inmiddels weten we te veel om ze zomaar te gebruiken voor onze projecties.

    ‘[Dieren] zijn objecten van onze steeds uitbreidende kennis. Wat we over hen weten is een indicatie van onze macht en dus een indicatie van wat ons van hen scheidt. Hoe meer we weten, hoe verder weg ze zijn‘, aldus de Britse schrijver John Berger. ‘In de eerste fasen van de industriële revolutie werden dieren (…) gebruikt als machines. Tegenwoordig, in de zogenaamde postindustriële samenlevingen, worden ze behandeld als grondstoffen.’

    Octopuskwekerij

    Mensen vangen en eten al heel lang octopussen. Maar nu bouwt het Spaanse bedrijf Nueva Pescanova – een van de grootste visserijbedrijven ter wereld, met een vloot van meer dan zestig vaartuigen en een gecombineerd aquacultuurgebied van ongeveer zevenduizend hectare – ’s werelds eerste octopuskwekerij op Gran Canaria.

    De octopus wordt een industrieel product, zoals een chocoladereep. Om preciezer te zijn geldt dat voor de Octopus vulgaris, de gewone octopus. Dat is de kosmopoliet onder de octopussen, want hij leeft in alle oceanen van de wereld.

    De octopus is in staat tot buitengewone denkprestaties, niet alleen met zijn hersenen, maar met zijn hele lichaam. Drie vijfde van zijn neuronen bevinden zich in zijn armen, die zich onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen: de octopus leeft dus buiten de gangbaar geachte scheiding tussen lichaam en geest.

    De octopus heeft negen hersens en drie harten, zijn hele lichaam is geest

    Dit is een uitdaging voor het filosofische geest-lichaamprobleem, dat, eenvoudig gezegd, betrekking heeft op de vraag waar de geest zich in het lichaam bevindt. In de hersenen? In het hart? De octopus heeft negen hersens en drie harten, zijn hele lichaam is geest – of zijn hele geest is lichaam.

    Met zijn tentakels kan hij proeven en, in zekere zin, ook zien. In zijn huid zitten fotoreceptoren die hem helpen de kleuren van zijn omgeving aan te nemen, ook al is hij zelf kleurenblind.

    Hij kan deksels van potjes draaien en zich vijf maanden lang herinneren hoe hij dat deed. Hij kan mensen uit elkaar houden, zelfs als ze hetzelfde uniform dragen, en hij kan taken oplossen zoals een hendel overhalen om eten te krijgen. Maar bovenal heeft hij een persoonlijkheid. In het experiment met de hendel trokken twee octopussen zachtjes, maar de derde trok zo hard dat de hendel brak. Hij rukte ook de lamp los die boven de bak hing en belaagde de onderzoeksleider met waterstralen.

    Persoonlijkheid is een sterke indicator van hoge intelligentie, net zoals het vermogen om plannen te maken: meerdere octopussen zijn in het wild waargenomen met de schalen van een kokosnoot om als pantser te gebruiken in geval van gevaar. Een octopus wordt echter maar ongeveer twee jaar oud – dus wat is het nut van al deze vaardigheden als hij nauwelijks tijd heeft om ze te gebruiken? De meest sluitende verklaring: de octopus bestaat alleen uit zachte weefsels, wat hem tot een gemakkelijke prooi maakt. De drang om zich zo goed mogelijk voor aanvallers te kunnen verbergen en eraan te ontsnappen, schiep intelligentie als overlevingsstrategie. Er is nog zoveel dat we niet begrijpen, en daarom stelt zeebioloog Jean Boal terecht de vraag: ‘Zijn we eigenlijk wel slim genoeg om uit te vinden hoe slim ze zijn?’

    Vijftig procent overlevingskans

    Kan zo’n schepsel in een kwekerij leven? Aangezien de kwekerij in afwachting van de milieu-effectbeoordeling nog niet in aanbouw is, nodigt het bedrijf Nueva Pescanova SZ-Magazin uit in zijn onderzoekcentrum in Galicië.

    In Galicië, in het noordwestelijkste puntje van Spanje, is men gewend de zee te benutten. De batea’s, houten platforms waaronder oesters en mosselen aan grove touwen groeien, rijgen zich in de baaien aaneen.

    In hotels wordt op affiches reclame gemaakt voor het ‘Festa do Marisco’, met grote krabben die koffiedrinken uit kleine kopjes. En in de ochtenduren, wanneer bij laagwater de zeebodem komt bloot te liggen, gaan honderden in neopreen geklede figuren op zoek naar mosselen.

    Aan de oostkust van het schiereiland O Grove staat het Biomarine Centrum Pescanova, een doos van beton en glas, met daar bovenop een museum en eronder een onderzoekscentrum. Met een virtualrealitybril kun je van boven in de ruimtes eronder kijken en zo de tarbotten, de algenkwekerij en de waterzuiveringsinstallatie zien. Alleen van de tank met de octopussen zijn geen beelden. Hun kweek is een van de meest waardevolle geheimen van de visindustrie.

    Een paralarva staart ons aan – een octopus van minder dan 24 uur oud, een paar millimeter groot

    David Chavarrías Lázaro, directeur van het centrum, en Tesa Díaz-Faes Santiago, hoofd van de communicatieafdeling van Nueva Pescanova, leiden ons de trap af naar dit geheim – fotograferen is verboden. Op het mondkapje van de communicatiedeskundige prijkt een zwaaiende Rodolfo Langostino, een breed grijnzende langoustine met witte handschoenen en een blauwe sjaal; de mascotte van het bedrijf. We trekken fladderende witte plastic jassen en blauwe schoenovertrekken aan en beneden in het lab wacht een laborante ons al op bij de microscoop, waarvan het beeld zichtbaar is op een plat scherm erboven. Een paralarva staart ons aan – een octopus van minder dan 24 uur oud, een paar millimeter groot. Zijn lichaam is doorzichtig, en zijn pulserende organen steken er donker bij af.

    Als hij zich in open zee zou bevinden, zou hij nu ongeveer twee maanden min of meer willoos in het water ronddobberen om zich dan naar de bodem te laten zinken waar zijn levens- en voedselbehoeften volledig veranderen. En dat herhaal zich als hij tot een grote octopus is uitgegroeid. ‘Het zijn eigenlijk drie verschillende dieren,’ zegt Chavarrías.

    Dat een paralarva volwassen wordt, is in het wild al uiterst onwaarschijnlijk, omdat hij vanaf het begin alleen is. Een vrouwelijke octopus legt enkele honderdduizenden eieren per keer en steekt al haar energie in de verzorging ervan. Het nieuwe begin is haar einde: als haar kroost uitkomt, sterft de moeder.

    Weerloos blootgesteld aan de gevaren van de oceaan, overleeft slechts een fractie van de kleintjes de eerste weken. Lange tijd overleefde er in het laboratorium geen een. De paralarva die we nu op het scherm zien heeft vijftig procent overlevingskans, zegt David Chavarrías. ‘Maar dat kunnen we van generatie op generatie optimaliseren.’ Bedrijven en onderzoeksinstellingen over de hele wereld zijn al tientallen jaren in een race verwikkeld om als eerste een octopus in gevangenschap groot te brengen. Nueva Pescanova is het gelukt.

    Geen regelgeving

    Er is nu nog geen wet die dat kan verhinderen. Er bestaat zelfs geen regelgeving die voorschrijft hoe octopussen moeten worden gehouden of gedood – de EU-richtlijn inzake de bescherming van boerderijdieren sluit ongewervelde dieren uitdrukkelijk uit. Chavarrías legt uit dat Nueva Pescanova momenteel onderzoekt of het beter is de dieren eerst bewusteloos te maken met geleidelijke elektrische schokken of met kooldioxide om ze daarna te doden; hoe wil hij niet zeggen. Verschillende dierenbeschermingsorganisaties willen de bouw van de kwekerij tegenhouden, maar zonder rechtsgrond is dat moeilijk.

    Dierenrechtenorganisatie Peta deed in een open brief aan de minister van Landbouw van de Canarische Eilanden een oproep om de kwekerij te stoppen en verzamelde meer dan 25.000 handtekeningen. In Las Palmas demonstreerden dierenbeschermingsgroepen voor het stadhuis. Ze hadden borden met in grote letters ‘Stop de octopuskwekerijen’, één activist was verkleed als rode octopus.

    Een andere manier om de kwekerij toch te verhinderen is de milieu-effectbeoordeling. Honderdtien onderzoekers, dierenwelzijns- en milieuorganisaties ontrafelden die in mei 2022. Een van hun belangrijkste punten van kritiek: tot dusver onbekende ziekteverwekkers zouden zich vanuit de kwekerij kunnen verspreiden en Nueva Pescanova heeft geen adequate veiligheidsmechanismen om dat te voorkomen. Zij riepen de regering van de Canarische Eilanden op de milieuvergunning voor de kwekerij te verwerpen. Het is onwaarschijnlijk dat dit zal gebeuren – Nueva Pescanova heeft 65 miljoen euro geïnvesteerd in de bouw van de kwekerij en belooft honderdvijftig nieuwe banen op het eiland.

    En vanwaar al die ophef? De handel in octopus is een miljardenbusiness.

    Octopussen, inktvissen en sepia’s behoren tot de meest waardevolle zeedieren ter wereld

    Alleen al de diepgevroren octopus, die de Europese Unie vorig jaar uit Marokko importeerde, had een waarde van ongeveer 2,4 miljard euro. Wat de omzet is die Nueva Pescanova maakt en verwacht te maken wil het bedrijf niet zeggen. Maar octopussen, inktvissen en sepia’s behoren tot de meest waardevolle zeedieren ter wereld. Ze zijn populair in Hawaïaanse tako-pokébowls, in Spaanse tapas, als Japanse takoyaki-balletjes en in de Portugese versie van fish and chips.

    Van de 20,5 kilo vis die elk mens wereldwijd gemiddeld per jaar eet, is 0,5 kilo octopus, en die hoeveelheid neemt toe. Sinds de jaren vijftig zijn de vangsten wereldwijd verviervoudigd, maar van 2017 tot 2018 stortten daalde deze weer van 433.000 ton tot 322.000. In Europese wateren is de vangst niet gereguleerd; wereldwijd worden veel bestanden als overbevist beschouwd. En dat terwijl de octopus een van de weinige diersoorten is die goed kan omgaan met de veranderingen die de mens onder water heeft teweeggebracht.

    Nueva Pescanova verkoopt ook octopus uit de wateren voor de kust van Mauritanië, Marokko en Galicië; het bedrijf wil niet bekendmaken hoeveel, noch met welke vangst- en dodingsmethoden. David Chavarrías zegt er alleen dit over: ‘De wildbestanden in deze gebieden zijn volledig vernietigd.’ De kwekerij zal het probleem op een zeer duurzame manier oplossen, zegt hij. Met de geplande octopuskwekerij vraagt Nueva Pescanova EU-middelen aan in het kader van het programma Next Generation, dat tot doel heeft milieuvriendelijke technologieën na de pandemie te bevorderen. ‘Aquacultuur is een manier om de druk op de wildvisserij effectief te verminderen,’ zegt Tesa Díaz-Faes.

    Uit een studie die in 2019 in het tijdschrift Conservation Biology is gepubliceerd, blijkt echter het tegenovergestelde: aquacultuur zou de wilde visvangst niet vervangen, maar aanvullen. Ze kan zelfs bijdragen tot een stijging van de vraag, omdat de betreffende soorten ruimer beschikbaar en goedkoper worden. Meer dan de helft van de vis die vandaag wordt gegeten, komt al uit kwekerijen.

    Lourditas

    Maar het kweken van octopus blijkt uiterst moeilijk te zijn. In 2017 kondigde het Japanse bedrijf Nissui aan dat het met succes octopuseieren had uitgebroed en dat het in 2020 ’s werelds eerste gekweekte octopus op de markt zou brengen. Vervolgens gebeurde er niets. Tot Nueva Pescanova in 2019 met een soortgelijke aankondiging naar buiten kwam: de eerste gekweekte octopus zou in 2023 op de markt moeten komen. In samenwerking met het Spaans Nationaal Oceanografisch Instituut – Nueva Pescanova financiert het onderzoek en koopt de daaruit voortvloeiende octrooien – heeft het bedrijf voor het eerst octopussen in gevangenschap grootgebracht. Hoe precies, onthullen ze niet. Ze noemden het moederdier Lourditas, naar het mirakel van Lourdes, omdat ze het een mirakel vinden dat het hen is gelukt.

    De minioctopus die ze hier nu laten zien, behoort al tot de vijfde generatie. In zwarte tanks in de grote hal wordt de generatie ouders gehouden; de kleur wordt verondersteld hen te kalmeren. Ongeveer twintig mannetjes liggen in één pool – ze geven de voorkeur aan het begrip pool, zegt Chavarrías – met ongeveer hetzelfde aantal vrouwtjes in het bassin ernaast. Het mannelijk bassin is helemaal kaal, in het vrouwelijk bassin liggen twee korte buizen waaruit bleke tentakels steken. De octopussen liggen in hoopjes op elkaar, hun armen in kleine spiralen gedraaid, hun lichaamskleur melkwit. Slechts een van de mannetjes heeft een roestrode kleur gekregen en zwemt naar de rand van het bassin waar wij staan. Twee keer stoot hij met zijn zakachtige lichaam tegen de rand, dan vormt hij kleine stekeltjes op zijn huid en loopt langzaam achteruit met zijn tentakels, zonder zijn ogen van ons af te wenden. De anderen blijven op de bodem.

    De kwekerij zal er wat anders uitzien, leggen de in plastic gehulde communicatiemanager en de centrumdirecteur uit. Vanwege de goede waterkwaliteit en de milde temperaturen zal de kwekerij op Gran Canaria worden gebouwd, en er zal drieduizend ton octopus per jaar worden geproduceerd.

    ‘Het is een mythe dat octopussen zo intelligent zijn’

    In grote bassins zullen meerdere kooien drijven, zonder speelgoed, zegt Tesa Díaz-Faes. ‘Dat is er in de natuur ook niet.’ Antibiotica of herbicides zullen niet worden gebruikt. Momenteel wordt met biomarkers in de octopussen onderzocht of er sprake is van stress. Met behulp van kunstmatige intelligentie worden alle belangrijke parameters voortdurend gecontroleerd en aangepast en er wordt samengewerkt met Microsoft.

    Zes tot tien milligram zuurstof per liter, 27 tot 37 gram zoutgehalte, een pH-waarde van 7 tot 8,5, een temperatuur van 12 tot 21 graden Celsius. Die cijfers moeten hen vertellen of de octopussen gelukkig zijn.

    ‘Het is een mythe dat octopussen zo intelligent zijn,’ zegt Díaz-Faes. Het feit dat zij bijvoorbeeld een pot met schroefdop kunnen openen, is geen teken van intelligentie, zegt ze, maar eerder het resultaat van hun zenuwstelsel waardoor zij onophoudelijk al hun armen bewegen.

    In de experimenten deden de octopussen het echter op verschillende manieren, met slechts één arm of met meerdere: een duidelijk teken van doelgerichte actie.

    ‘De conclusie dat de intelligentie van octopussen een mythe is, vereist dat je meer dan tachtig jaar onderzoek terzijde schuift,’ zegt de Australische gedragsbioloog Alex Schnell als ze hoort van Díaz-Faes’ uitspraken.

    Vermogen om te voelen

    Schnell is expert op het gebied van koppotigen en doet al vijftien jaar onderzoek. ‘Honderden experimenten hebben objectief aangetoond dat octopussen intelligent zijn en gevoel hebben,’ zegt zij. Schnell heeft vorig jaar, samen met onderzoekers van de London School of Economics and Political Science, in een uitgebreide metastudie aangetoond dat octopussen gevoel hebben. ‘Wij zijn ervan overtuigd dat het kweken van octopussen met een hoog welzijnsniveau onmogelijk is’, concludeerde het team van deskundigen in hun rapport, en het stelde voor dat de Britse regering de invoer van gekweekte octopus preventief zou verbieden.

    Lange tijd werd octopussen het vermogen om te voelen ontzegd, omdat zij als ongewervelde dieren niet onder de regelgeving inzake dierenwelzijn vielen; daarom mochten ze in onderzoeksfaciliteiten zonder verdoving worden geopereerd. Inmiddels zijn ze ‘op eretitel’ in veel verordeningen opgenomen als ‘gewervelde dieren’, onder meer in de EU-richtlijnen betreffende bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt.

    Van een wezen dat zo anders is dan mensen, is het moeilijk om gevoelens te interpreteren. Nog maar twee jaar geleden kwamen onderzoekers erachter hoe zij emoties bij muizen kunnen aflezen uit hun gezichtsuitdrukkingen, maar dergelijke studies zijn er niet voor octopussen. Men kan proberen hun gedrag te interpreteren – zoals het gegeven dat de octopussen in Nueva Pescanova elkaar niet verscheuren. Het klinkt paradoxaal, maar dat is een slecht teken. Omdat octopussen solitaire dieren zijn, blijven de meeste zelfs tijdens het paren op veilige afstand. ‘We weten dat ze niet graag in een groep zijn, dan bijten ze of eten ze elkaar zelfs op,’ zegt labtechnicus Alix Harvey. Ze is verzorger van de onderzoeksaquaria van het Citadel Hill Laboratory in Plymouth, Zuid-Engeland, het hoofdkwartier van de Britse Marine Biological Association. Er zijn maar weinig mensen die zoveel ervaring hebben met koppotigen in gevangenschap als zij, en het feit dat de octopussen elkaar niet aanvallen in de groepshuisvesting in Nueva Pescanova, noemt ze zeer verontrustend. Ze liggen onder elkaar omdat dit de enige manier voor hen is om zich ergens onder te begraven, legt ze uit. ‘Octopussen kunnen depressief worden,’ zegt ze. Hun witte lichaamskleur is daar een aanwijzing voor; die krijgen ze alleen als ze gestrest, boos of ongelukkig zijn.

    Octopussen ontsnappen als het goed met ze gaat. Als ze niet ontsnappen, betekent het dat ze niet in orde zijn

    ‘Als het ze niet goed zou gaan, zouden ze voortdurend proberen te ontsnappen,’ had David Chavarrías gezegd bij het open bassin in de onderzoeksruimte. Maar het bassin is nooit afgedekt geweest.

    Door te vluchten zouden ze echter geheid hun dood tegemoet treden: octopussen kunnen korte tijd overleven op het land, maar ze drogen zeer snel uit. Meestal weerhoudt dat hen er niet van hun geluk toch te beproeven. Wetenschappers over de hele wereld kunnen de meest hilarische verhalen vertellen over hoe octopussen uit hun aquarium ontsnappen, hoe ze ’s nachts stiekem andere tanks binnensluipen om op vis te jagen, hoe ze hele laboratoria onder water zetten door de afvoer te blokkeren, of hoe ze kortsluiting veroorzaken met een waterstraal. ‘We verzwaarden de deksels van onze aquaria met betonblokken, maar die konden ze omhoogtillen,’ zegt Alix Harvey. ‘We hebben kleine exemplaren gehad die via de afvoer uitbraken en andere ontsnapte uit de ene emmer en klom een andere in.’ Octopussen ontsnappen als het goed met ze gaat. Als ze niet ontsnappen, betekent het dat ze niet in orde zijn.

    Nog een argument tegen de kwekerij: octopussen zijn – net als veel andere vissen die in kwekerijen worden gekweekt – carnivoren. Dit betekent dat er vis voor ze moet worden gevangen: aquaculturen maken de zee extra leeg. Van de wereldwijd gevangen of gekweekte vis is 88 procent bestemd voor menselijke consumptie, de rest wordt grotendeels gebruikt als voer in kwekerijen.

    David Chavarrías is zich van dit probleem bewust en legt uit dat de octopussen worden gevoed met visafval en algen. Hun FIFO (‘fish-in, fish-out’-ratio) laat zien hoe effectief ze dit voedsel omzetten in lichaamsgewicht. Het is 2,5:1 en moet worden teruggebracht tot 2:1, aldus Chavarrías. Dat betekent dat de octopussen 2 kilo voedsel omzetten in zo‘n 1 kilo lichaamsgewicht.

    Alex Schnell gaat eerder uit van een verhouding van 3:1. Voor labtechnicus Alix Harvey is het voedsel alleen al reden genoeg om tegen kwekerijen te zijn. ‘In het beste geval moeten octopussen levend voedsel krijgen,’ zegt ze. Uiteindelijk kunnen ze gewend raken aan dood voedsel, maar algen en visafval is weer een ander verhaal.

    ‘(…) de enige werkelijkheid in de leegte bestaat uit hun eigen lusteloosheid of hyperactiviteit’, schreef John Berger over dieren in gevangenschap. ‘Ze hebben niets om hun energie op te richten – behalve, even, het voer dat ze krijgen en, zo heel af en toe, de partner die men hun toewijst.’

    Octopus’s Garden

    Maar hoe leeft een octopus in vrijheid, van wie zwemt hij weg, wat verkent hij en hoe reageert hij op mensen? Om dat te ontdekken, ontmoet ik Lucas Martins in Sesimbra, zo’n veertig kilometer ten zuiden van Lissabon. Lucas duikt hier al jaren en hij zegt dat hij op deze plek altijd octopussen tegenkomt. We trekken dikke wetsuits aan, neopreen schoenen en neopreen mutsen, de Atlantische Oceaan is koud. Een motorboot brengt ons het water op, dan doen we zuurstofflessen en loodgordels om, zetten vinnen en brillen op en laten ons achterover in het water vallen.

    In de Oscarwinnende film My Octopus Teacher laat natuurfilmmaker Craig Foster het grootste deel van zijn uitrusting achterwege om dichter bij de octopus te komen, maar ik ben noch getraind voor de kou, noch voor apneuduiken. Luid borrelend zakken we naar de zeebodem, waar we op zoek gaan naar het dier dat zich beter kan camoufleren dan bijna elk ander dier.

    ‘We would sing and dance around / Because we know we can’t be found‘  [‘We zouden in de rondte zingen en dansen, want we weten toch dat we niet gevonden worden’] zingt Ringo Starr in het Beatles-nummer Octopus’s Garden. En inderdaad, eerst lijkt het erop dat de octopussen niet gevonden kunnen worden. Een half uur lang kijken we tevergeefs in elk gat en onder elke rots. Dan stopt Lucas voor iets dat in mijn ogen op een steen lijkt. Bij nader inzien herken ook ik de octopus, die perfect de kleur van de zandbodem heeft aangenomen. Als we dichterbij komen, realiseert het dier zich dat zijn camouflage niet werkt. Hij zweeft omhoog, verandert in bleekwit alsof hij zijn zandkleurige vacht heeft laten vallen, en schiet weg. Ik had mijn opwinding willen uiten, maar ik heb een ademautomaat in mijn mond en bevind me zo’n 15 meter onder het wateroppervlak. Dus Lucas en ik geven elkaar alleen het oké-teken: duim en wijsvinger gesloten in een cirkel.

    We komen een tweede, derde en vierde octopus tegen die dag. Ze persen zich in spleten, nemen de kleur aan van de rode algen die hier in het water dobberen, trekken zich met hun tentakels aan rotsen op, vormen kleine stekels over het hele oppervlak van hun lichaam om onmiddellijk daarna te veranderen in een diepe tint blauw.

    Hun hele wezen is ontworpen voor camouflage

    Hun hele wezen is ontworpen voor camouflage – camerabeelden met hoge resolutie lieten zelfs zien dat ze met hun inktwolken fantoombeelden van zichzelf creëren om hun aanvallers te verwarren.

    Met hun ogen, die zo vertrouwd menselijk lijken, taxeren ze Lucas en mij tijdens onze duiken. Maar Lucas’ hand aanraken, dat willen ze niet. Ik denk aan Alix Harvey, die mij vertelde dat ze er als kind van droomde een hechte vriendschap te sluiten met een wild dier, zoals waarschijnlijk veel kinderen. Zij gelooft dat we die droom nooit helemaal ontgroeien. Het is deze droom die filmmaker Craig Foster werkelijkheid heeft laten worden, of op z’n minst de illusie ervan. Hij hield van de octopus, maar hield die ook van hem?

    Het doet er niet toe. Een dier hoeft zijn genegenheid niet te tonen om respect te verdienen. Een octopus hoeft zijn tentakels niet uit te steken als wij hem onze hand reiken. Hij kan ook een wolk inkt uitstoten en wegzwemmen, zoals de meeste octopussen op een bepaald moment na onze ontmoeting doen.

    ‘Oh what joy for every girl and boy / Knowing they’re happy and they’re safe’ [‘Oh, wat een vreugde is het voor alle meisjes en jongens om te weten dat ze gelukkig zijn en veilig‘] zingt Ringo Starr tegen het einde van Octopus’s Garden. Hij schreef het in 1968 in Sardinië, waar een schipper hem had verteld hoe octopussen stenen en schelpen verzamelen om tuintjes aan te leggen voor hun holen. The Beatles lagen overhoop in die tijd en Starr droomde zichzelf naar deze fantastisch klinkende plek. Hij kon niet weten dat die tuintjes vierenvijftig jaar later zouden veranderen in kooien.

  • Indonesische president Widodo: ‘Poetin is bereid zeeroute voor tarwe te openen’

    Indonesische president Widodo: ‘Poetin is bereid zeeroute voor tarwe te openen’

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » VS: Hooggerechtshof blokkeert klimaatmaatregelen EPA

    » Wetenschappers ontdekken nieuwe fossiele soorten met hulp van oogstmier

    Widodo: ‘Stel voedsel en kunstmest vrij van sancties’

    Volgens de Indonesische president Joko Widodo is Vladimir Poetin bereid de zeeroute te openen voor de export van tarwe uit Oekraïne. Widodo ontmoette de Russische president donderdag in Moskou, zo meldt Nikkei Asian Review. Poetin zei dat Rusland ‘er klaar voor is om volledig te voldoen aan de vraag van landbouwproducenten uit Indonesië en andere bevriende staten naar stikstof, fosfaat, kunstmeststoffen en andere landbouwgrondstoffen’.

    De Indonesische leider was aan het begin van de week ook te gast bij de G7-top in Duitsland en had een ontmoeting met de Oekraïense president Volodymyr Zelensky. Widodo, de huidige voorzitter van de G20-landen, had gezegd dat hij de wereldwijde voedselcrisis wilde bespreken met de leiders van Rusland en Oekraïne. Beide landen zijn topleveranciers van tarwe op de wereldmarkt, terwijl Rusland ook een topexporteur van meststoffen is.

    Widodo waarschuwt dat 2 miljard mensen in ontwikkelingslanden de dupe kunnen worden van een rijstcrisis

    Tijdens de G7-top had Widodo al gewaarschuwd dat 2 miljard mensen in ontwikkelingslanden de dupe kunnen worden van een rijstcrisis als gevolg van de gebrekkige toevoer van kunstmest. Hij drong er bij de G7-leiders op aan dat voedsel en kunstmest vrijgesteld zouden worden van sancties.

    Rusland blokkeert de Zwarte Zee en verhindert de export van Oekraïense, hoewel Poetin zelf de verstoring toeschrijft aan de westerse sancties.

    Lees ook:

  • Zweet, sissend vlees en gezwaai met messen: een inkijk in de keuken van een Parijse bistro

    Zweet, sissend vlees en gezwaai met messen: een inkijk in de keuken van een Parijse bistro

    Een voormalige ober onthult wat er achter de klapdeur van een Parijse bistro gebeurt. Hij vergelijkt de hectiek in de keuken met een aards inferno. ‘De chef-kok duwt me tegen de muur, zijn mes vlak bij mijn oog.’

    Keuze uit het archief

    De Deense topchef René Redzepi kondigde deze week aan te vertrekken bij het wereldberoemde sterrenrestaurant Noma. Hij wordt beschuldigd van fysiek en verbaal geweld richting personeel. Daarmee lijkt er sprake te zijn van een cultuuromslag: ondergeschikten pikken het niet langer om door hun chef-kok geïntimideerd te worden.
    In dit artikel van The Telegraph uit 2022, een fragment uit het boek A Waiter in Paris, doet ober Edward Chisholm uit de doeken hoe het er in de Parijse bistro Les Deux Magots achter de schermen aan toegaat. Het stuk sluit naadloos aan bij de onthullingen van de afgelopen week.

    ‘Veel mensen zien een restaurant in Parijs misschien als iets moois, een goed geoliede machine vergelijkbaar met een goed getraind leger, iets wat al eeuwen op rolletjes loopt. Dat beeld klopt niet. Een restaurant in Parijs is een tweemaal daagse oefening in crisisbeheer en winstmaximalisatie en eerlijk gezegd, nu ik weet hoe het werkt, kan ik vertellen dat het een wonder is dat de gerechten zoals jij ze besteld hebt op tafel belanden. Een restaurant in Parijs is in werkelijkheid een inefficiënte bedoening, bemand door onderbetaalde en ondervoede slaven.’

    Dat zegt Edward Chisholm, die tien jaar geleden aan de grond zat in Parijs en een baan kreeg in een restaurant dat het midden hield tussen een buurtbistro en een sterrentent, en zich profileerde als ‘een soort Mekka waar mode en goed eten bij elkaar komen: het hedendaagse Parijs in een notendop’.

    Dat betekende dat hij twaalf tot veertien uur per dag moest werken, slechts gevoed door koffie en sigaretten

    Chisholm, beter bekend als ‘l’Anglais’, ‘de Engelsman’, begon als runner, de laagste positie op de ladder van de bedieningshiërarchie. Dat betekende dat hij twaalf tot veertien uur per dag moest werken, slechts gevoed door koffie en sigaretten, en tijdens zijn pauzes in een hokje van de herentoiletten in een naburig luxehotel wat bijsliep.

    De klapdeur achter in het restaurant vormde voor Chisholm het begin van een groot avontuur en van een levenslange liefde voor Frankrijk en Europa. Plotseling werd hij ingewijd in een van de meest iconische steden op aarde. Hij ontdekte een verborgen wereld bevolkt door dieven, immigranten zonder papieren, ex-soldaten, zogenaamde acteurs, drugsdealers en meer.

    Zoals de vergeten arbeiders in veel rijke steden zwoegden ze gezamenlijk in de schaduw van de Lichtstad, in de hoop dat dat tijdelijk was en het echte leven ergens om de hoek lag. Hier moesten ze alleen even doorheen.

    Nu, tien jaar later, heeft Chisholm een boek geschreven over zijn ervaringen. Het volgende fragment beschrijft de gruwelen van de Passage en de grote gevaren die op de loer liggen wanneer je de bovenkeuken betreedt…

    Afdaling naar de eethel

    Een restaurant in Parijs is als een bijenkorf, met jullie, de gasten, bovenaan, en de keukens ergens beneden. Maar het knooppunt van deze operatie, de plek die deze twee werelden verbindt en waar ik het grootste deel van mijn tijd doorbracht, heet de Passage.

    Dit vagevuur van zes vierkante meter met lage plafonds is de plek waar al het eten en drinken langskomt, hetzij vanuit de keukens richting restaurant, hetzij op de terugweg in de vorm van vuile borden en glazen. Hier komen ook de obers samen, een groep buitenbeentjes die meer weghebben van een goed geklede straatbende dan van een groep obers in een chic restaurant in Parijs.

    De Passage is de poort naar de onderwereld, compleet met zijn eigen Hellehond in de vorm van drie linke Sri Lankanen die geen genade kennen en hun werk verrichten in een ruimte ter grootte van een cockpit, slechts verlicht door een kaal peertje. Ze dragen vuile laboratoriumjassen die ooit wit waren en die bij de knopen opbollen door de vele lagen kleding eronder. Ook al zijn deze mannen de bewakers van het inferno beneden, in de Parijse winters werken ze bij ijskoude temperaturen aangezien de Passage voor de zomer ook een opening heeft naar het terras, die in de winter attent wordt afgedekt met een dun metalen luik.

    De leider van de bende in Le Bistrot de la Seine is Nimsath, een kleine pezige man met diepe groeven in het gezicht, een intense blik en vinnige houding, die schijnbaar altijd op het punt staat te ontploffen. Hij is donker en gespierd. Hij zou eind twintig of veertig kunnen zijn – dat is lastig te bepalen aan de hand van zijn uiterlijk. Hij maakt een prachtig grommend geluid als hij boos is. ‘Tamiltijger, vrijheidsstrijder,’ blaft hij dan. ‘Niet Sri Lankaans, niet Indiaas, Ingleeshman.

    De mannen die de Passage beheren, blijken allemaal lid te zijn van een guerrillaorganisatie

    De tweede Tamil is reusachtig, met zeer donkere trekken. Alle obers noemen hem Baloo. Hij heeft vriendelijke ogen en beweegt zich langzaam en doelgericht, alsof hij bang is iets te breken. De derde heet Mani. Ik heb hem niet eerder gezien. Hij zegt niets, kijkt alleen naar me en glimlacht.

    De mannen die de Passage beheren, blijken allemaal lid te zijn van een guerrillaorganisatie die sinds 2006 op de zwarte lijst van de Europese Unie staat. Uit gesprekken met Nimsath en de andere Tamils blijkt dat het geharde soldaten zijn, met genoeg gruwelverhalen om de obers door de tragere diensten te loodsen. Je kunt je soms moeilijk voorstellen dat deze mannen die daar borden aan het stapelen zijn en tegen de obers schreeuwen, bedreven zijn in lijf-aan-lijfgevechten en weten hoe ze een guerrilla-aanval op een gewapend konvooi moeten plannen en uitvoeren.

    Kwijtgeraakt bord

    Van iedereen die in het restaurant werkt respecteer ik Nimsath waarschijnlijk het meest. Niemand werkt harder. Een meter zestig, louter spieren en agressie. De obers mogen dan schreeuwen en tekeergaan over een kwijtgeraakt bord, ze weten allemaal dat Nimsath hen met gemak in elkaar timmert. Hij hoeft het niet te zeggen, je ziet het aan de blik in zijn ogen. Tegelijkertijd heeft hij iets komisch, haast kinderlijks.

    Natuurlijk probeert het management met haar kleingeestige regeltjes soms de onafhankelijke geest van de Tamils te breken. Maar ze onderschatten hen en weten waarschijnlijk niet precies met wie ze te maken hebben. Want hoe zwaar het ook wordt, de Tamils krijg je er niet onder. Ze breken niet. Op momenten dat het wat rustiger is, stel ik me graag voor dat Corentin, de manager, de Passage binnenkomt om hen te berispen, waarna de Tamils als uit een schuttersputje tevoorschijn sluipen, messen tussen de tanden geklemd, om ‘het gevaar te neutraliseren’. Mogelijk sleept Baloo daarna het nog warme lijk van Corentin terug de Passage in om het vervolgens op gepaste wijze te laten verdwijnen.

    Als enige Engelsman in het restaurant kreeg ik snel de naam, of misschien de identiteit van l’Anglais, de Engelsman. Ik kwam erachter dat die naam op veel verschillende manieren kan worden uitgesproken: met afkeer, bewondering, achterdocht. Maar niemand schept er meer genoegen in mijn naam te roepen dan Nimsath, die de voorkeur geeft aan de Engelse versie, die hij uitspreekt als Ing-gleeesh-maan.

    Behalve deze vrij oppervlakkige buitenkant, weet niemand iets over mij. Niemand lijkt ook erg geïnteresseerd, en dat is prima. We zijn hier tenslotte om te werken, en alleen daarop word ik beoordeeld. Maar voor Nimsath heb ik een zekere fascinatie. Hoewel onze levens totaal verschillen en de redenen waarom we hier zijn nog meer, ziet Nimsath ons als gelijken: we zijn beiden buitenlanders in Frankrijk. En hij heeft een obsessie met Londen. Dat is een voordeel, want ik ontdek al snel dat je voor een succesvolle baan als runner maar beter de Tamils, en in het bijzonder Nimsath, aan jouw kant kan hebben.

    Als gast denk je dat je naar een restaurant gaat om te eten, maar wat je daadwerkelijk wordt verkocht is een illusie

    Als gast denk je dat je naar een restaurant gaat om te eten, maar wat je daadwerkelijk wordt verkocht is een illusie. Het is doodeenvoudig theater. En jouw ober, de eerste en laatste schakel in de keten die jou, die boven zit, verbindt met de arme drommels die onder de grond lopen te zweten en te vloeken, is de grootste acteur van allemaal.

    GettyImages 635968091
    Op het terras van de beroemde bistro Les Deux Magots lijkt alles van een leien dakje te gaan. – © Peter Turnley/ Corbis/VCG via Getty Images

    Vergeet niet dat de ober slechts één doel heeft en dat is ervoor zorgen dat jouw bestelling precies op tijd op jouw tafel terechtkomt. Het lijkt zo eenvoudig. Daarom verwijt je hem soms dat hij onaardig is en laat je na hem fooi te geven. Maar om zijn eenvoudige doel te bereiken, moet de ober ervoor zorgen dat Nimsath en de andere Tamils in de Passage prioriteit geven aan jouw bestelling. Simpel gezegd betekent dit dat hij de Tamils paait, onder druk zet en overhaalt om andere bestellingen even te laten voor wat ze zijn, en tegelijkertijd gerechten van andere obers steelt zodat hij zijn eigen bestelling compleet heeft en kan wegbrengen.

    Dit proces wordt bemoeilijkt door het feit dat elke ober precies hetzelfde doet. En ze doen het omdat ze jouw fooi willen. Als runner sta ik regelmatig aan de ontvangende kant van al deze stress. De obers hebben het vaak zo druk met het afhandelen van verzoeken van hun tafels dat ik regelmatig met strikte instructies naar de Passage wordt gestuurd om iets te halen dat nog ontbreekt. Als er dan een probleem is, is het dus meteen mijn schuld: zo is het leven aan de onderkant van de voedselketen nu eenmaal. En als ik snel iets moet regelen, dien ik me tot Nimsath te wenden.

    Niet meer dan een concept

    De gebeurtenissen in het restaurant laten Nimsath koud: het restaurant ligt weliswaar direct achter de klapdeur, maar voor hem is het niet meer dan een concept, ongeveer net zo vaag en onbestemd als Londen. De wereld van Nimsath bestaat uit de zes vierkante meter waar hij werkt. Of een Hollywoodster misschien op haar seizoensgroenten wacht en een van de obers op het punt staat mij te vermoorden, interesseert hem geen moer. Zijn werk is eenvoudig: het eten arriveert, hij doet zijn best om complete bestellingen samen te voegen zonder al te veel inmenging van de obers; de vuile borden die binnenkomen stuurt hij terug naar beneden. En als je iets van hem gedaan wil krijgen, tja, dan zal je dat moeten verdienen.

    Je zal je fooien met hem moeten delen; je zal moeten accepteren dat hij jouw gerechten soms aan iemand anders meegeeft en dus met hem in discussie moeten gaan en daarbij, als vast onderdeel van je baan, elk denkbaar Tamil-scheldwoord voor je kiezen krijgen; en ten slotte zal je tegen hem terugschreeuwen, en wel in het Tamil, want elke zichzelf respecterende Parijse runner of ober spreekt wel een klein beetje Tamil. Maar als de dienst dan voorbij is en de slachtoffers geteld zijn, drink je weer koffie met hem en hoop je dat hij je van wat overgebleven voedsel kan voorzien, want je hebt al acht uur niet gegeten. En dan praat je over van alles en nog wat totdat de volgende keer exact hetzelfde gebeurt. Het is een herhaling van herhalingen.

    Als runner is mijn positie ten opzichte van de Tamils extra zwak aangezien ik geen fooien krijg en ze dus ook niet kan delen, hoewel zij volgens mij denken dat ik gewoon gierig ben. In theorie is het de bedoeling dat de obers mij elk drie euro geven voor mijn werk, maar dat doen ze zelden en het is vernederend om ze aan het eind van de dienst als een Oliver Twist met uitgestoken hand langs te gaan.

    Het gevolg is dat het Nimsath geen zier kan schelen of de obers tegen me schreeuwen dat ik de ontbrekende pommes dauphinoises voor tafel 487 moet gaan halen. Ik heb meer harde valuta nodig om dit alles draaiende te houden, ik moet fooi gaan verdienen en niet alleen om de Tamils om te kopen, ook om van te kunnen leven. Tot die tijd heb ik één troefkaart wat Nimsath betreft: Londen. Maar hoelang dat zal duren? Ik heb geen idee.

    ‘Londen goed, Parijs slecht’ is zijn vaste uitspraak.

    Voor Nimsath is het ondenkbaar dat ik Londen heb verlaten, waar, volgens hem, iedereen vriendelijk is en je nooit als slaaf wordt behandeld. De kans dat hij ooit Londen zal bereiken is klein, en dat weet hij. Dus neemt hij er genoegen mee mij vragen te stellen in gebroken Engels in de hoop dat hij door met mij, een echte Engelsman, te spreken op de een of andere manier dichter bij zijn droom komt.

    Als de dienst voorbij is, wikkelt Nimsath zich, net als de andere Tamils, in nog meer lagen kleding en vertrekt hij naar de vergeten buitenwijken. Ik weet niet precies waar hij woont, maar hij beschrijft een plek met verwaarloosde torenflats waar de liften niet meer werken en de bewoners hun boodschappen met touwen omhoog moeten hijsen. Geen wonder dat hij denkt dat Londen beter is. Bovendien kan hij nooit meer terug naar Sri Lanka, zegt hij.

    ‘Tamiltijger, vrijheidsstrijder,’ mompelen de Tamils in zichzelf als ze het zwaar hebben.

    Nimsath is al tien jaar in Parijs, waarvan hij het merendeel in de Passage heeft doorgebracht. Hij is weliswaar geen soldaat meer, maar hij vecht nog steeds voor zijn vrijheid.

    Onderbemand

    Het is lunchtijd en we zijn onderbemand. Een Amerikaanse vrouw houdt me staande, verontwaardigd dat haar filet de boeuf niet à point is, zoals gevraagd, maar absoluut saignant. De opengesneden, roze binnenkant van het gewraakte stuk vlees staart me aan als een oude wond. Wat zij heeft gekregen is wat Franse koks medium zouden noemen, zeg ik beleefd; misschien wil ze het eerst proeven? Met taalgebruik dat eerder thuishoort in de Passage duwt de dame me het bord in handen en draagt me op me uit de voeten te maken. Je raakt er als ober al snel aan gewend dat mensen menen tegen je te kunnen praten alsof je tot een lagere soort behoort.

    In de Passage kan de timing niet slechter zijn. Bijna alle obers zijn er, en de sfeer is giftig. Je hebt Lucien, mijn onwillige Gallische gids; De Souza, een kleine, voormalige bokser met gebroken neus; Salvatore, een Siciliaan zo groot als een beer; Renaud, de beroepsober met het onbetrouwbare gezicht; Jamaal, scheel en bedrieglijk en natuurlijk Adrien, de maître d’ouvrage, met zijn vettige blonde haar, zijn puisterige gezicht en zijn bijbaantje als cokedealer van de directie.

    De beschuldigingen vliegen in het rond, Nimsath schreeuwt obsceniteiten in het Tamil, en De Souza en Renaud staan tegenover elkaar, met Adrien als bemiddelaar. De Souza zegt iets over Renaud, die opnieuw fooien zou hebben gestolen. Renaud lacht hem uit.

    Nimsath weigert botweg het vlees terug te sturen naar de keuken. De andere obers zijn het daarmee eens en ik word de Passage uitgewerkt en teruggeduwd naar het restaurant.

    Ik zal het vlees zelf naar de bovenkeuken moeten brengen, besluit ik. Daar ben ik nog nooit geweest. We moeten er uit de buurt blijven. Het kastenstelsel houdt ons strikt gescheiden. Uit de bovenkeuken komen de belangrijkste onderdelen van elk gerecht: het vlees en de vis. Ze worden met dienstliften naar beneden gestuurd. Daar voegen de Tamils ze met de rest van het gerecht samen.

    Bovenaan de trap tref ik een ruimte aan ter grootte van een cockpit, met aan alle kanten op vol gas vlammende kookplaten

    Ik stel me de bovenkeuken voor als een redelijk glamoureuze plek, gezien de prestige, vol hoogopgeleide mensen die belangrijk culinair werk verrichten op glanzende metalen werkbladen met behulp van chique apparatuur. Bovenaan de trap tref ik echter een ruimte aan ter grootte van een cockpit, met aan alle kanten op vol gas vlammende kookplaten.

    steven lasry m9 Igxe55nM unsplash
    © Unplash

    Het lawaai is oorverdovend, een aanhoudend kabaal van afzuigkappen, ventilatoren, sissend vlees, metaal dat tegen metaal klettert en geschreeuw. Boven de hoofden bevindt zich een klein raampje, dat gesloten is. De intensiteit van de hitte is onbeschrijfelijk. De zwarte muren en het plafond zijn bedekt met grote plekken condens. Tussen de vlammen staan vijf Afrikaanse mannen. Grote mannen in doorweekte, bevuilde kokskleren. Het lijkt hier meer op een ijzersmederij in een afgelegen Romeinse buitenpost dan op een Parijse keuken. Ik zie hoe stukken schroeiend vlees en sissende vis uit de pannen worden geschept en op borden worden gegooid om na een snelle veeg met een vuile doek met de liften naar beneden te worden gestuurd.

    De chef-kok zwaait de scepter over dit aardse inferno

    De chef-kok zwaait de scepter over dit aardse inferno. De enige witte man in de keuken. Een Corsicaan. Een reus van een man die een mes hanteert dat zo groot is dat het waarschijnlijk ooit van Hercules zelf is geweest. Hij wijst, prikt, snijdt, smeert met het mes, slaat ermee op metalen oppervlakken. Een man vol schuimbekkende woede. Niets is ooit goed genoeg. Een kleine printer spuugt aan één stuk door kaartjes uit die hij zo woest afscheurt dat de machine van de muur dreigt los te komen. De bestellingen schreeuwt hij bruut in de oren van de koks, alsof hij er intens behagen in schept hen met een dergelijke minachting te behandelen.

    ‘Deux poulets! Trois loups! Un filet – bien cuit!’ Hij buigt zich naar hen toe als hij in hun oren schreeuwt: ‘Heb je me verdomme gehoord?’

    ‘Oui, chef!‘ roepen ze als in trance eenstemmig terug. Ze nemen niet eens de moeite om zijn spuug van hun wangen te vegen.

    ‘Bon, espèce de connard. Encore! Deux magrets! Un loup! Trois saumons!’

    ‘Deux veaux!’

    Dan ziet hij mij. ‘Flikker op jij!’

    Ik sta daar als een idioot met het uitgestoken bord.

    Hij wijst op me met het reusachtige mes. ‘Heb je me niet begrepen? Va te faire foutre! Fils de pute!’

    Door de zenuwen laat mijn Frans me in de steek en ik stotter. Het voelt alsof ik me in een trainingsscène uit een film over de Vietnamoorlog bevindt.

    ‘Dégage! Deze biefstuk is medium. Jouw klant is niet speciaal. Ze is een pute!’

    Hij keert terug naar zijn personeel. Om de een of andere reden blijf ik staan waar ik sta, op de drempel. Vastbesloten om het vlees gegaard te krijgen.

    Als hij zich weer omdraait en mij nog steeds ziet staan met het bord biefstuk in de hand, zie ik voor mijn ogen gebeuren dat hij verteerd raakt door woede, door onvervalste, pure haat. In een oogwenk duwt hij me tegen de muur, met zijn vrije hand op mijn keel en de punt van het reusachtige mes vlak bij mijn oog.

    ‘Hoe durf je me te vertellen hoe ik moet koken!’ schreeuwt hij.

    Ik krijg geen lucht meer. Zijn bankschroefachtige greep vermorzelt mijn luchtpijp. Hij houdt mijn keel nog steeds vast, laat het mes zakken en trekt het bord uit mijn hand. De steak glijdt in een pan.

    ‘Cremeer het!’ schreeuwt hij naar de kok.

    ‘Oui, chef!’

    Ik voel paniek opkomen want ik krijg nog steeds geen lucht. Ik probeer me vergeefs te ontworstelen aan zijn greep, wat hem alleen maar bozer maakt, zodat hij nog harder knijpt. Zijn adem ruikt naar sigaretten en cognac, de muur ruikt naar vlees. Nog nooit is de tijd zo langzaam voorbijgegaan. Ik sta op het punt een black-out te krijgen en dan…

    ‘Cramé, chef!’ schreeuwt de kok die het dichtst bij ons staat. Verbrand.

    Nu laat de chef-kok eindelijk mijn keel los, pakt het stuk vlees met zijn blote hand, houdt het voor mijn gezicht zodat het mijn neus raakt, en smijt het dan op het bord, dat bijna uit mijn hand valt. Ik draai me om en haast me de trap af. Beneden raap ik mezelf bijeen. Het kost me moeite om adem te halen. Ik controleer mijn verschijning en strijk mijn haar glad. Met een servet dat aan de zijkant van het bord is blijven liggen veeg ik eerst het bord en daarna mijn gezicht af, waarna ik me een weg baan door de smalle gangen, richting het restaurant.

    In de eetzaal is niets veranderd. Ik ben nauwelijks een paar minuten weg geweest. Er klinkt nog steeds het gekletter van bestek tegen borden en het geroezemoes van beleefde gesprekken, obers zwermen nog steeds rond als vliegen. Ik ga rechtstreeks naar de tafel van de Amerikaanse dame en zet het vlees voor haar neer. Ze kijkt me niet aan en bedankt me niet. Ze prikt er simpelweg met haar vork in, laat weten dat het in orde is en gaat verder met eten. Als een speer begeef ik me naar de Passage, elke gast en ober negerend die mijn aandacht probeert te trekken. Ik schreeuw naar Nimsath om water, dat ik weer ophoest als ik drink. Yulia, een van de gastvrouwen, komt me achterna gesneld. ‘Wat heb je gedaan?’

    Ik kijk om. Geschrokken. ‘Wat?’

    ‘Je rug!’

    Ze draait me om en begint te wrijven met een doek. ‘Walgelijk.’

    Mijn jasje is bedekt met een laagje slijm. Vet, zweet en condens van de muren in de bovenkeuken. Gaat er nooit meer uit. En dat midden in mijn dienst. Als ik geen jasje heb, kan ik niet in de eetzaal werken en als ik niet kan werken, word ik ontslagen.

    Lucien, de ober die de weinig benijdenswaardige opdracht heeft ervoor te zorgen dat ik er geen zooitje van maak, stormt naar binnen. Als ik hem vertel wat er is gebeurd, is hij onvermurwbaar: ‘Wat heb ik je nou gezegd? Hè? Je mag nooit in de bovenkeuken komen. Nooit!’

    9781800960183 front

    Edward Chisholm, A Waiter in Paris: Adventures in the Dark Heart of the City, Octopus.

  • In 2008 stortte de financiële sector in – ons voedselsysteem wacht hetzelfde lot

    In 2008 stortte de financiële sector in – ons voedselsysteem wacht hetzelfde lot

    We produceren meer voedsel dan ooit, tóch lijden miljoenen mensen honger. Grootschalige voedselproducenten hebben te veel macht en toezichthouders begrijpen nauwelijks wat er aan de hand is. Guardian-columnist George Monbiot klinkt dit akelig bekend in de oren.

    Wetenschappers luiden al een paar jaar koortsachtig de noodklok terwijl regeringen weigeren te luisteren: het wereldwijde voedselsysteem begint te lijken op het wereldwijde financiële systeem in de aanloop naar 2008.

    Een financiële ineenstorting was al verwoestend voor het menselijk welzijn. De ineenstorting van het voedselsysteem zal nog veel verwoestender zijn. Toch nemen de aanwijzingen in rap tempo toe dat er iets heel erg fout gaat. De huidige stijging van de voedselprijzen lijkt het meest recente teken van systemische instabiliteit te zijn.

    Veel mensen gaan ervan uit dat de voedselcrisis wordt veroorzaakt door een combinatie van de pandemie en de invasie van Oekraïne. Dit zijn belangrijke factoren, maar ze zorgen eerder voor verergering van een onderliggend probleem. Jarenlang zag het ernaar uit dat honger zou verdwijnen. Het aantal ondervoede mensen daalde van 811 miljoen in 2005 tot 607 miljoen in 2014. Maar in 2015 begon die trend te keren. Sindsdien nam de honger toe: tot 650 miljoen in 2019, en weer tot 811 miljoen in 2020. Dit jaar zal het aantal waarschijnlijk nog veel hoger liggen.

    Overvloed

    Maar hier is het echt slechte nieuws: dit gebeurde allemaal in een periode van grote overvloed. De wereldvoedselproductie stijgt al meer dan een halve eeuw gestaag en heeft de bevolkingsgroei ruimschoots overtroffen. De tarweoogst was vorig jaar groter dan ooit. Verbazingwekkend genoeg nam het aantal ondervoede mensen toe, precies toen de wereldvoedselprijzen begonnen te dalen. In 2014, toen minder mensen honger leden dan ooit tevoren, stond de mondiale voedselprijsindex op 115 punten. In 2015 daalde deze tot 93 en hij bleef tot 2021 onder de 100.

    Maar de afgelopen twee jaar is de index weer gestegen. De stijging van de voedselprijzen is nu een belangrijke aanjager van de inflatie, die vorige maand in het Verenigd Koninkrijk 9 procent bereikte. Voedsel wordt onbetaalbaar, zelfs voor veel mensen in rijke landen. De gevolgen in armere landen zijn nog veel erger.

    Wat is er aan de hand? Welnu, mondiaal voedsel is, net als mondiale financiën, een complex systeem dat spontaan ontstaat uit miljarden interacties. Complexe systemen hebben contraintuïtieve eigenschappen. Ze zijn veerkrachtig onder bepaalde omstandigheden, omdat ze worden gestabiliseerd door hun zelforganiserende eigenschappen. Maar als de druk blijft toenemen, beginnen diezelfde eigenschappen het netwerk te verstoren. Boven een bepaald punt kan een kleine verstoring het hele systeem over een kritische drempel tillen, waardoor het plotseling en onvermijdelijk ineenstort.

    Volgens een schatting controleren slechts vier bedrijven 90 procent van de wereldgraanhandel

    We weten inmiddels genoeg over systemen om te voorspellen of ze veerkrachtig of kwetsbaar zijn. Wetenschappers stellen complexe systemen voor als een netwerk van knooppunten en verbindingen. De knooppunten zijn als de knopen in een ouderwets net; de verbindingen zijn de touwtjes ertussen. In het voedselsysteem behoren bedrijven die graan, zaaigoed en landbouwchemicaliën verhandelen tot de knooppunten, evenals de belangrijkste exporteurs en importeurs en de havens waarvandaan het voedsel wordt doorgevoerd. De verbindingen worden gevormd door commerciële en institutionele relaties.

    Als de knooppunten zich op uiteenlopende manieren gedragen en hun onderlinge verbindingen zwak zijn, is het systeem waarschijnlijk veerkrachtig. Maar als bepaalde knooppunten gaan domineren, zich op gelijke wijze gaan gedragen en sterk met elkaar verbonden zijn, dan is het systeem waarschijnlijk kwetsbaar. Bij de aanpak van de crisis in 2008 ontwikkelden de grote banken overeenkomstige strategieën en manieren om risico’s te beheren, omdat zij aasden op dezelfde winstbronnen. Ze raakten sterk met elkaar verbonden op manieren die regelgevers nauwelijks begrepen. Met als gevolg dat toen Lehman Brothers failliet ging, iedereen ten onder dreigde te gaan.

    Kwetsbaar

    Dat is dus waarom het angstzweet uitbreekt bij ieder het mondiale voedselsysteem bestudeert. Net als in de financiële wereld in de jaren 2000, zijn de belangrijkste knooppunten in het voedselsysteem de afgelopen jaren opgezwollen, hun onderlinge banden zijn sterker geworden, bedrijfsstrategieën zijn naar elkaar toegegroeid en gesynchroniseerd, en de kenmerken die een systeeminstorting zouden kunnen verhinderen (‘redundantie’, ‘modulariteit’, ‘stroomonderbrekers’ en ‘reservesystemen’) zijn verdwenen. Zo wordt het systeem blootgesteld aan verstoringen die wereldwijd doorwerken.

    Volgens een schatting controleren slechts vier bedrijven 90 procent van de wereldgraanhandel. Diezelfde bedrijven hebben zich ingekocht in zaaigoed, chemicaliën, verwerking, verpakking, distributie en detailhandel. In achttien jaar tijd is het aantal handelsverbindingen tussen exporteurs en importeurs van tarwe en rijst verdubbeld. Landen ontwikkelen zich nu verder tot superimporteurs en superexporteurs. Veel van de handel passeert kwetsbare knelpunten, zoals de Turkse Zeestraten (nu geblokkeerd door de Russische invasie in Oekraïne), het Suez- en het Panamakanaal en de Straat van Hormuz, van Bab el-Mandeb en van Malakka.

    Slechts vier gewassenzijn goed voor bijna 60 procent van de calorieën die door boeren worden verbouwd

    Een van de snelste culturele verschuivingen in de geschiedenis van de mensheid was die naar een ‘Global Standard Diet‘: ons voedsel is plaatselijk diverser geworden, maar wereldwijd is het juist minder divers. Slechts vier gewassen – tarwe, rijst, maïs en soja – zijn goed voor bijna 60 procent van de calorieën die door boeren worden verbouwd. De productie van deze gewassen is nu sterk geconcentreerd in een paar landen, waaronder Rusland en Oekraïne. Deze Global Standard Diet-producten worden verbouwd door Global Standard-boerderijen, die worden bevoorraad door dezelfde bedrijven met dezelfde pakketten zaden, chemicaliën en machines, en ze zijn onderhevig aan dezelfde milieuschokken.

    De voedingsindustrie raakt nauw verweven met de financiële sector, en dat leidt tot een toename van wat wetenschappers de ‘netwerkdichtheid’ van het systeem noemen, waardoor het vatbaarder wordt voor cascading failure, ofwel opeenvolgende verstoringen door een domino-effect. Overal ter wereld zijn handelsbarrières geslecht en wegen en havens gemoderniseerd, waardoor het mondiale netwerk is gestroomlijnd. Je zou denken dat dit soepele systeem de voedselzekerheid ten goede zou komen. Integendeel: het heeft bedrijven in staat gesteld de kosten van opslag te ontlopen door in plaats van voorraden aan te leggen, te vertrouwen op een constante stroom van producten. Meestal werkt deze lastminutestrategie. Maar als de leveringen worden onderbroken of de vraag plotseling toeneemt, kunnen de schappen plotseling leeg raken.

    Een artikel in Nature Sustainability meldt dat in het voedselsysteem ‘de hoeveelheid verstoringen in de loop der tijd op een wereldwijde schaal is toegenomen, zowel op land als op zee’. Tijdens onderzoek voor mijn boek Regenesis kwam ik tot de ontdekking dat deze escalerende reeks van ‘besmettelijke schokken’, die wordt verergerd door financiële speculatie, de wereldwijde honger heeft aangewakkerd.

    Ecologische crises

    Nu moet het wereldvoedselsysteem niet alleen zijn interne zwakheden zien te overleven, maar ook de ecologische en politieke crises die op elkaar in kunnen werken. Om een recent en actueel voorbeeld te geven: midden april suggereerde de regering van India dat zij het tekort in de wereldwijde voedselexport als gevolg van de Russische invasie in Oekraïne zou kunnen aanvullen. Maar amper een maand later werd de uitvoer van tarwe uit India verboden als gevolg van een verwoestende hittegolf waardoor de oogsten waren verschrompeld.

    We moeten de mondiale voedselproductie dringend diversifiëren, niet alleen geografisch maar ook wat betreft gewassen en landbouwtechnieken. We moeten de greep van grote bedrijven en financiële speculanten doorbreken. We moeten reservesystemen in het leven roepen en op een heel andere manier voedsel gaan produceren. We moeten reservecapaciteit introduceren in een systeem dat bedreigd wordt door zijn eigen efficiëntie.

    Als zovelen honger kunnen lijden in een tijd van ongekende overvloed, dan moeten we er niet aan denken wat grote mislukte oogsten als gevolg van klimaatverandering kunnen veroorzaken. Het systeem moet veranderen.

    Lees ook: