Voor het eerst in bijna tien jaar keert Zida Qanawati terug naar Damascus, naar het huis waar ze opgroeide. Ze slaapt in haar kinderbed, loopt door de straten van oud Damascus en spreekt met vrouwen die uit de gevangenissen zijn vrijgelaten. Een persoonlijk verslag van een thuiskomst die te lang op zich liet wachten.
Het duurde bijna tien jaar voordat ik een kopje Arabische koffie kon drinken in de keuken van mijn moeder. Daar, waar de warme zon van het land schijnt en de stad ’s avonds door het gebrek aan elektriciteit in duisternis gehuld is. Daar, waar de muren volhingen met afbeeldingen van vermisten en vermoorden, in plaats van met portretten van de president, die voorheen de straten van de stad vulden. Een groot deel van ons leven wachtten we tot de oorlog voorbij was, tot de tiran stierf en wij weer toegang kregen tot onze steden. Tot 8 december 2024 was mijn leven verscheurd. Ik leefde met een wond die nooit leek te genezen: de wond van ballingschap, vervreemding en isolatie.
In Europa, en in veel steden daarbuiten, heb ik twee kinderen alleen opgevoed. Ik heb tientallen keren gedroomd dat mijn moeder ze samen met mij opvoedde en dat mijn gezin een huis in mijn stad zou hebben, waar we de weekends samen door konden brengen, hun favoriete gerechten voor ze kon koken en in hun armen kon huilen over het verdriet van mijn alleenstaande moederschap.
Ik droomde dat de afgelopen vertien jaar niet zo eenzaam zouden zijn.
En daar was het dan, dat historische moment dat ik nog steeds kan bevatten: Syrië heeft volgehouden en Assad is gevallen.
Diepe littekens
Het vliegtuig landde op het vliegveld van Beiroet, een stad die indruk op me maakte vanwege de diepe littekens van de recente oorlog en de verwoeste gebouwen langs de vliegveldweg in de zuidelijke buitenwijken.
Er lag veel sneeuw op de weg, net zoals toen ik Damascus verliet.
Bij de grensovergang tussen Syrië en Libanon stond mijn hart even stil. Mijn angst voor arrestatie kwam even terug. Ik dacht aan de vrienden die op exact deze grensovergang verdwenen waren.
Hij [Bashar Al Assad] daarentegen stak veilig over, zonder enig spoor van de veiligheidstroepen van het voormalige regime. Hoe had hij plotseling kunnen verdwijnen? Hoe was hij ontsnapt? Waarom gebeurde dit allemaal?
Waarom moesten Syriërs veertien jaar wachten op vrijheid?
Waarom moesten Syriërs veertien jaar wachten op vrijheid? Waarom moesten wij zo veel levens verliezen, moesten mensen gemarteld worden in de slachthuizen van een tirannieke familie, kennismaken met de moderne hel, verpletterd worden in gevangenissen, van al hun rechten beroofd?
Waarom stopte de wereld niet bij het eerste bloedbad van Assad? Dit zijn vragen waar geen zinvol antwoord op bestaat. In een absurde wereld kunnen we enkel absurde antwoorden verwachten. Ik ontmoette mijn vader en moeder in het huis waar ik ben opgegroeid. We omhelsden elkaar stevig en ik heb veel gehuild…
Dit keer waren mijn kinderen er niet bij, ik wilde deze emotioneel zware ervaring niet met hen delen. Die nacht viel ik in slaap in mijn kinderlijk bed, in mijn eerste kamer, te midden van mijn eigen schoolboeken en die van mijn zus en van het speelgoed dat mijn moeder voor onze kinderen had bewaard om mee te spelen. Voordat ze die kans kregen, waren ze al volwassen.
Het was ijskoud en ik trilde tot op het bot, maar mijn hart voelde alsof het in brand stond.
Niet alleen onze huizen en onze dierbaren, onze levensjaren zijn ons ontnomen, ver buiten Syrië.
Kortstondige vreugde
Ik keek uit het raam waar ik al jaren van droomde. Ik zag een oude kerk en moskee, een palmboom vol mals, rood fruit, een tuin en Damasceense daken vol met zonnepanelen; de enige energiebron voor gezinnen die het zich konden veroorloven.
Had het er altijd zo uitgezien? vroeg ik me af.
Op de eerste dag nam mijn moeder me mee naar oud Damascus. Ik realiseerde me dat dit vroeger onze vaste route was. We gingen winkelen, dronken koffie en maakten lange wandelingen onder het dak van de historische Hamidiyeh Souq. Bij de baden van Khan Asaad Pasha rustten we zwijgend uit.
Een kortstondig gevoel van vreugde komt op, waarna ik weer besef hoeveel verwoesting, wreedheid en armoede de bevolking hier heeft gekend.
De gezichten in Damascus zijn getekend door honger als gevolg van jaren van belegering en onderdrukking. Hun huid hangt over de dunne botten in het gezicht.
Maar deze gezichten dragen ook menselijke waardigheid, vanwege het onverwoestbare verlangen dat het leven doorgaat, de hoop op gerechtigheid, al is het maar gedeeltelijk, en de liefde voor degenen die terugkeren uit een gedwongen ballingschap die eeuwig leek te duren.
Ik ruik de geuren van Damascus, een mengeling van diesel, uitlaatgassen, specerijen en thee. Ik denk aan alle inwoners van de gebieden die zijn gebombardeerd. Kunnen de wonden in de harten van de overlevennden worden genezen?
Ik besef dat mijn familie heeft overleefd en dat iedereen die nog in Syrië is die alomaanwezige dood heeft weten te trotseren.
Stap-voor-stapafspraken
Politicoloog Amr Hamzawy betoogt dat voor Gaza een gefaseerde, verifieerbare aanpak kansrijker is dan een totaalakkoord.
Het nieuwe, in Egypte ondertekende Gazaakkoord heeft juist dankzij zijn gefaseerde opzet kans van slagen, betoogt Hamzawy in Foreign Affairs, mits het stevig wordt bewaakt en begeleid. Zijn punt: ‘gradualisme’ werkte eerder in het Midden-Oosten, zolang er monitoring, prikkels en druk bestonden; waar die ontbraken (zoals bij Oslo) ging het mis.
De geschiedenis biedt voorbeelden. Na 1948 legden de wapenstilstandsakkoorden van 1949 niet ‘de vrede’ vast, maar wel een werkbare pauze met duidelijke lijnen en gemengde commissies die incidenten moesten temperen: een klassiek stap-voor-stap kader.
In de jaren zeventig volgden de Sinaï disengagements tussen Egypte en Israël (1974 en 1975): eerst scheiding van troepen en zones van beperking, daarna pas verdere politieke stappen. Die sequentie, onder intensieve Amerikaanse druk, effende de weg naar Camp David en het vredesverdrag van 1979 (met de MFO als toezichthouder).
Parallel aan die logica stond het Israël-Syriëakkoord van 1974 op de Golan, waarbij een VN-missie (UNDOF) decennialang de scheidslijn bewaakte; een voorbeeld van hoe volgehouden, extern toezicht een fragiel bestand kan stabiliseren. Hamzawy plaatst daar tegenover dat Oslo niet struikelde over het principe van fasering, maar over gebrekkige borging: te weinig harde afspraken, prikkels en sancties om partijen door de moeilijke fases heen te duwen. Dat is volgens hem de les voor Gaza nu.
In het huidige akkoord – met stapsgewijze vrijlatingen en gefaseerde veiligheids en hulpafspraken – staat of valt de vooruitgang met consequente internationale betrokkenheid en verificatie. Zonder die combinatie wordt een gefaseerd plan een verzameling tactische pauzes; mét die combinatie kan het, zoals eerder in de regio, ‘de brug slaan tussen een wapenstilstand vandaag en politieke afspraken morgen’.
Die nacht slaap ik niet gemakkelijk. De pijn van de stad ligt me zwaar op het hart en ik huil om alles wat ik verloren heb. Daarna heb ik het elke dag kouder en met de toenemende stroom- en wateruitval wordt het leven met de dag moeilijker. De afgelopen acht jaar, na mijn afstuderen aan de Media-universiteit in Tsjechië, heb ik gewerkt voor feministische organisaties die zich inzetten voor de rechten van Syrische vrouwen. Ik heb de schendingen gedocumenteerd waarmee zij te maken krijgen onder de druk van oorlog, militarisering en de strijdende krachten binnen Syrië, gedomineerd door de duistere kant van het patriarchaat. De oorlogsjaren hebben interne conflicten aangewakkerd en in veel opzichten de generaties-oude geweldscycli vergroot, met een directe impact op het leven van Syrische vrouwen.
Maar ze bleven strijden. En hoewel de strijd van de Syrische vrouwen werd beperkt door bombardementen, ontheemding, verbanning, arrestaties en zelfs moord, gaven ze niet op. Zodra het oude Syrische regime viel, voelde ik dat alles waar we ons voor hadden ingespannen zinvol was en dat we binnenkort de zon zouden zien, of in ieder geval een glimp daarvan.
Ik ben niet voor een persoonlijk bezoek naar Damascus gekomen. Ik wilde vrouwen ontmoeten die uit de gevangenis zijn vrijgelaten. Ik wilde hun overlevingsverhalen vastleggen en de moedige keuzes die ze hebben gemaakt door zich te verzetten. Ik wilde hen vragen waar ze de moed vandaan halen om om ondanks de angst voor dood en marteling te blijven strijden. Hoe gaan ze om met het stigma waarmee ze te maken krijgen tijdens hun detentie en na hun vrijlating, en met welke gevolgen hiervan hebben ze vandaag de dag nog steeds te maken? Ondanks de somberheid meen ik hoop in hun blikken te ontwaren…
Hoop
In Damascus heb ik mezelf herhaaldelijk afgevraagd wat hoop betekent en wat het is dat ons aanmoedigt om eraan vast te houden. Ik besefte dat we geen andere keus hebben.
Wat hebben we in een land waar grote delen met de grond gelijk zijn gemaakt en de gezichten van de bevolking zijn weggevaagd, behalve hoop om te overleven? Na tien jaar ontmoette ik mijn levenslange vriendin Lama in Damascus. Terwijl ik daar naast haar zat en de tranen me over de wangen stroomden voelde ik hoe erg ik haar miste, hoeveel liefdevoller mijn leven zou zijn geweest als ik dicht bij haar was geweest, bij iedereen van wie ik hou.
Lama zei: ‘Ik had niet verwacht dat we elkaar ooit nog zouden zien. Mijn droom om Damascus te bezoeken was een fantasie geworden, zoals veel van van onze wensen zijn dromen geworden.’
Maar sommige fantasieën zijn uitgekomen. Zou ook de vrede die we zo vurig voor Syrië wensen ooit hersteld kunnen worden?
’s Avonds, terwijl ik tussen mijn moeder en vader zit op het wollen kleed, naast een kleine oliekachel die nauwelijks warmte brengt, pak ik mijn tas weer in. Uit de enorme boekenkast kies ik mijn favoriete boek van Isabel Allende, Liefde en schaduw, om mee te nemen naar Berlijn, mijn nieuwste ballingsoord, waar ik al anderhalf jaar woon.
In dat boek las ik voor het eerst over een massagraf. Ik vond het een schokkend idee, en had nooit verwacht dat ik op een dag in mijn eigen prachtige stad over massagraven zou lopen, met daarin misschien wel de botten van mijn schoolvrienden, mijn stadsgenoten en kinderen die de smaak van brood, de geur van tijm en goedkoop snoepgoed onthouden werd.
Mijn moeder blijft hardop herhalen: ‘Als een droom… je kwam bij ons als een droom.’
Ik open de laatste pagina van Allendes boek en lees:
‘Bij het gouden ochtendgloren bleven ze even stilstaan om voor de laatste keer naar hun thuisland te kijken. Erin fluisterde: “Komen wij nog eens terug?”
Francesco antwoordde: “Wij komen terug.”
Deze belofte zou hun lot voor de komende jaren bepalen: Wij komen terug, wij komen terug.’