Onderwerpen: Ramp

  • Zuid-Afrika: hulporganisaties leveren drinkwater aan overstromingsgebied

    Zuid-Afrika: hulporganisaties leveren drinkwater aan overstromingsgebied

    » Russische inlichtingendienst zit achter chemische aanval op journalist Dmitri Moeratov

    » Spaans dorp bestrijdt ontvolking met boekwinkels

    Kwazulu Natal is zwaar getroffen door overstromingen

    Door de hevige overstromingen in de Zuid-Afrikaanse provincie Kwazulu-Natal (KZN), zitten veel mensen zonder drinkwater en moeten ze leven tussen lekke of overstroomde riolen. De afgelopen week heeft de Gift of the Givers Foundation in een congresgebouw in Kaapstad water verzameld voor de getroffen gemeenschappen, schrijft Daily Maverick. Het initiatief, dat op 22 april van start ging, had een halve week later al vijf vrachtwagens met vijfliterflessen, die samen ruim 127 duizend liter bevatten, naar het overstromingsgebied gestuurd.

    De donaties stroomden binnen. Woensdagochtend, toen Daily Maverick ter plaatse was en een zesde vrachtwagen werd ingeladen, kwam er een gestage stroom auto’s bij voorrijden, die vijfliterflessen kwamen brengen voor het goede doel. Vaak hingen er aan de flessen kaartjes met persoonlijke berichten voor de getroffen mensen.

    ‘De mensen in Kaapstad willen op deze manier hun steun betuigen aan de inwoners van KZN’

    ‘Hier is de geest van Ubuntu [goddelijke geest van goedheid] werkzaam,’ zegt Imtiaz Sooliman, CEO van Gift of the Givers. De mensen in Kaapstad willen op deze manier hun steun betuigen aan de inwoners van KZN (dat meer dan 1300 kilometer van Kaapstad verwijderd is). ‘Het water wordt niet alleen gebruikt om ervan te drinken maar brengt ook waardigheid aan de doden, die ermee gewassen kunnen worden,’ zegt Sooliman. Op 21 april meldde persbureau Reuters dat er minstens 435 doden werden geborgen en een onbekend aantal mensen vermist werd. De overstromingen zijn een van de ergste die Zuid-Afrika de afgelopen veertig jaar hebben getroffen.

    Lees ook:

  • Olietanker zinkt voor de kust van Tunesië – milieuramp vooralsnog afgewend

    Olietanker zinkt voor de kust van Tunesië – milieuramp vooralsnog afgewend

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Zuid-Afrika roept verwoestende overstromingen uit tot nationale ramp

    » Israël valt Gaza aan als reactie op raketbeschietingen

    Tot nu toe geen olielekkage vastgesteld

    Een olietanker met 750 ton diesel aan boord is zaterdag voor de zuidoostkust van Tunesië gezonken, maar de autoriteiten hebben het risico van een olieramp vooralsnog uitgesloten. ‘De situatie is onder controle. We hebben tot nu toe geen olielekkage vastgesteld’, meldden minister van Vervoer Rabii Majidi en minister van Milieu Leila Chikhaoui in een gezamenlijke verklaring aan de media, aldus het Tunesische dagblad La Presse.

    De tanker, die onder de vlag van Equatoriaal-Guinea voer, kwam uit Egypte en was op weg naar Malta. Er is een onderzoek ingesteld om de oorzaak van het zinken te achterhalen. Verschillende landen, waaronder Italië, hebben de Tunesische regering hulp aangeboden om het risico van een olielek te voorkomen.

    Lees ook:

  • Zuid-Afrika roept verwoestende overstromingen uit tot nationale ramp

    Zuid-Afrika roept verwoestende overstromingen uit tot nationale ramp

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Olietanker zinkt voor de kust van Tunesië – milieuramp vooralsnog afgewend

    » Israël valt Gaza aan als reactie op raketbeschietingen

    Gevolgen van ramp zijn in hele land voelbaar

    President Cyril Ramaphosa besloot maandag om de overstromingen in Kwazulu-Natal tot nationale ramp uit te roepen. Het besluit kwam nadat ‘meer dan vierhonderd mensen zijn omgekomen, voor miljarden rand aan wegen, infrastructuur en woningen zijn verwoest en meer dan veertigduizend mensen ontheemd zijn geraakt’ en omdat ook slecht weer wordt verwacht in andere provincies, meldt Mail & Guardian.

    ‘Het belang van de haven van Durban en de daarmee verbonden infrastructuur voor de economie van het land betekent dat deze ramp gevolgen heeft die veel verder reiken dan de provincie Kwazulu-Natal,’ zei Ramaphosa.

    Lees ook:

  • Tientallen doden door overstromingen in Zuid-Afrika

    Tientallen doden door overstromingen in Zuid-Afrika

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Ontbossing bereikt recordhoogte in de Braziliaanse Amazone

    » Aantal vrouwen in Italiaanse bestuurskamers is nog nooit zo hoog geweest

    Ongekende regenval blijft komende dagen aanhouden

    In Zuid-Afrika zijn ongeveer zestig mensen omgekomen als gevolg van de overstromingen in de oostelijke provincie KwaZulu-Natal. De verwoestende overstromingen leiden tot grote problemen in kuststad Durban, meldt Independent Online. De overstromingen hebben schade toegebracht aan de infrastructuur, huizen ontworteld, wegen vernield en voertuigen tot zinken gebracht. Volgens berichten zijn in Durban tot nu toe vijfenveertig mensen overleden door de zware regenval. De regenval die in delen van de stad is geregistreerd is ongekend, tussen de 180 en 310 millimeter. De autoriteiten dringen nu ouders aan om leerlingen niet naar school te sturen omdat de regen blijft aanhouden.

    De oppositiepartij DA heeft de regering opgeroepen de provincie KwaZulu-Natal tot rampgebied uit te roepen, omdat de gemeenten over beperkte middelen beschikken en de rampenbestrijdingsdienst de uitdaging niet aankan.

    Lees ook:

  • Vijf doden bij zware storm in Europa met Eunice op komst

    Vijf doden bij zware storm in Europa met Eunice op komst

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Colombia: inheemse gemeenschappen in juridisch gevecht met Coca-Cola om speciaal bier

    » Amazon verdubbelt salaris voor management en techmedewerkers

    Stormdoden in Polen en Duitsland

    Als gevolg van storm Dudley stierven er donderdag drie mensen in het Poolse Krakau, ook vielen er twee doden in Duitsland. De storm bereikte windsnelheden van 180 kilometer per uur, ontwrichtte trein- en luchtverkeer en zorgde ervoor dat honderdduizenden huizen zonder elektriciteit zaten. Deze incidenten komen aan de vooravond van de komst van een andere storm, Eunice.

    Terwijl voor Noord- en Noordwest-Frankrijk en vier provincies in het noordwesten van België en het grootste deel van Nederland code oranje geldt, heeft de Britse weerdienst donderdag een zeldzaam code rood afgekondigd. De Britse autoriteiten verwachten dat rukwinden een levensgevaarlijke snelheid van 160 kilometer per uur kunnen bereiken. De bosbeheerdiensten bereiden zich voor op de vernietiging van miljoenen bomen, aldus The Independent.

    Lees ook:

  • Zes kinderen uit Fukushima met schildklierkanker eisen schadevergoeding

    Zes kinderen uit Fukushima met schildklierkanker eisen schadevergoeding

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Chinezen moeten maanden wachten op nieuwe auto

    » Antarctica: reusachtige ijsberg loost meer dan 150 miljard ton zoet water in zee

    Slachtoffers klagen eigenaar kerncentrale aan

    Bijna elf jaar na de kernramp in Fukushima komt een nieuwe gevoelige kwestie aan de oppervlakte. Op 19 januari meldde de krant Tokyo Shimbun dat zes mensen tussen de zeventien en zevenentwintig jaar die ten tijde van het ongeluk in het gebied woonden, van plan zijn een rechtszaak aan te spannen tegen Tepco, de elektriciteitsexploitant en beheerder van de locatie.

    De jongvolwassenen lijden of hebben geleden aan schildklierkanker en eisen een financiële schadevergoeding van 616 miljoen yen (4,7 miljoen euro) van het bedrijf, dat verantwoordelijk wordt geacht voor hun ziekte. ‘Volgens hun advocaten is dit de eerste keer dat mensen die als kind kanker hebben gekregen, een rechtszaak tegen Tepco hebben aangespannen’, aldus de krant.

    ‘Een van deze eisers heeft al vier operaties ondergaan, terwijl bij een andere eiser de kanker naar zijn longen is uitgezaaid’

    Bij vier van de zes eisers, die in 2011 tussen de zes en zestien jaar oud waren, is reeds hun gehele schildklier verwijderd nadat de kanker was teruggekeerd. Volgens de journalist ondergaan zij momenteel radiotherapie of zullen ze dat binnenkort doen. ‘Een van deze eisers heeft al vier operaties ondergaan, terwijl bij een andere eiser de kanker naar zijn longen is uitgezaaid.’ Volgens de krant zullen zij op 27 januari hun klacht indienen bij de districtsrechtbank van Tokio.

    Lees ook:

  • Vulkaanuitbarsting Tonga: twee doden, overstromingen en aswolken

    Vulkaanuitbarsting Tonga: twee doden, overstromingen en aswolken

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Cd-verkoop in de VS is voor het eerst sinds 2004 gestegen

    » Griekenland verplicht vaccinatie voor zestigplussers

    Vulkaanuitbarsting isoleert Tonga van de wereld

    De onderwateruitbarsting voor de kunst van Tonga in de Grote Oceaan heeft op 15 januari geleid tot een dodelijke tsunami. Een Britse vrouw, die werd meegesleurd door de vloedgolf, is volgens The Guardian het eerste slachtoffer dat werd geregistreerd. Angela Glover, vijftig, stierf toen ze honden probeerde te redden uit haar asiel, aldus haar familie. Ook een tweede, nog onbekende overledene is bevestigd door de autoriteiten.

    De eilanden zijn geïsoleerd van de rest van de wereld. De onderzeese communicatiekabel kan pas over weken worden hersteld en de aswolken verhinderen vliegtuigen om te landen. Militaire verkenningsvluchten van Nieuw-Zeeland hebben ondertussen omvangrijke schade gemeld op sommige eilanden, schrijft The Guardian in een ander artikel. Zo zou onder andere het vliegveld ondergelopen zijn door de overstromingen als gevolg van de tsunami.

    Lees ook:

  • Meer dan vijftig doden bij brand in een Siberische kolenmijn

    Meer dan vijftig doden bij brand in een Siberische kolenmijn

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Nieuwe voorzitter Interpol wordt beschuldigd van marteling

    » Italië: Fraude op universiteit voor buitenlanders

    De oorzaak van de ramp staat nog ter discussie

    Zesenveertig mijnwerkers en zes reddingswerkers zijn donderdag door verstikking om het leven gekomen bij een ongeval in een Siberische mijn, zo meldde The Moscow Times.

    De plaatselijke openbaar aanklager verklaarde dat ‘het ongeval het gevolg was van een methaanexplosie veroorzaakt door een vonk’, maar verschillende Russische media, geciteerd door de nieuwssite, beweren dat de vervallen staat van de mijn en het gebrek aan onderhoud de oorzaak waren van de ramp: stof dat zich ophoopt in een luchtkanaal vatte vlam en ‘vulde de mijn met rook’.

    Meer dan 280 mensen waren op het moment van het ongeluk in de mijn.

    Lees ook:

  • Haïtianen wachten nog op hulp | Mogelijk duizenden Duitsers geprikt met zoutoplossing

    Haïtianen wachten nog op hulp | Mogelijk duizenden Duitsers geprikt met zoutoplossing

    Dodental van aardbeving in Haïti stijgt met storm op komst

    Het dodental als gevolg van de krachtige aardbeving die Haïti zaterdag trof, is op maandag 16 augustus opgelopen tot 1419, volgens cijfers van de Haïtiaanse rampendienst. Daarnaast worden er ook meer dan 6900 gewonden en meer dan 37.000 vernielde huizen geregistreerd, meldt Radio Vision 2000. De Haïtiaanse premier Ariel Henry kondigde drie dagen van nationale rouw aan, die dinsdag beginnen.

    ‘De situatie zou kunnen verslechteren door de komst van de tropische storm Grace’

    Maandag, ‘meer dan achtenveertig uur na de verwoestende aardbeving’, had de getroffen bevolking in het zuiden van het land nog steeds geen ‘hulp van de regering’ gekregen, aldus de radiozender, die verklaart dat er behoefte is aan ‘water, voedsel hygiënische producten, tenten en dekzeilen’. Zelfs met internationale hulp in aantocht, ‘zou de situatie voor de inwoners van het zuiden in de komende uren kunnen verslechteren door de doortocht van tropische storm Grace, die naar verwachting zware regenval en windstoten zal veroorzaken’, waarschuwt Radio Vision 2000. ‘Code oranje is afgekondigd in verschillende delen van het land.’

    Lees ook:


    Nicaragua verbiedt zes buitenlandse ngo’s

    ‘Het regime [van de Nicaraguaanse president] Daniel Ortega en [zijn echtgenote en vicepresident] Rosario Murillo heeft via het ministerie van Binnenlandse Zaken’ de intrekking bevolen van de vergunningen van zes buitenlandse niet-gouvernementele organisaties met hoofdkantoren in ‘de Verenigde Staten of Europa‘, schrijft de Nicaraguaanse krant Confidencial. De betrokken ngo’s zijn: National Democratic Institute For International Affairs, International Republican Institute, Helping Hands The Warren William Pagel Foundation, Oxfam Itermon, Oxfam Ibis en Diakonia.

    Zij worden ervan beschuldigd niet te hebben voldaan aan ‘hun verplichtingen uit hoofde van de wetten die gelden voor organisaties zonder winstoogmerk op Nicaraguaans grondgebied’. Dit besluit zal ‘gevolgen hebben voor de begunstigde gemeenschappen en de lokale organisaties die door hen worden gefinancierd‘, waarschuwt La Prensa.

    Lees ook:

    Duizenden mensen gevaccineerd met zoutoplossing

    In de Duitse deelstaat Nedersaksen lopen duizenden mensen rond zonder bescherming tegen corona omdat ze een zoutoplossing hebben gekregen in plaats van een vaccin. Meer dan tweeduizend mensen willen zich opnieuw laten vaccineren, bericht ZDF.

    Volgens het district zouden 8557 mensen getroffen zijn

    Vorige week dinsdag (10 augustus) werd bekend dat duizenden mensen, meer dan aanvankelijk werd aangenomen, in het district Friesland in werkelijkheid geen vaccinatie tegen covid-19 hebben gekregen omdat een verpleegster in het voorjaar injecties zou hebben gegeven met een zoutoplossing. Ze zou dit hebben gedaan om te verdoezelen dat een ampul was gebroken. Volgens het district gaat het mogelijk om 8557 mensen die tussen 5 maart en 20 april werden gevaccineerd. Het is nog onduidelijk hoe groot de werkelijke omvang van de zaak is.

    Het district heeft informatiebrieven en e-mails gestuurd naar mogelijk gedupeerden om de situatie toe te lichten. Daarnaast is er een aparte informatielijn opgezet. Op 10 augustus hadden ongeveer duizend mensen de informatielijn gebeld. De beschuldigde verpleegster ontkent.

  • Niall Ferguson over de betekenis van de dood: ‘We zijn allemaal gedoemd’

    Niall Ferguson over de betekenis van de dood: ‘We zijn allemaal gedoemd’

    Hoe moeten we betekenis geven aan de inmiddels al meer dan 4 miljoen wereldwijde coronadoden? Niall Ferguson zet die vraag in historisch perspectief. Welke rampspoed is ons in het verleden overkomen, hoe gingen we daar toen mee om, en – belangrijker nog – hoe kunnen we toekomstig onheil voorkomen?

    Deze gevallen wachtmeester, de Dood, is nauwgezet in zijn aanhoudingen. 

    – Hamlet 

    We zijn allemaal gedoemd 

    ‘We zijn gedoemd.’ Deze zin, uitgesproken door de Caledonische Cassandra van de Britse televisieserie Dad’s Army, soldaat James Frazer, was een van de terugkerende grappen uit mijn jeugd. De truc was om het te zeggen op het minst passende moment: als de melk op was of je de laatste bus naar huis had gemist. Er is een prachtige scène in een van de afleveringen (‘Uninvited Guests’) als Frazer – gespeeld door de geweldige John Laurie – de andere leden van zijn Home Guard-eenheid een bloedstollend verhaal vertelt over een vloek. Als jongeman was hij voor anker gegaan bij een eilandje in de buurt van Samoa, waar – volgens zijn vriend Jethro – de ruïne van een tempel lag, met daarin een afgodsbeeld dat versierd was met een gigantische robijn, ‘zo groot als een eendenei’. Het tweetal ging op weg om de robijn te stelen en hakte zich een weg door het dichtbegroeide bos. Maar net toen Jethro de edelsteen pakte, verscheen er ineens een medicijnman, die Jethro vervloekte met de woorden: ‘Dood! de robijn zal u de dood brengen! dooood.’ 

    Soldaat Pike: Is de vloek uitgekomen, meneer Frazer? 

    Soldaat Frazer: Ja, jongen, hij is uitgekomen. Hij is gestorven… vorig jaar; hij was zesentachtig.

    Schattingen voor de wereld als geheel stelden de levensverwachting tot 1900 onder de dertig jaar

    We zijn allemaal gedoemd, hoewel niet noodzakelijkerwijs vervloekt. Ik zal rond 2056 sterven, op z’n laatst. Mijn resterende levensverwachting op de leeftijd van zesenvijftig jaar en twee maanden is volgens het Amerikaanse ministerie van Sociale Zaken 26,2 jaar: daardoor kom ik uit op tweeëntachtig, vier jaar minder dan Frazers vervloekte vriend. Bemoedigender is het feit dat het Britse Office of National Statistics een man van mijn leeftijd twee jaar extra geeft, met een kans van 1 op 4 om de tweeënnegentig te halen. Om te zien of ik die getallen kon verbeteren, bezocht ik de site van Living to 100 Life Expectancy Calculator, die zijn schatting baseert op een gedetailleerde vragenlijst over je leefgewoonten en je familiegeschiedenis. Living to 100 vertelde me dat ik de eeuw waarschijnlijk niet zal halen, maar dat ik een gerede kans had om nog zesendertig jaar te leven. Het zou natuurlijk heel anders liggen als ik in januari 2020 covid-19 zou krijgen, een ziekte die destijds in mijn leeftijdsgroep een sterftekans met zich meebracht van 6 procent, en misschien iets hoger als we mijn milde astma meetellen. 

    De auteur

    De Schots-Amerikaanse historicus Niall Ferguson is momenteel verbonden aan de Stanford-universiteit. Hij leverde bijdragen aan The Daily Telegraph, Financial Times en Newsweek, en schrijft tegenwoordig een column voor Bloomberg Opinion. Fergusons bekendste boek is Het belang van geld (The Ascent of Money), waarover hij ook een documentaireserie maakte voor Channel 4 en PBS. Hij is getrouwd met de voormalige VVD-politicus Ayaan Hirsi Ali.

    Op zesenvijftigjarige leeftijd sterven zou beslist een teleurstelling zijn, maar het zou een goed resultaat zijn als je het afmeet aan de meerderheid van de 107 miljard mensen die ooit geleefd hebben. In het Verenigd Koninkrijk, waar ik geboren ben, bereikte de levensverwachting vanaf de geboorte de zesenvijftig pas in 1920. Het gemiddelde lag gedurende de periode van 1543 tot 1863 net onder de veertig. En de Britten stonden bekend om hun lange levensduur. Schattingen voor de wereld als geheel stelden de levensverwachting tot 1900 onder de dertig jaar, en tot 1960 onder de vijftig jaar. De gemiddelde levensverwachting in India was in 1911 slechts tweeëndertig jaar. De Russische levensverwachting bereikte in 1920 het dieptepunt van twintig jaar. De afgelopen eeuw liet een constant stijgende trend zien – de levensverwachting bij geboorte verdubbelde ruwweg tussen 1913 en 2006 –, maar met talloze terugvallen. De levensverwachting in Somalië is vandaag de dag zesenvijftig jaar: mijn leeftijd. Die is daar deels nog steeds zo laag omdat de kindersterfte er zo hoog is. Ongeveer 12,2 procent van de in Somalië geboren kinderen sterft voordat ze de leeftijd van vijf jaar bereiken; 2,5 procent sterft tussen vijf en veertien jaar. 

    Als ik probeer om mijn eigen ervaring met mens-zijn in perspectief te zetten, denk ik aan de Engelse dichter John Donne (1572-1631), die negenenvijftig jaar oud is geworden. In een periode van zestien jaar schonk Anne Donne haar echtgenoot twaalf kinderen. Drie van hen – Francis, Nicholas en Mary – stierven voor hun tiende. Anne zelf stierf bij de bevalling van haar twaalfde kind, dat dood geboren werd. Nadat Lucy, zijn favoriete dochter, gestorven was en hijzelf haar bijna in het graf gevolgd was, schreef Donne zijn Devotions upon Emergent Occasions (1624), dat de mooiste van alle aansporingen bevat om mee te leven met de doden: ‘De dood van ieder mens doet afbreuk aan mij, omdat ik betrokken ben bij de Mensheid; Vraag daarom nooit voor wie de doodsklok luidt; die luidt voor u.’ 

    Dit was het mens-zijn, teruggebracht tot de kille essentie

    De Napolitaanse kunstenaar Salvator Rosa (1615-1673) schilderde misschien wel het meest ontroerende memento mori, met de eenvoudige titel L’umana fragilità (‘De menselijke breekbaarheid’). Het was geïnspireerd op een uitbraak van de builenpest, die zijn geboortestad Napels in 1655 trof: die kostte het leven aan zijn jonge zoon Rosalvo en eiste ook dat van Salvators broer, zijn zus, haar echtgenoot en vijf van hun kinderen. Met een gruwelijke grijns reikt een gevleugeld skelet vanuit het donker langs Rosa’s minnares, Lucrezia, om haar zoontje mee te nemen, dat net zijn eerste poging doet om te schrijven. De stemming van de diepbedroefde kunstenaar wordt op een onsterfelijke manier vastgelegd in de acht Latijnse woorden die de baby, geleid door de skeletfiguur, op het canvas heeft geschreven: 

    Conceptio culpa 

    Nasci pena 

    Labor vita 

    Necesse mori 

    ‘Verwekking is zonde, geboorte is pijn, leven is hard werken, dood is onvermijdelijk.’ Ik herinner me nog steeds dat ik als door de bliksem getroffen was toen ik die woorden las bij mijn eerste bezoek aan het Fitzwilliam Museum in Cambridge. Dit was het mens-zijn, teruggebracht tot de kille essentie. Volgens de overleveringen was Rosa een opgewekt mens, die ook schreef en optrad in satirische toneelstukken en de commedia dell’arte. Rond de tijd dat zijn zoon stierf, schreef hij echter aan een vriend: ‘Deze keer heeft de hemel me op zo’n manier getroffen dat ik besef dat alle menselijke weermiddelen zinloos zijn en de minste pijn die ik voel is nog dat ik je zeg dat ik huil terwijl ik schrijf.’ Hijzelf stierf op achtenvijftigjarige leeftijd aan buikwaterzucht. 

    Bijna onzichtbare gebeurtenis

    In de middeleeuwen en de vroegmoderne wereld was de dood alomtegenwoordig, op een manier die we ons nauwelijks kunnen voorstellen. Zoals Philippe Ariès betoogde in L’Homme devant la mort (‘Het uur van onze dood’) werd de dood ‘getemd’ door er, net als het huwelijk en zelfs de geboorte, een sociale overgangsrite van te maken, die gedeeld werd met de familie en de gemeenschap en gevolgd werd door riten van begrafenis en rouw, die een bekende vorm van troost boden aan de nabestaanden. Vanaf de zeventiende eeuw veranderde die houding echter. Terwijl het aantal sterfgevallen verbijsterende vormen aannam, begonnen de westerse samenlevingen – ondanks het feit dat de doodsoorzaken steeds beter begrepen werden – een zekere afstand te scheppen tussen de levenden en de doden. De victorianen gingen zeer ver in het sentimentaliseren en romantiseren van de dood: ze creëerden in de literatuur ‘mooie doden’, die steeds minder te maken hadden met de werkelijkheid. De twintigste eeuw ging over op de ontkenning van ‘het einde van het leven’. Sterven werd een steeds eenzamer, antisociale, bijna onzichtbare gebeurtenis. Er kwam iets op wat Aries ‘een absoluut nieuw type sterven’ noemde, wat inhield dat zieltogende mensen werden afgevoerd naar ziekenhuizen en hospices, om ervoor te zorgen dat het moment waarop ze hun laatste adem uitbliezen discreet verborgen bleef achter de schermen. Amerikanen mijden het woord ‘sterven’. Mensen ‘gaan over’. Evelyn Waugh schreef een wrede satire over de Amerikaanse omgang met de dood in The Love One (1948), geïnspireerd op een weinig verheffend verblijf in Hollywood. 

    De Britse omgang met de dood is echter slechts weinig beter. In Monty Pythons The Meaning of Life is de dood een enorm faux pas. De Man met de Zeis – John Cleese, gehuld in een zwarte mantel – komt aan in een pittoresk Engels buitenhuis waar drie echtparen druk bezig zijn met een etentje. 

    Magere Hein: Ik ben de dood. 

    Debbie: Nou ja, wat een toeval! We hadden het vijf minuten geleden net over de dood… 

    Magere Hein: Stilte! Ik ben gekomen voor jullie. 

    Angela: Bedoelt u… om – 

    Magere Hein: Om jullie mee te nemen. Dat is mijn bedoeling. Ik ben de dood. 

    Geoffrey: Tja, dat werpt toch wel een beetje een schaduw over de avond.

    Debbie: Mag ik u iets vragen? 

    Magere Hein: Wat? 

    Debbie: Hoe kan het dat we allemaal op hetzelfde moment sterven?

    Magere Hein (na een lange stilte, wijzend naar een schaal op tafel): De zalmmousse. 

    Geoffrey: Schat, je hebt toch geen zalm uit blik gebruikt? 

    Angela: Ik schaam me rot.

    Het komende eschaton

    Ieder jaar sterven er over de hele wereld ongeveer 59 miljoen mensen – ruwweg de gehele wereldbevolking in de tijd dat koning David regeerde over de Israëlieten. Met andere woorden, er sterven elke dag ruwweg 160.000 mensen: het equivalent van één Oxford, of drie Palo Alto’s. Ongeveer 60 procent van degenen die sterven zijn vijfenzestig jaar of ouder. In de eerste helft van 2020 stierven er wereldwijd ruwweg 510.000 mensen aan de nieuwe ziekte covid-19 [inmiddels is het dodental de 4 miljoen gepasseerd]. Elk sterfgeval is een tragedie, zoals we zullen zien. Maar zelfs als geen van die mensen toch al niet gestorven zou zijn – wat onwaarschijnlijk is, gegeven het leeftijdsprofiel van de overledenen –, dan vertegenwoordigt dat aantal slechts een bescheiden (1,8 procent) toename in het totale aantal verwachte sterfgevallen voor de eerste helft van 2020. In 2018 stierven 2,84 miljoen Amerikanen, dus stierven er ongeveer 236.000 per maand, en 7800 per dag. Driekwart van het aantal gestorvenen was vijfenzestig jaar of ouder. Verreweg de meeste doodsoorzaken waren hartaandoeningen en kanker: samen goed voor 44 procent van het totaal. In de eerste helft van 2020 waren er volgens cijfers van de Centers for Disease Control and Prevention 130.122 Amerikaanse overlijdensgevallen aangemerkt als ‘betrekking hebbend op covid-19’. De totale (bovennormale) oversterfte van alle oorzaken lag echter dicht bij 170.000. Als geen van deze mensen toch al niet overleden zou zijn – opnieuw: onwaarschijnlijk –, dan vertegenwoordigde dat aantal een toename van 11 procent in de sterfgevallen voor die periode, boven de uitgangswaarde die afgeleid was van recente gemiddelden. 

    We zijn dus allemaal gedoemd, zelfs als de medische wetenschappers in staat zijn om de levensverwachting nog verder te verlengen – zoals sommigen voorspellen: tot meer dan een eeuw. Ondanks de voortgaande zoektocht naar oplossingen voor het probleem dat leven een terminale aandoening is, blijft onsterfelijkheid een droom – of, zoals Jorge Luis Borges suggereerde in ‘De onsterfelijke’: een nachtmerrie. Maar zijn we collectief gedoemd, als soort? Het antwoord is: ja. 

    Onze moeder, een natuurkundige, werd het nooit moe om mijn zus en mij eraan te herinneren dat het leven een kosmisch toeval is; een visie die ook gedeeld wordt door bekendere fysici als Murray Gell-Mann. Ons universum begon 13,7 miljard jaar geleden met wat fysici de Big Bang noemen. Op onze planeet ontwikkelden zich met de hulp van ultraviolette stralen en bliksem de chemische bouwstenen van het leven, die 3,5 tot 4 miljard jaar geleden leidden tot de eerste levende cel. Ongeveer 2 miljard jaar geleden zorgde seksuele reproductie door eenvoudige veelcellige organismen voor golven van evolutionaire innovatie. 

    Tot op de dag van vandaag zijn 99,9 procent van alle soorten die de Aarde ooit bewoond hebben uitgestorven

    Ongeveer 6 miljoen jaar geleden leidde een genetische mutatie bij chimpansees tot de eerste mensachtige mensapen. Homo sapiens is extreem recent verschenen, 200.000 tot 100.000 jaar geleden: deze soort domineerde andere mensentypen ongeveer 30.000 jaar geleden en had zich rond 13.000 jaar geleden over het grootste deel van de planeet verspreid. Er moesten veel dingen precies goed gaan voor ons om tot dat punt te komen. Maar de ‘Goudhaartje’-condities waarbij wij floreren kunnen niet oneindig voortduren. Tot op de dag van vandaag zijn 99,9 procent van alle soorten die de Aarde ooit bewoond hebben uitgestorven. 

    Met andere woorden, om Nick Bostrom en Milan M. Ćirković te citeren: ‘Het uitsterven van intelligente soorten is al voorgevallen op de Aarde, wat inhoudt dat het naïef zou zijn om te denken dat het niet nog eens zou kunnen gebeuren.’ Zelfs als we het lot van de dinosaurussen en de dodo’s weten te vermijden, zal de toenemende lichtstraling van de zon over ongeveer 3,5 miljard jaar de biosfeer van de Aarde zo goed als gesteriliseerd hebben, maar het einde van het complexe leven op de Aarde staat al veel eerder op het programma, misschien over 0,9 tot 1,5 miljard jaar, omdat de leefomstandigheden dan onverdraaglijk zullen zijn geworden voor alles wat op ons lijkt. ‘Dat is het standaardlot voor leven op onze planeet.’ Het is denkbaar dat we in staat zullen zijn om een andere bewoonbare planeet te vinden als we het probleem van intergalactisch reizen oplossen, wat het reizen over haast onvoorstelbaar grote afstanden inhoudt. Zelfs dan zullen we uiteindelijk in tijdnood komen, omdat de laatste sterren ruwweg over 100 biljoen jaar zullen uitdoven, waarna alle materie uiteen zal vallen tot haar basisbestanddelen. 

    Lees ook:

    De gedachte dat we, als soort, nog ongeveer 1 miljard jaar overhebben op de Aarde zou geruststellend moeten zijn. En toch lijken sommigen ernaar te verlangen dat de doemdag al veel eerder komt dan dat. De ‘eindtijd’ of eschaton (van het Griekse eschatos) komt voor in de meeste grote wereldreligies, inclusief de oudste, het zoroastrisme. De Zand-i Wahman Yasn (een middeleeuwse zoroastrische apocalyptische tekst) voorziet niet alleen in misoogsten en algeheel moreel verval, maar ook in ‘een donkere wolk die de hele lucht tot nacht maakt’ en een regen van ‘verderfelijke schepsels’. Hoewel de hindoe-eschatologie aanneemt dat er vaste tijdscycli zijn, wordt van de huidige cyclus, Kali Yuga, verwacht dat die gewelddadig eindigt als Kalki, de laatste incarnatie van Vishnu, op een wit paard aan het hoofd van een leger afdaalt om ‘rechtvaardigheid tot stand te brengen op aarde’. Ook in het boeddhisme zijn er apocalyptische scènes. Gautama Boeddha voorspelde dat zijn profetieën na 5000 jaar vergeten zouden zijn, wat leidt tot de morele degeneratie van de mens. Een bodhisattva genaamd Maitreya zal dan verschijnen en de leerstellingen van de dharma herontdekken, waarna de wereld vernietigd wordt door de dodelijke straling van zeven zonnen. De Scandinavische mythologie heeft haar Ragnarök (schemering der goden), waarin een vernietigend grote winter (Fimbulvetr) de wereld in duisternis en wanhoop zal storten. De goden zullen tot de dood strijden met de krachten van de chaos, vuurreuzen en andere magische schepsels (jötunn). Uiteindelijk zal de oceaan de hele wereld overspoelen. (Wagner-liefhebbers kunnen hier een versie van zien in zijn Götterdämmerung.) 

    In elk van deze religies is vernietiging de prelude van wedergeboorte. De abrahamitische religies daarentegen hebben een lineaire kosmologie: het einde der dagen is echt Het Einde. Het jodendom voorspelt een Tijdperk van de Messias, met de terugkeer naar Israël vanuit de verbanning van de Joodse Diaspora, de komst van de Messias en de wederopstanding uit de dood. Het christendom – het geloof dat gevestigd is door volgers van de man die zei deze Messias te zijn – biedt een veel rijkere versie van het eschaton. Voorafgaand aan de Tweede Komst van Christus (parousia) zal er, zoals Jezus zelf aan zijn volgelingen vertelde, een tijd komen van ‘grote beproevingen’ (Mattheüs 24:15-22), ‘verschrikkingen’ (Marcus 13:19) of ‘dagen van wraak’ (Lucas 21:10-33 geeft van alle evangeliën de meeste details). De Openbaring van Johannes biedt wellicht de meest treffende visioenen van de doemdag: van een oorlog in de hemel tussen Michaël en zijn engelen tegen Satan, een tussenperiode waarin Satan wordt neergeworpen en duizend jaar wordt vastgebonden, waarna Christus een millennium lang regeert met wederopgestane martelaren aan zijn zijde, totdat de Hoer van Babylon verschijnt, dronken van het bloed van de heiligen, rijdend op een scharlakenrood beest, en er een grote strijd wordt uitgevochten op de heuvels van de Armageddon. Daarna wordt Satan losgelaten, om vervolgens in een meer van brandende zwavel te worden gegooid. Uiteindelijk worden de doden beoordeeld door Christus en worden de onwaardigen in het vlammende meer geworpen. De beschrijving van de vier ruiters van de Apocalyps is verbijsterend: 

    En ik zag hoe het Lam het eerste van de zegels opende en ik hoorde een van de vier dieren met een stem als van een donderslag zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie, een wit paard, en Hij Die erop zat, had een boog. En Hem was een kroon gegeven en Hij trok uit, overwinnend en om te overwinnen. En toen het Lam het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie! 

    En een ander paard, dat rood was, trok uit, en aan hem die erop zat, werd macht gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en te maken dat men elkaar zou afslachten. En hem werd een groot zwaard gegeven. En toen het Lam het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en zie, een zwart paard, en hij die erop zat, had een weegschaal in zijn hand. 

    En ik hoorde te midden van de vier dieren een stem zeggen: Een maat tarwe voor een penning en drie maten gerst voor een penning. En breng de olie en de wijn geen schade toe. 

    En toen het Lam het vierde zegel geopend had, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom en zie! 

    En ik zag, en zie: een grauw paard en die erop zat, zijn naam was de dood, en het rijk van de dood volgde hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde om te doden met het zwaard, met honger, met de dood en door de wilde dieren van de aarde. (Openbaringen 6:1-8) 

    De Dag der Wrake wordt aangekondigd door een geweldige aardbeving, een zonsverduistering en een bloedmaan. De sterren vallen op de aarde en de bergen en eilanden worden ‘van hun plaats verschoven’. 

    Een slim onderdeel van de christelijke eschaton was de onzekerheid waarin Christus zijn discipelen achterliet over de tijdsbepaling ervan: ‘Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader.’ (Mattheüs 24:36) 

    De vernietiging van Jeruzalem in het jaar 70 door toedoen van de Romeinse legerleider (en later keizer) Titus werd door de vroege christenen geïnterpreteerd als vervulling van Jezus’ profetie dat de Tweede Tempel zou worden verwoest, maar de daaropvolgende spectaculaire gebeurtenissen die Christus had voorspeld bleven uit. Tegen de tijd van Augustinus van Hippo leek het verstandig om het millennium af te zwakken, zoals hij deed in De Stad van God (De Civitate Dei, uit het jaar 426), waarin hij het verwees naar het gebied van het onkenbare en (impliciet) de verre toekomst. 

    Misschien biedt het verval van het christelijke millennium een verklaring voor het revolutionaire effect van Mohammeds nieuwe religie, toen die in de zevende eeuw tevoorschijn kwam uit de Arabische woestijn. In een aantal opzichten heeft de islam gewoon de meest opwindende delen van de Openbaringen afgestoft. In Mekka leerde Mohammed zijn volgelingen dat de Dag des Oordeels voorafgegaan zou worden door de verschijning van de eenogige al-Masih ad-Dajjāl (de valse messias), met een entourage van 70.000 joden uit Isfahan. Isa (Jezus) zal dan afdalen om te triomferen over de valse messias. In de soennitisch doctrine houdt de ashrāṭ al-sā‘a – het einde der tijden – onder meer in dat er een grote zwarte rookwolk (dukhān) de aarde bedekt, dat er een aantal verzakkingen plaatsvinden in de aarde en dat Ya‘jūj en Ma‘jūj (Gog en Magog) verschijnen om de aarde te verwoesten en de gelovigen af te slachten. Nadat Allah zich heeft ontdaan van Gog en Magog, komt de zon op in het westen en verrijst de Dābbat al-Ard (het Beest van de Aarde) uit de grond; nadat de hemelse trompet geklonken heeft, verrijzen ook de doden (al-Qiyāmah) voor het laatste oordeel (Yawm al-Hisāb). Maar toen deze profetie niet vervuld werd, keerde Mohammed zich ongeduldig af van de verlossing en naar het imperialisme. Allah, zo betoogde hij in Medina, wilde dat de moslims zijn eer bewaarden door de ongelovigen te straffen; dat ze overgingen van het afwachten van de Dag des Oordeels tot de uitvoering ervan door middel van de jihad. De eschatologie van de sjiieten is in brede zin gelijk aan die van de soennieten, maar met de terugkeer van de twaalfde imam, Mohammed al-Mahdi, die wordt verwacht na een periode van afnemende moraal en eerbaarheid. 

    Talloze moderne cultusleiders hebben hun volgelingen ervan overtuigd dat het einde nabij was

    Voor christenen waren de islamitische veroveringen in het Nabije Oosten en Noord-Afrika niet meer dan de grootste van een aantal gruwelijke dreigingen: Vikingen, Magyaren en Mongolen bedreigden het christendom ook. Deze en andere rampen werden door sommigen geïnterpreteerd als aanduidingen van de eindtijd: de christelijke eschatologie is nooit volledig op de achtergrond geraakt. Joachim van Fiore (1135-1202) verdeelde de geschiedenis in drie tijdvakken, waarvan het derde het laatste was. Op eenzelfde manier waren er in de nasleep van de Zwarte Dood in de jaren veertig van de veertiende eeuw – in termen van sterfgevallen de grootste ramp die de christenen ooit getroffen heeft – mensen die concludeerden dat het einde nabij was. In 1356 schreef een franciscaner monnik genaamd Johannes van Roquetaillade zijn Vademecum in tribulationibus, waarin hij een tijd vol problemen in Europa voorspelde, die gekenmerkt zou worden door sociale onrust, stormen, overstromingen en nog meer plagen. Vergelijkbare quasi-revolutionaire visioenen inspireerden de taborieten in Bohemen in 1420 tot hun plunderingen en de franciscaan Johann Hilten in 1485 tot zijn profetieën over de nadagen van het pausdom. Na Maarten Luthers baanbrekende aanval op de kerkelijke hiërarchie gaf het millenianisme onderling sterk verschillende sekten als de anabaptisten, de diggers en de levellers het vertrouwen om de gevestigde autoriteiten te trotseren. Hoewel de navolging van het millennium in de achttiende eeuw afnam, herleefde de belangstelling ervoor weer in de negentiende en de twintigste eeuw, toen sommige volgelingen van de zogenaamde profeet William Miller, later bekend geworden als de zevendedagsadventisten, een nieuwe kerk oprichtten met een sterke millennialistische doctrine, die het einde van de wereld voorzag in 1844. (De millerieten noemden het feit dat de mensheid dat jaar overleefde ‘De Grote Teleurstelling’.) Jehova’s getuigen en leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (mormonen) hebben allebei hun eigen kenmerkende opvattingen over de komst van het eschaton. Talloze moderne cultusleiders hebben hun volgelingen ervan overtuigd dat het einde nabij was. Een aantal van hen – met name Jim Jones, David Koresh en Marshall Applewhite – wisten plaatselijke apocalypsen te bereiken in de vorm van massazelfmoorden. 

    Kort gezegd: het einde van de wereld is opmerkelijk vaak teruggekomen in de vastgelegde geschiedenis.

    Doemdagen

    Je zou denken dat de vooruitgang van de wetenschap de mensheid uiteindelijk zou bevrijden van religieuze en pseudoreligieuze eschatologie. Dat is niet noodzakelijk zo. Zoals de socioloog James Hughes zei, zijn maar weinig mensen ‘immuun voor millenniumvooroordelen, positief of negatief, fatalistisch of messianistisch’. Iets meer dan een eeuw geleden, toen de eerste echt geïndustrialiseerde oorlog in zijn laatste fase zat – een oorlog die gevoerd werd met tanks, vliegtuigen, onderzeeërs en gifgas – waren er verschijningen van de maagd Maria in het Portugese dorp Fatima, was er een veldslag bij Armageddon (Megiddo, in wat toen Palestina was), werd er een joodse thuisbasis uitgeroepen in het Heilige Land, was er een Duits offensief dat Aartsengel Michaël heette en brak er een pandemie uit die dodelijker was dan de oorlog zelf. Een van de vele voorboden van een komende apocalyps was de opkomst van Vladimir Iljitsj Lenin, die een golf van antikerkelijk geweld en beeldenstormen ontketende in het hele Russische Rijk. Zoals The New York Times op 21 juni 1919 meldde werd Lenin door Russische boeren alom gezien als ‘niemand anders dan de antichrist die in de Schrift is voorspeld’. 

    Voor de in Keulen geboren politiek theoreticus Eric Voegelin was de realiteit dat het communisme, net als het nazisme dat hij in 1938 moest ontvluchten, gebaseerd was op een onjuiste interpretatie van het christendom. Voegelin definieerde ‘gnosis’ als ‘een ogenschijnlijk direct, onmiddellijk begrip of visioen van de waarheid zonder de noodzaak voor kritische reflectie; de speciale gave van een spirituele en cognitieve elite’. Gnostiek, betoogde hij, was een ‘manier van denken die aanspraak maakt op een absoluut cognitief meesterschap van de werkelijkheid’. Toen dat de vorm aannam van een politieke religie, verborg het een gevaarlijke en misleidende ambitie om ‘de eschaton in zich te herbergen’ – met andere woorden: om een hemel op aarde te creëren. Voegelins moderne gnostiek probeerde ‘de maatschappij weer te vergoddelijken (…) door massalere vormen van participatie in de goddelijkheid te vervangen door geloof in de christelijke zin’. (Voegelin speculeerde dat deze verschuiving naar ‘massale deelname’ een antwoord kon zijn op de vrijwel onmogelijke taak om een authentiek christelijk geloof in stand te houden.) Veel recenter schreef de historicus Richard Landes in dezelfde geest, toen hij dezelfde aandrang ontdekte in een breder gebied van historische en moderne millenniumbewegingen, tot en met het salafi-jihadisme en radicale milieubewegingen.

    In plaats van de eschaton te verdringen, leek de wetenschap die dichterbij te brengen. Toen J. Robert Oppenheimer getuige was van de eerste kernexplosie in White Sands, New Mexico, deed hij de beroemde uitspraak dat hij dacht aan Krishna’s woorden uit de Bhagavad Gita (het ‘Lied van God’ uit de hindoecultuur): ‘Ik ben de dood geworden, de vernietiger van werelden.’ Aan het prille begin van de Koude Oorlog verzon de kunstenares Martyl Langsdorf, wier echtgenoot een van de sleutelfiguren van het Manhattan Project was, het beeld van een Doomsday Clock. Het verscheen voor het eerst in het Bulletin of the Atomic Scientists als illustratie van de angst van vele fysici – onder wie sommigen die betrokken waren geweest bij de schepping van de atoombom – dat een ‘uit technologie voortkomende catastrofe’ weleens heel nabij zou kunnen zijn. Middernacht op de Doomsday Clock betekende het nucleaire armageddon. Vele jaren lang was het de hoofdredacteur van het Bulletin, Eugene Rabinowitch, die besloot waar de wijzers van de klok stonden. Na zijn dood nam een commissie het over: die kwam tweemaal per jaar bijeen om de klok bij te stellen. Tijdens de Koude Oorlog kwam de Doomsday Clock het dichtst bij middernacht: in de jaren 1953-1959 werden de wijzers op twee minuten voor twaalf gezet. De wetenschappers dachten ook dat de jaren 1984-1987 vol gevaren waren: toen was het vier jaar lang drie minuten voor twaalf. De populaire literatuur weerspiegelde die angsten. On the Beach (1957) van Nevil Shute speelt in het jaar 1963 en de inwoners van Melbourne wachten hulpeloos op een dodelijke wolk radioactieve fall-out in de nasleep van de Derde Wereldoorlog, die – niet zo plausibel – op gang gebracht werd door een nucleaire aanval van Albanië op Italië. De keus is die tussen zwaar drinken en een door de overheid verschafte zelfmoordpil. In de graphic novel When the Wind Blows (1982) van Raymond Briggs bouwt een ouder echtpaar, Jim en Hilda Bloggs, plichtsgetrouw een atoomschuilkelder, waarbij ze doen alsof de Derde Wereldoorlog net zo goed te overleven is als eerder de Tweede Wereldoorlog. 

    Op de een of andere manier is de doemsdreiging van vandaag altijd beter dan die van het jaar ervoor

    Toch is het nog maar de vraag hoe betrouwbaar de Doomsday Clock is. Vandaag de dag zijn historici het erover eens dat het gevaarlijkste moment in de Koude Oorlog de Cubaanse raketcrisis geweest is. Maar de Doomsday Clock stond in 1962 op zeven minuten voor middernacht en ging in het daaropvolgende jaar terug naar 23.48 uur. Dat veranderde niet toen president Lyndon B. Johnson de Amerikaanse betrokkenheid bij de oorlog in Vietnam opschaalde. Opmerkelijk genoeg besloten de atoomwetenschappers in januari 2018 dat we weer twee minuten voor Armageddon zaten. Twee jaar later zetten ze de klok vooruit op 100 seconden voor middernacht, op grond van de overweging dat ‘de mensheid nog steeds te maken heeft met twee gelijktijdige existentiële gevaren: nucleaire oorlogsvoering en klimaatverandering. Die dreiging wordt vermenigvuldigd door een in cyberspace gevoerde informatieoorlog, die het voor de samenleving moeilijk maakt om te reageren. De internationale veiligheidssituatie is hachelijk, niet alleen omdat deze dreigingen bestaan, maar omdat de wereldleiders hebben toegestaan dat de internationale politieke infrastructuur om die te beheersen is uitgehold.’ Op de een of andere manier is de doemsdreiging van vandaag altijd beter dan die van het jaar ervoor. 

    De nachtmerrie van een atoomoorlog was niet het enige apocalyptische visioen dat de wereld tijdens de Koude Oorlog kwelde. Van de jaren zestig tot de jaren tachtig leidde de angst voor wereldwijde overbevolking tot een opeenvolging van meestal ondoordachte en vaak ronduit schadelijke pogingen om de voortplanting in de zogeheten Derde Wereld te ‘beheersen’. Stephen Enke van de rand Corporation betoogde dat arme mensen betalen om in te stemmen met sterilisatie of het inbrengen van een spiraaltje 250 keer zo effectief zou zijn om ontwikkeling te bevorderen als andere vormen van hulp. Paul Ehrlichs boek The Population Bomb (1968), geschreven in opdracht van de Sierra Club, voorspelde dat er in de jaren zeventig massasterfte zou optreden, met verwoestende hongersnoden die honderden miljoenen mensen zouden doden. Lyndon Johnson werd erdoor overtuigd, net zoals de meerderheid van de leden van het Congres, waardoor het budget voor geboorteregeling van het Amerikaanse Agentschap voor Internationale Ontwikkeling verhoogd werd met een factor twintig. Als president van de Wereldbank verklaarde Robert McNamara, de voormalige Amerikaanse minister van Defensie, in 1969 dat de bank geen gezondheidszorg zou financieren ‘tenzij die strikt gerelateerd was aan geboortebeperking, aangezien gezondheidszorg doorgaans bijdroeg aan de afname van sterftecijfers, en daarmee aan de bevolkingsexplosie’. Sommige Amerikaanse instellingen – waaronder de Ford Foundation en de door Rockefeller opgezette Population Council – speelden met het idee van onvrijwillige massasterilisatie van hele bevolkingsgroepen. Deze consequenties illustreren eens te meer dat mensen die overtuigd zijn van een denkbeeldige naderende apocalyps veel schade kunnen toebrengen. Het aanmoedigen, zo niet afdwingen, van het gebruik van spiraaltjes bij Indiase vrouwen en sterilisaties bij Indiase mannen heeft veel leed veroorzaakt. Op het hoogtepunt van de Indiase noodtoestand in het midden van de jaren zeventig liet de regering van Indira Gandhi meer dan 8 miljoen sterilisaties uitvoeren. Bijna 200.000 mensen stierven door mislukte operaties. De Verenigde Naties ondersteunden ook het door de Chinese Communistische Partij zelfs nog wreder uitgevoerde ‘éénkindbeleid’. Achteraf gezien was de oplossing voor het probleem van de bevolkingstoename niet massasterilisatie, maar de Groene Revolutie in de land bouwtechnologie, waarvan agronomen als Norman Borlaug de pioniers waren. De huidige millennialisten zijn de profeten van de catastrofale klimaatverandering. ‘Rond 2030,’ schreef de Zweedse milieuactiviste Greta Thunberg, ‘zullen we in een positie verkeren waarin een onomkeerbare kettingreactie wordt ingezet, zonder dat mensen daar invloed op kunnen uitoefenen, die zal leiden tot het einde van onze beschaving, zoals wij die kennen.’ ‘De wereld zal over twaalf jaar eindigen, als wij niets doen aan de klimaatverandering,’ voorspelde het Amerikaanse Democratische Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez in 2019. 

    Thunbergs verschijning als de verpersoonlijking van radicaal milieuactivisme doet denken aan eerdere vormen van eschatologie, zeker vanwege de ernst van de offers die ze eist. ‘We hebben geen “koolstofarme economie” nodig,’ verklaarde ze in januari 2020 bij het World Economic Forum. ‘We hebben niet “minder uitstoot” nodig. Onze uitstoot moet stoppen als we een kans willen hebben om onder het doel van 1,5 graad te blijven (…) Elk plan of beleid van jullie dat geen radicale uitstootbeperking bij de bron inhoudt, met ingang van vandaag, is volkomen onvoldoende.’ De nieuwe groene revolutie – of de ‘Green New Deal’ – die wordt voorgesteld door Ocasio-Cortez, Thunberg en anderen impliceert een drastische reductie van alle CO2-uitstoot, waarbij nauwelijks rekening wordt gehouden met de economische en sociale kosten. We komen later op dit onderwerp terug; op dit moment volstaat het om te zeggen dat waarschuwingen voor het komende einde van de wereld het risico lopen (net als het roepen van ‘de wolf!’ in het sprookje) door herhaling minder geloofwaardig te worden. 

    Al deze groepen zijn er gezamenlijk in geslaagd om niet minder dan 100 van de afgelopen 0 einden der wereld te voorspellen

    Het onontkoombare feit blijft bestaan: profeten van het millennium, gnosti sche navolgers van de eschaton, wetenschappers die waarschuwen voor rampen en auteurs die zich die voorstellen: al deze groepen zijn er gezamenlijk in geslaagd om niet minder dan 100 van de afgelopen 0 einden der wereld te voorspellen. In de theaterkomedie Beyond the Fringe (1961) speelt Peter Cook de rol van Broeder Enim, een profeet die zijn volgelingen naar een bergtop leidt om de apocalyps af te wachten. 

    Jonathan Miller: Hoe zal het zijn, dat einde waarover u gesproken hebt, Broeder Enim? 

    Allen: Ja, hoe zal het zijn? 

    Peter Cook: Tja, het zal zijn alsof er een machtige scheuring in de lucht is, weet je, en de bergen zullen wegzinken, weet je, en de valleien zullen omhoogkomen, weet je, en groot zal het lawaai zijn dat daardoor veroorzaakt wordt. 

    Miller: Zal de voorhang van de tempel in tweeën gereten worden?

    Cook: De voorhang van de tempel zal in tweeën gereten worden, ongeveer twee minuten voordat we het teken zullen zien dat zich openbaart als een vliegende beestenkop in de lucht. 

    Alan Bennett: En zal er een machtige wind waaien, Broeder Enim?

    Cook: Jazeker zal er een machtige wind waaien, als we het woord van God mogen geloven… 

    Dudley Moore: En zal die wind zo machtig zijn dat de bergen erdoor platgelegd worden? 

    Cook: Nee, zo machtig zal die nu ook weer niet zijn; daarom hebben we nu juist deze berg beklommen, stomme eikel… 

    Miller: En wanneer komt dat einde, waarover u gesproken hebt?

    Allemaal: Ja, wanneer zal het zijn, wanneer zal het zijn? 

    Cook: Over ongeveer dertig seconden, volgens de oude perkamentrollen uit de piramiden… en mijn Ingersoll-horloge.

    De profeet en zijn volgelingen zetten zich schrap voor het einde van de wereld en tellen af: 

    Cook: Vijf, vier, drie, twee, één – nul! 

    Allemaal: (Zingend.) Nu is het Einde! De Wereld Vergaat! 

    Stilte. 

    Cook: Het was omgerekend naar deze tijdzone, toch? 

    Miller: Ja. 

    Cook: Nou ja, het is niet echt de vlammenzee waar ik op gerekend had. Geeft niet, jongens: morgen dezelfde tijd… Ooit moeten we het een keer goed hebben. 

    De statistieken van een calamiteit

    Waar we echt bang voor moeten zijn, is een grote ramp die ons niet allemaal doodt, maar wel een groot aantal van ons. Het probleem is dat we moeite hebben om ons zowel de potentiële schaal als de waarschijnlijkheid van rampen voor te stellen. ‘Een enkele dode is een tragedie; een miljoen doden is een statistiek.’ Dat aforisme wordt meestal toegeschreven aan Stalin. Die toeschrijving kan worden teruggebracht op een column uit 1947 in The Washington Post, waarin Leonard Lyons schreef: 

    ‘In de dagen dat Stalin de commissaris van Munitie was, werd er een vergadering gehouden met de hoogste commissarissen in rang. Het belangrijkste gespreksonderwerp was de hongersnood die toen heerste in de Oekraïne. Een van de functionarissen stond op en hield een toespraak over deze tragedie – de tragedie dat er miljoenen mensen stierven van de honger. Hij begon sterftecijfers op te sommen (…) Stalin onderbrak hem en zei: ‘Als slechts één man sterft van de honger, is dat een tragedie. Als miljoenen sterven, is het slechts statistiek.’ 

    Lyons vermeldde geen bron, maar ofwel hij of Stalin heeft de zinsnede vrijwel zeker geleend van Kurt Tucholsky, die deze op zijn beurt toeschreef aan een Franse diplomaat. ‘Oorlog? Dat vind ik niet zo verschrikkelijk. De dood van één mens, dat is een catastrofe. Honderdduizend doden, dat is een statistiek.’ We zien ook een versie van deze mentaliteit in onze tijd, merkte Eliezer Yudkowsky op: ‘Mensen die er niet over zouden peinzen om een kind pijn te doen, horen over een existentieel risico en zeggen: “Tja, misschien verdient de mensheid het niet echt om te overleven.” (…) De uitdaging die existentiële risico’s stellen is zodanig, en de catastrofes zijn zo enorm, dat mensen in een andere denkmodus schieten. Dan is het sterven van mensen ineens niet langer slecht en vereisen gedetailleerde voorspellingen ineens geen expertise meer.’

    We moeten op z’n minst proberen de statistieken begrijpelijk te maken. Rekening houdend met het grote gebrek aan historische bronnen kunnen we zeggen dat er in de gehele vastgelegde geschiedenis waarschijnlijk zeven grote pandemieën zijn geweest met een groter sterftecijfer dan 1 procent van de geschatte wereldbevolking. Daarvan hebben er vier meer dan 3 procent gedood en twee – de Pest van Justinianus en de Zwarte Dood – meer dan 30 procent, hoewel het dodental van de laatstgenoemde ziekte heel goed veel lager kan zijn geweest. Ook de beschikbare gegevens over de sterfgevallen als gevolg van oorlogshandelingen wijzen op slechts een klein aantal extreem dodelijke conflicten. Gegevens van de fysicus L.F. Richardson en de sociale wetenschapper Jack Levy wijzen – net als andere, meer recente studies – op zeven grootschalige oorlogen die meer dan 0,1 procent van de geschatte wereldbevolking doodden in de dagen dat ze uitbraken. In absolute termen waren de twee wereldoorlogen de dodelijkste conflicten in de geschiedenis. In Richardsons analyse van alle ‘dodelijke conflicten’ tussen 1820 en 1950 waren de wereldoorlogen de enige oorlogen van zwaarte: de enige met dodentallen van tientallen miljoenen. Ze waren goed voor drie vijfde deel van alle doden in zijn steekproef, waartoe behalve oorlog een moord en andere vormen van doodslag behoorden. In de Eerste en Tweede Wereldoorlog kwam respectievelijk 3 procent van de wereldbevolking van 1914 en 1939 om het leven; ook al vonden er verhoudingsgewijs misschien vernietigender conflicten plaats in eerdere perioden, vooral de oorlogen uit het tijdperk van de Drie Koninkrijken in het China van de derde eeuw, tussen de Han- en Jin-dynastieën. 

    Over het algemeen gezien zijn ziektekiemen aanzienlijk dodelijker geweest dan oorlogen

    In relatieve termen – dat wil zeggen: naar proportie van gedode strijdkrachten – behoort de Oorlog van de Drievoudige Alliantie (1864-1870) tot de dodelijkste uit de moderne geschiedenis. Toch is dit conflict vrijwel onbekend buiten de drie landen die erin vochten: Argentinië, Brazilië en Uruguay, die samen optrokken tegen Paraguay. Over het algemeen gezien zijn ziektekiemen aanzienlijk dodelijker geweest dan oorlogen. Het is zelfs zo dat de meeste mensen die hun leven verloren tijdens de Oorlog van de Drievoudige Alliantie stierven aan een ziekte, niet door vijandige acties. Volgens schattingen van Pasquale Cirillo en Nassim Taleb ‘heeft geen enkel gewapend conflict ooit meer dan 19 procent van de wereldbevolking gedood’. De conquistadores vermoordden in verhouding minder inwoners van Midden- en Zuid-Amerika dan de ziekten die ze met zich mee brachten uit Europa, waartegen de inheemse volkeren geen weerstand hadden.

    Soortgelijke exercities kunnen worden uitgevoerd voor zowel burgeroorlogen als genocides en democides – massamoorden op bevolkingsgroepen, in tegenstelling tot sterfgevallen als gevolg van oorlog tussen landen. Het totaal aantal slachtoffers van het stalinisme in de Sovjet-Unie kan hoger liggen dan 20 miljoen; een behoorlijke ‘statistiek’. Sterftecijfers van meer dan 10 procent zijn ook geschat voor Pol Pots schrikbewind in Cambodja, evenals voor de burgeroorlogen in Mexico (1910-1920) en Equatoriaal Guinee (1972-1979). In Richardsons lijst met conflicten van zwaarte 6 zijn zes van de zeven daarvan burgeroorlogen: de Taiping-opstand (1851-1864), de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865), de Russische Burgeroorlog (1918-1920), de Chinese Burgeroorlog (1927-1936), de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) en het totaal van de slachtpartijen die gepaard gingen met de onafhankelijkheid en opdeling van India (1946-1948). We zijn geneigd om aan te nemen dat geen enkele eeuw zo bloederig was als de twintigste. Toch wordt gezegd dat het exemplarische geweld dat gebezigd werd door de dertiende-eeuwse Mongoolse leider Dzjengis Khan de bevolkingen van Centraal-Azië en China gereduceerd heeft met meer dan 37 miljoen; een aantal dat, als het correct is, gelijkstaat met ongeveer 10 procent van de wereldbevolking op dat moment. Timurlengs laatveertiende-eeuwse veroveringen in Centraal-Azië en Noord-India waren al net zo berucht bloederig, met een geschat dodental van meer dan 10 miljoen. De Mantsjoe-verovering van China in de zeventiende eeuw kan het leven gekost hebben aan niet minder dan 25 miljoen mensen. Naast de Taiping-opstand veroorzaakten diverse andere Chinese opstanden in de periode voor 1900 een menselijk lijden op een schaal die gelijkstaat of zelfs hoger is dan wat de inwoners is aangedaan door burgeroorlogen in de twintigste eeuw. Van de achtste-eeuwse An Lushan-opstand wordt aangenomen dat die het leven kostte aan meer dan 30 miljoen mensen. Net zo vernietigend voor de provincies die erdoor getroffen werden, waren de vrijwel gelijktijdige opstanden van Nien en Miao, en de moslimopstanden in Yunnan en in het noordwesten van China. In deze gevallen moeten de dodentallen worden afgeleid van provinciale en plaatselijke volkstellingen die verricht zijn voor en na de opstanden. De bevolkingsafnamen lijken dodentallen in te houden die variëren van 40 tot 90 procent, maar ook in dit geval is het aannemelijk dat ziekten en hongersnoden net zoveel doden veroorzaakten als georganiseerd geweld, en waarschijnlijk veel meer. Ten slotte is er een reden om aan te nemen dat de sterftecijfers als gevolg van de West-Europese verovering en kolonisatie van het Amerikaanse continent en van Afrika in sommige perioden net zo hoog zijn geweest als die in de twintigste eeuw. 

    Het aantal doden in de Congo onder Belgisch bewind kan rond de 20 procent van de bevolking hebben gelegen

    Zoals zojuist al is opgemerkt, viel de overgrote meerderheid van de slachtoffers van de Europese verovering van Noord- en Zuid-Amerika ten prooi aan ziekten, niet aan geweld. Dus wie in dit verband spreekt van ‘genocide’ tast de waarde van historische terminologie net zozeer aan als degenen die de negentiende-eeuwse hongersnoden in India ‘victoriaanse holocausts’ noemen. Niettemin vertonen de gedwongen slavernij van het Congolese volk door de Belgische kroon na 1886 en de onderdrukking van de Herero-opstand door de Duitse koloniale autoriteiten in 1904 gelijkenissen met twintigste-eeuwse georganiseerde gewelddaden. Het aantal doden in de Congo onder Belgisch bewind kan rond de 20 procent van de bevolking hebben gelegen. De geschatte sterftecijfers in de Herero-oorlog zijn nog hoger: meer dan 1 op 3. Wat dit conflict, in verhouding, tot het bloedigste in de hele twintigste eeuw maakt. Het absolute aantal doden was echter 76.000, terwijl in de Congo tussen 1886 en 1908 naar schatting 7 miljoen doden vielen. Hoewel het gebruikelijk is om gegevens te normaliseren door percentages te be rekenen, moeten we altijd bedenken dat, anders dan bij Stalin, 1 miljoen doden altijd 1 miljoen tragedies inhouden – 1 miljoen premature en pijnlijke sterfgevallen –, of de noemer nu wordt uitgedrukt in tientallen miljoenen of in miljarden, en of die nu worden uitgevoerd door twee oorlogvoerende supermachten of door 1 miljoen moordenaars. De wereldoorlogen waren goed voor ongeveer 36 miljoen doden (ongeveer 60 procent van alle ‘dodelijke conflicten’ in Richardsons onderzoeksperiode van 130 jaar). Richardson was verbaasd te merken dat de daaropvolgende categorie uit de gebeurtenissen bestond met een magnitude van 0 (conflicten waarbij één tot drie personen stierven), die verantwoordelijk waren voor 9,7 miljoen doden. Het restant van de 315 onderzochte oorlogen, gecombineerd met alle duizenden conflicten van gemiddelde grootte, was goed voor minder dan een kwart van de slachtoffers van alle dodelijke conflicten. We moeten ook rekening houden met het feit dat juist dankzij de gestegen levensverwachting een sterfgeval in de twintigste eeuw – vooral in de rijke landen van Europa en Noord-Amerika – bijna altijd een groter verlies inhield, in termen van levenskwaliteit, dan een sterfgeval in eerdere tijdvakken. 

    Veel van de grootste economische rampen in de geschiedenis vielen, niet toevallig, samen met de grote pandemieën en conflicten die hier besproken zijn. Maar niet allemaal. De Grote Depressie, die over het algemeen wordt gedateerd vanaf de Wall Street-crash van oktober 1929, was het gevolg van structurele wanverhoudingen in de wereldeconomie, een rigide systeem van vaste wisselkoersen, protectionisme en fouten op het gebied van monetair en fiscaal beleid. De econoom Robert Barro heeft de beste lijst opgesteld die voorhanden is met de economische rampen van de twintigste eeuw, gerangschikt op hun effect op het reële bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking en op de financiële consequenties. Van de 60 dalingen van 15 procent of meer in reëel bnp per hoofd van de bevolking waren er 38 toe te schrijven aan oorlogen en de nasleep daarvan, 16 waren het gevolg van de Grote Depressie. Van de 35 landen in zijn steekproef vonden de grootste dalingen (elk van 64 procent) plaats in Griekenland (van 1939 tot 1945) en Duitsland (van 1944 tot 1946). De ervaringen met de Tweede Wereldoorlog waren niet veel beter in de Filipijnen en Zuid-Korea: beide landen kenden een vermindering van het bnp per hoofd van de bevolking van 59 procent. Omdat het Verenigd Koninkrijk bijzonder lange historische overzichten heeft, is het mogelijk om moderne economische indicatoren van economische ontberingen vast te stellen in op z’n minst de laatste drie eeuwen, en voor Engeland zelfs tot in de late dertiende eeuw. Volgens de Bank of England blijkt het slechtste jaar in de Engelse geschiedenis 1629 te zijn geweest (toen de economie met 25 procent inkromp), met 1349 (een krimp van 23 procent) als goede tweede. (De reden voor de ernst van de krimp in 1629 ligt niet direct voor de hand: de oorlog met Spanje verliep slecht, maar de grootste militaire operaties vonden dat jaar plaats in het Caribische gebied. Het jaar is in de politieke geschiedenis vooral bekend als het begin van de elf jaar durende ‘Persoonlijke Heerschappij’ van Karel I, zonder parlement.) Het laatste jaar met een krimp van meer dan 10 procent was in 1709, toen de economische activiteiten in heel Europa ernstig werden beperkt door de ‘Grote Vorst’, de koudste winter in 500 jaar. Deze vorstperiode werd toegeschreven aan de uitzonderlijk lage zonnevlekactiviteit die bekendstaat als het Maunder Minimum, in combinatie met vulkaanuitbarstingen in de twee voorafgaande jaren van de Fuji in Japan, op het eiland Santorini en van de Vesuvius. Het ergste jaar van de twintigste eeuw was 1921 (min 10 procent), een periode van hoge naoorlogse deflatie en grote werkloosheid. Toch kan geen enkele periode van vijf jaar opwegen tegen de late jaren veertig van de veertiende eeuw, een periode waarin de Zwarte Dood het bevolkingsaantal met meer dan 40 procent reduceerde. Halverwege 2020 leek dat jaar de ergste krimp in de Britse geschiedenis te laten zien sinds 1709: eind juni voorspelde het Internationale Monetaire Fonds een teruggang van 10,2 procent in het bnp.

    Onvolledige gegevens

    Er zijn echter grenzen aan wat we kunnen afleiden van economische gegevens. Tijdens het schrijven van een dissertatie over de Duitse hyperinflatie van 1923, en opnieuw bij het bestuderen van de financiële gevolgen van de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog, heb ik geleerd dat de tijden van de meest intense crises ook de tijden zijn waarin economische statistieken niet meer worden bijgehouden of alleen foutief worden bijgehouden. De Wereldbank heeft een omvangrijke verzameling gegevens met daarin het bnp per hoofd van de bevolking van bijna alle landen in de wereld sinds 1960. Maar als je kijkt naar de landen die in de afgelopen zestig jaar het meest te lijden hebben gehad van economische en politieke ontwrichting – Afghanistan, Cambodja, Eritrea, Irak, Jemen, Libanon, Somalië, Syrië en Venezuela –, dan zijn er in alle gevallen, weinig verrassend, gaten in de gegevens die samenvallen met de perioden van maximale ontwrichting. Wie kan precies zeggen hoe ernstig hun economische rampen geweest zijn? Het enige wat we weten is dat diezelfde landen bijna allemaal gevonden kunnen worden aan de top van de Fragile States Index, die ooit een ranglijst van ‘mislukte’ landen was. Een andere uitdaging is de (op het eerste gezicht paradoxale) constatering dat de periode 1914-1950, een tijdvak waarin twee wereldoorlogen, een depressie en een ineenstorting van de globalisering vielen, ook een periode was waarin de ontwikkeling van de mensheid – in brede zin gemeten in termen van levensverwachting, opleiding, het percentage van het nationaal inkomen dat besteed wordt aan sociale projecten en het niveau van democratie – over een breed front significant is vooruitgegaan.

    Rampen zijn kortom moeilijker te kwantificeren dan je zou verwachten, zelfs in de moderne tijd van statistieken. Dodentallen zijn vaak onnauwkeurig. Om de betekenis van een ramp te begrijpen, moeten we niet alleen het absolute aantal lijken weten, maar ook de oversterfte: het aantal sterfgevallen dat anders niet zou zijn voorgekomen, in verhouding tot basisgegevens die worden berekend als een gemiddelde van recente jaren. Bij een poging om de schaal van een ramp vast te stellen, kan de keuze van een referentiepopulatie een groot verschil maken. Wat in 1943 een catastrofale hongersnood was voor sommige delen van Bengalen, lijkt al met al kleiner als het dodental wordt uitgedrukt als een percentage van de gehele Indiase bevolking, en staat in geen verhouding tot de wereldbevolking in de context van de ergste oorlog die de wereld ooit trof. Mijn doel is om de lezer in staat te stellen de verschillende soorten rampspoed te vergelijken, niet om te beweren dat alle rampen op een bepaalde manier hetzelfde zijn. Tot september 2020 had covid-19 naar schatting 0,0114 procent van de wereldbevolking gedood, waarmee het plaats 26 inneemt op de lijst van de meest rampzalige pandemieën uit de geschiedenis. De Spaanse griep van 1918-1919 was ruwweg 150 keer dodelijker. Maar voor de steden met de meeste besmettingen was covid-19 in de maanden dat ze het zwaarst getroffen werden net zo erg als de Spaanse griep, zo niet erger. In termen van oversterfte was april 2020 in de stad New York bijna 50 procent meer dan oktober 1918, en drieënhalf keer meer dan september 2001, de maand van de aanslag op het World Trade Center. In de eerste helft van 2020 werd de bevolking van Londen net zo hard getroffen door covid-19 als door de Duitse raketaanvallen in de tweede helft van 1944, waardoor de regering in beide gevallen met een vergelijkbare uitdaging geconfronteerd werd: hoe konden de mensen beschermd worden tegen een dodelijke dreiging zonder de stad te verlammen? Dit is niet bedoeld om Al-Qaida of de nazi’s te vergelijken met het virus SARS-CoV-2, maar puur om te laten zien dat een ramp, in de zin van oversterfte, diverse vormen kan aannemen en toch vergelijkbare uitdagingen kan stellen. 

    Ieder prematuur sterfgeval is, zoals Stalin misschien inderdaad gezegd heeft, op een bepaalde manier een tragedie; hoe jonger het slachtoffer, des te pijnlijker het sterfgeval, en des te groter de tragedie. Maar sommige rampen zijn op een authentiekere manier tragisch dan andere.

    Dit artikel is een voorpublicatie uit Rampspoed (Doom) van Niall Ferguson, dat onlangs is verschenen bij uitgeverij Hollands Diep in een vertaling van Ed van Eeden en Jaap Verschoor.

  • De waarheid over de Oekraïens-Russische oorlog.  Eerbetoon aan een verloren soldaat

    De waarheid over de Oekraïens-Russische oorlog. Eerbetoon aan een verloren soldaat

    Als de Oekraïense soldaat met wie hij vriendschap heeft gesloten in de strijd sneuvelt, stelt oorlogsjournalist Nolan Peterson zichzelf als missie de waarheid te vertellen over de strijd aan de Russische grens. Want maar weinigen lijken te beseffen wat zich hier afspeelt: een van de grootste humanitaire crises op het continent.

    Als érgens blijkt uit wat voor hout een soldaat is gesneden, is het wel in een loopgravenoorlog. Er valt niet te ontsnappen aan het gevaar. Je kunt net zo makkelijk aan je einde komen op weg naar de wc als in een kogelregen terwijl je je positie verdedigt. Je weet nooit wanneer het granaatvuur zal losbarsten of wanneer een sluitschutter je in het vizier heeft. Je overlevingskans is meestal een kwestie van geluk – het gaat er vooral om dat je niet op het verkeerde moment op de verkeerde plek bent. Het is belangrijker om onder een gelukkig gesternte te zijn geboren dan om goed te kunnen schieten, wordt wel gezegd.

    Na zeven jaar onophoudelijke strijd in Donbas, het zwaar geteisterde oosten van Oekraïne, hebben sommige Oekraïense soldaten geleerd te lachen om het gevaar, geleerd om de oorlog als een spel te zien. Andere soldaten zijn naar binnen gekeerd en somber, zien voortdurend voor zich hoe ze aan hun einde zullen komen. En dan zijn er ook nog de uitzonderlijke jongens die de oorlog zien voor wat hij is – een regelrechte tragedie – en toch de strijd niet opgeven.

    ‘Je zou beter als oude man naar het front kunnen gaan’

    In de zomer van 2015 ben ik embedded bij het Oekraïense leger, in het dorpje Pisky, aan de frontlinie. Daar sluit ik vriendschap met een jonge soldaat, Daniel Kasjanenko, een van die uitzonderlijke mensen. Daniel is dan pas negentien, maar beschikt over een griezelig goed vermogen om de oorlog in een breder perspectief te plaatsen. Hij begrijpt welke tol zijn jonge ziel betaalt voor deze oorlog, en hij begrijpt ook dat de oorlog niet zwart-wit is. ‘Ik denk niet dat het allemaal slechte mensen zijn,’ zegt hij over zijn vijanden.

    Maar toch, als het moet, haalt Daniel de trekker over. De dingen die hij in de oorlog heeft gedaan en gezien, blijven hem achtervolgen. Hij zegt tegen me dat de oorlog hem ‘kapot heeft gemaakt’ en zijn ‘kijk op het leven’ voorgoed heeft verpest. Je zou beter als oude man naar het front kunnen gaan, vertrouwt hij me toe.

    Als ik weer vertrek van de frontlinie, beloven Daniel en ik contact te houden. We hebben het erover dat hij misschien ooit naar de VS zou kunnen komen; zijn grote droom. Maar een paar dagen nadat ik ben teruggekeerd naar Kiev, krijg ik een wat warrig bericht van Daniel. Hij is gewond geraakt door een mortiergranaat, schrijft hij, en hij heeft wat in de Oekraïense ziekenboeg een ‘hersenkneuzing’ wordt genoemd, waarmee vermoedelijk een hersenschudding wordt bedoeld, of, waarschijnlijker, traumatisch hersenletsel. Hoe dan ook, Daniels commandant geeft hem een paar weken verlof om hem terug te laten gaan naar zijn woonplaats Zaporizja, op nog geen drie uur rijden van het front.

    Daniel schrijft dat hij onderweg naar huis zonder geld is komen te zitten en vraagt of ik hem kan helpen een buskaartje te kopen. Hij heeft niet veel geld nodig en ik ben blij hem te kunnen helpen, dus ik maak wat over. Dat is het minste wat ik kan doen, in de omstandigheden.

    Daniel blijft een paar weken thuis, bij zijn ouders, Marina en Konstantin. Het is een zware tijd voor Daniels ouders, die hun zoon keer op keer proberen te overtuigen dat hij niet terug hoeft naar het front.

    En ze hebben gelijk, dat hoeft ook niet.

    Plicht

    Toen Rusland in de zomer van 2014 Oekraïne binnenviel, ging Daniel namelijk, als zoveel andere jonge mannen en vrouwen, uit eigen beweging naar het front. Hij sloot zich aan bij de ongeorganiseerde militie die de Russische inval probeerde af te slaan. De vrijwilligers leerden aan het front hoe ze moesten vechten, zonder enige formele opleiding. Er werd grappend gesproken over de ‘natuurlijke selectie’-opleiding. Daniel was pas negentien toen hij ten strijde trok. Hij belandde rechtstreeks vanuit zijn ouderlijk huis in het artillerievuur en tussen de sluipschutters. Hij werd soldaat voor hij ooit de kans had gekregen een man te worden. 

    Marina vertelt me later dat ze naar haar slapende zoon keek toen hij vanwege die hersenschudding met verlof was. In de paar maanden dat hij weg was geweest, was hij een ander mens geworden, zegt ze. ‘Hij ging als een jongen naar het front en hij keerde terug als een wijze, oude man.’

    Op de dag dat hij terug naar het front ging, smeekte Marina haar zoon om thuis te blijven. ‘Je bent nog veel te jong,’ zei ze. 

    ‘Mam, ik kan niet anders,’ antwoordde Daniel. ‘Ik moet terug naar mijn vrienden. Het is mijn plicht.’

    En hij ging. Twee weken later werd Daniel bij de strijd in Pisky gedood door een mortiergranaat. Hij was nog maar negentien.

    Na Daniels dood zoek ik contact met zijn ouders, en samen met mijn vrouw ga ik naar Zaporizja om hen te ontmoeten. Ik vraag Marina of ze het goed vindt dat ik haar verhaal gebruik om mensen iets duidelijk te maken over de oorlog in Oekraïne, over de strijd waarvoor haar zoon zijn leven heeft gegeven.

    ‘Doe wat je kunt om te voorkomen dat onze jongens sterven,’ zegt ze. ‘De hele wereld moet de waarheid horen over de oorlog in Oekraïne.’

    Dit is die waarheid.

    Het leek alsof het allemaal een geheim was. En zo lijkt het nog altijd

    De oorlog in Oekraïne is geen burgeroorlog. Dat is het nooit geweest. Het was, en is, een Russische inval.

    Ik heb zeven jaar in Oekraïne gewoond om verslag te doen van de oorlog. In die tijd heb ik, met eigen ogen, een oorlog gezien die heftiger is dan enige andere oorlog die heb meegemaakt in Irak en Afghanistan, zowel als special operations-piloot (wat ik vroeger was) als aan de grond, als oorlogscorrespondent.

    Zo zag ik in september 2014 vanaf een heuveltop een tankgevecht in de kustplaats Marioepol. Ja, een tankgevecht. In Europa. In deze tijd. Het was alsof ik naar een Hollywoodfilm keek. Alleen was dat niet zo. Dit gebeurde echt.

    De volgende dag bezocht ik het slagveld. Het was 5 september 2014, de dag waarop het eerste staakt-het-vuren werd getekend. Wat ik zag was een grote ravage van kapotgeschoten tanks en pantservoertuigen. En talloze dode soldaten, deels verkoolde, kapotgeschoten lichamen verspreid over het terrein, verstard in de bewegingen van het moment van sterven, als de gipsen beelden van overledenen in Pompeii.

    Ik had nooit eerder een dergelijke oorlog gezien. Maar wat misschien nog wel schokkender was: het leek alsof het allemaal een geheim was. En zo lijkt het nog altijd.

    Ook nu nog liggen de Oekraïense troepen ingegraven langs een kleine 400 kilometer frontlinie in de regio Donbas, in het oosten van het land. Daar blijft het Oekraïense leger verwikkeld in een statische loopgravenoorlog tegen de gecombineerde strijdkrachten van pro-Russische separatisten, buitenlandse huurlingen en Russische soldaten. En met de Russische troepenopbouw van tienduizenden manschappen aan de grens met Oekraïne [in april 2021] lijkt de mogelijkheid van een veelomvattender oorlog ineens wel erg reëel. 

    Overal in Oekraïne werd het straatbeeld bepaald door pijlen op gebouwen die de weg wezen naar de dichtstbijzijnde schuilkelder

    Tot nog toe heeft de oorlog zo’n veertienduizend Oekraïense levens geëist – meer dan de helft van de slachtoffers is gevallen nádat in februari 2015 de Minsk II-wapenstilstand werd gesloten. En met 1,7 miljoen mensen die nog altijd niet kunnen terugkeren naar huis, is dit niet alleen de enige landoorlog die momenteel nog in Europa woedt, maar tevens een van de grootste humanitaire crises op het continent.

    Onder het mom van een separatistische opstand annexeerden Russische speciale eenheden en veiligheidsdiensten in het voorjaar van 2014 de Donbas-regio. Even daarvoor, in februari, hadden Oekraïense demonstranten de sluipschutters getrotseerd op het centrale plein van Kiev, tijdens een opstand om Viktor Janoekovitsj, de pro-Russische president, tot aftreden te dwingen. In de kern ging die revolutie erom dat het land zich afkeerde van Rusland en een meer pro-Europese, prowesterse, prodemocratische koers zou gaan varen.

    Maar met een doelbewuste campagne van gemilitariseerde propaganda wist Rusland de annexatie van de Krim en het daaropvolgende conflict in Donbas af te schilderen als een opstand die was georganiseerd en geleid door onbetrouwbare, Russisch sprekende Oekraïners die van mening waren dat de nieuwe regering in Kiev onrechtmatig was.

    Voor Kiev zag het er niet goed uit in de zomer van 2014. Gecombineerde Russisch-separatistische troepen rukten op en er waren zorgen dat Oekraïne in tweeën zou worden gedeeld, of dat Rusland zou overgaan tot een grootschalige inval. Het Oekraïense leger was danig verzwakt na vele decennia van corruptie, en slechts in staat zesduizend gevechtsklare manschappen op de been te brengen. Overheden adviseerden de inwoners van Kiev om bij een Russische aanval de metrostations als schuilkelder te gebruiken. Overal in Oekraïne werd het straatbeeld bepaald door pijlen die op gebouwen waren gespoten en die de weg wezen naar de dichtstbijzijnde schuilkelder.

    In die eerste maanden van de oorlog vormden gewone Oekraïners, op de hielen gezeten door het reguliere leger van Oekraïne, de gelederen van de ongeregelde gevechtseenheden. Ondertussen waren hele legioenen vrijwilligers bezig om spullen in te zamelen en die naar de troepen aan de frontlinie te brengen – waarbij ze vaak een groot risico liepen. De oorlogsinspanningen werden gedragen door de bevolking, waarmee weer eens duidelijk werd dat Oekraïners in tijden van crisis eerder geneigd zijn zelf in actie te komen dan te wachten tot de regering iets doet. 

    In juli 2014 hadden de ongeregelde troepen van Oekraïne (de Bad News Bears van de oorlog, zoals ik ze ben gaan noemen) weer 23 van de 36 districten in handen die onder gecombineerd Russisch-separatistisch bewind hadden gestaan. Met de oprukkende troepen zag het er – heel even – naar uit dat Kiev al het terrein zou kunnen herwinnen dat het had moeten prijsgeven aan de troepen die voor de Russen streden. Maar toen, in augustus, stuurde Rusland zelf duizenden manschappen en ongekende hoeveelheden wapens en militair materieel naar het conflictgebied.

    Veel Oekraïners vreesden dat er een grootscheepse Russische invasie ophanden was; een aanval op de havenstad Marioepol leek onafwendbaar. Dankzij de wapenstilstand van september 2014 leek te zijn voorkomen dat de oorlog zou escaleren tot een rampzalig niveau. Die wapenstilstand werd echter al snel geschonden, maar door de Minsk II-wapenstilstand in februari 2015 concentreerde het conflict zich uiteindelijk rond het huidige grensgebied.

    Maar daarmee is er nog geen einde gekomen aan de oorlog.

    Persoonlijk

    De patstelling in de loopgraven in het oosten van Oekraïne is uitgegroeid tot een broze impasse, waarbij de twee grootste landlegers van Europa – gerekend naar manschappen – dagelijks beschietingen uitvoeren. Het is een langeafstandsstrijd die voornamelijk wordt uitgevochten met indirecte vuurwapens zoals mortieren en artillerie. In de meeste gevallen zien de soldaten nauwelijks op wie ze schieten – afgezien van de sluipschutters, die ik altijd al het meest angstaanjagende aspect van deze oorlog heb gevonden. In tegenstelling tot de willekeurige, lukrake dreiging van artillerievuur is het op een bepaalde manier persoonlijk om door een sluitschutter onder vuur te worden genomen – hij kijkt echt naar jou, door een vizier, en probeert je te doden. 

    Er zijn plekken waar het niemandsland enkele kilometers breed is. Op andere plekken zitten de Oekraïners en hun vijanden zo dicht op elkaar dat ze elkaar verwensingen kunnen toeschreeuwen. Zo heb ik in 2015 in Sjirokino kunnen zien hoe dronken soldaten van het Russische kamp ’s nachts naar de Oekraïense linies kropen en de Oekraïners uitdaagden voor gewapende gevechten, van man tot man, tot de dood erop volgde. Een soort gladiatorengevechten. 

    Het is al met al een bizar conflict waarin moderne technologie – zoals drones en elektronische oorlogsvoering – samengaat met fysieke omstandigheden die doen denken aan de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, zij het op veel kleinere schaal. Als de Oekraïners niet in die loopgraven zitten, leven ze in de kelders van verlaten huizen. Het is domweg te gevaarlijk om veel tijd bovengronds door te brengen, met de onophoudelijke granaatbeschietingen en overal sluipschutters.

    In je achterhoofd leeft voortdurend de gedachte dat je elk moment dood kunt gaan. Die constante achtergrondruis van gevaar is iets heel anders dan wat ik heb meegemaakt toen ik was uitgezonden naar Irak en Afghanistan. Daar hadden we betrekkelijk veilige plekken om tussen onze verschillende missies door even op adem te komen.

    In Marioepol is een restaurant, uitgebaat door een veteraan, dat pizza’s bezorgt aan het front

    Maar ondanks alle ontberingen hebben de Oekraïense troepen geleerd zich aan te passen. Oorlog voeren is een manier van leven geworden. Hetzelfde geldt voor de Oekraïense burgers die zijn achtergebleven in het oorlogsgebied. Ik sta er altijd van te kijken dat in tijden van oorlog het dagelijks leven zo goed en zo kwaad als het gaat voortgang vindt. Kinderen gaan gewoon naar school, al zijn er dagelijks beschietingen. Winkels zijn gewoon open. Familieleden komen nog altijd samen voor de avondmaaltijd. Zo is er in Marioepol een restaurant, uitgebaat door een veteraan, dat pizza’s bezorgt aan het front.

    Een van de indringendste voorbeelden van het gewone leven in tijden van oorlog heb ik gezien in Lobacheve, een plaats aan de frontlinie. De stad wordt in tweeën gedeeld door een rivier – de Oekraïners hebben de ene kant van de stad in handen, de Russische separatisten de andere. Maar er is maar één school. Dus hebben de strijdende partijen besloten tot een kortstondig staakt-het-vuren, twee keer per dag, zodat de kinderen het pontje over de rivier kunnen nemen, van en naar school.

    In 2016 was ik getuige van zo’n bizarre, kortstondige time-out van de oorlog. Het had iets surrealistisch om de Oekraïense soldaten op hun dooie gemak aan de oever een sigaretje te zien roken, terwijl ze hun vijanden op de andere oever zagen staan. Maar zodra het moment voorbij was namen de sluitschutters weer hun positie in, zochten de soldaten dekking en was het weer oorlog. ‘Oorlog is een duistere komedie,’ zei Andriy, een Oekraïense soldaat die dag tegen me, terwijl we een veilig heenkomen zochten.

    De twee partijen moeten duidelijk weinig van elkaar hebben, al hebben veel Oekraïners familie in Rusland, en omgekeerd. Sterker nog, enkele oudere Oekraïense soldaten hebben in de Sovjettijd in het Rode Leger gediend, samen met de Russen. Ik heb zelfs Oekraïense soldaten gezien die Facebookberichten aan hun vijanden stuurden, die ze nog kenden uit hun jeugd, of van hun studie.

    ‘Het is lastig vechten tegen een vijand die dezelfde taal spreekt en hetzelfde geloof heeft,’ zegt Oleksandr Derevyanko, een 54-jarige Oekraïense soldaat en veteraan uit het Sovjetleger. ‘Maar we moeten dit gevecht wel leveren – er zit niets anders op. Rusland heeft ons aangevallen en we moeten ons vaderland verdedigen.’

    Derevyanko vocht in de jaren tachtig als Sovjetsoldaat in Afghanistan. ‘In Afghanistan heb ik geleerd dat het niet zo moeilijk is om een oorlog te beginnen, maar wél om een oorlog te beëindigen,’ zegt de oude soldaat. Ik ben zelf ook Afghanistan-veteraan en ik had het niet beter kunnen zeggen.

    De oorlog in Oekraïne is momenteel niets minder dan een zwaard van Damocles dat boven Oost-Europa hangt – elk moment kan de vlam in de pan slaan en kan het vuur om zich heen grijpen. Als de zon vanavond onder is, zullen de lichtspoorkogels de hemel uiteenrijten. Het artillerievuur zal donderen. En de soldaten en burgers, die allemaal oorlogsmoe zijn, zullen wegduiken in schuilkelders en loopgraven, en proberen hun angst de baas te blijven – net als de afgelopen zeven jaar.

    De oorlog gaat maar door. Wanneer zal er ooit een einde aan komen? 

    De oorlog in Oekraïne is een frontlinie ter verdediging van de geest, en de belofte, van de democratie

    Het is makkelijk om te denken dat de geschiedenis uiteindelijk altijd wel weer ten goede zal keren – dat het tijdperk van de wereldoorlogen achter ons ligt. Dat het nooit weer zal gebeuren. In Oekraïne voelt dat heel anders.

    Vergeet niet dat Oekraïne nog maar twee generaties terug het dodelijkste strijdtoneel was in een van de dodelijkste oorlogen in de geschiedenis van de mensheid. Sommige van de soldaten die in die oorlog hebben gevochten, en de burgers die het hebben overleefd, zijn momenteel nog in leven. Dus laat niemand denken dat een dergelijke oorlog nu niet meer mogelijk is, of dat de ontwikkelingen in de tijd waarin we nu leven op de een of andere manier immuun zijn voor de onophoudelijke cycli van oorlog en vrede die de geschiedenis typeren.

    De Amerikaanse oorlogscorrespondent Martha Gellhorn schreef ooit: ‘Tenzij ze tot de directe slachtoffers behoren, gedraagt de meerderheid van de mensheid zich alsof oorlog een kwestie is van overmacht, iets wat niet voorkomen had kunnen worden; of ze doen alsof een oorlog elders niet hun probleem is. Het zou een wrede kosmische grap zijn als we onze eigen ondergang bewerkstelligen door het wegkwijnen van de verbeelding.’

    De oorlog in Oekraïne is namelijk veel meer dan alleen een frontlinie tegen de Russische militaire agressie. Het is ook een frontlinie ter verdediging van de geest, en de belofte, van de democratie.

    Amerikaanse steun, in welke vorm ook – diplomatieke maatregelen of wapens – geeft een signaal aan de Oekraïense soldaten en burgers: dat ze niet zijn vergeten, en dat de democratische wereldorde, waar ze zo graag deel van willen uitmaken, nog altijd de strijd waard is. Vandaag de dag lijkt dat een boodschap die de hele wereld zou moeten horen.

    Met de geschiedenis als leidraad lijkt één ding duidelijk: als de oorlog in Oekraïne escaleert tot een veel groter en dodelijker conflict, zullen de gevechten niet beperkt blijven tot Oekraïners en Russen.

  • De wedergeboorte van de taliban

    De wedergeboorte van de taliban

    Ze worden gevreesd – en vereerd. In Afghanistan staan ze op het punt de macht weer over te nemen. Verslaggevers van Die Zeit reisden met toestemming van lokale leiders dagenlang door het land van de taliban. 

    De 9e editie van de European Press Prize

    Voor de vijfde keer op rij maakte 360 een selectie uit de shortlist van European Press Prize.
    Dit verhaal uit Die Zeit is een van de vijf genomineerden voor de Distinguished Reporting Award.

    De European Press Prize werd in 2013 opgericht vanuit de overtuiging ‘dat journalistiek een van de grote verbinders is in een Europa dat leert en groeit dankzij de verhalen van verslaggevers’. Dit jaar was er een recordaantal inzendingen, met meer dan duizend deel-nemers uit bijna alle 47 landen van de Raad van Europa en ook daarbuiten. Journalisten uit achttien verschillende landen – van Spanje tot Wit-Rusland, van Denemarken tot Griekenland – zijn geselecteerd voor de shortlist.

    De finalisten kozen belangrijke Europese thema’s, waaronder de gevolgen van de pandemie; de Black Lives Matter-beweging; migratie en mensenhandel; vrouwenrechten in de sport en vele andere.

    Onze selectie uit deze shortlistverhalen leest u de komende weken op onze site. Voor het magazine kozen wij dit uitzonderlijke verhaal, voorzien van uitzonderlijk mooi beeld, over degenen die vochten tegen het machtigste leger ter wereld en een land creëerden dat officieel niet op de kaart staat: het land van de taliban.

    Op 3 juni is bekendgemaakt dat ‘Love in the time of plague’ van Janusz Schwertner, gepubliceerd door de Poolse Nieuwssite Onet, de winnaar is geworden van de Distinguished Reporting Award.

    Kijk voor meer informatie op europeanpressprize.com.

    De keuze van art director Majel van der Meulen

    ‘Het indrukwekkendste stuk van dit jaar vond ik “De wedergeboorte van de taliban”, waarin twee Die Zeit-redacteuren reizen door talibangebied in de periode dat Afghanistan nog niet volledig in handen was gevallen van de islamistische rebellen. Het geeft een verrassend eerlijke inkijk in de wereld van theehuizen, madrassa’s en shariarechtbanken.’

    Dit artikel, door European Press Prize genomineerd voor de Distinguished Reporting Award, had in ons juninummer nog de ondertitel “Een reis door een land dat officieel niet bestaat”, maar sinds de machtsovername is die inmiddels achterhaald.’

    Het eerste contact. Een stem uit de telefoon. De speaker kraakt. De stem klinkt gedecideerd, maar ook jong, kwetsbaar bijna. Onderweg geeft de stem ons de laatste aanwijzingen. Vier uur rijden van Kaboel, de provincie Ghazni, midden in Afghanistan. Op de grote weg zijn we langs de ruïnes van verwoeste legerbases gekomen, langs wrakken van uitgebrande militaire voertuigen. Op hele stukken van de weg zit elke honderd meter een diepe krater. Dan zegt de stem dat we moeten afslaan, ze loodst ons steeds verder van de grote weg, steeds verder het land in, waar nauwelijks wegen zijn, alleen geitenpaadjes. De wielen van de Toyota slippen in het zand, dan komt de auto weer op de rotsige bodem terecht. Even later, na de laatste post van de regeringssoldaten, ligt op een heuvel een vesting waar de Afghaanse vlag wappert. Dan valt de verbinding weg.

    ‘Is dit wel de goede plek?’ vraagt onze chauffeur even later. Op een dorpsplein staan we gespannen te wachten, het plein is leeg, het dorp lijkt verlaten. De chauffeur kijkt op de telefoon, nog steeds geen verbinding. De plaats waar we elkaar zouden ontmoeten is het eerste dorp voorbij de grens van het regeringsgebied. Een paar armzalige lemen hutten. Al jaren geleden zijn de mensen hier uit angst gevlucht. Niemandsland. ‘Ik weet niet of we hier wel goed zijn,’ zegt de chauffeur nog een keer. Net als we overwegen om terug te keren verschijnen er opeens zeven gewapende mannen op het plein. ‘Vrede zij met u,’ zegt degene met de jongensachtige stem, die we al kennen van de telefoon.

    Hij glimlacht, maar zijn lachje verdwijnt snel weer. Nisar, stelt hij zich voor, een naam waarvan hij weet dat wij weten dat het niet zijn echte naam is. Hij zal ons de komende dagen begeleiden. Wij, verslaggevers van Die Zeit, hebben maanden aan de voorbereiding van deze reis gewerkt. Toch zijn we nerveus. We begeven ons in handen van degenen van wie we tot nu toe vreesden dat ze ons zouden kunnen ontvoeren.

    Om veiligheidsredenen blijven westerse journalisten tot nu hoogstens een paar uur achtereen bij de taliban. Wij zijn de eersten in jaren die zich een paar dagen lang aan hen toevertrouwen. We willen een reportage maken over de mannen die het machtigste land ter wereld militair murw hebben gemaakt en die een land hebben gecreëerd dat officieel op geen enkele kaart staat, het land van de taliban. Veel mensen vrezen de taliban. Toch worden ze ook bewonderd, mensen laten zich voor hen de dood in jagen, laten zich voor de beweging folteren en opsluiten. De taliban, de hoop voor velen.

    Restanten

    De religieuze strijders controleren in de herfst van 2020 weer 80 procent van Afghanistan. De regering van president Ashraf Ghani is teruggedreven naar de provinciecentra en de hoofdstad Kaboel. De restanten van een staat die steeds verder krimpt. De taliban staan al in de buitenwijken van Kaboel. De vluchtelingen die de laatste jaren hun toevlucht in de hoofdstad hebben gezocht, moeten het met steeds minder ruimte doen. Na twee decennia trekken de Amerikanen binnenkort hun troepen terug. De corruptie onder de autoriteiten neemt hand over hand toe. Iedereen probeert voor hij in ballingschap gaat zoveel mogelijk geld naar het buitenland te brengen. Een staatsapparaat kort voor de algehele instorting. Gevreesd wordt dat binnenkort de eerste legereenheden zullen overlopen. In Doha onderhandelen delegaties van de regering en de taliban al sinds midden september over een wapenstilstand; of, zoals veel mensen denken, over een capitulatie.

    De jonge talib Nisar, in het zwart gekleed, zwarte tulband, met een kalasjnikov over zijn schouder, rijdt op een motor voor ons uit. De weg voert naar het gebergte, wordt steeds steiler, we passeren de laatste groene velden, om ons heen alleen nog naakte witte rotsen. De weg, voor zover er van een weg sprake is, is smal, uitgehouwen in de rotswand. Aan de andere kant een afgrond. De stenen die door de wielen worden losgeslagen, vallen honderden meters omlaag. Bij elke haarspeldbocht wacht Nisar ons op, een tenger silhouet in het zwart, bocht na bocht, tot aan de pas op bijna 3000 meter hoogte.

    Tot vlak voor ons vertrek dreigden de afspraken met de taliban te mislukken. Contact opnemen is riskant. Het wederzijds wantrouwen is groot. Enkele journalisten die dachten op het woord van een talibancommandant te kunnen vertrouwen, zijn ontvoerd. Als we het gebied verlaten waar de regering aan de macht is, voelt dat als volledig controleverlies. Alsof je vanuit een ruimteschip de gewichtloosheid van het heelal in zweeft. Onze enige garantie dat we niet in deze steenwoestijn verloren zullen gaan, is een gesproken WhatsAppbericht. Onze reddingslijn: een andere stem, een oudere nu. De stem van de woordvoerder van de hoogste taliban. Een audioberichtje als vrijgeleide.

    De mannen die meestal westerlingen als wij ontvoeren, moeten ons nu beschermen. Dat hopen we tenminste. Rond het middaguur bereiken we de vallei aan de andere kant van het bergmassief. Hier zijn de taliban al bijna tien jaar ongehinderd aan de macht. Het district heet Rashidan en is betrekkelijk klein, maar strategisch belangrijk omdat het grenst aan Ghazni, de hoofdstad van de provincie. Ingebed in de groene strook akkers en bosjes langs de rivier ligt een tiental dorpen. Verder alleen schrale grond, stof en stenen. Nisar wil ons naar het districtscentrum brengen in het dorp Hussein Chel. Hier bevindt zich ook de markt, waar de sporen van de oorlog nog duidelijk zichtbaar zijn. De scholieren van de middelbare school waar Nisar stopt, kijken nieuwsgierig uit het raam. Voor de ingang worden we opgewacht door een gesloten front van twintig mannen met zwarte tulbanden.

    ‘Hartelijk welkom in de Islamitische Emiraten,’ zegt Mawlawi Nasrat, de talibancommandant van Rashidan. Hij geeft een slap handje, naar Afghaans gebruik omhelst hij ons, maar aarzelend. ‘De Amerikanen en u, hun bondgenoten, hebben ons land aangevallen,’ zegt hij. ‘Wij hebben ons land alleen verdedigd. U hebt ons deze oorlog opgedrongen.’ Nasrat vraagt ons binnen te komen. De taliban en wij gaan in de lerarenkamer op de grond zitten. Ze hebben nooit eerder westerse journalisten ontmoet. Sommigen kijken ons vol haat aan, de meesten zijn, zo te zien, nieuwsgierig.

    Het leek alsof de taliban het verscheurde land na vijfentwintig jaar oorlog vrede konden brengen

    In de kamer hebben zich leden van de Provinciale Raad, rechters van verschillende rechtbanken en een paar afgevaardigden van de zedenpolitie verzameld, die in de dorpen de islamitische kledingvoorschriften en de lengte van de baarden controleert. Verder zijn de gevolmachtigde voor het onderwijs, die toezicht houdt op de scholen, en een belastingontvanger aanwezig. Een doorsnee van het ambtelijk apparaat dat de taliban de afgelopen jaren ontwikkeld heeft. De regering in Kaboel is hier in Rashidan allang geschiedenis. ‘Kijk eens rond in ons district!’ zegt Nasrat, de commandant, begin dertig. ‘Praat met de mensen. Ze zijn gelukkig, omdat wij ons aan de Koran en de sharia houden. De regering in Kaboel die door jullie buitenlanders is neergezet, is een corrupte bende. Ze is moreel verdorven. Bij ons bestaat geen corruptie. Wij zijn hier om Allah te dienen en de problemen van de mensen op te lossen.’

    Met de taliban had niemand in Afghanistan meer rekening gehouden. Ze waren verpletterend verslagen. Het leger van de Verenigde Staten had ze na de aanslagen in New York van 2001 in een paar weken tijd naar de vergetelheid gebombardeerd. Naar schatting twintig procent van alle talibanstrijders zijn toen om het leven gekomen. De rest vluchtte naar Pakistan of dook onder. Om te voorkomen dat Afghanistan opnieuw door radicale groeperingen zou worden overheerst, heeft de wereldgemeenschap daarna een enorme operatie op touw gezet. Vijftig landen hebben soldaten en ontwikkelingswerkers gestuurd. Alleen al de VS hebben 1000 miljard dollar geïnvesteerd. In Afghanistan moest worden bewezen dat het mogelijk is de situatie in een land ten goede te keren en er het kwaad uit te roeien. Het kwaad, dat zijn de taliban.

    Hun oorsprong is duister. Hun oprichter, moellah Mohammed Omar, die in de jaren tachtig tijdens de oorlog tegen de Russen een oog verloor, is een mythisch figuur. Tot zijn dood in 2013 bestond van hem maar één enkele foto. Na de ineenstorting van het communistische regime in 1992 was hij leraar in een moskee in de buurt van Kandahar. Het land was in handen van honderden warlords en hun strijders, de moedjahedien, en georganiseerd in tientallen verschillende, elkaar bestrijdende allianties. Het waren de bloedigste jaren van de burgeroorlog. Afghanistan verzonk in anarchie. Begin 1994 ontvoerde een plaatselijke warlord twee meisjes, liet hun hoofd kaalscheren en hield hen vast in zijn legerbasis, waar ze werden verkracht. Omar riep dertig leerlingen van zijn Koranschool bij elkaar, ‘taliban’  –  talib, meervoud taliban, betekent gewoon ‘leerling’. Ze bewapenden zich met zestien geweren, trokken naar het huis van de warlord, bevrijdden de meisjes en knoopten de warlord op aan de loop van een tank.

    De geschiedenis van de taliban, die de wereld later zou leren kennen als de groepering die de vrouwen in het land onderdrukte, begon met de bevrijding van twee vrouwen. Daarna zochten steeds meer mensen moellah Omar op om zijn hulp in te roepen bij overvallen van de warlords. Leerlingen van andere Koranscholen sloten zich bij hem aan. Maanden later controleerden ze hele provincies en aan het eind van het jaar had moellah Omar twaalfduizend aanhangers. Al snel noemde hij zichzelf Almir-al Mu’min: leider der gelovigen. Spoedig stroomde ook het geld binnen. Fracties van de moedjahedien gaven hem geld in de hoop de taliban ook tegen hun tegenstanders te kunnen inzetten. Pakistan, dat de moedjahedien steunde in hun strijd tegen de Russen, gaf geld om hen beter te kunnen controleren. De taliban begonnen in Afghanistan als verlossers. Het leek alsof zij het verscheurde land na 25 jaar oorlog vrede konden brengen. Maar ze brachten alleen nog meer bloedige strijd. Al meer dan 42 jaar is er in Afghanistan geen vrede.

    ‘We hebben van de fouten in het verleden geleerd,’ zegt Nasrat, de commandant van Rashidan. ‘Vroeger zouden ze na de verovering van een district een van de strijders tot gouverneur hebben benoemd. Die wisten niet hoe ze met de bevolking moesten omgaan,’ zegt hij. ‘Dat is nu anders, we hebben allerlei deskundigen.’ Hij kijkt steeds ongemakkelijk in de richting van Nisar, die naast hem is gaan zitten. De jonge talib die ons heeft opgehaald, is door de shura, de centrale raad van de taliban in Pakistan, afgevaardigd om ons te begeleiden. Hij heeft kohl om zijn ogen, wat hem volgens de Pasjtoense cultuur tegen het boze oog beschermt. Hij is pas drieëntwintig en heeft nog geen volle baard. Nasrat, een kop groter en tien jaar ouder, heeft ruwe handen en is gewend aan zwaar werk, een boer die revolutionair is geworden. ‘We hebben zoveel deskundigen dat we heel Afghanistan kunnen besturen,’ zegt Nasrat, de commandant. ‘We weten nu hoe dat moet.’

    ‘Vertel hun,’ spoort Nisar hem aan, ‘dat we beter naar de bevolking luisteren.’ ‘We luisteren nu beter naar wat de mensen willen,’ zegt Nasrat. ‘Wat dacht je ervan,’ stelt Nisar voor, ‘als je zegt dat er vrede zal komen als alle buitenlandse troepen zijn vertrokken?’ Nisar zegt openlijk voor wat Nasrat moet zeggen. Hij is van de media-afdeling van de taliban. In de meeste provincies runnen ze een radiozender, geven ze kranten uit en opereren ze op socialemediaplatforms. Mannen als Nisar vormen de jonge elite van de taliban. Technologisch zijn ze vaardiger, en ze maken filmpjes van jonge zelfmoordaanslagplegers voordat die zich in een mensenmenigte opblazen.

    Het symbool van hun overwinning ligt op een hooggelegen plek van waar je uitkijkt over het dorp. Nasrat en Nisar verlaten de school en lopen over de markt. Officieel is die van de regering, maar de handelaars betalen hun marktgeld allang aan de taliban. Er zijn drie apotheken, verscheidene werkplaatsen waar vooral de motoren van de taliban worden onderhouden, levensmiddelenwinkels en een paar kleermakers. Van de 250 winkels zijn er vijftig geopend. Er zijn maar weinig mannen die het zonder volle baard durven te stellen en maar een enkeling draagt geen tulband. De nieuwe dresscode van de taliban is eigenlijk de oude. De baard niet langer en niet korter dan een handbreedte, net zoals de profeet hem droeg. Handelaars en klanten kijken ons na. Ze weten niet of we gijzelaars of gasten zijn.

    Dan staan we voor de aarden wal van het districtshoofdkwartier, een vesting hoog boven het dal. ‘Dit was mijn grootste overwinning,’ zegt Nasrat, terwijl hij door de poort loopt. Er is alleen een ruïne overgebleven. Op de binnenplaats groeit gras. De muur is op enkele plaatsen ingestort, de twee hoofdgebouwen zijn opgeblazen. Acht jaar geleden bestormde de groep van Nasrat de basis, waarbij ze drie tanks hebben vernietigd en 46 politieagenten gedood. De sporen van hun laatste wanhoop: de ramen van de gebouwen zijn met leem dichtgesmeerd, de ingestorte muren versterkt met zand. ‘Moet je zien hoe ze hun gevangenen behandelden,’ zegt Nasrat terwijl hij ons op de binnenplaats een betonnen gat in de grond aanwijst. Daar beneden lieten de agenten verdachte dorpelingen creperen. ‘In strijd met de mensenrechten,’ zegt Nasrat, maar hij verzwijgt dat ook de taliban hun gevangenen in holen en koeienstallen opsluiten. De overwinnaar bepaalt hoe je het verleden interpreteert. Op het dak wappert de vlag van de taliban, wit met in het zwart het opschrift ‘Er is geen God naast Allah, en Mohammed is zijn Profeet’.

    Altijd haast

    Slechts één vertrek is intact gebleven. Een kale kamer met matten van boombast op de grond. ‘Dit is tegenwoordig ons hoofdkwartier,’ zegt Nasrat. Maar dat is niet juist. Uit angst voor drone-aanvallen houden de taliban zich maar zelden lang in hetzelfde gebouw op. Op onze reis is dat niet anders. De bijeenkomsten zijn kort. Ze hebben altijd haast. Ze arriveren op een tiental motoren, alleen Nasrat als commandant heeft een auto, dan gaat de groep weer uiteen en rijdt iedereen een andere kant op, zonder af te spreken waar en wanneer precies we elkaar weer zien. ’s Nachts worden we alleen gelaten. Niemand die ons bewaakt. Desondanks, dat weten we zeker, wordt Nasrat over al onze bewegingen geïnformeerd. ’s Nachts is het in het dal aardedonker. De dichtstbijzijnde openbare stroomvoorziening is in de hoofdstad van de provincie Ghazni, 88 kilometer verder. Onze eerste gastheer, die iets welvarender is dan zijn buren, heeft als enige stroombron een auto-accu, die hij oplaadt met een zonnepaneel op zijn dak. Er kunnen twee gloeilampen tegelijk op branden.

    In de beschutting van de avond praten we met inwoners van de dorpen. Om hen niet in gevaar te brengen, ontmoeten we andere na deze reis in de veiligheid van Kaboel. Wat we willen weten is: hoe is het leven onder de nieuwe taliban echt?

    Een man van rond de veertig, goed opgeleid, geboren in Rashidan:

    ‘De eerste jaren na de val van de regering van de taliban dacht niemand dat er opnieuw oorlog zou komen. We waren optimistisch. Iedereen was zo moe, zelfs onze plaatselijke taliban waren moe. Ze waren teruggekeerd naar hun gezinnen en weer boer geworden. Ze vochten niet tegen de regering. In het begin waren de taliban ook niet tegen de internationale hulporganisaties, die bij ons in het dal bruggen en irrigatiekanalen aanlegden. Maar nu zijn ze bijna allemaal tegen de regering. De regering heeft het geweld weer onder ons gebracht. Ze zijn naar ons dal gekomen om op voormalige taliban te jagen. Daarna kwamen de buitenlanders, ’s avonds met hun helikopters, en haalden de mensen uit hun eigen huis. Ze hebben veel onschuldigen opgepakt.’

    ‘De regering en de buitenlanders luisterden alleen naar commandant Chalil. In de jaren negentig was hij hier als warlord aan de macht, tot hij moest vluchten voor de taliban. Nu kwam hij terug met de Amerikanen. Chalil is geen goed mens, dat was hij vroeger niet en dat is hij nog steeds niet. Hij heeft heel veel land gestolen. Hij hoefde iemand er maar van te beschuldigen dat hij bij de taliban had gezeten of diegene moest met zijn hele gezin vluchten, waarna Chalil zijn land inpikte. In een van de dorpen wilde hij zoveel land stelen dat de inwoners naar de wapens grepen om zich tegen de dief te verdedigen. Daarbij zijn vijftien mensen omgekomen. De regering heeft niet de dief gearresteerd, maar de mensen die zich tegen hem verdedigden. Daarom zijn de meeste mensen hier voor de taliban. De regering heeft ons hulporganisaties gestuurd, maar met Chalil hebben ze ons van ons land beroofd.’

    De wedergeboorte van de taliban verliep bijna overal volgens hetzelfde patroon. Het Westen bracht de oude, door de bevolking vaak gehate warlords terug. Mannen die hun hele leven niets anders hadden gedaan dan vechten, die verruwd waren door tientallen jaren oorlog met bij elkaar anderhalf miljoen doden. Ze waren de steunpilaren van de nieuwe regering van Hamid Karzai, die door het Westen met miljarden dollars werd gesteund. Terwijl de warlords in de provincies de macht overnamen, bleef de centrale regering te zwak om hen te controleren. De warlords lieten zich in het parlement kiezen, kochten politieke benoemingen, werden gouverneur, minister of generaal in het nieuwe leger. Hun zoons richtten ondernemingen op en kregen lucratieve opdrachten van het Amerikaanse leger, de NAVO en veel ontwikkelingshulporganisaties. Ze betaalden geen belasting, onderdrukten hun binnenlandse concurrenten met geweld en corruptie en staken hun geld in onroerend goed in het buitenland.

    Al in 2002 probeerden de taliban zich opnieuw te organiseren, maar dat mislukte. De meeste Afghanen moesten niets van hen hebben. In de hoop op een betere toekomst onder Karzai verrieden ze hen aan de Amerikanen en de regeringstroepen. In hun ballingschap in de grote vluchtelingenkampen in Pakistan vielen de taliban uiteen in drie fracties: drie shura’s. Een shura, geleid door een deel van de oude elite van de taliban, werd opgericht in Quetta. Een tweede werd gevormd in Pesjawar en een derde, de meest radicale, ontstond in Miranshah. Hier werd het beleid gedicteerd door de familieclan van de Hakkani, een naam die al snel gevreesd werd, omdat de Hakkani’s de grootste trainingskampen voor zelfmoordaanslagplegers in Afghanistan onderhielden. Er wordt verteld dat tot 2015 de Hakkani’s 1160 zelfmoordaanslagplegers hebben ingezet, van wie er 843 hun missie ‘succesvol’ zouden hebben afgerond.

    ‘Ik ben een strijder, ik heb mijn hele leven gevochten. Ik heb geen plannen voor wat daarna moet gebeuren’

    Naarmate de teleurstelling over de regering onder de bevolking toenam, werden de taliban weer sterker. De eerste jaren domineerde de shura in Quetta, daarna die in Pesjawar, maar ten slotte, en nog steeds, weer die in Quetta. Soms bestreden de strijders van de drie shura’s elkaar en roofden ze gebieden van elkaar. Volgens de analyse van internationale conflictonderzoekers begon Pakistan in 2004 weer met betalingen aan de opstandelingen: 20 miljoen dollar per jaar. Dat bedrag liep op tot 500 miljoen dollar per jaar. Pakistan is in de regio in een hopeloze situatie verzeild geraakt. Het land is nergens zo bang voor als voor een verbond tussen zijn buren India en Afghanistan. Afghanistan eist de Pasjtoengebieden in het westen van Pakistan op, die indertijd door de Engelsen aan Pakistan zijn toebedeeld. India maakt aanspraak op een deel van Kasjmir in het noorden. Pakistan dreigt al sinds de oprichting van het land in 1947 uiteen te vallen. Een door de taliban geregeerd Afghanistan, waarvan geen gevaar uitgaat omdat het geheel onafhankelijk is, zou een eind maken aan Pakistans existentiële angst.

    Nasrat en Nisar wachten ons de volgende ochtend weer op bij het door hen veroverde districtshoofdkwartier. ‘We zullen u laten zien hoe we hier vrede brengen,’ zegt Nisar. In het enige vertrek dat intact is, heeft zich deze ochtend een groep mannen verzameld. De districtsrechtbank van de taliban. Voorzitter Mawlawi Shaker zit aan het hoofd van de groep. Ook hij is pas 26. ‘Niet Pakistan zeggen,’ fluistert Nisar hem desondanks duidelijk hoorbaar toe, als Shaker wil vertellen aan welke Koranschool hij heeft gestudeerd. ‘Ik heb in Ghazni gestudeerd, ’zegt hij dan, ook hij heeft zwarte kohl om zijn ogen. Voor hem zitten twee handelaren van wie de een de ander geld heeft geleend. De schuldeiser beweert dat hij omgerekend 800 euro heeft uitgeleend, de ander zegt dat het maar 520 euro was. ‘Hebt u getuigen?’ vraagt Shaker. Die heeft hij niet. ‘Hebt u getuigen?’ vraagt hij aan de ander. Die ook niet. De schuldenaar haalt whatsappjes tevoorschijn waarin de schuldeiser hem bedreigt. Ze zitten tegen elkaar te schreeuwen, tot Shaker zegt: ‘Genoeg.’

    Hij rommelt wat in de plastic zak met documenten die hij op zijn kalasjnikov heeft gelegd en haalt een formulier tevoorschijn. Een stuk papier met het logo van de taliban en het briefhoofd: ‘Provincie Ghazni, District Rashidan, Burgerlijk Bestuur’. Hij schrijft er een paar regels op en verwijst de zaak door naar de provinciale rechtbank. Die zullen wel een oplossing vinden, zegt hij als de twee mannen de ruïne hebben verlaten. Vermoedelijk zal de hogere instantie een compromis tussen de twee bewerkstelligen. ‘Zelfs mensen uit de regeringsgebieden komen met hun geschillen naar ons toe. Daar moeten ze een hoop geld betalen, maar krijgen ze toch hun recht niet. Daar wordt geen enkel geval opgelost. Hier lossen we alle kwesties op.’ Wat in Afghanistan nog belangrijker is dan elders, omdat een ruzie hier snel in een bloedvete ontaardt.

    Shariarechtbanken

    In de strijd van de taliban tegen de regeringscoalitie zijn de shariarechtbanken hun belangrijkste wapen. Ook die geven niet altijd degene gelijk die gelijk heeft, maar er wordt recht gesproken, vonnissen geveld, en ze winnen terrein. Heel anders dan in het gebied van de regering. Daar vragen rechters vaak van beide partijen grote sommen geld, en hebben beide partijen het gevoel dat ze in een moeras van corruptie en bedrog zijn terechtgekomen. Na verkregen gunsten veranderen rechters hun vonnis, schuiven een oordeel op de lange baan en zijn vervolgens niet in staat dat vonnis uit te voeren.

    Als we het hooggelegen voormalige districtscentrum verlaten, horen we boven ons opeens een snorrend geluid. Het is een drone, die het dal doorkruist op zoek naar een doel. Verreweg de meeste talibancommandanten die de afgelopen jaren zijn gedood, waren slachtoffer van aanvallen met drones. Nasrat en Nisar kijken omhoog maar zien de drone niet. Door zijn schutkleuren is de drone tegen de hemel vrijwel onzichtbaar. Even blijft iedereen staan, dan sterft het geluid weg.

    Bij de bazaar laten de taliban ons een kleine kliniek zien, de enige kliniek in het district, waar 42.000 mensen op zijn aangewezen. Het blok van ruwe natuursteen is zestien jaar geleden gebouwd door USAID, zoals aan een verbleekt bord bij de ingang te zien is. De directeur die ons begroet, kijkt bij elke zin naar Nisar. ‘We hebben niets om de mensen te beschermen tegen corona. We hebben geen mondkapjes en handschoenen.’ Gelukkig is het district tot nu toe niet getroffen, op één geval na. Het ergste is hier de cholera. ‘Van de honderd mensen hebben er twintig cholera.’ Het water is slecht. Wassen gaat hier nog traditioneel. De lemen huizen hebben slechts één woonlaag, waar bad en toilet naast elkaar liggen. De bronnen in de dorpen geven de laatste tijd steeds minder water. Riolering is er niet.

    ‘Ik weet het niet,’ antwoordt Nasrat op de vraag hoe hij de armoede in het dal wil verlichten als ze de oorlog eenmaal hebben gewonnen. Hij wil eerst een nieuwe moskee en een nieuwe Koranschool bouwen. Maar dan? Nasrat denkt lang na, dan zegt hij: ‘Ik ben een strijder, ik heb mijn hele leven gevochten. Ik heb geen plannen voor wat daarna moet gebeuren.’

    Vandaag gaan Nasrat en zijn staf al vroeg in de middag weg. Later horen we dat ze zich moeten voorbereiden op een aanval op een politiebureau in het centrum van Ghazni. De operatie betekent de zoveelste vernedering voor de regering. Drie politieagenten komen om. De taliban bestormen het bureau, maken geweren en antitankgranaten buit en ontkomen zonder verliezen.

    ’s Avonds horen we explosies. We gaan naar het dak van ons huis en luisteren in het donker. Ver weg, aan het eind van het dal, slaan granaten in. De volgende ochtend krijgen we te horen dat de artillerie van de regering kennelijk uit wraak lukraak granaten afvuurt op dorpen waar ze vermoeden dat de taliban zitten.

    Ook deze avond praten we met inwoners. Dit keer met een oudere man, die ook uit Rashidan komt.

    ‘De taliban zeggen dat ze hier alles onder controle hebben, maar dat is niet zo. Begin augustus is een leraar vermoord. Onbekenden hebben hem op klaarlichte dag uit zijn huis gehaald en in de velden doodgeschoten. Sommigen zeggen dat het om een familieruzie ging. Anderen zeggen dat het de taliban waren. Ook bij de taliban zitten slechte mensen. Maar al met al is het veel veiliger dan in het gebied van de regering. We zijn allemaal blij dat de taliban het hoofdkwartier van het district veroverd hebben. We hebben erg geleden onder de politieagenten, die zomaar schoten. Ze hebben op boeren geschoten die vanwege de droogte ’s nachts op hun akkers aan het werk waren om die te bevloeien. Ze hebben twee kinderen doodgeschoten die schapen hoedden. De regering had Oezbeekse en Hazara politieagenten hiernaartoe gestuurd. Die hebben een afschuwelijke hekel aan ons. Het was zo erg, dat iedereen met een grote boog om het districtscentrum heen reed, ook de markt was helemaal verlaten. Sinds de taliban terug zijn, wordt er niet meer gevochten. De handelaars komen terug en het leven is weer iets beter.’

    ‘Maar de meesten van ons steunen de taliban nog steeds niet. Ze houden hun mond en wachten af. De jonge mannen van hier die bij de taliban zijn gegaan, hebben op een madrassa, de Koranschool, in Pakistan gezeten. Bij ons in het dal zijn vier madrassa’s waarvan de leraren ook allemaal in Pakistan zijn opgeleid. De ouders bij ons zijn gelukkig als hun zoon naar de madrassa kan. De taliban selecteren alleen de besten. Jongens gaan naar de madrassa als ze zeven zijn. Ze slapen daar ook. We hebben ook staatsscholen. Onlangs heeft de middelbare school laptops gekregen, maar de taliban hebben die allemaal naar hun madrassa gebracht. De Koranscholen hebben nu betere leermiddelen dan de staatsscholen. Ook het eten is er beter. Op de staatsscholen leren ze bijna niets. De leraren daar zijn te slecht. Maar wie naar de madrassa gaat, kan al snel heel goed lezen en schrijven.’

    Van de honderd mensen hebben er twintig cholera

    De volgende dag lijkt de hemel vrij van drones. Sinds de VS hun legerbases afbouwen, is het aantal luchtaanvallen duidelijk minder geworden. De Afghaanse luchtmacht is door de jaren heen zwak gebleven. De militaire hulp uit het Westen heeft de luchtmacht klein gehouden en met weinig vliegtuigen en munitie uitgerust. Blijkbaar uit voorzorg, om te voorkomen dat Afghaanse generaals ze op een dag ongehinderd kunnen inzetten. Nisar belt en vraagt of we het gesprek tijdens het middageten kunnen voortzetten. Plaats: het huis van een iets welgesteldere boer. Nasrat en zijn staf van 25 man zitten in het gastenverblijf, een van stukken leem opgetrokken gewelf. Het eten is voor deze streek overvloedig, met veel vlees. Nasrat en zijn mannen logeren altijd kosteloos. De dorpsbevolking moet in hun onderhoud voorzien.

    ‘Wat zal ik verder nog vertellen?’ vraagt Nasrat terwijl hij zich naar Nisar toe buigt. ‘Vertel dat we nu verenigd zijn en dat we alle etnische groepen vertegenwoordigen.’ ‘We hebben uit alle stammen mensen in onze rangen,’ zegt Nasrat. ‘We hebben met die stammen geen enkel probleem.’ Afghanistan is een poly-etnische staat met negen nationaliteiten. Dat is de oorsprong van al het geweld. De Afghaanse burgeroorlog is telkens opnieuw uitgebroken door conflicten tussen de etnische groepen. En in tegenstelling tot hun eigen propaganda maken alle taliban die we op onze reis tegenkomen allemaal deel uit van een van die groepen, de Pasjtoen.

    Het dal van Rashidan markeert de grens tussen twee volken die al eeuwen in vijandschap leven. Beneden, in de weiden langs de rivier waar de bodem het vruchtbaarst is, wonen de Pasjtoen. Een volk dat eeuwenlang de koningen van Afghanistan leverde. Op de schrale hellingen boven het dal en tot ver in de bergen wonen Hazara. Ze stammen af van de Mongolen. De Pasjtoen zijn soennieten, de Hazara, net als de Iraniërs, sjiieten. Reeds de Pasjtoense koningen voerden veldtochten tegen de Hazara, plunderden hun dorpen, legden hun zware belastingen op, lieten hen verarmen, doodden tienduizenden van hen. Nooit zijn Hazara en Pasjtoen in één staat samengekomen. De taliban zijn in de jaren negentig doorgegaan met het onderdrukken van de Hazara. Geen groep in de bevolking heeft de val van de taliban in 2001 zo toegejuicht als de Hazara.

    Dreigt er, nu de troepen van de VS zich terugtrekken, voor beide volken een nieuwe tragedie? We hopen een antwoord te vinden in het naastgelegen district Nawur, dat bijna uitsluitend door Hazara wordt bewoond en al jaren door de taliban wordt overheerst.

    De wegen worden nog slechter, de hoofdweg dwars door Nawur is niet meer dan een stoffig pad, in de loop der jaren door de wielen van zware vrachtwagens uitgesleten in de witte kalksteen. De dorpen zien er onbewoond uit. Meer dan tachtig procent van de bevolking is de afgelopen jaren naar het buitenland gevlucht, vooral naar Iran, vertelt men ons, de meesten om te werken. Daar zouden inmiddels drie miljoen Afghanen wonen. De mensen die gevlucht zijn, stuurden geld naar de achtergeblevenen, maar dat is de laatste jaren steeds minder geworden. Iran heeft het in de huidige economische crisis zwaar te verduren.

    Vlak voordat de weg in een kloof verdwijnt, zien we een school die tegen de helling is gebouwd. Een school die er in het rijk van de taliban eigenlijk niet mag zijn. ‘Komt u binnen,’ begroet de rector ons na een kort gesprek. De Bibi Zainab Highschool. Er zitten honderdvijftig meisjes, in zes klaslokalen. De taliban staan toe dat ze tot de twaalfde klas les krijgen, omdat de leerlingen Hazara zijn. In het Pasjtoense Rashidan mogen meisjes maar tot de zesde klas naar school, omdat, zeggen de taliban, hun ouders dat zo willen. Voor veel Pasjtoense ouders is een opleiding voor meisjes verdacht. Vrouwen moeten thuis meehelpen en vroeg trouwen. Jonge vrouwen brengen een hogere bruidsschat op.

    Hier in Nawur dragen de leerlingen geen boerka, alleen een hoofddoek. ‘Twintig procent van onze leerlingen gaat naar de universiteit,’ vertelt de rector trots. De meeste gaan in Ghazni medicijnen studeren of een verpleegstersopleiding volgen. De school heeft geen verwarming, in veel vensters zit geen glas, daarom vallen de lessen ’s winters uit. Vaak is er maar één schoolboek voor drie meisjes. De rector, die de school een paar maanden na de val van de taliban heeft opgericht, is een oude man met dikke brillenglazen en een kromme rug, toch straalt hij als hij over zijn school praat.

    Tot nu toe hebben de taliban er alleen kritiek op dat het gebouw te dicht bij de hoofdweg staat en niet ommuurd is. Zo staan de meisjes bloot aan de blikken van passerende mannen. Bovendien wordt op school de helft van de vakken gegeven door mannen en niet door vrouwen. In de jaren negentig zijn bijna alle meisjesscholen om die reden gesloten. Of hij zich geen zorgen maakt over wat er van zijn school terechtkomt als de taliban de macht helemaal overnemen, vragen we. De rector kijkt naar de grond, dan weer op, en zegt: ‘De wereld is ons vergeten.’

    De weg die we volgen, voert ons door een nauwe kloof, aan weerszijden rijzen de rotswanden hoog op. De hemel wordt smal. De talibancommandant van Nawur, Mawlawi Ahmadi, heeft ons ontboden. Eigenlijk had hij ons bij Nasrat in Rashidan willen ontmoeten, maar daar kwam hij niet opdagen. We hoorden dat hij Nisar, de afgezant van Quetta, mijdt. De vraag die niet alleen wij willen stellen, luidt: hoe verenigd zijn de taliban werkelijk?

    Een moeilijk district

    Als trefpunt heeft Ahmadi een dorp in een afgelegen, door hoge bergen ingesloten dal gekozen. De weg erheen is half vernield door de zware regenval die afgelopen zomer in heel Afghanistan enorme aardverschuivingen heeft veroorzaakt. ‘Het dal van de waterval’ heet het dorp. De lucht is ijl. Een stuk of tien lemen huizen, verscholen onder aan een 700 meter hoge, steile rotswand. De toppen boven het dorp zijn bijna 4000 meer hoog.

    Een klein jongetje zit gehurkt in de schaduw van een huis. Verder is in het dorp geen mens te zien. De jongen groet niet en blijft ernstig naar ons kijken. Een uur later verschijnt Ahmadi, begeleid door twee lijfwachten. ‘Kijk eens hoe mooi ons land is,’ zegt hij ter begroeting joviaal. Ahmadi, midden dertig, witte tulband, een volle, zwarte baard, heeft niets van het boerse van Nasrat of het ambitieuze van Nisar. Zijn vader, die moellah (islamitische geestelijke) is geweest in Rashidan, heeft hem als kind al vroeg naar de madrassa gestuurd. Ahmadi spreekt zacht, weegt zijn woorden. Zijn stem blijft fluweelzacht, zelfs als hij harde uitspraken doet. Het ideaaltype van de islamitische geleerde, zoals ook Osama bin Laden ze graag zag.

    Hij leidt ons naar de kleine moskee van het bergdorpje. Een kale ruimte met een tapijt. Vier, vijf dorpsoudsten, Hazara, laten zich nu ook zien, aarzelend komen ze erbij zitten. Hun lichamen zijn uitgeteerd, hun wangen hol. Een heel moeilijk district, zegt Ahmadi, die als Pasjtoen over alleen maar Hazara heerst. Hij rekent uit: in totaal 125.000 inwoners, waarvan 75.000 onder zijn controle. De regering heeft alleen nog het districtscentrum in handen, hier zes uur vandaan. ‘Maar we werken eraan om daar verandering in te brengen,’ zegt hij. Kortgeleden heeft hij de gipssteengroeve veroverd, de belangrijkste bron van inkomsten in het district. De eigenaar van de mijn betaalt nu belasting aan de taliban.

    Het ziet ernaar uit dat de taliban de oorlog bijna hebben gewonnen, maar hoe willen ze vrede brengen? De armoede in Afghanistan zal op den duur iedere orde tenietdoen. Ahmadi weet dat ook. Hij heeft plannen voor zijn district. ‘We moeten de mijnen moderniseren,’ zegt hij. Om meer akkers te kunnen irrigeren, wil hij in het dal een dam bouwen. Hij wil wegen aanleggen, maar moet toegeven dat hij daar geen geld voor heeft. ‘We willen graag dat de buitenlandse ngo’s terugkomen. We garanderen hun veiligheid. We zullen nog een hele tijd van hen afhankelijk zijn,’ zegt hij. ‘Ze mogen terugkomen, maar we gaan er niet om smeken.’

    Tijdens een pauze in het gesprek, als Ahmadi de ruimte even heeft verlaten, vragen de oudsten ons hem aan te spreken over de armoede waarin ze leven. ‘Zeg tegen hem dat ze ons moeten helpen. De wegen zijn door de regen verwoest. Veel akkers zijn weggespoeld. Onze oogst is vernietigd.’ Ahmadi, die tot nu toe geen woord met de oudsten heeft gewisseld, doet een paar keer of hij onze vraag niet heeft gehoord, dan zegt hij: ‘We hebben geen geld. Alles wat we kunnen doen, is de hulporganisaties aansporen.’

    Ook verwacht Ahmadi hulp van vluchtelingen in Duitsland. ‘Er zit veel deskundigheid bij hen. We hebben ze nodig om ons land weer op te bouwen.’ Er zal hun niets gebeuren. Maar degenen die ernstige misdrijven aan de kant van de regering hebben gepleegd, staan zware straffen te wachten. ‘Die kan ik geen Afghanen meer noemen.’ Als een echte staatsman bedankt hij Duitsland, omdat het de vluchtelingen heeft opgenomen, maar hij verwijt de Duitsers ook dat hun leger in Afghanistan veel ellende heeft veroorzaakt. De soldaten hebben onschuldige mensen gedood. Het is nog te vroeg om die soldaten te kunnen vergeven. ‘Ik voel nog haat tegen hen. Ja, ik haat ze.’

    ‘De taliban zijn erg veranderd. Ze worden corrupter’

    Het is middag geworden, en de oudsten vragen Ahmadi om de tien gasten voor het eten twee aan twee over verschillende gezinnen te verdelen om de last voor iedere gastheer draaglijk te houden. ‘Nee,’ Ahmadi verwerpt hun voorstel, ‘we eten in de moskee.’ Nu moeten de oudsten ondanks hun armoede de gasten alleen van eten en drinken voorzien. De komende weken zullen hun gezinnen nauwelijks te eten hebben, omdat hun voorraden door deze ontvangst zijn uitgeput. Zwijgend kijken ze toe hoe de taliban en wij de maaltijd gebruiken.

    Ten afscheid nodigt Ahmadi ons uit voor een schietoefening aan de andere kant van het dorp. We wijzen het beleefd af, maar Ahmadi wil een beetje ontspanning. Hij gaat met ons naar de waterval, waar een heilige bron ontspringt die geesteszieken geneest. Een van zijn lijfwachten vuurt met zijn Amerikaanse M16, een halfautomatisch geweer, dat hij anderhalf jaar geleden op een Amerikaanse soldaat heeft buitgemaakt. ‘Ik heb hem eerst doodgeschoten en toen zijn geweer afgepakt,’ vertelt hij met een grijns. De andere lijfwacht vertelt dat ze een paar dagen geleden de vrijlating van een van hun strijders hebben gevierd. De Afghaanse regering moest dit jaar, onder druk van de VS en zwakker dan ooit, 5000 gevangen taliban vrijlaten. Een van hen kwam uit deze streek, vertelt de lijfwacht. Hij werd in 2004 gearresteerd omdat hij in Ghazni een 29-jarige Française had vermoord, Bettina Goislard, een medewerkster van het VN-vluchtelingenwerk. ‘Tot diep in de nacht hebben we gevierd dat hij weer terug was.’

    Het strookje gras hoog op een rots dat ze als doelwit kiezen, weet geen van de drie te raken.

    We brengen de nacht weer door in Rashidan. Weer luisteren we naar de verhalen van de dorpelingen.

    ‘Tot twee jaar terug waren de taliban hier erg streng. Ze hielden ons op straat aan en fouilleerden ons om naar smartphones te zoeken. Je mag alleen een gewoon mobieltje hebben. Als je een van hen bent, mag je een smartphone hebben voor het internet. Nu zijn ze wat relaxter geworden. Maar het komt er altijd op aan wie hun commandant is. Ahmadi was vroeger erg streng, met Nasrat viel altijd wel te praten. Het ergste is als er taliban van buiten komen. Dan halen we onze satellietschotels van het dak en zetten die in de tuin. Anders slaan ze ons en vernielen ze de satellietschotels met knuppels. “Waarom kijken jullie naar de kanalen van de ongelovigen,” zeggen ze.’

    Nieuwe bromfiets

    ‘De taliban zijn erg veranderd. Ze worden corrupter. Sinds kort hebben ze allemaal een nieuwe bromfiets. Veel van hen hebben twee of drie vrouwen en sturen hun gezin naar Ghazni of Kaboel. Mensen die het dichtst bij de moskee wonen, hebben het meest te lijden. Daar overnachten grote groepen taliban, en de buren moeten dan voor eten en drinken zorgen. Ze zeggen: “wij vechten tegen de ongelovigen, en wat doen jullie? Willen jullie ons niet eens te eten geven?” Ook gedwongen huwelijken vormen een groot probleem. Als een leider van de taliban met hun dochter wil trouwen, kan een gezin dat niet weigeren. Ze maken misbruik van onze ellende. Dat is een taboe hier, daar praten de mensen niet over.’

    ‘We lijden steeds meer gebrek. De laatste jaren heeft het weinig geregend. We konden maar een derde van de akkers irrigeren. In Iran is geen werk meer. Onze verwanten sturen ons daarom nog maar weinig geld. Veel gezinnen kunnen geen bruidsschat meer betalen. Er zijn 90 procent minder bruiloften dan twee jaar geleden. De vaders van de meisjes vragen te veel geld. Ze zijn te inhalig. Vroeger vroegen ze in deze streek gemiddeld 10.000 euro. We hebben met de taliban gesproken, en anderhalf jaar terug hebben ze in de moskeeën afgekondigd dat een bruidsschat ten hoogste 3500 euro mag zijn. Maar dat is nog steeds te veel. De taliban weigeren het bedrag verder te verlagen. Er zijn hier zo veel stellen die weglopen en naar Kaboel gaan.’

    ‘De taliban zijn niet echt in ons geïnteresseerd, alleen in zichzelf. Het is met hen al bijna net als met de warlords. We zijn verloren. We weten niet meer wat beter is, de regering van de warlords of van de taliban.’

    In Afghanistan leek vele jaren lang geen van de kampen een doorslaggevend militair voordeel te kunnen behalen. De drie shura’s van de taliban begonnen elkaar te bestrijden. In Pakistan werd de leider van de Quetta-shura, moellah Baradar, gearresteerd, blijkbaar omdat hij vredesonderhandelingen met Kaboel wilde; dat wilde Pakistan niet. Zijn opvolger, Akhtar Mohammed Mansour, ging op zoek naar nieuwe geldbronnen. Talrijke onderzoeken tonen aan dat hij die ook vond, namelijk in de drugssmokkel. Onder zijn leiding ontwikkelde Afghanistan zich weer tot een van de wereldwijd belangrijkste arealen voor de productie van opium. In 2014-2015 heeft de Quetta-shura meer dan 285 miljoen dollar verdiend met drugshandel. De situatie voor de regering in Kaboel werd precair toen behalve Pakistan ook Iran de taliban ging ondersteunen. Hoe dreigender Amerika zich tegenover Iran opstelde, hoe meer dat land in Afghanistan intervenieerde. In 2012 werd in het Iraanse Mashad een eigen shura opgericht, de Mashhad-shura. Met hulp van Iran waren de taliban in staat grote delen van het noorden van Afghanistan te veroveren. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat Iran zijn bijdrage aan de taliban van 30 miljoen dollar in 2006 heeft verhoogd tot 190 miljoen in 2013, wat echter niet uitsluit dat Iran tegelijkertijd de regering in Kaboel met miljoenen ondersteunt. Ook daar wil het zijn invloed niet verliezen.

    De taliban brandmerken de regering in Kaboel als een verzameling buitenlandse marionetten. Maar feitelijk zitten ze in eenzelfde situatie. Aan alle kanten wordt aan hen getrokken. Vroeger werkten die krachten in verschillende richtingen, nu hebben ze allemaal hetzelfde doel, namelijk het minimaliseren van de westerse invloed in Afghanistan. Nu de hulp beter gecoördineerd wordt, kunnen de taliban zich ook intern strakker organiseren. Bij de vredesonderhandelingen in Doha presenteerden ze zich als één front. Maar niemand weet hoelang die eenheid blijft duren. Er deserteren al groepen naar een nog radicalere organisatie, die zal blijven oorlogvoeren en niet zal stoppen bij de grenzen van Afghanistan: Islamitische Staat.

    Op de ochtend van de vijfde dag vertrekken we kort na zonsopgang uit Rashidan. ‘Wees voorzichtig,’ zegt Nisar, die ons tot aan de grens van het territorium van de taliban begeleidt. ‘De regering heeft veel spionnen.’ We willen vermijden dat we op de terugweg door overijverige Afghaanse veiligheidstroepen worden gearresteerd omdat we de taliban zouden steunen. Nisar rijdt vooruit op zijn motor en kiest wegen waarvan hij weet dat ze niet worden gecontroleerd. Hij smokkelt ons in de voorsteden van Ghazni moeiteloos langs alle wegversperringen, zoals de taliban ook doen als ze de stad aanvallen. We zwaaien, dan is hij in het stof van de weg verdwenen.

    De toekomst van Afghanistan ligt weer helemaal open. De meeste waarnemers houden rekening met het snel mislukken van de vredesgesprekken. Na jaren van oorlog zijn de wonden aan beide zijden nog te diep. Veel talibancommandanten willen geen deel van hun macht opgeven als ze nog al hun macht kunnen behouden. Maar ook zij dreigen zich te misrekenen. Het innemen van de miljoenenstad Kaboel zou heel wat bloediger kunnen worden dan de strijd in de dorpen. En Kaboel houden kon wel eens nog veel lastiger worden. De Afghaanse samenleving is wat haar ideeën over waarden betreft te ver uiteengedreven. Wat hen verbindt, is wat hen scheidt. De wonden. Het verdriet. De haat. Het zal tijd kosten om de Afghanen zich met zichzelf te laten verzoenen, tijd die het land niet heeft.

    Op de terugweg naar Kaboel zien we opnieuw de restanten van een bijna verslagen leger, het leger van een regering die tot voor kort de hoop van het westen was. Een schier eindeloze reeks uitgebrande wrakken en overvallen militaire bases. Een puinhoop van 170 kilometer lang. De dorpsbewoners zijn begonnen het leem van de oude vestingwallen met vrachtwagens af te voeren om het als bouwmateriaal te verkopen.

    ‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen?’ vraagt een hooggeplaatste Afghaanse diplomaat in Kaboel aan een van ons. Het is een prachtige, zachte avond. Hij heeft een gezelschap afdelingshoofden van verschillende ministeries op zijn terras uitgenodigd. Het buffet staat vol allerlei heerlijks. Met een glas rode wijn in de hand staan de gasten gespannen in het donker te luisteren. Ergens in de omgeving wordt zwaar gevochten. De schietpartij duurt uren. Steeds weer komen er helikopters overvliegen. De ambtenaren telefoneren druk met hun contacten bij de veiligheidsdiensten. Maar die zeggen dat het een schietoefening is. Ze willen geen paniek. ‘We moeten gaan,’ zegt een van de gasten, ‘ik ben bang dat straks alle uitvalswegen geblokkeerd zijn.’ Maar het is nog lang geen tijd, klaagt onze gastheer. ‘Blijf toch nog even.’ Het is nog veel te vroeg om weg te gaan.’

  • Moeten fresco’s weg van de Italiaanse muren? | Ernstige crisis voor Bolsonaro

    Moeten fresco’s weg van de Italiaanse muren? | Ernstige crisis voor Bolsonaro

    Leger, marine en luchtmacht keren zich tegen Bolsonaro

    De commandanten van het leger, de marine en de luchtmacht traden op dinsdag 30 maart af vanwege een conflict met de Braziliaanse president, die de dag ervoor de minister van Defensie had ontslagen. Volgens Folha de S. Paulo is de crisis tussen de Braziliaanse uitvoerende macht en het leger de ergste sinds 1977, toen minister van Defensie Sylvio Frota werd ontslagen te midden van een militaire dictatuur. De gerenommeerde Braziliaanse krant spreekt van ‘een primeur’.

    Volgens het dagblad was het onbehagen over het onverwachte ontslag van Azevedo ‘te groot’. Deze laatste en zijn bondgenoten zijn van mening dat Bolsonaro ‘een rode lijn heeft overschreden’ door in het bijzonder voor te stellen een ‘staat van verdediging’ uit te roepen om te voorkomen dat in het hele land lockdowns worden afgekondigd.

    ‘Mijn leger’ zal dergelijke maatregelen niet toestaan, verklaarde de Braziliaanse president publiekelijk. Volgens Folha de S. Paulo is het verzet tegen de lockdowns waartoe de gouverneurs van de Braziliaanse staten besloten hebben om de verspreiding van het coronavirus te beteugelen, een ‘obsessie’ geworden voor de president, die de vaccinatiecampagne al tegen zijn wil heeft moeten omarmen.

    Lees ook:

    De beperkende maatregelen roepen nog meer weerstand op dan de oproep tot vaccinatie, en Bolsonaro vreest dat ze zijn herverkiezing in 2022 ‘nog moeilijker’ zullen maken, concludeert het dagblad.

    Bolsonaro roept de Braziliaanse bevolking op om te stoppen met ‘zeuren’ over covid-19

    Ondertussen is de toestand in ziekenhuizen vanwege de agressievere Braziliaanse P.1-variant penibel, meldt Wall Street Journal, die een videoreportage op de intensive care in de staat Rio Grande do Sul maakte. ‘Volgens gezondheidswerkers neemt het sterftecijfer toe en verslechtert de toestand van patiënten die de P.1-variant dragen zeer snel.’ 

    Volgens intensivecaremedewerkers is deze nieuwe golf van covid-19-gevallen het gevolg van een versoepeling van de maatregelen. Veel Brazilianen trotseren de maatregelen, legt de Wall Street Journal uit, daarin aangemoedigd door ‘een president die het virus blijft bagataliseren’. Bolsonaro roept de Braziliaanse bevolking op om te stoppen met ‘zeuren’ over covid-19.


    Beladen controverse in Napels

    Veel muren in de stad aan de voet van de Vesuvius worden gesierd door tekeningen ter ere van overledenen. ‘Het vieren van overleden dierbaren met portretten of kleine altaren op straat is een traditie die verband houdt met een zekere archaïsche religiositeit’, legt La Stampa uit. 

    ‘Maar steeds vaker zijn de gezichten op de muren van de stad die van de doden die verband houden met de georganiseerde misdaad; jonge jongens die stierven als gevolg van illegale acties. (…) Emanuele Errico, Luigi Caiafa, Emanuele Sibillo, Ugo Russo en vele anderen. Ze hadden allemaal problemen met de wet, ze hadden allemaal recht op hun fresco, maar dat recht wordt nu bedreigd.’ Sommige portretten zijn al gewist.

    Lees ook:

    In het centrumlinkse dagblad La Repubblica neemt een Napolitaanse advocaat de pen op (en hij is niet de enige) om de symbolische waarde van de ‘kunstwerken’ te verdedigen. ‘We zijn het er allemaal over eens dat de dood van tieners in het stadscentrum een ​​tragedie is, maar om deze reden moeten we de dingen niet vereenvoudigen. De staat tegenover zijn vijanden plaatsen is zwart-wit. Een vijftienjarige jongen die wordt vermoord, is nog steeds een slachtoffer, en je kunt zijn dood niet bezweren door de verantwoordelijkheid bij hem zelf te plaatsen en te zeggen: ‘Hij heeft erom gevraagd.’”

    Het verwijderen van het fresco van Ugo Russo (hieronder) is voorlopig opgeschort door de rechtbanken, maar de druk van de bewoners is vaak niet voldoende om de regering te dwingen terug te treden. Als vergelding werd bijvoorbeeld het portret van een Napolitaanse zanger beklad met een ‘verhulde bedreiging’, schrijft Corriere della Sera: ‘De doden moeten worden gerespecteerd, niet gewist.’ Belangrijk detail: dit fresco is gemaakt in samenwerking met het stadhuis van Napels, merkt het Milanese dagblad op.

    Corriere zet het dilemma helder uiteen: ‘Enerzijds kunnen we de wens om de symbolen van een levensstijl die is gebaseerd op het negeren van regels en wettigheid, uit te wissen, niet betwisten, maar we kunnen ook erkennen dat een verflaag niet voldoende is om het probleem op te lossen, waarvan deze fresco’s slechts het gevolg zijn.

    Gaan we getuige zijn van een slepende oorlog tussen twee teams, totdat een van de twee het terugvechten beu wordt? Het probleem is dat het om veel muren gaat, aangezien veel jonge mensen leven van (en sterven door) criminele handelingen. Een leger van schilders zou niet genoeg zijn om al deze gezichten van de muren van Napels en uit van ons geweten te roeien.’

    Lees ook:

    Het belangrijkste dagblad van de stad, Il Mattino, deelt deze mening niet. Het is verheugd met de beslissing die ‘gemakkelijke compromissen vermijdt en geen consessies doet op het gebied van legaliteit’. 

    Om haar standpunt te illustreren, gebruikt de Napolitaanse krant geen grote woorden, maar haalt ze een voorbeeld aan dat het belang moet illustreren van het terugwinnen van het stedelijk grondgebied voor de bevolking zelf: ‘Denk aan het fresco van Luigi Caiafa. Hoeveel ouders moesten hier elke ochtend langs lopen en liegen tegen hun kinderen die hen vragen wie deze persoon was? Dat gezicht werd vereeuwigd vlak voor hun huis.’

    Lees ook:


    Amazon-medewerkers krijgen mogelijk een eerste vakbond

    Dinsdag begon de telling van de stemmen die zullen bepalen of werknemers in Bessemer, Alabama, de allereerste vakbond zullen vormen binnen een Amazon-magazijn in de VS, meldt ABC News.

    Het initiatief voor een vakbond bij een van de grootste werkgevers in de natie heeft de aandacht getrokken van wetgevers en beleidsmakers, aangezien velen de stemming beschouwen als een keerpunt in de georganiseerde arbeidersbeweging, die de afgelopen decennia in de VS wegkwijnde.

    De vakbondsformatie in Alabama zou bovendien een ‘precedent’ kunnen scheppen en andere Amazon-arbeiders in het hele land kunnen inspireren om dit voorbeeld te volgen.

    Als het doorgaat, zullen de magazijnmedewerkers worden vertegenwoordigd door de Retail, Wholesale and Department Store Union (RWDSU). ‘Deze campagne is in veel opzichten al een overwinning geweest’, zegt RWDSU-voorzitter Stuart Appelbaum in een verklaring. ‘Ook al weten we niet hoe de stemming zal verlopen, we denken dat we de deur hebben geopend voor meer organisatie in het hele land; en we hebben laten zien hoe ver werkgevers zullen gaan om tegen te gaan dat hun werknemers een ​​vakbondsstem krijgen. Deze campagne is het belangrijkste voorbeeld geworden van waarom in dit land hervorming van het arbeidsrecht nodig is.’

    Lees ook:

    Vorige week bezocht senator Bernie Sanders Alabama om enkele van de arbeiders te ontmoeten die betrokken waren bij de vakbondsinspanningen. ‘Waar ik benieuwd naar ben is waarom de rijkste man ter wereld, Jeff Bezos, miljoenen uitgeeft om te voorkomen dat arbeiders een vakbond oprichten, zodat ze kunnen onderhandelen over betere lonen, secundaire arbeidsvoorwaarden en contracten’, tweette Sanders voorafgaand aan zijn bezoek, geciteerd door CNN.

    Zijn tweet wekte woede van Amazon-directeur Dave Clark, die op Sanders’ tweet reageerde door op te merken dat het minimumloon van Vermont [waarvan Sanders senator is] $11,75 per uur bedraagt in vergelijking met Amazons $15. ‘De senator mag zijn onzinnige interpretaties bewaren tot hij zijn achtertuin op orde heeft’, aldus Clark.

    Aan de andere kant van het spectrum heeft ook de Republikeinse senator Marco Rubio publiekelijk zijn steun voor de vakbond uitgesproken in een opiniestuk dat eerder deze maand door USA Today werd gepubliceerd.

    Op de dag dat er voor de vakbond werd gestemd, bracht president Joe Biden een video op Twitter uit waarin hij zijn steun uitsprak voor de vakbonden en arbeiders aanmoedigde om ‘je stem te laten horen’.

    ‘Onze werknemers kennen de waarheid – een startloon van $15 of hoger, ziektekostenverzekering vanaf dag één en een veilige en inclusieve werkplek’

    In reactie op een verzoek om commentaar meldde Amazon dinsdag aan ABC News dat ‘het RWDSU-lidmaatschap met 25 procent is gedaald tijdens de ambtsperiode van Stuart Appelbaum, maar dat is nog geen rechtvaardiging voor de heer Appelbaum om de feiten verkeerd voor te stellen’.

    Het bedrijf vervolgt: ‘Onze werknemers kennen de waarheid – een startloon van $15 of hoger, ziektekostenverzekering vanaf dag één en een veilige en inclusieve werkplek. We moedigden al onze werknemers aan om te stemmen, en hun stem zal in de komende dagen worden gehoord.’

  • Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Yuval Noah Harari: ‘De lessen die we van covid-19 hadden kunnen leren’

    Welke lessen voor de toekomst kunnen we trekken uit 2020? De Israëlische denker en historicus Yuval Noah Harari zet ze op een rijtje en komt tot een heldere conclusie: de enige reden waarom deze pandemie uit de hand is gelopen, is de politiek.

    Keuze uit het archief

    Na het rampjaar 2020 dacht de wereld dat 2021 het jaar zou worden dat we ‘samen corona onder controle zouden krijgen’ (dixit de Rijksoverheid). Er was immers een keur aan uitstekend werkende vaccins ontwikkeld. Niets bleek minder waar, er zijn nieuwe, besmettelijkere, varianten als delta en omikron opgekomen en het coronabeleid heeft geen een derde, vierde en zoveelste golf kunnen voorkomen.

    Had de politiek maar Yuval Noah Harari geluisterd. Lees zijn profetische woorden en oplossingen voor de coronacrisis.

    Door velen wordt de vreselijke tol die het coronavirus heeft geëist gezien als bewijs van de hulpeloosheid van de mens ten opzichte van de natuur. Maar in feite heeft 2020 aangetoond dat de mensheid verre van hulpeloos is. Epidemieën zijn niet langer onbedwingbare natuurkrachten. Dankzij de wetenschap zijn ze nu tot op zekere hoogte te controleren.

    Waarom zijn er dan zoveel sterfte- en ziektegevallen geweest? Vanwege slechte politieke beslissingen.

    Vroeger hadden mensen als ze met een plaag als de Zwarte Dood werden geconfronteerd, geen idee wat de oorzaak was of wat ertegen kon worden gedaan. Toen de griep van 1918 toesloeg, slaagden de beste wetenschappers ter wereld er niet in het dodelijke virus te identificeren, waren veel maatregelen die werden genomen nutteloos en liepen pogingen om een ​​effectief vaccin te ontwikkelen op niets uit.

    Met covid-19 was dat heel anders. De eerste alarmbellen over een mogelijke nieuwe epidemie klonken eind december 2019. Op 10 januari 2020 hadden wetenschappers niet alleen het verantwoordelijke virus geïsoleerd, maar ook het genoom ervan gesequenced en de informatie online gepubliceerd. Binnen enkele maanden werd duidelijk welke maatregelen de infectieketens konden vertragen en stoppen. Binnen minder dan een jaar waren er verschillende effectieve vaccins in massaproductie. In de oorlog tussen mens en ziekteverwekker is eerstgenoemde nog nooit zo machtig geweest.

    Het leven naar online verplaatst

    Naast de ongekende prestaties van de biotechnologie, heeft het coronajaar ook de kracht van informatietechnologie onderstreept. Vroeger kon de mensheid epidemieën zelden stoppen, omdat de infectieketens niet in realtime konden worden gevolgd en omdat de economische kosten van langdurige lockdowns te hoog waren. In 1918 kon je mensen die de gevreesde griep kregen in quarantaine plaatsen, maar je kon de presymptomatische of asymptomatische dragers niet traceren. En als je de hele bevolking van een land destijds zou hebben bevolen enkele weken binnen te blijven, zou dat hebben geleid tot economische ondergang, sociale instorting en massale hongersnood.

    In 2020 daarentegen maakte digitale surveillance het veel gemakkelijker om de verspreiding te volgen en te lokaliseren, wat quarantaine zowel selectiever als effectiever maakt. Belangrijker is nog dat automatisering en het internet langdurige lockdowns mogelijk maakten, althans in ontwikkelde landen. Hoewel de ervaring in sommige delen van de wereld deed denken aan plagen uit het verleden, heeft de digitale revolutie in een groot deel van de ontwikkelde wereld alles veranderd.

    Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden

    Neem de landbouw. Duizenden jaren lang was de voedselproductie afhankelijk van menselijke arbeid, en ongeveer 90 procent van de mensen werkte in de landbouw. Tegenwoordig is dit in ontwikkelde landen niet langer het geval. In de VS werkt slechts ongeveer 1,5 procent van de mensen op boerderijen, en dat is niet alleen genoeg om iedereen in e igen land te voeden, maar ook om van de VS een belangrijke voedselexporteur te maken. Bijna al het werk op de boerderij wordt gedaan door machines, die immuun zijn voor ziekten. Lockdowns hebben dus maar een kleine impact op de landbouw.

    Stel u een tarweveld voor tijdens het hoogtepunt van de Zwarte Dood. Als je de landarbeiders zou vragen om in de oogsttijd thuis te blijven, komt er honger. Als je ze vraagt om te komen oogsten, kunnen ze elkaar besmetten. Wat te doen?

    forest simon ZzOtl6FSpLs unsplash 1 1
    © Unsplash

    Stelt u zich nu hetzelfde tarweveld voor in 2020. Een enkele maaidorser met GPS-besturing kan het hele veld veel efficiënter oogsten – en zonder kans op infectie. Terwijl in 1349 een gemiddelde boerenknecht ongeveer vijf bushel per dag oogstte [ca. 35 liter], vestigde een maaidorser in 2014 een recordoogst door dertigduizend bushels per dag te oogsten. Bijgevolg had covid-19 geen significante invloed op de wereldwijde productie van basisvoedsel zoals tarwe, maïs en rijst. 

    Om mensen te voeden, is het niet voldoende om graan te oogsten. Je moet het ook vervoeren, soms over duizenden kilometers. Gedurende het overgrote deel van de geschiedenis was handel een van de grootste boosdoeners in tijden van epidemieën. Dodelijke ziekteverwekkers trokken de wereld over op koopvaardijschepen en karavanen. De Zwarte Dood liftte bijvoorbeeld van Oost-Azië naar het Midden-Oosten langs de Zijderoute, en het waren Genuese koopvaardijschepen die de ziekte vervolgens naar Europa brachten. Het grote risico met de handel was dat elke wagen een bestuurder nodig had, tientallen zeelieden nodig waren om zelfs kleine zeeschepen te besturen, en overvolle schepen en herbergen broeinesten van ziekten waren.

    In 2020 kon de wereldhandel min of meer vlot doorlopen, doordat er maar heel weinig mensen bij betrokken waren. Een grotendeels geautomatiseerd hedendaags containerschip kan meer ton vervoeren dan de koopvaardijvloot van een heel vroegmodern koninkrijk. In 1582 had de Engelse koopvaardijvloot een totaal laadvermogen van 68.000 ton en waren er ongeveer 16.000 bemanningsleden nodig. Het containerschip OOCL Hong Kong, gedoopt in 2017, kan zo’n 200.000 ton vervoeren met een bemanning van slechts 22 personen. 

    Cruiseschepen met honderden toeristen en vliegtuigen vol passagiers hebben weliswaar een grote rol gespeeld in de verspreiding van covid-19. Maar toerisme en reizigers zijn niet essentieel voor de handel. Toeristen kunnen thuisblijven en zakenmensen kunnen zoomen, terwijl geautomatiseerde spookschepen en vrijwel onbemande treinen de wereldeconomie gaande houden. Terwijl het internationale toerisme in 2020 kelderde, daalde het volume van de wereldwijde maritieme handel met slechts 4 procent.

    Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele

    Automatisering en digitalisering hebben een nog grotere impact gehad op de dienstverlening. In 1918 was het ondenkbaar dat kantoren, scholen, rechtbanken of kerken konden blijven functioneren als ze gesloten waren. Hoe kun je lesgeven als leerlingen en docenten thuis zitten? Nu weten we het antwoord. De overschakeling op online kende veel nadelen, niet in de laatste plaats de immense mentale tol die deze eiste. En het heeft ook tot voorheen onvoorstelbare problemen geleid, zoals advocaten die als kat voor de rechtbank verschenen. Maar het feit dat het überhaupt kan, is verbazingwekkend.

    In 1918 bewoonde de mensheid alleen de fysieke wereld, en toen het dodelijke griepvirus hierdoorheen trok, konden we nergens heen vluchten. Tegenwoordig bewonen velen van ons twee werelden: de fysieke en de virtuele. Toen het coronavirus door de fysieke wereld circuleerde, verlegden velen een groot deel van hun leven naar de virtuele wereld, waar ze veilig waren voor het virus.

    Mensen zijn natuurlijk nog steeds fysieke wezens en niet alles kan worden gedigitaliseerd. Het covid-jaar heeft de cruciale rol benadrukt die vaak slechtbetaalde beroepen spelen bij het in stand houden van de menselijke beschaving: verplegers, sanitairwerkers, vrachtwagenchauffeurs, kassiers, bezorgers. Er wordt vaak beweerd dat elke beschaving slechts drie maaltijden verwijderd is van barbarij. In 2020 vormden bezorgers de dunne rode lijn die de beschaving bij elkaar hield. Ze werden onze belangrijkste verbinding met de fysieke wereld. 

    Het internet houdt stand

    Wanneer we activiteiten online automatiseren, digitaliseren en verschuiven, stelt dat ons bloot aan nieuwe gevaren. Een van de meest opmerkelijke gegevens van het covid-jaar is dat het internet niet kapot ging. Als we plotseling de hoeveelheid verkeer op een fysieke brug vergroten, kunnen we verkeersopstoppingen verwachten, misschien dat hij zelfs instort. In 2020 verschoven scholen, kantoren en kerken bijna van de ene op de andere dag naar online, maar het internet hield stand.

    We staan ​​hier nauwelijks bij stil, maar dat moeten we wel doen. 2020 heeft ons geleerd dat het leven kan doorgaan, zelfs als een heel land fysiek op slot zit. 

    manuel peris unsplash 1 1
    © Unsplash

    Probeer je nu eens voor te stellen wat er gebeurt als onze digitale infrastructuur crasht.

    Informatietechnologie heeft ons veerkrachtiger gemaakt tegenover organische virussen, maar het heeft ons ook veel kwetsbaarder gemaakt voor malware en cyberoorlogvoering. Mensen vragen vaak: ‘Wat is de volgende pandemie?’ Een aanval op onze digitale infrastructuur is een vooraanstaande kandidaat. Het duurde enkele maanden voordat het coronavirus zich over de wereld verspreidde en miljoenen mensen besmette. Onze digitale infrastructuur kan in één dag instorten. En scholen en kantoren konden snel naar online verschuiven. Maar hoeveel tijd denkt u nodig te hebben om van e-mail terug te schakelen naar snailmail? 

    Wat telt?

    Het coronajaar heeft een nog belangrijkere beperking van onze wetenschappelijke en technologische kracht blootgelegd. Wetenschap kan de politiek niet vervangen. Bij beleidsbeslissingen moeten we rekening houden met veel belangen en waarden, en aangezien er geen wetenschappelijke manier is om te bepalen welke belangen en waarden het zwaarst wegen, is er geen wetenschappelijke manier om te beslissen wat we moeten doen.

    Bij de beslissing om een ​​lockdown af te kondigen, is het bijvoorbeeld niet voldoende om te vragen: ‘Hoeveel mensen zullen worden besmet met covid-19 als we geen lockdown opleggen?’ We moeten ook de vraag stellen: ‘Hoeveel mensen zullen in een depressie belanden als we wel een lockdown opleggen? Hoeveel mensen zullen te lijden hebben onder slechte voeding? Hoeveel van ons zullen school missen of hun baan verliezen? Hoevelen zullen worden mishandeld of vermoord door hun echtgenoten?’

    Zelfs als al onze gegevens nauwkeurig en betrouwbaar zijn, moeten we ons altijd afvragen: ‘Wat tellen we? Wie beslist wat er moet worden geteld? Hoe beoordelen we de cijfers ten opzichte van elkaar?’ Dit is meer een taak van de politiek dan van de wetenschap. Het zijn politici die de medische, economische en sociale afwegingen in evenwicht moeten brengen en met een alomvattend beleid moeten komen.

    Net zo creëren ingenieurs nieuwe digitale platforms die ons helpen te functioneren tijdens een lockdown, en nieuwe bewakingstools die ons helpen beschermen tegen virussen. Maar digitalisering en toezicht brengen onze privacy in gevaar en openen de weg voor de opkomst van ongekende totalitaire regimes. In 2020 is massasurveillance zowel legitiemer als gebruikelijker geworden. Het bestrijden van de epidemie is belangrijk, maar zijn we bereid onze vrijheid ervoor op te geven? Het is de taak van politici en niet van de ingenieurs om de juiste balans te vinden tussen nuttige bewaking en dystopische nachtmerries.

    Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​monitoringsysteem op te zetten om uitgaven te controleren, geloof het dan niet

    Drie basisregels kunnen ons een eind op weg helpen in de bescherming tegen digitale dictaturen, zelfs in tijden van een pandemie. Ten eerste, wanneer u gegevens over mensen verzamelt – vooral over wat er in hun eigen lichaam gebeurt – moeten deze gegevens worden gebruikt om deze mensen te helpen in plaats van hen te manipuleren, te controleren of te schaden. Mijn persoonlijke arts weet veel zeer persoonlijke dingen over mij. Dat vind ik prima, want ik vertrouw erop dat mijn arts deze gegevens in mijn voordeel gebruikt. Mijn arts mag deze gegevens niet aan een bedrijf of politieke partij verkopen. Zo zou het ook moeten zijn met elke vorm van een ‘pandemische toezichthoudende autoriteit’ die we eventueel instellen.

    Ten tweede moet toezicht altijd twee richtingen op bewegen. Als het toezicht alleen van boven naar beneden gaat, stevenen we af op een dictatuur. Dus wanneer het toezicht op individuen wordt vergroot, moet tegelijkertijd het toezicht op de overheid en grote bedrijven groter worden. 

    Screen Shot 2021 03 19 at 1.06.41 PM

    In de huidige crisis verdelen regeringen enorme bedragen. Het proces van toewijzing van middelen moet transparanter worden gemaakt. Als burger wil ik gemakkelijk kunnen inzien wie wat krijgt en wie beslist waar het geld naartoe gaat. Ik wil ervoor zorgen dat het geld naar bedrijven gaat die het echt nodig hebben, in plaats van naar een grote concern waarvan de eigenaren bevriend zijn met de een of andere minister. Als de regering zegt dat het te ingewikkeld is om midden in een pandemie een ​​dergelijk monitoringsysteem op te zetten, geloof het dan niet. Als het niet te ingewikkeld is om te monitoren wat jij doet, is het ook niet te ingewikkeld om te monitoren wat de overheid doet.

    Ten derde: sta nooit toe dat te veel gegevens op één plaats worden geconcentreerd. Niet tijdens de epidemie, en ook niet daarna. Een datamonopolie is een recept voor dictatuur. Dus als we biometrische gegevens over mensen verzamelen om de pandemie te stoppen, moet dit worden gedaan door een onafhankelijke gezondheidsautoriteit in plaats van door de politie. De resulterende gegevens moeten gescheiden worden gehouden van andere grote dataopslagplaatsen van ministeries en grote bedrijven. 

    Zeker, dit zal tot extra werk en inefficiëntie leiden. Maar inefficiëntie is een kenmerk, geen bug. U wilt de opkomst van digitale dictatuur voorkomen? Houd de dingen dan altijd een beetje inefficiënt.

    Verantwoordelijkheid

    De ongekende wetenschappelijke en technologische successen van 2020 hebben de coronacrisis niet kunnen oplossen. Ze veranderden de epidemie van een natuurramp in een politiek dilemma. Toen de Zwarte Dood miljoenen slachtoffers maakte, verwachtte niemand veel van de koningen en keizers. Ongeveer een derde van alle Engelsen stierf tijdens de eerste golf van de Zwarte Dood [en naar schattingen geldt dat gemiddelde voor alle landen van Europa], maar dit zorgde er niet voor dat koning Edward III van Engeland zijn troon verloor. Het lag duidelijk buiten de macht van heersers om de epidemie te stoppen, dus niemand gaf hen de schuld van een mislukking.

    Maar vandaag heeft de mensheid de wetenschappelijke instrumenten om covid-19 te stoppen. Verschillende landen, van Vietnam tot Australië, hebben bewezen dat de beschikbare instrumenten de epidemie zelfs zonder vaccin kunnen stoppen. Deze tools hebben echter een hoge economische en sociale prijs. We kunnen het virus verslaan, maar we weten niet zeker of we bereid zijn de kosten van de overwinning te betalen. De wetenschappelijke verworvenheden hebben dus een enorme verantwoordelijkheid op de schouders van politici gelegd.

    De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden

    Helaas zijn te veel politici deze verantwoordelijkheid niet nagekomen. De populistische presidenten van de VS en Brazilië bijvoorbeeld bagatelliseerden het gevaar, weigerden gehoor te geven aan experts en voedden in plaats daarvan samenzweringstheorieën. Ze kwamen niet met een degelijk federaal actieplan en saboteerden pogingen van staats- en gemeentelijke autoriteiten om de epidemie een halt toe te roepen. De nalatigheid en onverantwoordelijkheid van de regeringen van Trump en Bolsonaro hebben geleid tot honderdduizenden vermijdbare doden.

    In het VK lijkt de regering aanvankelijk meer bezig te zijn geweest met de brexit dan met covid-19. Ondanks al haar isolationistische beleid, slaagde de regering-Johnson er niet in Groot-Brittannië te isoleren van het enige wat er echt toe deed: het virus. Mijn thuisland Israël heeft ook geleden onder politiek wanbeheer. Net als Taiwan, Nieuw-Zeeland en Cyprus is Israël in feite een ‘eilandland’, met gesloten grenzen en slechts één hoofdtoegangspoort – Ben Gurion Airport. Op het hoogtepunt van de pandemie heeft de regering van Netanyahu echter toegestaan ​​dat reizigers de luchthaven passeren zonder quarantaine of zelfs maar een behoorlijke screening, en nagelaten een eigen lockdownbeleid af te dwingen.

    Zowel Israël als het VK hebben vervolgens een voortrekkersrol gespeeld bij het uitrollen van de vaccins, maar hun eerdere verkeerde inschattingen hebben een grote tol geëist. In Groot-Brittannië heeft de pandemie het leven gekost aan 120.000 mensen, waarmee het op de zesde plaats in de wereld staat qua gemiddelde sterftecijfers. Ondertussen heeft Israël het zevende hoogste gemiddelde aantal bevestigde gevallen, en nam het om de ramp het hoofd te bieden zijn toevlucht tot een ‘vaccins for data’-deal met het Amerikaanse bedrijf Pfizer. Pfizer stemde ermee in om Israël te voorzien van voldoende vaccins voor de hele bevolking, in ruil voor enorme hoeveelheden waardevolle gegevens, wat bezorgdheid opwekte over privacy en datamonopolie. De transactie toonde maar weer eens aan dat de gegevens van burgers nu een van de meest waardevolle staatsbezittingen zijn. 

    Hoewel sommige landen veel beter presteerden, is de mensheid als geheel er tot dusver niet in geslaagd de pandemie in te dammen of een wereldwijd plan te bedenken om het virus te verslaan. De eerste maanden van 2020 waren alsof we een ongeluk in slow motion zagen gebeuren. Moderne communicatie maakte het voor mensen over de hele wereld mogelijk om in realtime de beelden te zien, eerst uit Wuhan, vervolgens uit Italië en daarna uit steeds meer landen – zonder dat daar wereldwijd leiderschap op volgde om te voorkomen dat een catastrofe de wereld zou overspoelen. De tools waren er, maar politieke wijsheid ontbrak maar al te vaak.

    Vaccinatienationalisme

    Een van de redenen voor de kloof tussen wetenschappelijk succes en politiek falen is dat wetenschappers wereldwijd samenwerkten, terwijl politici de neiging hadden om ruzie te maken. Terwijl ze onder veel stress en in grote onzekerheid werkten, deelden wetenschappers over de hele wereld vrijelijk informatie en vertrouwden ze op elkaars bevindingen en inzichten. Veel belangrijke onderzoeksprojecten werden uitgevoerd door internationale teams. Een grootschalig onderzoek dat de doeltreffendheid van lockdownmaatregelen aantoonde, werd bijvoorbeeld uitgevoerd door onderzoekers van negen instellingen: één in het VK, drie in China en vijf in de VS.

    Daarentegen zijn politici er niet in geslaagd een internationale alliantie tegen het virus te vormen en overeenstemming te bereiken over een mondiaal plan. De twee grootste grootmachten ter wereld, de VS en China, hebben elkaar beschuldigd van het achterhouden van essentiële informatie, het verspreiden van desinformatie en complottheorieën, en zelfs van het opzettelijk verspreiden van het virus. Talrijke andere landen hebben naar het schijnt gegevens over de voortgang van de pandemie vervalst of achtergehouden.

    ‘In deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang’

    Het gebrek aan wereldwijde samenwerking manifesteert zich niet alleen in deze informatieoorlogen, maar nog meer in conflicten over de schaarse medische apparatuur. Hoewel er zeker gevallen van samenwerking en vrijgevigheid zijn geweest, is er geen serieuze poging gedaan om alle beschikbare middelen te bundelen, de wereldwijde productie te stroomlijnen en een rechtvaardige distributie van voorraden te garanderen. In het bijzonder vaccinnationalisme creëert een nieuw soort wereldwijde ongelijkheid tussen landen die hun bevolking kunnen vaccineren, en landen die dat niet kunnen.

    Het is triest om te zien dat velen een simpel feit over deze pandemie niet begrijpen: zolang het virus zich overal blijft verspreiden, kan geen enkel land zich echt veilig voelen. Stel dat Israël of het VK erin slaagt het virus binnen zijn eigen grenzen uit te roeien, maar het blijft zich verspreiden onder honderden miljoenen mensen in India, Brazilië of Zuid-Afrika. Een nieuwe mutatie in een afgelegen Braziliaanse stad zou het vaccin ineffectief kunnen maken en kunnen resulteren in een nieuwe golf van infectie.

    In de huidige noodsituatie zal een beroep op louter altruïsme waarschijnlijk niet prevaleren boven nationale belangen. Maar in deze noodsituatie is wereldwijde samenwerking echter geen altruïsme, maar essentieel voor het nationaal belang.

    Antivirus voor de wereld

    Dscussies over wat er in 2020 is gebeurd, zullen jarenlang worden gevoerd. Maar mensen van alle politieke kampen zouden het eens moeten zijn over ten minste drie hoofdlessen.

    Ten eerste moeten we onze digitale infrastructuur beschermen. Die is onze redding geweest tijdens deze pandemie, maar kan omslaan in de bron van een nog veel grotere ramp.

    Ten tweede zou elk land meer moeten investeren in zijn volksgezondheidssysteem. Dit lijkt vanzelfsprekend, maar politici en kiezers slagen er soms in de meest voor de hand liggende les te negeren.

    Ten derde moeten we een krachtig wereldwijd systeem opzetten om pandemieën te controleren en te voorkomen. In de eeuwenoude oorlog tussen mensen en ziekteverwekkers vormt het lichaam van ieder mens de frontlinie. Als die linie ergens op de planeet wordt doorbroken, brengt dat ons allemaal in gevaar. Zelfs de rijkste mensen in de meest ontwikkelde landen hebben er persoonlijk belang bij de armste mensen in de minst ontwikkelde landen te beschermen. Als een nieuw virus van een vleermuis naar een mens springt in een arm dorp in een afgelegen jungle, kan de ziekte binnen een paar dagen op Wall Street rond woekeren.

    Het geraamte van zo’n wereldwijd antivirussysteem bestaat al in de vorm van de Wereldgezondheidsorganisatie en verschillende andere instellingen. Maar de budgetten die dit systeem ondersteunen zijn beperkt, en het heeft nauwelijks politieke macht. We moeten dit systeem politieke invloed geven en veel meer geld, zodat het niet volledig afhankelijk zal zijn van de grillen van zelfzuchtige politici. 

    Als bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen

    Zoals eerder opgemerkt, vind ik niet dat experts die daar niet voor zijn gekozen de taak moeten krijgen cruciale beleidsbeslissingen te nemen. Die taak moet voorbehouden blijven aan politici. Maar een onafhankelijke wereldwijde gezondheidsautoriteit zou het ideale platform zijn om medische gegevens te verzamelen, mogelijke gevaren in de gaten te houden, alarm te slaan en onderzoek en ontwikkeling te sturen.

    Veel mensen zijn bang dat covid-19 het begin markeert van een golf van nieuwe pandemieën. Maar als de bovenstaande lessen worden geïmplementeerd, kan deze pandemie er juist toe leiden dat zulke ziektes minder vaak voorkomen. De mensheid kan het ontstaan van nieuwe ziektes niet voorkomen; dit is een natuurlijk evolutieproces dat al miljarden jaren aan de gang is en ook in de toekomst zal doorgaan. Maar vandaag de dag beschikt de mensheid over de kennis en instrumenten die nodig zijn om te voorkomen dat een nieuwe ziekteverwekker zich verspreidt en omslaat in een pandemie.

    Als covid-19 zich in 2021 desondanks blijft verspreiden en miljoenen slachtoffers maakt, of als een nog dodelijkere pandemie de mensheid treft in 2030, zal dit noch een oncontroleerbare natuurramp zijn, noch een straf van God. Het zal een menselijk falen zijn, en om precies te zijn een falen van de politiek.

    In #179, april 2020, publiceerden wij ‘Lakmoesproef van burgerschap’, Harari’s voorspellingen voor het jaar waarop hij hier terugblikt. U leest het hier.

  • Pandemie raakt vooral jongeren, vrouwen en mensen van kleur | Podemos verlaat regering

    Pandemie raakt vooral jongeren, vrouwen en mensen van kleur | Podemos verlaat regering

    Hoofd Podemos vertrekt uit de regering

    Na de afgelopen jaren het politieke leven in Spanje op zijn kop te hebben gezet, sloeg Pablo Iglesias maandag de regeringsdeur dichtschrijft El País. Zijn plan is om te gaan deelnemen aan de regionale verkiezingen op 4 mei in Madrid. De leider van radicaal links en vicepresident van de Spaanse regering deelde dit mee aan de socialistische premier Pedro Sánchez.

    Iglesias, oprichter en nummer één van Podemos sinds de oprichting in 2014, gaf aan dat de huidige minister van Arbeid, Yolanda Díaz, hem zou vervangen als vicepresident van de regering en als kandidaat tijdens de volgende parlementsverkiezingen, gepland voor 2023.

    Zijn besluit komt iets meer dan een jaar na de vorming van de eerste coalitieregering in het land sinds het einde van de dictatuur van Franco. ‘Deze beslissing zal ingrijpende gevolgen hebben voor de politiek van Madrid en Spanje, niet alleen voor Podemos, maar voor alle partijen’, meent La Vanguardia.

    ‘Hij speelt hoog spel: Of hij wordt president van Madrid, of hij zal de politiek moeten verlaten’

    Volgens El Periódico vormt de beslissing van Iglesias een ‘risicovolle operatie die zal bijdragen aan een verdere polarisering van de Madrileense politiek, die al was aangewakkerd door de trumpistische standpunten van Isabel Díaz Ayuso. Ayuso, leider van de rechtse Volkspartij, verzocht vorige week samen met de liberale Ciudadanos-partij om vervroegde verkiezingen. Zij toonde zich dan ook ‘verheugd dat ze nu eindelijk in de topman van Podemos een geschikte kandidaat had gevonden om tegen te strijden’, aldus het Catalaanse ochtendblad, dat ‘een giftige verkiezingscampagne’ voorspelt ‘met populistische uitbarstingen aan beide kanten’.

    Volgens dagblad ABC is dit een ‘wanhopige poging om Podemos te redden van een ondergang’, aangezien de partij in de huidige formatie weinig voor elkaar heeft gekregen. Iglesias speelt hiermee hoog spel, aldus El Periódico; ‘Of hij wordt president van Madrid, of hij zal de politiek moeten verlaten’.


    Bolsonaro vervangt opnieuw de minister van Volksgezondheid

     De Braziliaanse president kondigde maandag aan dat hij generaal Eduardo Pazuello zou vervangen, die zojuist de bestelling van 138 miljoen doses had aangekondigd om een ​​nog te traag verlopende vaccinatiecampagne te versnellen. Zonder enige medische ervaring was hij aangesteld als interim-minister bij het ministerie van Volksgezondheid na het aftreden van oncoloog Nelson Teich midden mei, die net als zijn voorganger Luiz Henrique Mandetta kritiek leverde op de door Bolsonaro voorgestelde aanpak van de pandemie.

    ‘Het feit dat iemand sterren op zijn epauletten draagt, is geen garantie voor bekwaamheid (…). Generaals verliezen oorlogen. Pazuello verloor de zijne’, schrijft een columnist in O Globo,

    Pazuello wordt vervangen door Marcelo Queiroga, voorzitter van de Braziliaanse Vereniging voor Cardiologie. De benoeming van laatstgenoemde komt terwijl de epidemie in Brazilië blijft verslechteren. Ziekenhuizen zitten bijna aan hun maximale capaciteit en de afgelopen week werden dagelijks meer dan tweeduizend sterfgevallen geregistreerd.


    Mannelijke slachtoffers van seksueel geweld krijgen in Japan geen steun

    In 2017 werd in Japan de term ‘slachtoffer van verkrachting’ verbreedt tot mannen. Asahi Shimbun publiceerde een enquête onder mannen die seksueel geweld hebben ondergaan, om te kijken of zij zich inderdaad gesteund voelden.

    Hieruit kwam naar boven dat in een samenleving waar vrouwelijke slachtoffers al worstelen om toegang te krijgen tot de nodige hulp, het geweld dat mannen ondergaan taboe is, met als gevolg dat mannelijke slachtoffer vaak in isolement leven. ‘Omdat ik een man ben, wilden mensen nooit geloven dat ik slachtoffer was. Mijn hele leven heb ik deze vernedering alleen ondergaan’, zegt bijvoorbeeld een man van in de veertig, die op zijn dertiende herhaaldelijk werd verkracht door een studievriend.

    Een dertigtal psychiaters en psychotherapeuten weigerde hem te behandelen, met het argument dat ze weinig kennis hebben van mannelijke slachtoffers. Een van hen zei letterlijk: ‘Vergeet het maar. Ik zou je hebben behandeld als je een vrouw was, maar dat ben je niet.’

    Takehito Kurono, die groepstherapie organiseert voor mannelijke slachtoffers, onderstreept dat stereotypen over mannen het mannen vaak moeilijk maken om de ondersteuning te bieden die ze nodig hebben. ‘Volgens het cliché moeten ze sterk en zelfs ongevoelig zijn.’

    Overweldigd

    Momenteel is de ondersteuning die lokale autoriteiten bieden, vaak gericht voor vrouwen, al grotendeels ontoereikend, schrijft de krant. De 48 afdelingen van het land tellen nu minimaal één opvangcentrum voor slachtoffers van seksueel geweld. Of daar mannen terecht kunnen, verschilt per instelling. De centra zouden al ‘overweldigd’ zijn door het aantal vrouwelijke slachtoffers. ‘Om voor mannen te zorgen, zou je een speciale spreekkamer en een gespecialiseerde arts nodig hebben’, zegt een medewerker van een van de centra.

    ‘Betere steun voorkomt dat slachtoffers wegzinken in eenzaamheid. We hebben een grotere mobilisatie nodig vanuit de politiek’, verklaart Nobuki Yamaguchi, een psychotherapeut gespecialiseerd in de zorg voor mannen.


    Pandemie raakt vooral jongeren, vrouwen en mensen van kleur

    De vele meldingen tijdens de pandemie van jongeren met psychische klachten leidt tot een wereldwijde crisis die onmiddellijke aandacht vereist, volgens een nonprofitorganisatie die bijna vijftigduizend mensen in acht landen ondervroeg en een uitgebreid overzicht gaf van de impact van de pandemie op de geestelijke gezondheid, schrijft The New York Times.

    Meer dan een op de vier respondenten gaf aan te kampen met of het risico te lopen op klinische aandoeningen, en dat aantal steeg tot bijna een op de twee voor de leeftijd van achttien tot vierentwintig jaar, aldus het rapport, dat werd vrijgegeven door Sapien Labs, een Amerikaanse nonprofitorganisatie die zich toelegt op begrip van de menselijke geest.

    Het rapport, gebaseerd op gegevens verzameld uit een online, anonieme enquête waarvan de bevindingen maandag werden gepubliceerd, richtte zich op Australië, Groot-Brittannië, Canada, India, Nieuw-Zeeland, Singapore, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten. Veertig procent van de respondenten in de leeftijd van achttien tot vierentwintig jaar gaf aan zich verdrietig, somber of moedeloos te voelen en last te hebben van ongewenste, vreemde en obsessieve gedachten.

    Het rapport dringt er bij regeringen op aan zich te richten op beleid voor de gehele bevolking, in plaats van de huidige individuele benadering

    ‘De pandemie heeft de trends die er al waren, verergerd’, zegt dr. Tara Thiagarajan, oprichter en hoofdwetenschapper van Sapien Labs. ‘Vooral sociaal isolement heeft een grotere impact gehad op jonge mensen, en velen van hen over de rand geduwd.’

    Andere studies hebben aangetoond dat de pandemie een onevenredig grote invloed heeft gehad op de geestelijke gezondheid van jongeren, vrouwen en mensen van kleur.

    Preventie

    Geestelijke gezondheidsdeskundigen waarschuwden al eerder voor de langetermijneffecten van de pandemie, waaronder waarschijnlijk een economische recessie en de psychologische gevolgen van langdurig sociaal isolement.

    De auteurs van het rapport, dr. Thiagarajan en Jennifer Newson, drongen er bij regeringen op aan zich te concentreren op beleid op het gebied van geestelijke gezondheid voor de gehele bevolking, in plaats van op individuele benaderingen, die nu vaak de voorkeur genieten.

    ‘Hoewel in de geestelijke gezondheidszorg de focus lag op zelfzorg via apps, therapie en andere programma’s, kunnen sociaal en economisch beleid en institutionele cultuur een grote rol spelen bij het verzachten van onze huidige geestelijke gezondheidscrisis en de preventie van toekomstige crises’, aldus het rapport.