Oorspronkelijke bewoners van Brazilië gaan de straat op
Zo’n zesduizend leden van 170 inheemse groepen, velen met verentooien op en zwaaiend met pijl en boog, marcheerden woensdag (25 augustus) naar het hoofdkwartier van het hoogste Braziliaanse gerechtshof, in de hoop druk uit te oefenen op de elf rechters die een cruciale uitspraak over hun lot zullen doen. Het hof buigt zich over de tijdelijke uitspraak die alleen de gronden die door de inheemse bevolking werden bewoond toen de grondwet in 1988 werd afgekondigd als voorouderlijke gronden erkent, meldt O Globo.
De machtige agro-industriële lobby verzet zich tegen de beschermde status van reservaten
Veel inheemse groepen zijn tijdens de verschillende machtswisselingen in de Braziliaanse geschiedenis ontheemd geraakt, met name onder het militaire regime (1964-1985). Nu zij naar hun land zijn teruggekeerd, eisen ze bescherming van de status die aan de reservaten is toegekend, waartegen de machtige Braziliaanse agro-industriële lobby zich verzet.
Westerlingen dringend verzocht luchthaven Kaboel te verlaten
De Verenigde Staten, Australië en Groot-Brittannië hebben woensdagavond hun burgers opgeroepen om luchthaven Kaboel zo snel mogelijk te verlaten, bericht BBC. Duizenden mensen verdringen zich nog steeds op de luchthaven in de hoop het land, dat aan de taliban is overgeleverd, te kunnen ontvluchten.
Volgens een diplomaat is de terreurdreiging afkomstig was van een groep gelieerd aan Islamitische Staat
Sprekend op voorwaarde van anonimiteit, vertelde een diplomaat van een NAVO-lidstaat aan persbureau Reuters dat de terreurdreiging afkomstig was van een groep gelieerd aan Islamitische Staat. De taliban-leiding heeft donderdag beloofd de veiligheid te bewaren buiten de luchthaven van Kaboel.
President Tokajev van Kazachstan werd vorige week ontvangen door president Moon Jae-in van Zuid-Korea. Met dit tweedaagse staatsbezoek was hij de eerste buitenlandse leider die het land bezocht sinds het begin van de pandemie. Kazachstan is de grootste handelspartner van Zuid-Korea in Centraal-Azië, schrijft The Korea Herald.
Het handelsvolume tussen de twee landen verdrievoudigde tussen 2017 en 2019 tot 4,2 miljard dollar, maar daalde door de pandemie vorig jaar tot 3,08 miljard dollar. ‘Ongeveer 550 Koreaanse bedrijven doen zaken in Kazachstan en onze twee landen werken nauw samen’, zo memoreerde de Kazachse president. De presidenten verklaarden hun strategische partnerschap verder uit te zullen breiden.
De Amerikaanse president Joe Biden heeft zondag (22 augustus) ‘de mogelijkheid geopperd om Amerikaanse troepen in Afghanistan te houden na de deadline van 31 augustus, indien nodig om de evacuatie van Amerikaans personeel en Afghaanse bondgenoten te faciliteren’, meldde nieuwssite The Hill.
De Verenigde Staten zijn ‘vastberaden’ om alle Amerikaanse burgers, Afghanen die gevaar lopen en burgers van geallieerde landen uit Afghanistan te evacueren, vertelde Biden aan verslaggevers in het Witte Huis. De Democraat zei er vertrouwen in te hebben dat alle noodzakelijke evacuaties kunnen worden voltooid tegen 31 augustus, de uiterste datum die zijn regering heeft vastgesteld voor de volledige terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Afghanistan.
‘Biden had eerder gezegd dat de troepen in Afghanistan zouden blijven tot alle Amerikanen het land hadden verlaten, maar zijn opmerkingen op zondag waren de duidelijkste aanwijzing tot nu toe dat een langer verblijf binnen de regering wordt besproken’, aldus het commentaar van The Hill.
Merkel kan Oekraïne niet geruststellen over Nord Stream 2
In een ‘afscheidsbezoek’ heeft de Duitse kanselier ‘halfslachtig’ geprobeerd Oekraïne gerust te stellen de Russisch-Duitse Nord Stream 2-gaspijpleiding, schrijft Kyiv Post. Angela Merkel bracht zondag (22 augustus) een laatste bezoek aan Oekraïne voordat ze in september aftreed als kanselier.
Tijdens een gezamenlijke persconferentie in Kiev bestempelde de Oekraïnse president Zelensky Nord Stream 2 als een ‘gevaarlijk geopolitiek wapen van het Kremlin’, bericht Kyiv Post. Op haar beurt verzekerde Merkel: ‘Duitsland zal de invoering van nieuwe Europese sancties (tegen Rusland) steunen als Rusland Nord Stream 2 als wapen probeert te gebruiken.’
’Merkels afscheidsbezoek aan Kiev heeft geen veiligheidsgaranties opgeleverd, aangezien Nord Stream 2 bijna klaar is’, schrijft Kyiv Post. De Russisch-Duitse gaspijpleiding, die gas zal transporteren naar Europa via Oekraïne, is nog maar enkele dagen verwijderd van voltooiing, aldus het artikel.
De VS hebben bijna 9,5 miljard dollar aan activa van de Afghaanse centrale bank bevroren en zendingen van contant geld naar het land geblokkeerd. De activa van de centrale bank die de Afghaanse regering in de VS heeft, zijn zo niet beschikbaar voor de Taliban, die op de Amerikaanse sanctielijst blijven staan, bericht Bloomberg.
Franco A. bereidde zich samen met collega’s van het Duitse leger voor op ‘Dag X’: het moment dat extreemrechts de macht overneemt. Onlangs begon het proces tegen deze Bundeswehr-officier. Wie is Franco A.?
Op de avond van 3 februari 2017 arresteert de Oostenrijkse politie op luchthaven Wien-Schwechat een Duitser. Hij probeerde een pistool op te halen die verstopt was in een toilet voor gehandicapten. Twee weken eerder had hij het daar gedeponeerd. Maar een schoonmaker ontdekte het wapen en de politie zette een val op. De arrestant heet Franco A. Hij is net 28 geworden en eerste luitenant bij de Bundeswehr, gestationeerd bij het Jäger-bataljon 291 [lichte infanterietroepen] in het Franse Illkirch.
Zijn verhoor begint volgens het proces-verbaal om 23 uur 33. Daarmee begint ook een van de opzienbarendste zaken in de strafrechtgeschiedenis van de Bondsrepubliek. Heel Duitsland kent Franco A. nu als een valse Syriër en vermoedelijk extreemrechtse terrorist. Vanaf 20 mei staat hij daarom in Frankurt am Main voor de rechter.
Officiersbal
In 2017 vertelt Franco A. aan de Weense ondervragers dat hij met kameraden het ‘officiersbal’ in de Hofburg bezocht heeft. De volgende dag was hij nog dronken en had het wapen gevonden terwijl hij in de struiken stond te plassen. Hij had het meegenomen en was het vergeten. Pas op de luchthaven herinnerde hij zich weer wat hij bij zich droeg en had hij het pistool verstopt in het toilet. Twee weken later wilde hij het weer ophalen en naar hij zei bij de Weense politie inleveren.
Het verhoor duurt bijna drie uur. Franco A. haalt zijn mobiele telefoon tevoorschijn en geeft de toegangscode, dan mag hij gaan. Voorlopig.
De Duitse politie ontdekt later dat Franco A. het pistool wellicht al in juli 2016 heeft gekocht in Parijs. Het gaat om een wapen van de fabrikant M.A.P.F., model 17, kaliber 7,65 mm. Zulke wapens hebben officieren van de Duitse Wehrmacht in het bezette Frankrijk gebruikt. Die van Franco A is geladen met zes patronen.
Mogelijk wilde hij de aanslagen vermomd als Syriër plegen om haat tegen vluchtelingen aan te wakkeren
Op zijn smartphone treffen de rechercheurs geluidsopnamen en foto’s aan; ook van een vermoedelijk doelwit voor een aanslag. Ze vinden chatgroepen, waaronder een waarin preppers zich voorbereiden op een ‘Dag X’. Bovendien is een asielzoeker met de naam David Benjamin geregistreerd met de vingerafdrukken van Franco A., zogenaamd een Franstalige christen die uit Syrië zou zijn gevlucht.
Franco A. moet in voorarrest, de procureur-generaal van het hoogste federale gerechtshof neemt het onderzoek over. Op notitieblaadjes die bij Franco A. worden aangetroffen, wordt melding gemaakt van wapens. Bovendien is er een soort reisschema, per motor, trein en auto. Halteplaatsen: Offenbach, Berlijn, Straatsburg, Bayreuth, Erding. Daarnaast staat het woord ‘jachtgeweer’. In de notities staan concrete namen. De procureur-generaal meent dat Franco A. aanslagen op bekende politici en activisten wilde plegen: op de toenmalige minister van Justitie (en nu van Buitenlandse Zaken) Heiko Maas (SPD), de vicevoorzitter van de Bondsdag Claudia Roth van de Groenen en Anetta Kahane, voorzitter van de Amadeu Antonio Stiftung. Alle drie zijn in rechtse kringen gehate figuren. Van het gebouw van de Amadeu Antonio Stiftung heeft Franco A. een situatieschets gemaakt en in de ondergrondse garage foto’s gemaakt. Mogelijk wilde hij de aanslagen vermomd als Syriër plegen om racistische haat tegen vluchtelingen aan te wakkeren.
De zaak van Franco A. zet de Bundeswehr en de politiek onder druk. De toenmalige minister van Defensie vermoedt een mentaliteitsprobleem bij het leger en laat kazernes doorzoeken naar Wehrmachtsouvenirs [uit de nazitijd]. Door journalistiek onderzoek ontstaat de verdenking dat soldaten en ander veiligheidspersoneel extreemrechtse netwerken hebben gevormd. De autoriteiten proberen het klein te houden, maar Die Tageszeitung en andere media brengen steeds meer bewijzen aan het licht. Toch staat er nu nog maar één verdachte voor de rechter wegens ‘voorbereiding van een zware, staatsgevaarlijke gewelddaad’: Franco A. Hij mag zijn proces in vrijheid afwachten en is door de Bundewehr geschorst.
Om een zo precies mogelijk beeld te schetsen van de soldaat en het netwerk om hem heen hebben we bewijsstukken doorgenomen, en bovendien vonnissen en gerechtsbesluiten, stukken van het ministerie van Defensie en interne documenten van de organisaties waarmee Franco A. te maken had. We konden geheime chatgroepen inzien en spreken met mensen uit zijn omgeving en met personen die beroepshalve met de casus bezig zijn. In het jaar 2019 hebben we ook met Franco A. gesproken. Urenlang. Maar we mogen hem niet citeren. Op een nieuw verzoek heeft hij niet gereageerd.
De rechtbank in Frankfurt am Main heeft om te beginnen twaalf zittingsdagen gepland om de vraag te beantwoorden of Franco A. een terrorist is. Wat nu al gezegd kan worden: hij heeft bewust toenadering gezocht tot nieuwrechtse organisaties en zat tot zijn nek in de rechtsextremistische scene. Zijn ideologische standpunten lijken al lang geleden verankerd te zijn: nationalistisch, nativistisch en antisemitisch.
Droombaan: soldaat
Franco A. zit in groep zeven als de soldaat in hem wakker wordt. Zo staat het letterlijk in de krant van zijn school in Offenbach. Tijdens een nachtelijke wandeling menen de scholieres een gestalte te zien, en worden bang. ‘Franco, een van de jongens, naderde heldhaftig het “lijk” dat daar in het bos stond,’ zo luidt het in de krant. ‘De soldaat in hem ontwaakte’. De gestalte blijkt een oud bord te zijn.
In zijn eindexamenboek beschrijft Franco A. zichzelf als ‘loyaal, invoelend, eerlijk’. Hij wil graag winnaar van een Olympische medaille voor Duitsland worden. Zijn droombaan: soldaat. Het beroep dat hem het meest tegenstaat: ‘bankier, deviezenhandelaar, speculant’.
Franco A. groeit op in Offenbach. Zijn moeder voedt hem en zijn broer op naast haar baan als medewerkster personeelszaken. Met zijn vader, een Italiaanse gastarbeider, heeft hij geen contact. In het huis wonen ook zijn groottouders en zijn oom.
Franco A. wilde altijd een betere Duitser zijn ‘dan de Duitsers zelf’
De oom is dakdekker en vertrekt later met zijn firma van Offenbach naar Weinböhla, in de buurt van Dresden. Een deel van de familie woonde daar al in de tijd van de DDR. Zijn oom is op Facebook gecharmeerd van pagina’s van de AfD en van rechtsextremistische organisaties. Als kind en jongeman is Franco al regelmatig op bezoek in Weinböhla. De laatste keer moet in het voorjaar van 2018 zijn geweest, toen de procureur-generaal hem net had aangeklaagd.
Zijn oom wil niet met ons praten, maar een neef van Franco A.’s moeder, die ook in Weinböhla woont, zegt dat de aanklachten tegen Franco absurd zijn. Dat hij tegen mensen met een migratieachtergrond zou zijn, is onmogelijk. ‘Hij is zelf half Italiaans.’ Franco zou te intelligent zijn voor bizarre aanslagplannen; dat hij zich als Syriër zou voordoen is een idioot idee.
Met zijn grootvader had Franco A. een nauwe band. Dat blijkt onder andere uit een geluidsopname die A. een paar jaar geleden heeft opgenomen bij diens graf in Offenbach. Hij zegt in zijn mobieltje hoe dankbaar hij zijn grootvader is, omdat die hem richting in het leven heeft gegeven. Op de grafsteen staan voor de geboorte- en de sterfdatum Germaanse runen. De nationaalsocialisten hebben beide letters veranderd tot tekens voor leven en dood. Zijn grootvader had bij de Kriegsmarine gezeten, zegt de neef van A.’s moeder. ‘Ik denk dat Franco’s hele instelling van hem komt.’ Franco A. wilde altijd een betere Duitser zijn ‘dan de Duitsers zelf’, zegt zijn achterneef. A. was zeker ook geen vriend van de islam. En ja, zijn eindwerkstuk, dat was zeker tendentieus.
‘Politieke verandering en subversieve strategie’ luidt de titel van de masterswerkscriptie van Franco A., geschreven aan de Franse militaire academie Saint-Cyr. Daarin stelt hij immigratie gelijk aan een genocide en rechtvaardigt geweld omdat het volk beschermd moet worden tegen ‘buitenlandse elementen’. Een deskundige noemt het werkstuk een ‘radicaalnationalistisch, racistisch appèl.’
Franco A. wordt berispt en mag een nieuw werkstuk schrijven. Meer gebeurde er destijds niet.
Medeplichtigen
De rechercheurs hebben niet alleen Franco A. onderzocht, maar ook vermoedelijke medeplichtigen. Een kameraad uit de Bundeswehr en een oude vriend uit de roeivereniging zitten meerdere maanden in voorarrest. Tenminste negen soldaten die privé of beroepshalve met Franco A. te maken hadden, worden door de geheime dienst van de Bundeswehr (MAD) verdacht van rechtsextremisme.
Mathias F., de roeicompaan, heeft voor Franco A. minutie bewaard toen die door het politie-onderzoek nerveus werd. Meer dan duizend patronen, waarvan sommige bestemd voor semi-automatische geweren van de Bundeswehr. Wegens overtreding van de wet op krijgswapencontrole werd Mathias F. veroordeeld tot een jaar voorwaardelijke gevangenisstraf. Hij wist van Franco A.’s dubbelleven als vluchteling en A. liet hem ook een keer wapens zien. De geheime diensten wisten van beide niets af.
De soldaat Maximilian T. was op de avond voor zijn arrestatie met Franco A. in Wenen op pad. Van het pistool uit de struiken zou hij niets afweten. Bij hem vinden de rechercheurs handgeschreven notities. Onder het opschrift ‘Politiek en media’ staan namen, in de categorieën A tot D. Niet allemaal prominenten.
In een chatbericht heeft Josef R. Franco A. ‘iets lekkers’ aangeboden. Een code voor munitie?
Het onderzoek tegen Maximilian T. wordt in de herfst van 2018 gestaakt. Hij is dan al begonnen met een bijbaantje in de Bondsdag, voor een AfD-afgevaardigde. Die neemt hem in bescherming en beweert dat T. het namenlijstje heeft gebruikt voor zijn studie. In Saksen-Anhalt liet Maximilian T. zich kiezen in het landelijk bestuur van de Jungen Alternative [de jongerenafdeling van de AfD] en stelt zich kandidaat voor de AfD bij de landelijke verkiezingen in juni.
En welke rol speelt Josef R., een eerste luitenant die als ingenieur bij de Bundeswehr werkt? Franco A. en hij kennen elkaar van de officiersopleiding. In een chatbericht heeft R. Franco A. ‘iets lekkers’ aangeboden. Een code voor munitie?
Josef R. woont in een provinciestadje in Hessen, waar hij in maart AfD-kandidaat was bij de gemeenteverkiezingen. We bellen bij hem aan. Hij wil niets zeggen, want zijn proces loopt nog. Waarom heeft hij Franco A. ‘iets lekkers’ aangeboden? Dat heeft niets met het proces te maken volgens hem.
Naar Josef R. heeft de procureur-generaal een onderzoek ingesteld op basis van informatie van Die Tageszeitung over hulp bij de voorbereiding van een zware, staatsgevaarlijke gewelddaad, maar hij heeft de beschuldiging laten vallen. De zaak ligt nu bij de plaatselijk bevoegde staatsadvocaat. Maar het gaat alleen nog om het feit dat de rechercheurs bij R. onder andere een rookgranaat van de Bundeswehr hebben gevonden.
Prepper
Franco A. heeft zich voorbereid op een catastrofe. In de kelder van zijn moeder heeft hij een noodvoorraad voedsel aangelegd, blikken benzine, tabak en jenever. Dat doen veel zogenaamde preppers. Ze willen voorbereid zijn als de staat en de infrastructuur ineen storten. Franco A. slaat bovendien nog munitie en rook- en oefenhandgranten op.
Een kameraad van de Bundeswehr nodigt hem eind 2015 uit in een chatgroep op Telegram. Die noemt zich gewoon ‘Süd’. Franco doet daar als ‘Franki’ aan mee. Meteen aan het begin wordt de chatgroep gewist en opnieuw opgestart. Een van de woordvoerders motiveert dat met vooraf geposte ‘gedachten en beelden’. Men zou moeten verhinderen dat de chat ‘in de ogen van buitenstaanders als vijandig tegenover de regering, rechts-extremistisch, staatsgevaarlijk of zoiets wordt ingeschat’. Vanaf nu moeten alleen nog de leiders zenden, de anderen ontvangen.
Interessant is wat de mannen van de chatgroep ‘Süd’ als problematisch beschouwen en wat niet. Scenario’s waarin vluchtelingen uit Syrië samen met Amerikaanse huurlingen en strijders van het Franse vreemdelingenlegioen Duitsland in een apocalyps storten, worden als feiten beschouwd. Pas als een lid een e-mail post die eindigt met ‘DEUTSCHLAND ERWACHE! HEIL, SEGEN UND SIEG’ [‘Duitsland ontwaak! Verlossing, zegen en zege’] grijpt er iemand in.
Het Sieg-mailtje wordt uitgerekend door ‘Franki’ verdedigd: ‘Gemoraliseer zoals jij dat hier bedrijft, is steeds opnieuw oorzaak van een benauwde en onvrije gedachtenwisseling,’ schrijft hij. ‘Daar zou onze groep van verschoond moeten blijven.’
De groep ‘Süd’ is deel van een netwerk, er zijn soortgelijke chatgroepen in andere delen van Duitsland, in Oostenrijk en in Zwitserland. Het netwerk werd in het leven geroepen door André S., een soldaat van het Kommando Spezialkräfte (KSK) [de Duitse commandotroepen] van de Bundeswehr, de eenheid die de zwaarste klussen opknapt. Deze KSK-soldaat noemt zich Hannibal. Hij voorziet zijn medestrijders van zogenaamd geheime inlichtingen: islamisten zouden van plan zijn om kazernes aan te vallen. ‘Men mag de tegenstander nooit onderschatten,’ schrijft hij. Het gaat ook over verzamelpunten en safehouses, dus veilige plekken om zich terug te trekken op Dag X.
Leden van de chatgroep bespraken dat ze tijdens Dag X kazernes voor elkaar zouden openstellen
Als een dergelijke locatie duidt Hannibal in de chatgroep de kazerne in Calw aan, die blijkbaar overgenomen zou moeten worden. Daar is het KSK gestationeerd. Bij een van de persoonlijke ontmoetingen bespreken de leden van de chatgroep of de soldaten tijdens de noodtoestand kazernes voor elkaar zouden openstellen. Zodat ze aan wapens, munitie en voertuigen kunnen komen. Zo vertelt iemand die erbij was.
Ook Franco A. neemt deel aan die bijeenkomst op 31 januari 2016; hij is intussen als Syrische vluchteling toegewezen aan de landkreis Erding. De bijeenkomst vindt plaats in de schietvereniging in Albstadt, in het zuiden van Baden-Würtemberg. André S., alias Hannibal, heeft vooraf per sms bevolen: ‘Mobieltjes in de auto laten.’ Minstens één keer is Franco A. ook in de woning van André S. in Sindelfingen.
Voor scenario’s zoals de overname van een kazerne zouden bondgenoten wel welkom zijn. Meerdere KSK-soldaten zouden Franco A. hebben gekend, zegt een man met de chatnaam Petrus tegen de rechercheurs. Ook Petrus zit bij de KSK, net als André S., alias Hannibal. Hij hielp Hannibal met het organiseren van de chatgroepen en zegt dat het in Calw bekend was dat Franco A. heel intelligent was.
Bewapende eenheid
Hannibal plaatst in de groep ‘Süd’ steeds opnieuw berichten over een vereniging met de naam Uniter, bijvoorbeeld de uitnodiging voor het jaarlijkse feest. Uniter heeft hij opgericht samen met strijdmakkers, onder wie soldaten, politieagenten en een medewerker van de veiligheidsdienst van Baden-Würtemberg. Uit onderzoek van Die Tageszeitung is gebleken dat de vereniging op een sekte-achtige manier werd geleid. De veiligheidsdienst verdenkt haar intussen van rechtsextremisme. Uniter werkte heimelijk aan de opbouw van een bewapende eenheid. Die zou naar verluidt reddingsmissies in het buitenland beveiligen. Maar het is ook denkbaar dat ze in Duitsland ingezet zou worden – tegen de vijanden die Hannibal en zijn chatgenoten hadden aangewezen.
Dat Hannibal er zeker van wilde zijn dat de noodtoestand goed voorbereid zou zijn, blijkt onder andere uit een bericht aan de chatgroep ‘Süd’ dat ‘patches als herkenningstekens’ waren uitgedeeld. Een patch is een lapje stof dat op kleding genaaid wordt. De patches van Uniter vertonen het logo van de vereniging: een zwaard met daarachter een blauwe T op zwarte ondergrond. De vereniging heeft honderd van zulke patches laten maken, en nog vijfentwintig in camouflage. Ze zijn niet bestemd voor fans, om uit te delen of te verkopen. De patches dienen om op Dag X te weten wie vriend is en wie vijand. Bij Franco A. werden twee Uniter patches gevonden.
Dat men op Dag X de goeden op die manier moet onderscheiden van de kwaden, dat heeft Franco A. ook verteld aan een wapenhandelaar uit de Oberpfalz die hij voor Uniter wilde aanwerven en uitnodigde bij de chatgroep ‘Süd’. Dat heeft de wapenhandelaar verklaard. Franco A. zou hem derhalve verteld hebben over zijn G3 semi-automatisch geweer, dat hij in juli 2016 ingeschoten zou hebben op de schietbaan van de wapenhandelaar. Maar de wapens die A. naast het pistool van de Weense luchthaven zou hebben bezeten, werden nooit gevonden.
Franco A. zou nooit officieel lid van Uniter zijn geweest, zo verdedigt Hannibal zich later. Maar dat is helemaal niet van belang: de chatgroep en Uniter gingen in elkaar over, tot begin 2017, toen de chatgroep werd opgeheven.
Hannibal en Franco A. geloven beiden dat vluchtelingen een gevaar vormen voor Duitsland, ze delen rechtsextremistisch en racistisch gedachtengoed. Beiden zijn gefascineerd door geheime verbonden en riddergenootschappen. Ze zien zichzelf als de goeden, misschien zelfs als redders. ‘Jullie geloven nog altijd dat je deel uitmaakt van deze staat,’ zegt Franco A. in een geluidsopname op zijn mobieltje van 18 januari 2016. Maar ze moeten er mee ophouden de bestaande staat overeind te houden. ‘Iedereen die eraan bijdraagt dat dit construct kapot gaat, doet iets goeds.’
Derde Wereldoorlog en omvolking
Ten laatste in 2014 begint Franco A. zulke opnamen te maken. Gedachtenflarden, notities, dialogen. Meer dan 100 van zulke opnames hebben de rechercheurs veilig gesteld. De transcripties daarvan konden wij inzien.
Franco peinst over leven, liefde en twijfel aan zichzelf. Nu eens richt hij zich tot zijn groepsleider, dan weer noemt hij zijn politieke tegenstanders ‘Schweine’. Hij heeft het over een dreigende Derde Wereldoorlog. Hij zegt dat alles wat Hitler in een kwaad daglicht stelt een leugen is. Of hij deze opnamen verstuurd heeft, en zo ja: aan wie, weten we niet.
Begin 2016 spreekt hij een redevoering in over de ‘diaspora in eigen land’. Duitsland en de hele mensheid worden bedreigd door een systematische vernietiging. Hij spreekt over een bewust georganiseerde omvolking en dat de zionisten probeerden de wereldheerschappij naar zich toe te trekken.
In december 2016 houdt hij een redevoering met soortgelijke inhoud. Deze keer voor publiek, bij de ‘Pruisenavond’ in München. Alleen genodigden hebben toegang en het spectrum van mensen aan wie de organisatoren van de Pruisenavond hun uitnodigingen versturen reikt tot uiterst rechts. Holocaustontkenners hebben daar gesproken, onder wie Bernard Schaub van de Europäische Aktion. Vroegere leden van deze organisatie werden in Oostenrijk onlangs veroordeeld wegens nationaalsocialistische activiteiten.
Wij ontmoeten de organisator van de Pruisenavond in april 2021 in een voorstad van München. Hij zit in een rolstoel op het terras van zijn huis, zijn witte haren achterover gekamd, de benen bedekt met twee wollen dekens. Hij is 96 jaar oud. Ja, zegt hij, hij heeft Franco A. uitgenodigd als spreker. Maar er waren maar weinig mensen geweest, hij zelf in elk geval niet.
Franco A. was een heel fatsoenlijke man, correct, beleefd. En dan: ‘Nu stel ik eens een vraag: is het soms verkeerd als iemand het verleden onderzoekt?’
Franco A. wilde een extreemrechtse ‘Zentralrat’ opzetten die ’het hele systeem verscheurd’
De man zegt dat hij Franco A. heeft leren kennen bij een ander discreet gezelschap: de rechtsconservatieve Jagsthausener Kreis. Dat is een kring waarin onder andere militairen, mensen van de geheime dienst, ambtenaren en zakenlui uit Duitstalige landen elkaar al decennia lang ontmoeten. In de herfst van 2016 stonden als sprekers onder andere op het programma: de AfD-politicus Alexander Gauland en de nieuwrechtse publicist Bruno Bandulet. Een van de leidende figuren van de Jagsthausener Kreis, een ingenieur uit Salzburg, vertelt aan de telefoon dat hij zich Franco A. nog goed herinnert. A. had levendig deelgenomen aan de discussie.
De titel van Franco A.’s voordracht op de Pruisenavond in München luidt: ‘Het nieuwe zelfbeeld van de Duitse conservatieven als centrale raad van de Duitsers, of: Duitse conservatieven, de diaspora in eigen land.’
Het idee van een ‘Zentralrat’ spookt al jaren rond in extreemrechtse kringen. De doelen die Franco A. daarmee nastreefde waren volgens de rechercheurs radicaal: ‘Aanvallen door de antifa in scène zetten/een einde maken aan de praktijken van verraders.’ En: ‘Systeem benutten in ons voordeel/sleutelposities uitschakelen, of infiltreren, of het hele systeem verscheuren.’
Die Tageszeitung presenteert het manuscript van Franco A.’s redevoering, waarover de Bayerische Rundfunk als eerste berichtte. Daarin is te lezen over de ‘absolute triomf van de liefde over het duivelse’ en over zijn bekentenis antisemiet te zijn omdat hij het niet verdraagt ‘dat één groep de slachtofferrol voor eeuwig in pacht heeft.’ Het gaat Franco A. erom, het systeem te veranderen, het systeem dat toelaat ‘dat de autochtone meerderheid volledig onderworpen wordt.’ In de tekst roept A. zijn publiek op tot een strijd: ‘Wij moeten zelf meehelpen en daartoe hebben we alle van God gegeven recht.’
Een dag na deze voordracht wordt Franco A. in Beieren ‘subsidiaire bescherming’ toegekend als de vluchteling David Benjamin. Vijf weken later verstopt hij het pistool op de luchthaven van Wenen.
‘De hele wereld heeft Afghanistan de rug toegekeerd’, aldus de Afghaanse pers
De taliban hadden maar iets meer dan drie maanden nodig om de controle over Afghanistan terug te krijgen. Sinds het begin van de terugtrekking van de Amerikaanse troepen begin mei, hebben de opstandelingen het platteland overgenomen. Vervolgens hebben de taliban in de afgelopen twee weken alle provinciehoofdsteden ingenomen, totdat ze op zondag 15 augustus Kaboel binnentrokken.
’De taliban hebben zondag hun controle over Afghanistan effectief bezegeld door de hoofdstad binnen te dringen (…) [waarna] president Ashraf Ghani het land ontvluchtte en de regering instortte’, aldus The New York Times. ’Chaos en angst’ hebben de stad in hun greep en ‘tienduizenden mensen’ proberen wanhopig te vluchten.
’Deze terugkeer, twee decennia nadat ze uit de macht zijn verdreven, kon plaatsvinden ondanks de jaren en honderden miljarden dollars die zijn besteed om de Afghaanse regering en haar strijdkrachten te versterken’, merkt de krant bitter op. Terwijl er druk werd gespeculeerd over de bestemming van Ashraf Ghani (Tadzjikistan of Oezbekistan), kondigde voormalig president Hamid Karzai zondagavond op Twitter aan dat hij een ’coördinatieraad’ zou vormen met Abdullah Abdullah, de belangrijkste politiek tegenstander van Ghani en leider van de Afghaanse delegatie bij de vredesbesprekingen die sinds september 2020 in Doha met de taliban worden gevoerd.
Slachtoffer van grootmachten
Afghanistan is ‘een land met een geschiedenis die zo’n vijfduizend jaar teruggaat, met vele ups en downs’, aldus Afghanistan Times in haar hoofdredactioneel commentaar van 15 augustus.
Maar wat er nu gebeurt, ‘nu de Verenigde Staten en hun westerse bondgenoten het einde naderen van hun officiële termijn voor de terugtrekking van troepen na twintig jaar van onsuccesvolle aanwezigheid’, laat zien hoe Afghanistan opnieuw ‘het slachtoffer is van de spelletjes van de grootmachten van de wereld’. ‘Duizenden mensen zijn hun huizen ontvlucht (…) en hebben geen toegang tot humanitaire diensten, voedsel en medische voorzieningen’, aldus de krant, die eraan toevoegt dat ‘de oorzaak van de huidige chaos de onwetendheid van de wereld over de Afghaanse kwestie’ is.
De terugtrekking van de NAVO-troepen was ‘onverantwoord’, aangezien zij werd bekrachtigd door ‘een bilaterale overeenkomst’ tussen Washington en de taliban op 29 februari 2020. Uiteindelijk heeft ‘de hele wereld Afghanistan de rug toegekeerd’. Zij had ‘iets langer moeten wachten en de strijdende partijen in Afghanistan ertoe moeten overhalen naar een politiek akkoord te streven’, en tegelijkertijd sterke druk moeten uitoefenen ‘op Pakistan, dat de werkelijke macht heeft over de opstandige groepen’.
Drugshandel heeft de taliban alleen al zo’n 460 miljoen dollar opgeleverd
The Kabul Times vraagt zich af welke financiële middelen de taliban beschikken om hun blitzkrieg uit te voeren en de macht te heroveren. Hun plotselinge verovering mag dan ‘sommige buitenlandse functionarissen en waarnemers perplex hebben doen staan’, maar was grotendeels te danken aan ‘uitgebreide fondsenwerving’ waardoor de opstandelingen in het bezit kwamen van ‘miljoenen, zo niet miljarden dollars’, in een tempo van ‘300 miljoen tot 1,6 miljard dollar per jaar’.
Volgens een VN-rapport van juni 2021, dat gebaseerd is op door de lidstaten verstrekte informatie, is ‘het grootste deel van dit geld afkomstig van criminele activiteiten zoals opiumproductie, afpersing en ontvoering voor losgeld’. Drugshandel alleen al heeft de taliban zo’n 460 miljoen dollar opgeleverd.
Bidens ‘verraad’ zal ernstige internationale gevolgen hebben, waarschuwt de Amerikaanse pers
‘Het is het einde van het Amerikaanse tijdperk in Afghanistan’, vat The New York Times samen. In het licht van de spectaculaire overwinning van de taliban op zondag is de Amerikaanse pers zeer kritisch over het optreden van Joe Biden: ‘In Washington zeggen ambtenaren dat de snelheid van de ineenstorting van het regime de regering heeft verrast en haar heeft doen beseffen dat Biden de geschiedenis zal ingaan als de president die een vernederende slotakte leidde in een lang en moeizaam Amerikaans hoofdstuk in Afghanistan’, aldus The New York Times.
The Washington Post is verbaasd dat een president ’die bekend staat om zijn empathie’, besloot het debacle in Afghanistan zo ‘kil’ te benaderen. Toen Biden op zaterdag werd gevraagd naar zijn besluit om een einde te maken aan een twintigjarige oorlog, zei hij dat ‘nog vijf jaar Amerikaanse militaire aanwezigheid geen verschil zou hebben gemaakt, wanneer het Afghaanse leger zijn eigen land niet kan of wil verdedigen’.
‘De Amerikanen moeten niet vergeten dat dit geen burgeroorlog was die de Afghanen onderling zijn begonnen’
‘Ik kan de frustratie begrijpen die Amerikaanse beleidsmakers de afgelopen twintig jaar hebben gevoeld bij hun partners in de regering in Kaboel. Het is een zeer moeilijk proces geweest’, merkt New Yorker-journalist Steve Coll op in een interview met het Amerikaanse tijdschrift. ‘Maar suggereren dat het Afghaanse volk niet zijn deel heeft gedaan, is hen alle schuld in de schoenen schuiven, wat volgens mij niet alleen niet te rechtvaardigen is, maar ook schandalig. De Afghanen hebben generatie na generatie niet alleen een voortdurende oorlog doorstaan, maar ook de ene humanitaire crisis na de andere, en de Amerikanen moeten niet vergeten dat dit geen burgeroorlog was die de Afghanen onderling zijn begonnen,’ benadrukt Coll.
In veel Amerikaanse kranten wordt gesproken over het ‘verraad’ van de Amerikanen aan de achtergebleven Afghanen. ‘Het in de steek laten van de Afghanen die ons hielpen, die op ons rekenden, die hun leven voor ons in de waag stelden, is een schande die we hadden kunnen vermijden’, schrijft George Packer van The Atlantic. ‘De regering-Biden heeft niet geluisterd naar waarschuwingen over Afghanistan. (…). De schande ligt bij president Biden.’
‘De Chinezen grepen het debacle snel aan om te wijzen op de onbetrouwbaarheid van Amerika als partner’
De Amerikaanse terugtrekking uit Afghanistan zal waarschijnlijk ernstige gevolgen hebben voor de Verenigde Staten en de wereld, stelt journalist Debasish Roy Chowdhury in een analyse gepubliceerd in Time Magazine. ‘De terugkeer van de taliban vormt een veiligheidsrisico voor de gehele regio. Deze markeert het ontstaan van een nieuw broeinest van jihadterreur in het hart van Azië, dat islamitische strijders uit heel Zuid- en Zuidoost-Azië aantrekt en zelfs het schrikbeeld oproept van een hergroepering van IS’, merkt hij op.
Zoals vele andere commentatoren vreest ook Chowdhurry dat de rampzalige Amerikaanse terugtrekking het imago van de Verenigde Staten op het internationale toneel zal verzwakken. ‘De Chinezen grepen het debacle snel aan om te wijzen op de onbetrouwbaarheid van Amerika als partner’, merkt Chowdhury op. Zo staat in een analyse van het Chinese staatsblad Global Times, dat bekendstaat om zijn nationalistische toon, te lezen dat de gebeurtenissen in Afghanistan illustreren dat Washington ‘een onbetrouwbare speler is, die al zijn verplichtingen laat varen’.
Op een na grootste brand in de geschiedenis van Californië
Met een getroffen gebied van 187.000 hectare is de Dixie Fire vanaf zondag de op één na grootste natuurbrand in de geschiedenis van Californië, schrijft Los Angeles Times. De brand is vernoemd naar de straat waar hij op 13 juli begon, Dixie Street. Het vuur heeft al vierhonderd woningen en bedrijfsgebouwen verwoest, aldus het dagblad. De vlammenzee, die deze week het stadje Greenville in de as legde, is nog maar voor 21 procent onder controle en de brandweer vreest dat ze het vuur pas tegen 20 augustus helemaal zal hebben geblust.
‘We moeten openlijk toegeven dat deze branden worden veroorzaakt door het klimaat’
De gouverneur van Californië, Gavin Newsom, bezocht zondag de ruïnes van Greenville en sprak zijn ‘diepe waardering’ uit voor de brandweerlieden. Hoewel Californië gewend is aan bosbranden, ‘is de droogte veel ernstiger, het is heter dan ooit’, aldus Newsom in een verklaring op Twitter. ‘We moeten openlijk toegeven dat deze branden worden veroorzaakt door het klimaat.’ Officieel heeft de Dixie Fire geen slachtoffers gemaakt, maar vier inwoners van Greenville worden nog vermist.
The #DixieFire is now the largest single fire in CA history.
Greenville in Plumas County has been completely destroyed by this fire – not dissimilar to what we saw in Paradise.
There are 8,500 firefighter personnel out here – thank you for your heroic & extraordinary work. pic.twitter.com/pavsSV69V2
Mozambikaanse havenstad heroverd op opstandelingen
Het Mozambikaanse leger kondigde zondag aan dat het de stad Mocimboa da Praia had heroverd, een belangrijke haven in het noordoosten van het land en ‘het laatste bolwerk van de opstandelingen’, meldde BBC. Mozambikaanse troepen werden bij deze operatie bijgestaan door een contingent van duizend Rwandese soldaten.
Mocimboa da Praia ligt in de provincie Cabo Delgado, waar het Franse olie- en gasbedrijf TotalEnergies afgelopen voorjaar een megagasproject onderbrak vanwege jihadistische dreiging. De Mozambikaanse regering, die lange tijd gekant was tegen internationale hulp in haar strijd tegen de opstandelingen, heeft afgelopen juli eindelijk hulp van haar buurlanden geaccepteerd. Rwanda, Botswana, Zimbabwe, Zuid-Afrika en Angola behoren tot de landen in de regio die troepen hebben gestuurd. De crisis in Mozambique heeft meer dan 2800 mensenlevens geëist, vooral burgers, en meer dan 800.000 mensen zijn ontheemd geraakt.
Europa roept VS op om reizigers uit EU toe te laten
De voorzitter van de Europese Commissie, Ursula von der Leyen, heeft de Verenigde Staten opgeroepen om reizigers uit Europa toe te laten tot hun grondgebied, bericht Deutsche Welle.
Sinds juni heeft de EU de 27 lidstaten aanbevolen om reizigers uit de VS binnen te laten, maar andersom is een verbod voor reizigers uit Europa nog van kracht. ‘We dringen erop aan dat vergelijkbare regels worden toegepast op aankomsten in beide richtingen’, zei Von der Leyen tegen Duitse media. ‘We moeten dit probleem zo snel mogelijk oplossen en daarover hebben we contact met onze Amerikaanse vrienden, voegde ze eraan toe, ‘maar het mag geen weken blijven voortslepen.’
In de EU heeft 59,3 procent van de bevolking een eerste vaccin gekregen, tegenover 57,8 procent in de VS
Von der Leyen merkte op dat de epidemiologische situatie in de VS en EU-landen ‘zeer vergelijkbaar’ is. In de EU heeft 59,3 procent van de bevolking een eerste vaccin gekregen, tegenover 57,8 procent in de VS. Aan beide kanten van de oceaan stijgt het aantal gevallen overigens weer door de deltavariant, aldus DW.
Taliban claimen 90 procent van de grens te controleren
Nu het einde van de terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit Afghanistan nog maar enkele weken is verwijderd, hebben de taliban donderdag verklaard dat zij 90 procent van de grenzen van het land controleren. Zonder steun van de VS hebben de regeringstroepen moeite om het offensief van de opstandelingen in te dammen.
In een interview met het officiële Russische persbureau Sputnik zei een woordvoerder van de taliban donderdag dat de grenzen van Afghanistan met Turkmenistan en Iran ‘volledig’ onder controle van de taliban staan. ‘Wij hebben ook de grens met Pakistan in handen – op enkele kleine delen na’, zei Zabiullah Mujahid.
Volgens Gulf News zeiden de taliban ook dat zij ‘de aanwezigheid van de terreurgroep Islamitische Staat in Afghanistan niet zouden tolereren’ en dat het land na de terugtrekking van de VS geen buitenlandse troepen in het land zou toelaten, zelfs niet van Turkije, ‘dat met Washington in gesprek is om het beheer van de luchthaven van Kaboel over te nemen’.
‘We zullen geen enkele buitenlandse troepenmacht in het land zullen toelaten, onder welk voorwendsel dan ook’
‘Wij hebben het standpunt van Turkije reeds verworpen en duidelijk gemaakt dat wij na de terugtrekking van de VS uit Afghanistan geen enkele buitenlandse troepenmacht in het land zullen toelaten, onder welk voorwendsel dan ook’, aldus Mujahid.
Enkele weken geleden concludeerde de Amerikaanse inlichtingendiensten dat de Afghaanse regering reeds zes maanden na de terugtrekking van de internationale troepen zou kunnen vallen. CIA-directeur William Burns weigerde die voorspelling in een interview met NPR te onderschrijven, maar erkende wel dat ‘de ontwikkelingen zorgwekkend zijn’.
‘De taliban bevinden zich waarschijnlijk in de sterkste militaire positie sinds 2001’
De taliban boeken ‘aanzienlijke’ vooruitgang, zei hij, en bevinden zich ‘waarschijnlijk in de sterkste militaire positie sinds 2001’, toen de taliban Afghanistan onder controle hadden voordat zij door de Amerikanen werden verdreven.
Hoewel de Amerikaanse president Joe Biden heeft beloofd dat de terugtrekking van troepen eind augustus zal zijn voltooid – 95 procent van de troepen heeft het land al verlaten – blijven de Amerikaanse troepen de Afghaanse regering steunen met de middelen die zij nog hebben.
Woensdagavond heeft het Amerikaanse leger nog aanvallen uitgevoerd op de taliban in de provincie Kandahar, die gericht waren tegen ‘Amerikaans materieel dat aan de Afghaanse strijdkrachten was overgedragen en door de taliban in beslag was genomen’, meldt CNN.
Nieuwe strategie
‘Een volledige overname door de taliban is een mogelijkheid’, naast ‘vele andere scenario’s’, constateert de Amerikaanse generaal Mark Milley. ‘Wij volgen de situatie op de voet, en ik denk niet dat de uitkomst van het conflict al vaststaat’, zei hij.
Reuters sprak met hoge Amerikaanse en Afghaanse ambtenaren die zeggen dat de Afghaanse regeringstroepen, na talrijke tegenslagen op het terrein, op het punt staan hun militaire strategie te wijzigen. Zij zullen hun troepen nu ‘concentreren rond de meest kritieke gebieden, zoals Kaboel en verscheidene andere steden, grensovergangen en essentiële infrastructuur’.
‘Deze politiek gevaarlijke strategie zal onvermijdelijk resulteren in het afstaan van grondgebied aan de opstandelingen’, aldus Reuters. ‘Maar het lijkt noodzakelijk om het verlies van provinciehoofdsteden te voorkomen.’
Officieel worden de besprekingen tussen de taliban en de regering voortgezet, overeenkomstig het Doha-akkoord, waarin de voorwaarden voor Amerikaanse terugtrekking in 2020 zijn vastgelegd.
‘De taliban hebben alleen maar laten zien dat zij niet van plan zijn vrede te sluiten’
‘Een delegatie van de Afghaanse regering en vertegenwoordigers van de taliban kwamen afgelopen weekend bijeen in Doha, maar de partijen konden het niet eens worden over het langverwachte staakt-het-vuren’, schrijft Al-Jazeera.
Volgens de Afghaanse president Ashraf Ghani, geciteerd door Deutsche Welle, hebben de taliban alleen maar laten zien ‘dat zij niet van plan zijn vrede te sluiten’.
De Braziliaanse Vereniging van Automobielfabrikanten, ANFAVEA, verwacht dit jaar 389.000 auto’s te exporteren, een stijging ten opzichte van een eerdere schatting van 353.000. ‘Het was nog nooit zo moeilijk om prognoses te maken in Brazilië. Naast sociaal-economische variabelen moeten we nu ook rekening houden met de pandemie, het vaccinatietempo, politieke instabiliteit en de wereldwijd haperende aanvoer van halfgeleiders’, aldus ANFAVEA-voorzitter Luiz Carlos Moraes tegenover MercoPress.
Volgens Moraes daalde de productie van auto’s met 100.000 tot 120.000 stuks door het tekort aan halfgeleiders. Door meerdere noodzakelijke productiestops bij fabrikanten leverde juni met 166.947 voertuigen het slechtste resultaat in de afgelopen twaalf maanden.
Maduro is bereid tot dialoog met oppositie
De Venezolaanse president Nicolás Maduro heeft zich voorstander verklaard van onderhandelingen met de oppositie tijdens de aankomende besprekingen in Mexico, onder auspiciën van Noorwegen, meldt de pan-Amerikaanse website Infobae. ‘Wij zijn bereid aan tafel te gaan zitten met een realistisch, objectief en authentiek Venezolaans programma om alle noodzakelijke kwesties aan te pakken, teneinde vrede te bereiken en alle economische sancties op te heffen’, zei hij.
Bij overstromingen in het zuidwesten van Zhengzhou, de hoofdstad van de provincie Henan in het midden van China, zijn dertien mensen omgekomen en moesten honderdduizend mensen vluchten voor het water. ‘Het overlopen van een dam op woensdag verergerde de ramp nog’, meldt South China Morning Post.
‘Complete boulevards en metrotunnels stonden onder water in de stad‘, waar 12,6 miljoen mensen wonen. ‘Zware regens hebben ook andere delen van Henan getroffen, maar tot dusver zijn de chaotische taferelen die door de stortregens zijn veroorzaakt beperkt gebleven tot de provinciehoofdstad‘.
Frankrijk en VK gaan illegale immigratie harder aanpakken
Terwijl dinsdag meer dan 430 migranten het Kanaal overstaken, een recordaantal voor één dag, kondigden Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk ’s avonds aan dat zij hun samenwerking in de strijd tegen illegale immigratie aan hun gemeenschappelijke grens gaan opvoeren. In het Verenigd Koninkrijk berichtte The Guardian dat, na een videoconferentie tussen de Britse minister van Binnenlandse Zaken Priti Patel en haar Franse ambtgenoot Gérald Darmanin, ‘de Britse belastingbetaler 62,7 miljoen euro extra zal moeten afstaan aan Frankrijk om een nieuwe aanpak van de oversteek van kleine boten te financieren’.
Deze aankondiging ‘zal waarschijnlijk tot woede leiden van [Britse] parlementsleden, die in het verleden hebben betoogd dat Frankrijk verantwoordelijk zou moeten zijn voor de kosten’, merkt de krant op.
China richt zich op Afghanistan
Terwijl de veiligheidssituatie in Afghanistan steeds verder verslechtert, is de Chinese minister van Buitenlandse Zaken Wang Yi bezig met een rondreis door Centraal-Azië. De rondreis, die een week duurt, is volgens analisten een poging van Beijing om zijn invloed in de regio te vergroten, schrijft Radio Free Europe/RL. Het Chinese bezoek aan Turkmenistan, Tadzjikistan en Oezbekistan vindt plaats op het moment dat de taliban grondgebied blijft veroveren op Afghaanse regeringstroepen nu Amerikaanse en NAVO-troepen zich uit het land terugtrekken in een operatie die op 31 augustus zal moeten zijn voltooid.
Vanwege het taliban-offensief houden Beijing en de Centraal-Aziatische staten de breekbare veiligheidssituatie met argusogen in de gaten, evenals andere regionale spelers zoals Iran, Pakistan en Rusland, die allemaal belangen hebben in Afghanistan. De buurlanden van Afghanistan hebben hun diplomatieke overleg met de belangrijkste partijen in het conflict geïntensiveerd in een poging te voorkomen dat de gewapende strijd zich voortzet over de grens.
Hoe moeten we betekenis geven aan de inmiddels al meer dan 4 miljoen wereldwijde coronadoden? Niall Ferguson zet die vraag in historisch perspectief. Welke rampspoed is ons in het verleden overkomen, hoe gingen we daar toen mee om, en – belangrijker nog – hoe kunnen we toekomstig onheil voorkomen?
Deze gevallen wachtmeester, de Dood, is nauwgezet in zijn aanhoudingen.
– Hamlet
We zijn allemaal gedoemd
‘We zijn gedoemd.’ Deze zin, uitgesproken door de Caledonische Cassandra van de Britse televisieserie Dad’s Army, soldaat James Frazer, was een van de terugkerende grappen uit mijn jeugd. De truc was om het te zeggen op het minst passende moment: als de melk op was of je de laatste bus naar huis had gemist. Er is een prachtige scène in een van de afleveringen (‘Uninvited Guests’) als Frazer – gespeeld door de geweldige John Laurie – de andere leden van zijn Home Guard-eenheid een bloedstollend verhaal vertelt over een vloek. Als jongeman was hij voor anker gegaan bij een eilandje in de buurt van Samoa, waar – volgens zijn vriend Jethro – de ruïne van een tempel lag, met daarin een afgodsbeeld dat versierd was met een gigantische robijn, ‘zo groot als een eendenei’. Het tweetal ging op weg om de robijn te stelen en hakte zich een weg door het dichtbegroeide bos. Maar net toen Jethro de edelsteen pakte, verscheen er ineens een medicijnman, die Jethro vervloekte met de woorden: ‘Dood! de robijn zal u de dood brengen! dooood.’
Soldaat Pike: Is de vloek uitgekomen, meneer Frazer?
Soldaat Frazer: Ja, jongen, hij is uitgekomen. Hij is gestorven… vorig jaar; hij was zesentachtig.
Schattingen voor de wereld als geheel stelden de levensverwachting tot 1900 onder de dertig jaar
We zijn allemaal gedoemd, hoewel niet noodzakelijkerwijs vervloekt. Ik zal rond 2056 sterven, op z’n laatst. Mijn resterende levensverwachting op de leeftijd van zesenvijftig jaar en twee maanden is volgens het Amerikaanse ministerie van Sociale Zaken 26,2 jaar: daardoor kom ik uit op tweeëntachtig, vier jaar minder dan Frazers vervloekte vriend. Bemoedigender is het feit dat het Britse Office of National Statistics een man van mijn leeftijd twee jaar extra geeft, met een kans van 1 op 4 om de tweeënnegentig te halen. Om te zien of ik die getallen kon verbeteren, bezocht ik de site van Living to 100 Life Expectancy Calculator, die zijn schatting baseert op een gedetailleerde vragenlijst over je leefgewoonten en je familiegeschiedenis. Living to 100 vertelde me dat ik de eeuw waarschijnlijk niet zal halen, maar dat ik een gerede kans had om nog zesendertig jaar te leven. Het zou natuurlijk heel anders liggen als ik in januari 2020 covid-19 zou krijgen, een ziekte die destijds in mijn leeftijdsgroep een sterftekans met zich meebracht van 6 procent, en misschien iets hoger als we mijn milde astma meetellen.
De auteur
De Schots-Amerikaanse historicus Niall Ferguson is momenteel verbonden aan de Stanford-universiteit. Hij leverde bijdragen aan The Daily Telegraph, Financial Times en Newsweek, en schrijft tegenwoordig een column voor Bloomberg Opinion. Fergusons bekendste boek is Het belang van geld (The Ascent of Money), waarover hij ook een documentaireserie maakte voor Channel 4 en PBS. Hij is getrouwd met de voormalige VVD-politicus Ayaan Hirsi Ali.
Op zesenvijftigjarige leeftijd sterven zou beslist een teleurstelling zijn, maar het zou een goed resultaat zijn als je het afmeet aan de meerderheid van de 107 miljard mensen die ooit geleefd hebben. In het Verenigd Koninkrijk, waar ik geboren ben, bereikte de levensverwachting vanaf de geboorte de zesenvijftig pas in 1920. Het gemiddelde lag gedurende de periode van 1543 tot 1863 net onder de veertig. En de Britten stonden bekend om hun lange levensduur. Schattingen voor de wereld als geheel stelden de levensverwachting tot 1900 onder de dertig jaar, en tot 1960 onder de vijftig jaar. De gemiddelde levensverwachting in India was in 1911 slechts tweeëndertig jaar. De Russische levensverwachting bereikte in 1920 het dieptepunt van twintig jaar. De afgelopen eeuw liet een constant stijgende trend zien – de levensverwachting bij geboorte verdubbelde ruwweg tussen 1913 en 2006 –, maar met talloze terugvallen. De levensverwachting in Somalië is vandaag de dag zesenvijftig jaar: mijn leeftijd. Die is daar deels nog steeds zo laag omdat de kindersterfte er zo hoog is. Ongeveer 12,2 procent van de in Somalië geboren kinderen sterft voordat ze de leeftijd van vijf jaar bereiken; 2,5 procent sterft tussen vijf en veertien jaar.
Als ik probeer om mijn eigen ervaring met mens-zijn in perspectief te zetten, denk ik aan de Engelse dichter John Donne (1572-1631), die negenenvijftig jaar oud is geworden. In een periode van zestien jaar schonk Anne Donne haar echtgenoot twaalf kinderen. Drie van hen – Francis, Nicholas en Mary – stierven voor hun tiende. Anne zelf stierf bij de bevalling van haar twaalfde kind, dat dood geboren werd. Nadat Lucy, zijn favoriete dochter, gestorven was en hijzelf haar bijna in het graf gevolgd was, schreef Donne zijn Devotions upon Emergent Occasions (1624), dat de mooiste van alle aansporingen bevat om mee te leven met de doden: ‘De dood van ieder mens doet afbreuk aan mij, omdat ik betrokken ben bij de Mensheid; Vraag daarom nooit voor wie de doodsklok luidt; die luidt voor u.’
Dit was het mens-zijn, teruggebracht tot de kille essentie
De Napolitaanse kunstenaar Salvator Rosa (1615-1673) schilderde misschien wel het meest ontroerende memento mori, met de eenvoudige titel L’umana fragilità (‘De menselijke breekbaarheid’). Het was geïnspireerd op een uitbraak van de builenpest, die zijn geboortestad Napels in 1655 trof: die kostte het leven aan zijn jonge zoon Rosalvo en eiste ook dat van Salvators broer, zijn zus, haar echtgenoot en vijf van hun kinderen. Met een gruwelijke grijns reikt een gevleugeld skelet vanuit het donker langs Rosa’s minnares, Lucrezia, om haar zoontje mee te nemen, dat net zijn eerste poging doet om te schrijven. De stemming van de diepbedroefde kunstenaar wordt op een onsterfelijke manier vastgelegd in de acht Latijnse woorden die de baby, geleid door de skeletfiguur, op het canvas heeft geschreven:
Conceptio culpa
Nasci pena
Labor vita
Necesse mori
‘Verwekking is zonde, geboorte is pijn, leven is hard werken, dood is onvermijdelijk.’ Ik herinner me nog steeds dat ik als door de bliksem getroffen was toen ik die woorden las bij mijn eerste bezoek aan het Fitzwilliam Museum in Cambridge. Dit was het mens-zijn, teruggebracht tot de kille essentie. Volgens de overleveringen was Rosa een opgewekt mens, die ook schreef en optrad in satirische toneelstukken en de commedia dell’arte. Rond de tijd dat zijn zoon stierf, schreef hij echter aan een vriend: ‘Deze keer heeft de hemel me op zo’n manier getroffen dat ik besef dat alle menselijke weermiddelen zinloos zijn en de minste pijn die ik voel is nog dat ik je zeg dat ik huil terwijl ik schrijf.’ Hijzelf stierf op achtenvijftigjarige leeftijd aan buikwaterzucht.
Bijna onzichtbare gebeurtenis
In de middeleeuwen en de vroegmoderne wereld was de dood alomtegenwoordig, op een manier die we ons nauwelijks kunnen voorstellen. Zoals Philippe Ariès betoogde in L’Homme devant la mort (‘Het uur van onze dood’) werd de dood ‘getemd’ door er, net als het huwelijk en zelfs de geboorte, een sociale overgangsrite van te maken, die gedeeld werd met de familie en de gemeenschap en gevolgd werd door riten van begrafenis en rouw, die een bekende vorm van troost boden aan de nabestaanden. Vanaf de zeventiende eeuw veranderde die houding echter. Terwijl het aantal sterfgevallen verbijsterende vormen aannam, begonnen de westerse samenlevingen – ondanks het feit dat de doodsoorzaken steeds beter begrepen werden – een zekere afstand te scheppen tussen de levenden en de doden. De victorianen gingen zeer ver in het sentimentaliseren en romantiseren van de dood: ze creëerden in de literatuur ‘mooie doden’, die steeds minder te maken hadden met de werkelijkheid. De twintigste eeuw ging over op de ontkenning van ‘het einde van het leven’. Sterven werd een steeds eenzamer, antisociale, bijna onzichtbare gebeurtenis. Er kwam iets op wat Aries ‘een absoluut nieuw type sterven’ noemde, wat inhield dat zieltogende mensen werden afgevoerd naar ziekenhuizen en hospices, om ervoor te zorgen dat het moment waarop ze hun laatste adem uitbliezen discreet verborgen bleef achter de schermen. Amerikanen mijden het woord ‘sterven’. Mensen ‘gaan over’. Evelyn Waugh schreef een wrede satire over de Amerikaanse omgang met de dood in The Love One (1948), geïnspireerd op een weinig verheffend verblijf in Hollywood.
De Britse omgang met de dood is echter slechts weinig beter. In Monty Pythons The Meaning of Life is de dood een enorm faux pas. De Man met de Zeis – John Cleese, gehuld in een zwarte mantel – komt aan in een pittoresk Engels buitenhuis waar drie echtparen druk bezig zijn met een etentje.
Magere Hein: Ik ben de dood.
Debbie: Nou ja, wat een toeval! We hadden het vijf minuten geleden net over de dood…
Magere Hein: Stilte! Ik ben gekomen voor jullie.
Angela: Bedoelt u… om –
Magere Hein: Om jullie mee te nemen. Dat is mijn bedoeling. Ik ben de dood.
Geoffrey: Tja, dat werpt toch wel een beetje een schaduw over de avond.
Debbie: Mag ik u iets vragen?
Magere Hein: Wat?
Debbie: Hoe kan het dat we allemaal op hetzelfde moment sterven?
Magere Hein (na een lange stilte, wijzend naar een schaal op tafel): De zalmmousse.
Geoffrey: Schat, je hebt toch geen zalm uit blik gebruikt?
Angela: Ik schaam me rot.
Het komende eschaton
Ieder jaar sterven er over de hele wereld ongeveer 59 miljoen mensen – ruwweg de gehele wereldbevolking in de tijd dat koning David regeerde over de Israëlieten. Met andere woorden, er sterven elke dag ruwweg 160.000 mensen: het equivalent van één Oxford, of drie Palo Alto’s. Ongeveer 60 procent van degenen die sterven zijn vijfenzestig jaar of ouder. In de eerste helft van 2020 stierven er wereldwijd ruwweg 510.000 mensen aan de nieuwe ziekte covid-19 [inmiddels is het dodental de 4 miljoen gepasseerd]. Elk sterfgeval is een tragedie, zoals we zullen zien. Maar zelfs als geen van die mensen toch al niet gestorven zou zijn – wat onwaarschijnlijk is, gegeven het leeftijdsprofiel van de overledenen –, dan vertegenwoordigt dat aantal slechts een bescheiden (1,8 procent) toename in het totale aantal verwachte sterfgevallen voor de eerste helft van 2020. In 2018 stierven 2,84 miljoen Amerikanen, dus stierven er ongeveer 236.000 per maand, en 7800 per dag. Driekwart van het aantal gestorvenen was vijfenzestig jaar of ouder. Verreweg de meeste doodsoorzaken waren hartaandoeningen en kanker: samen goed voor 44 procent van het totaal. In de eerste helft van 2020 waren er volgens cijfers van de Centers for Disease Control and Prevention 130.122 Amerikaanse overlijdensgevallen aangemerkt als ‘betrekking hebbend op covid-19’. De totale (bovennormale) oversterfte van alle oorzaken lag echter dicht bij 170.000. Als geen van deze mensen toch al niet overleden zou zijn – opnieuw: onwaarschijnlijk –, dan vertegenwoordigde dat aantal een toename van 11 procent in de sterfgevallen voor die periode, boven de uitgangswaarde die afgeleid was van recente gemiddelden.
We zijn dus allemaal gedoemd, zelfs als de medische wetenschappers in staat zijn om de levensverwachting nog verder te verlengen – zoals sommigen voorspellen: tot meer dan een eeuw. Ondanks de voortgaande zoektocht naar oplossingen voor het probleem dat leven een terminale aandoening is, blijft onsterfelijkheid een droom – of, zoals Jorge Luis Borges suggereerde in ‘De onsterfelijke’: een nachtmerrie. Maar zijn we collectief gedoemd, als soort? Het antwoord is: ja.
Onze moeder, een natuurkundige, werd het nooit moe om mijn zus en mij eraan te herinneren dat het leven een kosmisch toeval is; een visie die ook gedeeld wordt door bekendere fysici als Murray Gell-Mann. Ons universum begon 13,7 miljard jaar geleden met wat fysici de Big Bang noemen. Op onze planeet ontwikkelden zich met de hulp van ultraviolette stralen en bliksem de chemische bouwstenen van het leven, die 3,5 tot 4 miljard jaar geleden leidden tot de eerste levende cel. Ongeveer 2 miljard jaar geleden zorgde seksuele reproductie door eenvoudige veelcellige organismen voor golven van evolutionaire innovatie.
Tot op de dag van vandaag zijn 99,9 procent van alle soorten die de Aarde ooit bewoond hebben uitgestorven
Ongeveer 6 miljoen jaar geleden leidde een genetische mutatie bij chimpansees tot de eerste mensachtige mensapen. Homo sapiens is extreem recent verschenen, 200.000 tot 100.000 jaar geleden: deze soort domineerde andere mensentypen ongeveer 30.000 jaar geleden en had zich rond 13.000 jaar geleden over het grootste deel van de planeet verspreid. Er moesten veel dingen precies goed gaan voor ons om tot dat punt te komen. Maar de ‘Goudhaartje’-condities waarbij wij floreren kunnen niet oneindig voortduren. Tot op de dag van vandaag zijn 99,9 procent van alle soorten die de Aarde ooit bewoond hebben uitgestorven.
Met andere woorden, om Nick Bostrom en Milan M. Ćirković te citeren: ‘Het uitsterven van intelligente soorten is al voorgevallen op de Aarde, wat inhoudt dat het naïef zou zijn om te denken dat het niet nog eens zou kunnen gebeuren.’ Zelfs als we het lot van de dinosaurussen en de dodo’s weten te vermijden, zal de toenemende lichtstraling van de zon over ongeveer 3,5 miljard jaar de biosfeer van de Aarde zo goed als gesteriliseerd hebben, maar het einde van het complexe leven op de Aarde staat al veel eerder op het programma, misschien over 0,9 tot 1,5 miljard jaar, omdat de leefomstandigheden dan onverdraaglijk zullen zijn geworden voor alles wat op ons lijkt. ‘Dat is het standaardlot voor leven op onze planeet.’ Het is denkbaar dat we in staat zullen zijn om een andere bewoonbare planeet te vinden als we het probleem van intergalactisch reizen oplossen, wat het reizen over haast onvoorstelbaar grote afstanden inhoudt. Zelfs dan zullen we uiteindelijk in tijdnood komen, omdat de laatste sterren ruwweg over 100 biljoen jaar zullen uitdoven, waarna alle materie uiteen zal vallen tot haar basisbestanddelen.
De gedachte dat we, als soort, nog ongeveer 1 miljard jaar overhebben op de Aarde zou geruststellend moeten zijn. En toch lijken sommigen ernaar te verlangen dat de doemdag al veel eerder komt dan dat. De ‘eindtijd’ of eschaton (van het Griekse eschatos) komt voor in de meeste grote wereldreligies, inclusief de oudste, het zoroastrisme. De Zand-i Wahman Yasn (een middeleeuwse zoroastrische apocalyptische tekst) voorziet niet alleen in misoogsten en algeheel moreel verval, maar ook in ‘een donkere wolk die de hele lucht tot nacht maakt’ en een regen van ‘verderfelijke schepsels’. Hoewel de hindoe-eschatologie aanneemt dat er vaste tijdscycli zijn, wordt van de huidige cyclus, Kali Yuga, verwacht dat die gewelddadig eindigt als Kalki, de laatste incarnatie van Vishnu, op een wit paard aan het hoofd van een leger afdaalt om ‘rechtvaardigheid tot stand te brengen op aarde’. Ook in het boeddhisme zijn er apocalyptische scènes. Gautama Boeddha voorspelde dat zijn profetieën na 5000 jaar vergeten zouden zijn, wat leidt tot de morele degeneratie van de mens. Een bodhisattva genaamd Maitreya zal dan verschijnen en de leerstellingen van de dharma herontdekken, waarna de wereld vernietigd wordt door de dodelijke straling van zeven zonnen. De Scandinavische mythologie heeft haar Ragnarök (schemering der goden), waarin een vernietigend grote winter (Fimbulvetr) de wereld in duisternis en wanhoop zal storten. De goden zullen tot de dood strijden met de krachten van de chaos, vuurreuzen en andere magische schepsels (jötunn). Uiteindelijk zal de oceaan de hele wereld overspoelen. (Wagner-liefhebbers kunnen hier een versie van zien in zijn Götterdämmerung.)
In elk van deze religies is vernietiging de prelude van wedergeboorte. De abrahamitische religies daarentegen hebben een lineaire kosmologie: het einde der dagen is echt Het Einde. Het jodendom voorspelt een Tijdperk van de Messias, met de terugkeer naar Israël vanuit de verbanning van de Joodse Diaspora, de komst van de Messias en de wederopstanding uit de dood. Het christendom – het geloof dat gevestigd is door volgers van de man die zei deze Messias te zijn – biedt een veel rijkere versie van het eschaton. Voorafgaand aan de Tweede Komst van Christus (parousia) zal er, zoals Jezus zelf aan zijn volgelingen vertelde, een tijd komen van ‘grote beproevingen’ (Mattheüs 24:15-22), ‘verschrikkingen’ (Marcus 13:19) of ‘dagen van wraak’ (Lucas 21:10-33 geeft van alle evangeliën de meeste details). De Openbaring van Johannes biedt wellicht de meest treffende visioenen van de doemdag: van een oorlog in de hemel tussen Michaël en zijn engelen tegen Satan, een tussenperiode waarin Satan wordt neergeworpen en duizend jaar wordt vastgebonden, waarna Christus een millennium lang regeert met wederopgestane martelaren aan zijn zijde, totdat de Hoer van Babylon verschijnt, dronken van het bloed van de heiligen, rijdend op een scharlakenrood beest, en er een grote strijd wordt uitgevochten op de heuvels van de Armageddon. Daarna wordt Satan losgelaten, om vervolgens in een meer van brandende zwavel te worden gegooid. Uiteindelijk worden de doden beoordeeld door Christus en worden de onwaardigen in het vlammende meer geworpen. De beschrijving van de vier ruiters van de Apocalyps is verbijsterend:
En ik zag hoe het Lam het eerste van de zegels opende en ik hoorde een van de vier dieren met een stem als van een donderslag zeggen: Kom en zie! En ik zag en zie, een wit paard, en Hij Die erop zat, had een boog. En Hem was een kroon gegeven en Hij trok uit, overwinnend en om te overwinnen. En toen het Lam het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen: Kom en zie!
En een ander paard, dat rood was, trok uit, en aan hem die erop zat, werd macht gegeven de vrede van de aarde weg te nemen, en te maken dat men elkaar zou afslachten. En hem werd een groot zwaard gegeven. En toen het Lam het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde dier zeggen: Kom en zie! En ik zag, en zie, een zwart paard, en hij die erop zat, had een weegschaal in zijn hand.
En ik hoorde te midden van de vier dieren een stem zeggen: Een maat tarwe voor een penning en drie maten gerst voor een penning. En breng de olie en de wijn geen schade toe.
En toen het Lam het vierde zegel geopend had, hoorde ik de stem van het vierde dier zeggen: Kom en zie!
En ik zag, en zie: een grauw paard en die erop zat, zijn naam was de dood, en het rijk van de dood volgde hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel van de aarde om te doden met het zwaard, met honger, met de dood en door de wilde dieren van de aarde. (Openbaringen 6:1-8)
De Dag der Wrake wordt aangekondigd door een geweldige aardbeving, een zonsverduistering en een bloedmaan. De sterren vallen op de aarde en de bergen en eilanden worden ‘van hun plaats verschoven’.
Een slim onderdeel van de christelijke eschaton was de onzekerheid waarin Christus zijn discipelen achterliet over de tijdsbepaling ervan: ‘Maar die dag en dat uur is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, maar alleen aan Mijn Vader.’ (Mattheüs 24:36)
De vernietiging van Jeruzalem in het jaar 70 door toedoen van de Romeinse legerleider (en later keizer) Titus werd door de vroege christenen geïnterpreteerd als vervulling van Jezus’ profetie dat de Tweede Tempel zou worden verwoest, maar de daaropvolgende spectaculaire gebeurtenissen die Christus had voorspeld bleven uit. Tegen de tijd van Augustinus van Hippo leek het verstandig om het millennium af te zwakken, zoals hij deed in De Stad van God (De Civitate Dei, uit het jaar 426), waarin hij het verwees naar het gebied van het onkenbare en (impliciet) de verre toekomst.
Misschien biedt het verval van het christelijke millennium een verklaring voor het revolutionaire effect van Mohammeds nieuwe religie, toen die in de zevende eeuw tevoorschijn kwam uit de Arabische woestijn. In een aantal opzichten heeft de islam gewoon de meest opwindende delen van de Openbaringen afgestoft. In Mekka leerde Mohammed zijn volgelingen dat de Dag des Oordeels voorafgegaan zou worden door de verschijning van de eenogige al-Masih ad-Dajjāl (de valse messias), met een entourage van 70.000 joden uit Isfahan. Isa (Jezus) zal dan afdalen om te triomferen over de valse messias. In de soennitisch doctrine houdt de ashrāṭ al-sā‘a – het einde der tijden – onder meer in dat er een grote zwarte rookwolk (dukhān) de aarde bedekt, dat er een aantal verzakkingen plaatsvinden in de aarde en dat Ya‘jūj en Ma‘jūj (Gog en Magog) verschijnen om de aarde te verwoesten en de gelovigen af te slachten. Nadat Allah zich heeft ontdaan van Gog en Magog, komt de zon op in het westen en verrijst de Dābbat al-Ard (het Beest van de Aarde) uit de grond; nadat de hemelse trompet geklonken heeft, verrijzen ook de doden (al-Qiyāmah) voor het laatste oordeel (Yawm al-Hisāb). Maar toen deze profetie niet vervuld werd, keerde Mohammed zich ongeduldig af van de verlossing en naar het imperialisme. Allah, zo betoogde hij in Medina, wilde dat de moslims zijn eer bewaarden door de ongelovigen te straffen; dat ze overgingen van het afwachten van de Dag des Oordeels tot de uitvoering ervan door middel van de jihad. De eschatologie van de sjiieten is in brede zin gelijk aan die van de soennieten, maar met de terugkeer van de twaalfde imam, Mohammed al-Mahdi, die wordt verwacht na een periode van afnemende moraal en eerbaarheid.
Talloze moderne cultusleiders hebben hun volgelingen ervan overtuigd dat het einde nabij was
Voor christenen waren de islamitische veroveringen in het Nabije Oosten en Noord-Afrika niet meer dan de grootste van een aantal gruwelijke dreigingen: Vikingen, Magyaren en Mongolen bedreigden het christendom ook. Deze en andere rampen werden door sommigen geïnterpreteerd als aanduidingen van de eindtijd: de christelijke eschatologie is nooit volledig op de achtergrond geraakt. Joachim van Fiore (1135-1202) verdeelde de geschiedenis in drie tijdvakken, waarvan het derde het laatste was. Op eenzelfde manier waren er in de nasleep van de Zwarte Dood in de jaren veertig van de veertiende eeuw – in termen van sterfgevallen de grootste ramp die de christenen ooit getroffen heeft – mensen die concludeerden dat het einde nabij was. In 1356 schreef een franciscaner monnik genaamd Johannes van Roquetaillade zijn Vademecum in tribulationibus, waarin hij een tijd vol problemen in Europa voorspelde, die gekenmerkt zou worden door sociale onrust, stormen, overstromingen en nog meer plagen. Vergelijkbare quasi-revolutionaire visioenen inspireerden de taborieten in Bohemen in 1420 tot hun plunderingen en de franciscaan Johann Hilten in 1485 tot zijn profetieën over de nadagen van het pausdom. Na Maarten Luthers baanbrekende aanval op de kerkelijke hiërarchie gaf het millenianisme onderling sterk verschillende sekten als de anabaptisten, de diggers en de levellers het vertrouwen om de gevestigde autoriteiten te trotseren. Hoewel de navolging van het millennium in de achttiende eeuw afnam, herleefde de belangstelling ervoor weer in de negentiende en de twintigste eeuw, toen sommige volgelingen van de zogenaamde profeet William Miller, later bekend geworden als de zevendedagsadventisten, een nieuwe kerk oprichtten met een sterke millennialistische doctrine, die het einde van de wereld voorzag in 1844. (De millerieten noemden het feit dat de mensheid dat jaar overleefde ‘De Grote Teleurstelling’.) Jehova’s getuigen en leden van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (mormonen) hebben allebei hun eigen kenmerkende opvattingen over de komst van het eschaton. Talloze moderne cultusleiders hebben hun volgelingen ervan overtuigd dat het einde nabij was. Een aantal van hen – met name Jim Jones, David Koresh en Marshall Applewhite – wisten plaatselijke apocalypsen te bereiken in de vorm van massazelfmoorden.
Kort gezegd: het einde van de wereld is opmerkelijk vaak teruggekomen in de vastgelegde geschiedenis.
Doemdagen
Je zou denken dat de vooruitgang van de wetenschap de mensheid uiteindelijk zou bevrijden van religieuze en pseudoreligieuze eschatologie. Dat is niet noodzakelijk zo. Zoals de socioloog James Hughes zei, zijn maar weinig mensen ‘immuun voor millenniumvooroordelen, positief of negatief, fatalistisch of messianistisch’. Iets meer dan een eeuw geleden, toen de eerste echt geïndustrialiseerde oorlog in zijn laatste fase zat – een oorlog die gevoerd werd met tanks, vliegtuigen, onderzeeërs en gifgas – waren er verschijningen van de maagd Maria in het Portugese dorp Fatima, was er een veldslag bij Armageddon (Megiddo, in wat toen Palestina was), werd er een joodse thuisbasis uitgeroepen in het Heilige Land, was er een Duits offensief dat Aartsengel Michaël heette en brak er een pandemie uit die dodelijker was dan de oorlog zelf. Een van de vele voorboden van een komende apocalyps was de opkomst van Vladimir Iljitsj Lenin, die een golf van antikerkelijk geweld en beeldenstormen ontketende in het hele Russische Rijk. Zoals The New York Times op 21 juni 1919 meldde werd Lenin door Russische boeren alom gezien als ‘niemand anders dan de antichrist die in de Schrift is voorspeld’.
Voor de in Keulen geboren politiek theoreticus Eric Voegelin was de realiteit dat het communisme, net als het nazisme dat hij in 1938 moest ontvluchten, gebaseerd was op een onjuiste interpretatie van het christendom. Voegelin definieerde ‘gnosis’ als ‘een ogenschijnlijk direct, onmiddellijk begrip of visioen van de waarheid zonder de noodzaak voor kritische reflectie; de speciale gave van een spirituele en cognitieve elite’. Gnostiek, betoogde hij, was een ‘manier van denken die aanspraak maakt op een absoluut cognitief meesterschap van de werkelijkheid’. Toen dat de vorm aannam van een politieke religie, verborg het een gevaarlijke en misleidende ambitie om ‘de eschaton in zich te herbergen’ – met andere woorden: om een hemel op aarde te creëren. Voegelins moderne gnostiek probeerde ‘de maatschappij weer te vergoddelijken (…) door massalere vormen van participatie in de goddelijkheid te vervangen door geloof in de christelijke zin’. (Voegelin speculeerde dat deze verschuiving naar ‘massale deelname’ een antwoord kon zijn op de vrijwel onmogelijke taak om een authentiek christelijk geloof in stand te houden.) Veel recenter schreef de historicus Richard Landes in dezelfde geest, toen hij dezelfde aandrang ontdekte in een breder gebied van historische en moderne millenniumbewegingen, tot en met het salafi-jihadisme en radicale milieubewegingen.
In plaats van de eschaton te verdringen, leek de wetenschap die dichterbij te brengen. Toen J. Robert Oppenheimer getuige was van de eerste kernexplosie in White Sands, New Mexico, deed hij de beroemde uitspraak dat hij dacht aan Krishna’s woorden uit de Bhagavad Gita (het ‘Lied van God’ uit de hindoecultuur): ‘Ik ben de dood geworden, de vernietiger van werelden.’ Aan het prille begin van de Koude Oorlog verzon de kunstenares Martyl Langsdorf, wier echtgenoot een van de sleutelfiguren van het Manhattan Project was, het beeld van een Doomsday Clock. Het verscheen voor het eerst in het Bulletin of the Atomic Scientists als illustratie van de angst van vele fysici – onder wie sommigen die betrokken waren geweest bij de schepping van de atoombom – dat een ‘uit technologie voortkomende catastrofe’ weleens heel nabij zou kunnen zijn. Middernacht op de Doomsday Clock betekende het nucleaire armageddon. Vele jaren lang was het de hoofdredacteur van het Bulletin, Eugene Rabinowitch, die besloot waar de wijzers van de klok stonden. Na zijn dood nam een commissie het over: die kwam tweemaal per jaar bijeen om de klok bij te stellen. Tijdens de Koude Oorlog kwam de Doomsday Clock het dichtst bij middernacht: in de jaren 1953-1959 werden de wijzers op twee minuten voor twaalf gezet. De wetenschappers dachten ook dat de jaren 1984-1987 vol gevaren waren: toen was het vier jaar lang drie minuten voor twaalf. De populaire literatuur weerspiegelde die angsten. On the Beach (1957) van Nevil Shute speelt in het jaar 1963 en de inwoners van Melbourne wachten hulpeloos op een dodelijke wolk radioactieve fall-out in de nasleep van de Derde Wereldoorlog, die – niet zo plausibel – op gang gebracht werd door een nucleaire aanval van Albanië op Italië. De keus is die tussen zwaar drinken en een door de overheid verschafte zelfmoordpil. In de graphic novel When the Wind Blows (1982) van Raymond Briggs bouwt een ouder echtpaar, Jim en Hilda Bloggs, plichtsgetrouw een atoomschuilkelder, waarbij ze doen alsof de Derde Wereldoorlog net zo goed te overleven is als eerder de Tweede Wereldoorlog.
Op de een of andere manier is de doemsdreiging van vandaag altijd beter dan die van het jaar ervoor
Toch is het nog maar de vraag hoe betrouwbaar de Doomsday Clock is. Vandaag de dag zijn historici het erover eens dat het gevaarlijkste moment in de Koude Oorlog de Cubaanse raketcrisis geweest is. Maar de Doomsday Clock stond in 1962 op zeven minuten voor middernacht en ging in het daaropvolgende jaar terug naar 23.48 uur. Dat veranderde niet toen president Lyndon B. Johnson de Amerikaanse betrokkenheid bij de oorlog in Vietnam opschaalde. Opmerkelijk genoeg besloten de atoomwetenschappers in januari 2018 dat we weer twee minuten voor Armageddon zaten. Twee jaar later zetten ze de klok vooruit op 100 seconden voor middernacht, op grond van de overweging dat ‘de mensheid nog steeds te maken heeft met twee gelijktijdige existentiële gevaren: nucleaire oorlogsvoering en klimaatverandering. Die dreiging wordt vermenigvuldigd door een in cyberspace gevoerde informatieoorlog, die het voor de samenleving moeilijk maakt om te reageren. De internationale veiligheidssituatie is hachelijk, niet alleen omdat deze dreigingen bestaan, maar omdat de wereldleiders hebben toegestaan dat de internationale politieke infrastructuur om die te beheersen is uitgehold.’ Op de een of andere manier is de doemsdreiging van vandaag altijd beter dan die van het jaar ervoor.
De nachtmerrie van een atoomoorlog was niet het enige apocalyptische visioen dat de wereld tijdens de Koude Oorlog kwelde. Van de jaren zestig tot de jaren tachtig leidde de angst voor wereldwijde overbevolking tot een opeenvolging van meestal ondoordachte en vaak ronduit schadelijke pogingen om de voortplanting in de zogeheten Derde Wereld te ‘beheersen’. Stephen Enke van de rand Corporation betoogde dat arme mensen betalen om in te stemmen met sterilisatie of het inbrengen van een spiraaltje 250 keer zo effectief zou zijn om ontwikkeling te bevorderen als andere vormen van hulp. Paul Ehrlichs boek The Population Bomb (1968), geschreven in opdracht van de Sierra Club, voorspelde dat er in de jaren zeventig massasterfte zou optreden, met verwoestende hongersnoden die honderden miljoenen mensen zouden doden. Lyndon Johnson werd erdoor overtuigd, net zoals de meerderheid van de leden van het Congres, waardoor het budget voor geboorteregeling van het Amerikaanse Agentschap voor Internationale Ontwikkeling verhoogd werd met een factor twintig. Als president van de Wereldbank verklaarde Robert McNamara, de voormalige Amerikaanse minister van Defensie, in 1969 dat de bank geen gezondheidszorg zou financieren ‘tenzij die strikt gerelateerd was aan geboortebeperking, aangezien gezondheidszorg doorgaans bijdroeg aan de afname van sterftecijfers, en daarmee aan de bevolkingsexplosie’. Sommige Amerikaanse instellingen – waaronder de Ford Foundation en de door Rockefeller opgezette Population Council – speelden met het idee van onvrijwillige massasterilisatie van hele bevolkingsgroepen. Deze consequenties illustreren eens te meer dat mensen die overtuigd zijn van een denkbeeldige naderende apocalyps veel schade kunnen toebrengen. Het aanmoedigen, zo niet afdwingen, van het gebruik van spiraaltjes bij Indiase vrouwen en sterilisaties bij Indiase mannen heeft veel leed veroorzaakt. Op het hoogtepunt van de Indiase noodtoestand in het midden van de jaren zeventig liet de regering van Indira Gandhi meer dan 8 miljoen sterilisaties uitvoeren. Bijna 200.000 mensen stierven door mislukte operaties. De Verenigde Naties ondersteunden ook het door de Chinese Communistische Partij zelfs nog wreder uitgevoerde ‘éénkindbeleid’. Achteraf gezien was de oplossing voor het probleem van de bevolkingstoename niet massasterilisatie, maar de Groene Revolutie in de land bouwtechnologie, waarvan agronomen als Norman Borlaug de pioniers waren. De huidige millennialisten zijn de profeten van de catastrofale klimaatverandering. ‘Rond 2030,’ schreef de Zweedse milieuactiviste Greta Thunberg, ‘zullen we in een positie verkeren waarin een onomkeerbare kettingreactie wordt ingezet, zonder dat mensen daar invloed op kunnen uitoefenen, die zal leiden tot het einde van onze beschaving, zoals wij die kennen.’ ‘De wereld zal over twaalf jaar eindigen, als wij niets doen aan de klimaatverandering,’ voorspelde het Amerikaanse Democratische Congreslid Alexandria Ocasio-Cortez in 2019.
Thunbergs verschijning als de verpersoonlijking van radicaal milieuactivisme doet denken aan eerdere vormen van eschatologie, zeker vanwege de ernst van de offers die ze eist. ‘We hebben geen “koolstofarme economie” nodig,’ verklaarde ze in januari 2020 bij het World Economic Forum. ‘We hebben niet “minder uitstoot” nodig. Onze uitstoot moet stoppen als we een kans willen hebben om onder het doel van 1,5 graad te blijven (…) Elk plan of beleid van jullie dat geen radicale uitstootbeperking bij de bron inhoudt, met ingang van vandaag, is volkomen onvoldoende.’ De nieuwe groene revolutie – of de ‘Green New Deal’ – die wordt voorgesteld door Ocasio-Cortez, Thunberg en anderen impliceert een drastische reductie van alle CO2-uitstoot, waarbij nauwelijks rekening wordt gehouden met de economische en sociale kosten. We komen later op dit onderwerp terug; op dit moment volstaat het om te zeggen dat waarschuwingen voor het komende einde van de wereld het risico lopen (net als het roepen van ‘de wolf!’ in het sprookje) door herhaling minder geloofwaardig te worden.
Al deze groepen zijn er gezamenlijk in geslaagd om niet minder dan 100 van de afgelopen 0 einden der wereld te voorspellen
Het onontkoombare feit blijft bestaan: profeten van het millennium, gnosti sche navolgers van de eschaton, wetenschappers die waarschuwen voor rampen en auteurs die zich die voorstellen: al deze groepen zijn er gezamenlijk in geslaagd om niet minder dan 100 van de afgelopen 0 einden der wereld te voorspellen. In de theaterkomedie Beyond the Fringe (1961) speelt Peter Cook de rol van Broeder Enim, een profeet die zijn volgelingen naar een bergtop leidt om de apocalyps af te wachten.
Jonathan Miller: Hoe zal het zijn, dat einde waarover u gesproken hebt, Broeder Enim?
Allen: Ja, hoe zal het zijn?
Peter Cook: Tja, het zal zijn alsof er een machtige scheuring in de lucht is, weet je, en de bergen zullen wegzinken, weet je, en de valleien zullen omhoogkomen, weet je, en groot zal het lawaai zijn dat daardoor veroorzaakt wordt.
Miller: Zal de voorhang van de tempel in tweeën gereten worden?
Cook: De voorhang van de tempel zal in tweeën gereten worden, ongeveer twee minuten voordat we het teken zullen zien dat zich openbaart als een vliegende beestenkop in de lucht.
Alan Bennett: En zal er een machtige wind waaien, Broeder Enim?
Cook: Jazeker zal er een machtige wind waaien, als we het woord van God mogen geloven…
Dudley Moore: En zal die wind zo machtig zijn dat de bergen erdoor platgelegd worden?
Cook: Nee, zo machtig zal die nu ook weer niet zijn; daarom hebben we nu juist deze berg beklommen, stomme eikel…
Miller: En wanneer komt dat einde, waarover u gesproken hebt?
Allemaal: Ja, wanneer zal het zijn, wanneer zal het zijn?
Cook: Over ongeveer dertig seconden, volgens de oude perkamentrollen uit de piramiden… en mijn Ingersoll-horloge.
De profeet en zijn volgelingen zetten zich schrap voor het einde van de wereld en tellen af:
Cook: Vijf, vier, drie, twee, één – nul!
Allemaal: (Zingend.) Nu is het Einde! De Wereld Vergaat!
Stilte.
Cook: Het was omgerekend naar deze tijdzone, toch?
Miller: Ja.
Cook: Nou ja, het is niet echt de vlammenzee waar ik op gerekend had. Geeft niet, jongens: morgen dezelfde tijd… Ooit moeten we het een keer goed hebben.
De statistieken van een calamiteit
Waar we echt bang voor moeten zijn, is een grote ramp die ons niet allemaal doodt, maar wel een groot aantal van ons. Het probleem is dat we moeite hebben om ons zowel de potentiële schaal als de waarschijnlijkheid van rampen voor te stellen. ‘Een enkele dode is een tragedie; een miljoen doden is een statistiek.’ Dat aforisme wordt meestal toegeschreven aan Stalin. Die toeschrijving kan worden teruggebracht op een column uit 1947 in The Washington Post, waarin Leonard Lyons schreef:
‘In de dagen dat Stalin de commissaris van Munitie was, werd er een vergadering gehouden met de hoogste commissarissen in rang. Het belangrijkste gespreksonderwerp was de hongersnood die toen heerste in de Oekraïne. Een van de functionarissen stond op en hield een toespraak over deze tragedie – de tragedie dat er miljoenen mensen stierven van de honger. Hij begon sterftecijfers op te sommen (…) Stalin onderbrak hem en zei: ‘Als slechts één man sterft van de honger, is dat een tragedie. Als miljoenen sterven, is het slechts statistiek.’
Lyons vermeldde geen bron, maar ofwel hij of Stalin heeft de zinsnede vrijwel zeker geleend van Kurt Tucholsky, die deze op zijn beurt toeschreef aan een Franse diplomaat. ‘Oorlog? Dat vind ik niet zo verschrikkelijk. De dood van één mens, dat is een catastrofe. Honderdduizend doden, dat is een statistiek.’ We zien ook een versie van deze mentaliteit in onze tijd, merkte Eliezer Yudkowsky op: ‘Mensen die er niet over zouden peinzen om een kind pijn te doen, horen over een existentieel risico en zeggen: “Tja, misschien verdient de mensheid het niet echt om te overleven.” (…) De uitdaging die existentiële risico’s stellen is zodanig, en de catastrofes zijn zo enorm, dat mensen in een andere denkmodus schieten. Dan is het sterven van mensen ineens niet langer slecht en vereisen gedetailleerde voorspellingen ineens geen expertise meer.’
We moeten op z’n minst proberen de statistieken begrijpelijk te maken. Rekening houdend met het grote gebrek aan historische bronnen kunnen we zeggen dat er in de gehele vastgelegde geschiedenis waarschijnlijk zeven grote pandemieën zijn geweest met een groter sterftecijfer dan 1 procent van de geschatte wereldbevolking. Daarvan hebben er vier meer dan 3 procent gedood en twee – de Pest van Justinianus en de Zwarte Dood – meer dan 30 procent, hoewel het dodental van de laatstgenoemde ziekte heel goed veel lager kan zijn geweest. Ook de beschikbare gegevens over de sterfgevallen als gevolg van oorlogshandelingen wijzen op slechts een klein aantal extreem dodelijke conflicten. Gegevens van de fysicus L.F. Richardson en de sociale wetenschapper Jack Levy wijzen – net als andere, meer recente studies – op zeven grootschalige oorlogen die meer dan 0,1 procent van de geschatte wereldbevolking doodden in de dagen dat ze uitbraken. In absolute termen waren de twee wereldoorlogen de dodelijkste conflicten in de geschiedenis. In Richardsons analyse van alle ‘dodelijke conflicten’ tussen 1820 en 1950 waren de wereldoorlogen de enige oorlogen van zwaarte: de enige met dodentallen van tientallen miljoenen. Ze waren goed voor drie vijfde deel van alle doden in zijn steekproef, waartoe behalve oorlog een moord en andere vormen van doodslag behoorden. In de Eerste en Tweede Wereldoorlog kwam respectievelijk 3 procent van de wereldbevolking van 1914 en 1939 om het leven; ook al vonden er verhoudingsgewijs misschien vernietigender conflicten plaats in eerdere perioden, vooral de oorlogen uit het tijdperk van de Drie Koninkrijken in het China van de derde eeuw, tussen de Han- en Jin-dynastieën.
Over het algemeen gezien zijn ziektekiemen aanzienlijk dodelijker geweest dan oorlogen
In relatieve termen – dat wil zeggen: naar proportie van gedode strijdkrachten – behoort de Oorlog van de Drievoudige Alliantie (1864-1870) tot de dodelijkste uit de moderne geschiedenis. Toch is dit conflict vrijwel onbekend buiten de drie landen die erin vochten: Argentinië, Brazilië en Uruguay, die samen optrokken tegen Paraguay. Over het algemeen gezien zijn ziektekiemen aanzienlijk dodelijker geweest dan oorlogen. Het is zelfs zo dat de meeste mensen die hun leven verloren tijdens de Oorlog van de Drievoudige Alliantie stierven aan een ziekte, niet door vijandige acties. Volgens schattingen van Pasquale Cirillo en Nassim Taleb ‘heeft geen enkel gewapend conflict ooit meer dan 19 procent van de wereldbevolking gedood’. De conquistadores vermoordden in verhouding minder inwoners van Midden- en Zuid-Amerika dan de ziekten die ze met zich mee brachten uit Europa, waartegen de inheemse volkeren geen weerstand hadden.
Soortgelijke exercities kunnen worden uitgevoerd voor zowel burgeroorlogen als genocides en democides – massamoorden op bevolkingsgroepen, in tegenstelling tot sterfgevallen als gevolg van oorlog tussen landen. Het totaal aantal slachtoffers van het stalinisme in de Sovjet-Unie kan hoger liggen dan 20 miljoen; een behoorlijke ‘statistiek’. Sterftecijfers van meer dan 10 procent zijn ook geschat voor Pol Pots schrikbewind in Cambodja, evenals voor de burgeroorlogen in Mexico (1910-1920) en Equatoriaal Guinee (1972-1979). In Richardsons lijst met conflicten van zwaarte 6 zijn zes van de zeven daarvan burgeroorlogen: de Taiping-opstand (1851-1864), de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865), de Russische Burgeroorlog (1918-1920), de Chinese Burgeroorlog (1927-1936), de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) en het totaal van de slachtpartijen die gepaard gingen met de onafhankelijkheid en opdeling van India (1946-1948). We zijn geneigd om aan te nemen dat geen enkele eeuw zo bloederig was als de twintigste. Toch wordt gezegd dat het exemplarische geweld dat gebezigd werd door de dertiende-eeuwse Mongoolse leider Dzjengis Khan de bevolkingen van Centraal-Azië en China gereduceerd heeft met meer dan 37 miljoen; een aantal dat, als het correct is, gelijkstaat met ongeveer 10 procent van de wereldbevolking op dat moment. Timurlengs laatveertiende-eeuwse veroveringen in Centraal-Azië en Noord-India waren al net zo berucht bloederig, met een geschat dodental van meer dan 10 miljoen. De Mantsjoe-verovering van China in de zeventiende eeuw kan het leven gekost hebben aan niet minder dan 25 miljoen mensen. Naast de Taiping-opstand veroorzaakten diverse andere Chinese opstanden in de periode voor 1900 een menselijk lijden op een schaal die gelijkstaat of zelfs hoger is dan wat de inwoners is aangedaan door burgeroorlogen in de twintigste eeuw. Van de achtste-eeuwse An Lushan-opstand wordt aangenomen dat die het leven kostte aan meer dan 30 miljoen mensen. Net zo vernietigend voor de provincies die erdoor getroffen werden, waren de vrijwel gelijktijdige opstanden van Nien en Miao, en de moslimopstanden in Yunnan en in het noordwesten van China. In deze gevallen moeten de dodentallen worden afgeleid van provinciale en plaatselijke volkstellingen die verricht zijn voor en na de opstanden. De bevolkingsafnamen lijken dodentallen in te houden die variëren van 40 tot 90 procent, maar ook in dit geval is het aannemelijk dat ziekten en hongersnoden net zoveel doden veroorzaakten als georganiseerd geweld, en waarschijnlijk veel meer. Ten slotte is er een reden om aan te nemen dat de sterftecijfers als gevolg van de West-Europese verovering en kolonisatie van het Amerikaanse continent en van Afrika in sommige perioden net zo hoog zijn geweest als die in de twintigste eeuw.
Het aantal doden in de Congo onder Belgisch bewind kan rond de 20 procent van de bevolking hebben gelegen
Zoals zojuist al is opgemerkt, viel de overgrote meerderheid van de slachtoffers van de Europese verovering van Noord- en Zuid-Amerika ten prooi aan ziekten, niet aan geweld. Dus wie in dit verband spreekt van ‘genocide’ tast de waarde van historische terminologie net zozeer aan als degenen die de negentiende-eeuwse hongersnoden in India ‘victoriaanse holocausts’ noemen. Niettemin vertonen de gedwongen slavernij van het Congolese volk door de Belgische kroon na 1886 en de onderdrukking van de Herero-opstand door de Duitse koloniale autoriteiten in 1904 gelijkenissen met twintigste-eeuwse georganiseerde gewelddaden. Het aantal doden in de Congo onder Belgisch bewind kan rond de 20 procent van de bevolking hebben gelegen. De geschatte sterftecijfers in de Herero-oorlog zijn nog hoger: meer dan 1 op 3. Wat dit conflict, in verhouding, tot het bloedigste in de hele twintigste eeuw maakt. Het absolute aantal doden was echter 76.000, terwijl in de Congo tussen 1886 en 1908 naar schatting 7 miljoen doden vielen. Hoewel het gebruikelijk is om gegevens te normaliseren door percentages te be rekenen, moeten we altijd bedenken dat, anders dan bij Stalin, 1 miljoen doden altijd 1 miljoen tragedies inhouden – 1 miljoen premature en pijnlijke sterfgevallen –, of de noemer nu wordt uitgedrukt in tientallen miljoenen of in miljarden, en of die nu worden uitgevoerd door twee oorlogvoerende supermachten of door 1 miljoen moordenaars. De wereldoorlogen waren goed voor ongeveer 36 miljoen doden (ongeveer 60 procent van alle ‘dodelijke conflicten’ in Richardsons onderzoeksperiode van 130 jaar). Richardson was verbaasd te merken dat de daaropvolgende categorie uit de gebeurtenissen bestond met een magnitude van 0 (conflicten waarbij één tot drie personen stierven), die verantwoordelijk waren voor 9,7 miljoen doden. Het restant van de 315 onderzochte oorlogen, gecombineerd met alle duizenden conflicten van gemiddelde grootte, was goed voor minder dan een kwart van de slachtoffers van alle dodelijke conflicten. We moeten ook rekening houden met het feit dat juist dankzij de gestegen levensverwachting een sterfgeval in de twintigste eeuw – vooral in de rijke landen van Europa en Noord-Amerika – bijna altijd een groter verlies inhield, in termen van levenskwaliteit, dan een sterfgeval in eerdere tijdvakken.
Veel van de grootste economische rampen in de geschiedenis vielen, niet toevallig, samen met de grote pandemieën en conflicten die hier besproken zijn. Maar niet allemaal. De Grote Depressie, die over het algemeen wordt gedateerd vanaf de Wall Street-crash van oktober 1929, was het gevolg van structurele wanverhoudingen in de wereldeconomie, een rigide systeem van vaste wisselkoersen, protectionisme en fouten op het gebied van monetair en fiscaal beleid. De econoom Robert Barro heeft de beste lijst opgesteld die voorhanden is met de economische rampen van de twintigste eeuw, gerangschikt op hun effect op het reële bruto nationaal product (bnp) per hoofd van de bevolking en op de financiële consequenties. Van de 60 dalingen van 15 procent of meer in reëel bnp per hoofd van de bevolking waren er 38 toe te schrijven aan oorlogen en de nasleep daarvan, 16 waren het gevolg van de Grote Depressie. Van de 35 landen in zijn steekproef vonden de grootste dalingen (elk van 64 procent) plaats in Griekenland (van 1939 tot 1945) en Duitsland (van 1944 tot 1946). De ervaringen met de Tweede Wereldoorlog waren niet veel beter in de Filipijnen en Zuid-Korea: beide landen kenden een vermindering van het bnp per hoofd van de bevolking van 59 procent. Omdat het Verenigd Koninkrijk bijzonder lange historische overzichten heeft, is het mogelijk om moderne economische indicatoren van economische ontberingen vast te stellen in op z’n minst de laatste drie eeuwen, en voor Engeland zelfs tot in de late dertiende eeuw. Volgens de Bank of England blijkt het slechtste jaar in de Engelse geschiedenis 1629 te zijn geweest (toen de economie met 25 procent inkromp), met 1349 (een krimp van 23 procent) als goede tweede. (De reden voor de ernst van de krimp in 1629 ligt niet direct voor de hand: de oorlog met Spanje verliep slecht, maar de grootste militaire operaties vonden dat jaar plaats in het Caribische gebied. Het jaar is in de politieke geschiedenis vooral bekend als het begin van de elf jaar durende ‘Persoonlijke Heerschappij’ van Karel I, zonder parlement.) Het laatste jaar met een krimp van meer dan 10 procent was in 1709, toen de economische activiteiten in heel Europa ernstig werden beperkt door de ‘Grote Vorst’, de koudste winter in 500 jaar. Deze vorstperiode werd toegeschreven aan de uitzonderlijk lage zonnevlekactiviteit die bekendstaat als het Maunder Minimum, in combinatie met vulkaanuitbarstingen in de twee voorafgaande jaren van de Fuji in Japan, op het eiland Santorini en van de Vesuvius. Het ergste jaar van de twintigste eeuw was 1921 (min 10 procent), een periode van hoge naoorlogse deflatie en grote werkloosheid. Toch kan geen enkele periode van vijf jaar opwegen tegen de late jaren veertig van de veertiende eeuw, een periode waarin de Zwarte Dood het bevolkingsaantal met meer dan 40 procent reduceerde. Halverwege 2020 leek dat jaar de ergste krimp in de Britse geschiedenis te laten zien sinds 1709: eind juni voorspelde het Internationale Monetaire Fonds een teruggang van 10,2 procent in het bnp.
Onvolledige gegevens
Er zijn echter grenzen aan wat we kunnen afleiden van economische gegevens. Tijdens het schrijven van een dissertatie over de Duitse hyperinflatie van 1923, en opnieuw bij het bestuderen van de financiële gevolgen van de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog, heb ik geleerd dat de tijden van de meest intense crises ook de tijden zijn waarin economische statistieken niet meer worden bijgehouden of alleen foutief worden bijgehouden. De Wereldbank heeft een omvangrijke verzameling gegevens met daarin het bnp per hoofd van de bevolking van bijna alle landen in de wereld sinds 1960. Maar als je kijkt naar de landen die in de afgelopen zestig jaar het meest te lijden hebben gehad van economische en politieke ontwrichting – Afghanistan, Cambodja, Eritrea, Irak, Jemen, Libanon, Somalië, Syrië en Venezuela –, dan zijn er in alle gevallen, weinig verrassend, gaten in de gegevens die samenvallen met de perioden van maximale ontwrichting. Wie kan precies zeggen hoe ernstig hun economische rampen geweest zijn? Het enige wat we weten is dat diezelfde landen bijna allemaal gevonden kunnen worden aan de top van de Fragile States Index, die ooit een ranglijst van ‘mislukte’ landen was. Een andere uitdaging is de (op het eerste gezicht paradoxale) constatering dat de periode 1914-1950, een tijdvak waarin twee wereldoorlogen, een depressie en een ineenstorting van de globalisering vielen, ook een periode was waarin de ontwikkeling van de mensheid – in brede zin gemeten in termen van levensverwachting, opleiding, het percentage van het nationaal inkomen dat besteed wordt aan sociale projecten en het niveau van democratie – over een breed front significant is vooruitgegaan.
Rampen zijn kortom moeilijker te kwantificeren dan je zou verwachten, zelfs in de moderne tijd van statistieken. Dodentallen zijn vaak onnauwkeurig. Om de betekenis van een ramp te begrijpen, moeten we niet alleen het absolute aantal lijken weten, maar ook de oversterfte: het aantal sterfgevallen dat anders niet zou zijn voorgekomen, in verhouding tot basisgegevens die worden berekend als een gemiddelde van recente jaren. Bij een poging om de schaal van een ramp vast te stellen, kan de keuze van een referentiepopulatie een groot verschil maken. Wat in 1943 een catastrofale hongersnood was voor sommige delen van Bengalen, lijkt al met al kleiner als het dodental wordt uitgedrukt als een percentage van de gehele Indiase bevolking, en staat in geen verhouding tot de wereldbevolking in de context van de ergste oorlog die de wereld ooit trof. Mijn doel is om de lezer in staat te stellen de verschillende soorten rampspoed te vergelijken, niet om te beweren dat alle rampen op een bepaalde manier hetzelfde zijn. Tot september 2020 had covid-19 naar schatting 0,0114 procent van de wereldbevolking gedood, waarmee het plaats 26 inneemt op de lijst van de meest rampzalige pandemieën uit de geschiedenis. De Spaanse griep van 1918-1919 was ruwweg 150 keer dodelijker. Maar voor de steden met de meeste besmettingen was covid-19 in de maanden dat ze het zwaarst getroffen werden net zo erg als de Spaanse griep, zo niet erger. In termen van oversterfte was april 2020 in de stad New York bijna 50 procent meer dan oktober 1918, en drieënhalf keer meer dan september 2001, de maand van de aanslag op het World Trade Center. In de eerste helft van 2020 werd de bevolking van Londen net zo hard getroffen door covid-19 als door de Duitse raketaanvallen in de tweede helft van 1944, waardoor de regering in beide gevallen met een vergelijkbare uitdaging geconfronteerd werd: hoe konden de mensen beschermd worden tegen een dodelijke dreiging zonder de stad te verlammen? Dit is niet bedoeld om Al-Qaida of de nazi’s te vergelijken met het virus SARS-CoV-2, maar puur om te laten zien dat een ramp, in de zin van oversterfte, diverse vormen kan aannemen en toch vergelijkbare uitdagingen kan stellen.
Ieder prematuur sterfgeval is, zoals Stalin misschien inderdaad gezegd heeft, op een bepaalde manier een tragedie; hoe jonger het slachtoffer, des te pijnlijker het sterfgeval, en des te groter de tragedie. Maar sommige rampen zijn op een authentiekere manier tragisch dan andere.
Dit artikel is een voorpublicatie uit Rampspoed (Doom) van Niall Ferguson, dat onlangs is verschenen bij uitgeverij Hollands Diep in een vertaling van Ed van Eeden en Jaap Verschoor.
In Ethiopië nemen rebellen de hoofdstad van Tigray weer in
De Ethiopische regering heeft afgelopen maandag een ‘unilateraal en onvoorwaardelijk staakt-het-vuren’ afgekondigd in Tigray, de provincie waar het rebellerende Tigray People’s Liberation Front (TPLF) de hoofdstad Mekelle heroverde. Volgens de internationale pers is dit een grote tegenslag voor premier Abiy Ahmed, die in november nog beweerde de regio onder controle te hebben.
Dit is een ‘groot keerpunt’ in het conflict in Tigray, schrijft The New York Times. Maandag trokken troepen die loyaal zijn aan de dissidente autoriteiten in dat deel van Noord-Ethiopië, Mekelle binnen, waar de regering na bijna acht maanden vechten een staakt-het-vuren beval. Het Ethiopische leger bezet sinds november vorig jaar de regio Tigray, na de controle van de regionale regering te hebben overgenomen. Maar de Tigrese troepen (TPLF) brachten maanden door met hergroeperen en rekruteren van nieuwe strijders, en kwamen na enkele tegenaanvallen van afgelopen week terug naar de hoofdstad Mekelle.
Al-Jazeera bevestigt dat TPLF, de voormalige regerende partij van de regio, maandag de controle over de hoofdstad van Tigray heeft herwonnen. Inwoners beweren voor het eerst sinds november troepen met regionale uniformen in de stad te hebben gezien.
Tegenslag
Verschillende bronnen vertelden BBC dat mensen op straat opgetogen zijn en dat op sociale media sympathisanten van de Tigrinya-rebellen te zien zijn die met vlaggen door de straten marcheren.
‘De snelle opmars van de Tigrese troepen is een grote tegenslag voor de regering van de Ethiopische premier Abiy Ahmed’, legt The New York Times uit. Toen het federale leger vorig jaar naar Tigray werd gestuurd om dissidente lokale autoriteiten af te zetten, verzekerde Abiy Ahmed dat de operatie slechts een paar weken zou duren. Mekelle werd op 28 november ingenomen. Maar de gevechten tussen TPLF-troepen en het Ethiopische federale leger, gesteund door troepen van regionale autoriteiten in de buurt van Amhara en het leger van Eritrea, dat grenst aan Tigray, werden nooit echt beëindigd.
‘Veel jonge mensen, handelaren en boeren hebben zich aangesloten bij TPLF’
Het TPLF lanceerde vorige week een offensief, terwijl in een groot deel van de rest van het land nationale verkiezingen werden gehouden, waarvan de resultaten nog moeten worden bekendgemaakt. ‘Veel jonge mensen, handelaren en boeren hebben zich aangesloten bij TPLF’, vertelde een functionaris in de interim-regering van Tigray aan The Washington Post. ‘Ze hebben het gevoel dat ze vechten voor hun voortbestaan. Ze zullen nooit stoppen met vechten, dat is zeker. Dat is nu ondenkbaar.’
Het eenzijdige staakt-het-vuren dat maandag is afgekondigd, heeft volgens de regering tot doel de voedselproductie en de verdeling van humanitaire hulp mogelijk te maken. De wapenstilstand zou in ieder geval moeten duren tot het einde van het oogstseizoen in Tigray, dat in september eindigt.
‘Het aanhoudende conflict leidt tot een snel verergerende humanitaire crisis, die er volgens de VN voor zorgt dat 350.000 mensen, waarvan 140.000 kinderen, op de rand van hongersnood verkeren, zo bericht Emmanuel Akinwotu, correspondent van The Guardian in West-Afrika.
Kinderen zijn doelwit van jihadisten in Mozambique
In een jaar tijd zijn naar verluidt zeker vijftig kinderen ontvoerd in de Mozambikaanse provincie Cabo Delgado, waar de bevolking sinds 2017 massaal op de vlucht is voor jihadisten, schrijft Le Courrier International. Meisjes moeten trouwen onder dwang en worden onderworpen aan seksueel geweld, terwijl jongens worden geïndoctrineerd en getraind om te doden.
Die alarmerende signalen klinken ook in de Mozambikaanse pers. Op 20 juni wijdde de krant O Paíseen artikel aan het voortdurende humanitaire drama in Cabo Delgado. Deze provincie, die rijk is aan natuurlijke hulpbronnen, is gelegen in het uiterste noordoosten van het land aan de grens met Tanzania, en is sinds 2017 het strijdtoneel voor bloeddorstige eenheden onder leiding van islamitische terroristen, waarvan sommigen zijn gelieerd aan de Islamitische Staat.
‘In april waren er 732.000 ontheemden in Cabo Delgado’, schrijft het dagblad, ‘waarvan 46 procent kinderen.’ Deze laatsten, verzwakt door de exodus, vallen ten prooi aan de jihadisten, schrijft Myrta Kaulard, coördinator van de Verenigde Naties in Mozambique, in O País: ‘Er zijn meldingen van meisjes en vrouwen die zijn ontvoerd, gedwongen werden tot huwelijken en die seksueel worden misbruikt, evenals berichten over kinderen die onder dwang worden gerekruteerd voor gewapende groepen.’
‘In een jaar tijd zijn ten minste 51 kinderen ontvoerd door gewapende, opstandige groepen
De ngo Save the Childen, geciteerd door de krant Notícias, stelde eerder deze maand vast dat ‘in een jaar tijd ten minste 51 kinderen, voornamelijk meisjes, zijn ontvoerd door gewapende, opstandige groepen in de provincie Cabo Delgado’. Deze cijfers geven alleen de gemelde gevallen weer, aldus het artikel; het daadwerkelijke aantal kinderontvoeringen ligt veel hoger.
Indoctrinatie
Mussa Amade bevestigt dit in een artikel vanLusa News Agency. Amade is gevlucht uit Palma, een stad die afgelopen 24 maart door jihadisten werd bestormd tijdens een spectaculaire aanval, dichtbij faciliteiten die Total aan het opzetten was voor een toekomstig gasproject. Amade ‘vertelt over nachten waarin vreemden de huizen binnenkwamen om te doden, te ontvoeren en te plunderen wat ze konden’.
Het conflict tussen islamitische terroristen en het Mozambikaanse leger, dat volgens de ngo ACLED al minstens 2800 levens heeft geëist, wordt op de voet gevolgd door João Feijó, die werkt voor de ngo Observatório do Meio Rural. In een interview dat hij eerder deze week gaf aan Deutsche Welle, zegt de onderzoeker: ‘De opstandige gewapende groepen die actief zijn in Cabo Delgado breiden hun gelederen uit door jonge mensen te ontvoeren. Het gaat om kinderen en pre-adolescenten vanaf twaalf jaar, die ze indoctrineren en militair training geven. Dat worden degenen die vervolgens aanslagen uitvoeren.’
‘Het deradicalisering van kindsoldaten zal nog lange tijd duren’
Het is een fenomeen dat niet nieuw is in Mozambique, constateert João Feijó, aangezien ‘er al honderden kindsoldaten werden gerekruteerd tijdens de burgeroorlog’, die het land zestien jaar lang teisterde. Het probleem dat zich toen voordeed, duikt weer op benadrukt hij: ‘De waarheid is dat de regering strijdt tegen kinderen die zich in het tegenovergestelde kamp bevinden, hetzij onder dwang, hetzij vrijwillig. Het wordt steeds moeilijker om mensen aan te vallen waarvan niet bekend is of het burgers of opstandelingen zijn.’
De tragedie zal nog lang voortduren, voegt hij eraan toe: ‘ouders waarvan kinderen werden ontvoerd, hebben geen toegang meer tot gerechtigheid. Ze kunnen nergens hun beklag doen omdat de autoriteiten in het noorden van het land zelf op de vlucht zijn geslagen. Het deradicaliseren van deze kindsoldaten, van wie sommigen heroïsche verhalen opdissen over aanslagen die ze pleegden, en het opnieuw professioneel integreren ervan, zal nog lange tijd duren.’
De temperaturen in Siberië overtreffen momenteel die van Delhi, schrijft de Indiase nieuwssite DNA. Volgens de site registreerden twee EU-satellieten een temperatuur van 48 graden Celsius aan de grond in Arctisch Siberië tijdens een aanhoudende hittegolf.
We weten allemaal, schrijft DNA, dat Rusland en dan vooral het noordelijke deel van Sint-Petersburg via Moskou tot aan Siberië, een van de koudste regio’s op aarde is. Maar klimaatverandering is zeer zichtbaar in dit deel van de wereld. De registratie van 48 graden Celsius werd gedaan door de Copernicus Sentinel 3A- en 3B-satellieten van de EU op 20 juni, de langste dag van het jaar.
Sint-Petersburg en Moskou braken vorige week decenniaoude temperatuurrecords
De temperaturen in Sint-Petersburg stegen vorige week dinsdag tot een recordhoogte van 34 graden, en daarmee beleefde de stad de hoogste temperaturen sinds 1998. De temperaturen in Moskou braken een dag later een record toen ze 34,8 graden bereikten. Het vorige record van 34,7 graden, stamt uit 1901.
In Siberië lag de temperatuur van het landoppervlak zondag boven de 35 graden en pieken van 48 graden werden geregistreerd bij Verchojansk en van 37 graden in Saskylach, die beide ten noorden van de poolcirkel liggen.
Klimaatverandering
Het is een voorspelbare start van het zomerseizoen, volgens DNA, na een lente waarin honderden bosbranden het Siberische platteland verschroeiden en grote steden verduisterden en bedekten met dekens van rook.
Veel van deze lentebranden worden ‘zombievuren’ genoemd omdat het bosbranden betreft die vorige zomer begonnen, nooit volledig werden geblust en nu weer opflakkeren. De zombievuren smeulen maandenlang onder winterijs en sneeuw, gevoed door het koolstofrijke veen onder het oppervlak. Met de komst van de dooi in de lente, laaiden de oude vuren weer op.
Mei 2021 was Delhi’s warmste meimaand ooit
De gemiddelde temperaturen in het noordpoolgebied stijgen al jarenlang veel sneller dan waar dan ook op aarde, grotendeels doordat zee-ijs smelt als gevolg van door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde.
Ondertussen zijn New Delhi en de omliggende gebieden in India dit jaar ook getuige van een zomer met recordtemperaturen, met kwik dat steeg tot 45 graden. Mei 2021 was Delhi’s warmste meimaand ooit, met maximumtemperaturen van 45 graden of zelfs hoger.
Het is bizar maar waar: op 20 juni lagen de temperaturen in Delhi tussen de 25 en 35 graden, veel lager dus dan de thermometers in Siberië aangaven.
West-Papoea dient als nieuwe basis voor islamitische terroristen
Onlangs heeft in West-Papoea een reeks arrestaties van islamitische militanten van de terreurorganisatie Jamaah Ansharut Daulah (JAD) plaatsgevonden. Een teken dat de meest oostelijke provincie van Indonesië de ideale uitvalsbasis is geworden voor deze terreurgroep, die sterk is gedecentraliseerd, schrijft Kompas.
‘Eind mei werden ten minste elf militanten van de Jamaah Ansharut Daulah (JAD) in een district in het zuiden van West-Papoea in hechtenis genomen. Woordvoerder Argo Yuwono van de nationale politie bevestigde dat de vermoedelijke militanten geen inheemse Papoea’s waren, maar migranten uit Java en Sulawesi die al enige tijd in Merauke [de administratieve hoofdstad van het district] woonden’, aldus de Indonesische krant.
Bij de arrestatie nam de politie chemicaliën en wapens in beslag die de verdachten wilden gebruiken om aanslagen te plegen op kerken en Petrus Canisius Mandagi, de aartsbisschop van Merauke.
Aman Abdurrahman
JAD werd in 2014 opgericht door Aman Abdurrahman op het eiland Nusakambangan, een penitentiair centrum voor de zuidkust van Java waar terroristen en drugshandelaren worden vastgehouden. Vanuit zijn cel wist deze islamitische militant duizenden jonge Indonesiërs op te roepen om aan de zijde van IS in Syrië te gaan vechten.
Sinds 2016 is JAD verantwoordelijk voor verschillende aanvallen op kerken in de archipel, met als meest recente de aanval op Palmzondag in maart 2021 op een kerk in Makassar, op het eiland Sulawesi. Een aanslag waarbij de twee zelfmoordterroristen omkwamen en twintig mensen gewond raakten. In 2018 werd Aman Abdurrahman ter dood veroordeeld, maar tot op heden is hij niet geëxecuteerd.
The Jakarta Post citeert een rapport uit 2021 van het in Jakarta gevestigde Institute for Policy Analysis of Conflict (Ipac). Deze merkt op dat JAD, in tegenstelling tot de Jamaah Islamiyah (JI), de organisatie achter de bomaanslagen op Bali in 2002, altijd gedecentraliseerd is geweest, met weinig of geen coördinatie of overdracht van informatie tussen de verschillende eenheden.
West-Papoea wordt al decennia geteisterd door separatistische conflicten
Analisten denken dat de leden, afkomstig uit Sumatra, Java en Sulawesi, naar West-Papoea zijn gekomen om te ontsnappen aan de Densus 88-antiterreureenheid, die haar hardhandig optreden tegen de groep van 2019 tot 2021 heeft opgevoerd. ‘Geografisch gezien is West-Papoea voor hen voordelig’, vertelt Stanislaus Riyanta, een in Jakarta gevestigde inlichtingen- en terrorismedeskundige, aan The Jakarta Post.
De westelijke helft van het eiland Papoea, waarvan de bevolking overwegend christelijk is, werd in 1969 door Indonesië geannexeerd. Sindsdien wordt het geteisterd door separatistische conflicten, die onlangs weer zijn opgelaaid. In april 2021, na de dood van het hoofd van de regionale inlichtingendienst tijdens een hinderlaag door pro-onafhankelijkheidsrebellen in de hooglanden van Papoea, heeft de Indonesische regering de gewapende pro-onafhankelijkheidsgroepen van Papoea op de lijst van terroristische organisaties geplaatst. Een lijst waarop ook JAD en andere islamistische bewegingen staan.
Hoewel de meeste analisten betwijfelen of JAD zich, gezien hun ideologische verschillen, zal aansluiten bij gewapende Papoea-onafhankelijkheidsgroepen, waarschuwt Stanislaus Riyanta dat de plaatselijke aanwezigheid van JAD zou kunnen leiden tot een escalatie van conflicten en terreur in de regio. ‘Als je een gemeenschappelijke vijand hebt, kan alles gebeuren. We moeten in de gaten houden hoe de dingen zich ontwikkelen.’
De kritische Hongkongse krant Apple Daily stopt ermee
Vandaag verschijnt Apple Daily voor het laatst. Het moederbedrijf van de krant, Next Digital, heeft dit op woensdag 23 juni na een bestuursvergadering bekendgemaakt: ‘Apple Daily heeft besloten dat de krant zijn activiteiten vanaf middernacht zal staken en dat 24 juni de laatste verschijningsdag zal zijn’, meldt de Hongkongse krant South China Morning Post.
Voor Duanchuanmei (The Initium), een nieuwswebsite die ook in Hongkong is gevestigd, betekent het besluit het verlies van ‘de [laatste] kritische stem in het publieke debat in Hongkong’. In 1995 werd Apple Daily opgericht, twee jaar voordat het Britse grondgebied aan China werd teruggegeven.
‘Al onze bankrekeningen zijn nu in handen van de autoriteiten, waardoor we geen salarissen kunnen betalen’
Na de arrestatie van vijf directieleden op donderdag 17 juni en de bevriezing van de banktegoeden, verkeerde de krant in ernstige financiële moeilijkheden. Mark Simon, een assistent en adviseur van de eigenaar van de krant, Jimmy Lai – die sinds augustus 2020 in hechtenis zit – bevestigde dit aan de Zwitserse krant Le Temps: ‘Al onze bankrekeningen zijn nu in handen van de autoriteiten, waardoor we geen salarissen kunnen betalen en niet aan onze financiële verplichtingen aan onze leveranciers en verkopers kunnen voldoen.’
De directie had op maandag (21 juni) aangekondigd dat zij zichzelf tot vrijdag de tijd zou geven om te beslissen wat te doen aan het begrotingstekort; zij had ook verklaard de inbeslagneming van haar activa bij een rechtbank in Hongkong aan te vechten om een deel van de middelen terug te krijgen. Bijna de helft van de journalisten kondigde maandag of dinsdag hun vertrek aan, maar degenen die zijn gebleven zworen om ‘tot het uiterste te gaan’, volgens berichten in South China Morning Post.
‘De stemmen van de dissidenten gaan online of naar het buitenland. Hun invloed zal nooit die van Apple Daily evenaren’
Maar de druk is de afgelopen dagen blijven toenemen. Afgelopen woensdag (23 juni) nog arresteerde de politie van Hongkong Yeung Ching-kee, actief als hoofdredacteur van de krant onder het pseudoniem Li Ping.
Dankzij de nationale veiligheidswet die op 30 juni 2020 is aangenomen, is de uitvoerende macht van Hongkong begonnen met een beleid van massale repressie. Deze ontwikkeling heeft angst gezaaid in de mediawereld, met de gedwongen verbanning van journalisten en prodemocratische dissidenten. ‘Het verdwijnen van Apple Daily laat diepe sporen na’, schrijft The Initium. ‘De stemmen van de dissidenten gaan online of naar het buitenland. Hoewel ze nu onaantastbaar zijn door de autoriteiten, zal hun invloed nooit die van Apple Daily evenaren.’
Pedro Sánchez verleent gratie aan negen Catalaanse separatisten
Op dinsdag 22 juni heeft de Spaanse regering officieel gratie verleend aan de negen Catalaanse separatistische politici die sinds 2017 in Spanje gevangen zitten. Dit symbolische besluit is een politieke zet van de premier Sánchez, analyseert de Spaanse pers.
‘Dit besluit vloeit voort uit de noodzaak om de co-existentie te herstellen,’ aldus de premier. Op dinsdag 22 juni heeft Pedro Sánchez in een korte toespraak vanuit het Moncloa-paleis in Madrid een van de belangrijkste beslissingen van zijn regeerperiode tegenover zijn medeburgers gerechtvaardigd. Enkele minuten eerder had zijn regering in de ministerraad ingestemd met het verlenen van gratie aan de negen Catalaanse politici, die gevangen waren gezet na het eenzijdig afgekondigde onafhankelijkheidsreferendum in Catalonië in de herfst van 2017.
‘Het verlenen van gratie is een zeer symbolische stap naar de oplossing van het conflict’
Hoewel een deel van Catalaanse onafhankelijkheidsbeweging geen genoegen neemt met gratie en amnestie eist (waarbij ook het vonnis ongedaan zal worden gemaakt), is het besluit van de Spaanse president een mijlpaal. Het is ‘een politieke triomf’, aldus La Vanguardia, een Catalaans dagblad dat voorstander is van gematigd regionalisme. ‘Het verlenen van gratie is een stap – geen beslissende stap, maar een zeer symbolische stap – naar de oplossing van een conflict dat alleen met politieke middelen kan worden beëindigd.’
De door de Spaanse regering verleende gratie niet volledig: de politici worden vrijgelaten, maar mogen zich nog steeds niet verkiesbaar stellen.
De negen hooggeplaatste separatistische leiders waren in 2019 door de Spaanse justitie veroordeeld tot maximaal dertien jaar gevangenisstraf. Verscheidene van hen genoten sinds eind januari van een regime van semivrijheid.
Het besluit heeft geen gevolgen voor Catalaanse activisten die voor onafhankelijkheid zijn en in ballingschap leven, zoals de voormalig voorzitter van de Generalitat (de autonome regering van Catalonië), Carles Puigdemont, die in België verblijft. De centrale regering wil nog steeds dat deze bannelingen worden uitgeleverd en in Spanje worden berecht.
Dialoog
Volgens de linkse onlinekrant El Diario stelt het verlenen van gratie Madrid in staat de ‘dialoog met Catalonië’ te hervatten om een uitweg uit de Catalaanse crisis te vinden. Hoofdredacteur Ignacio Escolar legt uit: ‘Wat [in 2017] kapot is gemaakt, kan alleen worden gerepareerd door een meerderheid van de Catalanen te laten stemmen voor een nieuw pact met Spanje, dat in de grondwet zal moeten worden vastgelegd.’
Het conservatieve kamp – PP (rechts), Vox (extreem-rechts) en zelfs Ciudadanos (centrumrechts) – wijst het pardon echter categorisch af. Evenzo bracht het Spaanse Hooggerechtshof eind mei een ongunstig advies over de zaak uit.
‘Gratie verlenen is geen daad van vrijgevigheid jegens berouwvolle misdadigers, maar een onwaardige politieke strategie’
‘Gratie verlenen is geen daad van vrijgevigheid jegens berouwvolle misdadigers, maar een onwaardige politieke strategie, die miljoenen Spanjaarden op de knieën dwingt die deze chantage niet kunnen aanvaarden’, aldus ABC.
Het rechtste dagblad beweert dat de strategie van Sánchez erop gericht is ‘zijn mandaat te redden door de stemmen van ERC [de Catalaanse partij Republikeins Links, die de socialistische premier in staat had gesteld om begin 2020 aan de macht te blijven] veilig te stellen’.
Pedro Sánchez zal zijn besluit op 30 juni in het Spaanse Congres van Afgevaardigden toelichten. De komende dagen zullen de Catalaanse separatisten uit de gevangenis worden vrijgelaten.
Met de taliban had niemand in Afghanistan meer rekening gehouden. De VS zonden in 2001 hun troepen naar het land om ‘te bewijzen dat het mogelijk is de situatie (…) ten goede te keren en er het kwaad uit te roeien’, schrijft Wolfgang Bauer in het openingsverhaal van deze editie (p. 12), geselecteerd voor de Distinguished Reporting Award van de European Press Prize. Het kwaad, dat waren de taliban.
Nu de VS hun troepen na twintig jaar terugtrekken, duiken de strijders weer op. En hoe gevreesd ze ook zijn, voor velen vormen ze ook een bron van hoop in een van de armste landen ter wereld.
Moed
Journalisten van Die Zeit kregen zeldzame toestemming het land van de taliban, dat officieel op geen enkele kaart staat, te betreden. Voorgangers die op het woord van een talibancommandant vertrouwden, werden ontvoerd. ‘Als we het gebied verlaten waar de regering aan de macht is, voelt dat als volledig controleverlies’, schrijft Bauer. Dankzij zijn moed zien we in deze schitterende reportage de complexiteit van wat in Afghanistan echt speelt, zowel onder de taliban, als onder de bevolking.
Moed is ook wat de regering van Israël nodig heeft om het conflict in Oost-Jeruzalem op te lossen, aldus Haaretz (p. 32). Volgens twee Israëlische onderzoekers bestaat er een ‘vernieuwende oplossing’ die louter voordelen met zich meebrengt – ze noemen er maar liefst vier – voor de Hebreeuwse staat. Maar deze houdt vast aan de fictie van een ‘lokaal conflict’.
Wie, in de termen van de Chinese app TikTok, ‘lelijk’ of ‘arm’ is, wordt volgens officieel beleid geweerd
Die moed tonen wel de Aziatische vloggers die ondanks het heersende schoonheidsideaal in hun land – een zo licht mogelijke teint – uitdragen dat er niks mis is met vitiligo, een aandoening waarbij de huid pigment verliest en vlekken vertoont (p. 42). TikTok hoeven ze voor hun boodschap niet in te schakelen: wie niet voldoet aan het uiterlijk of de status waar nieuwe bezoekers voor vallen – oftewel, in de termen van de Chinese app, wie ‘lelijk’ of ‘arm’ is – wordt volgens officieel beleid geweerd, ontdekte onderzoeksplatform The Intercept (p. 28).Een groot deel van Afrika is er maar mondjesmaat vertegenwoordigd
Zo ook proberen spelers van het tijdens de pandemie razend populair geworden GeoGuessr ‘lelijke’ en ‘arme’ beelden te weren uit hun spel. De spelers moeten aan de hand van enkele foto’s op Street View bepalen waar op de wereld ze zich bevinden. Maar doordat van sommige landen vooral amateurfoto’s zijn geplaatst, wordt deze missie bemoeilijkt. Zo is een groot deel van Afrika door de dienst maar mondjesmaat vertegenwoordigd (p. 34).
Als de GeoGuessrs zich behalve in hun spel ook zouden verdiepen in wat hier echt speelt, zou hun wereldbeeld weliswaar minder scherp omlijnd worden, maar daardoor ook juist helderder.
In interviews met westerse media stelde ze Bashar in de schaduw. Ze was zijn ambassadeur in landen waar hij niet graag werd gezien, wilde Damascus omvormen tot Europese metropool en ging uit winkelen terwijl de stad afbrandde. Wie is de vrouw die in het naoorlogse Syrië de touwtjes in handen heeft?
De keuze van hoofdredacteur Laura Weeda
Dit Economist-artikel is buitengewoon goed geschreven en geeft een heel mooi en genuanceerd beeld van de ontwikkelingen in Syrië de laatste dertig jaar vanuit een verrassend perspectief: de First Lady, Asma al-Assad. Ooit was ze in Syrië een gevierde vrouw die van Damascus één groot cultureel park wilde maken, nu komt ze vooral mysterieus en meedogenloos over. In haar levensverhaal wekt ze soms bewondering op, dan weer zijn haar gedrag en beslissingen volstrekt onnavolgbaar.
Deze longread van Nicholas Pelham geeft ook goed weer hoe wankel geopolitieke relaties zijn door het grote contrast tussen Damascus als opbloeiende stad, toen Al-Assad er kwam wonen, en de ruïne die de hoofdstad van Syrië nu is.‘
Afgelopen zomer circuleerde een foto van de First Lady van Syrië op social media. In het noordwesten van het land bombardeerden regeringstroepen op dat moment de overgebleven verzetshaarden. De foto toont Asma al-Assad, haar man Bashar al-Assad en hun drie kinderen op een winderige heuveltop, geflankeerd door soldaten in camouflagetenue. Met zijn windjack, sportschoenen en poloshirt vlot over zijn broek lijkt Bashar in alles op een huisvader die zijn kroost meeneemt op een zondagmiddagwandelingetje, en in niets op een man die dissidenten laat martelen. Asma oogt wat stijfjes, houdt haar armen langs haar lichaam. Witte spijkerbroek, sportschoenen en zo’n vliegeniersbril waar despoten in het Midden-Oosten om de een of andere reden dol op zijn. Ze staat midden op de foto; Bashar, president van Syrië, schurkt wat onhandig tegen haar aan.
Achter Asma is een bedrieglijk vredig landschap te zien. Tien jaar na de Arabische lente, waarin miljoenen mensen in het Midden-Oosten zich tegen repressieve regimes keerden, heeft de heersende familie van Syrië de macht behouden en daar een gruwelijke prijs voor geëist.
Het regime heeft honderdduizenden Syriërs vermoord en er ruim 14.000 doodgemarteld. De helft van de bevolking sloeg op de vlucht, waarmee de grootste vluchtelingencrisis sinds de Tweede Wereldoorlog een feit werd. Iran, Turkije, de Verenigde Staten en Rusland, stuk voor stuk streden ze direct of indirect om invloed op Syrische bodem. In de hele Arabische wereld is de hoop op een betere toekomst vermorzeld, maar nergens ging dat met zo veel bloedvergieten gepaard als in Syrië.
Marie Antoinette
Asma’s ster is in die tijd echter tot ongekende hoogte gerezen. Haar pad naar de heerschappij over dit verwoeste land was bochtig en legde ze af in vele gedaanten: de financieel expert van J.P. Morgan die tot in de kleine uurtjes doorwerkte om lucratieve deals uit het vuur te slepen; de glamoureuze First Lady die in de overtuiging verkeerde dat sociale hervormingen en haute couture een pariastaat konden moderniseren; de Marie Antoinette van Damascus, die uit winkelen ging, ook al stond haar land in brand; de moeder van de natie, die tegen kanker streed terwijl de troepen van haar man opstandelingen verpletterde.
Waar eindigt de reis? De prominente plaats die ze in de hofhouding van de Assads wist te veroveren is niet langer alleen maar voer voor Syrische roddelcircuits. Vorig jaar bestempelde de Amerikaanse regering Asma tot een van de beruchtste oorlogsprofiteurs van Syrië. Er wordt nu zelfs gefluisterd dat ze haar man als president zou kunnen opvolgen. Asma al-Assad heeft de gestucte twee-onder-een-kapwoning in Londen waar ze is opgegroeid ver achter zich gelaten.
Voor een dictatorsvrouw is haar achtergrond ongewoon. Asma Akhras werd in 1975 geboren in Acton, een onopvallend deel van West-Londen dat grenst aan veel rijkere buurten. Zoals de meeste Syriërs zijn haar ouders soennitische moslims: die vormden de dominante groep in Syrië totdat in de jaren zestig een kleine, gemarginaliseerde sekte, de Alawieten, een staatsgreep pleegde. Bashars vader, Hafez al-Assad, zat in het complot en riep zichzelf in 1970 uit tot leider van het land.
Asma’s ouders kwamen in de jaren zeventig naar Londen, hopend op een beter bestaan. Het gezin bleef religieus: haar vader bezocht het vrijdaggebed in de moskee en haar moeder wierp haar hijab pas af nadat Asma was getrouwd. Vrienden omschrijven het gezin als cultureel conservatief, al was het wel de bedoeling dat de kinderen zouden assimileren. Op haar Anglicaanse basisschool stond Asma bekend als Emma. ‘Als je het niet wist, zou je niet denken dat ze Syrisch was,’ herinnert een buurman zich.
Haar bezoeken aan Damascus met haar ouders bracht zij grotendeels bij het zwembad van het Sheraton-hotel door
Asma leek bestemd voor een leven te midden van Londense welgestelden. Als tiener ging ze naar een van de oudste particuliere meisjesscholen van Groot-Brittannië, Queen’s College, niet ver van haar vaders particuliere medische praktijk in Harley Street. Ze studeerde computerwetenschappen aan King’s College in Londen. Vriend en vijand zeggen dat ze slim en ijverig was.
Niemand kan zich herinneren dat zij enige belangstelling voor het Midden-Oosten toonde. Haar bezoeken aan Damascus met haar ouders bracht zij grotendeels bij het zwembad van het Sheraton-hotel door. ‘Ze was erg Engels en leek niets met Syrië te maken te willen hebben,’ aldus een vriend van de familie.
Weinigen waren verrast toen ze een baan kreeg bij J.P. Morgan, een investeringsbank. Het personeel werd geacht soms 48 uur achter elkaar te werken en zelfs op kantoor te slapen. Sommige stagiairs waren vrijpostig en onverholen ambitieus, maar Paul Gibbs, Asma’s leidinggevende, herinnert zich haar als ‘bescheiden, beleefd en dienstbaar’. Ze droeg keurige zwarte pakjes. Ze specialiseerde zich in fusies en overnames (wat haar later in Syrië van pas kwam). Af en toe ging ze uit met een collega, ze kreeg zelfs huwelijksaanzoeken.
Haar moeder, Sahar, had grootse plannen voor Asma. Haar eigen oudoom had Hafez al-Assad geholpen bij diens machtsgreep. Sahar wilde deze connectie gebruiken om Asma te koppelen aan Bashar, de tweede zoon van Hafez. Ten minste, dat schrijft de Libanees-Amerikaanse journalist Sam Dagher, auteur van het boek Assad or We Burn the Country.
Slungelige student
Bashar en Asma ontmoetten elkaar in het Londen van de jaren negentig. Hij was toen nog een slungelige student medicijnen, die in de schaduw van zijn autoritaire vader was opgegroeid. Als enige van zes broers en zussen ging hij in het buitenland studeren. Zijn afkeer van bloed bracht hem ertoe zich te specialiseren in oogheelkunde, een medisch vakgebied met niet al te veel aanzien. Bashars oudere broer, Basil, diende in het Syrische leger, reed in snelle auto’s en zat achter de vrouwen aan. Bashar was juist ‘ijverig, punctueel, ging elke dag naar de universiteit en vermeed uitspattingen’, aldus Wafic Said, een rijke Syrische expat die de familie kent. Hij luisterde naar Phil Collins en Electric Light Orchestra, dronk groene thee en bewoog zich op de fiets door de stad. In tegenstelling tot zijn vader, die zijn boerse tongval nooit zou kwijtraken, eigende Bashar zich het verfijnde, zangerige accent van de Damasceense elite toe.
Hij was wel gevoelig voor vrouwelijk schoon en ging vaak uit met de gemanicuurde afdankertjes van zijn broer. De keuze van een vrouw mocht hij echter niet helemaal zelf bepalen. Toen Basil in 1994 omkwam bij een auto-ongeluk, rustte het lot van de Assad-dynastie plotseling op de schouders van Bashar. Die was nog ongetrouwd toen zijn vader in juni 2000 overleed. Twee maanden later bezorgden schijnverkiezingen hem het presidentschap.
Bij terugkeer vertelde ze haar werkgever dat een onstuimige Syriër haar had veroverd
Op dat moment werkte Asma al twee jaar bij J.P. Morgan. Maar ineens verdween ze en bleef drie weken lang weg, zonder kennisgeving. Bij terugkeer vertelde ze haar werkgever dat een onstuimige Syriër haar had veroverd. Hij had haar meegenomen naar Libië, waar hij hun verbintenis bezegelde in een tent in de Sahara. Asma koos voor de liefde en nam onmiddellijk ontslag.
Buiten het Sheraton is Syrië een ingewikkelde plek. De bergen en woestijnen herbergen een lappendeken aan etnische en religieuze groepen, waarvan de meeste elkaar wel eens hebben dwarsgezeten. De Fransen maakten het land buit op de Ottomanen, hun bestuur tussen de wereldoorlogen was kort en omstreden. De eerste jaren van Syriës onafhankelijkheid verliepen echter ook verre van rimpelloos. Er woedde er een continue onderlinge strijd, de staatsgrepen volgden elkaar in rap tempo op.
Aan deze woelingen kwam in 1970 een einde met de komst van Hafez al-Assad, een onbuigzame luchtmachtofficier van de regerende Baath-partij. Tijdens zijn schrikbewind onderhielden veiligheidsdiensten informantennetwerken, luisterden ze telefoons af en martelden ze mensen in het wilde weg. Toen soennitische islamistische dissidenten in 1982 in hun bolwerk Hama de Baath-heerschappij tartten, maakte Hafez een deel van de stad met de grond gelijk.
Hafez was al dood tegen de tijd dat Asma eind 2000 naar Damascus verhuisde, maar zijn nalatenschap was alomtegenwoordig: van architectuur in Sovjetstijl tot uithangborden met zijn beeltenis die zijn lof prezen. Zijn steun aan terroristische organisaties in de regio had Syrië van het Westen vervreemd. De opkomst van Bashar bood een kans de betrekkingen te herstellen.
In zijn inaugurele rede beloofde Bashar de corruptie te bestrijden en eerlijke meerpartijenverkiezingen toe te staan. Kort daarna sloot hij een van de grootste gevangenissen van het land. In de cafés van Damascus begon men voorzichtig over politiek te praten.
Asma leek in deze periode van dooi een zeer geschikte partner voor de nieuwe Syrische leider. Koningin Rania van Jordanië, Sheikha Moza van Qatar, zelfs prinses Diana in Groot-Brittannië hadden stuk voor stuk laten zien hoe een door glamour omgloorde first lady een drijvende kracht achter hervormingen kon zijn. Dankzij de dominante positie van de seculiere Baath-partij, waren openbare functies toegankelijker voor vrouwen dan in de meeste Arabische landen. ‘Ik verwachtte dat deze twee Syrië samen tot een hemel aarde zouden maken,’ zegt Wafic Said, de eerder vermelde Syrische expat.
Net als veel vrouwen die haar voorgingen, moest Asma wel rekening houden met haar schoonfamilie. Bashars moeder Anisa had gewild dat haar zoon binnen de clan was getrouwd teneinde een duurzame dynastie, zoals die van de Saoeds in Saoedi-Arabië, te creëren. Sommige familieleden vonden zelfs dat Bashar het presidentschap moest opgeven omdat hij met een soennitische was getrouwd.
Bashars moeder stond erop de titel ‘First Lady’ te behouden
Het lukte de moeder van Bashar niet het huwelijk af te wenden, dus besloot ze het te verdonkeremanen. Er kwamen geen nieuwsbulletins over de bruiloft. Officiële foto’s werden nooit vrijgegeven. Asma kreeg herhaaldelijk te horen dat het haar taak was om erfgenamen voort te brengen en uit het nieuws te blijven. Bashars moeder stond erop de titel ‘First Lady’ te behouden; staatsmedia noemden Asma akilatu alrais, de echtgenote van de president. Niemand die haar op straat herkende. Het huiselijk leven ging bepaald niet over rozen. ‘Ze haatten haar,’ aldus Ayman Abdel Nour, destijds adviseur van Bashar. Asma sprak nog geen vloeiend Arabisch.
Tijdens etentjes maakte de familie er een punt van om in onverstaanbaar Alawitisch dialect te converseren. De rest van de heersende elite was ook niet toeschietelijk. Met name de voormalige bondgenoten van zijn vader dwarsboomden de hervormingen van Bashar. ‘Hafez al-Assad was een octopus die zijn tentakels aanstuurde,’ zegt een aan het regime gelieerde zakenman.
Masker
Binnen enkele maanden werd duidelijk dat Bashars beloften van hervormingen weinig om het lijf hadden en vooral waren bedoeld om steun voor zijn opvolging te verwerven. ‘Bashar vertelde je precies wat je wilde horen en deed vervolgens helemaal niets,’ zegt Wafic Said. Al snel viel het masker. Academici belandden in de cel. De affiches van Bashar kregen nog grotere afmetingen dan die van zijn vader. Het recht op openbare vergaderingen werd dermate ingeperkt dat paren een overheidsvergunning nodig hadden om een bruiloft in een hotel te houden.
Herhaaldelijk werd de hoop op verandering in Syrië getorpedeerd. Na de aanslagen van 11 september 2001 gaf Bashar de Amerikanen de middelen om terreurverdachten te ondervragen. ‘Democratie verspreiden’ was destijds evenwel het credo van de regering-Bush, en Syrië kon wel eens het volgende doelwit van dit voornemen zijn. De ontwikkelingen in Irak brachten het Syrische regime ertoe het roer weer om te gooien. Bashar stuurde jihadisten van eigen bodem de grens over om de Iraakse opstand tegen de Amerikanen te steunen.
Terwijl hij zijn machtspositie versterkte, vervulde Asma plichtsgetrouw de rol van fokmerrie. Ze kreeg snel achter elkaar drie kinderen, van wie twee zonen. Nog steeds kleedde ze zich als een ingetogen bankemployé. De enige keren dat ze de krantenkoppen haalde, was tijdens buitenlandse reizen. En zelfs dan werd de woede van haar schoonfamilie gewekt.
Onmenselijkheid
De onmenselijkheid binnen de familie werd geëvenaard door wreedheid erbuiten. Op 14 februari 2005 kwam een van de meest prominente politici van Libanon, Rafik Hariri, om het leven door een aanslag met een autobom. Syrië hield zijn kleine, disfunctionele buurman al jaren onder de duim en velen gingen ervan uit dat Bashar de opdracht had gegeven. Onder druk van mogelijke internationale sancties en massale demonstraties in Libanon, haalde Bashar bakzeil. Na dertig jaar bezetting trok hij zijn troepen terug uit Libanon – tot woede van de Syrische hardliners. Meer dan ooit had Bashar bondgenoten nodig: zijn Britse vrouw zou westerse regeringen gunstig kunnen stemmen. Hij beloofde Asma dat hij haar schoonfamilie het zwijgen zou opleggen en stemde ermee in haar tot ‘First Lady’ te promoveren.
Twee maanden na de moord op Hariri stond zij aan de zijde van haar man bij de begrafenis van paus Johannes Paulus II. Weinigen wilden zijn hand schudden, maar Asma, discreet aantrekkelijk in haar zwartkanten sluier, viel wél in de smaak. Op foto’s is te zien hoe zij zich met wereldleiders onderhoudt. Dit was een beslissend moment voor het paar. Tot dan was Asma, de indringer, naar het tweede plan verbannen. Nu ging ze een centrale rol spelen in de internationale rehabilitatie van Bashar. ‘Ze was zijn ambassadeur in alle landen waar hij niet graag gezien werd,’ zegt Abdel Nour, de voormalige adviseur van Bashar.
In interviews met westerse media stelde ze Bashar in de schaduw. Zij zou het niet in haar hoofd halen joden ‘moordenaars van Christus’ te noemen, zoals hij had gedaan in een poging christenen aan zich te binden. Ook thuis retoucheerde Asma het imago van het stel. De Assads gingen voortaan prat op hun bescheidenheid. Ze meden het gigantische, met marmer beklede paleis dat de Saoedi’s voor de Assads hadden laten bouwen, en kozen voor een soberder onderkomen van drie verdiepingen. Asma haalde haar kinderen elke dag op van de plaatselijke Montessorischool. Toen Wafic Said bij hen thuis dineerde, was hij verbaasd over het gebrek aan pracht en praal. Het echtpaar diende het eten zelf op.
‘Ze wilde van Damascus een regionaal Dubai maken, een belastingparadijs’
Niettegenstaande deze soberheid gaf Asma met hulp van een nieuwe kapper haar uiterlijk en uitstraling een stevige oppepper. Haar naaldhakken en oorbellen kregen er een paar centimeter bij, haar nagels waren verzorgd en gelakt. Hoewel zij noch Bashar een trouwring droeg, sierden koninklijke agaten haar hals. Het grondpersoneel van Syrian Airlines in Londen herinnert zich de aanvoer van talloze kisten met kleding uit de beste Londense warenhuizen.
Syrische diplomaten noemden haar Imelda Marcos, naar de Filipijnse first lady met een schoenenverslaving. Het charmeoffensief wierp vruchten af. Slechts enkele maanden na de moord op Hariri opperde The New York Times dat het paar ‘de essentie van seculiere West-Arabische fusion’ belichaamde. ‘Ik was betoverd,’ zegt een Syrische diplomaat die nu in ballingschap is en destijds een Europese rondreis voor hen organiseerde. ‘Ze pakt je onmiddellijk in met haar lieftalligheid. En hij is anders dan andere dictators in het Midden-Oosten, ziet er modern en verfijnd uit. Dat maakt hem zo gevaarlijk.’
Asma’s volgende project was Syrië zelf. Na decennia van centrale planning en importbeperkingen wilde ze een frisse wind door het land laten waaien. Ze begoochelde haar man met financieel jargon en drong er bij de banksector op aan zich open te stellen voor particuliere en buitenlandse bedrijven. ‘Ze wilde van Damascus een regionaal Dubai maken, een belastingparadijs,’ vertelt een Syrische econoom.
Economische hervormingen strookten echter niet met de belangen van een aantal machtige Syriërs. Om de zakelijke cultuur te veranderen, moest Asma het opnemen tegen Rami Makhlouf, neef van Bashar en lid van de aristocratische clan van diens moeder. Volgens sommige schattingen hadden de bedrijven van Makhlouf meer dan de helft van de Syrische economie in handen. Asma tartte zijn suprematie in 2007 door haar eigen holdingmaatschappij op te richten, maar slaagde er niet in genoeg Syrische zakelijke zwaargewichten aan haar kant te krijgen. Haar plannen voor de Syrische economie moesten in de ijskast.
Asma vond al snel een nieuwe manier om haar invloed uit te breiden. Al vroeg in haar huwelijk had ze zich met liefdadigheid beziggehouden. Nu probeerde ze haar projecten in één organisatie, de Syria Trust for Development, samen te brengen. Ze wilde van deze trust de voornaamste trait d’union van Syrië met de rest van de wereld maken. Met dat doel ging ze koortsachtig werven onder Engelstalige Syriërs in het buitenland, voormalige functionarissen van de Verenigde Naties en strategen van het Amerikaanse managementadviesbureau Monitor Group. ‘De trust mocht met buitenlanders omgaan, terwijl andere organisaties daar geen toestemming voor hadden,’ zegt een diplomaat die in Damascus werkte.
Met zijn ruige landschap en archeologische rijkdommen behoorde Syrië een toeristische trekpleister te zijn, vond Asma. Ze wierf curatoren van het Louvre en het British Museum en liet die op het centrum van Damascus los. Een cementfabriek zou een galerie worden, naar het voorbeeld van het Londense Tate Modern. De oevers van een smoezelige rivier door de stad moesten in een cultureel park worden omgetoverd. Er zou een spoorlijn komen om Damascus te verbinden met de oude Assyrische steden in het onderontwikkelde noordoosten.
Prinsessengedrag
De meeste westerse diplomaten in Damascus steunden de trust van Asma van harte. Ze wist de Europese Unie, de VN, de Wereldbank en Qatar voor zich te winnen, en vergaarde miljoenen dollars voor de financiering van haar visie. Krantenartikelen bejubelden de ‘culturele renaissance’ van Damascus, zoals Asma die noemde. ‘Dit is hoe je extremisme bestrijdt: met kunst,’ zei Bashar.
Haar collega’s zagen ook een andere kant van haar. Op goede dagen was ze ‘enorm nieuwsgierig’ en ‘uitermate behulpzaam’, aldus een oud-medewerker. Maar een andere adviseur bewaart wat minder prettige herinneringen aan haar ‘prinsessengedrag’, haar geschreeuw, en hoe ze zich op anderen afreageerde. Hij nam na acht maanden ontslag: ‘Ze is een control freak, een eng mens.’
Asma werd geportretteerd als ‘een roos in de woestijn’, die vastbesloten was om van Syrië een ‘merk’ te maken
Maar ze was ook effectief. ‘Het was opvallend hoe vaak ze zei: Ik zou willen dat er dit of dat gebeurde, en het dan ook gebeurde,’ aldus iemand die zes jaar voor haar in Damascus werkte. Haar personeel hield zich aan het straffe schema waaraan ze bij J.P. Morgan gewend was geraakt: het kantoor ging om zes uur ’s ochtends open en het werk ging tot in de late uren door. Ambtenaren wisten dat ze Asma beter konden raadplegen dan de minister van Cultuur als het om belangrijke kwesties ging.
Asma huurde Britse en Amerikaanse pr-firma’s in om haar imago op te poetsen. Die vlogen parlementariërs van over de hele wereld in om haar goede werken te bewonderen. Allerlei beroemdheden kwamen naar Damascus, onder wie Angelina Jolie en Brad Pitt, Sting en Damon Albarn van Blur. De grootmoefti nodigde Syrische joden uit die decennia eerder voor vervolging waren gevlucht. Brown Lloyd James, een Amerikaans pr-bedrijf, regelde in maart 2011 een coverstory in Vogue, waarin Asma werd geportretteerd als ‘een roos in de woestijn’, die vastbesloten was om van Syrië een ‘merk’ te maken.
Onbenullen
De trust had beperkte bevoegdheden. ‘Wat met de moskee, religie en politiek te maken had lieten we ongemoeid,’ zegt een medewerker. Dergelijke grenzen waren wel moeilijk te bewaken. Opvoeders reisden door Syrië met een grote opblaasbare iglo die bedoeld was als ‘vertelruimte’, gebouwd met de hulp van een voormalig directeur van het Science Museum in Londen. Het was de bedoeling dat alleen onomstreden kwesties aan de orde zouden komen, zoals het recht van een kind op schone lucht. Er werden echter ook misstanden van het regime aangekaart.
‘Een jongen zei dat hij een verhaal had over mensenrechten en vertelde hoe hij werd gearresteerd, uitgekleed en op een fles moest gaan zitten,’ aldus een organisator. De buitenlandse consultants van de trust woonden in een vergulde bubbel in Damascus: ze bestelden sushi via roomservice, streken hoge salarissen op, en kletsten ondertussen over vermogensopbouw. ‘Veel dorpen hadden geen goede riolering of elektriciteit en dan verscheen zij daar met haar adviseurs en vertelde ze over ondernemerschap, het maatschappelijk middenveld, duurzame ontwikkeling en kaas maken,’ zegt Samir Aita, een adviseur van het ministerie van Financiën. ‘Asma dacht dat de Syria Trust alles voor elkaar kon krijgen, maar het waren gewoon onbenullen die arme boeren in het Engels toespraken.’
Binnen de trust zelf rees het vermoeden dat de organisatie slechts een voertuig was voor Asma’s zelfverheerlijking. Adviseurs moesten haar aanspreken met ‘excellentie’ en opstaan als ze een vertrek betrad. Onder hen die garen sponnen bij Asma’s opkomst was haar eigen vader, Fawaz Akhras. Kort nadat Asma met Bashar getrouwd was, richtte hij de British-Syrian Society op, een organisatie in Londen die politieke en financiële steun voor Syrië wierf. Hij coördineerde de activiteiten van de vereniging met de club van Asma en trok tal van rijke Syriërs aan. Akhras was openhartig over zijn nauwe banden met de macht: zijn favoriete aanhef van een toespraak was: ‘Als schoonvader van de president…’
‘Vergeleken met hem was de Syrische ambassadeur een loopjongen,’ zegt Yahya al-Aridi, die voor de Syrische regering de communicatie verzorgde in Londen. Asma’s rijzende ster kwam ook het internationale profiel van Syrië ten goede. Amerikaanse functionarissen bezochten Damascus weer, zeker na Obama’s presidentsverkiezing in 2008. Het gerucht deed de ronde dat er een uitnodiging voor Washington ophanden was. De Fransen waren haar nog gunstiger gezind. Paparazzi volgden de Assads op de voet toen ze Parijs bezochten. ‘Zij verspreidt licht in een land vol schaduwen,’ schreef Paris Match over Asma.
Op 10 december 2010 sprak ze de verzamelde Franse elite toe op de Internationale Diplomatieke Academie, een denktank in Parijs. Ze repte over de ‘verandering die gaande is in mijn land’. Een paar dagen later stak een Tunesische groenteverkoper zichzelf in brand en ontketende daarmee opstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten die spoedig de Arabische Lente werden genoemd. *Snel zou blijken dat de Assads niet genoeg hadden aan soft power en naaldhakken om die lente te kunnen overleven.
De eerste twee maanden van 2011 heerste er opwinding in het Midden-Oosten. Na decennia van stagnatie en onderdrukking werd het overspoeld door demonstraties, van Tunesië tot Libië, Algerije tot Bahrein, Jordanië tot Jemen. Massaprotesten in Caïro brachten het bewind van Hosni Moebarak, dictator van Egypte gedurende bijna dertig jaar, ten val. Het tij van de revolutie leek niet te keren. Veel Syriërs lieten zich meeslepen door wat ze zagen, maar angst weerhield de meesten van hen de straat op te gaan. Toen, op een februariavond in het saaie plattelandsstadje Deraa ten zuiden van Damascus, spoot een groep schoolkinderen graffiti op een muur met de tekst: ‘Nu is het jouw beurt, dokter.’
Adviseurs moesten haar aanspreken met ‘excellentie’
De plaatselijke veiligheidschef was een neef van Bashar – een misdadiger, zelfs naar de maatstaven van de Syrische geheime diensten. Zijn mannen pakten de kinderen op en martelden ze. Grote groepen mensen verzamelden zich buiten de moskeeën van Deraa en eisten waardigheid en vrijheid. Troepen openden het vuur.
Aanvankelijk was het niet duidelijk – zelfs niet voor Asma, zo lijkt het – hoe Bashar zou reageren. Een generaal gaf hem de raad de plaatselijke veiligheidschef gevangen te zetten en excuses aan te bieden voor het bloedvergieten in Deraa. De grotere steden in Syrië waren nog steeds rustig, dus zouden publiek berouw en nieuwe hervormingsbeloften mogelijk volstaan om de situatie in de hand te houden.
In Washington hielp de ambassadeur van Syrië Bashar bij het opstellen van een toespraak waarin hij deze hervormingen aankondigde. Ook Asma leek een sussende boodschap aan het volk te verwachten. Toen de Arabische lente in een stroomversnelling kwam, zei ze dat het regime wist dat het moest veranderen. Volgens een voormalige medewerker probeerde ze met de oppositie te praten.
‘Toen ik met Bashar kennismaakte, sprak hij over hervormingen. Het was verschrikkelijk om te ontdekken dat het een schijnvertoning was’
Op 30 maart sprak Bashar het grotendeels ceremoniële parlement van Syrië toe. ‘Syrië moet een grote samenzwering het hoofd bieden,’ verklaarde hij tot veler verrassing. Hij bestempelde beelden van veiligheidstroepen die demonstranten neerschoten tot nep. Hij wees de oproepen tot hervorming af en zei dat ze een dekmantel vormden voor een niet nader gespecificeerd buitenlands complot.
‘Hier sprak het oude regime,’ zegt een van Asma’s bestuursleden, die Syrië direct na de toespraak verliet. ‘Er was geen enkel woord van verzoening, geen erkenning dat er veel dingen anders konden. Toen ik met Bashar kennismaakte, sprak hij over hervormingen. Het was verschrikkelijk om te ontdekken dat het een schijnvertoning was.’
Na de toespraak groeiden de demonstraties wekelijks in aantal en omvang. Zeker na het vrijdaggebed namen ze massale vormen aan. Zo begon een escalerende cyclus van begrafenissen, protesten en geweld. Binnen een maand stuurde het regime eerst boeventuig op de bevolking af, daarna kwamen de sluipschutters en ten slotte werd er zwaar geschut ingezet.
De invloed van Syrische generaals, hoofden van inlichtingendiensten en van de Baath-partij was de afgelopen tien jaar afgenomen. Dit was hun moment van vergelding. Anisa, de moeder van Bashar, drong ook aan op een ferme reactie. Wat zou je vader hebben gedaan, schamperde ze tegen Bashar. De opstand tegen diens bewind in 1982 had hij op uiterst brute wijze de kop ingedrukt. Een voormalige Franse ambassadeur in Damascus zegt dat Bashar rond deze tijd op de volgende uitspraak werd betrapt: ‘Mijn vader had gelijk. Duizenden doden in Hama hebben ons drie decennia stabiliteit opgeleverd.’
Ziektekiemen
Terwijl Syrië in chaos verviel, stortten Asma’s luchtkastelen in. Een gala ter gelegenheid van de herlancering van het nationaal museum werd afgelast. Haar culturele vernieuwingsprojecten kwamen niet van de grond. Na zeven jaar planning bleef het Museum of Discovery, naar het voorbeeld van het Science Museum in Londen, een betonnen omhulsel. De financiering droogde op en adviseurs verlieten het land. Ze verwijderden de Syria Trust uit hun bestanden. De meest prominente westerse bezoekers waren paria’s als Nick Griffin, toenmalig hoofd van de extreemrechtse British National Party. Wafic Said zegt dat hij Bashar destijds op het hart drukte een gematigde koers te volgen. ‘Ze houden van jou en je vrouw, je bent geen Moebarak,’ hield hij hem voor. ‘Mis deze kans niet om de grootste leider in de Arabische wereld te worden. Geef ze gewoon wat rechten, een beetje waardigheid en je zult voor de rest van je leven worden bemind.’ Maar Bashars koers lag vast. In een tweede toespraak, in juni, vergeleek hij demonstranten met ‘ziektekiemen’. Syrië stond aan de vooravond van een duister hoofdstuk in zijn geschiedenis.
In februari 2012, een jaar nadat de Arabische Lente was uitgebroken, richtte de Vierde Pantserdivisie van Syrië onder bevel van Maher, de jongere broer van Bashar, haar artillerie op Homs, in het westen van Syrië. Asma’s ouders waren opgegroeid in de stad; nu waren de protesten daar tot een gewapende opstand uitgegroeid. Soldaten liepen over naar de rebellen. In het hele land waren al zo’n zevenduizend burgers omgekomen.
Sinds het begin van de protesten was Asma nauwelijks in het openbaar verschenen, wat aanleiding gaf tot geruchten. Was ze een gevangene van de omstandigheden of steunde ze de acties van haar man? Misschien was ze wel naar het buitenland gevlucht. Mensen die in de begindagen van de crisis vertrouwelijk met haar spraken, zeggen dat ze strikt vasthield aan de officiële lijn: de opstand was een buitenlandse samenzwering.
In theorie had Asma naar Londen kunnen gaan. Er werd haar een veilige doortocht aangeboden. De Britse regering verklaarde herhaaldelijk dat ze haar als Brits staatsburger de toegang tot het land niet kon ontzeggen. Maar ook in Londen was de sfeer weinig uitnodigend. Demonstranten smeerden rode verf op de deur van haar ouderlijk huis in Acton. Queen’s College schrapte haar naam van de lijst eervolle alumni.
Om sancties te vermijden liet ze haar kapper inkopen doen
Er werd gefluisterd dat Asma de wijk had genomen. Een toenmalige functionaris van de Syrische ambassade in Londen herinnert zich dat veiligheidsfunctionarissen zich voorbereidden om eind 2011 een VIP te ontvangen. Anderen zeggen dat ze op weg naar de luchthaven van Damascus werd tegengehouden door handlangers van het regime. Maandenlang gaf Asma geen interviews. Vroegere vrienden vonden dat ze er in januari 2012, tijdens een zeldzaam openbaar bezoek aan een pro-regeringsbijeenkomst, uitgemergeld uitzag. Op zeker moment verhuisden zij en haar kinderen naar het zomerpaleis van de familie aan de kust, ver van beschietingen en traangas.
Nu ze het zonder openbare functie moest stellen, concentreerde Asma zich op een opknapbeurt van haar huis. In het eerste jaar van de opstand plaatste ze een advertentie voor een tuinman en gaf ze 250.000 Britse ponden uit aan meubels. Om sancties te omzeilen stuurde ze haar kapper naar Dubai om boodschappen te doen en gebruikte ze een schuilnaam voor haar bestellingen bij Harrods. Een contact van de Assad-familie in Londen handelde haar verzoeken voor kroonluchters af. Asma’s koopwoede kwam aan het licht aan de hand van duizenden e-mails van Assads intimi, die in 2012 door activisten van de Syrische oppositie naar The Guardian werden gelekt. Ook WikiLeaks deed een duit in het zakje. De berichten wekken de indruk dat Asma in dubio verkeerde.
In december 2011 had ze een e-mail-uitwisseling met de dochter van de toenmalige emir van Qatar, die een vriendin van haar was totdat de Qatari’s zich achter de Syrische rebellen schaarden. De prinses hield Asma voor dat het ‘niet te laat was om zich te bezinnen en die staat van ontkenning af te schudden’. Asma’s antwoord was opvallend dubbelzinnig: ‘Het leven is niet eerlijk, meisje – maar uiteindelijk is er een realiteit waar we geen van allen omheen kunnen.’ Ze leek te suggereren dat er krachten waren die haar dwongen te blijven.
De e-mails boden ook een inkijkje in het huwelijk van de Assads. Velen menen dat de verbintenis vooral gericht was op veiligstelling van de belangen beider families. Bashar stond bekend als schuinsmarcheerder. Dat bleek ook uit eveneens gelekte aanhankelijke mails van jonge vrouwelijke assistenten. Toch toonden Bashar en Asma genegenheid voor elkaar. Op 28 december 2011, toen tanks de geboorteplaats van haar familie – Homs – beschoten, schreef Asma haar echtgenoot: ‘Als we samen sterk zijn, komen we dit ook samen te boven … ik hou van je.’ Het is onduidelijk of wat ze ‘te boven moesten komen’, betrekking had op Syrië of op hun huwelijk.
Een paar dagen later, toen ze haar batta (‘eend’ in het Arabisch, en haar koosnaam voor haar man) mailde, reageerde hij met een hartje. In februari 2012 leek Bashar zich op verdekte wijze te verontschuldigen voor zijn gescharrel door haar een country-and-western liedje te sturen met de tekst: ‘I’ve made a mess of me / The person that I’ve been lately / Ain’t who I wanna be.’ Niet veel later gaf Asma haar eerste officiële verklaring af sinds het begin van de opstand: ‘De president is de president van heel Syrië, niet de leider van een Syrische factie, en de First Lady steunt hem in deze rol.’
Als men dissidenten mag geloven maakte Asma’s verzoening met haar echtgenoot deel uit van haar pogingen terug te keren in het openbare leven. Voortaan zou ze een volwaardige partner van het staatshoofd zijn. In de zomer van 2012 vluchtte de zus van Bashar, Bushra, naar Dubai nadat haar man was omgekomen bij een bomaanslag. De rebellen eisten de verantwoordelijkheid op, maar ze leken helemaal niet in staat tot een dergelijke actie. Bushra en haar echtgenoot behoorden tot de grootste vertolkers van anti-Asma-sentiment in intieme kring. Velen gingen ervan uit dat de moord een inside job was.
Zenuwgas
Het jaar daarop verbeterden de vooruitzichten van Bashar. Hij bracht de opmars van de rebellen tot staan en joeg ze uit hun bolwerk in Homs. Antiregeringstroepen controleerden nog steeds enkele buitenwijken van Damascus en bestookten het stadscentrum met granaten, maar waren niet in staat de Assads omver te werpen.
Naarmate de oorlog voortduurde, werd Bashar meedogenlozer. Een westerse diplomaat herinnert zich de langzame escalatie van geweld – het gebruik van artillerie tegen burgers, de luchtaanvallen en tenslotte vaatbommen. ‘Ze deden iets één keer, en dan was er verontwaardiging, maar niet zo veel dat er internationale interventie dreigde,’ zei de diplomaat. ‘Dus breidden ze het uit, en werd dat het nieuwe normaal.’
De internationale veroordeling van de misdaden van Bashar zwol aan, maar de langzame wurging van Syrië in plaats van een grootscheeps offensief zorgde ervoor dat er geen interventie kwam. Op 21 augustus 2013 verschenen er nieuwe beelden van mensen in de door rebellen bezette buitenwijken van Damascus met schuimende bellen bij hun neus en mond en schokkende ledematen. Honderden stierven aan vergiftiging door sarin, een zenuwgas, zo bleek uit een VN-onderzoek. Het was de ergste aanval met chemische wapens sinds de gifgasaanval van Saddam Hoessein in 1988 op het Koerdische stadje Halabja, die aan zo’n vijfduizend mensen het leven kostte. De volgende dag, terwijl de wereld nog bezig was de beelden te verwerken, werd op Facebook een uitgebreide fotoreportage gepubliceerd van officiële activiteiten van de First Lady. Op een foto was zij te zien met haar man, zetelend in een zee van bloemen op een balkon. Het onderschrift luidde: ‘Liefde is een land dat wordt geleid door een leeuw die korte metten maak met samenzweringen, en een First Lady die haar vaderland is toegewijd.’
Nieuwe Asma
De vernietiging van Syrië in de daaropvolgende jaren valt moeilijk te becijferen. In 2014 benutte de soennitische terreurbeweging Islamitische Staat de chaos om een zogenaamd kalifaat in Syrië en Irak te stichten. Die vormde een ernstige bedreiging voor de troepen van Bashar, maar verzwakte ook de steun voor zijn oppositie en legitimeerde Iraanse en Russische steun. Hoewel Bashar Aleppo als laatste van de grote steden in 2016 heroverde, bleef hij met bommen gooien: bijna de helft van de Syrische steden kwam in puin te liggen. De VN stopten in 2016 met het tellen van doden: dat waren er al bijna een half miljoen. Ruim 10 miljoen Syriërs werden vluchteling.
De nieuwe realiteit van Syrië vereiste een nieuwe Asma. De hakjes, de manicures, de powerjackets en de sieraden verdwenen. Ervoor in de plaats kwamen platte schoenen, T-shirts en broeken, die haar dunne armen en breekbare gestalte aan het licht brachten.
In 2018 werd er bij Asma borstkanker vastgesteld. De ziekte weerhield haar er niet van om zorgvuldig toe te zien op haar publieke imago en ervoor te zorgen dat iedereen wist dat ze in Syrië was gebleven voor haar behandeling. Van haar strijd brachten de presidentiële sociale mediakanalen en staatsmedia gedetailleerd verslag uit. Ze werd zelfs gefilmd terwijl ze de operatiekamer in werd gereden. Toen haar haar uitviel werd ze gefotografeerd met chique hoofddoeken die zowel van kwetsbaarheid als kracht getuigden, een onweerstaanbare metafoor voor de strijd van haar man tegen de opstand. ‘Gefeliciteerd met uw overwinning op kanker,’ stak een tv-interviewer van wal. ‘Dank u,’ antwoordde Asma. ‘Ik hoop dat we binnenkort ook de overwinning van Syrië kunnen vieren.’ Nog voor haar volledige herstel toonden regeringsgezinde media hoe Asma deelde in het verdriet van Syrië.
Vergezeld van cameraploegen klopte ze op deuren in verarmde bergdorpen, omhelsde de verraste moeders van martelaren en stopte hen wat toe. Ze werkte zo hard aan haar Arabisch dat zelfs Syriërs geen Engels accent meer ontwaarden. Westerse media stond ze niet meer te woord, ze accepteerde alleen nog verzoeken van Russische en lokale zenders.
Het inkomen van haar liefdadigheidsinstelling, de Syria Trust, droogde op nadat de EU in 2012 sancties had opgelegd. Nu stroomde er internationale humanitaire hulp binnen om Syriërs te ondersteunen die door de oorlog alles kwijt waren geraakt. Veel van dat geld kwam al snel bij Asma terecht. Voor VN-agentschappen die hulp wilden bieden aan door het regime gecontroleerde gebieden, was de trust een onschatbare gesprekspartner: het Engelssprekende personeel was vertrouwd met internationale regel-geving. Asma kon deuren en checkpoints openen. In 2017 werd er meer VN-geld via de trust gesluisd dan via veruit de meeste andere Syrische organisaties. Zelfs VN-veteranen waren geschokt door de mate waarin hun organisatie zich inliet met Syrische overheidsinstanties.
Van 2016 tot en met 2019 ontving de Syria Trust elk jaar steeds méér geld van VN-agentschappen (de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR alleen al schonk 6,5 miljoen dollar in de eerste vijf maanden van 2018). De trust telde tegen 2020 bijna vijftienhonderd medewerkers, een vertienvoudiging in tien jaar tijd, en vijfduizend vrijwilligers. Als hoofd van de Syria Trust verwierf Asma meer dan alleen rijkdom. Ze schiep een uitgebreid patronagenetwerk, waartoe ook Syrische krijgsheren behoorden. Naar verluidt betuigden mensen hun dankbaarheid voor haar bescherming en welwillendheid door geldkoffers af te leveren bij organisaties waarmee ze banden had. Asma profiteerde ook nog op directere wijze van de oorlogseconomie. Een bedrijf waaraan ze gelieerd was sleepte een overheidscontract voor het beheer van smartcardbetalingen binnen. Ze lanceerde ook een distributiebedrijf van mobiele telefoons, Emmatel geheten (als kind werd ze Emma genoemd). Het kwam op naam te staan van Khodr Ali Taher, ‘Asma’s façade voor alles’, volgens een zakenman.
Syriatel
Asma is volgens een Europese Assad-lobbyist Bashars ‘belangrijkste economische adviseur’ geworden. In 2019 zetten de Russen hem onder druk om leningen terug te betalen, en verscherpte Amerika de sancties. De Syrische regering had dringend geld nodig en de Assads zochten een doelwit. In de loop van tientallen jaren had Rami Makhlouf, de neef van Bashar, zijn connecties met de heersende familie gebruikt om een zakelijk imperium op te bouwen, met importmonopolies en smokkelroutes. Een van zijn troeven was Syriatel, de belangrijkste gsm-aanbieder. Op papier was Makhlouf een succesvol zakenman, in de praktijk trad hij op als overheidspotentaat. Beweerd werd dat hij met één telefoontje een minister kon ontslaan.
Sinds Anisa – Bashars moeder – dood was, had Makhlouf zijn beschermer verloren. De Syria Trust nam de liefdadigheidsinstelling over die hij had gebruikt om gunsten te winnen in gebieden waar veel Alawieten wonen. De regering stelde Syriatel onder curatele. De bankrekeningen van Makhlouf werden bevroren en relaties van Asma werden aangesteld in de raden van bestuur van zijn ondernemingen. De fusies en overnames van Asma gaan in hoog tempo door. Het op een na grootste gsm-bedrijf van Syrië is ook onder curatele gesteld; vorige maand werden Asma’s trawanten in het bestuur benoemd. Emmatel heeft nu vestigingen in het hele land, zelfs in gebieden die haar man niet controleert.
Vlak na de gifgasaanval zitten ze samen in een bloemenzee op een balkon
Hoe het ook zij: Asma kan niet meer worden verweten dat ze niet begrijpt hoe Syrië werkt. In het naoorlogse Syrië heeft Asma de touwtjes in handen*. In Homs zijn portretten van haar te zien die hele woonblokken beslaan. Ministers hebben ervoor gekozen haar beeltenis naast die van Bashar in hun kantoren te tonen. Zo ver had nog geen enkele Syrische First Lady het geschopt. Nu Makhlouf op een zijspoor is gezet en de zus en moeder van Bashar er niet meer zijn, heeft Asma nog maar weinig rivalen van enige statuur in intieme kring. Veel van haar naaste adviseurs vervullen topfuncties in het kantoor van de president.
Zowel in Damascus als in buitenlandse hoofdsteden speculeren Syriërs er openlijk over of ze het hoogste ambt nastreeft. Als de positie van Bashar onhoudbaar wordt, zou een presidentschap van Asma dan een zoethoudertje kunnen zijn voor de soennitische meerderheid? ‘Bashar en Asma denken er allebei over na,’ zegt een voormalige Syrische diplomaat. ‘Ze zou dolgraag president willen worden en beiden beschouwen het als een revolutionaire oplossing om het regime te redden.’
Ooit zou Groot-Brittannië Asma’s ambities wellicht hebben gesteund, en haar dankbaar hebben toegevoegd aan de reeks leiders uit het Midden-Oosten met Britse banden. Hoewel de Britse regering de Assads luidkeels heeft aangeklaagd, is het staatsburgerschap van Asma nooit ingetrokken – in tegenstelling tot dat van Shamima Begum, die in 2015 als tiener vanuit Oost-Londen naar Syrië reisde om zich bij Islamitische Staat aan te sluiten. Alawitische hardliners zien waarschijnlijk niets in Asma’s presidentschap. Ze is sterker, maar ook kwetsbaarder dan ooit. Alleen al praten over presidentiële ambities kan gevaarlijk voor haar zijn. De jacht op de hoogste prijs zou het meisje uit West-Londen wel eens de kop kunnen kosten. ‘Ik maak me zorgen om haar,’ zegt vriend van de familie Wafic Said. Maar Asma weet al heel lang dat er geen weg terug meer is.
Nu de terugtrekking van Amerikaanse troepen uit Afghanistan nadert, duiken de Pakistaanse taliban, die jarenlang vrijwel afwezig waren, weer op met een nieuwe strategie en nieuwe lokale allianties, aldus nieuwssite Gandhara.
Verdeeld, verzwakt door de dood van een aantal van zijn leiders en verdreven uit voormalige machtsbases, werd de gewapende groep Tehrik-e Taliban Pakistan (TTP) eigenlijk als afgeschreven beschouwd. Maar TTP, ook wel bekend als de Pakistaanse taliban, is het afgelopen jaar weer opgekrabbeld, heeft ruziënde facties verenigd en een golf van dodelijke aanslagen gepleegd in de tribale regio’s van het land.
Om de wederopstanding te onderstrepen, voerde TTP vorige maand een dodelijke autobomaanslag uit bij een zwaar bewaakt luxehotel in de zuidwestelijke Pakistaanse stad Quetta, ver buiten zijn machtsbasis in het noordwesten.
‘TTP richt zich nu voornamelijk op Pakistaanse instanties en hun vertegenwoordigers’
Deze TTP is niet langer dezelfde militante groep die van 2007 tot 2014 grote schade aanrichtte in Pakistan, toen een groot legeroffensief de groep over de grens naar Afghanistan dreef. Onder leiding van Noor Wali Mehsud, meer een religieus figuur dan een strijder, die sinds 2018 de leiding heeft, heeft TTP haar nauwe banden met Al-Qaida weliswaar behouden, maar de organisatie is gedecentraliseerd en het aantal willekeurige aanvallen op burgers is verminderd, volgens waarnemers.
Lokaal jihadisme
‘TTP richt zich nu voornamelijk op Pakistaanse instanties en hun vertegenwoordigers’ en niet meer op soft targets, volgens Abdul Basit, Pakistaanse veiligheids- en antiterrorisme-specialist, verwijzend naar vroegere aanvallen op burgers. ‘In die zin is TTP overgegaan van een mondiaal naar een lokaal jihadistisch discours.’
Er zijn aanwijzingen dat TTP een nieuw front heeft geopend tegen Chinese belangen in Pakistan. Peking oefent aanzienlijke politieke invloed uit in het land en geeft miljarden uit aan infrastructurele projecten. De aanval van TTP op het Serena Hotel in Quetta, de hoofdstad van de onrustige provincie Balochistan, toont de groeiende operationele kracht van de militante groep, zeggen waarnemers.
Het was de eerste aanval in Pakistan sinds jaren waarin een met explosieven beladen auto, of wat militaire experts noemen ‘zelfmoordvoertuigen op basis van geïmproviseerde explosieven’ (SVBIED’s), werd gebruikt. Het was ook de eerste aanval van TTP in een grootstedelijk centrum sinds de wederopstanding. ‘Dit toont aan dat TTP het vermogen heeft om SVBIED’s te organiseren en zwaarbewaakte doelen te raken’, aldus Basit.
Er is wijdverbreide wrok ontstaan bij de inwoners van Balochistan, die vinden dat hun thuisprovincie wordt uitgebuit door de staat
Daarnaast is de bomaanslag, die vijf mensen doodde en een dozijn anderen verwondde, ook significant omdat hij in Balochistan plaatsvond. Balochistan ligt niet alleen buiten het traditionele gebied van TTP, maar het is ook een uitgestrekte regio die door zijn rijkdom aan hulpbronnen de afgelopen jaren een grotere betekenis heeft gekregen.
Het is de locatie van een nieuwe haven in de stad Gwadar, een Chinees paradepaardje en onderdeel van de China-Pakistan Economic Corridor (CPEC) die in totaal 65 miljard dollar omvat. Het project, dat voorziet in een haven, een luchthaven, een snelweg en een ziekenhuis, is bedoeld om de Chinese provincie Xinjiang te verbinden met de Arabische Zee.
Etnische Baloch-separatisten hebben zich al regelmatig gericht tegen de Chinese activiteiten in Balochistan, dat het toneel was van een separatistische opstand waarop brute repressie van de staat volgde, die sinds 2004 duizenden mensen het leven heeft gekost. Zo is er wijdverbreide wrok ontstaan bij de inwoners, die vinden dat hun thuisprovincie wordt uitgebuit door de staat.
Alliantie
Volgens waarnemers suggereert de aanval van TTP op het Serena Hotel, waar de Chinese ambassadeur in Pakistan verbleef maar op dat moment niet aanwezig was, dat de groep zich heeft aangesloten bij de lokale strijd tegen Chinese belangen. De sterke toename van het aantal aanvallen op Pakistaanse veiligheidstroepen in Balochistan in de afgelopen maanden wijst ook op een dergelijke alliantie.
Separatisten in Balochistan, waarvan velen seculier zijn, gingen al eerder in het verleden vormen van samenwerking aan met extremistische islamistische groeperingen, zoals Al-Qaida, de belangrijkste bondgenoot van TTP, maar ook met Islamitische Staat (IS) en Lashkar-e Jhangvi, een sektarische soennitische militante moslimgroepering.
Er zijn tot 6.500 Pakistaanse militanten in Afghanistan aanwezig, de meesten van hen zijn leden van TTP
Volgens deskundigen heeft TTP zijn financiële middelen inmiddels aanzienlijk vergroot door afpersing, smokkel en door belastingen te heffen bij de lokale bevolking en bedrijven. Onder de nieuwe leiding is TTP ook in toenemende mate gedecentraliseerd, waarbij gezag is overgedragen aan lokale commandanten. Elke commandant leidt een eenheid die ongeveer 25 tot 30 strijders telt. Voorheen werden slechts enkele commandanten voor bepaalde zones aangesteld.
Ondertussen is TTP ook actief in Afghanistan: volgens een rapport van de VN dat juli vorig jaar werd gepubliceerd, zijn er tot 6.500 Pakistaanse militanten in Afghanistan aanwezig, de meesten van hen zijn leden van TTP.
In Pakistan bestaat dan ook de vrees dat in Afghanistan, als een vredesakkoord uitblijft, een burgeroorlog zal uitbreken na de aangekondigde internationale militaire terugtrekking in september. Een dergelijke situatie zou TTP dusdanig kunnen versterken, dat aanvallen op Pakistaans grondgebied kunnen worden opgevoerd.
Het excuus van Martin Bashir
Martin Bashir, de voormalige BBC-verslaggever die wordt beschuldigd van het vervalsen van documenten om in 1995 een exclusief interview met prinses Diana te krijgen, legde dit weekeinde verantwoording af in The Sunday Times over de zaak die een schandaal in Groot-Brittannië veroorzaakte en de reputatie van de BBC ernstig heeft aangetast.
‘Met zijn reputatie aan stukken’ spreekt Bashir als ‘een gebroken man’, zo is te lezen in het artikel in The Sunday Times waarin met de verslaggever wordt teruggeblikt op zijn interview met prinses Diana in 1995. Aanleiding voor die terugblik is de publicatie van het zogenoemde rapport-Dyson, de conclusie van een onderzoek naar de gang van zaken onder leiding van John Dyson, een voormalig rechter van het Britse Hooggerechtshof. Uit het rapport blijkt dat Bashir valse bankafschriften gebruikte om Charles Spencer, de broer van Diana, ervan te overtuigen dat ze werd bespioneerd. Zo wist Bashir het vertrouwen van de prinses te winnen. Prins William gelooft dat deze valse informatie ‘de angst en eenzaamheid’ aanwakkerde bij zijn moeder, die twee jaar later stierf.
‘Het interview met Diana veranderde Bashir van een onbekende in een van de beroemdste journalisten van het land’
‘Het spijt me zeer’, zegt Bashir, ‘Ik heb Diana nooit kwaad willen doen.’ Maar hij zegt ook dat hij niet ‘verantwoordelijk kan worden gehouden voor de vele dingen die er in haar leven gaande waren noch voor de complexe kwesties rond allerlei beslissingen’. Volgens hem is de suggestie dat hij daar persoonlijk verantwoordelijk voor ‘onredelijk en oneerlijk’.
De belangrijkste verdediging van Bashir, zo merkt The Sunday Times op, is dat hij wijst op het feit dat hij bevriend raakte met Diana en dat ze erg blij was met het BBC-interview. De krant citeert echter ook een voormalige collega dat meent dat Bashir de waarheid ‘ongemakkelijk’ vindt.
‘Het interview met Diana veranderde Bashir van een onbekende in een van de beroemdste journalisten van het land’, aldus The Sunday Times. Hij ging aan het werk voor ITV en vervolgens voor ABC en NBC in de Verenigde Staten, en keerde in 2016 terug bij de BBC waar hij vorige week ontslag nam. De 58-jarige Bashir zegt te kampen met verschillende gezondheidsproblemen.
Een nieuwe etalage voor hedendaagse kunst in Parijs
Parijs heeft een nieuw museum, de Bourse de Commerce, en dat zorgt voor verdere verrijking van het toch al diverse culturele aanbod, schrijft de Spaanse krantEl País. Geografisch gezien ligt het museum op een steenworp afstand van het Louvre, en zo dicht bij het Centre Pompidou dat het kleurrijke dak van de instelling door de ramen te zien is.
De Bourse de Commerce wordt de eerste privé-instelling in de Franse hoofdstad die zich uitsluitend toelegt op hedendaagse kunst uit de collectie van één individu, multimiljonair François Pinault. Deze etalage voor de Pinault-collectie is sinds zaterdag eindelijk open na jaren van voorbereiding, verbouwing naar ontwerp van de Japanse architect Tadao Ando en een uitgestelde inauguratie vanwege de coronapandemie.
Pinault is oprichter van het Kering-imperium, waarin merken als Yves Saint Laurent, Gucci en Balenciaga zijn ondergebracht
Pinault, oprichter van het Kering-imperium, waarin merken als Yves Saint Laurent, Gucci en Balenciaga zijn ondergebracht, ziet nu zijn droom in vervulling gaan: zijn immense bezit te kunnen exposeren in de hoofdstad van kunst en luxe, bestaande uit zo’n 10.000 werken van meer dan 380 kunstenaars ‘uit alle continenten en van verschillende generaties’. Pinault gaat zo de concurrentie aan met andere rijke mecenassen, zoals Bernard Arnault met zijn Louis Vuitton Foundation.
Volgens Pinault, die 84 jaar geleden geboren werd op het platteland van Bretagne, is kunst ‘een school voor nederigheid, want ze leert ons dat we nooit klaar zijn met de schoonheid van de wereld, en dat ons vluchtige leven alles te winnen heeft door de wereld te omarmen in plaats van te domineren.’ Nederigheid is echter niet wat in het oog springt bij deze buitengewone collectie waarvan de waarde door het Franse tijdschrift Challenges wordt geschat op 1,5 miljard euro.
Ouverture, de eerste tentoonstelling in de Bourse de Commerce, een voormalige graanhal van meer dan 10.000 vierkante meter in het eerste arrondissement van Parijs, toont ongeveer 200 werken van 32 kunstenaars die zijn gekozen door Pinault zelf. De selectie beoogt meer te zijn dan louter een blik op de collectie: het gaat hem om thema’s te tonen die hem na aan het hart liggen en die weerspiegeld worden in zijn acquisities. Zo zijn voor het eerst in Europa alle stukken te zien die hij bezit van de ‘radicale en compromisloze’ Amerikaanse kunstenaar David Hammons.
Ze worden gevreesd – en vereerd. In Afghanistan staan ze op het punt de macht weer over te nemen. Verslaggevers van Die Zeit reisden met toestemming van lokale leiders dagenlang door het land van de taliban.
De 9e editie van de European Press Prize
Voor de vijfde keer op rij maakte 360 een selectie uit de shortlist van European Press Prize.
Dit verhaal uit Die Zeit is een van de vijf genomineerden voor de Distinguished Reporting Award.
De European Press Prize werd in 2013 opgericht vanuit de overtuiging ‘dat journalistiek een van de grote verbinders is in een Europa dat leert en groeit dankzij de verhalen van verslaggevers’. Dit jaar was er een recordaantal inzendingen, met meer dan duizend deel-nemers uit bijna alle 47 landen van de Raad van Europa en ook daarbuiten. Journalisten uit achttien verschillende landen – van Spanje tot Wit-Rusland, van Denemarken tot Griekenland – zijn geselecteerd voor de shortlist.
De finalisten kozen belangrijke Europese thema’s, waaronder de gevolgen van de pandemie; de Black Lives Matter-beweging; migratie en mensenhandel; vrouwenrechten in de sport en vele andere.
Onze selectie uit deze shortlistverhalen leest u de komende weken op onze site. Voor het magazine kozen wij dit uitzonderlijke verhaal, voorzien van uitzonderlijk mooi beeld, over degenen die vochten tegen het machtigste leger ter wereld en een land creëerden dat officieel niet op de kaart staat: het land van de taliban.
Op 3 juni is bekendgemaakt dat ‘Love in the time of plague’ van Janusz Schwertner, gepubliceerd door de Poolse Nieuwssite Onet, de winnaar is geworden van de Distinguished Reporting Award.
‘Het indrukwekkendste stuk van dit jaar vond ik “De wedergeboorte van de taliban”, waarin twee Die Zeit-redacteuren reizen door talibangebied in de periode dat Afghanistan nog niet volledig in handen was gevallen van de islamistische rebellen. Het geeft een verrassend eerlijke inkijk in de wereld van theehuizen, madrassa’s en shariarechtbanken.’
Dit artikel, door European Press Prize genomineerd voor de Distinguished Reporting Award, had in ons juninummer nog de ondertitel “Een reis door een land dat officieel niet bestaat”, maar sinds de machtsovername is die inmiddels achterhaald.’
Het eerste contact. Een stem uit de telefoon. De speaker kraakt. De stem klinkt gedecideerd, maar ook jong, kwetsbaar bijna. Onderweg geeft de stem ons de laatste aanwijzingen. Vier uur rijden van Kaboel, de provincie Ghazni, midden in Afghanistan. Op de grote weg zijn we langs de ruïnes van verwoeste legerbases gekomen, langs wrakken van uitgebrande militaire voertuigen. Op hele stukken van de weg zit elke honderd meter een diepe krater. Dan zegt de stem dat we moeten afslaan, ze loodst ons steeds verder van de grote weg, steeds verder het land in, waar nauwelijks wegen zijn, alleen geitenpaadjes. De wielen van de Toyota slippen in het zand, dan komt de auto weer op de rotsige bodem terecht. Even later, na de laatste post van de regeringssoldaten, ligt op een heuvel een vesting waar de Afghaanse vlag wappert. Dan valt de verbinding weg.
‘Is dit wel de goede plek?’ vraagt onze chauffeur even later. Op een dorpsplein staan we gespannen te wachten, het plein is leeg, het dorp lijkt verlaten. De chauffeur kijkt op de telefoon, nog steeds geen verbinding. De plaats waar we elkaar zouden ontmoeten is het eerste dorp voorbij de grens van het regeringsgebied. Een paar armzalige lemen hutten. Al jaren geleden zijn de mensen hier uit angst gevlucht. Niemandsland. ‘Ik weet niet of we hier wel goed zijn,’ zegt de chauffeur nog een keer. Net als we overwegen om terug te keren verschijnen er opeens zeven gewapende mannen op het plein. ‘Vrede zij met u,’ zegt degene met de jongensachtige stem, die we al kennen van de telefoon.
Omar Sadiq, de lijfwacht van gouverneur Ahmadi van het militaire district Natur, bij de ingang van de plaatselijke moskee waar Ahmadi is voor een bijeenkomst.Districtscommandant Ahmadi bidt samen met zijn lijfwachten in Hotel Said aan de Nawur Ghazniweg.Vergadering van het gerechtshof van de taliban in de enige overgebleven intacte kamer van het voormalige district- en politiehoofdkwartier van Rashidan. Maulawi Shakir (midden) is voorzitter van de plaatselijke rechtbank.
Hij glimlacht, maar zijn lachje verdwijnt snel weer. Nisar, stelt hij zich voor, een naam waarvan hij weet dat wij weten dat het niet zijn echte naam is. Hij zal ons de komende dagen begeleiden. Wij, verslaggevers van Die Zeit, hebben maanden aan de voorbereiding van deze reis gewerkt. Toch zijn we nerveus. We begeven ons in handen van degenen van wie we tot nu toe vreesden dat ze ons zouden kunnen ontvoeren.
Om veiligheidsredenen blijven westerse journalisten tot nu hoogstens een paar uur achtereen bij de taliban. Wij zijn de eersten in jaren die zich een paar dagen lang aan hen toevertrouwen. We willen een reportage maken over de mannen die het machtigste land ter wereld militair murw hebben gemaakt en die een land hebben gecreëerd dat officieel op geen enkele kaart staat, het land van de taliban. Veel mensen vrezen de taliban. Toch worden ze ook bewonderd, mensen laten zich voor hen de dood in jagen, laten zich voor de beweging folteren en opsluiten. De taliban, de hoop voor velen.
Restanten
De religieuze strijders controleren in de herfst van 2020 weer 80 procent van Afghanistan. De regering van president Ashraf Ghani is teruggedreven naar de provinciecentra en de hoofdstad Kaboel. De restanten van een staat die steeds verder krimpt. De taliban staan al in de buitenwijken van Kaboel. De vluchtelingen die de laatste jaren hun toevlucht in de hoofdstad hebben gezocht, moeten het met steeds minder ruimte doen. Na twee decennia trekken de Amerikanen binnenkort hun troepen terug. De corruptie onder de autoriteiten neemt hand over hand toe. Iedereen probeert voor hij in ballingschap gaat zoveel mogelijk geld naar het buitenland te brengen. Een staatsapparaat kort voor de algehele instorting. Gevreesd wordt dat binnenkort de eerste legereenheden zullen overlopen. In Doha onderhandelen delegaties van de regering en de taliban al sinds midden september over een wapenstilstand; of, zoals veel mensen denken, over een capitulatie.
De jonge talib Nisar, in het zwart gekleed, zwarte tulband, met een kalasjnikov over zijn schouder, rijdt op een motor voor ons uit. De weg voert naar het gebergte, wordt steeds steiler, we passeren de laatste groene velden, om ons heen alleen nog naakte witte rotsen. De weg, voor zover er van een weg sprake is, is smal, uitgehouwen in de rotswand. Aan de andere kant een afgrond. De stenen die door de wielen worden losgeslagen, vallen honderden meters omlaag. Bij elke haarspeldbocht wacht Nisar ons op, een tenger silhouet in het zwart, bocht na bocht, tot aan de pas op bijna 3000 meter hoogte.
Tot vlak voor ons vertrek dreigden de afspraken met de taliban te mislukken. Contact opnemen is riskant. Het wederzijds wantrouwen is groot. Enkele journalisten die dachten op het woord van een talibancommandant te kunnen vertrouwen, zijn ontvoerd. Als we het gebied verlaten waar de regering aan de macht is, voelt dat als volledig controleverlies. Alsof je vanuit een ruimteschip de gewichtloosheid van het heelal in zweeft. Onze enige garantie dat we niet in deze steenwoestijn verloren zullen gaan, is een gesproken WhatsAppbericht. Onze reddingslijn: een andere stem, een oudere nu. De stem van de woordvoerder van de hoogste taliban. Een audioberichtje als vrijgeleide.
De mannen die meestal westerlingen als wij ontvoeren, moeten ons nu beschermen. Dat hopen we tenminste. Rond het middaguur bereiken we de vallei aan de andere kant van het bergmassief. Hier zijn de taliban al bijna tien jaar ongehinderd aan de macht. Het district heet Rashidan en is betrekkelijk klein, maar strategisch belangrijk omdat het grenst aan Ghazni, de hoofdstad van de provincie. Ingebed in de groene strook akkers en bosjes langs de rivier ligt een tiental dorpen. Verder alleen schrale grond, stof en stenen. Nisar wil ons naar het districtscentrum brengen in het dorp Hussein Chel. Hier bevindt zich ook de markt, waar de sporen van de oorlog nog duidelijk zichtbaar zijn. De scholieren van de middelbare school waar Nisar stopt, kijken nieuwsgierig uit het raam. Voor de ingang worden we opgewacht door een gesloten front van twintig mannen met zwarte tulbanden.
‘Hartelijk welkom in de Islamitische Emiraten,’ zegt Mawlawi Nasrat, de talibancommandant van Rashidan. Hij geeft een slap handje, naar Afghaans gebruik omhelst hij ons, maar aarzelend. ‘De Amerikanen en u, hun bondgenoten, hebben ons land aangevallen,’ zegt hij. ‘Wij hebben ons land alleen verdedigd. U hebt ons deze oorlog opgedrongen.’ Nasrat vraagt ons binnen te komen. De taliban en wij gaan in de lerarenkamer op de grond zitten. Ze hebben nooit eerder westerse journalisten ontmoet. Sommigen kijken ons vol haat aan, de meesten zijn, zo te zien, nieuwsgierig.
Het leek alsof de taliban het verscheurde land na vijfentwintig jaar oorlog vrede konden brengen
In de kamer hebben zich leden van de Provinciale Raad, rechters van verschillende rechtbanken en een paar afgevaardigden van de zedenpolitie verzameld, die in de dorpen de islamitische kledingvoorschriften en de lengte van de baarden controleert. Verder zijn de gevolmachtigde voor het onderwijs, die toezicht houdt op de scholen, en een belastingontvanger aanwezig. Een doorsnee van het ambtelijk apparaat dat de taliban de afgelopen jaren ontwikkeld heeft. De regering in Kaboel is hier in Rashidan allang geschiedenis. ‘Kijk eens rond in ons district!’ zegt Nasrat, de commandant, begin dertig. ‘Praat met de mensen. Ze zijn gelukkig, omdat wij ons aan de Koran en de sharia houden. De regering in Kaboel die door jullie buitenlanders is neergezet, is een corrupte bende. Ze is moreel verdorven. Bij ons bestaat geen corruptie. Wij zijn hier om Allah te dienen en de problemen van de mensen op te lossen.’
Met de taliban had niemand in Afghanistan meer rekening gehouden. Ze waren verpletterend verslagen. Het leger van de Verenigde Staten had ze na de aanslagen in New York van 2001 in een paar weken tijd naar de vergetelheid gebombardeerd. Naar schatting twintig procent van alle talibanstrijders zijn toen om het leven gekomen. De rest vluchtte naar Pakistan of dook onder. Om te voorkomen dat Afghanistan opnieuw door radicale groeperingen zou worden overheerst, heeft de wereldgemeenschap daarna een enorme operatie op touw gezet. Vijftig landen hebben soldaten en ontwikkelingswerkers gestuurd. Alleen al de VS hebben 1000 miljard dollar geïnvesteerd. In Afghanistan moest worden bewezen dat het mogelijk is de situatie in een land ten goede te keren en er het kwaad uit te roeien. Het kwaad, dat zijn de taliban.
Hun oorsprong is duister. Hun oprichter, moellah Mohammed Omar, die in de jaren tachtig tijdens de oorlog tegen de Russen een oog verloor, is een mythisch figuur. Tot zijn dood in 2013 bestond van hem maar één enkele foto. Na de ineenstorting van het communistische regime in 1992 was hij leraar in een moskee in de buurt van Kandahar. Het land was in handen van honderden warlords en hun strijders, de moedjahedien, en georganiseerd in tientallen verschillende, elkaar bestrijdende allianties. Het waren de bloedigste jaren van de burgeroorlog. Afghanistan verzonk in anarchie. Begin 1994 ontvoerde een plaatselijke warlord twee meisjes, liet hun hoofd kaalscheren en hield hen vast in zijn legerbasis, waar ze werden verkracht. Omar riep dertig leerlingen van zijn Koranschool bij elkaar, ‘taliban’ – talib, meervoud taliban, betekent gewoon ‘leerling’. Ze bewapenden zich met zestien geweren, trokken naar het huis van de warlord, bevrijdden de meisjes en knoopten de warlord op aan de loop van een tank.
De geschiedenis van de taliban, die de wereld later zou leren kennen als de groepering die de vrouwen in het land onderdrukte, begon met de bevrijding van twee vrouwen. Daarna zochten steeds meer mensen moellah Omar op om zijn hulp in te roepen bij overvallen van de warlords. Leerlingen van andere Koranscholen sloten zich bij hem aan. Maanden later controleerden ze hele provincies en aan het eind van het jaar had moellah Omar twaalfduizend aanhangers. Al snel noemde hij zichzelf Almir-al Mu’min: leider der gelovigen. Spoedig stroomde ook het geld binnen. Fracties van de moedjahedien gaven hem geld in de hoop de taliban ook tegen hun tegenstanders te kunnen inzetten. Pakistan, dat de moedjahedien steunde in hun strijd tegen de Russen, gaf geld om hen beter te kunnen controleren. De taliban begonnen in Afghanistan als verlossers. Het leek alsof zij het verscheurde land na 25 jaar oorlog vrede konden brengen. Maar ze brachten alleen nog meer bloedige strijd. Al meer dan 42 jaar is er in Afghanistan geen vrede.
‘We hebben van de fouten in het verleden geleerd,’ zegt Nasrat, de commandant van Rashidan. ‘Vroeger zouden ze na de verovering van een district een van de strijders tot gouverneur hebben benoemd. Die wisten niet hoe ze met de bevolking moesten omgaan,’ zegt hij. ‘Dat is nu anders, we hebben allerlei deskundigen.’ Hij kijkt steeds ongemakkelijk in de richting van Nisar, die naast hem is gaan zitten. De jonge talib die ons heeft opgehaald, is door de shura, de centrale raad van de taliban in Pakistan, afgevaardigd om ons te begeleiden. Hij heeft kohl om zijn ogen, wat hem volgens de Pasjtoense cultuur tegen het boze oog beschermt. Hij is pas drieëntwintig en heeft nog geen volle baard. Nasrat, een kop groter en tien jaar ouder, heeft ruwe handen en is gewend aan zwaar werk, een boer die revolutionair is geworden. ‘We hebben zoveel deskundigen dat we heel Afghanistan kunnen besturen,’ zegt Nasrat, de commandant. ‘We weten nu hoe dat moet.’
‘Vertel hun,’ spoort Nisar hem aan, ‘dat we beter naar de bevolking luisteren.’ ‘We luisteren nu beter naar wat de mensen willen,’ zegt Nasrat. ‘Wat dacht je ervan,’ stelt Nisar voor, ‘als je zegt dat er vrede zal komen als alle buitenlandse troepen zijn vertrokken?’ Nisar zegt openlijk voor wat Nasrat moet zeggen. Hij is van de media-afdeling van de taliban. In de meeste provincies runnen ze een radiozender, geven ze kranten uit en opereren ze op socialemediaplatforms. Mannen als Nisar vormen de jonge elite van de taliban. Technologisch zijn ze vaardiger, en ze maken filmpjes van jonge zelfmoordaanslagplegers voordat die zich in een mensenmenigte opblazen.
Het symbool van hun overwinning ligt op een hooggelegen plek van waar je uitkijkt over het dorp. Nasrat en Nisar verlaten de school en lopen over de markt. Officieel is die van de regering, maar de handelaars betalen hun marktgeld allang aan de taliban. Er zijn drie apotheken, verscheidene werkplaatsen waar vooral de motoren van de taliban worden onderhouden, levensmiddelenwinkels en een paar kleermakers. Van de 250 winkels zijn er vijftig geopend. Er zijn maar weinig mannen die het zonder volle baard durven te stellen en maar een enkeling draagt geen tulband. De nieuwe dresscode van de taliban is eigenlijk de oude. De baard niet langer en niet korter dan een handbreedte, net zoals de profeet hem droeg. Handelaars en klanten kijken ons na. Ze weten niet of we gijzelaars of gasten zijn.
Dan staan we voor de aarden wal van het districtshoofdkwartier, een vesting hoog boven het dal. ‘Dit was mijn grootste overwinning,’ zegt Nasrat, terwijl hij door de poort loopt. Er is alleen een ruïne overgebleven. Op de binnenplaats groeit gras. De muur is op enkele plaatsen ingestort, de twee hoofdgebouwen zijn opgeblazen. Acht jaar geleden bestormde de groep van Nasrat de basis, waarbij ze drie tanks hebben vernietigd en 46 politieagenten gedood. De sporen van hun laatste wanhoop: de ramen van de gebouwen zijn met leem dichtgesmeerd, de ingestorte muren versterkt met zand. ‘Moet je zien hoe ze hun gevangenen behandelden,’ zegt Nasrat terwijl hij ons op de binnenplaats een betonnen gat in de grond aanwijst. Daar beneden lieten de agenten verdachte dorpelingen creperen. ‘In strijd met de mensenrechten,’ zegt Nasrat, maar hij verzwijgt dat ook de taliban hun gevangenen in holen en koeienstallen opsluiten. De overwinnaar bepaalt hoe je het verleden interpreteert. Op het dak wappert de vlag van de taliban, wit met in het zwart het opschrift ‘Er is geen God naast Allah, en Mohammed is zijn Profeet’.
Altijd haast
Slechts één vertrek is intact gebleven. Een kale kamer met matten van boombast op de grond. ‘Dit is tegenwoordig ons hoofdkwartier,’ zegt Nasrat. Maar dat is niet juist. Uit angst voor drone-aanvallen houden de taliban zich maar zelden lang in hetzelfde gebouw op. Op onze reis is dat niet anders. De bijeenkomsten zijn kort. Ze hebben altijd haast. Ze arriveren op een tiental motoren, alleen Nasrat als commandant heeft een auto, dan gaat de groep weer uiteen en rijdt iedereen een andere kant op, zonder af te spreken waar en wanneer precies we elkaar weer zien. ’s Nachts worden we alleen gelaten. Niemand die ons bewaakt. Desondanks, dat weten we zeker, wordt Nasrat over al onze bewegingen geïnformeerd. ’s Nachts is het in het dal aardedonker. De dichtstbijzijnde openbare stroomvoorziening is in de hoofdstad van de provincie Ghazni, 88 kilometer verder. Onze eerste gastheer, die iets welvarender is dan zijn buren, heeft als enige stroombron een auto-accu, die hij oplaadt met een zonnepaneel op zijn dak. Er kunnen twee gloeilampen tegelijk op branden.
In de beschutting van de avond praten we met inwoners van de dorpen. Om hen niet in gevaar te brengen, ontmoeten we andere na deze reis in de veiligheid van Kaboel. Wat we willen weten is: hoe is het leven onder de nieuwe taliban echt?
Een man van rond de veertig, goed opgeleid, geboren in Rashidan:
‘De eerste jaren na de val van de regering van de taliban dacht niemand dat er opnieuw oorlog zou komen. We waren optimistisch. Iedereen was zo moe, zelfs onze plaatselijke taliban waren moe. Ze waren teruggekeerd naar hun gezinnen en weer boer geworden. Ze vochten niet tegen de regering. In het begin waren de taliban ook niet tegen de internationale hulporganisaties, die bij ons in het dal bruggen en irrigatiekanalen aanlegden. Maar nu zijn ze bijna allemaal tegen de regering. De regering heeft het geweld weer onder ons gebracht. Ze zijn naar ons dal gekomen om op voormalige taliban te jagen. Daarna kwamen de buitenlanders, ’s avonds met hun helikopters, en haalden de mensen uit hun eigen huis. Ze hebben veel onschuldigen opgepakt.’
‘De regering en de buitenlanders luisterden alleen naar commandant Chalil. In de jaren negentig was hij hier als warlord aan de macht, tot hij moest vluchten voor de taliban. Nu kwam hij terug met de Amerikanen. Chalil is geen goed mens, dat was hij vroeger niet en dat is hij nog steeds niet. Hij heeft heel veel land gestolen. Hij hoefde iemand er maar van te beschuldigen dat hij bij de taliban had gezeten of diegene moest met zijn hele gezin vluchten, waarna Chalil zijn land inpikte. In een van de dorpen wilde hij zoveel land stelen dat de inwoners naar de wapens grepen om zich tegen de dief te verdedigen. Daarbij zijn vijftien mensen omgekomen. De regering heeft niet de dief gearresteerd, maar de mensen die zich tegen hem verdedigden. Daarom zijn de meeste mensen hier voor de taliban. De regering heeft ons hulporganisaties gestuurd, maar met Chalil hebben ze ons van ons land beroofd.’
De wedergeboorte van de taliban verliep bijna overal volgens hetzelfde patroon. Het Westen bracht de oude, door de bevolking vaak gehate warlords terug. Mannen die hun hele leven niets anders hadden gedaan dan vechten, die verruwd waren door tientallen jaren oorlog met bij elkaar anderhalf miljoen doden. Ze waren de steunpilaren van de nieuwe regering van Hamid Karzai, die door het Westen met miljarden dollars werd gesteund. Terwijl de warlords in de provincies de macht overnamen, bleef de centrale regering te zwak om hen te controleren. De warlords lieten zich in het parlement kiezen, kochten politieke benoemingen, werden gouverneur, minister of generaal in het nieuwe leger. Hun zoons richtten ondernemingen op en kregen lucratieve opdrachten van het Amerikaanse leger, de NAVO en veel ontwikkelingshulporganisaties. Ze betaalden geen belasting, onderdrukten hun binnenlandse concurrenten met geweld en corruptie en staken hun geld in onroerend goed in het buitenland.
Al in 2002 probeerden de taliban zich opnieuw te organiseren, maar dat mislukte. De meeste Afghanen moesten niets van hen hebben. In de hoop op een betere toekomst onder Karzai verrieden ze hen aan de Amerikanen en de regeringstroepen. In hun ballingschap in de grote vluchtelingenkampen in Pakistan vielen de taliban uiteen in drie fracties: drie shura’s. Een shura, geleid door een deel van de oude elite van de taliban, werd opgericht in Quetta. Een tweede werd gevormd in Pesjawar en een derde, de meest radicale, ontstond in Miranshah. Hier werd het beleid gedicteerd door de familieclan van de Hakkani, een naam die al snel gevreesd werd, omdat de Hakkani’s de grootste trainingskampen voor zelfmoordaanslagplegers in Afghanistan onderhielden. Er wordt verteld dat tot 2015 de Hakkani’s 1160 zelfmoordaanslagplegers hebben ingezet, van wie er 843 hun missie ‘succesvol’ zouden hebben afgerond.
‘Ik ben een strijder, ik heb mijn hele leven gevochten. Ik heb geen plannen voor wat daarna moet gebeuren’
Naarmate de teleurstelling over de regering onder de bevolking toenam, werden de taliban weer sterker. De eerste jaren domineerde de shura in Quetta, daarna die in Pesjawar, maar ten slotte, en nog steeds, weer die in Quetta. Soms bestreden de strijders van de drie shura’s elkaar en roofden ze gebieden van elkaar. Volgens de analyse van internationale conflictonderzoekers begon Pakistan in 2004 weer met betalingen aan de opstandelingen: 20 miljoen dollar per jaar. Dat bedrag liep op tot 500 miljoen dollar per jaar. Pakistan is in de regio in een hopeloze situatie verzeild geraakt. Het land is nergens zo bang voor als voor een verbond tussen zijn buren India en Afghanistan. Afghanistan eist de Pasjtoengebieden in het westen van Pakistan op, die indertijd door de Engelsen aan Pakistan zijn toebedeeld. India maakt aanspraak op een deel van Kasjmir in het noorden. Pakistan dreigt al sinds de oprichting van het land in 1947 uiteen te vallen. Een door de taliban geregeerd Afghanistan, waarvan geen gevaar uitgaat omdat het geheel onafhankelijk is, zou een eind maken aan Pakistans existentiële angst.
Nasrat en Nisar wachten ons de volgende ochtend weer op bij het door hen veroverde districtshoofdkwartier. ‘We zullen u laten zien hoe we hier vrede brengen,’ zegt Nisar. In het enige vertrek dat intact is, heeft zich deze ochtend een groep mannen verzameld. De districtsrechtbank van de taliban. Voorzitter Mawlawi Shaker zit aan het hoofd van de groep. Ook hij is pas 26. ‘Niet Pakistan zeggen,’ fluistert Nisar hem desondanks duidelijk hoorbaar toe, als Shaker wil vertellen aan welke Koranschool hij heeft gestudeerd. ‘Ik heb in Ghazni gestudeerd, ’zegt hij dan, ook hij heeft zwarte kohl om zijn ogen. Voor hem zitten twee handelaren van wie de een de ander geld heeft geleend. De schuldeiser beweert dat hij omgerekend 800 euro heeft uitgeleend, de ander zegt dat het maar 520 euro was. ‘Hebt u getuigen?’ vraagt Shaker. Die heeft hij niet. ‘Hebt u getuigen?’ vraagt hij aan de ander. Die ook niet. De schuldenaar haalt whatsappjes tevoorschijn waarin de schuldeiser hem bedreigt. Ze zitten tegen elkaar te schreeuwen, tot Shaker zegt: ‘Genoeg.’
Hij rommelt wat in de plastic zak met documenten die hij op zijn kalasjnikov heeft gelegd en haalt een formulier tevoorschijn. Een stuk papier met het logo van de taliban en het briefhoofd: ‘Provincie Ghazni, District Rashidan, Burgerlijk Bestuur’. Hij schrijft er een paar regels op en verwijst de zaak door naar de provinciale rechtbank. Die zullen wel een oplossing vinden, zegt hij als de twee mannen de ruïne hebben verlaten. Vermoedelijk zal de hogere instantie een compromis tussen de twee bewerkstelligen. ‘Zelfs mensen uit de regeringsgebieden komen met hun geschillen naar ons toe. Daar moeten ze een hoop geld betalen, maar krijgen ze toch hun recht niet. Daar wordt geen enkel geval opgelost. Hier lossen we alle kwesties op.’ Wat in Afghanistan nog belangrijker is dan elders, omdat een ruzie hier snel in een bloedvete ontaardt.
Shariarechtbanken
In de strijd van de taliban tegen de regeringscoalitie zijn de shariarechtbanken hun belangrijkste wapen. Ook die geven niet altijd degene gelijk die gelijk heeft, maar er wordt recht gesproken, vonnissen geveld, en ze winnen terrein. Heel anders dan in het gebied van de regering. Daar vragen rechters vaak van beide partijen grote sommen geld, en hebben beide partijen het gevoel dat ze in een moeras van corruptie en bedrog zijn terechtgekomen. Na verkregen gunsten veranderen rechters hun vonnis, schuiven een oordeel op de lange baan en zijn vervolgens niet in staat dat vonnis uit te voeren.
Als we het hooggelegen voormalige districtscentrum verlaten, horen we boven ons opeens een snorrend geluid. Het is een drone, die het dal doorkruist op zoek naar een doel. Verreweg de meeste talibancommandanten die de afgelopen jaren zijn gedood, waren slachtoffer van aanvallen met drones. Nasrat en Nisar kijken omhoog maar zien de drone niet. Door zijn schutkleuren is de drone tegen de hemel vrijwel onzichtbaar. Even blijft iedereen staan, dan sterft het geluid weg.
Bij de bazaar laten de taliban ons een kleine kliniek zien, de enige kliniek in het district, waar 42.000 mensen op zijn aangewezen. Het blok van ruwe natuursteen is zestien jaar geleden gebouwd door USAID, zoals aan een verbleekt bord bij de ingang te zien is. De directeur die ons begroet, kijkt bij elke zin naar Nisar. ‘We hebben niets om de mensen te beschermen tegen corona. We hebben geen mondkapjes en handschoenen.’ Gelukkig is het district tot nu toe niet getroffen, op één geval na. Het ergste is hier de cholera. ‘Van de honderd mensen hebben er twintig cholera.’ Het water is slecht. Wassen gaat hier nog traditioneel. De lemen huizen hebben slechts één woonlaag, waar bad en toilet naast elkaar liggen. De bronnen in de dorpen geven de laatste tijd steeds minder water. Riolering is er niet.
‘Ik weet het niet,’ antwoordt Nasrat op de vraag hoe hij de armoede in het dal wil verlichten als ze de oorlog eenmaal hebben gewonnen. Hij wil eerst een nieuwe moskee en een nieuwe Koranschool bouwen. Maar dan? Nasrat denkt lang na, dan zegt hij: ‘Ik ben een strijder, ik heb mijn hele leven gevochten. Ik heb geen plannen voor wat daarna moet gebeuren.’
Vandaag gaan Nasrat en zijn staf al vroeg in de middag weg. Later horen we dat ze zich moeten voorbereiden op een aanval op een politiebureau in het centrum van Ghazni. De operatie betekent de zoveelste vernedering voor de regering. Drie politieagenten komen om. De taliban bestormen het bureau, maken geweren en antitankgranaten buit en ontkomen zonder verliezen.
’s Avonds horen we explosies. We gaan naar het dak van ons huis en luisteren in het donker. Ver weg, aan het eind van het dal, slaan granaten in. De volgende ochtend krijgen we te horen dat de artillerie van de regering kennelijk uit wraak lukraak granaten afvuurt op dorpen waar ze vermoeden dat de taliban zitten.
Ook deze avond praten we met inwoners. Dit keer met een oudere man, die ook uit Rashidan komt.
‘De taliban zeggen dat ze hier alles onder controle hebben, maar dat is niet zo. Begin augustus is een leraar vermoord. Onbekenden hebben hem op klaarlichte dag uit zijn huis gehaald en in de velden doodgeschoten. Sommigen zeggen dat het om een familieruzie ging. Anderen zeggen dat het de taliban waren. Ook bij de taliban zitten slechte mensen. Maar al met al is het veel veiliger dan in het gebied van de regering. We zijn allemaal blij dat de taliban het hoofdkwartier van het district veroverd hebben. We hebben erg geleden onder de politieagenten, die zomaar schoten. Ze hebben op boeren geschoten die vanwege de droogte ’s nachts op hun akkers aan het werk waren om die te bevloeien. Ze hebben twee kinderen doodgeschoten die schapen hoedden. De regering had Oezbeekse en Hazara politieagenten hiernaartoe gestuurd. Die hebben een afschuwelijke hekel aan ons. Het was zo erg, dat iedereen met een grote boog om het districtscentrum heen reed, ook de markt was helemaal verlaten. Sinds de taliban terug zijn, wordt er niet meer gevochten. De handelaars komen terug en het leven is weer iets beter.’
‘Maar de meesten van ons steunen de taliban nog steeds niet. Ze houden hun mond en wachten af. De jonge mannen van hier die bij de taliban zijn gegaan, hebben op een madrassa, de Koranschool, in Pakistan gezeten. Bij ons in het dal zijn vier madrassa’s waarvan de leraren ook allemaal in Pakistan zijn opgeleid. De ouders bij ons zijn gelukkig als hun zoon naar de madrassa kan. De taliban selecteren alleen de besten. Jongens gaan naar de madrassa als ze zeven zijn. Ze slapen daar ook. We hebben ook staatsscholen. Onlangs heeft de middelbare school laptops gekregen, maar de taliban hebben die allemaal naar hun madrassa gebracht. De Koranscholen hebben nu betere leermiddelen dan de staatsscholen. Ook het eten is er beter. Op de staatsscholen leren ze bijna niets. De leraren daar zijn te slecht. Maar wie naar de madrassa gaat, kan al snel heel goed lezen en schrijven.’
Van de honderd mensen hebben er twintig cholera
De volgende dag lijkt de hemel vrij van drones. Sinds de VS hun legerbases afbouwen, is het aantal luchtaanvallen duidelijk minder geworden. De Afghaanse luchtmacht is door de jaren heen zwak gebleven. De militaire hulp uit het Westen heeft de luchtmacht klein gehouden en met weinig vliegtuigen en munitie uitgerust. Blijkbaar uit voorzorg, om te voorkomen dat Afghaanse generaals ze op een dag ongehinderd kunnen inzetten. Nisar belt en vraagt of we het gesprek tijdens het middageten kunnen voortzetten. Plaats: het huis van een iets welgesteldere boer. Nasrat en zijn staf van 25 man zitten in het gastenverblijf, een van stukken leem opgetrokken gewelf. Het eten is voor deze streek overvloedig, met veel vlees. Nasrat en zijn mannen logeren altijd kosteloos. De dorpsbevolking moet in hun onderhoud voorzien.
‘Wat zal ik verder nog vertellen?’ vraagt Nasrat terwijl hij zich naar Nisar toe buigt. ‘Vertel dat we nu verenigd zijn en dat we alle etnische groepen vertegenwoordigen.’ ‘We hebben uit alle stammen mensen in onze rangen,’ zegt Nasrat. ‘We hebben met die stammen geen enkel probleem.’ Afghanistan is een poly-etnische staat met negen nationaliteiten. Dat is de oorsprong van al het geweld. De Afghaanse burgeroorlog is telkens opnieuw uitgebroken door conflicten tussen de etnische groepen. En in tegenstelling tot hun eigen propaganda maken alle taliban die we op onze reis tegenkomen allemaal deel uit van een van die groepen, de Pasjtoen.
Het dal van Rashidan markeert de grens tussen twee volken die al eeuwen in vijandschap leven. Beneden, in de weiden langs de rivier waar de bodem het vruchtbaarst is, wonen de Pasjtoen. Een volk dat eeuwenlang de koningen van Afghanistan leverde. Op de schrale hellingen boven het dal en tot ver in de bergen wonen Hazara. Ze stammen af van de Mongolen. De Pasjtoen zijn soennieten, de Hazara, net als de Iraniërs, sjiieten. Reeds de Pasjtoense koningen voerden veldtochten tegen de Hazara, plunderden hun dorpen, legden hun zware belastingen op, lieten hen verarmen, doodden tienduizenden van hen. Nooit zijn Hazara en Pasjtoen in één staat samengekomen. De taliban zijn in de jaren negentig doorgegaan met het onderdrukken van de Hazara. Geen groep in de bevolking heeft de val van de taliban in 2001 zo toegejuicht als de Hazara.
Dreigt er, nu de troepen van de VS zich terugtrekken, voor beide volken een nieuwe tragedie? We hopen een antwoord te vinden in het naastgelegen district Nawur, dat bijna uitsluitend door Hazara wordt bewoond en al jaren door de taliban wordt overheerst.
De wegen worden nog slechter, de hoofdweg dwars door Nawur is niet meer dan een stoffig pad, in de loop der jaren door de wielen van zware vrachtwagens uitgesleten in de witte kalksteen. De dorpen zien er onbewoond uit. Meer dan tachtig procent van de bevolking is de afgelopen jaren naar het buitenland gevlucht, vooral naar Iran, vertelt men ons, de meesten om te werken. Daar zouden inmiddels drie miljoen Afghanen wonen. De mensen die gevlucht zijn, stuurden geld naar de achtergeblevenen, maar dat is de laatste jaren steeds minder geworden. Iran heeft het in de huidige economische crisis zwaar te verduren.
Vlak voordat de weg in een kloof verdwijnt, zien we een school die tegen de helling is gebouwd. Een school die er in het rijk van de taliban eigenlijk niet mag zijn. ‘Komt u binnen,’ begroet de rector ons na een kort gesprek. De Bibi Zainab Highschool. Er zitten honderdvijftig meisjes, in zes klaslokalen. De taliban staan toe dat ze tot de twaalfde klas les krijgen, omdat de leerlingen Hazara zijn. In het Pasjtoense Rashidan mogen meisjes maar tot de zesde klas naar school, omdat, zeggen de taliban, hun ouders dat zo willen. Voor veel Pasjtoense ouders is een opleiding voor meisjes verdacht. Vrouwen moeten thuis meehelpen en vroeg trouwen. Jonge vrouwen brengen een hogere bruidsschat op.
Hier in Nawur dragen de leerlingen geen boerka, alleen een hoofddoek. ‘Twintig procent van onze leerlingen gaat naar de universiteit,’ vertelt de rector trots. De meeste gaan in Ghazni medicijnen studeren of een verpleegstersopleiding volgen. De school heeft geen verwarming, in veel vensters zit geen glas, daarom vallen de lessen ’s winters uit. Vaak is er maar één schoolboek voor drie meisjes. De rector, die de school een paar maanden na de val van de taliban heeft opgericht, is een oude man met dikke brillenglazen en een kromme rug, toch straalt hij als hij over zijn school praat.
Tot nu toe hebben de taliban er alleen kritiek op dat het gebouw te dicht bij de hoofdweg staat en niet ommuurd is. Zo staan de meisjes bloot aan de blikken van passerende mannen. Bovendien wordt op school de helft van de vakken gegeven door mannen en niet door vrouwen. In de jaren negentig zijn bijna alle meisjesscholen om die reden gesloten. Of hij zich geen zorgen maakt over wat er van zijn school terechtkomt als de taliban de macht helemaal overnemen, vragen we. De rector kijkt naar de grond, dan weer op, en zegt: ‘De wereld is ons vergeten.’
De weg die we volgen, voert ons door een nauwe kloof, aan weerszijden rijzen de rotswanden hoog op. De hemel wordt smal. De talibancommandant van Nawur, Mawlawi Ahmadi, heeft ons ontboden. Eigenlijk had hij ons bij Nasrat in Rashidan willen ontmoeten, maar daar kwam hij niet opdagen. We hoorden dat hij Nisar, de afgezant van Quetta, mijdt. De vraag die niet alleen wij willen stellen, luidt: hoe verenigd zijn de taliban werkelijk?
Een moeilijk district
Als trefpunt heeft Ahmadi een dorp in een afgelegen, door hoge bergen ingesloten dal gekozen. De weg erheen is half vernield door de zware regenval die afgelopen zomer in heel Afghanistan enorme aardverschuivingen heeft veroorzaakt. ‘Het dal van de waterval’ heet het dorp. De lucht is ijl. Een stuk of tien lemen huizen, verscholen onder aan een 700 meter hoge, steile rotswand. De toppen boven het dorp zijn bijna 4000 meer hoog.
Een klein jongetje zit gehurkt in de schaduw van een huis. Verder is in het dorp geen mens te zien. De jongen groet niet en blijft ernstig naar ons kijken. Een uur later verschijnt Ahmadi, begeleid door twee lijfwachten. ‘Kijk eens hoe mooi ons land is,’ zegt hij ter begroeting joviaal. Ahmadi, midden dertig, witte tulband, een volle, zwarte baard, heeft niets van het boerse van Nasrat of het ambitieuze van Nisar. Zijn vader, die moellah (islamitische geestelijke) is geweest in Rashidan, heeft hem als kind al vroeg naar de madrassa gestuurd. Ahmadi spreekt zacht, weegt zijn woorden. Zijn stem blijft fluweelzacht, zelfs als hij harde uitspraken doet. Het ideaaltype van de islamitische geleerde, zoals ook Osama bin Laden ze graag zag.
Hij leidt ons naar de kleine moskee van het bergdorpje. Een kale ruimte met een tapijt. Vier, vijf dorpsoudsten, Hazara, laten zich nu ook zien, aarzelend komen ze erbij zitten. Hun lichamen zijn uitgeteerd, hun wangen hol. Een heel moeilijk district, zegt Ahmadi, die als Pasjtoen over alleen maar Hazara heerst. Hij rekent uit: in totaal 125.000 inwoners, waarvan 75.000 onder zijn controle. De regering heeft alleen nog het districtscentrum in handen, hier zes uur vandaan. ‘Maar we werken eraan om daar verandering in te brengen,’ zegt hij. Kortgeleden heeft hij de gipssteengroeve veroverd, de belangrijkste bron van inkomsten in het district. De eigenaar van de mijn betaalt nu belasting aan de taliban.
Het ziet ernaar uit dat de taliban de oorlog bijna hebben gewonnen, maar hoe willen ze vrede brengen? De armoede in Afghanistan zal op den duur iedere orde tenietdoen. Ahmadi weet dat ook. Hij heeft plannen voor zijn district. ‘We moeten de mijnen moderniseren,’ zegt hij. Om meer akkers te kunnen irrigeren, wil hij in het dal een dam bouwen. Hij wil wegen aanleggen, maar moet toegeven dat hij daar geen geld voor heeft. ‘We willen graag dat de buitenlandse ngo’s terugkomen. We garanderen hun veiligheid. We zullen nog een hele tijd van hen afhankelijk zijn,’ zegt hij. ‘Ze mogen terugkomen, maar we gaan er niet om smeken.’
Tijdens een pauze in het gesprek, als Ahmadi de ruimte even heeft verlaten, vragen de oudsten ons hem aan te spreken over de armoede waarin ze leven. ‘Zeg tegen hem dat ze ons moeten helpen. De wegen zijn door de regen verwoest. Veel akkers zijn weggespoeld. Onze oogst is vernietigd.’ Ahmadi, die tot nu toe geen woord met de oudsten heeft gewisseld, doet een paar keer of hij onze vraag niet heeft gehoord, dan zegt hij: ‘We hebben geen geld. Alles wat we kunnen doen, is de hulporganisaties aansporen.’
Ook verwacht Ahmadi hulp van vluchtelingen in Duitsland. ‘Er zit veel deskundigheid bij hen. We hebben ze nodig om ons land weer op te bouwen.’ Er zal hun niets gebeuren. Maar degenen die ernstige misdrijven aan de kant van de regering hebben gepleegd, staan zware straffen te wachten. ‘Die kan ik geen Afghanen meer noemen.’ Als een echte staatsman bedankt hij Duitsland, omdat het de vluchtelingen heeft opgenomen, maar hij verwijt de Duitsers ook dat hun leger in Afghanistan veel ellende heeft veroorzaakt. De soldaten hebben onschuldige mensen gedood. Het is nog te vroeg om die soldaten te kunnen vergeven. ‘Ik voel nog haat tegen hen. Ja, ik haat ze.’
‘De taliban zijn erg veranderd. Ze worden corrupter’
Het is middag geworden, en de oudsten vragen Ahmadi om de tien gasten voor het eten twee aan twee over verschillende gezinnen te verdelen om de last voor iedere gastheer draaglijk te houden. ‘Nee,’ Ahmadi verwerpt hun voorstel, ‘we eten in de moskee.’ Nu moeten de oudsten ondanks hun armoede de gasten alleen van eten en drinken voorzien. De komende weken zullen hun gezinnen nauwelijks te eten hebben, omdat hun voorraden door deze ontvangst zijn uitgeput. Zwijgend kijken ze toe hoe de taliban en wij de maaltijd gebruiken.
Ten afscheid nodigt Ahmadi ons uit voor een schietoefening aan de andere kant van het dorp. We wijzen het beleefd af, maar Ahmadi wil een beetje ontspanning. Hij gaat met ons naar de waterval, waar een heilige bron ontspringt die geesteszieken geneest. Een van zijn lijfwachten vuurt met zijn Amerikaanse M16, een halfautomatisch geweer, dat hij anderhalf jaar geleden op een Amerikaanse soldaat heeft buitgemaakt. ‘Ik heb hem eerst doodgeschoten en toen zijn geweer afgepakt,’ vertelt hij met een grijns. De andere lijfwacht vertelt dat ze een paar dagen geleden de vrijlating van een van hun strijders hebben gevierd. De Afghaanse regering moest dit jaar, onder druk van de VS en zwakker dan ooit, 5000 gevangen taliban vrijlaten. Een van hen kwam uit deze streek, vertelt de lijfwacht. Hij werd in 2004 gearresteerd omdat hij in Ghazni een 29-jarige Française had vermoord, Bettina Goislard, een medewerkster van het VN-vluchtelingenwerk. ‘Tot diep in de nacht hebben we gevierd dat hij weer terug was.’
Het strookje gras hoog op een rots dat ze als doelwit kiezen, weet geen van de drie te raken.
We brengen de nacht weer door in Rashidan. Weer luisteren we naar de verhalen van de dorpelingen.
‘Tot twee jaar terug waren de taliban hier erg streng. Ze hielden ons op straat aan en fouilleerden ons om naar smartphones te zoeken. Je mag alleen een gewoon mobieltje hebben. Als je een van hen bent, mag je een smartphone hebben voor het internet. Nu zijn ze wat relaxter geworden. Maar het komt er altijd op aan wie hun commandant is. Ahmadi was vroeger erg streng, met Nasrat viel altijd wel te praten. Het ergste is als er taliban van buiten komen. Dan halen we onze satellietschotels van het dak en zetten die in de tuin. Anders slaan ze ons en vernielen ze de satellietschotels met knuppels. “Waarom kijken jullie naar de kanalen van de ongelovigen,” zeggen ze.’
Nieuwe bromfiets
‘De taliban zijn erg veranderd. Ze worden corrupter. Sinds kort hebben ze allemaal een nieuwe bromfiets. Veel van hen hebben twee of drie vrouwen en sturen hun gezin naar Ghazni of Kaboel. Mensen die het dichtst bij de moskee wonen, hebben het meest te lijden. Daar overnachten grote groepen taliban, en de buren moeten dan voor eten en drinken zorgen. Ze zeggen: “wij vechten tegen de ongelovigen, en wat doen jullie? Willen jullie ons niet eens te eten geven?” Ook gedwongen huwelijken vormen een groot probleem. Als een leider van de taliban met hun dochter wil trouwen, kan een gezin dat niet weigeren. Ze maken misbruik van onze ellende. Dat is een taboe hier, daar praten de mensen niet over.’
‘We lijden steeds meer gebrek. De laatste jaren heeft het weinig geregend. We konden maar een derde van de akkers irrigeren. In Iran is geen werk meer. Onze verwanten sturen ons daarom nog maar weinig geld. Veel gezinnen kunnen geen bruidsschat meer betalen. Er zijn 90 procent minder bruiloften dan twee jaar geleden. De vaders van de meisjes vragen te veel geld. Ze zijn te inhalig. Vroeger vroegen ze in deze streek gemiddeld 10.000 euro. We hebben met de taliban gesproken, en anderhalf jaar terug hebben ze in de moskeeën afgekondigd dat een bruidsschat ten hoogste 3500 euro mag zijn. Maar dat is nog steeds te veel. De taliban weigeren het bedrag verder te verlagen. Er zijn hier zo veel stellen die weglopen en naar Kaboel gaan.’
‘De taliban zijn niet echt in ons geïnteresseerd, alleen in zichzelf. Het is met hen al bijna net als met de warlords. We zijn verloren. We weten niet meer wat beter is, de regering van de warlords of van de taliban.’
In Afghanistan leek vele jaren lang geen van de kampen een doorslaggevend militair voordeel te kunnen behalen. De drie shura’s van de taliban begonnen elkaar te bestrijden. In Pakistan werd de leider van de Quetta-shura, moellah Baradar, gearresteerd, blijkbaar omdat hij vredesonderhandelingen met Kaboel wilde; dat wilde Pakistan niet. Zijn opvolger, Akhtar Mohammed Mansour, ging op zoek naar nieuwe geldbronnen. Talrijke onderzoeken tonen aan dat hij die ook vond, namelijk in de drugssmokkel. Onder zijn leiding ontwikkelde Afghanistan zich weer tot een van de wereldwijd belangrijkste arealen voor de productie van opium. In 2014-2015 heeft de Quetta-shura meer dan 285 miljoen dollar verdiend met drugshandel. De situatie voor de regering in Kaboel werd precair toen behalve Pakistan ook Iran de taliban ging ondersteunen. Hoe dreigender Amerika zich tegenover Iran opstelde, hoe meer dat land in Afghanistan intervenieerde. In 2012 werd in het Iraanse Mashad een eigen shura opgericht, de Mashhad-shura. Met hulp van Iran waren de taliban in staat grote delen van het noorden van Afghanistan te veroveren. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat Iran zijn bijdrage aan de taliban van 30 miljoen dollar in 2006 heeft verhoogd tot 190 miljoen in 2013, wat echter niet uitsluit dat Iran tegelijkertijd de regering in Kaboel met miljoenen ondersteunt. Ook daar wil het zijn invloed niet verliezen.
Maulawi Nasrat (l) en Nisar in hun auto. Een schoolklas met Afghaanse meisjes in de Bibi Zainab-school.Markt in het district Rashidan. Sinds de machtsovername door de taliban ongeveer tien jaar geleden, zijn slechts 50 van de 250 winkels weer open.
De taliban brandmerken de regering in Kaboel als een verzameling buitenlandse marionetten. Maar feitelijk zitten ze in eenzelfde situatie. Aan alle kanten wordt aan hen getrokken. Vroeger werkten die krachten in verschillende richtingen, nu hebben ze allemaal hetzelfde doel, namelijk het minimaliseren van de westerse invloed in Afghanistan. Nu de hulp beter gecoördineerd wordt, kunnen de taliban zich ook intern strakker organiseren. Bij de vredesonderhandelingen in Doha presenteerden ze zich als één front. Maar niemand weet hoelang die eenheid blijft duren. Er deserteren al groepen naar een nog radicalere organisatie, die zal blijven oorlogvoeren en niet zal stoppen bij de grenzen van Afghanistan: Islamitische Staat.
Op de ochtend van de vijfde dag vertrekken we kort na zonsopgang uit Rashidan. ‘Wees voorzichtig,’ zegt Nisar, die ons tot aan de grens van het territorium van de taliban begeleidt. ‘De regering heeft veel spionnen.’ We willen vermijden dat we op de terugweg door overijverige Afghaanse veiligheidstroepen worden gearresteerd omdat we de taliban zouden steunen. Nisar rijdt vooruit op zijn motor en kiest wegen waarvan hij weet dat ze niet worden gecontroleerd. Hij smokkelt ons in de voorsteden van Ghazni moeiteloos langs alle wegversperringen, zoals de taliban ook doen als ze de stad aanvallen. We zwaaien, dan is hij in het stof van de weg verdwenen.
De toekomst van Afghanistan ligt weer helemaal open. De meeste waarnemers houden rekening met het snel mislukken van de vredesgesprekken. Na jaren van oorlog zijn de wonden aan beide zijden nog te diep. Veel talibancommandanten willen geen deel van hun macht opgeven als ze nog al hun macht kunnen behouden. Maar ook zij dreigen zich te misrekenen. Het innemen van de miljoenenstad Kaboel zou heel wat bloediger kunnen worden dan de strijd in de dorpen. En Kaboel houden kon wel eens nog veel lastiger worden. De Afghaanse samenleving is wat haar ideeën over waarden betreft te ver uiteengedreven. Wat hen verbindt, is wat hen scheidt. De wonden. Het verdriet. De haat. Het zal tijd kosten om de Afghanen zich met zichzelf te laten verzoenen, tijd die het land niet heeft.
Op de terugweg naar Kaboel zien we opnieuw de restanten van een bijna verslagen leger, het leger van een regering die tot voor kort de hoop van het westen was. Een schier eindeloze reeks uitgebrande wrakken en overvallen militaire bases. Een puinhoop van 170 kilometer lang. De dorpsbewoners zijn begonnen het leem van de oude vestingwallen met vrachtwagens af te voeren om het als bouwmateriaal te verkopen.
‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen?’ vraagt een hooggeplaatste Afghaanse diplomaat in Kaboel aan een van ons. Het is een prachtige, zachte avond. Hij heeft een gezelschap afdelingshoofden van verschillende ministeries op zijn terras uitgenodigd. Het buffet staat vol allerlei heerlijks. Met een glas rode wijn in de hand staan de gasten gespannen in het donker te luisteren. Ergens in de omgeving wordt zwaar gevochten. De schietpartij duurt uren. Steeds weer komen er helikopters overvliegen. De ambtenaren telefoneren druk met hun contacten bij de veiligheidsdiensten. Maar die zeggen dat het een schietoefening is. Ze willen geen paniek. ‘We moeten gaan,’ zegt een van de gasten, ‘ik ben bang dat straks alle uitvalswegen geblokkeerd zijn.’ Maar het is nog lang geen tijd, klaagt onze gastheer. ‘Blijf toch nog even.’ Het is nog veel te vroeg om weg te gaan.’
EU-herstelplan: Frankrijk en Duitsland nemen het voortouw
De politieke boodschap was duidelijk. Op dinsdag 27 en woensdag 28 april hebben de vier grootste Europese economieën – Frankrijk, Duitsland, Spanje en Italië – gezamenlijk hun nationale herstelplannen gepresenteerd, die zij vóór de deadline van vrijdag 30 april bij de Europese Commissie zullen indienen.
Hoewel de Europese eenheid werd benadrukt, was ‘urgentie de basisboodschap’, aldus El Economista, een in Madrid gevestigd zakenblad. De vier grote lidstaten manen de rest van de EU aan hun plannen spoedig in te dienen ‘bij monde van hun almachtige ministers van Financiën’, aldus de krant.
‘Het geld [voor de plannen] moet voor het einde van de zomer beschikbaar komen’, aldus de Franse minister van Financiën Bruno Le Maire op dinsdag 27 april. Zijn Duitse ambtgenoot, Olaf Scholz, verzocht tijdens dezelfde bijeenkomst andere landen hun herstelplannen ‘zo spoedig mogelijk’ in te dienen, aldus El Economista.
Het Frans-Duitse duo gaf eens te meer ‘blijk van eenheid in de sterkste bilaterale relatie in Europa’, aldus weekblad Politico. De twee landen waren vanaf het begin de voortrekkers van ‘een schuldfonds om de door de pandemie getroffen Europese economie te redden. Hun initiatief heeft geleid tot de uitgifte van een gezamenlijke schuld van 800 miljard euro. Een primeur voor het Europese blok.’
Maar volgens Handelsblatt ‘zijn Berlijn en Parijs een slecht voorbeeld voor Europa’. ‘Door hun gebrek aan ambitie dreigen de twee grootste economieën van de EU een grote kans te laten liggen om Europa te moderniseren’, aldus de Duitse zakenkrant.
‘Duitsland financiert met Europees geld projecten die toch al voor 80 procent waren gepland’
De EU-fondsen zouden naast onderzoek en innovatie prioriteit moeten geven aan een groene en digitale transitie. In werkelijkheid ‘financiert Duitsland met Europees geld projecten die toch al voor 80 procent waren gepland’, aldus Handelsblatt, dat vaststelt dat dit eveneens voor Frankrijk opgaat.
Zodra de dossiers zijn ingediend, heeft de Europese Commissie twee maanden de tijd om alle nationale plannen te bestuderen, waarna de Europese Raad groen licht moet geven.
‘Op woensdag 28 april had de Commissie slechts de officiële investerings- en hervormingsplannen van Portugal, Griekenland en Duitsland ontvangen’, aldus El Economista. ‘In totaal worden deze week nog de plannen van een dozijn Europese hoofdsteden verwacht.’
Nederland gaat de deadline van 30 april niet halen. Het heeft recht op 5,6 miljard euro uit het fonds, maar door de lopende formatie is er nog geen plan opgesteld dat goedkeuring van de Tweede Kamer heeft gekregen.
China’s ‘ruimtedroom’ in een baan om de aarde gebracht
‘Jaag de ruimtedroom na!’ kopte de krant Xin Jingbao uit Beijing enthousiast na de lancering op 29 april van de centrale module Tianhe (‘Hemelse Harmonie’) van het toekomstige Chinese ruimtestation. Het ruimtevaartuig vertrok vanaf de basis bij de stad Wenchang, gelegen in de provincie Hainan.
China’s ruimtestation Tiangong (‘Hemels Paleis’) zal uit drie delen bestaan, waaronder de kernmodule Tianhe, die 16,6 meter lang is, een doorsnede van 4,2 meter heeft en een lanceermassa van 22,5 ton. Twee andere experimentele modules – Wentian (‘Hemelse zoektocht’) en Mengtian (‘Hemelse droom’) – van ieder 14,4 meter lang, zullen aan Tianhe worden gekoppeld.
China verwacht zijn ruimtestation in 2022 te voltooien door middel van elf opeenvolgende missies, waarvan vier bemand zullen zijn. Het station zal in een baan om de aarde worden gebracht, op een hoogte van 340 tot 450 kilometer, waar het ongeveer tien jaar zal kunnen blijven. Het zal worden uitgerust met laboratoria voor wetenschappelijk onderzoek, met name op het gebied van biologie, materiaalkunde, fundamentele natuurkunde en microzwaartekracht. De module Tianhe zal het controlecentrum van het station vormen.
Renmin Ribao (‘People’s Daily’), de krant van de Communistische Partij, legt aan de hand van illustraties enkele feitjes uit over het toekomstige station. De T-vormige constructie zal 70 ton wegen, met een totaal volume van 110 kubieke meter, en kan voor korte duur plaats bieden aan drie permanente astronauten en drie bemanningsleden. De krant noemt het station een ‘comfortabele, zorgvuldig ontworpen accommodatie’.
Op de nieuwssite Pengpai pocht Shi Liming, hoofdontwerper van de centrale module, over de ‘zeer ruime’ activiteitenruimte. Met een lengte die langer is dan de hoogte van een gebouw van vijf verdiepingen en een diameter die groter is dan die van een trein of een metrostel, is Tianhe ‘groter dan een compartiment van het internationale ruimtestation ISS’, zegt ze.
Volgens South China Morning Post zal de totale omvang van Tiangong echter slechts ongeveer ‘een kwart van die van het internationale ruimtestation ISS’ bedragen. Chinese wetenschappers voorspellen een levensduur van vijftien jaar voor het ruimtestation, die kan worden verlengd door onderhoudswerkzaamheden. ISS is al twintig jaar oud.
Total schort megaproject in Mozambique op na terroristische aanslag
Hoewel al een maand voor het besluit werd gevreesd, kwam het toch als een schok. Op maandag 26 april bevestigde Total de stopzetting van een megagasproject in het noorden van Mozambique, bericht de Mozambikaanse krant O País.
Na de jihadistische aanslag van 24 maart in Palma, een havenstad in de provincie Cabo Delgado die zeer dicht bij de installaties van Total ligt, heeft het Franse olieconcern al zijn personeel van de bouwplaats teruggetrokken en verklaard dat er sprake is van overmacht, om zo onder contractuele verplichtingen uit te komen.
Sindsdien probeert ‘de regering de nervositeit van de bedrijven’ in de regio, die sinds de aanslag op Palma al 74 miljoen euro zouden hebben verloren, tot bedaren te brengen, meldt Mediafax, ook al klinken er nog steeds schoten in de stad en zijn er nog steeds mensen op de vlucht.
De Mozambikaanse autoriteiten doen ondertussen hun best de situatie te relativeren. Zo beweerde president Filipe Nyusi na het besluit van Total dat ‘ondanks enkele terroristische brandhaarden, het land politiek stabiel is en de publieke voorzieningen normaal functioneren’.
Filipe Nyusi werd op 18 mei door Emmanuel Macron uitgenodigd in het Élysée om te praten over de economie van Mozambique en vooral de veiligheid in het land. Sinds 2017 is het leger in Mozambique er niet in geslaagd de invallen van Al-Shabab (‘De Jeugd’), gelieerd aan de terreurorganisatie Islamitische Staat, in te dammen. En de tijd dringt, merkt academica Ana Paula Dourado op in haar opiniestuk in de Portugese krant Expresso. Zij spreekt van een ‘naderende economische catastrofe’.
De noodsituatie doet zich momenteel voor op het schiereiland Afungi, in de buurt van Palma, waar het project van Total zich bevindt, een van de drie bedrijven die in het noorden van het land vloeibaar aardgas (totaal ongeveer 13,1 miljoen ton per jaar) moeten gaan produceren. De start van de productie, die voor 2024 was gepland, kan met een jaar of twee worden uitgesteld.
‘Indien de bedrijfsomstandigheden niet snel worden hersteld, zullen de gevolgen zeer ernstig zijn’, schrijft de krant Carta de Moçambique. De Mozambikaanse staat zou 25 miljard euro kunnen mislopen over een periode van vijfentwintig jaar.
‘Veiligheid is een fata morgana’, ‘een utopie’
Vooral omdat het nieuws ter plaatse niet veel goeds voorspelt. De dreiging van een nieuwe terroristische aanslag hangt nog steeds boven Cabo Delgado, waar de jihadistische opmars sinds 2017 al minstens 2780 doden tot gevolg had en meer dan 700.000 inwoners ontheemd raakten.
‘Veiligheid is een fata morgana’, ‘een utopie’, schrijft Magazine Independente in zijn laatste nummer. ‘Jihadisten vormen een groeiende maritieme dreiging’, aldus Diário de Notícias. Volgens het Mozambikaanse dagblad bewees Al-Shabab, die zich terdege bewust is van het strategisch belang van de haven van Palma voor de exploitatie van gas, dat onlangs door op hun motorboten een patrouilleboot van de toch al zwakke Mozambikaanse vloot tot zinken te brengen.
Door een gebrek aan perspectief is de industrialisatie van de provincie nu tot stilstand gekomen. De economische bijlage van O País noemt als voorbeeld van de schade de 6500 banen die voor het Total-project zijn gecreëerd. De Franse reus was niet de enige in de race om de exploitatie van de gigantische gasreserves op zee, die tien jaar geleden werden ontdekt en naar schatting 5000 miljard kubieke meter bevatten (het aardgasveld van Slochteren in Groningen bevatte oorspronkelijk zo’n 2700 miljard kubieke meter gas). Het Amerikaanse ExxonMobil, het Italiaanse ENI en het Chinese CNPC zijn ook in de running. Het is de vraag of deze bedrijven nog wel trek hebben om te investeren in de instabiele regio.
Dankzij deze verschillende projecten hoopte de Mozambikaanse staat over een periode van twintig jaar zo’n 70.000 banen te creëren en 82 miljard euro aan inkomsten te vergaren, aldus O País. Maar door de opmars van het jihadistische geweld en de vertraging bij het opstarten van de gasproductie, heeft het Internationaal Monetair Fonds zijn groeiprognoses voor het land naar beneden bijgesteld.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.