Onderwerpen: Oorlog

  • 3000 jaar oude speerpunt gevonden | Hulp voor Jemen ‘teleurstellend’

    3000 jaar oude speerpunt gevonden | Hulp voor Jemen ‘teleurstellend’

    VN spreekt van doodvonnis voor Jemen

    Jemenieten en hulporganisaties noemen het tekort aan internationale financiering voor Jemen een ‘doodvonnis’ voor mensen die lijden onder de burgeroorlog in het land. Het VK, meldt The Guardian, besloot ongeveer 50 procent van de steun voor humanitaire inspanningen aan het land te verminderen.

    De VN hoopte maandag 3,85 miljard dollar (3,2 miljard euro) in te zamelen bij meer dan honderd regeringen en donoren op een virtuele conferentie om de wijdverbreide hongersnood in de ergste humanitaire crisis ter wereld te voorkomen, maar ontving slechts 1,7 miljard dollar – minder dan de helft. ‘Een teleurstellende uitkomst’, aldus secretaris-generaal van de VN António Guterres, geciteerd door de Britse krant. Het totaal dat op de conferentie van vorig jaar werd opgehaald, was 1,5 dollar miljard lager dan gehoopt.

    ‘Miljoenen Jemenitische kinderen, vrouwen en mannen hebben dringend hulp nodig om in leven te bijven. Een mindering van de hulp betekent een doodvonnis’, aldus Guterres in een verklaring. ‘Oorlog en hongersnood’, waarschuwt The Guardian‘kunnen de volgende generatie Jemenieten wegvagen.’


    Armeense premier staat open voor vervroegde verkiezingen 

    De Armeense premier Nikol Pasjinian heeft gezegd bereid te zijn vervroegde verkiezingen te houden als de parlementariërs daarmee instemmen, meldt Armenpress‘Laten we weer een verkiezing houden en we zullen zien wie de mensen vragen ontslag te nemen’, zei Pasjinian in een officieel bericht.

    In het Kaukasische land is er onrust sinds de premier een vredesakkoord sloot met Azerbeidzjan over het betwiste gebied Nagorno-Karabach. Na een oorlog van zes weken werden delen van het gebied afgestaan aan de vijand. De Armeense oppositie, grote groepen betogers en het leger waren het daar niet mee eens.

    Vorige week zegde het hoofd van de strijdkrachten zijn vertrouwen op in de regering, wat door Pasjinian als een militaire staatsgreep werd gezien. Hij besloot daarop de legerchef te ontslaan, maar de onafhankelijke president Saskissian verklaarde die beslissing ongrondwettelijk. Sindsdien gaan voor- en tegenstanders van Pasjinian dagelijks massaal de straat op.

    ‘Niet alles mag afhangen van de grillen van het staatshoofd’

    In een redactioneel commentaar van de Armeense site Aravot, schrijft Aram Abrahamyan dat de regering onder geen beding demonstraties mag organiseren. ‘Ze moeten werken en het dagelijks leven in de staat regelen, de veiligheid en welvaart van burgers garanderen. Ze mogen niet stoppen met werken, zelfs niet tijdens campagnes. Als ze twee dagen aan een betoging werken en marcheren om de leider van de staat te “steunen”, dan heeft dat niets te maken met “het regeren van het volk”. Dat is geen regering van het volk, maar van ambtenaren en oligarchen die de regering steunen, die de afgelopen dertig jaar hebben bestaan ​​en nog altijd bestaan.’

    De oppositie moet volgens Abrahamyan instemmen met het houden van snelle verkiezingen terwijl Pasjinian premier blijft, en de regering moet ermee instemmen om die verkiezingen binnen twee à drie maanden te houden en garanderen dat ze zo eerlijk mogelijk zullen verlopen. De generaals moeten hun eisen aan de regering om af te treden stoppen, en de premier moet van zijn voornemen afzien om de legerchef uit zijn functie te verheffen.

    ‘Gezien Pasjinians tegenstrijdige, verdeeldheid zaaiende aard zal dit moeilijk worden. Maar we moeten niet vergeten dat Armenië een parlementaire republiek is, en dat niet alles mag afhangen van de grillen van het staatshoofd.’


    3000 jaar oude speerpunt gevonden op het strand van Jersey

    In augustus 2020 vond Jay Cornick, een elektrotechnisch ingenieur, met zijn metaaldetector een 35 cm lange speerpunt die was begraven in het zand op een strand in het oosten van het eiland Jersey, schrijft The Daily Telegraph.

    Deze speerpunt, gemaakt van een koperlegering, was in zo’n goede staat, dat Jay Cornick dacht dat het een moderne visspeer was. ‘Hij stopte hem in zijn tas en dacht er niet meer echt aan tot hij hem aan de archeologen van Jersey Heritage liet zien’, aldus het dagblad.

    Neil Mahrer, specialist in erfgoedbehoud in Jersey, noemt de vondst ‘ongelooflijk’. De York Archaeological Trust heeft bevestigd dat de overblijfselen van het houten handvat van de speer die op de punt werden aangetroffen, dateren van tussen 1207 en 1004 voor Christus. Daarmee is dit een van de meest spectaculaire wapens uit de Bronstijd die in Noord-Europa zijn gevonden.

    De stijl van dit type speerpunt staat bekend als Tréboul, maar het gevonden object in Jersey is ‘zo groot en verfijnd’ dat het mogelijk was bedoeld was voor ceremonieel gebruik.

    De punt zou in zo’n goede staat zijn gebleven doordat hij tegen de lucht werd beschermd door het zwarte zand waarin hij begraven lag. ‘Hij overleefde niet alleen de bouw van de haven van Gorey en het middeleeuwse kasteel dat erboven uittorent, maar ook drie millennia van wintertij en stormen’, jubelt The Daily Telegraph.

  • Het Syrië-proces: de spion, de aanklager, de meeloper en het regime

    Het Syrië-proces: de spion, de aanklager, de meeloper en het regime

    Sinds 2011 vecht het Syrische regime tegen het eigen volk. In Duitsland staan nu de eerste oorlogsmisdadigers voor de rechter. Over een historisch proces en de grijze gebieden tussen goed en kwaad.

    In Berlijn, 2800 kilometer een een vlucht verwijderd van het vaderland, in het land waarin hij eindelijk veilig meent te zijn, haalt de oorlog hem op een winterdag in 2014 weer in. De mensenrechtenadvocaat Anwar al-Bunni had Syrië moeten verlaten omdat hij voor zijn leven vreesde; sinds een of twee weken wonen hij en zijn vrouw in het opvangcentrum voor asielzoekers in Berlin-Marienfelde. En daar blijft zijn blik op zeker moment rusten op een bewoner die hem wat dikker lijkt dan eertijds in Syrië. ‘Hij had ook minder haar, en een bril op. Ik kon hem niet meteen thuisbrengen,’ vertelt al-Bunni nu. Wie is die man met die levervlek onder het linkeroog?

    Woensdag (26 februari) heeft de rechtbank in de Duitse stad Koblenz een vonnis geveld in het Syrië-proces. Eyad A., werkzaam voor de Syrische geheime dienst, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vierenhalf jaar. Lees meer in ons artikel van donderdag:

    Twee dagen denkt al-Bunni daarover na, dan schiet het hem weer te binnen: die man is Anwar R., op het laatst kolonel van de Syrische Staatsveiligheidsdienst, in het jaar 2006 nog leider van een commando dat al-Bunni ontvoerde. Hij is de man die al-Bunni naar een gevangenis liet brengen waar hij bedreigd, geslagen en bijna om het leven gebracht werd. Vijf jaar gevangengezet, officieel wegens ‘in gevaar brengen van de nationale eer’. In feite werd al-Bunni gestraft omdat hij tegenstanders van het regime voor de rechtbank had verdedigd en te luid de rechten had opgeëist waarop zijn lastgevers zich volgens de Syrische grondwet konden beroepen.

    Al-Bunni kwam de man nog een paar keer tegen in Berlijn, bijvoorbeeld bij de uitgifte van maaltijden en later in een goedkope meubelzaak. Al-Bunni is er zeker van dat Anwar R. hem ook herkende. ‘Ik was beroemd in Syrië,’ zegt hij, en inderdaad zijn op het internet veel foto’s te vinden die hem tonen bij processen of met buitenlandse gasten. Zijn gezicht was destijds iets voller, net als zijn kruin en zijn baard. In zijn kleine kantoor op een binnenplaats in Prenzlauer Berg heeft hij geen herinneringen aan die tijd opgehangen. Het verleden is ook zonder beelden altijd aanwezig – en dat zal alleen nog maar toenemen wanneer al-Bunni in een historisch proces zal worden behandeld. Als het daar zijn folteraar zal inhalen.

    Achter blinde muren

    Sinds de toevallige ontmoeting met Anwar R. heeft al-Bunni een nieuw doel om voor te leven. Toen in 2015 honderdduizenden Syriërs zoals hij naar Duitsland kwamen, lieten ze weliswaar de oorlog achter zich, maar niet de conflicten die buurten, vriendenkringen en zelfs families verscheurden. De 2800 kilometer tussen het oude en het nieuwe vaderland kunnen veel in het leven veranderen, maar niet alles. Sommigen blijven sympathiseren met oppositionele groepen, anderen blijven nog altijd trouw aan het regime. De naar Duitsland gevluchte mensen zijn in de eerste plaats slachtoffers van de oorlog, maar er zitten ook daders tussen. Syriërs die in naam van de staat of als lid van milities misdaden begaan hebben. Niet lang na zijn toevallige ontmoeting met Anwar begint al-Bunni naar deze mensen te zoeken.

    Anwar R., nu 57 jaar oud, zou verantwoordelijk zijn voor minstens 4000 gevallen van marteling en 58 doden. Hij verliet Syrië eind 2012 en kwam in juli 2014 in Duitsland aan. Bijna zes jaar later wordt hij hier voor de rechter gebracht. Vanaf 23 april zal hij samen met Eyad A., ook lid van de Syrische geheime dienst, voor een Duitse rechtbank staan. Het proces bij het gerechtshof in Koblenz zal geschiedenis schrijven: het is wereldwijd de eerste keer dat handlangers van de Syrische president Baschar al-Assad verantwoording af moeten leggen voor martelingen in opdracht van de staat.

    Bijna 100.000 mensen liet het regime sinds het uitbreken van de opstand in gevangenissen verdwijnen. Het lot van tienduizenden is nog onzeker. Minstens 18.000 mensen werden terechtgesteld of doodgemarteld, berichten organisaties als Amnesty International of het Syrische netwerk voor mensenrechten. Die daden werden begaan achter blinde muren, maar overlevenden kunnen ze geloofwaardig afschilderen.

    Ook naar die mensen is al-Bunni op zoek. Om hun verhalen te documenteren – en om ze te overreden zich als getuigen ter beschikking te stellen van de Duitse Justitie. Zodat het proces tegen Anwar R. zal slagen en er meer soortgelijke processen zullen volgen.

    Voor zijn zoektocht maakt hij gebruik van Facebook en van zijn netwerk in de offline wereld. Tijdens onze ontmoeting in Berlijn, rinkelt Al-Bunni’s telefoon bijna net zo vaak als hij trekjes neemt van zijn e-sigaret. Hij verdient niets met dit werk. Om reizen naar getuigen en andere onkosten te kunnen financieren is hij aangewezen op ondersteuning door mensenrechtenorganisaties.

    Het gaat hem niet om wraak, zegt al-Bunni, zelfs niet in het geval van Anwar R. Hij wil ooit weer terugkeren naar een fatsoenlijk en democratisch Syrië, en zo’n land kun je alleen met gerechtigheid opbouwen. ‘Ik wil verhinderen dat oorlogsmisdadigers een rol kunnen spelen in de toekomst van het land,’ roept de tengere 61-jarige man uit, en van opwinding slaat hij op de tafel. “Hun daden zijn gedocumenteerd. Niemand moet met hen om kunnen gaan!’

    ‘Mijn medestrijders waren mijn beste vrienden. Ik heb ze allemaal verloren’

    Hoessein Ghrer geloofde in een betere toekomst toen hij vanuit Aleppo naar de Syrische hoofdstad verhuisde. Damascus was opwindender, groter, levendiger – heel anders dan zijn conservatieve geboortestad waar de zakenlieden in de bazaars en de imams van de moskeeën het openbare leven bepaalden. Van de sociale controle door familie en buren was Ghrer door die verhuizing verlost, maar echt vrij was hij niet. Aan de universiteit van Damascus maakte hij mee hoe het regime zijn onderdanen tot in detail probeerde te controleren: zelfs een initiatief om samen afval te verzamelen werd door de decaan verboden. ‘Dat kunt u prima alleen doen,’ had hij gezegd, ‘maar niet als groep.’ De systematische onderdrukking van het eigen volk was daar al een traditie.

    Syriës jongste geschiedenis is doortrokken van de heerschappij van de familie Assad. Hafis al-Assad had in 1970 de macht gegrepen en het land met harde hand geregeerd. Na zijn dood in het jaar 2000 hoopten veel Syriërs dat zijn zoon hervormingen zou gaan doorvoeren. Maar de toen pas 34-jarige Baschar stelde die verwachtingen teleur. In 2007 verzekerde hij zich door een volksstemming van een tweede ambtstermijn met zogenaamd 97,62% van de stemmen. Er was niets veranderd. En Hoessein Ghrer begon heimelijk te bloggen. Op het internet schreef hij tegen de dictatuur.

    Ghrer noemde zich ‘freeman’. Ook al hadden de geheime diensten toen nog weinig ervaring met sociale media, toch was zijn activisme gevaarlijk. Ghrers echtgenote maakte zich zorgen, ze hadden al kinderen. En toen de zogeheten Arabische lente ook Syrië bereikte, legde Ghrer in maart 2011 ook nog zijn pseudoniem af. Hij publiceerde zijn artikelen over burgerrechten nu onder zijn echte naam. ‘Ik wilde laten zien dat achter de teksten geen buitenlandse agenten of terroristen schuilgingen,’ zegt hij nu in Berlijn. Hij is 42 jaar oud, draagt een scheiding in het midden en een hoekige bril.

    Als hij vertelt over de hoop van toen, en hoe hij zich voor het eerst echt voelde leven toen hij bij de protesten in 2011 luidkeels zijn mening liet horen, vecht Ghrer tegen zijn tranen. De revolutionaire stemming werd toen abrupt onderdrukt. ‘Mijn medestrijders waren mijn beste vrienden,’ zegt hij, en hij moet even pauzeren omdat zijn stem breekt. ‘Ik heb ze allemaal verloren.’

    f9065e71de3f46c4b6bd729183041e7d 0 1
    Schuldeisers Wassim Mukdad (l), Patrick Kroker, en Hussein Ghrer praten met journalisten na het proces van de eerste dag in Koblenz 23 april 2020. – @ Thomas Frey / dpa via AP

    Ghrer zat juist aan het middagmaal toen hij de eerste keer werd opgehaald. De mannen brachten hem naar het beruchte gebouw van de geheime dienst ‘Afdeling 251’, ook ‘al-Khatib’ genaamd naar de straat waarin het gelegen is. Iedereen in Damascus kent het gebouw, het wordt gevreesd. De onderafdeling ‘Onderzoek’, verantwoordelijk voor de genadeloze verhoren van de gevangenen, werd geleid door Anwar R., de man onder wie ook advocaat al-Bunni heeft geleden.

    Beide voormalige gevangenen, al-Bunni en Hoessein Ghrer, kennen elkaar al uit de tijd dat ze samen in Syrië waren; in Duitsland hebben ze elkaar teruggevonden. Ze worden nu gesteund door het European Center for Constitutional and Human Rights (ECCHR). Deze organisatie, gevestigd in Berlijn-Kreuzberg, wil vermoedelijke daders van mensenrechtenschendingen wereldwijd ter verantwoording roepen, met hulp van het Duitse recht. Daartoe staan hun getuigen als Hoessein Ghrer bij, wat tot gevolg heeft dat hij in dit interview niet mag ingaan op details waarover de vrouwelijke rechter in Koblenz hem waarschijnlijk zal ondervragen. Afwijkingen tussen de verklaring van een getuige voor de rechter en voordien gepubliceerde uitlatingen zouden door de advocaten van de verdediging kunnen worden uitgebuit.

    Maar hoe wreed de foltering in het rijk van Anwar R. was, valt na te lezen in de beschrijvingen van de Duitse onderzoekers. ‘Bij de verhoren werd een groot aantal foltermethoden ingezet’, heet het daar, ‘naast slagen met vuisten, stokken, buizen, kabels, zwepen en slangen was ook het toedienen van elektrische schokken aan de orde van de dag.’ De cellen in de kelder van het gebouw waren overvol. In plaats van de 100 personen waar ruimte voor was, propten Anwar R. en zijn mensen er vaak 400 tot 600 in de onderaardse ruimtes. Zelfs tijdens het slapen moesten de gevangenen staan; in het gunstigste geval mochten ze eenmaal per dag naar het toilet. Sommigen werden aan hun polsen opgehangen, velen werden verkracht, vrijwel iedereen werd de slaap onthouden, evenals medische verzorging. Ook na foltering op de ‘Duitse stoel’, waarop de slachtoffers werden vastgebonden. De flexibele leuning van het apparaat werd dan naar achter gedrukt tot op de grond, de rug van de gevangene werd overstrekt totdat vaak de wervelkolom brak. Ook regelmatig werd door de folteraars gekozen voor het ‘rad’, waarbij de gevangene dubbelgevouwen in een autoband gedwongen werd en dan met stokken afgetuigd. Anwar R. zelf maakte zijn handen er niet aan vuil, voor zover de onderzoekers konden nagaan. Hij gaf enkel de bevelen.

    Namen, namen en nog eens namen

    Hoessein Ghrer had geluk – en de juiste kennis om de martelingen te overleven. Andere activisten hadden hem verteld wat hem te wachten stond. Terwijl hij nog vrij was, speelde hij te verwachten scenario’s door, en wist welke informatie hij zou prijsgeven. Meestal wilden de folteraars inderdaad ‘namen, namen en nog eens namen’, zegt Ghrer. Namen van andere activisten en tegenstanders van Assad. Voor het verhoorteam van Anwar R. verzon en bekende Ghrer veel, maar zichzelf ontzegde hij de vlucht in fantasiewerelden. Dat was de snelste manier om gek te worden, volgens hem. ‘Ik heb er een paar gezien die daardoor volledig doordraaiden.’ Na een paar weken werd Ghrer vrijgelaten.

    Maar kort daarop, in februari 2012, werd hij nog eens gearresteerd. Hij was juist begonnen in het ‘centrum voor media en meningsvrijheid’ te werken toen het regime in één klap een einde maakte aan het werk van die groep. Het leger zette de straat af en bestormde het kantoor alsof zich hier ondergrondse strijders verschanst hadden. ‘In Syrië zijn de mensen gewend om weg te kijken,’ zegt Ghrer, ‘maar bij deze actie was dat haast onmogelijk.’

    De soldaten vonden geen wapens, maar alleen papieren en computers. Ze voerden geen strijders af, maar burgers als Ghrer. Deze keer zou hij drieëneenhalf jaar gevangen zitten.

    De eerste activisten die voor hervormingen demonstreerden werden door het regime meteen al als terroristen aangeduid. Onder hetzelfde voorwendsel vielen eenheden van Assad later protestoptochten aan waarbij honderdduizenden de straat opgingen. Daarop bewapenden delen van de oppositie zich en al gauw vochten Assads troepen tegen gedeserteerde soldaten en jihadistische milities. Het land gleed af naar een burgeroorlog die tot op heden voortduurt.

    In de afgelopen negen jaar heeft Assad met Russische hulp de gebieden die onder controle stonden van de opstandelingen in puin gebombardeerd en ook chemische wapens ingezet. De meeste delen van het land heeft de dictator inmiddels heroverd. De prijs daarvoor was hoog: minstens 350.000 Syriërs hebben in deze oorlog het leven verloren, 13 miljoen hun huizen – de helft van de Syrische bevolking is in het land op de vlucht of naar het buitenland gevlucht, zoals Hoessein Ghrer.

    Ghrer werkt nu in Noord-Duitsland als IT-adviseur. Bij het proces zal hij optreden als burgerlijke partij. Hij wil niet meer alleen als slachtoffer gelden. ‘Ik wil weer een mens zijn die handelt,’ zegt hij.

    ‘De koning van alle bewijsmiddelen is het document’

    Getuigenverklaringen zijn belangrijk voor het proces, dat vindt ook Bill Wiley. ‘Maar de koning van alle bewijsmiddelen,’ zegt de Canadees in zijn kantoor, ‘is het document.’

    De rook van Cubaanse cigarillos hangt in de lucht, rondom staan whiskyflessen en ook de afbeelding van een prinses, die zijn dochter in schelle kleuren heeft geschilderd. Wiley is een spion. Zijn functieomschrijving is anders dan die van de onderzoeksrechter of van onderzoekers in dienst van de Verenigde Naties – al was het maar omdat Wiley zijn eigen regels heeft bepaald. De door hem opgerichte Commission for International Justice and Accountability (CIJA), een stichting op basis van het Nederlands recht, stelt bewijzen veilig in oorlogsgebieden. Je zou ook kunnen zeggen: Wiley laat ze stelen.

    Hoe hij de oprichter werd van een organisatie die sommigen ‘waarheidssmokkelaar’ noemen, vertelt de roodblonde man in een huis zonder bel. De locatie is geheim, ergens in West-Europa, zoveel mogen we wel opschrijven. Wiley wil zijn intussen 150 medewerkers beschermen en ongevraagd bezoek ver weg houden van het materiaal dat hier wordt opgeslagen. In een raamloze ruimte staan lange rijen planken gevuld met eenvoudige bruine kartonnen dozen. In die dozen: akten van de Syrische veiligheidsdiensten, nu eens glad, dan weer verkreukeld, soms met drek besmeurd. Met stempels, handtekeningen, en handgeschreven notities. ‘Meer dan 800.000 bladzijden,’ zegt Wiley, ‘ongeveer 3,6 ton.’

    Wiley was ooit soldaat. Het lichaam van de nu 56-jarige maakt nog steeds een gevechtsklare indruk. Hij was actief voor de VN als onderzoeker en juridisch adviseur bij de behandeling van de conflicten in Joegoslavië en Rwanda. Daarna werkte hij bij het Internationale Gerechtshof, tot hij uiteindelijk gefrustreerd de handdoek in de ring wierp. Te zelden lukte het om vermoedelijke oorlogsmisdadigers schuldig te bevinden. Toen in 2011 het conflict in Syrië begon, wist Wiley het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken te overreden om hem een paar honderdduizend pond ter beschikking te stellen voor iets nieuws. Voor een ‘opzet met een hogere risicotolerantie’, zoals hij het noemt.

    Met een paar voormalige collega’s uit zijn VN-tijd organiseerde hij algauw seminars in het zuiden van Turkije die voor de Syrische oppositie dienden als een plek om zich terug te trekken. Ze prentten activisten de grondbeginselen in van het veiligstellen van bewijs, leerden hen om te verzamelen wat ze ook maar te pakken konden krijgen: plaquettes, telefoons, akten, video’s, laptops.

    Maar Wiley had niet alleen jonge idealisten nodig, maar ook de medewerking van de bewapende rebellen. ‘Verover de gebouwen van het regime, plunder wat je maar wilt. Maak wat mij betreft een mooie video hoe jullie vervolgens alles vernielen,’ bezwoer hij de commandanten wanneer die iets in Turkije te doen hadden en hij ze – afhankelijk van hun ideologische achtergrond – ontmoette bij de avondmaaltijd of bij een paar biertjes.

    ‘Maar laat ons verdomme nog an toe de documenten veiligstellen voordat jullie alles in de fik steken!’ En zo begonnen de Syrische medewerkers steeds meer documenten in schuilplaatsen op te slaan.

    De documenten het land uit te krijgen – dat is dan de klus die die ‘hogere risicotolerantie’ vergt waar Wiley het over had. Voordat koeriers de landsgrens bereiken moeten ze door ontelbare checkpoints heen die deels door rebellen, deels door het regime, en tijdelijk ook door de terreurmilitie IS bemand worden. En hoewel koeriers de routes tientallen keren aflegden in testritten, zonder de onopvallende koffers en reistassen waarin ze de papieren vervoeren, werden er toch een paar gearresteerd. Als ze weer vrijkwamen waren ‘sommigen in een betere conditie, anderen in een slechtere’, vertelt Wiley. Maar sommigen verdwenen voorgoed. Een medewerker stierf als gevangene van IS, een ander in gevangenschap onder het regime.

    Beelden van het proces in Koblenz.

    De papieren die Wiley bereikt hebben, belasten niet alleen de handlangers van het regime in de provincie, maar ook de leiding in Damascus, inclusief Baschar al-Assad, wiens handtekening staat op meerdere akten in Wiley’s archief. Assads crisisteam gaf bijvoorbeeld instructies hoe protestdemonstraties gebroken moesten worden. Medewerkers van politiebureau’s meldden vertwijfeld dat ze niet meer wisten wat ze aan moesten met alle lijken van gefolterden. ‘Dictaturen zijn systemen waarin iedereen erop bedacht is zich te verzekeren van rugdekking,’ zegt Wiley. ‘De ironie is: omdat iedereen alles laat ondertekenen door een hogergeplaatste, produceren ze bergen bewijsstukken.’

    Al ziet de CIJA bewust af van een website, toch raakte het werk van de groep snel bekend in kringen van degenen die zich bezighouden met internationaal recht en de vervolging van oorlogsmisdaden. Leden van mensenrechtenorganisaties winden zich weliswaar soms op over de ‘Rambo-methodes’ als men ze aanspreekt op Wiley’s werkwijze, anderen bekritiseren het feit dat de CIJA in Syrië ook met jihadistische milities heeft samengewerkt. Maar voor de onderzoeksrechters van veel landen zijn de bijdragen van Wiley een geschenk – ook daarom pleitten enkele diplomaten bij hun regeringen voor diens werk. Tegenwoordig dragen bijvoorbeeld de USA, de EU en ook Buitenlandse Zaken bij aan het budget, dat inmiddels enkele miljoenen bedraagt. De CIJA verzamelt inmiddels ook allang bewijzen van misdaden die door andere oorlogspartijen en in andere conflicten werden begaan, bijvoorbeeld in Irak.

    In het geval van Syrië is de kwaliteit van het bewijs ‘zo goed als ze sinds de Neurenbergse processen niet meer geweest is’, aldus Wiley. Nu zijn er alleen nog gerechtshoven nodig die het materiaal accepteren. Een groot internationaal tribunaal is nog niet in zicht, maar soms komen er aanvragen, zoals die uit Duitsland. Of de CIJA iets had over een man met de naam Anwar R., wilde het Bundeskriminalamt weten.

    ‘Grappig dat jullie dat vragen,’ antwoordde Wiley. Hij had een heel dossier: documenten met handtekeningen, verklaringen van insiders en getuigen, en ‘contextual evidence’, dus bewijzen die het systeem van foltergevangenissen beschrijven.

    Wiley haalt een stapel papier uit een lade van zijn bureau. ‘High quality stuff’, zegt hij. 61 bladzijden, waarvan Wiley alleen de laatste bladzijden laat zien: 355 voetnoten die naar bewijsstukken verwijzen. ‘100 % zekere gevallen heb je voor een rechtbank nooit,’ zegt Wiley. ‘Maar wat wij tegen Anwar R. hebben is heel, heel veel.’

    De aanklager

    Koel, beheerst en veeleer gereserveerd zijn de juristen achter de metersdikke betonnen muren van het Openbaar Ministerie in Karlsruhe. Een jachtkoorts, zoals die bij CIJA-chef Wiley in elke tweede zin doorklinkt, staan aanklagers als Christian Ritscher zichzelf niet toe, althans niet openlijk. Vreugde over de domheid van een verdachte zou men hier nauwelijks laten blijken. Hoogstens met een verstolen glimlachje.

    De jurist is een grote man, strak in het pak, 55 jaar oud. Zijn team van acht onderzoekers is de ‘warcrimes unit’, een prestigeproject van het Openbaar Ministerie in Karlsruhe. ‘Oorlogsmisdadigers opsporen die in Duitsland mogelijk een schuilplaats gevonden hebben’, zo beschrijft Ritscher zijn opdracht.

    Een juridisch waterdicht bewijs kunnen leveren van een daad die gepleegd is in een ander land, waarvan de autoriteiten geen ambtelijke bijstand kunnen of willen verlenen, dat is meestal een pijnlijk trage puzzelarbeid. Maar dat ze Anwar R. in hun netten hebben gevangen is tot dusver hun grootste vangst – dat komt doordat de vermoedelijke martelmeester hun het genoegen gedaan heeft een Berlijnse politiepost binnen te wandelen en zijn verhaal te vertellen. Waarom? Omdat Anwar R. aannam dat de Duitse politie hem met veel collegiale sympathie aan zou horen. ‘Hij dacht misschien dat er niets verkeerds in stak,’ zegt Ritscher. Om zijn lippen tekent zich nu die glimlach af.

    Wat een bizarre scène: het is februari 2015, Anwar R. wil de Duitse politie om bescherming vragen. Hij voelt zich achtervolgd, in de gaten gehouden door Russische en Syrische geheime diensten: bij doktersbezoeken in Berlijn zijn hem twee keer verdachte mannen opgevallen. Ter verklaring deelt hij vrijmoedig mee dat hij een belangrijk man is geweest in Syrië’s foltermachinerie. Interessant, zeggen de rechercheurs. Vertelt u maar.
    De werelden die hier op elkaar botsen…

    ‘Uiteenlopende voorstellingen van recht en onrecht,’ zo beschrijft Ritscher het nu. Aan de ene kant de Syriër, die meent dat foltering gewoon een onderdeel van zijn werk is. Dat bevel bevel is. Hij maakt er geen geheim van dat hij er graag mee doorgegaan was. Alleen uit angst voor vergeldingsmaatregelen tegen familieleden die in een door de oppositie beheerst gebied woonden, was hij in ballingschap gegaan.

    Ritscher is de man die de vermoedelijke oorlogsmisdadiger nu moet confronteren met de principes van het internationale recht. Dat wil zeggen: er zijn misdaden die een zo duidelijk geval van onrecht zijn dat geen geblaf van een bevelhebber ze ooit legaal kan maken. Ook niet in een oorlog.

    Deze gedachte, geïntroduceerd door de geallieerden bij de Neurenbergse processen tegen de belangrijkste Duitse oorlogsmisdadigers, gaat op voor misdaden tegen de menselijkheid. Daartegen kunnen Duitse onderzoeksrechters op basis van het zogeheten beginsel van ‘universele jurisdictie’ ook in actie komen wanneer die daden in het buitenland gepleegd werden en slachtoffers noch daders Duits zijn. Op die manier zijn er in de Bondsrepubliek al eerder processen gevoerd tegen mannen die in Rwanda bevel gegeven hadden tot massamoorden, en tegen IS-aanhangers.

    Syrische oorlogsmisdaden bleven tot dusver ongestraft. Voor een strafvervolging door het Internationale Gerechtshof hoeven Assad en zijn folteraars niet bang te zijn: het land heeft de autoriteit van het Hof in Den Haag niet erkend. Volgens zijn statuten kan het Gerechtshof alleen optreden tegen burgers van landen die erbij aangesloten zijn of wanneer de Veiligheidsraad van de VN het daartoe oproept. In die raad beschermt Rusland zijn bondgenoot Syrië met zijn veto – reden waarom ook Carla Del Ponte, de legendarische voormalige hoofdaanklager in Den Haag, haar onderzoeksmandaat in een bijzondere VN-commissie voor Syrië twee jaar geleden teruggaf.

    gettyimages 1210875013 1
    Hogere Regionale Hof van Koblenz, waar het tweede proces tegen twee voormalige inlichtingenofficieren van het Syrische regime wordt gehouden. – © Mesut Zeyrek / Anadolu Agency via Getty

    Nu wordt eindelijk een klein deel van de daden behandeld, decentraal in verschillende landen. In Frankrijk bijvoorbeeld onderzoeken aanklagers ook beulsknechten van het Assad-regime. Maar de Duitse aanklacht is de eerste ter wereld die voor de rechter komt. Ritscher en zijn collega’s beschuldigen Anwar R. ervan verantwoordelijk te zijn voor minstens 4000 folteringen en 58 gevallen van doodslag – in de slechts anderhalf jaar tussen het begin van de Syrische burgeroorlog in het voorjaar van 2011 tot het eind van zijn dienstverband in Afdeling 251 op 7 september 2012.

    Hem hangt een levenslange gevangenisstraf boven het hoofd.

    En ook al wordt Anwar R. intussen juridisch bijgestaan en zwijgt hij als het graf: wat hij op de Berlijnse politiepost officieel heeft verklaard zal voor Ritschers mensen in Koblenz een waardevol bewijsmiddel zijn. Daarbij komt nog het dossier dat Bill Wiley stuurde; bovendien hebben de Duitse onderzoekers de zogeheten Caesar-foto’s forensisch geanalyseerd: toen een militaire fotograaf van het Syrische leger met dit pseudoniem deserteerde nam hij meer dan 53.000 foto’s mee. Ze tonen de lichamen van minstens 6786 doden die door de geheime diensten in Damascus naar ziekenhuizen gebracht werden; de instantie waar ze vandaan kwamen is meestal met viltstift aangegeven op het voorhoofd, een arm of de borst. En dan zijn er nog de verklaringen van talrijke overlevenden: Ritschers team sprak met in totaal 52 getuigen, van wie er 40 zelf slachtoffer van marteling waren in Afdeling 251.

    Velen hebben zich vrijwillig gemeld bij het Openbaar Ministerie. Dat Anwar R. in februari 2019 werd gearresteerd raakte snel bekend in de Syrische gemeenschap in Duitsland, daar zorgde Anwar al-Bunni wel voor. Getuigen uit heel Europa meldden zich bij Ritschers team; al-Bunni en het ECCHR onderzochten er nog meer. Soms, vertelt Ritscher, wilden de Syriërs niet geloven dat de onderzoekers uit Karlsruhe echte ambtenaren waren. Vertegenwoordigers van een staatsmacht die niet schreeuwen en dreigen, maar luisteren en koffie schenken – zoiets kenden ze niet.

    Ook Syriërs die nu in Zwitserland leven, of in Frankrijk of Zweden, willen in Koblenz getuigen tegen Anwar R. en de eveneens aangeklaagde Eyad A. Dat betekende – al voor de Coronacrisis – dat het proces geen snel verloop zal hebben, maar gepaard zal gaan met aanzienlijke logistieke onkosten. Om de getuigen te beschermen, krijgen ze bijna allemaal een pseudoniem. Hun ware namen staan in geen enkele akte, ook de rechters zullen die niet horen – ze staan alleen genoteerd in papieren die liggen in Ritschers gepantserde kluis.

    De meeloper

    Toen Eyad A. werd opgeroepen om op de ochtend van de 16 augustus 2018 naar het stadhuis van Zweibrücken te komen, hoopte hij dat hij daar zijn officiële status als asielzoeker overhandigd zou krijgen. Vier maanden eerder waren hij, zijn vrouw en zijn kinderen in Duitsland aangekomen, na jaren in vluchtelingenkampen in Turkije en Griekenland te hebben gezeten. Maar de ambtenaren die hem opwachten, zijn niet geïnteresseerd in zijn verblijfsstatus. Ze zijn van de Federale Recherche en stellen vragen over Afdeling 251. Als je Anwar R. zou betitelen als de hoofdinquisiteur van die afdeling, dan was Eyad A. een van haar mensenjagers.

    Het ministerie van Migratie had een afschrift van de hoorzitting van Eyad A. doorgestuurd naar Justitie. Daarin had hij verklaard sinds 1996 gewerkt te hebben bij ‘het directoraat van de Algemene informatiedienst’. Laatstelijk als opperwachtmeester van de onderafdeling 40, die haar slachtoffers afleverde aan de beruchte Al-Khatibafdeling. Eyad A. en zijn collega’s arresteerden tegenstanders van het regime en maakten een eind aan protesten, met knuppels eerder dan met megafoons. Soms werd er ook geschoten.

    Wat de nu 42-jarige Eyad bij de ondervraging in het stadhuis van Zweibrücken vertelt, klinkt eenduidig. Voor de ‘onlusten’, zoals hij de protesten van 2011 noemt, was het gebruikelijk om gevangenen in Afdeling 251 de rug te verbranden met kokend water; ‘Elektrische schokken waren er altijd al.’ Vanaf het voorjaar van 2011 werd het nog erger: de bewakers konden doen ‘wat ze wilden’. Dat er lijken afgevoerd werden, zou ‘niets bijzonders’ geweest zijn.

    Als Eyad A. op 19 februari 2019 wordt gearresteerd, wordt hij aangeklaagd wegens medeplichtigheid aan marteling in minstens 2000 gevallen en tweemaal voor medeplichtigheid aan moord.

    Minder eenduidig is het verhaal dat Ziad al-Hoessein en Akram al-Assaf vertellen. Dat laat zich niet vatten in strafbare feiten en wetsartikelen; zwart en wit lopen door elkaar in hun versies. Beide verwanten van Eyad A. vertellen over de ambivalenties en tegenstrijdigheden die een dictatuur van haar onderdanen vergt. Over de moeilijke beslissingen waartoe ze mensen dwingt die zich niet schuldig willen maken, maar die wel willen overleven.

    Al-Assaf en al-Hoessein zijn neven van Eyad A. Grote delen van de familie hebben zich gevestigd in Rheinland-Pfalz. Dat beiden nu voor de aangeklaagde spreken ligt aan de goede kennis van het Duits van al-Hoessein. Die kwam twintig jaar geleden naar Duitsland en helpt zijn verwant. Hij was bijvoorbeeld samen met Eyad bij de ondervraging in het stadhuis. Al-Assaf daarentegen is wat ze in de rechtbank een getuige à décharge zouden noemen: hij was een aanvoerder van de eerste demonstraties in de Oost-Syrische stad Deir Ezzor, in de streek waaruit de clan afkomstig is. Dat kan hij bewijzen met video’s. Ook was hij lid van de delegatie van de Syrische oppositie die in de Bondsdag sprak, en bij de VN in Genève.

    Ze herinneren zich de geschiedenis op hun manier. Eyad was een goede man, zegt al-Assaf in zijn woning in een uitgewoond huurhuis aan de rand van de binnenstad van Zweibrücken. Jarenlang zou hij niet op medeburgers gejaagd hebben, maar op aankomende leden van de Staatsveiligheidsdienst, op atletiekbanen en voetbalvelden. Sportleraar voor rekruten, dat was een goede baan voor iemand die op school niet bijzonder goed was geweest. Pas later werd Eyad overgeplaatst naar de positie die nu de Duitse justitie interesseert.

    ‘Hoe Assad de oorlog in Syrië won’, een mini-documentaire van Vice.

    In het veilige Duitsland kun je goed en kwaad meestal glashelder onderscheiden, zegt al-Assaf. In een land als Syrië is het leven gecompliceerder. In vredestijd al, en in de oorlog helemaal.

    Elke Syriër begrijpt meteen wat de rechercheurs in Karlsruhe in de ogen van al-Assaf en al-Hoessein niet wilden begrijpen. Zo zou meer dan eens aan Eyad gevraagd zijn waarom hij niets gedaan had toen zijn meerdere eens bij een demonstratie op de menigte schoot en vijf mensen doodde. Nou, die man heette Hafis Makhlouf – een neef van Baschar al-Assad die in de hoogste kringen van de macht verkeerde. ‘Eyads leven zou niet meer waard geweest zijn dan een patroonhuls als hij ook maar één kik gegeven had,’ zegt al-Hoessein.

    Begin 2012 deed Eyad A. het voorkomen alsof hij met zijn gezin naar een begrafenis in zijn geboortestad Deir Ezzor moest. Van daar vluchtten ze en wisten ze ten slotte Zweibrücken te bereiken. Daar bleef Eyad A. – zelfs toen hij na de arrestatie voorlopig vrijgelaten moest worden wegens een vormfout: bij het verhoor had men hem niet afdoende duidelijk gemaakt dat hij niet meer alleen als getuige gold. Om dezelfde reden moesten de aanklagers hun aanklachten reduceren; nu leggen ze Eyad medeplichtigheid aan marteling in 30 in plaats van 2000 gevallen ten laste. Zelfs dat zou voldoende zijn voor vijf tot vijftien jaar gevangenis. Dat hij na de vrijlating niet vluchtte, is volgens de neven omdat Eyad A. een zuiver geweten heeft. Uit kringen van rechercheurs, en ook van Anwar al-Bunni is te horen dat Eyad zijn gevangenschap wil uitzitten omdat zijn moeilijk lopende dochter in Duitsland voor het eerst de noodzakelijke behandeling krijgt.

    Vermoedelijk was vooral de timing van Eyad A. slecht gekozen. Hij reisde naar Duitsland precies op het moment waarop Afdeling 251 vanwege Anwar R. de interesse van het Duitse Openbaar Ministerie had gewekt. Op elk ander tijdstip zou het dossier van de man die zelfs de onderzoekers in Karlsruhe als een ‘kleine vis’ betitelen in een of andere dossierkast onder het stof geraakt zijn. Eyad A.’s neven hebben daarom hun twijfels over het beginsel van ‘universele jurisdictie’. ‘Jullie bestraffen degenen die de moed hadden zich los te maken van Assad,’ zeggen Akram al-Assaf en Ziad al-Hoessein. ‘Zo helpen jullie het regime!’

    Het regime

    Het zijn er nog maar enkelen die dankzij het beginsel van ‘universele jurisdictie’ voor de rechter komen. Maar de documentensmokkelaar Bill Wiley is optimistisch: ooit zullen de kopstukken zich moeten verantwoorden. Op enig moment zal een van de bevelhebbers onvoorzichtig worden, en bijvoorbeeld met een vals paspoort naar Europa reizen voor medische zorg. De chef van de geheime dienst van de luchtmacht bijvoorbeeld, een als bijzonder wreed bekend staande organisatie, wordt door het team van Christian Ritscher al gezocht middels een internationaal arrestatiebevel. En nog hoger? ‘Ik zou mijn huis er niet om durven verwedden,’ zegt Bill Wiley, ‘maar ik kan me voorstellen dat over een paar jaar zelfs Assad zelf voor de rechter staat. Geduld!’

  • Auckland op slot vanwege 2 coronagevallen | Clubhouse in China geblokkeerd

    Auckland op slot vanwege 2 coronagevallen | Clubhouse in China geblokkeerd

    Dodelijk aanval in Irak op het Amerikaanse leger

    Een raketvuur trof gisteren (15 februari) een luchtmachtbasis in Erbil in Iraaks Koerdistan, waar Amerikaanse troepen zijn gestationeerd. Een burgermedewerker kwam om het leven en zes mensen raakten gewond, waaronder een Amerikaanse soldaat. Amerikaanse kranten noemen het een eerste test voor nieuwe opperbevelhebber van het leger Joe Biden. De aanval werd online opgeëist door een weinig bekende groep die zichzelf Awliyaa Al-Dam (‘Wakers van het bloed’) noemt, schrijft Jerusalem Post.

    ‘Soortgelijke aanvallen in 2019 en 2020 zetten president Trump aan tot luchtaanvallen tegen een door Iran gesteunde militie die hij verantwoordelijk achtte’, schrijft The Wall Street Journal. Volgens The New York Times wilden de aanvallers ‘uitzoeken hoever ze kunnen gaan’ met de nieuwe regering. ‘De raketaanval op Erbil was ongewoon groot. Deze was hoogstwaarschijnlijk bedoeld om Amerikaanse soldaten of hun Koerdische bondgenoten te verminken of te doden’, aldus het dagblad.

    ‘Zeker, niet alle crises zijn een test voor de nieuwe regering-Biden, maar in dit specifieke geval is het duidelijk’

    ‘De Verenigde Staten zullen moeten beslissen of ze reageren of zwijgen. ​Zeker, niet alle crises zijn een test voor de nieuwe regering-Biden, maar in dit specifieke geval is het duidelijk dat Iran de Amerikaanse reactie zorgvuldig zal overwegen’, meent ook Jerusalem Post.

    Maandagavond zei de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Antony Blinken, ‘verontwaardigd [te zijn] over de aanval’ en riep hij op tot een onderzoek, met de belofte dat Washington ‘de daders ter verantwoording zal roepen’, meldt Al Jazeera. De Iraakse president Barham Salih reageerde ’s avonds op Twitter door te waarschuwen voor een risico op ‘gevaarlijke escalatie’ in de regio.


    Auckland op slot vanwege twee coronagevallen

    De Nieuw-Zeelandse premier Jacinda Ardern gaf na de ontdekking van twee gevallen van de Britse covid-19-variant in één familie in Auckland, de grootste stad op het Noordereiland met een bevolking van ongeveer 2 miljoen, opdracht tot de drastische maatregel de stad te sluiten. Vanaf maandag zijn scholen en niet-essentiële bedrijven minimaal drie dagen gesloten. ‘In laboratoria (…) in het hele land zijn nu professionals aan het werk om te bepalen of Nieuw-Zeeland de beperkingen tegen woensdag kan beëindigen’, schrijft het Nieuw-Zeelaandse nieuwsportaal Stuff.

    De prestaties van Nieuw-Zeeland in de strijd tegen covid-19 worden in het buitenland geprezen; het land telde minder dan tweeduizend gevallen sinds het begin van de pandemie.


    Jaguar vanaf 2025 100 procent elektrisch 

    De Britse fabrikant van de Jaguar heeft maandag zijn nieuwe ‘groene’ strategie onthuld om tegen 2039 klimaatneutraal te zijn. De groep, die tot het Indiase Tata Motors behoort, zei in een verklaring zichzelf opnieuw te willen uitvinden onder leiding van een nieuwe algemeen directeur, voormalig Renault-CEO Thierry Bolloré. 

    ‘Deze radicale strategiewijziging toont aan hoeveel autofabrikanten nu proberen hun activiteiten aan te passen aan de emissienormen die wereldwijd voortdurend worden aangescherpt’, merkt The Hindustan Times op.


    Frankrijk afwezig bij G5 Sahel

    De Franse president Emmanuel Macron heeft besloten de reis naar de hoofdstad van Tsjaad, waar een cruciale G5 Sahel-top wordt gehouden over terrorisme in het gebied, niet te maken. Het Élysée voert als reden de gezondheidscrisis op, maar volgens de Afrikaanse pers speelt er iets anders.

    De andere leiders van G5 Sahel (Mali, Burkina Faso, Tsjaad, Mauritanië en Nigeria) zijn allemaal ingegaan op de uitnodiging om de toekomst van de strijd tegen het terrorisme te bespreken.

    De Afrikaanse pers is niet overtuigd van het officiële excuus: de sluiting van de Franse grenzen. Volgens Wakat Séra, een nieuwssite uit Burkina Faso, moet tussen de regels door worden gelezen. Verhelderend zouden vooral de plaats en context van de bijeenkomst zijn, zoals Le Pays die beschrijft‘[Een] top van de G5 Sahel tegen de achtergrond van Deby’s zesde termijn, zodat het ene kwaad het andere verbergt’.

    Gênant

    Gastland van de top van dit jaar is Tsjaad, waar president Idriss Deby, eenendertig jaar na zijn aantreden, is aangekondigd als kandidaat voor een zesde termijn voor de presidentsverkiezingen van april aanstaande. Demonstranten gingen op 13 februari, twee dagen voor de top, de straat op met leuzen als ‘Stop de dictatuur’, en werden onder andere besproeid met traangas, aldus Wakat Séra. De aanwezigheid op Tsjaadse bodem van de hoogste ambtenaar van een van de grootste democratieën ter wereld, zou gênant zijn geweest voor de Franse bondgenoot. Maar Macrons afwezigheid is volgens de site een vorm van minachting.


    Chinezen krijgen voorproefje van gratis sociaal netwerk

    Enkele dagen lang spraken duizenden Chineessprekenden uit China, Hongkong, Taiwan en elders live op een forum via de Amerikaanse app Clubhouse. Controversiële onderwerpen werden daarbij niet vermeden, schrijft The New York Times.

    Maar op de avond van 8 februari gebeurde het onvermijdelijke: de Chinese censuur kwam tussenbeide. Veel gebruikers op het vasteland meldden een foutmelding te hebben ontvangen toen ze probeerden naar het platform te gaan. Anderen konden alleen toegang krijgen door gebruik van een VPN (virtual private network) om digitale grenzen te omzeilen. Zoekopdrachten naar Clubhouse op het Chinese sociale netwerk Weibo zijn geblokkeerd.

    Voor veel Chinese gebruikers was dit een voorproefje van een gratis sociaal netwerk

    Voor veel Chinese gebruikers was dit een voorproefje van wat een gratis sociaal netwerk is. Onder leiding van Xi Jinping streven de autoriteiten ernaar om bijna volledige controle te krijgen over wat burgers online lezen en zeggen. Door de staat gesteunde commentatoren en nationalistische trollen overspoelen Chinese sociale netwerken regelmatig met propaganda en venijnige berichten die een open debat verhinderen over onderwerpen die door de autoriteiten als gevoelig worden beschouwd.

    De meeste westerse nieuwssites en sociale netwerken, zoals Twitter, Facebook en Instagram, worden volledig geblokkeerd en VPN’s zijn steeds moeilijker toegankelijk. Sociale netwerken die in China zijn ontwikkeld en geautoriseerd, bijvoorbeeld WeChat (Weixin, in het Chinees) en Weibo, zijn strikt gereguleerd en worden op de voet gevolgd door de autoriteiten.

    Zwarte markt

    Het aantal mensen in China dat bij Clubhouse is geregistreerd, is onbekend. Voordat de app werd geblokkeerd, was deze alleen toegankelijk via het besturingssysteem van Apple en dus buiten het bereik van de overgrote meerderheid van de Chinezen die Android gebruikt. Bovendien is Clubhouse alleen toegankelijk op uitnodiging. De afgelopen dagen was er een kleine zwarte markt voor uitnodigingscodes ontstaan. Vóór de blokkering kon de prijs van een code oplopen tot 300 yuan (€ 38 euro).

    Clubhouse werd vorig jaar opgericht door investeerders in Silicon Valley en had in december 600.000 al abonnees. Het platform was bedoeld als een exclusieve virtuele ruimte voor mensen om te socializen. Vooral toen Elon Musk zich vorige maand aanmeldde, begon de interesse in China te groeien. In Chinese digitale kringen wordt nu gepleit voor de lancering van soortgelijke forums.

  • Deze journalisten zitten vast omdat ze de moord op Rohingya’s onderzochten

    Deze journalisten zitten vast omdat ze de moord op Rohingya’s onderzochten

    Twee Reuters-journalisten uit Myanmar onderzoeken een geheime tip over een tienvoudige moord op Rohingya’s. Het resultaat is baanbrekende onderzoeksjournalistiek, maar door hun eigen volk werden ze als verraders gezien.

    Dit artikel werd geselecteerd voor The Investigative Reporting Award van European Press Prize, en verscheen eerder in onze Reader #18.

    Over de auteurs

    Wa Lone werkt sinds 2016 voor Reuters en schreef een reeks diepgaande verhalen in Myanmar, inclusief landroof door het machtige leger en de moord op de prominente politicus Ko Ni, evenals het blootleggen van bewijs van moordpartijen door soldaten in het noordoosten. Zijn rapportage over de crisis die uitbrak in de noordwestelijke staat Rakhine in oktober 2016, bezorgde hem een ​​gezamenlijke eervolle vermelding van de Society of Publishers in Azië in zijn jaarlijkse prijzen. Eerder werkte hij voor Myanmar Times.

    Kyaw Soe Oo, zelf boeddhistisch en afkomstig uit Rakhine, werkt sinds september 2017 samen met Reuters uit Myanmar. Hij heeft de impact van de aanslagen van 25 augustus op politie- en legerplaatsen in de noordelijke Rakhine besproken en gerapporteerd vanuit het centrale deel van de staat waar lokale boeddhisten segregatie hebben afgedwongen tussen Rohingya en Rakhine gemeenschappen. Hij werkte eerder voor Root Investigation Agency, een lokaal nieuwscentrum gericht op Rakhine-kwesties. Kyaw Soe Oo begon zijn rapporteringscarrière met het online Rakhine Development News.

    Laat in de middag van 12 december 2017 gaat de mobiele telefoon van Wa Lone. Het is een zekere Naing Lin, vicekorporaal bij het 8ste bataljon van de veiligheidspolitie van Myanmar.

    De politieman wil Wa Lone op korte termijn persoonlijk ontmoeten en met hem afspreken bij de bataljonskazerne in een buitenwijk van Yangon. In de voormalige hoofdstad begint de avond al te vallen over de gouden pagodespitsen. ‘Hij zei dat als ik niet meteen kwam,’ zou Wa Lone naderhand vertellen in de rechtszaal, ‘ik hem misschien niet meer zou kunnen spreken omdat hij binnenkort werd overgeplaatst naar een andere regio.’

    Wa Lone – rond gezicht met een grote bril – heeft wekenlang onderzoek gedaan naar het 8ste bataljon. Hij werkt aan een artikel over de moord op tien leden van de islamitische Rohingya-minderheid tijdens een militaire operatie in de westelijke deelstaat Rakhine. Hij heeft de hand weten te leggen op explosief materiaal: foto’s van de tien mannen voordat en nadat ze zijn vermoord.

    Lees ook:

    Op één foto zijn de lijken van de mannen te zien, doodgestoken en doodgeschoten, in een ondiep graf. Op een andere foto, genomen toen ze nog in leven waren, zitten ze op hun knieën. Op de achtergrond veel leden van het 8ste bataljon met automatische geweren.

    Voordat hij naar zijn afspraak met de vicekorporaal gaat, neemt hij contact op met de bureauchef van Reuters, Antoni Slodkowski, die zegt dat hij nog een journalist mee moet nemen. Deze journalist, Kyaw Soe Oo (27), komt uit Rakhine en werkt nog maar kort voor het nieuwsagentschap.

    Onbereikbare wereld

    De twee mannen vertrekken om 18.00 uur in de witte Nissan-SUV van de zaak. Ze rijden over een viaduct vanwaar je uitzicht hebt op het Inyameer, waaromheen de villa’s van de elite van Myanmar liggen, zoals de woning van de feitelijke leider van het land, Nobelprijswinnares Aung San Suu Kyi. Het is een onbereikbare wereld voor Wa Lone, zoon van een rijstboer uit een dorpje van een paar honderd inwoners.

    Halverwege de route naar de kazerne komt de SUV vast te zitten in het verkeer. Wa Lone voelt zich ongemakkelijk: waarom heeft de politieman er zo op aangedrongen dat hij meteen naar hem toe kwam? De journalisten overleggen of ze zullen omkeren, maar ze besluiten door te rijden.

    Om ongeveer 20.00 uur komen ze aan bij de ingang van de kazerne. Nadat ze hebben kennisgemaakt met Naing Lin en nog een politieman, gaan ze met de agenten mee naar een biertuin verderop in de straat. De mannen bestellen bier en viscrackers. Ze spreken over Rakhine, verklaart Naing Lin later voor de rechter. Hij vertelt de journalisten dat op 25 augustus 2017 Rohingya-rebellen een aantal politiebureaus hebben aangevallen.

    Screen Shot 2021 02 05 at 12.39.44 PM 1
    Wa Lone en Kyaw Soe Oo.

    Als het tijd is om te gaan, aldus Wa Lone, geeft Naing Lin hem een exemplaar van de Myanmar Alin, een door de staat gerunde krant, waarin enkele documenten zitten opgerold. Als de journalisten het restaurant verlaten, worden ze omsingeld door mannen in burger. ‘Dat zijn geheime documenten!’ roept een van hen. Wa Lone krijgt handboeien om, net als Kyaw Soe Oo. Ze worden in twee geparkeerde auto’s geduwd.

    Naing Lin herinnert zich die ontmoeting anders. Hij verklaart later voor de rechter dat Wa Lone hem op 12 december heeft opgebeld om een afspraak te maken, en dat hij tijdens zijn ontmoeting alleen met de twee journalisten in de biertuin was. Ook ontkent hij dat hij Wa Lone documenten heeft gegeven.

    Met hun arrestatie kwamen de twee journalisten terecht in het schemergebied tussen militair bestuur en burgerbestuur in dit etnisch verscheurde land met vijftig miljoen inwoners. Voor leiders in westerse hoofdsteden, van paus Franciscus tot de voormalige president van de VS Bill Clinton, zou hun opsluiting een test worden voor de persvrijheid in Myanmar en zou hun procesgang ook laten zien in hoeverre het land al op weg was een opener samenleving te worden. Op 9 juli 2018 bepaalde een rechter dat ze de Wet op de Staatsgeheimen hadden overtreden, en daarop staat een maximumstraf van veertien jaar.

    Hoop op vrijheid

    Rond 2010 gloorde er in Myanmar hoop voor het democratische proces in Zuidoost-Azië, een regio die al lange tijd werd gekenmerkt door regimes van autocratische leiders. In 2010 werd Aung San Suu Kyi vrijgelaten na vijftien jaar huisarrest onder militair bewind. In 2015 won haar partij met grote overmacht de verkiezingen.

    Voor de jongeren van Myanmar, zoals Wa Lone, zorgde die ommekeer na tientallen jaren meedogenloos militair bewind voor een plotselinge en historisch gezien nogal onwaarschijnlijke hoop op vrijheid. Maar het leger heeft de macht nooit helemaal losgelaten: in 2008 werd een grondwet van kracht waarin voor de militairen veel macht en de controle over enkele sleutelministeries was vastgelegd.

    Maar er kwam geen vrede in Myanmar. Dodelijke etnische conflicten, verborgen voor de rest van de wereld, maar zeer wreed aanwezig in het eigen land, woekeren nog altijd voort.

    Velen van de boeddhistische meerderheid minachten de Rohingya, ze zien ze als buitenlandse indringers uit Zuid-Azië

    In 2017 gaf de wijdverbreide haat jegens de bekendste minderheid van het land, de islamitische Rohingya, aanleiding tot een meedogenloze militaire campagne waardoor zo’n zevenhonderdduizend mensen moesten vluchten naar Bangladesh. Nu wordt Myanmar door de VN beschuldigd van veel moordpartijen, verkrachtingen en etnische zuiveringen. Ondanks deze beschuldigingen heeft Suu Kyi geen openlijke kritiek geuit op de militairen.

    Een woordvoerder van Aung San Suu Kyi, Zaw Htay, en een legerwoordvoerder reageerden niet op verzoeken om commentaar op deze reportage. Volgens Zaw Htay zijn de rechters in Myanmar onafhankelijk en krijgen de journalisten een eerlijk proces. De militairen hebben ontkend dat hun troepen in 2017 hebben deelgenomen aan etnische zuiveringen in de deelstaat Rakhine.

    Het verslag van Wa Lone en Kyaw Soe Oo over de moord op tien Rohingya-mannen werd in februari 2018 door Reuters gepubliceerd. Het artikel wekte misnoegen op bij de boeddhistische meerderheid waartoe de journalisten, Aung San Suu Kyi en de hoogste militaire leiders behoren. Velen van die meerderheid minachten de Rohingya, ze zien ze als buitenlandse indringers uit Zuid-Azië.

    Het was baanbrekende onderzoeksjournalistiek in Myanmar. Maar voor hun eigen volk was de zoektocht naar de waarheid van de journalisten een vorm van verraad. De dag na hun arrestatie werd de politie door de toenmalige president opgedragen de twee journalisten in staat van beschuldiging te stellen. Vervolgens verdwenen Wa Lone en Kyaw Soe Oo twee weken compleet van de radar.

    De twee kregen gevangenisstraf en zaten voornamelijk in de Insein-gevangenis in Yangon, een kolossaal, negentiende-eeuws gebouw uit de Engelse koloniale tijd waar duizenden politieke gevangenen opgesloten hebben gezeten, onder wie Aung San Suu Kyi voor een korte periode. Sinds januari 2017 hebben de twee journalisten al meer dan dertig keer voor de rechter moeten verschijnen.

    Het verhaal van de twee mannen en hun rol in het experiment met de persvrijheid in Myanmar is gereconstrueerd uit hun verklaringen en die van de politie in de rechtbank. Het is ook gebaseerd op andere verslagen van Wa Lone en Kyaw Soe Oo en op interviews met collega’s, familieleden en vrienden van de twee.

    Over deze reeks: ‘Myanmar Burning‘

    Deze intro maakt onderdeel uit van de reeks ‘Myanmar Burning’ van Reuters International, over de massamoorden op Rohingya in Myanmar en de gevangenname van de twee journalisten die hierover geschreven. De serie bestaat uit tien verhalen die steeds een ander aspect van deze zaak belichten. Wij publiceren in deze Reader het artikel Hatebook. De andere artikelen leest u hier. (in het Engels).

    Het vervolg op dit introductieverhaal kunt u hier lezen.

    Voor deze reeks won Reuters de Pulitzer Prize, vanwege de ‘scherpe weergave van de militaire eenheden en boeddhistische dorpsbewoners die verantwoordelijk zijn voor de systematische uitwijzing en moorden op Rohingya-moslims, uit Myanmar en de moedige verslaggeving die de verslaggevers in de gevangenis deed belanden’.

  • Nobelprijswinnaar voor de Vrede voert meedogenloze oorlog in Tigray, Ethiopië

    Nobelprijswinnaar voor de Vrede voert meedogenloze oorlog in Tigray, Ethiopië

    Tigray, de noordelijkste regio van Ethiopië, is op alle manieren van de rest van de wereld afgesloten. De tactiek die Ethiopië en Eritrea gebruiken – om het gebied te verarmen en verzwakken – heeft haar wortels in een ver verleden, zegt Gebrekirstos Gebremeskel. Hij waarschuwt voor ‘genocidale onderstromen’.

    Over de auteur

    Gebrekirstos Gebremeskel komt uit de regio Tigray en heeft [half december 2020] al wekenlang niets vernomen van zijn familie.

    Gebremeskel: ‘Tijdens de beruchte, door de regering veroorzaakte hongersnood in Ethiopië van 1984-1985 vluchtte ik als kind met een deel van mijn familie. Na een zware tocht van een maand bereikten we Soedan. Ongeveer een jaar later keerden we terug naar Ethiopië en nog weer later had ik de mogelijkheid naar school te gaan. Dat bracht me op een buitengewoon pad, dat me uiteindelijk helemaal naar Amsterdam leidde, waar ik nu promotieonderzoek doe.

    ‘Drie decennia later zitten de Tigrinya midden in wat lijkt op een herhaling van 1984-1985, zo niet erger. Opnieuw worden ze gebombardeerd, afgeslacht en uitgehongerd, en vluchten ze naar Soedan. In de uitgeputte kinderen op de schouders van hun ouders, en in de geschokte ouders zelf, zie ik mezelf en mijn moeder.

    ‘Ondanks de genocidale motieven en doelstellingen behandelen de media de gebeurtenissen als een normaal conflict tussen een regering en enkele “rebellen”, waarbij ze meegaan in het verhaal van de regering, die een totale communicatieblack-out heeft opgelegd, zodat de Tigrinya onmogelijk hun stem kunnen laten horen. Omdat niemand de oorlog met de nodige ernst behandelt, heb ik deze taak zelf op me genomen.’

    Op 3 november 2020 maakte de Ethiopische premier Abiy Ahmed, die in 2019 de Nobelprijs voor de Vrede ontving, op Facebook bekend dat zijn regering een militaire interventie was begonnen in Tigray, een van de regionale staten van Ethiopië. Inmiddels [eind december 2020] wordt Tigray al twee maanden lang op meerdere fronten aangevallen door troepen uit de naburige Ethiopische regiostaat Amhara, en door het Ethiopische en Eritrese leger. 

    Abiy beweerde dat de oorzaak van de oorlog de aanval van Tigray op militaire bases in de regio was. Maar uit zijn recente ‘overwinningstoespraak’ voor het voormalige parlement bleek dat gedetailleerde voorbereidingen voor een oorlog al ruim twee jaar geleden waren begonnen.

    In antwoord op zijn eigen vraag – ‘Sommige mensen vragen: waarom zijn de [militaire] maatregelen niet eerder genomen, waarom zo laat?’ – zei hij: ‘Iemand die de capaciteit van de vijand en van deze regionale krachtenbundeling doorziet, stelt die vraag niet.’ Met andere woorden: de overheid was niet eerder in staat om te handelen.

    Fikre Tolossa, een vertrouweling van de premier, bevestigt in een bericht van 7 november dat Abiy al lang van plan was Tigray aan te vallen. Fikre vertelt dat hij Abiy een jaar geleden ontmoette en hem vroeg waarom hij geen maatregelen nam tegen het TPLF, de regerende partij van Tigray, die weigerde op te gaan in de partij van Abiy. Abiys reactie was dat Ethiopië op dat moment niet over dezelfde militaire capaciteit beschikte. Aan het parlement onthulde Abiy dat het federale leger onlangs heimelijk werd versterkt, onder andere met drones, op zo’n wijze dat het buiten het zicht van de leiders van Tigray bleef.

    Sinds het begin van de oorlog gaan de steden van Tigray gebukt onder zware bombardementen en beschietingen. De regio wordt op verschillende fronten tegelijk aangevallen door de Ethiopische Nationale Defensiemacht, het Eritrese leger, de Amhara-veiligheidstroepen en milities en speciale troepen uit Afar en andere regio’s. Er worden massaal levens verwoest en eigendommen vernietigd. Eritrese en Amhara-militairen maken zich schuldig aan wijdverbreide plunderingen, waaronder, volgens verschillende rapporten, die van gewaardeerde culturele en religieuze artefacten

    Vlak voor de oorlog werden de internet-, telefoon- en elektriciteitsleidingen naar Tigray door de overheid afgesloten. Alle wegen, en ook het luchtruim, zijn geblokkeerd. De banken zijn gesloten. Tigrinya die buiten Tigray werken, worden ontslagen.

    GettyImages 1229985349 1 1
    Tigrinya in een VN-vluchtelingenkamp in Zuid-Soedan. – © Byron Smith / Getty

    Tigrinya mogen zelf ook niet vliegen. Dat geldt zelfs voor mensen die voor internationale organisaties werken. Tigrese vredeshandhavers in Somalië en Zuid-Soedan werden hierdoor geraakt, en ook Tedros Adhanom Ghebreyesus, directeur-generaal van de WHO, lag onder vuur.

    Journalisten mogen geen verslag uitbrengen vanuit Tigray. Er is enkel toestemming voor hulporganisaties om steun te bieden in gebieden die onder controle van de overheid vallen. Vóór de aanvallen waren ongeveer een miljoen Tigrinya afhankelijk van hulp. Uit rapporten blijkt dat sinds de oorlog nog eens een miljoen mensen ontheemd zijn geraakt. 

    Meer dan vijftigduizend Tigrinya zijn naar Soedan gevlucht, nadat de Amhara-facties westelijk Tigray hadden bezet. Als de vluchtelingen niet zouden worden tegengehouden door binnenvallende troepen, zouden dat er veel meer zijn. Ooggetuigen en de regering van Tigray hebben melding gemaakt van moordpartijen en uitzettingen van Tigrinya, waarschijnlijk op veel grotere schaal dan de bekende slachtpartijen die plaatsvonden in Mai Kadra.

    Het westen van Tigray is bezet door Amhara-leiders. Enorme reclameborden in de steden maken dit duidelijk. Hetzelfde gebeurt in het zuiden van Tigray. Het Eritrese leger heeft tot diep in Tigray de Eritrese vlag gehesen. In een verklaring van 4 december noemde de regering van Tigray de oorlog een poging om het Tigrinya-volk uit te roeien. En voor wie de Ethiopische geschiedenis kent, is dat niet verrassend.

    Concurrerende nationale identiteiten 

    Tigray is de oorsprong van bijna alles wat Ethiopië heeft verworven: al drieduizend jaar een ononderbroken staat, de Aksumitische en pre-Aksumitische beschavingen, het Ethiopische (Ge’ez-)schrift, het toegangspunt voor zowel het christendom als de islam, de religieuze muziek van St.-Yared uit de zesde eeuw, het land van de eerste hidjra [de eerste volgelingen van de profeet Mohammed vluchtten in 613 of 615 naar het koninkrijk Aksum], de vele archeologische vindplaatsen en kloosters, de uitgebreide Ge’ez-literatuur en de Slag bij Adwa, om maar een paar voorbeelden te noemen. Maar juist deze geschiedenis vormt een bron van chronische politieke problemen, zowel in Ethiopië als in Eritrea. 

    Voorafgaand aan het kolonialisme was Tigray een as van politiek en macht in Ethiopië en Eritrea, waarvan de hoofdstad Mekelle het belangrijkste politieke centrum vormde. In die tijd stonden de landen samen bekend als Abessinië. Zoals historicus Richard Reid zegt: ‘Tigray/Abessinië (…) is het schimmige imperium waarvan de aanwezigheid constant is, zij het meer in het hoofd van de mensen dan in werkelijkheid.’

    Eind negentiende eeuw werd dit politieke centrum door de koloniale machthebber Italië en een Ethiopische interne machtsstrijd in tweeën gesplitst: het huidige Ethiopische Tigray enerzijds en het Tigrinya-sprekende deel van Eritrea anderzijds. 

    Koning Menelik II van Shewa [de regio van hoofdstad Addis Abeba, ten zuiden van Tigray] moedigde de Italianen, die voet aan de grond wilden, aan om Tigray te verdelen en ontzegde het gebied de toegang tot wapens. Tigray werd, net als nu, aangevallen door het aan Italië gelieerde Eritrea en Meneliks Amhara-strijders [de bevolkingsgroep waartoe de koning behoorde] in Ethiopië. Zo ontstonden er twee machtscentra: Asmara in Italiaans-Eritrea, en het Addis Abeba van koning Menelik II van Shewa. 

    Asmara wilde een nieuwe nationale identiteit creëren die volledig gescheiden was van Tigray/Aksum. Addis Abeba wilde zich de Tigrinya/Aksum-geschiedenis toe-eigenen en het Tigrinya-volk assimileren of elimineren. Het had een Centraal-Ethiopië voor ogen met de Amhara als legitieme heersers, waar alle andere volken onder zouden moeten vallen. 

    Om hun doel na te streven en te voorkomen dat Tigray in opstand zou komen, gebruikten zowel het Italiaanse Eritrea als het nieuwe Amhara-Ethiopië tactieken om de regio te verzwakken en te verarmen. De Tigrese elite werd geëlimineerd door middel van arrestaties en onderlinge strijd. Tigray werd onderworpen, verarmd, buitengesloten en uiteindelijk verwaarloosd. 

    Door de opzettelijke verarming en verwaarlozing en de daaropvolgende emigratie werden Tigrinya steeds meer als arme mensen beschouwd. In Eritrea werd Agame, de naam van het oostelijke Tigray-gebied, veranderd in een denigrerende term waarmee naar alle Tigrinya werd verwezen. In Amhara-Ethiopië werden Tigrinya aangeduid met termen als sprinkhanen, luizen, bedelaars, banda [verraders] et cetera, en deze zijn nog altijd gangbaar.

    Onderdrukking, opstanden en straffen

    Aan het eind van de negentiende eeuw, in het Ethiopië van Menelik, die zich inmiddels tot keizer had gekroond, werd Tigray onderdrukt en vernietigd. De hedendaagse historicus Fisseha Abiye Ezgi schreef dat ‘elke man die ze konden vinden, werd afgeslacht of zijn geslachtsdelen werden afgesneden’.

    Tigrinya werden in alle richtingen verjaagd. Gebrehiwet Baykedagne, een politiek econoom uit die tijd en zelf Tigrinya, beschreef de omstandigheden als volgt: ‘Er zijn nauwelijks Tigrese jongeren meer in hun geboorteplaats. Als een zwerm bijen zonder hun koningin zijn ze doelloos verspreid over de vier uithoeken van de aarde.’

    Veel Tigrinya vluchtten naar Italiaans-Eritrea, waar ze als minderwaardig werden behandeld door de Italianen, om een ​​gevoel van ‘privilege’ te creëren onder de Tigrinya die uit het Italiaanse-Eritrea zelf afkomstig waren. In Amhara-Ethiopië werden de Tigrinya nog slechter behandeld. Zo schreef kroniekschrijver Afework Gebreyesus, om maar een voorbeeld te noemen: ‘[wanneer Tigrinya spreken] in hun taal, ondergaan zwangere vrouwen een miskraam en drogen de borsten van vrouwen die net zijn bevallen uit.’ 

    In 1943 kwamen de Tigrinya in opstand tegen keizer Haile Selassie, de uiteindelijke opvolger van Menelik. De belangrijkste reden was het intrekken van de autonome status van Tigray en het opleggen van directe heerschappij van Shewa. De Tigrinya eisten een einde van de onderdrukking en herstel van het zelfbestuur. 

    Haile Selassie bombardeerde Tigray met de hulp van de Britse Royal Airforce en dwong het tot onderwerping. Als straf werd het Ethiopische leger losgelaten op de mensen, wat resulteerde in wraakzuchtige massamoorden, rooftochten en plunderingen. 

    Infrastructuur die door Italianen was achtergelaten werd ontmanteld en naar Shewa gebracht – net zoals de storm troopers van Isaias Afewerki [de president van Eritrea] nu geroofde goederen uit Tigray naar Eritrea brengen. In de jaren veertig werden bijvoorbeeld stroomgeneratoren die elektriciteit leverden aan Adwa, Selekleka en Adigrat ontmanteld en naar Addis Abeba gebracht. De steden moesten tientallen jaren wachten voordat ze toegang konden krijgen tot elektriciteit. Bijna alle scholen in Tigray werden gesloten. Tigrinya spreken was verboden, zelfs tussen twee Tigrinya die zakendeden. 

    De onderdrukking en de grieven leidden uiteindelijk in 1975 tot de tweede opstand, een langdurige strijd onder leiding van het Tigray People’s Liberation Front (TPLF).  Dat vormde een tactische alliantie met het toenmalige Eritrese People’s Liberation Front (EPLF) en voerde een guerrillaoorlog tegen de communistische junta van Mengistu Hailemariam, de opvolger van keizer Haile Selassie. Het EPLF vocht voor onafhankelijkheid van Ethiopië. Het TPLF vormde uiteindelijk een strategische alliantie met andere politieke groeperingen en richtte in 1988 het Ethiopian People’s Revolutionary Democratic Front (EPRDF) op.

    Hongersnoodkans

    Tijdens de beruchte hongersnood van 1984-1985 vormde Tigray het centrum van de crisis. De communistische junta zag hierin een kans om de Tigrinya voor eens en voor altijd uit te roeien. De partij lanceerde een moorddadige campagne met als motto: ‘om alle vissen te doden, moest de hele zee leeglopen’ – de zee waren de Tigrinya, de vissen de TPLF-strijders. 

    Tigrinya werden uit hun dorpen verdreven, bijeengedreven op markten en in humanitaire hulpcentra, en ‘hervestigd’ in gebieden verspreid in het zuiden. De rest werd afgeslacht en dorpen en steden werden gebombardeerd. Tigrinya probeerden te ontsnappen door naar Soedan te vluchten, waar ze hulp konden krijgen. De communistische junta bombardeerde de vluchtende massa’s zodra ze die in haar vizier kreeg. 

    Nu blokkeren federale soldaten en Amhara-milities opnieuw de weg naar Soedan, waarover wanhopige Tigrinya proberen te vluchten.

    Na zeventien jaar van bittere, gewapende strijd werd de communistische junta omvergeworpen. In 1991 werd Eritrea de facto onafhankelijk. Het EPRDF nam de macht over in Addis Abeba en regeerde over Ethiopië van 1991 tot 2019, toen Abiy de organisatie ontbond om de Welvaartspartij te vormen die nu regeert zonder te zijn verkozen.

    De komst van Abiy Ahmed 

    Het is belangrijk op te merken dat Abiy Ahmed niet werd gekozen door het Ethiopische volk, maar door het EPRDF, de coalitiepartij waarin hij, voordat hij het premierschap op zich nam, als minister diende en die hij, nadat hij het premierschap had aangenomen, beschuldigde van het plegen van terrorisme tegen het Ethiopische volk. 

    Toen Abiy aan de macht kwam, gaf hij geen blijk van de wens het EPRDF-hervormingsprogramma uit te voeren, noch om een ​​andere routekaart op dit gebied te volgen. Hij had zijn eigen plan: consolidatie van de macht om de ‘zevende koning’ van Ethiopië te worden, in zijn eigen woorden. Volgens hem was dit wat zijn moeder voor ogen had gehad en aan hem had doorgegeven toen hij zeven jaar oud was. 

    Op een golf van populistisch anti-Tigray-sentiment zag hij daarom de ervaren TPLF-leiders als een bedreiging voor zijn macht. Hij begon onmiddellijk de erfenis van het EPRDF aan te tasten, die in de ogen van veel Ethiopiërs synoniem was met de erfenis van het TPLF. Hij nodigde iedereen uit van wie hij dacht dat het de vijand van zijn vijand was: Eritrea, Ginbot 7 en andere oppositiegroepen uit de diaspora. Hij werkte ook hard om buitenlandse steun te winnen door acties te ondernemen die een internationaal publiek aanspraken; zo liet hij zijn kabinet voor de helft uit vrouwen bestaan.

    Ondertussen bleef Abiy de Tigrinya afschilderen als corrupt en slecht, hun heerschappij als ‘27 jaar duisternis’. Ook begon hij tegenstanders uit te schakelen, uiteindelijk zelfs degenen die ooit zijn naaste bondgenoten waren. De Tigrinya zagen welke richting het uitging – autocratisch bestuur – maar verzetten zich niet openlijk tegen Abiy, in de hoop dat de koers zou wijzigen – wat niet gebeurde.

    Vier gebeurtenissen vielen in het bijzonder op:

     1) De aanval op Tigrinya

    Anti-Tigrinya-propaganda en -retoriek groeiden onder Abiy en werden genormaliseerd in de media en op officiële fora. Het TPLF kreeg de schuld van bijna elk gewelddadig incident of probleem waarmee het land te maken kreeg.

    In codewoorden en onder het voorwendsel het TPLF aan te vallen droeg Abiy bij verschillende gelegenheden bij aan het ontmenselijken van de Tigrinya. Een paar maanden nadat hij het premierschap had aangenomen, verwees hij naar hen als ‘የቀን ጅቦች’ (daglichthyena’s) en ‘ፀጉረ ልውጥ’ (onbekende anderen), twee in de Ethiopische context onmenselijke en met haat beladen uitdrukkingen. Hoewel hij niet expliciet de Tigrinya noemde, begreep iedereen naar wie hij verwees. 

    2) De Eritrese ‘vredesovereenkomst’

    Tigray, dat de langste grens deelt met Eritrea, de diepste verwondingen heeft van de oorlog tussen Ethiopië en Eritrea van 1998 tot 2000 en een van de belangrijkste actoren was in die oorlog, werd volledig buitenspel gezet door de vrede tussen Abiy van Ethiopië en Isaias Afewerki van Eritrea.

      

    3) De ontbinding van het EPRDF en de vorming van de Welvaartspartij

    De manier waarop Abiy zich haastte om het EPRDF te ontbinden en de Welvaartspartij te vormen, was opmerkelijk. Er werd geen Ethiopische juridische procedure gevolgd bij de ontbinding van het EPRDF, en de oprichting van de Welvaartspartij voldeed niet aan de wettelijke vereisten. Toen het TPLF deze punten naar voren bracht, kon ze van geen enkele kant op bijval rekenen.  

    Het TPLF weigerde zich bij de nieuwe partij aan te sluiten, maar besloot met de naderende verkiezingen in het vooruitzicht, die volgens Abiy eerlijk zouden verlopen, verder niet voor ophef te zorgen. Op de weigering van het TPLF om lid van zijn partij te worden reageerde Abiy door alle resterende TPLF-leden uit zijn kabinet en andere federale posten te ontslaan, zodat Tigray geen hoge vertegenwoordiging meer had in de federale regering. 

    4) Uitstel van verkiezingen en termijnverlenging 

    Abiy heeft bij verschillende gelegenheden verkondigd dat verkiezingen noch verplicht noch noodzakelijk zijn. Op 10 juni 2019 antwoordde hij op vragen in Aksum: ‘Er zijn landen die al twintig of dertig jaar geen verkiezingen hebben gehouden.’ Dit herinnerde de Tigrinya aan Isaias’ reactie: ‘Welke verkiezingen? We zullen drie, vier decennia wachten’, in reactie op de vraag van Al Jazeera wanneer er verkiezingen in Eritrea zouden komen.

    Verkiezingen werden gewoonlijk altijd in mei gehouden, enkele maanden voor het verstrijken van de regeringsperiode. Het door Abiy uitgekozen bestuur, dat zich realiseerde dat zijn nieuwe Welvaartspartij geen kans had om de verkiezingen te winnen, stelde de verkiezingen uit tot augustus, midden in het regenseizoen. Toen covid-19 kwam, greep Abiy zijn kans en werden de verkiezingen opnieuw uitgesteld.

    Niet alleen is een regering die haar eigen ambtsperiode verlengt problematisch en is het mechanisme waarmee ze dat deed constitutioneel twijfelachtig, Abiys regering overschreed ook een constitutioneel mandaat van de regionale staten toen ze de ambtstermijn van de staatsraden verlengde. De regering van Tigray zag dit als een duidelijke poging om op ongrondwettelijke wijze de macht te grijpen.

    Timing

    In zijn Machiavelli-achtige boek The Stirrup and the Throne schreef Abiy: ‘De vijand achtervolgen kan tijdelijk nuttig zijn. Maar een vijand die niet volledig verpletterd is zodat hij niet meer opstaat, zal terugkomen om aan te vallen. Het is daarom belangrijk om een geschikt moment af te wachten om de vijand te verslaan en zijn dromen te verwoesten.’

    Een gezamenlijke Ethiopische en Eritrese militaire aanval tegen Tigray werd door ESAT [een televisiestation van Ethiopiërs in ballingschap, dat sterk op de hand is van Abiy] voor het eerst geopperd en aanbevolen in hun uitzending van 1 juli. De video werd gedeeld door de aan Isaias Afewerki gelieerde Eritrese pers met de boodschap ‘dit is onvermijdelijk; het TPLF staat op de Eritrese agenda’. In een uitzending van 2 oktober riep Abiy de regering op banken, elektriciteit, internet en telefoon in Tigray af te sluiten en salarisuitbetalingen te verstoren. 

    In de uitzending van 7 oktober riep ESAT op tot het sluiten van bedrijven en bankrekeningen van Tigrinya. ‘Het belangrijkste punt is dat de overheid maatregelen moet nemen om het levensonderhoud van de Tigrinya-bevolking te verstoren’, was de letterlijke boodschap. Niet alleen werden gewassen achtergelaten om ze te laten verrotten, ook werden ze opzettelijk vernietigd door binnenvallende troepen. Het belangrijkste commerciële westelijke deel van Tigray, waar onder andere de sesamproductie plaatsvindt, is nu verwoest. 

    Opnieuw was het doel de Tigrinya te verzwakken en verarmen. 

    En precies toen de wereld gefocust was op de Amerikaanse verkiezingen, kozen Abiy en Isaias ervoor de daad bij het woord te voegen. Geholpen door Tigrese officieren die in de regio gestationeerd waren verijdelde Tigray hun plan, en zo belandden we in het conflict dat al anderhalve maand [sinds begin november 2020] duurt en zal blijven voortduren. 

    Genocidale onderstromen

    De etnische profilering en doelgerichtheid, de harde en verwoestende maatregelen tegen Tigray en de Tigrinya, de plundering en de vernietiging van burgers en civiele infrastructuur, de bloedbaden, de blokkades, de collectieve straffen, de bombardementen en de weigering van onafhankelijk onderzoek en het toestaan ​​van humanitaire hulp, moeten worden gezien als het product van genocidale onderstromen. 

    Het plan van de regering van Abiy is om Tigray uiteindelijk uit te hongeren, net zoals de communistische junta deed tijdens de burgeroorlog en hongersnood van 1984-1985. Internationale interventie is nodig om een ​​eenentwintigste-eeuwse genocide van Rwandese proporties en een stille slachting van miljoenen Tigrinya door verhongering te voorkomen. [Op 2 december werd een akkoord bereikt om VN-hulp naar de regio toe te laten.]

  • ‘Mijn zoon zal zijn vader alleen van foto’s kennen’

    ‘Mijn zoon zal zijn vader alleen van foto’s kennen’

    De oorlog in Nagorno-Karabach doet een trauma onder de Armeniërs herleven. Boven op de militaire nederlaag komt het gevoel weer eens in de steek te zijn gelaten door de rest van de wereld.

    Op het altaar in de hoek van de koude huiskamer branden kaarsen. Op de ingelijste foto staat voor het rood-blauw-oranje van de Armeense vlag Arman Arzoemanian, vader van acht kinderen, een potige man met een strakke blik. Rondom de foto liggen zijn dienstpasjes, oorkonden en een icoon van Jezus in goud en zilver; verder een paar pakjes sigaretten en twee rollen verband. ‘Dat zat nog in zijn zakken toen ze hem vonden,’ zegt zijn weduwe Gaiane. ‘Veel meer is er niet van hem over.’

    Op de bank zit haar oudste zoon, de 21-jarige Azat. Eigenlijk had hij moeten vechten in de oorlog tegen Azerbeidzjan. Nu is hij als hoofd van het gezin plotseling verantwoordelijk voor zijn moeder en zijn zeven broertjes en zusjes. Hier in Armenië is er geen toereikend nabestaandenpensioen; vooral voor grote gezinnen zijn de betalingen volstrekt onvoldoende. Maar niet alleen de economische nood maakt zijn moeder verdrietig en woedend: ‘Mijn jongste zoon van twee jaar zal zijn vader alleen van foto’s kennen.’

    Waarom, zo vraagt ze, hebben ze al die mannen laten sterven, terwijl al vroeg in de oorlog duidelijk werd dat de Armeense strijdkrachten zwaar in de minderheid waren in de confrontatie met de oude vijand uit Azerbeidzjan? ‘Ik zal mijn kinderen moeten uitleggen dat het lichaam van hun vader is opgeblazen om het land waarvoor hij streed aan onze vijanden te geven.’

    Ze waren nog altijd niet aangesloten op het riool, maar hadden wel ruimte voor een paar dromen

    Voor de bevolking van Armenië zijn de laatste maanden van 2020 uitgelopen op een dubbel trauma. Velen hebben familieleden en vrienden verloren in de oorlog. Boven op de militaire nederlaag komt het gevoel weer eens in de steek te zijn gelaten door de rest van de wereld.

    Bovendien hadden de Arzoemanians juist hoop geput uit het uitbreken van de oorlog. Vijftien jaar lang hadden ze in een hut van golfplaten gewoond, in hun dorp ten noorden van de hoofdstad Jerevan, toen de regering een jaar geleden een stenen huis voor hen betaalde. Binnenkort zou ook de pas gebouwde stal van tufsteen een dak krijgen. Ze waren nog altijd niet aangesloten op het riool, maar hadden wel ruimte voor een paar dromen, vertelt Gaiane, die na de dood van haar man haar meisjesnaam Sjachnazarian weer wil gaan gebruiken. ‘We dachten dat we binnenkort niet alleen voor onszelf zouden kunnen zorgen, maar ook wat meer op de markt zouden kunnen verkopen. Eieren, melk, wol,’ zegt ze.

    Derde oorlog

    Op 27 september vervlogen deze dromen. Azerbeidzjaanse troepen, massaal gesteund door Turkse soldaten en Syrische milities, vielen de door Armeniërs bevolkte deelrepubliek Nagorno-Karabach aan. Het was het begin van de derde oorlog om het kleine gebied in het zuiden van de Kaukasus sinds de val van de Sovjet-Unie. Maar deze keer lagen de machtsverhoudingen wezenlijk anders.

    Niet alleen kreeg het land van de Azerbeidzjaanse president Ilham Alijev hulp van zijn broedervolk in Turkije, ook had de dictator jarenlang miljarden oliedollars in de modernste wapensystemen geïnvesteerd, vooral in drones. Bij de bloedige oorlog na de val van de Sovjet-Unie in de jaren negentig waren de Armeniërs na zware verliezen nog als overwinnaars uit de strijd gekomen. Ze hadden niet alleen Nagorno-Karabach maar ook omliggende Azerbeidzjaanse gebieden bezet. Volkenrechtelijk hoorden al deze gebieden nog altijd toe aan de Azeri’s, de bewoners van Azerbeidzjan. Die zonnen al bijna drie decennia op wraak.

    Aan het einde van de zomer in het pandemiejaar waren de omstandigheden gunstig voor de tegenaanval. Niet alleen waren veel landen door de coronacrisis op zichzelf gericht, ook de verkiezingen in de Verenigde Staten trokken veel aandacht, vooral van de Amerikanen. De Turken en de Azeri’s hadden zwakke plekken in de Armeense defensie vastgesteld en hielden gezamenlijke militaire oefeningen, die een dekmantel boden om oorlogsmaterieel naar Azerbeidzjan over te brengen.

    Alleen gelaten en omringd door vijanden: de realiteit beantwoordde opnieuw aan het zelfbeeld van de Armeniërs, die ernstig getraumatiseerd zijn. De volkerenmoord in 1915, begaan maar nooit erkend door de Turken, is haast evenzeer een element van hun identiteit als het christelijke geloof. Zo heeft de jonge Azat tijdens het gesprek naast de foto van zijn gesneuvelde vader een T-shirt aan dat herinnert aan de honderdste verjaardag van de genocide. Het symbool daarvoor is een bloem, een vergeet-mij-nietje. 

    ‘We zijn het aan onze voorouders verplicht, we mogen dit land nooit opgeven’

    Vader Arman was in de eerste oorlog tegen het buurland als zestienjarige ten strijde getrokken, en teruggekeerd als een held. De overwinning op het veel grotere Azerbeidzjan en de verovering van de al vele eeuwen door hun landgenoten bevolkte gebieden hielpen de Armeniërs zich enigszins te bevrijden van de slachtofferstatus en zich ook een keer overwinnaar te voelen. Tegelijkertijd kreeg Nagorno-Karabach nog meer betekenis door het destijds vergoten bloed – wat andersom natuurlijk ook voor de Azeri’s gold. 

    ‘We zijn het aan onze voorouders verplicht, we mogen dit land nooit opgeven,’ zegt Gaiane. Zoals de meeste Armeniërs gebruikt ze de Armeense aanduiding voor Nagorno-Karabach: ‘In Artsach verdedigen we onze families en ook het Westen.’

    Artsakh Occupation Map 1

    Op de tiende dag van de oorlog raakte Arman verzeild in een droneaanval. Vier dagen lang gold hij als vermist, toen werd zijn lichaam geborgen. Omdat het gezin te arm was om de opbaring in de afscheidszaal van de gemeente te betalen, stond de kist in de huiskamer. Buren, vrienden en familie namen afscheid. Tegen Armeens gebruik in bleef het deksel van de kist gesloten. ‘Ik durfde er eerst niet in te kijken,’ zegt Gaiane, ‘maar toen ’s nachts iedereen weg was, heb ik toch gekeken. Alleen aan zijn voeten kon ik hem herkennen.’

    De overlevende Armeense soldaten maakten na de oorlog melding van bijna aanhoudende beschietingen. Van enorme troepenmachten die tegen hen het strijdperk in werden gestuurd. Van de bijna geluidloze killers in de lucht. Behalve over Turkse drones hadden de Azeri’s ook de beschikking over ‘kamikazedrones’ van Israëlische makelij. Tegelijkertijd werd de Armeense burgerbevolking in Stepanakert, de hoofdstad van Nagorno-Karabach, en in andere plaatsen bestookt met artillerie en clustermunitie. De Armeniërs schoten terug, ook hun projectielen kostten burgers het leven.

    In de eerste week van november werd in Stepanakert al getwijfeld aan een goede afloop. David Babaian, adviseur van Arajik Haroetjoenian, de president van Nagorno-Karabach, eiste in de eetzaal van hotel Armenia onomwonden ‘ernstige consequenties’ voor de eigen gelederen, terwijl hij met zijn vuist op tafel sloeg: ‘De vijand zal nu kennismaken met de ware strijdlust van Artsach. Elk gebouw hier verandert in een vesting!’

    ‘Wij zullen overwinnen’

    Op hetzelfde moment kwamen in het nabijgelegen ziekenhuis steeds meer zwaargewonden binnen uit Sjoesja, dat de Armeniërs Sjoesji noemen. In het stadje op de rotsen, in de dichte, met zwarte kruitdampen vermengde mist, woedde de beslissende slag om Nagorno-Karabach. ‘De granaten sloegen steeds weer een paar meter naast ons in, de lucht was bezaaid met drones, de eskadrons van de vijand kwamen van alle kanten, we waren kansloos,’ vertelde een van de verdedigers van het stadje een paar dagen later.

    Laat op de maandagavond deelde de Armeense premier Nikol Pasjinian zijn volk mee dat het voorbij was. Samen met de leider van Artsach had hij ingestemd met een verdrag, dat weliswaar door bemiddeling van de Russische president Vladimir Poetin tot stand was gekomen, maar zich meer liet lezen als een dictaat van Ilham Alijev en de Turkse president Recep Tayyip Erdogan. Bovendien liet het de uitgangspunten van het in de voorbije jaren multilateraal gevoerde vredesproces vrijwel geheel buiten beschouwing: onmiddellijke stationering van een Russische vredesmacht voor minstens vijf jaar, gefaseerde teruggave van omvangrijke gebieden in Nagorno-Karabach en omgeving, en bovendien een Azerbeidzjaans-Turkse corridor over Armeens grondgebied tot in de exclave Nachitsjevan. De status van Nagorno-Karabach bleef ongedefinieerd. 

    Pasjinians verklaring werd door veel Armeniërs opgevat als een onvoorwaardelijke capitulatie. Nog diezelfde nacht bestormden demonstranten de regeringszetel op het Plein van de Republiek en het parlement in Jerevan. Op de reclameschermen in de stad stond op dat moment nog altijd de leus ‘Wij zullen overwinnen’.

    Aan die kreet is niets veranderd, ook al zijn er steeds meer doden van het slagveld teruggebracht en is de militaire begraafplaats Jerablur twee keer zo groot geworden. Pasjinian moet zich nu vooral verantwoorden voor zijn communicatie en voor het miserabele verwachtingsmanagement. 

    Een gevolg van dit alles zou kunnen zijn dat Armenië zich van het Westen afkeert, terwijl het land met de ‘Fluwelen Revolutie’ van 2018 juist een weg richting de vrijheid was ingeslagen en daarvoor vele warme reacties van Europese machthebbers had geoogst. De teleurstelling over de democratische landen is momenteel groot in Armenië.

    Schouderklopje

    Ook bij Baroe Jambazian, een man met een borstelige sik, een platte pet en een bril. Hij is de leider van de christelijke hulporganisatie Diaconia. Zijn levensverhaal is kenmerkend voor iemand uit de Armeense diaspora: geboren in Libanon, als kind gevlucht voor de burgeroorlog, opgegroeid in het Duitse Wetzlar. Toen hij tegen de dertig was, kwam hij naar Jerevan. De hoofdstad van Armenië was destijds nog heel traditioneel. ‘Hier heb ik mijn wortels en mijn identiteit ontdekt,’ zegt Jambazian in accentloos Duits.

    Het gevoel van verbondenheid met Duitsland, het land van zijn kinderjaren en jeugd, is gebleven, ook al heeft het een lelijke knauw gekregen. ‘Twee jaar geleden gaven ze ons allemaal een schouderklopje, maar waar waren die mensen de afgelopen zes weken?’ zegt hij. De westerse regeringen hadden op zijn minst de inzet van huurlingen en het gebruik van verboden wapens aan de kaak moeten stellen, vindt Jambazian.

    Rusland was tenminste duidelijk geweest in de communicatie: ‘Als de Azeri’s ons op ons grondgebied hadden aangevallen, dan hadden ze er gestaan.’ Daarom zouden alle Armeniërs er nu eerst eens heel goed over moeten nadenken ‘op wie ze zich in de toekomst willen richten. Want uiteindelijk komt onze veiligheid op de eerste plaats.’

    Maar oorlog heeft natuurlijk consequenties op alle niveaus. Door de pandemie was het land al in een recessie beland en inmiddels loopt het aantal besmettingen uit de hand. De economische kosten van de oorlog waren enorm, de menselijke gevolgen zijn nauwelijks te becijferen. Officieel was er sprake van circa 1400 oorlogsslachtoffers, maar er gaan geruchten dat dat wel eens het drievoudige zou kunnen zijn. ‘Elke familie in het land heeft wel een slachtoffer te betreuren en elke Armeniër kent op zijn minst wel een van de gesneuvelden,’ zegt Jambazian.

  • Hoogleraar Mehrzad Boroujerdi: ‘Dood Soleimani was ernstige inschattingsfout’

    Hoogleraar Mehrzad Boroujerdi: ‘Dood Soleimani was ernstige inschattingsfout’

    De moord op generaal Qassem Soleimani zal ingrijpende gevolgen hebben voor de Amerikaanse, Iraakse en Iraanse politiek, aldus hoogleraar politicologie Mehrzad Boroujerdi. Toch acht hij de kans klein dat het tot een escalatie van het conflict in het Midden-Oosten zal leiden. 

    Keuze uit het archief

    Bij een dubbele bomaanslag werden woensdag meer dan 103 mensen gedood in de Iraanse stad Kerman. Het bloedbad vond plaats tijdens de herdenking van de dood van de Iraanse militair leider Qassem Soleimani, die op 3 januari 2020 werd vermoord door een Amerikaanse aanval in Bagdad. Een dag later eiste Islamitische Staat de aanslag op.

    In dit artikel, dat enkele dagen na zijn dood gepubliceerd werd, bespreekt hoogleraar politicologie Mehrzad Boroujerdi welke rol Qassem Soleimani speelde in Iran en de impact van zijn moord op het conflict in het Midden-Oosten, dat recent weer tot een kookpunt is gekomen.

    Generaal Soleimani (1957-2020) was al 22 jaar commandant van de geduchte Quds-brigade van de Revolutionaire Garde en daarmee de belangrijkste militaire leider van de Islamitische Republiek Iran.

    De man die tot de Iraanse Revolutie van 1979 de kost had verdiend als metselaar en medewerker van het gemeentelijke waterbedrijf, bewees vervolgens zijn moed in de oorlog met Irak en groeide daarna uit tot de meest gevreesde Iraanse generaal van de afgelopen vijftig jaar. In 2005 noemde de opperste leider ayatollah Khamenei hem een ‘levende martelaar’, en hij wordt gezien als het brein achter belangrijke militaire overwinningen van Iran en zijn bondgenoten in Irak, Syrië en elders.

    Soleimani had in Iran de status van een superheld, en was voor de Amerikaanse strijdkrachten in Irak een belangrijk doelwit. Zijn liquidatie wordt een complicerende factor in de Iraakse politiek. Als vergelding voor de aanslag op hem en op Abu Mahdi al-Muhandis, plaatsvervangend commandant van Hashd al-Shaabi [de overkoepelende organisatie van sjiitische volksmilities], gaan sjiitische milities ongetwijfeld meer aanvallen op de Amerikaanse strijdkrachten uitvoeren. Vanuit de bevolking en de politiek zal de druk op het parlement toenemen om bij wet te eisen dat de Amerikaanse strijdkrachten zich terugtrekken. Zelfs de ayatollahs Sistani en Moqtada al-Sadr, twee sjiitische geestelijken die tegen Iraanse inmenging zijn, staan nu onder druk om deze aanslag te veroordelen.

    Interim-premier Adil Abdul-Mahdi zal waarschijnlijk het veld moeten ruimen voor een meer pro-Iraanse politicus. De demonstranten die tegen de corruptie betogen, zullen merken dat hun protesten overschaduwd worden door de repercussies van Soleimani’s liquidatie en de onontkoombare dynamiek van de Amerikaans-Iraanse rivaliteit in Irak.

    Martelaar

    Als militaire operatie is de actie van de VS zonder meer geslaagd, maar de politieke consequenties zien er minder rooskleurig uit. Er doemen grote vragen op: hoe zal de VS omgaan met woedende menigtes? Hoe zal het reageren op de in heel de islamitische wereld te verwachten golf van aanvallen op zijn strijdkrachten, instellingen en belangen? Is Trumps regering straks gedwongen nog meer troepen naar de regio te sturen, in een verkiezingsjaar? De Amerikanen hebben een ernstige inschattingsfout gemaakt door de complexiteit van de Iraakse politiek te reduceren tot het probleem van Iraanse inmenging. Ze hebben misschien een of twee grote vijanden uit de weg geruimd, maar daarmee Iran een grote politieke overwinning in Irak op een presenteerblaadje gegeven.

    De aanslag op Soleimani heeft ook gevolgen voor Iran. De dood van een man met zo veel kennis van de militaire verhoudingen in de regio en zo’n goede band met veel militieleiders in Iran, Irak en Syrië is een groot verlies. De martelaar Soleimani zal door de Iraanse staat worden bewierookt op een wijze die niet meer gezien is sinds de dood van ayatollah Khomeini. Velen zullen daarbij even vergeten dat Soleimani een van de 24 commandanten van de Revolutionaire Garde was die in 1999 in een dreigende brief eisten dat de hervormingsgezinde president Khatami harder optrad tegen studentenprotesten. En zijn dood zal ook het nieuws over de gewelddadige onderdrukking van de demonstraties vorige maand naar de achtergrond drukken. Bovendien zal het regime in Irak nu meer maximalistische doelen nastreven. En indachtig het gezegde dat wraak een gerecht is dat je het best koud serveert, zullen ze zelf een tijdstip bepalen om de dood van Soleimani te wreken.

    Betekent dit alles dat we onherroepelijk op een oorlog afstevenen? Niet per se. Een escalerende oorlog in het Midden-Oosten is wel het laatste wat Trump in een verkiezingsjaar kan gebruiken. En de Iraanse machthebbers zijn ook slim genoeg om te beseffen dat ze geen oorlog kunnen voeren met een lege schatkist en een bevolking die zich steeds meer van hen afkeert. Bovendien willen ze, met al hun retoriek over de martelaar Soleimani, hun politieke voordeel in Irak niet verspelen. De oven van het Midden-Oosten is dus flink opgestookt, maar het staat nog niet vast dat hij ook op ontploffen staat.

  • Hun vader was een overtuigd nazi, hun moeder half-Joods

    Hun vader was een overtuigd nazi, hun moeder half-Joods

    De nazi’s hadden haar vader vermoord. Vervolgens werd ze verliefd op een van hen. En nu moeten haar steenrijke nakomelingen, die in het bezit zijn van Douwe Egberts, Krispy Kreme en andere merken, in het reine zien te komen met het onuitsprekelijke geheim dat aan het licht is gekomen.

    Keuze uit het archief

    Na ruim 75 jaar spreekt de Tweede Wereldoorlog onverminderd tot de verbeelding, en nieuwe verhalen blijven komen. Daarbij is steeds meer oog voor de niet zwart-witte kanten van de oorlog. Zo bleek de verrader van Anne Frank (het verhaal werd later ingetrokken) ‘gewoon’ iemand te zijn die zijn eigen dochters moest beschermen – vanuit de Joodse gemeenschap klonk teleurstelling omdat zo’n handeling weinig te maken had met goed en kwaad.

    Dat ook de liefde blind is voor dergelijke grote begrippen, blijkt maar weer eens uit dit ongelooflijke en ontroerende verhaal over de half-Joodse vrouw die voor een nazi viel.

    Emilie Landecker was negentien toen ze ging werken voor Benckiser, een Duits bedrijf dat industriële reinigingsmiddelen produceerde en dat er prat op ging het personeelsbestand te hebben gezuiverd van niet-Arische elementen.

    We schrijven 1941. Emilie Landecker was half-Joods en als de dood om te worden gedeporteerd. Albert Reimann junior was een vroege aanhanger van Hitler en omschreef zichzelf als een ‘overtuigd aanhanger’ van de rassentheorie van de nazi’s.

    Op de een of andere manier, haast onverklaarbaar, werden ze verliefd.

    Het verhaal van de liefde tussen Emilie Landecker, wier Joodse vader was vermoord door de nazi’s, en Albert Reimann, wiens fanatieke nazistische denkbeelden en zijn inzet van dwangarbeiders de familie er niet van weerhield om na de oorlog een ongekend vermogen te vergaren, is een vertelling van dood en toewijding, van menselijke tegenstrijdigheden. Het is ook een verhaal van bedrijfsmatige boetedoening in onze moderne maatschappij.

    Een gruwelijke geschiedenis

    Tientallen jaren na de Tweede Wereldoorlog groeide Benckiser uit tot een van grootste consumentengoederenconglomeraten ter wereld. Het bedrijf, dat tegenwoordig bekendstaat als de JAB Holding Company en dat nog altijd wordt geleid door de familie Reimann, is meer dan twintig miljard dollar waard en omvat onder meer Krispy Kreme Doughnuts, Peet’s Coffee, Einstein Brothers Bagels, Stumptown Coffee Roasters, Pret A Manger, Keurig en andere ontbijtmerken.

    De relatie van Reimann en Landecker is vele jaren geheim gebleven. Hij was getrouwd maar had geen kinderen met zijn vrouw. Reiman en Landecker hadden samen drie kinderen, die hij in de jaren zestig adopteerde; momenteel hebben twee van die kinderen samen ongeveer vijfveertig procent van de JAB-aandelen in handen. Ze zeggen tientallen jaren niets te hebben geweten van hun vaders nazistische denkbeelden, noch van de misstanden in het bedrijf dat ze hebben geërfd: de vrouwelijke dwangarbeiders die naakt buiten voor hun barakken moesten staan. Een krijgsgevangen die uit een schuilkelder was gestuurd en om het leven kwam.

    In het tijdperk van Trump, Brexit en Matteo Salvini kunnen bedrijven niet langer voorwenden in een “waardenvrije ruimte” te opereren

    Reimann en Landecker, die respectievelijk in 1984 en 2017 zijn overleden, spraken nooit over die tijd. Belastende documenten werden vernietigd of weggestopt in een kluis. In een tweedelig boekwerk over de geschiedenis van het bedrijf wordt de naziperiode in een paar pagina’s afgedaan. Maar naarmate Benckiser aan de weg timmerde en uiteindelijk uitgroeide tot het wereldwijde JAB, werd het steeds ondoenlijker het verleden te negeren. Peter Harf, die in 1981 bij het bedrijf kwam werken en sinds dit jaar aan het hoofd staat van de raad van bestuur, en wiens eigen vader een nazi was, zegt er nooit echt in te hebben geloofd dat het bedrijf niets te verbergen zou hebben. ‘Ik kende de verhalen die werden verteld,’ zei hij. ‘Daar zat een luchtje aan.’

    Rond 2012, toen JAB wereldwijd de aandacht trok met de overname van enkele belangrijke koffiemerken, drong Harf erop aan dat de familie een onafhankelijke partij zou inschakelen om de familiearchieven uit te pluizen. In 2016 nam Paul Erker, een geschiedkundig econoom verbonden aan de universiteit van München, die taak op zich.

    Pas nu, vierenzeventig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, proberen zowel de familie als het bedrijf in het reine te komen met de duistere en ingewikkelde geschiedenis. In maart lekten de eerste bevindingen uit in een Duitse tabloid, over de manier waarop het bedrijf misbruik had gemaakt van dwangarbeiders. Nazi-activiteiten binnen bedrijven waren niet ongebruikelijk in de geschiedenis van het Duitse bedrijfsleven en de misdaden van de Reimanns waren minder erg dan die van veel grotere bedrijven, die banden hadden met de dodenkampen en direct betrokken ware bij de onteigening van Joodse ondernemingen. Maar doordat in JAB’s portfolio veel zonnige koffie- en donutmerken uit de Verenigde Staten zitten, haalden de onthullingen wereldwijd de voorpagina’s.

    De medewerkers van JAB – wereldwijd zo’n honderdtachtigduizend mensen – hebben laten weten dat klanten hen voor de voeten werpen dat ze ‘voor de nazi’s werken’. Er is gedreigd met boycots; onlangs stond er nog een vlammend artikel in The Boston Globe, met als titel: ‘Ik ben tot de ontdekking gekomen dat mijn lievelingskoffie wordt gefinancierd met nazigeld. Kan ik het nog wel drinken?’

    De verontwaardiging is opgelaaid zonder dat men precies weet wat de nazisympathieën van Reimann in de praktijk behelsden – en zonder dat men het hele verhaal kent, inclusief de hartverscheurende twist aan het einde: uiteindelijk was de familie Reimann zowel dader als slachtoffer. De erfgenamen dragen beide kanten met zich mee. In een reeks interviews met The New York Times hebben leden van de familie Reimann zich voor het eerst in het openbaar uitgelaten over het nazischandaal. Ze hebben het verhaal naar buiten gebracht van Alfred, de Joodse vader van Emilie Landecker, en verteld hoe de moord op Alfred de familie ertoe heeft gedwongen niet alleen het verleden onder ogen te zien, maar ook de toekomst.

    “Reimann sr. en Reimann jr. waren niet zomaar opportunistische volgelingen van het regime,” zegt Harf. “Ze waren het naziproject met hart en ziel toegedaan”

    De familie Reimann zegt er een deel van hun privévermogen voor te willen uittrekken om eer te bewijzen aan de nagedachtenis van Alfred Landecker. Ze willen een eenmalige schenking doen van tien miljoen euro aan instellingen die steun bieden aan voormalig dwangarbeiders en hun gezin. De Reimanns willen ook de Reimann Foundation vernoemen naar Alfred Landecker en het budget verhogen tot vijfentwintig miljoen euro, terwijl ze de leiding willen overdragen aan een onafhankelijk bestuurslichaam.

    De stichting zal projecten financieren die ‘eer bewijzen aan de slachtoffers van de Holocaust en de naziterreur’. Ook zijn er plannen om tenminste één leerstoel in Duitsland op te richten in naam van de heer Landecker.

    Op de nieuwe website van de Alfred Landecker Foundation staat te lezen dat de stichting als doelstelling heeft om onderricht te geven ‘over de Holocaust en de verschrikkelijke prijs die wordt betaald wanneer onverdraagzaamheid en fanatisme de overhand krijgen’. Even verderop staat: ‘Het uitgangspunt is ons kritisch vermogen aan te scherpen zodat we de wortels van een dergelijke haat leren herkennen en kunnen voorkomen dat dergelijke verschrikkelijke gebeurtenissen zich herhalen.’

    In een interview merkt Harf op dat hij op drie plekken woont – New York, Londen en Milaan – waar nationalisme en etnische tegenstellingen om zich heen grijpen. Het grootste deel van zijn lange carrière, zegt hij, is hij van mening geweest dat het aandeelhouderskapitalisme waardenvrij zou zijn. Dat idee heeft hij inmiddels losgelaten. In het tijdperk van Trump, Brexit en Matteo Salvini, zegt hij, kunnen bedrijven niet langer voorwenden in een ‘waardenvrije ruimte’ te opereren.Ook nu weer leven we in een tijd waarin mensen stelling moeten nemen, aldus Harf. ‘Ik ben heel bang voor wat ons te wachten staat.’

    © The Reinmann Family
    © The Reinmann Family

    In juli 1937 schreef Albert Reimann jr. een brief aan Heinrich Himmler, het hoofd van de SS, die later de leiding zou hebben over de Holocaust.

    ‘We zijn een zuiver Arisch bedrijf van meer dan honderd jaar oud,’ schreef Reimann, die destijds negenendertig jaar oud was, en senior executive in het bedrijf van zijn vader. ‘De eigenaars zijn overtuigd aanhanger van de rassentheorie.’ De familie Reimann had zich lang voordat de nazi’s de macht grepen al achter het nationaalsocialisme en het antisemitisme geschaard, zo valt te lezen in een tussentijdse rapportage van Erker, de historicus. De jongere Reimann had Hitler in 1923 in München horen spreken en was een van zijn eerste aanhangers.

    Zijn vader, Albert Reimann senior, die destijds aan het hoofd stond van Benckiser, hoorde Hitler vier jaar later spreken in Mannheim, niet ver van het Zuid-Duitse hoofdkwartier van het bedrijf. Reimann sr. sloot zich in 1931 aan bij de nazipartij. Een jaar later volgde zijn zoon zijn voorbeeld.

    In 1943 bestond een derde van het personeelsbestand uit dwangarbeiders: 175 mensen, van wie de meesten afkomstig uit Frankrijk en Oost-Europa

    Rond die tijd reorganiseerden de mannen het bedrijf, in overeenstemming met de nazi-richtlijnen.

    Tegen de tijd dat Hitler aan de macht kwam, was er bij Benckiser al een nationaalsocialistische bedrijfsorganisatie opgericht – een soort ondernemingsraad die probeerde de nazi-ideologie door te voeren.

    Later zou Benckiser ‘een nationaalsocialistisch modelbedrijf’ worden.‘Reimann sr. en Reimann jr. waren niet zomaar opportunistische volgelingen van het regime,’ zegt Harf. ‘Ze waren het naziproject met hart en ziel toegedaan.’Benckiser was destijds een gemiddeld groot chemisch bedrijf, waar onder meer citroenzuur werd vervaardigd, een chemisch middel om water te verzachten, maar ook supplementen voor babyvoeding en fosfaten die werden gebruikt voor de fabricage van worst. In 1933 had het bedrijf 181 mensen in dienst. Benckiser was een belangrijke leverancier voor de voedselindustrie en gedijde uitstekend onder het nazibewind: in tien jaar verdriedubbelde de winst. Albert sr. stond aan het hoofd van de regionale kamer van koophandel, die hielp bij de Arische zuivering binnen het bedrijfsleven en bij het verdrijven en onteigenen van Joodse bedrijven.

    Benckiser heeft zelf niet geprofiteerd van de bedrijven die werden overgenomen van Joodse eigenaren, en ook heeft Benckiser geen gebruik gemaakt van arbeidskrachten uit de concentratiekampen, wat wel gebruikelijk was binnen veel grotere bedrijven, zoals Messerschmitt, een voorloper van Airbus, of IG Farben, dat later is opgesplitst in bedrijven als BASF en Bayer. Maar vanaf eind 1940 hebben de Reimanns wel structureel hun voordeel gedaan met dwangarbeid: mannen en vrouwen die uit hun huis waren gehaald in door nazi’s bezet gebied, of krijgsgevangenen die door de nazi’s werden tewerkgesteld op boerenbedrijven en fabrieken verspreid over heel Duitsland.

    Ergens in deze periode begon Emilie Landecker op de boekhoudafdeling van het bedrijf. Er is maar weinig bekend over Landeckers tijd bij Benckiser tijdens die oorlogsjaren, behalve dat ze onder de jongere heer Reimann werkte. Volgens Harf nam het gebruik van dwangarbeid al snel zo’n omvang aan dat het niet anders kan of ze moet op de hoogte zijn geweest van deze wantoestand.

    In 1943 bestond een derde van het personeelsbestand uit dwangarbeiders: 175 mensen, van wie de meesten afkomstig uit Frankrijk en Oost-Europa.

    Benckiser had twee werkkampen. In een daarvan zwaaide Paul Werneburg de scepter, een wrede voorman die al sinds 1910 bij het bedrijf in dienst was. Tijdens zijn bewind werden vrouwelijke arbeidskrachten gedwongen om naakt voor hun barakken in het gelid te staan, en wie dat weigerde riskeerde nog meer seksueel misbruik. Arbeidskrachten werden geschopt en geslagen, zoals een Oekraïense vrouw die ook schoonmaakte in de privévilla van de Reimanns.

    “Mijn lieve kind”, schreef hij in december 1938, een maand nadat tijdens de Kristalnacht in heel Duitsland synagogen en Joodse huizen waren geplunderd en in de as gelegd. “De tijden zijn veranderd en daarmee ook de mensen”

    Tijdens een bombardement op 7 januari 1945 joeg Werneburg tientallen arbeiders de schuilkelder uit. Dertig mensen raakten gewond en een iemand vond de dood. De verhalen over de wreedheid van Werneburg deden de ronde en zelfs de plaatselijke nazi-officier die was belast met de toewijzing van dwangarbeiders sprak de Reimanns aan op de manier waarop hun arbeidskrachten werden behandeld.

    Emilie Landecker zou hier allemaal getuige van zijn geweest, schrijft haar zoon, Wolfgang Reimann, in een mail. ‘Ze heeft zich staande gehouden in het gruweltheater binnen ons eigen bedrijf,’ zei hij.‘

    Waarschijnlijk zat zij ook in die bunker toen Werneburg de arbeiders naar buiten joeg.’

    De Reimanns bleven fervent aanhanger van de nazi-ideologie, blijkt uit het onderzoek van Erker. Zelfs eind februari 1945 geloofde de jonge Reimann nog in de ‘Endsieg’, Hitlers eindoverwinning. Datzelfde jaar in mei werd de oorlog beslecht; een maand later werd Reimann opgepakt en geïnterneerd door de geallieerden, als onderdeel van het de-nazificeringsproces. Albert jr., die in blok A van kamp 73 werd vastgehouden, met als gevangenennummer 2228, schreef op 22 september een brief aan de officier die de leiding had over het kamp, waarin hij de aantijging dat hij ‘al van begin af aan een fervent nazi was geweest’ van de hand wees als ‘niet meer dan verdachtmakingen’, en waarin hij stelde zelf slachtoffer te zijn geweest van de nazi’s.‘In deze omstandigheden tast ik in het duister omtrent de oorsprong van bovengenoemde aantijging,’ schreef hij. ‘Ik ben geneigd te geloven dat ik zelf scherp in de gaten werd gehouden door de Gestapo.’

    Het werkte. Terwijl de Fransen Reimann jr. aanvankelijk hadden verboden zijn bedrijf voort te zetten, draaiden de Amerikanen die beslissing terug en registreerden hem niet als nazi, maar als meeloper van de nazi’s.In 1947 bedroeg het vermogen van de familie Reimann 686.000 Rijksmark, wat vandaag de dag zou neerkomen op zo’n 2,4 miljoen dollar. Het vermogen groeide mee met Benckiser en haar dochterondernemingen, en momenteel wordt het familievermogen geschat op zo’n 33 miljard euro. Op een lijst van de rijkste families in Duitsland, die onlangs is uitgebracht, staan de Reimanns op de tweede plaats.

    Volgens Wolfgang Reimann heeft zijn vader de kinderen nooit veel over de oorlog verteld, behalve dat de dwangarbeiders zo aan het bedrijf waren gehecht dat ze moesten huilen toen de strijd was beslecht en ze weg moesten.‘

    Hij beweerde dat de Franse arbeidskrachten op zaterdag meestal een glas rode wijn kregen,’ vertelt Wolfgang, ‘en dat mensen die waren overgeplaatst uit andere kampen zeiden dat Benckiser het beste kamp was waar ze ooit hadden gezeten of van hadden gehoord.’
    ‘Nonsens,’ zegt hij en vloekt.

    Laatste brief uit het getto

    Emilie Landecker was bij Benckiser aan het werk toen de Gestapo haar vader kwam ophalen. Dat was op 24 april 1942. Rond het middaguur stonden er twee agenten op de stoep van het appartement waar het gezin woonde.

    Haar jongere broer, Wilhelm, die dit moment later beschrijft in nooit gepubliceerde memoires, deed open. ‘Is de Jood Alfred Israel Landecker thuis?’ vroeg een van de agenten.

    Wilhelm bracht de agenten naar hun vader, die al klaar zat. Hij had eerder die maand een brief gekregen met daarin de datum van zijn deportatie. Met de Duitse precisie was hem opgedragen één stel kleren in te pakken, wat ondergoed en een jas met een gele jodenster. Hij mocht geen geld of waardevolle spullen meenemen.

    ‘Zo, vuile Jood,’ zei de agent. ‘Ben je klaar voor de reis?’ Alfred Landecker deed zijn koffer dicht en trok zijn jas aan. Toen omhelsde hij voor de laatste keer zijn zoon en gaf hem een kus. ‘Willi, blijf binnen, zodat niemand mijn davidsster met jou in verband brengt,’ zei Landecker, waarna hij hem vroeg zijn liefde over te brengen aan zijn zussen. ‘Neem namens mij afscheid van Emmi en Gerdele. Gedraag je, en wees gehoorzaam aan God.’

    Een paar weken later arriveerde er een laatste brief van Landecker, maar daarvan is alleen de envelop overgebleven. Uit de envelop blijkt dat hij in blok III 416/2 zat, in Izbica, een getto dat dienstdeed als doorgangsstation voor de deportatie van Joden naar de dodenkampen Belzec en Sobibor in het door de nazi’s bezette Polen.

    Bijna elk Duits bedrijf dat al een tijdje meedraait, heeft wel een verhaal over het naziverleden

    Landecker, een veteraan uit de Eerste Wereldoorlog en een geslaagd accountant, was een liefdevolle vader geweest. Nadat zijn vrouw, een katholiek, in 1928 was overleden had hij in zijn eentje voor hun drie kinderen gezorgd.

    Emilie, de oudste, was destijds zes geweest. In 1933 kregen de nazi’s de macht in handen. Twee jaar later werd met de Neurenberger-wetten de rassenleer van de nazi’s geïnstitutionaliseerd en werd de Joden hun burgerrechten ontnomen. Rond die tijd deed Alfred Landecker twee dingen die van een vooruitziende blik getuigden. Hij zorgde ervoor dat zijn kinderen in de katholieke kerk werden gedoopt, zoals ook zijn overleden echtgenote was gedoopt. En hij zette al zijn bezittingen, ook het appartement waar het gezin woonde, officieel op hun naam, zodat ze niet onteigend konden worden.

    Maar Landecker kon zijn kinderen niet beschermen tegen een algehele vijandigheid die in hoog tempo escaleerde, van dreigend naar levensbedreigend – een verschuiving die hij vastlegde in een reeks brieven aan zijn jongste dochter, die problemen had met haar gezondheid en destijds bij de zus van zijn vrouw verbleef, op het Beierse platteland.‘

    Mijn lieve kind,’ schreef hij in december 1938, een maand nadat tijdens de Kristalnacht in heel Duitsland synagogen en Joodse huizen waren geplunderd en in de as gelegd. ‘De tijden zijn veranderd en daarmee ook de mensen.’

    ‘We hebben vijf jaar gestreden en kijk in wat voor tijd we nu leven,’ schreef hij, doelend op de Eerste Wereldoorlog. ‘Ik hoop dat jullie, mijn dierbare kinderen, jullie goed zullen blijven gedragen en mij in jullie hart zullen meedragen, al zullen jullie het zwaar krijgen vanwege mij.’ Landecker was op zoek naar een manier om te ontsnappen uit Duitsland – misschien naar Amerika, waar hij een broer en een schoonzus had wonen. ‘Tante Pauline heeft ons geschreven vanuit Amerika,’ schreef hij dat jaar december. ‘Ze doet haar uiterste best voor ons, misschien komt het allemaal goed.’ Maar er was niet genoeg geld. Alfred Landecker mocht niet werken, wat betekende dat Emilie, destijds nog een puber, de kostwinner werd.

    Toen Alfred Landecker in april 1942 bericht ontving dat hij gedeporteerd zou worden, deed het gezin nog een laatste wanhopige poging om dat te voorkomen. Ze namen de trein naar Berlijn, om naar het hoofdkantoor van Joodse zaken te gaan, waar de kinderen van Landecker hun katholieke papieren toonden. Ze werden weggestuurd.

    ‘Huilend gingen we terug naar het hotel, waar onze vader zat te wachten,’ schreef Wilhelm Landecker later. Ondanks de teleurstelling had hun vader theaterkaartjes gekocht voor het hele gezin, die avond in Berlijn. Een paar dagen later schreef hij zijn laatste brief naar Beieren.

    ‘Lieve Gerdele,’ schreef hij. ‘Zoals je kunt zien, ben ik nog hier, maar dat zal niet lang meer duren. Ik heb vandaag bericht gekregen dat ik op de 24e van deze maand wordt gedeporteerd – dus over twee dagen. Dit is dus de laatste brief die je van mij zult ontvangen vanuit hier, of misschien wel de laatste brief ooit. We weten niet wat ons te wachten staat. Ik wens jullie het allerbeste voor de toekomst. Zorg dat jullie gezond blijven en uitgroeien tot fatsoenlijke mensen,’ drukte hij haar op het hart. ‘Als het kan, schrijf ik zo snel mogelijk weer en ik hoop dat jullie me nooit helemaal zullen vergeten.’

    ‘Hier in Duitsland zul je niet kunnen trouwen,’ vervolgde hij. ‘Leer andere talen!! Je hebt je hele toekomst nog voor je – maak er iets moois van.’‘Vergeet niet, mijn liefste kind, om God te gehoorzamen, en geef iedereen veel liefs van mij. Een heel warme groet van je papa.’

    Nadat haar vader was gedeporteerd bleef Emilie Landecker bij Benckiser werken en groeide uit tot een gewaardeerde werkneemster. Toen de oorlog was afgelopen, ging Emilie Landecker geregeld met papieren die Albert jr. moest tekenen naar Heidelberg – een gevaarlijke tocht door platgebombardeerde gebieden en via een noodbrug over de Rijn.Niemand weet precies hoe hun verhouding is begonnen. Maar in 1951 werd hun eerste kind geboren. Er zouden er nog twee volgen. Twee keer per week, op zondag en woensdag, liet Reimann jr. zijn vrouw alleen om naar Emilie Landecker te gaan.

    “Het gaat er niet alleen om dat we onderzoek doen en zorgen dat we het verleden niet vergeten. Het gaat er ook om dat we onze huidige democratie stabiliseren en overeind houden”

    Ze werkte voor Benckiser tot 1965. In dat jaar adopteerde Albert jr. officieel hun kinderen. (Zijn vrouw, Paula, was al een tijdje op de hoogte van de verhouding.) De Duitse autoriteiten hadden Emilie Landecker lange tijd onder druk gezet om de naam prijs te geven van de vader van haar kinderen, maar dat had zij altijd geweigerd. Jaren later biechtte ze in een brief aan de jongere Reimann op dat ze het zo erg had gevonden dat ze nooit zijn vrouw had kunnen zijn – en dat ze nooit een gewoon gezin waren geweest.

    ‘En nu wil ik ook graag iets zeggen over onze relatie,’ schreef Emilie Landecker. ‘Ik denk dat ik jou veel meer nodig heb dan jij mij, aangezien ik slechts een klein deel van jouw leven uitmaak.’

    ‘Ondanks alles ben ik een vrouw,’ schreef ze. ‘Jij was en bent de enige met wie ik kan praten.’‘Inmiddels weet ik natuurlijk dat het geen onwil was van jouw kant, maar desondanks heb ik het gemist. Ik wilde geen eisen stellen die in de gegeven omstandigheden onmogelijk konden worden ingewilligd.’

    Emilie Landecker was een stille vrouw. Ze zei maar weinig. Maar als we haar kinderen mogen geloven, hield ze van hun vader, ondanks alles.

    ‘Ik heb nooit goed begrepen waarom,’ zegt Wolfgang Reimann. ‘Voor zover ik hem heb meegemaakt, was het niet echt een man om van te houden.’

    De kinderen wisten tientallen jaren niet beter dan dat de ouders elkaar hadden ontmoet ‘op het werk’. Ze wisten dat hun opa van moederskant, Alfred, door de nazi’s was vermoord. Maar ze zijn er pas dit jaar achter gekomen dat hun vader een fervent nazi was. Wanneer de kinderen informeerden naar de Joodse wortels van de familie, zo vertelt Wolfgang, draaide Emilie Landecker om de hete brei heen, zei dat ze was opgegroeid in ‘een Joodse omgeving’ en drukte de kinderen op het hart geen ‘oude koeien’ uit de sloot te halen.

    ‘Mijn moeder zei nooit veel,’ aldus Wolfgang Reimann. ‘Ik heb heel lang gedacht dat ze gewoon zo in elkaar zat.’ Maar inmiddels kijkt hij er anders tegenaan: ‘Als ik met mijn grote liefde zou moeten leven zoals mijn moeder dat heeft gedaan, en diegene was ook nog eens verantwoordelijk voor de verschrikkingen van de oorlog, zou ik denk ik ook niet zo veel zeggen.’

    Ms. Landecker en Albert Reimann Jr. Niemand weet wanneer hun affaire begonnen is. – © The Reinmann Family
    Ms. Landecker en Albert Reimann Jr. Niemand weet wanneer hun affaire begonnen is. – © The Reinmann Family

    Bijna elk Duits bedrijf dat al een tijdje meedraait, heeft wel een verhaal over het naziverleden. Veel van die verhalen zijn verteld. Maar niet allemaal. Bahlsen, de koekjesfabrikant, heeft eerder dit jaar een onderzoek aangekondigd naar de oorlogsjaren van het bedrijf, nadat een jonge erfgename zich nogal laconiek had uitgelaten over de inzet van dwangarbeiders.

    Internationale uitbreiding is voor Duitse bedrijven geregeld de aanleiding om het verleden onder ogen te zien. Zo is het ook gegaan met het vermogen van Reimann. In de loop der jaren zijn er bij Benckiser verschillende overnames geweest en nieuwe vestigingen gekomen; Benckiser is met een ander bedrijf in zee gegaan, waardoor het megaconcern Reckitt Benckiser is ontstaan, dat bekend is van merken als Lysol en Durex. En uiteindelijk hebben de Reimanns een groot deel van hun vermogen in JAB gestoken. De afgelopen jaren heeft de holding miljarden geïnvesteerd om de strijd aan te binden met bedrijven als Starbucks en Nestlé door ketens op te kopen zoals Panera Bread, Krispy Kreme en Pret A Manger. Vorig jaar hebben ze ook Keurig Green Mountain geholpen om Dr Pepper Snapple over te nemen voor een kleine negentien miljard. JAB heeft ook cosmeticagigant Coty in handen, de eigenaar van de Calvin Klein-geuren.

    Toen het bedrijf steeds meer onder vuur kwam te liggen heeft Harf er bij de familie Reimann op aangedrongen om zelf het voortouw te nemen en onderzoek te doen naar het verleden – voordat iemand anders hen voor zou zijn.

    De nazi-onthullingen hebben veel teweeggebracht bij de jongste Reimanns. ‘Ik moest bijna overgeven toen ik hoorde en las over de gruweldaden die, met medeweten van mijn grootvader, hebben plaatsgevonden bij Benckiser,’ zegt Martin Reimann (30), een kleinzoon van Emilie Landecker en Albert Reinmann junior. ‘Tot die tijd hield ik me eerlijk gezegd maar weinig met politiek bezig. Maar door wat er is gebeurd, is dat allemaal veranderd. Ik moet iets doen. In ons familieberaad heeft de jonge generatie voor een soort opstand gezorgd.’

    Bij elke beslissing die belangrijke industriëlen nemen, moeten ze zich volgens hem afvragen: “Wat betekent dit voor onze kinderen? Wat betekent het voor onze toekomst?”

    Door de stichting te vernoemen herstelt de familie Reimann de naam in ere van Alfed Landecker – een van de miljoenen mensen die door de nazi’s zijn omgebracht. Maar ook wordt er een expliciete link gelegd tussen de misdrijven uit het verleden en de strijd van vandaag de dag om de liberale, democratische waarden hoog te houden.

    ‘Welke lessen we kunnen trekken uit het verleden, en hóé, die vraag ligt ten grondslag aan deze stichting,’ zegt Norbert Frei, de voorzitter van de wetenschappelijke raad van de stichting. Frei is een gerespecteerd historicus verbonden aan de universiteit van Jena, en hij heeft onderzoeken geleid naar het naziverleden van andere bedrijven, zoals Bertelsmann. ‘Het gaat er niet alleen om dat we onderzoek doen en zorgen dat we het verleden niet vergeten,’ voegt hij eraan toe. ‘Het gaat er ook om dat we onze huidige democratie stabiliseren en overeind houden.’

    Harf, de directeur van JAB, is het met hem eens. Hij zegt dat hij onlangs De orde van de dag heeft gelezen, een historische roman van Éric Vuillard die speelt in de jaren voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog. Een van de scènes in het boek is gesitueerd in februari 1933, toen Hitler samen met de voorzitter van de Rijksdag vierentwintig industriëlen wist over te halen geld te doneren aan de nazipartij. De zakenlieden – die bedrijven vertegenwoordigden die nog altijd grote spelers zijn op de markt, zoals Siemens, Bayer en Allianz – trokken braaf de portemonnee.

    Harf zegt dat hij zich daardoor realiseerde dat in het zakenleven onvoldoende mensen zich uitspreken tegen de opkomst van het nationalisme en het populisme, zoals we dat momenteel zien in Europa en de Verenigde Staten. Bij elke beslissing die belangrijke industriëlen nemen, moeten ze zich volgens hem afvragen: ‘Wat betekent dit voor onze kinderen? Wat betekent het voor onze toekomst?’

    ‘In het verleden heeft de industrie populisten ruim baan gegeven,’ voegt hij eraan toe. ‘Die vergissing moeten we nu niet weer maken.’ Vervolgens citeert hij Holocaust-overlevende Simon Wiesenthal: ‘Om het kwaad te laten gedijen, volstaat het dat goede mensen niets doen.’

    Daar voegt hij aan toe: ‘Als opvolgers en afstammelingen van mensen die verschrikkelijke daden hebben gepleegd, is het van wezenlijk belang dat onze generatie accepteert wat er is gebeurd en dat we al het mogelijke in het werk stellen om te zorgen voor verdraagzaamheid en gelijkwaardigheid in de gemeenschappen waarin we leven, dat we ons ervan verzekeren dat de daden van Albert Reimann sr. en Albert Reimann jr. deel uitmaken van een geschiedenis die zich nooit meer zal herhalen.’

  • Twee miljoen Hongkongers zeggen nee tegen China

    Twee miljoen Hongkongers zeggen nee tegen China

    De menigte demonstranten had gelijk om een democratisch front te vormen tegen de koppigheid van Hongkongs bestuurder Carrie Lam en de macht van Beijing, vindt columnist An Tu.

    Keuze uit het archief

    Vandaag wordt het vijfentwintigste jubileum van de overdracht van Hongkong aan China gevierd, in het bijzijn van de Chinese president Xi Jinping. In Hongkong wordt vooral de verloren vrijheid betreurd. Na maanden van protesten in 2019 – tegen toenemende invloed van Beijing – sloeg de Chinese overheid terug met de invoering van een Nationale Veiligheidswet en de hervorming van het kiessysteem. Die werden gebruikt om tegenstanders te muilkorven, en de geleidelijke democratisering van Hongkong terug te draaien. Deze journalist van een van de belangrijkste kranten van Hongkong, dat ondanks de kritische houding nog altijd bestaat, zag de ontwikkelingen drie jaar geleden al aankomen. 

    De hele bevolking van Hongkong is te hoop gelopen, de scheidslijnen tussen de verschillende groepen zijn verdwenen en daardoor heeft de beweging resultaat geboekt. De reden voor deze volkswoede is op het eerste gezicht het wetsvoorstel dat uitlevering aan China mogelijk maakt. Dit zou een duidelijke aantasting zijn van de juridische onafhankelijkheid en de autonomie van Hongkong, die juist het hart vormen van het principe ‘één land, twee systemen’ (de basis van de verhouding tussen de vroegere Britse kolonie en Beijing).

    Maar belangrijker nog: de gebeurtenissen tonen de totale mislukking van de manier waarop de verhouding tussen de regering en de bevolking van Hongkong is georganiseerd. De autoriteiten en het ‘constructieve’ (lees: pro-Beijing-) kamp houden helemaal geen rekening met de stemmen van de oppositie die in de samenleving klinken, en in het Parlement (de LegCo, oftewel Legislative Council) worden de meningen van de prodemocratische, door de bevolking gekozen vertegenwoordigers niet gerespecteerd.

    De autoritaire houding van de ‘constructieve’ kliek en de brutale arrogantie van de leider weerspiegelen het falen van de parlementaire democratie in Hongkong, die al zo beknot is. (De parlementsleden moeten aan allerlei geografische en professionele criteria voldoen en dit complexe systeem is in het nadeel van de democraten. De leider wordt benoemd door Beijing.)

    Er is geen sprake meer van normale politieke omstandigheden, de conflicten tussen de bevolking en de regering zijn niet meer te sussen, en geen bemiddelaar kan nog een verzoening tussen de twee kanten bewerkstelligen.

    In Hongkong is de parlementaire democratie in feite geen ‘gewoon’ en ‘volwassen’ politiek systeem waarin een zekere mate van ‘onderhandelen’ mogelijk is tussen de bevolking en de regering; dat is alleen maar een illusie. Nu is het ware totalitaire en autocratische karakter van het regime aan het licht gekomen; er is alleen nog maar sprake van ‘regeringsgezag’, en dat betekent onvermijdelijk het einde van de ‘politiek’.

    Massale protesten in Hongkong. – © Getty
    Massale protesten in Hongkong. – © Getty

    Dat ‘einde van de politiek’ is reden voor teleurstelling en wanhoop. We hebben geen vertegenwoordigers meer die kunnen ‘onderhandelen’ met de totalitaire regering: de opinieleiders en de volksvertegenwoordigers hebben hun leidende rol totaal verloren (vooral sinds de Paraplurevolte van 2014, die uitliep op een bezetting van 79 dagen van het centrum van Hongkong om werkelijk algemeen kiesrecht af te dwingen). De bevolking moet dus rechtstreeks de strijd met de autoriteiten aangaan in een serieuze en wanhopige fysieke krachtmeting.

    Zo serieus was inderdaad de grote manifestatie van 9 juni, waarbij een miljoen mensen op de been kwamen. Er heerste een sfeer van stilzwijgende woede en wanhoop in die enorme stroom mensen. Onder die miljoen demonstranten dachten maar weinigen dat ze de herziening van de uitleveringswetgeving werkelijk konden verhinderen; de meesten demonstreerden eigenlijk zonder te weten of het iets zou uithalen.

    Ze kwamen niet zozeer om politieke druk op de regering uit te oefenen, maar vooral om gehoor te geven aan een diep gevoel van onmacht (tegenover de macht in Beijing), om uit hun isolement te breken en de angst te overwinnen dat ze weer verdeeld zouden raken en individueel zouden worden vervolgd door het totalitaire regime. Ook wilden ze de wereld laten zien dat de Hongkongers nog steeds in staat waren om zich te verzetten.

    En juist die ernst rond de acties heeft bij sommigen hun twijfels over het verzet weggenomen. Daarom zag je tijdens de bloedige confrontaties en gewelddadige botsingen op 12 juni jongeren in de frontlinie, in de rug gesteund door ouderen. Het gewelddadige optreden tegen dit collectieve verzet had af en toe het bloedige karakter van een slagveld, wat bijzonder schokkend was. De discussie ‘vreedzaam blijven’ tegenover ‘je met geweld verzetten’, die in de loop van de Paraplurevolte opkwam (in 2014), is nu door de harde werkelijkheid ingehaald.

    Dankzij deze opstand tegen de mogelijkheid dat burgers worden uitgeleverd aan China, hebben wij de juistheid kunnen constateren van het principe dat ‘soldaten zonder hoop verzekerd zijn van de overwinning’. Inderdaad, omdat de bevolking zich niet druk maakte over winnen of verliezen en niemand binnen de beweging de kans kreeg om individueel de vruchten van een eventuele overwinning te plukken, kon het verzet zich verspreiden en groeide er eensgezindheid over de oude scheidslijnen heen. De mensen zijn mee komen doen aan deze ‘laatste slag’, omdat ze hun woede wilden uiten. Zo is de beweging een strijd geworden voor waarden, ideeën en identiteit.

    De bevolking moet rechtstreeks de strijd met de autoriteiten aangaan in een serieuze en wanhopige fysieke krachtmeting

    In feite zijn er deze keer – duidelijker dan in 2014 – twee soorten verzet opgekomen en al is de ene kant het niet per se eens met de methoden van de andere, ze begrijpen en verdragen elkaar veel beter, en soms bewonderen ze elkaar zelfs. Het is gedaan met de absurde verspilling van energie aan interne discussies uit de tijd van de Paraplurevolte.

    Onder de noemer van het vreedzaam verzet hebben zich mensen uit alle geledingen van de samenleving verzameld, met sterk verschillende beweegredenen. Scholen, universiteiten, maar ook professionele, religieuze en maatschappelijke organisaties hebben via hun netwerken een ongekende mobilisatiekracht getoond en ouders hebben zelfs hun kinderen opgeroepen tot actie. In het buitenland is door veel verschillende kanalen aandacht aan de gebeurtenissen besteed, zodat de hele wereld ervan op de hoogte raakte.

    Ook was er grote steun vanuit de diaspora; de verschillende gemeenschappen in het buitenland vonden elkaar op basis van hun Hongkongse identiteit. Mensen hebben de gelegenheid aangegrepen om hun onderlinge band te versterken en een gemeenschap te vormen van mensen die in de eerste plaats Hongkonger zijn.

    De radicalere actievoerders hebben spontane organisaties ontwikkeld (zonder veel officiële status) die heel verschillende gezichten aannamen. Hun manier van actievoeren – direct, flexibel en gevarieerd – toonde hun onverzettelijke engagement, en al degenen die belang stellen in de problemen van Hongkong, werden getroffen door hun moed en vastberadenheid. Dankzij deze groepen is voor het oog van de hele wereld de bruutheid onthuld van dit regime, dat nu zijn fluwelen handschoenen heeft uitgetrokken.

    De combinatie van deze verschillende manieren van verzet heeft uiteindelijk geleid tot een nieuw moreel pact en vooral tot een nieuwe, hybride manier van actievoeren. Zo kon het gebeuren dat activisten de hele nacht leuzen scandeerden om hun protest uit te drukken, dat bewoners video’s gemaakt door bewakingscamera’s in hun wijk uitzonden om de bewegingen van de politie te laten zien, of hoe moeders vreedzaam bijeenkwamen als teken van protest tegen het geweld van de onderdrukking.

    De verschillende manieren van actievoeren hebben een nieuwe taakverdeling opgeleverd. In de zoektocht naar middelen om de gevestigde media te omzeilen, heeft het verzet de grote diversiteit van al die deelnemers benut en hun energie gebundeld. Nu is alleen de vraag of dit pact en deze nieuwe manier om zo veel verschillende mensen op de been te brengen, blijvend zullen zijn.

    © Afdeling Planning, regering van Hongkong

    © Afdeling Planning, regering van Hongkong

    Eén land, twee systemen

    Na de machtsoverdracht in 1997 beloofde moederschoot China de ex-kolonie als Speciale Administratieve Regio (SAR) vijftig jaar lang met rust te laten. Leider Deng Xiaoping stemde er bovendien mee in dat Hongkong zijn economische, politieke en juridische systemen, zijn burgerlijke vrijheden en een vrije pers zou behouden. Die autonomie kent Hongkong inderdaad, behalve bij echt belangrijke kwesties, dan heeft de Volksrepubliek het laatste woord. Dat de Communistische Partij zich steeds meer laat gelden, veroorzaakt al jaren veel protest. Hongkongers vinden dat hun autonomie steeds verder wordt uitgehold, terwijl die tot 2047 zou zijn gegarandeerd onder de formule ‘één land, twee systemen’.

  • Stel, je bent Jood.  En je moet vriendschap sluiten met een nazi

    Stel, je bent Jood. En je moet vriendschap sluiten met een nazi

    Over de Tweede Wereldoorlog leek alles wel zo’n beetje uitgeplozen. Toch ontdekte Die Zeit een goedbewaard geheim: in een militair kamp aan de Amerikaanse oostkust verhoorden Duitse Joden de moordenaars van hun familie. In plaats van hen te folteren, gingen ze samen schaken en winkelen.

    Keuze uit het archief

    Net na de oorlog werden drie Duits-Joodse vrienden woonachtig in de Verenigde Staten aangesteld om Duitse krijgsgevangen te verhoren, nazi’s. Peter Weiss, Henry Kolm en Arno Mayer doen decennia later hun verhaal aan de Duitse krant Die Zeit. Tijdens de ondervragingen zetten ze hun gevoelens van haat en wraak opzij en proberen ze juist met vriendelijkheid de waarheid boven tafel te krijgen. Een bijna onmenselijke prestatie als je bedenkt dat diezelfde nazi’s veel van hun familieleden hebben vermoord.

    De drie vrienden trekken hun uniformen aan en stappen vanuit de barak aan de Amerikaanse oostkust de aangenaam warme ochtendzon in. Ze hebben geen idee dat ze nog diezelfde dag tegenover nazi’s zullen staan.

    Als Amerikaanse soldaten verheugen ze zich op dit moment. Ze hebben er maandenlang voor getraind. Als Europese vluchtelingen jubelen ze vanbinnen. Het waren immers de nazi’s die hen uit hun vaderland verdreven. En als Duitse Joden is er niets dat ze heviger verlangen. Ze haten de nazi’s om hun antisemitisme, om hun beestachtige bruutheid.

    De drie jongemannen waren enthousiast over het nieuws dat de Verenigde Staten zich mengden in de oorlog tegen het Duitse Rijk. Nauwelijks meerderjarig, meldden ze zich aan bij het Amerikaanse leger, waar ze elkaar leerden kennen. Peter Weiss, de intellectueel die Kant las en Machiavelli. Arno Mayer, de provocateur die nooit om een kwinkslag verlegen zat. En Henry Kolm, de knutselaar die als kind al wetenschappelijke tijdschriften las.

    Ze zaten nog in de basisopleiding toen het Amerikaanse leger de stranden van Normandië veroverde. Kregen een speciale training van de militaire geheime dienst terwijl hun kameraden de Rijn overstaken. En oefenden verhoormethoden tijdens de laatste dagen van Hitler. Vlak voordat de drie hun opleiding afrondden in de bossen van de Amerikaanse staat Maryland, bereikte hun het bericht van de capitulatie. De oorlog in Europa was voorbij, en zij, de drie vrienden, waren hem misgelopen.

    Arno Mayer. – 
© Alex Trebus / photoselection
    Arno Mayer. – 
© Alex Trebus / photoselection

    Als ze dus op die ochtend van de 9e juni 1945 een legerbus instappen, weten ze niet dat het oorlogsgeweld, dat tot in alle uithoeken van de planeet voelbaar is geweest, hen alsnog zal bereiken. De bus rijdt

    richting de hoofdstad Washington, en stopt voor een gebouw dat de jonge soldaten met verbazing bekijken. Een vijfhoekig blok beton, het grootste gebouw ter wereld, hoofdkwartier van de grootste strijdmacht van de wereld. Een uur wachten ze op de parkeerplaats. Dan krijgen ze het bevel over te stappen in een tweede bus, die er heel anders uitziet dan de eerste.

    Peter Weiss: De ruiten waren met triplex dichtgetimmerd. Alleen de chauffeur vooraan kon naar buiten kijken. We stopten bij een kamp. Er stond geen bord, alleen een slagboom en een man van de militaire

    politie. Iemand vroeg hem: ‘Hoe heet het hier?’ Hij zei alleen maar: ‘Nothing.’ Een naamloze plek.

    Henry Kolm: Ze zeiden tegen ons: dit kamp is hoogst geheim. Praat er met niemand over.

    Arno Mayer: Het was volkomen krankzinnig. Jullie lezers denken waarschijnlijk: die Mayer heeft ze niet meer allemaal op een rijtje, maar zoiets kun je niet verzinnen.

    Decennialang lag hun verhaal verborgen in stoffige kisten in het Amerikaanse Nationale Archief.

    Honderdduizend bladzijden akten, sommige getypt, vele met de hand geschreven, in kriebelig handschrift. Op elke bladzijde het stempel secret. Geheim. Pas een paar jaar geleden gaf het leger de documenten vrij, aanvankelijk onopgemerkt door

    de media. Nu kan men de akten inzien, in een stad

    in Maryland die College Park heet.

    Lang zwegen de mannen over hun missie, zoals

    het leger hen had opgedragen – ook tegenover hun vrouwen en kinderen. Maar nu, eindelijk, spreken de weinigen die nog in leven zijn, onder wie Arno Mayer en Peter Weiss, beiden negentig jaar oud. Henry Kolm stierf in 2010, hij liet autobiografische notities achter en een zes uur durend interview met een

    historicus, waaruit hier geciteerd wordt.

    Mensen willen altijd laten zien hoeveel ze weten, schrijft Griffith. Dat geldt 
in het bijzonder voor Duitsers

    Die Zeit heeft zes veteranen van dit geheime project opgespoord. Daarnaast is dit artikel gebaseerd op een twintigtal gesprekken die wetenschappers gevoerd hebben met intussen gestorven soldaten, plus een dagboek en documenten uit het archief. Dat alles samen vormt een tot dusver onbekend hoofdstuk 
van de Tweede Wereldoorlog – dat van het ‘naamloze kamp’, of, zoals de veteranen het noemen: Eleven Forty-Two.

    Zo luidt het officiële adres van het geheime kamp, een paar mijl ten zuiden van Washington: P.O.Box 1142, postbus 1142.

    Wie nu naar de plek rijdt waar destijds dit kamp was, stuit op een park met een keurig gemaaid grasveld. Tussen 1942 en 1946, zo blijkt uit foto’s en plattegronden, stonden er houten barakken waar nu een parkeerterrein is. Twee met prikkeldraad omheinde rijen cellen waar nu jongelui softbal spelen en wandelaars in een openbaar toiletgebouwtje verdwijnen. Verborgen in het plafond van de cellen had het leger microfoons geïnstalleerd, zo groot als kerkklokken. Ook dat is op foto’s te zien. Het hele kamp was voorzien van een kabelnetwerk. Men zou de gevangenen niet alleen verhoren, zo was het idee. Men zou ze 
ook afluisteren als ze na het verhoor in de cellen met hun medegevangenen praatten. Daarvoor hadden de Amerikanen vooral één ding nodig: veel personeel dat perfect Duits sprak: Hoogduits, Berlijns, Saksisch, Badisch, Beiers, Oostenrijks.

    Peter Weiss: Tijdens mijn artillerietraining werd ik bij de kolonel geroepen. Hij zei: ‘Ik heb gehoord dat je Duits spreekt?’ – ‘Yes, sir.’ – ‘Zeg eens iets.’ – ‘Wer reitet so spät durch Nacht und Wind? Es ist der Vater mit seinem…’ – ‘Oké, genoeg. Ik heb een job voor je.’

    Het Amerikaanse leger doorzoekt alle eenheden naar soldaten die Duits spreken. Ze vinden Peter Weiss, geboren in Wenen; Henry Kolm, ook geboren in Wenen; Arno Mayer, geboren in Luxemburg. En enkele tientallen anderen, gevlucht uit alle hoeken van het Groot-Duitse Rijk. Ze zijn pas sinds kort Amerikaans staatsburger. En het zijn bijna allemaal Joden.

    In de idylle van de Amerikaanse oostkust, vredig en groen, ver weg van het gebulder van de oorlog, werd de verhouding van macht en onmacht omgekeerd. De almachtige nazi’s, vertegenwoordigers van het regime dat miljoenen Joden vermoord had, waren opeens uitgeleverd aan hen, de jonge Joodse mannen. Alsof iemand hier het verhaal van de volmaakte wraak schreef. 3451 gevangenen. 3451 doelwitten 
om neer te schieten, af te ranselen, te kwellen.

    Maar juist dat hebben de instructeurs de jonge 
Amerikaans-Duitse soldaten verboden. In de weken voordat Arno Mayer, Henry Kolm en Peter Weiss 
naar Eleven Forty-Two komen, zijn ze gedrild in 
verhoortechnieken. De instructeurs hebben hun geleerd hoe je de vijand informatie ontlokt: Niet dreigen! Niet slaan! Niet folteren!

    Dat vonden de rekruten vreemd. Moesten ze, 
geconfronteerd met de grootste misdadigers, 
vriendelijk tegen ze zijn? Hun belangrijkste instructeur is een verhoorspecialist die Sanford Griffith heet. Al in de Eerste Wereldoorlog heeft hij Duitse gevangenen verhoord. En zoals scherpschutters technieken ontwikkelen om mensen te doden op honderd meter afstand, zo heeft hij methoden uitgedacht om mensen die tegenover hem zitten aan het praten te krijgen. Belangrijkste regel: vriendelijk zijn. Niet alleen omdat dit past in het volkenrecht, zoals het in de Geneefse Conventie van 1929 is vastgelegd, en opgenomen in het militaire instructieboek van de U.S. Army, bladzij 33, punt 45. Maar vooral omdat het werkt.

    Griffith heeft hierover een opstel geschreven dat hij uitdeelt aan de soldaten. Mensen willen altijd laten zien hoeveel ze weten, schrijft Griffith. Dat geldt 
in het bijzonder voor Duitsers. Die hebben een schoolmeesterneiging. ‘Duitse krijgsgevangenen zullen proberen ons de les te lezen,’ aldus Griffith. Dus moest je bij het verhoor de rol van de domme leerling spelen.

    Peter Weiss. – 
© Alex Trebus / photoselection
    Peter Weiss. – 
© Alex Trebus / photoselection

    Henry Kolm: Arno en ik werden zogeheten moraalofficieren. Het was onze taak belangrijke gevangenen te verhoren zonder dat ze het merkten. We moesten met ze schaken of tafeltennissen. Een van mijn eerste ‘klanten’ was nazipropagandist Kurt Hesse. Die zei eens tegen mij: ‘Jouw land, Oostenrijk, is prachtig.’ Hij had mijn accent herkend. Hij vertelde dat hij eens vakantie gevierd had aan een bergmeer op de Turracher Höhe, in een plaatsje dat zo afgelegen was dat ik het in geen geval zou kennen. Maar toevallig was ik daar eens geweest, er waren maar twee hotels. Dus ik vroeg: ‘O, was je in de Sieglerhof of in het 
Seehotel?’ Vanaf dat moment dacht hij dat ik alles over hem wist. God, wat heb ik daarvan genoten!

    Belangrijke gevangenen als Hesse wonen niet in 
de cellenblokken, maar in houten huizen in het bos, met meerdere kamers, een keuken en een bad. De Amerikanen noemen het ‘villa’s’. Op de veranda staan stoelen, zodat de nazi’s in de zon kunnen zitten. De strategie van het vleien, paaien, verstrikken leidt tot surreële scènes: jongensachtige, Joodse Amerikanen, van wie velen zich nog Duits voelen, geanimeerd in gesprek met officieren van de 
Wehrmacht. Op zomerdagen zwemmen ze in het zwembad. ’s Avonds gaan ze naar de kampbioscoop.

    Peter Weiss: Het zag eruit als een vakantiekamp.

    Anders dan zijn beide vrienden is Weiss geen moraalofficier; zijn werkplek is een centraal gelegen barak, waarin de onderaardse afluisterkabels samenkomen. Weiss zit aan een tafel en luistert met zijn koptelefoon. Voor hem staat een bandrecorder. 
Weiss kan van cel naar cel, van hut naar hut schakelen. Hoort hij iets interessants, dan neemt hij het op.

    De afluisterprotocollen die Weiss en zijn collega’s opstellen, zullen zeventig jaar later een inkijkje 
geven in het dagelijks leven van Duitse frontsoldaten. De gevangenen spreken over nachten doorzakken, over vrouwen, over de oorlog en oorlogsmisdaden.

    ‘S.: Dat was in de herfst van 1941. De hele Joodse bevolking van een stad werd in een massamoord doodgeschoten.

    P.: Heb je dat gezien?

    S.: Ik niet. Maar twee mannen van mijn peloton. 
Die hebben zelf mee geschoten. Dat is onweerlegbaar. Daar was ook geen Jood meer te vinden. Dat 
is door de SS uitgevoerd.

    P.: Hoeveel?

    S.: Ze hadden het toen over achthonderd. Naar 
schatting. Dat zei een korporaal tegen me. Die zei uit zichzelf: Daar had ik graag aan meegedaan. Een oude nazi. Terwijl de anderen allemaal zeiden dat het een rotstreek was. Alleen daarom al, dat is niet gelogen.’

    Geen haat

    Peter Weiss: Wij vermoedden alleen maar dat

    sommige familieleden in de kampen gestorven waren. Had ik toen al geweten dat mijn grootvader vergast was, dan had ik dit werk misschien niet

    kunnen doen.

    Arno Mayer: Soms had ik een gevoel alsof ik moest kotsen, omdat ik vriendelijk tegen deze types moest zijn. Ik vroeg me af: wat hebben die in de oorlog gedaan? Ik haatte de Duitsers met elke vezel van mijn lijf. Maar ons was bevolen dat we die haat moesten onderdrukken.

    Soms verzetten soldaten in Eleven Forty-Two zich tegen hun instructies. Maar het is geen haat of wraak die ze de grenzen laat overschrijden, maar

    de wens om belangrijke informatie los te krijgen.

    Zo pogen officieren een gevangene aan de praat te krijgen door hem te injecteren met cocaïne. Een andere keer proberen ze het met hypnose. Beide pogingen mislukken. Een poging om een gevangene dronken te voeren eindigt ermee dat de verhoorofficieren zo dronken worden dat het verhoor moet worden afgebroken. Maar iets anders lukt wel.

    Henry Kolm: Wij hadden zo’n SS-type dat ondanks alle vriendelijkheid niet wilde praten. Op een bepaald moment waren we het zat, en zeiden tegen hem: Dan geven we je aan de Russen. We brachten hem naar een ruimte waarin een van onze kameraden wachtte: Alex. Hij sprak net zo goed Russisch als wij Duits, en droeg een Sovjetuniform. Alex zei: ‘Oké, je wilt niet praten. Dan vergassen we je.’ Hij sloot de deur en liet met een ventilator stof door een ventilatiegat blazen. Toen begon de nazi te praten.

    Maar deze pogingen om uitspraken af te dwingen zijn zeldzaam, net als zwijgzame gevangenen. De strategie van de gespeelde vriendelijkheid werkt.

    De Duitsers leveren de Amerikanen de gewenste inlichtingen. De Tweede Wereldoorlog werd op vele plaatsen gewonnen. Eleven Forty-Two, zo weten we nu, was er een van. Gedurende de oorlog tekenen Duitse gevangenen voor hun verhoorders kaarten van wapenfabrieken, en schetsen ze constructietekeningen van wapensystemen. De Amerikanen krijgen gegevens over hoe diep de Duitse onderzeeërs duiken en over de precieze locatie van een Hamburgse scheepswerf, die ze vervolgens vernietigen. Nu, in juni 1945, gaat het niet meer om militaire geheimen; de Wehrmacht is verslagen. Nu gaat het om het

    achterhalen van oorlogsmisdaden.

    En dan zegt Peter Weiss, na een urenlang gesprek, met zachte stem iets zo ongehoords dat je hem in eerste instantie niet wilt geloven

    Peter Weiss: Iedereen probeerde ons wijs te maken dat hij geen echte nazi was. Sommigen geloofde ik. Dan lag ik ’s nachts wakker en pijnigde mijn hersens af: heb ik me laten beetnemen?

    En dan zegt Peter Weiss, na een urenlang gesprek, met zachte stem iets zo ongehoords dat je hem in eerste instantie niet wilt geloven.

    Peter Weiss: Af en toe ontstond er sympathie tussen sommigen van hen en sommigen van ons.

    Sympathie met de moordenaars? Een andere veteraan van Eleven Forty-Two, die twee jaar lang in het kamp diende, zegt over een van de gevangen Duitsers in alle ernst: ‘Hij was een van de goede nazi’s.’

    Goede nazi’s. Het zijn twee woorden die in volstrekte tegenspraak met elkaar lijken. Woorden die bewijzen dat de strategie van de vriendelijkheid niet alleen de Duitse gevangenen veranderde, die steeds praatgrager werden. Ze veranderde ook de Amerikaanse soldaten, die door al hun afschuw en hun haat heen opeens 
niet alleen monsters voor zich zagen, maar mensen, in al hun complexiteit, met alle tegenstrijdigheden.

    En in Eleven Forty-Two verandert nog iets anders. 
De interesse van de Amerikanen in de Duitse schuld duurt niet zo lang. Of preciezer: die wordt, eerst maar een beetje, dan steeds sterker, overvleugeld door de interesse in Duitse kennis, Duitse techniek, die nuttig kan zijn voor het volgende conflict, de volgende grote oorlog. Techniek zoals de Amerikanen die op de U-234 aantreffen. De bemanning van deze Duitse U-Boot heeft niets meegekregen over het einde van de oorlog. Als Duitsland capituleert, vaart de onderzeeër juist door de Atlantische Oceaan op weg naar Japan, van alle berichtgeving afgesneden. De Führer persoonlijk heeft de U-234 daarheen gestuurd, volgepakt met Duitse militaire techniek voor de Japanse bondgenoten. Ook een van Hitlers beste wetenschappers is aan boord, ingenieur Heinz Schlicke.

    Als de kapitein van de U-234 het bericht van de capitulatie verneemt, verandert hij van koers. Hij stuurt aan op de Amerikaanse oostkust en geeft zich over aan een schip van de US Navy. De Amerikanen slepen de U-234 naar de haven van Portsmouth in New England.

    Henry Kolm: Ze hadden iemand nodig die verstand had van techniek. Dus reed ik erheen. De U-234 lag in het dok. Onze mensen laadden de vracht uit met een kraan. Het was ongelofelijk: V2-motoren, kisten vol tekeningen en documenten, een gevechtsvliegtuig van het type Messerschmitt Me 262 in onderdelen, en een pallet met een soort tank erop. Later heb ik gehoord dat daarin 560 kilo uraniumoxide zat, de grondstof voor een atoombom. De Duitse wetenschap was de Amerikaanse indertijd jaren, en op sommige gebieden decennia vooruit. Ons geluk was dat er zelfs iemand aan boord was die die techniek begreep, dr. Heinz Schlicke. We brachten de crew naar Eleven Forty-Two.

    Een van de gevangenen van 1142.
    Een van de gevangenen van 1142.

    In die zomerdagen van 1945 rijdt bijna dagelijks een wagen het kamp uit, meestal tegen de middag, om uren later terug te keren. Erin zitten een Amerikaanse officier en steeds dezelfde gevangene: Heinz Schlicke. Vijftien kilometer naar het noorden, in het Pentagon, houdt Schlicke voordrachten over radar- 
of infraroodtechniek en geeft hij Amerikaanse 
officieren advies, aanvankelijk aarzelend, dan steeds vrijmoediger. Al snel ontstaat daaruit een nauwe samenwerking.

    Zo ontstaat in de loop van het jaar 1945 in Eleven Forty-Two uit het verhoorprogramma een wervingsprogramma. Doel: nieuw personeel aanwerven voor het Amerikaanse leger. Vooral Duitse wetenschappers zijn bijzonder gewild, niet zelden zijn zij in hun discipline de meest toonaangevende in de wereld.

    De belangrijkste onder hen is Wernher von Braun (bedenker van de V2, een voor die tijd revolutionaire ballistische raket).

    Kort voor de Duitse capitulatie meldt Wernher von Braun zich in de Allgäu bij de Amerikanen. Hij treedt daar met veel zelfvertrouwen op. Iemand van het Amerikaanse leger zal over hem zeggen: ‘Hij behandelde onze soldaten met de minzame neerbuigendheid van een congreslid op werkbezoek.’

    Von Braun weet dat hij iets te bieden heeft. Hij kan nieuwe raketten ontwikkelen voor de Amerikanen. Raketten die – destijds onvoorstelbaar – hele 
continenten en zeeën over kunnen vliegen.

    In de Amerikaanse regering ontbrandt een strijd. 
De militaire geheime dienst wil Wernher von Braun en zijn wetenschappers naar Amerika halen en van hun kennis profiteren. Maar op het State Department is de boodschap: geen sprake van, ze moeten bestraft worden.

    De militairen wachten de uitkomst van deze strijd niet af. In juni geven ze Wernher von Braun een arbeidscontract, buiten medeweten van grote delen van de Amerikaanse regering. Samen met 115 andere wetenschappers, onder wie zijn belangrijkste medewerkers, stapt Wernher von Braun een vliegtuig in.

    Henry Kolm: Arno, Peter en ik kregen het bevel naar Boston te rijden en het Von Braun-gezelschap te 
ontvangen. Omdat alles zo geheim was, richtten we op een verlaten eiland in de haven een provisorisch steunpunt in. Niemand mocht deze lui zien, dat zou een reusachtig schandaal zijn geweest. Op het eiland stond een groot huis, waarin wij met die wetenschappers woonden. Wij noemden het ‘Huis van de Duitse Wetenschap’. Ze gaven lezingen; Von Braun sprak over zijn droom om naar de maan te vliegen. Op een keer zeiden ze tegen mij: ‘We hebben al zo lang geen Mendelssohn meer gehoord. Dat was verboden.’ Dus zorgde ik voor een grammofoonplaat. Later brachten we de wetenschappers naar Eleven Forty-Two.

    Arno Mayer: Ik was Von Brauns moraalofficier. 
Gelukkig wist ik niet wat hij in de oorlog gedaan had. Maar niettemin had ik er geweldig de pest in deze types te moeten paaien. Achter mijn rug noemden de wetenschappers mij ‘mijn kleine Jodenjongen’. Een keer ben ik kwaad geworden, toen Von Braun zei: 
‘Hitlers enige fout was dat hij de Joden vermoordde.’ 
Ik zei: ‘Als je nu in Rusland was, zou je zeggen dat zijn enige fout was dat hij de Sovjet-Unie binnenviel.’ Later werd ik berispt door mijn meerdere. Als ik dat nog eens deed, zou ik voor een militaire rechtbank komen.

    Lingerie

    Op een zeker moment gaf mijn commandant mij 
een paar honderd dollar en stuurde mij met vier wetenschappers uit winkelen, Von Braun was er ook bij. Ze wilden hun vrouwen kerstpakketten sturen. Ik reed deze vier naziwetenschappers naar de grootste Joodse zaak van de stad, Lansburgh’s. Ze kochten cacao, suiker, koffie. Toen gingen ze naar de afdeling lingerie. Ik was negentien en had nog nooit damesondergoed gekocht. Ik zal het tafereel nooit vergeten: die vier figuren met hun leren jassen en Tiroler hoedjes op de afdeling lingerie. Toen de verkoopster met nylon slipjes aankwam, gooide Von Braun zijn handen in de lucht en zei: ‘O nee! Wollen onderbroeken met lange pijpen!’

    Wernher von Brauns contract wordt verlengd. 
Hij werkt voor het leger, daarna voor de nieuw 
opgerichte NASA. Hij bouwt de raketten voor de maanlanding en raakt bevriend met John F. Kennedy. Hij sterft in 1977 als een Amerikaanse held. In totaal brengen de Amerikanen meer dan zestienhonderd Duitse wetenschappers het land in, onder wie oorlogsmisdadigers, artsen die op mensen experimenteerden en chemici die gifgassen voor de Wehrmacht ontwikkelden. Allemaal beginnen ze een nieuw leven in Amerika.

    In de VS nemen de drie vrienden Henry Kolm, Arno Mayer en Peter Weiss in het jaar 1946 ontslag uit het leger. Weiss wordt een succesvolle advocaat, Mayer historicus, en Kolm fysicus aan het Massachusetts Institute for Technology in Boston. Ze blijven hun leven lang bevriend.

    In het jaar 2007 treffen de veteranen van Eleven 
Forty-Two elkaar na meer dan zestig jaar voor het eerst weer op de plek waar ze destijds dienden. Mayer, Weiss en Kolm zitten voor een speciaal gebouwd podium in het park. Een legerofficier legt in een toespraak een verband tussen de Tweede Wereldoorlog en Irak. Als hij de veteranen op het podium roept voor een eerbetoon, blijft Arno Mayer zitten. 
Uit protest tegen de Amerikaanse verhoormethoden van tegenwoordig. Kort tevoren zijn de beelden uit de foltergevangenis van Abu Ghraib gepubliceerd.

  • Zionisme: de doodsstrijd van een racistische droom

    Zionisme: de doodsstrijd van een racistische droom

    De Palestijns-Amerikaanse schrijfster en activiste Susan Abulhawa beschouwt het zionisme als op sterven na dood. ‘Hoewel getraumatiseerd en zonder duidelijke leider, zijn de Palestijnen nog altijd opstandig en vastberaden – we blijven eensgezind, verbonden door een gedeeld leed.’

    Keuze uit het archief

    Sinds de aanval van Hamas op Israël op 7 oktober 2023 neemt Israël de Palestijnen in Gaza geregeld onder vuur. De gedachte dat het land alleen erop uit is Hamas uit te roeien, wordt door het merendeel van de internationale gemeenschap allang niet meer geloofd. Regelmatig wordt Israël ervan beticht genocide op de Palestijnen te plegen.
    Of Israël het gemunt heeft op de uitroeiing van het Palestijnse volk, is volgens de Palestijns-Amerikaanse schrijfster en activiste Susan Abulhawa allang geen vraag meer. Al decennialang roepen vooraanstaande Israëliërs onomwonden om de vernietiging van de Palestijnen, schreef ze in 2015 in dit artikel uit Middle East Eye. Tegelijkertijd is ze ervan overtuigd dat Israël er nooit in zal slagen de Palestijnen te onderwerpen. ‘Wij laten ons niet klein krijgen.’

    In 1945 schreef luitenant-kolonel George Gawler een rapport over de eventuele kolonisatie van Palestina voor de Joden. De problemen die hij voorzag hadden te maken met bestaansmiddelen en de vraag of men Joden zou weten over te halen om naar Palestina te emigreren. Er werd volkomen voorbijgegaan aan de Palestijnse bevolking die er al vele eeuwen woonde.

    Tientallen jaren later, toen werd besloten over het lot van Palestina (destijds een zogeheten Brits mandaatgebied) zei Lord Balfour: ‘We zijn niet van zins om, al was het maar voor de vorm, te informeren naar de wensen van de huidige bewoners van het land.’ Toch trokken de Engelsen zich terug, uit 
angst voor een Palestijnse opstand. 
Ze realiseerden zich dat ze een fout hadden begaan door geen acht te slaan op de wil en de menselijkheid van de oorspronkelijke bevolking. Toen later de zionisten Palestina bezetten en meer dan tachtig procent van de inheemse bevolking verdreven, voorspelde de eerste premier van Israël, David Ben-Goerion (de in Polen geboren David Grün), op triomfantelijke toon dat de oorspronkelijke bevolking binnen afzienbare tijd het veld zou ruimen. ‘De ouderen zullen overlijden en de jongeren zullen vergeten,’ zei hij.

    ‘We zullen moeten doden en nog eens doden, de hele dag door, elke dag opnieuw’

    Ook hij zat ernaast. Vele decennia later, toen deze zionistische fantasie niet bleek te zijn bewaarheid, ging Israël ervan uit dat men met bruut geweld en een volledige kolonisatie van het land uiteindelijk de oorspronkelijke bevolking van Palestina volledig zou weten uit te roeien. De stafchef van het leger, Raphael Eitan, zei onomwonden: ‘Als we het hele land hebben gekoloniseerd, kunnen de [Palestijnse] Arabieren
weinig anders meer doen dan als een stel verdwaasde kakkerlakken in een fles krioelen.’

    Ook nu weer bleek Israël zich te hebben vergist, en als reactie werd domweg het geweld opgevoerd. ‘We zullen moeten doden en nog eens doden, de hele dag door, elke dag opnieuw,’ aldus een Israëlische professor. Een vooraanstaande Israëlische wetgever breidde deze oproep tot genocide uit naar Palestijnse moeders en hun kinderen, die zij ‘kleine slangen’ noemde. En nu heeft Netanyahu, als een bokkig en verwend kind dat niet zijn zin heeft gekregen in de onderhandelingen met Iran zijn 
boevenbende bij elkaar geroepen om met veel misbaar te stampvoeten op heilige grond – een geweldige woedeaanval, bedoeld voor president Obama, als om te zeggen: Kijk wat ik allemaal nog klaar kan spelen.

    De nieuwste manier om Palestina van de aardbodem te vagen is de inzet van de burgerbevolking, die wordt verzocht zich te bewapenen en zich aan te sluiten bij het legertuig, om onze ongewapende burgerbevolking te lijf te gaan. Op internet wemelt het van de filmpjes en berichten over willekeurige executies, steekpartijen en de bandeloze bloeddorst van groepen burgers.

    Maar toch.

    Wij laten ons niet klein krijgen.

    Onze eeuwenoude samenleving, 
uit elkaar gevallen en onmenselijk behandeld, houdt nog immer stand: strijdlustig, bezield en vastberaden. Ondanks alle trauma’s en het gebrek aan een leider blijven we opstandig, dapper en wilskrachtig. Waar we ons ook bevinden, in bezet gebied of ontheemd, verspreid over de wereld – Gaza, de Westoever, Jeruzalem, vluchtelingenkampen in Libanon of Syrië of Irak, gevlucht in een diaspora die tot in alle uithoeken van de wereld reikt – we blijven handelen als één, verbonden 
in een gemeenschappelijk trauma waarvan je zou verwachten dat de Joden er begrip voor zouden hebben.

    Wat zullen ze verbaasd zijn. Wat moet het fnuikend zijn voor hun moraal om zo’n enorm leger te hebben en uiteindelijk maar zo weinig te kunnen uitrichten tegen onze stenen.

    Wat moet het je moedeloos stemmen, Israël. Wat moet het afschuwelijk zijn om zo verschrikkelijk te falen, jaar in jaar uit, decennium na decennium. 
Om keer op keer de wreedheden op te voeren, meer dood en verderf te zaaien, maar ons niet klein te kunnen krijgen. Om kleine kinderen, die het in hun broek doen van angst, met duizenden tegelijk af te voeren om vervolgens 
tot de ontdekking te komen dat de 
volgende dag duizenden anderen hun plek hebben ingenomen en stenen gooien naar jullie tanks en geweren. Om ze gevangen te zetten als ze nog 
zo jong zijn dat ze huilen van angst en om hun moeder schreeuwen, maar vervolgens te moeten merken dat je ze niet hebt weten te breken, dat ze zich blijven verzetten en tegen je blijven vechten. Om huizen en hele dorpen met de grond gelijk te maken om tot 
de ontdekking te komen dat we sneller bouwen en ons sneller vermenigvuldigen dan jullie. Om te zien dat we onder jullie onophoudelijke bezetting en de bloedbaden die jullie aanrichten blijven dansen, studeren en trouwen. Om te zien hoe we leven terwijl we verscheurd worden door het verdriet en het lijden dat jullie ons aandoen. Om onze scholen plat te gooien, om te verhinderen dat leerlingen en docenten het klaslokaal bereiken, en toch te moeten erkennen dat onze geletterdheid nauwelijks onderdoet voor die van jullie. Wat moet het jullie een angst inboezemen dat we nog altijd niet bang van jullie zijn; dat wij, in het diepst van ons wezen, een onoverwinnelijk volk zijn en dat jullie het juist zijn die in angst leven. Wat moet het ongekend teleurstellend zijn om onze dorpen met de grond gelijk te maken, om vele decennia opgravingen te doen in Siloam, onder de al-Aqsa-moskee en de al-Shakra, maar nog altijd geen tastbare bewijzen te hebben gevonden die jullie verhaal ondersteunen, terwijl er tegelijkertijd talloze Palestijnen zijn wiens historische aanspraken onweerlegbaar zijn, zwart-op-wit staan, grote bekendheid genieten en op grote schaal worden erkend. Wat moet het frustrerend voor jullie zijn dat degenen van ons die door jullie uit hun huis zijn verdreven, van wie jullie dachten dat ze zouden vergeten, gewoon blijven schrijven, scheppen, protesteren, jullie in het buitenland aan de schandpaal nagelen en steeds meer steun krijgen voor de Boycott Divestment and Sanctions-campagne [BDS, een beweging die zich fel inzet voor minder economische en politieke druk vanuit Israël op Palestina] die 
jullie leugens ontzenuwt. Wat moet het ontmoedigend zijn om miljoenen uit te geven om ons in het buitenland in diskrediet te brengen, teneinde 
ons de mond te snoeren, terwijl onze stem alleen maar luider wordt.

    Wij hebben een sterke, instinctieve hang naar waardigheid

    Israël heeft de fout begaan van alle koloniale bezetters in het verleden, aangezien kolonialisme altijd gepaard gaat met een gevoel van superioriteit waarbij de oorspronkelijke inwoners niet langer als mensen worden beschouwd. Israël heeft ons dan ook stelselmatig onderschat. Wat Israël ontgaat, en wat Israël ook onwelgevallig is, is dat ook wij het diep menselijke, impulsieve verlangen hebben naar 
vrijheid; dat wij een sterke, instinctieve hang hebben naar waardigheid.
    Ik zie het dilemma van Israël. Ik zie de angst van Israël. De frustratie dat de racistische droom net geen werkelijkheid is geworden. En ik zie ook dat de manier waarop Israël nu wild van zich af trapt – gewelddadig, stuitend, krankzinnig onzeker en onvoorstelbaar wreed – de doodsstuipen zijn van het zionisme.

  • Vladimir Poetin: ‘Het is niet nodig om bang te zijn voor Rusland’

    Vladimir Poetin: ‘Het is niet nodig om bang te zijn voor Rusland’

     

    Vladimir Poetin gaf tijdens een bezoek aan Italië in 2015 een spraakmakend interview aan de krant Corriere della Sera. De Russische president noemt de angst voor zijn land zwaar overtrokken: ‘Slechts een krankzinnig persoon, en dan nog alleen in zijn dromen, kan zich voorstellen dat Rusland de NAVO aanvalt.’

     

    Keuze uit het archief

    Hij wordt paranoia genoemd, een gevaarlijke gek, een mokkende puber, en wat al niet meer. Er wordt beweerd dat Poetin nu toeslaat omdat Merkel weg is, en hij eerder niet durfde. Of dat hij alleen maar een oorlog is begonnen om binnenlands protest de kop in te drukken. Kortom: er wordt volop invulling gegeven aan wat er omgaat in zijn hoofd.

    In dit diepgravende interview geeft hij daar inzicht in. Veel thema’s die nu spelen komen aan bod, en Poetin spreekt openlijk over de internationale betrekkingen. ‘We hebben Europa nooit als maîtresse gezien. Ik ben nu heel serieus.’

    Vladimir Poetin
    Goedenavond.

    Luciano Fontana
    Goedenavond, meneer de president. Om te beginnen willen we u bedanken voor deze belangrijke kans om u vandaag te mogen interviewen.

    Vladimir Poetin
    Het genoegen is geheel aan mijn kant.

    Luciano Fontana
    Mijn naam is Luciano Fontana. Ik ben de nieuwe hoofdredacteur van Corriere della Sera, en dit is mijn collega Paolo Valentino, die heel lang in Rusland heeft gewerkt en zelfs met een Russische vrouw is getrouwd.

    Vladimir Poetin
    Bent u de nieuwe hoofdredacteur van het dagblad?

    Luciano Fontana
    Ja, sinds een maand.

    Vladimir Poetin
    Gefeliciteerd met uw benoeming.

    Luciano Fontana
    Dank u zeer, meneer de president. Ik zou willen beginnen met een vraag over de Russisch-Italiaanse betrekkingen. Die zijn altijd nauw en speciaal geweest, zowel in de economische als in de politieke sfeer. Maar ze hebben schade geleden door de Oekraïense crisis en de sancties. Zouden het recente bezoek van de Italiaanse premier Matteo Renzi aan Rusland en uw aanstaande bezoek aan Milaan deze trend kunnen keren, en zo ja, wat is daar dan voor nodig?

    Vladimir Poetin
    In de eerste plaats ben ik ervan overtuigd dat Rusland niet verantwoordelijk was voor de verslechtering van de betrekkingen tussen ons land en de staten van de Europese Unie. Dit was niet onze keus, maar werd ons opgedrongen door onze partners. Het waren niet wij die beperkingen van de handel en de economische activiteiten introduceerden. We waren eerder het doelwit en moesten reageren met vergeldingsmaatregelen om ons te beschermen.

    Maar de betrekkingen tussen Rusland en Italië zijn inderdaad altijd speciaal geweest, zowel op het gebied van de politiek als op dat van de economie. De afgelopen jaren is de handel tussen onze landen bijvoorbeeld elf maal groter geworden, van zo’n 4,2 miljard dollar – we rekenen in dollars – naar ruim 48, bijna 49 miljard dollar.

    Er zijn vierhonderd Italiaanse bedrijven actief in Rusland. We werken actief samen in de energiesector, en in een brede reeks andere sectoren. Italië is de op twee na grootste consument van onze energiebronnen. We hebben ook veel gezamenlijke hightechprojecten: in de ruimte- en luchtvaartindustrie, en in veel andere sectoren. Ook de Russische regio’s werken nauw met Italië samen. Vorig jaar bezochten bijna een miljoen Russische toeristen, zo’n 900.000 mensen, Italië en daar hebben ze ruim een miljard euro uitgegeven.

    We hebben ook altijd op vertrouwen gebaseerde betrekkingen in de politieke sfeer onderhouden. De instelling van het Beraad van Rusland en de NAVO was een Italiaans initiatief – Silvio Berlusconi was destijds premier. Dit advieslichaam is ongetwijfeld uitgegroeid tot een belangrijke veiligheidsfactor in Europa. In dit opzicht heeft Italië altijd een grote bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de dialoog tussen Rusland en Europa, en met de NAVO als geheel. Om maar te zwijgen van onze speciale samenwerking op cultureel en humanitair gebied.

    Dit alles vormt uiteraard de basis voor een bijzondere relatie tussen onze twee landen. En van het bezoek van de zittende Italiaanse premier aan Rusland is een zeer belangrijke boodschap uitgegaan, die inhield dat Italië bereid is deze betrekkingen verder te ontwikkelen. Het is alleen maar natuurlijk dat dit niet onopgemerkt voorbijgaat aan de regering van de Russische Federatie en het algemene publiek.

    Wij zijn uiteraard bereid om deze uitgestoken hand te beantwoorden en onze samenwerking te verdiepen, zolang onze Italiaanse partners bereid zijn hetzelfde te doen. Ik hoop dat mijn aanstaande bezoek aan Milaan in dit opzicht zal helpen.

    Luciano Fontana
    Ik wil graag mijn nieuwsgierigheid bevredigen en u nog één vraag over Italië stellen. U heeft diverse voorzitters van de Italiaanse ministerraad gekend – Romano Prodi, Silvio Berlusconi, Massimo D’Alema en Matteo Renzi. Met wie had u de beste verstandhouding? En in hoeverre denkt u dat het bestaan van een persoonlijke band – zoals u die had met Silvio Berlusconi – bijdraagt aan de goede betrekkingen tussen landen?

    Vladimir Poetin
    Het maakt niet uit wat voor posities we bekleden of welke banen we hebben, we blijven mensen, en persoonlijk vertrouwen is zeker een heel belangrijke factor in ons werk, bij het bewerkstelligen van goede relaties op interstatelijk niveau. Een van de mensen die u zojuist noemde heeft ooit tegen mij gezegd: ‘U moet de enige zijn (waarmee hij bedoelde dat ik ook écht de enige was) – die vriendschappelijke betrekkingen onderhoudt met zowel Berlusconi als Prodi.’ Ik kan u vertellen dat dat niet moeilijk voor me was, en dat ik dat nog steeds niet moeilijk vind, en ik kan u ook vertellen waarom. Mijn Italiaanse partners hebben altijd de belangen van Italië en van het Italiaanse volk vooropgesteld en geloofd dat zij, om de belangen van hun land te dienen, inclusief de economische en politieke belangen, vriendschappelijke betrekkingen met Rusland moeten onderhouden. Wij hebben dat altijd zo begrepen en gevoeld.

    Dit was het sleutelelement dat ten grondslag lag aan onze goede betrekkingen. Ik heb altijd een werkelijk eerlijk belang gevoeld als het ging om het uitbouwen van de interstatelijke relaties, ongeacht de binnenlandse politieke situatie. Ik zou in dit verband willen zeggen dat de houding die de mensen in Rusland jegens Italië hebben ontwikkeld niet afhangt van de vraag welke politieke partij aan de macht is.

    © Aykut Unlupinar / Anadolu Agency / Getty Images
    © Aykut Unlupinar / Anadolu Agency / Getty Images

    Paolo Valentino
    Meneer de president, u komt naar Milaan voor de viering van Rusland-dag op de Wereldtentoonstelling EXPO 2015. Het kernthema van de tentoonstelling van dit jaar is ‘Het voeden van de planeet, energie voor het leven.’ Wat is de bijdrage van Rusland aan dit thema? Wat betekent deze inspanning voor de betrekkingen tussen de staten?

    Vladimir Poetin
    Dit is een van de grootste uitdagingen waar de mensheid vandaag de dag voor staat. Ik moet dus erkennen dat de Italiaanse organisatoren een van de belangrijkste thema’s voor deze tentoonstelling hebben gekozen.

    De wereldbevolking groeit. Volgens de deskundigen zal zij in 2050 een omvang hebben bereikt van 9 miljard mensen. Maar zelfs vandaag al zijn volgens dezelfde VN-bronnen 850 miljoen mensen op de hele planeet ondervoed of hongerlijdend, en 100 miljoen daarvan zijn kinderen. Er kan dus niet aan worden getwijfeld dat dit een van de belangrijkste problemen van onze tijd is. Veel andere kwesties, die daar schijnbaar niets mee te maken hebben, zullen afhangen van de manier waarop we dit aanpakken. Ik heb het dan onder meer over de instabiliteit, te weten de politieke instabiliteit van hele regio’s, het terrorisme, enzovoort. Al deze problemen zijn onderling verbonden. De golf aan illegale immigratie waarmee Italië en Europa vandaag de dag te kampen hebben, behoort hier ook toe. Ik zou willen herhalen dat de organisatoren in mijn optiek het juiste besluit hebben genomen door te wijzen op de noodzaak aandacht te besteden aan dit probleem.

    Wat de bijdrage van Rusland betreft: wij dragen ruim 200 miljoen dollar bij via de diverse VN-programma’s. Veel landen in de wereld ontvangen dankzij de Russische financiering van deze programma’s noodzakelijke steun en hulp. Wij besteden aanzienlijke aandacht aan de ontwikkeling van de landbouw in ons land. Ondanks alle problemen waar de ontwikkeling van de Russische economie nu voor staat is onze landbouwsector, de sector van de agrarische productie, gestaag gegroeid – die groei bedroeg vorig jaar nog zo’n 3,4 tot 3,5 procent. In het eerste kwartaal van dit jaar is de groei op hetzelfde peil gebleven, boven de 3 procent, om precies te zijn op 3,4 procent. Rusland is nu de op twee na grootste graanexporteur ter wereld. Vorig jaar hadden we een recordoogst graan, een van de grootste van de afgelopen jaren, met 105,3 miljoen ton. Rusland heeft op dit terrein uiteindelijk een enorm potentieel. Ik denk dat wij de grootste oppervlakte aan bebouwbaar land in de wereld hebben en de grootste zoetwatervoorraden, omdat Rusland qua grondgebied het grootste land ter wereld is.

    Paolo Valentino
    Dank u, meneer Poetin. Als we het hebben over de schaduw die over onze betrekkingen hangt, zegt u dat dit niet uw keuze was, en er wordt gezegd dat Rusland zich verraden voelt, in de steek gelaten door Europa, als een minnaar die door zijn maîtresse is verlaten. Wat zijn de problemen waaronder onze relatie vandaag de dag gebukt gaat? Denkt u dat Europa zich in de Oekraïense crisis te afhankelijk van de Verenigde Staten heeft opgesteld? Wat verwacht u van Europa in verband met de sancties? Misschien heb ik nu te veel vragen tegelijk gesteld.

    Vladimir Poetin
    U heeft zeker veel vragen gesteld, met typisch Italiaanse flair (lacht).

    Eerst iets over die maîtresse. In dit soort relaties met vrouwen, als je geen verplichtingen bent aangegaan, mag je je partner ook geen eisen stellen. We hebben Europa nooit als een maîtresse gezien. Ik ben nu heel serieus. We hebben altijd een serieuze relatie nagestreefd. Maar nu heb ik de indruk dat Europa feitelijk heeft geprobeerd op grondstoffen gebaseerde betrekkingen met ons aan te gaan, en louter voor eigen gewin. Zo is er de beruchte ‘Third Energy Package’ [een pakket wettelijke maatregelen ten behoeve van het verder openstellen van de gas- en elektriciteitsmarkt in de EU] en het weigeren van onze nucleaire producten op de Europese markt, ondanks alle bestaande overeenkomsten.

    We hebben Europa nooit als maîtresse gezien. Ik ben nu heel serieus

    Er is onwil om de legitimiteit van ons handelen te erkennen en onwil om samen te werken met instellingen die zijn gevormd op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie. Ik heb het over de douane-unie, die we in het leven hebben geroepen en die nu is uitgegroeid tot de Euraziatische Economische Unie. Want het is goed als Europa integreert, maar als we hetzelfde doen op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie, proberen ze dat uit te leggen met een verwijzing naar de Russische wens om het oude imperium in ere te herstellen. Ik begrijp niet wat daaraan ten grondslag ligt.

    Wij allemaal, ook ikzelf, hebben het al lange tijd over de noodzaak om een gemeenschappelijke economische ruimte in te richten, die zich uitstrekt van Lissabon tot aan Vladivostok. De Franse president Charles de Gaulle heeft al veel eerder iets soortgelijks gezegd. Vandaag de dag verzet niemand zich daartegen, iedereen zegt dat we hierop uit moeten zijn. Maar wat gebeurt er in de praktijk? De Baltische Staten hebben zich bijvoorbeeld bij de Europese Unie aangesloten. Goed, dat is geen probleem. Maar vandaag de dag wordt tegen ons gezegd dat deze landen, die deel uitmaken van het energiesysteem van de voormalige Sovjet-Unie en Rusland, zich moeten aansluiten bij het energiesysteem van de Europese Unie. Wij vragen dan of er problemen zijn met de energielevering of met andere zaken. Waarom is dat nodig? – Nee, er zijn geen problemen, maar we hebben besloten dat het zo beter is.

    Wat betekent dit in de praktijk voor ons? Het betekent dat we ons gedwongen zien extra elektriciteitscentrales te bouwen in een paar westelijke regio’s van Rusland. Omdat de hoogspanningslijnen die door de Baltische Staten naar bepaalde Russische regio’s liepen nu allemaal op het Europese net zullen worden aangesloten, moeten wij nieuwe hoogspanningslijnen aanleggen om de elektriciteitstoevoer zeker te stellen. Dit zal ons twee tot 2,5 miljard euro kosten.

    Laten we ook eens kijken naar het Associatieverdrag tussen de EU en Oekraïne. Dat stipuleert niet dat Oekraïne deel gaat uitmaken van het Europese energiesysteem, hoewel dat wel mogelijk wordt geacht. Maar als dat gebeurt, zullen we niet 2 tot 2,5 miljard euro kwijt zijn, maar waarschijnlijk 8 tot 10 miljard. De vraag is: waarom is dit nodig, als we geloven in het uitbouwen van die gemeenschappelijke economische ruimte tussen Lissabon en Vladivostok? Wat is het doel van het ‘Eastern Partnership’-programma van de Europese Unie? Is het doel het integreren van de hele voormalige Sovjet-Unie in één enkele ruimte met Europa – ik herhaal het nu voor de derde keer, van Lissabon tot aan Vladivostok – of het opwerpen van een nieuwe grens tussen het moderne Rusland en de westelijke territoria, waaronder – bijvoorbeeld – Oekraïne en Moldavië?

    Laat ik u nu nog iets anders vertellen, en u mag zelf beslissen wat u daarvan wilt publiceren en wat niet. Wat zijn de grondoorzaken van de Oekraïense crisis? Die lijken in geen verhouding te staan tot wat vandaag de dag een enorme tragedie is geworden die vele levens eist in het zuidoosten van dat land. Wie heeft deze crisis in gang gezet? De voormalige president Viktor Janoekovitsj zei dat hij moest nadenken over het ondertekenen van het Associatieverdrag tussen Oekraïne en de EU, en dat hij mogelijk wat veranderingen wilde aanbrengen en consultaties met Rusland wilde houden, de grootste handelspartner van zijn land.

    Zogenaamd op grond hiervan braken rellen uit in Kiev, die actief werden ondersteund door onze Europese en Amerikaanse partners. Daarna volgde een staatsgreep – een volslagen anticonstitutionele daad. De nieuwe autoriteiten maakten bekend dat ze het Associatieverdrag zouden ondertekenen, maar de tenuitvoerlegging ervan zouden uitstellen tot 1 januari 2016. De vraag is: waar was die staatsgreep dan voor nodig? Waarom moest de situatie escaleren tot een burgeroorlog? De uitkomst is immers precies dezelfde.

    Bovendien stonden wij eind 2013 op het punt Oekraïne een lening te geven van 15 miljard dollar, ondersteund door nog eens 5 miljard dollar via commerciële banken; we hadden het land daarvóór al 3 miljard dollar gegeven en beloofd de gasprijs omlaag te brengen als ze op tijd zouden betalen. We waren er helemaal niet op tegen dat Oekraïne een Associatieverdrag met de Europese Unie zou tekenen. Maar uiteraard wilden we participeren in de uiteindelijke besluitvorming, omdat Oekraïne toen een lidstaat was – en nog steeds is – van de vrijhandelszone van het GOS, wat wederzijdse verplichtingen met zich meebrengt.

    Er is op de Europese markt geen vraag naar Oekraïense producten, noch in termen van kwaliteit noch in termen van de prijs

    Hoe is het mogelijk dit volledig te negeren en hier zo minachtend mee om te gaan? Ik kan dat eenvoudigweg niet begrijpen. De gevolgen zijn een staatsgreep, een burgeroorlog, een verlies van honderden mensenlevens, een verwoeste economie en samenleving, een lening van 17,5 miljard dollar van het IMF met een looptijd van vier jaar en de volledige desintegratie van de economische banden met Rusland. Maar de Russische en Oekraïense economie zijn diepgaand met elkaar verknoopt.

    De Europese Unie heeft eenzijdig de invoerheffing voor Oekraïense producten opgeheven. Maar het volume van de Oekraïense export naar de Europese markt is niet gegroeid. Waarom niet? Omdat er niets te verkopen is. Er is op de Europese markt geen vraag naar Oekraïense producten, noch in termen van kwaliteit noch in termen van de prijs, boven op de producten die al eerder werden verkocht.

    Wij hebben in Rusland wel een markt voor Oekraïense producten, maar veel banden zijn van Oekraïense kant eenzijdig doorgesneden. Alle motoren voor onze gevechtshelikopters kwamen bijvoorbeeld uit Oekraïne. Nu zijn de leveringen gestopt. We hebben al een nieuwe fabriek in Sint-Petersburg moeten bouwen en dit jaar zal er nog een worden voltooid. Maar de productie van die motoren in Oekraïne zal moeten worden beëindigd, omdat Italië, Frankrijk of Duitsland er geen behoefte aan hebben of zullen krijgen. Het is voor Oekraïne onmogelijk een nieuwe markt voor deze producten aan te boren, want daarvoor zouden miljardeninvesteringen nodig zijn. Ik begrijp niet waarom dit is gedaan. Ik heb veel van mijn collega’s, ook in Europa en Amerika, ernaar gevraagd.

    Poetin met de toenmalige Russische president Medvedev (midden) en Silvio Berlusconi (l) in een Super Jet 100 Sukhoi jetliner op het vliegveld in Sotsji in 2010. – © Reuters
    Poetin met de toenmalige Russische president Medvedev (midden) en Silvio Berlusconi (l) in een Super Jet 100 Sukhoi jetliner op het vliegveld in Sotsji in 2010. – © Reuters

    Paolo Valentino
    En wat antwoordden zij?

    Vladimir Poetin
    Dat de situatie uit de hand is gelopen. Weet u, ik zou u en uw lezers graag één ding vertellen. Vorig jaar, op 21 februari, ondertekenden president Janoekovitsj en de Oekraïense oppositie een overeenkomst over hoe verder te gaan en hoe het politieke leven in het land te organiseren, en over de noodzaak om vervroegde verkiezingen te houden. Ze hadden moeten samenwerken bij de tenuitvoerlegging van deze overeenkomst, vooral omdat drie Europese ministers van Buitenlandse Zaken de overeenkomst mede hadden ondertekend ter waarborging ervan.

    Als deze collega’s werden gebruikt, om een bepaalde schijn te wekken, en als ze geen zicht hadden op de situatie ter plekke, die in feite in handen was van de Amerikaanse ambassadeur of een functionaris van de CIA, hadden ze moeten zeggen: ‘Weet u, we zijn niet akkoord gegaan met een staatsgreep, dus we zullen u niet steunen; u moet in plaats daarvan verkiezingen houden.’

    Hetzelfde kan worden gezegd over onze Amerikaanse partners. Laten we aannemen dat ook zij de controle over de situatie zijn kwijtgeraakt. Maar als Amerika en Europa tegen degenen die zich schuldig hebben gemaakt aan deze ongrondwettelijke daden hadden gezegd: ‘Als je op deze manier aan de macht bent gekomen, zullen we jullie onder geen enkele voorwaarde steunen; jullie moeten eerst verkiezingen houden en die winnen’ – overigens hadden ze honderd procent kans op de overwinning, en iedereen weet dat. De situatie zou zich dan volledig anders hebben ontwikkeld.

    Ik geloof dus dat deze crisis doelbewust is gecreëerd en het gevolg is van de onprofessionele daden van onze partners. En de manier waarop dit proces in het nieuws is gekomen was volkomen onaanvaardbaar. Ik wil graag nogmaals benadrukken: dit was niet onze keuze, wij waren er niet op uit, wij zijn eenvoudigweg gedwongen te reageren op wat er gebeurt.

    Ter conclusie – vergeef me deze lange monoloog – wil ik graag zeggen dat we ons niet bedrogen of oneerlijk behandeld voelen. Dat is het punt niet. Het punt is dat goede betrekkingen een langetermijnbasis moeten hebben en niet geworteld moeten zijn in een sfeer van confrontatie, maar in een geest van samenwerking.

    Paolo Valentino
    U zegt dat de situatie uit de hand is gelopen. Maar is dit niet het juiste moment voor Rusland om het initiatief te grijpen, om een manier te vinden om de Amerikaanse en Europese partners te betrekken bij de speurtocht naar een oplossing voor de situatie, om aan te tonen dat u bereid bent dit probleem aan te pakken?

    Vladimir Poetin
    Dat is ook precies wat we aan het doen zijn. Volgens mij is nu het document waarover we het in Minsk eens zijn geworden en dat ‘Minsk-II’ heet, de beste overeenkomst die er is, en misschien wel de enige ondubbelzinnige oplossing voor dit probleem. We waren er nooit mee akkoord gegaan als we niet hadden geloofd dat het eerlijk, rechtvaardig en uitvoerbaar was.

    Van onze kant doen we alles, en zullen we dat ook blijven doen, om de autoriteiten van de niet-erkende en zelfuitgeroepen republieken van Donetsk en Loegansk te beïnvloeden. Maar niet alles hangt van ons af. Onze Europese en Amerikaanse partners moeten druk uitoefenen op de huidige regering in Kiev. We zijn niet bij machte, zoals Europa en de Verenigde Staten dat wel zijn, om Kiev ertoe te bewegen alles te doen wat in Minsk is afgesproken.

    Ik kan u vertellen wat er moet gebeuren; misschien loop ik daarmee vooruit op uw volgende vraag. Het belangrijkste onderdeel van de politieke regeling was het scheppen van de juiste voorwaarden voor dit gezamenlijke werk, maar het was van essentieel belang een einde te maken aan de vijandelijkheden en de zware wapens terug te trekken. Over het geheel genomen is dat ook gelukt. Helaas wordt er nog steeds zo nu en dan geschoten en vallen er slachtoffers, maar er vinden geen grootschalige gevechten meer plaats en de partijen zijn van elkaar gescheiden. Het is tijd om de Akkoorden van Minsk ten uitvoer te gaan leggen.

    In specifieke zin moet er een grondwetswijziging komen die autonome rechten toekent aan de niet-erkende republieken. De autoriteiten in Kiev willen het geen autonomie noemen en geven de voorkeur aan andere termen, zoals decentralisatie. Onze Europese partners, diezelfde partners die de dienovereenkomstige clausule in de Akkoorden van Minsk hebben geschreven, hebben uitgelegd wat onder decentralisatie dient te worden verstaan. Het geeft deze mensen het recht hun eigen taal te spreken, hun eigen culturele identiteit te hebben en zich met grensoverschrijdende handel bezig te houden – niets bijzonders en niets anders dan een beschaafde interpretatie van de rechten van etnische minderheden in welk ander Europees land dan ook.

    Er moet een wet komen over gemeenteraadsverkiezingen in deze gebieden, en een amnestiewet. Dit alles moet gebeuren, zo schrijven de Akkoorden van Minsk voor, in samenwerking met de Volksrepubliek Donetsk en de Volksrepubliek Loegansk,
    Het probleem is dat de huidige autoriteiten in Kiev niet eens met deze mensen willen praten. Daar kunnen wij niets aan doen. Alleen onze Europese en Amerikaanse partners kunnen daar invloed op uitoefenen. Er is geen reden ons met sancties te dreigen. Wij hebben daar niets mee te maken, zij vertegenwoordigen niet ons standpunt. Wij streven de tenuitvoerlegging van de Akkoorden van Minsk na.

    Het is van eminent belang de economische en sociale wederopbouw van deze gebieden ter hand te nemen. Wat is daar precies voorgevallen? De huidige autoriteiten in Kiev hebben ze eenvoudigweg van de rest van het land afgesneden. Ze hebben alle sociale uitkeringen stopgezet – de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen; ze hebben het bankensysteem losgekoppeld, een regelmatige energievoorziening onmogelijk gemaakt, enzovoort. Dus u ziet, er voltrekt zich een humanitaire ramp in deze regio’s. En iedereen doet net alsof er niets aan de hand is.

    Onze Europese collega’s hebben bepaalde verplichtingen op zich genomen. In het bijzonder hebben zij beloofd te zullen helpen het banksysteem in deze gebieden te herstellen. Ten slotte geloof ik, omdat we praten over wat er kan en moet worden gedaan, en door wie, dat de Europese Unie zeker meer financiële steun aan Oekraïne kan bieden. Dit zijn de voornaamste punten.
    Ik wil graag benadrukken dat Rusland geïnteresseerd is in en zal streven naar de volledige en onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging van de Akkoorden van Minsk, en ik geloof niet dat er vandaag de dag een andere manier is om dit conflict op te lossen.

    De leiders van de zelfuitgeroepen republieken hebben overigens publiekelijk verklaard dat zij onder bepaalde voorwaarden – waarmee ze de implementatie van de Akkoorden van Minsk bedoelen – bereid zijn zichzelf te zien als onderdeel van de Oekraïense staat. Dat is van fundamenteel belang. Ik denk dat dit standpunt moet worden beschouwd als een gezonde basis voor de start van substantiële onderhandelingen.

    Er voltrekt zich een humanitaire ramp in deze regio’s. En iedereen doet alsof er niets aan de hand is

    Er moet een wet komen over gemeenteraadsverkiezingen in deze gebieden, en een amnestiewet. Dit alles moet gebeuren, zo schrijven de Akkoorden van Minsk voor, in samenwerking met de Volksrepubliek Donetsk en de Volksrepubliek Loegansk.

    Het probleem is dat de huidige autoriteiten in Kiev niet eens met deze mensen willen praten. Daar kunnen wij niets aan doen. Alleen onze Europese en Amerikaanse partners kunnen daar invloed op uitoefenen. Er is geen reden ons met sancties te dreigen. Wij hebben daar niets mee te maken, zij vertegenwoordigen niet ons standpunt. Wij streven de tenuitvoerlegging van de Akkoorden van Minsk na.

    Het is van eminent belang de economische en sociale wederopbouw van deze gebieden ter hand te nemen. Wat is daar precies voorgevallen? De huidige autoriteiten in Kiev hebben ze eenvoudigweg van de rest van het land afgesneden. Ze hebben alle sociale uitkeringen stopgezet – de pensioenen, de werkloosheidsuitkeringen; ze hebben het bankensysteem losgekoppeld, een regelmatige energievoorziening onmogelijk gemaakt, enzovoort. Dus u ziet, er voltrekt zich een humanitaire ramp in deze regio’s. En iedereen doet net alsof er niets aan de hand is.

    Onze Europese collega’s hebben bepaalde verplichtingen op zich genomen. In het bijzonder hebben zij beloofd te zullen helpen het banksysteem in deze gebieden te herstellen. Ten slotte geloof ik, omdat we praten over wat er kan en moet worden gedaan, en door wie, dat de Europese Unie zeker meer financiële steun aan Oekraïne kan bieden. Dit zijn de voornaamste punten.

    Ik wil graag benadrukken dat Rusland geïnteresseerd is in en zal streven naar de volledige en onvoorwaardelijke tenuitvoerlegging van de Akkoorden van Minsk, en ik geloof niet dat er vandaag de dag een andere manier is om dit conflict op te lossen.

    De leiders van de zelfuitgeroepen republieken hebben overigens publiekelijk verklaard dat zij onder bepaalde voorwaarden – waarmee ze de implementatie van de Akkoorden van Minsk bedoelen – bereid zijn zichzelf te zien als onderdeel van de Oekraïense staat. Dat is van fundamenteel belang. Ik denk dat dit standpunt moet worden beschouwd als een gezonde basis voor de start van substantiële onderhandelingen.

    Vladimir Poetin na zijn ontmoeting met de Italiaanse president Sergio Mattarella in Rome. – © Reuters
    Vladimir Poetin na zijn ontmoeting met de Italiaanse president Sergio Mattarella in Rome. – © Reuters

    Paolo Valentino
    U zegt dus dat het scenario dat zich op de Krim heeft afgespeeld zich in het oosten van Oekraïne beslist niet zal herhalen?

    Vladimir Poetin
    Het scenario van de Krim is geen weerspiegeling van het Russische standpunt, maar dat van de mensen die op de Krim wonen.
    Al onze daden, inclusief die waarbij geweld is gebruikt, waren niet bedoeld om dit grondgebied van Oekraïne af te nemen, maar om de mensen die daar wonen in de gelegenheid te stellen hun mening te geven over hoe ze hun leven willen leiden.

    Ik wil dit graag nog eens benadrukken, zoals ik al meerdere malen heb gedaan: als de Albanezen in Kosovo dit mochten, waarom de Russen, Oekraïners en Krim-Tataren die op de Krim wonen dan niet? Het besluit over de onafhankelijkheid van Kosovo werd overigens exclusief door het parlement van Kosovo genomen, terwijl in de Krim een regio-breed referendum is gehouden. Ik denk dat een gewetensvolle waarnemer louter heeft kunnen zien dat de mensen vrijwel unaniem vóór hereniging met Rusland hebben gestemd.

    Ik wil degenen die deze stemming niet willen erkennen vragen of zij zichzelf als democraten beschouwen en wat ‘democratie’ voor hen precies inhoudt. Voor zover ik weet, is ‘democratie’ de heerschappij van het volk, of de heerschappij die is gebaseerd op de wil van het volk. De oplossing voor de kwestie van de Krim moet dus op de wil van de mensen die daar wonen zijn gebaseerd.

    In Donetsk en Loegansk hebben de mensen voor onafhankelijkheid gestemd, maar de situatie daar is anders. Toch is het belangrijkste, iets wat we altijd in ons achterhoofd moeten houden, dat we de gevoelens en de keuzes die mensen maken altijd moeten respecteren. En als iemand wil dat deze territoria deel blijven uitmaken van Oekraïne, moeten ze deze mensen duidelijk maken dat hun levens beter, comfortabeler en veiliger zullen zijn binnen de contouren van de eenheidsstaat; dat ze binnen deze staat voor zichzelf zullen kunnen zorgen en de toekomst van hun kinderen zullen kunnen verzekeren. Maar je kunt mensen nooit met wapengeweld overtuigen. Dit soort kwesties kan slechts op vreedzame wijze worden opgelost.

    Paolo Valentino
    Over vrede gesproken, de landen die deel uitmaakten van het Warschaupact en vandaag de dag NAVO-landen zijn, zoals de Baltische staten en Polen, voelen zich bedreigd door Rusland. De NAVO heeft besloten speciale strijdkrachten in het leven te roepen om deze zorgen het hoofd te bieden. Mijn vraag is of het Westen gelijk heeft met zijn voornemen ‘de Russische beer’ in toom te houden. En waarom blijft Rusland zo’n strijdlustige toon aanslaan?

    Vladimir Poetin
    Rusland praat met niemand op strijdlustige toon, en in zulke zaken – om een politiek figuur uit het verleden, Otto von Bismarck, aan te halen – zijn het niet de discussies maar is het het potentieel dat telt. En wat laat dit feitelijke potentieel ons zien? De Amerikaanse militaire uitgaven zijn hoger dan die van alle andere landen in de hele wereld samen. De gezamenlijke militaire uitgaven van de NAVO-landen zijn tien maal – let op, tien maal – zo hoog als die van de Russische Federatie. Rusland heeft bijna geen bases in het buitenland. We hebben de restanten van onze strijdkrachten (die nog dateren uit de Sovjettijd) in Tadzjikistan, aan de grens met Afghanistan, een gebied waar de terreurdreiging bijzonder hoog is. Dezelfde rol speelt onze luchtbasis in Kirgizië; die is ook bedoeld om een wal op te werpen tegen de terreurdreiging en is ooit opgezet op verzoek van de Kirgizische autoriteiten, na een aanval van terroristen uit Afghanistan op Kirgizië.

    We hebben sinds de Sovjettijd een militaire eenheid op een basis in Armenië. Die speelt een zekere stabiliserende rol in de regio, maar is tegen niemand in het bijzonder gericht. We hebben onze bases in diverse regio’s van de wereld, waaronder Cuba, Vietnam, enzovoort, ontmanteld. Dit betekent dat ons beleid in dit opzicht niet mondiaal, offensief of agressief is.

    Ik nodig u uit om een wereldkaart in uw krant te publiceren, waarop alle Amerikaanse militaire bases staan. U zult het verschil zien.
    Soms worden mij vragen gesteld over onze vliegtuigen die ergens ver weg vliegen, boven de Atlantische Oceaan. Het patrouilleren door strategische vliegtuigen in afgelegen regio’s werd tijdens de Koude Oorlog alleen door de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten uitgevoerd. Begin jaren negentig zijn wij, het nieuwe, moderne Rusland, met deze vluchten gestopt, maar onze Amerikaanse vrienden bleven maar langs onze grenzen vliegen. Waarom? Een paar jaar geleden hebben wij deze vluchten hervat. En u wilt beweren dat wij agressief zijn geweest?

    Amerikaanse onderzeeërs verkeren permanent in staat van hoogste paraatheid, vlak buiten de Noorse kust; ze zijn uitgerust met raketten die Moskou binnen zeventien minuten kunnen bereiken. Maar wij hebben al onze bases op Cuba lang geleden ontmanteld, zelfs de niet-strategische. En u noemt ons agressief? U heeft zelf de expansie van de NAVO in het oosten genoemd. Wij expanderen nergens; het is de NAVO-infrastructuur, inclusief de militaire, die zich naar onze grenzen toe beweegt. Is dat een blijk van onze agressie?

    Tenslotte hebben de Verenigde Staten zich eenzijdig teruggetrokken uit het ABM-verdrag tegen ballistische raketten, dat in grote mate de hoeksteen vormde van het hele internationale veiligheidssysteem. Antiraketsystemen, bases en radars bevinden zich op Europees grondgebied of in de zee, bijvoorbeeld in de Middellandse Zee, en in Alaska. We hebben heel vaak gezegd dat dit de internationale veiligheid ondermijnt. Vindt u dat ook een uiting van onze agressie?

    Alles wat we doen is slechts een reactie op de dreigingen die ons omringen. Bovendien is wat wij doen beperkt in omvang, maar voldoende om de veiligheid van Rusland te garanderen. Of had iemand verwacht dat Rusland eenzijdig zou ontwapenen?
    Ik heb onze Amerikaanse partners voorgesteld zich niet eenzijdig uit het verdrag terug te trekken, maar samen een nieuw ABM-systeem in het leven te roepen, met zijn drieën: Rusland, de Verenigde Staten en Europa. Maar dit voorstel werd afgewezen. Wij zeiden destijds: ‘Dit is een duur systeem, en de doelmatigheid ervan is niet bewezen, maar om het strategisch evenwicht te garanderen zullen wij ons strategisch-offensieve potentieel moeten ontwikkelen en systemen van overweldigende antiballistische defensie moeten opbouwen.’ En ik moet zeggen dat we op dit terrein aanzienlijke vorderingen hebben gemaakt.

    Wat de zorgen van sommige landen over de mogelijk agressieve daden van Rusland aangaat, denk ik dat slechts een krankzinnig persoon, en dan nog alleen in zijn dromen, zich kan voorstellen dat Rusland plotseling de NAVO aanvalt. Ik denk dat sommige landen eenvoudigweg profiteren van de angst die mensen omtrent Rusland koesteren. Zij willen graag de rol van landen ‘in de frontlinie’ spelen, waardoor ze een beroep kunnen doen op extra militaire, economische, financiële en andere hulp. Daarom slaat het nergens op dit idee te ondersteunen; het is absoluut zinloos. Maar sommigen kunnen belang hebben bij het aanmoedigen van dergelijke angsten. Ik kan daar alleen maar naar gissen.

    De Amerikanen willen bijvoorbeeld niet dat Rusland toenadering zoekt tot Europa. Dat weet ik niet zeker, het is slechts een hypothese. Laten we veronderstellen dat de Verenigde Staten hun leiderschap in de Atlantische Gemeenschap willen behouden. Dan is er een externe dreiging, een externe vijand nodig om dat leiderschap te verzekeren. Iran is duidelijk niet genoeg – die dreiging is niet groot genoeg. Wie kan er dan wel genoeg angst aanjagen? En plotseling is er die crisis in Oekraïne. Rusland wordt gedwongen te reageren. Misschien was het kwade opzet, dat weet ik niet. Maar wij hadden er niets mee te maken.

    Laat mij u iets zeggen – het is niet nodig om bang te zijn voor Rusland. De wereld is zo drastisch veranderd dat mensen met enig gezond verstand zich zo’n grootschalig militair conflict vandaag de dag niet eens meer kunnen voorstellen. Ik verzeker u dat we andere dingen hebben om over na te denken.

    Het hedendaagse terrorisme lijkt in al zijn verschijningsvormen sterk op het nazisme

    Paolo Valentino
    Maar u werkt met de Verenigde Staten samen inzake Iran, en het bezoek van de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken John Kerry heeft in dit verband opnieuw een boodschap doen uitgaan. Of zie ik dat verkeerd?

    Vladimir Poetin
    Nee, u ziet dat goed – het klopt. We werken niet alleen samen op het gebied van het Iraanse nucleaire programma, maar ook bij andere serieuze kwesties. Ondanks de Amerikaanse terugtrekking uit het ABM-verdrag zetten wij onze dialoog over wapenbeheersing voort.

    We zijn niet alleen maar partners; ik zou zeggen dat we bondgenoten zijn als het gaat om de aanpak van kwesties als de non-proliferatie van massavernietigingswapens. We zijn ongetwijfeld bondgenoten in de strijd tegen het terrorisme. Er zijn ook andere terreinen waarop we samenwerken. Het centrale thema van de Expo Italiano, die u eerder noemde, is een ander voorbeeld van ons gezamenlijke werk. Er zijn veel kwesties die we gezamenlijk blijven aanpakken.

    Paolo Valentino
    Meneer Poetin, op 9 mei heeft Rusland de zeventigste verjaardag gevierd van de Grote Overwinning, waardoor uw land en heel Europa van het nazisme bevrijd werden. Geen land ter wereld heeft zo’n bloedige prijs voor deze overwinning betaald als Rusland. Maar er stonden geen westerse leiders naast u op het Rode Plein. Il Corriere della Sera heeft de brief van Silvio Berlusconi gepubliceerd waarin hij deze leiders bekritiseert wegens hun afwezigheid. Ik heb twee vragen die daarmee samenhangen.
    Denkt u dat ze door hun afwezigheid te weinig respect toonden voor het Russische volk? Wat betekent de herinnering aan de Grote Patriottische Oorlog voor de Russische identiteit vandaag de dag?

    Vladimir Poetin
    Dit is geen kwestie van identiteit. Identiteit is gegrondvest op cultuur, taal en geschiedenis. Deze oorlog is een tragische bladzijde uit onze geschiedenis. Als we zulke dagen vieren, die feestelijk maar ook droevig zijn, gezien het aantal levens dat in die oorlog verloren is gegaan, denken we aan de generaties die onze vrijheid en onafhankelijkheid mogelijk hebben gemaakt, aan degenen die het nazisme overwonnen hebben. We denken ook aan het feit dat niemand het recht heeft deze tragedie te vergeten, vooral omdat we moeten bedenken hoe we een herhaling van zoiets in de toekomst kunnen voorkomen. Dit zijn niet alleen maar woorden; het is geen ongefundeerde angst.

    Vandaag de dag horen we sommige mensen bijvoorbeeld zeggen dat er niet zoiets heeft plaatsgevonden als de holocaust. We zijn getuige van pogingen om de nazi’s en hun collaborateurs te verheerlijken. Dat is nu deel van ons leven geworden. Het hedendaagse terrorisme lijkt in al zijn uiteenlopende verschijningsvormen sterk op het nazisme: er is zelfs nauwelijks verschil tussen. Wat de collega’s betreft die u noemde, het is uiteraard hun persoonlijke keuze om wel of niet naar Moskou te komen en aan de festiviteiten deel te nemen. Ik denk dat ze niet in staat waren door de huidige complexiteit in de internationale betrekkingen heen te kijken, naar iets veel belangrijkers dat niet alleen verbonden is met het verleden, maar ook met de noodzaak om voor onze gemeenschappelijke toekomst te vechten.

    Zij hebben hun keuze gemaakt, maar deze dag is vooral onze feestdag. Er waren veteranen uit een groot aantal landen in Moskou: uit de Verenigde Staten, Groot-Brittannië, Polen en andere Europese landen. Het zijn deze mensen die de echte helden van deze dag zijn, en dit was heel belangrijk voor ons. Tijdens deze viering hebben we niet alleen degenen geëerd die het nazisme in de Sovjet-Unie bestreden; we hebben ook de verzetsstrijders in Duitsland zelf, in Frankrijk en in Italië herdacht. We herdenken hen allemaal en brengen hulde aan alle mensen die zichzelf niet hebben gespaard in de strijd tegen het nazisme.
    We begrijpen maar al te goed dat het de Sovjet-Unie was die de beslissende bijdrage heeft geleverd aan de Overwinning en de ernstigste verliezen heeft geleden in de strijd tegen het nazisme. Het is niet alleen een militaire overwinning voor ons, maar ook een morele. Vrijwel ieder gezin heeft in deze oorlog wel iemand verloren. Hoe kunnen we dat vergeten? Dat is onmogelijk.

    De Russische oppositie zou vaker geïnterviewd worden als ze iets interessants te melden had

    Paolo Valentino
    Er zijn nog een paar korte vragen over.

    Vladimir Poetin
    Dan hoop ik maar dat ze inderdaad kort zullen zijn.

    Luciano Fontana
    U bent een zeer populair leider in Rusland, maar in andere landen en zelfs in uw eigen land wordt u vaak autoritair genoemd. Waarom is het zo moeilijk in Rusland tot de oppositie te behoren?

    Vladimir Poetin
    Wat is daar zo moeilijk aan? Als de oppositie bewijst dat zij de problemen waar een district, een regio of het hele land voor staan kan aanpakken, zullen de mensen dat volgens mij altijd opmerken. Het aantal partijen in ons land heeft zich vermenigvuldigd. De afgelopen jaren hebben we de procedure om een politieke partij op te richten, en die naar een regionaal en nationaal niveau te tillen, geliberaliseerd. Het gaat allemaal over hun vermogen om met het electoraat, met het volk, samen te werken.

    Paolo Valentino
    Waarom worden de oppositieleden dan zo zelden geïnterviewd op de belangrijkste Russische televisiezenders?

    Vladimir Poetin
    Ik denk dat ze vaker geïnterviewd zouden worden als ze iets interessants te melden zouden hebben. Wat de politieke concurrentie aangaat, weten we dat er diverse middelen tegen politieke rivalen kunnen worden ingezet. Kijk maar naar de meest recente geschiedenis van Italië.

    Paolo Valentino
    Meneer de president, Griekenland heeft te kampen met tal van problemen in zijn betrekkingen met Europa. Als Griekenland de eurozone verlaat, zou Rusland dan bereid zijn om politieke en economische steun te bieden?

    Vladimir Poetin
    We bouwen aan onze betrekkingen met Griekenland, ongeacht de vraag of dat land lid is van de EU, de eurozone of de NAVO. We onderhouden van oudsher nauwe en goede betrekkingen met Griekenland, wat de reden is dat het aan de Grieken zelf is om een soeverein besluit te nemen over de vraag van welke unie en zone ze deel willen uitmaken. Maar we kunnen niet weten wat er in de toekomst zal gebeuren, dus het zou verkeerd of zelfs schadelijk zijn voor de Griekse en de Europese economie als we – zoals het gezegde luidt – zouden proberen ‘koffiedik te kijken’.

    Voor een economie als de Griekse zijn er bepaalde problemen die worden veroorzaakt door de gemeenschappelijke Europese regels. Ze kunnen de drachme niet devalueren, want die hebben ze niet meer; ze zitten met hun hele hebben en houwen aan de euro vast. Hun grenzen zijn helemaal open voor Europese goederen, wat voordelig is voor op de export gerichte economieën. Gemeenschappelijke besluiten worden genomen over sectoren als de landbouw en de visserij, waar Griekenland bepaalde concurrentievoordelen zou kunnen hebben, maar er zijn ook grenzen.

    Een andere sector waarin het land in het voordeel is, is uiteraard die van het toerisme, maar dat heeft betrekking op het Schengengebied en er zijn bepaalde beperkingen. Wij hebben een visa-overeenkomst met Turkije, waardoor vorig jaar 5 miljoen Russische toeristen dat land konden bezoeken, terwijl er nog geen miljoen Russische toeristen naar Griekenland zijn gegaan – voor zover ik weet slechts zo’n 300.000. Maar Griekenland krijgt leningen en financiële steun uit de Europese schatkist, en het land heeft toegang tot de Europese arbeidsmarkt. Er zijn ook andere voordelen verbonden aan het lidmaatschap van de Europese familie. Het is niet aan ons hier in Rusland om te besluiten wat voordeliger is voor Griekenland. Opnieuw is het aan het Griekse volk om een soeverein besluit te nemen, in overleg met hun Europese partners.

    Paolo Valentino
    Ik zou u graag nog twee korte vragen willen stellen.

    Vladimir Poetin
    Blijven we hier dan tot de ochtend?

    Paolo Valentino
    We zien in deze zaal vier Russische tsaren. Welke historische figuur inspireert u het meest?

    Vladimir Poetin
    Weet u, mensen stellen mij die vraag heel vaak. Ik geeft er de voorkeur aan hem te ontwijken, want het antwoord is dikwijls voor velerlei uitleg vatbaar (lacht). Ik zal het dus zo zeggen: ik probeer niemand te idealiseren. Of beter gezegd: ik word in mijn werk geleid door de belangen van het Russische volk, rekening houdend met alles wat voorheen is gebeurd en de omstandigheden waarin we vandaag de dag leven. Ik probeer een indruk te krijgen van de manier waarop we ons leven, onze economie en ons beleid moeten vormgeven – in de allereerste plaats ons binnenlands beleid, maar ook ons buitenlands beleid, vanuit het perspectief van de middellange of lange termijn.

    Er zijn veel goede voorbeelden, zowel in de Russische als in de Europese geschiedenis. Maar al die mensen hebben onder bepaalde omstandigheden geleefd en gewerkt. Het belangrijkste is dat je eerlijk tegen jezelf bent, en tegen de mensen die jou dit werk hebben toevertrouwd.

    Luciano Fontana
    Eén laatste vraag. Waar heeft u het meeste spijt van? Wat vindt u een vergissing die u nooit meer wilt begaan?

    Vladimir Poetin
    Ik zal eerlijk tegen u zijn. Ik kan me zoiets niet voor de geest halen. Bij Gods gratie heb ik nergens spijt van.

    Luciano Fontana
    U bent een gelukkig iemand.

    Vladimir Poetin
    Dat ben ik, godzijdank.

  • De kleur van de oorlog

    De kleur van de oorlog

    Marjoleine Boonstra ontmoet mensen die een oorlog hebben meegemaakt, een overstroming of iets anders dat hun leven op z’n kop heeft gezet. Zij treft hen wanneer journalisten de plek des onheils hebben verlaten. Ze tonen hun verdriet en hun overlevingskracht.

    Keep on Steppin’ is een crossmediaal project dat bestaat uit vijf korte films, een iPad-applicatie, een website, een boek en een fototentoonstelling. De korte films kunt u hieronder bekijken. De eerste vier zijn ooggetuigenverslagen uit Afghanistan, New Orleans en Bosnië, verteld door een voice-over. In ‘The Making Of’ (onderaan) legt Boonstra uit hoe Keep on Steppin’ tot stand gekomen is.

    Regie en camera
    Marjoleine Boonstra
    Producenten
    Femke Wolting en Bruno Felix, Submarine Channel
    Scenario
    Céline Linssen
    Design & Animatie
    Jurriaan Esmeijer en Christiaan de Rooij
    Interactie design
    Jurriaan Esmeijer
    Stemmen
    Peter Blok, Pierre Bokma, Carine Crutzen, Dorothy Heady-Caroll en Gijs Scholten van Aschat

    Deze bijdrage kwam tot stand dankzij de makers en een samenwerkingsverband tussen 360 en Submarine Channel. Submarine is een productiestudio in Amsterdam waar speelfilms, documentaires, animaties en crossmediale projecten worden ontwikkeld.