Onderwerpen: Klimaat

  • Brief uit de toekomst aan de Maldiviërs. ‘Iedereen wist dat jullie land ten dode was opgeschreven’

    Brief uit de toekomst aan de Maldiviërs. ‘Iedereen wist dat jullie land ten dode was opgeschreven’

    In 2009 vergaderde de regering van de Maldiven onder water, in duikerspak. Daarmee wilde zij de aandacht vestigen op de stijging van de zeespiegel, die een groot gevaar vormt voor de eilandengroep. De Ierse auteur en VN-adviseur Robert Templer richt zich tot de Maldiviër in ballingschap, als het land al lang verzwolgen is door de Indische Oceaan.

    Beste Maldiviër in ballingschap,

    Ik weet niet waar ik deze brief naartoe moet sturen, omdat ik geen idee heb waar je je bevindt. Misschien woon je ergens in de krap bemeten hoogbouw op een van de kunstmatige eilanden voor de kust van Nieuw-Zeeland, als je een van de gelukkigen bent. Of misschien woon je in een drijfnat vluchtelingenkamp buiten Thiruvananthapuram, als je pech hebt. Ik weet in elk geval waar je niet bent: Shanghai, New York, Mumbai, Singapore, Ho Chi Minhstad, Rangoon. Die grote handelscentra, door de koloniale machten riskant aan het water gebouwd, zullen slechts enkele decennia na de Maldiven onder water zijn komen te staan.

    Denk je vaak terug aan je oude huis? Voordat de golven je eilanden verzwolgen waren het prachtige oorden. Ze lagen zo plat in zee dat de hemel een enorm blauw gewelf was, dat zich bij zonsondergang vulde met torenhoge roze wolken. Het witte koraalzand was er zo puur dat zelfs het diepste water blauwtinten vertoonde die je nergens anders zag. Glinsterende zilverblauwe scholen vis zwommen over de riffen waaruit de eilanden in de loop van duizenden jaren waren verrezen.

    Elk jaar zwermden reuzenmanta’s met een spanwijdte van ruim een meter de lagunes binnen om zich tegoed te doen aan de overvloed aan micro-organismen, waarbij het leek alsof ze van pure vreugde uit het water sprongen. Het koraal ging enkele tientallen jaren nadat ik dit schreef dood; het was zo kwetsbaar dat het de stijgende temperaturen en de zuurtegraad van het water niet overleefde.

    Waterschaarste

    Toen ik in 2019 een tijdje op jullie eilanden verbleef, waren de voortekenen al zichtbaar. In de stad Addu zag je waterplassen op straat, brakke witte poelen die maar niet opdroogden. Er was geen zoet water meer, want dat was verdrongen door het stijgende zeewater en vervuild geraakt.

    Er viel steeds minder regen, waardoor het dunne laagje zoet water niet langer werd aangevuld. In de twintigste eeuw kon je nog bijna overal een put slaan en je had drinkwater. In Malé, ooit jullie hoofdstad, vestigden de mensen hun hoop op een ontziltingsinstallatie. Toen die door een brand werd uitgeschakeld, moesten er vanuit India flessen water worden ingevlogen. Er braken gevechten uit toen de mensen dachten dat de flessen opraakten.

    Nu je door toedoen van het klimaat in ballingschap verkeert, heb je misschien Carbon Ideologies van William T. Vollmann gelezen, een tweedelige, 1500 pagina’s tellende brief voor iedere toekomstige aardbewoner over de vraag hoe het zover heeft kunnen komen met de aarde. Je hebt je er misschien doorheen geworsteld, niet alleen vanwege de dikte, de ondoorgrondelijke tabellen en de oeverloosheid, maar ook omdat het zo pijnlijk moet zijn om te lezen.

    Het laat zien dat we dom en zelfzuchtig waren, dat we weigerden te zien wat zich pal voor onze neus afspeelde, dat we de wetenschap afwezen en achter charlatans aanliepen. Het veroordeelde jullie tot dagen met temperaturen van in de 50 graden en elk jaar zware buien die anders eens in de duizend jaar voorkwamen. De meeste mensen hebben nog een land, een verbrand, geslonken land dat wordt geteisterd door branden en overstromingen, maar jij hebt er geen. Jullie zullen je eilanden op een gegeven moment hebben verlaten, met alleen nog een paar mensen op drijvende platforms die verankerd waren aan het dode koraal. 

    Heb jij nog steeds een paspoort? Bestaat je land nog in enigerlei vorm? Bestaat jullie grondgebied alleen nog uit ambassades? Wetenschappers begonnen al dat soort vragen te stellen. Zouden de Maldiven nog een land zijn met een zetel in de Verenigde Naties, een landnummer en een vlag, zodra ze geen grondgebied meer hadden en de bevolking niet meer in één gebied woonde? Wanneer hield een land eigenlijk op te bestaan?

    Volgens de zogeheten Montevideo-conventie beschikt een staat over grondgebied waar het merendeel van de bevolking woont. Wanneer een staat iemand weigert te erkennen, wordt diegene stateloos burger, een categorie waar de wereld al mee worstelde lang voordat jouw land verdween. Maar wanneer je staat verdwijnt, ben je niet officieel stateloos, je bestaat alleen niet meer volgens het internationaal recht. Toen ik dit schreef, hadden we nog geen antwoord op de vraag wat jij bent. We waren er zelfs niet eens naar op zoek.

    Vervullend toerisme

    Aan het begin van de eenentwintigste eeuw nam jouw land een gewaagde gok. De Maldiven omarmden een vorm van toerisme die waarschijnlijk tot de meest kooldioxide uitstotende behoorde. Vliegtuigen van de allergrootste typen voerden bezoekers aan vanaf bestemmingen op gemiddeld zo’n tien uur vliegen. De toeristen werden met krachtige motorsloepen of draagvleugelboten naar resorts gebracht waar 24 uur per dag ontziltingsinstallaties en generatoren draaiden.

    Al het eten werd geïmporteerd, grotendeels via de lucht. In het hoogseizoen waren er zo veel privévliegtuigen dat ze naar Colombo moesten uitwijken om te worden gestald. Het droeg allemaal bij aan de uitstoot van broeikasgassen die de oceaan opwarmden en deden uitzetten. De ongeveer honderd resorts, stuk voor stuk op een eigen eiland, boden elk een eigen mate van luxe om de gasten zich op een ongerept, verlaten eiland te laten wanen, tegen bakken geld én de hoge prijs van een enorme uitstoot aan broeikasgassen. Door villa’s à 65.000 dollar per nacht en onderwatersuites aan Russische oligarchen en Saoedische prinsen te verhuren, hoopte de bevolking genoeg geld binnen te halen om de eilanden op de een of andere manier te laten voortbestaan.

    Het mislukte. Niet omdat er niet genoeg geld was, maar omdat het ontbrak aan de wil om het op een zinnige manier te besteden. Jullie land was het rijkste van Zuid-Azië, een soort gedroomd ontwikkelingsland, gemeten naar de groei van het bruto binnenlands product. Maar jullie hadden te veel corrupte politici, te veel inhalige oligarchen en te veel gewelddadige bendes, terwijl jullie inwoners eronder gebukt gingen dat ze in een van de drukste, volste landen ter wereld leefden. Het was alsof Malé elk moment tot stilstand zou kunnen komen doordat het overal zó druk was op straat dat brommers, mensen en bestelbusjes elkaar nauwelijks meer konden passeren. De Malediviërs, geduldig en terughoudend als altijd, zouden simpelweg voor altijd stil blijven staan.

    Het ontbrak ons niet aan kennis; het kon ons gewoon niets schelen

    De Maldiven, een land van vissers, boeren, koop- en zeelui die verspreid leven over 180 eilandjes (van de ongeveer duizend in totaal), kwamen razendsnel in aanraking met de moderniteit. In nog geen vijftig jaar werd het van een afgelegen, bijna onbekend land een oord waar toeristen met vier tegen een in de meerderheid waren tegenover de plaatselijke bevolking. De tsunami van Kerst 2004 spoelde over de eilanden heen, een waarschuwing van wat komen zou.

    Velen zochten troost in het geloof. Steeds meer vrouwen bedekten het hoofd, steeds meer mannen bezochten de moskee. Pas in 2008 deed de democratie haar intrede, maar na tientallen jaren dictatuur bleek ze broos en weerspannig. De eerste door het volk gekozen president werd afgezet. Die erna manipuleerde de verkiezingen, bracht de vriendjes van de dictator opnieuw aan de macht en plunderde de staatskas. Door zijn inhaligheid en incompetentie leed hij algauw een verkiezingsnederlaag, waarna degenen die voor een opener, tolerantere samenleving waren weer aan de macht kwamen.

    Corruptie

    Maar het kwaad was al geschied. De corruptie had wortel geschoten. Degenen die economisch gezien de touwtjes in handen hadden, zaten ook achter de bendes, de drugs, de rechtspraak, de tv-zenders, de religieuze leiders en het parlement. De machinerie van het landsbestuur beschikte over alle tandwielen die nodig waren voor een moderne samenleving, maar ze grepen niet in elkaar en er gebeurde niets. Het bleek een onhaalbare kaart om tegelijkertijd het land te hervormen en de steeds grotere schuld aan China af te lossen.

    En zo kwam het dat de Maldiven geen plan hadden om zich aan te passen aan de stijgende zeespiegel. Degenen aan de top kochten een uitwijkmogelijkheid in Londen, Colombo, Parijs of Sydney. Er verdween steeds meer geld naar het buitenland. Er werden enorme toeristenresorts gebouwd, die onder de aandacht werden gebracht van een wereldwijde elite die een vakantie wilde in schitterende afzondering, ver weg van de giftige dampen van Beijing of New Delhi. Malé werd een stad van eilanden en torens, de riffen van de Faafu-atol werden een kring van bruggen en steeds vollere eilanden.

    Screen Shot 2021 01 15 at 4.12.32 PM

    Jullie religieuze leiders wuifden de milieuproblemen weg. God zou ze verhoeden. ‘Er zijn altijd evenveel vissen in zee geweest als er regendruppels op het water vallen,’ zei een van hen. Het land verbruikte elk jaar meer olie, de uitstoot nam toe, maar stelde nog altijd niets voor vergeleken bij de wereldwijde uitstoot. Jullie land was niet de oorzaak van de klimaatverandering. Dat was vooral het Westen, hoewel jullie leven aan het begin van de eenentwintigste eeuw werd gedicteerd door India, jullie beschermheer en naaste buur, en door China, jullie donorland, eigenaar van de resorts en goed voor de meeste toeristen.

    Zeventig jaar voordat jullie eilanden onder water kwamen te staan, wisten we dat de klimaatverandering een verwoestende uitwerking zou hebben. In 1990 bracht het klimaatpanel van de Verenigde Naties zijn eerste rapport over de verandering uit, een behoedzaam geformuleerd wetenschappelijk compendium dat er bij alle landen op aandrong de uitstoot van kooldioxide te beperken. Sommige landen troffen ingrijpende maatregelen, maar door de mondiale stijging van de welvaart was de uitstoot in 2014 alsnog 60 procent hoger dan een kwarteeuw eerder.

    Te abstract

    Het ontbrak ons niet aan kennis; het kon ons gewoon niets schelen, of we beseften de gevolgen van onze daden niet. De communicatie was onderdeel van het probleem, naast de beperkingen van ons denken en de wens om maar niet over het onbekende te hoeven nadenken. Klimaatverandering werd wel een ‘hyperobject’ genoemd: een onderwerp dat te groot en te ingewikkeld was om te bevatten. Het zorgde allemaal voor een gevoel van machteloosheid dat leidde tot lusteloosheid. Vollmanns uitputtende opsomming van feiten over koolstof en de dodelijke gevolgen ervan waren een afspiegeling van de klimaatverandering zelf: te groot en te deprimerend om te overzien, te overweldigend en te angstaanjagend om je ermee bezig te kunnen blijven houden.

    Maar zelfs het dunnere De onbewoonbare aarde van journalist David Wallace-Wells, een overzicht van de meest geavanceerde kennis over wat er tot 2019 allemaal was gebeurd, inclusief betrouwbare voorspellingen van wat ons nog te wachten stond, riep het verlangen op de ogen te sluiten voor de verschrikkingen. Halverwege het boek vroeg Wallace-Wells zich zelfs af of zijn lezers niet al waren afgehaakt.

    Het ging ons op een abstracte manier aan het hart, maar niet genoeg om de reële problemen aan te pakken. We waren geobsedeerd door de stijging van de zeespiegel: iedereen wist dat jullie land ten dode was opgeschreven. Alleen al in 2017 verdween er op Antarctica 200 miljard ton ijs. Maar we hadden veel minder aandacht voor andere problemen die aan klimaatverandering werden toegeschreven: de steeds vaker voorkomende hittegolven die aan jong én oud het leven kostten, de slinkende oogsten en alarmerend lage voedingswaarde van gewassen, de stijgende temperaturen en steeds langere droogte die het aantal zelfmoorden onder Indiase boeren met elke graad verder opstuwden, de watertekorten die steden overal ter wereld troffen doordat het grondwaterpeil daalde en de 28.000 Chinese rivieren die in slechts tien jaar tijd zouden zijn verdwenen.

    Het probleem was in zekere zin een gebrek aan verbeelding. Verschillende schrijvers wezen daarop, onder wie vooral Amitav Ghosh in zijn The Great Derangement. Hij beklaagde zich erover dat geen enkele fictieauteur zich succesvol met klimaatverandering bezighield. Maar zoals Wallace Wells opmerkte, barstte het in films en op tv van beelden over een grimmige toekomst: de ‘Winter Is Coming’-voorspelling uit Game of Thrones en de veel realistischer droogte van de vervolgen op Mad Max en Blade Runner. Maar die deden eerder dienst als afleiding dan als waarschuwing.

    Geen film of roman kon de schaal van de klimaatverandering bevatten, die bovendien niet paste bij de conventies van de roman. Er was geen eenzame held en geen kans op verlossing, geen beweging die de wereld veranderde, geen duidelijke spanningsboog, geen pakkend verhaal over een betere toekomst. Een roman die uitweidde over het gegeven dat we al zo veel koolstof de atmosfeer in hadden gepompt dat we de aarde onherroepelijk veranderden, zou de aandacht van de lezers maar moeilijk kunnen vasthouden. Zelfs toen de wetenschap nog preciezer werd – de computermodellen werden in de eerste decennia van de eenentwintigste eeuw veel beter – wendden we onze blik af.

    Elk jaar leidden bitcoins tot evenveel uitstoot als een miljoen trans-Atlantische vluchten

    Dus we wisten wat jullie te wachten stond, maar we konden ons er op de een of andere manier niet toe zetten om zelfs maar de schade te beperken. Al in 2018 was het waarschijnlijk te laat om de stijging van de temperatuur met 2 graden tegen te houden, want kooldioxide en methaan kunnen eeuwenlang in de atmosfeer blijven. Maar we hadden de rampzalige verdere stijging kunnen voorkomen. In plaats daarvan strompelden we onnadenkend voort als klimaatzombies die niet in staat waren de toekomst die we schiepen te overdenken.

    Als we in 2000 waren begonnen, dan hadden we de uitstoot van kooldioxide kunnen beperken met een hanteerbare 3 procent per jaar om de temperatuurstijging tot 2 graden te beperken. Als we in 2019 waren begonnen, zou dat 10 procent per jaar zijn geweest. Dat zou ons jaarlijks ongeveer 3 biljoen dollar aan investeringen in schone energie hebben gekost, zodat we de opwarming tot 1,5 graad zouden beperken. Dat is een enorm bedrag, maar nog altijd minder dan de ongeveer 5 biljoen per jaar aan subsidies voor fossiele brandstoffen.

    Wallace-Wells becijferde dat de wereldwijde kooldioxide-uitstoot met 35 procent had kunnen worden beperkt, als de rijkste 10 procent van de wereldbevolking zijn uitstoot zou hebben beperkt tot het gemiddelde niveau in de Europese Unie. Ons gebrek aan politieke wil, in combinatie met leiders die publiekelijk elke poging om het probleem ook maar enigszins in te dammen belachelijk maakten, maakte dat onmogelijk. Als we op de weg zouden blijven die we waren ingeslagen, dan zou het vierhonderd jaar duren om de groene-energierevolutie tot stand te brengen die een einde zou maken aan fossiele brandstoffen, iets dat we binnen dertig jaar hadden moeten doen.

    Niet alleen kleunden we politiek mis en waren we bevooroordeeld, we geloofden ook, heel dom, dat het dankzij de technologie wel goed zou komen. (‘Elon Musk zal ons redden, en zo niet, dan brengt hij ons met een raket naar een andere planeet!’) Terwijl we op onze techmessias zaten te wachten, begonnen we paradoxaal genoeg de wetenschap te wantrouwen. ‘Deskundigen’ wilden vlees eten verbieden en onze SUV’s vervangen door veel kleinere autootjes: koekblikken.

    Bitcoins

    We waren dommer dan dom. We waren roekeloos en vergoelijkend op een manier die je stuitend zult vinden. Iemand vond een nieuwe munteenheid voor speculanten en witwassers uit, de bitcoin. Om die te produceren, moesten hallen vol energievretende computers codes kraken, iets wat mining heet, ‘delven’, maar in feite een volledig kunstmatig proces was dat kon worden beheerst door het algoritme enigszins te herschrijven. De hoeveelheid energie die het kostte was verbijsterend: een munteenheid maken die geen enkel publiek doel diende, kostte evenveel energie als werd verkregen uit alle zonnepanelen die tot 2018 wereldwijd waren geïnstalleerd. Elk jaar leidden bitcoins tot de uitstoot van evenveel kooldioxide als een miljoen trans-Atlantische vluchten.

    Met een verspilling op een dergelijke schaal leek het niet langer de moeite om de veranderingen in gang te zetten die we moesten doorvoeren. We zouden allemaal in elektrische autootjes kunnen gaan rijden en vegaburgers kunnen gaan eten, maar de voordelen zouden bij lange na niet opwegen tegen de uitbreiding van alleen al de kolenindustrie van India. China stortte aan het begin van de eenentwintigste eeuw in drie jaar tijd evenveel beton als de Verenigde Staten in de hele eeuw daarvoor. En dat gebeurde vooral om ervoor te zorgen dat de Communistische Partij de groei kon volhouden die ze nodig achtte om in het zadel te blijven. Alles wat we als individu hadden kunnen doen, werd totaal nutteloos door de beslissingen van het Politburo.

    Elke poging om de uitstoot te verminderen of de opwarming tegen te gaan bracht kosten met zich mee die we niet konden opbrengen. Biobrandstof betekende dat er meer bos werd gekapt, waardoor de koolstof vrijkwam die erin lag opgeslagen. Zwaveldioxide in de atmosfeer brengen om de aarde te laten afkoelen, zoals dat bij vulkaanuitbarstingen gebeurt, betekende zure regen en nog meer verstoringen van het weer. Kooldioxide van kolencentrales afvangen zou betaalbaar zijn geweest als we een belasting op uitstoot hadden kunnen opleggen; het scheen politici iets nagenoeg onmogelijks toe.

    Maar kooldioxide daadwerkelijk uit de atmosfeer halen met behulp van zogeheten negatieve-emissietechnologie klonk als toekomstmuziek: het kostte zo’n 1000 dollar per ton kooldioxide [in Nederland werd in 2017 zo’n 163 miljoen ton kooldioxide uitgestoten]. Door ons vermogen tot magisch denken zagen we over het hoofd wat Howard Herzog in zijn korte gids over koolstofopslag schreef: ‘De beste manier om CO₂ uit de lucht te halen is ervoor te zorgen dat die er niet in komt.’

    Laatste generatie

    Ik zat op een breed strand op het eiland Kinolhas, onderdeel van de Raa-atol, een gebied in het noorden van de Maldiven dat door de Verenigde Naties is uitgeroepen tot World Biosphere Reserve, naar bleek een zinloze aanduiding. Het was vroeg in de avond, de zon ging onder en gezinnen zaten op het witte zand. Op de Maldiven werd de warmte rond de evenaar altijd getemperd door de zee en de wind.

    De temperatuur van lucht en water was perfect. Een catamaran lag zo’n honderd meter voor anker uit de kust, bij het onbewoonde ‘picknickeiland’ naast Kinolhas, waar de plaatselijke bewoners palmbladeren en kokosnoten vandaan haalden. Het Nederlandse gezin dat het schip had gehuurd was er gebakken rijst met tonijn komen eten en gaan snorkelen boven het rif. In de loop van duizenden jaren hadden papegaaivissen zich een weg door het koraal gevreten en het vermalen tot het talkachtige zand waaruit het eiland bestond; elke vis was goed voor zo’n half pond zand per dag.

    Waarschijnlijk denk je met weemoed aan je oude vaderland terug. De Maldiven van vroeger waren zeker geen paradijs. Je had er werkloosheid, heroïneverslaving, corruptie en bekrompenheid. Saoedische geestelijken legden hun harde normen op aan mensen die hadden geleerd dat compromissen sluiten van groot belang was wanneer je op een eilandje op elkaars lip leefde. Maar laat in de middag op Kinolhas was het leven onweerstaanbaar loom en vredig.

    Palmen en grote moringastruiken onttrokken de huizen op het eiland aan het zicht, waarvan de meeste een eind van het strand af waren gebouwd. De muren van koraal die de binnenplaatsen en de huizen tegen de wereld beschermden, waren fuchsiapaars en wit geschilderd. Een jongetje hielp zijn moeder de bougainvilles water te geven die in potten rond het huis stonden en werd natter dan de planten. Terwijl hun moeders stonden te praten, zaten de kinderen elkaar tussen de palmen achterna. Die kinderen zouden de laatste generatie zijn die deze wereld zou kennen.

    In #117 publiceerden wij een voor de European Press Prize genomineerd artikel van oorlogsverslaggeefster Francesca Borri. Borri schreef dat de Maldiven minder paradijselijk zijn dan ze lijken. Het eilandenrijk telt het hoogste aantal Syriëgangers per hoofd van de bevolking, de doodstraf is heringevoerd, de sharia geformaliseerd en op het stelen van een mango staat een lange celstraf.

  • In ‘ground zero’ van de klimaatverandering zien ze deze als een kans

    In ‘ground zero’ van de klimaatverandering zien ze deze als een kans

    ‘Ground zero’ van de klimaatverandering, zo bestempelen wetenschappers Groenland. Vrijwel nergens anders zijn de consequenties ingrijpender dan hier. De inuit bedachten zelfs een nieuw woord voor wat er om hen geen gebeurt: ‘uggianaqtuq’, oftewel ‘vreemd gedrag’.

    Keuze uit het archief

    Deze week werd het nieuws gedomineerd door een gebied dat normaal gesproken de krant nauwelijks haalt: Groenland. Vanwege de dreiging van een Amerikaanse militaire inval besloten Europese landen er soldaten heen te sturen om het grootste eiland ter wereld te verdedigen. Hoewel alle ogen gericht zijn op de Amerikanen, laat deze onheilspellende reportage van Der Tagesspiegel uit 2020 zien dat Groenland met een nog veel ernstigere dreiging te maken heeft: de klimaatverandering.

    » Hier leest u dit verhaal op Blendle

    In de haven van Ilulissat, een plaats aan de westkust van Groenland, duwt aan het einde van deze veel te warme zomer een jongeman de gashendel van zijn motorboot naar voren en spuit weg de Noordelijke IJszee op. Voor hem op het water verheffen zich de ijsbergen, blauw oplichtende reuzen in de middagzon waarvan zo nu en dan een stuk afbreekt en in zee stort.

    Met één hand stuurt de man zijn boot langs ijsschotsen die als reusachtige scherven op het water drijven. Ole Kristiansen, een 31-jarige Inuit, is jager van beroep, net als zijn vader en diens vader voor hem. Een kleine man met fijne gelaatstrekken, bril en snor, die geen handschoenen aanheeft, hoewel de wind zijn handen blauw kleurt. Meestal zwijgt hij, zijn bruine ogen strak op het water gericht. Plotseling legt Kristiansen de boot stil, grijpt naar een roestig geweer, loopt een paar stappen naar de reling, legt aan en schiet staand op een nauwelijks te onderscheiden zwart stipje in de verte.

    Een stinkrob.

    Het schot wordt via een ijsberg teruggekaatst als echo. Het water kolkt. Als het rood kleurt, is de rob dood. Dan moet hij het dier te pakken zien te krijgen voordat het naar de zeebodem zinkt. Kristiansen knijpt zijn ogen tot spleetjes. Het water blijft blauw.

    Typische Groenlander

    Ole Kristiansen is een van de 55.000 bewoners van Groenland, het grootste eiland ter wereld. Kristiansen is een typische Groenlander: hij leeft van wat de natuur hem geeft, meestal stinkrobben of heilbot, waar hij voor de kust op vist. Elke ochtend kijkt hij na het opstaan eerst uit het raam en besluit dan wat de dag voor hem zal brengen. ‘Is het water blauw, dan vaar ik uit, is het zwart, dan blijf ik binnen,’ zegt Kristiansen. Zijn vader en diens vader deden het al zo, zegt hij, en hoe hadden ze ook anders gekund, want in deze blauwgrijze hel van ijs groeiden tenslotte geen aardbeien die ze hadden kunnen oogsten. Tegenwoordig zijn veel dingen anders.

    ‘Ground zero’ van de klimaatverandering, zo bestempelen wetenschappers Groenland. Vrijwel nergens anders zijn de consequenties ingrijpender dan hier. Het noordpoolgebied warmt twee keer zo snel op als de rest van de wereld; in het zuidwesten van Groenland is de gemiddelde temperatuur in de afgelopen zeven jaar drie graden gestegen. In de zomer van 2019, een van de warmste sinds het begin van de metingen, is op het eiland 320 gigaton ijs gesmolten – zeven keer het volume van de Bodensee. Als de Groenlandse ijskap op een dag helemaal wegsmelt, stijgt de zeespiegel met zeven meter.

    Terwijl onderzoekers doorlopend nieuwe metingen uit het binnenste van de ijskap presenteren, overal ter wereld kinderen demonstreren en volwassenen Greta Thunberg beledigen, is de opwarming van de aarde voor de 55.000 Groenlanders al lange tijd de complexe realiteit. Hoe hun leven verandert? Nergens anders is dat beter te zien dan in Ilulissat, de woonplaats van visser Ole Kristiansen.

    De graven voor de doden delven ze in de zomer, waarbij ze een inschatting moeten maken van het aantal mensen dat in de winter zal overlijden

    De op twee na grootste plaats op Groenland ligt aan de westkust, circa 250 kilometer ten noorden van de poolcirkel, en telt 4500 inwoners. De kleurrijke houten huizen bouwen ze op gneis, omdat de permafrost de bodem zo hard maakt dat je daar niet in kunt graven. De graven voor de doden delven ze in de zomer, waarbij ze een inschatting moeten maken van het aantal mensen dat in de winter zal overlijden.

    Hier, waar mannen aan de haven over de ijsberenjacht van gisteren vertellen terwijl cafés van buitenlanders American cheesecake verkopen, waar vissers op robben schieten terwijl het dorp zich tot de belangrijkste bestemming van het lokale toerisme ontwikkelt, kun je de veranderingen in de Groenlandse maatschappij, veroorzaakt door de klimaatverandering, als onder een vergrootglas bekijken.

    Hoe het zover is gekomen, kan het best door een Groenlander uit de doeken worden gedaan, bijvoorbeeld door Jens Pele Petersen, de postbode van het dorp. Dagelijks haalt hij pakketjes van de luchthaven op die hij bij de dorpelingen thuis aflevert. Petersen is een grote man met een stevige handdruk en glasheldere ogen, waar hij erg trots op is. ‘Heb je mijn blauwe ogen gezien?’ vraagt hij. ‘Ongewoon voor een Groenlander, maar ik ben voor 100 procent Inuit.’ Petersen zegt dat hij altijd stopt als hij toeristen ziet die van de luchthaven naar het dorp moeten. ‘Die besparen het geld voor een taxi en ik kom wat meer te weten over de wereld buiten Groenland.’

    Met één hand stuurt hij zijn auto door Ilulissat en steekt af en toe groetend zijn hand op. Eigenlijk rijden er veel te veel auto’s in het dorp, want het is maar een kwartiertje lopen van het ene naar het andere eind en buiten het dorp houden de wegen simpelweg op. Maar sinds de welvaart hier toeneemt, zegt Petersen, rijden steeds meer mensen auto. ‘De mensen zoeken er eentje uit in een catalogus en die wordt dan weken later aangevoerd per schip.’ Zo heeft hij het ook gedaan. Om de haverklap wijst Petersen op een kraan. ‘Overal wordt gebouwd,’ zegt hij, ‘het houdt maar niet op.’

    Om te laten zien waarom Ilulissat het dorp is dat het meest drastisch verandert in Groenland rijdt de postbode een heuvel aan de rand van het dorp op die uitzicht biedt op een van de adembenemendste natuurfenomenen ter wereld: de ijsfjord Kangia.

    De duizend meter diepe Kangia bestaat omdat landinwaarts de Sermeq Kujalleq, een van de snelst bewegende gletsjers ter wereld, onafgebroken afkalft in het water en daarmee aan de lopende band ijsbergen en sculpturen produceert die langs Ilulissat de Noordelijke IJszee op drijven. Ooit dreef een gevaarte deze fjord uit dat duizenden kilometers zuidelijker voor Newfoundland op een schip botste, de Titanic. De ijsfjord is er ook de oorzaak van dat Ilulissat meer in de belangstelling is komen te staan: de Unesco riep de fjord in 2004 uit tot wereldnatuurerfgoed. In 2007 bracht Angela Merkel een bezoek aan het dorp; in een rode parka vergaapte ze zich aan de smeltende ijsbergen, de beelden gingen de hele wereld over. De afgelopen jaren is de Kangia weer een stukje gegroeid, maar deskundigen beschouwen dat niet als een trendbreuk in de terugtrekking van het ijs op lange termijn.

    Vroeger waren hooguit poolonderzoekers en liefhebbers van extreme sporten geïnteresseerd in deze onherbergzame uithoek van de aarde, tegenwoordig leggen er op sommige zomerdagen drie cruiseschepen tegelijk in Ilulissat aan. Dan wordt het dorp overspoeld door vijfduizend mensen, meer dan het inwoners telt. De toeristen, aldus het Groenlandse verkeersbureau, komen omdat ze een laatste blik willen werpen op het smeltende ijs. Deze zomer gingen velen van hen in T-shirt van boord. Het kwik steeg naar een ongebruikelijke 20 graden.

    In de viswinkel aan het dorpsplein hangen bordjes met ‘verboden te fotograferen’, zo graag willen de toeristen foto’s maken van robben- en walvisvlees. Maar de viswinkel is een laatste plaats van verzet. Buiten achter de ramen schieten de hotels, de guesthouses, de cafés en de aanbieders van expedities als paddenstoelen uit de grond. En de toeristen die daarvoor in de rij staan, nemen niet alleen hun nieuwe outdoorjacks mee, maar ook hun ideeën over het leven. Sindsdien botsen hier werelden op elkaar. Cheesecake en robbensoep.

    In Ilulissat speelt zich een globaliseringsdrama af, veroorzaakt door de klimaatverandering. In het noorden van het dorp wordt al een nieuwe luchthaven gebouwd, die volgens planning in 2023 in gebruik zal worden genomen. Een nieuw hoofdstuk begint. De vraag is alleen wie daarin de hoofdrol speelt.

    Postbode Jens Pele Petersen heeft me voor het avondeten uitgenodigd. Eerst stuurt hij zijn auto nog snel naar supermarkt Pisiffik, waar hij fruit, sla en gehakt koopt. De sla kost 50 kronen, zegt hij, bijna zeven euro. Die komt met de boot uit Europa, twee keer per week.

    Onder het eten hebben de Petersens het over de ijsbeer die een jager uit het dorp de vorige dag heeft geschoten

    Thuis dekt hij de tafel, zijn vrouw Ane maakt spaghetti bolognese. Ook zij werkt bij de posterijen, als zijn chef. ‘Mijn baas, thuis en op het werk,’ zegt Jens Pele lachend. Hun zoon Kenny zit in de kinderkamer Fortnite te spelen op zijn smartphone. Door die game spreekt hij al beter Engels dan zijn vader. Jens Pele Petersen laat me het huis zien. Het blanke hout maakt het licht, op de gang staat een hometrainer, in de keuken een eiwitshake. Op Facebook – Petersen post vrijwel dagelijks – staan foto’s van een huisje dat hij buiten het dorp aan het bouwen is om daar de steeds warmere zomers door te brengen.

    Onder het eten hebben de Petersens het over de ijsbeer die een jager uit het dorp de vorige dag heeft geschoten. Ane zegt dat ze het niet kan begrijpen, het dier was toch veel te jong geweest. ‘Op straat zouden we dit niet hardop zeggen,’ zegt Jens Pele. ‘Onze mening wordt daar niet zo gewaardeerd.’

    Ook dat moet de klimaatverandering zijn, die gedachte komt onwillekeurig bij je op als je met dit moderne gezin aan tafel zit. Ze laat het ijs smelten en maakt daardoor vlak bij de noordpool een leven mogelijk waarin eiwitshakes en zomerhuizen een grotere rol spelen dan de jacht op ijsberen. Is dat goed?

    Heel wat mensen op Groenland zien dat zo, ook de Petersens. De klimaatverandering, zo betogen ze, is eerder een kans dan een bedreiging. En niet alleen in de privésfeer.

    Toen Donald Trump onlangs aangaf Groenland te willen kopen, had dat – de absurditeit van het idee daargelaten – een reden. Negentig miljard barrels ruwe olie vermoeden deskundigen in het noordpoolgebied, ruim zes procent van de mondiale reserve, en bovendien circa 25 procent van de nog niet in productie genomen aardgasreserves. Vooral in twee bekkens voor de kust van Groenland zou exploitatie lonend kunnen zijn. De afgelopen jaren heeft Groenland meer dan vijftig exploitatievergunningen verstrekt aan buitenlandse investeerders: goud, nikkel, koper. In het zuiden van het eiland, bij het plaatsje Narsaq, ligt een van de grootste uraniummijnen ter wereld. Een Chinees-Australisch consortium wil die gaan exploiteren en bovendien de extreem waardevolle en zeldzame mineralen waarnaar de wereld zit te smachten omdat ze nodig zijn voor hybride auto’s en printplaten in smartphones. Daarbij komen nog de onmetelijke zandreserves. De wereld staat in de rij om de natuurlijke rijkdommen van Groenland te exploiteren.

    Groenland trekt op zijn beurt een eigen plan. De grootste wens van de bevolking, volgens Jens Pele Petersen en visser Ole Kristiansen maar ook alle enquêtes daarnaar, is de volledige onafhankelijkheid van de vroegere koloniale mogendheid Denemarken. Het probleem is dat Denemarken jaarlijks 470 miljoen euro overmaakt, ongeveer een derde van de Groenlandse begroting. Om zich los te maken van Denemarken zou Groenland ook financieel onafhankelijk moeten worden. Mijnbouw, landbouw, toerisme: uitgerekend de klimaatverandering zou uiteindelijk de onafhankelijkheid kunnen brengen.

    In het dorp kom je veel mensen tegen die over de bevroren zee praten als over een vader die op sterven ligt

    Dat is echter maar één kant van het verhaal. In de woonkamer van de Petersens vertelt Ane ook over de negatieve aspecten van de klimaatverandering. Ze laat een zwart-witfoto zien die bij hen op de gang hangt. De man erop glimlacht vriendelijk. Het is Anes vader, die een paar jaar geleden bij een ongeluk om het leven kwam.

    Haar vader was met de sneeuwmobiel onderweg op het zee-ijs, vertelt Ane, toen hij merkte dat hij op een afgebroken ijsschots reed die aan het zinken was. Hij gaf flink gas om niet te verdrinken, maar botste op een andere sneeuwmobiel, vloog door de lucht en sloeg hard tegen de grond. Hij overleed ter plekke.

    Het zee-ijs is de bestaansvoorwaarde voor en het symbool van het traditionele Groenlandse leven. Duizenden jaren lang heeft het ijs het noordpoolgebied beschermd tegen welke invloed ook. Het blokkeerde de zee en daarmee de schepen, die Ilulissat zes, zeven maanden niet meer konden bereiken. Geen sla, geen sinaasappels. In plaats daarvan trokken de vissers dagenlang over het bevroren water en jaagden op robben, ijsberen en rendieren. Of ze konden via de zeeweg een keer op bezoek bij familieleden in andere nederzettingen. Het ijs als sociale brug.

    In het dorp kom je veel mensen tegen die over de bevroren zee praten als over een vader die op sterven ligt. Zoals de 76-jarige Ove, ook een visser. Een kleine, kromme man, die net een ladder opklimt om heilbot aan zijn huis te drogen te hangen. ‘Vroeger gingen we tot laat in de lente met sledehonden de zee op,’ zegt Ove. ‘Tegenwoordig hebben we geluk als zich een beetje ijs vormt. Maar meestal is het te dun om op te staan.’

    Met het ijs verdwijnen de sledehonden, een van de oudste hondenrassen ter wereld. Kolonisten die vanuit Canada naar Groenland kwamen, brachten ze ooit mee. Nog altijd loopt door het zuiden van Groenland de zogeheten hondenevenaar. Ten noorden van deze overgeleverde grens mogen uitsluitend sledehonden worden gehouden om een vermenging van rassen te voorkomen.

    Toen het zee-ijs stabiel genoeg was, waren de sledehonden voor de Groenlanders het belangrijkste middel om zich te verplaatsen. ‘De honden,’ zegt Ove, ‘voelden aan waar het ijs dik genoeg was om op te lopen. Tegenwoordig weigeren ze vaak het dunne ijs ook maar op te gaan.’

    © Getty
    © Getty

    Ooit waren er meer dan zesduizend sledehonden in Ilulissat. Hun gehuil klonk ’s nachts door het dorp. Tegenwoordig zijn het er nog geen tweeduizend. Veel jagers hebben hun honden zelfs doodgeschoten omdat ze er niet meer voor konden zorgen. De rest bevindt zich niet zoals vroeger midden in het dorp, maar moet vanwege de vele auto’s die door Ilulissat rijden in kennels erbuiten worden gehouden. ‘Met de honden verdwijnt het leven waarmee ik groot geworden ben,’ zegt Ove.

    Maar niet alleen het zee-ijs en de sledehonden verdwijnen. Ook de taal van de Groenlanders, beeldend en beschrijvend, staat bloot aan de klimaatverandering. Zoals het woord ‘isersarneq’, dat ‘dit is een wind in de fjord die van zee komt en het lastig zou kunnen maken om thuis te komen, maar eenmaal buiten de fjord is het aangenaam weer’ betekent. Omdat het weer onberekenbaar is geworden en winden draaien hebben sommige begrippen tegenwoordig geen betekenis meer.

    De Inuit bedenken daarvoor nieuwe woorden. Zoals ‘uggianaqtuq’, dat ‘zich wonderlijk gedragen’ betekent. Het woord doelt op het veranderde klimaat – en de mensen die niet weten hoe ze daarop moeten reageren.

    Niet alleen het zee-ijs en de sledehonden verdwijnen. Ook de taal van de Groenlanders, beeldend en beschrijvend, staat bloot aan de klimaatverandering

    Tot voor kort was er weinig bekend over de psychologische effecten van de klimaatverandering. Afgelopen zomer voerde Kelton Minor, sociologe aan de universiteit van Kopenhagen, het eerste representatieve onderzoek uit. In de Greenlandic Perspectives Survey (GPS) werd de kijk van de Groenlanders op de klimaatverandering onderzocht – en Minor presenteerde verbazingwekkende cijfers. Volgens het onderzoek is circa 92 procent van de ondervraagden ervan overtuigd dat de klimaatverandering een feit is, slechts 1 procent denkt van niet. Ruim drie kwart van de Groenlanders zei de effecten van de klimaatverandering aan den lijve te ondervinden in het dagelijks leven. Drie op de vier gezinnen gaf aan nog al-tijd van de jacht te leven, maar bijna twee derde daarvan was bang dat de klimaatverandering de traditie van het jagen zal schaden.

    Ook Courtney Howard, eerstehulparts in het Canadese noordpoolgebied, onderzoekt de gevolgen van de klimaatverandering voor de Groenlanders. Onlangs verklaarde ze tegenover The Guardian dat de klimaatverandering bij sommige Inuit tot angstgevoelens en een vorm van ecologische rouw leidt omdat ze hun geboortegrond kwijtraken. Bij sommige Inuit had ze zelfs tekenen van posttraumatische stressstoornis vastgesteld. Op Groenland heeft de ecologische ramp allang een culturele ramp veroorzaakt.

    Ook Simone Petersen uit Ilulissat kan meepraten over de afgronden van een maatschappij in transitie. Petersen, geen familie van postbode Jens Pele Petersen, is een Deense, een vrouw met oranje geverfd haar. Ik loop met haar mee een doodlopend straatje in naar een weiland waar ze drie sledehonden houdt. Uit een plastic tasje haalt ze drie hele vissen, die ze naar de honden gooit. Dan doet ze een schuurtje open, waar vijf welpen aan het ravotten zijn.

    Terwijl Petersen de welpen te eten geeft, vertelt ze dat ze in 2008 tijdens een reis naar Groenland verliefd werd op Knut, een jager uit Ilulissat, en twee maanden later hier is komen wonen. ‘We hadden zestien honden en waren gelukkig,’ zegt ze. Drie jaar geleden stierf Knut aan een aneurysma. Simone besloot ook zonder hem hier te blijven.

    In Ilulissat werkte ze zes jaar lang als maatschappelijk werkster in een weeshuis. ‘Veel kinderen voor wie ik daar zorgde, waren hun ouders door geweldmisdrijven kwijtgeraakt,’ zegt ze. ‘Anderen werden mishandeld, of de ouders hadden zich van het leven beroofd.’

    Het hoge zelfmoordcijfer – zeven keer zo hoog als in Duitsland – bezorgde Petersen handenvol werk. In het weeshuis werkte ze samen met een collega die vier zonen had – allemaal pleegden ze zelfmoord. ‘Als er eentje begint, volgt vaak het hele gezin dat voorbeeld,’ zegt ze. De motieven zijn volgens haar velerlei. ‘Van één jongen weet ik dat zijn vriendin hem had verlaten, dat was voor hem al reden genoeg.’

    ‘Veel Groenlanders hebben nooit geleerd om met problemen om te gaan,’ zegt Petersen. ‘Van anderen wordt simpelweg te veel geëist door de radicale veranderingen die hier op dit moment plaatsvinden. Als werknemers op Groenland salaris krijgen, wat om de twee weken gebeurt, kun je er bij sommigen van uitgaan dat ze de maandag daarna niet op hun werk verschijnen. Salaris krijgen staat voor velen gelijk aan een driedaags drankgelag. Dan worden ook de meeste misdrijven gepleegd.’

    Kapitalistische tijdgeest

    Vrijwel iedereen die je er in Ilulissat naar vraagt, komt na een tijdje wel te spreken over die onbetrouwbaarheid, zowel buitenlanders als de Groenlanders zelf. Simone Petersen zegt dat je er niets van begrijpt als je met een Duitse of Deense blik naar de problemen van de Groenlanders kijkt. ‘Veel van wat we in Europa gewoon vinden, is hier niet van toepassing.’ De dag van haar vriend Knut was bijvoorbeeld nooit met de wekker begonnen. Hij werd wakker wanneer hij wakker werd en dan liep hij naar het raam om te kijken wat voor weer het was. Knut had alleen maar gejaagd als hij iets te eten wilde hebben. De buit verkopen, geld verdienen, de welvaart vergroten – ‘dat was hem volkomen vreemd’.

    Op een keer zou hij toeristen meenemen op een boottochtje. Toen hij op de afgesproken tijd nog thuis was, had Petersen hem gevraagd of hij niet weg moest. ‘Die mensen zien toch wel dat de zee zwart is, en dan vaar je niet uit,’ had Knut geantwoord.

    Onwillekeurig gaan mijn gedachten terug naar robbenjager Ole Kristiansen. Toen die na dertien schoten nog altijd geen rob had geraakt, keerde hij vergenoegd terug naar de haven. Terwijl hij zijn boot vastlegde, zei hij: ‘Ik stop even een paar dagen met jagen, ik heb net genoeg te eten.’

    Simone Petersen begint te lachen als ik haar dat vertel. ‘Dat zei Knut ook altijd,’ zegt ze. ‘Maar natuurlijk zijn allang niet meer alle Groenlanders zo. Er zijn enkelen die zich de nieuwe, kapitalistische tijdgeest eigen hebben gemaakt.’ Mensen zoals Carl Sandgreen.

    Sandgreen kom je verschillende keren per dag tegen in Ilulissat, want hij is altijd wel ergens naartoe onderweg. Op een ochtend tref ik hem in de haven, een kleine, bruinverbrande man in een dikke wollen trui. Hij is net zijn boot aan het losmaken omdat hij op zee ijs wil gaan verzamelen voor het chique hotel Hvide Falk. Daar wordt het heldere gletsjerijs voor cocktails gebruikt. ‘Toeristen vinden dat cool,’ zegt Sandgreen schouderophalend.

    Carl Sandgreen was ooit jager en hij heeft ook bij de receptie van hotel Arctic gewerkt toen Angela Merkel daar overnachtte. En nog daarvoor heeft hij in de Groenlandse hoofdstad Nuuk wiskunde en economische wetenschappen gestudeerd. Tegenwoordig is Sandgreen niet alleen vanwege zijn afstuderen een bijzonderheid in Ilulissat, maar ook omdat hij als een van de weinige Groenlanders als gids voor toeristen werkt.

    Sandgreen is zijn bedrijf Ilulissat Water Safari begonnen toen hij over de nieuwe luchthaven hoorde die in 2023 klaar moet zijn. Toen besefte hij dat het oude leven in Ilulissat voorbij was en besloot hij er het beste van te maken.

    Dagelijks vaart hij met toeristen de zee op om walvissen te gaan observeren, gaat met hen jagen of vertelt hen wetenswaardigheden over de ijsbergen in de fjord. ‘De klimaatverandering is voor mij geen vijand,’ zegt Sandgreen, ‘maar een verandering waaraan ik me moet aanpassen. Juist wij Groenlanders zijn er eigenlijk meesters in om ons te schikken naar barre omstandigheden.’

    De zaken gaan goed, zegt hij. Onlangs heeft hij een tweede boot en een sneeuwmobiel gekocht en binnenkort kan hij iemand in dienst nemen. Het liefst een Groenlander. Hij heeft een vereniging opgericht waar Groenlandse ondernemers van gedachten kunnen wisselen, ze zijn nog op zoek naar een clubhuis. Bij de volgende gemeenteraadsverkiezing wil hij zich kandidaat stellen en op Facebook schrijft hij regelmatig over wat hem stoort in Ilulissat.

    ‘De mensen die hier wat te vertellen hebben, zijn allemaal Deens,’ zegt Sandgreen. ‘De manager van de luchtvaartmaatschappij, de managers van de supermarkten, van het hotel Arctic.’ Vooral de Deense gidsen werken hem op de zenuwen. ‘Velen van hen zijn studenten die hier één zomer komen om toeristen mee te nemen naar de ijsfjord of de walvissen. Wij Groenlanders kunnen toch veel gedetailleerder over ons geboorteland vertellen.’

    Als het ijs gesmolten is, zullen deze zonsondergangen er niet meer zijn

    ‘Als het ijs gesmolten is, zullen deze zonsondergangen er niet meer zijn.’
    ‘Als het ijs gesmolten is, zullen deze zonsondergangen er niet meer zijn.’

    Maar, zegt Sandgreen, je hebt er niets aan om op anderen te vitten. ‘Als de klimaatverandering voor de Groenlanders daadwerkelijk meer een kans dan een bedreiging is, dan moeten we wakker worden!’

    Sandgreen ziet het als een reusachtige taart die momenteel wordt verdeeld. Of je staat op en eist luidkeels een stuk ervan op of het bord is binnenkort leeg en Groenland nog altijd afhankelijk van het geld van Denemarken. Dat zou het slechtste scenario zijn. ‘Onze onafhankelijkheid begint in ons hoofd,’ zegt hij.

    Wanneer hij wegrijdt in zijn auto begint de hemel boven hotel Hvide Falk al rood te kleuren. Later op de avond wordt dat donkeroranje en uiteindelijk felpaars, alsof iemand de verzadigingsregelaar van de kleuren tot in het onnatuurlijke doordraait. Het ijs doet de zonsondergangen op Groenland zo stralen omdat het de kleuren als een reusachtige spiegel reflecteert. De ijsbergen in de Kangia lijken te gloeien.

    Als het ijs eenmaal gesmolten is, zullen deze zonsondergangen er niet meer zijn. Dan wordt Groenland, de ijswoestijn, in een misschien helemaal niet al te verre toekomst een heel normaal land.

    In het zuiden groeien de eerste aardbeien al.

    Auteur: Marius Buhl
    Vertaler: Pieter Streutker

  • In de strijd tegen klimaatverandering is fatalisme uit den boze

    In de strijd tegen klimaatverandering is fatalisme uit den boze

    Het valt niet meer te ontkennen: watertekorten, natuurbranden, een stijgende zeespiegel en extreem weer staan voor ieders deur. Strijdbaarheid is de sleutel, beweren klimaatactivisten. Wanhoop en verlamming slaan pas toe als we denken dat er niets meer aan te doen is.

    Keuze uit het archief

    Afgelopen week was het weer zover: klimaatactivisten gooiden soep over een schilderij om aandacht te vragen voor de klimaatverandering. Dit keer was de Mona Lisa de klos. Verder vonden er boerenprotesten plaats naar aanleiding van het plan van de EU om boeren meer milieuregels op te leggen.

    Wat men ook van zulke acties vindt, één ding is zeker: er is dringend actie nodig om een dramatische ontwikkeling van het klimaatprobleem af te wenden, aldus David Wallace-Wells in zijn boek De onbewoonbare aarde, dat ruim vier jaar geleden uitkwam. Het boek schetst niet alleen rampzalige klimaatscenario’s, maar wijst ook een oplossing aan: tijdig actie ondernemen en niet bij de pakken neerzitten.

    De onbewoonbare aarde, het nieuwe boek van David Wallace-Wells over de gevolgen van klimaatverandering voor de mens, begint met de zin: ‘Het is erger dan je denkt, veel erger.’ Steden waar de extreme hitte het asfalt doet smelten en spoorlijnen kromtrekken. Grote delen van de aarde die na vijf graden opwarming continu met droogte kampen. En als de zeespiegel maar zes meter stijgt – een optimistisch scenario – komen gebieden waar nu 375 miljoen mensen wonen onder water te staan. Sommige van zijn apocalyptische verhalen zijn geen toekomstvoorspellingen, maar komen uit het recente verleden: eind 2018 grepen de bosbranden in Californië zo snel om zich heen dat evacués ‘langs exploderende auto’s moesten rennen terwijl hun schoenen aan het smeltende asfalt bleven plakken’.

    De grote lijnen van het door Wallace-Wells geschetste beeld kunnen geen verrassing zijn voor iedereen die een beetje heeft opgelet. We stevenen af op – of bevinden ons eigenlijk al in – een tijdperk van watertekorten, natuurbranden, een stijgende zeespiegel en extreem weer. Wanneer zou de stad waar ik woon onder water lopen? Waar moet ik dan gaan wonen? Waar moeten mijn toekomstige kinderen wonen? Moet ik wel kinderen willen?

    Bosbrand nabij Paradise in Californië, november 2018. De brand bestreek een gebied van 45.000 hectare – zo’n 20.000 voetbalvelden – en was de dodelijkste bosbrand ooit in de Amerikaanse staat. © The Washington Post /  Getty Images
    Bosbrand nabij Paradise in Californië, november 2018. De brand bestreek een gebied van 45.000 hectare – zo’n 20.000 voetbalvelden – en was de dodelijkste bosbrand ooit in de Amerikaanse staat. © The Washington Post / Getty Images

    Maar Wallace-Wells benadrukt ook dat fatalisme uit den boze is. In een radio-interview op National Public Radio zei hij dat ‘elke honderdste graad opwarming verschil maakt’: we kunnen de opwarming niet volledig ongedaan maken, maar we hebben nog wel in de hand of het uitloopt op een toekomst die apocalyptisch is of ‘alleen maar beroerd’.

    Enkele jaren geleden vroeg ik de klimaatactivist en schrijver Bill McKibben al eens hoe hij erin slaagde niet depressief te raken van al dat denken over de klimaatverandering. Hij zei dat strijdbaarheid de sleutel is. De wanhoop slaat pas toe als je denkt dat er niets meer aan te doen is. ‘Dit is de belangrijkste strijd in de geschiedenis van de mensheid, een strijd waarvan de uitkomst zal nagalmen op de geologische tijdsschaal, en die strijd moet nu worden geleverd,’ zei hij.

    Mentale blokkades

    In 2008 en 2009 zette de American Psychological Association (APA) een werkgroep op om de relatie tussen psychologie en klimaatverandering te onderzoeken. De uitkomst was dat mensen klimaatverandering wel belangrijk vonden, maar ‘geen gevoel van urgentie’ hadden. De werkgroep beschreef verschillende mentale blokkades die aan deze genoegzaamheid bijdroegen: onzekerheid over de ernst van de klimaatverandering, argwaan jegens de wetenschap en ontkenning van het menselijk aandeel in het probleem. Ondervraagden hadden de neiging de gevaren te bagatelliseren en te denken dat er nog genoeg tijd was om veranderingen door te voeren voordat de gevolgen echt merkbaar zouden worden.

    Tien jaar later lijkt deze manier van denken al iets uit een ver verleden. Maar twee door de werkgroep beschreven mechanismen die mensen ervan weerhouden om in actie te komen, spelen nog steeds een cruciale rol: de macht der gewoonte en een gevoel van machteloosheid. ‘Ingesleten gedragspatronen zijn bijzonder moeilijk te veranderen’, schreef de werkgroep. ‘Mensen denken dat wat zij zelf doen nooit veel kan uithalen, dus doen ze maar niets.’

    29% van de respondenten van een onderzoek uit 2018 is verontrust als het gaat om klimaatverandering

    Ook Wallace-Wells schrijft in zijn boek dat ‘we ons het beste [lijken] te voelen bij een houding die wordt gekenmerkt door machteloosheid’. Nu de ernst van het klimaatprobleem steeds minder wordt betwijfeld, maken ontkennende reacties plaats voor al even verlammende gevoelens van paniek, angst en berusting. We beginnen de enorme gevaren van de klimaatverandering inmiddels aan den lijve te ondervinden en, zoals een psycholoog het tegen mij uitdrukte, ‘dan belanden we op het terrein van de psychologie, of we het leuk vinden of niet.’

    John Fraser is een klimaatpsycholoog die zich heeft verdiept in burn-out en trauma’s bij mensen die zich inzetten voor het milieu. ‘We moeten meer doen dan mensen alleen maar de stuipen op het lijf te jagen met gruwelverhalen,’ zegt hij. Reacties op de klimaatverandering worden vaak beschreven als een breed spectrum, variërend van ontkenning en verdringing aan de ene kant tot grote verontrusting aan de andere.

    En onze verontrusting groeit. In een onderzoek van Yale en de George Mason-universiteit werden Amerikaanse reacties op de klimaatverandering in 2009 onderverdeeld in zes categorieën: verontrusting, bezorgdheid, bedachtzaamheid, verdringing, twijfel en ontkenning. In 2009 toonde 18 procent zich verontrust, in 2018 was dat aantal gestegen tot 29 procent.

    “De eerste stap is het gevoel dat het probleem oplosbaar is”

    Fraser vindt dat je mensen beter kunt stimuleren dan verontrusten en meet zich daarom een onverwoestbaar positieve en oplossingsgerichte houding aan. ‘We zijn erin geslaagd om binnen een paar jaar spoorlijnen door heel Amerika te leggen, en om binnen een paar jaar mensen op de maan te zetten,’ zegt hij. En er zijn volop ideeën voor ambitieuze klimaatoplossingen. Installaties die CO2 uit de lucht halen zijn onmogelijk duur, maar ze bestaan. Sommigen pleiten ervoor om kernenergie weer te stimuleren. Voorstanders van de Green New Deal pleiten tegen de winning en subsidiëring van fossiele brandstoffen en voor drastische uitbreiding van het openbaar vervoer.

    Uit Silicon Valley komen ideeën die meer technologisch dan politiek zijn: woestijnen onder water zetten om er algen te kweken die CO2 opnemen. Of een elektrochemisch procedé waardoor gesteente CO2 gaat opnemen. Naar mogelijke oplossingen wijzen is volgens Fraser de beste manier om over milieuproblemen te praten. ‘We moeten de hoop aanjagen,’ zegt Fraser. ‘De eerste stap naar een gezonde reactie is het gevoel dat het probleem oplosbaar is.’

    ‘Is het goed om doodsbang te zijn? Nee,’ zegt hij, ‘want dan blokkeer je alleen maar.’

    Gezonde reactie

    Margaret Klein Salamon, die na haar opleiding als klinisch psycholoog een actiegroep voor klimaatbewustwording heeft opgericht, is het daar helemaal niet mee eens. Volgens haar werkt angst niet verlammend, maar is het een noodzakelijke emotie die mensen helpt gevaren te onderkennen en in actie te komen. En gezien de huidige toestand van de aarde is grote angst niet meer dan logisch. ‘Het is belangrijk om bang te zijn voor dodelijke bedreigingen. Dat is een gezonde reactie,’ zegt ze. Volgens haar moeten mensen eerst van de omvang van het probleem zijn doordrongen, voordat ze worden geprikkeld tot verantwoord gedrag en de mentale vruchten kunnen plukken van het ‘leven met klimaatwaarheid’.

    Salamon, zelf een kind van psychiaters, noemt therapie ‘een beetje een familiebedrijf’ en werkt aan een zelfhulpboek over het onderwerp, getiteld Transform Yourself with Climate Truth. Volgens haar is het niet zo gek dat mensen de waarheid over de klimaatcrisis niet aankunnen en allerlei afweermechanismen ontwikkelen. Ga maar na: wat wij nu nog een hittegolf noemen, is over twintig jaar waarschijnlijk de normale temperatuur.

    In 2045 zullen meer dan 300.000 Amerikaanse woningen aan de zee ten prooi zijn gevallen. In 2100 zal alleen al in Amerika voor 1 biljoen dollar aan vastgoed verloren zijn gegaan. Hoe meer CO2 er in de lucht komt, hoe meer suiker en hoe minder andere voedingsstoffen er in gewassen zitten: in 2050 is groente een soort junkfood. En alles wat slecht is voor het klimaat, valt voor een groot deel samen met onze materialistische versie van een fijn leven: vlees, vliegreizen, airco. ‘Het hoort bij het menselijk bestaan dat we geregeld met tegenstrijdige belangen kampen.

    In 2045 zullen meer dan 300.000 Amerikaanse huizen ten prooi zijn gevallen aan de zee

    Daaruit ontstaan onze afweermechanismen,’ zegt Salamon. Ze houdt af en toe een telefonisch spreekuur waarop mensen kunnen inbellen om te praten over klimaatverandering en klimaatactivisme. Dan komen er allerlei emoties naar boven: schaamte en schuldgevoel, verdriet, paniek, machteloosheid en zelfs een soort ‘vrolijke vernielzucht’ bij mensen die boos zijn dat hun waarschuwingen zijn genegeerd. Salamon vindt het belangrijk dat we ook leren met de klimaatverandering om te gaan als een persoonlijk en emotioneel verschijnsel, niet alleen als wetenschappelijk fenomeen. Iedereen moet kunnen rouwen om zijn of haar toekomst, zegt ze, omdat die er anders zal uitzien dan we hadden gedacht. Met meer droogte en overbevolking, meer gevaar en minder luxe.

    In oktober 2017 nam Wallace-Wells op de jaarlijkse conferentie van de Society of Environmental Journalists deel aan een paneldiscussie getiteld ‘Doem-denken: ethiek en doelmatigheid van de berichtgeving over doemscenario’s’. Daarin kwamen grofweg dezelfde twee keuzes aan bod: je lezers bang maken of hoop bieden. Wallace-Wells koos heel duidelijk voor het eerste en verwees daarbij naar iets wat de schrijver Ta-Nehisi Coates tegen hem had gezegd: ‘Dat mensen hoop nodig hebben, mag geen reden zijn om ze niet de waarheid te vertellen.’ Bovendien kan angst ook nuttig zijn, zei Wallace-Wells: de dreiging van gegarandeerde wederzijdse vernietiging dreef wereldleiders ertoe een eind te maken aan de Koude Oorlog, en uit angst voor kanker stoppen mensen met roken. ‘Het is iets te simplistisch om te denken dat alles wat eng is meteen ook verlammend werkt, en ik vind het ook een beetje betuttelend,’ zei hij.

    Verzoenen

    Ook in het panel zat de psycholoog en communicatiedeskundige Renee Lertzman, die het tijd vond om ‘korte metten te maken met de valse tegenstelling’ tussen vrees en hoop, of tussen waarheid en optimisme. Het probleem van de doemscenario’s is volgens haar niet per se dat ze beangstigend zijn, maar dat ze bijna als een film aan ons voorbijtrekken: we worden buiten de actie geplaatst en in de ‘politiek neutraliserende’ positie gemanoeuvreerd van ‘geprikkelde, opgehitste, bange toeschouwers’. In haar boek Environmental Melancholia schrijft ze dat onverwerkte rouwgevoelens over de ecologische verwoesting eraan bijdragen dat mensen niet in actie komen tegen de klimaatproblemen.

    Dit ‘gestolde, onvolgroeide rouwproces’ werkt verlammend, schrijft ze. Lertzman vindt dat we over het klimaat moeten praten op een manier die mensen de ruimte geeft hun gevoelens te verwerken of althans onder ogen te zien. Alleen al door in het begin van het gesprek ruimte te laten voor een simpele verzuchting als ‘God, wat heftig’, zegt Lertzman, ‘maak je een heleboel energie vrij om te kunnen doorpakken naar een oplossingsgerichtere houding’. Het is een gangbare tactiek in de psychologie: eerst erkennen hoe moeilijk iets is, om er vervolgens dieper in te duiken. Het doet mij denken aan de tact van een goede arts die een nare boodschap moet brengen.

    Er zijn volop ideeën voor ambitieuze klimaatoplossingen

    Maar volgens Lertzman is het nog lastiger: omdat we zelf schuld dragen aan de klimaatcrisis, is het meer alsof je een nare diagnose te horen krijgt die het resultaat is van je eigen leef-gewoontes. Je krijgt niet alleen een sombere toekomst te verhapstukken, maar ook nog je eigen aandeel daarin. ‘We moeten ons ermee verzoenen dat onze manier van leven niet meer houdbaar is, en dat we zelf het roer moeten omgooien,’ zegt ze.

    ‘Wat heel goed werkt, is mensen het gevoel geven dat je ze uitnodigt en stimuleert om deel te nemen aan iets constructiefs, en ze een veilige sfeer bieden om te verwerken hoe ingrijpend het allemaal is,’ zegt Lertzman. Dat sluit aan bij Bill McKibbens advies dat activisme de enige remedie tegen klimaatangst is. Susan Clayton, hoogleraar sociale psychologie en milieustudies (en tien jaar geleden lid van de hierboven genoemde APA werkgroep over klimaatverandering), zegt ook zoiets: gezamenlijke inspanningen ten bate van het klimaat zijn volgens haar ook heilzaam voor de geest. ‘Het is net zoiets als bij de burgerrechtenbeweging,’ zegt ze. ‘Je samen ergens voor inzetten geeft kracht en bevestiging.’

    Kinderachtig

    In een indringend essay op de website Medium stelt Mary Annaïse Heglar, werkzaam bij de milieuorganisatie Natural Resources Defense Council, dat de klimaatbeweging nog veel van de burgerrechtenbeweging kan leren. Klimaatverandering mag dan misschien de eerste existentiële bedreiging vormen voor de hele mensheid, de Verenigde Staten vormen al eeuwenlang een existentiële bedreiging voor zwarte mensen. Over het doelbewuste geweld in de tijd van de segregatie schrijft ze: ‘Probeer te begrijpen hoe overweldigend en onontkoombaar dat toen moet hebben gevoeld. Besef dat er geen einde in zicht was. (…) Als zij kinderen op de wereld zetten, vreesden ze ook altijd voor hun toekomst.’

    De bosbranden en overstromingen van ons veranderende klimaat zijn in de geschiedenis misschien nooit eerder voorgekomen, maar de dreiging van totale vernietiging wel: Wallace-Wells en Salamon noemen allebei het voorbeeld van hun voorouders, die de Holocaust hebben meegemaakt. Zo bezien is het niet alleen onhoudbaar maar ronduit kinderachtig om te vervallen in het soort stille klimaatontkenning waarbij je het fenomeen niet zozeer ontkent, als wel je kop ervoor in het zand steekt omdat het zo akelig is om over na te denken. Zoals Heglar schrijft: ‘Tegen zoiets vecht je niet omdat je denkt dat je kunt winnen. Je vecht omdat het moet.’

    Halverwege De onbewoonbare aarde geeft Wallace-Wells de ‘moedige lezer’ een schouderklopje dat die zijn boek nog niet heeft weggelegd, ondanks de opsomming van ‘genoeg gruwelen om paniek te zaaien, ook bij de meest optimistische personen’. Zelf had ik een heftige fysieke reactie op het boek: mijn hart begon te bonzen toen ik las welke rampen ons allemaal te wachten staan. De tranen sprongen me in de ogen toen ik zijn tijdlijnen naast die van mijn eigen leven legde, of van mijn eventuele kinderen. Maar al lezend begon het na enkele dagen wel te wennen. Ik kon het steeds beter zuiver verstandelijk lezen, zonder dat meteen mijn vecht-of-vluchtreactie opspeelde. Dat gaf gek genoeg een gevoel van kracht.

    Een Rode Kruis-evacuatiecentrum nabij de Kerk van de Nazarener in het Californische Oroville op 13 november 2018, tijdens massale bosbranden in de Amerikaanse staat. © Getty
    Een Rode Kruis-evacuatiecentrum nabij de Kerk van de Nazarener in het Californische Oroville op 13 november 2018, tijdens massale bosbranden in de Amerikaanse staat. © Getty

    Wallace-Wells schrijft dat de afgelopen eeuw van fossielebrandstofwinning en industrieel kapitalisme een manier van leven mogelijk heeft gemaakt waarvan ik de vruchten pluk. Dat dankzij dit systeem ‘miljarden mensen zich nu tot de middenklasse kunnen rekenen’. Toch is dat systeem toe aan radicale herziening. Moderne mensen hebben de neiging, schrijft hij, om menselijke systemen onaantastbaarder te wanen dan natuurlijke systemen: ‘Daarom komt het idee om het kapitalisme zo te verbouwen dat het uit de grond halen van fossiele brandstof niet meer loont, ons onhaalbaarder voor dan het idee om zwavel de lucht in te blazen, zodat we een rode hemel krijgen en de planeet een paar graden afkoelt.’ En daarom lijkt het misschien makkelijker, schrijft hij, om overal ter wereld fabrieken neer te zetten die CO2 uit de lucht moeten halen dan om gewoon een eind te maken aan de subsidiëring van fossiele brandstof.

    Dat zijn de conflicterende waarheden die we met elkaar moeten verzoenen: dat een leefbare wereld onverenigbaar is met het gebruik van fossiele brandstof, en dat we de wereld waarin wij leven aan fossiele brandstof te danken hebben.

    Het is een hele klus om onze economie te laten afkicken van fossiele energie, maar het is nodig. Het wordt moeilijk, maar niet zo moeilijk als het wordt om het hele scala aan rampen te overleven dat ons te wachten staat als we het niet doen. Dat is wat mij betreft de grote kracht van de manier waarop Wallace-Wells zijn verhaal brengt. We moeten zorgen dat we straks niet om de teloorgang van ons leefbaar klimaat rouwen, maar om het verlies van een eeuw lang argeloos autorijden en onbekommerd ontbossen, van de jaren van onbeperkt vlees eten en goedkoop vliegen en de gigantisch economische groei die daardoor mogelijk werd.

    Hervorming van de fossiele economie zal een groot offer vergen, maar dat zinkt in het niet bij de offers die het alternatief met zich meebrengt. Het zal op allerlei hindernissen stuiten: de moeizaamheid van collectieve actie, wetenschappelijke onzekerheid, technologische uitdagingen, politieke mobilisatie en tal van andere problemen. Maar als je het niet doet, word je stapelgek.

    Rachel Riederer is redacteur van The New Yorker en schrijft voornamelijk over klimaatverandering, milieu en natuur.

  • ‘Toeristen zijn als roofkevers die alle mooie plekjes aanvreten.’ Is er een oplossing voor overtoerisme?

    ‘Toeristen zijn als roofkevers die alle mooie plekjes aanvreten.’ Is er een oplossing voor overtoerisme?

    Voor het eerst ziet de reisindustrie zich geconfronteerd met een groep waarvoor ze tot nog toe geen aandacht heeft gehad: de oorspronkelijke bewoners, die meer dan ooit klagen dat ze hun stad niet meer terug kennen. Eindelijk worden er maatregelen genomen om de aantallen toeristen in te perken.

    Keuze uit het archief

    Hoewel de klimaatverandering de nodige invloed zal hebben op het toerisme, dat zich bijvoorbeeld steeds vaker naar het Verenigd Koninkrijk en de Scandinavische landen zal verplaatsen, zullen de meesten zich er niet van laten weerhouden te reizen. De velen die afhankelijk zijn van de toeristenindustrie zijn daar blij mee, maar voor de meeste anders ‘locals’ geldt dit niet, zoals te lezen is in dit stuk uit 2018.

    Het duurt niet lang of de mevrouw van de hotelreceptie haalt de stadsplattegrond van Porto tevoorschijn. ‘Kijk,’ zegt ze, ‘dit is de binnenstad met de Douro, daar is de haven en hier … (nu klinkt er trots door in haar stem)… de mooiste boekhandel ter wereld: Livraria Lello!’

    Dat klinkt fantastisch en het ziet er op de foto’s ook fantastisch uit. Een pand van twee verdiepingen in neogotische stijl. Veel donker hout, veel oude boeken, ornamenten en gekleurd glas, en een monumentale trap in het midden. De boekhandel, geopend in 1906, is een kathedraal vol boeken, 
een droom voor leergierigen uit de hele wereld. Een plek met een magische aantrekkingskracht. Op reis wil je toch op zoek naar schoonheid, die eerder in het verleden dan in het heden te vinden is. Misschien wil je zelfs ook een boek kopen, vakantielectuur voor ’s avonds aan de Atlantische Oceaan. J.K. Rowling zou vaak in de Livraria zijn geweest toen ze begin jaren negentig in Porto woonde, waar ze Engels doceerde en ook Harry Potter bedacht.

    Porto is geen grote stad, telt maar iets meer dan 200.000 inwoners en de binnenstad is compact. Het eerste dat er van Livraria Lello te zien is, zijn de lange rijen mensen voor de deur. Jonge Japanse meisjes, Scandinavische backpackers, gezinnen uit Frankrijk, stelletjes uit China, Amerikanen en ook Duitsers. Uiteraard.

    Roofkever

    Een imposante portier bewaakt de 
toegang. Alleen zij die in de winkel ernaast voor 5 euro een voucher hebben gekocht, met daarop een portret van Fernando Pessoa, de beroemdste Portugese dichter, mogen naar binnen. Ook voor die winkel staat 
een rij, tussen afzetbanden als bij de incheckbalie op een luchthaven. Het publiek schuifelt er langs rekken met souvenirs, ansichtkaarten en sleutelhangers, het gebruikelijke assortiment.

    De boekhandel zelf is in werkelijkheid al even mooi als op de foto’s. Ook al is het eigenlijk helemaal geen boekhandel meer. Nauwelijks iemand bladert en snuffelt er in de boeken, iedereen heeft de smartphone in de hand om foto’s te maken. Foto’s die er net zo 
uitzien als de meer dan zevenduizend plaatjes die al op TripAdvisor zijn gezet, de grootste toeristensite ter wereld, die de Livraria als een van de topbezienswaardigheden van de stad opvoert.

    Vier jaar geleden nog dreigde Livraria Lello failliet te gaan, zoals dat eigenlijk voor het hele land gold na de financiële crisis. De boekhandel werd toen al goed bezocht, maar boeken werden steeds minder verkocht. Iemand opperde op een dag om dan maar gewoon 5 euro entree te gaan heffen. Dat klonk idioot, maar inmiddels komen er gemiddeld vierduizend mensen per dag binnen, en in de zomermaanden zelfs vijfduizend. In 2017 bedroeg het totale aantal bezoekers van Livraria Lello 1,2 miljoen en beliep de omzet ruim 7 miljoen euro.

    Wie een boek wil kopen – want ook 
dat schijnt voor te komen – vindt hier de Portugese klassiekers in vertaling en natuurlijk ook Harry Potter. De 
voucher wordt op het aankoopbedrag in mindering gebracht. Livraria Lello zou model hebben gestaan voor Klieder & Vlek, de boekhandel waar Harry Potter zijn toverboeken koopt. Een museum, een decor, maar als plek met een magische aantrekkingskracht duidelijk ontsproten aan een rijke fantasie. En een symbool voor het moderne toerisme dat als een roofkever alle mooie plekjes aanvreet. Maar voor de inwoners van Porto staat de boekhandel symbool voor de opleving van een land dat een paar jaar geleden nog tot de crisisgebieden van Europa behoorde.

    Wanneer zou er eigenlijk voor 
het laatst een inwoner van Porto in de Livraria zijn geweest? En moest die ook in de rij staan en 5 euro betalen?

    Dat herstel heeft Portugal mede te danken aan het toerisme, dat met dubbele cijfers groeit, ook in het vroegere arme noorden rond Porto. Ryanair en EasyJet vliegen al jaren op de stad, die allang is uitgegroeid tot nieuwe hotspot van het stedentoerisme. Afgelopen jaar kwamen er ongeveer 2,5 miljoen buitenlandse toeristen naar 
deze streek, van wie een op de twee 
een bezoek bracht aan Livraria Lello. 
Porto is nog niet zo ver als Barcelona 
of Amsterdam, steden waarvan de bewoners zich inmiddels teweerstellen tegen de toeristen die de stad overnemen, maar er is allang een Porto van 
de toeristen en een Porto van de bewoners. Wanneer zou er eigenlijk voor 
het laatst een inwoner van Porto in de Livraria zijn geweest? En moest die ook in de rij staan en 5 euro betalen?

    Er zijn tijden geweest dat de reusachtige toeristenhotels nabij de stranden van Benidorm, El Arenal op Mallorca en aan de Adriatische kust in Italië symbool stonden voor de lelijkheid van het moderne massatoerisme. Achteraf beschouwd waren dat rustige tijden. Benidorm en El Arenal zijn steden ‘uit de reageerbuis’, gebouwd zodat Europa in de zomermaanden aan het strand kon liggen. Kunstmatige reservaten, niet mooi, maar doelmatig, toeristenfabrieken die men vroeg of laat ook weer had kunnen ontmantelen.

    Tegenwoordig zijn die reservaten niet meer toereikend. Handdoek aan handdoek verdringen zich de zonaanbidders op de stranden van Zuid-Europa. De kleine baaien van Mallorca zouden vanwege overbezetting eigenlijk 
gesloten moeten worden. Ook aan de Noord- en Oostzee, op Sylt, op Rügen, zijn hotels en pensions volgeboekt.

    Toch maken strandgangers nog 
maar nauwelijks de helft uit van het moderne toerisme in Europa – de andere helft wordt gevormd door cruisevaarders en stedentrippers. Al lange tijd wordt het beeld in de mooie, bijzondere steden van Europa meer door toeristen bepaald dan door de 
oorspronkelijke bewoners. Steden 
veranderen in musea en amusementsparken, ontwikkelen speciale zones voor toeristen, waar de stedelingen niet wonen maar alleen werken. In de traditionele restaurants zitten toeristen, die geringschattend toekijken hoe andere toeristen wachten tot er iets gaat gebeuren. Staren is er de belangrijkste bezigheid en gezelligheid is 
ver te zoeken. Het is als een overval. 
Ze komen, ze blijven maar even en dan zijn ze weer weg – maar ze doen in tussentijd alsof de stad die ze bezoeken van hen is.

    © Nan Palmero
    © Nan Palmero

    Reizen is van luxe tot gemeengoed geworden, het snel stijgende aanbod van goedkope reizen via internet heeft nieuwe klantenlagen aangeboord voor de toeristische sector: wie een paar dagen in Palma, in Barcelona of op het strand wil doorbrengen, vindt met een paar muisklikken een geschikte vlucht en onderdak. En vaak nog voor een spotprijs ook.

    De infrastructuur ter plaatse kan de toestroom van reizigers echter niet meer aan, zowel op de bestemmingen als in het land van herkomst. Op de Duitse luchthavens ontstonden er 
deze warme zomer soms chaotische toestanden. Mensen verdrongen zich zenuwachtig voor de beeldschermen met vluchtinformatie. Het aantal uitgevallen vluchten was in het eerste halfjaar met 146 procent gestegen, het aantal vertraagde vluchten met 31 procent. In München en Frankfurt kwam in een tijdsbestek van enkele dagen het hele vliegverkeer tot stilstand, omdat nog niet gecontroleerde passagiers door een veiligheidssluis waren gelopen.

    Overbelaste infrastructuur, overvolle steden en stranden: de reisbranche lijkt aan het eigen succes ten onder 
te gaan. Naar schatting 670 miljoen mensen waren afgelopen jaar in Europa op pad. Alleen al in deze zomermaanden reisden er waarschijnlijk bijna 200 miljoen toeristen over het continent. Niet alleen Europeanen die elkaars landen verkennen, maar ook 
de winnaars van de globalisering en vertegenwoordigers van de nieuw ontstane middenklassen in Rusland, het Verre Oosten en de Arabische landen zorgen voor de groei van het mondiale toerisme.

    En voor groeiende problemen, want de sterke toename kent ook verliezers. En die komen steeds vaker in verzet, zoals onlangs de piloten van Ryanair, wier werkgever dankzij hun slechte arbeidsomstandigheden en lage lonen een prijsvechtersstrategie kan voeren.

    Verliezers, dat voelen zich vooral ook de inwoners van de steden en regio’s die de stroom van bezoekers nog maar nauwelijks aan kunnen. Mensen die uit hun woning worden verdrongen, omdat het voor de eigenaar veel lucratiever is om die ruimte per dag of per week aan toeristen te verhuren. Mensen die zich in overvolle vervoermiddelen moeten persen, omdat toeristen bezit hebben genomen van bussen en treinen. Mensen die zich niet meer thuis voelen in hun wijk, omdat ze in hun vertrouwde cafés en restaurants tot een minderheid behoren. Áls ze daar al een plekje kunnen vinden – en zich de stijgende prijzen nog kunnen veroorloven.

    Private winsten en maatschappelijke verliezen

    De toeristenindustrie ziet zich plotseling geconfronteerd met een groep waarvoor ze tot nog toe geen aandacht heeft gehad. Ze had steeds oog voor 
de gasten en was de gastgevers simpelweg vergeten. ‘Het toerisme is een fenomeen met veel private winsten en veel maatschappelijke verliezen,’ zegt Christian Laesser, hoogleraar toerisme aan de universiteit van het Zwitserse Sankt Gallen.

    De winsten komen vaak ten gunste 
van enkelen, de verhuurders en hoteleigenaren; slechts een gering deel 
gaat naar de vaak slechtbetaalde werknemers in de reissector. De grote rest wordt opgescheept met alleen het lawaai, de rommel, de hoge huren en het gevoel een vreemde in eigen land te zijn, een figurant in een soort Disney World voor toeristen.

    Dat gevoel is op veel plekken omgeslagen in openlijke vijandigheid: ‘Tourists go home’, spuiten activisten in veel toeristenbolwerken op de muren, en 
op Mallorca hebben ze een ‘summer of action’ uitgeroepen, met protestacties op de luchthaven en in hotels. In Palma worden toeristen met paardenvijgen bekogeld, in Barcelona worden ze van hun fiets geduwd en in cafés lastiggevallen, in Venetië hebben zelfbenoemde piraten de toegang tot cruiseschepen geblokkeerd.

    De reisindustrie heeft inmiddels ingezien dat het eigen succes het fundament van het businessmodel steeds meer aan het uithollen is. ‘Overtoerisme’ is de leus die momenteel de 
congressen van de branche beheerst. Besproken wordt hoe de toeristenstromen zodanig kunnen worden gespreid dat ze niet meer als een bedreiging worden ervaren.

    Maar hoe doe je dat als tegelijkertijd het aantal toeristen blijft toenemen? 
In de opkomende landen in Azië treden jaar in jaar uit miljoenen mensen toe tot de nieuwe middenklasse. Zij kunnen het zich plotseling veroorloven om verre reizen te maken. En dat doen ze dan ook. Volgens schattingen van 
de branche zal het aantal toeristen 
tot 2030 wereldwijd toenemen met 500 miljoen, van wie de helft Chinezen. Velen van hen zullen ook Europa en de bezienswaardigheden daar bezoeken.

    Toerisme is op dit moment waarschijnlijk de belangrijkste bedrijfstak ter wereld, veel groter dan de olie-industrie en de automobielbranche. 
De omvang wordt geschat op circa 7000 miljard euro per jaar, 10 procent van het bruto mondiaal product. Bij 
dit enorme bedrag inbegrepen zijn behalve de directe omzetten ook die van aanverwante bedrijfstakken als het hotelwezen, het transportwezen met al zijn vliegtuigen, cruiseschepen en touringcars, en de souvenir- en de reisbureaubranche.

    ‘Massatoerisme is een fenomeen van onze postmaterialistische maatschappij. Bezit is niet meer het belangrijkst, we willen worden vermaakt’

    In vakantieland Spanje draagt de reisindustrie zelfs 14,9 procent bij aan het bruto binnenlands product. In veel landen is het aantal bezoekers groter dan het aantal inwoners, zoals in Griekenland, Portugal, Spanje, Frankrijk 
en Tsjechië. Dat creëert banen en een bescheiden welvaart, maar maakt ook afhankelijk – en dat is gevaarlijk zodra reizigers wegblijven, zoals de afgelopen jaren het geval was in Turkije en Egypte. Beide landen zien evenwel geleidelijk aan een terugkeer van de toeristen, omdat dat grotendeels vergeetachtige wezens zijn die gevaren als terreuraanslagen verdringen en schendingen van mensenrechten negeren – als het weer maar goed is 
en de prijs laag.

    Goedkoop moet het zijn en goedkoop is reizen geworden, vooral dankzij de digitalisering. Reisportals als Expedia, Trivago en Booking.com hebben de gevestigde reisbureaus gemarginaliseerd en bedreigen ook concerns als TUI en Thomas Cook, die tot nog toe de markt beheersten. Doorlopend bieden ze vluchten en overnachtingen tegen bodemprijzen.

    Anders dan de vakantieaanbieders uit het catalogustijdperk runnen de digitale concurrenten geen eigen hotels 
en hebben ze geen vliegtuigen, cruiseschepen en reisbureaus, maar verdienen ze alleen aan de bemiddeling bij diensten van anderen. Ze kunnen via hun platforms prijzen nagenoeg ‘realtime’ bijsturen en optimaliseren doorlopend hun algoritmen om winst te genereren. Doelgericht verzamelen ze gegevens over de voorkeuren van klanten, en inmiddels krijgen ze het zelfs voor elkaar om op het optimale moment op maat gesneden aanbiedingen te sturen.

    Reizen is dankzij de goedkope vliegtickets een soort allemansrecht geworden, zoals goedkope T-shirts en winkelen bij een discounter. Een weekendje Berlijn of Barcelona was opeens een alternatief voor een uitstapje in eigen land, met dramatische gevolgen voor de verschillende bestemmingen. 
Barcelona heeft zich bijvoorbeeld ontwikkeld van geheimtip tot massabestemming; het marktaandeel van de prijsvechters is daar bijna 70 procent. Op de luchthaven Berlijn-Schönefeld zijn die goed voor bijna 90 procent van de vliegbewegingen. Alleen al in de voorbije tien jaar is het aantal vertrekkende passagiers daar verdubbeld, van circa 6 naar bijna 13 miljoen.

    De Duitse hoofdstad is een favoriete bestemming in Europa geworden en moet alleen nog Londen en Parijs voor laten gaan in populariteit. ’s Avonds en in het weekeinde trekken honderden op feest beluste jongeren uit heel Europa door het stadsdeel Mitte. Ze laten meestal niet veel geld achter in de stad, maar wel een hoop afval en lege bierflessen.

    Jarenlang zag het ernaar uit dat het traditionele overstap- en het prijsvechtersverkeer onverminderd naast elkaar verder konden groeien. Maar deze zomer loopt dit model voor het eerst tegen grenzen aan. Geannuleerde vluchten, vertragingen en omboekingen zijn aan de orde van de dag. Volgens berekeningen van de wereldluchtvaartorganisatie IATA zijn de vertragingen in het luchtverkeer boven Europa alleen al in het eerste halfjaar van 2018 toegenomen met 133 procent. Sommige luchthavens, zoals Frankfurt, Düsseldorf en Berlijn, verzoeken de reizigers inmiddels dringend om drie uur voor vertrek op de luchthaven aanwezig te zijn om de mensenmassa te kunnen verwerken.

    Dat reizen een bezigheid vol stress is geworden, ergert de toeristen, maar het schrikt ze niet af. Paolo Giuntarelli, socioloog, weet ook waarom: ‘Massatoerisme is een fenomeen van onze postmaterialistische maatschappij. Bezit is niet meer het belangrijkst, we willen worden vermaakt.’ Giuntarelli 
is manager van het verkeersbureau van de Italiaanse regio Lazio. Zijn kantoor bevindt zich in Rome. Hij houdt daar tamelijk eenzaam de wacht, want veel Romeinen zijn deze weken naar het platteland getrokken omdat het hun in de stad te warm werd.

    Maar de bezoekers van Rome laten zich niet afschrikken door de temperatuur.

    Venetianen verzamelen zich op bootjes bij de Rialtobrug als protest tegen het groeiende aantal cruiseschepen in de stad. – © Getty
    Venetianen verzamelen zich op bootjes bij de Rialtobrug als protest tegen het groeiende aantal cruiseschepen in de stad. – © Getty

    Er zijn weken dat Rome compleet onder de voet wordt gelopen. Zoals eind juli, toen 60.000 misdienaars 
uit heel Europa de stad binnentrokken, van wie 50.000 uit Duitsland. Het motto van hun pelgrimsreis was: ‘Zoek de vrede en jaag haar na!’ Maar wat ze vooral najoegen, waren de bezienswaardigheden.

    Op dinsdagavond waren de altaarjongens bij de paus. Toen tegen achten de audiëntie ten einde liep, was het Sint-Pietersplein bezaaid met plastic flesjes, A4-tjes met liedteksten, lege Haribozakjes en bananenschillen. Hetzelfde gold voor het aangrenzende Piazza Papa Pio XII. De vuilniszakken in de houders langs de straat puilden allang uit, of waren gescheurd. Ook vrome mensen produceren afval.

    Rome: dat zijn lange avonden op de piazza’s, met pasta, rode wijn en vrolijke liedjes. Later op de avond moeten de toeristen het inmiddels doen zonder wijn en bier, want sinds 2017 mag er 
in Rome na tienen buiten geen alcohol meer worden gedronken. Het verbod, uitgevaardigd door burgemeester 
Virginia Raggi, is van juli tot oktober van kracht.

    In 2017 schuifelden 14,7 miljoen bezoekers door de straatjes van Rome, oftewel een op de vier bezoekers van Italië. Wie in de stad overnacht, blijft gemiddeld tweeënhalve dag, en dat is vergelijkbaar met andere Europese metropolen.

    Lazio

    In Frascati, Tivoli of andere steden in de regio Lazio raken de bezoekers maar zelden verzeild. Giuntarelli zou de toeristenstroom graag willen laten afbuigen, de regio in, naar een van de kleinere plaatsen. Daar zouden ze kennis kunnen maken met de Italiaanse manier van leven, ‘goed eten, goede wijn’. Of het Franciscuspad kunnen lopen dat door Lazio voert.

    In krantenadvertenties en radiospots prijst Giuntarelli Lazio aan, op vakantiebeurzen deelt hij folders uit. Een daarvan presenteert Lazio als trouwlocatie, een andere maakt reclame voor de warmwaterbaden van de regio. Ook als golfbestemming wil Giuntarelli de regio groot maken – ‘we werken eraan’.

    Omdat Lazio niet alleen staat met zijn problemen, heeft de regio zich aangesloten bij NecsTour, een netwerk van 
37 Europese regio’s die zich verplichten tot duurzaam toerisme, een vorm van reizen die vakantiegangers en economie gelukkig maakt zonder schadelijk te zijn voor het milieu. Dus ongeveer het tegenovergestelde van cruises. 
‘Dat is niet het toerisme dat we willen stimuleren,’ zegt Giuntarelli.

    De reusachtige schepen stoten massaal smerigheid uit en leveren de regionale handel en horeca nauwelijks iets op. 
De passagiers zijn maar een paar uurtjes in de stad, overnachten aan boord en nemen bij het passagieren vaak zelf proviand mee. Ze laten nauwelijks geld achter, maar wel veel afval. ‘Cruisetoerisme is alleen goed voor de aanbieders van cruises,’ zegt Giuntarelli met een laatdunkend glimlachje.

    In het Kroatische Dubrovnik geven cruisepassagiers gemiddeld slechts 24 euro per dag uit, andere gasten daarentegen ongeveer 160 euro. De stad heeft bijzonder te lijden onder 
de toestroom van toeristen. Sinds de schilderachtige binnenstad het decor was van de serie Game of Thrones, zijn 
de bezoekersaantallen exponentieel gestegen. Maar daarvan komen er 
jaarlijks 800.000 met de boot.

    Het aantal bezoekers van Dubrovnik moet worden teruggedrongen naar achtduizend per dag

    Dubrovnik heeft 42.000 inwoners, die het liefst thuisblijven als de cruiseschepen binnenvaren. Niet alleen de inwoners hebben te lijden, maar ook het middeleeuwse centrum van de stad, en daarom moet het aantal bezoekers worden teruggedrongen naar achtduizend per dag. Anders, zo heeft Unesco gedreigd, raakt de stad zijn status als cultureel werelderfgoed kwijt.

    ‘Er is een herbezinning gaande – weg van het eenzijdige groeidenken dat het toerismebeleid in de meeste steden tot nog toe heeft gekenmerkt,’ zegt planoloog Johannes Novy, die op dit moment aan de Universiteit van Westminster in Londen onderzoek doet naar stadsontwikkeling en toerisme. ‘Te lang ging het alleen maar om de vraag: hoe krijgen we meer toeristen in de stad? Andere doelen werden niet besproken, en ook niet hoe je negatieve gevolgen zou kunnen tegengaan.’ Niet altijd is het toerisme als zodanig overigens het probleem, zegt Novy, soms zijn het bepaalde verschijningsvormen ervan, ‘zoals het in veel steden om zich heen grijpende partytoerisme, of de lange tijd ongebreidelde stijging van het aanbod van vakantiewoningen’.

    Steeds vaker doen de verantwoordelijken hun best om de ‘groeipijnen’ van het toenemende aantal reizigers te bestrijden: ze willen de stroom van toeristen laten afbuigen, zoals in Rome, of zelfs aan banden leggen, zoals in Dubrovnik. Barcelona geeft geen toestemming meer voor nieuwe hotels, Parijs heeft Airbnb en andere woningbemiddelaars sterk gereguleerd, Palma de Mallorca heeft de 
verhuur van vakantiewoningen via 
dat platform zelfs helemaal verboden. Maar er is geen stad die zo rigoureus optreedt tegen het overtoerisme als Amsterdam.

    En toch zijn ze er nog, de plaatsen en regio’s waar toeristen welkom zijn die elders niet meer zo graag gezien zijn en waar niemand zich opwindt over langdurige party’s en zuiprituelen. Daniel Stefanov staat op een podium, ingeklemd tussen de weg en het strand, en kijkt hoe de menigte in 
het schuim verdwijnt. Er staan twee sneeuwkanonnen op de dansvloer van Megapark Dolphin, een reusachtig 
partycomplex dat Stefanov samen 
met zakenpartners is begonnen in het Bulgaarse Zlatni Pjasatsi (Goudstrand), een vakantieoord aan de Zwarte Zee. Uit het ene kanon daalt het schuim 
als vlokken taartdeeg op de feestende vakantiegangers neer, uit het andere regent het fijne wolkjes zeepsop. De menigte juicht en staat tot kniehoogte in het schuim. Daniel Stefanov is weer een stuk dichter bij zijn doel gekomen om van Goudstrand een vaste bestemming van Duitse feesttoeristen te maken, als alternatief voor El Arenal 
en Playa de Palma.

    Zon, strand en zuipen

    Vijftien jaar geleden openden Stefanov en zijn 44-jarige partner Sava Daritkov in Zlatni Pjasatsi de openluchtdiscotheek Megapark Dolphin, een zwemparadijs met aangrenzende dansvloer. Acht jaar geleden kwam daar de Partystadl bij, waar schlagers worden gedraaid en een halve liter bier omgerekend 2 euro kost.

    Stefanov en Daritkov hebben veel geïnvesteerd in hun droom. Ze importeerden witbier uit Duitsland, huurden zangers in die anders in de Bierkönig en de Oberbayern op Mallorca optraden en gingen schuimparty’s organiseren. Sindsdien krijg je hier op dinsdag en zaterdag voor 20 euro entree een uur lang cocktails naar keuze en schuim uit het kanon.

    De eigenaren draaien het beste seizoen ooit. Allereerst kwamen aan het begin van de zomer de eindexamenkandidaten uit Duitsland, vervolgens de voetbalverenigingen en kegelclubs, en daarna de vrouwen, maar vooral mannen van begin tot midden twintig, die naar eigen zeggen voor vakantiegeluk maar drie dingen nodig hebben: ‘zon, strand en zuipen’. Het seizoen zou weleens tot eind september kunnen doorgaan, denkt Daritkov. En er is nog iets wat hij per se kwijt wil: ‘Wij zijn blij met onze gasten.’

    Het is een zinnetje dat een nieuwe betekenis heeft gekregen sinds de 
‘Ballermann’ [strandbar Balneario 6 
op Mallorca] niet meer zo goed uit de voeten kan met de feestende massa’s. Mallorca wil geen feesteiland meer zijn en heeft de nachtelijke zuippartijen en seks op het strand verboden. Goudstrand, zo luidt de boodschap, is niet alleen de goedkopere, maar ook de ‘betere Ballermann’.

    Niklas, Marvin en Marcel staan aan 
de bar in Megapark Dolphin met in 
de hand een glas vodka peach en een felgroen shirt aan met het motto van hun trip van vorig jaar: ‘Malle 2017. Einer für alle. Alle für Malle’. Daar [Mallorca] zijn ze met zo’n tien vrienden geweest. De nieuwe verordeningen op het eiland zijn een van de redenen dat ze deze zomer naar Bulgarije zijn gegaan, zegt de 24-jarige vrachtwagenmonteur Niklas. In El Arenal hebben ze gezien hoe de Spaanse politie met drie auto’s kwam aanscheuren toen er ondanks het verbod een emmer sangria op het strand verzeild was geraakt. Dat vonden ze wel een beetje overdreven.

    Op Goudstrand is dat anders. Omwonenden zouden hun beklag kunnen doen over de drukte. Maar omwonenden zijn er hier niet.

    Dit dossier werd samengesteld door Der Spiegel -redacteuren Dinah Deckstein, Lothar Gorris, Sebastian Hammelehle, Nils Klawitter, Alexander Kühn, Armin Mahler, Martin U. Müller, Ann-Kathrin Nezik, Raniah Salloum en Robin Wille.


  • Waarom persen we niet alle continenten op elkaar?

    Waarom persen we niet alle continenten op elkaar?

    De Amerikaanse filosoof en conceptueel kunstenaar Jonathon Keats (1971) bedacht een radicaal plan om de klimaatonderhandelingen uit het slop te trekken. Een nieuw supercontinent, Pangea Optima, moet landen en partijen letterlijk dichter bij elkaar brengen.

    Keuze uit ons archief

    Deze week was er een belangrijke doorbraak in Glasgow: China en Amerika liggen eindelijk op één lijn over hun klimaatbeleid. Dat die samenwerking wereldwijd hard nodig is, hield filosoof Jonathan Keats al lange tijd bezig. Hij bedacht een naar eigen zeggen ‘naïef’ plan om eenheid in de hand te werken.

    De eerste keer dat ik hoorde van Jonathon Keats’ nieuwe project, omschreven als ‘een poging om de klimaatverandering een halt toe te roepen door een supercontinent te creëren’, kwam het me voor als tamelijk vergezocht – en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Toen Keats, de zelfbenoemde directeur van het Political Tectonis Lab, zijn idee toelichtte – een idee waar magnetrons en kernreactoren aan te pas komen, en een opeengeperste landmassa die luistert naar de naam Pangea Optima – wist ik het zeker: volslagen waanzin. Op het gebied van geo-engineering heb ik de meest onwaarschijnlijke ideeën gehoord – van een ‘bemestingsexperiment’ waarbij 100 ton ijzersulfaat in de Stille Oceaan wordt gedumpt (dat is daadwerkelijk gedaan) tot het idee om zonlicht weerkaatsende deeltjes de dampkring in te schieten (dat is nog niet gedaan). Maar dit slaat echt alles.

    Laatste strohalm

    En dat is nou precies waar het om gaat.

    Toen ik Keats, een experimenteel filosoof en conceptueel kunstenaar, vroeg wat het slechtst denkbare scenario zou zijn voor Pangea Optima, zei hij: ‘Het slechtst denkbare scenario zou zijn dat we ons daadwerkelijk genoodzaakt zouden zien ertoe over te gaan.’ Met andere woorden, het is een soort laatste-strohalmoplossing voor de klimaatverandering, die duidelijk maakt dat we de boel echt goed in het honderd hebben laten lopen – en dat keer op keer.

    Als ik met Keats over zijn project praat, kom ik tot de conclusie dat het is gebaseerd op prachtige ideeën over hoe de wereld in elkaar zou móéten zitten – en een nogal cynische kijk op hoe de wereld echt in elkaar zit.

    Alsof we niet met zijn allen op één planeet leven

    Pangea Optima is dus gebaseerd op het idee van Pangea Ultima, de landmassa die volgens de voorspellingen in de komende tweehonderdvijftig miljoen jaar gevormd zal worden als gevolg van natuurlijke tektonische processen. Hoe zou het ontstaan van Pangea Optima versneld kunnen worden?

    Door een combinatie van kerncentrales en magnetrons is het mogelijk om op bepaalde plekken op aarde de temperatuur te verhogen. Waar het op neerkomt is dat je ingrijpt in de platentektoniek door invloed uit te oefenen op de thermodynamiek die ten grondslag ligt aan de bewegingen van de tektonische platen. Tektonische platen bewegen zeer langzaam. Die snelheid kan wel degelijk beïnvloed worden door gebruik te maken van krachten (bij gebrek aan een betere formulering) die momenteel ín de aarde werkzaam zijn – en die te sturen. Ik denk dat we de tijd [van het tektonische proces] met dik vijftig miljoen jaar kunnen bekorten. Dan hebben we het nog altijd over tweehonderd miljoen jaar, maar het is niet niks om er zo’n vijftig miljoen af te halen.

    Maar als de klimaatverandering zich in het voorspelde tempo voltrekt, als alle landen doen alsof er niets aan de hand is en op de huidige voet doorgaan, zijn er over tweehonderd miljoen jaar helemaal geen mensen meer.

    Ja, en misschien zelfs al over tweehonderd jaar – of tweeduizend, of twintigduizend, het kan allemaal. Maar je hoeft niet als einddoel te hebben dat je je óp het supercontinent bevindt om het supercontinent te gebruiken als model om na te denken over je eigen positie ten opzichte van anderen. Op dit moment is er nauwelijks sprake van enig momentum waar het over klimaatactie gaat. Er liggen veel verschillende plannen, er zijn veel ideeën – en op sommige vlakken liggen die allemaal in elkaars verlengde, maar op andere vlakken botsen ze. Je zou het kunnen zien als een metafoor voor de continenten die allemaal hun eigen koers volgen en niet op een gestructureerde manier aankoersen op de vorming van een optimaal supercontinent. Het hele idee om de kant op te willen van een supercontinent, en van dat momentum, correspondeert in zekere zin met dat ontbrekende momentum. Alleen al het proces, de pogingen om iets van consensus te bereiken over de vraag wat dat supercontinent zou kunnen zijn, leidt tot een vorm van discussie over overeenkomsten en gedeelde belangen die volgens mij zeer inspirerend en productief kan zijn waar het gaat om de veel eenvoudiger manieren waarop we iets kunnen doen tegen de klimaatverandering.

    U beschrijft hoe, bij de vorming van Pangea Optima, de Verenigde Staten in geologisch opzicht – en in het ideale geval ook in politiek opzicht – op één lijn zullen komen met China en Rusland.

    Ja, het dichten van de Stille Zuidzee is in tektonische termen niet al te ingewikkeld. Hij is eerder dicht geweest. Ik heb geprobeerd over het supercontinent na te denken in termen van geopolitiek, in termen van tektoniek en ook in termen van milieu. Pangea was nou niet bepaald een prettige plek om te vertoeven voor wie niet het geluk had over een huis aan zee te beschikken, aangezien het grootste deel van dat supercontinent werd geteisterd door extreme droogte. Het denken over deze versie van Pangea draait dan ook deels om de vraag hoe je intern grote wateroppervlakken kunt verplaatsen teneinde die droogte tegen te gaan.

    Speelt de kwestie van socio-economische gelijkheid een rol bij het herpositioneren van de continenten, en zo ja, welke?
    O, zeker. Een van de factoren die een grote rol spelen bij het denken over welke vorm van klimaatactie ook is de positie van de zogeheten derdewereldlanden. Ze hebben nooit de beschikking gehad over kolen als brandstof, zoals de zogeheten eerstewereldlanden, en het is dan ook oneerlijk om die landen nu te straffen, of om van die landen even grote offers te vragen teneinde de klimaatverandering een halt toe te roepen. Dit is duidelijk een van de belangrijkste knelpunten binnen het klimaatdebat op dit moment – wat maar weer eens aantoont hoe ongelooflijk complex dit hele vraagstuk is in geopolitieke zin.

    Om te beginnen lijkt er sprake te zijn van een soort hemisferische kwestie die geregeld opspeelt, het noordelijke versus het zuidelijke halfrond. In geografische zin is er sprake van patronen van kolonisatie, die in de loop van de geschiedenis een gunstige dan wel een ongunstige uitwerking hebben gehad. Door continenten te verplaatsen op een manier die het vanzelfsprekende van dergelijke veronderstellingen ondermijnt, en die ook iets van het traditionele, longitudinale wij-zijdenken doorbreekt, lijkt het of we de problemen het hoofd zouden kunnen bieden die zich aandienen bij het continent Pangea Optima.

    Afrika en de oostkust van de Verenigde Staten zouden hetzelfde territorium kunnen delen

    We zouden – zelfs als we afzien van Pangea Optima – kunnen gaan nadenken over de mogelijkheid dat Afrika en de oostkust van de Verenigde Staten hetzelfde territorium zouden delen. Volgens mij zetten alleen al dergelijke verschuivingen op de kaart een verschuiving in gang in het denken, een verschuiving in de richting van erkenning van verschillen… Verschillen die we als vanzelfsprekend zijn gaan zien, maar die er in de toekomst niet per se meer hoeven te zijn, of die we niet langer als verschillen hoeven te zien.

    Maar Pangea Optima is míjn visioen – het is zeker niet zo dat iedereen dat visioen nu moet nastreven. Het kan domweg als uitgangspunt dienen. En wat van essentieel belang is, nog veel belangrijker dan de kaarten en de technologie, is het zogeheten supercontinentale-toekomst-bouwpakket. Dat pakket bevat onder meer een opblaaswereldbol en een Sharpie-stift en een doosje dat aan de Verenigde Naties kan worden gestuurd. Zo stellen we de mensen in staat hun eigen supercontinent te ontwerpen en te bedenken hoe ze de vorming van dat supercontinent voor zich zien. Door op die manier gebruik te maken van crowdsourcing, door te zoeken naar consensus, proberen we af te tasten hoe dat supercontinent er idealiter uit zou zien.

    pangea ultima

    Hoe bent u hier allemaal toe gekomen?

    We leven in een tijd waarin we geo-engineering steeds meer zien als een manier om de klimaatverandering een halt toe te roepen. Het uitgangspunt is dat de technologie verantwoordelijk is voor de problemen waarin we ons bevinden, en dat de technologie misschien ook wel krachtig genoeg zou kunnen zijn om die problemen weer het hoofd te bieden. Misschien klopt dat ook wel, al heb ik zo mijn twijfels. Ik denk wel dat het een discussie is die gevoerd moet worden.

    Het leek mij interessant om na te denken over de vraag of je geo-engineering op grote schaal zou kunnen inzetten, maar dan zonder technologisch oogmerk – eerder met de bedoeling bepaalde politieke doelen te bereiken. Dat wil zeggen: je niet in eerste instantie richten op het probleem dat ‘de aarde steeds verder opwarmt’, maar je richten op het onderliggende probleem, namelijk de manier waarop we met de aarde omgaan. Hoe de mens zijn eigen positie ziet in relatie tot de aarde. Het is alsof we de afstanden tussen ons als bepalend element beschouwen en niet het idee hebben dat we met zijn allen op één planeet leven. Het is bijna een conflictmodel, of in ieder geval een manier van denken waarin we onszelf afzetten tegen anderen, en dat lijkt niet echt bevorderlijk voor de vormen van grootschalige samenwerking die vereist zijn om de klimaatverandering het hoofd te bieden. De onderliggende gedachte van Pangea Optima is dan ook dat je het perspectief radicaal kunt verschuiven door – letterlijk – de plek te verschuiven waar je je bevindt – en waar je je bevindt ten opzichte van alle anderen.

    Het is, in wezen, een naïeve gedachte.

    Auteur: Eve Andrews
    Vertaler:

    Grist
    VS | grist.org

    Richt zich met serieuze achtergrondartikelen op 
de actualiteit rondom het milieu. Heeft ook een brutale en humoristische kant.