Onderwerpen: Literatuur

  • Bruisende, dystopische roman van DBC Pierre

    Bruisende, dystopische roman van DBC Pierre

    Het nieuwste boek van de Australische schrijver DBC Pierce is een satirische aanklacht tegen algoritmes. ‘In alle opzichten origineel.’

    Wie het nieuws en social media volgt, ontkomt niet aan algoritmes die steeds nadrukkelijker het leven bepalen. Die vicieuze cirkel is volgens Colin Steele van The Canberra Times het centrale thema in Meanwhile in Dopamine City, het nieuwste boek van de Australische schrijver DBC Pierre. Steele spreekt van een ‘bruisende, dystopische roman, vol satirisch commentaar; in alle opzichten origineel’.

    De roman van de winnaar van de Man Booker Prize met <i>Vernon God Little</i>, gaat over weduwnaar Lon Cush, een zelfbenoemd digibeet. Hij verliest zijn baan en moet alles in het werk stellen om met zijn twee kinderen overeind te blijven. Dat wordt nog erger wanneer er een smartphone in huis komt. 

    Op de rechterpagina verschijnen voortdurend teksten: nieuwsalerts, push-upberichten en allerlei uitingen van een groeiend aantal personages

    De invloed van de virtuele, onlinewerkelijkheid op ons dagelijks leven is vaker beschreven, stelt Claire Allfree in The Daily Mail. ‘Maar Pierre komt wel heel dichtbij.’ Vooral omdat die binaire wereld zich halverwege ook opdringt in het boek. Letterlijk: op de rechterpagina verschijnen voortdurend teksten: nieuwsalerts, push-upberichten en allerlei uitingen van een groeiend aantal personages.

    Volgens Allfree komt deze vorm neer op een ‘aanval op de concentratieboog van de lezer’. En als Pierre op deze manier voorkomt dat we ‘ons kritisch afvragen wat er in het huidige tijdsgewricht eigenlijk aan de hand is, heeft hij zijn punt gemaakt’. Voor het Ierse magazine Totally Dublin valt het boek in de categorie ‘hysterisch realisme’ en ‘onderschat Pierre de vitaliteit van het leven’.  

    Ondertussen in Dopamine City verscheen bij uitgeverij Podium

    Door Diederik Samwel

  • ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    ‘We kunnen ons alleen vastklampen aan hoop.’ Een nachtelijke oversteek van Turkije naar Griekenland

    Dit is het waargebeurde verhaal van een Koerdische vrouw die, hoogzwanger, samen met haar man en twee kinderen van Turkije naar Griekenland vlucht. De auteur maakte deel uit van dezelfde groep vluchtelingen en tekende haar verhaal op. Deel 1 van een tweeluik.

    Keuze uit ons archief

    Sinds de aardbeving in Turkije en Syrië stromen er steeds meer verhalen binnen van Syrische vluchtelingen in buurland Turkije die eerst hun huis in eigen land vernietigd zagen worden door de bommen van Assad en nu in hun nieuwe thuisland worden overvallen door natuurgeweld. Ongetwijfeld zullen veel Syrische ontheemden in beide getroffen landen nog meer reden zien om hun heil te zoeken in West-Europa – en geef ze eens ongelijk. Dit aangrijpende verhaal uit de Turkse krant Birgün

    Weeën… Hevige weeën. En dat terwijl alles net begonnen is, het maakt me bang, maar ik moet volhouden, er zit niks anders op. Toen ik aan de reis begon was ik er eigenlijk beter aan toe. Waarom moet het nu beginnen? Komt het door het heen en weer geschud tijdens de ‘reis’ in de laadruimte van de vrachtwagen? Of is het de angst, de onrust, de spanning niet te weten wat het onbekende brengt? Hoe komen we over die rivier… Mijn kinderen… Hoe moeten die deze tocht doorstaan, blijft mijn baby in leven?

    Voordat ik aan deze onzekere tocht begon, had de dokter gezegd dat ik binnen een week zou kunnen bevallen. Toch ben ik vertrokken, wij allemaal, ons hele gezin. Wat als het kind onderweg ter wereld komt, of als het de reden is dat we worden teruggestuurd? We hebben verhalen genoeg gehoord van mensen die keer op keer de overkant wisten te bereiken en vervolgens werden teruggestuurd, met geweld. Geen idee wat ons te wachten staat. Het enige waar we ons aan vast kunnen klampen is onze hoop, het enige wat we weten is dat we niet terug willen naar waar we vandaan zijn gekomen. Daarom hebben we alle hoop die we in ons hadden aangesproken. Ons nog ongeboren kind. Misschien geeft onze baby aan de overkant houvast.

    705x470 1 1

    Hazne Alviyi

    Hazne Alviyi, 37, blijft bij haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de Syrische provincie Raqqa vanwege de zes jaar durende Syrische burgeroorlog. Turkije, dat een lange grens deelt met Syrië, herbergt nu ongeveer 3 miljoen Syrische vluchtelingen – meer dan enig ander land ter wereld. Sinds de Syrische burgeroorlog meer dan zes jaar geleden begon, heeft Turkije ongeveer $ 25 miljard uitgegeven om Syrische vluchtelingen te helpen en op te vangen. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Uit de reeks Mutual life: The Syrian refugee crisis

    Mijn man, mijn twee kleine kinderen, Mizgin en Azad, en mijn nog ongeboren kind. Na een uren durende tocht in de laadruimte van een vrachtwagen, een reis kun je het nauwelijks noemen, komen we bij een grensdorp aan. De mensensmokkelaar die ons van Istanboel hierheen heeft gebracht, stapt uit, doet ons over aan een andere smokkelaar en vertrekt. Het is midden in de nacht, half november. We lopen een tijd door een akker. ‘Stop,’ zegt de smokkelaar, ‘hier blijven we wachten.’ Hij blijkt niet degene te zijn die ons meeneemt.

    We wachten in stilte. De weeën zijn hevig, ik kan nauwelijks ademhalen. Ik zak neer in het bedauwde gras, op de vochtige aarde. Een bedroefd, bezorgd, gespannen wachten in het holst van de nacht. Wat zoeken we hier?

    De auteur

    Vanwege haar kritiek op de oorlogspolitiek die meteen na de verkiezingen van 7 juni 2015 in Turkije oplaaide, ondertekende Umut Güneş (pseudodiem) de Petitie van Academici voor de Vrede. De petitie kwam in januari 2016 uit onder de titel ‘Wij willen geen deel van deze misdaad zijn’.

    Als ondertekenaar werd ze krachtens een decreet van februari 2017 ontslagen uit haar functie op de universiteit. Haar leven veranderde van de ene dag op de andere. Ze werd bedreigd, fysiek en verbaal belaagd, er werden rechtszaken tegen haar aangespannen, ze raakte haar baan kwijt, haar paspoort werd ingetrokken, er werd haar verhinderd nieuw werk te zoeken – net als de andere ondertekenaars kon ze haast geen van haar burgerrechten nog uitoefenen.

    Om een nieuw hoofdstuk te beginnen en haar laboratoriumonderzoek voort te kunnen zetten, stak ze illegaal de Maritsa over, de rivier tussen Turkije en Griekenland, en reisde naar het buitenland. Ze maakte de tocht met vluchtelingen uit verschillende landen. Wat ze meemaakte en om zich heen zag vormde de basis voor dit verhaal. Daarin beschrijft ze de gebeurtenissen door de ogen van een van haar medereizigers, een zwangere Koerdische vrouw. Ze wil haar een stem geven.

    Geen woord

    We wachten in stilte. Midden op een akker, twintig mensen die in dezelfde laadruimte van een vrachtwagen zijn vervoerd, als schapen naar de slachtbank.

    We wachten in stilte. Allerlei verschillende gezichten, verschillende talen, Kurmanci, Sorani, Arabisch, Afghaans. In de vrachtwagen klonken ze nog door elkaar, nu valt er geen woord.

    We wachten in stilte. Mijn man laat mijn hand geen moment los. Mijn hoofd kan ik nauwelijks overeind houden, het rust steeds tegen zijn borst. En dan mijn kinderen. Mijn dochter is acht, mijn zoon zeven. Maar eigenlijk zijn ze al ouder. Wanneer zijn ze zo volwassen geworden? Waarom was dit nodig? De nacht is donker, nat, koud. Nu zitten ze hier, mijn kinderen, in een land dat we niet kennen, tussen mensen die we niet kennen, in een novembernacht op een braakliggende akker bij een dorp aan de grens, doen hun best om wakker te blijven, wachten op het moment dat we op weg zullen gaan, in stilte. Wat heeft hen op deze leeftijd geleerd zo stil te zijn?

    Hoe lang we al wachten, geen idee. Uiteindelijk komt de andere smokkelaar. Hij lijkt nog een vrouw bij zich te hebben, maar zeker weet ik het niet, het is donker, de pijn zo hevig dat ik mijn ogen nauwelijks open krijg. Dan hoor ik haar stem, ze praat Turks met hem, ja, een vrouw uit Turkije.

    Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling

    In het pikkedonker worden we geteld, als vee. Een som om uit te rekenen met hoeveel stuks we zijn. Ik weet wel dat we nummers voor hen zijn, dat het niet om onze levens gaat. Stel dat een van ons achterblijft of verdrinkt, dan is dat simpelweg één stuk minder bij de telling. Alleen de cijfers tellen, een rekening voor het geld dat ze straks krijgen, ons bestaan zegt ze niks.

    We gaan verder. We zouden ongeveer een uur langs de Turkse grens lopen, was er gezegd, dan met een boot de rivier oversteken, daarna was het nog hoogstens drie, vier uur lopen tot de auto die ons naar Athene brengt. In de woorden van de smokkelaar had het heel eenvoudig geklonken. Een korte tocht zou het zijn, het had ons moed gegeven. Net als de wens te leven, die ons de moed gaf op weg te gaan. Zo eenvoudig als het allemaal was, zo menselijk was het ook.

    Dikke sokken en slippers

    Het moet een uur of drie in de nacht zijn. Naast ons een kanaal. Op de oever zijn bergen zand gestort. We lopen langs het water, over de zandhopen, tenminste, dat proberen we. Waarom? Geen idee. Misschien om niet te verdwalen. De regen heeft kuilen in de grond geslagen, de schrale wind de grond hard gemaakt. Hoe valt hier te lopen?

    De smokkelaar gaat voorop, naast hem de vrouw uit Turkije, pal achter hen de Afghanen. Ze worden gevolgd door de Irakezen en de Syriërs. Mijn twee kinderen lopen ieder aan de hand van een jonge Irakees. Jong zeg ik, maar zelf ben ik ook pas 28. Helemaal achteraan komen wij, mijn man en ik. Ik loop op dikke sokken en slippers. De weeën zijn zo hevig dat ik mijn voeten nauwelijks van de grond krijg, mijn man en ik sloffen voort. Proberen vooruit te komen. Niemand weet dat ik zwanger ben, ik weet, wij weten maar al te goed dat de smokkelaars ons anders nooit hadden meegenomen.

    stiekem geneert ze zich

    en tegelijkertijd is ze bang 

    dat ze dood zal gaan. 

    na deze winter zijn we met één ziel meer.

    lief kind, waar in mijn lijf verstop ik je?

    Ahmed Arif – Aantekeningen uit de burcht van Diyarbekir en wiegelied voor het babietje Adiloş

    Mijn man torst 26 kilo op zijn rug: een tas met onze eigen spullen en, zonder dat iemand het weet, die voor onze baby (reistas, deken, luiers, een speen). Zelf heb ik een tas diagonaal over mijn schouders, daar zit wat geld in. Ik heb mijn arm in die van mijn man gehaakt, maar in feite draagt hij mij: hij heeft zijn ene hand onder mijn arm doorgeschoven, heeft me bij mijn middel vast, probeert me zo op de been te houden. In zijn andere hand draagt hij een tweede tas, met wat eten en drinken.

    We ploeteren voort, over de bergen zand, het wordt steeds kouder. Ik loop met gebogen hoofd en toch zie ik niks, ik stap in modderpoelen. In het maanlicht lijken de glanzende plekken op de grond droog, de donkere plekken plassen, maar als ik merk dat het precies andersom is, is het al te laat. Mijn sokken zijn doorweekt.

    Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken

    Ik hoor de stem van de smokkelaar, hij is kwaad op de Irakezen omdat ze hardop praten. In de verte het licht van de militaire wachttorens. Plotseling glijdt een lange lichtstraal over het veld. Op bevel van de smokkelaar duiken we allemaal ineen, we zijn stil en doodsbang. Hebben ze ons gezien, of was het een routinecontrole? We weten het niet. We wachten een tijdje, komen dan overeind.

    De smokkelaar zegt dat de mannen de boten moeten oppompen. Kennelijk zijn we vlak bij de rivier. Twee grote rubberboten worden opgeblazen, iedere boot wordt door vier mannen gedragen, zo vervolgen we onze tocht. Wij lopen weer achteraan.

    705x470 2 1

    Hapse Guclu

    Hapse Guclu, 63, huisvest haar familieleden die zijn ontsnapt uit het Tell Abyad-district van de provincie Raqqa in Syrië. – © Ensar Ozdemir / Anadolu Agency / Getty Images

    Even later zien we dat verderop de hele groep zijn pas inhoudt. Als we bij hen komen, blijkt ons pad afgesneden door een lang kanaal met wanden van beton. De wanden lopen schuin af, steil naar beneden. Op de bodem staat water, niet veel, maar toch. Prachtig, zoals landen hun grenzen trekken. De twee smokkelaars staan te discussiëren. Nemen ze deze route dan voor het eerst, wisten ze niet van dit obstakel?

    Als duidelijk is dat we hier niet naar de overkant kunnen, gaan we naar rechts. We lopen langs het kanaal in de hoop ergens een plek te vinden waar we wel kunnen oversteken. Ze hebben het over een brug, een brug met pal daarnaast een toren. Ze zeggen dat we doodstil moeten zijn, dat we anders misschien worden opgepakt. En ze waarschuwen ons: worden we gepakt, dan doen zij alsof ze vluchtelingen zijn. Als we hen verraden ziet het er slecht voor ons uit.

    Ik ben bang, we zijn nog maar net onderweg en nu al wordt de tocht steeds langer. Eén uur hadden ze gezegd. Het is misschien al wel drie uur geleden dat we vertrokken en we zijn er nog steeds niet. We lopen bij de groep nu, vlak achter de anderen. Ik wil niet hebben dat mijn kinderen de jonge mannen loslaten die met grote stappen voor ons uit lopen, dat mag niet gebeuren, zeker niet voordat we het kanaal over zijn en die wachttoren voorbij.

    Ik dwing mezelf mijn pas te versnellen zodat ik in hun buurt blijf. Gelukkig duurt het niet lang voordat we aankomen bij wat ze een ‘brug’ noemen: een plek waar het kanaal is volgestort met aarde. De toren is vlakbij. Een angstaanjagend moment, ik probeer mijn zenuwen de baas te blijven door de hand van mijn man nog steviger vast te houden. Zo snel en stil mogelijk sluipen we langs de toren, steken het kanaal over en verdwijnen in het desolate donker.

    Bijna licht

    Nu mijn angst wat is gezakt worden de weeën heviger. Ondraaglijk bijna, ik kan niet meer vooruit. We raken steeds verder achterop. Aan het begin, vooral in de buurt van die militaire toren, hield iedereen af en toe stil om te kijken of de anderen er nog waren, maar nu de dag bijna aanbreekt en iedereen haast heeft, wordt er nauwelijks nog achterom gekeken. Wat moeten we doen, hoe halen we hen weer in?

    Mijn kinderen lopen vooraan, maar ik hou het niet meer vol, we raken achterop. Ik laat me op de grond zakken. Mijn man is bij me, hij houdt mijn hand stevig vast, ik krimp ineen van de pijn. De bevalling moet op gang aan het komen zijn. Alsjeblieft, niet nu… We moeten de rivier over. We kunnen niet hier blijven, in handen vallen van het leger, dat moet niet gebeuren. We zijn de tocht juist begonnen om weg te komen. Alsjeblieft, nu nog niet.

    volle maan en de weg is lang 

    een zilveren dolk in mijn rug 

    ik loop maar doodgaan kan ik niet

    uit de anjer druppelt bloed 

    Behçet Aysan – Gedicht van een kapot potlood 

    Het is al bijna licht en we zijn een flink eind achterop geraakt. Met een laatste krachtsinspanning sta ik op. We lopen verder, moederziel alleen, in doodse stilte – mijn sloffende voetstappen het enige dat de stilte verbreekt. Waar zijn mijn kinderen, waar zijn de anderen? Na een tijdje zien we vóór ons een paar mensen, twee Syrische vrouwen en een man, ook zij zijn achterop geraakt. We zijn dus op de goede weg.

    Opgelucht lopen we verder, maar we zien niemand, horen niks. We lopen maar, naast elkaar, en zijn zo ten einde raad dat we volledig op onszelf worden teruggeworpen, ons aan de anderen vastklampen, ons nog vermoeider voelen en nog eenzamer, totdat we daar, op die dorre grond, in dat barre veld plukken diepgroen riet onderscheiden. Water, staat dat niet voor leven? Dat is wat het riet, de lage bomen ons toeroepen. We hebben de rivier bereikt.

    Welke kant nu uit? Konden we maar naar de oever, dan zagen we de anderen vast, maar de bomen, het riet maken dat onmogelijk. Misschien zijn we verdwaald. En mijn kinderen, waar zijn mijn kinderen? Ik krijg geen adem. Mijn man probeert me te kalmeren. ‘Misschien zijn ze doorgelopen op zoek naar een plek waar ze de boten makkelijker te water kunnen laten,’ zegt hij. Hij loopt naar rechts, geen idee waarom, de anderen lopen zonder vragen achter ons aan, de rivier ligt nu links van ons.

    Ik probeer mijn krachten weer te verzamelen. We moeten harder lopen, hen zo snel mogelijk zien te vinden. De angst mijn kinderen kwijt te raken overmant me. Een hels kabaal, ik schrik. Is er iemand in het water gevallen, is in de militaire wachttorens in de verte het vuur geopend? Het kabaal houdt maar niet op, steeds hetzelfde geluid.

    Pas als we op een plek komen waar we tussen de bomen door de rivier kunnen zien, begrijpen we waar het vandaan komt. Pelikanen! Grote, spierwitte vogels. ‘Ze vangen vis,’ zegt mijn man, ‘ze waden en slaan met hun vleugels op het water, zo maken ze de vissen bang en jagen die op naar de oever.’ Het leven gaat door, ondanks alles. Een gevoel van rust daalt over me neer, heel even, dan is het weer verdwenen.

    mijn bladeren zijn weg mijn vogels gevlogen 

    mijn bergen niets dan puin

    ook de liederen die ik kende zijn verdwenen 

    in mijn stem geen echo van mijn leven

    slechts het daveren van het bos klinkt in mijn stem 

    Ahmet Telli – Vergeet, mijn hart, dit gedicht 

    De Maritsa

    Er is nog steeds niemand te zien. Misschien zijn we de verkeerde kant op gelopen. We draaien om, de rivier ligt nu rechts van ons. Links is het terrein vlak en open zover het oog reikt, de weg die we hebben afgelegd. Ik voel dat ik aan het eind van mijn krachten kom. Mijn man probeert me te bemoedigen, houdt mijn hand vast, zegt dat ik niet bang hoef te zijn, we zullen ze wel vinden. 

    We lopen en lopen. Achter ons rent iemand onze kant uit. De schrik slaat ons om het hart, maar het blijkt een van de smokkelaars te zijn die ons is komen zoeken. Ik ben dolblij. Mopperend en met snelle passen gaat hij ons voor, wij hollen achter hem aan. Als we bij de anderen aan de oever van de rivier komen, zie ik mijn twee kleintjes terug, zij aan zij in elkaar gedoken, nog kleiner, enkel kwetsbaar en fragiel, niet stil meer maar verstomd, ogen waar de angst uit stroomt, een zee van tranen. Mijn hart is verteerd van verlangen, ik omhels ze, kus ze.

    de lente heeft haar stempel gedrukt de seringen

    zijn ontloken wat als ik een kersentakje pak

    binnen in me draaft een ree

    en de papavervelden schreeuwen het uit

    Behçet Aysan – Een kersentak

    Het is ochtend. De bevalling lijkt nu niet lang meer op zich te laten wachten, hoewel ik eigenlijk nog wat tijd zou hebben. Het lange lopen en de angst om mijn kinderen hebben me uitgeput. Ik krimp ineen van de weeën, ik kan ze niet langer verborgen houden. Net nu we bij de rivier zijn, ons opmaken naar de overkant te gaan, val ik neer op de oever, de oever van een rivier die eigenlijk zo ver van ons weg is. Niet de Tigris, niet de Eufraat, maar de Maritsa, die al haar smart uitstort waar ze langs stroomt. Mijn man komt naast me zitten, neemt mijn handen tussen de zijne, onze blikken kruisen elkaar. De hemel, de wolken lijken neergedaald in zijn ogen, er ligt een sluier over zijn blik. Hij kijkt weg, omhelst me, nog steviger, om mij te bemoedigen en ook zichzelf, dat weet ik wel.

     zeg het maar mijn lief! zeg: op een notenbruine dag kom ik eraan

    Istanboel zal een wanboel zijn, mijn haren 

    een wanboel. alles een wanboel! 

    wees niet bedroefd, mijn lief! we rapen ons bijeen, samen 

    staan we op, lopen we weg, zeg dat mijn lief 

    en al heeft het leven een stalen grond met iedere stap doorboren we het!

    Küçük İskender – Zeg het maar mijn lief 

    De vrouw uit Turkije, die de hele tijd vooraan, bij de smokkelaar loopt, is de eerste die me opmerkt. Ze komt naar me toe. Nu pas, in het daglicht, kunnen we elkaars gezicht zien. Ze haalt water uit haar tas en wast mijn gezicht. Dan komt een van de Irakezen, hij zegt dat hij arts is, voelt mijn pols, mijn hartslag is heel laag. Ik ben blij te horen dat hij arts is, en in de hoop dat hij me helpt vertel ik dat ik zwanger ben.

    Tumult. De smokkelaar komt naar me toe, duwt me tegen de grond, daar lig ik, op mijn rug in de natte aarde aan de oever van de rivier. ‘Geen denken aan!’ zegt hij. ‘Zo kan ik je niet meenemen, je geeft je maar aan bij de militairen, ga naar een ziekenhuis!’

    De Irakese arts geeft hem gelijk. ‘Je moet in geen geval meegaan,’ zegt hij, ‘niet in deze toestand!’

    ‘Onmogelijk,’ zeg ik, ‘dat kunnen jullie niet doen, we hebben betaald, jullie moeten ons meenemen!’

    We kunnen niet meer terug, bovendien, waar zouden we heen moeten, onze huizen liggen in puin, onze straten ruiken naar oorlog, verder hebben we niks. De kinderen, deze kinderen moeten leven. De weeën zijn afgrijselijk, ze snijden me de adem af, ik zet mijn kiezen op elkaar en kom overeind, ik wil hen laten zien dat ik het vol kan houden, ik smeek hen, kijk hen recht aan terwijl er een brand in mijn binnenste woedt.

    Ahmet, beste jongen, waarom huilt een zakdoek 

    niet een tand, niet een nagel, een zakdoek, waarom huilt die 

    in mijn zakdoek klinkt het bloed.

    Edip Cansever – In mijn zakdoek klinkt het bloed 

    ‘Goed,’ zegt de andere smokkelaar uiteindelijk. Hij stemt in. De vrouw uit Turkije geeft me een arm, neemt de tas over die mijn man in zijn hand heeft, en wil dan ook de tas van mijn hals halen. Ik begrijp het wel, ze probeert te helpen, maar dat gaat niet. Hoe moet ik weten of ik haar kan vertrouwen? Terwijl ik het hoofd bied aan de pijn probeer ik haar angstig te doorgronden, dan zie ik haar zwarte nagellak, haar stevige laarzen, die speciaal voor de tocht lijken aangeschaft. Ze zegt iets, eerst in het Turks, dan in het Kurmanci, terwijl ze naar mijn tas reikt. Ik krijg geen woord over mijn lippen, geef haar met mijn blik te verstaan dat ik mijn tas niet kan geven. Ze begrijpt het.

    Klein lichaam

    De overkant. Een nieuw leven. Zo dichtbij en zo ver weg. Al die omgeslagen boten op zee, op rivieren. Al die mensen die er niet meer zijn. En met die kennis dan op weg gaan, met twee kleine kinderen en een baby in mijn buik. Als we bij de meest geschikte plaats aankomen worden de twee boten aan elkaar vastgebonden, misschien om zo snel mogelijk naar de overkant te kunnen, of om meer weerstand te kunnen bieden aan de sterke stroming.

    Ik weet het niet. Ik kan niet nadenken. Ik voel de pijn niet, de weeën niet. Een voor een stappen we in een boot en proberen zo te gaan zitten dat het gewicht gelijk verdeeld is. Het enige wat ik voel is angst. Enorme angst. Ik zie de beelden voor me van al die hartverscheurende gebeurtenissen waarover ik gelezen, gehoord heb, waarvan ik het meeste heb gezien, meegemaakt, gehoord van mijn naasten. Ik ben bang, bang vanwege mijn kinderen, vanwege het kind dat nog geboren moet worden.

    Mijn kinderen. Alan heette het peutertje, aan deze kant van de rivier kent men hem als Aylan Kurdi. Is er een verschil tussen die kinderen? ‘Klein lichaam ontzield aangespoeld’ luidden de koppen op 2 september 2015. Dezelfde datum in zekere zin als vandaag, nu, morgen.

    ‘Klein lichaam.’ Oppervlakkige woorden voor een ziel die is heengegaan. Het kind was nog maar klein, zijn ziel des te groter. In wat voor eenheid meet je het leven, in jaren, de leeftijd van een ziel?

    als een rivier was de mens

    zonder besef van het bloed dat hij meevoert; 

    stom bij zijn eigen lied,

    blind voor zijn eigen droom,

    doof voor zijn eigen schreeuw…

    Nihat Behram – Ali is een meisje 

    Drie jaar duurde het leven van Alan, een berg aan ervaringen, net als de levens van zijn moeder en zijn broer, die samen met hem stierven. Ze vluchtten voor de dood, precies wat ons tot deze tocht bracht, met onze kinderen in onze armen. En we wisten: ‘(…) no one puts their children in a boat / unless the water is safer than the land (…).’ (Warsan Shire – Home)

    We doffen ons op alsof we naar een feest gaan

    De smokkelaar die tot nu toe met ons was meegelopen, gaat terug. Zijn collega stapt in een van de boten, gaat voorin zitten. De Irakese arts stapt in de tweede, zij zijn degenen met een peddel. Maar de Irakese arts krijgt het niet voor elkaar, hij weet simpelweg niet wat te doen. De rivier is breed, de stroming sterk. De vrouw uit Turkije wil de peddel overnemen, maar de smokkelaar laat haar niet in de andere boot overstappen, bang dat de boot uit balans raakt.

    Kwaad probeert hij wat te verschuiven zodat hij in het midden van de twee boten zit. Hoe moet die jongen, zo’n dunne man ingaan tegen de stroming van die brede rivier? Wat als de touwen tussen de twee boten breken? Reddingsvesten hebben we niet. Het enige wat we hebben zijn de grote tassen in onze handen, op onze ruggen. Als we in het water vallen zijn we verloren, dat besef ik maar al te goed.

    We hebben al zo vaak gehoord dat op de Egeïsche Zee, hier, op de Maritsa boten omsloegen met reizigers zoals wij en tientallen mensen verdronken. Hier mogen smokkelaars de mensen misschien nog overzetten, op zee is het een heel ander verhaal. Daar laten ze de migranten zien hoe ze een rubberen vaartuig met een goedkope motor moeten besturen, daarna mogen ze het zelf uitzoeken met die ondeugdelijke boten en zwemvesten die geen enkel nut hebben.

    Al die mensen die ze zo de dood in hebben gejaagd. Alan was maar een van hen. De gedachten, de gebeurtenissen bezorgen me steken in mijn hart, maar ondertussen is de smokkelaar nog bij ons en hij krijgt het voor elkaar! Met al zijn kracht en één peddel heeft hij ons naar de overkant gebracht. 

    We stappen uit, het water in, de blubber. De boten worden meteen uit het water getrokken. We rennen naar de bomen op de oever, schuilen onder de takken, proberen onze voeten en schoenen schoon te maken, trekken droge sokken aan. Van sommigen zitten de kleren zo onder de modder dat ze hun broek uittrekken en een schone aandoen. De vrouw uit Turkije heeft een grote doos vochtige doekjes bij zich, die ze aan iedereen uitdeelt.

    Iedereen lijkt op te leven, is er wat beter aan toe, opgewekter. Kennelijk waren we allemaal vooral bang voor de rivier. We hebben het gehaald! We doffen ons op alsof we naar een feest gaan. Op de oever, onder de bomen wordt de lucht uit de boten gelaten, eentje wordt er achtergelaten – waarom weet ik niet, misschien hebben we er geen twee meer nodig. We zijn tenslotte aan de overkant, eindelijk, nu zal alles makkelijker zijn – tenminste, dat hoop ik. Misschien heeft de smokkelaar hem nodig voor de terugreis.

    Behalve die van ons liggen er nog een paar boten, en modderige broeken, sokken, talloze conservenblikken. Al die mensen die al hierlangs gekomen zijn. Net als onze voorgangers laten ook wij onze modderige spullen liggen, we wachten af tot we achter de smokkelaar aan onze tocht kunnen vervolgen. Het is licht, we kunnen niet verder, zegt hij. We moeten weg van de rivier, ons verstoppen en wachten tot het donker wordt. Urenlang wachten, hoe is het mogelijk, net nu we de grootste hindernis genomen hebben, de rivier hebben weten over te steken, onze angst is gezakt en onze hoop aangewakkerd, net op het moment dat we denken er bijna te zijn.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren

    Terwijl we de brede rivier achter ons laten en tussen de lage bomen door proberen te lopen, moet ik denken aan de mensen die in de winter hun toevlucht zochten tot het bos en in hun dunne kleren zijn bevroren. Ieder moment van deze tocht ligt de dood op de loer. De weeën worden steeds heviger, ik leg mijn hand op mijn buik, denk aan de baby. Die pijn, die hevige pijn zal me uiteindelijk met mijn kind verenigen, dat weet ik toch, zo is het eerder ook gegaan.

    Terwijl ik me zo wat probeer af te leiden en met gebogen hoofd achter de anderen aan loop, valt mijn oog op de tientallen dode dieren – karkassen, beter gezegd. Vreemd genoeg liggen de meeste erbij zoals ze zijn neergevallen, de botten op hun plek, alles aan elkaar. Koppen verbonden met de hals, borst en ribben. Heupen aan poten. Talloze hoorns en hoeven. Wat heeft dat te betekenen, waar wijzen die onaangeroerde skeletten op? Zijn de beesten geschoten en vervolgens blijven liggen? Maar wie schiet ze dan? Jagers heb je hier niet. Militairen?

    Na een tijdje vinden we tussen de bomen en het struikgewas, ver van de rivier, een vlak stuk. Het is vochtig en koud maar toch gaan we op het gras zitten. Wachten, een gespannen wachten. We proberen allemaal te ontspannen en eten wat van onze meegebrachte etenswaren. Mizgin en Azad krijgen eerst, ze vallen om van de honger. Daarna gaat iedereen ergens liggen en probeert te slapen. De Afghanen lopen het verst weg, gaan in grote zwarte vuilniszakken liggen. Goed idee om die mee te brengen. Zo hebben ze bescherming tegen de kou, de wind, het vocht.

    Ik zit hevig te rillen. De Irakese arts, die vlak bij ons is gaan liggen, merkt het, hij haalt een regenjas uit zijn tas, trekt me die aan, doet de knopen een voor een dicht. Dan gaat hij weer liggen, maar hij kan de slaap niet vatten, schrikt iedere keer wakker.

    Ook de vrouw uit Turkije kan niet slapen, ze zit met haar rug tegen een boom te wachten. Naast haar ligt de smokkelaar, onder een laken, hij is meteen ingedut. De Syriërs liggen een eindje verderop, links van ons, naast elkaar onder een boom. Een van hen, een vrouw, heeft zich opgerold en, in een poging zich tegen de kou te beschermen, een sjaal over zich heen getrokken.

    Zwak gehuil

    Door de dunne regenjas ril ik minder, maar nu komen de weeën weer opzetten. Even later voel ik vocht tussen mijn benen lopen, zijn mijn vliezen soms gebroken? Ik vertel het mijn man, ik pak zijn hand en kom overeind, zonder iets tegen iemand te zeggen lopen we met onze kinderen verder het bos in. De vrouw uit Turkije volgt ons met haar ogen, maar ze heeft geen idee wat er aan de hand is. Mijn kind is op komst!

    Ver weg van de anderen strek ik me met moeite uit in het natte gras, mijn man houdt mijn hand stevig vast, laat me niet los, Azad en Mizgin kijken me verbaasd aan. Even zie ik Ruhat en Botan in hun ogen. Ik denk weer aan hun moeder, de mooie Muntazam. Toen ze in haar eentje thuis beviel keken haar twee kinderen ook zo verbaasd naar haar, dat vertelde ze naderhand. Zoals ze in haar eentje van haar kind was bevallen, eigenhandig de navelstreng van haar kind had doorgeknipt. Dat zou ik ook kunnen, maar ik ben niet alleen, mijn man is bij me.

    Maar nee. Dat prachtige kind, Muntazams baby. Nog geen twee maanden was het toen… Ik krijg het gewoon niet over mijn lippen.

    Ik heb iemand nodig, een vrouw. De bevalling begint, echt, het hoofdje komt al. Ik zeg tegen Mizgin dat ze de vrouw uit Turkije meteen moet gaan roepen. De twee Syrische vrouwen spreken Kurmanci en Arabisch en het is makkelijker om met hen in Sorani te communiceren ook al kennen ze die taal niet, maar dat gaat niet, ze hebben zich niet laten zien, kennelijk houdt iets hen tegen, ze zijn bevreesd.

    Serê zarok,’ roept Mizgin, ‘het hoofd van het kind’, en ze rent weg. De vrouw uit Turkije komt er meteen aan. Ze heeft een klein zakmes bij zich. Ze kijkt me geschokt aan maar herneemt zich snel, gaat bij mijn voeten zitten en trekt voorzichtig aan mijn baby. Daar is hij, in haar handen, mijn man zit bij mijn hoofd, mijn kinderen kijken naar hun nieuwe broertje – het jongetje dat nog steeds met mij verbonden is. Alleen, hij geeft geen kik, wat is er aan de hand?

    Mijn hart staat zo in brand dat ik geen woord kan uitbrengen. Dan begint de vrouw onhandig tikjes te geven tegen de billen van mijn kind. Eindelijk hoor ik een zwak gehuil.

    er stond een bloem, daar, ergens,

    te bloeien als om een fout weer recht te zetten; 

    boog zich tot vlak bij mijn lippen 

    en praatte en praatte maar.

    Cemal Süreya – Een bloem

    De vrouw vraagt iets, zegt wat tegen ons, maar we begrijpen elkaar niet. Gelukkig komt de smokkelaar op dat moment, ze vraagt hem meteen om zijn telefoon. Ze belt iemand, overlegt. Belt dan iemand anders, zet de telefoon op de luidspreker en legt hem op mijn opgeschorte rok. Aan de andere kant van de lijn legt een vrouw met een verbazingwekkende kalmte een en ander uit, haar stem geeft vertrouwen.

    De Turkse vrouw snijdt met haar zakmes de navelstreng door. Nu moet die afgebonden worden, maar er is geen draad. Mijn man laat mijn hand heel eventjes los om in de tas te zoeken. Alles voor de baby hebben we bij ons, hoe hebben we draad nou kunnen vergeten. De vrouw stuurt de smokkelaar naar de anderen in de hoop dat die iets hebben.

    Een van de Syrische vrouwen komt aangelopen met een klein stukje naaigaren. Een dun stukje naaigaren, daarmee bindt ze de dikke, harde, glibberige navelstreng af. Met wat water probeert ze de baby te wassen, geeft hem dan aan de anderen over zodat die hem aan kunnen kleden.

    Op dat moment wordt de verbinding verbroken. Onze blikken kruisen elkaar. Ik voel me gelukkig en dankbaar, op haar gezicht ligt een vage glimlach. Toch valt er angst in haar blik te lezen. Ik voel dat ze niet weet wat te doen maar me tegelijkertijd wil bemoedigen. We spreken niet dezelfde taal, maar proberen elkaar met onze blikken te steunen en moed in te spreken. Dat heeft zij net zo hard nodig als ik.

    De bevalling is nog niet voorbij. De nageboorte zit er nog. En tussen mijn benen voel ik de navelstreng, waarmee mijn kind negen maanden lang met mij was verbonden. Mijn lichaam moet dat alles nu kwijt. Zij weet ook wat er te doen staat, ze weet alleen niet hoe. Ze vraagt me iets, maar ik ben niet in staat antwoord te geven, zelfs maar te laten zien wat ze moet doen.

    Ze vraagt de smokkelaar nogmaals om zijn telefoon, zet hem op de luidspreker en geeft ook mijn man instructies, laat hem zien hoe hij met kracht op mijn buik moet duwen. Felle pijnscheuten trekken door mijn hele lijf. Terwijl mijn man op mijn buik drukt, lukt het de vrouw met haar blote handen de nageboorte uit me trekken. De pijn zakt een beetje. Ik voel me uitgeput, maar beter. Alles is voorbij, tenminste, dat hoop ik, want ik weet niet hoeveel ik ben ingescheurd, of ik veel bloed heb verloren, of de bloedingen aanhouden.

    De regenjas onder me is besmeurd met alles wat met mijn kind is meegekomen. Mijn voeten staan er midden in en trillen, ik kan het niet tegenhouden. Ik heb het ijskoud.

    Mijn man haalt mijn kleren uit de tas. De vrouw uit Turkije probeert me met vochtige doekjes schoon te wrijven. Ze stuurt de smokkelaar er nog een keer op uit, hij komt terug met een grote zwarte vuilniszak, van de Afghanen gekregen waarschijnlijk. Ze snijdt het onderste stuk van mijn regenjas en laat dat op de grond liggen – schoonmaken lukt toch niet zonder water of een fatsoenlijke doek. Samen met mijn man tilt ze me op de vuilniszak die ze naast me op de grond heeft uitgespreid.

    Dan wrijft ze me helemaal schoon, kleedt me aan. Schone sokken heb ik niet. Het enige reservepaar dat ik had, heb ik aangedaan nadat we de rivier waren overgestoken en in de modder terecht kwamen. Tijdens de bevalling heb ik er geen moment aan gedacht ze uit te trekken. Ze zegt tegen Mizgin dat die haar tas moet brengen. Ze heeft een maillot, die trekt ze me aan.

    Ik voel me wat beter, al heb heb ik het nog steeds koud en trillen mijn benen nog. Ze stuurt de smokkelaar naar de Syrische vrouw, die een korte legging bij zich heeft. Ook die trekt ze me aan. Dat scheelt, de legging verwarmt me en houdt mijn ondergoed strakker tegen mijn lijf. Na een bevalling verlies ik veel bloed, ik weet het van de geboorte van Mizgin en Azad. Ik moet er niet aan denken dat op die koude, natte wegen, te midden van al die mensen, het bloed langs mijn benen loopt. En daarbij, bloedverlies betekent je slap voelen, uitgeput, misschien niet verder kunnen lopen.

    Niet aan denken. Nu heb ik mijn baby in mijn armen. Ik sla ze nog steviger om hem heen.

    Lees hier deel 2:

  • Het ‘laatste boek’ van Martin Amis

    Het ‘laatste boek’ van Martin Amis

    Hilarische, opzienbarende én gênante autofictie van het enfant terrible van de Britse literaire scene.

    boek0

    Critici weten zich niet goed raad met Inside Story, het laatste boek van de Engelse schrijver Martin Amis (71). Memoires, essays, een verzameling autobiografische vertellingen, een literair testament misschien? Dat laatste zou nog best eens kunnen, suggereert James Parker in zijn recensie voor The Atlantic: ‘Amis schrijft een paar keer letterlijk dat dit z’n laatste échte boek is. Of neemt-ie ons voor de zoveelste keer in de maling?’ En is het wel een roman, zoals Amis op de cover heeft laten zetten? ‘Maar welke roman heeft er een index achterin?’ vraagt Parker zich af. ‘Met nota bene een verwijzing naar zijn eigen vader: “Amis, Kingsley… likes nude magazines.”’ 

    Wat voor boek heeft Amis dan wel geschreven? Voor Joshua Whitehead van de Engelse krant The Mancunion bestaat de hoofdmoot uit beschrijvingen van Amis’ relaties met de Grote Drie: Philip Larkin, Saul Bellow en Christopher Hitchens: ‘De vele gesprekken, brieven en herinneringen met hen gebruikt hij als springplank om de grote thema’s van het leven aan te snijden: liefde, dood en verdriet.’ Maar de kracht van het boek is meteen ook de zwakte, vindt Whitehead. Voor wie goed is ingevoerd in de Britse literaire wereld is het een genot om de ‘oneindige schat aan hilarische anekdotes, hartbrekende bekentenissen en verrassende openbaringen’ te lezen. Whitehead kan zich tegelijkertijd voorstellen dat niet iedereen zit te wachten op ‘al die inkijkjes in andermans leven’.

    Ook recensent Thomas Meaney van de New Statesman heeft moeite met de vele beschrijvingen van relaties met bekende schrijvers: ‘Hier wringt het dat hij zijn eigen milieu met de gewone wereld verwart.’ De passages over de Engelse taal in Inside Story vormen voor Meany dan ook een onverwachte bonus: ‘Dan stelt hij zich op als strenge lijfwacht. Of hij nu de woordkeuze van Updike onderuithaalt of het taalgebruik in Bellows Herzog corrigeert.’

    Aidan Smith liet zich op het verkeerde been zetten, tekent hij op in The Scotsman: ‘Moet dat nou, zulke openingszinnen? De lezer welkom heten en zijn kat Spats voorstellen? Dat verwacht je niet van het enfant terrible van de Britse literaire scene.’ Maar waar de recensent aanvankelijk vermoedt dat hij Amis’ ‘slechtste boek ooit’ in handen heeft, verandert dat gaandeweg in ‘misschien wel zijn beste ooit’. 

    Uit de eerste hand van Martin Amis verscheen in december bij uitgeverij Atlas Contact.

  • 360 Top-5 non-fictie

    360 Top-5 non-fictie

    Deze titels worden getipt door Athenaeum Boekhandel in Amsterdam.

    boek2

    WolfstijdHarald Jähner

    Harald Jähner schildert het sociale panorama van 1945-1955, een decennium dat beslissend was voor de Duitsers en in veel opzichten heel anders was dan we denken. Wolfstijd is een grote naoorlogse mentaliteitsgeschiedenis die de Duitsers in al hun diversiteit toont.

    boek1

    Een bezeten landMonica Black

    Historicus Monica Black put uit niet eerder gepubliceerd materiaal en beweert dat de obsessie met het bovennatuurlijke het gevolg was van de onuitgesproken schuld en schaamte van de Duitse natie die opmerkelijk stil was over wat ‘het meest recente verleden’ werd genoemd.

    boek4

    Dingen die je laten zien dat het leven schitterend isChan Jae Lee & Kyong Ja Ahn

    Zoals zoveel grootouders zochten de Koreaanse Chan Jae Lee en Kyong Ja Ahn naar een manier om verbonden te blijven met hun kleinkinderen, die op afstand wonen. De wijsheden die de grootouders aan de jongere generaties doorgeven, bieden hoop en vreugde. 

    boek6

    Big TechRana Foroohar

    Financial Times-journalist Rana Foroohar doet verslag van de opkomst van tech-reuzen als Amazon, Facebook en Google en beschrijft hoe Big Tech zijn onschuld verloor. Met onze privégegevens worden miljardenwinsten gemaakt en fake news heeft een grote impact op onze democratie.

    boek3

    Één levenMegan Rapinoe

    ‘Stap over je eigen schaduw heen. Wees meer, wees beter, wees groter, doe meer dan je kunt.’ Dat is de boodschap van Megan Rapinoe, een van de meest getalenteerde sporters ter wereld. Deze voetbalster is voorvechter van vrouwenrechten en drijvende kracht achter sociale veranderingen.

  • Eerste zwartewinnares Booker Prize

    Eerste zwartewinnares Booker Prize

    Vrouwen van kleur in het Britse kastensysteem.

    LITERATUUR – De Engelse Bernardine Evaristo won dit jaar de Booker Prize met haar roman Girl, Woman, Other. Ze moest de prijs delen met Margaret Atwood (The Testaments), maar schreef niettemin geschiedenis als eerste zwarte winnares. Volgens Maureen Corrigan van het Amerikaanse NPR benadert Evaristo, als ‘trotse feministe’, in haar boek het hedendaagse Engeland ‘vanuit het perspectief van twaalf vrouwen van kleur van 19 tot 93, uit verschillende lagen van de samenleving.’

    Criticus Dwight Garner van The New York Times ziet de roman als ‘een dicht bevolkt dorp waarin iedereen aan elkaar hangt om op de been te blijven.’ Hij is onder de indruk van Evaristo’s ‘hybride’ stijl: ‘Ergens tussen proza en poëzie. De lange zinnen en losse toon geven het verhaal een geweldige veerkracht.’ Leah Greenblatt omschrijft het boek in het Amerikaanse Entertainment Weekly als ‘een caleidoscoop van een eeuw vrouwengeschiedenis in het onzichtbare maar des te manifestere Engelse kastensysteem.’ Hoewel Evaristo genoeg vermaak biedt, levert ze ook commentaar op seksueel misbruik en racisme, schrijft Sarah Ladipo Manyika in The New Statesman: ‘Dat brengt ze stevig en shockerend. Maar niemand blijft hangen in de rol van slachtoffer. De vrouwen in dit boek zijn weerbaar en triomferen.’

    Bernardine Evaristo’s Meisje, vrouw, anders, vertaald door Lette Vos, is eind november verschenen bij uitgeverij De Geus.

  • Italiaanse journalist geeft Legion d’Honneur terug

    Italiaanse journalist geeft Legion d’Honneur terug

    Zeer vereerd maar nee, bedankt. Dat is kort samengevat de reactie waarmee de 85-jarige Italiaanse intellectueel Corrado Augias zijn Legion d’Honneur teruggeeft. Vanwege de moord op een Italiaanse student in 2016, weigert Augias de belangrijkste onderscheiding van Frankrijk te delen met de Egyptische president Abdel Fattah al-Sisi, die deze week dezelfde onderscheiding ontving.

    Corrado Augias, wiens vader in Frankrijk werd geboren, is een Italiaanse journalist, schrijver en tv-presentator. Hij schreef onder meer voor de gerenommeerde Italiaanse krant La Repubblica en voor de weekbladen l’Espresso en Panorama. Daarnaast heeft hij verschillende historische misdaadromans op zijn naam staan. Hij werd populair in Italië als presentator van tv-programma’s over mysteries en bijzondere historische voorvallen, die hij tot vorig jaar presenteerde. Als politicus was Augias in de jaren negentig Europees Parlementslid voor de sociaaldemocratische PDS, die inmiddels is opgegaan in de Italiaanse Partito Democratico. 

    Augias kreeg zijn Legion d’Honneur in 2007, maar toen hij vernam dat al-Sisi afgelopen week tijdens een staatsbezoek met dezelfde eer is onderscheiden door de Franse president Macron, liet hij weten de versierselen te retourneren. Vandaag brengt hij ze persoonlijk terug naar het Palazzo Farnese in Rome, waar de Franse ambassade is gevestigd, zo schrijft de Franse krant Libération. ‘Naar mijn mening had president Macron het Legion d’Honneur niet mogen toekennen aan een staatshoofd dat objectief gezien medeplichtig is aan gruwelijke misdaden‘, liet Augias gisteren weten aan de Italiaanse krant La Repubblica.

    Een bloedende wond

    De beslissing van Augias heeft alles te maken met wat hij ‘een bloedende wond’ noemt voor alle Italianen: de moord in Egypte op Giulio Regeni, een Italiaanse student aan de universiteit van Cambridge. Op 3 februari 2016, tien dagen na zijn verdwijning in Caïro, werd het lichaam van de 28-jarige promovendus gevonden langs een snelweg. Autopsie toonde aan dat hij dagenlang was gemarteld: gebroken botten en handen, vijf ontbrekende tanden, gebroken ribben, armen en benen. Volgens zijn moeder herkende ze haar zoon uiteindelijk aan het puntje van zijn neus.

    Al vanaf het begin van het onderzoek dat volgde, klaagden Italiaanse onderzoekers over tegenwerking door Caïro bij het verkrijgen van informatie. Het regime van president al-Sisi trok voortdurend rookgordijnen op, door maandenlang met wisselende verklaringen over de tragedie te komen, uiteenlopend van een auto-ongeluk, tot represailles vanwege vermeende criminele activiteiten, tot betrokkenheid bij spionage. Ondanks alle pogingen om sporen uit te wissen en ondanks het gebrek aan medewerking door de autoriteiten in Caïro, liet het parket van Rome afgelopen donderdag weten vier Egyptische officieren, inclusief een generaal, voor de rechter te dagen.

    Diezelfde dag noemde het Franse programma Quotidien van TF1 het staatsbezoek van al-Sisi aan Frankrijk, een paar dagen eerder, een ‘verborgen ceremonie’. ‘Hadden we alleen de beelden van de persdienst van het Elysée geloofd, dan hadden we gedacht dat de Egyptische president al-Sisi maar heel even in Parijs was.‘ Op wat beelden na van een ontmoeting tussen Macron en al-Sisi, werd er in Frankrijk weinig persmateriaal over het staatsbezoek verspreid, wellicht ‘om critici niet te veel te voeden’. Maar volgens Quotidien werden in Egypte daarentegen beelden van het bezoek naar hartenlust verspreid door de persafdeling van al-Sisi, ‘met maar één doel: president al-Sisi verheerlijken’.

    ‘De man die 60.000 mensen opsloot wordt getrakteerd op de heilige Graal van de diplomatie’

    Op die beelden is te zien dat ‘de man die 60.000 mensen opsloot omdat ze het met hem oneens zijn’, wordt gefêteerd en ‘getrakteerd op de heilige Graal van de diplomatie: een driedaags staatsbezoek, met alle pracht en praal. Een ontmoeting met Emmanuel Macron, een ceremonie in de Invalides, een warm welkom door de burgemeester van Parijs, de Republikeinse garde op een voor de gelegenheid leeggehaalde Place de l’Etoile, een ontmoeting met de voorzitter van de Senaat en een gala onder de verguldsels van het Elysée-paleis.’ Én het ceremonieel waarmee al-Sisi het Legion d’Honneur krijgt opgespeld door Macron. 

    Dat leidde tot de woede van Corrado Augias, die zijn ongenoegen aan de Franse ambassadeur kenbaar heeft gemaakt in een brief die La Repubblica gisteren in zijn geheel afdrukte: 

    ‘Meneer de ambassadeur, ik geef u de versierselen van het Legioen van Eer terug. Toen deze mij werd toegekend, ontroerde het gebaar me diep. Het was een soort van bezegeling van mijn liefde voor Frankrijk, voor haar cultuur. Ik heb uw land altijd als de oudere zus van Italië beschouwd en als mijn tweede thuis, waar ik al heel lang woon, en ik ben van plan dat te blijven doen. In juni 1940 plengde mijn vader tranen vanwege de agressie van het fascistische Italië tegen het reeds bijna verslagen Frankrijk.

    Ik geef U deze insignes dan ook terug met pijn, want ik was trots om het rode lint in het knoopsgat van mijn revers te tonen. Maar ik wil deze eer niet delen met een staatshoofd dat objectief gezien medeplichtige is van criminelen.

    De moord op Giulio Regeni is voor ons Italianen een bloedende wond, een belediging, en ik had van president Macron een gebaar van begrip zo niet van broederschap verwacht, in naam van het Europa dat we samen zo hard proberen te bouwen.

    Ik wil u niet te naïef overkomen. Ik ben bekend met de werking van zakelijkheden en diplomatie, maar ik weet ook dat er een maat is, zoals de Latijnse dichter Horatius schrijft: ‘Sunt certi denique fines, quos ultra citraque nequit consistere rectum.’ [Er zijn bepaalde grenzen waarbuiten het juiste niet kan bestaan.] Ik geloof dat in dit geval de mate van juistheid ruimschoots is overschreden, wat daarom leidt tot verontwaardiging.

    Met diepste spijt, Corrado Augias’

  • Aanbevolen door de redactie. De beste Afrikaanse boeken & meer

    Aanbevolen door de redactie. De beste Afrikaanse boeken & meer

    Een vierdelige radioserie van de BBC over wat waarde eigenlijk is in tijden van kredietcrisis, coronacrisis en klimaatcrisis. De beste Afrikaanse boeken van 2020 volgens African Arguments & meer aanraders van de 360-redactie.

    Omdat 360 niet alles kan vertalen wat de redactie leest, tippen wij voor u enkele interessante artikelen, documentaires, podcasts en radioshows die wij deze week zijn tegengekomen.

    Wat is waarde?

    Mark Carney, speciaal gezant van de Verenigde Naties voor het klimaat en financiën en voormalig gouverneur van de Bank of England, geeft een serie lezingen op de Britse zender BBC Radio 4 over wat waarde eigenlijk is. In vier afleveringen probeert hij een antwoord te geven op deze vraag en onderzoekt hij hoe ons idee van waarde van invloed is op de kreditcrisis, de coronacrisis en de klimaatcrisis.

    Editor at large Katrien Gottlieb: ‘Niet alleen vertelt Carney hoe waarde door de eeuwen heen steeds van gedaante verwisselde maar ook kijkt hij vooruit naar een postcoronawereld waarin financiële marktwaarde vermoedelijk scherp tegenover de waarde van het maatschappelijk welzijn komt te staan.’

    Alles over Afrikaanse muziek

    De Zuid-Afrikaan Sean Jacobs, universitair docent Internationale Betrekkingen aan The New School in New York, begon in 2009 met de site Africa is a Country. Het platform biedt boeiende en verrassende verhalen over Afrikaanse politiek, cultuur en samenleving, die vaak haaks staan op de manier waarop westerse media naar Afrika kijken. 
    Sinds eind vorige maand is op de site ook het maandelijkse radioprogramma Africa Is a Country Radio te horenDaarin duikt Chief Boima, muziekproducent, dj, schrijver en cultureel activist uit Sierra Leone, in de muziek en de culturele politiek van het Afrikaanse continent.

    Africa Is a Country Radio levert een een heerlijke mix op van muziek en interviews met musici, historici en journalisten. Warme aanrader in deze barre maand waarin we niet naar de zon mogen reizen,’ aldus redacteur IJsbrand van Veelen.

    De beste Afrikaanse boeken

    Opnieuw komt African Arguments, het pan-Afrikaanse nieuws- en debatplatform, met een lijst van de beste Afrikaanse boeken van 2020.

    Een aanrader van hoofdredacteur Laura Weeda: ‘Vorig jaar tipten we ze al in ons magazine; de beste Afrikaanse boeken van het jaar, een overzicht van African Arguments, het onlinetijdschrift dat zich inzet voor een beter begrip van het continent. Dit jaar bevat de lijst weer veel voor ons onbekende namen en dus nieuwe zienswijzen.

    Een goed voorbeeld is Traveling when black van Nanjala Nyabola. Geen reismemoires’, zoals ze zelf aanstipt, maar een reeks essays die ras, identiteit, privileges en migratie onderzoeken. “Hoe zwart zijn betekent dat men zich kan mengen in Haïti of Burkina Faso, maar tegelijkertijd discriminatie van de ergste soort ervaart en elders zelfs de dood riskeert. Dit zijn niet alleen haar verhalen, maar die van velen, die de lezer voortdurend uitdagen om vragen te stellen en de wereld vanuit verschillende perspectieven te bezien.” Laat dat nou net de missie van 360 zijn.’

     Het boek doet ook denken aan het fotografieproject van Johny Pits, die door Europa reisde op zoek naar de “zwarte gemeenschappen”. Nog een tip: zijn werk is vanaf morgen tot 3 januari te zien in De Balie.’

    Chinas Rebel City The Hong Kong Protests South China Morning Post 1 1
    video still uit documentaire China’s Rebel City: The Hong Kong Protests van de South China Morning Post.

    Rebellerend Hongkong

    De documentaire China’s Rebel City: The Hong Kong Protests van de South China Morning Post vertelt het verhaal over de pro-democratische protesten in Hongkong vanaf het de demonstraties tegen het uitleveringsverdrag met China in 2019 tot nu. Aan het woord komen activisten en pro-democratische politici, maar ook pro-Chinese regeringsadviseurs en de korpsleider van de politie van de stadstaat aan de Zuid-Chinese Zee.

    ‘Verplichte kost als je alles over de situatie in Hongkong wilt weten,’ tipt redacteur Joep Harmsen. ‘Het is heel bijzonder voor een documentaire over zo’n gepolariseerde kwestie dat de hoofdrolspelers van beide kampen aan het woord komen. Ook is het inspirerend om te zien hoe Hongkongers blijven strijden voor hun democratie die steeds verder wordt ingeperkt.’

  • 360 Top-5 non-fictie

    360 Top-5 non-fictie

    Deze titels worden getipt door Athenaeum Boekhandel in Amsterdam.

    De penis: Handleiding voor eigenaren
    Sturla Pilskog
    De penis: Handleiding voor eigenaren staat boordevol feiten, anekdotes en inzichten over de veelbesproken maar weinig begrepen penis. De Noorse uroloog Sturla Pilskog rekent voor altijd af met alle gêne en ongemak rondom dit lichaamsdeel.

    Man en macht
    Kate Manne
    Man en macht is het nieuwste werk van Kate Manne, die wel de filosoof van de #MeToo-beweging wordt genoemd. Manne analyseert de werking van mannelijk ‘entitlement’ op tien gebieden, van aandacht, kennis en medische zorg tot seks en huishoudelijk werk.

    Rode komeet
    Heather Clark
    Rode komeet geeft ons de uitzonderlijk getalenteerde vrouw terug die zo lang door haar tragische einde werd overschaduwd. Heather Clark reconstrueert Sylvia Plaths stormachtige ontwikkeling als dichter en intellectueel; een leven in volledige toewijding – niet aan de dood maar aan de kunst.

    Troje
    Stephen Fry
    Met zijn bestsellers Mythos en Helden heeft Stephen Fry de Griekse mythen weer naar onze tijd gehaald. Nu waagt hij zich aan het verhaal van de Trojaanse Oorlog. Troje is het klassieke verhaal waarin heldendom en haat, liefde en verdriet, wraak en spijt, hoop en wanhoop samenkomen.

    Werk
    James Suzman
    James Suzman laat ons zien dat in de geschiedenis werk altijd van grote betekenis is geweest, maar dat onze focus op productiviteit een relatief nieuw fenomeen is. Vanuit het verleden werpt hij een blik op de toekomst en ontdekt dat het misschien wel tijd is voor een andere kijk op ons dagelijks werk.

  • Het Churchill-complex van Ian Buruma

    Het Churchill-complex van Ian Buruma

    Een slimme en levendige politieke geschiedenis

    In zekere zin lijdt Ian Buruma (68) zelf aan een Churchill-complex. Aan het begin van zijn boek vertelt hij dat hij op zevenjarige leeftijd door zijn opa en oma werd meegenomen naar een uitvoering van Peter Pan in het Scala Theatre in Londen, waar Churchills dochter Sarah een rol in had. Hij zag er de toenmalige premier in levenden lijve en beschrijft hoe er een daverend applaus uitbrak onder het publiek toen zijn vingers een V vormden. Buruma’s eigen grootouders waren Joods en zagen hem als hun redder.

    Maar het complex waarop Buruma met zijn titel doelt, ontstond op de avond in 1941 toen Roosevelts adviseur Harry Hopkins Churchill tot tranen toe roerde met zijn citaat uit het bijbelboek Ruth: ‘Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God’, waar hij ‘in zijn eigen, krachtige woorden’ aan toevoegde: ‘Tot het einde toe.’

    Dit was het begin van een ‘speciale vriendschap’ tussen Groot-Brittannië en de VS, twee beslist ongelijke partners, aldus Kirkus Reviews, dat het boek een slimme en levendige politieke geschiedenis noemt. Buruma, de van oorsprong Nederlandse essayist en historicus die jarenlang redacteur was van The New York Review of Books, verdiept zich behalve in de relatie tussen beide landen vooral in de persoonlijke verhouding tussen de Britse premiers en de Amerikaanse presidenten, tot aan Johnson en Trump, en vraagt zich af of hun glorieuze verleden misschien juist de oorzaak is van het huidige verval. The New York Times vermoedt dat Buruma, ondanks dat hij overduidelijk ‘de mantel van een kosmopolitische anti-brexiteer draagt’, waarschijnlijk niet zou terugschrikken voor een heropleving van ‘Little Englanders’ als tegenwicht voor het interventionisme dat zo typerend is voor deze speciale relatie.

    The Times vindt het een groot gemis dat Buruma zich exclusief op de politiek richt. ‘Afgezien van een vluchtige verwijzing naar James Bond negeert Buruma cultuur en soft power.’ Als grootste verdienste van dit werk noemt de recensent, los van de ‘ontroerende’ beginanekdote, dat de auteur laat zien hoe ‘de magie tussen Londen en Washington de hechte relaties [van Londen] met Parijs, Berlijn en Brussel heeft verstoord’.

    Het Churchill-complex (uitgeverij Atlas Contact) ligt nu in de boekwinkel.

  • ‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’

    ‘Het Pools is een taal met eeuwige honger’

    Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk over wat haar moedertaal, het Pools, voor haar betekent. Of is het vadertaal? ‘Met het masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad.’

    De bewustwording van de eigen taal, met haar voordelen en gunsten maar ook haar beperkingen en rariteiten, lijkt op een langdurig psychoanalytisch proces. Dat is de bagage die door ons, schrijvers, wordt gedragen. Ze is niet afhankelijk van onze schuld of verdienste, maar ze spruit voort uit dezelfde bron die ons ooit tot een bepaalde plek, tijd of levensvorm heeft gebracht.

    Zo beschouwd, is de taal een literair fatum. Binnen in de taal kunnen wij slechts tot op bepaalde hoogte onszelf zijn (en ‘onszelf zijn’ schijnt een belangrijk beginsel van onze cultuur te vormen). Grotendeels zijn wij afhankelijk van iets machtigers waarop wij geen invloed kunnen uitoefenen.

    Het is dus niet verwonderlijk dat filosofen uiteindelijk God, het bestaan, ‘waarom iets in plaats van niets’ achter zich hebben gelaten en zich met de taal gingen bezighouden.

    Vaak maken schrijvers de fout om de taal als een eigen territorium te beschouwen; een oeroceaan waaruit onze individuele gedachten komen zoals de eerste aminozuren. Maar het blijkt dat de meridiaan van de taal al buiten onze invloed was vastgesteld.
    In de taal is men gegooid.

    Zo ben ik in het Pools gegooid. Ik ben geboren en opgegroeid in het westen van Polen, in een mengeling van culturen en dialecten; in gebieden die pas na de Tweede Wereldoorlog bij de rest van het land zijn gaan behoren. Maar volgens linguïsten spreken wij daar in Laag-Silezië, in die smeltkroes van culturen, een voorbeeldig Pools.

    Ik spreek geen dialect en ik heb geen accent. Ik beheers geen enkele vreemde taal goed genoeg om haar voor mijn literatuur te gebruiken. Ik ben eentalig. In een andere taal schrijven, zou ik niet kunnen. Ik kan in twee buitenlandse talen communiceren, maar deze
    communicatie is vereenvoudigd en verloopt moeizaam.

    Patchworktaal

    In het Bureau International des Poids et des Mesures in Sèvres, bij Parijs, met zijn verzameling sjablonen en proto-types, zou ik kunnen fungeren als het voorbeeld van een perfect Poolssprekende. Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools. Een objectief standpunt is dat niet.

    Het Pools behoort tot de grote groep van Slavische talen en vanzelfsprekend ook tot de Indo-Europese talen. Geschreven Pools begon zich relatief laat te vormen, vanaf de twaalfde eeuw. Daarbij speelde de rooms-katholieke kerstening van Polen een belangrijke rol. Het Pools heeft het Latijnse alfabet aangenomen (in tegenstelling tot sommige andere Slavische talen zoals het Russisch of het Bulgaars, die op het Griekse alfabet zijn gebaseerd).

    Zoals een vlieg in amber gevat zit, zit ik in het Pools

    Pas in 1270, in de Księga Henrykowska, een register van kerkelijke bezittingen, nota bene opgemaakt in Laag-Silezië, werd de eerste zin in het Pools geschreven. De context is bijzonder interessant. De Latijnse tekst verhaalt over een man, een zeker Boguchwała, die – wat voor zijn tijdgenoten zeer vreemd moet zijn geweest – zijn vrouw hielp om graan te malen. Aan deze man wordt die beroemde eerste Poolse zin toegeschreven: Day ut ia pobrusa, a ti poziwai. Vertaald naar hedendaags Pools betekent dat: ‘Laat mij maar doen, en jij rust.’

    De geografische ligging van Polen, tussen sterke buren, in het hart van Europa, in de nabijheid van verschillende culturen: dat alles beïnvloedde het lexicon sterk. Het is buitengewoon, maar zeventig procent van de Poolse woorden hebben vreemde wortels.

    Het Pools is dus een samengestelde taal, een patchworktaal, melting pot en mélange. Alles wat wij met onze buren deelden – de gevoerde oorlogen, reizen, trends en fascinaties – leidde tot verdere expansie van deze vreemde talen in het Pools. Aan de Duitsers danken wij een rijke technische woordenschat. Alle nieuwigheden kwamen van deze buren uit het westen.

    Maar met hen hadden wij ook veel problemen. Duitse pioniers in Polen behoorden altijd tot een sterke, welvarende en goed georganiseerde gemeenschap. In de zestiende eeuw was tachtig procent van de burgerij in Kraków van Duitse afkomst. Om de deloyale samenzweerders te ontmaskeren, bedacht de Poolse koning een taaltest. Elke inwoner van Kraków moest zonder problemen moeilijke Poolse woordjes uitspreken zoals: soczewica, koło, miele młyn (‘linzen’, ‘wiel’, ‘de molen maalt’). Wie daarin niet slaagde, werd gestraft.

    pawel czerwinski 2k9w3bJT jk unsplash
    Een muurschildering van Luca Zamoc in de Poolse stad Swidnica, ter ere van het Punkt Zero Festival. Het kunstwerk is gebaseerd op een oude Poolse legende waarin een griffioen de inwoners van een dorpje belaagt. Zijn ogen zijn zo giftig dat één blik genoeg is om iemand te doden. De koning stuurt een gevangene bewapend met een spiegel op de griffioen af, om het beest te doden met zijn eigen reflectie.
    – © Pawel Czerwinski / Unsplash

    Leentjebuur

    Met de komst van de Italiaanse koningin Bona, de vrouw van de zestiende-eeuwse Poolse koning Zygmunt III de Oude, belandden in het Pools plots veel Italiaanse woorden, vooral uit vakgebieden zoals de architectuur, muziek, het militaire apparaat en, bovenal, uit het culinaire domein. In de zeventiende eeuw was er dan weer een invasie van het Frans. De invloed van het Russisch en de andere oosterse talen was ook niet te onderschatten. Turks en Hongaars: ook bij die talen speelden wij leentjebuur. Uit het Latijn sijpelden abstracte en religieuze woorden door.

    In de vijftiende en zestiende eeuw was het Tsjechisch een heel populaire taal in Polen. Tsjechisch spreken was een keurmerk voor een hoge sociale positie. In de negentiende eeuw verdween Polen, verdeeld als het was tussen Rusland, Pruisen en Oostenrijk-Hongarije, volledig van de kaart van Europa. Er was toen sprake van intensieve en actieve germanisering en russificatie van de Poolse bevolking. En tegenwoordig kennen wij in Polen – zoals overal – een Engels offensief.

    Ik hou van die openheid van het Pools voor vreemde woorden. De puurheid van het Pools is zeker niet in gevaar – in onze bizarre mengeling worden zelfs de vreemdste woorden vermalen door de Poolse grammatica; ze krijgen eigenaardige uitgangen en worden in het keurslijf van de Poolse verbuigingen geperst. Het Pools zuigt woorden aan uit de hele wereld; het Pools is een taal met een eeuwige honger.

    In de lange jaren van leven en lijden onder drie agressors vervulde deze patchworktaal een bijzondere en paradoxale rol: zij was een erfstuk van onze nationale identiteit. De enige schatkist van de Poolse cultuur was toen de literatuur. Men streed voor het Pools, men stierf voor het Pools.

    Vertalers

    Vertalers zijn voor schrijvers zoals psychoanalytici: ze stellen de meest verbazingwekkende vragen. Het zou goed zijn om die vragen te noteren, te bewaren en uit te geven. Zo zouden lezers de zware taak van schrijver en vertaler beter leren te appreciëren en het fenomeen van de taal meer bewonderen. Dankzij vertalers ben ik zaken die voor mij vroeger vanzelfsprekend waren, totaal anders gaan bekijken. Vertalers hebben mij attent gemaakt op enkele eigenschappen van het Pools die ik hier probeer te beschrijven. Dezelfde vragen merk ik bij buitenlanders die opeens besluiten Pools te leren. Deze moedige mensen beklagen zich er vaak over dat de Poolse grammatica bijna volledig op uitzonderingen is gebouwd: elke regel staat met een groot aantal uitzonderingen machteloos in de strijd. Dat klopt.

    Pools is traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien

    Het Pools leer je beter door intuïtie, of je leert de taal gewoon uit het hoofd. Onze taal vindt het belangrijk om zo dicht mogelijk tegen tradities en historiciteit aan te schurken. Het is een taalmuseum vol fossielen dat niet gehoorzaamt aan de eenvoudige eisen van pragmatiek. De ingewikkelde vervoegen en verbuigingen werken niet alleen in op de uitgangen, maar veranderen vaak ook de stam van een woord. Ook de buitenlander die het Pools prima beheerst, wordt ontmaskerd zodra hij de verschillende varianten van de verleden tijd moet hanteren.

    De Poolse spelling kent verschillende schrijfwijzen voor een en dezelfde klank. Dat is een erfenis uit het verleden waarin ook de uitspraak van die klanken anders was. In de geschreven taal zijn die mutaties dus bewaard.
    Een angstvisioen voor elke scholier.

    Het Pools is logisch noch pragmatisch. De grammatica is veeleisend, soms gek, de schrijfwijze moeilijk. Om niet logisch verklaarbare (waarschijnlijk sentimentele) redenen houdt het Pools vast aan aloude grammaticale vormen.

    Pools is ook traditioneel op het vlak van geslacht – de taal is masculien. Het Pools is drie geslachten rijk, maar het mannelijke is het meest bevoorrecht. Mannelijke substantieven hebben andere verbuigingen dan vrouwelijke en onzijdige woorden. Wanneer het over mannen gaat, zeggen wij poszli, ‘zij gingen weg’. Over vrouwen zeggen wij poszły. Maar wanneer de groep gemengd is, hanteren wij per definitie de mannelijke versie poszli. Die regel is ook van toepassing als de groep bestaat uit, zeg maar, zestig vrouwen en één man. Zijn aanwezigheid is dus beslissend voor de hele groep.

    Wanneer wij praten of schrijven over ‘de mens’ in het algemeen, dan sluiten wij vrouwen (en kinderen) grammaticaal uit. Die patriarchale attitude wordt ook weerspiegeld in de naamgeving van beroepen. Vrouwelijke beroepsnamen klinken in het Pools dikwijls kleinerend, geven een minder professionele indruk en drukken onderwaardering uit. Kijk naar de vrouwelijke professor: profesorka. Dat klinkt als een mannelijke miniprofessor: profesorek.

    Geen ontsnappen aan

    Met dat masculiene karakter van het Pools heb ik als pisarka (de vrouwelijke versie van het woord pisarz, schrijver) veel problemen gehad. Men kan immers het geslacht van de schrijvende niet verbergen als men in de tekst de eerste persoon wil gebruiken. Voorts is het geslacht onmiddellijk zichtbaar in werkwoorden in de verleden tijd, net zoals het steeds in de vorm van adjectieven wordt ontmaskerd. Daar is geen ontsnappen aan.

    De vertaalster van de Britse schrijfster Jeanette Winterson had echt een probleem – in de originele tekst was het geslacht van de verteller volledig verborgen, door een consequent gebruik van de eerste persoon tegenwoordige tijd. En dat was nu net de essentie van de roman. In de Poolse vertaling was een dergelijke maskering van het geslacht onmogelijk. Na een arbitraire beslissing kreeg de verteller in de Poolse vertaling het vrouwelijke geslacht. Terloops wil ik eraan toevoegen dat er in het Pools geen ‘moedertaal’ bestaat maar wel een język ojczysty – een ‘vadertaal’.

    Het grote grammaticale potentieel van het Pools (en ook van de andere Slavische talen) maakt het mogelijk om verschillende vormen van verkleinwoorden te gebruiken. Ideaal voor taalspelletjes. Voor mij zijn verkleinwoorden een bron van warmte in de woordenschat, een categorie die in taalkundige handboeken afwezig blijft. Dankzij de kunde om alles te verkleinen, werd de wereld gezelliger en veiliger. Geen enkele Pool is verbaasd over de liedjestekst over een soldaat die naar een ‘oorlogje’ gaat met zijn ‘sabeltje’ op zijn lief ‘paardje’. Er zijn talrijke manieren om namen te verkleinen – en alle voornamen, substantieven en adjectieven zijn daartoe geschikt.

    Veeltalig land

    Tot de Tweede Wereldoorlog was Polen een multicultureel en veeltalig land. Het meest creatieve Pools was te vinden op de ontmoetingsplaats tussen de verschillende talen, esthetische belevingsvormen en mentaliteiten. Het mag geen toeval heten dat de grootmeesters van de Poolse taal vaak uit de rafelige randen van het taalgebied kwamen: het fascinerende en originele proza van Bruno Schulz, dat ontstond op de grens van drie culturen: de Poolse, Joodse en Oekraïense; de beeldende en rijke poëzie van Czesław Miłosz van de regio rond het toen Poolse maar nu Litouwse Vilnius, en de absoluut sprookjesachtige en helaas onvertaalbare taal van de Joods-Poolse dichters Bolesław Leśmian en Julian Tuwim.

    Het Pools… Elastisch, beeldend, ambigu, traditioneel en grammaticaal onvoorspelbaar. Meer in dienst van de intuïtie dan van de logos, meer geschikt voor poëzie dan voor wetenschappelijke dissertaties. Ik heb de indruk dat deze taal zich niet zo goed voelt in het intellectuele discours noch in het realistische lineaire verhaal. Ze prefereert open vormen met meerduidige betekenissen. Ze is gevoelig voor het absurde en groteske en verzandt gemakkelijk in pathetiek. Het is niet verwonderlijk dat Polen prat gaat op een beroemde en bejubelde poëzie. In het Pools kan de taalgebruiker zich veel veroorloven. Deze taalimpressionist, getalenteerd in sfeerbeschrijving, emotie, associatie en beelden, geeft van de wereld veeleer een schets dan een descriptie.

    Naar het schijnt, beweerde Flaubert dat een fiasco dreigt voor een taal die zich onledig houdt met de schepping van beelden en sferen: op dat moment verliest de taal zichzelf en verglijdt ze in anachronisme. Ik ben het daar niet mee eens. De schepping van een alternatieve wereld is net het machtigste kenmerk van de taal. Als een illusionist tovert ze onvoorstelbare dingen uit de hoge hoed. Het Pools is voor mij een archaïsche taal en is een equivalent van de onverdeelde wereld van de tijd toen de hele realiteit coherent en zintuiglijk leek, toen alles meer op de intuïtie gebaseerd was en het ‘wat’ belangrijker was dan het ‘hoe’. De taal is voor mij, zoals in die Oosterse metafoor, de vinger die naar de maan wijst.

    Ik vraag mij af in welke mate mijn gevoeligheid, perceptie en denken door deze moeilijke en weinig precieze maar zeer beeldende taal vorm zijn gegeven. In mijn werk zijn elementen als aanvoelen, sfeer, verborgen onrust onder de alledaagse werkelijkheid belangrijke bouwstenen. Zou ik ze ooit kunnen beschrijven in een vreemde taal? Misschien moet ik dankbaar zijn voor mijn literaire fatum.

    Paradoxaal genoeg behoort het Pools tot de zogenaamde groep van de kleine talen, hoewel er zo’n vijftig miljoen mensen zijn, als je de Poolse diaspora meetelt, die Pools spreken. Pools is een lokale en marginale taal, die bovendien heel moeilijk is en daarom veel mensen afschrikt. Het voordeel van ‘kleine’ talen is – zeker als je de grote kent – de mogelijkheid van escapisme uit de communicatie naar een eigen ondoordringbaar asiel. Zo heb ik me indertijd op de grote luchthavens ter wereld dikwijls in het Pools verborgen, er zeker van zijnde dat er niemand was die ons, Poolssprekenden, kon begrijpen.

    Vandaag ligt dat anders. De Poolse exodus van de jongste jaren verspreidt het Pools overal in de wereld. Maar ik denk niet dat veel buitenlanders het Pools zullen oppikken. Veeleer zullen wij, Polen, flink Engels studeren en ons via die weg laten horen in de wereld van vreemde talen. De schattige verkleinwoorden blijven intussen als evenzovele grenspalen de contouren van Polen bepalen, met een Pools ‘koffietje’ met ‘melkje’ in een ‘restaurantje’. Of zelfs bij een vrolijk ‘ticketcontroletje’.

    Dit essay is gepubliceerd in Overeind in Babel. Talen in Europa, onder redactie van Luc Devoldere. In dit boek schrijven zestien auteurs uit Europa over hun eigen taal en alle andere talen in hun leven. Met bijdragen van Ahmet Altan, Zoran Ancevski, Bernardo Atxaga, Abdelkader Benali, Paul Binding, Adriaan van Dis, Peer Hultberg, Leena Krohn, Caroline Lamarche, Claudio Magris, Antonio Munoz Molina, Ines Pedrosa, Kornelijus Platelis, Albertina Soepboer, Olga Tokarczuk en Marint Walser.

  • Hoe te overleven in een tijd van extremisme en islamofobie

    Hoe te overleven in een tijd van extremisme en islamofobie

    Omar Saif Ghobash, de ambassadeur van de Verenigde Arabische Emiraten in Rusland, schreef na de aanslagen van 11 september een reeks brieven aan zijn zoon die nog niets aan actualiteit hebben ingeboet. ‘Ik wilde nieuw terrein ontginnen op het gebied van denken, taal en verbeelding, om hem duidelijk te maken dat de wereld zo veel meer heeft te bieden dan de verwrongen fantasieën van extremisten.’

    Saif, de oudste van mijn twee zoons, is geboren in december 2000. In de zomer van 2001 namen mijn vrouw en ik hem mee op een tripje naar New York. Ik herinner me dat ik hem in een draagzak op mijn borst had. Een paar dagen nadat we weer terug waren in Dubai, volgden we op CNN de verschrikkelijke gebeurtenissen van 11 september. Toen duidelijk werd dat de aanvallen waren uitgevoerd door jihadterroristen, voelde ik een nieuw soort verantwoordelijkheid tegenover mijn zoon, nog los van alle andere heftige gevoelens die het ouderschap in je doet ontwaken. Ik wilde nieuw terrein ontginnen op het gebied van denken, taal en verbeelding, om hem – en mezelf en al mijn medemoslims – duidelijk te maken dat de wereld zo veel meer heeft te bieden dan de verwrongen fantasieën van extremisten. Hier ben ik de afgelopen jaren mee bezig geweest. De opdracht die ik mezelf heb gesteld lijkt alleen maar urgenter te worden naarmate de wereld steeds meer verstrikt raakt in een cyclus van jihadistisch geweld en islamofobie.

    Tegenwoordig woon en werk ik in Rusland, als ambassadeur van de Verenigde Arabische Emiraten, en ik probeer in mijn werk een sfeer te creëren die ruimte biedt voor ideeën en mogelijkheden. In die geest heb ik een reeks brieven aan Saif geschreven, met de bedoeling hem de ogen te openen voor enkele van de vragen waarmee hij in de loop van zijn leven geconfronteerd zal worden, en voor een scala aan mogelijke antwoorden.

    Ik wil dat mijn zoons en hun generatie moslims begrijpen hoe ze trouw kunnen zijn aan de islam en zijn diepste waarden, maar tegelijkertijd hun eigen koers kunnen uitstippelen in een complexe wereld. Ik wil dat ze leren observeren en nadenken, en zo tot de ontdekking komen dat er geen conflict hoeft te zijn tussen de islam en de rest van de wereld. Ik wil dat ze begrijpen dat we zelfs op het gebied van religie vele keuzes moeten maken. Ik vind dat de generatie moslims van mijn zoons het recht – en de plicht – heeft om na te denken over wat goed en fout is, over wat al dan niet behoort tot het wezen van de islam, en op grond daarvan haar eigen beslissingen te nemen.

    Verantwoordelijkheid

    Lieve Saif,
    Hoe zouden jij en ik verantwoordelijkheid kunnen nemen voor het leven dat wij als moslim leiden? Natuurlijk, het belangrijkste is om een goed mens te zijn. En als we goede mensen zijn, wat is er dan nog voor connectie tussen ons en de mensen die terreurdaden plegen en die beweren in naam van het geloof te handelen?’

    Veel moslims komen in opstand tegen dergelijke misdaden en veroordelen ze publiekelijk. Anderen zeggen dat de gewelddadige extremisten die deel uitmaken van groeperingen als Islamitische Staat geen echte moslims zijn. ‘Die mensen hebben niets van doen met de islam,’ luidt het refrein. Die bewering klinkt mij niet helemaal goed in de oren. Het lijkt een al te makkelijke manier om bepaalde ingewikkelde vragen uit de weg te gaan.

    Hoewel ik het handelen van de terroristen verafschuw, realiseer ik me dat zij op grond van de basale toelatings-eisen voor de islam onbetwist moslim zijn. De islam verlangt niet meer van een gelovige dan dat hij erkent dat er geen andere God is dan Allah en dat Mohammed zijn profeet is. Gewelddadige jihadisten geloven dit zonder meer. Dat is de reden dat belangrijke religieuze instituties binnen de islamitische wereld terecht hebben geweigerd hen als niet-moslims te bestempelen, hoewel ze hun daden veroordelen. Het is makkelijk om te zeggen dat jihadistische extremisten niets met ons te maken hebben. Hoewel hun lezing van de Koran ouderwets en vertekend lijkt, weten ze toch aanhang te winnen.

    Het is makkelijk om te zeggen dat jihadistische extremisten niets met ons te maken hebben

    Wat mij zorgen baart, is dat de ideeën van de extremisten steeds meer navolging lijken te vinden, terwijl de groep moslims die vasthoudt aan een andere opvatting van de islam steeds kleiner lijkt te worden. En naarmate die groep kleiner en kleiner wordt, lijkt hij ook stiller en stiller te worden, totdat het uiteindelijk lijkt alsof alleen nog de extremisten spreken en handelen in naam van de islam.

    Wij moeten ons uitspreken, maar het volstaat niet om in het openbaar te zeggen dat de islam niet gewelddadig is, of radicaal of kwaad, maar dat de islam een vreedzaam geloof is. We moeten verantwoordelijkheid nemen voor die islam van vrede. We moeten laten zien hoe die tot uiting komt in onze manier van leven en de manier waarop onze samenleving functioneert.

    Ik zeg niet dat moslims zoals jij en ik de schuld op ons moeten nemen voor wat de terroristen doen. Wat ik zeg, is dat we verantwoordelijkheid kunnen nemen door ons sterk te maken voor een ander begrip van de islam. We kunnen zowel moslims als niet-moslims duidelijk maken hoe wij de islam zien, en laten zien op welke manier de islam doorwerkt in ons leven. Ik vind dat we dat verschuldigd zijn aan alle onschuldige mensen, zowel moslims als niet-moslims, die hebben geleden onder het handelen van onze medegelovigen die op een extremistisch dwaalspoor zijn beland.

    Het is niet makkelijk om een dergelijke verantwoordelijkheid te nemen, al helemaal niet nu veel mensen buiten de moslimwereld overtuigd islamofoob zijn en mensen zoals jij en ik haten en vrezen, soms aangemoedigd door politieke leiders. Als je het gevoel hebt dat je ten onrechte apart wordt gezet en wordt aangevallen, is het niet makkelijk om met een kritische blik naar je geloof te kijken, al helemaal in het openbaar. Woorden en ideeën zijn hachelijk en kunnen zich zomaar aan je greep onttrekken. Je kunt de ene dag nog volledig overtuigd zijn van bepaalde opvattingen en de volgende ochtend bij het ontwaken vervuld zijn van twijfel. Vandaag de dag is het riskant om dat te erkennen; veel moslims worden wantrouwig zodra er kritisch wordt gekeken naar hun geloof.

    Maar geloof me: het is volstrekt normaal om je af te vragen of je het bij het goede eind hebt. Enkele van de grootste islamgeleerden hebben perioden van verwarring en twijfel gekend. Denk aan de filosoof en theoloog Abu Hamid al-Ghazali, die in de elfde eeuw in Perzië werd geboren en die van ongekend grote invloed is geweest op het islamitisch gedachtengoed. Vandaag de dag wordt hoog opgegeven van zijn werk, maar tijdens zijn leven kampte hij zelf met zo veel twijfels dat hij zich een decennium lang uit de maatschappij terugtrok. Het leek erop dat hij een spirituele crisis doormaakte. Hoewel we maar weinig weten over wat hem dwarszat, is duidelijk dat hij onzeker was, angstig zelfs. Maar de uitkomst van zijn
    periode van twijfel en zelfopgelegde afzondering was positief: Ghazali, die tot dan toe hoog was aangeslagen als geleerde van de orthodoxe islam, zorgde ervoor dat het soefisme, een spirituele tak van de islam, een plaats kreeg binnen de bredere stroming van het geloof. Hij bood ruimte aan spiritualiteit en poëzie binnen de islam, wat destijds volgens velen strijdig was met het geloof.

    Vandaag de dag zijn enkele van onze medemoslims van mening dat we alleen ideeën mogen aannemen die zijn terug te vinden in het oorspronkelijke islamitische gedachtengoed – oftewel ideeën die voorkomen in de Koran, de vroege woordenboeken van het Arabisch, de uitspraken van de Profeet en de biografieën van de Profeet en zijn metgezellen. Onder-tussen benadrukken ze dat we vreemde ideeën, zoals democratie, van de hand moeten wijzen. Geconfronteerd met liberalere opvattingen, die stellen dat discussiëren, debatteren en het zoeken naar consensus oude islamitische tradities zijn, betogen ze dat democratie een zonde is tegen de macht van Allah, tegen zijn wil, en tegen zijn soevereiniteit. Sommige extremisten zijn zelfs bereid te doden om dat standpunt te verdedigen.

    Maar weten zulke mensen überhaupt wat democratie is? Ik denk van niet. Sterker nog, uit veel van hun verklaringen blijkt dat ze maar weinig begrijpen van hoe mensen bij elkaar kunnen komen om gemeenschappelijke besluiten te nemen. De regering die ik vertegenwoordig is een monarchie, maar ik voel geen noodzaak om de tegenstanders van democratische hervormingen weg te zetten als afvalligen. Ik ben het misschien niet altijd met ze eens, maar dat maakt hun opvattingen nog niet onislamitisch.

    Een andere ‘vreemde’ praktijk die moslims veel zorgen baart, is de vermenging van de seksen. In sommige landen met een moslimmeerderheid wordt een scheiding van mannen en vrouwen verplicht gesteld op scholen en universiteiten, en op het werk. (In ons eigen land zijn de meeste lagere en middelbare scholen gescheiden, evenals sommige universiteiten.) De autoriteiten in die landen zeggen dat dergelijke wetten volgens ‘de ware islam’ zijn en dat ze voorkomen dat er buitenechtelijke relaties ontstaan. Misschien is dat zo. Maar onderzoek naar dergelijke zaken – onderzoek dat meestal wordt verboden – zou weleens kunnen aantonen dat er helemaal geen sprake is van een dergelijk effect.

    En zelfs als een strikte scheiding van de seksen bepaalde voordelen zou hebben, welke prijs wordt daar dan voor betaald? Zou het kunnen zijn dat het leidt tot psychische verwarring en onrust, bij zowel mannen als vrouwen? Zou het kunnen zijn dat het leidt tot een onvermogen om leden van de andere sekse te begrijpen wanneer je daar dan eindelijk mee mag omgaan? Regeringen van veel moslimlanden hebben geen bevredigend antwoord op die vragen, omdat ze niet de moeite nemen zich erin te verdiepen.

    Vrouwen als minderwaardig behandelen is geen religieuze plicht; het is domweg de gang van zaken binnen patriarchale gemeenschappen.

    Mannen en vrouwen

    Lieve Saif,
    Je bent opgegroeid in een huishouden waar vrouwen – onder wie je moeder – sterk zijn, goed opgeleid, doelgericht, hardwerkend. Als iemand zou suggereren dat mannen belangrijker of getalenteerder zijn dan vrouwen, zou jij je achter de oren krabben. Maar toen ik zo oud was als jij, kreeg ik tijdens de preken in de moskee te horen dat vrouwen inherent inferieur waren. Mannen waren sterk, intelligent en emotioneel stabiel – natuurlijke kostwinners. Vrouwen waren aanhangsels: er diende voor hen gezorgd te worden, maar je hoefde ze niet serieus te nemen.

    Die kijk op vrouwen doet nog altijd opgang in delen van de moslimwereld – en, eerlijk is eerlijk, ook op andere plekken. Het is zeker niet de enige kijk op vrouwen die de islam ons biedt, maar het is een krachtige overtuiging die veel politieke, juridische en financiële steun geniet. Ik ben er trots op dat je moeder en je tantes allemaal hebben doorgeleerd en werk doen dat ze zelf hebben gekozen. Het heeft hen er niet echt van weerhouden kinderen te krijgen en voor hun man te zorgen – de rol die de conservatieve lezing van de islamitische teksten van hen verlangt.

    De vrouwen in jouw leven onttrekken zich aan de traditionalistische lezing, waarin vrouwen worden voorgesteld als inherent passieve schepsels die door mannen moeten worden beschermd tegen de gevaren van de wereld. Het heeft veel weg van een selffulfilling prophecy: in veel moslimgemeenschappen hameren mannen erop dat vrouwen niet zijn opgewassen tegen de grote, boze buitenwereld, en tegelijkertijd onthouden ze vrouwen de basale rechten en vaardigheden die nodig zijn om je tot die wereld te verhouden.

    Andere traditionalisten baseren hun opvatting over vrouwen op een andere redenering, die zelden openlijk wordt besproken, al helemaal niet ten overstaan van niet-moslims, omdat het enigszins taboe is. Het komt hierop neer: als vrouwen zich zelfstandig zouden kunnen verplaatsen, als ze onafhankelijk zouden zijn, als ze zouden samenwerken met mannen die niet tot hun familie behoren, dan zouden ze verboden romantische of zelfs seksuele relaties kunnen aanknopen. En ja, natuurlijk is dat een mogelijkheid. Maar dergelijke relaties kunnen ook ontstaan als een vrouw binnen het gezin weinig liefde en respect krijgt. Vrouwen worden maar al te vaak gestraft voor dergelijke relaties, terwijl de mannen er zonder repercussies van afkomen – een onacceptabele ongelijkheid.

    Dit traditionalistische standpunt komt, in wezen, voort uit een verlangen om vrouwen onder de duim te houden. Maar vrouwen moeten niet onder de duim worden gehouden; ze moeten vertrouwen en respect krijgen. We vertrouwen en respecteren onze zussen, onze moeders, onze dochters en onze tantes, en we moeten andere vrouwen datzelfde vertrouwen en respect geven. Als we dat zouden doen, zouden we in de moslimwereld
    misschien niet met zo veel gevallen van seksueel geweld en uitbuiting te maken hebben.

    Saif, ik wil dat je weet dat nergens staat geschreven dat moslimvrouwen minder zijn dan moslimmannen. Vrouwen als minderwaardig behandelen is geen religieuze plicht; het is domweg de gang van zaken binnen patriarchale gemeenschappen. Binnen de islamitische traditie zijn er vele voorbeelden hoe moslimvrouwen trouw aan hun geloof kunnen blijven. Zo zijn er moslimvrouwen die zich hebben verdiept in de oorsprong van
    de hidjab [de traditionele doek die het hoofd en het haar bedekt] en die tot de conclusie zijn gekomen dat nergens met zoveel woorden staat geschreven dat ze die moeten dragen – laat staan dat er een voorschrift zou zijn om een boerka of nikab te dragen, die nog veel meer bedekken. Veel mannen zijn tot dezelfde conclusie gekomen. De islam roept vrouwen op zich ingetogen te kleden, maar de gezichtsbedekking is feitelijk een pre-islamitische traditie.

    De beperkingen die vrouwen wordt opgelegd in traditionele moslimgemeenschappen, zoals verplichte gezichtsbedekking, regels die hun mobiliteit aan banden leggen of beperkingen op het gebied van werk en scholing, stoelen niet op de islamitische doctrine maar op de angst van mannen dat ze vrouwen niet onder de duim kunnen houden – en de angst dat vrouwen, als ze niet onder de duim worden gehouden, mannen het nakijken geven omdat ze gedisciplineerder en meer gefocust zijn, en harder werken.

    Islam en de staat

    Lieve Saif,
    Je zult onvermijdelijk moslims tegenkomen die hoofdschuddend naar de moderne islamitische samenleving kijken en mompelen: ‘Als iedereen nou maar een goede moslim was, zou dit allemaal nooit gebeuren.’ Hoe vaak heb ik deze klaagzang niet moeten aanhoren. Je hoort het zeggen door mensen die kritiek uiten op corrupte overheden in moslimlanden, of die de vermeende toename van zedeloos gedrag aan de kaak stellen. Anderen zeggen het als ze verschillende vormen van islamitische wetgeving willen promoten.

    De bekendste uiting van dit idee is de slogan: ‘De islam is de oplossing’, die wordt gebruikt door de Moslimbroederschap en vele andere islamitische groeperingen. Het is een briljante slogan. Veel mensen geloven erin. (Toen ik jonger was, geloofde ik erin met heel mijn hart.) De slogan is een ultrakorte samenvatting van het uitgangspunt dat alle grootse gebeurtenissen binnen de islamitische geschiedenis – de veroveringen, de rijken, de kennisproductie, de rijkdom – hebben plaatsgevonden onder een of andere vorm van religieus bewind. Dus als we deze vergane glorie nieuw leven willen inblazen in de moderne tijd, moeten we weer een dergelijk systeem in het leven roepen. Als een beetje islam goed is, is meer islam alleen nog maar beter, luidt de redenering. En als meer islam beter is, dan is totale islam het beste.

    Als een beetje islam goed is, is meer islam alleen nog maar beter, luidt de redenering

    De invloedrijkste hedendaagse voorvechter van deze opvatting is IS, met zijn ongebreidelde enthousiasme voor een kalifaat, een alomvattende religieuze staat. Het kan moeilijk zijn om je tegen dat uitgangspunt te verweren zonder de indruk te wekken dat je de oorsprong van de islam in twijfel trekt: de profeet Mohammed was tenslotte niet alleen een religieus leider maar ook een politiek leider. En het islamistische argument stoelt op de hardnekkige logica van extreem geloof: als we zeggen dat we handelen in naam van Allah, en als we de wetten van de islam opleggen, en als we zorgen dat de moslimbevolking in een bepaald gebied de juiste houding heeft, dan zal Allah ons te hulp schieten en al onze problemen oplossen.

    Het geniale schuilt in de bewering – of die nou wordt uitgedragen door de fanatieke jihadisten van IS of door de genuanceerdere theocraten van de Moslimbroederschap – dat alle problemen of mislukkingen kunnen worden toegeschreven aan onvoldoende vroomheid of loyaliteit onder de bevolking als geheel. Leiders hoeven de schuld niet te zoeken bij zichzelf of bij hun beleid; de burgers hoeven niet te twijfelen aan hun eigen normen en waarden, of aan hun gebruiken.

    Maar vroomheid is niet alles, en wie ervan uitgaat dat Allah wel voor ons zal zorgen, dat hij al onze problemen zal oplossen, onze kinderen zal voeden, scholen en kleden, neemt Allah niet serieus. De enige manier om het lot van de moslims op deze wereld te verbeteren is doen wat mensen elders hebben gedaan, en wat moslims in eerdere eeuwen hebben gedaan om te welslagen: kennis opdoen, hard werken en de lastige vragen van het leven onder ogen zien, in plaats van je terug te trekken in religieus obscurantisme.

    De individuele moslim

    Lieve Saif,
    Op school, in de moskee en in het nieuws heb je waarschijnlijk veel gehoord over de Arabische staat, de Arabische samenleving, de vrome moslims en de islamitische oemma. Maar heb je ooit iemand gehoord over de moslim als individu of over moslim-individualisme? Waarschijnlijk niet – en dat is een probleem.

    De Profeet sprak over de oemma, of de moslimgemeenschap. In de zevende eeuw was dat niet zo gek. Mohammed had uit het niets een grote schare volgelingen weten te vergaren; op zeker moment kon je met recht spreken van een aparte entiteit. Maar het concept van de oemma heeft het mogelijk gemaakt dat zelfbenoemde religieuze leiders spreken in naam van alle moslims, zonder de rest van ons te vragen hoe wij erover denken. Het idee van een oemma maakt het ook makkelijk voor extremisten om de islam – en alle moslims over de hele wereld – lijnrecht tegenover het Westen te plaatsen, tegenover het kapitalisme, tegenover van alles en nog wat. In dat beeld van de moslimwereld komt de stem van het individu op de tweede plaats, na de stem van de groep.

    We zouden kunnen besluiten elkaar als individu te zien, ongeacht onze achtergrond

    In de loop der jaren hebben we geleerd dat de gemeenschap voor het individu gaat. Daarom klinkt het vreemd om het zelfs maar over ‘de moslim als individu’ te hebben. Het klinkt me bijna tegennatuurlijk in de oren, alsof het verwijst naar een niet-bestaande categorie – in ieder geval binnen het wereldbeeld dat moslims lange tijd dienden te koesteren. Je hoeft niet terug te vallen op een groots verleden om een grootste toekomst op te bouwen. Ik zou niet willen dat dat voor jou en jouw generatie opgaat.

    Door dialoog en een openbare discussie over wat het betekent om een individu te zijn in een moslimwereld, zouden we helderder kunnen nadenken over de persoonlijke verantwoordelijkheid, de ethische keuzes en het respect en de waardigheid van ménsen in plaats van families, stammen of sekten. Dan zouden we ons misschien niet langer blindstaren op onze verantwoordelijkheden jegens de oemma en kunnen we gaan nadenken over onze verantwoordelijkheid jegens onszelf en anderen, die we dan niet langer zouden beschouwen als onderdeel van een groep die gekant zou zijn tegen de islam, maar als individuen. In plaats van te informeren naar iemands familienaam en stamboom en sekten, zouden we kunnen besluiten elkaar als individu te zien, ongeacht onze achtergrond.

    We zouden geleidelijk onder ogen kunnen gaan zien hoe krankzinnig veel mensen in de moslimwereld zijn vermoord tijdens burgeroorlogen, of zijn omgekomen bij terroristische aanslagen die niet zijn gepleegd door buitenstaanders maar door medemoslims. We zouden deze mensen kunnen gedenken, niet als groep maar als individuen met een naam, een gezicht en een levensverhaal – niet om de doden op te hemelen maar om onze verantwoordelijkheid te erkennen om hun waardigheid en integriteit te bewaren, net als de waardigheid en de integriteit van alle overlevenden.

    Op deze manier kan het idee van de moslim als individu misschien leiden tot betere discussies over politiek, economie en veiligheid. En als jij en je generatiegenoten jezelf op de eerste plaats als individu leren zien, kunnen jullie misschien een betere samenleving tot stand brengen. Jullie zouden je lot meer in eigen hand kunnen nemen, meer in het heden kunnen leven, in het besef dat je niet hoeft terug te grijpen op een groots verleden om een grootse toekomst op te bouwen.

    Onze persoonlijke, individuele belangen vallen misschien niet altijd samen met die van de patriarch, de familie, de stam, de gemeenschap of de staat. Maar meer oog voor de individualiteit van elke afzonderlijke moslim zal misschien leiden tot een herijking van de islamitische gemeenschap, met meer medeleven, meer begrip en meer empathie. Als je de individuele diversiteit accepteert van je medemoslims, zul je waarschijnlijk ook eerder hetzelfde doen bij mensen met een ander geloof.

    Moslims kunnen en moeten in harmonie leven met de diversiteit van de mensheid buiten ons geloof. Maar dat zal grote moeite kosten, zolang we onszelf niet echt als individu durven zien.

  • Meer Nederlandse literatuur graag

    Meer Nederlandse literatuur graag

    De Britse krant The Guardian is blij verrast met de nieuwe Penguin-bloemlezing van Nederlandse literatuur, samengesteld door wijlen Joost Zwagerman. ‘Deze bundel laat ons zien dat Nederlandse en Britse personages in wezen op elkaar lijken.’

    Keuze uit het archief

    Afgelopen woensdag was het Wereldboekendag. Op deze dag wordt aandacht gevraagd voor het belang van boeken en literatuur in een tijd waarin de woordcultuur steeds meer verdrongen wordt door de beeldcultuur. Bij literatuur denken we wellicht eerder aan buitenlandse boeken dan aan de werken van onze eigen literaire grootmeesters.
    Onterecht, vindt Jonathan Gibbs. In dit artikel uit The Guardian van acht jaar geleden breekt de Britse recensent een lans voor de Nederlandse literatuur. De reden dat die internationaal zo onbekend is, is dat de Nederlanders zelf haar zo slecht kennen, aldus Gibbs. Werk aan de winkel dus.

    Waar moet je beginnen bij Nederlandse literatuur? Elke Britse lezer met een redelijk oog voor wat er over de grens gebeurt kan een lijst Franse, Italiaanse en Scandinavische schrijvers opsommen, modern en klassiek. En ook Duitse, al zijn die waarschijnlijk eerder van de vorige eeuw dan de huidige. Maar Nederlandse? Dat is een vreemd hiaat in onze culturele kennis van Europa.

    En dat is verbazingwekkend als je bedenkt hoe de gemiddelde Nederlander en Brit op elkaar lijken. Natuurlijk, Het diner van Herman Koch, waarin een schijnbaar gelukkig gezin genadeloos wordt gefileerd, was in 2009 een groot internationaal succes en Gerbrand Bakker won in 2010 de International IMPAC Dublin Literary Award met The Twin [de Engelse vertaling van Boven is het stil]. En dan is er nog Cees Nooteboom, inmiddels in de tachtig, die is doorgedrongen tot de zeldzame hogere sferen van ‘het genoemd worden als Nobelkandidaat’. Maar dat waren de Nederlandse auteurs die ik kon opnoemen… tot de verschijning van The Penguin Book of Dutch Short Stories.

    Deze enorm welkome bloemlezing bewijst ons een dubbele dienst door ons te laten kennismaken met 36 schrijvers, levende en dode, van wie we waarschijnlijk nog nooit hebben gehoord, en ook nog tot op zekere hoogte uit te leggen waarom dat zo is. Dat is te danken aan de uitstekende inleiding van samensteller Joost Zwagerman. Het speet me voor in het boek te moeten lezen dat hij zelfmoord heeft gepleegd voordat de bloemlezing verscheen.

    cover

    De reden dat de Nederlandse literatuur hier [in Engeland] onbekend is, aldus Zwagerman,
is dat de Nederlanders die zelf nauwelijks kennen. De Nederlandse taal is de afgelopen eeuwen aan zo’n voortdurende verandering onderhevig geweest, schrijft hij, dat ‘veel grote werken uit de zeventiende-, achttiende- en negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur in modern Nederlands moeten worden vertaald om ze toegankelijk te maken voor de gemiddelde lezer’. Laurence Sterne? Jane Austen? Charlotte Brontë? Stel je voor dat die allemaal voor ons verloren waren gegaan!

    Het is dan ook niet verwonderlijk dat Zwagerman zijn selectie nog geen eeuw geleden laat beginnen, in 1918. Titaantjes, geschreven onder het pseudoniem Nescio, heeft pas in 2012 zijn weg naar de Engelse lezer gevonden. Zwagerman prijst Nescio’s verhaal – over een groep idealistische jongemannen die zich met vallen en opstaan aanpassen aan het werkzame leven – omdat het zo lyrisch is, en omdat het algemene beeld van de Nederlander als nuchter en hardwerkend erin wordt omgedraaid – en daar laat hij het vrijwel bij.

    Het is ook onmiskenbaar melancholiek. Ik zou liegen als ik zei dat deze bundel de Nederlandse literatuur als een
dijenkletser presenteert. Waar er sprake is van humor, is die van de wrange en sombere soort, zoals in
‘De Minnema-variaties’ van Nicolaas Matsier, een verhaal over een redacteur van een literair tijdschrift die wordt geplaagd door eindeloze inzendingen van een gedoemde – en eerlijk gezegd verschrikkelijke – dichter. Het is grappig zoals Herman Melvilles De klerk Bartleby grappig is: eindeloos, totdat je beseft hoe onaangenaam vertrouwd het voelt.

    Net als wij zien Nederlanders zichzelf als een redelijk compromis tussen Latijnse hartstocht en Duitse onbuigzaamheid

    Er is veel eigenaardigs te vinden in de Nederlandse literatuur; tot mijn favorieten behoren een verhaal over een man die wordt uitgedaagd verse hondenpoep te eten om de sleutels van een grachtenhuis te bemachtigen, en over een journalist die een dag in het veld doorbrengt met een in gedachten verzonken muskusrattenvanger.
Maar wat het uiteindelijk zo de moeite waard maakt, is dat de bundel ons laat zien dat Nederlandse en Britse personages in wezen op elkaar lijken. Hetzelfde geldt voor de twee talen, 
linguïstisch gesproken, als je de uiterst netelige kwestie van de uitspraak
buiten beschouwing laat. Net als bij ons voert rationaliteit hoogtij in Nederland, met in de kern een visioen van klassenloosheid. Net als wij zien Nederlanders zichzelf als een redelijk compromis tussen Latijnse hartstocht en Duitse onbuigzaamheid.

    Ongetwijfeld mede dankzij de voortreffelijke vertalingen voelen veel Nederlandse verhalen en boeken vertrouwd, soms griezelig vertrouwd. De meeste zouden met gemak in het Verenigd Koninkrijk kunnen worden gesitueerd – bij East Bergholt van Marcel Möring is dat
daadwerkelijk het geval, net als bij
De omweg van Gerbrand Bakker, dat in Wales speelt. De personages hebben vreemde trekjes die ons bekend voorkomen. Daar moeten we dankbaar
voor zijn, en we moeten niet rusten voordat er meer Nederlandse literatuur onze kant op komt.

  • Mogen klassiekers worden gemoderniseerd?

    Mogen klassiekers worden gemoderniseerd?

    Een light-versie schrijven van een klassieker die wordt beschouwd als de eerste roman uit de wereldliteratuur, 
je moet het maar durven. Andrés Trapiello deed er veertien jaar over om de Don Quichot te moderniseren. Een tour de force die hem niet door iedereen in dank wordt afgenomen.

    In de Don Quichot, het beroemde boek dat Miguel de Cervantes zo rond 1600 schreef, staan honderden woorden en uitdrukkingen die in de loop der eeuwen in onbruik zijn geraakt. Het is voor een Spaanstalige anno nu onmogelijk om zonder een woordenboek of de noten onder aan de pagina te raadplegen de tekst volledig te begrijpen van deze klassieke roman, die inmiddels vertaald is in 145 talen en verhaalt over de naïeve ridder Don Quichot die bijgestaan door zijn schildknecht Sancho Panza de strijd aanbindt met windmolens.

    Het goede nieuws – hoewel niet voor iedereen – is dat er sinds kort een gemoderniseerde versie bestaat, verzorgd door de (Spaanse) schrijver Andrés Trapiello, die er veertien jaar aan heeft gewerkt. Maar deze tour de force is enkele geleerden in het verkeerde keelgat geschoten: ze spreken van ‘humaniteitsschennis’. Zo beweert universitair docent David Felipe Arranz bijvoorbeeld dat door deze ‘light prose’-versie het origineel van Cervantes niet meer wordt verkocht. ‘De woorden die de beste schrijver van onze taal gebruikt, mogen niet op een dergelijke manier worden verminkt,’ voegt hij eraan toe.

    María Antonia Garcés, specialist in het werk van Cervantes, is juist erg enthousiast over de ‘durf’ van Trapiello en begrijpt de ophef niet. Volgens haar zijn dit soort bewerkingen van alle tijden. ‘De aanpassingen vallen eigenlijk reuze mee en de tekst wordt er niet wezenlijk door aangetast. Alles wat men doet om goede literatuur nader tot de lezer te brengen is welkom, zelfs verfilmingen of een toneelversie,’ meent Garcés. Ze legt uit dat de taal in Cervantes’ tijd nog volop in ontwikkeling was en dat de tekst dus zinnen bevat die voor een moderne lezer onbegrijpelijk zijn.

    Windmolens in Consuegra.
    Windmolens in Consuegra.

    Men kan de Don Quichot niet lezen in een editie zonder noten, want er zijn tal van historische verwijzingen die verklaard moeten worden, stelt ze, en dat geldt ook voor archaïsche woorden en gezegden. ‘Trapiello toont een groot respect voor de tekst van Cervantes, en dankzij hem kunnen veel lezers nu zonder angst het boek openslaan in de zekerheid dat ze zullen begrijpen wat ze lezen.’

    Al even enthousiast is de Colombiaanse dichter Darío Jaramillo Agudelo, die meent dat Trapiello de aangewezen persoon is voor een dergelijke klus. ‘Zijn twee romans over onderwerpen ontleend aan Don Quichot zijn uitstekend en verraden een grote kennis van zaken. Bovendien is Trapiello een van de grote Spaanstalige vertellers van dit moment.’ Jaramillo, die het werk van Cervantes door en door kent, verzekert dat hij elke keer als hij het boek opnieuw leest weer wordt verrast. ‘Ik ben zeker van plan die vertaling naar de eenentwintigste eeuw te gaan lezen, want er zijn dingen uit het zeventiende-eeuwse origineel die ook ik gewoon niet begrijp.’

    Hoe dan ook, kritiek kan altijd nog scherper worden aangezet. De Spaanse succesauteur Arturo Pérez-Reverte besloot de Don Quichot te ontdoen van alle hoofdstukken die niet direct te maken hebben met de twee hoofdpersonages. Zijn editie, die in januari van dit jaar het licht zag, werd door sommigen bestempeld als ‘vreselijk’.

    Ook de Amerikaanse schrijver Ilan Stavans, die zijn hele leven heeft gewijd aan Spaanstalige literatuur, kreeg de volle laag. In 2002 waagde hij het boek te vertalen in het ‘Spanglish’, in de hoop dat het werk zo lezers zal vinden in de frisse, opkomende cultuur van de latino’s in de VS, waar het Spanglish de nieuwe lingua franca is. Hij werd neergesabeld en uitgemaakt voor ‘verkrachter van de Spaanse taal’ en ontving zelfs doodsbedreigingen, ‘de ergste vorm van lafheid’, volgens Stavans. Hij denkt dat het boek van Trapiello is uitgekomen op een cruciaal moment in de geschiedenis van Spanje. ‘Het land maakt een van de ergste crises door en zoekt naar zijn wortels. Daarbij lezen de Spanjaarden hun Don Quichot niet meer. De avonturenroman is nu veel populairder in het buitenland.’

    Zoveel lezers, zoveel ervaringen. Álvaro Bautista, hoogleraar Literatuur, las geen woorden maar verhalen, gebeurtenissen en personages toen hij voor het eerst de Don Quichot las. ‘Elke zin in archaïsch Spaans koesterde ik als een prachtig mysterie. Ik vond het leuk dat de taal me op het verkeerde been zette, want men moet niet vergeten dat al in de tijd van Cervantes zelf sommige uitdrukkingen en woorden verouderd waren.’

    Docent Alexander Erazo houdt zich wat de controverse aangaat op de vlakte. Hij leest de klassieker al jaren met zijn klas. ‘Het is onmogelijk dat alle leerlingen meteen gegrepen worden door het boek. Volgens mij moet je eerst een inleiding geven waarin je vertelt over de tijd waarin een dergelijk werk is geschreven.’

    De polemische versie van Trapiello zal zeker niet de laatste zijn. Zoals Ilan Stavans zegt: ‘In elke taal worden de klassieken gemoderniseerd: Dante in het Italiaans, Molière in het Frans, Goethe in het Duits, om nog maar te zwijgen van de Bijbel, misschien wel de meest geactualiseerde – en verkeerd begrepen – tekst van de mensheid.’

    Catalina Villa