Onderwerpen: Literatuur

  • Nachtelijke tochten langs de zelfkant

    Nachtelijke tochten langs de zelfkant

    Onderklasse versus gentrificatie

    De hoofdpersonen in de boeken van de Amerikaanse auteur en singer-songwriter Willy Vlautin zijn meestal niet te benijden. In een mistroostige sfeer proberen ze zich te ontworstelen aan hun uitzichtloze situatie. Het bekendste personage is de vijftienjarige Charley uit de roman Lean on Pete (2010, verfilmd in 2018), die er na de dood van zijn vader op een renpaard vandoor gaat, op zoek naar een beter bestaan. 

    In Vlautins laatste boek The night always comes is het de dertigjarige Lynette die ’s avonds en ’s nachts de straten van Portland (Oregon, waar Vlautin vandaan komt) doorkruist om aan geld te komen en het huurhuis te kunnen afbetalen. Norah Piehl vindt in The Bookreporter dat Lynettes ‘chronische vermoeidheid als gevolg van haar dagelijkse routine’ voelbaar is op elke pagina. ‘Alsof je naar een video van een roekeloze chauffeur kijkt. Je weet dat er een ongeluk van komt, en toch blijf je kijken.’

    ‘Klassieke, zwarte roman waarin de hoofdpersoon door Amerika aan haar lot wordt overgelaten’

    Volgens Cameron Woodhead van The Sydney Morning Herald fungeert ‘de affiniteit met de onderklasse’ als ‘brandstof voor Vlautins fictie’. Daarbij is het knap is dat hij zich niet laat verleiden tot het maken ‘ellendeporno’. ‘Daar is het hoofdkarakter veel te krachtig voor en heeft Vlautin haar pech te sterk voor uitgewerkt.’

    Publishers Weekly maakt melding van een ‘klassieke, zwarte roman waarin de hoofdpersoon door Amerika aan haar lot wordt overgelaten’. (…) Een pittige pageturner, geschreven in toonvast proza, waarin de wanhoop van de hoofdfiguur tastbaar wordt.’  

    Alanna Bennett stelt in The New York Times dat het boek vooral ‘de gentrificatie en de gevolgen ervan voor de onderste sociale klasse in beeld brengt. Ze noemt de manier waarop Vlautin Portland en ook de overige personages neerzet, ‘wel wat overspannen’. ‘Maar het boek vindt zijn bestaansrecht in de beschrijving van de binnenwereld van hoofdpersoon Lynette. Zo wordt de neergang van een stad tot een diep persoonlijke tragedie.’ (Diederik Samwel)

    The night always comes van Willy Vlautin verscheen 24 oktober bij uitgeverij Meulenhoff, in de vertaling De nacht valt altijd door Dirk-Jan Arensman.  

    Diederik Samwel

  • Mariana Enríquez vestigt zich als vooraanstaand auteur

    Mariana Enríquez vestigt zich als vooraanstaand auteur

    De roman Ons deel van de nacht van de Argentijnse schrijver Mariana Enríquez bezorgt de lezer slapeloze nachten. Volgens El País vestigt Enríquez zich hiermee ‘als een van de belangrijkste Latijns-Amerikaanse auteurs van de eenentwintigste eeuw’.

    In de nieuwe roman van Mariana Enríquez, Nuestra parte de noche (Ons deel van de nacht), reist hoofdpersoon Gaspar met zijn vader van Buenos Aires naar de Iguazú-watervallen aan de grens met Brazilië, waar Gaspar betrokken raakt bij een geheim genootschap dat wordt gerund door de familie van zijn overleden moeder. De groep zoekt het eeuwige leven door middel van gruwelijke rituelen, waaronder mensenoffers.

    ‘De veelvuldige verwijzingen naar episodes, namen, praktijken of geheimen die overheersen in het onmenselijke decor van (…) de militaire junta in Argentinië in de periode 1976-1983,’ schrijft het Spaanse literatuurtijdschrift LeTralia, ‘laten geen ruimte voor twijfel. De roman benadrukt met deze fictieve constructie de echte gebeurtenissen uit de recente geschiedenis.’ Zelf licht Enríquez toe: ‘Ik maakte [als klein meisje] geen onderscheid tussen realiteit en fictie want de realiteit was erger dan welke fictie je ook maar kon bedenken,’ citeert LitHub, die Enríquez typeert als gothic realist beïnvloed door uiteenlopende schrijvers, zoals Arthur Rimbaud en Emily Brontë. 

    Volgens El Cultural, het wekelijkse cultuurmagazine van El Mundo, schreef Enríquez een ‘roman die je slapeloze nachten bezorgt, waarna het nog niet is afgelopen, want vervolgens ontvouwen zich alle interpretatiemogelijkheden’. De roman zou gaan over een ‘over vaderschap en afstamming, over de wreedheid die nodig is om het goede te bereiken in plaats van enkel volgzaamheid; over macht, over verlangen, oncontroleerbaar en veelzijdig, grenzend aan dood of geweld. Over vriendschap.(…)’ El País spreekt over een ‘ambitieuze en geniale roman, waarmee Enríquez zich vestigt als een van de belangrijkste Latijns-Amerikaanse auteurs van de eenentwintigste eeuw’. De lijst namen waarmee Enríquez wordt vergeleken is dan ook even divers als indrukwekkend: van Stephen King, Roman Polanski en William Friedkin tot Julio Cortázar, Jorge Luis Borges, Silvina Ocampo en Alberto Laiseca. 

    Onlangs verschenen bij De Bezige Bij, in een vertaling van Irene van de Mheen.

    Door Laura Weeda

  • Salman Rushdie is op Substack. ‘Welke stemmen de ruimte krijgen is een belangrijke vraag’

    Salman Rushdie is op Substack. ‘Welke stemmen de ruimte krijgen is een belangrijke vraag’

    De Britse schrijver Salman Rushdie waagt het erop. Hij publiceert zijn volgende boek als een serie op het onlineplatform Substack. Hij hoopt dat Substack ‘misschien een iets complexere band mogelijk maakt’ en hem de ruimte zal bieden om over dingen te praten die ‘te groot zijn om in tweets te bespreken’.

    Vanuit het donker verschijnt Salman Rushdie langzaam in beeld, het vertrouwde gezicht met baardje en bril vult het scherm, terwijl hij voor een boekenkast zit die in aanmerking komt voor de titel ‘meest indrukwekkende Zoom-boekenplankachtergrond’.

    Vanuit zijn New Yorkse appartement komt hij met drie mededelingen: hij heeft een deal gesloten om zijn volgende roman als serie op Substack te laten verschijnen; hij wil een lang gekoesterde wens om filmrecensent te worden in vervulling laten gaan; en hij durft nog steeds geen poëzie te schrijven.

    ‘De laatste tijd, deze vreemde anderhalf jaar, voel ik me erg aangetrokken tot het idee om dingen uit te proberen die ik nooit eerder heb gedaan,’ zegt hij.

    ‘Dat heeft te maken met de omstandigheden waarin we allemaal verkeerden, dat we gedwongen werden om naar binnen te kijken. Ik heb dat boek met essays uitgebracht, mijn twintigste boek, en was al bezig met het eenentwintigste boek, dat een roman wordt. Eigenlijk dacht ik alleen maar: Doe eens iets anders. En precies op dat moment kwam dit project.’

    ‘Dit project’ is zijn activiteit op Substack en werd geboren toen dat nieuwsbrievenplatform contact opnam met Rushdies literair agent Andrew Wylie, die hem vervolgens vroeg of hij er iets voor zou voelen.

    Het platform, dat vooral bekendstaat om de gerenommeerde journalisten die het aan zich heeft weten te binden, probeert de laatste tijd ook fictieschrijvers binnen te halen. Patti Smith publiceert erop, net als de Israëlische schrijver Etgar Keret.

    ‘Ik heb me verdiept in Kerets Substack en dat is zo geestig en prettig om te lezen, en hij heeft er zo duidelijk plezier in, dat ik dacht: Misschien kan ik dat wel doen.’

    Betaald en gratis

    Substack biedt een platform waar lezers zich kunnen abonneren op individuele schrijvers, van wie ze dan de posts in hun inbox krijgen of online kunnen lezen. Schrijvers bieden vaak een mengeling van betaalde en gratis content aan, en dat wil Rushdie ook gaan doen.

    ‘Ik ga het min of meer al doende bedenken, maar ik heb wel wat uitgangspunten,’ zegt hij. Afgezien van de romanafleveringen zal hij er korte verhalen op zetten, literaire roddels (‘zolang het geen laster is’) en gaat hij schrijven over boeken – en films.

    ‘Ik heb altijd al over films willen schrijven. Ooit, honderd jaar geleden, toen iemand bij The New Yorker ouderschapsverlof op zou nemen, werd mij gevraagd of ik een paar maanden wilde invallen als filmrecensent. Dat leek me geweldig en ik hapte meteen toe. Uiteindelijk nam de recensent om wie het ging toch geen verlof op, dus werd ik ontslagen nog voor ik was begonnen.’

    In de periode dat hij noodgedwongen binnen zat vanwege de pandemie stelde Rushdie voor zichzelf een schema op om alle films die hem in zijn jeugd zijn liefde voor films hadden bijgebracht opnieuw te bekijken: ‘De Franse nouvelle vague, het Italiaanse neorealisme, al die andere grote films uit de jaren zestig en zeventig. Het was heel interessant om te zien wat in mijn ogen overeind is gebleven en wat niet.’

    ‘Ik heb nooit eerder meegemaakt dat je iets publiceert waar mensen iets over kunnen zeggen terwijl het gaande is’

    Zijn novelle, getiteld The Seventh Wave, heeft ook een link met film. De tekst, die oorspronkelijk 60.000 woorden omvatte maar nu is teruggebracht tot 35.000 woorden, gaat over een filmregisseur en een acteur/muze, geschreven in de stijl van de nouvelle vague-cinema, ‘met vreemde inconsequenties, abrupte overgangen en gangsters’.

    ‘De test die altijd werkt voor alles wat ik schrijf, is gêne,’ zegt Rushdie. ‘Vind ik het te gênant om het jou te laten lezen, dan is het nog niet klaar. Er komt een punt waarop ik me er niet meer voor schaam en het zelfs graag aan anderen wil laten lezen. Deze tekst is helemaal op de schop gegaan – indikken, comprimeren, schrappen, hier en daar de verhaallijn iets veranderen – en nu ben ik er blij mee.’

    Het wordt een digitaal experiment: fictie gepubliceerd in serievorm (‘zoals dat in het allereerste begin ook ging’), waarbij een jaar lang ongeveer eens per week een nieuwe aflevering zal verschijnen. Op zich is die serievorm niet nieuw. Een verrassend aantal literaire klassiekers is oorspronkelijk in afleveringen verschenen: De nagelaten papieren der Pickwick Club van Charles Dickens is het bekendste voorbeeld, maar het geldt ook voor Madame Bovary, Oorlog en Vrede en Hart der Duisternis. Rushdie beschrijft hoe het Samuel Richardson verging, die in 1748 zijn roman Clarissa als serie uitbracht.

    ‘Zijn lezers verwachtten dat zij op het eind verliefd op die man zou worden. Maar dan verkracht hij haar. Richardson kreeg veel brieven van lezers die ondanks die verschrikkelijke daad nog steeds wilden dat het verhaal een happy end kreeg – en hij bleef koppig weigeren daaraan te voldoen. Ik heb nooit eerder meegemaakt dat je iets publiceert waar mensen iets over kunnen zeggen terwijl het gaande is.’

    Zou híj bereid zijn het verhaal aan te passen naar aanleiding van de reacties van lezers? 

    ‘Dan zou het wel een heel goed voorstel moeten zijn. Maar soms gebeurt het wel dat iemand iets over een personage zegt waar jezelf niet aan had gedacht toen je het schreef. Stel bijvoorbeeld dat iemand zegt: “O, dat is interessant, daar wil ik wel iets meer over horen”, dan zal ik daar misschien iets dieper op ingaan.’

    Controle

    Rushdie zegt dat hij Substack niet wil gebruiken als politiek platform (‘Ik denk dat dat dan alles overneemt en de rest overschaduwt’), maar hij erkent dat hij er bij actuele gebeurtenissen (‘denk aan Afghanistan’) misschien niet aan ontkomt om er iets over te zeggen.

    Toch is er wel een kans dat Rushdie met zijn keus voor Substack in een politieke strijd over het modereren van techplatforms terechtkomt. Met het Trumptijdperk en nu corona zijn vragen die de afgelopen tien jaar al onder de oppervlakte smeulden, over het controleren van inhoud, over desinformatie en welke stemmen gehoord worden, hoog opgelaaid. Eerder dit jaar kreeg Substack het verwijt dat het te weinig controle uitoefende, waardoor antitransgeluiden konden worden gepubliceerd. Het leidde ertoe dat enkele schrijvers het platform uit protest de rug toekeerden. Net als zijn voorgangers heeft Substack geprobeerd die kritiek af te wimpelen door te zeggen dat het zelf geen uitgever is, maar dat de gebruikers dat zijn.

    In mei heeft het bedrijf via twee afzonderlijke posts de gedachte achter Substack Pro (waarop gebruikers, zoals Rushdie, een voorschot betaald krijgen voor hun eerste jaar) en het eigen modereerbeleid (geen scheldpartijen, intimidatie, bedreigingen of doxing) geformuleerd. Maar volgens critici heeft het platform de plicht om transparant te zijn over wie het betaalt om te schrijven.

    Sinds de Iraanse ayatollah Khomeini in 1989 een fatwa over hem uitsprak vanwege zijn roman De duivelsverzen, wordt Rushdie door het publiek geassocieerd met vrijheid van meningsuiting. 

    ‘Als je een Substack wilt, kun je er gewoon een beginnen: je hoeft niet te worden uitgenodigd’

    ‘Welke stemmen de ruimte krijgen om zich te laten horen is een heel belangrijke vraag,’ zegt hij. ‘In de uitgeefwereld was dat echt een probleem en ik zeg niet dat dat nu voorbij is, maar er is wel verandering gaande. Hier [in de VS] is veel meer ruimte voor schrijvers van kleur dan vroeger, zowel als auteur als als recensent. En zoiets als dit, waar nauwelijks belemmeringen zijn, kan er ook voor zorgen dat er een diverser scala aan stemmen klinkt. Als je een Substack wilt, kun je er gewoon een beginnen: je hoeft niet te worden uitgenodigd. Maar het gaat mij er niet om Substack te promoten. Ik vond het interessant om dit te proberen en ik heb me maar voor twaalf maanden vastgelegd. Over een jaar ga ik bekijken hoe het ervoor staat en of ik ermee doorga of niet.’

    Op dit moment is hij vooral benieuwd naar het aangaan van de dialoog met lezers. In de eerste post op zijn Substack, die ‘Salman’s Sea of Stories’ heet, beschrijft Rushdie poëtisch hoe verhalen andere verhalen voortbrengen; als voorbeeld neemt hij twee verhalen uit zijn eigen leven die hem op het idee brachten voor zijn Bookerprize-winnende roman Middernachtskinderen

    ‘Mensen zijn altijd verhalenvertellers geweest en dat gebruik je als een manier om te begrijpen wie je bent en wie de mensen om je heen zijn en wat er gaande is. Als ik terugkijk, wat ik niet zo vaak doe, is het alsof de boeken de weerslag zijn van verschillende fases van mijn bewustzijn. Ik denk dat de meeste mensen dat doen: we vertellen elkaar voortdurend verhalen.’

    Band met geboorteland

    Rushdie vertelt dat hij dankzij Twitter de mogelijkheid heeft om een band met zijn geboorteland te onderhouden, omdat een verhoudingsgewijs groot deel van zijn 1,1 miljoen volgers in India woont.

    ‘Zo kon ik vanuit New York in gesprek zijn met mensen over heel India, alsof ik daar was. En soms krijg ik dan ook echt het gevoel dat ik daar ben, omdat ik in hun woonkamer kom, op hun computer, terwijl zij online zijn.’

    Dankzij zijn banden met die gemeenschap heeft Rushdie zich altijd beziggehouden met India’s politieke situatie en met de problemen van het land door de coronapandemie, en is hij ook betrokken geraakt bij campagnes om geld in te zamelen voor zuurstofflessen en dergelijke. Hij hoopt dat Substack ‘misschien een iets complexere band mogelijk maakt’ en hem de ruimte zal bieden om over dingen te praten die ‘te groot zijn om in tweets te bespreken’.

    ‘Nieuwe technologie maakt altijd nieuwe kunstvormen mogelijk en ik geloof dat de literatuur haar nieuwe vorm in dit digitale tijdperk nog niet heeft gevonden. De nieuwe vorm die deze nieuwe wereld met zich meebrengt, hebben we volgens mij nog niet gezien. En ik heb het sterke vermoeden dat het niet iemand van mijn leeftijd zal zijn die ermee komt.’

    Rushdie maakt zich niet druk om het resultaat van dit nieuwe project.

    ‘Ik duik er gewoon in en dan zien we wel. Het wordt ofwel iets prachtigs en aangenaams, of niet.’ Maar hij beseft ook dat hij zich door zijn fictie online te brengen een stapje verwijdert van het medium dat hij liefheeft en waaraan hij zijn leven heeft gewijd.

    ‘Er wordt al zo lang over de dood van de roman gepraat, al bijna sinds de geboorte van de roman. Maar ongelooflijk genoeg is dat echte, ouderwetse ding, het papieren boek, nog steeds springlevend, tegen de verdrukking in. En nu doe ik weer een poging om het de nek om te draaien.’

  • Coming of age in Nigeria

    Coming of age in Nigeria

    Het verhaal van de 14-jarige hoofdpersoon van Het meisje met de luidende stem van Abi Daré is dat van ‘ontelbare jonge meisjes in Nigeria die haar zijn voorgegaan en nog in haar voetsporen zullen treden’.

    LITERATUUR | De 14-jarige Adunni woont in een dorpje op een paar uur rijden van de Nigeriaanse stad Lagos. Nadat haar moeder is overleden besluit haar luie, alcoholistische vader haar uit te huwelijken aan de lokale taxichauffeur, zodat hij de huur kan betalen. Adunni’s echtgenoot is minstens twee keer zo oud en heeft al kinderen bij twee van zijn andere vrouwen. Hij misbruikt haar geregeld en ze doet er alles aan om te voorkomen dat ze zwanger wordt. Geen wonder dat Adunni algauw haar dorp ontvlucht en als dienstmeisje haar heil zoekt in de grote stad. Zo begint The Girl with the Louding Voice, de debuutroman van de Nigeriaanse, in Engeland gevestigde schrijfster Abi Daré.

    ‘Met Lagos als decor en een plot waarin tal van actuele sociaal-maatschappelijke thema’s met elkaar zijn verweven, is het op zichzelf al een waanzinnig boek’, vindt Rebecca Munro van Bookreporter. Maar wat het verhaal ‘helemaal bijzonder en onvergetelijk maakt, is de meeslepende stem’ van hoofdpersoon Adunni waarmee het wordt verteld. Volgens Munro creëert Daré een heldin die zich uitspreekt namens de ‘ontelbare jonge meisjes in Nigeria die haar zijn voorgegaan en nog in haar voetsporen zullen treden’.

    Ook Chibundu Onuzo van The Guardian vindt dat het verhaal over uitbuiting, gedwongen huwelijken en moderne slavernij in Nigeria absoluut verteld moet worden. De criticus zet wel vraagtekens bij de zelfverzonnen taal waarmee de auteur Adunni’s gedachtenwereld weergeeft. ‘Daré wil haar personage daarmee het gevoel geven dat ze zich onderscheidt van het Pidginengels waarin iedereen in Nigeria zich uitdrukt, maar dat pakt niet overal goed uit.’

    Voor Tsitsi Dambarembga van The New York Times staat het ‘voor westerse lezers ongewone taaltje’ juist symbool voor de onderhuidse woede van de vele jonge meisjes in de patriarchale Nigeriaanse samenleving. Volgens haar tekent Daré op deze manier Adunni’s levendige karakter. ‘In barre omstandigheden klampt ze zich met haar creatieve taalgebruik vast aan haar eigen wereld, waardoor haar wil ongebroken blijft.’

    Adunni’s gebroken Engels is ook bedoeld om haar ‘drang naar educatie te benadrukken’, stelt Gail Collins in de New African. Daarmee verwijst Daré volgens Collins naar de brede context van kinderhandel. Naar schatting verrichten zeven op de duizend Afrikanen gedwongen arbeid, onder wie zo’n 15 miljoen Nigeriaanse kinderen, vooral meisjes. ‘Geen aangenaam boek, wel onontkoombaar en emotioneel.’

    Het meisje met de luidende stem van Abi Daré, uit het Engels vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen, is op 24 augustus verschenen bij uitgeverij Signatuur

    Door Diederik Samwel

  • De 27e keer dat Toby Obed stierf

    De 27e keer dat Toby Obed stierf

    Over de misstanden in Canadese internaten voor Inuït-kinderen is de laatste jaren steeds meer bekend. Er werden verschillende massagraven gevonden. Toby Obed is een van de overlevenden. Een voorpublicatie uit het verhaal over zijn leven (en vele doden).

    Over de auteur

    In de reportages van de Poolse Joanna Gierak-Onoszko (1980) staan vaak mensenrechten en maatschappelijke kwesties centraal. Ze publiceert regelmatig in weekblad Polityka, dagblad Gazeta Wyborcza, het literaire non-fictietijdschrift Pismo en het reportageblad Non/fiction. Ze woonde een aantal jaar in Canada en schreef daar haar literaire debuut Het 27 keer sterven van Toby Obed (Dowody na Istnienie, 2019) over hoe werd omgegaan met de kinderen van de inheemse Canadese bevolking. Geschat wordt dat ongeveer 150.000 kinderen het slachtoffer zijn geworden van lichamelijk en psychisch geweld en seksueel misbruik.

    Het boek belandde in 2020 op de shortlist van de prestigieuze Nike-prijs en won de publieksprijs.

    Als Toby Obed eindelijk wakker wordt, is het al lente.

    Hij ligt op zijn rug in ongesteven beddengoed en herkent het plafond en de muren om hem heen niet. Net was hij nog in een kalme kunstmatige slaap, maar nu zijn zijn neuronen witheet en proberen alle informatie tegelijk te verwerken.

    Waar ben ik? Waarom doet het pijn? Zal het eindelijk overgaan?

    Toby kijkt om zich heen, zoekt naar het uitzicht uit het raam, een aanknopingspunt. Maar zijn blik dwaalt steeds af naar het midden van het bed. Dat is de plek waar zijn armen en benen zich zouden moeten bevinden, maar de deken waarmee Toby is toegedekt ligt vlak.

    Toby denkt dat hij hallucineert – dat gebeurt soms als je flink gedronken hebt. Hij wil in zijn ogen wrijven en heft zijn armen.

    Maar onder zijn linker elleboog is niets meer.

    Hij kijkt naar rechts. Wat er van zijn andere hand over is, zit in dik verband.

    ‘Wacht eens even! Waar zijn mijn benen? Wat hebben jullie verdomme met mijn armen gedaan?!’

    Een vrouw in een wit schort buigt zich over het bed.

    ‘Wat ben ik blij dat je wakker bent! We wisten niet of dat nog zou gebeuren. Toby, we zijn in het ziekenhuis in St. John’s, in de hoofdstad van Newfoundland en Labrador. Het is al maart. Je bent net tweeëntwintig geworden. En ik kan je zeggen dat je echt iets te vieren hebt.’

    Maar Toby is het oneens met dat het al maart is en ook met zijn nieuwe ingekorte lichaam. Hij kan zich niet herinneren dat iemand die veranderingen met hem heeft besproken.

    Het laatste dat hij zich herinnert is een feest in Happy Valley-Goose Bay, ruim zestienhonderd kilometer ten noorden van het bed dat van nu af aan altijd veel te lang zal lijken.

     * * * 

    Goose, zoals het stadje in de volksmond heet, ligt op het schiereiland Labrador – het deel van Canada dat in het oosten aan de Atlantische Oceaan en in het noorden aan het Noordpoolgebied grenst. Er wonen iets meer dan achtduizend mensen. Goose is het resultaat van het samenvoegen van twee plaatsen: Happy Valley en Goose Bay, maar de idyllische naam van het stadje is misleidend. Want de aanleiding van zijn bestaan is oorlog.

    In de jaren veertig stond in de kranten dat er in de Labradorzee torens van Duitse U-boten waren gezien. Nu de VS aan de oorlog deelnam was het duidelijk dat er in deze regio zo snel mogelijk een sterke militaire basis moest komen voor de verdediging van het continent. Voor de bouw werden mannen uit dorpen in heel Labrador naar Goose gehaald. Ze werkten in verschillende ploegendiensten. De bevoorrading had berekend dat ze vier- tot vijfduizend pakjes sigaretten per dag nodig hadden.

    De arbeiders kregen een fractie van het loon dat de mensen die in de binnenlanden werkten verdienden, maar ze morden niet. Ze klaagden maar over één ding: voor hun vertrek naar de bouw hadden ze hun huizen moeten afsluiten. En dat betekende dat ze voor vertrek hun honden hadden moeten afmaken.

    In 1943 beschouwde men Goose als het grootste vliegveld ter wereld. Na de oorlog bleef het een belangrijk knooppunt van de lucht-, asfalt- en zeewegen van Labrador. In vredestijd hielden NAVO-eenheden hier oefeningen en de door het leger beheerde terreinen zouden moeten dienen als reservelandingsplaats voor ruimtevaartuigen van de NASA.

    Maar Goose bleef voor altijd een reservestad. De oorlog ging eraan voorbij, er landde geen ruimteveer en in 2010 vertrokken de eenheden van de NAVO van de basis. Nu kom je hier voor satelliettelefoons – die zijn gratis te leen als je de omgeving gaat verkennen, wat het werk van de politie en de reddingsteams moet vereenvoudigen als een toerist verdwaalt. Tijdens lange tochten door Labrador kun je onderweg in Goose kariboeworstjes of gepaneerde kabeljauwtongetjes eten. Vroeger was het armeluisvoedsel, maar nu is het een chic hapje van 13 dollar per portie.

    Dat is nu Labrador, het Grote Land. Hier hoor je de Aarde bewegen, zeggen ze.

    Maar het stadje met de naam Happy Valley-Goose Bay bracht Toby Obed geen geluk. Hier stierf Toby voor de zesentwintigste keer.

    Dat was vlak voor hij tweeëntwintig werd, achttien jaar na zijn eerste dood.

    * * * 

    Als je in een piepkleine nederzetting van walvisjagers in het afgelegen Labrador woont, is een uitstapje naar Goose een hele afwisseling. Toby ging er zijn neef opzoeken. Ze hadden elkaar lang niet gezien en trokken een fles open. Toen kwam er een vriend: ‘Hoe is het? Laten we drinken.’

    Ze dronken.

    De rest zal door de verpleegster worden verteld.

    ‘De politie heeft je pas de volgende dag in de sneeuw gevonden. Ze waren ervan overtuigd dat je dood was.’

    Toby kwam in het Miller Center terecht, een ziekenhuis voor oorlogsveteranen waar chirurgen, fysiotherapeuten, psychologen en prothesemakers verminkten terugslepen naar het leven. De artsen hielden Toby twee maanden lang in een kunstmatig coma om hem zo uit zijn diepe hypothermie te krijgen.

    ‘Dat is gelukt, maar we hebben je moeten amputeren’, zegt de verpleegster aan zijn bed.

    ‘Mens, ik weet niet waar je het over hebt. Geef me mijn benen terug! Geef me onmiddellijk mijn arm terug!’

    ‘Je bent een gelukskind, Toby. Ik leef erg met je mee.’

    * * * 

    Sinds die nacht is er een kwarteeuw verstreken. In het voorjaar van 2018 is Toby Obed zevenenveertig, en zijn vijfhonderd Inuit uit het Dal van de Hoop zijn spiegel.

    Voordat de Europeanen hier arriveerden (onder wie de Portugese ontdekkingsreiziger João Fernandes Lavrador) woonden er op dit grondgebied inheemse gemeenschappen, zoals de Inuit en de Innu. Beide groepen noemden elkaar eskimo’s, wat rauwvleeseters betekent. Dat begrip werd overgenomen door witte antropologen en archeologen voor wie de Eskimo’s een algemene, brede benaming voor de mensen van het Noorden was: van Labrador, het Canadese Poolgebied en Alaska tot aan Kamtsjatka.

    In sommige Europese landen wordt het woord nog altijd gebruikt. In Canada daarentegen hoor je dat niet meer te zeggen, omdat het opgedrongen, discriminerend en beledigend is. De inwoners van de noordelijke provincies worden nu genoemd zoals ze zelf willen. In hun taal, ofwel het Inuktitut, betekent inuk mens, en inuit gemeenschap.

    En zo ziet Toby Obed hen en zichzelf: niet als museumstukken, maar als mensen. Hij zoekt hun gezelschap op, want ze zijn voor hem tegelijk een spiegel en identiteitsbewijs, belangrijker dan zijn Canadese paspoort.

    ‘Ik vind het fijn als een buurman terloops opmerkt dat ik net zo’n gezicht trek als mijn moeder. Of dat ik net zo loop als mijn vader, dat we van een afstand niet van elkaar te onderscheiden zijn. Dan ben ik zo gelukkig! Want dat betekent dat zij hebben bestaan – en dat ik een overblijfsel van hen ben.’

    Als Toby zijn moeder wil zien, raakt hij met zijn rechterhand zijn wang aan. Een gladde, strakke huid, zonder poriën, zonder ook maar een rimpel. Hoge, prominente jukbeenderen. Daarboven diepgelegen smalle ogen, verscholen onder dikke zwarte wenkbrauwen. Toby’s haar is als peper en zout. Zwart en helder wit, niets ertussenin. Dik en stug, tot aan zijn kleine driehoekige kin.

    Had zijn moeder zulk draadachtig haar? Zulke kleine ogen, zo zwart dat je maar moeilijk de pupil van de iris kunt onderscheiden?

    Dat weet Toby niet.

    ‘Ik heb geen enkele foto. Ik herinner me niet hoe ze eruitzag. Ik weet dus niet waar ik vandaan kom, en waarom.’

    * * * 

    De naam Tobijah betekent in het Hebreeuws ‘Jahweh is goed’. Een woord van troost voor iemand die alles heeft verloren en geen hoop meer heeft. Volgens het Oude Testament wordt Tobias blind, en gemarteld smeekt hij God te mogen sterven. Maar God heeft andere plannen met hem. De Schrift leert dat het grote lijden van Tobias geen straf voor hem is, maar een welgemeende beproeving. De liefhebbende God zendt eerst kwellingen, maar voorziet op zijn tijd een beloning voor gehoorzaamheid en loyaliteit. Het is een didactisch verhaal – de dreunen van het lot moet je opvatten als tekenen van de barmhartige God.

    Die profetische naam kreeg Toby van zijn moeder.

    Ze had vijf kinderen. Kinderen die moeite hadden om het thuis uit te houden. Hun ouders besteedden niet al te veel aandacht aan hen. Ze dronken. Emily en Sonny, ofwel Zoontje, waren een jaar of tien ouder dan de rest. Zij zorgden voor de kleintjes: Sara, Elias en Tobias.

    Hoe kwamen ze in zo’n afgelegen nederzetting voor walvisjacht aan zulke namen?

    Vroeger heette die plek Arvertok, wat in de taal van de Inuit de Walvissenplek betekent. Er werd op walvissen gejaagd in de wintermaanden – de Inuit woonden dan in diep in de rauwe, ongastvrije grond verborgen huizen die maar deels boven het oppervlak uitstaken. Ze zochten daar beschutting tegen de snijdende wind, en in de lente, als het zeehonden- en walvissenseizoen was afgelopen, trokken ze dieper het land in. Ze namen tenten van zeehondenhuid mee en gingen jagen op vleesrijke kariboes. Ze raapten de karige vruchten die de toendra mondjesmaat verschafte en bereidden zich voor op het doorstaan van de volgende winter.

    Suikerziekte, aderverkalking, kanker – dat waren ook geschenken die de witte kolonisten met zich meebrachten

    Dat ritme werd verstoord door de bewoners van het Oude Continent, Duitse mennonieten uit Moravië, missionarissen met een protestantse arbeidsethiek. Ze waren hier gebracht door de imperatief hun rijkdom te vergroten en de kerkelijke schola te vullen. Ze begrepen de mensen die ongehaast de cyclus van de natuur volgden niet. Ze verlangden er vurig naar om in naam van de handel onder zware omstandigheden te zwoegen: in Europa was grote vraag naar echte, warme bontjassen. Daarmee werd een fortuin verdiend, dat nu in Canada ‘oud geld’ wordt genoemd. De Moravische kolonisten waren verrukt over de ondiepe wateren vol zeehonden en de dichte bossen vol vossen. In 1782 doopten ze de Walvissenplek om in het Duitse Hoffenthal, het Dal van de Hoop.

    Ze brachten hetzelfde mee als de meeste anderen die van zichzelf zeiden dat ze nieuwe landen ontdekten: het woord Gods, gereedschap, wapens, groente en ziektes.

    Suikerziekte, aderverkalking, kanker – dat waren ook geschenken die de witte kolonisten met zich meebrachten. Labrador is ze tot op de dag van vandaag niet te boven gekomen.

    De mennonieten veroverden de gebieden met de hoorn en de trombone. Ze geloofden dat met Haydn en Bach als bondgenoten de Inuit verrukt zouden raken over de barokmissen en ze hun ziel zouden openstellen voor een hun onbekende God. Tot op de dag van vandaag kun je in het kleinste gehucht een blaasorkest vinden dat in de woestenij van de Canadese toendra Bachcantaten speelt.

    De missionarissen deelden graag hun bladmuziek, maar ze zeiden dat het hun God niet beviel hoe er in de huishoudens met elkaar geslapen werd: zonder sacrament, met meerderen tegelijk, in het bijzijn van de kinderen. Volgens de lokale traditie was een levenspartner precies zoals het klinkt: een compagnon, iemand met wie het leven draaglijker was of überhaupt mogelijk. Het gezin was een onderneming om te overleven, maar de mensen wilden naar bed met degenen die ze aantrekkelijk vonden, niet per se met de mensen met wie ze samenwerkten om te overleven. Soms woonden er meerdere gezinnen onder één dak en waren genegenheid en seks binnen handbereik.

    De missionarissen uit Moravië waren gekomen om hun mee te delen dat ze in zonde leefden en God beledigden, die zijn volk in de hitte door de woestijn had geleid. De bewoners van deze gebieden begrepen niet wat een zonde was en hadden nog nooit een woestijn gezien.

    De Duitse kolonisten zijn er nu niet meer – ze hebben de oorlog met het handelsimperium Hudson’s Bay Company (HBC) om de vachten verloren en hebben het Grote Land verlaten. Van hen zijn grafstenen, resten van de houten gebouwen van de mennonitische missie en de gewoonte om Inuitkinderen Bijbelse namen te geven achtergebleven. Na verloop van tijd, toen de Britse monarchie dit deel van de wereld in haar macht kreeg, werd de naam veranderd – van Hoffenthal in Hopedale.

    Er is hier niet veel meer veranderd dan dat.

    * * *

    In 1975 stond er opeens een politieagent in een rood uniform op de drempel en zei: ‘Kinderen, jeugdzorg is geweest, we moeten jullie meenemen.’

    Toby’s ouders waren verrast, want ze kwamen onaangekondigd. Geen gelegenheid om in te pakken, geen gelegenheid om afscheid te nemen.

    ‘We gingen zoals we er toen bij liepen. Later hoorden we dat ouders dergelijke situaties eigenlijk geen keuze hadden. Op het niet meegeven van de kinderen stonden straffen, waaronder hechtenis en het intrekken van de uitkering, waarvan de meeste gezinnen in de omgeving leefden. Of we ons verzetten? Dat weet ik niet meer. Of we huilden? We huilden allemaal. Emily was dertien, Sonny vijftien, en ik pas vier. Toen, in 1975, in de deuropening bij de laarzen van de agent van de bereden politie, stierf ik voor het eerst.

    We stapten in een klein vliegtuig dat op water kon landen. We vlogen een kilometer of tweehonderd naar het zuiden, naar North West River. Eerst brachten ze ons naar het ziekenhuis. Daar werd nagekeken of alles met ons in orde was. Routineonderzoek: of er geen actieve infecties waren, parasieten, ondervoeding. En of niemand ons kwaad had gedaan.

    Natuurlijk werden we gescheiden, mijn broers en zussen waren van een andere leeftijdscategorie. Ik begreep het niet. ’s Ochtends had ik nog familie, en nu was ik ineens alleen, terwijl ik pas vier jaar oud was. Alles wat ik weet van het leven, heb ik daar geleerd, in het internaat, in het juniorenhuis in North West River. Dat waren verplichte lessen die ik niet wilde. Rekenen en grammatica deden er nog het minste toe, je moest vooral snel door zien te krijgen wie je vriend was en wie je beter kon mijden. Waar je heen moest en hoe, en achter welke deur je nooit mocht komen. Wat je mocht zeggen en waar je jarenlang over moest zwijgen. Ik was een kleuter toen ik begreep dat ik, net zoals ik onbewust en automatisch ademhaalde, onophoudelijk en instinctmatig in de gaten moest houden of ik veilig was. Ik controleerde constant of ik niet in gevaar was. In zulke omstandigheden loeit er constant een alarm in je hoofd.’

    Toby Obed, een Canadees uit Labrador, zegt niet over zichzelf dat hij de Yale-school heeft afgerond die in North West River door de liefdadigheidsorganisatie Grenfell werd geleid.

    Hij zegt: ‘Ik ben een overlever. Ik heb het overleefd, ik ben in leven gebleven.’

    * * *

    Toby vertelt over school alsof er een veer is losgesprongen, alsof er een la met mappen vol politiedocumentatie is opengeschoten. Hij praat en praat, kalm, systematisch, alsof hij verslag uitbrengt van iets wat een ander is overkomen. Hij gaat bijna twee uur lang door.

    In Toby Obeds vroegschoolse herinneringen komen niet veel kaligrafie-oefeningen, lessen over scheepsbouw of zelfs het verplichte corvee in de koeienstal voor.

    De volgende sleutelwoorden komen wel steeds terug:

    zwiep, klets, pats (zo klapte de zweep); 

    taal, accent, slaag (voor het spreken van Inuktitut kreeg je ervan langs); 

    cel, duisternis, honger (een triade die elk kind zonder uitzondering verlamt).

    Ik hoor van Toby dat in je broek plassen van angst helemaal geen beeldspraak is.

    In zijn herinneringen komt een persoon in het bijzonder naar voren: een lerares, Miss Devil, Juffrouw Duivel.

    ‘Ze liet ons toekijken’, zegt Toby. ‘Ik wilde niet kijken, maar geen kind mocht zijn gezicht afwenden.’

    ‘Je bent vier, zes, tien jaar oud en je weet dat niemand, maar dan echt niemand zich voor je interesseert’

    Toby vat zijn schooltijd als volgt samen: ‘De volwassenen van buiten wisten het. Ze deden er niets aan.’

    Wat er binnen de houten wanden van Grenfell gebeurde was een verschrikking, maar werd mettertijd de norm. Maar je kon er echter niet aan wennen dat er niemand in de buurt was aan wie je erover zou kunnen vertellen. En die je niet zozeer om redding, om ingrijpen kon vragen, want daar hoopten de kinderen al niet meer op, maar om wat troost.

    Toby wachtte op mededogen, dat jarenlang niet kwam. Ook had hij niet het gevoel iemand dierbaar te zijn.

    ‘Je bent vier, zes, tien jaar oud en je weet dat niemand, maar dan echt niemand zich voor je interesseert.’

    Toen dachten de kinderen dat er van de door de liefdadigheidsorganisatie gerunde school geen bevrijding mogelijk was. Maar een zomer was het geld op en werd de instelling gesloten. Dat was in 1979 of 1980, de bronnen stemmen niet overeen.

    Er zijn in Canada geen kindertehuizen. De oplossing waren pleeggezinnen, waar de kinderen rechtstreeks van de kostschool heen werden gestuurd. Uiteraard zonder rekening te houden met familiebanden.

    De kinderen Obed maakten geen kans om samen te blijven. Wie wilde er nu voor een paar gebroken Inuit-kinderen zorgen? 

    Ze werden opnieuw gescheiden, deze keer voor jaren. De kinderen verloren elkaar volledig uit het oog. Die vakantie raakten ze echt alles kwijt, werden de laatste lijntjes verbroken. Toby zag zijn zus Sara pas zevendertig jaar later terug.

    ‘Ze maakten ons gezin helemaal kapot’, zegt Toby. ‘Ik was acht toen mijn leven opnieuw ten einde kwam.’

    Dat was tijdens de Koude Oorlog. In de Canadese bossen werden legereenheden ondergebracht, Goose Bay werd uitgebreid, er werden militairen gestationeerd. Velen van hen hadden al een vrouw, maar nog geen kinderen. Ze konden zorgen voor de beschermelingen van de school in het dennenbos.

    Toen Toby bij het eerste pleeggezin terechtkwam was hij acht jaar oud en dacht hij dat zijn lijdensweg ten einde was, dat hij nu een thuis zou krijgen. Maar in plaats daarvan verplaatsten ze hem van de ene verzorgers naar de andere.

    ‘De acht jaar die volgden heb ik bij twintig gezinnen gewoond. Gemiddeld eens in de vierenhalve maand verhuisde ik, of eerder – werd ik verhuisd. Wat ik wilde, wat ik ervan vond, vroegen ze niet. We werden behandeld als meubels, als obstakels, als zakken met vuilnis.

    In elk huis was het weer anders, maar ik werd geloof ik overal geslagen’, herinnert Toby zich. ‘Ik was niet klein meer, ik hoefde niet meer gespaard te worden. Ik ging al naar de tweede klas, dus ze konden me flink op m’n sodemieter geven. Dat verdiende ik op zich ook: ik begreep niet wat er tegen me gezegd werd. Ik wist niet hoe ik ze tevreden moest stellen. Ik probeerde ernaar te gissen, ik probeerde me aan te passen, maar ik was machteloos.’

    Uiteindelijk wende hij eraan. Het werd dus routine: eten, slapen, school, slaag. Nepmoeders en nepvaders sloegen met de riem en sloegen met de hand voor van alles en nog wat. Hoe je de klappen moest ontwijken, hoe je moest overleven leerde Toby van twintig gespierde, sportieve mannen die werden gesteund door twintig vooruitziende, toegewijde echtgenotes.

    Toby’s lichaam was sterk, dat hielp hem erdoor. Zijn geest was hem ook goedgezind, de meeste huizen heeft hij kunnen vergeten. Toby weet dat ze ergens zijn, hij ze in zich draagt als wild vlees, als littekens, als kanker. Maar zijn hoofd heeft hem ervan afgesneden. In het dagelijks leven ziet hij ze niet, zijn de ziektehaarden niet vast te stellen. Maar Toby weet dat ze nog altijd schade aanrichten, net als gezwellen die bij onderzoek niet te zien zijn.

    Van alle twintig gezinnen kan Toby er misschien vijf of zes voor de geest halen. Aan sommige heeft hij goede herinneringen. Hij gelooft dat ze hun best deden. Bijvoorbeeld enkele nepmoeders. Soms waren ze aardig, kookten ze, wilden ze Toby’s stijve dikke haar kammen.

    Als achtjarige had Toby het overlevens-abc voor kinderen onder de knie: hij loog, stal en bedroog

    ‘Rot op, zei ik, laat me met rust. Niet jij, maar mijn echte moeder zou me nu over mijn hoofd moeten aaien. Maak dat je uit m’n buurt komt, zei ik. Ook sommige nepvaders deden hun best. Soms maakten ze tijd voor me vrij. Probeerden me uit te leggen dat ik zelf om problemen vroeg. Dat spijbelen en weglopen nergens goed voor waren. Maar ik had geen zin om te luisteren. Ik neem het ze niet kwalijk. Ik was geen kind om van te houden, want waarvoor ook?’

    Als achtjarige had Toby het overlevens-abc voor kinderen onder de knie: hij loog, stal en bedroog. Hij vocht veel. De school in Goose waar hij toen op zat, was voor hem één grote boksring. Hij vocht vier, vijf keer per dag, dag in dag uit. En hij verloor nooit, hij was altijd degene die anderen tot bloedens toe sloeg. Hij hield niet op voor hij zeker wist dat ze pijn hadden. De kinderen op school zeiden dat Toby gevaarlijk was. Dat beviel hem wel. Vechten was die opening, die lichtflits, het moment waarop hij even sterk was en er iets van hem afhing. Hij werd dan overweldigd door geluk. Hij voelde geen pijn, het waren de anderen die leden. Ze leden, omdat hij zo beslist had.

    Dat zorgde ervoor dat hij zich kon wapenen voor de middag en avond. Want na school moest hij natuurlijk terug naar zijn pleeggezin en was hij degene die ervan langs kreeg. Maar er waren meer straffen, alledaagse, gewone. Meestal moest hij gewoon zijn mond houden en naar zijn kamer gaan. Ze stuurden hem weg, hij kreeg geen eten. Dat is zogenaamd alleen vervelend, geen marteling.

    ‘Weet je, een of twee keer kun je het best zonder avondeten doen. Maar zelfs als duidelijk is dat je het ergste, vervelendste kind bent, wil je niet de hele tijd honger hebben. Met een kind kun je alles doen. Het is voldoende om hem niet genoeg te eten te geven.’

    Jarenlang was hij ervan overtuigd dat hij slecht was, dat hij het niet verdiende om niet geslagen te worden, niet gestraft. Later drong tot hem door dat de militairen vaak moesten verhuizen. Er kwamen orders, en dan werden de in huis opgenomen kinderen en hun zaken achtergelaten. Maar niemand die dat aan de kinderen uitlegde. Die waren er dus van overtuigd dat ze steeds opnieuw werden verlaten, omdat ze net zo veel waard waren als knellende of afgedragen pantoffels.

    Terugkeren naar zijn vader en moeder was geen optie. De jaren gingen voorbij, maar zijn ouders hielden niet op met drinken. De autoriteiten lieten de kinderen niet terug naar huis gaan, maar er werd ook niet veel gedaan om de ouders te steunen. De kinderen uit huis plaatsen: dat was een radicale en eenvoudige, en vrijwel de enige mogelijke therapie.

    ‘Toen, mijn hele jeugd en nog vele jaren daarna, was ik kwaad. Agressief. Ik voelde me gekwetst en verworpen. Waarom konden anderen bij hun moeder blijven maar ik niet? Waarom konden anderen een normaal leven hebben, alleen ik niet?’

    Toen had Toby er nog geen idee van dat er in de omgeving meer dan duizend kinderen waren zoals hij.

    Deze vertaling kwam tot stand in samenwerking met CELA, Connecting Emerging Literary Artist.

  • De beste non-fictie van september

    De beste non-fictie van september

    Hoe heeft Antwerpen zich kunnen opwerken tot kloppend hart van de zestiende eeuw? Thimothy Caulfield onderzoekt feit en fictie achter onze dagelijkse beslissingen & Meer tips in deze Top-5 non-fictie, aangeraden door 360 en Athenaeum.

    Antwerpen. De gloriejaren – Michael Pye

    Bestsellerauteur Michael Pye vertelt het verhaal van een stad die tegen alle verwachtingen in opkwam als het kloppend hart van de zestiende eeuw, en in korte tijd de wereld wist te veranderen. Eén ding is volgens Pye zeker: zonder de Antwerpse geschiedenis zou vandaag niets hetzelfde zijn.


    Tunnel 29. Liefde, spionage en verraad. De spectaculairste ontsnapping uit Oost-Berlijn – Helena Merriman

    Een razend spannend spionage- en ontsnappingsverhaal, maar ook een dramatische liefdesgeschiedenis over de Oost-Duitse vluchteling Joachim Rudolph, op basis van honderden uren gesprekken met getuigen en uitgebreid onderzoek in de archieven van de Stasi.


    De integere slet. Handboek polyamorie – Dossie Easton

    Een cultklassieker over polyamorie die beschrijft hoe je op een moreel verantwoorde manier meerdere geliefden tegelijkertijd kunt hebben. Het boek geeft antwoord op alle mogelijke vragen en biedt handreikingen voor de bijbehorende uitdagingen, zoals jaloezie en oordelen van de omgeving.


    Relax! Feit en fictie achter al je dagelijkse beslissingen – Timothy Caulfield

    Dagelijks nemen we een belachelijke hoeveelheid beslissingen, vaak zelfs duizenden. Gezondheidsbeleidsexpert Timothy Caulfield leidt ons door zo’n normale dag en laat het waarom zien van onze keuzes en gewoontes: vaak nemen we beslissingen gebaseerd op verkeerde informatie.


    More Than a Woman. Een ode aan de overvraagde veertig plus-vrouw – Caitlin Moran

    Als je eenmaal de dertig bent gepasseerd, dacht Caitlin Moran, dan weet je wel hoe dat moet, vrouw zijn. Dan liggen je moeilijkste jaren achter  je. Daarom keek ze uit naar haar leven als veertiger, dat zou een eitje zijn. Toch? Maar als de middelbare leeftijd nadert doemen er allerlei nieuwe levensvragen op.

  • Wereldberoemde anime is nu uitgewerkt tot boek

    Wereldberoemde anime is nu uitgewerkt tot boek

    She and Her Cat werd op YouTube ruim 550 miljoen keer bekeken. Het filmpje van vijf minuten zou ‘een inkijkje geven in de belevingswereld van katten.’

    In 1999 bedacht en regisseerde de Japanse Makoto Shinkai de animefilm Kanojo to kanojo no neko, beter bekend als She and Her Cat, een vijf minuten durend verhaal over de relatie tussen een kat en zijn baasje, verteld vanuit het perspectief van de kat. Shinkai maakte de film in een tijd dat hij in een klein appartement woonde met rondom telefoonpalen met elektrische draden. ‘Ook al was de omgeving een warboel van lelijke dingen, ik wilde de schoonheid vinden in de dingen om me heen’, vertelt hij aan Otaku in Review. ‘Ik was geïnspireerd door de games die ik destijds veel speelde, waarin de omgeving rijk en gedetailleerd is.’ De illustraties zijn van eigen hand, voor de 3D-scènes gebruikte hij Adobe After Effects.

    Het project, waaraan behalve de kat drie mensen meewerkten, groeide uit tot een internationaal succes en werd wereldwijd ruim 550 miljoen keer bekeken. Anime UK News prijst het verhaal als ‘hartverwarmend zonder overdreven sentimenteel te zijn’. Volgens Manga Bookshelf raakt de serie je ‘recht in het hart’ en wordt het verhaal knap verteld, waarbij ook het leven van de vrouw in de Japanse samenleving wordt belicht, stipt Anime Feminist aan.

    Naruki Nagakawa, auteur van o.a. toneelstukken en manga’s, publiceerde in 2013 samen met Shinkai het gelijknamige boek. De geïllustreerde roman geeft, in de woorden van Nederlandse uitgever Meulenhoff, ‘een inkijkje in de belevingswereld van katten en de mensen op wier leven ze zo’n enorme impact hebben’.

    Zij en haar kat verschijnt in augustus bij Meulenhoff, in een vertaling van Geert van Brem.

    Door Laura Weeda

  • De beste non-fictie van augustus

    De beste non-fictie van augustus

    Hoe kunnen we de volgende crisis beter aanpakken? Niall Ferguson dook de geschiedenis in. George Packer schrijft een doorwrochte analyse van de wederopstanding van Amerika & Meer tips in deze Top-5 non-fictie, aangeraden door 360 en Athenaeum.

    Rampspoed. Politiek ten tijde van catastrofe – Niall Ferguson

    Puttend uit meerdere disciplines, waaronder geschiedenis, economie, geneeskunde en netwerkwetenschap, biedt Ferguson met Rampspoed niet alleen een historisch overzicht, maar ook een algemene theorie van rampen. En tevens een boodschap die de wereld zich serieus ter harte moet nemen als we de volgende crisis beter willen aanpakken en een onontkoombare neergang willen voorkomen.

    Lees hier een voorpublicatie:


    Een smerige waarheid. Facebooks gevecht om wereldheerschappij – Sheera Frenkel & Cecilia Kang

    Baanbrekend onderzoek naar de dubieuze rol van Facebook in onze samenleving. Facebook verzamelt privégegevens van gebruikers en verspreidt nepnieuws. Maar de schandalen zijn geen bugs; ze zitten ingebakken in het dna van het bedrijf: groei ten koste van alles.


    Op zoek naar de moederboom. Ontdek de wijsheid van bossen – Suzanne Simard

    Vrijwel niemand weet meer van bomen dan ecoloog Suzanne Simard. Ze laat zien dat bomen sociale, communicatieve wezens zijn, met in hun middelpunt een moederboom. Een mysterieus, ondergronds netwerk dat alle bomen en planten in het bos verbindt en ondersteunt zoals een familie dat doet.


    De laatste redding. Over de wederopstanding van Amerika – George Packer

    Hoe konden de Verenigde Staten van een welvarend en gerespecteerd land transformeren tot een verdeelde natie met uitgeholde instituties, grote ongelijkheid en leiderschap dat wordt bespot? George Packer combineert reportage, geschiedenis en politieke analyse tot een beeld van het huidige Amerika.

    Waar ben ik? Lockdownlessen voor aardbewoners – Bruno Latour

    De lockdown heeft ons zwaar op de proef gesteld. Achter de politieke vraag ‘Hoe komen we hieruit?’ duikt inmiddels de vraag op: ‘Waar ben ik?’ Bruno Latour vraagt zich ook af of de pandemie als leerschool kan dienen voor de confrontatie met die nog veel grotere crisis: de klimaatmutatie.

  • Waarom we niet bang moeten zijn voor eenzaamheid

    Waarom we niet bang moeten zijn voor eenzaamheid

    De mens heeft contact met anderen nodig om te kunnen overleven. Toch is het allesbehalve nutteloos om soms alleen te zijn, zegt Maggie Jackson. ‘Laat die inktzwarte uitgestrektheid en oneindige stilte op je inwerken en bezin je daarop.’

    Halverwege zijn eerste ruimtewandeling voelt astronaut John Herrington zich plots onvoorstelbaar alleen. Het is twee dagen voor Thanksgiving in 2002, en hij is bezig apparatuur aan de achterzijde van het Internationale Ruimtestation (ISS) te controleren. ‘Ik ben aan het eind, aan de rand van het ruimtestation,’ zegt hij. ‘Ik kan mijn collega-ruimtewandelaar niet zien, hij is ergens anders bezig. Ik ben alles wat er is.’

    Zich vastklampend aan een vaartuig dat zich ruim 380 kilometer boven de aarde bevindt en er met een snelheid van ruim 28.000 kilometer per uur omheen cirkelt, is Herrington op dat moment de meest vooruitgeschoven menselijke post in het universum. Hij heeft net een boutenstelsel op de draagconstructie ‘P1’ getest. En dan draait hij zich om en ziet hij niet de aarde, maar de oneindigheid die zich voorbij die aarde uitstrekt. En beseft, zo weet hij later nog: ‘Er zit niets tussen mij en wat het ook mag zijn wat daar nog meer is’.

    ‘Laat die inktzwarte uitgestrektheid en oneindige stilte op je inwerken en bezin je daarop’

    Momenten van schrikbarende eenzaamheid overvallen astronauten vaak op hun ruimtewandelingen. Ze verscherpen het bewustzijn, roepen nieuwsgierigheid, opwinding en soms vrees op. Juist dan dringen de adembenemende nieuwe perspectieven van een verblijf in de ruimte zich het meest op, zo zeggen ze. 

    Herrington vertelde me dat hij er een punt van had gemaakt om op dat soort momenten even iedere activiteit te staken, zodat hij alles in zich kon opnemen. Hij deed dat op advies van een mentor, een astronaut die zeven shuttlevluchten op zijn naam had staan. Ervaren astronauten drukken het nieuwe collega’s dikwijls op het hart, soms schrijven ze het hun ondergeschikten zelfs voor: zet dat moordende, perfectionistische NASA-werktempo een minuutje of twee van je af, laat die inktzwarte uitgestrektheid en oneindige stilte op je inwerken en bezin je daarop. 

    Tegenwoordig klampen we ons vast aan technologieën die veel meer doen dan ons ondersteunen in onze dagelijkse bezigheden. Onze apparaten versplinteren onze tijd en onze geest. Ze eisen onze aandacht op met verleidelijke, verslavende, gokautomaatachtige uitbarstingen van meldingen, uitnodigingen en likes. De gelijktijdigheid van ‘zijn’ en ‘doen’ die uitvinders in het onheuglijke tijdperk van telefoon en pc bewerkstelligden, heeft plaatsgemaakt voor een luidruchtige verscheidenheid en de ongekende nieuwe mogelijkheid dat we eenzaamheid volledig uit ons leven kunnen bannen. 

    Alleen zijn, en dan vooral met onze gedachten, is nooit erg gemakkelijk geweest voor een sociaal dier als de mens, dat contact met anderen nodig heeft om te kunnen overleven. Maar als we die momenten van alleen zijn afdoen als nutteloos of als iets waarvoor je wel of niet kunt kiezen, begaan we een dure fout. Eenzaamheid is de bakermat van het bezinningsproces.

    Digitale detox

    Enkele jaren geleden onderwierp ik een aantal studenten van een grote Amerikaanse universiteit een paar dagen lang aan een experiment dat destijds nieuw was: een digitale detox van 24 uur. De iPhone bestond nog maar een paar jaar, maar jongeren van rond de twintig waren toen al zo’n acht uur per dag ingelogd, en vaak op meerdere apparaten tegelijk. De meeste studenten faalden in hun opdracht, soms al na enkele uren, en zaten daar vaak niet eens mee. Velen die ik sprak voegden mij koeltjes toe dat technologie een niet weg te denken plaats innam in hun leven. Wat me het meest opviel was hoezeer ze van streek raakten als ze ook maar heel even niet verbonden waren. Dan voelden ze zich kwetsbaar en onbeschermd: als ze opstonden, over de campus liepen, naar een lezing luisterden of gingen slapen. ‘Ik had niets te doen, niemand om mee te praten,’ zei een student over een half uurtje offline autorijden.

    Toch vingen sommigen wel een glimp op van een andere wereld achter de flikkering en het kabaal van hun eigen universumpje. Mike, een ouderejaars, vertelde me dat hij een ochtend in zijn eentje aanvankelijk weliswaar als ‘griezelig’ ervoer, maar dat die hem toch de gelegenheid bood om orde te scheppen in de chaos van zijn gedachten over de vraag of hij wel of niet moest intrekken bij zijn vriendin. ‘Ik kon de positieve en negatieve kanten van de situatie goed op een rij zetten en afwegen.’ 

    In de klas merkte student Brian op dat hij tijdens de opdracht kon horen wat er in zijn hoofd omging. Dat was wel anders wanneer hij aan het gamen was of muziek speelde. De docent hoorde dit met verbazing aan. Later begaf ik me naar een deel van de campus waar men bezig was een stiltetuin aan te leggen. ‘Nu zo veel mensen overvolle agenda’s hebben en de wereld een beetje brozer lijkt, is het moeilijk de tijd – laat staan een plek – te vinden om na te denken,’ stond op een flyer die ik daar vond. T.S. Eliots’ klacht uit zijn Four Quartets kwam in me op: ‘We had the experience but missed the meaning.’ (‘We hadden de ervaring maar misten de betekenis.’)

    ‘Zware multitaskers’ hebben moeite om dingen te onthouden, al is het maar voor even

    In dit tijdperk van jagen en jachten nemen we niet alles meer goed in ons op. Diepgang schiet er vaak bij in. Veel over het effect van technologie op het denken is nog onbekend, maar er begint zich wel een groeiende wetenschappelijke consensus te vormen. ‘Door ons op al die moderne apparaten te verlaten, leren en onthouden we minder van onze ervaringen,’ zo luidt de recente conclusie van cognitief wetenschapper Jason Chein en collega’s. Degenen die moderne mediaconsumptie met hun dagelijkse routine verweven – die bijvoorbeeld tijdens hun werk naar een wedstrijd kijken of sms’en – zijn minder goed in staat om afleiding weg te filteren en te herkennen wat relevant is in hun omgeving, dan mensen die niet meer dan een of twee dingen tegelijk doen. 

    ‘Zware multitaskers’ hebben ook moeite om dingen te onthouden, al is het maar voor even – waarschijnlijk komt dat door voortdurende verlies van aandacht, zo menen veel wetenschappers tegenwoordig. Met andere woorden: het is niet zo dat mensen die veel ballen in de lucht houden zich op sommige zaken beter kunnen concentreren dan op andere. Ze houden geen enkele bal goed in de gaten. Het leven raast grotendeels ongemerkt aan hen voorbij.

    Achter de drukke werkzaamheden bevindt zich echter geen leegte, maar een kwetsbare ruimte die door eenzaamheid wordt beschermd en gekoesterd. Een ruimte waar een hogere vorm van denken de kans heeft te ontkiemen. Probeer je eens in te denken hoe het zou zijn als je je telefoon uitzette, de deur achter je sloot, een wandeling ging maken, deel werd van je omgeving en jezelf daarmee de kans gaf om door je eigen gedachten te waden.

    Dit is het soort fysiek alleen zijn dat we meestal gelijkstellen aan eenzaamheid. Maar dat is niet het hele verhaal.

    Mentale opschoning

    Stel je de geestelijke toestand voor die je nodig hebt om je volledig te kunnen wijden aan een lastig probleem of om heel even door een hemelbestormend inzicht te worden getroffen. Een toestand die ik cognitieve eenzaamheid noem, en die voortvloeit uit een mengeling van concentratie, doorzettingsvermogen en ‘bereidheid’, of wat de filosoof John Dewey wholeheartedness noemt, een soort onvoorwaardelijke overgave. Het resultaat is een mentale opschoning die de weg vrijmaakt voor het spel van verdiepend denken.

    Misschien stelt deze toestand ons in staat ‘te vinden wat er in onze gedachten sluimert’, en daarop voort te borduren, zegt filosoof Nathan Ballantyne, auteur van Knowing Our Limits. Mensen kunnen niet alleen goed werken in een lawaaierig café omdat ze een tafeltje in een stil hoekje hebben uitgezocht, of omdat ze in die omgeving anoniem kunnen zijn, maar ook omdat ze bereid zijn alleen te zijn met hun gedachten. Een arts die in de operatiekamer op een probleem stuit, houdt vaak haar handen even stil en maant haar team tot kalmte, zodat ze haar geest volledig op het probleem kan richten. Alleen door periodes van fysieke en cognitieve eenzaamheid in ere te houden, kunnen we blijvend betekenis ontlenen aan de onrust en verwarring die onze dagen tekenen.

    Kort na de opwindende tijden van het Apollo-programma in de jaren zestig kwamen bemande ruimtemissies onder vuur te liggen. Robots konden het werk wel doen, stelden velen. Astronauten waren veredelde reparateurs en vlaggenplanters, aldus critici. Maar de astronauten zelf betoogden met passie dat de wereld een diepgevoelde en doordachte menselijke kijk op het universum nodig had en dat ze tijd in de ruimte benutten om tot dergelijke bezinningsmomenten te komen. ‘Ze realiseren zich dat ze zich in een unieke situatie bevinden en willen daar gebruik van maken’, zegt Frank White, auteur van The Overview Effect: Space Exploration and Human Evolution. ‘Ze bekijken de hele kosmos op een andere, nieuwe manier.’ Het is een zienswijze die velen binnen de NASA zijn gaan respecteren. 

    John Herringtons geplande terugkeer naar de aarde werd vertraagd door lage bewolking die de spaceshuttle drie dagen in een baan om de aarde hield. Zo kreeg hij een onverwachte vakantie in de ruimte. Elke dag ging hij, nu zijn taken waren volbracht, in zijn eentje naar het vliegdek van de shuttle, deed de lichten uit, zweefde, keek naar de aarde en sterren en verwonderde zich over een kosmos die de mens nog maar net is begonnen te verkennen. Momenten dat er niets is tussen ons en ons gedachtenuniversum zijn schaars en kortstondig. Is het niet zonde om daarvoor te vluchten?

    Maggie Jackson is de auteur van Distracted: Reclaiming Our Focus in a World of Lost Attention. Dit essay verscheen oorspronkelijk in het voorjaarnummer van het tijdschrift Phi Kappa Phi Forum.

  • Hoe apartheid een familie verscheurt

    Hoe apartheid een familie verscheurt

    De nieuwste roman van Damon Galgut is volgens de critici een fascinerend spel met perspectieven. De Zuid-Afrikaanse schrijver wordt vergeleken met grootheden als Virginia Woolf, James Joyce en Galguts landgenoot J.M. Coetzee.

    Tweespalt binnen de witte Zuid-Afrikaanse familie Swart. Op haar sterfbed laat de moeder van Amor haar echtgenoot plechtig beloven dat Salomé, de zwarte hulp in de huishouding, na haar dood een eigen huis krijgt, als dank voor jarenlange trouwe dienst. Amor is bij toeval getuige van het laatste gesprek tussen haar ouders. De vraag of de belofte van haar moeder wordt ingelost is de inzet van De belofte, de nieuwe roman van de Zuid-Afrikaanse schrijver Damon Galgut. 

    De Zuid-Afrikaanse Sunday Times vat het boek samen als een ‘vierluik in snapshots vanuit verschillende perspectieven’. Terwijl de familie over hetzelfde stuk grond blijft ruziën, verspringt het verhaal vanaf 1986 telkens naar het volgende decennium, waardoor de lezer en passant de afschaffing van de apartheid beleeft: ‘In ieder gedeelte vormt een begrafenis het uitgangspunt. Intussen treedt weer een nieuwe president aan en heerst er een andere sfeer in het land.’

    ‘Galgut is in staat in één enkel beeld een compleet karakter te typeren’

    Galguts talent komt volgens Anna Mundow van The Wall Street Journal voort uit zijn prille jeugd. Als zesjarige jongen lag hij maandenlang ziek in bed en liet hij zich voortdurend voorlezen. ‘Daardoor is hij in staat in één enkel beeld een compleet karakter te typeren. Of het nu gaat om innerlijk leven en fysieke kwetsbaarheid of de wonden en littekens van een familie of een heel land: zijn observaties zijn zo accuraat dat het lijkt alsof de lezer alles met eigen ogen ziet.’

    Criticus James Wood is gefascineerd door de manier waarop Galgut speelt met het vertelperspectief, schrijft hij in The New Yorker: ‘Achteloos schakelt hij van indirecte rede naar alwetende verteller, om dan weer voor de invalshoek van een voorbijganger, een geest of zelfs een jakhals te kiezen.’ Volgens Wood is het alsof de schrijver ‘wil laten zien dat ook dit bijzondere verhaal met zijn specifieke verschrikkingen niet op zichzelf staat, maar onderdeel uitmaakt van een universeel verhaal.’

    Claire Messud van Harper’s Magazine is uitgesproken lyrisch over de roman en plaatst Galgut in de ‘uitzonderlijke categorie’ van Virginia Woolf, James Joyce en Galguts landgenoot J.M. Coetzee. De criticus vindt dat ze de schrijver nog tekortdoet door zijn boek te prijzen ‘om het evenwicht tussen de serieuze en humoristische toon, de elegantie, precisie en de menselijke waarheid. Laat ik het simpel houden: gewoon lezen dat boek.’

    De belofte van Damon Galgut is begin juni verschenen bij uitgeverij Querido, in de vertaling van Rob van der Veer.

    Door Diederik Samwel

  • Sophie Oluwoles invloed op de Afrikaanse filosofie

    Sophie Oluwoles invloed op de Afrikaanse filosofie

    Volgens het koloniale gedachtegoed bestonden er slecht één waarheid en realiteit, met als gevolg dat culturen werden verdrukt, onthecht en soms zelfs onderling in strijd kwamen. De Nigeriaanse filosoof, antikoloniaal denker en feminist Sophie Oluwole benadrukt het belang van een Afrikaanse filosofie, die een andere blik werpt op gewoontes, overtuigingen en een ‘geïmporteerd probleem’ als gender.

    Grote denkers in De Balie

    Op 29 mei hield in De Balie in Amsterdam Grâce Ndjako een lezing over de recent overleden Nigeriaanse filosoof, antikoloniaal denker en feminist Sophie Oluwole (1935-2018). Oluwole streed fel voor erkenning van de rijke filosofische tradities van het Afrikaans continent. Wat was haar positie binnen de Afrikaanse filosofie en wat maakt haar gedachtegoed zo relevant?

    Nadat ze als eerst Nigeraanse vrouw haar doctoraat haalde in westerse filosofie, verdiepte professor Sophie Oluwole zich in de Yoruba-overlevering, een orale traditie die deels wél op schrift gesteld is. In haar opus magnum zette ze twee grondleggers van de klassieke filosofie naast elkaar: Socrates en Orunmila. Daarin zet ze uiteen dat anders dat het oppositionele westerse denken (man-vrouw, goed-kwaad, ik-jij) de Afrikaanse filosofie uitgaat van complementair dualisme, waar verschil juist als een belangrijke aanvulling wordt gezien.

    In de programmaserie Grote Denkers staan vooruitstrevende en eigenzinnige vrouwelijke denkers uit de wereldgeschiedenis centraal.

    ‘Om tot ware wijsheid te komen, moeten we ons eerst aan ernstige overpeinzingen wijden om het zaad van de verwarring weg te nemen. Gegronde besluiten zijn het resultaat van diep nadenken over de ideeën en overtuigingen volgens welke wij leven. Een ieder die een onnadenkende persoon volgt zal dat uiteindelijk betreuren en zich de haren uit het hoofd trekken.’

    Dit zijn de woorden van Orunmila, Yoruba-denker uit ongeveer 500 voor Christus, over het belang van het cultiveren van wijsheid. Uit het citaat blijkt dat het niet alleen belangrijk is om te reflecteren, maar ook om te reflecteren op de wijze waarop we reflecteren, op de concepten die we gebruiken en de geloofsregels waarnaar we leven. Wie dit niet doet, zal er spijt van krijgen. Over het leven moet worden gereflecteerd, wijsheid moet worden gekoesterd, begeerd. Wijsheid biedt ons oplossingen voor de problemen van het menselijk bestaan. 

    ‘In de loop van de tijd worden mensen wijzer. Dit is niet het wezenlijke beginsel waardoor “Weet-nog-niet” zich liet leiden toen hij niet wist hoe hij een bepaalde kwestie moest aanpakken. Hij dacht na en sliep er een nachtje over. Bij het ochtendgloren zag hij het licht en wist wat hem te doen stond. Dus laten we dag op dag laten volgen; is dat niet genoeg, laten we dan maand op maand laten volgen; op de lange duur zullen we door voortdurend nadenken oplossingen vinden voor de meest verbijsterende problemen van het menselijk bestaan.’

    Deze preoccupatie met wijsheid, deze liefde voor wijsheid, noemen we ook wel filosofie.

    ‘Dat Afrikanen niet kunnen denken, zou betekenen dat Afrikanen geen mensen zijn’

    Orunmila zei dit ongeveer vijf eeuwen voor Christus. Toch werd het bestaan van Afrikaanse filosofie lange tijd ontkend. Dat is een feit waar Sophie Oluwole helaas haar hele leven mee te maken heeft gehad. ‘Mijn leven lang is mij verteld dat Afrikanen niet kritisch zijn en niks analyseren. Dat Afrikanen niet kunnen denken. Dat zou betekenen dat Afrikanen geen mensen zijn. Ik wilde het tegendeel bewijzen.’ Aldus Oluwole in een interview uit 2017 toen ze in Nederland was. Het idee dat je alleen bent als je denkt prevaleerde tijdens de verlichting bij denkers als Kant en later Hegel, en geldt in sommige academische kringen tot op de dag van vandaag. 

    Wat Oluwole ook bijzonder maakt is het feit dat zij de eerste vrouw was die in Nigeria promoveerde in de filosofie. Ze werd uiteindelijk hoofd van de afdeling filosofie van de universiteit van Lagos. Op meerdere fronten is zij dus een pionier geweest binnen dit vakgebied. 

    Superioriteitsdenken

    Afrikaanse filosofen hebben verschillende reacties geformuleerd op het idee dat filosofie in Afrika niet zou bestaan, en dat dit bovendien niet mogelijk zou zijn. Reacties lopen uiteen van denkers die zich identificeren met de Europese filosofie en stellen dat Afrikaanse filosofen de Europese denktraditie moeten volgen, de zelfbenoemde professionele filosofen, tot denkers die beweren dat Afrikaanse filosofie het product is van de culturele ervaringen van Afrikanen, en dat het wereldbeeld van Afrikanen om deze reden moeten worden gedocumenteerd. Zij worden etnofilosofen genoemd.  

    Oluwole vond geen van deze reacties adequaat. De zogenaamde ‘professionele’ filosofen zouden zelf geen onderzoek hebben uitgevoerd naar Afrikaanse orale tradities. Deze zouden door hen zelfs volledig worden verwaarloosd in de zoektocht naar principes die intellectueel overtuigender en sociaal gezien relevanter zouden zijn voor de hedendaagse Afrikaanse ervaring. Etnofilosofen zouden volgens Oluwole dan weer te essentialistisch zijn, en in sommige gevallen het racistische discours van de kolonisten hebben overgenomen. 

    Onderzoek naar het Afrikaans denken gaat niet om het zoeken naar paralellen van westerse metafysica in Afrikaanse talen. Het gaat ook niet om het vinden van de Afrikaanse metafysica of epistemologie; men definieert het Europese denken immers ook niet aan de hand van één soort metafysica of epistemologie. Onderzoek naar het Afrikaanse denken zou moeten gaan over de intellectuele idealen die in Afrikaanse talen ingebed zijn. De intellectuele idealen, de intellectuele cultuur, liggen immers ten grondslag aan iedere intellectuele onderneming, en dus ook filosofie. 

    Oluwole was tegen het klakkeloos overnemen van Europese paradigma’s en denksystemen. Het overnemen van Europese paradigma’s zou wijzen op een bepaalde mate van superioriteitsdenken. 

    ‘De westerse hang naar zekerheid laat geen ruimte voor het bestaan van andere realiteiten’

    ‘De bewering dat de westerse filosofie in een universeel voorbeeld voorziet van de menselijke intellectuele cultuur is op ernstige bezwaren gestuit. Zelf ben ik van mening dat de verbreiding ervan alleen maar tot intellectuele dweepzucht leidt.’ Ze gebruikte ook wel de term intellectueel nationalisme. De westerse filosofie zou een weerspiegeling zijn van de Europese intellectuele cultuur. De principes van de Europese intellectuele cultuur zouden zijn gebaseerd op het uitbouwen van een heel systeem en een zoektocht naar absolute kennis.

    Het probleem hiervan is dat dit algauw leidt tot het geloof in één enkele absolute waarheid die overal altijd geldig is, en voor iedereen geldig is, en dat er dus maar één realiteit bestaat. Oluwole zegt het als volgt: ‘De westerse hang naar zekerheid laat geen ruimte voor het bestaan van andere realiteiten die door elk van deze rationale pogingen kunnen worden omvat.’ Ze typeerde de westerse intellectuele cultuur daarom als een monotheïsme.

    Volgens Oluwole is het belangrijk dat we ons afvragen of principes uit het westerse denken wel zo neutraal zijn, en objectief genoeg om te kunnen zeggen dat ze universeel zijn en voor iedereen opgaan. We spreken tegenwoordig steeds vaker over dekolonisatie. Dat is niet alleen een politieke dekolonisatie, dus politiek onafhankelijk zijn; we spreken ook over dekolonisatie van instituten en dekolonisatie op het gebied van het denken, doordat we ons steeds meer bewust zijn van de reikwijdte van het koloniale gedachtegoed en de implicaties van de gedachte dat er maar één enkele waarheid en realiteit bestonden. Bij gekoloniseerden heeft deze gedachte gezorgd voor de vernietiging van bestaande structuren en vervreemding van de eigen cultuur. Ook zijn er verschillen en ongelijkheden geïntroduceerd of vergroot die daarvoor niet of nauwelijks bestonden. 

    Paradigma’s en patronen

    Het dekoloniseren van het denken heeft daarom niet alleen implicaties voor de filosofie, voor het bestaan van een Afrikaanse filosofie, maar ook voor de politiek en het denken over gender. Als we vanuit het Afrikaanse gedachtegoed denken over politiek, kunnen we met andere stelsels komen. Oluwole zegt hierover: ‘Een totale afhankelijkheid van de paradigma’s en patronen van democratie zoals die in veel Europese landen worden toegepast, is misschien niet de enige manier om vooruitgang te boeken.’ We kunnen ook vanuit het Afrikaanse denken kijken naar sekse en gender.

    Oluwole doet dit via onderzoek naar de orale traditie. Dat komt de Afrikaanse filosofie volgens haar ten goede, omdat filosofie voornamelijk draait om wat door filosofen wordt gezegd: ‘In tegenstelling tot de geschiedkunde en de sociale wetenschappen richt de filosofie zich niet in de eerste plaats op wat mensen doen maar op wat ze zeggen, dus op de verbale expressie van mensen. Daarom is een van de meest gebruikte zinnen in de filosofie:  “X heeft gezegd…” Maar zelden horen we: “Plato deed dit” of: “Russell deed dat”. Wij verwijzen altijd naar wat bepaalde mensen hebben gezegd. Vanwege het onmiskenbare feit dat we weinig of geen geschreven documenten bezitten waarin de feitelijke woorden van onze voorouders aan ons worden doorgegeven, zullen de woorden van onze wijzen worden gebruikt als gemeenschappelijk referentiekader, zeggen de Yoruba.’

    Ze baseert zich hierbij ook op een gezegde uit het Yoruba: ‘Owe I’esin òrò, bí òrò bá sonú, òwe I’ a fi n wà a. (‘Spreekwoorden zijn de analytische denkinstrumenten; als we het denken kwijtraken, gebruiken we spreekwoorden om het te zoeken.’)

    Teksten zoals die voorkomen in de taal van een volk – het woord tekst past ze toe in de brede zin van het woord en omvat dus ook orale overlevering – bieden veel inzicht in sociale principes en religieuze gebruiken.

    ‘Daarom is er behoefte aan een Afrikaanse renaissance die de Afrikaanse orale literatuur op een kritische manier onderzoekt om zo een betrouwbare Afrikaanse sfeer te ontdekken en te bevorderen die eerder is gebaseerd op “verhalen die beantwoorden aan de waarheid van hun taal en authenticiteit” dan aan een realiteit die is vervormd door de modaliteiten van niet-Afrikaanse talen of “resultaten van theoretische manipulaties”.’

    Oluwoles belangrijkste bijdrage aan de Afrikaanse filosofie is dan ook deze terugkeer geweest naar de eigen teksten, terugkeer naar de Afrikaanse orale traditie. Op deze manier heeft ze veel van de mythes die tijdens het kolonialisme zijn ontstaan verworpen; ‘Ga terug naar feitelijke “teksten” van de orale traditie in plaats van te vertrouwen op de “bedenksels” van sociale wetenschappers,’ aldus Oluwole. 

    Man/vrouw-verhoudingen

    Als gezegd heeft het onderzoeken van de taal en orale traditie tot belangrijke inzichten geleid op het gebied van sekse en gender in Afrika. Oluwole keek hierbij specifiek naar de Yoruba-taal. Kenmerkend bij de Yoruba is het complementair denken, en dit vindt ook zijn weerslag in het denken over man/vrouw-verhoudingen. 

    – ‘Er is geen godheid zoals een moeder. Alleen zij is het aanbidden waard.’

    Er zijn teksten die lijken te wijzen op de superioriteit van mannen:

    – ‘De man geeft leiding aan de vrouw.’

    En teksten die het tegendeel beweren:

    – ‘Een vrouw werd gevraagd een zwakkeling mee te brengen die ze kon laten doen wat ze wilde, en ze kwam terug met haar man.’

    – ‘Voor mannen is geen plaats in de hemel.’

    – ‘Het kind van een vrouw is haar echte man.

    Alleen omdat de kou ondraaglijk is

    Neem je een man om je warm te houden

    Een kind is de echte man van haar moeder’

    -‘Vraag: Hoeveel mensen in het dorp?

    Antwoord: Twee, mannelijk en vrouwelijk.’

    Oluwole: ‘De implicatie is uiteraard dat de samenleving beide geslachten moet erkennen en niet maar een van beide.’

    Vrouwen werden niet uitgesloten van het maatschappelijk leven. Vrouwen hadden politieke inspraak, en hadden soms leidinggevende functies:

    ‘Het sociale basisprincipe op grond waarvan Yoruba-vrouwen handelden, bijvoorbeeld, was dat als de samenleving besluiten moest nemen die ernstige gevolgen hadden voor hun leven, voor hun economische, politieke en religieuze bestaan, ze te allen tijde het recht hadden te worden geraadpleegd en rechtstreeks dan wel via democratische vertegenwoordiging te worden betrokken bij de besluitvorming’ (2014: 102). Op economisch vlak liepen vrouwen zelfs voorop; zij waren degenen die goederen verkochten op de markt, zowel die van haar man als haar eigen producten. Vrouwen konden kapitaal bezitten, erven en nalaten. 

    ‘Gender’ is in Yoruba een geïmporteerd probleem is, omdat de categorie ‘vrouw’ niet zou bestaan in die taal

    Haar invloed is te zien in het onderzoek dat door hedendaagse Afrikaanse denkers en wetenschappers wordt verricht op het gebied van sekse en gender. De Nigeriaanse denker Oyèrónkẹẹ Oyěwùmí stelt door te kijken naar de Yoruba-taal dat ‘gender’ een geïmporteerd probleem is, omdat de categorie ‘vrouw’ niet zou bestaan in het Yoruba. Ook zij wijst op het complementaire denken en het belang van een terugkeer naar de taal, de teksten, om koloniale mythes te verwerpen.

    ‘Omdat onvoldoende wordt ingezien dat het wereldbeeld van een volk bepaald wordt door taal, worden westerse categorieën als universeel beschouwd. In de meeste Yoruba-studies worden de inheemse categorieën niet onderzocht maar geassimileerd in het Engels. Dit heeft tot een ernstige verdraaiing en een volstrekt onbegrip van de Yoruba-realiteit geleid. Geslachtskenmerken zijn belangrijk geworden in Yoruba-studies, omdat het leven van de Yoruba in het Engels is vertaald om in het westerse lichaamsbeeldpatroon te passen.’

    Oluwole zei over taal: ‘Taal is een product van menselijke ervaring. Wanneer ze voor educatieve doeleinden wordt gebruikt, moet er een aantal regels en beginselen worden geleerd, niet alleen op grammaticaal gebied maar ook conceptueel.’ 

    Haar inzichten vinden we ook terug bij Afrikaanse schrijvers. De Keniaanse schrijver Ngũgĩ wa Thiong’o stelt bijvoorbeeld dat cultuur en taal moeilijk van elkaar te scheiden zijn. ‘De keus van een taal en het gebruik dat van die taal wordt gemaakt is bepalend voor de manier waarop mensen zichzelf definiëren ten opzichte van hun natuurlijke en sociale omgeving, en zelfs ten opzichte van het hele universum.’ Hij schrijft over de vervreemding die hij ervoer doordat hij op school in een andere taal, een Europese taal, werd onderwezen dan hij thuis sprak; het Gikuyu. De geschreven taal die hij op school sprak, kwam niet meer overeen met zijn wereld. 

    Gesproken tekst

    Oluwole hechtte waarde aan de orale traditie omdat deze voor een nauwere relatie zorgde tussen de auteur en diens publiek. Meer dan het schrift weet de orale traditie te zorgen voor een emotionele band tussen orator en toehoorder, doordat de gesproken tekst meer leeft. 

    ‘Waar een geschreven tekst vaak openbare zaken in een duister persoonlijk idioom vervat, houden orale uitingen de communicatie meestal open zodat het publiek de ideeën en gedachten van de orale verteller op een directe manier tot zich kan nemen en kan delen. Worden de open ideeën opgeschreven, dan raken ze versteend en maakt de classificatie ze alleen maar geheimzinniger.’

    Ook Thiong’o benadrukt het belang van de orale traditie. Volgens hem moeten we af van het idee dat de pen de voornaamste overdrager van cultuur is: ‘Woorden omkleden ideeën die voortkomen uit die strijd. Woorden benoemen gedachten. De tong geeft de woorden stem. Woorden komen niet in geschreven vorm uit onze mond; ze komen eruit als een spreekstem. De pen imiteert de tong. De pen is de klerk van de tong. Hij maakt tekeningen van wat er wordt gezegd. De pen zegt wat al gezegd is.’

    Vandaar het belang van spoken word in zwarte gemeenschappen. Ook hiphop kunnen we zien in het licht van deze orale traditie. Al deze uitdrukkingsvormen worden in zwarte gemeenschappen met elkaar gedeeld, en moeten we blijven koesteren. Onze orale tradities zijn onderdeel van onze intellectuele cultuur. 

  • De beste non-fictie van juli

    De beste non-fictie van juli

    Het geheim achter de wilskracht van Japanners: ganbatte. Carl Newport over hoe je jezelf bevrijdt van de tirannie van de inbox & Meer tips in deze Top-5 non-fictie, aangeraden door 360 en Athenaeum.

    Ganbatte. De Japanse kunst van de wilskracht – Francesc Miralles

    In plaats van iemand succes te wensen zeggen ze in Japan ganbatte, wat zoveel betekent als: ‘Doe je best en geef niet op.’ Succes is voor een groot deel afhankelijk van geluk hebben, ganbatte gaat juist uit van je eigen kracht.


    Terug naar nazi-Duitsland – Eric Lichtblau

    Holocaust-vluchteling Fred Mayer leverde belangrijke gegevens voor het Ardennenoffensief en zorgde ervoor dat de geallieerden twintig nazitreinen konden bombarderen. Hij overtuigde de nazicommandant van de regio ervan zich over te geven en voltooide zo een van de succesvolste missies tijdens WO II.


    Het heldenpad. Te voet. Met Garibaldi van Rome naar Ravenna – Tim Parks

    In de zomer van 2019 treedt Tim Parks samen met zijn partner Eleonora in de voetstappen van de Italiaanse revolutionaire generaal Garibaldi, die in de negentiende eeuw een guerrillaoorlog leidde voor een verenigd Italië.


    Brieven aan Camondo – Edmund de Waal

    De joodse bankiersfamilie Camondo vestigde zich in de jaren zeventig van de negentiende eeuw in Parijs en begaven zich in de hogere culturele kringen van de Parijse belle époque. Dochter Béatrice en haar man en kinderen werden in Auschwitz vermoord. De Waal brengt de familie weer tot leven.


    Bevrijd! – Cal Newport

    We zijn de hele dag bezig met communiceren over ons werk, in plaats van dat werk te dóén. Dit gaat ten koste van onze productiviteit, creativiteit, gezondheid en ons denkvermogen. Newport beschrijft hoe we in deze communicatietredmolen zijn beland en bevrijdt ons van de tirannie van de inbox.

  • Hoe de pandemie het populair futurisme veranderde

    Hoe de pandemie het populair futurisme veranderde

    Speculatieve non-fictie was lange tijd vooral gericht op de beperkte perspectieven en doelstellingen van het bedrijf – en dus op het verdienen van geld. Mede door de pandemie kunnen we het populaire genre mogelijk aanwenden voor een betere toekomst.

    De pandemie, die in veel opzichten vreemder is dan sciencefiction, heeft veel discussie uitgelokt over de rol van speculatieve fictie bij onze toekomstvoorstellingen. Waar sommigen in de mogelijkheden die zulke verhalen voorspiegelen antwoorden zien op onzekere tijden, vragen anderen zich af waar deze dystopische visioenen eindigen. Maar misschien is het net zo relevant om ons weer eens in de speculatieve non-fictie te verdiepen, een zich constant ontwikkelend genre dat we als ‘populair futurisme’ zouden kunnen betitelen.

    Wat zijn de kenmerken van een ‘populair-futuristisch’ boek? Het schetst mogelijke toekomstperspectieven, belicht nieuwe belangwekkende trends en belooft manieren waarop zelfs niet-gespecialiseerde lezers deze inzichten op hun eigen leven en werk kunnen toepassen. Zo’n boek heeft waarschijnlijk een fascinerend omslag, in een stijl die dateert van het werk dat met recht en reden een pionier in dit genre kan worden genoemd en nog altijd toonaangevend is: Toekomstshock van Alvin Toffler. Dit boek, dat het concept ‘futurisme’ populair maakte in de mainstreamcultuur en in de zakenwereld en kortgeleden zijn vijftigste verjaardag vierde, verscheen in de meest veelkleurige versies, zodat het als een neonregenboog in het oog zou springen vanuit de schappen van de boekwinkels. Andere titels hebben een kinetische belettering die je vanaf de pagina tegemoet vibreert alsof ze zich met hoge snelheid verplaatst. De toon van de boeken houdt meestal het midden tussen start-uppitch en zelfhulpmantra en straalt het profetische zelfvertrouwen uit van de teruggekeerde tijdreiziger.

    Wat er komen gaat

    Hoewel hun inhoud mee verandert met de tijdgeest, blijft datgene wat ons in populair-futuristische boeken aantrekt hetzelfde: we willen allemaal weten wat er komen gaat. Ze boren de oeroude kracht van de toekomst aan om ons te boeien en bang te maken, op zo’n manier dat onze hedendaagse angsten erdoor worden gesust en aangewakkerd. Zoals alle populair-wetenschappelijke of zelfhulpteksten beloven ze signaal van ruis te scheiden en geven ze ons wat geruststellende (zij het illusoire) controle in een chaotische wereld. Ze laten zien wat de toekomst ons brengt, ook al oogt het heden nog als zo’n warboel.

    Maar de belangrijkste belofte die ten grondslag ligt aan de canon waarvan Toekomstshock de eersteling is, is dat lezers zich met de juiste vooruitziende blik niet alleen kunnen voorbereiden op wat komen gaat, maar er ook van kunnen profiteren. Deze onschuldige vorm van handelen met voorkennis stelt de toekomst voor als een bulkgoed, als een oefening in tijdsbeoordeling waarbij kennis van nieuwe ontwikkelingen financieel voordeel oplevert. Het is geen toeval dat de auteurs van zulke boeken traditioneel een wit, mannelijk en kapitalistisch wereldbeeld hebben; velen van hen werken als in de toekomst gespecialiseerde consultants in het grijze gebied tussen zakenwereld, overheid, technologie, reclame en sciencefiction. 

    Deze zakelijke benadering is tot nu toe dominant in het populair futurisme, maar dat zou wel eens kunnen veranderen. Het afgelopen jaar is er een verbazingwekkend groot aantal nieuwkomers aangetreden, wat gek genoeg voor de hand ligt in een tijd waarin grote onzekerheid heerst over wat er morgen zal gebeuren, om over het komende decennium nog maar te zwijgen. Kan zo’n traditioneel zelfgenoegzaam genre nog enige troost bieden, laat staan deugdelijke inzichten?

    De confrontatie met een tsunami van veranderingen maakte de meeste mensen angstig, gedesoriënteerd en ontregeld

    Om die vraag te beantwoorden moeten we terug naar Toekomstshock. Hoewel de titel ons tegenwoordig nog maar vagelijk bekend voorkomt, werd het boek na zijn publicatie in juli 1970 algauw wereldberoemd. Het ging in miljoenen exemplaren over de toonbank, er werd een door Orson Welles ingesproken documentaire van gemaakt en de titel inspireerde Curtis Mayfield tot een song [Future Shock]. Het boek gaf mede aanzet tot een genre dat nog altijd bloeit en bezorgde Toffler een decennialange carrière als auteur, deskundige en consultant. Herlezing van Toekomstshock toont aan dat het boek niet alleen de kiem heeft gelegd voor de powerpointprofetieën van de TED Talk-cultuur en een hele bedrijfstak van toekomstconsultants heeft gecreëerd, maar ook onze toekomstvisie heeft vormgegeven.

    Ook als fysiek object was het opvallend. Het was zo’n vijfhonderd pagina’s dik, het omvangrijke register niet meegerekend. Het was kleurrijk en, nou ja, futuristisch, tot het ronde maar robotachtige lettertype van de titel aan toe, dat was gebaseerd op het MICR-font [Magnetic Ink Character Recognition], ontworpen om door zowel mensen als machines te kunnen worden gelezen. Futurist Scott Smith herinnert zich dat hij als jongen de lijvige paperback op het nachtkastje van zijn ouders zag liggen en deze er zowel eng als verleidelijk vond uitzien; half grappend zegt hij dat hij er zijn beroepskeuze aan dankt.

    Alvin Toffler, de auteur wiens naam in onuitwisbare letters op het omslag prijkt, was een journalist uit Brooklyn die in het begin van zijn carrière samen met zijn vrouw Heidi schreef over progressieve politiek en de arbeidersbeweging. Ze werkten samen aan een trilogie waarvan Toekomstshock het eerste deel was, maar Heidi werd pas in een later boek officieel erkend als auteur. Dat zelfs een toekomstgericht powerkoppel in dit opzicht verbazingwekkend ouderwets was, bewijst maar weer eens dat we allemaal bevattelijk zijn voor de blinde vlekken van onze tijd, net als Toekomstshock.

    Het kernbetoog van het boek is wellicht herkenbaar, misschien omdat Toffler het zo overtuigend beargumenteerde dat het een cliché is geworden: de wereld veranderde in een exponentieel toenemend tempo, waardoor mensen in ‘shock’ raakten en worstelden om het hoofd boven water te houden. In elk geval in de westerse landen onderging de maatschappij een ingrijpende historische verandering toen de industriële revolutie plaatsmaakte voor de informatie-economie; die verandering werd op haar beurt versneld door nieuwe technologieën op het gebied van massacommunicatie. De confrontatie met een tsunami van veranderingen maakte de meeste mensen angstig, gedesoriënteerd en ontregeld. Het boek probeerde deze nieuwe toestand te doorgronden, de ‘bronnen en symptomen’ ervan bloot te leggen en mogelijke manieren te bedenken om de effecten te verzachten.

    Hij maakt van de toekomst de meest spectaculaire show op aarde, en je zou wel gek zijn als je wegkeek

    De belangrijkste strategie om de toekomstshock te bestrijden, aldus Toffler, was om zich met extra kracht op de toekomst zelf te richten. Hij riep overheidsinstanties op om grootschalige toekomststudies te financieren, sciencefictionauteurs om meer methodische toekomstvoorspellingen in hun boeken op te nemen en Amerikaanse scholen om toekomstgerichte lessen te geven (als tegenwicht tegen geschiedenislessen). ‘Om zulke beelden in het leven te roepen en daarmee de impact van een toekomstshock te verzachten,’ schreef hij, ‘moeten we allereerst zorgen dat speculeren over de toekomst iets respectabels wordt.’

    Dit was geen nieuwe uitdaging; ook H.G. Wells had zich moeite getroost te benadrukken dat de systematische poging om mogelijke toekomsten te projecteren op basis van hedendaagse gegevens een vorm van wetenschap zou kunnen zijn, en niet alleen maar waarzeggerij. Maar dankzij Tofflers boek werd het futurisme een mainstreamfenomeen, dat zich niet beperkte tot militair gebied (zoals de nucleaire scenario’s die de RAND Corporation als eerste uitwerkte), maar ook op de ‘zachte’ sectoren van het dagelijks leven toepasbaar was, van ‘politiek en speelplaatsen tot skydiven en seks’.

    Maar behalve door zijn inhoud vond Toekomstshock ook veel weerklank door zijn stijl. Naar het voorbeeld van de Canadese mediatheoreticus Marshall McLuhan, wiens vermogen om grote ideeën in pakkende soundbites te presenteren onmiskenbaar een inspiratiebron was, maakte Toffler van het medium de boodschap. Zijn toon is evenzeer gealarmeerd als energiek, professoraal als ademloos. Hij spreekt van een ‘vuurstorm van verandering’, van het ‘zinderende schokeffect’ van nieuwe ideeën, van ‘pijlsnel groeiende’ populaties; zijn taalgebruik wedijvert met de voortstuwingssnelheid die hij beschrijft. Hij gebruikt pakkende termen als ‘ad-hoccratie’; hij maakt van de toekomst de meest spectaculaire show op aarde, en je zou wel gek zijn als je wegkeek.

    Zelfs wanneer Toffler de potentiële gevaren van versnelde verandering schildert, zoals ongelukken op boorplatforms of besluitvormingsalgoritmen, en de noodzaak van regelgeving benadrukt, gelooft hij dat oplossingen gelegen zijn in een grondige oriëntatie op toekomstige transformaties. ‘De kracht van de technologische ontwikkelingsdrang is te groot om door vooruitgangssceptici te worden gestopt,’ schrijft hij, en ondanks de soms waarschuwende toon definieert het boek op een bedwelmende manier de voorwaarden voor zijn eigen wereldbeeld. ‘Is dit allemaal overdreven?’ luidt zijn beroemde vraag. ‘Ik denk het niet.’

    Optimaliseren

    Zoals de krachtige stijl van Toekomstshock een bestseller heeft gemaakt, zo heeft het succes van het boek de weg gebaand voor een heel genre dat met de beslommeringen van elk navolgend tijdperk is mee veranderd. Eén subgenre van populair-wetenschappelijke boeken die snel na Toekomstshock verschenen, was sterk gericht op het voorspellen van consumentengedrag, te beginnen in 1982 met Megatrends van John Naisbitt en eindigend in 1991 met The Popcorn Report van de nestrix van de trendspotters: Faith Popcorn.

    Met de eerste dot.com-boom werd technologie een algemener thema, ongetwijfeld geholpen door het zelfbeeld van Silicon Valley als de plek waar de toekomst haar beslag krijgt. Deze nieuwe fase van het genre gaf de prioriteit aan innovaties op hardware- en softwaregebied, en sommige titels begonnen de wildste technologische grenzen op te zoeken, zoals The Age of Spiritual Machines (1999) van Ray Kurzweil en Physics of the Future (2011) van Michio Kaku. Maar of hij nu zakelijk banaal of cybergnostisch is, de klassieke populair-futuristische canon vooronderstelt een publiek dat industrieën wil ontmantelen met behoud van de status quo. Zelfs futuristen als Kurzweil, een van de herkenbaarste hedendaagse auteurs en een erfgenaam van Toffler, presenteren ideeën die revolutionair lijken – de uniciteit, de mogelijkheid van onsterfelijkheid – in een taal die wordt beperkt door individualistisch ondernemersdenken. Alles is doordesemd van de logica van het optimaliseren van alles en iedereen, zelfs van onze ziel.

    Gedurende het grootste deel van hun geschiedenis hebben deze boeken zich vooral op de beperkte perspectieven en doelstellingen van het bedrijfsmatige futurisme gericht. Vaak onder invloed van de agenda van haar klanten, concentreert de toekomstbranche zich op het oplossen van de problemen waarvoor ze is ingehuurd. Omdat ze zijn voortgekomen uit organisatieadviesbureaus en oververhitte start-ups, zijn futuristen meer geïnteresseerd in, en kunnen ze zich gemakkelijker een voorstelling maken van ruimtekolonies en het eeuwige leven – voor sommigen een rechtstreekse weg naar winst – dan van een kwestie als het afschaffen van gevangenissen.

    (Een nieuwe ster aan Tofflers toekomstversnellingsfirmament, maar zonder zijn weloverwogen zorgen te delen, is The Future Is Faster Than You Think van Peter Diamandis en Steven Kotler, waarin ademloos wordt beschreven hoe nieuwe technologieën zoals kunstmatige intelligentie ertoe zullen leiden dat de mensheid ‘een grotere omwenteling zal meemaken en meer rijkdom zal creëren dan in de afgelopen honderd jaar’. Wie met de omwenteling wordt geconfronteerd en naar wie de rijkdom gaat is niet moeilijk te raden. Problemen als klimaatverandering, stelt het boek, kunnen te lijf worden gegaan met zich steeds verder ontwikkelende gadgets, zoals goedkopere zonnepanelen en brandweerdrones.)

    Kathedraaldenken

    Maar terwijl de regels en de definitie van het ‘toekomstdenken’ veranderen en zich verspreiden via andere stemmen, geografieën en ideologische structuren, verandert het populair-futuristische boek mee – en treedt het soms uit Tofflers voetsporen, als het al niet een geheel nieuwe weg inslaat.

    Vorig jaar verscheen After Shock, een officiële hommage aan Toekomstshock. De bundel bevat lovende maar zeker ook kritische woorden van de hand van meer dan honderd hedendaagse futuristen en denkers. Het boek How to Future: Leading and Sense-Making in an Age of Hyperchange van Scott Smith en Madeline Ashby staat voor een stap in een andere richting en beschrijft strategieën voor het begeleiden en creëren van verandering in verschillende contexten, die zich lang niet altijd beperken tot het commerciële en technologische domein. Het is een bewonderenswaardige poging om tot een ‘toekomsthandleiding’ voor verschillende doelgroepen en doelstellingen te komen, geïllustreerd met de toepassing van bijvoorbeeld scenarioplanning, een in de Koude Oorlog door militairen ontwikkelde methodologie, op terreinen als non-profitmanagement en gezondheidszorg. De casestudy’s en procesbeschrijvingen zijn verhelderend, al gaat de gedetailleerdheid soms te ver voor de niet-academische lezer die het in de naaste toekomst niet als handboek zal gebruiken.

    Ook het veelgenoemde idee van ‘langetermijndenken’ duikt in diverse recente boeken op als een cruciaal middel om een andere existentiële dreiging te lijf te gaan: de klimaatcrisis. In De goede voorouder roept filosoof Roman Krznaric kalm op tot een heroriëntering op de toekomst, niet ten bate van onszelf (zoals typerend is voor het populair-futuristische boek), maar van onze verre nazaten. Hij gebruikt de term ‘kathedraaldenken’ voor reusachtige projecten die niet tijdens ons eigen leven zullen worden afgerond, maar waarmee nu wel hoognodig een begin moet worden gemaakt, vergelijkbaar met het werk van verschillende generaties aan de middeleeuwse kathedralen die hun achterkleinkinderen pas voltooid zouden zien.

    Waar in boeken als Toekomstshock de toekomst wordt beschreven als een reusachtige golf die onontkoombaar en verpletterend op ons af raast, is de centrale metafoor in het boek van Krznaric (dat soms leest alsof je door een stil bos dwaalt) de eikel. Het gaat erom dat je bijvoorbeeld niet alleen maar bomen plant (al wordt herbebossing letterlijk een cruciaal langetermijnproject genoemd), maar ook het belang en het potentieel van het huidige moment benadrukt, hoe gebrekkig ook, om de toekomst te beïnvloeden.

    Interactieve kaartspellen zijn misschien wel beter dan een boek in staat de vreemde, veranderlijke manieren te belichamen waarop de toekomst zich ontvouwt

    Het meest inventief wordt dit thema misschien wel onderzocht in populair-futuristische projecten die de grenzen van het boek volledig overschrijden. Een daarvan is Afro-Rithms from the Future, een digitaal kaartspel dat spelers uitdaagt toekomstscenario’s te bedenken met een expliciete focus op zaken als sociale rechtvaardigheid en ongelijkheid. Tot het team dat het spel heeft ontwikkeld behoren futurist, acteur en kunstenaar Ahmed Best en Lonny Brooks, universitair hoofddocent Communicatie aan de California State University. Het spel maakt gebruik van afrofuturistische denkwijzen en kunstvormen om radicale visies op een rechtvaardiger wereld te stimuleren en groepsdiscussies uit te lokken over het veranderen van de huidige situatie om zover te komen. De kosmische, bontgekleurde kaarten zijn uitnodigend en in scherp contrast met het beeld van blauwe lasers dat maar al te vaak de standaardesthetiek van de ‘toekomst’ vormt. Interactieve kaartspellen en collectieve verhaalprojecten zijn misschien wel beter dan een lineair boek in staat de vreemde, veranderlijke, participatieve manieren te belichamen waarop de feitelijke toekomst zich ontvouwt.

    Ook voordat de coronapandemie begin 2020 over de wereld begon te razen, hadden de catastrofale vooruitzichten voor de planeet – klimaatverandering, opkomend nationalisme, systemische ongelijkheid, technologie die meer problemen veroorzaakt dan oplost – iedere hoop op een stabiele toekomst al de bodem ingeslagen. Maar een heel klein lichtpuntje is misschien dat dit het jaar kan worden waarin we het duidelijkst beseffen dat we op een geheel nieuwe manier over de toekomst zullen moeten praten, als we die rechtvaardig en duurzaam willen maken voor iedereen. Net als in 1970 wordt de toekomst momenteel gevormd door ingewikkelde interacties van mensen, systemen, gemeenschappen en materiële en milieuomstandigheden – en door de verhalen waardoor die interacties worden beïnvloed.

    Dit nieuwe hoofdstuk van populair futurisme toont zijn blijvende aantrekkingskracht als een vertrouwd dialect, ook al is de boodschap die het genre brengt nu van een andere urgentie. Misschien kan het nog altijd nieuwe toekomstperspectieven voor een gezondere wereld bieden, maar die moeten dan wel net zo levendig en onweerstaanbaar overkomen als Toekomstshock vijftig jaar geleden. Waar Toffler en zijn volgelingen de versnelde, door winstbejag gedreven toekomst duizelingwekkend maakten, probeert de volgende generatie denkers deze paradox op te heffen en tragere, meer op herstel en gemeenschapszin gerichte toekomsten te verzinnen, die even onweerstaanbaar zijn.

  • Olifant in de slaapkamer

    Olifant in de slaapkamer

    Tussen bedrog en individuele manifestatie.

    Universitair docent Carlo en makelaar Margherita, twee dertigers in Milaan, zijn gelukkig getrouwd, hebben samen een kind en desondanks ontbreekt er iets. Daarom houden ze er beide een geheime affaire op na. Dat ze daar eigenlijk beter niet aan toe kunnen geven, maakt het alleen maar spannender. Gruwelijke gevolgen kunnen niet uitblijven. Maar het leidt ook tot essentiële vragen. Vormt ontrouw het ultieme bewijs voor hun onvoorwaardelijke liefde? En betekent het tegelijkertijd niet de pure manifestatie van het individu?

    Zo liggen de kaarten in Fedeltà, de roman van Marco Missiroli, die vorig jaar in Italië de prestigieuze literatuurprijs Premio Strega won. Dit tot verbazing van criticus Damiano Sinfonico van het Italiaanse cultuurblad LaBaleinaBianca die Missiroli een gebrek aan originaliteit verwijt: ‘Het verhaal opent nergens nieuwe perspectieven en lijkt eerder een lofzang op het huwelijk of een vaste relatie.’ Bovendien hekelt de recensent Missiroli’s ‘eentonige taalgebruik, dat geheel in dienst staat van de plot en geen spoor van autonomie vertoont’.

    Alfonsa Laonigro van het Italiaanse the WiseMagazine legt uit dat Missiroli de clichés over overspel juist nodig heeft om duidelijk te maken hoe ontrouw bij uitstek een manier is om trouw aan jezelf te blijven. ‘Freud schemert door in alle hoofdstukken. De hoofdrolspelers raken verstrikt in een spiraal waaruit niet valt te ontsnappen aan verlangens en schuldgevoelens.’ 

    Hij houdt zijn hart vast voor de ontvangst in eigen land

    Op de Engelstalige Indiase nieuwssite The Newzly noemt Katie Law de roman slim geconstrueerd: ‘Zoals de personages kriskras in elkaars leven opduiken en het negen jaar later opnieuw met elkaar te stellen krijgen.’

    ‘Voor een volk met de reputatie dat het ontrouw als een beproefd middel beschouwt om het (huwelijkse) leven op smaak te houden, zijn de verontwaardigde reacties op de roman in Italië op zijn minst opmerkelijk’, schrijft Charles Wooley in The Australian. Hij houdt zijn hart vast voor de ontvangst in eigen land, zeker nu bekend is geworden dat er ook een Netflix-serie in de maak is. ‘Straks kan geen enkel liefdeskoppel ontkomen aan deze olifant in de slaapkamer.’ Een klassieker als Anna Karenina of Madame Bovary is het volgens Wooley niet, maar dat het boek opschudding veroorzaakt is al heel wat.

    Fedeltà van Marco Missiroli, door Hilde Schraa in het Nederlands vertaald als Trouw, verscheen eind mei bij uitgeverij Cossee.

    Diederik Samwel

  • Hoe liegen de normaalste zaak van de wereld werd

    Hoe liegen de normaalste zaak van de wereld werd

    De drempel voor onoprechtheid ligt in het kapitalisme lager dan ooit. Betrouwbaarheid, nauwgezetheid en harmonie spelen in de race om het grote geld niet mee. Het is zelfs de vraag of we oprechtheid nog kunnen vertrouwen.

    Tranen liegen niet, zeggen ze. Als je huilt, heb je principieel gelijk, want je stelt je kwetsbaar op en vraagt om begrip. Je tranen zijn het bewijs dat je het eerlijk meent.

    Maar zakenvrouw Maria-Elisabeth Schaeffler werd belachelijk gemaakt nadat ze tegenover haar personeel in tranen was uitgebarsten. Van deze miljardair, die met de overname van bandenfabrikant Continental verkeerd had gegokt, werd dat niet geaccepteerd. En Madeleine Schickedanz, de erfgename van Quelle – of Arcandor, zoals het bedrijf sinds de fusie met Karstadt heet – verging het niet beter. In een interview zei ze dat ze sinds de surséance van het concern moest rondkomen van 600 euro in de maand en haar boodschappen nu bij de discounter haalde. Schickedanz was een paar weken daarvoor nog een van de rijkste vrouwen van de Bondsrepubliek, nu deed ze zich als slachtoffer voor  –  zonder tranen weliswaar – en hoopte op mededogen. Vergeefs. Haar openhartigheid werd gezien als zelfmedelijden, als cynisme tegenover de veel realistischer angst van de bezorgers van Quelle en de verkoopsters van Karstadt.

    Het is een van de paradoxen van onze mediademocratie dat we van onze elite authenticiteit verwachten, maar dat we, als ze eens authentiek proberen te zijn, juist weigeren hen te geloven. Want je hart uitstorten is niet moeilijk en tranen kunnen wel degelijk liegen als ze het resultaat van pure berekening in plaats van oprecht verdriet.

    ‘Niets is artificiëler, geconstrueerder, dan pure oprechtheid,’ schrijft Wolfgang Engler in zijn boek Lüge als Prinzip (De leugen als principe). We moeten elke demonstratie van eerlijkheid wantrouwen. Desondanks pleit de Berlijnse socioloog, voormalig rector en nog steeds docent aan de Ernst Busch Schauspielschule in Berlijn, voor een nieuwe cultuur van ‘oprechtheid in het kapitalisme’; zo luidt ook de ondertitel van zijn boek.

    ‘Om iemand recht in zijn gezicht voor te liegen moet je over een flinke dosis onverschilligheid beschikken’

    Want het tegenovergestelde van oprechtheid is de leugen. En de leugen heeft het kapitalisme daar gebracht waar het zich nu bevindt: in een crisis. Toch is de leugen lang onopgemerkt gebleven, omdat ze zich vermomd had. ‘Om iemand recht in zijn gezicht voor te liegen moet je over een flinke dosis onverschilligheid beschikken. Maar iemand “slechte schulden” aansmeren, gecombineerd met andere activa, is een stuk makkelijker,’ constateert Engler. Zijn diagnose is onverbiddelijk: ‘In de geschiedenis van het moderne kapitalisme ligt de drempel voor onoprechtheid lager dan ooit. Het bedrog volgt de wereldomspannende geld- en goederenstromen als een schaduw en is in de beschutting daarvan de gewoonste zaak van de wereld geworden.’

    Die ontwikkeling is begonnen met het ontstaan van een nieuw type ondernemer, de in onze samenleving freischwebende financiële jongleur. De financiële jongleur, door Franz Müntefering, de voormalig sociaaldemocratische vicekanselier, ‘aasgier’ gedoopt, is ‘ondernemer zonder onderneming’. Hij is voortdurend op zoek naar ondergewaardeerde bedrijven die hij infiltreert en naar start-ups die kapitaal nodig hebben, om ze inclusief hun ideeën op te kopen en vervolgens te verpatsen. Traditionele kwaliteiten als betrouwbaarheid, nauwgezetheid of harmonie doen er in deze race om het grote geld niet meer toe, hier regeren de deugden van het casino: waaghalzerij, gokken, wedden, speculeren.

    De globalisering leidt tot oneindig wijdvertakte handelsketens. ‘Risico’s worden verpakt, verkocht, afgelost, herschikt en van een nieuw etiket voorzien tot niemand er nog iets van begrijpt.’ Het is een systeem zonder gisteren en morgen. Het behalen van zo veel mogelijk winst komt in de plaats van langetermijndenken, tradities worden schouderophalend bij het grofvuil gezet. Soms doet Engler met zijn kritiek op het neoliberale gedachtegoed denken aan de retoriek van de partij Die Linke, maar in wezen is zijn argumentatie minder op de klassenstrijd dan op conservatieve waarden gebaseerd.

    Gutmensch-achtig

    Lüge als Prinzip is niet een eventjes snel geschreven pamflet over de crisis, het boek gaat veel dieper. Op zijn zoektocht naar een uitweg uit de huidige conflicten belandt Engler diep in de geschiedenis van het denken en de cultuur. Hij plaatst de financiële jongleur tegenover de achttiende-eeuwse burger, die bij zijn bevrijding van de adellijke hegemonie een reeks eigen morele principes heeft ontworpen. Oprechtheid, vertrouwen en eerlijkheid zijn tot op heden de voornaamste beginselen van de Verlichting. Er is geen andere manier om vertrouwen tot stand te brengen dan ‘tegenover onze naaste alles wat zijn nut bevordert of hem voor schade kan behoeden openhartig uit te spreken’, staat in een encyclopedie uit 1731.

    Een dergelijke onbaatzuchtigheid mag tegenwoordig gutmensch-achtig en naïef overkomen, in die tijd was het revolutionair. De woede richtte zich tegen het hof, tegen de uitspattingen en intriges van de barok, tegen de pruiken, jurken met korsetten en ruches en tegen een taal die verworden was tot een instrument van versluiering. ‘De taal is de mens gegeven om zijn gedachten te verbergen,’ merkte de Franse minister van Buitenlandse Zaken Talleyrand cynisch op. Napoleon, zijn toenmalige werkgever, noemde hem daarop een ‘mestvaalt in zijden kousen’.

    De mens in het algemeen moet weer ‘in de waarheid’ gaan leven. Rousseau wilde hem bevrijden uit de ketenen van de cultuur en hem naar de ‘vrije collegezaal van de natuur’ leiden. Diderot en de encyclopedisten beschrijven oprechtheid als een utopie van eerlijke communicatie, waarbij het erop aankomt niets voor zich te houden en zo de ander een onbelemmerde blik in het eigen innerlijk te gunnen. In zijn drama Le fils naturel treedt Diderot zelf als personage op om te verklaren dat alles wat op het toneel plaatsvindt, ook in werkelijkheid zo is gebeurd.

    ‘Echte gevoeligheid’ wordt steeds lastiger te onderscheiden van ‘gespeelde gevoeligheid’

    ‘Waarachtige fijngevoeligheid’ wordt een morele imperatief van het tijdperk van de Verlichting. De briefroman – van Goethe, Choderlos de Laclos of Laurence Sterne – beleeft een bloeiperiode, want in zijn brieven lijkt de ziel van de mens het meest tot uitdrukking te komen. ‘Fijngevoelige gesprekken’ vinden echter ook buiten de literatuur plaats, maar het wordt steeds moeilijker ‘echte gevoeligheid’ te onderscheiden van ‘gespeelde gevoeligheid’. Al bij de geringste aanleiding vloeien de tranen rijkelijk, bijvoorbeeld bij het afscheid van een vriend.

    Johann Heinrich Voβ, de Duitse vertaler van Homerus, heeft in 1773 in een brief aan Ernestine Boje zo’n melodrama beschreven. ‘De 12e september gaat me nog heel wat tranen kosten. Het was de dag dat Graf Stolberg afscheid moest nemen van zijn voortreffelijke hofmeester Clauswitz. We hadden punch laten maken, want het was een koele avond. We wilden de treurige stemming verdrijven door wat te zingen; we kozen Millers Abschiedslied. Hier was geen veinzen meer mogelijk; de tranen vloeiden rijkelijk en de ene na de andere stem viel weg.’ De brief eindigt met: ‘Ik kan niet verder, lieve Ernestientje, ik ben alweer in tranen.’

    Wolfgang Engler heeft met zijn lucide, af en toe haast poëtische essay een huzarenstukje geleverd. Een historisch panorama van een verre tijd die de onze weerspiegelt. De tranen van Maria-Elisabeth Schaeffler en Johann Heinrich Voβ hebben veel van elkaar weg, zoveel is duidelijk. We weten alleen niet of we ze kunnen vertrouwen.