Europa staat onder druk: om te kunnen concurreren met de VS en China wil de EU de AI- en privacywet versoepelen, maar critici vrezen voor de mogelijke gevolgen. Moet Europa zijn regels aanpassen of juist handhaven?
Nee: ‘Het niet stoppen van schadelijke activiteiten die de democratie ondermijnen, zal het continent alleen maar beschadigen’
De term ‘Brussel-effect’ werd in 2012 geïntroduceerd door Anu Bradford, expert internationaal handelsrecht aan Columbia University. Het begrip verwees naar de greep van de wetgeving van de Europese Unie op de wereldpolitiek. Door versnelde globalisering groeide Brussel uit tot de belangrijkste speler op het gebied van regelgeving en juridische procedures. ‘De omvang van haar markt en invloed overtuigde multinationals er destijds van dat ze er verstandig aan deden om de strenge EU-regels te handhaven. Die tijd lijkt nu voorbij’, concludeert Stéphane Lauer, columnist voor Le Monde.
Donald Trump richtte zich vanaf het begin van zijn tweede ambtstermijn op de regelgevende macht van de EU en beschuldigde de 27 lidstaten ervan Amerikaanse techbedrijven opzettelijk dwars te liggen. Hij heeft onophoudelijk opgeroepen tot de ontmanteling van de Digital Services Act (DSA) en de Digital Markets Act (DMA). ‘Deze wetten moeten voorkomen dat internetgiganten onze privacy schenden, de concurrentie verstoren en de informatieruimte naar hun hand zetten,’ legt Lauer uit. ‘Grote Amerikaanse techbedrijven zien Europese regels als obstakels voor hun bedrijfsmodel en hebben in Donald Trump hun sterkste pleitbezorger gevonden.’
De Amerikaanse regering wil dat de EU de strenge techregels afschaft in ruil voor verlaging van de tarieven op Europese export. Tijdens een overleg op 24 november in Brussel verzocht de Amerikaanse minister van Handel, Howard Lutnick, nog om de ontmanteling van Europese digitale wetgeving in ruil voor een ‘mooie deal over staal en aluminium’.
‘De “omnibuswet” lijkt een reactie te zijn op de druk van de Amerikaanse regering’
Naast het Amerikaanse offensief is er een tweede ontwikkeling. De Europese Commissie blijkt namelijk bereid om op eigen initiatief de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de wet inzake kunstmatige intelligentie (AI) te versoepelen, om zo haar concurrentievermogen te verbeteren. Voorstellen hiertoe werden door de Europese Commissie op 19 november gedaan in het kader van de zogeheten ‘omnibuswet’. Met de nieuwe wet krijgen bedrijven meer ruimte om data te gebruiken voor de ontwikkeling van AI. Lauer is sceptisch. ‘Hoewel minder bureaucratie wenselijk is, lijkt de “omnibuswet” eerder een reactie te zijn op de druk van de Amerikaanse regering’, schrijft hij.
De EU moet zich volgens de Franse columnist niet laten wijsmaken dat het een binaire keuze is: óf innovatie óf regulering. ‘Door deze tweedeling te accepteren, riskeert ze op beide fronten te verliezen. Het niet stoppen van schadelijke activiteiten die de democratie ondermijnen, zal het continent alleen maar beschadigen.’
De inzet is hoog. Als Europa buigt voor Amerikaanse druk zou er definitief geen sprake meer zijn van het ‘Brussel-effect’. Lauers boodschap is helder: ‘Een digitale inhaalslag betekent niet dat de EU lukraak moet dereguleren of zich moet laten inzetten als pion van de internetgiganten.’
Stéphane Lauer is een economisch journalist met dertig jaar ervaring bij het Franse dagblad Le Monde.
Ja: ‘Europa riskeert permanent achter te lopen op de VS en China’
‘De EU-regelgeving heeft belangrijke bijdragen geleverd aan het waarborgen van gegevensprivacy en concurrentie in de technologiesector’, schrijft Financial Times in een redactioneel. ‘Maar met de AI-wet van 2024 is er een grens overschreden. De regels hebben geleid tot felle lobbyactiviteiten van grote technologiebedrijven en de Amerikaanse overheid. Bovendien brengen ze het concurrentievermogen van EU-bedrijven en start-ups in gevaar. Europa riskeert hierdoor permanent achter te lopen op de VS en China in de race om de transformatieve technologie te ontwikkelen en te benutten.’
Volgens de krant overschatte de EU aanvankelijk de risico’s van AI. ‘Er moet een goed evenwicht worden gevonden tussen beperkende regels en de vrijheid om innovatieve technologieën na te streven.’ Te veel regels beschermen gevestigde bedrijven tegen concurrentie, terwijl nieuwe spelers erdoor worden gehinderd. ‘Hoewel Big Tech regelmatig klaagt over de hoge kosten van naleving van de regelgeving, zijn de kosten voor grote bedrijven relatief beperkt. Voor kleine bedrijven kunnen de bedragen echter onbetaalbaar zijn.’
‘De belangrijkste motivatie is dat Europa een betere kans krijgt om te concurreren op het gebied van AI’
De Europese Commissie stelt voor om de volgende fase van de AI-regels, voor systemen met ‘hoog risico’ in bijvoorbeeld de gezondheidszorg en kritieke infrastructuur, een jaar uit te stellen. Ook bestaande GPAI-systemen (General-Purpose AI) krijgen een jaar extra om zich aan te passen.
De EU zou er volgens Financial Times verstandig aan doen om deze gelegenheid aan te grijpen voor een bredere herziening van haar AI-regels, teneinde deze flexibeler te maken. ‘Dat is geen geval van toegeven aan Donald Trump of Big Tech, al hopen sommige EU-functionarissen dat de nieuwe wet de Amerikaanse regering tevreden stelt en daardoor de druk op andere digitale wetten zal verlichten. De belangrijkste motivatie is dat Europa een betere kans krijgt om te concurreren op het gebied van AI.’
Europa loopt flink achter op het gebied van vernieuwende start-ups. ‘De toegang tot kapitaal is te beperkt en de energiekosten zijn te hoog om de grootschalige infrastructuur van de VS na te bouwen.’ Volgens de krant levert het versoepelen van de regels dus alleen iets op als dit samengaat met bredere hervormingen.
De redactieraad van Financial Times vertegenwoordigt het standpunt van Europa’s meest toonaangevende financiële en economische dagblad.
Techbedrijven zijn lyrisch over de ontwikkeling en implementatie van kunstmatige superintelligentie om zaken als hongersnood en klimaatverandering tegen te gaan. Voor wereldproblemen hebben we echter geen hulp nodig bij het bedenken van oplossingen, maar bij de concrete uitvoering ervan, aldus Francis Fukuyama.
Een oude studievriend van me heeft carrière gemaakt als belegger en ondernemer aan de rand van de techwereld. Hij heeft altijd grote bewondering gekoesterd voor mensen die hij als ‘ontzettend slim’ beschouwt. Daarmee bedoelt hij mensen die sterk zijn in wiskunde en met behulp van hun intelligentie goed hebben verdiend.
Hij is niet de enige die er zo over denkt. Silicon Valley is zo’n beetje een tempel voor de verering van genieën – in eerste instantie figuren als Steve Jobs, Bill Gates en Elon Musk – die hypersuccesvolle bedrijven hebben opgezet rond technologische toepassingen. Die technologie ontwikkelt zich nu rond AI, met Sam Altman, Demis Hassabis en Yann LeCun als de nieuwe iconen van genialiteit.
En wat deze generatie creëert is inderdaad intelligentie. Er is momenteel een wedloop gaande op het gebied van AGI, artificial general intelligence, een machine die het cognitieve vermogen van de mens zal evenaren. En zelfs overtreffen: de allernieuwste machines ‘groeien’ in plaats van te worden geprogrammeerd, ze zouden ertoe in staat zijn bij zichzelf aanpassingen te doen die hun capaciteiten vergroten.
Ze nemen geen genoegen met ons intelligentieniveau; ze zullen slimmer worden dan mensen. Dit soort ‘superintelligentie’ zal vervolgens leiden tot grote vooruitgang in de wetenschap, de technologie en de economie. En daarvan zijn nu al voorbeelden te zien, zoals Hassabis’ Alphafold-project, waarmee ingewikkelde eiwitstructuren kunnen worden voorspeld, wat met de beschikbare technologieën een onmogelijke opgave leek. Er wordt tegenwoordig serieus gesproken over een niet eens zo verre toekomst waarin ontwikkelde economieën met behulp van superintelligente AI substantieel hogere groeicijfers van 10, 15 of zelfs 20 procent per jaar zullen bereiken (ter vergelijking: nu wordt een groei van 2-3 procent al als substantieel beschouwd). Niemand zou meer gebrek hoeven leiden en er zouden regelingen komen ter ondersteuning van degenen die door AGI niet meer in hun levensonderhoud kunnen voorzien, zoals een algemeen basisinkomen.
Feit of fictie?
Je kunt verschillende vraagtekens plaatsen bij dit soort speculaties. Over de eerste vraag ben ik niet in de positie te oordelen: is AGI of superintelligentie überhaupt mogelijk? Volgens schrijvers als Eric Larson zijn LLM’s weliswaar goed in het uitkammen van enorme hoeveelheden bestaande kennis, maar ontberen ze het bespiegelende inzicht – door de cognitiewetenschapper C.S. Peirce ‘abductie’ genoemd – dat je nodig hebt voor daadwerkelijk innovatieve ontdekkingen.
Maar laten we even aannemen dat AGI er komt en dat machines in sommige opzichten intelligenter zullen worden dan mensen. Er zijn sterke gronden om aan te nemen dat dit onze maatschappij op allerlei manieren zal veranderen, maar misschien niet die explosieve economische groei teweeg zal brengen die de pleitbezorgers van AI verwachten.
De reden voor deze scepsis is dat het vandaag de dag eenvoudigweg niet een gebrek aan intelligentie of cognitieve vaardigheden is waardoor economische groei wordt beperkt. Zelfs zonder slimme machines bezitten mensen collectief tegenwoordig meer cognitief vermogen dan ooit in de geschiedenis van de mensheid. De beperkingen komen voort uit de talloze manieren waarop die intelligentie in wisselwerking staat met de materiële wereld. Economische groei hangt uiteindelijk af van de kunst om echte dingen in de echte wereld te creëren. Een slimme machine komt misschien op de proppen met een beter model voor een muizenval, maar voor het produceren van die muizenval zijn capaciteiten benodigd die buiten het bereik liggen van welke machine dan ook.
Economische groei hangt uiteindelijk af van de kunst om echte dingen in de echte wereld te creëren
Op macroniveau lopen we nu al aan tegen het feit dat er te veel geld is in verhouding tot de hoeveelheid goederen. Zoals klimaatdoemdenkers al jaren zeggen, zijn er materiële grenzen aan groei. De grens die het meest in het oog springt, is de opwarming van de aarde, maar er zijn er nog veel meer. De planeet is niet gemaakt voor 8 miljard mensen met een Amerikaanse levensstandaard; met een groeitempo van 10 procent per jaar zouden China, Amerika en Europa algauw met tekorten te maken krijgen, tekorten aan landbouwgrond, water, energie – aan bijna alles.
Op microniveau is het probleem het vertalen van het werk van slimme machines in materiële goederen. Bij productinnovatie komt een langdurig, iteratief proces kijken waarbij een ontwerper ideeën uitprobeert, faalt en het ontwerp aanpast op basis van die ervaringen. Zoals generaties van ontwikkelaars en knutselaars weten zal geen superintelligentie ooit groot genoeg zijn om te kunnen simuleren hoe voorwerpen zich zullen gedragen in de stoffelijke, echte wereld.
Ten slotte is er het politieke en maatschappelijke niveau. Ik was een keer bij een presentatie van een ingenieur van een toonaangevend AI-bedrijf die zei dat AGI in de nabije toekomst bijvoorbeeld voor schoon drinkwater zou kunnen zorgen in bepaalde steden in ontwikkelingslanden.
Dat arme landen er niet in slagen in zulke basisbehoeften te voorzien komt echter niet door een gebrek aan kennis van hoe een goede drinkwatervoorziening eruitziet. Het is een politiek en maatschappelijk probleem. Niemand wil opdraaien voor de hogere kosten die een nieuw watersysteem met zich meebrengt: de werknemers van de gemeentelijke drinkwatervoorziening willen hun baan niet verliezen door automatisering; winkeleigenaren zien het niet zitten dat de straten worden opgebroken voor nieuwe leidingen; de minister van Financiën heeft andere prioriteiten en wil niet de belasting verhogen voor de aanleg van het nieuwe systeem. In veel arme landen heb je watermaffia’s die goedkoop water inkopen en het voor buitensporig hoge prijzen doorverkopen. Ze zijn gewapend en zullen niet aarzelen geweld te gebruiken als je ze in de weg zit.
[Het gebrek aan drinkwater] komt echter niet door een gebrek aan kennis… Het is een politiek en maatschappelijk probleem.
Een superintelligente machine kan deze problemen misschien begrijpen, maar zal niet in staat zijn er iets tegen te doen. We weten al hoe een goede watervoorziening eruitziet; wat we niet hebben is een implementatieplan voor een specifieke stad.
Ons begrip van de rol van intelligentie is vertekend door de technologische veranderingen van de laatste decennia. Internet, sociale media en aanverwante technologieën zijn allemaal gebaseerd op software. Afgezien van dataservers en cloudopslag hoeven hiervoor geen apparaten te worden gebouwd die nog nooit zijn getest. Daardoor kun je met software zo makkelijk opschalen. Dat is de reden dat Google, Meta en andere bedrijven zo snel reuzen hebben kunnen worden.
Bedrijven die geld verdienen door materiële zaken in de materiële wereld te bouwen hebben veel meer moeite met opschalen. Ook zij hebben baat bij schaalvoordelen, maar bereiken het punt van afnemende meeropbrengsten veel eerder dan een softwarebedrijf. (Dit is trouwens een van de redenen dat Elon Musks Tesla zo’n opmerkelijk verhaal is: dat hij een materieel product zo succesvol heeft weten op te schalen.) Op de een of andere manier zijn we het softwareparadigma gaan zien als het model dat het AI-tijdperk zal kenmerken, maar de economische voordelen die AI belooft zullen niet even gemakkelijk meegroeien.
Waarmee ik niet wil zeggen dat AI niet zal leiden tot een enorme productiviteitsverhoging: kijk bijvoorbeeld naar Jerry Kaplans voorspellingen over de toekomst van robotaxi’s. Maar intelligente mensen, zoals die in Silicon Valley, neigen ernaar het belang van intelligentie in het leven te overschatten. Om een goed en succesvol mens te zijn heb je behalve intelligentie veel andere capaciteiten nodig, en voor het bewerkstelligen van economische groei is ook veel andere input nodig dan die AI kan leveren.
Francis Fukuyama is Olivier Nomellini Senior Fellow aan Stanford University. Zijn meest recente boek is Liberalism and Its Discontents en hij schrijft de column ‘Frankly Fukuyama’ in Persuasion.
Er moet een internationaal embargo komen op de ontwikkeling van AI, totdat we de gevolgen beter begrijpen, vinden de auteurs Yudkowsky en Soares. ‘Door toegang te verlenen tot onze sociale media en financiële inrichtingen geven we AI alle middelen om de wereld over te nemen.’
Kunnen mensen in harmonie samenleven met machines? Eliezer Yudkowsky en Nate Soares hebben er een hard hoofd in. Ze winden er geen doekjes om in de titel van hun nieuwe boek: If Anyone Builds It, Everyone Dies: Why Superhuman AI Would Kill Us All, dat op 16 september gepubliceerd werd.
Dit lijkt misschien op paniekzaaierij, maar de schrijvers – Yudkowsky en Soares, respectievelijk medeoprichter en hoofd van het Machine Intelligence Research Institute in Berkeley, Californië – benadrukken in de introductie dat ze ‘niet op effectbejag uit zijn’. Als een land of bedrijf een zogeheten ‘kunstmatige superintelligentie’ bouwt die ‘ook maar een beetje lijkt op wat we vandaag de dag onder AI verstaan, zal iedereen, overal op aarde, sterven’.
Ze zijn niet de enigen die vrezen dat AI ons allemaal zal vernietigen als de technologie in dit tempo wordt doorontwikkeld.
Verontrustende toon
In The Intelligence Explosion: When AI Beats Humans at Everything slaat James Barrat een bijna net zo verontrustende toon aan. Barrat is een documentairemaker uit Maryland in de Verenigde Staten en schrijft al meer dan tien jaar over kunstmatige intelligentie. Hij citeert deskundigen zoals Roman Yampolskiy, die zegt dat superintelligente AI wellicht ‘een van de grootste problemen van de mensheid kan worden’. (Barrat citeert trouwens ook Yudkowsky en Soares, die daar hetzelfde over denken.) Maar Barrat voegt eraan toe dat er in plaats van het probleem onder ogen te zien ‘op een dodelijk scenario afstevenen’. Beide boeken leveren goede argumenten, maar lezers zullen zich meer aangetrokken voelen tot Yudkowsky en Soares; hun diagnose van de problemen omtrent AI toont hoeveel ervaring ze hebben binnen het vakgebied. Zo sluiten ze elk hoofdstuk af met een QR-code waarmee lezers uitgebreidere analyses kunnen raadplegen. Ook zijn ze niet bang om de grote bonzen van Silicon Valley bij naam te noemen; ze beschuldigen Elon Musk en Yann LeCunn, hoofdwetenschapper van Meta AI, van het bagatelliseren van reële risico’s.
De auteurs zijn het over veel dingen eens. De generatieve AI van 2025 – denk aan machines als ChatGPT en Gemini die informatie van allerlei bronnen assimileren en daaruit nieuwe informatie genereren – vormt nog geen existentiële bedreiging. Maar als AI-ontwikkeling met zo’n sneltreinvaart doorgaat, zullen er snel problemen ontstaan. ‘Machine-superintelligentie’, waarvan sommigen in het vakgebied denken dat die binnen tien jaar zal worden bereikt, zal ‘slimmer zijn dan ieder levend mens, slimmer dan de mensheid als geheel’, schrijven Yudkowsky en Soares.
Als het zover is kunnen we volgens Barrat niet alleen economische chaos, maar ook toenemende waanzin in de overheid verwachten. Analisten schatten in dat miljoenen mensen in ontelbare vakgebieden hun baan zullen verliezen en dat ‘AI-gestuurd bedrog en desinformatie’ eerlijke verkiezingen in gevaar zullen brengen, aldus Barrat. Barrat beweert ook dat AI met zijn huidige intelligentieniveau al bloed aan zijn virtuele handen heeft. Volgens berichten heeft het Israëlische leger AI ingezet bij aanvallen waarbij burgers in Gaza omkwamen, terwijl de aanval van de industrie op het klimaat onverminderd doorgaat. Elke dag ‘verbruikt ChatGPT evenveel elektriciteit als een kleine stad’.
Kennis vergaren
De twee boeken waarschuwen ook voor de obscure manier waarop AI zijn kennis vergaart. In tegenstelling tot klassieke hardware en besturingssystemen wordt generatieve AI ‘niet gepro- grammeerd, maar getraind’, aldus Barrat – in de woorden van Yudkowsky en Soares; ‘verbouwd, niet vervaardigd’. Na het bouwen van een generatieve AI weten programmeurs ‘nauwelijks wat er omgaat in het brein van zo’n machine’.
In The Intelligence Explosion wordt Stuart Russell, professor in computerwetenschappen, aangehaald. ‘We hebben geen idee hoe het werkt, en toch stellen we het bloot aan honderden miljoenen mensen’, aldus de professor. Door toegang te verlenen tot onze sociale media en financiële inrichtingen ‘geven we AI alle middelen om de wereld over te nemen’. Yudkowsky en Soares hebben zo hun twijfels bij wereldovername, maar beamen dat we nooit zeker kunnen weten wat voor ‘voorkeuren’ er zullen ontstaan. Haar ‘buitenaardse mechanische geest’ zal beschikken over een ‘interne psychologie’ die niet overeenkomt met de onze. Er is geen enkele reden om te verwachten dat tot die voorkeuren ‘gelukkige, gezonde mensen met een vervuld leven’ zal behoren, aldus de auteurs.
De doemscenario’s zoals beschreven in If Anyone Builds It, Everyone Dies zijn angstaanjagend. Een op hol geslagen superintelligente AI kan financiële instellingen of laboratoria met dodelijke ziektes infiltreren, mensen afpersen, gewetenloze leiders omkopen of aan de haal gaan met grootschalige wapensystemen. In de VS zijn bijna vijftienduizend AI-start-up waarvan ten minste enkele medewerkers het gevaar reëel achten, aldus Barrat; ‘De meeste experts met wie ik heb gesproken achten een AI-overname waarschijnlijk’, schrijft hij. Yudkowsky en Soares noemen verschillende vooraanstaande computerwetenschappers die publiekelijk hebben gezegd dat er minstens 10 procent kans is dat AI de mensheid zal uitroeien.
We praten steeds meer als ChatGPT
Sinds de introductie van ChatGPT wordt er niet alleen meer geschreven, maar ook anders. Mensen nemen steeds vaker de stijl en toon van de chatbot over.
In e-mails, sollicitatiebrieven en zelfs WhatsApp-berichten duiken formuleringen op die doen denken aan standaardantwoorden van een taalmodel: beleefd, volledig, neutraal, soms iets te gepolijst, aldus The Atlantic. Taalwetenschappers noemen dit verschijnsel ‘AI-speak’ of ‘prompt-speak’: een manier van communiceren waarin nuance, humor of rafelranden verdwijnen. The Atlantic beschreef hoe jongeren elkaar mailen in een stijl die ‘glad en zonder frictie’ aandoet – alsof elke zin door een algoritme is getest op beleefdheid. Het gaat vaak om uitdrukkingen die veilig en voorspelbaar zijn, zoals ‘I completely understand your concern’ of ‘I appreciate your feedback’.
Critici vrezen dat deze invloed subtiel maar verstrekkend is. Waar sociale media ooit zorgden voor meer losse en informele taal, introduceert ChatGPT juist een toon die meer wegheeft van corporate jargon. Daarmee dreigt menselijke communicatie zijn emotionele schakeringen en speelsheid te verliezen.
In een wereld waarin AI steeds vaker de antwoorden levert vóór de vraag is gesteld, waarschuwt Africa Is A Country, dooft onze nieuwsgierigheid mogelijk langzaam uit. Gemak gaat boven kritisch denken doordat lezers samenvattingen consumeren in plaats van teksten zelf te analyseren. Democratische betrokkenheid en politieke controle zouden worden verzwakt omdat burgers zich minder afvragen welke belangen schuilgaan achter de informatie.
Albanië gaat wat dat betreft een gewaagd experiment aan: hier werd in september Diella, een AI-chatbot, gepromoveerd tot virtueel minister, met als portefeuille het beheren van publieke aanbestedingen en het tegengaan van corruptie. Volgens de regering moet de digitale bewindvoerder zorgen voor meer transparantie en efficiëntie, maar critici waarschuwen dat de benoeming vooral symbolisch is.
Wat nu? Alle drie de auteurs stellen dat er een embargo moet komen op AI-ontwikkeling totdat we een beter idee hebben over hoe de toekomst eruit zal komen te zien. Yudkowsky en Soares treden meer in detail; ze stellen dat er wetten en ‘internationale regelgevingskaders’ moeten komen waarmee ‘het verboden wordt om als AI-bedrijf in dit tempo kunstmatige intelligentie te ontwikkelen’.
Door de politieke verlamming in Washington is het onwaarschijnlijk dat hieraan gehoor wordt gegeven. Toch betuigen Yudkowsky en Soares dat het hoog tijd is dat mensen die hiermee instemmen zich erover uitspreken. Draag bij door contact op te nemen met wetgevers, te stemmen op kandidaten die deze problemen begrijpen, protesten bij te wonen en door vrienden en familie op de hoogte te stellen van de gevaren, aldus de auteurs. Ze zullen je aanvankelijk misschien ‘vreemd aankijken’, maar als er ook maar een kans bestaat dat het geschetste scenario waar is, dan hebben we wel iets belangrijkers aan ons hoofd dan zo nu en dan een meewarige blik.
IJsmachine, beamer, trampoline: allemaal aantrekkelijke producten, die echter één groot nadeel hebben: niemand gaat nog de deur uit.
Als je in de stad woont, kom je op zeker moment op een leeftijd dat je hele vriendenkring plotseling aan sterke erosiekrachten onderhevig is. Het ene jonge gezin na het andere verlaat het gezamenlijke postcodegebied en vertrekt naar een buitenwijk of meteen maar helemaal naar het platteland. En alle goede voornemens ten spijt zie je ze nog maar zelden terug. Dus moet je naar hen toe, in hun rijtjeshuizen, bungalows en energiezuinige woningen. En daar valt je naast een heleboel andere dingen meestal op dat er flink wat is bijgekomen, niet alleen qua gewicht maar vooral in de vorm van spullen. Er staan veel meer nieuwe dingen in de tuin, garage en keuken dan er ooit in een huis in de stad hadden gepast. Ettelijke aanwinsten krijg je meteen gedemonstreerd, of je wilt of niet. En waar oorspronkelijk de natuur en het eenvoudige leven redenen waren om de stad uit te gaan, lijkt het een beetje alsof het vooral om die nieuwe aanwinsten gaat.
Het opvallendste symptoom is de wanstaltige trampoline die de afgelopen twintig jaar in de helft van de tuinen is verschenen: zo groot als een helikopterplatform en vaak alleen een opmaat naar nog grotere speelplaatsattributen. Voor kinderen is het natuurlijk geweldig. Maar ook voor hun ouders, want die hoeven niet meer naar de speeltuin te rijden. Dat je in de speeltuin achter je huis zelden nieuwe vrienden maakt, wordt even makkelijk over het hoofd gezien als de vraag waar je over een paar jaar met al die volumineuze rommel naartoe moet.
Een kasteel
Vrij snel na de trampoline komt bij de onroerendgoedbezitters of huurders veelal het verlangen naar een zwemvijver op. Aan een zwembad begin je niet zo lichtzinnig, maar een zwemvijver of op zijn minst zo’n opzetzwembad zou natuurlijk wel leuk zijn. Is het ook, geweldig. En nog weer een reden om het terrein niet te verlaten. Dag openluchtzwembad, het huis wordt een kasteel en de ophaalbrug blijft steeds langer omhoog. In een ideale nieuwbouwwijk zou de één een trampoline, de ander een zwembad en weer een ander een tafeltennistafel hebben en iedereen deze attracties met elkaar delen. Je nodigt elkaar uit – in elk geval de kinderen – en groeit samen op. Het zou hulpbronnen en geld besparen en ook maatschappelijk dividend opleveren. Maar de realiteit is vaker dat een iemand met zulke dingen begint en iedereen in de buurt ze daarna ook wil hebben. Zo creëert iedereen achter een hoge heg zijn eigen pretpark.
Binnen valt de nieuwe huiselijkheid nog meer op. Ligt de dichtstbijzijnde bioscoop 15 kilometer verderop en sluit die eerdaags vanwege een chronisch gebrek aan bezoekers? Geen wonder dat in alle huiskamers beamers staan te streamen en een vier meter breed beeld op het behang projecteren. Bioscoopgevoel thuis, adverteren de fabrikanten. Alleen is dat niet waar. Want laten we niet vergeten: bioscoopgevoel was meer dan een groot beeld, inclusief surround sound en popcorn uit je eigen popcornmachine. De charme was juist dat het een klein avontuur was om naar de bioscoop te gaan. Je kleedde je ervoor, je ging uit, begaf je naar een plek die in de ware zin des woords geschiedenis ademde en je genoot van al die leuke kleine dingen die alleen daar te vinden waren: het geluid, de donkere zaal, de pluche klapstoeltjes, de ijsjes in de pauze en natuurlijk ook de nieuwste film – met popcorn. Je was buiten, in de stad, het was avond, je zag andere mensen aan wie je je soms een beetje ergerde, maar misschien was je ook wel een paar seconden verliefd, je praatte met mensen en nam de tram, je kwam toevallig iemand tegen, ging op de terugweg een nieuw café binnen, leerde een grappige taxichauffeur kennen, kortom: er viel wat te beleven, je maakte deel uit van de samenleving, en als je thuiskwam, was je een ander mens. Al die dingen, al dat contact met het echte leven, gaan verloren bij de beamer thuis. Daar zit je opgevouwen tussen de deur en je bed naar een blockbuster te kijken terwijl je je afvraagt of je met een betere beamer niet een nog beter bioscoopgevoel zou hebben. Dat iemand zich met elk nieuw apparaat meer huisarrest oplegt, daar denkt niemand over na.
In plaats van een opleiding te volgen, bekijkt de neoprosument even snel een paar instructievideo’s op YouTube
Maar de plaats waar de nieuwe huismussencultuur het sterkst oprukt is de keuken. Iedere hype in de keukenapparatuur van de afgelopen jaren was niet alleen bedoeld om je leven makkelijker te maken, maar beloofde tussen de regels door ook dat je weer wat minder op de buitenwereld was aangewezen. De vakterm in de branche voor mensen die thuis zelf dingen maken die vroeger elders werden geproduceerd is: prosument. Een prosumer is iets tussen producent en consument in. Het begrip kwam op in de jaren tachtig, toen de eerste idealisten zelf stroom van het dak begonnen te halen, waarmee het idee ontstond van een nieuwe onafhankelijke huishouding via technologie. De term past prima bij de huidige apparatencultuur, waarbij de klant wordt gesuggereerd dat hij zelf kan maken wat tot nu toe door anderen met een jarenlange opleiding als ambachtsman wordt aangeboden. De juiste hardware thuis vervangt vakkennis, is het idee. Gewoon vullen met ingrediënten en de machine doet de rest. En inderdaad fabriceren de broodbakmachines, pizzaovens en ijsmachines in onze keukens tegenwoordig producten waarvoor alle generaties vóór ons nog de deur uit moesten. In plaats van een opleiding te volgen, bekijkt de neoprosument na een dagje home office even snel een paar instructievideo’s op YouTube en bespaart zich zo weer een rit naar de winkel.
Instagram heeft bijvoorbeeld talloze kanalen van enthousiaste brood- en bakfluencers waar het maken van een perfecte baguette of croissant er kinderlijk eenvoudig uitziet – mits je thuis een state-of-the-art kneedmachine hebt. Bakker? Niet meer nodig. Huiselijkheid klinkt ouderwets, maar is precies wat de moderne-productwereld van ons verlangt. De dure Thermomix en de alom populaire miniheteluchtovens, airfryers, suggereren dat je thuis voor je kunt laten koken als in een restaurant of fastfoodshop. Dat restaurants sinds de pandemie een aanzienlijke omzetdaling laten zien, heeft absoluut meer dan één reden. Maar mogelijk heeft het er ook mee te maken dat veel mensen zich tijdens de lockdowns paragastronomisch hebben uitgerust en zichzelf voorzien van pizza en steak uit hun supergrill.
Natuurlijk is het nieuwe, perfecte doe-het-zelven in de keuken leuk en op lange termijn ook goedkoper. Maar dat geldt alleen als je niet meerekent wat je allemaal misloopt wanneer je bijna alles thuis doet. Ondanks alle vreugde en het genot dat deze apparaten opleveren, verkleinen ze onze horizon, laten ze ons vermogen tot interactie verschrompelen en vervreemden ze ons steeds meer van het aanbod buitenshuis. Pizza zoals in Napels, friet zoals bij de friettent en een sous-videfilet zoals in een sterrenrestaurant geven onze kinderen misschien culinaire kennis mee, maar geen wereldwijsheid. Als elke nieuwsgierigheid wordt beantwoord met ‘Dat kunnen we ook thuis!’, groeit er moeilijk begrip voor maatschappelijke diversiteit en participatie. En dat geldt allang niet alleen daar waar de dichtstbijzijnde stad ver weg is en je noodgedwongen veel zelf doet. Al die apparatuur vindt net zo goed zijn weg naar krappe stadskeukens en verspreidt — van smoothiemaker tot verbonden hometrainer – diezelfde boodschap: blijf binnen.
‘Un caffè, per favore!’
Het Trojaanse paard in deze ontwikkeling is wellicht de espressomachine geweest. De Italiaanse koffiecultuur heeft een even eenvoudige als voor de hand liggende filosofie: thuis zet je snel even een kopje koffie op het fornuis met een gedeukte caffettiera, en voor de goede, professionele espresso met crema of melkschuimga je vervolgens één of een paar keer per dag naar een bar. Daar staat een grote machine die vakkundig wordt bediend, maar staan ook andere mensen met wie je een praatje kunt maken, daar zijn kranten, daar vind je inspiratie, daar speelt het leven zich af. Geen Italiaan zou uit zichzelf op het idee komen om het ‘Un caffè, per favore!’ in te ruilen voor het slokje koffie thuis en zichzelf dit ritueel te ontnemen. Het zijn gewoon verschillende dingen! Toch is dat precies wat er bij ons is gebeurd. In onze woonkeukens staan overal verchroomde espressobolides te glimmen, die behoorlijk wat kennis, training en onderhoud vragen. Maar is je espresso nu echt zo goed als bij de Italiaan?
Misschien, maar bij de Italiaan smaakt hij nog altijd uitstekend, kost hij twee euro en voorziet hij de mensen niet enkel van cafeïne. Met al die semiprofessionele barista’s, zuurdesemfanaten en smoothie-experts is het geen wonder dat steden op een gegeven moment geen echte concentratie van winkels, horeca en dienstverleners meer hebben en dat ooit levendige wijken in slaapgebieden veranderen. ‘Stad’ betekende altijd ook: eropuit gaan en andere mensen ontmoeten. De afgelopen jaren horen we veel over de vereenzaming in onze westerse samenleving. Sommige oorzaken daarvan hebben we misschien zelf in huis gehaald.
Helikopterouders, bulldozerouders en curlingouders staan in de weg van een gezonde ontwikkeling van hun kroost, dat juist moet leren zelfredzaam te zijn. ‘Obstacle parenting’ is de nieuwe opvoedfilosofie.
Sinds kort probeer ik het leven van mijn kinderen iets moeilijker te maken. Of tenminste niet makkelijker. Als ze een probleem ervaren is de verleiding groot om er iets tegen te doen, maar die weersta ik dan. Ik help mijn huilende kleuter niet met zijn puzzel en ik geef hem geen zetje als hij het klimrek niet op durft. Ik tover in het weekend geen dichtgetimmerd activiteitenprogramma uit mijn hoed en sta dan ook geen tv toe. Ik laat hen worstelen met de existentiële vraag hoe de tijd door te brengen, een vraag die in de menselijke geschiedenis pas recentelijk is ontspoord door een cultuur van dwingende ouderlijke aandacht en nu door de graaiende klauwen van verstikkende technologie. Decennialang lieten ouders hun kinderen zonder enig toezicht in groepjes door de buurt dwalen, maar in de jaren negentig verschoof de opvoedcultuur richting ‘intensive parenting’: opvoeding met hoge betrokkenheid en ononderbroken contact, waarbij elke vorm van zelfredzaamheid als teken van verwaarlozing werd gezien. Ouders begonnen hun kleuters te schaduwen in de speeltuin, bij kinderpartijtjes waren er vaak meer ouders dan kinderen aanwezig en scholieren werden steeds vaker met de auto gebracht.
Er is een alomtegenwoordige druk voor ouders om te presteren, een druk die diep is geïnternaliseerd. Helikopterouders – ouders die constant om hun kinderen heen zoemen in zowel de fysieke als de digitale wereld – zijn inmiddels de norm. Bulldozerouders maken elk obstakel voor hun kind met de grond gelijk; ze springen tegen iedereen in de aanval, van docenten die te moeilijke opgaven geven tot andere kinderen die te lang op de schommel blijven zitten. Ze doen dit uit liefde, maar ook uit angst; we willen dat onze kinderen gelukkig en veilig zijn, en daarnaast willen we dat andere ouders ons als verantwoordelijk en betrokken zien.
Controle
Elke keer dat je als ouder grijpt, elke keer dat je je best doet om een driftaanval of teleurstelling uit de weg te gaan, voelt dat misschien als de juiste keuze. Maar experts waarschuwen dat zo veel controle op de lange termijn schadelijk kan zijn voor de psychologische en emotionele ontwikkeling van een kind. En nu technologie in elk aspect van ons leven is doorgedrongen, zijn schermen er om te sussen en af te leiden, waarmee ze voldoen aan de door ouders opgelegde verwachting van voortdurende interventie.
Ik raak er steeds meer van overtuigd dat het onvermogen om ook maar een moment van verveling, ongemak of frustratie te hebben zonder te grijpen naar een scherm of zintuiglijke afleiding, de beste geesten van mijn generatie heeft geruïneerd. Maar voor de kinderen is er nog hoop: misschien moeten we niet méér doen, maar juist minder. Ik heb mezelf daarom laten leiden door een nieuwe opvoedfilosofie: ‘obstacle parenting’. Bij obstacle parenting maak je de dingen een tandje moeilijker voor je kinderen en laat je ze hun problemen zelf oplossen. Mijn kleuter is gek op computerspelletjes, dus laten we haar gamen – niet op een iPad maar op een Macintosh uit 1997. Haar spanningsboog voor spellen als Lemmings of SimTower bedraagt ongeveer een half uur, waarna ze gefrustreerd raakt of zich begint te vervelen; deze spellen, die al meer dan dertig jaar oud zijn, waren niet bedoeld om verslavend te zijn of iemand urenlang te hypnotiseren. Ook zijn ze niet zo makkelijk te beheersen voor een vijfjarige. Toch begint ze er langzamerhand beter in te worden. Van mij hoeven die spellen niet sneller en flitsender te worden. Ze hoeven niet verrijkend of vermakend of zelfs educatief te zijn. Ik wil alleen maar dat mijn kind zelf iets probeert uit te vogelen, vooral als het moeilijk is, of saai.
Professor Jonathan Haidt van New York University, auteur van het boek Generatie Angststoornis, beargumenteert dat sociale media een ‘jeugdherprogrammering’ teweeg hebben gebracht, wat de afgelopen jaren heeft geleid tot een piek in psychische problemen en lijden onder tieners en jongvolwassenen. Haidt legt een verband tussen de verschuiving van ontdekking en vrijheid naar structuur en toezicht en de crisis onder jongeren, die volgens hem niet de kans hebben gekregen om de wereld zonder hun ouders te ontdekken en zo eigenschappen als zelfredzaamheid en zelfverzekerdheid te ontwikkelen. In plaats daarvan zitten ze thuis naar hun telefoon te staren.
In Canada vormen vijftien- tot vierentwintigjarigen de eenzaamste leeftijdscategorie; een vijfde van de alle tieners die zichzelf in 2019 als mentaal gezond beschreven, voelde zich in 2023 niet langer zo. Tieners doen vandaag de dag minder aan seks en drugs, waarschijnlijk doordat ze minder tijd met hun leeftijdsgenoten doorbrengen dan vroeger. Dat er sprake is van een crisis wordt algemeen erkend, maar Haidts conclusie (dat sociale media de boosdoener zijn) wordt alom betwist. Professor Candice L. Odgers van de Universiteit van Californië in Irvine schrijft in het blad Nature bijvoorbeeld dat het bestaande onderzoek de bewering dat sociale media mentale problemen veroorzaken niet ondersteunt. Wel is het zo dat jongeren met psychische problemen deze platforms eerder op een andere manier gebruiken.
Of Haidt het nou bij het juiste eind heeft of niet, ouders kunnen hun kinderen nooit eeuwig tegen het scherm behoeden. Onthouding is overigens nooit een effectieve strategie geweest om schade te voorkomen. De laatste jaren hebben veel overlegorganen in Canada, waaronder de Vancouver School Board (VSB), een verbod opgelegd op telefoons in het klaslokaal. Voormalig voorzitter van de VSB Patti Bacchus noemde dit soort maatregelen ‘een twintigste-eeuwse oplossing voor een eenentwintigste-eeuws probleem’. ‘Deze kinderen moeten worden opgeleid tot kritische wereldburgers,’ zei ze tegen de CBC, de Canadese publieke omroep. Met zulk soort beleid wordt overwerkte docenten alleen maar meer ver- antwoordelijkheid opgelegd. Je kan het heel goed eens zijn met de verbanning van verslavende invloeden uit scholen – zo mag je op school ook niet meer roken – en tegelijkertijd erkennen dat er betere oplossingen zijn dan het simpelweg wegnemen van beeldschermen.
Het verschil tussen 2025 en de voorspoedige jaren negentig ‘is niet dat iedereen toen beter kon omgaan met oningevulde tijd. Het zit hem erin dat tijd simpelweg oningevuld kon blijven zonder dat je meteen werd verzwolgen door gapende muil van het scherm’, aldus Kathryn Jezer-Morton in The Cut. Het is een treffende metafoor; als je je er niet tegen verzet, slokt het scherm alles om zich heen op. Rachel Kushner, die in Harper’s schrijft over haar zoon Remy en zijn passie voor oude raceauto’s, merkt op dat zijn klasgenootjes zich nauwelijks lijken te interesseren voor zijn zelfgebouwde wagens – in tegenstelling tot beveiliger op zijn school. Deze geeft aan dat de jeugd van tegenwoordig nauwelijks hobby’s heeft. Op Kushners vraag ‘Waarom niet?’ antwoordt hij: ‘Door het internet.’
Generatieve AI
En toen kwam generatieve AI, het ultieme zwarte gat voor alle nieuwsgierigheid. Met elk wetenschappelijk artikel dat uitkomt over de schadelijke effecten van generatieve AI raak ik steeds bezorgder over hoe afhankelijk mijn kinderen zullen worden van technologie. Op middelbare scholen en universiteiten gebruiken leerlingen sites zoals ChatGPT om hun opdrachten en essays te schrijven, waardoor creativiteit, kritisch denken en daarmee het volledige leerproces achterwege worden gelaten. Onlangs ontdekte een onderzoeker van MIT dat het gebruik van LLM’s (large language models, het soort AI dat ChatGPT ook gebruikt) voor schrijfopdrachten ‘potentiële cognitieve schade’ aanricht: in een periode van vier maanden zagen onderzoekers dat proefpersonen die LLM’s gebruikten ‘consequent slechter presteerden op neurale, linguïstieke en gedragsvaardigheden’.
Het droevige is dat veel jongeren inzien dat deze hulpmiddelen slecht voor ze zijn, maar ze evengoed gebruiken: uit een enquête onder 423 Canadese leerlingen bleek dat 59 procent van hen AI gebruikt voor huiswerk, ondanks dat de meesten toegaven dat ze daardoor minder leerden en het gevoel hadden af te kijken. Bij een ander onderzoek uit de VS onder volwassen tussen de achttien en zevenentwintig jaar bleek dat bijna de helft zou willen dat de platforms die ze dagelijks gebruiken, zoals Twitter en TikTok, nooit waren uitgevonden. Een eerstejaarsstudent aan de universiteit van Ontario zei in een recent artikel in New York Magazine dat ze vond dat ze verslaafd was aan ChatGPT en sociale media. Door regelmatig gebruik kwam ze in een spiraal terecht: ze keek urenlang filmpjes op TikTok (‘totdat mijn ogen pijn begon- nen te doen’) in plaats van haar huiswerk te maken, en zette vervolgens AI in voor laatstgenoemde taak. Voor veel gebruikers zijn deze apps geen hulpmiddel, maar een valstrik.
Technologie breidt zich natuurlijk steeds verder uit. Ik weet dat als mijn kinderen pubers zijn, er vast weer nieuwe technologie is waarover ik me zorgen kan maken. En mijn kinderen zijn niet gevrijwaard van de grijpende tentakels van AI; Mattel, de fabrikant van Barbie en Hot Wheels, kondigde onlangs een ‘strategische samenwerking’ aan met OpenAI (de makers van ChatGPT) om ‘de magie van AI met leeftijdsgebonden speelervaringen te combineren’. Maar dit soort specifieke gevallen van technologische implementatie zijn minder zorgwekkend dan wat ze blootlegt en uitbuit: een gebrek aan nieuwsgierigheid, een onwil om uitdagingen aan te gaan, een tekort aan zelfvertrouwen.
Dit zijn geen inherente eigenschappen, maar ze worden gevoed, deels door onze goedbedoelde neiging om kinderen bij elke stap bij te staan.
Elke generatie ouders probeert te leren van de fouten van de vorige generatie. Soms levert dit onmiskenbaar resultaat – zoals de uitvinding van kinderzitjes, en het feit dat kinderen minder worden geslagen. Maar vaak ook voelt het alsof we in plaats van veiligheid een marketingstrategie aangereikt krijgen, waarbij steeds nieuwe trends opkomen om de hardnekkige, existentiële angsten van het ouderschap te sussen. De Rapley-methode bijvoorbeeld, waarmee overgewicht en kieskeurig eten voorkomen kunnen worden; of gentle parenting, waarbij de nadruk ligt op het erkennen en verwerken van emoties. Deze strategieën suggereren dat de oplossing altijd ligt bij meer betrokkenheid en participatie. Met obstacle parenting wordt een nieuwe weg ingeslagen, waarbij het mijn plicht is mijn kinderen te behoeden tegen alle technologie die hun zintuigen afvlakt. Het doel is eenvoudigweg dat ze leren hun eigen verstand te gebruiken om de uitdagingen en problemen die zich voordoen het hoofd te bieden.
Onvoldoende vrijheid
Ik ben lang niet de enige ouder die het zo aanpakt. Rheana Murray vertelt in The Atlantic het verhaal van een aantal ouders die in Portland, Maine collectief een vaste telefoon installeerden waarmee kinderen zelf afspraakjes konden maken of gewoonweg konden praten. ‘We vragen onze kinderen zelden om stil te zijn en met elkaar te communiceren,’ legt een ouder uit. Ook geven we ze onvoldoende vrijheid om zelfstandig te bewegen, al proberen steden hier wereldwijd verandering in te brengen door avontuurlijke speelplaatsen te bouwen die zijn ontworpen voor risicovoller en fantasierijker spel. De nauwe tunnelglijbanen en klimrekken van ontwerpen zoals de sθәqәlxenәm ts’exwts’áxwi7 (‘het regenboogpark’) in Vancouver maken het ouders moeilijker om hun kinderen achterna te gaan. Ze moeten het zelf maar uitzoeken. Uiteindelijk draait obstacle parenting om het ontwikkelen van concentratie en uithoudingsvermogen, twee vaardigheden die verloren zijn gegaan door uitbesteding aan de technologie. De ouders die vaste telefoons installeerden boekten succes doordat ze het gezamenlijk deden, en dat herinnert eraan dat we niet altijd volledig hebben vertrouwd op ouders alleen om hun kinderen groot te brengen. Er bestond een breder netwerk van vrienden en familie, buren en tieneroppassers. Tegelijkertijd kregen kinderen meer toegang tot hun leeftijdgenoten zonder dat elke interactie nauwlettend in de gaten werd gehouden. Structurele interventies, zoals de risicovollere speeltuin, helpen bij dit probleem; ze belichamen het principe dat ouders het niet allemaal zelf hoeven uit te vogelen. De verdwijning van zogeheten third places is een collectief probleem, en hetzelfde geldt voor onveilige straten die het vooruitzicht je kind alleen naar school te laten gaan angstaanjagend maken.
Obstacle parenting draait niet alleen om het overkomen van fysieke obstakels. Ik zie het meer als oefening in ouderlijke terughoudendheid. Ik laat mijn kinderen met rust als ze zich concentreren; als ze me om hulp vragen wacht ik even en kijk ik of ze zelf met een oplossing komen. Ik laat me verrassen door wat ze zonder mijn inmenging allemaal ondernemen en bedenken. Wel brengt het de vraag met zich mee wat ik op die momenten met mezelf aan moet. Als we onze kinderen willen aanleren om de lokroep van de technologie te weerstaan, moeten we het goede voorbeeld geven. Hier hebben veel volwassenen moeite mee, zelfs degenen onder ons die moeiteloos grenzen stellen aan de schermtijd van hun kinderen. Dit heeft er deels mee te maken dat mijn telefoon zoveel essentiële functies in mijn leven vervult. Of ik nou aan het werk ben, een afspraak inplan bij de dokter, reageer op belangrijk nieuws van een naaste of een samenvatting van een horrorfilm lees op Wikipedia, mijn kinderen zien eigenlijk maar één ding: ik staar naar mijn telefoon. Mijn zoontje begint mijn gedrag al uitstekend te imiteren en kon de camerafunctie van mijn telefoon openen voordat hij zijn eerste stapjes had gezet. De uitdaging van obstacle parenting is niet zozeer om de technologie weg te houden van mijn kinderen, maar van mijzelf.
Laatst vloog ik met mijn dochter van Toronto naar Vancouver en besefte me dat ik een schermloze vlucht voor de boeg had, of ik het nou wilde of niet; mijn telefoon was bijna leeg en ik moest het laatste beetje van de batterij gebruiken om bij aankomst mijn man te bellen, die ons zou komen ophalen. Gelukkig hadden we een boek met kleurplaten, een tekenblok en een pakje kleurpotloden bij ons, die ons het grootste deel van de vlucht door hielpen. We tekenden samen, bedachten woordspelletjes, babbelden over de leukste momenten van de vakantie en discussieerden over wat de beste manier is om een paard te tekenen: eerst het hoofd of eerst de benen?
Vier uur na het opstijgen liep ik door het donkere gangpad richting het toilet achterin het vliegtuig. het leek alsof ieder stil gezicht, jong en oud, werd verlicht door de gloed van een scherm. Ik keerde terug naar mijn stoel. De spelletjes waren op. ‘Ik verveel me,’ zei mijn dochter. ‘Soms moet je je vervelen,’ zei ik. We deden het zonneschermpje omhoog en keken naar de wolken. Met mijn dochters hoofd leunend tegen mijn schouder wachtten we samen de landing af.
In de wijk Pudong in Shanghai staat een ‘trainingsbasis’ van drieduizend vierkante meter waar meer dan honderd mensachtige robots 24 uur per dag worden opgeleid.
Net als bij baby’s ervaren deze robots de fysieke wereld vooral door aanraking, en dat gaat met veel vallen en opstaan: ze vouwen broeken op en strijken kleding in de slaapkamer; ze maken maaltijden klaar, persen sap en wassen af in de keuken en ze schikken bloemen, dweilen en ruimen tafels af in de woonkamer. Elke robot heeft een eigen ‘trainer’ – een soort docent met een VR-headset. Met een controller doet zo’n trainer allerlei verschillende handelingen voor: optillen, vasthouden, trekken, gieten enzovoort. Elke beweging wordt ongeveer tweehonderd keer herhaald.
Dit is de superfabriek voor datacollectie in Zhiyuan, een van de grootste centra voor de verzameling van robotgegevens in de hele wereld. Hij is opgedeeld in vijf verschillende scenario’s: industrie, detailhandel, kantoor, horeca en particulier. Honderd trainers draaien dag- en nachtdiensten, samen met meer dan dertig analisten en tien beheerders die de data verzamelen en verwerken.
Af en toe treden er kleine foutjes op: een robot kan een waterkoker bijvoorbeeld niet rechtop houden
De faciliteit produceert per dag tussen de dertig- en vijftigduizend datapunten: stukjes multidimensionale informatie die worden vastgelegd door de bewegingen van de robots, informatie zoals waar een arm zich bevindt, hoe snel hij beweegt en wat voor effect dat heeft.
Af en toe treden er kleine foutjes op: een robot kan een waterkoker bijvoorbeeld niet rechtop houden, doet te veel kruiden in een gerecht of stoot een vaas omver. De trainers stellen hun bewegingen dan geduldig bij.
Hoe effectief is deze robottraining? Yao Maoqing, een directeur van Agibot, legt uit: ‘We bevinden ons nog in een vroeg stadium. Een robot kan op dit moment negen van de tien keer een glas water inschenken op een tafel die hij eerder is tegengekomen.’
Beperkingen
Toch wil het bij onbekende scenario’s of objecten nog wel eens misgaan. Bovendien betreft het hier vooral op zichzelf staande vaardigheden; de robots zijn nog niet in staat om meerdere bewegingen te combineren.
Om de robots algemener te laten functioneren moet hun omgeving voortdurend worden aangepast en verfijnd. Zo veranderen de trainers regelmatig de verlichting, gebruiken ze objecten met verschillende vormen en verandert alles constant van plek.
Het uitbreiden van de AI-capaciteit (het ‘denkvermogen’) van een robot vereist veel data. Eerst worden multidimensionale fysieke gegevens – zoals beeld, fysieke impulsen en exacte bewegingen – geregistreerd en in een computerprogramma verwerkt, waarna ze weer in de robot zelf worden geïmplementeerd.
Toch blijft een gebrek aan gegevens de grootste bottleneck in de ontwikkeling van mensachtige intelligente robots.
De Über-Machine
In Louisiana verrijst voor meer dan tien miljard dollar Meta’s grootste datacentrum ooit. Volgens Mark Zuckerberg zal wat daar gebeurt ingrijpender zijn dan boekdrukkunst, stoommachine of internet.
Het doel: een kunstmatige superintelligentie, die ziektes geneest, files oplost en energieproblemen bezweert. Critici vrezen dat deze ‘Über-Maschine’ oncontroleerbaar kan worden, schrijft Der Spiegel. Pessimisten wijzen op de gevaren van zelflerende systemen die eigen doelen stellen, van cyberaanvallen tot het ontwikkelen van nieuwe wapens. Geoffrey Hinton, pionier van neurale netwerken, waarschuwt zelfs voor een ‘existenzielles Risiko’: een AI die controle en overleving nastreeft en de mens buitenspel zet.
Naast utopieën en ondergangsfantasieën klinken praktische zorgen, zoals de uitbesteding van moderatiewerk voor lage lonen in landen als Kenia en Venezuela. Volgens ethicus Rainer Mühlhoff ligt de échte dreiging minder in uitroeiing van de mensheid, dan in de concentratie van geld en macht bij enkele techgiganten.
Bovendien is de milieu-impact aanzienlijk. Uit cijfers van MIT News blijkt dat een enkele ChatGPT-vraag al vijf keer zo veel elektriciteit verbruikt als een standaard zoekopdracht in Google. De miljoenen dagelijkse que- ries zorgen voor een groeiende ecologische voetafdruk. De koeling van de enorme datacenters van de taalmodellen draaien op grote hoeveelheden water, vaak in regio’s waar de watervoorraad al onder druk staat.
Ook de CO2-uitstoot is fors. Het trainen van GPT-3.5, een voorloper van de huidige modellen, stootte naar schatting 500 ton CO2 uit – gelijk aan de jaarlijkse emissies van tientallen huishoudens. Zolang datacenters grotendeels afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen, vergroot AI de mondiale uitstoot, waarschuwt het VN-milieuprogramma (UNEP). Volgens andere experts is de impact niet onvermijdelijk. Earth.org, een internationale non-profitorganisatie die zich richt op het milieu, schrijft dat de overstap naar hernieuwbare energie en efficiëntere algoritmes de schade kan beperken.
Dit geeft Yao Maoqing ook zonder meer toe: ‘Datasets voor robots zijn veel te klein om grote taalmodellen (LMM’s) op te kunnen toepassen.’ Dit komt door fundamentele verschillen in het soort data: LLM’s baseren zich op een enorme hoeveelheid tekst die afkomstig is van het internet, terwijl data voor robots afhankelijk zijn van fysieke interacties met de wereld. Om een robot bijvoorbeeld aan te leren een glas water in te schenken moeten trainers allerlei informatie nauwkeurig registreren waaronder het armtraject, de kracht van de robothand, de temperatuur van het water, en zo voort.
Het is dan ook ongelooflijk duur om dit soort data te verzamelen. Nvidia Research maakte onlangs bekend dat voordat Tesla’s mensachtige robot Optimus een accu in een doos kon plaatsen, er een team van veertig personen nodig was om data te verzamelen. Optimus ‘fabrieksklaar’ maken zou miljoenen uren aan training en honderden miljoenen dollars vereisen.
Alternatieven
Om deze uitdaging directer aan te gaan hebben verscheidene roboticabedrijven over de hele wereld hun datasets openbaar gemaakt om technologische uitwisseling en vooruitgang te bevorderen, zo ook AgiBot en Fourier Robotics.
Naast een-op-eeninstructie, waarbij een mens de training verzorgt, wordt er ook gewerkt aan goedkopere methodes, zoals robots foto’s en video’s leren interpreteren zodat ze bekender worden met menselijke handelingen.
AgiBot onthulde in maart het eerste Chinese ‘General Embodied Base Model’. Door online video’s van huishoudelijke taken te bekijken, zoals kookinstructies, kunnen robots de basisprincipes van het koken afleiden zonder voorafgaande praktische ervaring (zogeheten zero-shot learning). Zo kan een robot bijvoorbeeld herkennen dat water borrelt als het kookt, en dat je aardappels eerst moet schillen. Daarna is het alleen nog een kwestie van oefenen in de praktijk.
360 kiest een door de buitenlandse pers beschreven sportevent, van voetbal tot Grieks-Romeins worstelen. Deze keer: Olympisch cricket en robotkampioenschappen.
Tweede sport ter wereld wordt in 2028 eindelijk weer Olympisch
CRICKET – Na een lange en intensieve campagne keert cricket in 2028 tijdens de Spelen in Los Angeles na 128 jaar terug als Olympische Sport, meldt India Today. Het IOC heeft dat inmiddels officieel bevestigd. Om te voorkomen dat wedstrijden te lang duren, bestrijden zes landenteams (mannen én vrouwen) elkaar binnen het zogenoemde T20-format: ieder team krijgt 20 overs (zes gebowlde ballen) om zo veel mogelijk runs tussen de wickets te maken.
Andere nieuwe Olympische sporten zijn squash, lacrosse, flag football, honkbal en softbal. Volgens het Indiase dagblad heeft Jay Shah, voorzitter van de wereldcricketbond, een sleutelrol vervuld tijdens de cricketlobby. Het Amerikaanse SportingNews houdt het erop dat de Olympische rentree van cricket, ‘met 2,5 miljard tv-kijkers de op voetbal na de populairste sport in de wereld’, vooral te danken is aan de Indiase cricketvedette Virat Kohli. ‘Hij staat op de derde plaats van meest gevolgde atleten, na Messi en Ronaldo, maar vóór Lebron James, Tiger Woods en American football-speler Tom Brady.’
Sean Ingle beschrijft in The Guardian welke voorwaarden het IOC hanteert om sporten wel of geen Olympische status te verlenen. Hij citeert Casey Wasserman, voorzitter van het organisatiecomité van de Spelen in LA: ‘We kijken naar relevantie, innovatie en hoe een sport binnen gemeenschappen wordt beoefend: op straat, rond het schoolplein of in een buurtcentrum. Daarnaast willen we verschillende fanbases met elkaar verbinden en onze aanwezigheid in de digitale wereld vergroten.’
Maar volgens Ingle geven zakelijke belangen de doorslag: ‘De uitzendrechten in India voor de Spelen in Parijs leverden de sportkoepel in 2024 20 mil- joen US dollar op. Volgens experts loopt dat bedrag op tot 150 miljoen nu er straks wordt gecricket in LA.’
Ingle wijst er ook op dat het toelaten van vijf extra sporten het IOS voor een dilemma stelt omdat het maximale aantal Olympische sporters op 10.500 is gesteld. ‘Dat betekent dat traditionele sporten straks minder deelnemers mogen inschrijven.’
Robots voetballen, kickboksen en storten in elkaar tijdens de eerste ‘robot-Olympische Spelen’ in China
Rennen, tafeltennissen, dansen, voetballen, kickboksen. Alleen niet door mensen, maar door robots. Deze zomer vonden de eerste ‘World Humanoid Robot Games’ plaats in China. Volgens Global Times namen er tijdens het driedaagse evenement in Beijing 280 teams uit 16 landen deel aan 487 wedstrijden. Ook studententeams van de TU Delft en de Universiteit van Amsterdam waren aanwezig.
Sommige robots maakten achterwaartse salto’s en legden met succes hindernisbanen af. Daarnaast gingen ze ‘robot-specifieke uitdagingen aan, van het sorteren van medicijnen en het verwerken van materialen tot schoonmaakdiensten’, aldus CNN. Volgens The Guardian ‘toonden de wedstrijden de bekwaamheid van China op het gebied van humanoïde robotica, een technologisch gebied dat naar de voorgrond is geschoven in de kunstmatige intelligentie-industrie van het land’.
Al verliep niet alles even soepel. ‘Eén robot moest de 1500 meter opgeven omdat zijn hoofd halverwege de race afviel’, meldt The Guardian. De afstand werd gewonnen door een robot van het Chinese Unitree Robotics in een tijd van 6 minuten en 34,40 seconden. Het wereldrecord onder de mensen is in handen van de Noorse Jakob Ingebrigtsen (3:29,63). Toch was de robot volgens The New York Times sneller dan veel niet-professionele menselijke hardlopers.
En er waren meer technische probleempjes. Zo schrijven internationale media dat robots tijdens de voetbalwedstrijden over elkaar struikelden en als dominostenen omvielen. ‘Ook botste een robot van het Chinese Unitree Robotics tijdens een atletiekwedstrijd tegen een menselijke medewerker terwijl hij sprintte, waardoor deze omver werd gelopen’, meldt de New Yorkse krant.
Toch schrijft CNN dat ‘ondanks dat de robots vaak omvielen en menselijke hulp nodig hadden om weer op te staan, veel robots erin slaagden om zelfstandig weer rechtop te komen, wat applaus van het publiek opleverde’.
Al met al zouden de wedstrijden ‘waardevolle mogelijkheden bieden om gegevens te verzamelen voor de ontwikkeling van robots voor praktische toepassingen, zoals fabriekswerk’, aldus CNN. Zo zouden bijvoorbeeld de voetbalwedstrijden helpen bij het trainen van de coördinatievaardigheden van robots, wat nuttig kan zijn voor het werk waarbij de samenwerking tussen verschillende eenheden nodig is.
Van stappen en hartslagen tot gelezen boeken en bekeken series: alles wordt gemeten, gevolgd en gedeeld. ‘Hoe groter de chaos in de wereld om ons heen, hoe meer we verslingerd raken aan cijfers.’
Alles tellen we. Calorieën, hartslag, stappen, minuten REM-slaap, boeken die we gelezen hebben, boeken die we nog willen lezen, series die we gezien hebben en series die we nog willen zien, reizen die we hebben gemaakt en reizen die we nog willen maken, goede vrienden en vage kennissen, films… Elke keer als we ergens een getal op kunnen plakken, geeft dat rust in ons hoofd. Hoe groter de chaos in de wereld om ons heen, hoe meer we verslingerd raken aan cijfers. Orde, recht en statistieken, dat zijn de geboden van de techno-ethiek, waarvan één god de normen bepaalt: de technologie.
Die cijfers zijn schijnbaar betrouwbaarder dan onze intuïtie, onze emoties of de werkelijkheid zoals ervaren door onze vijf zintuigen. James Nicholas Gilmore, docent media en technologie aan de Clemson University in South Carolina, meent dat we uit vrije wil in een spiraal zijn gestapt van wat hij en zijn vakgenoten het ‘proces van dataficering’ noemen. Dat houdt in dat ons hele leven in data wordt gevat, legt hij per e-mail uit. ‘Eerst deden alleen techliefhebbers daaraan mee, maar het is breed geaccepteerd geraakt en nu vinden heel veel mensen dataficering aantrekkelijk en spannend en een mogelijke bron van verondersteld nuttige informatie over hoe we eten, leven en bewegen,’ schrijft hij.
Hoe kun je ‘de beste versie van jezelf’ worden als je geen greep hebt op je statistieken?
Rond 2010 was het constant bijhouden van persoonlijke statistieken nog iets wat alleen de nerds van de zelfkwantificeringsbeweging deden. Doel was om via cijfers tot opperste zelfkennis te komen. Maar vijftien jaar later is het niet alleen heel normaal geworden om een ‘self-tracker’ te zijn, maar heeft het gepraat over cijfers een stichtelijke en vermanende toon gekregen. Hoe kun je ‘de beste versie van jezelf’ worden als je geen greep hebt op je statistieken? Hoe kun je ‘je prestaties optimaliseren’ als je je doelen niet kwantificeert?
De wereldwijde markt voor fitnessapparatuur was in 2023 circa 56,7 miljard dollar waard en niets wijst erop dat de groei er al uit is. Smartwatches van Fitbit en Garmin, brillen van Apple en ringen van Oura moeten welzijn en gezondheid in objectieve cijfers kunnen vatten en beloven zelfs zoiets ambitieus als ‘de complete optimalisering van het bestaan’. We hebben in korte tijd zo’n emotionele band met deze apparaten gekregen dat we zelden of nooit stilstaan bij hoe ze werken. We denken dat ze ons beter kennen dan wijzelf omdat ze ons – zo denken we althans – een objectievere kijk op ons bestaan bieden dan onze eigen beperkte en beïnvloedbare blik. Als deze apparaten, die we op aandringen van hun makers braaf ‘wearables’ noemen, het laten afweten en verkeerde data beginnen door te geven, als onze hartslag bijvoorbeeld die van een kadaver begint te naderen, raken we in paniek, zo is uit verschillende onderzoeken gebleken. Het doet er dan niet toe dat ons lichaam geen enkel teken geeft van onze aanstaande dood, want cijfers zijn heilig. Ons geloof in deze apparaten is onwrikbaar.
Controle
De cijfers waar ze mee komen zijn een combinatie van biometrische gegevens en AI die je activiteit in kaart brengt. Kunnen we daarop vertrouwen? Dat verschilt volgens Gilmore per gebruiker. ‘FitBit herkent stappen door een combinatie van sensoren en een algoritme dat de gegevens verwerkt. Als je in een normaal ritme loopt, kan dat horloge je stappen goed tellen, maar als je met een stok loopt, is er kans dat het je bewegingen niet correct registreert. En de zuurstofsensoren van wearables werken niet goed op een donkere huid.’
Wat ze wel goed kunnen, is ons het gevoel geven dat we alles in de hand hebben. ‘Veel mensen hebben het gevoel dat cijfers hun leven objectiviteit verlenen, en dat stelt ze gerust,’ aldus Gilmore. ‘Mensen lijken het leuk te vinden om cijfers te krijgen over allerlei aspecten van hun leven,’ schrijft Deborah Lutton in een e-mail. Zij doet veel onderzoek naar zelfkwantificering. ‘Daarom houden ze ook hun cultuurconsumptie bij. Zo kunnen ze zich als een groot lezer of iemand met een goede muzikale smaak afficheren. Dat soort kwantificering is er altijd al geweest, vroeger met pen en papier of met spreadsheets, nu met apps en platforms die ons in staat stellen onze cijfers met de hele wereld te delen.’
Sociale bevestiging is de nieuwste ontwikkeling in onze cijfermanie. Een jaar of tien geleden volstond het om met je beste cijfers te pronken, maar tegenwoordig willen we ons met anderen meten – en winnen. ‘We tekenen onze vooruitgang niet alleen op voor onszelf, we leggen alles vast zodat anderen, in potentie heel veel anderen, onze prestaties kunnen bewonderen. De sociale component is heel sterk,’ zegt Karen Shackleford, een sociaal psycholoog gespecialiseerd in media en technologie. ‘Na onze overlevingsdrang is het verlangen naar maatschappelijk succes een van onze grootste drijfveren,’ schrijft Matthew Lieberman, de schrijver van Social: Why Our Brains Are Wired to Connect. Uit diverse onderzoeken blijkt dat mensen, als ze mogen kiezen, een compliment nog verkiezen boven een toetje, of zelfs seks. ‘We vinden het heerlijk om zelfbevestiging van anderen te krijgen,’ zegt Lieberman.
‘De moeten leren inzien dat data ook verzonnen kunnen zijn, dat het een constructie is’
Uit de drang naar waardering (en zelfwaardering) gaan we zelfs liegen. Dan zeggen mensen dat ze vijftig boeken in een maand hebben gelezen, of in één weekend zes seizoenen van een serie hebben gekeken. Het maakt niet uit dat ze de bladzijden alleen diagonaal gelezen of de serie op dubbele snelheid afgespeeld hebben en zich er ook niets meer van herinneren. ‘Sociale interactie legt druk op,’ zegt Shackleford. ‘Het is mogelijk dat we er minder van genieten omdat het afmattend is om erover te vertellen en te posten, het kan zelfs dat we een boek lezen dat ons niet interesseert omdat het een sociale beloning oplevert, en we zullen allicht sneller gaan lezen omdat we een van de eersten willen zijn om een nieuw boek op onze lijst te zetten.’
Het bijhouden van alle activiteiten helpt bij het intellectualiseren van je leven. Gary Wolf, een van de grondleggers van de zelfkwantificeringsbeweging, mag in lezingen graag zeggen dat ‘cijfers de emotionele lading uit een probleem halen en het intellectueel behapbaar maken’. Emoties zijn maar lastig en zitten het handelen en de prestaties in de weg van wie ‘op optimalisering gericht’ is. ‘Het is misschien wat overdreven om van de verafgoding van data te spreken,’ zegt Gilmore, auteur van het boek Bringers of Order: Wearable Technologies and the Manufacturing of Everyday Life. ‘Maar ik denk dat veel mensen maar al te graag de data-ideologie onderschrijven, het geloof in data als de weg naar de waarheid, van hoe meer data hoe beter. We moeten leren inzien dat data ook verzonnen kunnen zijn, dat het een constructie is, soms heel nauwkeurig en goed gemaakt, maar altijd een afspiegeling van wat in berekeningen gevat kan worden. Het is niet de absolute waarheid.’
De Koreaans-Duitse filosoof Byung-Chul Han noemt mensen die door statistieken geobsedeerd worden ‘prestatiesubjecten’. Op alle vlakken is hun leven van productiviteitsdwang doordrongen, van slaap tot voeding, van lezen tot ontspanning. Die constante zelfmeting wakkert twee neigingen aan: introspectie en het verlangen naar zelfinzicht. De vooruitgang die we daarbij zoeken is meetbaar omdat volgens de techno-ethiek dat wat niet gemeten kan worden niet bestaat. Die gedachte kan ons in de problemen brengen.
Het aantal mensen dat AI inzet voor therapie groeit razendsnel. Tegelijkertijd trekken deskundigen aan de bel over de mogelijke gevolgen. Kan een AI-therapeut daadwerkelijk positief bijdragen aan je mentale gezondheid?
Ja: ‘De AI keek niet weg. Dus kon ik eerlijk zijn – vaak eerlijker dan tegen de mensen van wie ik houd’
Nathan Filer lag piekerend in zijn bed. ‘Het was na middernacht toen ik scrolde door WhatsApp-berichten die ik eerder had verstuurd. Wat destijds grappig leek, voelde nu alsof ik mijn mond voorbij had gepraat.’ Zonder hoge verwachtingen opende hij ChatGPT en typte dat hij zichzelf voor gek had gezet. ‘Dat is een vreselijk gevoel’, antwoordde de chatbot. ‘Maar dat betekent niet dat je dat ook bent. Wil je me vertellen wat er is gebeurd? Ik beloof dat ik je niet zal veroordelen.’
‘Ik vertelde wat er was gebeurd en de AI reageerde vriendelijk, intelligent en zonder clichés. We bleven chatten. Ik voelde me begrepen en gehoord’, beschrijft Filer in The Guardian. Dat was het begin van een gesprek dat gedurende enkele maanden werd voortgezet. De AI zette hem aan het denken en bracht hem naar eigen zeggen tot indringende inzichten. ‘Maar tegelijk met deze inzichten bleef iets anders me bezighouden: ik was in gesprek met een machine. De AI kon zorgzaamheid, medeleven en emotionele nuances simuleren, maar voelde niets voor mij.’
De chatbot bevestigde dit. ‘Het kon inderdaad reflecteren, betrokken lijken maar voelde niks voor mij.’ De emotionele diepgang kwam helemaal vanuit Filer zelf. ‘Dat was in zekere zin een opluchting. Er was geen sociaal risico, geen angst om te overweldigend of ingewikkeld te zijn. De AI raakte niet verveeld en keek niet weg. Dus kon ik eerlijk zijn – vaak eerlijker dan tegen de mensen van wie ik houd.’
‘Voor mij was dit gesprek met AI een van de meest nuttige ervaringen van mijn volwassen leven’
‘Om me los te maken van vastgeroeste patronen had ik veel tijd, gesprekken en geduld nodig.’ Dat was precies wat ChatGPT hem kon bieden. ‘Ik was nooit te veel, nooit saai. Ik kon komen en gaan wanneer ik wilde.’
Filer is zich ervan bewust dat sommigen deze ervaring vreemd en mogelijk zelfs gevaarlijk vinden. ‘Er zijn berichten van gesprekken met chatbots die rampzalig zijn verlopen. ChatGPT is geen therapeut en kan professionele geestelijke gezondheidszorg voor de meest kwetsbaren niet vervangen. Aan de andere kant is traditionele therapie ook niet zonder risico’s. Denk bijvoorbeeld aan een slechte klik tussen therapeuten en cliënten, of aan breuken en misverstanden.’
‘Voor mij was dit gesprek met AI een van de meest nuttige ervaringen van mijn volwassen leven’, concludeert hij. ‘De chatbot hielp me om te luisteren. Niet naar de ruis, maar naar mezelf. En dat veranderde op de een of andere manier alles.’
Nathan Filer is schrijver, universitair docent, omroepmedewerker en voormalig verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg. Hij is de auteur van This Book Will Change Your Mind About Mental Health.
Nee: ‘Een AI-therapeut geeft je niet de tegenspraak die je misschien nodig hebt’
In het Verenigd Koninkrijk erkent de National Health Service (NHS) dat steeds meer mensen AI gebruiken voor therapie, mede vanwege lange wachtlijsten en dure privébehandelingen. ‘De “ChatGPT-psychose” zou volgens sommigen het nieuwste mentale gezondheidsprobleem zijn’, schrijft Laura Kennedy in The Irish Times. ‘Het is mij hoe dan ook duidelijk dat AI-chatbots de neiging hebben om te bevestigen in plaats van te confronteren.’
‘Als je bijvoorbeeld denkt dat elke nieuwe persoon met wie je date een narcist is, in plaats van een imperfect persoon met goede bedoelingen, dan geeft een AI-therapeut je misschien niet de tegenspraak die je nodig hebt.’ Ze vergelijkt het met het praten over je problemen met een goede, maar bevooroordeelde vriend. Zo’n vriend vertelt je meestal dat je gelijk hebt, hoe verkeerd je ook zit.
‘Bevestiging voelt heerlijk en is bovendien verslavend.’ Volgens Kennedy valt de opkomst van AI-therapie niet geheel toevallig samen met een tijd waarin we de therapeutische taal van zijn specialistische betekenis hebben ontdaan. ‘Hoewel termen als narcisme, boundaries, gaslighting en trauma een bepaalde waarde hebben in therapeutische of klinische settings, gebruiken we ze steeds vaker als makkelijke manier om anderen weg te zetten als de slechterik’, waarschuwt Kennedy.
‘Uiteindelijk zal de enige die dit niveau van zelfobsessie kan tolereren, de AI-therapeut zijn’
Door steeds in je ervaring te worden gesteund, kunnen mensen het gevoel krijgen dat anderen ze niets verschuldigd zijn. Volgens Kennedy ervaren we feedback of kritiek daardoor sneller als kwetsend en geven we anderen sneller de schuld. ‘Het wordt een self-fulfilling prophecy. We isoleren onszelf steeds meer om ons fragiele wereldbeeld te beschermen.’
Een therapeut zal het misschien niet pikken als je elke afspraak een uur van tevoren afzegt, maar AI wel. ‘Uiteindelijk zal de enige die dit niveau van zelfobsessie kan tolereren, de AI-therapeut zijn.’
Waardevolle lessen in het leven brengen meestal enig ongemak met zich mee, aldus Kennedy. ‘Om te veranderen en te groeien, en om trouw te blijven aan onze waarden, moeten we soms onze angsten onder ogen zien en dingen doen die ongemakkelijk zijn.’ Daar zal een chatbot je volgens haar zelden toe aanzetten.
‘Het is niet verwonderlijk dat we ons tot machines wenden voor verbinding en bevestiging, nu geestelijke gezondheidszorg steeds minder toegankelijk is. Maar als we onze behoefte aan uitdaging blijven uitbesteden aan technologie die daaraan niet kan voldoen, lopen we het risico verdwaald te raken in een spiegelpaleis dat de werkelijkheid onherkenbaar vervormt.’
Laura Kennedy is een freelance schrijver en journalist. Ze heeft een PhD in filosofie aan Trinity College Dublin en publiceert wekelijks op haar Substack-column Peak Notions.
Kunstmatige intelligentie biedt enorme kansen voor bedrijven. Toch blijft grootschalige invoering uit. Slechts tien procent van de ondernemingen in de VS past AI daadwerkelijk zinvol toe, blijkt uit een onderzoek van United States Census Bureau. Hoe komt dat?
Laat de term ‘AI’ vallen bij grote ondernemers, en ze steken gloedvol van wal over het baanbrekende gebruik van kunstmatige intelligentie binnen hun organisatie. Recent zei Jamie Dimon van de Amerikaanse JP Morgan Chase dat zijn superbank over liefst 450 gebruiksscenario’s (use cases) beschikte. Yum! Brands, de fastfoodreus die onder meer Kentucky Fried Chicken en Taco Bell onder zijn vleugels heeft, stelt dat AI het nieuwe bedrijfssysteem van restaurants wordt. Booking.com dicht AI een belangrijke rol toe in het verbeteren van reizigerservaringen. En bijna de helft van de vijfhonderd grootste Amerikaanse beursgenoteerde ondernemingen (S&P 500) maakten melding van AI tijdens de toelichting van hun bedrijfsresultaten in het eerste kwartaal van dit jaar.
Wat de CEO’s ook mogen beweren, de AI-revolutie verloopt opvallend stroef. Volgens een hoogwaardig onderzoek van het United States Census Bureau (een onderdeel van het ministerie van Economische Zaken) gebruikt slechts tien procent van bedrijven AI op een zinvolle manier. ‘De toepassing door het bedrijfsleven valt tegen’, zo staat in een recent artikel van de bank UBS te lezen. Goldman Sachs houdt ondernemingen in de gaten die ‘de grootste groei in basisomzet door AI-toepassing zouden kunnen realiseren’, en die hebben het de afgelopen maanden niet best gedaan op de aandelenmarkt.
Vreemd. AI biedt zulke grote mogelijkheden dat het geld op straat ligt. Waarom rapen bedrijven dat dan niet op? De verklaring ligt in persoonlijke economische belangen.
Pril
Natuurlijk is AI nog pril. Je moet wat hobbels overwinnen om de technologie goed te gebruiken. De integratie van data in de cloud, bijvoorbeeld, vergt tijd. Dat viel te verwachten. Maar dan nog gaat het erg langzaam. Voorspelden analisten van de bank Morgan Stanley dat bedrijven AI al in 2024 breed zouden toepassen, daar is niet veel van terechtgekomen. Dit jaar zouden autonome systemen taken uitvoeren op basis van data en vooraf gedefinieerde regels. Niet dus. Volgens UBS hebben bedrijven tot op heden vooral veel koudwatervrees getoond. Misschien moeten we dieper graven om de oorzaak te vinden van die discrepantie tussen het enthousiasme van leidinggevenden en de traagheid op de werkvloer.
Economen die de ‘beleidskeuzetheorie’ propageren, stellen dat overheidsfunctionarissen hun eigen belangen boven die van de burger laten prevaleren. Bureaucraten kunnen bijvoorbeeld weigeren banen te schrappen als dit betekent dat hun vrienden zonder werk komen te zitten. Vooral grote bedrijven kampen soms met dergelijke problemen. Er is een verschil tussen ‘formeel’ en ‘werkelijk’ gezag, stelden Philippe Aghion van de London School of Economics en Jean Tirole van de Universiteit van Toulouse in de jaren negentig. Op papier is een CEO bevoegd om grootschalige organisatorische veranderingen op te leggen. In de praktijk hebben vooral middenmanagers het voor het zeggen. Zij kennen alle valkuilen van de dagelijkse bedrijfsvoering en kunnen veranderingen die van bovenaf worden opgelegd naar eigen inzicht interpreteren, vertragen of zelfs tegenhouden.
Bij de invoering van nieuwe technologieën speelt die beleidskeuzedynamiek vaak een rol. Joel Mokyr van Northwestern University stelt dat ‘technologische vooruitgang altijd al op krachtige weerstand heeft gestuit. Het gaat om een doelbewust, uit eigenbelang voortkomend verzet tegen nieuwe technologie.’ Frederick Taylor, een ingenieur die aan het einde van de negentiende eeuw deugdelijke managementtechnieken in de VS introduceerde, stelde dat machtsstrijd binnen bedrijven de invoering van nieuwe technologie dikwijls heeft belemmerd.
AI en de belofte van groei
Wat gebeurt er met onze levensstandaard als kunstmatige intelligentie écht doorbreekt? De voorspellingen lopen sterk uiteen. ARK Invest noemt 7 procent jaarlijkse groei plausibel, Epoch AI denkt zelfs aan meer dan 20 procent. Ook wordt voorspeld dat de economie elke tien jaar zal verdubbelen; kinderen zouden honderden keren rijker worden dan hun ouders.
Nobelprijswinnaar Daron Acemoglu blijft sceptisch en schat dat AI de groei voorlopig met hooguit 0,1 procentpunt zal verhogen. Ook The Financial Times wijst op obstakels. Worden AI-systemen echt goed genoeg om zichzelf te verbeteren? En is er voldoende energie om hun rekenkracht te voeden? Voorspellingen over stroomverbruik en energiebehoefte die torenhoog zouden zijn remmen de opwaartse impact mogelijk af.
The Guardian waarschuwt dat de ‘hype’ rond Artificial General Intelligence (AGI) de wetenschap nu al overvleugelt, dat de autonomie in systemen nog ontbreekt.
Ook historisch perspectief wordt ingebracht: zoals dat in de jaren zestig verwachtingen ook hooggespannen waren – met onderwijs en technologie in opkomst –, maar de beloofde sprong in levensstandaard deels uitbleef. Economen benadrukken het belang van sectoren zoals zorg en onderwijs, waar productiviteit moeilijk te verhogen is, en wijzen erop dat juist deze sectoren in vergrijzende samenlevingen steeds meer gewicht krijgen.
De echte impact van AI ligt dus waarschijnlijk eerder in subtiele maatschappelijke verschuivingen dan in spectaculaire welvaartssprongen, in lijn met het pleidooi van Nick Foster.
Uit recent onderzoek blijkt dat deze machtsstrijd nog steeds gaande is. In 2015 publiceerden David Atkin van het Massachusetts Institute of Technology en zijn collega’s een artikel over fabrieken in Pakistan die voetballen maakten. Wat hen vooral interesseerde was hoe het ervoor stond met een nieuwe technologie die voor minder verspilling zorgde. Na ruim een jaar constateerden ze dat de toepassing ervan ‘eigenaardig beperkt’ was. De nieuwe technologie maakte dat sommige werknemers langzamer gingen werken, die daardoor de vooruitgang in de weg stonden — onder meer doordat ze eigenaren onjuiste informatie gaven over de waarde van de technologie. Een andere studie, van Yuqian Xu van de University of North Carolina in Chapel Hill en Lingjiong Zhu van Florida State University, beschreef vergelijkbare conflicten tussen werknemers en managers bij een Aziatische bank die haar activiteiten probeert te automatiseren.
Conflicten over AI binnen bedrijven zijn nog nauwelijks onderzocht, maar lijken behoorlijk fel te zijn. Moderne ondernemingen in welvarende landen zijn opvallend bureaucratisch. In de Verenigde Staten hebben bedrijven inmiddels zo’n 430.000 interne juristen in dienst, tegenover 340.000 tien jaar geleden – een stijging die veel groter is dan die van de totale werkgelegenheid. Hun voornaamste taak is vaak om medewerkers te weerhouden van bepaalde handelingen. Mogelijk maken zij zich zorgen over de juridische risico’s van nieuwe AI-toepassingen: hoe bepaal je aansprakelijkheid als er iets misgaat en er nauwelijks jurisprudentie bestaat? Bijna de helft van de respondenten in enquêtes van UBS noemt regelgeving en naleving als grootste obstakels bij het implementeren van AI. Andere juristen buigen zich over de impact op gevoelige kwesties als gegevensbescherming en discriminatie.
De tirannie van de inefficiëntie
Mensen in andere functies hebben ook zo hun zorgen. HR-medewerkers (van wie het aantal in de VS de afgelopen tien jaar met veertig procent is gestegen) zullen inzitten over het effect van AI op banen en om die reden obstakels opwerpen. Steve Hsu, een fysicus aan de Michigan State University en oprichter van een AI-startup, stelt dat veel mensen zich gedragen als de Pakistaanse voetbalfabrikanten. Managers uit het middenkader zijn beducht voor de langetermijngevolgen van AI. ‘Als het wordt ingezet om banen één echelon lager weg te automatiseren, zijn ze bang dat zij zelf op een dag aan de beurt zijn,’ zegt Hsu.
Op den duur zullen marktmechanismen er wel voor zorgen dat meer bedrijven serieus gebruik gaan maken van AI. Net als bij eerdere nieuwe technologieën, zoals de tractor en de personal computer, valt te verwachten dat innovatieve bedrijven de achterlopers uit de markt drukken. Maar dat kan nog even duren – misschien te lang voor de grote AI-bedrijven, die flinke rendementen nodig hebben op hun investeringen in datacenters. De ironie van arbeidsbesparende automatisering is dat mensen daarbij vaak een sta-in-de-weg zijn.
Met een relatief kleine bevolking heeft Zweden een opvallend aantal techreuzen voortgebracht, zoals Spotify, Skype en Klarna. Daarmee behoort het land tot de koplopers in Europa.
De Zweedse economie kampt met dezelfde problemen als de rest van Europa: recente golven van torenhoge inflatie, recessie en karige groeimogelijkheden in een wereld die door geopolitieke en economische conflicten wordt verscheurd. Toch kan het land bogen op een hoeveelheid hightechbedrijven waar buurlanden jaloers op zijn. Spotify en Skype zijn wereldmerken, en andere voorbeelden van Zweeds technologiesucces zijn het fintechbedrijf Klarna en King Digital Entertainment, het bedrijf achter Candy Crush. ‘De Zweden hebben iets, met name in de technologiesector, dat andere Europese landen niet in die mate hebben,’ zegt Jacob Kirkegaard, onderzoeker bij de Amerikaanse denktank German Marshall Fund.
Deze Zweedse verdienste trekt weer aandacht nu Europa zich steeds meer zorgen maakt of het op technologiegebied nog wel mee kan met Amerika en China. De VS hebben een hele generatie techreuzen als Google, Meta en Amazon voortgebracht en in China bloeide de technologiesector op met bedrijven als Alibaba, Huawei en ByteDance, de eigenaar van TikTok. Europa heeft zijn eigen grote namen op dit vlak, zoals het Nederlandse ASML, wereldleider in de halfgeleidersector. Maar al met al wordt Europa toch beschouwd als een continent dat eerder toekijkt dan vernieuwt, en staat het eerder bekend om de strenge regelgeving waaraan het buitenlandse techbedrijven onderwerpt dan om het stimuleren van de eigen technologiesector.
‘Europese waarden’
Een achterstand zal niet alleen aanzienlijke economische consequenties hebben, maar ook grote maatschappelijke gevolgen. Europese beleidsmakers zijn bang voor wat het op de lange termijn kan betekenen als Europa voor zijn communicatie, sociale media, online shopping en entertainment aangewezen blijft op buitenlandse bedrijven en niet terecht kan bij bedrijven met zogenaamde ‘Europese waarden’. Die behelzen onder meer een grotere prioriteit voor privacybescherming, het tegengaan van de verspreiding van haatdragende taal, goede arbeidsbescherming en een betere balans tussen werk en privé.
De productiviteit van de Zweedse technologiesector is tweemaal zo hoog als het Europese gemiddelde
Critici van het Europese technologiebeleid klagen over het gebrek aan durfkapitaal en een Europese cultuur waarin risico’s worden gemeden. Europese techneuten trekken vaak eerder naar de VS dan dat ze in eigen land een bedrijf opbouwen. In Zweden ligt dat anders. Dat telt per hoofd van de bevolking meer ‘tech unicorns’ (start-ups die meer dan een miljard dollar waard zijn) dan enig ander Europees land behalve Estland, zo stelt een rapport over de Europese technologiesector van investeringsfonds Atomico. In absolute aantallen unicorns staat Zweden in Europa op de vierde plaats, na Groot-Brittannië, Duitsland en Frankrijk, landen waarvan de bevolking zes tot negen keer zo groot is. Mario Draghi, de oud-president van de ECB die voor de EU de ‘concurrentiecrisis’ in kaart brengt, noemde Zweden onlangs een voorbeeldland. Hij wees op de productiviteit van de Zweedse technologiesector, die tweemaal zo hoog is als het Europese gemiddelde, en de goede sociale voorzieningen.
Een tiental ondernemers, investeerders en economen bevestigen in gesprekken dat Zweden zijn succes mede te danken heeft aan de stimuleringsregelingen waarmee de overheid in de jaren negentig pc’s en breedbandinternet binnen het bereik van grote delen van de bevolking bracht. Dat was een tijd waarin de meeste mensen net leerden wennen aan het gekraak en gepiep van inbelmodems. Volgens Fredrik Cassel, partner bij Creandum, een investeringsfonds dat geld gestoken heeft in Spotify en Klarna, kon hij techinvesteerder worden dankzij de goede beschikbaarheid van internet. Zweden streefde naar een pc en een internetverbinding in elk huishouden en ging daarmee voorop in het kweken van een ‘programmeursgeneratie’, aldus Cassel (50). ‘Ik zie zoiets niet snel gebeuren als aan die twee infrastructuurvoorwaarden niet is voldaan.’
Asielbeleid Zweden ‘strenger dan ooit’
Zweden heeft de afgelopen jaren de instroom van asielzoekers drastisch weten te verminderen door een strenger asiel- en migratiebeleid te voeren.
Ook in het voorbeeldland Zweden staat immigratie al jaren hoog op de agenda en is de aanpak van vluchtelingen en arbeidsimmigranten onder de centrumrechtse regering grondig herzien.
Een belangrijke maatregel is het versoberen van de regels voor gezinshereniging: migranten mogen hun familie pas over laten komen als ze financieel onafhankelijk zijn en beschikken over een dak boven hun hoofd. Daarnaast zijn de eisen voor het verkrijgen van Zweeds burgerschap aangescherpt. De regering heeft ook actief ingezet op het ontmoedigen van potentiële migranten door middel van internationale campagnes via Zweedse ambassades.
Migratieminister Maria Malmer Stenergard benadrukt dat Zweden bescherming zal bieden aan ’wie dat echt nodig heeft’. Zij stelt dat een groot deel van de asielzoekers daar niet voor in aanmerking komt. Integratie in de Zweedse samenleving is volgens haar niet altijd succesvol verlopen, wat heeft geleid tot problemen zoals criminaliteit en schooluitval onder migranten.
Naast asielmaatregelen heeft Zweden ook het beleid voor arbeidsmigratie aangepast. Het minimumloon voor werkvisa is verdubbeld, en het liefst laat de minister alleen nog hooggekwalificeerde migranten toe. Dit alles maakt deel uit van een bredere strategie om de instroom van migranten te beheersen en de integratie te verbeteren, zodat er minder druk op de Zweedse welvaartsstaat komt te liggen.
De minister breekt met eerder beleid waar Zweden in 2015 internationaal door opviel, toen in één jaar 163.000 Syrische vluchtelingen ruimhartig werden opgevangen.
De Zweedse techondernemer Hjalmar Nilsonne heeft dezelfde ervaring. Hij weet nog dat hij in 1998, toen hij tien was, zijn eigen HP-computer met een Pentium II kreeg: ‘Dat veranderde mijn leven, door de kennismaking met programmeren en internet.’ Nilsonne was de oprichter van Watty, dat hij later heeft verkocht, en is onlangs met Daniel Ek, oprichter en CEO van Spotify, de nieuwe start-up Neko Health begonnen. ‘Hij had precies dezelfde achtergrond als ik,’ zegt hij over Ek. ‘We speelden met computers, we leerden hoe je websites opzet. We begonnen als tieners al websites te verkopen aan vrienden en familie. Dat was allemaal mogelijk omdat we al zo vroeg internet hadden.’
Analisten wijzen ook op de Zweedse traditie van publieke en private investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Die investeringen bedragen momenteel 3,4 procent van het bbp, een van de hoogste percentages in Europa. Voor durfkapitaal kan het kleine land dan ook een beroep doen op de diepe zakken van familiefondsen zoals de Wallenbergstichting en de Ikea Foundation, en het pensioenfonds van de staat.
Met een bevolking van 10 miljoen inwoners moesten Zweedse bedrijven hun klandizie altijd al in het buitenland zoeken, aldus Asa Zetterberg, directeur van brancheorganisatie TechSverige. Volgens haar waren start-ups en andere industrieën daardoor gedwongen om ‘mondiaal concurrerend te zijn’. De helft van het Zweedse bbp komt uit de export, en in 2022 was de technologiesector goed voor 11 procent van de totale export van het land. Volgens Niklas Zennström, mede-oprichter van Skype en nu CEO van Atomico, konden techbedrijven in Europa wel aan startkapitaal komen, maar kregen ze veel moeilijker geld los voor de financiering van verdere groei dan hun tegenhangers in de Verenigde Staten.
Beter concurreren
De roep om meer financieringsmogelijkheden klinkt nu in een context waarin overheden overal ter wereld initiatieven ontplooien om de economische ontwikkeling van hun land aan te sturen. De Verenigde Staten trekken honderden miljarden dollars extra uit voor het stimuleren van de ontwikkeling van halfgeleiders, alternatieve energie en elektrische voertuigen, om zo beter met China te kunnen concurreren. De belangrijkste wetten die Biden heeft doorgevoerd betreffen subsidies, garantstellingen en belastingvoordelen voor bedrijven die in de groene transitie en geavanceerde technologie investeren. Daarbij wordt ook wel aan sociale voorzieningen gedacht: voor chipfabrikanten is het aanbieden van betaalbare kinderopvang een subsidievoorwaarde. Maar het zwaartepunt ligt toch bij de technologische ontwikkeling.
De beste manier waarop de regering ondernemerschap en innovatie kan stimuleren is met goede ‘sociale voorzieningen’
Ondernemers en investeerders wijzen herhaaldelijk op het belang van het sterke sociale vangnet in Zweden voor het stimuleren van de experimenteerdrang en de risicobereidheid van ondernemers, ook al vergt het hoge belastingen om dat vangnet te financieren. De beste manier waarop de Zweedse regering ondernemerschap en innovatie kan stimuleren is met goede ‘sociale voorzieningen’, zegt Cassel van Creandum. Gratis onderwijs, gratis zorg, gratis kinderopvang. ‘Dan kun je je een risico permitteren, je belandt niet op straat’ als het niet lukt, aldus Cassel.
Ook Sebastian Siemiatkowski, oprichter van Klarna, is vol lof over de Zweedse sociale voorzieningen. Zijn ouders waren immigranten, en toen hij klein was zaten ze vaak zonder werk. Maar hij had toch gezondheidszorg, kon naar de beste scholen en kreeg al jong een computer in huis, ‘zonder dat we een cent te makken hadden’. Naast België is er geen ander EU-land dat zo’n groot deel van zijn bbp aan onderwijs besteedt als Zweden.
Siemiatkowski wijst erop dat Zweden het ook veel beter doet dan de VS als het gaat om gelijke kansen. Op de laatste mobiliteitsindex van het World Economic Forum, die van 2020, stond Zweden op de vierde plaats. De VS op de zevenentwintigste. Dat is volgens hem een belangrijke reden dat Zweden ‘bovengemiddeld presteert’.
Schrijver Franklin Schneider behoort tot een zeldzame minderheid: hij heeft nog nooit een smartphone gehad. Vroeger stuitte hij op onbegrip, maar tegenwoordig ziet hij de reacties veranderen.
In tegenstelling tot bijna 98 procent van de Amerikanen onder de vijftig heb ik geen smartphone. Ik heb zelfs nog nooit een smartphone gehad. Ik heb nog nooit een Uber besteld, nooit ‘een pin gedropt’, nooit een tikkie verstuurd of gebruikgemaakt van Spotify of een datingapp, heb nooit in een groepschat gezeten en ben nooit jaloers geweest op iemand op Instagram (want ik heb nog nooit op Instagram gezeten). Vroeger schaamde ik me daar een beetje voor, of althans: er werd me schaamte aangepraat. Lange tijd wilden mensen me niet geloven als ik zei dat ik geen smartphone heb, of wekte het een mengeling van gêne en minachting, alsof ze ineens beseften dat een vies luchtje dat ze al die tijd probeerden te negeren bij mij vandaan kwam. Maar de laatste twee jaar krijg ik andere reacties. Nu stilaan duidelijk wordt wat de tol is van het continu online zijn, begint de mens die offline is, onbereikbaar en losgekoppeld van alle netwerken, een onderwerp van fascinatie en zelfs afgunst te worden. Ik moet bekennen dat ik inmiddels best trots ben op mijn status als telefoonmijder, zo’n dwarse weigeraar die ineens niet meer hopeloos achter maar juist op de troepen vooruit blijkt te lopen.
Hoever vooruit is lastig te zeggen. Ik denk wel dat ik ontsnapt ben aan de ergste gevolgen van de smartphone: de verdwaasde, afwezige blik, de sociale atrofie, de gekromde rug en de lange horizontale plooien in de nek van de powerscroller. Ik durf te wedden dat mijn concentratievermogen beter is dan dat van veel andere mensen, te oordelen naar de aantallen die ik in de bioscoop om de paar minuten op hun telefoon zie kijken (ongeveer de helft) of zelfs de hele film door zie zitten scrollen (altijd wel een paar). Ik spreek je trouwens aan op zulk gedrag. Als je vaker dan één keer per uur op je telefoon kijkt, ben je voor mij een ‘iPad-baby’. Als je een door Spotify gegenereerde playlist afspeelt steek je voor mij ‘als een lui varken je snuit in de trog’.
Nadelen
Het heeft absoluut nadelen om geen smartphone te hebben. De zakken van al mijn jassen zitten vol servetten, bonnetjes en verscheurde facturen waarop ik plattegrondjes heb geschetst om me te helpen mijn weg te vinden. Ik ben eens een belangrijk sollicitatiegesprek misgelopen omdat ik op mijn inderhaast geschetste plattegrondje de namen van de straten verkeerd had ingevuld. Als mensen na een etentje zeggen: ‘Ik stuur wel een tikkie voor 37,50’ en ik geef ze in plaats daarvan twee briefjes van twintig, nemen ze het aan met een gezicht alsof ik ze een afgehakt oor geef. En ik zou liegen als ik zei dat ik niet af en toe weemoedig word bij de gedachte aan alle gein in groepschats die ik waarschijnlijk misloop.
En toch ben ik er nooit aan begonnen, al is het lastig te zeggen waarom eigenlijk precies. De gebruikelijke antitelefoontirades spreken mij niet zo aan. Dat kribbige ‘leg weg dat ding’ klinkt mij te veel als ‘ga van mijn gazon af!’ De automatische afkeer van dingen die nieuw zijn is misschien niet de bron van alle kwaad, maar wel van alle saaiheid in de wereld. En ook de veelgehoorde aansporing om ‘volledig in het moment te zijn’ lijkt me een misvatting. Als je zozeer opgaat in een Instagram Reel dat je het zebrapad op loopt terwijl het licht op rood staat en je op het nippertje voor de dood wordt behoed door de twee beschaafde claxonstoten waarmee buschauffeurs je laten weten dat het maar een haartje scheelde of je was herenigd met die lieve hond uit je kindertijd, dan leef je waarschijnlijk in het moment met een intensiteit die normaal alleen voor boeddhistische monniken is weggelegd. Het probleem is alleen dat je in het verkeerde moment leeft.
Botsen
Dat ik toch niet voor het gemak van een leven met smartphone gezwicht ben, komt waarschijnlijk doordat het me opvalt hoezeer mensen zijn veranderd sinds de pakweg tien jaar dat die dingen niet meer weg te denken zijn. Eerst keek ik mensen vol bewondering na als ze met de blik aan het scherm gekleefd tussen andere mensen doorliepen, blijkbaar geleid door een vleermuisachtig soort sonarsysteem. Toen begon ik, hetzij uit een vage asociale neiging (vaak genoeg) hetzij uit pure noodzaak (in een smal gangpad in de supermarkt), die mensen op de proef te stellen door recht op ze af te lopen om te zien of ze uitweken. Verrassend vaak deden ze dat niet, en als we tegen elkaar botsten gaven ze mij altijd de schuld. Zo besefte ik uiteindelijk dat er geen sprake is van geraffineerde navigatie: ze hebben de verantwoordelijkheid voor hun lichamelijk omhulsel simpelweg uitbesteed aan de mensen om hen heen, net zoals veel mensen hun geheugen uitbesteden aan hun telefoon.
Nu zeg je waarschijnlijk: nou ja, dat zijn maar voetgangers, ze rijden tenminste geen auto. Maar veel mensen zitten achter het stuur ook nog op hun telefoon. Automobilisten die voorrang geven op een kruising zie je onder het wachten vaak even snel een blik op hun scherm werpen. Bij het stoplicht zie ik voortdurend mensen die niet van hun telefoon opkijken als het op groen springt: ze trappen gewoon het gaspedaal in zodra de auto voor hen begint te rijden. Minder gevaarlijk maar om de een of andere reden verontrustender zijn de mensen die ik ’s avonds laat in geparkeerde auto’s op hun telefoon zie zitten scrollen. Als ik opschrik van de plotse verschijning van zo’n van onderaf belicht, lichaamloos gezicht in een verder uitgestorven straat en ze aanstaar, kijken ze meestal boos en verontwaardigd terug, alsof ik hen lastigval, een afspraak schend waarvan ik niet wist dat ik die gemaakt had. Ik probeer ze het voordeel van de twijfel te gunnen. Misschien is hun partner een lichte slaper, of hebben ze zes irritante koters die door het hele huis stuiteren. Maar ik zie dit nu zo vaak dat ik ze inmiddels beschouw als de belichaming van de hedendaagse vervreemding. Vijfentwintig jaar geleden had je Putnams indringende sociologische analyse van moderne eenzaamheid in zijn boek Bowling Alone – tegenwoordig is het ‘scrolling alone’.
Hoe vaak heb ik vrienden niet een chat zien openen om met een zucht te beginnen aan het doornemen van een massa berichten
Een telefoon is natuurlijk ook maar een medium dat tot op zekere hoogte niet verschilt van een laptop of een boek, en wie dat apparaat alleen maar verkettert gaat eraan voorbij dat je er oneindig veel mee kunt doen, ook een heleboel dingen die wel productief zijn. Misschien is die kerel die op de sportschool kromgebogen zit over zijn scherm wel bezig om de laatste onderzoeksresultaten over nieuwe kankerbehandelingen te lezen. Maar waarschijnlijk niet. Toen ik op mijn sportschool eens meekeek over de schouder van de man op de crosstrainer voor me, zat hij te kletsen met een AI-chatbot in de vorm van een anime schoolmeisje. Zij vertelde met een hoog en hees stemmetje dat er die dag in een winkel iemand probeerde voor te dringen en dat ze die persoon toen beleefd had gevraagd om achter aan te sluiten. ‘Heel goed, schat,’ zei hij. ‘Ik ben trots dat je zo voor jezelf opkomt.’
Dat is ongeveer representatief voor wat ik mensen op hun telefoon zie doen: zichzelf vernederen met een levenloos surrogaat van het echte leven. Het is moedeloos makend, althans in de ogen van de telefoonloze naïeveling. Hoe vaak heb ik vrienden niet een groupschat zien openen om met een zucht te beginnen aan het doornemen van een massa ongelezen berichten en het werktuiglijk uitdelen van hartjes en smileys: vriendschap als data-invoer, een baantje waar je niet voor betaald krijgt maar dat je ook niet kunt opzeggen. Zelf heb ik al een vriendin, maar een vriend laat me geregeld meekijken als hij op datingapps zit. Zoals de meeste mannen (ook ik) overschat hij zijn eigen knapheid en onderschat hij de knapheid van de vrouwen die daar langskomen. ‘Ach, laat ik haar maar een kans geven,’ zegt hij, en swipet een vrouw naar rechts om wie in oude beschavingen oorlogen zouden zijn uitgebroken.
Daten
Zolang deze vriend zijn dagelijkse swipequotum maar haalt is hij nog ‘in de markt’, denkt hij, en ‘meer kan hij niet doen’. Maar we gaan allebei naar hetzelfde koffietentje, en daar zien we een paar keer per week een vrouw zitten die geknipt voor hem lijkt. Elke dag gaat hij daar zitten, leest zijn autofictieboekje, pakt zijn laptop en gaat wat zitten tikken aan zijn eigen autofictiemanuscriptje. En elke dag gaat zij daar zitten, leest haar autofictieboekje, pakt haar laptop en gaat wat zitten tikken aan wat volgens ons ook een autofictiemanuscriptje moet zijn. Soms zitten ze toevallig aan belendende tafeltjes, zo dicht bij elkaar dat hij volgens mij haar parfum moet kunnen ruiken. Dan probeer ik hem vanaf mijn tafeltje aan te sporen: een suggestieve frons, een subtiele heupstoot onder tafel. Als ze weer weg is, ga ik naar hem toe en vraag waarom hij haar niet aangesproken heeft. Hij doet alsof ik heb geopperd dat hij eigenhandig zijn blinde darm moet verwijderen. ‘Ik kom haar misschien nog weleens tegen op de apps,’ zegt hij over de vrouw die hij net voor de driehonderdste keer in het echt heeft gezien.
Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Hij is zesendertig en heeft nooit anders dan via apps een date gehad. Mensen in het echt ontmoeten lijkt tegenwoordig exponentieel veel moeilijker dan het krap tien jaar geleden was. Cafés lijken vooral vol te zitten met afgebakende vriendengroepjes en mensen die zenuwachtig op hun appdate zitten te wachten. (Er is weinig zo deprimerend om te aanschouwen als de eerste ontmoeting van twee appgebruikers. ‘Taylor…? Hoi, Riley.’ De ferme verkopershanddruk, de omhelzing met het bovenlijf voorover neigend vanuit voeten die zo ver mogelijk van elkaar vandaan staan, dat voortdurende door elkaar heen praten op die sollicitatietoon.) Ik zie vaak mensen een café in komen, één drankje bestellen en een klein halfuur op hun telefoon scrollen om daarna weer te vertrekken. Misschien hebben ze een blauwtje gelopen. Of misschien hebben ze precies gedaan wat ze wilden. Maar ze zien er vaak teleurgesteld uit. Ik stel me voor dat ze iets anders beoogden: het toeval de kans wilden geven hen op de schouder te tikken en te zeggen: ‘Kijk eens, hier is de ontmoeting die jou gaat genezen.’
Solipsisme is een vorm van isolement, wie daaraan gaat wennen wordt een soort kluizenaar
En als ik dat zo aanschouw, bekruipt me het gevoel dat er een enorme hoeveelheid sociale en seksuele energie aan de echte wereld is onttrokken. Waar is die energie in gaan zitten? In datacentra? Reactiepagina’s op internet? Veel critici zeggen dat de smartphone mensen narcistisch maakt, maar dat klopt volgens mij niet. Narcisten hebben andere mensen nodig. De emotionele lading van hun betrokkenheid, daar teren zij op. Wat de scrollende slaapwandelaar, de appende automobilist en de onrealistische datingappswiper gemeen hebben is bijna het omgekeerde, dat lijkt meer op de eenzelvigheid van solipsisme, de overtuiging dat jij de enige mens bent die werkelijk bestaat en dat andere mensen in wezen niet echt zijn. Maar solipsisme is een vorm van isolement, wie daaraan gaat wennen wordt een soort kluizenaar die nog wel normaal gedrag kan nabootsen, maar alleen echt op zijn gemak is als hij somber voor zich uit mompelend zijn internetfeeds zit door te nemen.
Ik weet dat mijn weigering om een smartphone te nemen ook een stilzwijgende erkenning inhoudt dat ik er net zo verslaafd aan zou kunnen worden als ieder ander. Mijn vriendin gaf me laatst haar telefoon met de opdracht muziek op te zetten om bij te vrijen. Na een paar minuten keek ze waarom het zo lang duurde. Ik zat de Wikipediapagina over softijs te bekijken. Ik kan me niet herinneren dat ik die gelezen heb of hoe ik daarop uitgekomen was. Het is de plotse beschikbaarheid van die oneindige hoeveelheid informatie waardoor ik in trance raakte en gewoon begon te swipen en scrollen. Ik denk dat ik in de afgrond heb gestaard en erin getuimeld ben. Ik ga niet liegen: het voelde best lekker om op te geven.
Universiteiten zagen afgelopen jaren een sterke toename in AI-misbruik
ChatGPT introduceert een nieuwe modus om verantwoord academisch gebruik van de chatbot te stimuleren. Dat meldt The Guardian. Het aantal gevallen van misbruik van AI-tools op universiteiten is de afgelopen jaren sterk toegenomen. In het Verenigd Koninkrijk werden in het academisch jaar 2023-’24 al bijna zevenduizend bewezen gevallen van fraude met AI geregistreerd.
360 aanbieding: 3 maanden digitaal voor maar 15 euro.
De nieuwe functie begeleidt gebruikers stap voor stap door complexe onderwerpen. De modus geeft geen kant-en-klare antwoorden of essays, maar stelt in plaats daarvan gerichte vragen en genereert een op maat gemaakte uitleg. ‘De tool begeleidt je als het ware naar het juiste antwoord, in plaats van het antwoord meteen te geven,’ legt Jayna Devani, hoofd internationale onderwijsontwikkeling bij OpenAI, uit.
Devani zegt niet willen dat de chatbot door studenten wordt misbruikt en dat de nieuwe modus een ‘eerste stap in de richting’ is van het stimuleren van constructief academisch gebruik van ChatGPT.
Brussel geeft elk jaar meer dan 10 miljard euro uit om innovaties te stimuleren. Maar dat geld stroomt niet naar start-ups, het subsidieert oude bedrijven. Slechts een fractie ervan zou effectief worden besteed.
Europa doet het momenteel goed op de beurs, maar dat ligt meer aan de onberekenbare politiek van Donald Trump dan aan de vooruitzichten van de EU-ondernemingen. Wie wat beter kijkt, beseft dat het continent waar het op technologische vooruitgang aankomt ver is achtergebleven bij de concurrentie. In de digitale economie domineren de tech-giganten uit de VS, van Google tot Microsoft. En in traditionele sectoren zoals de auto-industrie, chemische industrie en machinebouw is China Europa inmiddels voorbijgestreefd. Economen spreken van een technologieval, of preciezer: de mid-technologie-trap.
Daar zijn veel redenen voor, zoals de voormalige minister-presidenten van Italië Mario Draghi en Enrico Letta vorig jaar in twee lijvige rapporten aan de EU-commissie hebben voorgerekend. De EU-landen investeren te weinig, de kapitaalsector is onderontwikkeld en de interne markt is nog altijd gefragmenteerd. Dat klopt allemaal, zo laat een recent onderzoek zien van het ifo Institut in München en de Bocconi Universiteit in Milaan. Maar Brussel beschikt nog over een ander instrument, dat bovendien veel makkelijker is in te zetten. Als de EU de technologische achterstand wil inhalen, aldus de studie, moet ze vooral haar slecht functionerende innovatie- en technologiebeleid veranderen. ‘In plaats van ondernemingen’, zegt professor Daniel Gros van de Bocconi Universiteit, zou Brussel beter ‘ideeën kunnen financieren’.
Oude industrieën
Op dit moment gebeurt dus meestal het eerste. De miljarden kostende EU-programma’s die Brussel uitvoert onder de hoogdravende naam ‘Horizon’ richten zich voornamelijk op oude industrieën, worden vaak door een kleine kring van gevestigde concerns afgenomen en vloeien naar projecten die waarschijnlijk zonder dat geld ook wel waren doorgegaan. De manier waarop de EU onderzoek stimuleert, is vooral een vorm van gewone bedrijfsfinanciering geworden, staat in het rapport. Echt vernieuwende ideeën levert het nauwelijks op.
Het gaat om enorme bedragen. In de afgelopen tien jaar heeft Brussel ongeveer 100 miljard euro in haar technologieprogramma’s gestoken. Maar wat dat vele belastinggeld heeft opgeleverd werd tot op heden nauwelijks systematisch onderzocht. Als eerste rekende het Duits-Italiaanse team van economen uit hoe sterk de Brusselse middelen bijdroegen aan de groei van de ontvangers – met een ontnuchterende uitkomst. Bij een groot deel van de projecten zijn ‘tijdens de periode van subsidiëring kleine positieve effecten’ opgemerkt, die echter niet van blijvende aard waren. Integendeel: sinds het begin van het eerste decennium van deze eeuw is het aandeel van bedrijven uit de EU in de wereldwijde high-techmarkten teruggelopen van 22 naar 11 procent.
Dat lag niet in de laatste plaats, zo ontdekten de onderzoekers, aan de manier waarop de Horizongelden worden verdeeld. Een groot deel komt niet terecht bij kleine creatieve start-ups, maar bij gevestigde bedrijven ‘op een gemiddeld technologisch niveau’, waaronder grote autoconcerns, van VW en Mercedes Benz tot en met Stellantis. Nog kritischer is het oordeel over de miljarden die terechtkomen bij grote bedrijfsconsortia, waarin gemiddeld twintig, soms wel honderd, partijen uit meerdere EU-landen samenwerken. Zulke projecten worden vaak niet van onderaf ontwikkeld door de bedrijven zelf, maar van bovenaf gepland door commissies van EU-ambtenaren, waarbij nationale belangen regelmatig zwaarder wegen dan technologische vernieuwing.
Een aanzienlijk deel van het geld belandt niet bij technologiebedrijven, maar bij consultancybureaus
De economen noemen als voorbeeld een Horizon-project rond batterijen voor elektrische auto’s, dat zich van meet af aan beperkte tot vertrouwde technologieën en gangbare productiemethoden. Geen wonder, stellen ze, dat zulke projecten zelden tot echte innovaties leiden, maar hooguit tot ‘marginale verbeteringen van bestaande technologieën’.
Sterker nog: een aanzienlijk deel van het geld belandt niet bij technologiebedrijven, maar bij consultancybureaus die gespecialiseerd zijn in het begeleiden van klanten door het woud aan Europese aanvraag- en verantwoordingsregels. Volgens de studie is de sterkste groei van de Horizon-programma’s dan ook ‘te vinden in de sector van consultancy en ondersteunende diensten’.
Het rapport laat ook zien hoe het wél werkt. De technologiesubsidies van de EU blijken namelijk wel effectief wanneer ze terechtkomen bij kleine, onafhankelijke bedrijven. In zulke gevallen bespeurden de onderzoekers doorgaans ‘positieve, aanhoudende en significante’ effecten. Helaas gaat slechts 7,5 procent van de Horizon-gelden naar dit type ondernemingen. De conclusie van de studie is dan ook weinig vleiend: slechts een fractie van het totale subsidiegeld wordt daadwerkelijk ‘effectief besteed’. Het leeuwendeel vloeit naar ‘bedrijven die zich gespecialiseerd hebben in het verwerven van Horizonsubsidies’, ‘vaak dochterbedrijven van de grote concerns’ die deelnamen aan ‘tientallen plannen’, in enkele gevallen zelfs meer dan tweehonderd.
Belemmeringen
Deze studie legt de hardnekkige zwaktes van de EU onder een vergrootglas, die Europa al lange tijd belemmeren in de wereldwijde concurrentiestrijd: een verlammende bureaucratie, de invloedrijke lobby van gevestigde bedrijven en belangengroepen en de voortdurende dominantie van nationale belangen. Dat leidt vooral tot zo’n ongunstige uitkomst omdat de EU niet beschikt over een kapitaalmarkt als die van de VS, die graag investeren in innovaties. De publieke EU-subsidies zouden dat gebrek eigenlijk moeten opvangen, maar versterken het probleem.
Als de EU-landen binnenkort over hun nieuwe begroting besluiten, doen ze er verstandig aan de conclusies van het rapport van de Duitse en Italiaanse economen ter harte te nemen: wie echte innovatie wil, moet niet blijven investeren in het oude, maar durven kiezen voor het nieuwe.
SpaceX spreekt van een ‘snelle, onvoorziene demontage’
SpaceX heeft op sociale media bekendgemaakt dat haar nieuwe raket Starship bij een testlancering is kapotgegaan. Hoewel de raket verder vloog dan bij andere soortgelijke tests, faalde een systeem dat een testsatelliet had moeten lanceren. De post spreekt van een ‘snelle, onvoorziene demontage’, wat volgens The Guardian ‘een bekend eufemisme voor mislukking’ is.
Elon Musk, CEO van SpaceX, heeft op zijn sociale netwerk X toegezegd dat er meer testvluchten zullen plaatsvinden: ‘Het lanceringstempo zal sneller zijn voor de volgende drie vluchten – eens in de drie, vier weken.’ Een eerder geplande livestream over de planeet Mars is inmiddels afgelast.
De lancering van Starship was vanwege eerdere ongelukken met SpaceX-raketten uitgesteld. Bij de vorige twee lanceringen is SpaceX ook de controle over haar raketten verloren. Er vielen brokstukken van de ruimteschepen in de Caribische zee, waardoor meerdere commerciële vluchten moesten worden vertraagd. De luchtvaartadministratie in de VS heeft de recente lancering pas kort geleden goedgekeurd, en heeft bij deze test de gevaarzones voor ongelukken vergroot.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.