Volgens een nieuwe wet wordt alle ‘lhbti-propaganda’ verboden
Voor de lhbti-gemeenschap in Rusland wordt het leven nog zwaarder. Donderdag keurde het Russische parlement een nieuwe wet goed waarmee het ‘promoten van lhbti-propaganda’ verboden wordt, schrijft het Russische persbureau TASS. Alles waarin homoseksualiteit voorkomt, van boeken tot films, van muziek tot websites, wordt illegaal en wie de wet overtreedt kan flinke boetes verwachten.
Wie als persoon de wet overtreedt moet ruim 6000 euro betalen en bedrijven en ngo’s die homoseksualiteit promoten kunnen een boete tot 80.000 euro krijgen. De Doema, zoals het Russische parlement heet, ziet de wet als een manier om de Russische maatschappij te beschermen van ‘on-Russische’, westerse waarden.
De lhbti-gemeenschap wordt in Rusland al langere tijd onderdrukt. Zo mogen zij zich niet in het openbaar manifesteren en homostellen die zich in het openbaar laten zien worden regelmatig geïntimideerd. De nieuwe wet wordt door mensenrechtenorganisaties gezien als een volgende stap om homoseksualiteit in Rusland volledig uit te bannen.
De VN gaat mensenrechtenschendingen door Iran onderzoeken
De Verenigde Naties gaat een missie naar Iran sturen om onderzoek te doen naar mensenrechtenschendingen die daar sinds het begin van de protesten in september zouden hebben plaatsgevonden. Daarmee heeft de VN Mensenrechtenraad donderdag ingestemd. 25 leden van de raad, waaronder Nederland, stemden in met de resolutie. Onder meer China en Pakistan stemden tegen.
Nadat de 22-jarige Mahsa Amini in september overleed na te zijn mishandeld door de zedenpolitie omdat zij haar hoofddoek niet juist zou hebben gedragen, gingen honderdduizenden mensen in Iran de straat op. De Iraanse veiligheidstroepen probeerden de protesten met harde hand in te drukken en ruim driehonderd betogers zouden zijn omgekomen door het overheidsgeweld.
Zeker 14.000 mensen zouden zijn opgepakt en speciaal opgerichte tribunalen hebben de eerste demonstranten al ter dood veroordeeld. Na afloop van de stemming vierden diplomaten en aanwezige mensenrechtenactivisten de totstandkoming van de missie. De VN-vertegenwoordiger van Iran heeft de onderzoeksmissie veroordeeld.
Mensenrechtenorganisaties vrezen voor massaexecuties
In Iran is een tweede demonstrant ter dood veroordeeld voor zijn rol in de protesten in het land. Mensenrechtenorganisaties voorspellen dat de komende tijd nog meer doodvonnissen zullen volgen, schrijft Middle East Eye. Duizenden mensen zijn gearresteerd omdat ze deelnamen aan de betogingen.
Nadat de 22-jarige Mahsa Amini overleed, gingen overal in Iran mensen de straat op. Zij was zeer hardhandig gearresteerd door de Iraanse zedenpolitie omdat ze geen hoofddoek droeg. Vrouwen deden hun hoofddoeken af, autoriteiten werden aangevallen en overheidsgebouwen werden in brand gestoken. De Iraanse Revolutionaire Garde reageerde met harde hand en tientallen mensen kwamen om het leven.
Speciaal voor de opgepakte betogers heeft de Iraanse regering een rechtbank in het leven geroepen die snelrecht toepast op de gearresteerden. Human Rights Watch zegt te vrezen voor massaexecuties en benadrukt dat gevangenen geen toegang hebben tot advocaten en vaak worden gemarteld tot ze bekennen.
Data zijn de grootste schat van de digitale samenleving. Ze worden opgeslagen in gigantische serverfarms. Wat particuliere ondernemingen ermee doen bedreigt niet alleen het milieu, maar ook de democratie.
Wie inzicht wil krijgen in de problemen van de toekomst, de bedreiging van de democratie en het controleren van burgers, hoeft maar te kijken naar de toekomststad die architectenbureau Snøhetta momenteel in Noorwegen plant. Op het eerste gezicht lijkt het ontwerp geenszins problematisch, integendeel. Uit de nevel doemt een reusachtig gebouw op dat enigszins doet denken aan de beroemde Neue Nationalgalerie in Berlijn, alleen lijken de pilaren in dit ontwerp op berkenstammen. Door een moerassig landschap loopt iemand op het gebouw af. Alles is groen en idyllisch. Het gigantische gebouw zelf is een serverpark, een datacentrum. Snøhetta ontwierp het voor het Nokia-concern, vastgoedontwikkelaar Miris en twee Scandinavische bouwbedrijven. Het geheel heet The Spark, en voor het eerst moet een datacentrum het centrum van een kleine stad worden en een paar woonwijken voorzien van de enorme warmte die bij het koelen van de servers als afvalproduct vrijkomt. De serverfarm vormt ‘zowel het lichaam als de hersenen’ van de nieuwe stad, jubelen de architecten. Boven op de hersenen groeien groenten en waterlelies: op het openbare dakterras komen een contemplatieve zenvijver en bloemperken. Op deze manier moet ‘de menselijke factor in ons gedigitaliseerde, door smartphones beheerste leven, worden teruggebracht’, aldus de architecten.
Dat in de serverracks in de eerste plaats de problemen worden gefabriceerd – dankzij manipulatie op basis van data die gebruikers van mobiele telefoons opzettelijk verslaafd maken – waarvan het omhulsel van The Spark hen daarboven met vijver en wortelen wil genezen, is slechts een van de vele paradoxen van deze nieuwe wereld. Is het een goed idee dat burgers hun data, de basis voor participatie en politiek in het digitale tijdperk, afstaan aan particuliere bedrijven in ruil voor gratis verwarming, een beetje zenpraat en een gratis ecowortel?
Datacentra zijn de zetel van de macht
Tot dusver toonde het publiek weinig belangstelling voor datacentra. Toch zijn deze voor het digitale tijdperk wat het kasteel was voor de middeleeuwen: de zetel van de macht. In de moderne consumptiemaatschappij draaide het om de kantoortorens van de grote concerns; de wolkenkrabbers van Woolworth en Chrysler waren al van veraf te zien, als uitroeptekens achter de verkondiging wie het in het kapitalisme voor het zeggen had. De huidige digitale revolutie verandert alles radicaler dan ooit, de invloed van digitale concerns op de economie en de politiek is overduidelijk, maar deze verschuivingen hebben zich nog niet afgetekend in de steden. Verscholen, op het platteland of aan stadsranden maakt de bouw van datacentra echter een bliksemsnelle groei door: in 2019 waren er alleen al in de Verenigde Staten ruim 3 miljoen datacentra en meer dan 500 hyperscalers; extreem grote datacentra.
Dat de centra liever onzichtbaar bleven heeft vele redenen. Een daarvan is de milieuvervuiling die wordt veroorzaakt door het immateriële internet en zijn luchtige clouds. Datacentra verbruiken ondanks alle inspanningen om klimaatneutraal te worden namelijk nog steeds buitensporige hoeveelheden energie. Het internet brengt nu al meer schade toe aan het milieu dan alle luchtverkeer. Als het wereldwijde web een land was, zou het wat betreft elektriciteitsverbruik en de uitstoot van klimaatgassen meteen na de Verenigde Staten en China komen. Vooral servers en datacentra verbruiken enorme hoeveelheden: in Europa is hun energiebehoefte tussen 2010 en 2020 met 55 procent gestegen tot 87 terawattuur. 2 procent van alle broeikasgasemissies in de wereld is uitsluitend toe te schrijven aan serverfarms, 8 procent van de wereldwijd geproduceerde elektriciteit gaat naar het transport van data op eindapparaten.
Volgens het klimaatrapport van Frankfurt zal de stad zijn energiedoelstellingen niet halen vanwege de elektriciteitsvraag van zijn servers. In 2020 hebben de serverfarms in Frankfurt 60 procent meer elektriciteit verbruikt dan alle 400.000 huishoudens in de stad, en die hoeveelheid loopt nog op. Hoe groter de hoeveelheid data die nodig zijn voor Big Data, cloudcomputing en kunstmatige intelligentie, hoe gigantischer de opslagbehoefte. Steeds meer kleine en middelgrote bedrijven slaan hun data elders op, grote bedrijven bouwen de hardware zelf. De grootste hyperscaler is Amazon Web Service (AWS). Dit cloudplatform levert een forse bijdrage aan Amazons bedrijfsresultaat, méér dan de pakketverzending: ongeveer twee derde van Amazons beurswaarde is te danken aan AWS. De op een na grootste hyperscaler is Azure (Microsoft), Google volgt op de derde plaats.
Collectieve schat
Digitale concerns verzamelen niet alleen de data van hun gebruikers, ze bouwen ook de raffinaderijen waar ze worden opgeslagen en geanalyseerd en behandelen deze data in de streng beveiligde faciliteiten als hun privé-eigendom. Dat is niet probleemloos, alleen al omdat op deze manier het digitale gedrag van burgers wordt voorspeld en gemanipuleerd. En aangezien deze ondernemingen bijna allemaal in de Verenigde Staten of in China zijn gevestigd, staat niet alleen de technologische, maar ook de economische en politieke soevereiniteit van Europa op het spel.
Het feit dat data de brandstof en de grootste economische schat van het digitale informatietijdperk zijn, staat in schril contrast met de naïviteit waarmee gewone burgers uit gemakzucht op de ‘accepteer alles’-optie klikken en zo hun gegevens prijsgeven. Toch hebben veel onderzoekers indrukwekkend beschreven hoe mensen kunnen worden gemanipuleerd op basis van de analyse van gedragsgegevens, hoe algoritmes raciale vooroordelen en sociale ongelijkheid vergroten en helpen bij de verspreiding van nepnieuws. In haar studie Dirty Data, Bad Predictions beschrijft Rashida Richardson hoe in de Verenigde Staten zelfs politiebureaus die zich schuldig hebben gemaakt aan ‘vooringenomen racistische of anderszins illegale’ praktijken data blijven verstrekken voor de ontwikkeling van nieuwe geautomatiseerde systemen die agenten ondersteunen in hun werk. Datamisbruik kan fatale, zelfs dodelijke gevolgen hebben. Uit een onderzoek van Berkeley bleek dat algoritmes in de Verenigde Staten Latino’s en mensen uit zwarte gemeenschappen bij voorbaat afkeuren wanneer zij zich aanmelden voor een leegkomende woning. Naar verluidt zijn er onder hen namelijk meer wanbetalers.
Als data de grootste collectieve schat van een digitale samenleving zijn – goud, olie, de grondstof van de eenentwintigste eeuw, het basismateriaal voor bedrijfsleven en politiek – en het bezit ervan de waarborg is voor democratie en transparantie, moeten ze dan niet worden behandeld als gemeengoed, als deel van de openbare infrastructuur? Als we niet willen dat de gezondheidszorg van burgers in de toekomst wordt overgenomen door Google-werknemers en het vervoer door Uber – en dat de enorme winsten van beide bedrijven richting de Verenigde Staten stromen – hebben we regulering nodig van het tot nu toe wildwestachtige wegvloeien van data, en hebben we instellingen nodig die de digitale soevereiniteit van Europa (en, net zo belangrijk, van Afrika) kunnen garanderen ten opzichte van Amerikaanse en Chinese concerns: Europa’s eigen techbedrijven, meer kwantumcomputers, betere algoritmes én datacentra die deel uitmaken van de openbare infrastructuur.
In zijn essay Big data for the people: it’s time to take it back from our tech overlords pleit Ben Tarnoff ervoor dat de maatschappij, en niet de industrie, bepaalt of en hoe haar hulpbronnen worden gebruikt – big data vormen daarop geen uitzondering. Het zou voldoende zijn om data publiek goed te noemen. Bedrijven kunnen doorgaan met het verfijnen ervan en worden betaald om ze te analyseren, maar op onze voorwaarden en ‘ten behoeve van ons welzijn’. Maar wie definieert dit ‘welzijn’? Wie bepaalt of de analyse van persoonsgegevens voor een gezondheidsapp in het belang is van het ‘welzijn’ van de gebruiker (zoals de providers zouden beweren) dan wel dient om hem bang te maken en ertoe aan te zetten meer producten en apps te kopen die de gezondheid helpen verbeteren en zo de kassa’s van diezelfde providers te vullen? De staat? De burger? Vooral inwoners van het mondiale zuiden moeten de soevereiniteit over hun data veiligstellen en deze ‘nationaliseren’, betoogt Ulises Ali Mejias, directeur van het Institute for Global Engagement aan de State University van New York. Niet alleen olie, kostbare aardmetalen en grondstoffen, maar ook data worden daar op grote schaal gewonnen door westerse en Chinese concerns: er is sprake van een nieuw datakolonialisme.
In tijden van datakapitalisme is een openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid
Alleen al daarom is er dringend behoefte aan een publieke plaats waar zichtbaar wordt hoe sterk gegevensopslag en macht met elkaar verweven zijn, hoe groot het gevaar is de controle te verliezen en hoe belangrijk het is om de data niet te verzamelen op de servers van grote particuliere ondernemingen, maar decentraal in handen van burgers te leggen. Alleen op die manier is een nieuwe rol voor burgers mogelijk, een nieuwe rijkdom voor iedereen. Maar hoe zou deze publieke plaats er dan uit kunnen zien?
Het is de taak van de staat om iets nieuws te bouwen dat alle onbegrijpelijke technologieën die meer dan wat ook een stempel drukken op het leven, zichtbaar en begrijpelijk maakt: een hybride gebouw bestaande uit een datacentrum, bibliotheek en museum van de toekomst, een nieuwe onderwijsinstelling waar de gehele bevolking, scholieren en politici kunnen leren hoe gevaarlijk het heersende bedrijfsmodel van het digitale kapitalisme is voor democratie en zelfbeschikking. Deze openbare serverfarm zou programmeerscholen, tentoonstellingsruimten en onderzoeksfaciliteiten kunnen huisvesten en eveneens een centrum kunnen zijn voor digitale soevereiniteit. Ook in kleinere steden en dorpen zouden lokale gedecentraliseerde servers nieuwe openbare plaatsen kunnen worden, zoals gemeenschapshuizen, dorpsscholen en bibliotheken dat ooit waren.
De enorme hitte die vrijkomt bij het koelen van de data zou ook hier de basis kunnen vormen voor een volledig nieuwe openbare – en niet, zoals bij The Spark, particulier geëxploiteerde – architectuur: bibliotheken, sporthallen, kassen, zwembaden, een collectieve dorpshuiskamer, overkoepelde tropische altijd groene woongebieden. In tijden van datakapitalisme zou zo’n openbare serverfarm een symbool van burgerlijke vrijheid zijn, zoals het stadhuis dat ooit was als tegenwicht voor het kasteel van de feodale heer; een schatkamer van het digitale tijdperk waarin data als collectief eigendom, als ‘publiek goed’ worden beschouwd.
Deze tekst is een fragment uit het boek van Niklas Maak: Servermanifest Architectur der Aufklärung: Data Centra als Politik-maschinen. Met een voorwoord van Francesca Bria. Hatje Cantz Verlag, 112 blz. met vele afbeeldingen, € 17,99. Het boek is op 13 juni 2022 verschenen.
Duizend mensen moeten zich verantwoorden voor de rechter
In een nieuwe poging om de grootscheepse protesten in Iran de kop in te drukken, willen autoriteiten betrokken betogers in het openbaar gaan berechten. Volgens Associated Presswillen de Iraanse autoriteiten in de hoofdstad Teheran duizend mensen laten voorkomen in een publiek tribunaal om daarmee verdere demonstraties af te schrikken.
Sommige aangeklaagde betogers worden beschuldigd van corruptie of ‘oorlog tegen God’, overtredingen waarop in Iran de doodstraf staat. De Iraanse staat beweert dat iedereen een eerlijk proces krijgt, ondanks dat de protesten in Iran de afgelopen weken met geweld zijn onderdrukt door ordetroepen.
Tot dusver zijn zeker 270 mensen omgekomen bij de protesten in Iran en zeker 14.000 mensen opgepakt. De demonstraties in Iran begonnen in september, nadat de 22-jarige Mahsa Amini werd opgepakt door de moraalpolitie in het land omdat ze haar hijab niet juist had gedragen. Ze overleed later aan de verwondingen die ze bij haar arrestatie had opgelopen. In het hele land gingen mensen de straat op om te protesteren tegen het conservatieve regime.
Equatoriaal-Guinea heeft maandag de doodstraf afgeschaft. Het besluit werd die dag aangekondigd op de staatstelevisie aan het eind van de nieuwsuitzending, waarbij een journalist de gebeurtenis ‘historisch’ voor haar land noemde. Het kleine olierijke Centraal-Afrikaanse land, dat tot de meest autoritaire regimes ter wereld behoort, heeft de doodstraf afgeschaft met een wet die door zijn president Teodoro Obiang Nguema Mbasogo is ondertekend.
Het besluit komt ‘twee maanden voor een reeks lokale, parlements- en presidentsverkiezingen’, aldus de Spaanstalige editie van Huffington Post. Ter dood veroordeelden in Equatoriaal-Guinea werden meestal door het leger doodgeschoten. De laatste officiële executie in het land vond plaats in 2014, volgens Amnesty International. Het regime wordt door internationale ngo’s echter regelmatig beschuldigd van misbruiken.
Schuren, boerderijen, landerijen en hoofdkantoren van ministeries werden door de Venezolaanse inlichtingendiensten gebruikt als clandestiene martelcentra voor tegenstanders van het regime van Nicolás Maduro, volgens het dinsdag gepresenteerde verslag van de onafhankelijke onderzoeksmissie van de VN, waarover El País bericht. De deskundigen, die spraken met slachtoffers, getuigen en voormalige functionarissen van de inlichtingendienst, baseerden hun bevindingen op 122 gevallen die zich voordeden in 2017, 2018 en 2019, ’de jaren waarin er de meeste arrestaties waren’, aldus de Spaanse krant.
’Uit onze onderzoeken en analyses blijkt dat de Venezolaanse staat de inlichtingendiensten en hun agenten gebruikt om afwijkende meningen in het land te onderdrukken. Dit leidt tot het plegen van ernstige misdrijven en mensenrechtenschendingen, waaronder martelingen en seksueel geweld. Aan deze praktijken moet onmiddellijk een einde komen en de verantwoordelijken moeten overeenkomstig de wet worden onderzocht en vervolgd’, aldus Marta Valiñas, voorzitter van de VN-onderzoeksmissie.
De Ierse rechter Siofra O’Leary wordt de eerste vrouw aan het hoofd van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Zij volgt de IJslandse rechter Robert Spano op, die sinds het voorjaar van 2020 in functie is. Siofra O’Leary (53) werd in 2015 rechter bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, waarna ze in januari vicevoorzitter werd.
De vrouw uit Dublin ‘aanvaardt haar functie op een moment dat het Hof voor grote uitdagingen staat, waaronder de niet-uitvoering van sommige arresten door lidstaten en spanningen met het Verenigd Koninkrijk, waar de regerende Conservatieve Partij sommige uitspraken van het Hof heeft beknot’, aldus The Irish Times.
Familieleden van slachtoffers van verdwijning in de Mexicaanse staat Guerrero doen er alles aan om hun vermiste dierbaren te eren en hun verhaal te vertellen. ‘Door over hun vermiste kinderen te vertellen wordt hun pijn omgezet in actie.’
Het was op een zaterdag. Emma Mora was samen met haar collega Sergio Cevallos onderweg. Ze reden langs de kustweg van Chilpancingo langs de Avenida Costera Miguel Alemán, een drukke verkeersroute richting de toeristische stranden van Acapulco. Die dag waren er geen met zonnebrandcrème ingezeepte toeristen te bekennen. De gebruikelijke horde met bierflessen gewapende toeristen was afwezig. De wind en de striemende regen van orkaan Agatha had de stranden met woest schuimende golven leeggeveegd. Terwijl Emma haar blik over de verlaten kust liet gaan, zag ze het. ’Sergio,’ riep ze uit, ’kijk daar! De verf komt eraf!’
Verantwoording
Dit artikel kwam tot stand naar aanleiding van een rapport dat is opgesteld door IDHEAS in samenwerking met de onafhankelijke journalist Roberto González. Het project is mogelijk gemaakt door financiering van de Europese Unie.
IDHEAS is een Mexicaanse ngo die zich inzet voor mensenrechten en slachtoffers van mensenrechtenschendingen juridische bijstand verleend. Daarnaast probeert IDHEAS aandacht te vragen voor de grote schaal waarop mensenrechtenschendingen plaatsvinden in Mexico.
Emma en Sergio bleven ademloos toekijken hoe de regen langzaam maar zeker tweeënvijftig gezichten tevoorschijn spoelde. Het witte kalkkrijt bleek niet opgewassen tegen de orkaan en spierwit regenwater sijpelde van de muur naar het zand, zo de zee in. Eerst waren de gezichten nog vaag, alsof ze schuilgingen achter een witte vitrage. Vervolgens verschenen ze één voor één, helder en scherp, totdat ze alle tweeënvijftig het daglicht zagen.
Die dag bracht orkaan Agatha die tweeënvijftig gezichten opnieuw aan het licht. Het uitwissen was zeven maanden daarvoor gebeurd. De gezichten vormen samen de muurschildering El mural del la esperanza (de muurschildering van hoop) en kwam tot stand op initiatief van het zogenaamde collectief Familias de Acapulco en Busca de sus Desaparecidos (Families van Acapulco op zoek naar hun verdwenen familieleden). Kort nadat de muurschildering was onthuld, hadden onbekenden de tweeënvijftig geschilderde gezichten van familieleden witgekalkt. Emma Mora, woordvoerster van de vereniging van familieleden, verduidelijkt dat de muurschildering echt niet alle slachtoffers afbeeldt: ‘De muurschildering toont tweeënvijftig gezichten, terwijl er alleen al in Acapulco bijna driehonderd mensen zijn verdwenen.’
Heroïsch verhaal
De zondag die volgde werd Emma bedolven onder felicitaties en berichten met foto’s van de schoongespoelde gezichten die opnieuw waren verschenen. Emma voelde zich even onderdeel van een heroïsch verhaal, waar het kwaad de strijd verliest van grillige en onstuitbare kracht: verslagen door de hand van een orkaan.
’Maar al op maandag waren ze weer weggewist,’ zegt Emma, ‘diezelfde avond zagen we dat iemand de moeite had genomen om opnieuw een laag wit krijt over de gezichten te smeren.’
De eerste keer kalklaag dateert uit december 2021, zegt Emma. Die actie kwam krap twee maanden nadat El mural de la esperanza, op de achtermuur van het restaurant Los Anafres, gelegen aan de populaire toeristische boulevard van de kust, was voltooid. Deze locatie was bewust gekozen: het is een plek waar veel lokale en internationale bezoekers komen.
Dat mensen verdwijnen is in Mexico een zich voortdurend herhalend nieuwsbericht
Het was niet eens zozeer de bedoeling van de vereniging van familieleden om de plaatselijke voorbijgangers te alarmeren. De nabestaanden van verdwenen familieleden in Guerrero zijn er al lang aan gewend dat ze zichzelf moeten beschermen en dat er altijd voorzorgsmaatregelen moeten worden genomen als zij aandacht vragen voor hun verdwenen geliefden. Dat mensen verdwijnen is in Mexico een zich voortdurend herhalend nieuwsbericht. Familieleden die zich inzetten om de waarheid te achterhalen, zijn eraan gewend dat zij niet ’s nachts op pad moeten gaan, dat zij hun geld nooit op één plek moeten bewaren en ze weten dat zij doelwit kunnen zijn tijdens wegblokkades. De leden van het collectief weten ook dat zodra een slachtoffer verdwijnt, het niet onmogelijk is dat ze ergen anders in het uitgestrekte land weer opduiken. Jarenlange ervaring heeft hen geleerd dat degenen die verdwijnen uit Guerrero net zo gemakkelijk gevonden kunnen worden aan de andere kant van het land, in Morelos of Veracruz, als in een clandestien graf of in een gevangenis.
Met de grote muurschildering wilde de vereniging van familieleden in Guerrero de aandacht vestigen op de wijdverbreide aard van het probleem. ’We wilden dat de gezichten van onze verdwenen dierbaren openbaar zouden zijn. Om ze zichtbaar te maken voor toeristen, zodat die ons zouden kunnen waarschuwen als ze één van de vermisten in een andere staat zouden zien. We willen iedereen bereiken die ons kan zeggen of onze dierbaren in andere delen van het land of zelfs in andere landen zijn gezien,’ legt Emma Mora uit. Voor Emma is de muurschildering een nieuwe poging om de niet-aflatende zoektocht voort te zetten. ‘Het is geen passieve herdenkingsoefening,’ zegt ze. ‘Het is de bevestiging van de vernedering en de pijn van een open wond.’ Voor de achterblijvers is het herinneren niet iets statisch, zegt Emma, het is een proces. De moeders van de verdwenen mensen van Guerrero weigeren net zoals degenen die verdwenen om met krijt te worden weggekalkt en te worden vergeten, zegt ze. ’Niet vergeven, niet vergeten!’ is de leus van de leden van de vereniging. Het is een taak die nooit klaar is: ze delen hun gezamenlijke inspanningen, hun zoektocht, hun protesten en ook hun herinneringen.
De Iers-Nederlandse expert op het gebied van collectieve herinnering Ann Rigney (Universiteit Utrecht) vergelijkt de constructie van een collectief geheugen met zwemmen: ‘om te blijven drijven, moet een lichaam ook in beweging blijven’. Het is construeren van een collectief geheugen is volgens haar per definitie een handeling met een open einde, aangezien het op verschillende plaatsen moet gebeuren en er door de tijd heen herhaalde herdenkingsacties moeten zijn. Dat kan van alles zijn: een schilderij, een monument of een mars. Samen herinneren impliceert volgens Rigney bezig zijn met constante vernieuwing. Achterblijvers houden nooit op met over de verdwenen mensen te praten en vertellen hun verhalen keer op keer. ‘Ze ontlasten zichzelf door te vertellen hoe ze waren, hoe hun leven was vóór hun verdwijning en over hoe ze zichzelf voelen. Ze kunnen er onderling wel duizend keer over praten. Door onvermoeibaar te blijven vertellen, construeren ze een verhaal dat echt van hen is,’ zegt Rigney. ’Het is een mondelinge geschiedenis die hardop wordt geschreeuwd, wordt verteld en opnieuw verteld, omdat hun pijn altijd het risico loopt stil te worden gehouden.’ Zo ontstaat volgens haar een collectieve culturele herinnering. Eén waarheid die tegelijkertijd uit vele waarheden bestaat. ’Collectieve herinneringen dragen een transformerend potentieel in zich, tegen de pijn die in het dagelijks leven wordt beleefd,’ aldus Rigney.
Op 10 oktober 2021 plaatste schilder Alexis Godínez zijn laatste penseelstreek. Vlak voordat de jaarlijkse kerstgolf van toeristen de stranden van Acapulco zou overspoelen was de muurschildering klaar. Emma Mora en haar collega’s zagen hun plan werkelijkheid worden. Sinds de oprichting van het collectief in 2016 werkten ze naar dit moment toe. ‘Onze situatie is vergelijkbaar met die in Colombia,’ zegt Emma Mora. ‘Ook daar maakten verenigingen van achtergeblevenen muurschilderingen, maar dan met de afbeeldingen van gezichten van militaire functionarissen. Die muurschilderingen suggereerden hun betrokkenheid en wierpen de vraag op: “Wie gaf hiervoor het bevel?”’
Het werk van lokale gemeenschappen en collectieven is van onschatbare waarde om de natie te confronteren met waarheden die ze niet langer kunnen negeren
De Mexicaanse mensenrechtenorganisatie IDHEAS legde contact met de Waarheidscommissie die de mensenrechtenschendingen onderzoekt die tijdens het gewapende conflict in Colombia plaatsvonden. In Colombia gebeurde hetzelfde, legt Yolvi Lena Padilla van die Waarheidscommissie uit: ‘ook hier werden dergelijke muurschilderingen uitgewist’. Geconfronteerd met een regering die de slachtoffers het zwijgen oplegt, constateert Yolvi Lena dat het werk van lokale gemeenschappen en collectieven van onschatbare waarde is om de natie te confronteren met waarheden die ze niet langer kunnen negeren. ’Als voor het onthullen van de waarheid, of een halve waarheid, of het verzwijgen van de waarheid de staat niet langer de enige bron is, dan pas worden de dingen onthuld zoals ze werkelijk zijn,’ zegt Yolvi Lena. Volgens haar is het openbaar maken van de waarheid van slachtoffers van onschatbaar belang. Desondanks blijft de traagheid en de neiging van de staat om te blijven ontkennen bestaan. Het handelen van de staat levert herhaaldelijk vormen van hervictimisatie op, waardoor slachtoffers in wezen opnieuw tot slachtoffer worden gemaakt. De wortels van dergelijke vormen van herhaald slachtofferschap liggen regelmatig in de manier waarop justitiële instituties handelen.
Dat overkwam ook Cleotilde Juárez Adame – in Guerrero bekend als Doña Coti. Toen zij de verdwijning van haar zoon, Julio Alberto Salgado Juárez, aan de kaak stelde, was het de eerste impuls van de autoriteiten om de ernst van de situatie te bagateliseren. ’Men beweerde dat mijn zoon het aan zichzelf te danken had omdat hij foute vrienden had, te veel uitging en daardoor in moeilijkheden zou zijn geraakt. Ik antwoordde dat mijn zoon, nooit uitging, niet rookte of dronk. Hij werd nooit betrapt op welke misstap dan ook.’
Een muurschildering overschilderen of beweren dat iemand zijn verdwijning te danken heeft aan zelfverkozen slecht gezelschap zijn indicatoren van de manieren waarop de staat het grotere verhaal naar de eigen hand wil zetten. Onderdeel van de staatsreacties is twijfel zaaien over de verhalen van slachtoffers en hun verhalen in diskrediet brengen. Onderzoekster Simona Mitroiu, gepromoveerd in de sociale wetenschappen, ziet deze houding als onderdeel van politieke macht. ’Inherent aan politieke macht is de noodzaak om het verleden opnieuw vorm te geven en gebeurtenissen opnieuw te interpreteren. Daarbij bezwijken controversiële materiële objecten – zoals gebouwen, standbeelden, plekken – en zelfs de herinneringen van burgers aan vernietiging en uitwissing.’
‘We moeten in actie blijven om het collectieve geheugen aan al deze verdwijningen in leven te houden’
Het tot stand komen van een collectief geheugen is geen direct gevolg van de verdwijningen, maar het ontstaat wel vanaf het allereerste moment dat de staat slachtoffers het recht ontzegt op de waarheid. Het collectieve geheugen voedt zich met de details die door de autoriteiten worden achtergehouden en door degenen die er niet naar willen luisteren. Hartverscheurende verhalen worden verteld. Onbeantwoorde vragen blijven. De tweeënvijftig geschilderde gezichten vertegenwoordigen zij die weigeren te worden verborgen, en die voortleven in de hoofden van degenen die onophoudelijk naar hen blijven vragen en hun verhaal keer op keer doorgeven.
Las Familias de Acapulco en Busca de sus Desaparecidos hebben besloten om hun werk aan El mural de la esperanza voorlopig stop te zetten. Toch is er volgens Emma Mora geen gebrek aan plannen voor de toekomst. Onlangs werd ze benaderd door iemand die een plek aanbood om een nieuwe muurschildering op te tuigen. Dat gaan ze doen en deze keer verwacht Emma dat er nog veel meer gezichten op zullen passen. In december 2021 stelde de burgemeester van de stad Acapulco, Brenda Hernández Marino, aan de gemeenteraad voor om een antimonument op te richten voor degenen die vermist worden uit de gemeente. En inmiddels herbergt het lokale Papagayo-park El Arbol del recuerdo y la memoria (een herinneringsboom). Dit is een voorbeeld van een plek die de families van de verdwenen personen zich openlijk hebben toegeëigend.
Emma Mora vertelt dit alles terwijl ze op bed ligt. Ze is inmiddels geïmmobiliseerd door chronische pijn haar benen. Ze wijt haar blessure aan de vele jaren die ze met zoeken heeft doorgebracht. Toch is ze volgens zichzelf altijd nog beter af dan de moeders en vaders die zijn overleden zonder hun kinderen terug te vinden. Ook dat knaagt aan haar. Ook voor hen willen Emma en haar collega’s hun werk niet opgeven. ‘De herinnering moet levend blijven,’ zegt ze. ‘Daarom gaan we voor de nieuwe muurschildering en het monument in Acapulco. Of de autoriteiten het nu willen weten of niet, wij blijven ons laten gelden, net zoals de Ayotzinapa normalistas [dit is een referentie naar de verdwijning in 2014 van vierenveertig studenten van het Ayotzinapa-college in de stad Iguala in Guerrero waarvan een aantal vermoord is teruggevonden]. We moeten eenvoudigweg in actie blijven om het collectieve geheugen aan al deze verdwijningen in leven te houden.’
Van de vuile oorlog tot nu
In 2022 kwam de Colombiaanse Yolvi Lena op uitnodiging van de ngo IDHEAS naar Mexico om haar ervaringen te delen met de moeders van het Colectivo de Madres Igualtecas (collectief van moeders uit Iguala), een groep uit Iguala in Guerrero met dezelfde doelstelling. De Colombiaanse deelde haar ervaringen met het werken met de slachtoffers van het gewapende conflict in haar land en organiseerde bijeenkomsten waarop ze vertelde over de slachtoffers die zij interviewde in Colombiaanse gemeenschappen. Yolvi Lena legt uit waarom ze werkt voor de Colombiaanse Waarheidscommissie. Natuurlijk om te streven naar gerechtigheid en om ervoor te zorgen dat gebeurtenissen zich niet herhalen, maar ‘het verhaal van een verdwijning begint meestal alledaags. Ik sprak bijvoorbeeld een vrouw uit een Afro-Colombiaanse gemeenschap die vertelde dat het begon op de dag dat haar man hun huis verliet. Ze namen afscheid en met een alledaagse groet: ‘tot later, fijne dag’. En hij kwam nooit meer terug. Vrouwen zoals zij zijn nog steeds op zoek,’ vertelt Yolvi Lena. En dat is de reden waarom slachtoffers getuigen voor de Waarheidscommissie, omdat alleen op die manier de collectieve herinnering ontstaat die helpt de pijn om te zetten naar actie.
Yolvi Lena benadrukt de cruciale rol die de collectieven in de regio hebben, die er ook aan bijdraagt dat de mensenrechtenschendingen stoppen. Al behoren ze niet tot het verleden. Want ondanks deze initiatieven van burgers, stapelen de verborgen waarheden zich nog altijd op en vult het collectieve geheugen zich steeds opnieuw met de verse verdwijningen, die zich nog altijd blijven voordoen.
Het nationale register van vermiste personen houdt de gegevens over Guerrero’s lange geschiedenis van verdwijningen bij. Het bijhouden hiervan begon in 1967 en het register omvat volgens een recente rapportage vandaag de dag in totaal 5565 vermiste personen in de Mexicaanse deelstaat. Het kantoor van de speciale aanklager voor Sociale en Politieke bewegingen in het verleden (FEMOSPP), kan worden geraadpleegd via het Amerikaanse U.S. National Security Archive. Die instantie begon op 1 mei 1968 met het verzamelen van data. Daar is ook de allereerste verdwijning in Mexico geregistreerd. Dat was Santiago García, die lid was van Asociación Cívica Nacional Revolucionaria, één van de toonaangevende guerrillabewegingen in Guerrero destijds. Zijn verdwijning vond plaats gebeurde tijdens de periode waarin Lucio Cabañas en Genaro Vázquez met politieke bijeenkomsten en activisme protesteerden tegen onteigening, guerrillaoorlogvoering en vooral de onderdrukkende represailles van het bestuur van Guerrero en de regering Mexicaanse staat. Tijdens Mexico’s Vuile Oorlog zaten achter minstens negentig verdwijningen politieagenten of militaire regeringsfunctionarissen en was sprake van betrokkenheid van de Mexicaanse veiligheidstroepen (RNPDNO). In die jaren verdwenen in totaal 537 mensen (FEMOSPP) in de staat Guerrero; 205 alleen in de stad Atoyac, destijds een belangrijke basis van de guerrilla.
Terwijl de opeenvolgende regeringen naar buiten toe het bestaan van de interne oorlog ontkenden, vonden sinds 1967 slachtpartijen plaats
Deze cijfers zijn inmiddels mijlenver verwijderd van het duizelingwekkende aantal van meer dan honderdduizend Mexicanen die anno 2022 vermist zijn. Het aantal is enorm toegenomen sinds de voormalige president Felipe Calderón Hinojosa de oorlog van het land tegen de drugshandel lanceerde.
De afgelopen jaren staken de opeenvolgende Mexicaanse machthebbers veel energie in het neerzetten van een beeld van vooruitgang, dat begon al tijdens de Olympische Spelen van 1968. Toen in een groot deel van Latijns-Amerika landen leden onder de regeringen van repressieve rechtse militaire dictaturen, presenteerden de regeringen van Adolfo López Matos, Gustavo Díaz Ordaz, Luis Echeverría Álvarez, José López Portillo, Miguel de la Madrid en Carlos Salinas de Gotari zichzelf als toppunt van democratie, vrede en ontwikkeling. Terwijl de opeenvolgende regeringen naar buiten toe het bestaan van de interne oorlog ontkenden, vonden sinds 1967 slachtpartijen plaats, zoals die van Atoyac in Jalisco, waar het protest van de sociale beweging in bloed werd gesmoord. Deze opstand tegen onderdrukking werd alleen maar met meer onderdrukking beantwoordt.
Volgens professor María Teresa Flores Solana, een wetenschapper die zich inzet voor onderzoek naar de gepleegde misdaden, is dat een van de grote problemen: ‘zodra een land zichzelf begint af te schilderen als een democratische staat, verschaft het zich als het ware vrijstelling van verantwoording voor eerdere misdaden’. Om beter te begrijpen wat er tijdens de Mexicaanse Vuile Oorlog is gebeurd, onderzocht ze het werk van de collectieven in het land. Ze publiceerde over het werk van ¡Eureka! en H.IJ.O.S. México, gevestigde organisaties die gerechtigheid eisen voor verdwenen Mexicanen. Hun recentste wapenfeit is de oprichting van de Commissie voor Toegang tot Waarheid en Rechtvaardigheid voor Ernstige Mensenrechtenschendingen tijdens de Vuile Oorlog. Deze Waarheidscommissie richt zich op het berechten van de verantwoordelijken, het realiseren van het recht op waarheid en herinnering en zet zich in voor herstelbetalingen.
Herinneringsquilt
Soms overvalt de herinnering de slachtoffers onverhoeds. ‘Ik kan er niet over praten. Het is te pijnlijk,’ roept Antonia uit, terwijl ze in handen een lap stof heeft met de namen van haar twee zonen en haar man. Ze wordt omringd door lotgenoten, die haar aankijken, terwijl ze hun eigen stukje stof vasthebben. Elk van de deelnemers aan de bijeenkomst met Yolvi Lena vertelt iets over hun vermiste familielid, of ze schrijven hun namen op. Samen maken ze een grote quilt van alle meegebrachte lapjes. Het is een van de activiteiten die in Guerrero worden georganiseerd, waarbij de Colombiaanse Yolvi Lena meehelpt. Ze luistert aandachtig naar elke getuigenis.
Tijdens deze door IDHEAS geïnitieerde bijeenkomsten kwamen de leden van het collectief Colectivo de Madres Igualtecas bij elkaar. Ze aten samen, lachten en huilden. Ze hielpen elkaar met vertellen. Wat de een niet precies wist, kon de ander aanvullen. Zoals het verhaal van Jovita over hoe een officier van het ministerieel politiepersoneel haar 10.000 Mexicaanse peso’s probeerde af te troggelen, om alleen maar een onderzoek op te starten. Of de getuigenis van Esperanza, die vertelde hoe functionarissen van politie en leger haar zoon en een andere jongen afvoerden. ’Geloof me als ik zeg dat ik oneindig dankbaar ben dat ik dit moment samen met jullie kan doorbrengen,’ zegt Sandra Luz, moeder van Ivette Melissa Flores Román, die sinds 19 oktober 2012 vermist is. Haar moeder is inmiddels de vertegenwoordigster van het Colectivo de Madres Igualtecas. Dit zijn voor haar momenten waarop de slachtoffers zich verenigd voelen en verlichting vinden voor hun verdriet. ’Al is het maar een beetje,’ voegt ze eraan toe.
‘Het is voor mij niet gezond om stil te blijven zitten en ieder jaar opnieuw geconfronteerd te worden met de datum van de verdwijning van mijn dochter’
Terwijl de moeders zich concentreren op de activiteiten met Yolvi Lena, krijgt Sandra Luz het ene telefoontje na het andere. Ze staat telkens op om ze buiten gehoorsafstand allemaal te beantwoorden. Daarna keert ze weer terug naar haar stoel. Ze geeft anderen suggesties over hoe ze verder kunnen komen met hun zaak. Dan komt er weer een telefoontje binnen en ze weer staat ze op. Over een paar dagen keert Sandra Luz terug naar de velden om ze af te graven op zoek naar lijken. ‘Het is voor mij niet gezond om stil te blijven zitten en ieder jaar opnieuw geconfronteerd te worden met de datum van de verdwijning van mijn dochter,’ legt ze uit. ’De pijn is te groot. En ik heb er geen controle over. Kijk,’ zegt Sandra Luz en ze steekt haar handen uit. Ze toont haar vingernagels. Ze zijn bijna tot aan de wortel afgebeten. Nu, bijna tien jaar na de verdwijning van Ivette heeft haar moeder het tegengif gevonden voor nagelbijten. Telkens wanneer ze het gevoel heeft dat een depressie de kop opsteekt, pakt Sandra Luz de doos met nagelkits waarmee haar dochter vroeger werkte. Ze laat ze zien: tien sets van tien nagels, vijf nagels per hand, één set voor elk jaar dat ze haar dochter niet heeft gezien. Ze bergt de nagelsets weer netjes op. ’Tot de volgende keer dat ik ze misschien nodig heb.’
Een bijeenkomst als deze toont hoe een collectief geheugen wordt gemaakt: zeker ook door het vertellen van de verhalen van alledag, door het beschrijven van de personen zoals ze waren vóór hun verdwijning: wat ze graag aten, hun favoriete sneakers, hun zorgen op het werk, de muziek waarnaar ze luisterden als het tegenzat, hun persoonlijke mantra’s om angsten te bezweren. Door bijeenkomsten als deze worden de verdwenen mensen tot leven gewekt, terwijl de voortgaande zoektocht een doorleefde realiteit wordt.
Om het eerste decennium sinds de verdwijning van Ivette te markeren, hoopt Sandra Luz een gedenkplaat te kunnen oprichten in Iguala. Hoewel ze niet van plan is het snel op te geven, weet ze dat er een dag komt dat ze niet langer de kracht zal vinden om de strijd voort te zetten. Haar jarenlange zoektocht heeft haar ook tot doelwit gemaakt van constante doodsbedreigingen, tot het punt waarop ze uit angst voor haar leven haar huis moest ontvluchten. Ook het zoeken naar resten van verdwenen personen op heuvels en velden is een aanslag op haar eigen lichaam geworden. Toch blijft ze doorgaan. Een paar dagen na de bijeenkomsten met de Colombiaanse Yolvi Lena vertrekt ze weer, naar een expeditie in de velden. Sandra Luz zegt dat het ook voorkomt dat mensen direct contact met haar zoeken nadat een familielid is verdwenen. Ondanks dat het haar iedere keer naar de keel grijpt, onderneemt ze direct actie. Ze heeft het geluk geproefd om mensen op tijd terug te kunnen brengen naar hun dierbaren. Dat is waarom ze deze rol op zich neemt. Ze wil de erfenis nalaten en bewijzen dat de inspanningen van de collectieven niet voor niets zijn. Elke keer dat ze zich inzet voor iets dat haar mogelijk zelf in gevaar brengt, praat Sandra Luz inwendig tegen haar dochter: ‘Jij bent mijn oogappel, mijn drive, de reden dat ik dit alles doe.’
Hoe herinner jij jouw vermiste dierbare?
Ivette Melissa Flores Román
‘Ze is geboren op 5 januari, dus we vierden Día de Reyes (Drie Koningen) altijd tegelijk met haar verjaardag. Tot op heden maak ik op 5 januari een koningstaart voor tijdens het familiediner. We houden een stoel vrij voor haar, bewaren voor haar een stukje van de taart en we doen alsof Ivette erbij is.’
‘En ik weet niet waar ik die zou kunnen krijgen, maar ik zou graag een kartonnen afbeelding van haar willen hebben. Van haar silhouet, met haar foto. Dan zou ik die neerzetten, in plaats van haar lege stoel.’
‘Ik heb op allerlei manieren contact met mijn dochter. Wanneer ik bijvoorbeeld met mijn kleinkinderen ben. Dan pak ik soms de kleren van mijn dochter en vraag aan mijn kleindochter om ze aan te doen. Al zijn er ook momenten dat ik dat liever niet wil, omdat het overweldigend is. Dan zie ik haar te veel voor me.’
’En ja, haar kunstnagels. Daar grijp ik naar als ik het te kwaad krijg. En weer zou willen nagelbijten. Dan vul ik mijn tafel met al haar nagels. Paar na paar. Het is een oefening die ik voor mezelf heb bedacht en waar ik me aan houd.’
–Sandra Luz Román, moeder van Ivette Melissa Flores Román. Colectivo de Madres Igualtecas.
‘Ik herinner me de momenten waarop hij tegen me zei: “Dit moeten we doen!” Dat zijn dingen ik nog steeds doe. Zodra ik eraan denk, zeg ik tegen mezelf: “Ik ga dit doen, omdat mijn zoon het leuk vond.” Ik doe altijd dingen die hij graag deed.’
‘Als ik tegen mijn andere zoon zeg: “Kijk, papi [koosnaampje], je broer was hier dol op,” zal hij ook zeggen: “O ja, mama. Laten we dat doen.” Als ik tegen hem zeg: “Je broer tekende graag.” Dan zegt hij: “Nou, dan gaan wij tekenen.” Hij tekent mij, en ik hem. En daarna tekenen we allebei zijn broer, mijn zoon.’
‘Ook over eten vraagt mijn zoon: “Mam, weet je nog of Julio dit lekker vond? Zou je het voor me willen maken?” Dat doe ik dan.’
‘Ik blijf alles herhalen wat mijn zoon graag deed. Julio vond bijvoorbeeld dat ik zijn jongere broertje moest vragen hoe zijn dag was op school, wat hij had uitgespookt. En nu zit die andere zoon op de universiteit. Nog steeds, als hij thuiskomt, zal ik het hem vragen: “Wat heb je uitgespookt, papi? Hoe was je dag?” En hij vertelt dan over zijn opleiding voedingsleer, de bomen die hij plant en de kaas die hij leert maken.’
‘Ik zal mijn zoon nooit vergeten. Ik zal mijn zoon altijd herinneren, in alles waar hij van hield.’
–Clotilde Juárez Adame, Moeder van Julio Alberto Salgado Juárez. Colectivo de Madres Igualtecas.
Dit artikel kwam mede tot stand dankzij financiering van de Europese Unie.
Toen in 2016 de eerste golf van antistranswetgeving werd doorgevoerd in de Verenigde Staten, volgden er al snel verschillende sportverboden voor trans atleten. ‘Dit is niet het gevolg van trans atleten die plotseling domineren op de velden. Het komt door de politiek.’
In het voorjaar van 2020 verbood Idaho als eerste staat in de VS transseksuele meisjes en vrouwen om deel te nemen aan vrouwensporten. Inmiddels hebben zeventien staten soortgelijke wetten aangenomen. Trans atleten, en in het bijzonder trans meisjes, staan centraal in de ‘cultuuroorlogen’ die door Amerika razen, nu wetsvoorstellen tegen trans en queer jongeren overal in het land om zich heen grijpen.
Sportverboden hebben al vaker als springplank gediend voor grotere aanvallen op transrechten. In 2021 vaardigden Texas, Florida en Alabama elk een sportverbod uit. Dit jaar heeft Texas stappen ondernomen om trans jongeren de toegang tot genderbevestigende zorg te ontzeggen. Florida heeft discussies op scholen over genderidentiteit en seksuele geaardheid in de lagere klassen verboden. In Alabama werden beide stappen gezet.
‘Trans mensen zijn óf volwaardige leden van de samenleving of we zijn het niet’
‘Trans mensen zijn óf volwaardige leden van de samenleving of we zijn het niet,’ zegt Gillian Branstetter, communicatiestrateeg bij de American Civil Liberties Union (ACLU). ‘Op het moment dat burgerrechten worden voorzien van asterisken, vrijstellingen en uitzonderingen, wordt de deur opengezet voor veel van de zeer vijandige en wrede wetgeving die we inmiddels al ingevoerd hebben gezien.’
De explosie van sportverboden komt niet door een golf van trans student-atleten die plotseling domineren op de velden, zeggen politieke strategen en lhbtq-voorvechters. Het komt door de politiek. Conservatieve groepen en politici realiseren zich dat deze kwestie Republikeinen en potentiële zwevende kiezers in beweging kan brengen, waardoor ze betrokken raken bij bredere culturele debatten over transrechten in de VS. Het zijn gevechten die Republikeinen electoraal gezien meestal goed uitkomen.
Emotionele reacties
Het idee van trans meisjes en vrouwen die het opnemen tegen cisgender vrouwelijke atleten, waarbij wordt ingespeeld op stereotypen over gender en biologie, wekt vaak emotionele reacties op bij mensen die geen trans mensen kennen. De kwestie is ‘een soort opstapje voor mensen om het grotere debat aan te gaan over gender en over wie zichzelf wel of niet vrouw mag noemen’, aldus een conservatief die anoniem wil blijven en die werkt aan Titel IX-kwesties. Titel IX verwijst naar de Amerikaanse federale wet op burgerrechten die discriminatie verbiedt op grond van geslacht in scholen of andere onderwijsprogramma’s die financiering ontvangen van de federale overheid.
De verboden ‘winnen aan kracht om dezelfde reden dat toezicht op verkiezingsuitslagen en verboden op critical race theory het afgelopen jaar aan populariteit winnen,’ zegt Republikeins strateeg Sarah Longwell, criticus van de Republikeinse partij onder Donald Trump. ‘Het zijn pr-campagnes vermomd als wetgeving, en ze zijn ontworpen om de cultuuroorlogen in het middelpunt van aandacht te houden.’
77 procent van de Republikeinen is ertegen dat trans studenten mogen meedoen in teams die corresponderen met hun genderidentiteit
Uit een YouGov-peiling in 2022 blijkt dat 77 procent van de Republikeinen ertegen is dat trans studenten mogen meedoen in teams die corresponderen met hun genderidentiteit, tegenover 24 procent van de Democraten. Net zoals het homohuwelijk aan het begin van deze eeuw als wig werd gebruikt om Republikeinse kiezers aan te spreken, zijn dit de ‘nieuwe wig-kwesties in de cultuuroorlog die het Republikeinse enthousiasme aanwakkeren en, belangrijker nog, Democraten vervreemden van zwevende kiezers zolang ze er niet in slagen met coherente tegenargumenten te komen,’ zegt Longwell. ‘De Republikeinen gaan in de aanval met deze onderwerpen, en het werkt. De Democraten hebben nog steeds geen effectieve verdediging bedacht, laat staan een eigen aanvalsstrategie.’
Terwijl Republikeinse politici beweren dat de verboden zijn ontworpen om ‘vrouwen te beschermen’, in plaats van een kwetsbare groep te discrimineren, beweren lhbtq-voorstanders dat het gaat om oplossingen voor een probleem dat niet bestaat. Landelijk zijn er maar heel weinig voorbeelden van trans atleten die überhaupt proberen mee te doen aan wedstrijden, en degenen die dat wel doen zijn gebonden aan lokaal beleid.
Geen betrouwbare nationale gegevens
Er zijn geen betrouwbare nationale gegevens over deze kwestie, maar bijvoorbeeld in Michigan kijkt de Michigan High School Athletic Association (MHSAA) van geval tot geval of trans atleten mee mogen doen. De MHSAA vertelde de Detroit Free Press dat er gemiddeld twee verzoeken per jaar worden ingediend op een totaal van 180.000 atleten in de staat. Binnen deze context zijn uitgebreide verboden op staatsniveau zowel onnodig als wreed, betoogt Cathryn Oakley. Zij is directeur wetgevende zaken en senior counsel bij de lhbtq-belangengroep Human Rights Campaign, en vocht sportverboden op staatsniveau in de rechtbank aan.
Het kleine aantal trans atleten maakt verboden voor de hele staat niet alleen irrationeel, maar maakt ze misschien ook juist mogelijk. Het gebrek aan zichtbaarheid van transseksuelen in de VS is voor een deel de reden waarom deze wetten worden aangenomen, zegt Sarah Mcbride uit Delaware, de eerste openlijk transseksuele senator in het land. ‘Mensen menen daardoor dat de schade die ze aanrichten bij trans jongeren klein is,’ zegt ze.
85 procent van de trans jongeren zegt dat de debatten over antitranswetten een negatieve invloed hebben op hun geestelijke gezondheid
Maar in werkelijkheid zou het effect van deze wetten op trans jongeren wel eens verwoestend kunnen zijn. In een enquête van 10 januari van het Trevor Project, een lhbtq-organisatie voor zelfmoordpreventie, zegt 85 procent van de trans en non-binaire jongeren dat de recente debatten over antitranswetten een negatieve invloed hebben op hun geestelijke gezondheid.
De opkomst van antitranswetgeving begon in juni 2015, toen het Hooggerechtshof oordeelde dat de Grondwet het recht beschermt van paren van hetzelfde geslacht om te trouwen. Daarmee was die huwelijkskwestie schijnbaar opgelost, en werd genderidentiteit het volgende onderwerp in de strijd om lhbtq-rechten.
Het jaar daarop werd de eerste golf van antitranswetgeving in het land doorgevoerd met besluiten over wc’s. Het beroemdste voorbeeld is de wet HB2 uit 2016 in North Carolina, die het trans personen verbood om gebruik te maken van openbare toiletten die overeenkwamen met het geslacht waarmee ze zich identificeren. Het onmiddellijke verzet was hevig. Bedrijven boycotten de staat massaal en volgens een analyse dreigde 3,76 miljard dollar aan gederfde inkomsten. (De wet werd daarna gedeeltelijk ingetrokken en is nu verlopen.) Gouverneur Pat McCrory, een Republikein, verloor daarna bij de verkiezingen in november zijn zetel. ‘Het werd gezien als een verloren zaak… En dus wilde niemand zijn vingers eraan branden,’ aldus Terry Schilling, voorzitter van de conservatieve belangengroep American Principles Project (APP), die antitransretoriek stimuleert.
Terugschroeven van bescherming
In datzelfde jaar werd Trump gekozen als president met de belofte dat hij een vriend zou zijn voor de ‘lhbt-gemeenschap’. Maar zodra hij aan de macht kwam, begon zijn regering met het terugschroeven van de bescherming voor trans personen, waaronder het beleid van de regering-Obama dat op grond van Titel IX trans studenten beschermde wat betreft toegang tot toiletten, kleedkamers of sportteams in overeenstemming met hun genderidentiteit.
In 2018 wonnen twee trans meisjes high school atletiekwedstrijden in Connecticut. Nieuwszenders in het hele land publiceerden verhalen waarin de lichamen van de twee zwarte trans atleten onder de loep werden genomen en waarin naar hen werd verwezen als voorbeelden van bedreiging voor vrouwensporten. De Connecticut-loopsters werden later genoemd in een rechtszaak die door de conservatieve juridische groep Alliance Defending Freedom werd aangespannen namens vier vrouwelijke cis-loopsters. Ze betogen dat het beleid van Connecticut inzake trans-inclusieve schoolsport oneerlijk is. (De zaak is in behandeling bij het U.S. Second Circuit Court of Appeals.)
In 2019 was de zaak politiek dynamiet geworden. Schilling had gezien hoe conservatieven, waaronder Donald Trump Jr., zich uitlieten over trans atleten op Twitter, en hij begon Republikeinen aan te sporen om zich over de kwestie uit te spreken. APP zegt dat de aan haar gelieerde Super PAC – die financiële lobbymogelijkheden biedt aan een politieke partij – dat jaar in de gouverneursrace van Kentucky ongeveer 600.000 dollar uitgaf aan advertenties. Daarin werd beweerd dat de Democratische kandidaat Andy Beshear een bedreiging was voor de vrouwensport. APP sloot een contract met het databedrijf Evolving Strategies om de impact te meten en schat dat 25.000 kiezers door deze advertenties naar de Republikeinen zijn overgestapt. (Beshear won de verkiezingsrace.)
Ze betoogden allemaal dat de Democraten een bedreiging vormden voor vrouwensport
De zomer daarop meldde Politico dat mensen rond Trump verdeeld waren over de kwestie. Sommigen in het kamp van de toenmalige president waren naar verluidt van mening dat campagne voeren tegen lhbtq-rechten de Republikeinen zou schaden, terwijl anderen Schillings perspectief deelden dat de kwestie de partij juist kon verenigen. ‘Het was een voorgevoel,’ zegt Schilling hierover. ‘We wisten dat het onderwerp populair was, en we dachten dat dit iets was waar politici zich echt over zouden uitspreken.’
APP zegt dat het meer geld begon uit te geven aan het onderwerp, oplopend tot meer dan 5 miljoen dollar. Dit is opgeteld bij wat zijn Super PAC in Pennsylvania, Wisconsin, Michigan en Georgia uitgaf aan advertenties, die allemaal onder meer betoogden dat de Democraten een bedreiging vormden voor vrouwensport.
Twintig wetsvoorstellen
Eind 2020 waren er twintig wetsvoorstellen tegen trans sporters ingediend. In vergelijking met de toilettenwet van North Carolina vier jaar eerder, liepen links en het bedrijfsleven een stuk minder warm om op deze wetten te reageren. Geen enkel groot bedrijf heeft een staat vanwege zo’n wet geboycot en dat heeft Republikeinse politici aangemoedigd om verder te gaan.
Sindsdien zijn verboden voor trans atleten geëxplodeerd in wetgevingen op statelijk niveau en ze beginnen nu het nationale politieke debat te domineren. In de eerste vijf maanden van 2021 had Fox News al meer items over trans atleten uitgezonden dan in de voorgaande twee jaar tezamen, aldus non-profitorganisatie Media Matters. Schillings APP zegt dat het al meer dan 6 miljoen dollar heeft opgehaald voor de komende midterm-campagne die zich zal richten op de sportkwestie.
‘De tijd van politieke effectiviteit en de mogelijkheid voor dit soort wetgeving begint op te raken’
Maar Mcbride, de senator van de staat Delaware, denkt dat de Republikeinen uiteindelijk zullen verliezen in deze kwestie, net als in debatten over lhbtq-rechten in het verleden. ‘Hoe meer het land begrijpt wat de invloed van dit beleid is op trans mensen, hoe meer begrip en kennis er komt over wie en wat trans mensen zijn,’ zegt Mcbride. ‘De tijd van politieke effectiviteit en de mogelijkheid voor dit soort wetgeving begint op te raken.’
‘In een ijzingwekkend kort verslag van vier zinnen, dat vanmorgen werd gepubliceerd, verklaarde de door de staat gecontroleerde krant Global New Light of Myanmar dat de gevangenisautoriteiten het doodvonnis hebben voltrokken tegen Phyo Zeyar Thaw, parlementariër in de afgezette regering van de Nationale Liga voor Democratie (NLD), pro-democratie-activist Ko Jimmy en twee anderen. In de verklaring staat dat de vier het brein waren achter ‘brute en onmenselijke terreuraanslagen’.
Erwin van der Borght – regionaal directeur Zuid- en Zuidoost-Azië
‘Deze executies komen neer op willekeurige levensberoving en zijn het zoveelste voorbeeld van de afschuwelijke staat van dienst van Myanmar op het gebied van mensenrechten. Al meer dan een jaar houden de militaire autoriteiten van Myanmar zich bezig met buitengerechtelijke executies, martelingen en een heel scala aan mensenrechtenschendingen. De militairen zullen doorgaan als ze niet ter verantwoording worden geroepen. Wij dringen er bij de autoriteiten op aan onmiddellijk een moratorium op executies in te stellen, als een eerste stap.’
Yoshimasa Hayashi – minister van Buitenlandse Zaken van Japan
‘Met de executie van deze vier strijders voor de democratie door de junta van Myanmar raakt het land verder geïsoleerd van de internationale gemeenschap. Het is een zaak van grote zorg. Deze stap zal nationale gevoelens verscherpen en het conflict verder aanwakkeren en gaat in tegen het herhaalde en dringende verzoek van Japan om de situatie in Myanmar op vreedzame wijze op te lossen. De executies druisen ook in tegen de Japanse eisen om de gevangenen vrij te laten.’
Tom Andrews – speciaal rapporteur mensenrechten Myanmar
‘Ik ben verontwaardigd en verbijsterd dat de junta deze voorvechters van mensenrechten en fatsoen in Myanmar heeft geëxecuteerd. Ze werden berecht door een militair tribunaal, zonder recht op beroep en zonder juridische bijstand, wat in strijd is met de internationale wetgeving over mensenrechten. Het systematisch vermoorden van demonstranten, de willekeurige aanvallen op dorpen en de executie van oppositieleiders vragen om een onmiddellijke reactie van de lidstaten van de Verenigde Naties.’
PCATI: Israël gebruikt marteling tegen Palestijnen als wapen
Het Openbaar Comité tegen Foltering in Israël (PCATI) heeft vrijdag een klacht ingediend tegen het eigen land bij het Internationaal Strafhof (ICC) in Den Haag, zo meldt Middle East Eye. Het PCATI heeft geconcludeerd dat ‘Israël niet geïnteresseerd en niet in staat is om marteling als wapen tegen Palestijnen te stoppen’.
Het in 1990 opgerichte comité zei dat het na dertig jaar strijd tegen marteling ‘tot de ongelukkige conclusie was gekomen’ dat Israël geen einde wil maken aan foltering, en dat het noch de aanklachten van slachtoffers serieus wil onderzoeken en de verantwoordelijken wil vervolgen.
Tussen 2001 en 2021 werden er dertienhonderd klachten ingediend tegen marteling
Tal Steiner, directeur van het PCATI, zei Middle East Eye dat beroep aantekenen bij het ICC een zeer radicale stap is. ‘Na dertig jaar begrijpen we dat het Israëlische rechtssysteem niet bereid of in staat is om verandering teweeg te brengen. Het houdt een cultuur van bedrog en wegstoppen in stand.’
Tussen 2001 en 2021 werden dertienhonderd klachten ingediend tegen marteling, maar volgens het PCATI is er geen enkele klacht gegrond verklaard en is slechts uit twee gevallen een strafrechtelijk onderzoek uit gekomen.
Concreet vertegenwoordigt de PCATI zeventien cliënten die volgens Steiner ‘zeer zware fysieke marteling’ hebben ondergaan. ‘In Israël werden al hun klachten afgewezen. Misschien kan er eindelijk gerechtigheid worden bereikt bij het ICC.’
De menigte demonstranten had gelijk om een democratisch front te vormen tegen de koppigheid van Hongkongs bestuurder Carrie Lam en de macht van Beijing, vindt columnist An Tu.
Keuze uit het archief
Vandaag wordt het vijfentwintigste jubileum van de overdracht van Hongkong aan China gevierd, in het bijzijn van de Chinese president Xi Jinping. In Hongkong wordt vooral de verloren vrijheid betreurd. Na maanden van protesten in 2019 – tegen toenemende invloed van Beijing – sloeg de Chinese overheid terug met de invoering van een Nationale Veiligheidswet en de hervorming van het kiessysteem. Die werden gebruikt om tegenstanders te muilkorven, en de geleidelijke democratisering van Hongkong terug te draaien. Deze journalist van een van de belangrijkste kranten van Hongkong, dat ondanks de kritische houding nog altijd bestaat, zag de ontwikkelingen drie jaar geleden al aankomen.
De hele bevolking van Hongkong is te hoop gelopen, de scheidslijnen tussen de verschillende groepen zijn verdwenen en daardoor heeft de beweging resultaat geboekt. De reden voor deze volkswoede is op het eerste gezicht het wetsvoorstel dat uitlevering aan China mogelijk maakt. Dit zou een duidelijke aantasting zijn van de juridische onafhankelijkheid en de autonomie van Hongkong, die juist het hart vormen van het principe ‘één land, twee systemen’ (de basis van de verhouding tussen de vroegere Britse kolonie en Beijing).
Maar belangrijker nog: de gebeurtenissen tonen de totale mislukking van de manier waarop de verhouding tussen de regering en de bevolking van Hongkong is georganiseerd. De autoriteiten en het ‘constructieve’ (lees: pro-Beijing-) kamp houden helemaal geen rekening met de stemmen van de oppositie die in de samenleving klinken, en in het Parlement (de LegCo, oftewel Legislative Council) worden de meningen van de prodemocratische, door de bevolking gekozen vertegenwoordigers niet gerespecteerd.
De autoritaire houding van de ‘constructieve’ kliek en de brutale arrogantie van de leider weerspiegelen het falen van de parlementaire democratie in Hongkong, die al zo beknot is. (De parlementsleden moeten aan allerlei geografische en professionele criteria voldoen en dit complexe systeem is in het nadeel van de democraten. De leider wordt benoemd door Beijing.)
Er is geen sprake meer van normale politieke omstandigheden, de conflicten tussen de bevolking en de regering zijn niet meer te sussen, en geen bemiddelaar kan nog een verzoening tussen de twee kanten bewerkstelligen.
In Hongkong is de parlementaire democratie in feite geen ‘gewoon’ en ‘volwassen’ politiek systeem waarin een zekere mate van ‘onderhandelen’ mogelijk is tussen de bevolking en de regering; dat is alleen maar een illusie. Nu is het ware totalitaire en autocratische karakter van het regime aan het licht gekomen; er is alleen nog maar sprake van ‘regeringsgezag’, en dat betekent onvermijdelijk het einde van de ‘politiek’.
Dat ‘einde van de politiek’ is reden voor teleurstelling en wanhoop. We hebben geen vertegenwoordigers meer die kunnen ‘onderhandelen’ met de totalitaire regering: de opinieleiders en de volksvertegenwoordigers hebben hun leidende rol totaal verloren (vooral sinds de Paraplurevolte van 2014, die uitliep op een bezetting van 79 dagen van het centrum van Hongkong om werkelijk algemeen kiesrecht af te dwingen). De bevolking moet dus rechtstreeks de strijd met de autoriteiten aangaan in een serieuze en wanhopige fysieke krachtmeting.
Zo serieus was inderdaad de grote manifestatie van 9 juni, waarbij een miljoen mensen op de been kwamen. Er heerste een sfeer van stilzwijgende woede en wanhoop in die enorme stroom mensen. Onder die miljoen demonstranten dachten maar weinigen dat ze de herziening van de uitleveringswetgeving werkelijk konden verhinderen; de meesten demonstreerden eigenlijk zonder te weten of het iets zou uithalen.
Ze kwamen niet zozeer om politieke druk op de regering uit te oefenen, maar vooral om gehoor te geven aan een diep gevoel van onmacht (tegenover de macht in Beijing), om uit hun isolement te breken en de angst te overwinnen dat ze weer verdeeld zouden raken en individueel zouden worden vervolgd door het totalitaire regime. Ook wilden ze de wereld laten zien dat de Hongkongers nog steeds in staat waren om zich te verzetten.
En juist die ernst rond de acties heeft bij sommigen hun twijfels over het verzet weggenomen. Daarom zag je tijdens de bloedige confrontaties en gewelddadige botsingen op 12 juni jongeren in de frontlinie, in de rug gesteund door ouderen. Het gewelddadige optreden tegen dit collectieve verzet had af en toe het bloedige karakter van een slagveld, wat bijzonder schokkend was. De discussie ‘vreedzaam blijven’ tegenover ‘je met geweld verzetten’, die in de loop van de Paraplurevolte opkwam (in 2014), is nu door de harde werkelijkheid ingehaald.
Dankzij deze opstand tegen de mogelijkheid dat burgers worden uitgeleverd aan China, hebben wij de juistheid kunnen constateren van het principe dat ‘soldaten zonder hoop verzekerd zijn van de overwinning’. Inderdaad, omdat de bevolking zich niet druk maakte over winnen of verliezen en niemand binnen de beweging de kans kreeg om individueel de vruchten van een eventuele overwinning te plukken, kon het verzet zich verspreiden en groeide er eensgezindheid over de oude scheidslijnen heen. De mensen zijn mee komen doen aan deze ‘laatste slag’, omdat ze hun woede wilden uiten. Zo is de beweging een strijd geworden voor waarden, ideeën en identiteit.
De bevolking moet rechtstreeks de strijd met de autoriteiten aangaan in een serieuze en wanhopige fysieke krachtmeting
In feite zijn er deze keer – duidelijker dan in 2014 – twee soorten verzet opgekomen en al is de ene kant het niet per se eens met de methoden van de andere, ze begrijpen en verdragen elkaar veel beter, en soms bewonderen ze elkaar zelfs. Het is gedaan met de absurde verspilling van energie aan interne discussies uit de tijd van de Paraplurevolte.
Onder de noemer van het vreedzaam verzet hebben zich mensen uit alle geledingen van de samenleving verzameld, met sterk verschillende beweegredenen. Scholen, universiteiten, maar ook professionele, religieuze en maatschappelijke organisaties hebben via hun netwerken een ongekende mobilisatiekracht getoond en ouders hebben zelfs hun kinderen opgeroepen tot actie. In het buitenland is door veel verschillende kanalen aandacht aan de gebeurtenissen besteed, zodat de hele wereld ervan op de hoogte raakte.
Ook was er grote steun vanuit de diaspora; de verschillende gemeenschappen in het buitenland vonden elkaar op basis van hun Hongkongse identiteit. Mensen hebben de gelegenheid aangegrepen om hun onderlinge band te versterken en een gemeenschap te vormen van mensen die in de eerste plaats Hongkonger zijn.
De radicalere actievoerders hebben spontane organisaties ontwikkeld (zonder veel officiële status) die heel verschillende gezichten aannamen. Hun manier van actievoeren – direct, flexibel en gevarieerd – toonde hun onverzettelijke engagement, en al degenen die belang stellen in de problemen van Hongkong, werden getroffen door hun moed en vastberadenheid. Dankzij deze groepen is voor het oog van de hele wereld de bruutheid onthuld van dit regime, dat nu zijn fluwelen handschoenen heeft uitgetrokken.
De combinatie van deze verschillende manieren van verzet heeft uiteindelijk geleid tot een nieuw moreel pact en vooral tot een nieuwe, hybride manier van actievoeren. Zo kon het gebeuren dat activisten de hele nacht leuzen scandeerden om hun protest uit te drukken, dat bewoners video’s gemaakt door bewakingscamera’s in hun wijk uitzonden om de bewegingen van de politie te laten zien, of hoe moeders vreedzaam bijeenkwamen als teken van protest tegen het geweld van de onderdrukking.
De verschillende manieren van actievoeren hebben een nieuwe taakverdeling opgeleverd. In de zoektocht naar middelen om de gevestigde media te omzeilen, heeft het verzet de grote diversiteit van al die deelnemers benut en hun energie gebundeld. Nu is alleen de vraag of dit pact en deze nieuwe manier om zo veel verschillende mensen op de been te brengen, blijvend zullen zijn.
Na de machtsoverdracht in 1997 beloofde moederschoot China de ex-kolonie als Speciale Administratieve Regio (SAR) vijftig jaar lang met rust te laten. Leider Deng Xiaoping stemde er bovendien mee in dat Hongkong zijn economische, politieke en juridische systemen, zijn burgerlijke vrijheden en een vrije pers zou behouden. Die autonomie kent Hongkong inderdaad, behalve bij echt belangrijke kwesties, dan heeft de Volksrepubliek het laatste woord. Dat de Communistische Partij zich steeds meer laat gelden, veroorzaakt al jaren veel protest. Hongkongers vinden dat hun autonomie steeds verder wordt uitgehold, terwijl die tot 2047 zou zijn gegarandeerd onder de formule ‘één land, twee systemen’.
Mag je massamoordenaars monsters noemen? Ja, vindt hoogleraar filosofie Stephen T. Asma. ‘Monster is een woord dat we gebruiken voor mensen van wie we gedrag, motieven, denkpatronen vrijwel niet of totaal niet kunnen begrijpen.’
Keuze uit het archief
Ook al is het in liberale samenlevingen not done om mensen te demoniseren, stelt filosoof Stephen T. Asma in dit artikel uit 2017, toch zijn er nog steeds monsters onder ons. Zoals massamoordenaar Stephen Paddock, die in 2017 zestig mensen doodschoot tijdens een countryconcert in Las Vegas. Hoe gaan we om met dit soort mensen van wie de daden buiten ons voorstellingsvermogen liggen?
Wat is een monster eigenlijk?
‘Het woord komt van het Latijnse werkwoord monstrare, waarschuwen. Met name in de antieke Griekse en Romeinse cultuur werd het woord bijvoorbeeld gebruikt voor een baby die was geboren als Siamese tweeling, of die een arm of been miste, of er juist een extra had. Zo’n kind werd beschouwd als een monster. De Grieken noemden hen teratos. Ze dachten dat het een gruwelijke straf was voor immoreel gedrag – een idee dat ook de middeleeuwse christenen graag toepasten om allerlei voorspellingen te doen. Het was een teken dat er onheil dreigde voor de staat of voor de keizer van dat moment of voor een bepaalde veldslag. Een monster is een mengeling van natuurlijke rampspoed en bovennatuurlijke betekenis.’
Zijn monsters een uiting van weerzin?
‘Ja, er komt ook altijd een emotioneel en affectief aspect bij kijken. Een interessante filosoof, Noël Carroll, laat zien dat monsters, vooral moderne monsters uit het horrorgenre, altijd slijm uitscheiden of extra aanhangsels en tentakels hebben. Ze hebben iets wat ingaat tegen ons gevoel voor lichaamsbarrières of lichaamsbegrenzingen. Dat veroorzaakt vaak het gevoel van walging. Daarom zijn monsters vaak politiek zo nuttig. Een beschaving die ten oorlog trekt, zal altijd de tegenstanders demoniseren of “monsteriseren”. Die worden dan neergezet als onbeschaafd en walgelijk, bijvoorbeeld als het gaat om hun seksuele hygiëne. Ze worden een mikpunt van afkeer.’
Dus in sociologische termen zijn zij de ‘outgroup’?
‘Juist: jij bent anders dan wij. Vreemdelingenhaat loopt als een rode draad door de geschiedenis van monsters. Als jij anders bent dan wij, dan reageren we met walging of zijn we bang en op onze hoede. Dat zie je in de antieke wereld, in de middeleeuwen en ook nu nog in het heden, aan de manier waarop wij onze vijanden neerzetten.’
Heeft religie een rol gespeeld in het vormen van monsters?
‘Religie bouwt nooit alleen maar een pantheon van goden. Die goden zijn altijd een antwoord op een dreiging die wordt gepresenteerd via een of ander monsterverhaal. Als je naar de oudste verhalen kijkt, of dat nu in de hindoeïstische, de Chinese of de Mesopotamische literatuur is, zoals de Gilgamesj, altijd kom je er wel een monsterheld of heldmonster tegen. Dit moet wel te maken hebben met een evolutionaire strategie voor het vormen van fictieve familiegroepen. Hoe zorg je dat grote aantallen mensen die geen bloedverwanten zijn toch samenwerkende groepen worden? Daarvoor heb je dit soort verhalen nodig.’
Frankenstein
Hebben monsters een evolutionaire functie?
‘Anderen wegzetten als monsters kan een uiterst nuttige aanpassing geweest zijn voor de eigen overleving als groep. De natuur was geen warm, gezellig holletje. Zulke horrorverhalen hadden nut omdat mensen erdoor gingen oppassen voor echte vijanden – zowel voor dieren als voor menselijke vijanden. Het folkloristische weerwolfverhaal was wijdverbreid in Europa. Dat is logisch, want de wolven in Noord-Europa waren een bedreiging voor Europeanen. In de Amerika’s bestaat een weerbeerfolklore, omdat oorspronkelijke Amerikanen zich zorgen maakten over echte beren en bang waren opgegeten of aangevallen te worden door beren. Als je naar de monsters van die werelden kijkt, zie je dat ze eenzelfde transformatiefunctie hebben. Het dier dat je kunt worden, of waarvoor je bang moet zijn, is het plaatselijke roofdier.’
U schrijft dat er nog een andere kant aan het verhaal zit. Welke is dat?‘
Dat gaat om een interessant gegeven dat niet veel aandacht krijgt. Daarbij gaat het niet om xenofobie, maar om xeno-nieuwsgierigheid. Een klassiek voorbeeld is dat van Sint-Augustinus. Hij weet dat monsters geacht worden in Afrika en het Oosten te leven. Daartoe behoren ook cyclopen en cynocehali, wezens met een hondenkop, en de blemmyes, wezens zonder hoofd maar met hun gezicht op hun borst. Iedereen denkt dat deze monsters incarnaties van het kwaad zijn, de kinderen van Kaïn: doorboor hun hart en ze zijn er geweest. Maar Augustinus benadrukt de “wonderlijke” kant van deze schepsels. Hij zegt: “Deze wezens zijn griezelig, maar als we met ze kunnen praten en als dan blijkt dat ze een bepaald vermogen tot redelijk denken bezitten, kunnen ze misschien gered worden, dan kunnen ze misschien deel uitmaken van de Verlossing.”’
‘Volgens het moderne, liberale standpunt heeft het monster een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen’
Hoe is deze traditie door de jaren heen overgeleverd?
‘Het is typisch iets voor het westerse liberale denken om de kring van tolerantie uit te willen breiden naar degenen die anders zijn dan jij. Vanuit het moderne liberale standpunt is het heel verkeerd om een afkeer te hebben van vreemdelingen. Je hoort anderen niet te monsteriseren of demoniseren, je hoort geen walging van hen te voelen. Zo kun je ook Frankenstein interpreteren. Als ze op middelbare scholen Frankenstein behandelen, gebruiken ze dat verhaal om te laten zien dat je agressie en geweld oproept door geen verschillen in je groep toe te laten. Dat is een liberale interpretatie van het monster. Het monster is niet het kwaad. Het monster heeft een knuffel nodig, begrip en redelijke onderhandelingen.’
Wanneer werd ‘monster’ een term voor een mens?
‘Dat is echt een interessant onderwerp. Er zijn een paar lijnen die we kunnen volgen. Een loopt naar de oude Grieken, die het verschijnsel van een monsterlijk verlangen kenden. Je kon een verlangen in je hebben dat zo overweldigend was dat het je van jezelf vervreemdde. Dat Medea haar kinderen vermoordt, dat de ene persoon de andere doodt of dat liefde je krankzinnig maakt, komt doordat Eros je monsterlijke dingen laat doen. Het was een bezetenheid van binnenuit, een psychologisch vermogen dat je niet goed had gekanaliseerd. Ik denk dat die lijn doorloopt tot Freud en het idee van een “id” dat ons ware zelf is. In ons allemaal zit iets wat zorgvuldig moet worden beheerst. Anders pleegt het psychopathologische daden. Dat zie je nu met de schutter van Las Vegas. We willen weten waarom hij het deed. Is er iets in onszelf dat ons ook iets dergelijks kan laten doen als we het niet in de hand houden?’
Zou u Stephen Paddock, de schutter van Las Vegas, een monster noemen?
‘Jazeker. Daar komt de term “monster” nog steeds goed van pas. Hij verwijst naar een categorie monster dat we niet kunnen begrijpen. Zodat we zeggen “Dit gaat er bij mij echt niet in. Hier snap ik helemaal niks van.”’
Waarom komt de term ‘monster’ dan goed van pas?
‘Veel mensen denken: Ach, het woord monster is niet meer van deze tijd, je moet het niet meer gebruiken; je moet mensen en hun drijfveren begrijpen. Ik ben van mening dat de term monster nog steeds goed bruikbaar is wanneer je met iemand als Stephen Paddock te maken krijgt. Een van de kenmerken van een monster is dat het niet iemand is met wie je rationeel kunt onderhandelen. Met een vijand kun je nog raakvlakken vinden, zijn er dingen die je kunt volgen. Je vijand haat je misschien. Misschien heeft het conflict een economische achtergrond. Monster is een woord dat we alleen gebruiken voor mensen met wie niet onderhandeld kan worden. Het is vrijwel, zo niet geheel onmogelijk om hun gedrag, hun motieven, hun denkpatroon te begrijpen. Ons gebruikelijke inlevingsvermogen werkt bij deze mensen niet. “Monster” roept negatieve associaties op, en daar valt over te discussiëren. Maar in dit geval is het volkomen terecht om het woord te gebruiken.’
Moeten we ons eenvoudigweg neerleggen bij het feit dat mensen monsterlijk kunnen zijn?
‘Dat is een lastige vraag. Ik heb eens een rechter geïnterviewd die zich dertig jaar lang had beziggehouden met de beestachtigste misdadigers waarover wij alleen maar in de krant lezen. Hetzelfde geldt voor mijn broer, die als detective voor een advocatenkantoor werkt. Allebei zeggen ze hetzelfde: soms ondervraag je iemand die gevangenzit omdat hij zijn kinderen heeft vermoord of iets anders gruwelijks heeft gedaan, maar zodra je met zo iemand in gesprek raakt, wordt het heel moeilijk om hem als monster te blijven zien. Mijn broer vertelde me een keer over zijn gesprek met een man die algemeen gezien wordt als een monster. Na een paar uur komt het gesprek op muziek. Het blijkt dat ze dezelfde muzikale smaak hebben. Misschien roken ze samen een sigaret. Plotseling heb je met zo iemand een natuurlijke menselijke relatie. Dat verandert wel iets aan je neiging om deze persoon alleen maar als een monster te zien.
‘In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: ‘Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad’’
De rechter maakte een onderscheid. Hij zei: “Ik vind hun daden monsterlijk, maar ik zie de persoon niet als een monster.” Volgens mij maakt de wet daar nog een extra onderscheid bij. In de rechtspraak bestaat de mogelijkheid om te zeggen: “Oké, je was dronken of high van iets en werd woedend en pleegde toen een gruwelijke misdaad.” Het Amerikaanse recht kent nog een categorie mens, die wordt aangeduid met die prachtig negentiende-eeuws klinkende term: iemand die een “kwaadaardig hart” heeft. Dat is echt een juridische term, want hij maakt deel uit van de juridische definitie van malice – boze opzet – en staat in de Californische strafwet. Het betekent dat het een karakterkwestie is. Deze persoon heeft de bedoeling een ander pijn te doen, en geniet daar mogelijk van. Ik vind het interessant dat de wet erkent dat er mensen zijn die gewoon door en door slecht zijn en ingeperkt moeten worden. Het is niet zo dat ze een moment van monsterlijkheid hadden of een monsterlijke daad pleegden. Dit zíjn monsters.’
Maar kun je een persoon scheiden van zijn of haar daden? Het is toch een en hetzelfde brein dat erachter zit.
‘Ja, dit zijn typeringen die voortkomen uit de folklore, neem ik aan. Maar folklore is vaak overheersend in de wet. Aan de andere kant, als je er alleen vanuit de neurowetenschap naar kijkt, kan ik me voorstellen dat je al snel naar determinisme neigt. Wat zouden we tegenkomen wanneer we in de hersens van iemand als Stephen Paddock keken? Vinden we dan een tumor? Er is nog geen ander motief opgedoken, dus neig ik in die richting. Misschien was het iets dergelijks. De zaak is nog niet afgerond. We hebben meer informatie nodig. Maar je hebt gelijk: kan een beestachtige daad worden gescheiden van de persoon, is de persoon niet de som van zijn daden? Aan de andere kant hebben we wel enig onderscheid nodig tussen iemand die iets doet terwijl hij tijdelijk de controle over zichzelf kwijt is, en iemand die bewust een gruweldaad bedenkt en tot in de details uitwerkt. Daarom is een term als “karakter” nog steeds bruikbaar in de menswetenschappen. In termen van de neurowetenschap, tja, er zal heus geen afzonderlijk mensje in de hersens zitten, maar er is misschien wel een verhaal te vertellen over het falen van het systeem dat de impulsen moet beheersen.’
Is elk mens in staat tot monsterlijkheid?
‘Ik denk dat elk mens in staat is tot het plegen van monsterlijke daden, maar echte monsters zijn vrij zeldzaam. Onze darwiniaanse erfenis heeft ons allemaal evolutionair gevormde vormen van agressie meegegeven, maar onze roofdierneigingen worden getemperd door verzorging en culturele opvoeding. Bij psychopathische persoonlijkheden spelen een gebrek aan goed ouderschap en culturele opvoeding vaak een rol, in combinatie met hersenafwijkingen. Toch kunnen ook bepaalde ideologieën zoals het jihadisme of het imperialisme een normaal gesproken empathisch persoon in een monster veranderen. Slechte ideeën kunnen onze prosociale gevoelens een andere richting geven en een kwaadaardig hart scheppen.’
Wie of wat maakt een leider monsterlijk?
‘De tirannieke man heeft aantrekkingskracht voor mensen die zich bedreigd voelen of voor een staat die zich bedreigt voelt. Dat zie je telkens weer. Sociologen en antropologen noemen dit het verschijnsel van de “sterke man”: een groep voelt zich bedreigd, hun basisbehoeften worden niet vervuld, en er komt een charismatische, tirannieke figuur op. Zo ging het met Hitler. Zo ging het met Stalin. Ik heb in Cambodja gewoond en weet veel over het verhaal van de Rode Khmer en Pol Pot. Maar zelfs Plato zei het al in zijn Republica. Het interessante is dat het moeilijk is kritiek op zo iemand te leveren of er tegenwicht aan te bieden, omdat de tiran of de monsterlijke leider alleen maar agressief hoeft te zijn. Dat is zijn enige taak. Jij kunt wel zeggen dat hij irrationeel is of onlogisch, of moeilijk om mee samen te werken, maar dat maakt niets uit. Dat zijn gewoon de “deugden” van een monsterlijke leider. Neem het gedoe tussen Donald Trump en “Little Rocket Man”, zoals hij Kim Jong-un tegenwoordig noemt. De aantrekkingskracht van Trump op zijn aanhangers is denk ik dat Trump nu gestoord lijkt en dat andere grote mannen, grote bazen, misschien wel een andere gestoorde man zullen erkennen en respecteren. Dit zou een afschrikkend effect kunnen hebben. Het zou deels ook kunnen verklaren waarom een monsterlijke man aan de macht blijft.’
Wat bedoelt u als u schrijft dat monsters een morele functie hebben?
‘Monsters kunnen deel uitmaken van de morele verbeelding als manier om te laten zien wat we niet willen zijn. Een duidelijk voorbeeld is dat van de jihadi die een journalist onthoofdt. Maar er zijn ook subtiele vormen, zoals Ebenezer Scrooge. Onze literatuur en cultuur scheppen iconen van immoraliteit en die dragen bij aan de vorming van ons gedrag en ons denken. Veel mensen genieten van horror in bijvoorbeeld The Walking Dead, omdat het een soort generale repetitie is. Ik verwacht geen zombieapocalyps, maar ik vraag me wel af wat er zou gebeuren als het netwerk uitviel en wij geen elektriciteit hadden en er opeens voedselgebrek zou zijn. Wat zou er gebeuren als de moderne samenleving knarsend tot stilstand kwam? Veel monsterscenario’s zouden een vervangende training kunnen zijn voor wat er tussen mensen zou kunnen gebeuren.’
Wat is uw monster? ‘Ik ben bang voor diep, donker water. Het is een bijna verlammende angst voor zeemonsters, wat een volkomen irrationele en belachelijke angst is. Daardoor ben ik me gaan afvragen hoe het nou eigenlijk zit.’
En, hoe zit het?
‘Als je filosofie studeert, ben je behept met het vooroordeel van dit vakgebied tegen irrationaliteit. Zijn de knopen eenmaal ontward, dan moet rationaliteit het grote licht van de psyche zijn. Dat licht schijnt naar binnen en verklaart bovennatuurlijkheid en irrationele angsten. Je hoeft alleen maar je geest goed te trainen en dan kun je de kelder van je psyche uitruimen bij het heldere licht van de rede. Ik begon te beseffen dat dat niet klopt. De rede is niet het grote besturingssysteem. De psyche is gebaseerd op een veel groter en ouder besturingssysteem, namelijk het emotionele besturingssysteem. Uit veel onderzoek blijkt dat rationele of cognitieve gedragstherapie mensen nauwelijks helpt om over echte, verlammende fobieën heen te komen. Het lijkt er echt op dat het iets anders of diepers is.’
Waar komt die verlammende angst dan vandaan?
‘Dat zullen we de komende twintig jaar nog niet precies weten, maar ik denk wel dat het werk van affectieve neurowetenschappers als Jaak Panksepp, die helaas overleden is, Antonio Damasio, Kent Berridge en Richard Davidson uiteindelijk het antwoord zal opleveren. Zij geloven dat we een aangeboren emotionele bedrading hebben die flexibel genoeg is om verschillende gebeurtenissen en ervaringen te verwerken. Ik denk dat die zienswijze juist is, al komt er nu kritiek op van mensen als [neurowetenschapper, psycholoog en auteur van het boek How Emotions Are Made] Lisa Feldman Barrett. Maar ik ben het echt niet eens met haar theorie van geconstrueerde emoties. Ik denk dat ze veel te veel bezig is met de conceptuele ruimte van de geest.’
In haar visie zijn emoties geen kant-en-klare circuits in het brein die worden getriggerd door ervaringen. Het zijn constructies, manieren van het brein om de wereld te begrijpen.
‘Ja, en ik denk dat wat zij beschrijft wel klopt voor een bepaald domein van het geestelijk leven, namelijk voor een puur menselijk domein daarvan. Maar als het om de geest gaat ben ik te veel darwiniaan om te denken dat dit voor meeste emoties opgaat. De meer subtiele soorten emoties, zoals het gevoel van vrees of verveling, passen misschien goed in Barretts visie. Maar ik denk dat we homologisch gezien basale affectieve systemen gemeen hebben met andere zoogdieren. Zij ontkent dat, en daarin ben ik het dus niet met haar eens. Ze intellectualiseert emoties zo sterk – door ze als concepten te zien – dat ze dierlijke emoties of emoties van baby’s niet kan verklaren. Uiteindelijk moet het verhaal van angst, fobie en horror geworteld zijn in de oudere emotionele systemen.’
Hoe hebben monsters u ertoe gebracht om over verbeeldingskracht te schrijven?
‘Ik had veel nagedacht over beelden. Lang voordat we beschikten over geschreven talen en verhalen, hadden we in ons brein al beelden als gevolg van de waarneming. We moeten ooit een communicatievorm hebben gehad met beelden en lichamelijke gebaren, voordat we taal hadden. Daardoor ging ik me afvragen hoe oud de verbeeldingskracht eigenlijk is. Is die meegekomen met de taal of konden we allang met beelden communiceren voordat we taal hadden? Volgens mij zijn er veel manieren om kennis te hebben en met anderen te communiceren, die niet linguïstisch zijn maar te maken hebben met lichaamstaal, in de vorm van dansen, of via tekenen of beeldend werk, zoals de grotschilderingen in Lascaux of Chauvet. Al vóór het propositioneel denken bestond er een hele taal van verbeeldingskracht en geestelijk leven.’
Leeft dat oude verbeeldende leven nog steeds in ons?
‘Volgens mij wel, ja. Het wordt overschaduwd doordat het propositioneel denken overheerst. We zijn nu in ons brein sterk uitvoerend georganiseerd. Dat is wat je doet als je een kind opvoedt. Je legt een neocorticaal besturingssysteem over de wirwar aan meer associatieve motorische waarnemingsprocessen heen. We leren allemaal onze geest te disciplineren, zoals we leren ons gedrag te disciplineren. Maar we kunnen die neocorticale controleur het zwijgen opleggen via creatieve activiteiten, zoals kunst, en uitstapjes maken naar deze vroegere vorm van denken.’
Wat zou u zijn als u geen hoogleraar filosofie was?
‘Ik twijfel tussen muziek en visuele kunst, maar hoe dan ook zou ik kunstenaar zijn. Ik bén nog steeds kunstenaar. Ik word er alleen niet meer voor betaald.’
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.