Onderwerpen: Eten

  • Gokken met graan: hoe westerse speculanten verdienen aan honger in Afrika

    Gokken met graan: hoe westerse speculanten verdienen aan honger in Afrika

    Amerikaanse en Europese handelaren proberen hoge winsten te behalen met tarwespeculatie. De wereldwijde voedselprijzen zijn dan ook nog nooit zo hoog geweest. Met als gevolg dat miljoenen mensen verhongeren.

    Egypte importeert het grootste deel van zijn tarwe. De explosie van de broodprijs in 2011 zorgde voor protesten die uiteindelijk de regering omver zouden werpen. In april van dit jaar kocht de Egyptische staat 350.000 ton tarwe voor 450 dollar per ton, 427 euro. In februari was dat nog 252 dollar voor tarwe van dezelfde kwaliteit.

    In die tussenliggende twee maanden viel Rusland Oekraïne binnen. Beide landen behoren tot ’s werelds belangrijkste graanproducenten. Sancties en oorlog betekenen minder graan. Maar andere landen zijn in het gat gesprongen en verbouwen nu meer graan. Dus er moeten andere factoren in het spel zijn die de prijs van graan en andere basisvoedingsmiddelen opdrijven.

    Onderzoek door de Europese non-profitorganisatie voor onderzoeksjournalistiek Lighthouse Reports, waar The Continent aan deelnam, wijst uit dat een van de belangrijkste oorzaken van de hoge voedselprijzen ongebreidelde speculatie is. Enkele investeerders hebben handig gebruik gemaakt van de mazen in de Europese en Amerikaanse wetgeving.

    Meer voedsel maar hogere prijzen

    Volgens de FAO, de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, zijn de voedselprijzen gemiddeld een derde hoger dan vorig jaar. Ze liggen zelfs op het hoogste niveau sinds de organisatie in 1990 de gegevens begon bij te houden. Het Wereldvoedselprogramma verwacht dat hun voedselkosten dit jaar met 50 procent zullen stijgen. Alleen al in West-Afrika nemen die kosten dit jaar toe met 136 miljoen dollar.

    GettyImages 1395731677

    Een officier van het Oekraïense leger inspecteert een graanopslagplaats die door Russische troepen werd beschoten nabij de
    frontlinies van Cherson in Novovorontsovka, Oekraïne. – © John Moore/Getty Images

    Dit is de derde voedselprijzencrisis in vijftien jaar. Een stijging van de voedselprijzen met 1 procentpunt zorgt er volgens de Wereldbank voor dat het aantal mensen dat in extreme armoede leeft met zo’n 10 miljoen toeneemt. Opmerkelijk genoeg is de wereldvoedselproductie in diezelfde vijftien jaar juist toegenomen. Wereldwijd is er momenteel ongeveer een derde meer graan voorradig dan nodig is om iedereen te voeden. En dat ondanks politieke instabiliteit en klimaatverandering.

    Een aanwijzing voor wat er aan de hand is, komt van de Parijse markt voor maaltarwe, de grootste graanmarkt in Europa. In 2018 was ongeveer een kwart van de voedselcontracten op deze markt gericht op speculatie. Dat aantal is inmiddels verdrievoudigd tot driekwart.

    Een gezonde mate van speculatie stelt landbouwers en graankopers in staat om hun risico’s af te dekken

    Deze markten maken het mogelijk om de toekomstige voedselvoorraad nu al te verkopen. Gewoonlijk verwacht een boer aan het eind van het seizoen een bepaalde hoeveelheid tarwe te oogsten. Een molenaar gaat ermee akkoord om zijn graan tegen een bepaalde prijs te kopen. De boer krijgt geld en kan zo betalen voor kunstmest en alle andere zaken die hij nodig heeft voor het verbouwen van het graan. Uiteindelijk wordt de tarwe geleverd. Maar aan deze gang van zaken is een risico verbonden. Gewassen kunnen mislukken. Oorlogen kunnen uitbreken. Een recordoogst kan tot een prijsval leiden.
    Om dat risico te beheersen kan de molenaar zijn contract voor de hoeveelheid graan verkopen op de termijnmarkt, de markt voor zogenoemde futures. En daar kunnen speculanten opduiken: een investeerder die meteorologische patronen of vraagcycli bestudeert en die erop gokt dat de prijs zal stijgen tegen de tijd van de oogst, koopt dan het contract van de molenaar. Een gezonde mate van speculatie stelt landbouwers en graankopers in staat om hun risico’s af te dekken en hun inkomens minder wisselvallig te maken dan het weer.

    Als een zogenaamde hefboom tegen inflatie hebben institutionele beleggers sinds de millenniumwisseling steeds meer geïnvesteerd in de futuresmarkten voor grondstoffen
    Maar speculatie kan ook te ver gaan. Als er ‘buitensporig’ veel wordt gespeculeerd, kan de stijgende vraag van speculanten die proberen te profiteren van een voorspelde prijsstijging de prijzen van futures dermate doen stijgen dat deze niet meer worden bepaald door vraag en aanbod van het voedsel zelf. En omdat de prijzen van futures worden gebruikt als maatstaf voor de werkelijke tarweprijzen, heeft dit invloed op de prijs van levensmiddelen.

    Vraag en aanbod zijn dan niet langer de belangrijkste arbiters voor de prijs

    Dergelijke speculatie betekent dat een ander soort logica wordt losgelaten op de kosten van levensmiddelen. Als een zogenaamde hefboom tegen inflatie hebben institutionele beleggers zoals pensioenfondsen sinds de millenniumwisseling steeds meer geïnvesteerd in de futuresmarkten voor grondstoffen. Volgens deskundigen betekent dit dat de prijs van futures wordt gedicteerd door hun investeringsbeslissingen, die niets te maken hebben met fundamentele marktontwikkelingen.

    Normaal gesproken wordt voedsel gekocht in de verwachting dat het daarna met winst kan worden doorverkocht. Hoe meer voedsel er is, hoe goedkoper het wordt en des te minder winst er wordt gemaakt. Dat betekent dat voedselprijzen geleidelijk van jaar tot jaar veranderen doordat droogte en overstromingen wereldwijd worden afgewisseld met recordoogsten. Maar door te veel speculatie van beleggers die voedsel als handelswaar beschouwen, verandert dat. Vraag en aanbod zijn dan niet langer doorslaggevend voor de prijs. In de afgelopen vijftien jaar heeft dit ertoe geleid dat de voedselprijzen schommelden, terwijl het mondiale aanbod ondertussen stabiel bleef.

    ‘Gokken op honger’

    In gesprek met het consortium van nieuwsredacties zei Olivier De Schutter, de speciale VN-rapporteur voor extreme armoede en mensenrechten en medevoorzitter van het internationale panel van deskundigen inzake duurzame voedselsystemen, dat bepaalde fondsen ‘gokken op honger, waardoor de honger verergert’. Tussen januari en april werd ten minste 1,3 miljard dollar gestort in twee van die fondsen onder beheer van Teucrium en Invesco; 589 miljoen dollar daarvan kwam in de eerste week van maart binnen. Ter vergelijking: vorig jaar brachten ze 200 miljoen dollar op. De vraag naar aandelen in Teucrium explodeerde en The New York Times meldde dat er geen aandelen meer beschikbaar waren voor mensen die wilden meeprofiteren.

    Afgelopen oktober schreef de tarwefondsmanager van Teucrium op de website van het bedrijf: ‘Terwijl voedselinflatie de wereldeconomie negatief dreigt te beïnvloeden, kunnen goed geïnformeerde beleggers mogelijk profiteren van een trend van stijgende prijzen.’ In een rapport over voedselprijzen dat deze week werd gepubliceerd wijst het panel voor voedselsystemen van De Schutter erop dat de hoge prijzen worden opgedreven door ‘roofzuchtige financiers die weddenschappen afsluiten op voedsel’ en ‘gokken met voedselprijzen’.

    In reactie op de vragen van het consortium zei Teucrium slechts: ‘Investeringsstromen op het gebied van grondstoffen stimuleren de productie, de efficiëntie en de investeringen, wat uiteindelijk resulteert in een betrouwbaarder aanbod van basis(voedsel)producten en verminderde prijsschommelingen op termijn.’

    In Congo verkeren 21 miljoen mensen in een voedselcrisis en nog eens 7 miljoen in een noodsituatie

    Invesco wees extreem weer aan als aanjager van prijsschommelingen en zei: ‘Fundamentele economische factoren zoals marktvraag en aanbodvoorwaarden, bieden de meest consistente verklaring voor de recente prijsontwikkelingen van grondstoffen.’

    Deze week verscheen het zesde Global Report on Food Crises, een samenwerkingsverband van organisaties zoals het Wereldvoedselprogramma. Uit dit rapport blijkt dat van de 90 miljoen mensen in de Democratische Republiek Congo er bijna 21 miljoen zijn die kunnen worden geclassificeerd als ‘verkerend in een voedselcrisis’. Dat houdt in dat mensen maaltijden overslaan en al hun spaargeld moeten aanspreken om te kunnen eten. Nog eens 7 miljoen mensen verkeren in een noodsituatie, wat betekent dat mensen sterven van de honger. De verwachting is dat de stijgende voedselprijzen de honger dit jaar nog zullen verergeren, vooral in Noord-Nigeria, Burkina Faso, Niger, Kenia, Zuid-Soedan en Somalië.

    In de tussentijd profiteert een kleine minderheid en lijden nog veel meer mensen honger
    Het effect van voedselspeculatie op de stijging van de voedselprijzen is niet volledig duidelijk, want de voornamelijk westerse markten die gokken met de mogelijkheid van mensen om hun gezin te voeden, zijn niet verplicht hun gegevens in detail te overleggen.

    Toen zich in 2007 een soortgelijke crisis rond de voedselprijzen voordeed, kwamen regelgevers in Europa en de Verenigde Staten in actie. Maar de industrie reageerde door intensief te lobbyen en rechtszaken aan te spannen. De regelgeving die aanvankelijk al zwak was, werd in 2020 nog verder afgezwakt. Het gevolg daarvan is dat voedsel duurder wordt en er weinig mogelijkheden zijn om dat tegen te gaan. In de tussentijd profiteert een kleine minderheid en lijden nog veel meer mensen honger.

    Lees ook:

  • Ierse pubs worstelen met personeelstekorten

    Ierse pubs worstelen met personeelstekorten

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Oekraïense leger verdreven uit centrum van Sjevjerodonetsk

    » Onderzoek: opwarming van aarde veroorzaakt slaaptekort

    Een derde van het personeel zou de sector hebben verlaten

    In Ierland zien veel pubs zich genoodzaakt om twee dagen per week te sluiten als gevolg van personeelstekorten, meldt RTÉ. Die tekorten zijn vanwege de pandemie nog groter geworden dan ze al waren. Dat heeft een delegatie van Ierse publicans, caféhouders, laten weten aan een speciale commissie van de Oireachtas, het Ierse parlement.

    ‘Twee jaar van sluitingen en beperkingen hebben een verwoestend effect gehad op het behoud van personeel’

    Volgens Donall O’Keeffe, voorzitter van de Licensed Vintners Association, de organisatie van publicans in Dublin, hebben twee jaar van sluitingen en beperkingen een verwoestend effect gehad op het behoud van personeel in de sector. Hij schat dat ongeveer een derde van het personeel de sector heeft verlaten. Er waren volgens hem al tekorten aan geschoold personeel voordat corona uitbrak, en het vertrek van chef-koks, managers en hoger barpersoneel tijdens de pandemie heeft die situatie verergerd. Sinds de pubs weer open mogen is de beschikbaarheid van personeel de grootste remmende factor voor een volledig herstel, aldus O’Keeffe.

    Lees ook:

  • Onderzoek: Veganistisch dieet kan mensen met overgewicht helpen af te vallen

    Onderzoek: Veganistisch dieet kan mensen met overgewicht helpen af te vallen

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Cuba: Ten minste 22 doden en 64 gewonden na explosie in hotel

    » Shanghai verzet toelatingsexamens universiteit vanwege nieuwe corona-uitbraak

    Veganistische dieet zorgt voor lagere bloedsuikerspiegel

    Een veganistisch dieet kan mensen met overgewicht of diabetes type 2 helpen gewicht te verliezen en hun bloedsuikerspiegel te verlagen, zo blijkt uit onderzoek dat The Guardian aanhaalt. Een meta-analyse toonde aan dat het volgen van een veganistisch dieet gedurende drie maanden het lichaamsgewicht met gemiddeld ongeveer 4,1 kg verminderde in vergelijking met gecontroleerd diëten, en ook de bloedsuikerspiegel verlaagde. Er was weinig of geen effect op de bloeddruk of op het gehalte aan cholesterol of triglyceriden, een type vet.

    De gegevens zijn afkomstig van elf gerandomiseerde onderzoeken waaraan 796 mensen deelnamen die overgewicht hadden met een body mass index (BMI) van ten minste 25, of die diabetes type 2 hadden. De resultaten werden gepresenteerd op het Europees Congres over Obesitas.

    Veganistische diëten leiden tot gewichtsverlies omdat ze gepaard gaan met een verminderde calorie-inname

    Anne-Ditte Termannsen, van diabetescentrum Steno in Kopenhagen, die het onderzoek leidde, verklaarde dat ‘veganistische diëten waarschijnlijk leiden tot gewichtsverlies omdat ze gepaard gaan met een verminderde calorie-inname als gevolg van een lager vetgehalte en een hoger gehalte aan voedingsvezels’.

    Uit een tweede onderzoek, dat op de conferentie in Maastricht werd gepresenteerd, bleek dat vrouwen tijdens het eerste jaar van de covid-19-pandemie meer kans hadden om aan te komen dan mannen. Bij beide geslachten hadden mensen onder de vijfenveertig jaar meer kans op extra kilo’s dan oudere leeftijdsgroepen.

    Lees ook:

  • De voorbeeldige culturele integratie van döner kebab

    De voorbeeldige culturele integratie van döner kebab

    Vijftig jaar geleden deed döner zijn intrede in Berlijn, sindsdien heeft het broodje vlees van het spit meer gedaan voor het interculturele contact in Duitsland dan welke politieke oproep dan ook. Socioloog Eberhard Seidel deed onderzoek naar de cultuurgeschiedenis van ieders favoriete dronken snack.

    Wie in de zomer van 1994 als jongere uit Franken vanwege een uitwisselingsprogramma voor het eerst naar Turkije reisde, zonder ooit in kebabhoofdstad Berlijn te zijn geweest, kende het woord ‘döner’ vooral uit een popsong van de Turkse superster Tarkan. In die tijd was ‘Hepsi senin mi?’ in alle clubs en bars te horen. Aan de rand van de dansvloer lieten we, cultureel geïnteresseerd als we waren, Tarkans verzuchting ‘Ah yanar döner’ door de lokale bevolking vertalen. De een legde het uit als ‘Je draait alsof je in brand staat’, een ander als ‘Het vuur draait’ of in ieder geval iets met draaien.

    Wat bedoeld werd was een bevallige vrouw, zoveel was duidelijk, en niet ‘draaiend gebraad’, zoals de letterlijke vertaling van döner kebab ongeveer luidt. Waar wij terechtkwamen was alleen shish kebab te krijgen, kleine spiesjes met stukjes gebraden vlees, of köfte. Eenmaal terug in worstprovincie Franken, bleven we in het weekend broodjes gyros halen bij de Griekse straatverkopers, dat was toen populair. Er was geen kebab, nergens.

    Wie dit vandaag de dag aan een twintigjarige vertelt, lijkt wel een getuige uit de tijd van de Merovingen [een dynastie van Frankische koningen die regeerden van de vijfde tot in de achtste eeuw]. Alleen al in Duitsland wordt dagelijks ongeveer 550 ton döner met ‘alles erop’ gegeten, en de omzet uit de verkoop van döner, dürüm döner en dönerboxen bedraagt vijf miljard euro. Dat is meer dan die van alle Duitse McDonald’s-filialen samen. Wie eten dat allemaal? Snelle enquête onder vrienden: niemand. Het zullen de anderen wel weer zijn.

    Turks-Duitse geschiedenis

    Wie zich afvraagt waar en wanneer de eerste kebab werd gegeten, belandt onvermijdelijk in een stuk Turks-Duitse geschiedenis. Het is vermakelijk om je hierin te verdiepen aan de hand van het lovenswaardige boek Döner. Eine türkisch-deutsche Kulturgeschichte van Eberhard Seidel.

    Socioloog en journalist Seidel wordt beschouwd als Duitslands spitdeskundige bij uitstek. Toen hij midden jaren zeventig naar Berlijn verhuisde, was hij kebabconsument van het eerste uur. In de loop der jaren observeerde hij de aanvankelijke euforie en zag hij de kwaliteit achteruitgaan. Hij sprak met pioniers, producenten en verkopers en zegt: ‘Het consumeren van kebab is als een bezoek aan een bordeel. Honderdduizenden doen het elke dag, maar degenen die de service verlenen krijgen geen erkenning vanuit de samenleving.’

    Het is niet moeilijk om een hekel aan kebab te hebben. Toen allerhande vleesschandalen door het land raasden, werd al snel naar een ‘kebabmaffia’ gewezen, ook al was het geknoei aantoonbaar de schuld van criminele Duitse vleesgroothandelaren. 

    In 2005 bedachten politie en media de term ‘kebabmoorden’, waaruit bleek dat vooroordelen in staat zijn rechtse misdaden te verdoezelen. Dat wat je bij jezelf niet graag onder ogen ziet, neem je al snel een ander kwalijk.

    Bedorven vlees, afgekeurde döner: wat je niet wilt zijn, dat eet je niet

    Op zijn vijftigste verjaardag, want zo oud wordt döner kebab tegenwoordig geacht te zijn, duiken weer teksten op over ‘bedorven vlees’ of troep in het brood, en dat maakt het er allemaal niet aantrekkelijker op, schreef journaliste Hatice Akyün. Dat ze zo’n afkeer heeft van döner zou ook kunnen komen doordat haar eerste Duitse vriend haar ‘mijn kleine kebabje’ noemde, zegt ze. Bedorven vlees, afgekeurde döner: wat je niet wilt zijn, dat eet je niet.

    Turkse academici hebben volgens Seidel een, jawel, ‘verstoorde verhouding’ met döner kebab. Dat is makkelijk te verklaren: ‘Döner kebab heeft interculturele contacten sterker bevorderd dan alle culturele initiatieven, verzoeningsfeesten en morele en politieke oproepen bij elkaar. Dat doet pijn, want het wijst hen op hun eigen beperkte betekenis.’ Döner kebab is cultuur.

    De vraag naar de oorsprong van döner, zegt Seidel, kan niet serieus worden beantwoord. Hij vindt het een vraag die kenmerkend is voor de spektakelmaatschappij. Die is tenslotte altijd ‘op zoek naar het beste, het origineelste, het oorspronkelijkste en uniekste om het dagelijks leven mee op te fleuren en zin te geven’. Maar gerechten en keukens ontwikkelen zich in een permanente uitwisseling tussen landen en culturen. Enig gevoel voor drama is Seidel niet vreemd: ‘Ik neem mijn hoed niet af voor één enkele persoon, maar voor de gehele generatie die aan de wieg heeft gestaan van de döner kebab.’

    Kjebab der Turken

    Al in het begin van de negentiende eeuw prees gastrosoof Carl Friedrich von Rumohr de ‘smaakvolle kjebab der Turken’, een schotel die verwant was aan de Arabische shoarma. Maar bijna een half pond vlees als fastfood was en is nog altijd ongebruikelijk in Turkije: volgens Seidel is de gemiddelde dagelijkse vleesconsumptie in Turkije met ongeveer 55 gram per hoofd van de bevolking slechts ongeveer een derde van wat in Duitsland wordt geconsumeerd. Kebab had de Duitsers nodig, en de Duitsers hadden kebab nodig.

    Daarvoor moest het draaiende spit in verticale positie worden gebracht. Twee koks in het Ottomaanse Rijk zouden dat in het midden van de negentiende eeuw onafhankelijk van elkaar hebben bedacht. Maar het was pas tijdens de economische crisis van de jaren zeventig van de twintigste eeuw dat het populairste fastfood van Duitsland pas op grote schaal werd geïntroduceerd: doordat buitenlandse werknemers niet meer werden aangenomen, werden veel ‘gastarbeiders’ werkloos. Sommigen wisten zichzelf en hun gezinnen te redden door een kebabzaak te beginnen. Meestal hadden ze geen gastronomische ervaring en noch enig benul van het slagersvak. Improvisatie was vereist, evenals een eigen netwerk, dat eerst moest worden gecreëerd. In ruil daarvoor hoefden zij in ieder geval niet langer te luisteren naar de xenofobe opmerkingen van hun voormalige afdelingshoofden.

    De eerste döner kebab in Berlijn, herinnert Seidel zich, was heerlijk. Maar al snel veranderde de yaprak-döner, die tot 1981 gangbaar was en bestond uit laagjes kalfs-, rund- of lamsvlees, in gehakt dat bijeen wordt gehouden door zetmeel en aangelengd met paneermeel en waterbindende difosfaten. Eigenlijk niet veel meer dan een ‘braadworstje aan het spit’. Het gevoel van aluminiumfolie tegen je tanden maakt op de een of andere manier ook deel uit van de typische kebabervaring.

    ‘Je krijgt de kebab misschien uit de volksbuurt, maar de volksbuurt nooit uit de kebab’

    De kiloknallerisering van de delicatesse, en dat is een beetje venijnig misschien, komt door de Berlijnse clientèle met zijn goedkoop-goedkoper-goedkoopstmentaliteit, gecombineerd met de gewenning aan smaakversterkers. Zo ontstond een aan de vrije markt voorbehouden wederzijdse versterking: het aandeel Duitse döner kebab-klanten steeg in de jaren tachtig tot tachtig procent, maar de döner kebab werd alsmaar slechter.

    En verbeterde weer. Tesla-baas Elon Musk antwoordde in de herfst van 2020 op de vraag wat hij het liefst eet in Duitsland: ‘Döner kebab.’ Hotel Adlon in Berlijn serveert sinds 2018 de ‘Turkse klassieker’ met truffelcrème. In München werd onlangs ‘Duitslands eerste ambachtelijke kebab’ geopend, in Neurenberg serveert een ‘Vegöner’ vleesloos gegrild eten, en in Wenen is er een biologische kebabzaak waar ecohedonisten reepjes geroosterde zalmforel of ‘blije kip’ kunnen bestellen. Allemaal döner, maar ook beter?

    Die nieuwe creatieve kebab is er alleen voor de hogere klasse, schrijft Seidel. Voor de armeren is kebab vanwege de fabelachtige prijs-kwaliteitverhouding al bijna vijftig jaar ‘een solide pijler in hun moeizame strijd om te overleven’. Of, zoals Tobias Becker het onlangs in Der Spiegel formuleerde: ‘Je krijgt de kebab misschien uit de volksbuurt, maar de volksbuurt nooit uit de kebab.’

    Dankbaarheid

    Veel Turken financierden met de grill niet alleen de studie van hun eigen kinderen. Toen zij als jonge ‘gastarbeiders’ bijdroegen aan het Duitse sociale stelsel betaalden ze mee aan het onderwijs van autochtone arbeiderskinderen. Ook dat, zo toont Seidel aan, maakt deel uit van de gemeenschappelijke dönergeschiedenis.

    Zijn boek presteert daarmee iets onverwachts: het vergroot het respect voor degenen die de döner kebab deels uit pure noodzaak hebben uitgevonden. Zijn verhaal over het ontstaan en het wel en wee van deze schotel is er voor iedereen die in dit land woont, of je nu wel of geen ‘migratieachtergrond‘ hebt. Een beetje dankbaarheid is op zijn plaats, of je er nu van houdt of niet.

    Naast alle sociaal-historische veranderingen die zich uitkristalliseren in de döner kebab, is er vanuit zuiver esthetisch oogpunt ook nog het rustgevende effect van de eindeloze dialoog tussen de productiehandelingen enerzijds, en die van de consumptie anderzijds. Tijdens de bereiding gedraagt een man – meestal is het een man – zich achter de toonbank als een dj met zwierige gebaren. Dan volgt de verorbering: het aandachtig verslinden van vlees dat eerder op een fallische spies werd samengevoegd en er vervolgens weer werd afgesneden om te eindigen met ‘alles erop, ook sambal’ in een warm, zacht broodje. Voedzaam en troostend.

    De wereld brandt, maar de kebab draait door.

    Eberhard Seidel, Döner. Eine türkisch-deutsche Kulturgeschichte (März Verlag 2022)

  • Wereldwijde voedselprijzen stijgen tot hoogste niveau ooit door Russische invasie

    Wereldwijde voedselprijzen stijgen tot hoogste niveau ooit door Russische invasie

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Wimbledon sluit Russen en Belarussen uit van tennistoernooi

    » Rusland test intercontinentale ballistische raket

    Zowel export uit Oekraïne als Rusland verstoord

    De voedselprijzen zijn in maart gestegen tot het hoogste niveau ooit als gevolg van de Russische invasie in Oekraïne, zo meldt de VN. De prijzen van kookoliën, granen en vlees bereikten recordhoogten en dat betekent dat voedselgrondstoffen een derde meer kosten dan in dezelfde periode vorig jaar, blijkt uit de maandelijkse voedselprijsindex van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO), bericht The Guardian.

    De oorlog tussen Rusland en Oekraïne heeft de uitvoer van cruciale grondstoffen uit het Zwarte Zee-gebied verstoord, een regio die meer dan een kwart van de wereldexport van tarwe voor haar rekening nam. De graanprijzen zijn afgelopen maand met 17 procent gestegen doordat de sluiting van havens de uitvoer van tarwe en mais uit Oekraïne heeft belemmerd. Ook de Russische export is vertraagd door financiële en scheepvaartproblemen.

    ‘De hogere prijzen zijn vooral zorgwekkend voor landen die reeds met andere crises te kampen hebben’

    ‘De hogere prijzen zijn vooral zorgwekkend voor landen die reeds met andere crises te kampen hebben, zoals conflicten, natuurrampen, economische omstandigheden of, zoals vaak het geval is, een combinatie daarvan,’ aldus een woordvoerder van de FAO, die eraan toevoegde dat landen met lage inkomens en voedseltekorten moeite kunnen hebben om de hogere prijzen te betalen.

    Lees ook:

  • Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Deze Amsterdamse non-profitorganisatie laat zien wat onze boodschappen echt kosten

    Waarom kost dezelfde appel in de ene winkel meer dan in de andere? Die vraag stelt de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price. Want de echte prijs van een product – inclusief externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij – ligt vrijwel altijd hoger dan de winkelprijs.

    Eind 2020 zette de charmante Amsterdamse supermarkt De Aanzet een bord op straat met de tekst: ‘Welkom in de eerste supermarkt ter wereld met echte prijzen’. Binnen bleken steeds twee prijzen vermeld te staan bij aardappelen, paprika’s, bananen, broccoli, brood en allerlei andere levensmiddelen. De ‘normale’ prijs voor tomaten was 3,75 euro per kilo, maar de ‘echte’ prijs bedroeg 3,97 euro. Het verschil van 22 cent stond voor de verborgen kosten van de teelt en het vervoer van de tomaten – dus de kosten van de CO2-uitstoot, onderbetaling van arbeiders en water- en grondverbruik.

    Die echte prijzen waren berekend door de Amsterdamse non-profitorganisatie True Price, al in 2012 opgericht door Michel Scholte en Adrian de Groot Ruiz. Deze twee vrienden, de een kampioen in universitaire debatwedstrijden en de ander een voormalig universitair docent finance, werken samen met allerlei bedrijven – een chocoladeproducent, een bakkerijketen, banken en modemerken – om van uiteenlopende artikelen de werkelijke prijs te kunnen berekenen. De samenwerking met De Aanzet was hun meest publieke project tot nu toe. De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze. Ze kunnen de normale en de werkelijke prijzen nu met elkaar vergelijken: als het verschil tussen die twee bij de ene appel 5 cent en bij de andere 50 cent is, is die eerste appel dus afkomstig van een producent die milieubewuster en meer sociaal verantwoord bezig is. De klant kan er dan voor kiezen om voor zijn product de echte prijs te betalen, waarna De Aanzet dat extra geld doorsluist naar projecten die de kwalijke gevolgen van die stille kosten proberen tegen te gaan.

    Scholte en de Groot Ruiz leerden elkaar zo’n vijftien jaar geleden kennen bij een universitaire debatclub. Scholte studeerde sociologie aan de Vrije Universiteit en werkte als schoonmaker in de businesslounge op Schiphol. De Groot Ruiz studeerde economie aan de Universiteit van Amsterdam. Ze vonden elkaar in hun belangstelling voor gedragseconomie, statistiek en de onderliggende structurele oorzaken van armoede en milieuvervuiling. Als tiener had De Groot Ruiz, die ook liefhebbert in de natuurkunde, met twee vrienden eens een techniek bedacht om energie te winnen uit de golfslag op zee. Toen kreeg hij te horen dat investeerders daar geen interesse in hadden omdat de ‘businesscase’ voor de ontwikkeling ervan zo onzeker is. Dat vond hij volstrekt irrationeel. De ware kosten van fossiele brandstoffen – het instorten van ecosystemen, stijgende zeespiegel, extreem weer – zijn uitzonderlijk hoog maar blijven buiten de boeken, zodat die brandstoffen in vergelijking met alternatieven onrealistisch goedkoop lijken.

    ‘Externaliteiten’

    In hun studietijd sloten de twee zich al aan bij de Nederlandse denktank Worldconnectors. Daar praatten ze met gelijkgestemden over wat economen wel ‘externaliteiten’ noemen: de externe kosten, vaak op het gebied van milieu en maatschappij, die niet worden meegenomen in prijsberekeningen. Mettertijd kwamen ze zo op het idee voor hun ‘echte prijzen’. Politici blijken vaak niet bereid bedrijven regelgeving op te leggen die streng genoeg is om de maatschappelijke en milieukosten fundamenteel te verlagen. Maar het is wel mogelijk de omvang van die kosten te schatten en die informatie direct in de prijzen te verwerken. Dus lanceerden Scholte en De Groot Ruiz in 2012 True Price, om bij te dragen aan de totstandkoming van duurzamere productieketens. De hoop is dat als bedrijven en consumenten zich minder illusies maken over de werkelijke kosten, dat zal leiden tot aanpassing van hun uitgavenpatroon en hun verkoop- en productiemethoden.

    Lage prijs is illusie

    Maarten Rijninks, de eigenaar van De Aanzet, hoorde voor het eerst over ‘echte prijzen’ op een lezing die Scholte in 2018 gaf. Hij beschouwt het nu als een manier om iets te doen aan een kwalijke situatie die zo wijdverbreid is dat we haar niet eens meer als vreemd ervaren. ‘Als je nu in een gewone supermarkt iets koopt, is dat altijd goedkoper dan hetzelfde product in mijn winkel, dat biologisch geteeld en duurder is,’ zegt Rijninks. Maar die lage prijs is een illusie: die is alleen mogelijk als je de ware kosten van de productie negeert. ‘Als je de echte prijzen berekent, zijn ook mijn producten goedkoper,’ zegt Rijninks. Sinds hij dit systeem hanteert, is de omzet van zijn winkel met een procent of vijf gestegen. Veel klanten zeggen het te waarderen. ‘Het probleem is dat klanten niet de middelen hebben om hun maatschappelijke en milieutechnische impact te verminderen,’ zegt hij. ‘Het is niet dat ze het niet willen.’

    Rijninks zegt tegen zijn klanten dat het systeem nog een experiment in uitvoering is. Een onontkoombaar probleem is misschien dat de gegevens van True Price niet perfect zijn. De analisten van de organisatie gaan soms uit van regionale gemiddelden, die de precieze productieomstandigheden van een specifiek artikel niet altijd goed weerspiegelen. En de herstelprojecten die De Aanzet heeft uitgekozen zijn niet altijd even doelgericht, zodat een klant die de echte prijs betaalt voor een banaan misschien meebetaalt aan een irrigatieproject van een spinazieboer. De komende jaren hoopt Rijninks met buitenlandse leveranciers gerichtere projecten op te zetten en ook meer producten in het systeem op te nemen dan alleen brood en verse groente en fruit. In de loop van dit jaar wordt het systeem ook nog op een andere manier uitgebreid: een vereniging van biologische winkels wil in al haar vestigingen in Nederland een pilot met echte prijzen gaan uitvoeren.

    De dubbele prijsvermelding stelt consumenten voor een keuze

    In De Aanzet kunnen de klanten de echte prijzen zien, maar bij andere bedrijven worden die voor interne analyse gebruikt. Tony’s Chocolonely vroeg Scholte en zijn mensen in 2013 om de ware kosten te berekenen van cacao uit Ghana en Ivoorkust. Ze hebben toen gekeken naar acht vormen van externe milieukosten en zes soorten maatschappelijke kosten, waaronder lucht-, bodem- en waterverontreiniging, klimaatverandering, onderbetaling en kinderarbeid. In West-Afrika, waar de meeste cacao in de wereld vandaan komt, zijn de arbeidsomstandigheden berucht: volgens een onderzoek van de universiteit van Chicago uit 2020 zijn in de cacaoproductie in Ghana en Ivoorkust anderhalf miljoen kinderen werkzaam. De grote merken beloven wel dat ze het probleem zullen oplossen, maar kinderarbeid blijft in deze sector een probleem.

    Tony’s Chocolonely

    True Price probeerde de kosten van al deze externe effecten te berekenen en kwam voor 2013 uit op een gemiddelde echte prijs voor cacao van 14,17 euro per kilo. Het grootste deel van die prijs, namelijk 12,07 euro, gaat op aan die externe kosten. Tony’s Chocolonely deed al erg zijn best om cacao van eerlijke producenten te krijgen, zodat zijn gemiddelde echte kosten een stuk lager waren: 7,93 euro, waarvan 5,99 euro de maatschappelijke kosten waren. Toen Tony’s het in 2017 opnieuw liet doorrekenen, was de echte prijs gedaald tot 4,52 euro, waarvan 2,93 voor externe kosten. En al zijn deze kosten slechts een beredeneerde gok – dus niet echt ‘echt’ – Tony’s Chocolonely kon ze goed gebruiken om doelstellingen te formuleren en de geboekte vooruitgang te meten.

    Tony’s spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens

    Tony’s betaalt hoger dan gemiddelde prijzen voor cacaobonen, stimuleert efficiëntere en duurzamere landbouwtechnieken, heeft een initiatief opgezet om de grondstoffen in de productieketen te kunnen volgen en een systeem opgetuigd om toe te zien op het voorkomen van kinderarbeid. Het bedrijf spendeert 1 procent van zijn omzet aan investeringen in lokale infrastructuur en aan de lobby voor betere wetgeving rond productieketens. True Price stelde vast dat de boerencoöperaties die producten aan Tony’s Chocolonely leveren meer winst maken, veiliger zijn en zich minder vaak aan kinderarbeid schuldig maken dan de gemiddelde leverancier in de sector. Als het bedrijf op deze voet doorgaat, kunnen de verborgen kosten van de chocola van Tony’s in de komende jaren het nulpunt bereiken.

    Om een concreet cijfer te plakken op de kosten van kinderarbeid of bodemerosie moet je eerst een hele serie aannames doen. Ten eerste moet True Price natuurlijk beslissen welke kosten er moeten worden berekend. Daarbij gaan ze uit van kosten die verband houden met schendingen van mensenrechten zoals vastgelegd door de VN, in internationale verdragen of andere breed gedragen kaders. In deze op mensenrechten gebaseerde benadering is True Price compromisloos: zo verwerpen ze principieel de gedachte dat het scheppen van banen, aandeelhouderswaarde of het gemak van de consument het ‘waard’ kan zijn om mensenrechten te schenden – waaronder ook het recht op een gezonde natuurlijke leefomgeving. Bedrijven die grondstoffen betrekken uit gebieden waar sprake is van kinderarbeid kunnen hun echte prijzen voor True Price alleen verlagen door te zorgen dat er minder kinderen betrokken zijn bij hun productieproces. Ze kunnen die kinderarbeid niet wegstrepen tegen andere gunstige effecten en zeggen dat het nettoresultaat positief uitvalt.

    Andere onderzoekers voeren vergelijkbare berekeningen uit. Zo heeft een team in Italië berekend dat de verborgen kosten van een kilo rundvlees, inclusief de gevolgen voor het milieu en de gezondheid van de mens, zo’n 19 euro per kilo bedragen. Dat wil zeggen dat de verborgen kosten van de rundvleesconsumptie alleen al in Italië zo’n 36,6 miljard euro per jaar bedragen. En onderzoekers van de Britse Sustainable Food Trust hebben diezelfde kosten voor hun land berekend: zo’n 116 miljard per jaar. Volgens een rapport uit 2021 van The Rockefeller Foundation op basis van onderzoek door True Price en wetenschappers van de universiteiten Oxford, Harvard, Cornell en Tufts bedragen de ware kosten van het hele voedselsysteem van de VS, als de verborgen kosten voor maatschappij en milieu eenmaal worden meegerekend, minstens 3,2 biljoen dollar per jaar – bijna driemaal zoveel als de ‘normale’ uitgaven aan voedsel van het land, die 1,2 biljoen bedragen.

    Hervormingen

    Driemaal de huidige prijs voor voedsel betalen is geen houdbare strategie voor consumenten, bedrijven of overheden. Maar er zijn andere manieren om met behulp van echte prijzen tot hervormingen te komen. De afgelopen tien jaar heeft de federale Amerikaanse overheid gemiddeld 16 miljard dollar per jaar aan landbouwsubsidies uitgegeven, met name voor de productie van soja, maïs, rijst en graan. Als het terugdringen van de echte kosten een voorwaarde wordt voor die subsidies, zou dat een prikkel voor producenten zijn om aan een paar van de meest funeste landbouwpraktijken een eind te maken. Net als bij supermarkt De Aanzet zou transparantie over de echte prijs dan tot verandering kunnen aanzetten.

    Alleen al praten over prijzen kan zijn nut hebben. Een product heeft geen ‘echte’ prijs in de objectieve zin waarin een element een atomaire massa-eenheid heeft. Maar de vragen die echte prijzen opwerpen zijn ook weer niet hopeloos subjectief. De meeste mensen zijn voorstander van een verbod op artikelen die geproduceerd worden in gevaarlijke omstandigheden door slaven en jonge kinderen.

    Eerlijke prijzen zijn ook rechtvaardige prijzen

    De analyses van True Price en andere deskundigen sporen ons aan om die redenering ook toe te passen op andere zaken: lonen die een bestaansminimum garanderen, bescherming tegen intimidatie, veilige arbeidsomstandigheden, duurzame productietechnieken enzovoort. In dat opzicht zijn eerlijke prijzen ook rechtvaardige prijzen: ze weerspiegelen ons morele besef dat we de mensenrechten en de natuur geen geweld mogen aandoen om goedkope artikelen te kunnen produceren. Mettertijd zal beter onderzoek ons nog meer inzicht geven in de kosten van het herstel van een ecosysteem waarin het grondwater door meststoffen is vergiftigd, of van het aanbieden van onderwijs aan boerenfamilies op het Ghanese platteland. Wat we nu al weten, is dat het weglaten van die kosten uit de prijsberekening betekent dat consumenten, overheden en bedrijven onjuiste informatie over de wereld krijgen voorgeschoteld. Dat is een vorm van liegen – over de natuur, over de economie en over elkaar.

  • Duurste restaurant VS verhoogt menuprijs naar 1000 dollar per persoon

    Duurste restaurant VS verhoogt menuprijs naar 1000 dollar per persoon

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Techbedrijven staan te springen om getalenteerde vluchtelingen uit Oekraïne

    » Vier Russische regeringshackers beschuldigd van wereldwijde aanvallen

    Menu bij restaurant Masa wordt 150 dollar duurder

    Het Japanse restaurant Masa aan Columbus Circle in New York was al het duurste restaurant van de Verenigde Staten en dat zal niet snel veranderen. Het restaurant heeft namelijk aangekondigd dat de menuprijzen binnenkort met 150 dollar zullen stijgen. Om een maaltijd met onder meer wagyu-rundvlees, toro – oftewel tonijnbuik – met een kroon van kaviaar en ijs van witte truffel te kunnen genieten aan de gewilde counter, moet per persoon vanaf april 950 dollar (1.034 dollar inclusief belasting, circa 943 euro) worden neergeteld. Dan is er nog geen druppel wijn of sake geschonken. Een tafel is iets goedkoper; daarvan stijgt de prijs met 100 dollar naar 750 dollar exclusief btw, bericht de New Yorkse culinaire website Eater.

    De prijsstijging is kenmerkend voor de opwaartse prijsbewegingen in het hogere segment van de Japanse restaurants in New York. Stijgende voedsel- en toeleveringskosten, samen met een toenemende vraag van de consument, zorgen ervoor dat de kosten van een luxe sushidiner inmiddels op niet minder dan zeven locaties in Manhattan tot 400 dollar per persoon zijn gestegen.

    Lees ook:

  • Verbod op plastic verpakkingen voor groenten en fruit in Frankrijk

    Verbod op plastic verpakkingen voor groenten en fruit in Frankrijk

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ontmoeting VS en Rusland levert Oekraïne niets op

    » Medische doorbraak: Amerikaan ontvangt hart van genetisch gemodificeerd varken

    Plasticverbod per 1 januari in Frankrijk

    Per 1 januari geldt in Frankrijk een wet die plastic verpakkingen voor veel soorten groenten en fruit verbiedt, bericht The Guardian. Dertig soorten groenten en fruit, waaronder komkommers, paprika’s, courgettes, prei, bananen, citroenen, sinaasappels en kiwi’s mogen niet langer in plastic worden verkocht. Verpakkingen van meer dan 1,5 kg zijn vrijgesteld, evenals gesneden of verwerkt fruit. Voor sommige soorten, waaronder cherrytomaatjes en zacht fruit zoals frambozen en bosbessen, krijgen producenten tot 2026 de tijd om alternatieven te vinden. 

    De Franse president Emmanuel Macron noemde het verbod ‘een echte revolutie’. Hij benadrukt dat Frankrijk wereldwijd het voortouw heeft genomen met zijn wet om al het plastic voor eenmalig gebruik te hebben uitgebannen in 2040. Andere landen lijken het voorbeeld te zullen volgen. Zo voert Spanje vanaf 2023 ook een verbod in op plastic verpakkingen voor groenten en fruit. Internationale actievoerders betogen al jaren dat plastic verpakkingen milieuschade en vervuiling van rivieren en oceanen veroorzaken.

    Lees ook:

  • Traditionele gewassen bieden uitkomst bij bestrijding ondervoeding

    Traditionele gewassen bieden uitkomst bij bestrijding ondervoeding

    Eric Amonsou, hoofddocent aan de Technische Universiteit van Durban, Zuid-Afrika, is vurig pleitbezorger van inheemse Afrikaanse gewassen. ‘Ze verliezen bij bewerking niet al hun goede eigenschappen.’

    Voedingswetenschap is nou niet meteen de meest sexy kant van de kookkunst, maar vernieuwend is ze wel. Met het oog op de toestand van de aarde, een gezonde darmflora en niet in de laatste plaats ons eetplezier is Eric Amonsou, hoofddocent aan de Technische Universiteit van Durban, Zuid-Afrika, vurig pleitbezorger van inheemse Afrikaanse gewassen.

    Mieren. Een flashback. Ik zit in een restaurant in Gdansk, ‘orthodox Pools’; ‘We hebben alle buitenlandse producten, inclusief specerijen, uit de keuken verbannen,’ legt de hoofdkelner uit. Op mijn bord ligt een gerecht van het degustatiemenu van die dag: hapjes, gemaakt van drie paddenstoelen uit het nabijgelegen bos. Een bruine ringboleet, een berkenboleet en een fluweelboleet. De paddenstoelen, die zijn gerookt boven een houtvuur, zijn bereid in eendenvet en afgetopt met een drupje dennenolie. Ik kijk naar de kleine zwarte dingen die ook op mijn bord liggen. En ja, ze zijn duidelijk herkenbaar. Mieren. Die, zoals me is verteld en zoals ik zelf kan proeven, een ongelooflijk intense smaak hebben. ‘Fruitig, met een mooi zuurtje.’ Dat kan ik beamen. 

    Het is mijn eerste kennismaking met mieren. Waarschijnlijk hebben we allemaal weleens per ongeluk een mier binnengekregen. Tijdens een picknick, of in de keuken. Maar niet moedwillig verzameld en bereid door een beroemde jonge chef, puur vanwege de smaak. En ja, ik ben me ervan bewust dat ‘de consumptie van eetbare insecten voor een derde van de wereldbevolking, met name in Latijns-Amerika, Afrika en Azië, zeer gebruikelijk is’, om een publicatie uit de database van ’s werelds grootste medische bibliotheek, de Amerikaanse National Library of Medicine, aan te halen. In de loop der jaren heb ik van veel vrienden gehoord dat vliegende mieren, gebakken of geroosterd boven vuur, roomzacht zijn en in één woord verrukkelijk. En is het ook eigenlijk niet vreemd, als je erover nadenkt, dat waar wij gruwen van insecten terwijl oesters ons het water in de mond doen lopen, mosselen buitengewoon populair zijn, krabben een luxe en iedereen houdt van met knoflook doordrenkte slakken? Vertrouwd. En bekend maakt bemind. Ik zal u de akelige beschrijvingen die ik hier zou kunnen geven besparen om uw voorliefde – en de mijne – niet om zeep te helpen. 

    Fine dining

    Terug naar de mieren. Het concept van mieren voorgeschoteld krijgen als onderdeel van een fine-diningervaring komt niet als verrassing. Als je een fan bent van chef-kok René Redzepi, weet je dat hij met zijn restaurant Noma in Kopenhagen de Scandinavische keuken op de kaart heeft gezet. Noma werd in 2010 voor het eerst uitgeroepen tot het beste restaurant ter wereld en prijkte onlangs – als Noma 2.0, op een nieuwe locatie en met een aangepast concept – voor de vijfde keer boven aan de prestigieuze ranglijst voor internationale gastronomie. In 2008 was Redzepi medeoprichter van het Nordic Food Lab, dat inmiddels is opgegaan in de afdeling Voedingswetenschap van de Universiteit van Kopenhagen. Misschien heb je, net als ik, de documentaire gezien die het lab heeft gemaakt. Bugs: will eating insects save our planet? [Hier een link van de trailer.] Daarin wordt de wereld van insecteneters verkend, met als uiteindelijke doel die insecten om te toveren tot verrukkelijke gerechten. Want al is een van de drijfveren het redden van de planeet, het moet natuurlijk wel leuk blijven. 

    Dankzij deze documentaire had ik al kennisgemaakt met het concept van insectengerechten voordat ik de Poolse – ongetwijfeld lokaal en seizoensgebonden – mieren kreeg voorgeschoteld. Toen ik ze proefde dacht ik: Yes! Superlekker! Ik zag potjes voor me met gedroogde mieren in kruidenrekken, tussen de potjes peterselie, salie en rozemarijn. Tussen de knoflookvlokken. De dure zeezoutmolens. Dat was in 2016. Ik wacht nog steeds. Maar ze gaan komen, dat weet ik zeker.

    ‘De manier waarop we ons vlees produceren (…) is een tijdbom’

    Ik kreeg deze mierenflashback tijdens mijn interview met voedingswetenschapper Amonsou, aan de vooravond van zijn inauguratie als hoogleraar aan de faculteit Toegepaste Wetenschappen van de Technische Universiteit van Durban. ‘Insecten zijn echt supervoedsel. Rijk aan proteïne. De insectenkweek heeft een aanzienlijk kleinere koolstofvoetafdruk dan traditionele sectoren: er is weinig land voor nodig en het energie- en waterverbruik is laag. Bij mijn bezoek aan de Universiteit van Venda in Thohoyandou, in de provincie Limpopo, zag ik op een markt mopaniewurmen en andere insecten te koop,’ vertelt Amansou. ‘In Europa vindt op dit moment veel onderzoek plaats naar insecten als voedsel. Er wordt van alles ontwikkeld. Proteïnepoeders voor sportvoeding en meel, gemaakt van sprinkhanen, bijvoorbeeld.’ Hij is de eerste om toe te geven dat het een hele toer is om de geesten rijp te maken voor het eten van insecten, als je er niet mee bekend bent. In delen van Benin, waar Amonsou vandaan komt, is insecten eten doodnormaal. ‘Maar ik ben er zelf niet mee opgegroeid,’ zegt hij. ‘Ook hier in Zuid-Afrika is er veel ruimte voor onderzoek en ontwikkeling. Insecten kunnen op een milieuvriendelijke manier worden gekweekt in kooien. Ik heb mogelijke Franse samenwerkingspartners ontmoet. Maar ik geloof niet dat er vanuit de regering iets wordt ondernomen om onderzoek te faciliteren en nieuwe voedingsmogelijkheden te promoten.’

    Voedingswetenschap is op het eerste gezicht misschien niet de ‘sexy’ kant van de kookkunst. Maar het is wel een vakgebied waar baanbrekende ontwikkelingen plaatsvinden. Dat moet ook wel als je naar de cijfers kijkt. De huidige wereldbevolking telt 7,9 miljard mensen. In 2030 zal die gegroeid zijn naar 8,5 miljard, in 2050 naar 9,9 miljard. Klimaatverandering, vervuiling, verwoesting. Ik hoef het je niet te vertellen. Je hoeft het nieuws maar aan te zetten of naar de afgelopen klimaattop in Glasgow te kijken. ‘Er zijn meerdere oplossingen die onderzocht kunnen en moeten worden,’ zegt Amansou. ‘De manier waarop we ons vlees produceren, dat vol zit met antilichamen en pesticiden, om naar maar te zwijgen over de ecologische voetafdruk van de veehouderij. Het is een tijdbom.’ Hij is groot voorstander van het kweken van vlees in laboratoria, maar het kweken van insecten heeft wat hem betreft de voorkeur. ‘Het heeft een enorm potentieel.’ 

    Persoonlijke passie

    En dan is er nog zijn persoonlijke passie. ‘Ik geloof heilig dat traditionele gewassen uitkomst kunnen bieden bij de bestrijding van ondervoeding, honger en armoede. Bij het halen van duurzaamheidsdoelen, de bescherming van het milieu. Bij de bevordering van een goede gezondheid.’ In zekere zin spreekt hij, vanuit het nuchtere perspectief van de wetenschapper, dezelfde taal als de Slow Food-beweging (gezond, duurzaam, eerlijk voedsel, lokale voeding en tradities, belangstelling voor de impact van onze voedselkeuzes op de planeet). En dezelfde taal als veel topchefs en foodies in Afrika en de rest van de wereld, die kiezen voor vers, lokaal, seizoensgebonden, smaakvol voedsel. Voor foerageren. Die goede producten en oude tradities en gewassen hoog in het vaandel hebben. 

    In zijn lab lossen zijn team en hij problemen op. Unilever klopte bijvoorbeeld aan met klachten over een soep. De boosdoener, een zetmeelcomponent, werd geïdentificeerd, het recept werd aangepast. Iedereen blij. Maar Amansou’s grootste passie, wist ik van een lezing die ik een paar jaar terug van hem had bijgewoond, is ‘de verbazingwekkende kracht van inheemse Afrikaanse gewassen’ voor een samenleving die met meerdere uitdagingen wordt geconfronteerd, waaronder klimaatverandering, voedselonzekerheid en levensstijlziekten als obesitas, hartziekten en diabetes. ‘Ze bevatten een schat aan voedingstoffen en gezondheidsbevorderende elementen,’ stelt hij. ‘De innovatieve ontwikkelingen leiden tot nieuwe werkgelegenheid en veel commercieel levensvatbare producten. Op dit moment worden er gigantische hoeveelheden van vijf hoofdgewassen geproduceerd. Niet alleen in dit land, maar wereldwijd. Rijst, aardappelen, maïs, tarwe en sojabonen.’ 

    ‘Je kunt beter van aardappel overstappen op taro, veel gezonder’

    Wat we in plaats daarvan zouden moeten verbouwen? Peulvruchten (waaronder de jugoboon, ook wel een compleet voedingsmiddel genoemd: een droogtebestendige proteïnebom), granen, wortels, knollen, bladgroenten. Klimaatbestendige gewassen die zowel in een natte als een droge omgeving goed gedijen, en een goede bron zijn van micronutriënten: vitamines en mineralen als zink en ijzer. Gezondere gewassen dus dan de basisvoeding; ze bevatten antioxidanten en ondersteunen darmbacteriën.’ En ze verliezen bij bewerking niet al hun goede eigenschappen. ‘Neem nou tarwebloem. Dat bevat geen vezels, na bewerking blijft er niets gezonds over. Het is een enorm probleem, vooral in de ontwikkelingslanden.’

    Amansou komt als gezegd uit Benin, het Frans sprekende land dat tussen Togo en Nigeria ligt ingeklemd, aan de Golf van Guinee. In een artikel van de BBC wordt het een van de stabielste democratieën van het continent genoemd. Het is ook een van ‘s werelds armste landen. Hij groeide op in Savè, een stad in het binnenland. Zijn vader spoorde hem aan om bètavakken en Engels te volgen, volgens vrienden de garantie voor succes. Na zijn eindexamen en een spoedcursus Engels, werd Amansou aangenomen op de hoog aangeschreven Universiteit van Ibadan, in buurland Nigeria, voor een studie Landbouwtechniek. Aan het National Landbouwkundig Instituut van Benin, waar hij een stageplek en daarna een onderzoeksplek bemachtigde, werd zijn interesse voor de voedingswetenschap gewekt. Een internationale samenwerking op het gebied van inheemse zwartoogbonen, een van de oudste voedingsbronnen, leverde hem een beurs op voor de Universiteit van Ghana, waar hij een researchmaster in de voedingswetenschap behaalde. Daarna promoveerde hij aan de Universiteit van Pretoria. Daar, en vervolgens aan de Universiteit van KwaZulu-Natal, verrichte hij postdoctoraal onderzoek. In 2013 werd hij aangenomen bij de Technische Universiteit van Durban, waar hij de onderzoeksafdeling Voedingswetenschap en Technologie opzette.

    Taroknol

    Op dit moment richt zijn onderzoek zich op de taroknol. Zeg nou zelf: wanneer heeft u voor het laatst taro gegeten? Ik in geen tijden, en toen ik er voor dit artikel naar op zoek ging, was het een hele onderneming om er een paar te vinden. Eenmaal geroosterd zijn ze ongelofelijk lekker, al zien ze er vrij onooglijk uit. Of geschild en gekookt, bestrooid met wat zout en besprenkeld met olijfolie. Smakelijk, sappig, zetmeelrijk voedsel dat, aldus de professor, ook nog eens supergezond is. (Klik hier voor de taro in de Ark of Taste, de internationale Slow Food-catalogus met bedreigd ‘erfgoed’-voedsel.) De taroknol is een veel veelzijdiger groente dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Een voormalige masterstudent die met Amansou heeft samengewerkt, gebruikt taro, dankzij de aanwezige nanokristallen, voor het maken van ‘plastic’ eetbare verpakkingen. Hij heeft octrooien aangevraagd voor twee gezondheidsdrankjes: een met taro en een met rode biet. En binnenkort is er een ontbijtgraan op basis van tarogel verkrijgbaar op de campus. Dit is allemaal te danken aan wetenschappelijk onderzoek. 

    ‘Je kunt beter van aardappel overstappen op taro, veel gezonder,’ zegt Amansou. De plantaardige gom (ik krijg het woord ‘slijm’ niet over mijn lippen, al moet ik misschien niet moeilijk doen als je bedenkt hoe goed het voor de darmen is) in de taroknol overleeft behandelingen zoals koken of bakken, waardoor het zetmeel langzaam wordt omgezet en er geen insulinepiek is. 

    Genoeg over taro. Als je vragen hebt, kun je ze Amansou zelf stellen op zijn blog over gezondheidsvoorlichting, Nutrifid. Wanneer ik de ‘Universiteit van Kopenhagen’ google om te kijken waar hun de afdeling Voedingswetenschap vandaag de dag mee bezig is, stuit ik op een heerlijke studie naar meelwormen en sprinkhanen – door de EU goedgekeurde kweekinsecten. Hoofddocent Michael Bom Frøst, schrijft, ik citeer: ‘We moeten onze eetgewoontes drastisch aanpassen, willen we onze impact op het klimaat in 2030 met 70 procent verminderen, zoals de regering heeft beloofd. Maar we kunnen mensen niet klimaatvriendelijker laten eten als ze het voedsel niet zien zitten. Onze afdeling zet zich in voor de ontwikkeling van toekomstige voedingsmiddelen, voedsel dat zowel klimaatvriendelijk als lekker is.’ En daartoe worden Deense kinderen vertrouwd gemaakt met alternatieven. Het experiment laat zien, zo wordt me verteld, dat sommige insecten een grotere afschuwfactor hebben dan andere. Dat meelwormen misschien wel de beste keuze zijn voor een eiwitrijk dieet in de toekomst. Oké.

    Een van de uitdagingen, zegt Amansou, is genoeg geld binnen te halen om innovaties uit het onderzoek van zijn lab levensvatbaar te maken. Zelf heeft hij bijvoorbeeld ook moeite om aan taro te komen. 

    ‘Particuliere investeerders zullen de producten pas steunen als we genoeg grondstoffen hebben. We hebben echt overheidsbemoeienis nodig om het verbouwen van traditionele gewassen aantrekkelijker te maken, en een inclusief bedrijfsmodel om de beste soorten te produceren.’ Ik denk weer aan die mieren. De Poolse mieren. Ik vraag me af of Amansou zou overwegen om hierna onderzoek te doen naar lokale mieren. Misschien is dat iets om op tafel te leggen.

  • Italianen maken weer thuis pasta

    Italianen maken weer thuis pasta

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Voor het eerst in drie jaar stemt Israëlisch parlement in met begroting

    » In Mozambique worden olifanten zonder slagtanden geboren door stroperij

    41 procent van de Italiaanse huishoudens maakte vorig jaar zelf pasta

    Een kwart van ’s werelds pasta wordt gemaakt in Italië, aldus Coldiretti, de grootste en belangrijkste landbouwvereniging van Italië. Coldiretti deed deze uitspraak afgelopen maandag op Wereld Pasta Dag. Italië is goed voor zo’n 5 miljard euro van de wereldwijde productiewaarde van pasta die meer dan 20 miljard euro bedraagt, en die is gestegen tijdens de pandemie, verklaart de landbouwvereniging tegenover persbureau ANSA.

    Tijdens de pandemie zijn veel Italianen overigens weer begonnen om thuis pasta te maken. Ongeveer 41 procent van de Italiaanse huishoudens haalde vorig jaar hun oude deegrollers uit de kast en begon weer te doen wat hun grootmoeders altijd al deden, aldus Coldiretti.

    Lees ook:

  • Een wodkaatje van CO2 – en andere manieren om koolstof te benutten

    Een wodkaatje van CO2 – en andere manieren om koolstof te benutten

    CO2 is de belangrijkste boosdoener voor de opwarming van de aarde, maar zou het helpen als producten konden worden gemaakt van CO2 zelf? Die vraag is niet zo gek; CO2 werd al gebruikt om dranken te carboniseren, tomaten te bemesten en cosmetica te maken. Inmiddels produceert een groeiende carbontechindustrie van alles, uiteenlopend van sokken en beton tot wodka.

    Voor de site Reasons to be cheerful maakte Michaela Haas een rondje langs geavanceerde bedrijven in de snelgroeiende carbontechindustrie die koolstofdioxide opvangen voordat het in de atmosfeer ontsnapt. Die afgevangen CO2 gebruiken ze vervolgens om er van alles en nog wat mee te maken.

    Voedsel 

    Landbouw is wereldwijd verantwoordelijk voor 24 procent van de broeikasgassen, dus andere manieren van voedselproductie zouden een grote stap kunnen betekenen. En dat is precies wat de Fin Pasi Vainikka probeert met zijn food-tech startup Solar Foods, gevestigd in de buurt van Helsinki: voedselproductie loskoppelen van agricultuur.

    Hier op aarde zou het eiwitpoeder kunnen helpen in de strijd tegen klimaatverandering

    ‘Wij maken eten van lucht!’ zegt hij. ‘We hebben geen landbouwgrond nodig, hoeven geen bossen te kappen en hebben zelfs nauwelijks water nodig.’ Solar Foods produceert eiwitpoeder van microben, die zijn bedrijf uit de bodem en mariene ecosystemen in de Finse wildernis haalt. In een fermentatieapparaat zoals ook in brouwerijen wordt gebruikt, voegt het bedrijf vervolgens water, waterstof, vitamines en CO2 uit de atmosfeer toe om de microben te laten groeien tot Solein, een geelachtig eiwit dat kan worden gedroogd en hetzij in een shake, hetzij als meel, hetzij in pilvorm kan worden ingenomen.

    Samen met de European Space Agency ontwikkelt Solar dit voedselconcept voor een missie naar Mars. Hier op aarde zou het eiwitpoeder kunnen helpen in de strijd tegen klimaatverandering. 

    Tapijt

    Op het eerste gezicht ziet tapijt van het bedrijf Interface eruit als elke andere vloerbedekking die je op luchthavens en in kantoorgebouwen tegenkomt: grijze, vezelige vierkanten. Maar dit grijze tapijt is feitelijk een koolstofopslag. De ‘Climate Takeback’-technologie, ontwikkeld door het bedrijf dat in Atlanta is gevestigd, resulteert in koolstofnegatieve vloeren. De onderkant van het tapijt is gemaakt van latex dat bestaat uit CO2 afkomstig van de rook uit schoorstenen, gecombineerd met gerecycled vinyl en bioafval. Het oppervlak bestaat uit gerecycled nylon. Volgens Interface haalt het bekleden van een vergaderruimte met dit product het equivalent van zo’n 5,5 kilo koolstof uit de atmosfeer. ‘Stop met koolstof als de vijand te zien’, zegt het bedrijf, ‘en gebruik het als een hulpbron of bouwsteen om betere producten te ontwikkelen.’

    Beton

    Volgens Marcius Extavour, CEO van non-profit Carbon XPrize, is cement verantwoordelijk voor zeven procent van de wereldwijde CO2-uitstoot. Zijn Canadese bedrijf CarbonCure in Halifax, Nova Scotia, gebruikt gerecycleerde, vloeibare CO2 die wordt opgevangen uit fabrieksuitlaatgassen, en injecteert deze in vers beton. ‘Eenmaal geïnjecteerd, ondergaat de CO2 een chemische reactie waardoor het wordt omgezet in een mineraal dat permanent wordt ingebed’, aldus de ingenieurs van CarbonCure.

    Het proces vermindert niet alleen de uitstoot met vijf tot acht procent in vergelijking met conventionele betonmengsels maar het maakt het beton ook sterker. CarbonCure zegt meer dan 120.000 ton CO2 te hebben afgevangen en heeft onlangs de Carbon XPrize gewonnen. Dat is een wereldwijde wedstrijd die deelnemers uitdaagt baanbrekende technologieën te ontwikkelen om koolstofdioxide om te zetten in bruikbare producten. Het bedrijf deelt de prijs met CarbonBuilt, een bedrijf uit Los Angeles dat technologie inzet die is ontwikkeld door het Institute for Carbon Management aan de UCLA, om de CO2-uitstoot in beton met bijna 50 procent te verminderen. ‘De wereldwijde voorraad aan gebouwen zal naar verwachting in 2060 verdubbelen’, aldus Extavour, ‘dus het is van vitaal belang dat oplossingen zoals die van CarbonCure snel kunnen opschalen.’

    Matrassen, sokken en panty’s

    Fossiele brandstoffen zitten in de vorm van kunststoffen in vrijwel elk gefabriceerd product. Maar afgevangen koolstofdioxide kan in plaats daarvan als bouwsteen voor veel van deze producten worden gebruikt. In samenwerking met de Tech University Aachen (RTWH) heeft het Duitse bedrijf Covestro met succes CO2 en andere gasmengsels die vrijkomen bij de productie van staal, omgezet in polyolen, een organisch composiet dat gewoonlijk wordt gewonnen uit niet-hernieuwbare bronnen. Covestro gebruikt deze polyolen om een op koolstof gebaseerd materiaal te maken, cardyon genaamd, voor de productie van schuim voor isolatie, matrassen, interieurs van voertuigen, deurpanelen en bekleding van autostoelen.

    ‘Het is niet alleen een klimaatveranderend gas, maar ook een hulpbron’

    Het materiaal is gebruikt voor ’s werelds eerste ondervloer van koolstofdioxide in een onlangs geopende hockeyfaciliteit in het Duitse Krefeld. Niet ver daarvandaan, in Leverkusen, pronkt Covestro-chemicus Liv Adler met oranje sokken die gemaakt zijn van op CO2 gebaseerde draad. ‘Het is niet alleen een klimaatveranderend gas, maar ook een hulpbron’, zegt ze. Adler is coördinator van Carbon4Pur, een EU-initiatief om industriële afvalgassen om te zetten in waardevolle hulpbronnen. Haar sokken zijn nog niet klaar voor massaproductie, maar een grote fabrikant van panty’s maakt al prototypes van de vezel, in de hoop de elasticiteit te verbeteren en deze uiteindelijk in de productie te integreren.

    Diamanten

    ‘Diamonds are not the planet’s best friend’, schrijft Michaela Haas. Mijnbouw vereist een enorme hoeveelheid hulpbronnen, energie en vervuiling. Maar een diamant is in wezen een gewone kristallijne koolstof. Dit jaar zijn twee bedrijven begonnen met de productie van diamanten gemaakt van koolstof die is afgevangen: Aether in de VS en Sky Diamond in het VK. ‘Alles wat nodig is om een Sky-diamant te maken, komt uit de lucht’, zegt Dale Vince, die tevens eigenaar is van ’s werelds groenste voetbalclub.

    ‘Het enige dat we terug in de wereld brengen, is lucht die schoner is dan hoe we haar eruit haalden’

    ‘De koolstof wordt uit de atmosfeer gehaald, wind en zon leveren al onze energie en het water dat we gebruiken is opgevangen regen. Het enige dat we terug in de wereld brengen, is lucht die schoner is dan hoe we haar eruit haalden.’ 

    De diamanten zijn fysiek en chemisch ‘identiek aan gedolven diamanten, behalve dan dat ze niet van diep uit de aarde komen’, aldus Aether. Wat normaal gesproken miljoenen of zelfs miljarden jaren duurt, wordt in een paar weken bereikt door extreem hoge temperaturen en druk van hernieuwbare energiebronnen op CO2 los te laten. Ryan Shearman, CEO van Aether, verkoopt zijn sieraden als ‘bling without a sting’ en beweert dat een diamant van één karaat ongeveer 20 ton CO2 uit de atmosfeer haalt, wat meer zou compenseren dan wat de gemiddelde Amerikaan in een jaar produceert, hoewel zijn bewering moeilijk valt te verifiëren. ‘Dit past perfect bij onze boodschap dat groen leven niet betekent dat je dingen moet opgeven’, zegt Dale Vince. ‘Of het nu gaat om hamburgers, auto’s, voetbal of zelfs diamanten, belangrijk is dat we ze op een andere manier produceren.’

    Wodka

    Air Company, een jonge New Yorkse startup, biedt de kans om emissievrij aan de drank te gaan. Hun wodka bestaat uit slechts twee ingrediënten: CO2 en water. En zon, aldus de website.

    Meestal wordt alcohol gedistilleerd na het vergisten van fruit of graan. Bij de productie van een fles wodka gemaakt van tarwe wordt ongeveer zes kilo aan klimaatgassen uitgestoten die worden gegenereerd bij het telen, oogsten en transporteren van de granen. De wodka van Air Company absorbeert daarentegen evenveel CO2 als acht bomen, zegt medeoprichter Gregory Constantine. Vanwege het bedrijfsgeheim weigert hij het recept te geven, maar het productieproces gebruikt in wezen zonne-energie om CO2 om te zetten in pure ethanol, vergelijkbaar met de manier waarop planten fotosynthese gebruiken om CO2 in voedsel om te zetten.

    ‘Onze wodka is zelfs zuiverder dan conventionele wodka omdat het geen verontreiniging of bijproducten van granen bevat’

    ‘Onze wodka is zelfs zuiverder dan conventionele wodka omdat het geen verontreiniging of bijproducten van granen bevat’, aldus medeoprichter Stafford Sheehan. Hij studeerde scheikunde aan Yale en daar slaagde hij er voor het eerst in om CO2 om te zetten in alcohol. Het patent van Air Company heeft prijzen gewonnen van NASA en de Verenigde Naties.

    Marktpotentieel

    Je zal heel veel van deze CO2-negatieve wodka moeten drinken om je CO2-uitstoot van vliegreizen te compenseren. Om een retourvlucht van Los Angeles naar New York te compenseren, in totaal zo’n 8000 kilometer, zijn dat meer dan vierduizend flessen. Anders gezegd: de meeste van deze producten verbruiken niet genoeg CO2 om de klimaatcrisis wezenlijk aan te pakken. Maar het is een begin en nieuwe technologie begint altijd klein. 

    De nonprofitdenktank Carbon180 schat het jaarlijkse marktpotentieel voor carbontech op meer dan 1 biljoen dollar in de VS en bijna 6 biljoen dollar wereldwijd. Net als Klaus Lackner en andere pioniers op het gebied van koolstofafvang, denkt Carbon180 dat brandstofproductie met 85 procent uiteindelijk het grootste segment van de carbontechmarkt zal uitmaken, gevolgd door bouwmaterialen en kunststoffen. ‘Carbontech biedt marktwaarde voor CO2 die anders de klimaatverandering zou verergeren’, aldus Carbon180.

  • ‘Klimaatneutrale’ kaas en vuilniszakken: greenwashing of stap in de goede richting?

    ‘Klimaatneutrale’ kaas en vuilniszakken: greenwashing of stap in de goede richting?

    CO2-neutrale kaarsen, kaasproducten, vuilniszakken: wat op het eerste gezicht milieuvriendelijk lijkt, is vaak pure greenwashing waarmee bedrijven als Hochland, Aldi Süd en Nestlé zich er gemakkelijk van afmaken. Zelf verklaren de bedrijven dat ze op weg zijn naar ‘net zero’.

    Als we zuivelbedrijf Hochland mogen geloven is vrijwel geen kaas zo duurzaam als zijn eigen Grünlander-plakken met milde nootachtige smaak. Met maar liefst vier ecolabels (Marke Eigenbau) prezen de Allgäuers tot voor kort hun product aan: aan de beloftes van ‘natuurlijke ingrediënten’, ‘meer dierenwelzijn’ en ‘een optimaal recyclebare verpakking’ werd als nieuwste snufje van duurzaam marketen het keurmerk ‘100% klimaatneutraal geproduceerd’ toegevoegd. Deze kaas riep klimaatverandering een halt toe.  

    Met die belofte worden niet alleen de plakken kaas met milde nootachtige smaak verkocht. Van vis en kaarsen tot fruit en vuilniszakken – in alle branches prijzen fabrikanten hun waar als ‘klimaatneutraal’ aan. Emissievrij lijkt het nieuwe bio. Maar hoeveel daarvan is werkelijk milieubescherming – en hoeveel greenwashing?

    Hochland kreeg in elk geval problemen met zijn kwalificatie ‘100% klimaatneutraal geproduceerd’. De Wettbewerbszentrale, het zelfregulerende orgaan van het Duitse bedrijfsleven, beoordeelde deze aanprijzing onlangs als ‘misleidend’. Het mededingingscentrum gaf een waarschuwing aan in totaal twaalf bedrijven die op soortgelijke wijze de term ‘klimaatneutraal’ hanteerden. Onder hen ook Aldi Süd. Deze discountreus pocht ermee Duitslands ‘eerste klimaatneutrale levensmiddelendetaillist’ te zijn.

    CO2-certificaten

    Het keurmerk klimaatneutraal suggereert dat dit resultaat ‘uitsluitend bereikt wordt door zelf emissie te vermijden’, zegt Tudor Vlah van het mededingingscentrum. Vaak is dat helemaal niet het geval. Bedrijven kopen doorgaans via aanbieders als ClimatePartner CO2-certificaten die hun uitstoot moeten compenseren. Het eigen productieproces kan zo grotendeels intact blijven. Bovendien komen deze certificaten vaak van projecten in ontwikkelingslanden, waarvan de effectiviteit omstreden is. 

    Zuivelbedrijf Hochland staat erom bekend dat het alles graag een beetje aandikt: hun reclame met ‘uitloopkoeien’ kreeg al eerder een waarschuwing. Alleen uit de kleine lettertjes viel op te maken dat de dieren niet vrij in de wei konden lopen, maar alleen in de stal. Met zijn ‘klimaatneutrale productie’ doet Hochland nu exact hetzelfde: op basis van de laatste cijfers stoten de beide grote vestigingen van het bedrijf elk jaar ruim 20.000 ton CO2-equivalenten uit. Die hoeveelheid is ongeveer vergelijkbaar met de uitstoot van het op een neer vliegen van alle regeringsambtenaren tussen Berlijn en Bonn. 

    De afgelopen jaren heeft Hochland op eigen kracht precies 11 procent besparing per ton eindproduct gerealiseerd – en grotendeels door om te schakelen op stroom uit hernieuwbare energiebronnen, zoals het bedrijf bevestigt. De resterende kloof naar zogeheten klimaatneutraliteit werd gedekt door certificaten.

     ‘Bij termen als “klimaatneutraal produceren” gaan bij mij alle alarmbellen af’

    Matthias Finkbeiner, directeur van het Institut für Technische Umweltschutz van de TU Berlijn, is uiterst kritisch over deze aflaathandel. Certificaten kunnen vaak zo goedkoop verkregen worden dat ze elke prikkel om de eigen productie energie-efficiënt te maken tenietdoen, zegt de expert in levenscyclusanalyse. ‘Bij termen als “klimaatneutraal produceren” gaan bij mij alle alarmbellen af.’ Dat soort formuleringen verdoezelt vaak dat de eigen bijdrage aan uitstootvermindering ‘uitermate gering is’.

    Dat geldt vooral voor branches die voor hun emissies niet hoeven te betalen. Terwijl energieconcerns voor elke ton CO2 inmiddels nog altijd ruim 50 euro moeten ophoesten, is compensatie voor bijvoorbeeld de levensmiddelensector vrijwillig – zij kunnen zich tegen een koopje ‘klimaatneutraal’ maken. Zo betaalde Hochland hooguit 3,70 euro per ton.

    Als klimaatkoopman voor het zuivelbedrijf fungeerde Plant for the Planet, een organisatie die door activist Felix Finkbeiner (23) werd opgericht. Hij hielp Hochland niet alleen aan gunstige compensatieprojecten, maar initieerde ook acties met een hoogst dubieus nut voor het klimaat – bijvoorbeeld het aanplanten van bomen in Mexico om de klimaatopwarming af te remmen. Daarvoor oogstte hij veel lof van de Friday for Future-beweging, maar uiteindelijk kwamen er zoveel berichten over de gebrekkige controleerbaarheid van Finkbeiners succesverhalen, dat Hochland de samenwerking met zijn organisatie opschortten. 

    Finkbeiner zelf verzekert dat voor elke euro een boom wordt geplant en dat aan verbetering van de transparantie hard wordt gewerkt.

    Hypothese

    In de markt voor verhandelbare CO2-compensatie gaan miljarden om – het is een speelplaats voor tal van valideerders, certificeerders, adviseurs en handelaren die concerns inpalmen met de belofte dat ze hen de verantwoordelijkheid voor het klimaat uit handen nemen. In werkelijkheid verschuiven ze het probleem vaak alleen maar, naar projecten in armere landen. Zelfs in de verplichtende emissiehandel worden zulke vreemde plannen goedgekeurd dat het verantwoordelijke VN-klimaatsecretariaat steeds weer certificeerders moet buitensluiten. Onder hen inmiddels ook TÜV Süd.

    Hochland heeft gevolg gegeven aan de waarschuwing van het mededingingscentrum en is met zijn reclame gestopt. Aldi Süd daarentegen voelt zich ten onrechte aan de schandpaal genageld. De slogan van ‘eerste klimaatneutrale levensmiddelendetaillist’ willen ze zich kennelijk niet door de mededingingshoeders laten ontnemen. 

    ‘Onze missie: nauwelijks emissie,’ rijmt Aldi op zijn homepage

    ‘Bewust hebben we onszelf niet “emissievrij” genoemd, maar alleen “klimaatneutraal in de zin van evenwicht in de CO2-balans”,’ zegt het bedrijf spitsvondig. Daarvoor is een heleboel werk verzet, ze hebben het energiemanagement efficiënter gemaakt en in nieuwe technologieën geïnvesteerd. Maar evenals Hochland claimt de discounter dat hij de grootste besparing gerealiseerd heeft door ‘omschakeling op 100% groene stroom’.  

    Aldi Süd lijkt met ruim 100.000 ton CO2-uitstoot bepaald een kleintje vergeleken met concerns als Bosch of Nestlé die boven de 100 miljoen uitkomen. Hoe hen dat lukt? De discounter berekent alleen de eigen CO2-voetafdruk en niet die van de totale keten aan toegevoegde waarde. 

    ‘Onze missie: nauwelijks emissie,’ rijmt Aldi op zijn homepage. Het bedrijf presenteert er vier compensatieprojecten. In India bijvoorbeeld krijgt de discounter op zijn balans ruim 30.000 ton per jaar gecrediteerd vanwege zijn financiële steun aan een zonne-energiecentrale. Deze vervangt volgens Aldi ‘de stroom uit fossiele energiedragers door zonnestroom’.

    ‘Dat klinkt mooi, maar is niet meer dan een hypothese,’ zegt expert Matthias Finkbeiner. In India is sprake van een groeiende primaire energiebehoefte; daarom ligt het niet voor de hand dat bestaande kolencentrales vervangen worden.

    Houtskooloventjes

    Ook het project in Ghana waar kleine efficiënte houtskooloventjes het kappen van brandhout in de bossen en de luchtverontreiniging moeten minimaliseren, lijkt geen eenduidig effect op te leveren. Toch crediteren 24 bedrijven hun emissiebalans met dit project. De controleurs van het Chinese filiaal van TÜV Rheinland moesten de besparingsprestaties van deze oventjes al volgens een beoordelingsverslag uit 2014 met circa 40 procent terugschroeven. Maar dankzij uitbreiding van het aantal ovens zijn de emissiedoelen volgens de promotors van het project toch behaald.

    Al even omstreden is een door de discountketen gefinancierd bosbeschermingsproject in Brazilië. Met dit plan in de nabijheid van de stad Portel in het oostelijke Amazonegebied kan Aldi 66.000 ton CO2-equivalenten compenseren, het merendeel van zijn emissies. Exploitant van dit project is Michael Greene, een Amerikaanse ingenieur, die ruim tien jaar geleden zijn baan bij Honda opgaf om het Braziliaanse regenwoud te redden. Na alles wat Greene aan de telefoon en per mail heeft laten weten, lijkt ‘het beste er maar van hopen’ een wezenlijke parameter van het project. 

    De Amerikaan heeft kennelijk een groep bosbezitters gevonden die hun 150.000 hectare waarop ze voorheen hout kapten, tot privaat beschermingsgebied verklaarden. Bedrijven als Aldi betalen als het ware een schadeloosstelling aan de bosbezitters om af te zien van kaalslag in het beschermde gebied; in ruil daarvoor krijgen de concerns emissierechten. Jaarlijks zou het project 364.000 ton aan CO2-equivalenten opleveren; naast Aldi rekenen nog ruim honderd bedrijven zich hiermee groen.

    Nestlé stoot met ruim 100 miljoen ton broeikasgassen meer dan tweemaal zoveel uit dan thuisbasis Zwitserland

    Maar of het werkt, weet zelfs Greene niet precies. ‘Het is hier wildwest,’ zegt hij aan de telefoon. De eigendomsrechten zijn vaak onduidelijk en of de hier traditioneel levende rivierbewoners, die Greene ook aan zijn project wil verplichten, hun land niet toch verzilveren, houden zij voor zich: ook de rivierbewoners kunnen volgens Greene ‘doen met hun land wat ze willen’. Bovendien wil de Braziliaanse president Jair Bolsonaro legalisering van illegale houtkap door kolonisten zelfs achteraf mogelijk maken. 

    Nestlé wil nu het goede voorbeeld geven. Het grootste levensmiddelenbedrijf ter wereld heeft aangekondigd in 2050 klimaatneutraal te willen werken en heeft daartoe onlangs zijn net zero roadmap uitgebracht. Er moet nogal wat gebeuren: met ruim 100 miljoen ton broeikasgassen stoot het bedrijf meer dan tweemaal zoveel uit dan zijn thuisbasis Zwitserland.

    Nestlé gelooft in groene groei en wil dit doel vooral bereiken via toepassing van klimaatvriendelijke technologie. Maar zelfs dan blijft er een miserabele rest over van toch altijd nog een paar miljoen ton broeikasgassen. Die moet eveneens gecompenseerd worden met gigantische boomplantacties in met name ontwikkelingslanden.

    Michel Pimbert, hoogleraar agrarische ecologie aan de universiteit van Coventry, vertrouwt het plan niet. Zulke compensatieprojecten kunnen volgens hem ‘tot een nieuwe golf van grootschalig landjepik op het zuidelijk halfrond leiden en gewelddadige conflicten met verdreven lokale gemeenschappen vooroorzaken’.

    In plaats van hen met onze compensatieprojecten op te zadelen zou het volgens Pimbert eerlijker zijn om nu eindelijk eens de consumptie in de westerse wereld te verminderen. 

  • 330 additieven in bewerkt voedsel

    330 additieven in bewerkt voedsel

    Er moet beleid worden ontwikkeld om de toegang tot en betaalbaarheid van rauw of minimaal bewerkt voedsel te verbeteren.

    Dat beweren Bernard Srour en Mathilde Touvier onlangs in The Lancet. Eerst was het slecht voor de gezondheid om vet te eten, toen waren koolhydraten de boos-doener, en moet vooral suiker in de ban. Westerse eetpatronen worden gekenmerkt door een hoge inname van energierijke producten, lees: grote hoeveelheden suikers, suikerhoudende dranken en verzadigde vetten, en beperkte hoeveelheden groente, fruit en volle granen, oftewel vitaminen en voedingsvezels. Er zijn zelfs sterke wetenschappelijke aanwijzingen dat dit eetpatroon chronische ziekten veroorzaakt.

    Meer recentelijk is een discussie gaande over de mate waarin voedsel is bewerkt. Voedselbewerking heeft de afgelopen eeuw tot enorme vooruitgang geleid, zoals de massaproductie van snel en gemakkelijk te bereiden voedsel en de afname van micro-biologische risico’s, maar de vraag is of we niet te ver zijn gegaan. Zijn deze op grote schaal geconsumeerde producten (50 procent van de energie-inname in het VK en de VS) van invloed op de menselijke gezondheid?

    Ultra Processed Food

    Ultra Processed Food, bewerkt voedsel dat meestal het gehele middenstuk van een supermarkt beslaat, doet er nog eens een ongezond schepje bovenop. Of het verwijderen van vezels, mineralen en andere nutriënten voor de smaak en de houdbaarheid, voedzaam en veilig is wordt steeds vaker ter discussie gesteld. De voedingsindustrie vindt van wel. Maar wetenschappers als Bernard Srour en Mathilde Touvier denken er anders over. Ze publiceerden in The Lancet recent hun bevindingen. UPF is volgens de twee eenzijdig en niet voedzaam: het mist noodzakelijke nutriënten, die je moet binnenkrijgen. En het bevat een keuze uit 330 additieven.

    Niet alleen hebben UPF gemiddeld een slechtere voedselkwaliteit, ze bestaan over het algemeen ook uit producten die verschillende intensieve processen hebben ondergaan, zoals kneding en extrusie bij hogere temperaturen, en bevatten cosmetische voedingsadditieven en/of andere industriële ingrediënten om het aroma en de smaak van het eindproduct te verbeteren.

    Volgens voedselwaakhond foodwatch is 75 procent van het aanbod in de supermarkt UPF

    Recente systematische beoordelingen en meta-analyses tonen verband aan tussen UPF-inname en een toegenomen kans op verschillende chronische aandoeningen, met name obesitas en cardiometabolisme, maar ook mortaliteit, kanker, algehele verzwakking en symptomen van depressiviteit. Zelfs de Wereldgezondheidsorganisatie en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN waarschuwen om zo min mogelijk bewerkt voedsel te eten. Dat zal lastig worden, want volgens voedselwaakhond Foodwatch is 75 procent van het aanbod in de supermarkt UPF. Meer dan de helft van de calorieën uit een gemiddeld westers dieet komt van UPF.

    Er is niet alleen dringend behoefte aan openbaar onderzoek dat een epidemiologische en experimentele benadering combineert om de invloed van voedselbewerking beter te begrijpen. Ondertussen moeten consumenten worden geadviseerd om 1) voedingsproducten te kiezen met een betere voedselkwaliteit volgens de normen van Nutri-Score (arm aan zout, suiker, verzadigde vetten en rijk aan voedingsvezels etc.) en 2) zich bewust te zijn van de andere maar complementaire dimensie van het voedingspatroon met betrekking tot voedselbewerking. Aangezien een voedingspatroon op basis van UPF voor goedkoper doorgaat, moet er beleid worden ontwikkeld om de toegang tot en betaalbaarheid van rauw of minimaal bewerkt voedsel te verbeteren.

    Museum voor smerig eten

    Volgens de toeristen-branche is het Disgusting Food Museum de belangrijkste bezienswaardigheid in de Zweedse stad Malmö.

    De Amerikaanse psycholoog Samuel West en de Zweedse IT’er Andreas Ahrens openden hun museum in 2018 nadat ze de wereld hadden afgespeurd naar de smerigste dingen die mensen eten. Ze moesten wel alles zelf proeven. West gaf zo vaak over dat hij de tel kwijtraakte. Ahrens vond veel van het voedsel onaangenaam, maar hij werd pas ziek nadat hij balu had geproefd,
    een Filipijnse eier-foetussnack die rechtstreeks uit de schaal wordt gegeten – veren, snavel, bloed en alles, schrijft The New Yorker. Sommige producten zijn veilig verpakt, zoals surströmming, blikjes gefermenteerde haring die alleen buiten in de open lucht geopend mogen worden. Andere gerechten maakten de curatoren zelf. Voor een Zuid-Koreaanse wijn die de ‘verse drollen’ van kinderen vereiste, schepte Ahrens de uitwerpselen van zijn achtjarige dochter op en liet die gisten met rijstwijn. Het museum, gevestigd in een keurig winkelcentrum, zet de bezoeker aan tot nadenken over wat eetbaar is. Niet alleen de smaak, ook de cultuur, traditie en economische noodzaak bepalen dat. Biologisch is walging een afweermechanisme tegen
    vergiftiging. Het museum is beschuldigd van het bevestigen van culturele vooroordelen, schrijft
    The New Yorker. Bezoekers kunnen in een fotocabine allerlei stanken opsnuiven en hun van walging vertrekkende gezicht op Instagram zetten. (Huib Stam)

    Grote stap voorwaarts

    Is kweekvlees de oplossing voor veel problemen?

    Die gedachtensprong is gauw gemaakt. Als vlees in een reactor opgekweekt kan worden zonder dat er een dier, een stal en een slachthuis aan te pas komen, dan lijkt de toekomst van de ‘cellulaire landbouw’ verzekerd en is het gedaan met de milieuvervuiling, het grondgebruik, het dierenleed en de kiloknallerij van de conventionele vleesproductie.

    De vleesindustrie is ‘onmiskenbaar schadelijk, maar politiek en maatschappelijk ook zo diep in ons bestaan verankerd dat je als hervormer niet goed weet waar je moet beginnen’, schrijft The Guardian. Maar ‘de geschiedenis wijst uit dat zulke systemen wel degelijk radicaal kunnen veranderen, zelfs binnen één generatie’.

    Richard Branson, Bill Gates en andere miljardairs investeren ruim in de nieuwe techniek. Sergey Brin van Google betaalde mee aan de ‘Maastrichtse hamburger’, het eerste stukje kweekvlees dat in 2013 met veel bombarie werd gebakken. Die kostte bij elkaar een kwart miljoen euro, het eerste obstakel. Gewoon vlees is heel goedkoop, kweekvlees kost nu 37 dollar per kilo en is pas onder de 25 dollar rendabel. Zoals de voedingsgiganten zich storten op vleesvervangers van bonen en soja, zo zullen ze ook hun dure kweekvleespatenten verdedigen en ten gelde willen maken, voorspelt de krant. Niettemin: ‘Een wereld waarin de kipnugget uit de bio-industrie wordt vervangen door een nugget uit de bioreactor zou een grote stap voorwaarts zijn voor dier en milieu.’ (Huib Stam)

  • Zo krijgen we honger de wereld uit: minder vlees, meer afwisseling

    Zo krijgen we honger de wereld uit: minder vlees, meer afwisseling

    De wereldvoedselproductie is voldoende voor 12 miljard mensen, 3 miljard meer dan er nu op de wereld zijn. Desondanks lijdt bijna 10 procent honger. Hoe kunnen we onze voedselvoorziening in de toekomst veiligstellen?

    De keuze van redacteur Diederik Samwel

    ‘Erg bijzonder vond ik het door Silvia Liebrich geschreven stuk “Zo krijgen we honger de wereld uit: minder vlees, meer afwisseling” van Süddeutsche Zeitung. Naast alle deprimerende journalistiek die misstanden bloot legt – onmisbaar uiteraard! – voor de afwisseling een artikel met een positieve, oplossingsgerichte strekking.’

    Rundvlees uit Zuid-Amerika, appels uit Nieuw-Zeeland, rijst uit Azië. Als je boodschappen doet in een supermarkt neem je als vanzelfsprekend artikelen uit de hele wereld mee naar huis. En heb je de indruk dat voedsel altijd en overal beschikbaar is. Dat dat niet zo hoeft te zijn, merkt de consument maar zelden. Zo’n moment was er bijvoorbeeld wel aan het begin van de pandemie, toen bloem en gist opeens niet meer op hun gebruikelijke plek in het schap lagen. Maar eigenlijk is graan op geen enkel moment echt schaars geweest, de noodsituatie was, in ieder geval in Duitsland, alleen het gevolg van irrationele hamsterwoede. Wat je in de rijke westerse landen makkelijk kunt verdringen, kan in armere landen, waar de voedselketen in de regel een stuk kwetsbaarder is, catastrofale gevolgen hebben.

    Levensmiddelen zijn hernieuwbare grondstoffen, waarvan de productie en eerlijke verdeling de komende decennia een grote uitdaging wordt. Het goede nieuws: de huidige wereldvoedselproductie is voldoende voor 12 miljard mensen, dus 3 miljard meer dan er nu op de wereld zijn. Het slechte nieuws is dat desondanks bijna 10 procent honger lijdt.

    Hoe kunnen we een groeiende wereldbevolking te eten geven zonder ecosystemen, watervoorraden en het klimaat geweld aan te doen? En wat betekent dat voor de voedselvoorziening in de toekomst? Een overzicht van de mogelijkheden.

    Verspilling is funest

    Veel voedsel is al bedorven voordat het bij de consument aankomt. ‘Al met al komt zo’n 40 procent van het voedsel dat op de wereld wordt geproduceerd nooit op een bord terecht,’ aldus een recent bericht van het WWF. Dat betekent dat wereldwijd elk jaar 2,5 miljard ton voedsel verloren gaat. 1,2 miljard ton daarvan verdwijnt al in de landbouw, de rest bij het transport, de verwerking, in de handel en thuis. Die verspilling is ook slecht voor het klimaat: ruim 10 procent van de globale uitstoot van broeikasgassen komt op het conto van de voedselverspilling. 

    De politiek ziet het probleem wel, maar daarmee is het nog niet verdwenen. De hele voedselketen moet op zijn verantwoordelijkheden worden aangesproken, eist het WWF. ‘Alleen met elkaar, van de akker tot op het bord, kunnen we het doel bereiken om vóór 2030 wereldwijd de hoeveelheid voedsel die verloren gaat, te halveren.’ Deze taak is onderdeel van de 17 duurzaamheidsdoelen van de Verenigde Naties, de zogeheten Sustainable Development Goals (SDG’s). Maar de weg daarnaartoe is lang. Daarvoor moeten ook de consumenten hun gedrag wezenlijk veranderen, want nog steeds belandt 40 procent van het voedsel bij mensen thuis in de vuilnisbak. 

    Lees ook:

    Milieubeschermers eisen dan ook een informatieoffensief om de bevolking, bijvoorbeeld via het onderwijs, te informeren en hun bij te brengen wat de gevolgen van onze voedingsgewoonten zijn. Daarnaast is het nodig door middel van systematische registratie, via publiekrechtelijke organisaties bijvoorbeeld, vast te leggen waar in de voedselketen voedsel bederft en hoe dat kan worden voorkomen. Een groot probleem in arme landen is ook dat veel voedsel al bederft terwijl het onderweg is van de akker naar de afnemer, bijvoorbeeld omdat het niet permanent wordt gekoeld.

    Op wereldniveau krimpt het landbouwareaal. Hiervoor zijn veel oorzaken aan te wijzen. Voor steden en dorpen is ruimte nodig, verder brengt de klimaatcrisis in veel regio’s de oogsten in gevaar en is water in sommige gebieden zo schaars dat er haast niets meer groeit. Daar komt bij dat er steeds meer gewassen worden verbouwd die niet als voedsel dienen, maar tot brandstof, bouwmateriaal of grondstof voor bijvoorbeeld aardolievrije kunststoffen worden verwerkt. Alleen al in Duitsland is volgens een opgave van het Duitse ministerie van Economische Zaken het areaal voor industrie- en energiegewassen in de afgelopen 20 jaar meer dan verdrievoudigd tot 2,67 miljoen hectare, een trend die over de hele wereld zichtbaar is. Ter vergelijking: het totale landbouwareaal in de Bondsrepubliek is nog geen 17 miljoen hectare. Experts gaan ervan uit dat de concurrentiestrijd tussen voedselgewassen en gewassen voor ander gebruik heviger zal worden. Dat vereist regelgeving. Weliswaar vragen internationale organisaties als de Verenigde Naties nadrukkelijk om voorrang te geven aan de voedselproductie, maar hoe dat moet worden gerealiseerd, is nog volkomen onduidelijk.

    Eén vleeseter veroorzaakt net zo veel broeikasgassen als twee veganisten

    Kunstvlees uit het laboratorium gold tot voor kort als duur speelgoed voor dappere startups. Maar intussen zijn sommige projecten al zo ver dat de eerste porties voor betaalbare bedragen worden opgediend. Zo serveert een restaurant in Singapore sinds kort voor omgerekend 14 euro een soort ravioli met gekweekt kippenvlees. Ter vergelijking: in 2013 kostte het produceren van een in-vitroburger nog een kwart miljoen euro. Niet zonder reden wordt in die branche voor miljarden geïnvesteerd. Geen enkel ander voedingsmiddel belast het ecosysteem en het klimaat zozeer als vlees. Dus zijn er alternatieven nodig. Kweekvlees is één mogelijkheid, maar ook insecten kunnen in de toekomst een belangrijke leverancier van eiwitten worden.

    Lees ook:

    Vaststaat dat de vleesproductie op de wereld beslissend zal zijn voor hoeveel mensen er kunnen worden gevoed. Volgens het Duitse ministerie van Milieu veroorzaakt één vleeseter net zo veel broeikasgassen als twee veganisten. Hoe enorm de invloed van de veeteelt is, blijkt uit het onderzoek van Joseph Poore en Thomas Nemecek, dat in 2018 in Science werd gepubliceerd. De onderzoekers kwamen tot de conclusie dat vlees- en melkproducten slechts 18 procent uitmaken van de hoeveelheid calorieën die een mens tot zich neemt. Maar daarvoor wordt wel 83 procent van het beschikbare landbouwareaal gebruikt. Anders gezegd: als iedereen veganist was, zou het landbouwareaal met 75 procent omlaag kunnen.

    Verscheidenheid

    Meer opbrengst op hetzelfde areaal is de grote droom van de agro-industrie. Met de ‘groene revolutie’ na de Tweede Wereldoorlog is dat gelukt. Door nieuwe teeltmethoden en massaal gebruik van kunstmest en pesticiden schoten de opbrengsten omhoog. Een toename die later ook door het gebruik van gentechniek niet kon worden geëvenaard. Sinds het invoeren daarvan woedt er een bittere strijd, onder meer over de vraag of de groeiende wereldbevolking meer gediend is met ecologische landbouw of met gentechniek. Het combineren daarvan kost vooral de aanhangers van biologische landbouw moeite. Maar er zijn uitzonderingen, zoals de Zwitserse agronoom en ecopionier Urs Niggli. ‘Geen enkele afzonderlijke plant, geen enkel individueel zaadje kan ervoor zorgen dat we de wereld in de toekomst duurzamer kunnen voeden,’ citeerde tijdschrift Geo hem recentelijk.

    Meer verscheidenheid op de akker, in het onderzoek en in het denken. Dat is wat ook andere landbouwdeskundigen willen. Rijst, tarwe en maïs zijn voor de voedselvoorziening van de mens onontbeerlijk. Samen voorzien ze in bijna de helft van de menselijke behoefte aan calorieën. De grote agroconcerns concentreren zich daarom al decennialang op het verder ontwikkelen van deze drie granen. Andere, vooral regionaal belangrijke gewassen als maniok, gierst en bakbananen krijgen nauwelijks aandacht. Howard-Yana Shapiro, een Amerikaanse onderzoeker, vindt dat verkeerd. Voor zijn werkgever Mars Inc., van de chocobars, heeft hij een paar jaar geleden het DNA van de cacaoplant ontsleuteld. Maar daar had hij een voorwaarde aan verbonden: geen patent en geen gebruiksvergoeding. Het resultaat van zijn werk moest gratis ter beschikking komen van onderzoekers op de hele wereld.

    Vervolgens ging hij aan de slag om het erfelijke materiaal van honderd Afrikaanse voedingsgewassen te ontsleutelen om de teelt ervan te kunnen verbeteren. Het is het alternatief voor het businessmodel van de agro-industrie, die haar onderzoeksresultaten achter slot en grendel houdt. Maar zulke prille aanzetten tot opensource-onderzoek kunnen een revolutie teweegbrengen in de teelt van landbouwgewassen en tevens de toekomstige voedselvoorziening veiligstellen. 

    Lees ook:

  • Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Een voedselsysteem dat beter is voor boer, burger én planeet. Maar hoe?

    Bijna iedereen is het erover eens: ons voedselsysteem moet op de schop. Maar hoe zorgen we ervoor dat we én gezonder eten, én beter omgaan met de planeet, én betere arbeidsomstandigheden creëren in de voedselindustrie? Deze activisten doen een poging.

    Een altaar is een heilige plek, maar je kunt er overal een inrichten, met wat je maar wil of toevallig voorhanden is. Zo kwam vorig jaar op 5 december een groepje mensen bijeen op een plein in het centrum van Springdale in Arkansas om daar op de betonnen treden van een trap een wake te houden met chrysanten en kaarsen van Onze Lieve Vrouw van Guadalupe, en handgeschreven witte kaarten met de namen van werknemers in pluimveeslachterijen die waren overleden aan corona. Onder elke naam stond ‘¡Presente!’ (Aanwezig!), wat zowel op de doden als de levenden kan slaan: in Latijns-Amerika wordt ermee gewezen op de aanwezigheid van de doden, met name slachtoffers van onderdrukking. Er lagen witte veiligheidshelmen bij, en aan de leuning hingen blauwe schorten: onderdelen van het bedrijfstenue dat deze werknemers droegen toen de coronapandemie al volop woedde en zij nog steeds schouder aan schouder 175 kippen of kalkoenen per minuut stonden te slachten – in deze stad die leeft van de pluimveeslachterijen en door Arkansas dan ook is uitgeroepen tot pluimveehoofdstad van de wereld.

    De arbeidersorganisatie Venceremos (Wij Zullen Zegevieren), die deze wake organiseerde, had maandenlang geijverd voor beschermingsmiddelen en gespreide diensten om het risico op coronabesmetting te verkleinen. (Volgens de Centers for Disease Control and Prevention waren eind mei in het hele land al meer dan 16.000 werknemers in de vleesverwerkende industrie besmet geraakt.) ‘Je zat in de orkaan en probeerde te overleven,’ zegt de voorzitter van Venceremos, de van oorsprong Mexicaanse Magaly Licolli (38). ‘En ineens begin je de doden te tellen.’ De mensen die ze daar herdachten, waren gestorven doordat ze werkzaam waren in de ‘vitale beroepen’, zoals de overheid dat nu noemt. Vitaal en dus waardevol, zou je denken, maar in plaats van waardering en een hogere beloning, bracht die kwalificering slechts dwang met zich mee.

    Toch heeft de term ‘vitale beroepen’, met die ondertoon van heroïek, sommige Amerikanen voor het eerst de ogen geopend voor de lang genegeerde levens van de boeren, de werknemers in slachterijen en de vakkenvullers zonder wie wij geen eten op tafel zouden krijgen. ‘Corona heeft een breder publiek erop attent gemaakt dat we een voedselsysteem hébben,’ zegt Navina Khanna (40), de directeur van de HEAL Food Alliance, die in Oakland woont. (HEAL staat voor Health, Environment, Agriculture and Labor.)

    Dat komt mede doordat het bedrijfsleven in de begindagen van de coronacrisis inspeelde op de angst voor lege schappen en waarschuwde dat een lockdown de voedselvoorziening in gevaar zou brengen. (In de brute optelsom van de kapitalistische productie zijn arbeiders minder waard dan de kippen die ze slachten.) Tyson Foods in Springdale, de grootste vleesverwerker van de VS (met in 2020 een omzet van 43,2 miljard dollar, 800 miljoen meer dan in het coronavrije jaar ervoor) plaatste in april een paginagrote advertentie in de grote kranten. ‘Het is onze verantwoordelijkheid om het land van voedsel te voorzien,’ schreef bestuursvoorzitter John Tyson daarin. ‘Dat is van even vitaal belang als medische zorg.’

    Gericht op winst

    Op zichzelf was dat voor zo’n industriegigant een radicale omslag. Sociale hervormers wijzen al jaren op de gevaren van een voedselsysteem dat louter gericht is op winst. Als je voedsel alleen maar ziet als handelswaar en niet als basisbehoefte, accepteer je in feite dat er altijd mensen zullen zijn die er geen geld voor hebben en dus honger moeten lijden. Volgens Feeding America, een landelijk netwerk van voedselbanken dat opereert vanuit Chicago, waren er het afgelopen jaar zo’n vijftig miljoen burgers, ofwel één op de zes Amerikanen, die gebrek aan voedsel hadden. Kijk maar naar de met 60 procent gestegen afname van producten bij voedselbanken in het hele land, waar soms kilometerslange rijen staan, en de scherpe stijging in het aantal winkeldiefstallen van zulke basisbenodigdheden als brood.

    Maar ook vóór de pandemie waren er al 35 miljoen mensen die niet genoeg eten konden kopen, en toen waren er maar weinig bedrijven die vonden dat ze het volk moesten voeden. En het was ook niet vanwege lege supermarkten dat mensen in 2020 bij de voedselbank aanklopten. Toen de president in april gelastte dat de vleesverwerkende industrie moest blijven draaien, zogenaamd om ‘de Amerikaanse burger van voldoende eiwit te blijven voorzien’, bleek de productie zo hoog dat de grote bedrijven voor honderdduizenden tonnen (en miljarden dollars) aan vlees naar het buitenland konden exporteren.

    Het is geen toeval dat naarmate Amerikaanse consumenten steeds verder vervreemd zijn geraakt van de herkomst van hun voedsel en de grotendeels onzichtbare arbeid die nodig is voor de productie ervan, datzelfde voedsel ook is uitgegroeid tot een soort nationale obsessie, zoals die tot uiting komt in alle kookprogramma’s op tv, de verafgoding van topkoks en #foodporn op Instagram. Het is makkelijk om dit af te doen als het hedonisme van een beschaving in zijn nadagen, waarvan de decadentie des te meer opvalt doordat de lockdowns een kloof hebben geschapen tussen mensen die zich niet kunnen afzonderen omdat ze tomaten moeten plukken of vakken vullen, en zij die zich de luxe kunnen veroorloven om thuis te blijven en al hun boodschappen te laten bezorgen.

    De obsessie met eten is een teken van een verlangen om weer in contact te komen met onze oorsprong

    Maar die obsessie met eten is ook een teken van angst en van een verlangen – al is het nog zo confuus – om weer in contact te komen met onze oorsprong. Dat biedt kansen aan voorvechters van verandering in de wereld van de voedselproductie, zoals Licolli en Khanna: zij kunnen zich richten tot een publiek dat nu ook (zij het aan de late kant) oog begint te krijgen voor de grote problemen van onze tijd: de kloof tussen arm en rijk, raciale ongelijkheid en de afbraak van het milieu. Problemen die ons al vóór corona parten speelden en waar we zonder systeemverandering ook nog wel mee zullen kampen als de pandemie alweer verleden tijd is.

    De gebreken van ons moderne voedselsysteem dateren al van de eerste suikerplantages op het Portugese eiland Madeira in de vijftiende eeuw, en de eerste mondiale ondernemingen die voortkwamen uit de zeventiende-eeuwse specerijenhandel. Europeanen konden zich toen verrijken dankzij de inzet van goedkope en vaak gedwongen arbeid uit andere landen: een bedrijfsmodel dat voor velen te winstgevend was om te weerstaan, ondanks de humanitaire tol die het eiste.

    Aan het eind van de achttiende eeuw hekelden Britse tegenstanders van de slavernij het leed dat in elk kopje thee en elk lepeltje suiker school, geproduceerd als die waren door Afrikaanse slaven in wat toen West-Indië heette. De boekhandelaar William Fox publiceerde in 1791 het pamflet ‘Een Pleidooi aan het Volk van Groot-Brittannië, over waarom het van Fatsoen getuigt om geen Suiker en Rum uit West-Indië te nuttigen’, waarvan aan weerszijden van de Atlantische Oceaan meer dan honderdduizend exemplaren in omloop waren: het was het meestverkochte pamflet van zijn tijd. ‘Met elk pond suiker consumeren wij in feite ook één ons mensenvlees,’ schreef Fox.

    Fair Trade

    De Engelse quaker Sophia Sturge ging in Birmingham van deur tot deur om mensen over te halen suiker uit West-Indië te boycotten, en sommige winkeliers gingen er prat op geen uit slavernij voortkomende producten te verkopen. Dat groeide uit tot een heuse beweging onder de noemer ‘Free Produce’, ‘slaafvrije producten’, die ook in Amerika voet aan de grond kreeg. Veel quakers hadden daar suikerriet al in de ban gedaan ten faveure van ahornsiroop en wilden geen katoen dat afkomstig was van de plantages in de Zuidelijke staten. (Het hedendaagse equivalent van Free Produce is het in de jaren tachtig ingevoerde Fair Trade-keurmerk, gestoeld op de gedachte dat het ethisch is om zo veel voor een product te betalen dat kleine boeren en producenten er iets aan kunnen verdienen – al blijft er discussie over de vraag wie daarop moet toezien en wie er werkelijk beter van wordt.)

    Tegenwoordig zijn alle onderdelen van de voedselvoorzieningsketen mikpunt van activisme: hoe voedsel wordt geproduceerd (milieuvervuilende landbouwpraktijken, onveilige arbeidsomstandigheden, de uitbuiting van illegalen en dwangarbeid van gedetineerden, dierenmishandeling), wie het kan produceren en hoe het wordt verkocht (raciale ongelijkheid bij het krijgen van leningen en investeringen, het schaalvoordeel van grote bedrijven, de verdringing van minderheidsculturen of de verspreiding van valse stereotypen daarover) en bij wie het belandt (armoede en honger, buurten waar geen vers en gezond voedsel te krijgen is, moralistische praatjes over de besteding van voedselbonnen).

    Sommige van die problemen worden wel opgepakt door topkoks, die in onze obsessieve eetcultuur enig respect afdwingen, maar hun pleidooi is vaak eerder juichend dan kritisch van aard (zoals in hun aansporing om vooral te eten wat het seizoen te bieden heeft en wat vers van de boer komt) en resulteert doorgaans niet in aanbevelingen voor nieuw beleid. Al zou dit onder invloed van de pandemie kunnen veranderen: de uit Spanje afkomstige José Andrés, die restaurants bezit in Las Vegas, Miami en Washington en die in het verleden voedselhulp heeft georganiseerd voor miljoenen slachtoffers van orkanen en ziekte, haalde onlangs uit naar de Amerikaanse overheid omdat het zou ontbreken aan de ‘politieke wil’ om een eind te maken aan de honger.

    ‘En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Maar ook buiten de schijnwerpers wordt veel belangrijk werk verricht met buurtactivisme, zoals de moestuinen die Karen Washington (66) aanlegt in de Bronx. Ze begon in 1988 met één braakliggend, met vuilnis bezaaid perceel tegenover haar huis. Ze had geen grootse plannen, ze was al blij dat ze dat onooglijke lapje grond wist om te toveren tot de oase die ze de Garden of Happiness noemde, en dat ze haar buren op verse groente kon trakteren. Maar al snel sloeg ze de handen ineen met andere stadstuiniers om zich te verweren tegen de pogingen van de gemeente om hun tuintjes weg te halen en gebouwen neer te zetten op deze voorheen verwaarloosde stukjes grond, die inmiddels groeiden en bloeiden. (Natuurbeschermingsorganisaties schoten uiteindelijk te hulp door een aantal van die percelen op te kopen.) Ze heeft mettertijd al veel tuinen helpen opzetten en beleidsvoorstellen voor ambtenaren geschreven, maar de kern van haar werk is nog steeds wat ze in en voor haar eigen buurt doet. Tijdens de pandemie ging ze de huizen af om te kijken of ouderen wel genoeg te eten hadden, en een groot deel van de oogst uit haar moestuin gaat naar voedselbanken en gaarkeukens. ‘Als we koken, maken we altijd wat extra,’ zegt ze.

    Maar ze weet ook dat dit alleen maar een lapmiddel is. ‘We zijn al zo lang afhankelijk van de bedeling,’ zegt ze. ‘Er wordt voedsel uitgedeeld en we gaan in de rij staan. En niemand die vraagt: waaróm staan we eigenlijk in de rij?’

    Voedselactivisme bestrijkt zo veel terreinen dat het een versnipperd geheel is, een bonte lappendeken van uiteenlopende achterbannen, van geïmmigreerde bessenplukkers in de staat Washington die in de zomer stikken in de rook van de bosbranden, tot zwarte stadsboeren in Atlanta die kampen met de erfenis van racistische grondonteigening en New Yorkse ondernemers met kraampjes voor taco’s of halal hapjes die aan het begin van de pandemie hun omzet met 80 procent zagen dalen, maar niet voor overheidssteun in aanmerking kwamen omdat ze in de marges van de officiële economie werken, met veel contante betalingen en een minimum aan papierwerk. Na jarenlang soms wel veertien uur per dag te hebben gewerkt, zaten veel van deze ondernemers ineens aan de grond en waren ze aangewezen op de voedselbank. Carina Kaufman-Gutierrez (30), adjunct-directeur van het Street Vendor Project van het Urban Justice Center in Manhattan, dat met een team van zes medewerkers opkomt voor de belangen van zo’n twintigduizend straatverkopers, vindt het beschamend ‘dat de mensen die nu in de rij staan om eten te krijgen, de mensen zijn die al hun leven lang anderen van voedsel voorzien’.

    ‘We hadden al die tijd ook kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld’

    Maar al sinds de jaren tachtig bestookt de voedselbeweging het grote publiek niet zozeer met oproepen om in opstand te komen, als wel met het vagelijk jubelende mantra om gezonder te eten door inkopen te doen op de boerenmarkt en biologisch en onbewerkt voedsel te kopen dat niet in massa geproduceerd is. En dat is ook wel goed voor het milieu en voor kleinere bedrijven, maar het lijkt soms alsof dat alleen maar mooi meegenomen is en het per saldo vooral gaat om het individueel welzijn. Alsof je mensen alleen zover kunt krijgen dat ze in het belang van arbeiders of de planeet ‘met hun vork stemmen’ door een beroep te doen op hun eigenbelang. De neiging om het gedrag van individuele consumenten te beïnvloeden in de hoop zo tot geleidelijke verandering te komen, staat in feite op gespannen voet met de noodzaak van directe politieke actie. ‘Dat geloof dat je de boel via de individuele keuzes van mensen kunt veranderen, is een manier om de markt zelf niet ter discussie te stellen,’ zegt de agro-ecoloog Eric Holt-Giménez (67), voormalig directeur van de in Oakland gevestigde denktank Food First. ‘We hebben de neiging vooral te kijken naar de romantische kant, de kleine boer die biologische groenten verbouwt, terwijl we al die tijd ook hadden kunnen ijveren voor wetten op monopolievorming en een gelijk speelveld.’

    De moeilijkste opgave voor elke activist is misschien wel hoe je mensen tot inzicht kunt brengen. De uit Nigeria afkomstige schrijver en kok Tunde Wey (37) uit New Orleans heeft daar zijn missie van gemaakt. Hij verbindt zich niet aan een restaurant, maar vergast de wereld op bijzondere pop-ups: bijvoorbeeld een kraampje waar witte klanten dertig dollar betalen voor een gerecht dat zwarte klanten maar twaalf dollar kost, als een afspiegeling van het gemiddelde inkomensverschil tussen zwarte en witte inwoners van New Orleans. Of een diner in een kerk waar het menu in het teken staat van de gentrificatie en je voor een halve kip 50.000 dollar betaalt – wederom als je wit bent, want zwarte gasten eten er gratis. Het is niet alleen maar provocatie en ook geen surrealistische grap, het zijn eerder gedachte-experimenten over de reële gevolgen van ongelijkheid. Zijn projecten ‘blijven achter bij de omvang van het probleem, dat kan niet anders’, zegt Wey. Hij wantrouwt mensen die zijn werk klakkeloos omarmen, want hij weet ‘hoe moeilijk het is om te veranderen’. Het echte werk ‘moet vanbinnen gebeuren’, zegt hij. ‘Ook bij mijzelf.’

    Land- en tuinbouw-cao

    ‘Het vraagt meer van je om voor anderen te zorgen,’ zegt de directeur van Community to Community Development in de westelijke staat Washington, Rosalinda Guillén (69). Als dochter van een geïmmigreerde landarbeider werkte ze als kind in de jaren zestig zelf ook in de aardbeienpluk. Dertig jaar later probeerde ze een vakbond op te zetten onder de werknemers van Chateau Ste. Michelle, de grootste wijnmaker in de staat. Ze organiseerde demonstraties, liet van zich horen op aandeelhoudersvergaderingen (speciaal met dat doel hadden de activisten aandelen in het bedrijf gekocht), en wat misschien nog wel het belangrijkste was: ze trok de aandacht van de buitenwereld. De countryzanger Willie Nelson zegde uit solidariteit een voorgenomen concert bij het wijnhuis af, dokwerkers in Europa weigerden de wijn uit te laden en stewardessen wilden die niet meer aan passagiers serveren. Guillén heeft jarenlang bij het bedrijf actie moeten voeren, ze werd bedreigd door beveiligers, haar banden werden lek gestoken en er werd suiker in haar tank gegooid. Maar uiteindelijk kregen de arbeiders hun cao, de eerste voor land- en tuinbouwwerknemers in de staat Washington.

    Raj Patel, een 48-jarige docent op het gebied van voedselsystemen aan de Universiteit van Texas in Austin, wijst erop dat internationale activisten de afgelopen decennia een bredere kijk hebben omarmd op wat ze voedselsoevereiniteit noemen. Dat begrip is gemunt door La Via Campesina, een internationale organisatie van boeren en landarbeiders die ontstaan is tijdens een conferentie in België in 1993. Voedselsoevereiniteit omvat meer dan alleen een betrouwbare voedselvoorziening voor iedereen en gaat ook over het erkennen van het belang van de culturele context, rentmeesterschap en het grondrecht op zelfbeschikking. ‘Eet je een biologische banaan omdat je vindt dat je lichaam een tempel is, of omdat landarbeiders degenen zijn die het meest onder pesticiden te lijden hebben?’ vraagt Patel.

    (Er is ook een akelige historische link tussen de beweging voor biologisch eten en blank etnisch nationalisme: beide putten uit een vergelijkbaar jargon van zuiverheid en wazige en geïdealiseerde denkbeelden over een bloedband met de aarde die niet mag worden bezoedeld met industriële bestrijdingsmiddelen of ‘Fremdstoffe’ – zoals de naziwetenschapper Werner Kollath het noemde, die in de Tweede Wereldoorlog niet alleen voorstander was van de slogan Lasst unsere Nahrung so natürlich wie möglich (‘laat onze voeding zo natuurlijk mogelijk zijn’), maar ook van gedwongen sterilisatie en eugenetica. Een van de extreemrechtse opstandelingen die begin januari na de rellen bij het Capitool in Washington werden opgepakt, schijnt in de gevangenis biologisch voedsel te hebben geëist omdat hij vreesde anders ziek te worden.)

    Armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen

    Tijdens de Amerikaanse Gilded Age, de economische bloeitijd na de Burgeroorlog, leidde de snelle industrialisatie en de ophoping van rijkdom in de handen van een kleine groep tot de opkomst van een nieuwe arbeidersklasse in de VS. Die arbeiders waren veelal verse immigranten die onder aan de pikorde stonden en daarom geen kans maakten op goedbetaald werk. Zij zagen zich dus genoodzaakt de allerlaagste baantjes te accepteren, hoe vies en gevaarlijk de werkomstandigheden ook waren. Toen Upton Sinclair in zijn baanbrekende roman The Jungle (1906) het werk in slachthuizen en vleesverwerkingsfabrieken beschreef, was dat een sensatie – zij het om de verkeerde redenen, zo besefte hij al snel: de lezers gruwden eerder van de gedachte dat ze besmet vlees op hun bord konden krijgen dan van het harde arbeidersbestaan. ‘Ik mikte op het hart van het publiek, en raakte het bij toeval in de maag,’ schreef hij daar later over.

    Maar misschien dat de groeiende onzekerheid op de banenmarkt in alle sectoren, voor zowel arbeiders als kantoorpersoneel, en de miljoenen mensen die ten gevolge van corona nu zonder werk zitten, dit debat toch weer leven kunnen inblazen. ‘De gedachte dat men zich een uitweg uit de problemen kan kopen zit diep verankerd in het individualistische, kapitalistische denken,’ zegt Khanna, ‘in tegenstelling tot het besef dat we allemaal genaaid worden.’

    Critici van links tot rechts beschuldigen de voedselbeweging wel van elitarisme. Het vergt een zekere mate van betrekkelijke maatschappelijke voorsprong en welvaart om te kunnen eten op een manier die doorgaans als gezond wordt beschouwd. Etiketten zoals ‘biologisch’ dreigen daardoor alleen maar symbolen van status en deugdzaamheid te worden, terwijl mensen die op voedselbonnen zijn aangewezen geregeld wordt verweten dat ze met overheidsgeld ‘verkeerd’ voedsel kopen. De in voedsel gespecialiseerde schrijver en universitair docent S. Margot Finn uit Michigan stelde in 2019 in een artikel dat onder invloed van overwegend rijke en witte activisten de prioriteiten van de voedselbeweging te veel zijn doorgeslagen naar buurtmoestuinen, stadsboeren, groenteabonnementen en de beschikbaarheid van vers voedsel, in plaats van zich bijvoorbeeld te beijveren voor betaalbare gezondheidszorg voor iedereen of een hoger minimumloon. Het getuigt volgens haar van ‘een schrale morele verbeelding van wat de moeite waard is als het om eten gaat’. (Je kunt natuurlijk ook voor al deze zaken tegelijk strijden.)

    De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet

    Maar voor de welgestelden mag gezond eten dan misschien vooral een kwestie van levensstijl zijn, armere minderheden hadden in Amerika tientallen jaren lang niet eens de mogelijkheid om voor gezond eten te kiezen. En de beschikbaarheid van gezond voedsel speelt vandaag de dag nog steeds een grote rol in het activisme van mensen van kleur. In 1969 begon de Black Panther Party met de verstrekking van een gratis ontbijt aan schoolkinderen, eerst in Oakland en daarna in het hele land: minstens twee keer per week kregen ze worst, spek of eieren met toast of maispap, melk, jus of warme chocolademelk en vers fruit. De Black Panthers beschouwden voedselonzekerheid als een vorm van onderdrukking en waren van mening dat gebrek aan goede voeding geen incidenteel probleem was, maar onderdeel van een systeem waarmee men zwarte mensen onder de duim hield. Het gratis ontbijt werd nooit als een oplossing voor de rassenongelijkheid beschouwd: het was een van de overlevingsprogramma’s van de Panthers (‘survival pending revolution’ was hun leus: overleven tot de revolutie). Zo wilden ze de zwarte burgers op de been houden tot ze in de positie verkeerden ‘om zich aan de laars van hun onderdrukker te ontworstelen’, zoals Huey P. Newton, een van de oprichters van de Panthers, in 1972 schreef.

    De federale overheid had in 1966 ook al een kleine pilot opgezet van haar eigen gratis ontbijtprogramma, maar dat werd pas landelijk uitgerold in 1975, toen de Panthers door de FBI praktisch waren ontmanteld en hun maatschappelijke hulpprogramma’s waren verdwenen. De pandemie heeft het thema van gratis schoolmaaltijden weer op de agenda gezet. In veel steden waar de scholen dichtgingen, bleven de schoolkantines open en werden daar maaltijden bereid en uitgedeeld voor ’s ochtends, ’s middags en soms ook ’s avonds, niet alleen voor kinderen maar ook voor andere mensen in nood. De toenmalige minister van landbouw Sonny Perdue versoepelde de federale wetgeving die sommige scholen in staat stelt gratis maaltijden te verstrekken zonder naar een inkomensbewijs te vragen. ‘Kinderen kunnen zich niet op de les concentreren als ze honger hebben,’ zei Perdue, waarmee hij een gedachte verwoordde die meer dan een halve eeuw geleden ook al in de partijkrant van de Black Panthers had gestaan: ‘Hoe kunnen onze kinderen iets leren als hun maag meestentijds leeg is?’ Vanuit diezelfde gedachte hebben veel vrijwilligersorganisaties tijdens de Black Lives Matter-betogingen van vorig jaar maaltijden verstrekt aan demonstranten. Dat was behalve voedselhulp ook een statement: wij staan achter jullie.

    Gezond voedsel

    Je mensen te eten geven als die niet altijd zeker zijn van voldoende voedsel, kan ook een daad van verzet zijn – de erkenning dat het ook een vorm van geweld is om mensen zulke basisbenodigdheden te onthouden. Dara Cooper (43) woont in Atlanta en is directeur van de National Black Food and Justice Alliance (NBFJA). Toen ze in de jaren tachtig opgroeide in de South Side van Chicago, zag ze dat haar moeder keihard werkte en toch maar met moeite genoeg eten op tafel kreeg. De groente in hun supermarkt zag er altijd oud, verlept en gehavend uit, heel anders dan de fleurige groente- en fruitafdelingen vol verse waren in de winkels van de rijkere en wittere buurten van de stad.

    Buurten waar niet of nauwelijks winkels met vers en gezond voedsel voorhanden waren, werden vroeger wel een voedselwoestijn genoemd: bijna alsof het een willekeurig en natuurlijk verschijnsel was, in plaats van het gevolg van bewust beleid. Buurten die als ‘risicovolle’ investering werden beschouwd, zoals bijna alle buurten waar vooral minderheden woonden, moesten het immers vaak zonder essentiële diensten stellen en kwamen niet in aanmerking voor leningen van de in de jaren dertig opgerichte hypotheekverstrekker van de overheid, de Home Owners’ Loan Corporation. Door de Fair Housing Act van 1968 is deze discriminatie nu weliswaar officieel verboden, maar de ongelijkheid blijft hardnekkig. Activisten spreken tegenwoordig van voedselapartheid, een term die opgeld deed toen de lokale bewonersorganisatie Community Coalition of South Los Angeles campagne voerde om de wildgroei van fastfoodzaken in wijken met lage inkomens af te remmen.

    Dara Cooper hielp in 2011 een afgedankte stadsbus om te bouwen tot een rijdende groentewinkel, Fresh Moves, waarmee verse groenten worden verkocht in wijken met te weinig goede winkels. Zo willen ze tegelijkertijd aandacht vragen voor het probleem en meteen ook demonstreren hoe je het kunt oplossen. Het probleem is niet alleen de afwezigheid van winkels met een goed assortiment, maar ook wie er in zo’n winkel de leiding heeft. Als grootwinkelbedrijven een filiaal in een zwarte wijk openen, zie je bij het management vaak nog vooroordelen die tot wrijving met klanten leiden, en weinig bereidheid om personeel uit de buurt te werven. Net als de moestuinen van Karen Washington in de Bronx was Fresh Moves bedoeld als een zaak van en voor de buurt, en het liep meteen storm. ‘We stonden naast een ijscowagen, en bij ons stond een langere rij,’ zegt Cooper.

    Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin

    Sommige zwarte activisten vinden het vooral aantrekkelijk om hun eigen groente te verbouwen – zowel om in hun eigen behoeften te kunnen voorzien, als om zich af te zetten tegen een verleden waarin zwarte mensen op het platteland geen eigen grond mochten hebben, maar tot slavernij werden gedwongen. Tijdens de pandemie kreeg de NBFJA een recordaantal telefoontjes van mensen die om tips vroegen voor het opzetten van een eigen moestuin. Soul Fire Farm, een non-profitorganisatie buiten New York, organiseert workshops waarin praktijklessen in traditionele Afrikaanse landbouwmethoden gecombineerd worden met een kritische beschouwing van het voedselsysteem door de bril van ras en klasse. En wat betreft de groenteabonnementen van gemeenschapslandbouw, waarbij je als consument aandelen koopt in de jaaroogst van een boerderij en je dividend krijgt uitbetaald in de vorm van een aantal dozen verse groente per jaar: wie dat wegzet als een speeltje van linkse witte mensen, gaat voorbij aan het baanbrekende werk van Booker T. Whatley, een landbouwdocent aan de Tuskegee University in Alabama, die de lezers van zijn Handbook on How to Make $100,000 Farming 25 Acres in 1987 al adviseerde om zich van vaste inkomsten te verzekeren door een club op te zetten waarbij de leden vooruitbetalen voor een jaar lang groente.

    Jamila Norman (41), een milieukundig ingenieur die zich op de stadslandbouw heeft toegelegd wegens het gebrek aan winkels met gezond voedsel in haar eigen wijk in Atlanta, vindt het belangrijk om de grond waarop ze gewassen verbouwt in eigendom te hebben en rendabel te maken, ‘om een landbouwbedrijf neer te zetten als een levensvatbaar bedrijfsmodel voor mensen van kleur, zodat ze zien dat die weg voor hen vrij ligt’. Volgens cijfers van het Amerikaanse ministerie van Landbouw is het totale aantal boerderijen de afgelopen eeuw met 68 procent gedaald van bijna 6,5 miljoen in 1920 tot iets meer dan 2 miljoen in 2017. Maar het aantal boerderijen van zwarte boeren is gedaald van ongeveer 925.000 naar 35.000, een veel scherpere daling van wel 96 procent. Dat komt neer op de onteigening van miljoenen hectares, deels door discriminatie bij het verstrekken van leningen door zowel banken als de overheid. (In 1998 erkende het ministerie in een rapport dat er sprake was van ‘langdurige vooroordelen tegen en discriminatie van boeren uit etnische minderheden’.) Met de Patchwork City Farms, door Norman oorspronkelijk begonnen op een stuk grond dat ze pachtte van een openbare school, maar inmiddels gevestigd op een eigen perceel niet ver van haar huis, wil ze het ‘verhaal’ van de zwarte boer ‘heroveren’. Het doel is een toekomst waarin, zo zegt ze, ‘ik helemaal niet bijzonder meer ben omdat iedereen dan aan landbouw doet’.

    Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’

    De pandemie heeft veel voedselactivisten genoodzaakt om van belangenbehartiging over te stappen op noodhulp (de ‘overlevingsprogramma’s’ van Huey P. Newton) teneinde te kunnen voorzien in de eerste behoeften van mensen: voedsel voor wie honger lijdt, financiële steun voor kleine bedrijven op de rand van het faillissement, en bescherming van de levens van werknemers in ‘vitale’ beroepen. Het gevaar bestaat dat de bevolking na afloop van deze pandemie volledig is uitgeput en vooral terug wil naar ‘het oude normaal’. Maar ‘ons normaal is dodelijk’, zegt Guillén. En ook Holt-Giménez ziet het somber in: ‘Miljardairs, grote bedrijven en grote ketens komen beter uit de pandemie,’ zegt hij. ‘Het levert kansen op – en kijk wie die kansen benutten.’ Tegen het probleem van het schaalvoordeel valt praktisch niet op te boksen, zoals Wey ook laat zien. Norman wil haar kinderen van rond de twintig niet als knecht op haar boerderij inzetten. ‘Ik moet dit werk zelf kunnen doen,’ zegt ze, ‘dit rendabel houden zonder mensen uit te buiten.’ Maar grote landbouwbedrijven kunnen makkelijk lagere prijzen vragen door arbeidskrachten te behandelen als wegwerpartikelen en ze ‘in tijden van crisis zelfs op te offeren’, zegt Guillén. ‘De gedachte blijft toch: hoe dicht kun je de wettelijke grens van slavernij naderen?’

    Maar de huidige crisis zal niet meteen verdwenen zijn met het virus, die zoönotische infectie die van dier op mens is overgesprongen en dus duidelijk een nevenproduct is van onze inbreuken op de habitat van dieren en het existentiële gevaar van onze niet-aflatende belasting van het milieu. Met het stijgende tempo waarin de klimaatverandering om zich heen grijpt, en de schijnbare onuitroeibaarheid van raciale onrechtvaardigheid en de eeuwenoude verdeling van rijkdom en macht, zowel in Amerika als op mondiaal niveau (om nog maar te zwijgen over de bunkermentaliteit van diegenen die al zo lang aan de knoppen zitten dat ze het delen van macht meteen ervaren als de totale ondergang), is voedsel zowel een symbool als de letterlijke belichaming geworden van alle problemen om ons heen. Activisme kan de vorm aannemen van een betoging, van een boycot, van een campagne om een miljoen deuren af te gaan, of zelfs van een handvol zaad: een stukje toekomst dat je in de aarde steekt. Het kan bestaan uit een koor van stemmen en een groeiend bewustzijn dat wat wij eten niet alleen een afspiegeling is van onze (vaak laaghartige) keuzes als samenleving, maar die keuzes ook vormt; en dat het in onze macht ligt om iets aan die keuzes, en aan de manier waarop we leven, te veranderen.