In 2020 overleden meer dan 4300 jongeren door vuurwapens
Niet auto-ongelukken maar vuurwapens waren de belangrijkste doodsoorzaak voor Amerikaanse kinderen en tieners in 2020, zo blijkt uit nieuw onderzoek, aldus BBC. Gegevens van de Centers for Disease Control and Prevention wijzen uit dat in 2020 meer dan 4300 jonge Amerikanen zijn overleden aan vuurwapen-gerelateerde verwondingen. In dat aantal zijn ook zelfmoorden verdisconteerd, maar moorden vormen de meerderheid van deze sterfgevallen.
Volgens het onderzoek, dat onlangs werd gepubliceerd in het New England Journal Medicine, maakt de stijging van het aantal sterfgevallen door vuurwapens onder Amerikanen tussen één en negentien jaar, deel uit van de algehele stijging met 33,4 procent van het aantal vuurwapen-gerelateerde sterfgevallen in het land, maar worden jonge Amerikanen onevenredig zwaar getroffen.
Het totale aantal doden onder kinderen en tieners door alle oorzaken van vuurwapengebruik – zelfmoord, doodslag, onopzettelijk en toedracht onbekend – steeg met 29,5 procent. Dat is ruim twee keer zoveel als onder de rest van de bevolking. Inmiddels zijn ruim 390 miljoen vuurwapens in de VS in omloop.
Waar het Westen Rusland financiële sancties oplegt, geniet het Kremlin grote invloed en steun in het Oosten. Zo onderhouden de Verenigde Arabische Emiraten innige geostrategische en ideologische relaties met Moskou.
In een snelle reactie op de Russische agressie jegens Oekraïne hebben de NAVO- en EU-bondgenoten een reeks strenge sancties tegen Moskou uitgevaardigd. Zo hopen ze het Kremlin de toegang tot financiële markten en wereldwijde ondersteunende netwerken te ontzeggen. Maar ook al doen deze westerse sancties ongetwijfeld pijn, ze gaan voorbij aan de grote invloed en steun die het Kremlin geniet in het Oosten. Een van de krachtigste aanjagers van de autoritaire Russische koers zijn de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) geweest. Het financiële knooppunt Dubai is een soort Club Med geworden voor despoten en hun rijkdommen.
De sterke mannen, op wie het regime van Poetin steunt, hebben de Emiraten gebruikt als wijkplaats voor witwasactiviteiten
De afgelopen tien jaar heeft Abu Dhabi zich ontwikkeld tot een van de belangrijkste strategische partners van Moskou, ook buiten het Midden-Oosten. De Russen en Emirati bundelen niet alleen hun invloed en informatienetwerken om antirevolutionairen in de Arabische wereld te mobiliseren, maar ook om antiliberalen in het Westen een steuntje in de rug te geven. De sterke mannen (siloviki), op wie het regime van Poetin steunt, hebben de Emiraten gebruikt als wijkplaats voor hun witwasactiviteiten. De staatsinvesteringsfondsen van de Emiraten hebben op hun beurt miljarden geïnvesteerd in strategische Russische activa: energie, petrochemie, logistiek en defensie.
Het is dus niet zo gek dat de VAE het Kremlin ook na de aanval op Oekraïne onvoorwaardelijk blijven steunen. Op hetzelfde moment dat de liberale wereld de Russische handelwijze veroordeelde, trok Bin Zayed voor overleg naar Moskou om de bilaterale samenwerking te versterken. Aan de oorlog maakte hij weinig woorden vuil. In oktober 2021 sprak de presidentieel adviseur van de VAE, Anwar Gargash, over een ‘dreigende Koude Oorlog’ waarin Abu Dhabi neutraal wilde blijven. Het land koos echter alsnog partij door zich van stemming te onthouden in de motie van de VN-Veiligheidsraad die de Russische agressie veroordeelde. Naast geostrategische en economische belangen, delen Rusland en de VAE een diepe ideologische vrees voor maatschappelijke mobilisatie en democratische transitie. Ruslands fobie voor de ‘kleurenrevoluties’ die pro-Russische dictators van hun sokkels trokken, vindt weerklank in Abu Dhabi, dat na de Arabische Lente de voornaamste contrarevolutionaire macht in de Arabische wereld is geworden.
Ondermijning
De pogingen van Rusland om in Oost- en Centraal-Europa de democratie te ondermijnen zijn door de VAE gekopieerd in Egypte, Libië, Syrië en Jemen. In Egypte speelde Abu Dhabi een belangrijke rol bij het organiseren van een contrarevolutie rond de Tamarod-beweging. Dit leidde tot een staatsgreep van sterke man Sisi in 2013. In Libië lijken de VAE de Wagner Group, een schimmig Russisch huurlingen-leger, te hebben gefinancierd, met de bedoeling de door de Emirati gesponsorde sterke man Haftar te helpen om de regering in Tripoli, die steun krijgt van de VN, omver te werpen. In Syrië heeft Abu Dhabi aangestuurd op een genormaliseerde verhouding met het bewind van Bashar Assad, een bond-genoot van het Kremlin. Resultaat: ondermijning van de Amerikaanse sancties tegen Damascus.
De VAE verstrekten in 2014 leningen aan Frankrijks extreemrechtse partij Front National, dat ook financiële steun kreeg van Rusland
Het gezamenlijk front van Rusland en de VAE voor autoritaire stabiliteit gaat echter verder. De invloeds- en informatienetwerken van Moskou en Abu Dhabi maken allebei ook gebruik van rechts-populistische angsten in het Westen voor migratie en voor de islam. De VAE verstrekten in 2014 leningen aan Frankrijks extreemrechtse partij Front National, dat ook financiële steun kreeg van Rusland. De lobby van de Emiraten in Brussel is vooral gericht op eurosceptisch extreemrechts, dat een natuurlijke affiniteit heeft met Rusland – een band die het Kremlin stimuleert.
De ingrijpendste bundeling van informatiemacht uitte zich misschien wel in de avances richting de Amerikaanse presidentskandidaat Trump in 2016 en 2017. De Russische bemoeienis met de Amerikaanse presidentsverkiezingen was tot daaraan toe – tijdens een inmiddels beruchte bijeenkomst op de Seychellen hadden de VAE ook nog eens geprobeerd een soort achter-kamertjesoverleg op te zetten tussen de inkomende regering-Trump en Rusland. Door zijn persoonlijke betrokkenheid werd de sterke man van de VAE, Mohammad bin Zayed, onderwerp van het Mueller-onderzoek, waardoor hij nu een beetje een paria is geworden die de Verenigde Staten sindsdien mijdt.
Terwijl de westerse partners van de Emiraten op dit moment hun uiterste best doen de afbrokkelende liberale orde te stabiliseren, zal Abu Dhabi die waarschijnlijk verder ondermijnen. De assertieve kleine staat heeft de afgelopen tien jaar boven zijn macht gepresteerd, mede dankzij het opkomende Oosten. Rusland en China zien de VAE als belangrijkste partner in een dreigende nieuwe Koude Oorlog. Ideologisch gezien zijn de neo-autoritairen van het Oosten de meest geschikte partners voor Abu Dhabi, aangezien er aan hun steun weinig voorwaarden verbonden zijn, en zij nooit zullen aandringen op liberalisering.
Belangrijk knooppunt
De VAE zijn een belangrijk knooppunt geworden voor de omzeiling van westerse sancties. Ondanks een extreem streng sanctiebewind tegen Iran, verdienen in de VAE gevestigde bedrijven geld door Iran te helpen olie de internationale markt in te sluizen. Nadat de Verenigde Staten sancties aan Venezuela oplegden, hielpen bedrijven in de VAE het Latijns-Amerikaanse land olie naar buiten te smokkelen. In Syrië hebben de VAE actief gelobbyd voor opheffing van de Amerikaanse sancties tegen het Assad-regime, omdat die normalisatie in de weg stonden.
Poetins politieke intimi hebben een fijnmazig mondiaal netwerk geweven van bedrijven en lege bv’s die invloed uitoefenen en toegang verschaffen. Sommige van deze netwerken hebben al gebruikgemaakt van de mogelijk-heden die de VAE als witwascentrale bieden. Russische oligarchen en bondgenoten van Poetin bezitten 76 stuks vastgoed in de VAE, die elk vele miljoenen waard zijn. Sommigen van hen zijn toen de westerse sancties van kracht werden al per privéjet of jacht naar Dubai uitgeweken.
Het zou vreemd zijn als de VAE Poetins netwerken niet zouden helpen om toegang te krijgen tot financiële markten
Poetins vertrouweling in investerings- en financiële zaken, Kirill Dmitriev, heeft nauwe persoonlijke banden met Mohammad bin Zayed. Het Russian Direct Investment Fund (RDIF), dat onder leiding staat van Dmitriev, participeert in het investeringsfonds Mubadala van Abu Dhabi. De huidige westerse sancties tegen Rusland vertonen hiaten die kunnen worden uitgebuit. Het zou vreemd zijn als de VAE Poetins netwerken niet zouden helpen om toegang te krijgen tot financiële markten en investeringen.
Met de oorlog in Oekraïne doet het Kremlin weer een poging de wereldorde van na de Koude Oorlog te herscheppen. De met zichzelf worstelende liberale westerse orde wordt op de proef gesteld. Dit is niet alleen een oorlog over de toekomst van de Europese veiligheidsstructuur, maar ook een oorlog waarin grote strategische narratieven en waarden in het geding zijn. Narratieven en waarden die de liberale, westerse wereld afzetten tegen modern oosters autoritarisme.
Oostelijke kamp
Deze nieuwe koude oorlog is nu heet geworden. Hij laat zien hoe de huidige multipolaire wereld westerse partners en tegenstanders voor keuzes stelt die waarschijnlijk op basis van aantrekkingskracht en soft power zullen worden gemaakt. De VAE, die zich voordoen als een westerse partner, mikken steeds meer op het oostelijke kamp. Het narratief van een nieuwe autoritaire orde dat Rusland en China verspreiden, lijkt het aantrekkelijkst voor een land dat de contrarevolutie in de Arabische wereld heeft geleid, en nu klaar is om zijn tentakels elders uit te slaan.
Abu Dhabi breidt zijn militaire capaciteit uit en versterkt zijn macht in het Midden-Oosten door historische contracten te sluiten met Frankrijk en Zuid-Korea, en te onderhandelen met Israël.
De recente aanvallen op de VAE door raketten en drones van de sjiitische Houthi-rebellen uit Jemen toonden weer aan hoe kwetsbaar deze stadstatenfederatie in de Golf van Perzië is. Haar economie steunt op een uitgebreide energie-infrastructuur, internationale knooppunten in de vorm van enorme luchthavens en grotendeels buitenlandse arbeidskrachten.
De VAE zitten in de door Saudi-Arabië geleide militaire coalitie die vecht tegen de Houthi’s in Jemen. Ze hebben een van de krachtigste luchtverdedigingssystemen in de regio. Deze bestaat voornamelijk uit Amerikaanse wapens, zoals de wat oudere HAWK-raket, de effectievere Patriot PAC-3-raket en het THAAD-luchtverdedigingssysteem dat voor het eerst dit jaar in gevechtshandelingen werd gebruikt en een Houthi-raket vernietigde. Deze raketbatterijen beschermen luchthavens, olie- en gasinstallaties en militaire bases. Hoewel dit een prima verdedigingssysteem is, lukt het de Houthi’s nog steeds om er bressen in te slaan, zoals in Abu Dhabi, waar ze de luchthaven en een brandstofdepot beschadigden, waarbij drie mensen om het leven kwamen.
Van de VN naar het voorzitterschap van Interpol
Als teken van hun toenemende invloed op het internationale toneel, bezetten de Verenigde Arabische Emiraten sinds begin dit jaar als niet-permanent lid een zetel in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, die ze zullen behouden tot eind 2023. Het land heeft zich in 1971 aangesloten bij de VN en ook al een Veiligheidsraadszetel bezet in de periode 1986-1987, aldus de Saoedische krant Arab News. In oktober 2021 waren de Emiraten al in de Mensenrechtencommissie van de VN gekozen. En in november van datzelfde jaar haalde het land het voorzitterschap binnen van Interpol. Dat wordt sindsdien bekleed door Ahmed Naser Al-Raisi. De benoeming van deze voormalige inspecteur-generaal van het ministerie van Binnenlandse Zaken van de Emiraten leidde tot nogal wat polemiek vanwege verdenkingen van marteling. Sinds vorige week wordt er in Parijs onderzoek naar hem gedaan inzake ‘marteling’ en ‘barbaarse praktijken’.
Oorlog in Jemen
De VAE kunnen meer van dergelijke aanvallen verwachten, gezien hun hernieuwde betrokkenheid bij de oorlog in Jemen, waarbij volgens schattingen van de Verenigde Naties al zo’n 377.000 doden vielen. De door Iran gesteunde Houthi’s verliezen weliswaar terrein op milities die steun krijgen van de VAE, maar de tegenaanvallen van de Houthi’s noodzaken de VAE hun gelaagde luchtverdedigingssysteem te versterken met nieuwe en zeer effectieve wapens van uiteenlopende leveranciers. Zo hopen ze de bevoorradingsproblemen waar Saoedi-Arabië momenteel mee kampt te vermijden. Het koninkrijk heeft het afgelopen jaar zo veel Houthi-raketaanvallen afgeweerd dat het nu een nijpend tekort heeft aan Patriot-raketten. Versnelde leveringen uit de Verenigde Staten zijn mogelijk niet voldoende om deze leemte op te vullen.
Koorddansersdiplomatie
Sinds 2011 spelen de Verenigde Arabische Emiraten ‘al een krachtpatsersrol in het Midden-Oosten, waarbij ze niet aarzelden krachtige militaire middelen in te zetten om de gevolgen van de Arabische Lente de kop in te drukken’, meldt Mohammed Barhouma op de site Sada. Maar tegenwoordig lijken ze vastbesloten ‘communicatie, diplomatie en bemiddeling te laten prevaleren om problemen met hun regionale rivalen en tegenstanders te vermijden’. Ze liggen niet openlijk meer overhoop met Qatar en hebben zich verzoend met Turkije door middel van een bezoek van Mohammed bin Zayed aan Ankara in november 2021, gevolgd door een bezoek van de Turkse president aan Abu Dhabi in februari 2022. Maar vooral bemiddelen ze als ware ‘koorddansers’ tussen twee landen die elkaars gezworen vijanden zijn, namelijk Israël en Iran. Ze cultiveren hun vriendschaps- en partnerschapsbanden met Israël en werken tegelijkertijd aan een minder gespannen relatie met Iran. Aan het met name door de Amerikanen gedecreteerde embargo tegen Iran hebben ze toch al nooit echt meegedaan, aangezien dat land hun op vier na grootste exportmarkt is voor niet-aardolieproducten.
Wapendeals
In hun streven naar een gelaagde luchtverdediging hebben de VAE gekozen voor de aankoop van voornamelijk Zuid-Koreaanse en Israëlische raketten, al is het grootste deel van de wapens nog steeds van Amerikaanse makelij. De HAWK-raket, die stamt uit 1959, is na een groot aantal upgrades nu vrijwel definitief verouderd. Hij ruimt het veld voor Zuid-Koreaanse luchtdoelraketten voor de middellange afstand (Cheongung 2) evenals bestaande Patriot-batterijen.
De verkoop aan de VAE van deze geavanceerde raketten, inclusief bijbehorende radars, levert Zuid-Korea 3,5 miljard dollar op
De verkoop aan de VAE van deze geavanceerde raketten, inclusief bijbehorende radars, levert Zuid-Korea 3,5 miljard dollar op. Nooit eerder sloot het land zo’n grote wapendeal. Beloften van nauwe samenwerking bij de ontwikkeling van raketten maken deel uit van de overeenkomst. De Cheongung 2-raket is gedeeltelijk afgeleid van de zeer effectieve Russische S-400, heeft een bereik van veertig kilometer en kan meerdere doelen tegelijk aanvallen. Hij is bovendien zeer goed bestand tegen elektronische storing.
Ondanks de omvang van de Zuid-Koreaanse deal, zou Israël het meest kunnen profiteren van de wapenbehoefte van de VAE. De Emiraten voeren besprekingen met Israël over de aankoop van de Barak 8- of van de Spyder-luchtverdedigingsraketsystemen. De eerste Zuid-Koreaanse wapens komen pas in 2024; de VAE zien de Israëlische systemen als een tussenoplossing.
Een beeld scheppen van een modern land
‘Het mooiste gebouw op aarde opent zijn deuren,’ juichte de VAE-site Al-Ain op 22 februari jongstleden. Het betreft het Museum van de Toekomst, ‘een architectonisch icoon dat laat zien dat de Verenigde Arabische Emiraten klaar zijn voor de uitdagingen van de toekomst’. Het voegt zich bij andere ‘toonaangevende gebouwen’ van de hand van sterarchitecten, zoals het Louvre in Abu Dhabi van de Fransman Jean Nouvel, het Nationaal Museum van de Brit Norman Foster of een toekomstig Guggenheim-filiaal van de Amerikaan Frank Gehry. De VAE herbergen ook enkele gerenommeerde buitenlandse universiteiten, zoals de Sorbonne, American University en de London Business School. Om hun soft power te consolideren en een beeld te scheppen van een modern land hebben ze het burgerlijk huwelijk voor niet-moslims ingevoerd en het weekend, dat in de meeste moslimlanden op vrijdag begint, naar zaterdag en zondag verplaatst.
Barak 8
De geavanceerde Barak 8 is ook gekocht door het Indiase leger. Azerbeidzjan zou een Barak 8 hebben gebruikt om een geavanceerde Iskander-raket neer te schieten, die door Armenië was afgevuurd in de oorlog die in 2020 tussen de twee landen woedde. De raket heeft een groter bereik dan zijn Zuid-Koreaanse tegenhanger en kan meerdere doelen tegelijk vernietigen.
De VAE zijn in gesprek met Israël om de Iron Dome te kopen
De meeste ballistische raketten van de Houthi’s zijn succesvol onderschept, maar met hun met explosieven volgeladen drones lukt het hen nog wel vaak om doel te treffen. Om dit gat in hun luchtverdediging te dichten, zijn de VAE ook in gesprek met Israël om de Iron Dome te kopen. Dit systeem, dat Israël zelf gebruikt om projectielen uit de Gazastrook te neutraliseren, biedt een extra verdediging tegen langzamere, laagvliegende drones en kruisraketten. Daarnaast betekent een verdieping van de veiligheidssamenwerking dat de twee landen steeds meer inlichtingen met elkaar zullen delen. De VAE, met hun nieuwe, geavanceerde, gelaagde raketverdediging, zouden een waarschuwingssysteem voor mogelijke raketaanvallen vanuit Iran op Israël kunnen opzetten. Israël wint dan kostbare tijd voor de lancering van zijn eigen onderscheppingsraketten.
De VAE wenden zich niet alleen tot andere landen om hun honger naar wapens te stillen. Door miljarden te spenderen aan onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s heeft de federatie van stadstaten haar eigen defensie-industrie een oppepper gegeven.
In 2021 lanceerde Halcon, een leverancier van precisiegeleide wapens in Abu Dhabi, zijn nieuwe luchtverdedigingssysteem SkyKnight. Het is ontworpen om helikopters, onbemande luchtvaartuigen (UAV’s, Unmanned Aerial Vehicles) en raketten te vernietigen. Het is gemaakt om doelen op korte afstand (tot tien kilometer) te onderscheppen. Samen met de Iron Dome en het bestaande Russische Pantsir-luchtverdedigingssysteem, levert het een indrukwekkend gelaagd verdedigingsnetwerk op.
Een militaire industrie
De Verenigde Arabische Emiraten ‘gaan over op plaatselijke wapenproductie om hun nu nog grotendeels van koolwaterstof afhankelijke economie te diversifiëren en minder aangewezen te zijn op buitenlandse leveranciers’, meldt financieel persbureau Bloomberg. Daartoe hebben de VAE enkele miljarden euro’s in hun defensie-industrie geïnvesteerd, met opmerkelijk resultaat.
Het in 2019 opgerichte bedrijf Edge, gespecialiseerd in ‘autonome technologie’ en ‘slimme projectielen’, is een van de paradepaardjes van de defensie-industrie van de VAE. In 2020 was de holding, die is gevestigd in Abu Dhabi en vijfentwintig ondernemingen telt, goed voor 1,3 procent van de mondiale wapenverkoop en bezette daarmee de tweeëntwintigste plaats op de wereldranglijst van defensieondernemingen, aldus Bloomberg. Edge heeft zich razendsnel ontwikkeld tot een succesvolle exporteur. Het dochterbedrijf Halcon heeft in 2021 een nieuw luchtafweersysteem voor de korte afstand (10 kilometer) gelanceerd, SkyKnight geheten, dat is bedoeld voor het onderscheppen van helikopters, drones en raketten. En het heeft bevestigd projectielen voor het afweersysteem SkyKnight te hebben verkocht aan het Duitse defensiebedrijf Rheinmetall AG.
Geavanceerd systeem
De Emiraten beschikken over een van de meest geavanceerde luchtverdedigingssystemen in de Golfregio. Met deze nieuwe moderne wapens zullen ze elke beschermingslaag verbeteren en hiaten in vorige systemen dichten, waardoor groepen of landen er veel moeilijker doorheen kunnen breken. En door een intensiever gebruik van Saoedische en Amerikaanse sensorinformatie zijn inkomende raketten en drones sneller te herkennen en te vernietigen.
De VAE streven niet alleen naar versterking van hun luchtverdediging. De kleine maar goed opgeleide luchtmacht krijgt een enorme impuls, getuige de in december aangekondigde aankoop van tachtig geavanceerde Franse multifunctionele Rafale-gevechtsvliegtuigen. Kosten: 18 miljard dollar, waarmee de grootste Franse wapendeal ooit een feit is.
Volgens het International Institute for Strategic Studies (IISS) bezitten de Emiraten 156 gevechtsvliegtuigen. Als daar 80 zeer effectieve Rafales bij komen, neemt de gevechtskracht van de VAE aanzienlijk toe, waardoor de machtsverhoudingen in de regio nog verder in hun voordeel uitvallen. Hierdoor zullen de Emiraten hun robuuste buitenlandse beleid en de oorlog in Jemen kunnen voortzetten, in de wetenschap dat hun kwetsbaarste plekken, steden en luchthavens een stuk beter beschermd zijn tegen aanvallen van Houthi’s.
Rusland heeft een succesvolle test met een ballistische langeafstandsraket uitgevoerd, die de tegenstanders ‘wel twee keer zal doen nadenken’, aldus Vladimir Poetin. Moskou heeft Washington vooraf op de hoogte gebracht van de lancering van de raket, in overeenstemming met de nucleaire verdragen tussen beide landen, meldt The Wall Street Journal.
De woordvoerder van het Pentagon, John Kirby, verzekert dat de lancering een routinetest was en dat die geen bedreiging vormde voor de Verenigde Staten of haar bondgenoten. Nikolai Sokov, deskundige van het Vienna Center for Disarmament and Non-Proliferation, merkt echter op dat de test was verwacht, ‘maar dat Rusland die had kunnen uitstellen, om een escalatie van de spanningen te voorkomen. In plaats daarvan gebruikten de Russen de lancering als een goed geheugensteuntje om te zeggen: “Wij hebben kernwapens.”‘
De Israëlische luchtmacht heeft maandag het zuiden van Gaza aangevallen als reactie op een raket die eerder op de dag vanuit de Palestijnse enclave was afgevuurd, meldde een legeraanvoerder aan de krant Haaretz. Het Israëlische leger verklaarde dat de straaljagers een wapenopslagplaats van Hamas hadden vernietigd. Hamas reageerde met luchtafweergeschut, maar is er niet in geslaagd de Israëlische straaljagers te raken. Er werden geen gewonden gemeld.
’Hamas, een militante groep die actief is in de Gazastrook, en de Islamitische Jihad [een andere groep] hebben onlangs gedreigd Israël aan te vallen na het opvoeren van de spanningen in Jeruzalem, met inbegrip van de inval van Israëlische politieagenten in de Al-Aqsamoskee’, schreef de Israëlische krant. Ook merkte de krant op dat ‘geen enkele groep de verantwoordelijkheid voor de raketbeschietingen heeft genomen’.
Nieuw verdedigingssysteem zou slechts drie euro kosten
Israël heeft een belangrijke stap gezet in de richting van de voltooiing van zijn lasersysteem. Bij het uitvoeren van een reeks experimenten, werd een verscheidenheid van luchtdreigingen op ‘uitdagende afstanden‘ neergehaald, kondigde het ministerie van Defensie donderdag aan, aldus The Jerusalem Post.
Bij de experimenten, die werden uitgevoerd in het zuiden van Israël door het Directoraat Onderzoek en Ontwikkeling (DDR&D, of MAFAT in het Hebreeuws) van het ministerie van Defensie en Rafael Advanced Defense Systems, onderschepte het lasersysteem, bekend als ‘Iron Beam‘, met succes een aantal luchtdoelen, waaronder onbemande luchtvaartuigen, mortieren, raketten en antitankraketten in verschillende scenario’s.
Dit is een historisch moment voor wapensystemen. Voor het eerst werkt een op energie gebaseerd wapensysteem echt
‘Dit is een historisch moment voor de ontwikkeling van wapensystemen. Voor het eerst werkt een op energie gebaseerd wapensysteem in de praktijk,‘ zei Yaniv Rotem, directeur van onderzoek en ontwikkeling bij het ministerie van Defensie, tegen het dagblad.
Voor drie euro zou het Israëlisch defensieleger in staat zijn drones, mortiervuur of raketten tegen te houden met deze onzichtbare en stille laser. Dit verdedigingssysteem zou het voordeel hebben veel goedkoper te zijn dan de ‘Iron Dome‘, die doeltreffend is tegen raketvuur, maar iedere keer dat hij gebruikt wordt tienduizenden euro’s kost.
De Verenigde Staten en de Europese Unie hebben woensdag beide extra militaire steun aan Oekraïne toegezegd. De aankondiging vindt plaats op het moment het land zich opmaakt voor een Russisch offensief in het oosten, dat een grotere uitdaging zou kunnen opleveren dan eerdere gevechten in de buurt van Kyiv, meldt The Washington Post.
President Biden vertelde aan de Oekraïense president Volodymyr Zelensky dat hij 800 miljoen dollar extra toezegt voor veiligheidssteun, waaronder wapens en munitie. Eerder op woensdag zei de Europese Raad van regeringsleiders akkoord te gaan met 500 miljoen euro (544 miljoen dollar) aan extra steun voor de Oekraïense strijdkrachten.
De nieuwe toezeggingen komen op een moment dat wereldleiders reageerden op de opmerking van Biden dat Rusland een ’genocide’ uitvoert in Oekraïne. De Franse president Emmanuel Macron waarschuwde voor ’een escalatie van de retoriek’ en een woordvoerder van het Kremlin noemde de uitspraak ’onaanvaardbaar’.
‘Taiwan dankt VS voor verkoop Patriot-raket‘, kopt Taiwan News, dat opmerkt dat de deal wordt gewaardeerd op 95 miljoen dollar (87 miljoen euro). Dit is de derde keer dat de regering-Biden een wapenverkoop aan het land goedkeurt, en de tweede keer in 2022.
Afgelopen dinsdag werd door het Defense Security Cooperation Agency, een onderdeel van het Amerikaanse ministerie van Defensie, in een verklaring aangekondigd om de uitrusting en diensten van het bestaande Patriot-raketafweersysteem van Taiwan te onderhouden. Taipei verwelkomde de aankondiging en zei dat het ‘bewijst dat Washington groot belang hecht aan de veiligheid van Taiwan’.
De aankoop van wapens door particulieren in de VS is in 2020-2021 gegroeid in vergelijking met 2019. Meer dan 5 miljoen volwassenen werden tussen januari 2020 en april 2021 voor het eerst wapenbezitter, tegenover 2,4 miljoen in 2019, zo blijkt uit een onderzoek naar nieuw wapenbezit door professor Matt Miller van de Northeastern University, waarover The Guardian bericht.
Tussen januari 2019 en april van dit jaar kochten ongeveer 7,5 miljoen mensen, dat is 2,9 procent van alle Amerikaanse volwassenen, voor het eerst een wapen.
Ongeveer de helft van alle nieuwe wapenbezitters is vrouw en bijna de helft is van kleur.
‘De verhouding tussen wapenverkoop aan nieuwe bezitters met bestaande wapenbezitters is met 20 procent ongeveer hetzelfde gebleven’, zegt Miller. ‘Wat is veranderd, is het volume van de wapenaankopen.’
Het totale aantal wapenaankopen tussen 2019 steeg van 13,8 miljoen naar 16,6 miljoen. Ongeveer de helft van alle nieuwe wapenbezitters is vrouw en bijna de helft is van kleur.
Als de Oekraïense soldaat met wie hij vriendschap heeft gesloten in de strijd sneuvelt, stelt oorlogsjournalist Nolan Peterson zichzelf als missie de waarheid te vertellen over de strijd aan de Russische grens. Want maar weinigen lijken te beseffen wat zich hier afspeelt: een van de grootste humanitaire crises op het continent.
Als érgens blijkt uit wat voor hout een soldaat is gesneden, is het wel in een loopgravenoorlog. Er valt niet te ontsnappen aan het gevaar. Je kunt net zo makkelijk aan je einde komen op weg naar de wc als in een kogelregen terwijl je je positie verdedigt. Je weet nooit wanneer het granaatvuur zal losbarsten of wanneer een sluitschutter je in het vizier heeft. Je overlevingskans is meestal een kwestie van geluk – het gaat er vooral om dat je niet op het verkeerde moment op de verkeerde plek bent. Het is belangrijker om onder een gelukkig gesternte te zijn geboren dan om goed te kunnen schieten, wordt wel gezegd.
Na zeven jaar onophoudelijke strijd in Donbas, het zwaar geteisterde oosten van Oekraïne, hebben sommige Oekraïense soldaten geleerd te lachen om het gevaar, geleerd om de oorlog als een spel te zien. Andere soldaten zijn naar binnen gekeerd en somber, zien voortdurend voor zich hoe ze aan hun einde zullen komen. En dan zijn er ook nog de uitzonderlijke jongens die de oorlog zien voor wat hij is – een regelrechte tragedie – en toch de strijd niet opgeven.
‘Je zou beter als oude man naar het front kunnen gaan’
In de zomer van 2015 ben ik embedded bij het Oekraïense leger, in het dorpje Pisky, aan de frontlinie. Daar sluit ik vriendschap met een jonge soldaat, Daniel Kasjanenko, een van die uitzonderlijke mensen. Daniel is dan pas negentien, maar beschikt over een griezelig goed vermogen om de oorlog in een breder perspectief te plaatsen. Hij begrijpt welke tol zijn jonge ziel betaalt voor deze oorlog, en hij begrijpt ook dat de oorlog niet zwart-wit is. ‘Ik denk niet dat het allemaal slechte mensen zijn,’ zegt hij over zijn vijanden.
Maar toch, als het moet, haalt Daniel de trekker over. De dingen die hij in de oorlog heeft gedaan en gezien, blijven hem achtervolgen. Hij zegt tegen me dat de oorlog hem ‘kapot heeft gemaakt’ en zijn ‘kijk op het leven’ voorgoed heeft verpest. Je zou beter als oude man naar het front kunnen gaan, vertrouwt hij me toe.
Als ik weer vertrek van de frontlinie, beloven Daniel en ik contact te houden. We hebben het erover dat hij misschien ooit naar de VS zou kunnen komen; zijn grote droom. Maar een paar dagen nadat ik ben teruggekeerd naar Kiev, krijg ik een wat warrig bericht van Daniel. Hij is gewond geraakt door een mortiergranaat, schrijft hij, en hij heeft wat in de Oekraïense ziekenboeg een ‘hersenkneuzing’ wordt genoemd, waarmee vermoedelijk een hersenschudding wordt bedoeld, of, waarschijnlijker, traumatisch hersenletsel. Hoe dan ook, Daniels commandant geeft hem een paar weken verlof om hem terug te laten gaan naar zijn woonplaats Zaporizja, op nog geen drie uur rijden van het front.
Daniel schrijft dat hij onderweg naar huis zonder geld is komen te zitten en vraagt of ik hem kan helpen een buskaartje te kopen. Hij heeft niet veel geld nodig en ik ben blij hem te kunnen helpen, dus ik maak wat over. Dat is het minste wat ik kan doen, in de omstandigheden.
Daniel blijft een paar weken thuis, bij zijn ouders, Marina en Konstantin. Het is een zware tijd voor Daniels ouders, die hun zoon keer op keer proberen te overtuigen dat hij niet terug hoeft naar het front.
En ze hebben gelijk, dat hoeft ook niet.
Plicht
Toen Rusland in de zomer van 2014 Oekraïne binnenviel, ging Daniel namelijk, als zoveel andere jonge mannen en vrouwen, uit eigen beweging naar het front. Hij sloot zich aan bij de ongeorganiseerde militie die de Russische inval probeerde af te slaan. De vrijwilligers leerden aan het front hoe ze moesten vechten, zonder enige formele opleiding. Er werd grappend gesproken over de ‘natuurlijke selectie’-opleiding. Daniel was pas negentien toen hij ten strijde trok. Hij belandde rechtstreeks vanuit zijn ouderlijk huis in het artillerievuur en tussen de sluipschutters. Hij werd soldaat voor hij ooit de kans had gekregen een man te worden.
Marina vertelt me later dat ze naar haar slapende zoon keek toen hij vanwege die hersenschudding met verlof was. In de paar maanden dat hij weg was geweest, was hij een ander mens geworden, zegt ze. ‘Hij ging als een jongen naar het front en hij keerde terug als een wijze, oude man.’
Op de dag dat hij terug naar het front ging, smeekte Marina haar zoon om thuis te blijven. ‘Je bent nog veel te jong,’ zei ze.
‘Mam, ik kan niet anders,’ antwoordde Daniel. ‘Ik moet terug naar mijn vrienden. Het is mijn plicht.’
En hij ging. Twee weken later werd Daniel bij de strijd in Pisky gedood door een mortiergranaat. Hij was nog maar negentien.
Na Daniels dood zoek ik contact met zijn ouders, en samen met mijn vrouw ga ik naar Zaporizja om hen te ontmoeten. Ik vraag Marina of ze het goed vindt dat ik haar verhaal gebruik om mensen iets duidelijk te maken over de oorlog in Oekraïne, over de strijd waarvoor haar zoon zijn leven heeft gegeven.
‘Doe wat je kunt om te voorkomen dat onze jongens sterven,’ zegt ze. ‘De hele wereld moet de waarheid horen over de oorlog in Oekraïne.’
Dit is die waarheid.
Het leek alsof het allemaal een geheim was. En zo lijkt het nog altijd
De oorlog in Oekraïne is geen burgeroorlog. Dat is het nooit geweest. Het was, en is, een Russische inval.
Ik heb zeven jaar in Oekraïne gewoond om verslag te doen van de oorlog. In die tijd heb ik, met eigen ogen, een oorlog gezien die heftiger is dan enige andere oorlog die heb meegemaakt in Irak en Afghanistan, zowel als special operations-piloot (wat ik vroeger was) als aan de grond, als oorlogscorrespondent.
Zo zag ik in september 2014 vanaf een heuveltop een tankgevecht in de kustplaats Marioepol. Ja, een tankgevecht. In Europa. In deze tijd. Het was alsof ik naar een Hollywoodfilm keek. Alleen was dat niet zo. Dit gebeurde echt.
De volgende dag bezocht ik het slagveld. Het was 5 september 2014, de dag waarop het eerste staakt-het-vuren werd getekend. Wat ik zag was een grote ravage van kapotgeschoten tanks en pantservoertuigen. En talloze dode soldaten, deels verkoolde, kapotgeschoten lichamen verspreid over het terrein, verstard in de bewegingen van het moment van sterven, als de gipsen beelden van overledenen in Pompeii.
Ik had nooit eerder een dergelijke oorlog gezien. Maar wat misschien nog wel schokkender was: het leek alsof het allemaal een geheim was. En zo lijkt het nog altijd.
Ook nu nog liggen de Oekraïense troepen ingegraven langs een kleine 400 kilometer frontlinie in de regio Donbas, in het oosten van het land. Daar blijft het Oekraïense leger verwikkeld in een statische loopgravenoorlog tegen de gecombineerde strijdkrachten van pro-Russische separatisten, buitenlandse huurlingen en Russische soldaten. En met de Russische troepenopbouw van tienduizenden manschappen aan de grens met Oekraïne [in april 2021] lijkt de mogelijkheid van een veelomvattender oorlog ineens wel erg reëel.
Overal in Oekraïne werd het straatbeeld bepaald door pijlen op gebouwen die de weg wezen naar de dichtstbijzijnde schuilkelder
Tot nog toe heeft de oorlog zo’n veertienduizend Oekraïense levens geëist – meer dan de helft van de slachtoffers is gevallen nádat in februari 2015 de Minsk II-wapenstilstand werd gesloten. En met 1,7 miljoen mensen die nog altijd niet kunnen terugkeren naar huis, is dit niet alleen de enige landoorlog die momenteel nog in Europa woedt, maar tevens een van de grootste humanitaire crises op het continent.
Onder het mom van een separatistische opstand annexeerden Russische speciale eenheden en veiligheidsdiensten in het voorjaar van 2014 de Donbas-regio. Even daarvoor, in februari, hadden Oekraïense demonstranten de sluipschutters getrotseerd op het centrale plein van Kiev, tijdens een opstand om Viktor Janoekovitsj, de pro-Russische president, tot aftreden te dwingen. In de kern ging die revolutie erom dat het land zich afkeerde van Rusland en een meer pro-Europese, prowesterse, prodemocratische koers zou gaan varen.
Maar met een doelbewuste campagne van gemilitariseerde propaganda wist Rusland de annexatie van de Krim en het daaropvolgende conflict in Donbas af te schilderen als een opstand die was georganiseerd en geleid door onbetrouwbare, Russisch sprekende Oekraïners die van mening waren dat de nieuwe regering in Kiev onrechtmatig was.
Voor Kiev zag het er niet goed uit in de zomer van 2014. Gecombineerde Russisch-separatistische troepen rukten op en er waren zorgen dat Oekraïne in tweeën zou worden gedeeld, of dat Rusland zou overgaan tot een grootschalige inval. Het Oekraïense leger was danig verzwakt na vele decennia van corruptie, en slechts in staat zesduizend gevechtsklare manschappen op de been te brengen. Overheden adviseerden de inwoners van Kiev om bij een Russische aanval de metrostations als schuilkelder te gebruiken. Overal in Oekraïne werd het straatbeeld bepaald door pijlen die op gebouwen waren gespoten en die de weg wezen naar de dichtstbijzijnde schuilkelder.
In die eerste maanden van de oorlog vormden gewone Oekraïners, op de hielen gezeten door het reguliere leger van Oekraïne, de gelederen van de ongeregelde gevechtseenheden. Ondertussen waren hele legioenen vrijwilligers bezig om spullen in te zamelen en die naar de troepen aan de frontlinie te brengen – waarbij ze vaak een groot risico liepen. De oorlogsinspanningen werden gedragen door de bevolking, waarmee weer eens duidelijk werd dat Oekraïners in tijden van crisis eerder geneigd zijn zelf in actie te komen dan te wachten tot de regering iets doet.
In juli 2014 hadden de ongeregelde troepen van Oekraïne (de Bad News Bears van de oorlog, zoals ik ze ben gaan noemen) weer 23 van de 36 districten in handen die onder gecombineerd Russisch-separatistisch bewind hadden gestaan. Met de oprukkende troepen zag het er – heel even – naar uit dat Kiev al het terrein zou kunnen herwinnen dat het had moeten prijsgeven aan de troepen die voor de Russen streden. Maar toen, in augustus, stuurde Rusland zelf duizenden manschappen en ongekende hoeveelheden wapens en militair materieel naar het conflictgebied.
Veel Oekraïners vreesden dat er een grootscheepse Russische invasie ophanden was; een aanval op de havenstad Marioepol leek onafwendbaar. Dankzij de wapenstilstand van september 2014 leek te zijn voorkomen dat de oorlog zou escaleren tot een rampzalig niveau. Die wapenstilstand werd echter al snel geschonden, maar door de Minsk II-wapenstilstand in februari 2015 concentreerde het conflict zich uiteindelijk rond het huidige grensgebied.
Maar daarmee is er nog geen einde gekomen aan de oorlog.
Persoonlijk
De patstelling in de loopgraven in het oosten van Oekraïne is uitgegroeid tot een broze impasse, waarbij de twee grootste landlegers van Europa – gerekend naar manschappen – dagelijks beschietingen uitvoeren. Het is een langeafstandsstrijd die voornamelijk wordt uitgevochten met indirecte vuurwapens zoals mortieren en artillerie. In de meeste gevallen zien de soldaten nauwelijks op wie ze schieten – afgezien van de sluipschutters, die ik altijd al het meest angstaanjagende aspect van deze oorlog heb gevonden. In tegenstelling tot de willekeurige, lukrake dreiging van artillerievuur is het op een bepaalde manier persoonlijk om door een sluitschutter onder vuur te worden genomen – hij kijkt echt naar jou, door een vizier, en probeert je te doden.
Er zijn plekken waar het niemandsland enkele kilometers breed is. Op andere plekken zitten de Oekraïners en hun vijanden zo dicht op elkaar dat ze elkaar verwensingen kunnen toeschreeuwen. Zo heb ik in 2015 in Sjirokino kunnen zien hoe dronken soldaten van het Russische kamp ’s nachts naar de Oekraïense linies kropen en de Oekraïners uitdaagden voor gewapende gevechten, van man tot man, tot de dood erop volgde. Een soort gladiatorengevechten.
Het is al met al een bizar conflict waarin moderne technologie – zoals drones en elektronische oorlogsvoering – samengaat met fysieke omstandigheden die doen denken aan de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog, zij het op veel kleinere schaal. Als de Oekraïners niet in die loopgraven zitten, leven ze in de kelders van verlaten huizen. Het is domweg te gevaarlijk om veel tijd bovengronds door te brengen, met de onophoudelijke granaatbeschietingen en overal sluipschutters.
In je achterhoofd leeft voortdurend de gedachte dat je elk moment dood kunt gaan. Die constante achtergrondruis van gevaar is iets heel anders dan wat ik heb meegemaakt toen ik was uitgezonden naar Irak en Afghanistan. Daar hadden we betrekkelijk veilige plekken om tussen onze verschillende missies door even op adem te komen.
In Marioepol is een restaurant, uitgebaat door een veteraan, dat pizza’s bezorgt aan het front
Maar ondanks alle ontberingen hebben de Oekraïense troepen geleerd zich aan te passen. Oorlog voeren is een manier van leven geworden. Hetzelfde geldt voor de Oekraïense burgers die zijn achtergebleven in het oorlogsgebied. Ik sta er altijd van te kijken dat in tijden van oorlog het dagelijks leven zo goed en zo kwaad als het gaat voortgang vindt. Kinderen gaan gewoon naar school, al zijn er dagelijks beschietingen. Winkels zijn gewoon open. Familieleden komen nog altijd samen voor de avondmaaltijd. Zo is er in Marioepol een restaurant, uitgebaat door een veteraan, dat pizza’s bezorgt aan het front.
Een van de indringendste voorbeelden van het gewone leven in tijden van oorlog heb ik gezien in Lobacheve, een plaats aan de frontlinie. De stad wordt in tweeën gedeeld door een rivier – de Oekraïners hebben de ene kant van de stad in handen, de Russische separatisten de andere. Maar er is maar één school. Dus hebben de strijdende partijen besloten tot een kortstondig staakt-het-vuren, twee keer per dag, zodat de kinderen het pontje over de rivier kunnen nemen, van en naar school.
In 2016 was ik getuige van zo’n bizarre, kortstondige time-out van de oorlog. Het had iets surrealistisch om de Oekraïense soldaten op hun dooie gemak aan de oever een sigaretje te zien roken, terwijl ze hun vijanden op de andere oever zagen staan. Maar zodra het moment voorbij was namen de sluitschutters weer hun positie in, zochten de soldaten dekking en was het weer oorlog. ‘Oorlog is een duistere komedie,’ zei Andriy, een Oekraïense soldaat die dag tegen me, terwijl we een veilig heenkomen zochten.
De twee partijen moeten duidelijk weinig van elkaar hebben, al hebben veel Oekraïners familie in Rusland, en omgekeerd. Sterker nog, enkele oudere Oekraïense soldaten hebben in de Sovjettijd in het Rode Leger gediend, samen met de Russen. Ik heb zelfs Oekraïense soldaten gezien die Facebookberichten aan hun vijanden stuurden, die ze nog kenden uit hun jeugd, of van hun studie.
‘Het is lastig vechten tegen een vijand die dezelfde taal spreekt en hetzelfde geloof heeft,’ zegt Oleksandr Derevyanko, een 54-jarige Oekraïense soldaat en veteraan uit het Sovjetleger. ‘Maar we moeten dit gevecht wel leveren – er zit niets anders op. Rusland heeft ons aangevallen en we moeten ons vaderland verdedigen.’
Derevyanko vocht in de jaren tachtig als Sovjetsoldaat in Afghanistan. ‘In Afghanistan heb ik geleerd dat het niet zo moeilijk is om een oorlog te beginnen, maar wél om een oorlog te beëindigen,’ zegt de oude soldaat. Ik ben zelf ook Afghanistan-veteraan en ik had het niet beter kunnen zeggen.
De oorlog in Oekraïne is momenteel niets minder dan een zwaard van Damocles dat boven Oost-Europa hangt – elk moment kan de vlam in de pan slaan en kan het vuur om zich heen grijpen. Als de zon vanavond onder is, zullen de lichtspoorkogels de hemel uiteenrijten. Het artillerievuur zal donderen. En de soldaten en burgers, die allemaal oorlogsmoe zijn, zullen wegduiken in schuilkelders en loopgraven, en proberen hun angst de baas te blijven – net als de afgelopen zeven jaar.
De oorlog gaat maar door. Wanneer zal er ooit een einde aan komen?
De oorlog in Oekraïne is een frontlinie ter verdediging van de geest, en de belofte, van de democratie
Het is makkelijk om te denken dat de geschiedenis uiteindelijk altijd wel weer ten goede zal keren – dat het tijdperk van de wereldoorlogen achter ons ligt. Dat het nooit weer zal gebeuren. In Oekraïne voelt dat heel anders.
Vergeet niet dat Oekraïne nog maar twee generaties terug het dodelijkste strijdtoneel was in een van de dodelijkste oorlogen in de geschiedenis van de mensheid. Sommige van de soldaten die in die oorlog hebben gevochten, en de burgers die het hebben overleefd, zijn momenteel nog in leven. Dus laat niemand denken dat een dergelijke oorlog nu niet meer mogelijk is, of dat de ontwikkelingen in de tijd waarin we nu leven op de een of andere manier immuun zijn voor de onophoudelijke cycli van oorlog en vrede die de geschiedenis typeren.
De Amerikaanse oorlogscorrespondent Martha Gellhorn schreef ooit: ‘Tenzij ze tot de directe slachtoffers behoren, gedraagt de meerderheid van de mensheid zich alsof oorlog een kwestie is van overmacht, iets wat niet voorkomen had kunnen worden; of ze doen alsof een oorlog elders niet hun probleem is. Het zou een wrede kosmische grap zijn als we onze eigen ondergang bewerkstelligen door het wegkwijnen van de verbeelding.’
De oorlog in Oekraïne is namelijk veel meer dan alleen een frontlinie tegen de Russische militaire agressie. Het is ook een frontlinie ter verdediging van de geest, en de belofte, van de democratie.
Amerikaanse steun, in welke vorm ook – diplomatieke maatregelen of wapens – geeft een signaal aan de Oekraïense soldaten en burgers: dat ze niet zijn vergeten, en dat de democratische wereldorde, waar ze zo graag deel van willen uitmaken, nog altijd de strijd waard is. Vandaag de dag lijkt dat een boodschap die de hele wereld zou moeten horen.
Met de geschiedenis als leidraad lijkt één ding duidelijk: als de oorlog in Oekraïne escaleert tot een veel groter en dodelijker conflict, zullen de gevechten niet beperkt blijven tot Oekraïners en Russen.
De rechten en plichten die komen kijken bij het veilig onderbrengen van kernwapens in Europa, worden niet altijd nageleefd. Bellingcat zocht het uit.
Voor Amerikaanse soldaten die belast zijn met de bewaring van kernwapens in Europa staat er veel op het spel. Beveiligingsprotocollen zijn lang, gedetailleerd en moeten uit het hoofd worden geleerd. Om dat proces te vereenvoudigen maakten sommige militairen gebruik van voor iedereen toegankelijke flashkaart-apps – waarmee ze onbedoeld een groot aantal gevoelige beveiligingsprotocollen hebben onthuld over Amerikaanse kernwapens en de bases waar die liggen opgeslagen.
Hoewel de aanwezigheid van Amerikaanse kernwapens in Europa al lang bekend is via verschillende uitgelekte documenten, foto’s en verklaringen van oud-functionarissen, is hun exacte locatie officieel nog steeds geheim. Overheden bevestigen noch ontkennen de aanwezigheid ervan. Volgens actievoerders en parlementsleden in sommige Europese landen belemmert deze tegenstrijdigheid vaak een open en democratisch debat over de rechten en plichten die komen kijken bij het onderbrengen van kernwapens.
Op de flashkaarten die worden gebruikt door soldaten die de taak hebben deze wapens te bewaken, staan echter niet alleen de bases, maar zelfs de exacte schuilplaatsen met ‘warme’ kluizen (hierna ‘vaults’ genoemd) die vermoedelijk kernwapens bevatten. Ook worden gedetailleerde beveiligingsdetails en -protocollen genoemd, zoals posities van camera’s, de frequentie van patrouilles rond de vaults, geheime tekens die aangeven dat een bewaker wordt bedreigd en unieke identificatiekenmerken die een badge voor een afgeschermd gebied moet hebben.
Een foto die in 2013 op Facebook werd geplaatst toont Amerikaanse soldaten die op de Nederlandse vliegbasis Volkel poseren met wat een dummy-kernwapen lijkt te zijn.
Net als hun analoge naamgenoten zijn flashkaart-apps populaire leermiddelen met vragen op de ene kant en de antwoorden op de andere. Door eenvoudig online te zoeken naar termen waarvan algemeen bekend is dat ze in verband worden gebracht met kernwapens, wist Bellingcat kaarten te vinden die werden gebruikt door militair personeel op alle zes de Europese militaire bases waarvan bekend is dat er kernwapens liggen opgeslagen.
Volgens deskundigen die door Bellingcat werden benaderd vormen deze bevindingen een ernstige schending van de beveiligingsprotocollen en doen ze nieuwe vragen rijzen over de inzet van Amerikaanse kernwapens in Europa.
Zoveelste waarschuwing
Jeffrey Lewis, oprichter en uitgever van Arms Control Wonk.com en directeur van het East Asia Nonproliferation Program bij het James Martin Center for Nonproliferation Studies, noemde de bevindingen een ‘flagrante schending’ van de beveiligingsprocedures van Amerikaanse kernwapens die gestationeerd zijn in NAVO-landen.
Hij zei verder dat de ‘geheimhouding over het stationeren van Amerikaanse kernwapens in Europa er niet is om de wapens uit handen te houden van terroristen, maar alleen in stand wordt gehouden zodat politici en militaire leiders niet de lastige vraag hoeven te beantwoorden of de regelingen van de NAVO voor het delen van kernwapens vandaag de dag nog wel zinvol zijn. Het is de zoveelste waarschuwing dat er iets mis is met de beveiliging van deze wapens.’
Hans Kristensen, directeur van het Nuclear Information Project van de Federation of American Scientists, was het hier in grote lijnen mee eens en verklaarde dat je veiligheid bereikt door ‘effectieve beveiliging, niet door geheimhouding’.
Sommige flashkaarten die in de loop van dit onderzoek werden ontdekt, waren al in 2013 online voor het publiek zichtbaar. Op andere sets stonden processen beschreven die in elk geval tot april 2021 door gebruikers uit het hoofd werden geleerd. Het is niet bekend of geheime zinnen, protocollen of andere beveiligingsprocedures sindsdien zijn gewijzigd.
Alle flashkaarten die in dit artikel worden beschreven lijken te zijn verwijderd van de leerplatforms waarop ze te zien waren, nadat Bellingcat voorafgaand aan de publicatie de NAVO en het Amerikaanse leger om commentaar had gevraagd. Een woordvoerder van het Nederlandse ministerie van Defensie verklaarde dat er samen met de NAVO en US European Command (EUCOM) actie is ondernomen nadat Bellingcat een foto had ontdekt die in 2013 op Facebook was gedeeld.
Een woordvoerder van de Amerikaanse luchtmacht bevestigde dat men ervan op de hoogte was dat militairen flashkaart-apps gebruikten om ‘een groot aantal verschillende onderwerpen’ te leren. Maar, zo zei men, militair personeel werd daar niet toe aangemoedigd en men wilde niet praten over oudere of huidige beveiligingsprotocollen. Volgens de woordvoerder was de luchtmacht er niet van op de hoogte dat er door het Department of Defense of het Department of the Air Force naar het gebruik van onlinestudiehulpmiddelen werd gekeken, maar wel dat ‘de geschiktheid van informatie die via studieflashkaarten werd gedeeld wordt onderzocht’.
Met de ministeries van Defensie van België, Duitsland, Italië en Turkije – alle landen waarvan is gemeld dat er bases zijn met Amerikaanse kernwapens – is ook contact gezocht over het gebruik van flashkaarten door Amerikaanse soldaten die op hun grondgebied zijn gestationeerd. Geen van de ministeries kwam met een antwoord.
Op bases met kernwapens vind je bijvoorbeeld beschermende schuilplaatsen, Protective Aircraft Shelters (PAS), uitgerust met wapenopslag- en beveiligingssystemen (Weapons Storage and Security Systems, WS3) die bestaan uit elektronische bedieningssystemen, sensoren en een bewaarplaats (vault) die in de vloer is ingebouwd. Deze vaults bieden elk plaats aan maximaal vier B61 thermonucleaire zwaartekrachtbommen.
Simpelweg op Google zoeken naar ‘PAS, ‘WS3’ en ‘vault’, in combinatie met de namen van luchtmachtbases in Europa, leidde al snel naar gratis flashkaartplatforms zoals Chegg, Quizlet en Cram.
Een voorbeeld is de Nederlandse vliegbasis Volkel. Hoewel de aanwezigheid van Amerikaanse kernwapens op Volkel wordt beschreven in uitgelekte documenten en verklaringen van oud-functionarissen, beschouwt de Nederlandse regering het nog steeds als een geheim. Maar een set van zeventig flashkaarten op Chegg, getiteld ‘Study!’, lijkt een stap verder te gaan door de exacte PAS te vermelden waar de wapens zich bevinden.
Maar een set van zeventig flashkaarten getiteld ‘Study!’ op Chegg lijkt een stap verder te gaan door de exacte shelters te vermelden waar de wapens zich bevinden:
Twee flashkaarten gemaakt op Chegg in 2019. De nummers verwijzen naar de beschermende vliegtuigshelter waar de vault zich in bevindt. De laatste twee cijfers zijn door Bellingcat gecensureerd.
Zoals te zien is op de afbeelding hierboven, zijn vijf van de elf WS3-vaults op Volkel aangeduid met ‘HOT’ en de andere zes met ‘COLD’.
Op een andere set van meer dan tachtig flashkaarten voor de Aviano Air Base in Italië, een andere locatie waar naar verluidt Amerikaanse kernwapens liggen opgeslagen, staan nog meer gevoelige details vermeld:
Een flashkaart gemaakt op Cram in 2019.
‘WS3 response order’ lijkt te verwijzen naar de volgorde waarin een soldaat moet reageren op verschillende alarmen afkomstig van het WS3-systeem waarmee de vaults zijn beschermd. Voor zowel ‘Level 1’- als ‘Level 2’-alarmen ligt de prioriteit bij ‘hot (loaded vaults)’ – waarschijnlijk de vaults waar kernwapens liggen. Op andere kaarten worden ‘loaded’ en ‘hot’ vaults door elkaar gebruikt, één keer zelfs in combinatie met ‘nuclear weapon’.
Ook voor Aviano staat op een andere flashkaart te lezen welke vault koud is in ‘tango loop’ (een specifiek gedeelte van de Aviano Air Base, ook wel ‘tower loop’ genoemd).
Een flashkaart gemaakt op Cram in 2019.
Op elke set flashkaarten kunnen nieuwe definities en acroniemen staan. Als je naar die termen zoekt, vind je nog meer nieuwe flashkaarten.
Need-to-knows
Op het eerste gezicht lijken de meeste flashkaarten niet erg interessant. Op vrijwel alle sets staat dezelfde algemene handboekinformatie die soldaten leren om hun loopbaanontwikkelingsvakken te halen. Het gaat om definities van termen, afkortingen, formulieren die moeten worden ingeleverd, wetten, procedures en radioprotocollen.
Maar in veel gevallen hebben militairen hun eigen ‘need-to-knows’ en zeer specifieke beveiligingsdetails toegevoegd.
Zo noteerde iemand op een basis meer dan honderd dingen die hij voor zijn specifieke functie moest weten. Hierbij ging het om zaken als de locatie van modems die de vaults met de bewakingsfaciliteit verbinden, de procedures voor noodsignalen voor elk gebied op de basis, het beeld van camera’s die op de vault zijn gericht, en de onderdelen en werking van de bijbehorende bedieningspanelen. Ook details over de samenstelling van wachtwoorden, gebruikersnamen en of deze spaties kunnen bevatten, werden op de kaarten vermeld.
Op sommige platforms is bovendien te zien wanneer gebruikers hun flashkaarten voor het laatst hebben bestudeerd. De hierboven genoemde persoon gebruikte de flashkaart voor het laatst in april 2021, maar ook deze bleek te zijn verwijderd nadat Bellingcat contact had opgenomen met de NAVO, het Amerikaanse ministerie van Defensie en EUCOM om een reactie te vragen op de bevindingen in dit artikel.
Een notitie waarin te zien is wanneer een door een Amerikaanse soldaat geposte flashkaart voor het laatst is bestudeerd.
De informatie die op flashkaarten kan worden aangetroffen hangt af van de basis waarnaar wordt gezocht.
Laten we beginnen met de informatie die nuttig is om de locaties van kernwapens te traceren (en het aantal vaults, als indicatie van hoeveel het er zouden kunnen zijn). Naast nieuwe informatie over ‘koude’ en ‘warme’ vaults in Aviano (Italië) en Volkel hebben we ook details kunnen vinden over vaults op alle andere bases in Europa waar naar verluidt kernwapens liggen opgeslagen: Incirlik (Turkije), Ghedi (Italië), Büchel (Duitsland) en Kleine-Brogel (België).
Een flashkaart gemaakt op Cram in 2014, in een set getiteld ‘Incirlik Job Knowledge’. IAB staat voor Incirlik Air Base.
Maar misschien net zo zorgwekkend is het openbaar posten van nauwkeurige informatie over beveiligings- en basisprotocollen. Op sommige flashkaarten staat het aantal beveiligingscamera’s en hun positie op verschillende bases, informatie over sensoren en radarsystemen, de unieke identificatiekenmerken van badges voor afgeschermde zones (restricted area badges, RAB) voor Incirlik, Volkel en Aviano, evenals geheime dwangwoorden en het type uitrusting dat de responstroepen dragen die de bases bewaken.
Een naar Chegg geüploade flashkaart met door Bellingcat gecensureerde details.
Dan is er nog informatie over de beschermende vliegtuigshelters, het WS3-systeem en de vaults zelf. Voor sommige bases vond Bellingcat online onder meer flashkaarten met informatie over de gebouwen waar de sleutels van de vliegtuigshelters worden bewaard, informatie over hoe vaak een ‘warme’ en ‘koude’ PAS wordt gecontroleerd, en details over de sensoren die de PAS beschermen tegen indringers en die zijn ingebouwd in de vaults zelf.
Het militaire personeel noteerde ook tot in detail welke objecten in beveiligingsfaciliteiten tegen manipulatie zijn beveiligd, alsook de locaties van reservegeneratoren en van A- en B-versies van universele vrijgavecodes, waarmee alle vaults tegelijk kunnen worden geopend.
Het is niet helemaal duidelijk waarom of hoe deze informatie openbaar doorzoekbaar is geworden. Op de website van Quizlet staat dat de zichtbaarheid van alle flashkaarten standaard is ingesteld op openbaar – gebruikers kunnen daarna de privacy wijzigen als ze dat willen. Op dezelfde manier instrueert de help-pagina van de Cram-website gebruikers hoe ze sets privé kunnen maken, wat impliceert dat alle geüploade flashkaarten ook standaard openbaar zijn. In het Q&A-gedeelte van de Chegg-website wordt uitgelegd hoe gebruikers de privacy-instellingen van hun flashkaarten kunnen wijzigen, maar staat niet expliciet vermeld of ze ook standaard openbaar zichtbaar zijn. (In 2018 nam Chegg het flashkaarten-platform van StudyBlue over, waarvan de website ook onduidelijk is over de vraag of sets flashkaarten standaard openbaar zichtbaar waren.)
Enkele flashkaart-vragen die Bellingcat heeft ingezien gaan onder meer over wat je in de lokale taal moet roepen tegen een indringer, over lokale wetgeving en over namen van squadrons, zones en gebouwen
Het verifiëren van de informatie op de flashkaarten was relatief eenvoudig – wat op zichzelf al zonder meer op een beveiligingsprobleem duidt. Sommige sets die op Cram en Quizlet waren gemaakt, waren traceerbaar doordat gebruikersnamen de volledige naam bevatten van de personen die de kaarten hadden gemaakt. Anderen gebruikten dezelfde foto als op hun LinkedIn-profiel.
Zelfs in gevallen waarin het niet direct duidelijk was waar de gebruikers zich bevonden, kon de militaire basis waarnaar hun flashkaarten verwezen worden afgeleid uit wat ze aan het leren waren. Enkele flashkaart-vragen die Bellingcat heeft ingezien gaan onder meer over wat je in de lokale taal moet roepen tegen een indringer, over lokale wetgeving en over namen van squadrons, zones en gebouwen.
Op twee flashkaarten uit dezelfde set stond de naam van het squadron ‘701 MUNSS’ en een zin in het Vlaams om iemand te dwingen wapens zijn in te inleveren, wat duidelijk maakt dat de beveiligingsdetails van toepassing zijn op de luchtmachtbasis Kleine-Brogel in België.
Ook subtielere details konden worden geverifieerd. De flashkaart die melding maakt van vault 27 op ‘Tango loop’, vliegbasis Aviano, komt bijvoorbeeld overeen met een openbaar Amerikaans militair document waarin wordt bevestigd dat er op vliegbasis Aviano een Protective Aircraft Shelter’ is met de naam ‘t-27’.
En ook de inhoud van anonieme flashkaarten (zonder gebruiksnamen) kon worden geverifieerd. Een van deze flashkaarten leek procedures te beschrijven van het Nederlandse Volkel. Deze informatie lijkt nergens anders openbaar beschikbaar te zijn, maar is vergelijkbaar met informatie die werd aangetroffen in de sets van geverifieerde gebruikers op onder meer de bases Incirlik, Aviano, Kleine-Brogel. De anonieme set bevatte bijvoorbeeld een flashkaart die specifiek gericht was op de authenticatiegegevens van een RAB en van geverifieerde gebruikers.
Een flashkaart zichtbaar op Chegg met enkele door Bellingcat gecensureerde details.Een openbaar toegankelijke flashkaart op Cram met enkele door Bellingcat gecensureerde details.
Een van de interessantste kaarten in de anonieme sets was de ‘vault status’-flashkaart, die lijkt aan te geven welke vaults in Volkel kernwapens bevatten. Om deze informatie te kunnen verifiëren moeten we eerst vaststellen of deze vaults daadwerkelijk bestaan. Volkel heeft 32 beschermende vliegtuigshelters (te zien op Google Earth), maar niet elke PAS heeft een WS3-vault. We moeten dergelijke shelters vinden met zo’n vault, en kijken of het aantal overeenkomt met dat op de flashkaart.
Een flashkaart geüpload naar Chegg met enkele door Bellingcat gecensureerde details.
‘703rd MUNSS’
Een snelle zoektocht op Google leidt ons naar een kaart van Volkel (uit 1999), gepubliceerd door Ontwapen!, een antimilitaristische actiegroep. Op de kaart staan acht Protective Aircraft Shelters met vaults – drie minder dan de elf vaults op de flashkaart (uit 2019). Er zijn verschillende webpagina’s (uit 2007 en 2014) te vinden met nummers van shelters waar de kernwapens liggen opgeslagen. Toch is het onduidelijk wat de bronnen zijn van deze posts en komen de details slechts gedeeltelijk overeen met de aantallen op onze flashkaart.
Een kaart met ‘Hangars met WS3-vaults’ op de vliegbasis Volkel, gelabeld ‘Intern gebruik defensie’ en gepubliceerd door Ontwapen! In 2010.
Maar zoals uit eerdere artikelen van Bellingcat over fitness-apps en een bierproef-app is gebleken, kunnen soldaten in dergelijke omstandigheden zelf zonder het te weten een bron van informatie zijn. De eerste stap is de personen vinden die toegang hebben tot deze locaties.
Via Wikipedia kunnen we zien dat de kernwapens in Volkel worden onderhouden door een Amerikaans squadron: het 703rd Munitions Support Squadron. In militair jargon is dat afgekort tot ‘703rd MUNSS’ en ‘703 MUNSS’. Een snelle zoektocht op Facebook levert verschillende groepsfoto’s op, waarvan sommige zijn gedeeld, getagd en geliket door de personen die erop staan afgebeeld. De tweede stap is het onderzoeken van het openbare profiel van een van deze personen.
Daar vinden we een foto gedeeld in 2013.
Een foto die door iemand van het 703rd MUNSS op Facebook is geplaatst. De gezichten zijn door Bellingcat gecensureerd.
De foto was niet geografisch getagd. Alle personen dragen een Amerikaans uniform en de foto was door een Amerikaan gedeeld op zijn persoonlijke Facebookprofiel. Wie door de pagina scrollt, zou kunnen denken dat de foto in de VS is genomen. Maar er zijn aanwijzingen waaruit blijkt dat dit niet het geval is.
Links op de foto zijn twee vlaggen te zien. Op een bijgesneden foto van een Facebook-post uit 2013 is een militair voertuig te zien.
Op het militaire voertuig staat een Nederlandse vlag. De tekst op de andere vlag eindigt op UNSS, de laatste vier letters van de naam van het eerdergenoemde squadron: 703 MUNSS.
De foto is gepost in 2013, maar de dichtstbijzijnde, ongecensureerde satellietfoto op Google Earth Pro van de vliegbasis Volkel dateert uit 2016. Ondanks de verschillen in begroeiing op de foto’s uit deze twee verschillende jaren kunnen deze satellietbeelden nog steeds nuttig zijn om overeenkomsten te vinden. Er staan drie details op de Facebookfoto waardoor één hangar op de vliegbasis Volkel in aanmerking komt als een mogelijke kandidaat voor de locatie van de foto; deze zijn omcirkeld in rood, blauw en groen.
De markeringen, gebouwen en vegetatie in het rechterbeeld komen overeen met wat te zien is op Google Earth in het linkerbeeld.
Vergelijking met satellietbeelden wijst op een correlatie. De vorm en positie van de hangar ten opzichte van de landingsbaan, de locatie van de bomen, de positie van de gele lijn op de grond, het object links en het gebouw achter de landingsbaan komen allemaal overeen. Deze geografische locatie komt ook overeen met een hangar die op de uitgelekte kaart is gemarkeerd als een ‘Hangar met WS3-vault’.
Een Google Earth-beeld vergeleken met een kaart van Volkel.
Op dezelfde uitgelekte kaart staat een shelter met nummer 532. Op een van de flashkaarten staat inderdaad een shelter 532 die een vault heeft.
Een flashkaart gevonden op Chegg.com, gemaakt in 2019. De laatste twee cijfers zijn door Bellingcat gecensureerd.
Deze Facebookfoto lijkt de informatie op de flashkaart te bevestigen dat de shelter een vault heeft, maar volgens de flashkaart is deze vault ‘COLD’. Jeffrey Lewis van het James Martin Center for Nonproliferation Studies vindt het zeer onwaarschijnlijk dat militairen in actieve dienst poseren met een echte bom. De informatie op de flashkaart dat de vault ‘COLD’ is, is volgens hem waarschijnlijk juist. Maar kan dat wordt bevestigd met de details op de foto?
De bom
Laten we de bom van wat dichterbij bekijken.
Een door iemand verbonden aan het 703rd MUNSS op Facebook geposte foto. De gezichten zijn door Bellingcat gecensureerd.
Kernwapens hebben regelmatig onderhoud nodig. De trailer van het Secure Transportable Maintenance System is speciaal voor die taak ontworpen. Uit openbaar beschikbare documenten van het Amerikaanse leger blijkt dat de kabels en toebehoren om de bom in een vliegtuig te laden en te prepareren voor een missie. opgeborgen dienen te worden in een zogenaamde zadeltas. De vorm komt ook overeen met openbaar beschikbare afbeeldingen van de B61-kernbom.
Boven: de bom op de Facebook-foto. Onder: een foto van de B61 op Wikipedia.
Het probleem is dat de vliegtuigbemanning een oefenversie van de B61 gebruikt, de BDU-38, met dezelfde vorm en grootte. En om het nog verwarrender te maken, heeft het grondpersoneel ook oefenversies van de B61. Hoe onderscheid je ze van elkaar?
Oefenwapens erkennen
Oefenwapens zijn meestal te herkennen aan hun kleuren. B61’s zijn zilvergrijs (ze worden soms aangeduid met de term ‘silver bullet’), BDU-38’s lijken wit. Op een ongedateerde foto, gepubliceerd door de Federation of American Scientists in 2009, maar waarschijnlijk een aantal jaren eerder genomen, lijken witte BDU-38’s te zien te zijn, gelabeld als ‘inert nuclear bombs’ (onschadelijke kernbommen) na te zijn gedropt op de Vliehors, Nederlands enige oefenterrein voor bombardementen.
In Facebook-groepen van Volkel-vliegtuigspotters is een andere foto te vinden van een BDU-38 uit 2005, die gedeeltelijk wit lijkt.
Zoeken op Google naar de Nederlandse term ‘witte bommen’ leidt naar een andere vliegtuigfotograaf, die foto’s deelde van F16’s op Volkel met hetzelfde wapen in 2007. Deze fotograaf noemde het wapen niet. Hij beschreef de foto’s alleen als Nederlandse en Belgische F16’s die opstegen van Volkel om ‘grote rood-witte bommen’ te droppen op de Vliehors. Net als Nederland beschikt ook België over B61’s.
Als je deze oefenbommen (hier en hier te zien) vergelijkt met de bom waarmee het Amerikaanse squadron poseerde (hieronder te zien), zie je dat ze dezelfde vorm en grootte hebben, maar dat ze qua kleur verschillen.
Te oordelen naar de zilveren kleur van de bom waarmee het Amerikaanse squadron poseerde, kunnen we dus zien dat het niet gaat om een rood-witte oefenbom die door Nederlandse vliegtuigbemanningen wordt gebruikt.
De oefenversies van de B61 voor grondpersoneel lijken ook dezelfde zilveren kleur te hebben als het wapen op de Facebook-foto, maar zijn meestal voorzien van rode letters. Hier is een voorbeeld van een B61 in een museum. De tekst in het midden van de bom luidt: ‘TRAINING ONLY – DO NOT FLY‘ (alleen training – niet mee vliegen).
Op andere exemplaren buiten musea staan ook rode letters op de neus, het midden van de huls en de vinnen. Het is onmogelijk te zeggen of het wapen buiten vault 532 deze markeringen heeft.
Het enige detail dat zekerheid zou kunnen verschaffen, is het serienummer van de bom, dat we op deze foto niet kunnen zien. Volgens Hans Kristensen van de Federation of American Scientists staat op deze wapens ‘normaal gesproken het type en serienummer vermeld. Als het een echt wapen is, staat er B61-x en yyyyyyyyy. Op een oefenversie zou iets staan als B61-x Type 3E. Maar ik zie geen markeringen op het wapen op deze foto.’
B61 trainer units – interesting the 2nd photo has additional unit partially dissembled. Have to find better quality image.#Nukespic.twitter.com/0A2ZKPYpqw
Een voorbeeld van een oefenversie van de B61 met serienummer, gepost door @Casillic.
Kristensen voegde er wel aan toe: ‘Ik betwijfel of ze een scherp oorlogswapen tevoorschijn zouden halen voor een foto, ik gok dat dit een oefenwapen is.’
De protocollen en beveiligingsmaatregelen om een kernwapen uit zijn vault te halen zijn bijzonder streng. Als het een echt kernwapen is, zou de Facebookfoto getuigen van een enorme beveiligingsfout. Als het geen echt kernwapen is dat voor schuilkelder 532 wordt getoond, is het logisch dat de flashkaart de vault als ‘COLD’ aanduidde.
De protocollen en beveiligingsmaatregelen om een kernwapen uit zijn vault te halen zijn bijzonder streng. Als het een echt kernwapen is, zou de Facebookfoto getuigen van een enorme beveiligingsfout. Als het geen echt kernwapen is dat voor schuilkelder 532 wordt getoond, is het logisch dat de flashkaart de vault als ‘COLD’ aanduidde.
Beveiligingsfout
De schaal waarop soldaten beveiligingsgegevens hebben geüpload en onbedoeld hebben gedeeld betekent dus een enorme operationele beveiligingsfout.
Vanwege de mogelijke implicaties voor de openbare veiligheid nam Bellingcat vier weken voor deze publicatie contact op met de NAVO, EUCOM, het Amerikaanse ministerie van Defensie en het Nederlandse ministerie van Defensie. Dat laatste erkende in een e-mail dat er over deze kwestie contact was met de NAVO en EUCOM. Het ministerie verklaarde dat Nederland een nucleaire taak heeft, maar dat het geen commentaar kan geven over aantallen kernwapens of over locaties, omdat men gebonden is aan NAVO-afspraken die gebaseerd zijn op veiligheidsoverwegingen.
Er blijken ook kaarten te zijn voor heel andere militaire doeleinden. Bellingcat kon bijvoorbeeld sets vinden met vragen over de uitvoering van een drone-aanval met een MQ-9 Reaper.
Een flashkaart geplaatst op Quizlet.
Vanwege de mogelijke implicaties voor de openbare veiligheid nam Bellingcat vier weken voor deze publicatie contact op met de NAVO, EUCOM, het Amerikaanse ministerie van Defensie en het Nederlandse ministerie van Defensie. Dat laatste erkende in een e-mail dat er over deze kwestie contact was met de NAVO en EUCOM. Het ministerie verklaarde dat Nederland een nucleaire taak heeft, maar dat het geen commentaar kan geven over aantallen kernwapens of over locaties, omdat men gebonden is aan NAVO-afspraken die gebaseerd zijn op veiligheidsoverwegingen.
Bellingcat kon links overleggen naar vijftig gevonden kaartensets met beveiligingsdetails op Chegg, Quizlet en Cram, met de nadrukkelijke kanttekening dat de lijst mogelijk niet volledig is. Ook melde het hoe de sets waren ontdekt. Het Nederlandse ministerie van Defensie deelde Bellingcat mee dat de informatie in deze sets geen gevolgen had voor de veiligheid van Nederland. De verklaring van de Amerikaanse luchtmacht: ‘Uit beleidsoverwegingen worden onze beveiligingsprotocollen om de bescherming van gevoelige informatie en operaties te waarborgen voortdurend getoetst en beoordeeld.’ Alle door Bellingcat onder de aandacht gebrachte sets bleken kort voor publicatie offline te zijn gehaald.
Voor activisten die strijden voor nucleaire ontwapening onderstreept de door Amerikaanse soldaten onthulde informatie echter wat zij zien als de gevaren van het onderbrengen van kernwapens in Europa, zonder dat daar een duidelijke strategische reden voor is.
Susi Snyder, projectleider van het No Nukes-programma bij de Nederlandse vredesorganisatie PAX en coördinator van de campagne Don’t Bank on the Bomb, zei het volgende: ‘De mensen in Europese landen waar B61-bommen zijn geplaatst, steunen in overweldigende meerderheid het Verdrag inzake het verbod op kernwapens. Een geheimhoudingsbeleid dat de democratie naast zich neerlegt kan niet blijven voortbestaan, het brengt de veiligheid van de bevolking in gevaar. Geheime stationering is, net als kernwapens zelf, geen oplossing voor de dreigingen van vandaag of morgen.’
Kristensen van de Federation of American Scientists voegde daaraan toe: ‘Er zijn zo veel vingerafdrukken die verraden waar de kernwapens zich bevinden, dat het geen enkel militair of veiligheidsdoel dient om te proberen deze locaties geheim te houden. Toegegeven, er kunnen specifieke operationele en veiligheidsdetails zijn die geheim moeten worden gehouden, maar de aanwezigheid van kernwapens an sich is dat niet. Het ware doel van geheimhouding is het vermijden van een controversieel publiek debat in landen waar kernwapens niet populair zijn.’
In interviews met westerse media stelde ze Bashar in de schaduw. Ze was zijn ambassadeur in landen waar hij niet graag werd gezien, wilde Damascus omvormen tot Europese metropool en ging uit winkelen terwijl de stad afbrandde. Wie is de vrouw die in het naoorlogse Syrië de touwtjes in handen heeft?
De keuze van hoofdredacteur Laura Weeda
Dit Economist-artikel is buitengewoon goed geschreven en geeft een heel mooi en genuanceerd beeld van de ontwikkelingen in Syrië de laatste dertig jaar vanuit een verrassend perspectief: de First Lady, Asma al-Assad. Ooit was ze in Syrië een gevierde vrouw die van Damascus één groot cultureel park wilde maken, nu komt ze vooral mysterieus en meedogenloos over. In haar levensverhaal wekt ze soms bewondering op, dan weer zijn haar gedrag en beslissingen volstrekt onnavolgbaar.
Deze longread van Nicholas Pelham geeft ook goed weer hoe wankel geopolitieke relaties zijn door het grote contrast tussen Damascus als opbloeiende stad, toen Al-Assad er kwam wonen, en de ruïne die de hoofdstad van Syrië nu is.‘
Afgelopen zomer circuleerde een foto van de First Lady van Syrië op social media. In het noordwesten van het land bombardeerden regeringstroepen op dat moment de overgebleven verzetshaarden. De foto toont Asma al-Assad, haar man Bashar al-Assad en hun drie kinderen op een winderige heuveltop, geflankeerd door soldaten in camouflagetenue. Met zijn windjack, sportschoenen en poloshirt vlot over zijn broek lijkt Bashar in alles op een huisvader die zijn kroost meeneemt op een zondagmiddagwandelingetje, en in niets op een man die dissidenten laat martelen. Asma oogt wat stijfjes, houdt haar armen langs haar lichaam. Witte spijkerbroek, sportschoenen en zo’n vliegeniersbril waar despoten in het Midden-Oosten om de een of andere reden dol op zijn. Ze staat midden op de foto; Bashar, president van Syrië, schurkt wat onhandig tegen haar aan.
Achter Asma is een bedrieglijk vredig landschap te zien. Tien jaar na de Arabische lente, waarin miljoenen mensen in het Midden-Oosten zich tegen repressieve regimes keerden, heeft de heersende familie van Syrië de macht behouden en daar een gruwelijke prijs voor geëist.
Het regime heeft honderdduizenden Syriërs vermoord en er ruim 14.000 doodgemarteld. De helft van de bevolking sloeg op de vlucht, waarmee de grootste vluchtelingencrisis sinds de Tweede Wereldoorlog een feit werd. Iran, Turkije, de Verenigde Staten en Rusland, stuk voor stuk streden ze direct of indirect om invloed op Syrische bodem. In de hele Arabische wereld is de hoop op een betere toekomst vermorzeld, maar nergens ging dat met zo veel bloedvergieten gepaard als in Syrië.
Marie Antoinette
Asma’s ster is in die tijd echter tot ongekende hoogte gerezen. Haar pad naar de heerschappij over dit verwoeste land was bochtig en legde ze af in vele gedaanten: de financieel expert van J.P. Morgan die tot in de kleine uurtjes doorwerkte om lucratieve deals uit het vuur te slepen; de glamoureuze First Lady die in de overtuiging verkeerde dat sociale hervormingen en haute couture een pariastaat konden moderniseren; de Marie Antoinette van Damascus, die uit winkelen ging, ook al stond haar land in brand; de moeder van de natie, die tegen kanker streed terwijl de troepen van haar man opstandelingen verpletterde.
Waar eindigt de reis? De prominente plaats die ze in de hofhouding van de Assads wist te veroveren is niet langer alleen maar voer voor Syrische roddelcircuits. Vorig jaar bestempelde de Amerikaanse regering Asma tot een van de beruchtste oorlogsprofiteurs van Syrië. Er wordt nu zelfs gefluisterd dat ze haar man als president zou kunnen opvolgen. Asma al-Assad heeft de gestucte twee-onder-een-kapwoning in Londen waar ze is opgegroeid ver achter zich gelaten.
Voor een dictatorsvrouw is haar achtergrond ongewoon. Asma Akhras werd in 1975 geboren in Acton, een onopvallend deel van West-Londen dat grenst aan veel rijkere buurten. Zoals de meeste Syriërs zijn haar ouders soennitische moslims: die vormden de dominante groep in Syrië totdat in de jaren zestig een kleine, gemarginaliseerde sekte, de Alawieten, een staatsgreep pleegde. Bashars vader, Hafez al-Assad, zat in het complot en riep zichzelf in 1970 uit tot leider van het land.
Asma’s ouders kwamen in de jaren zeventig naar Londen, hopend op een beter bestaan. Het gezin bleef religieus: haar vader bezocht het vrijdaggebed in de moskee en haar moeder wierp haar hijab pas af nadat Asma was getrouwd. Vrienden omschrijven het gezin als cultureel conservatief, al was het wel de bedoeling dat de kinderen zouden assimileren. Op haar Anglicaanse basisschool stond Asma bekend als Emma. ‘Als je het niet wist, zou je niet denken dat ze Syrisch was,’ herinnert een buurman zich.
Haar bezoeken aan Damascus met haar ouders bracht zij grotendeels bij het zwembad van het Sheraton-hotel door
Asma leek bestemd voor een leven te midden van Londense welgestelden. Als tiener ging ze naar een van de oudste particuliere meisjesscholen van Groot-Brittannië, Queen’s College, niet ver van haar vaders particuliere medische praktijk in Harley Street. Ze studeerde computerwetenschappen aan King’s College in Londen. Vriend en vijand zeggen dat ze slim en ijverig was.
Niemand kan zich herinneren dat zij enige belangstelling voor het Midden-Oosten toonde. Haar bezoeken aan Damascus met haar ouders bracht zij grotendeels bij het zwembad van het Sheraton-hotel door. ‘Ze was erg Engels en leek niets met Syrië te maken te willen hebben,’ aldus een vriend van de familie.
Weinigen waren verrast toen ze een baan kreeg bij J.P. Morgan, een investeringsbank. Het personeel werd geacht soms 48 uur achter elkaar te werken en zelfs op kantoor te slapen. Sommige stagiairs waren vrijpostig en onverholen ambitieus, maar Paul Gibbs, Asma’s leidinggevende, herinnert zich haar als ‘bescheiden, beleefd en dienstbaar’. Ze droeg keurige zwarte pakjes. Ze specialiseerde zich in fusies en overnames (wat haar later in Syrië van pas kwam). Af en toe ging ze uit met een collega, ze kreeg zelfs huwelijksaanzoeken.
Haar moeder, Sahar, had grootse plannen voor Asma. Haar eigen oudoom had Hafez al-Assad geholpen bij diens machtsgreep. Sahar wilde deze connectie gebruiken om Asma te koppelen aan Bashar, de tweede zoon van Hafez. Ten minste, dat schrijft de Libanees-Amerikaanse journalist Sam Dagher, auteur van het boek Assad or We Burn the Country.
Slungelige student
Bashar en Asma ontmoetten elkaar in het Londen van de jaren negentig. Hij was toen nog een slungelige student medicijnen, die in de schaduw van zijn autoritaire vader was opgegroeid. Als enige van zes broers en zussen ging hij in het buitenland studeren. Zijn afkeer van bloed bracht hem ertoe zich te specialiseren in oogheelkunde, een medisch vakgebied met niet al te veel aanzien. Bashars oudere broer, Basil, diende in het Syrische leger, reed in snelle auto’s en zat achter de vrouwen aan. Bashar was juist ‘ijverig, punctueel, ging elke dag naar de universiteit en vermeed uitspattingen’, aldus Wafic Said, een rijke Syrische expat die de familie kent. Hij luisterde naar Phil Collins en Electric Light Orchestra, dronk groene thee en bewoog zich op de fiets door de stad. In tegenstelling tot zijn vader, die zijn boerse tongval nooit zou kwijtraken, eigende Bashar zich het verfijnde, zangerige accent van de Damasceense elite toe.
Hij was wel gevoelig voor vrouwelijk schoon en ging vaak uit met de gemanicuurde afdankertjes van zijn broer. De keuze van een vrouw mocht hij echter niet helemaal zelf bepalen. Toen Basil in 1994 omkwam bij een auto-ongeluk, rustte het lot van de Assad-dynastie plotseling op de schouders van Bashar. Die was nog ongetrouwd toen zijn vader in juni 2000 overleed. Twee maanden later bezorgden schijnverkiezingen hem het presidentschap.
Bij terugkeer vertelde ze haar werkgever dat een onstuimige Syriër haar had veroverd
Op dat moment werkte Asma al twee jaar bij J.P. Morgan. Maar ineens verdween ze en bleef drie weken lang weg, zonder kennisgeving. Bij terugkeer vertelde ze haar werkgever dat een onstuimige Syriër haar had veroverd. Hij had haar meegenomen naar Libië, waar hij hun verbintenis bezegelde in een tent in de Sahara. Asma koos voor de liefde en nam onmiddellijk ontslag.
Buiten het Sheraton is Syrië een ingewikkelde plek. De bergen en woestijnen herbergen een lappendeken aan etnische en religieuze groepen, waarvan de meeste elkaar wel eens hebben dwarsgezeten. De Fransen maakten het land buit op de Ottomanen, hun bestuur tussen de wereldoorlogen was kort en omstreden. De eerste jaren van Syriës onafhankelijkheid verliepen echter ook verre van rimpelloos. Er woedde er een continue onderlinge strijd, de staatsgrepen volgden elkaar in rap tempo op.
Aan deze woelingen kwam in 1970 een einde met de komst van Hafez al-Assad, een onbuigzame luchtmachtofficier van de regerende Baath-partij. Tijdens zijn schrikbewind onderhielden veiligheidsdiensten informantennetwerken, luisterden ze telefoons af en martelden ze mensen in het wilde weg. Toen soennitische islamistische dissidenten in 1982 in hun bolwerk Hama de Baath-heerschappij tartten, maakte Hafez een deel van de stad met de grond gelijk.
Hafez was al dood tegen de tijd dat Asma eind 2000 naar Damascus verhuisde, maar zijn nalatenschap was alomtegenwoordig: van architectuur in Sovjetstijl tot uithangborden met zijn beeltenis die zijn lof prezen. Zijn steun aan terroristische organisaties in de regio had Syrië van het Westen vervreemd. De opkomst van Bashar bood een kans de betrekkingen te herstellen.
In zijn inaugurele rede beloofde Bashar de corruptie te bestrijden en eerlijke meerpartijenverkiezingen toe te staan. Kort daarna sloot hij een van de grootste gevangenissen van het land. In de cafés van Damascus begon men voorzichtig over politiek te praten.
Asma leek in deze periode van dooi een zeer geschikte partner voor de nieuwe Syrische leider. Koningin Rania van Jordanië, Sheikha Moza van Qatar, zelfs prinses Diana in Groot-Brittannië hadden stuk voor stuk laten zien hoe een door glamour omgloorde first lady een drijvende kracht achter hervormingen kon zijn. Dankzij de dominante positie van de seculiere Baath-partij, waren openbare functies toegankelijker voor vrouwen dan in de meeste Arabische landen. ‘Ik verwachtte dat deze twee Syrië samen tot een hemel aarde zouden maken,’ zegt Wafic Said, de eerder vermelde Syrische expat.
Net als veel vrouwen die haar voorgingen, moest Asma wel rekening houden met haar schoonfamilie. Bashars moeder Anisa had gewild dat haar zoon binnen de clan was getrouwd teneinde een duurzame dynastie, zoals die van de Saoeds in Saoedi-Arabië, te creëren. Sommige familieleden vonden zelfs dat Bashar het presidentschap moest opgeven omdat hij met een soennitische was getrouwd.
Bashars moeder stond erop de titel ‘First Lady’ te behouden
Het lukte de moeder van Bashar niet het huwelijk af te wenden, dus besloot ze het te verdonkeremanen. Er kwamen geen nieuwsbulletins over de bruiloft. Officiële foto’s werden nooit vrijgegeven. Asma kreeg herhaaldelijk te horen dat het haar taak was om erfgenamen voort te brengen en uit het nieuws te blijven. Bashars moeder stond erop de titel ‘First Lady’ te behouden; staatsmedia noemden Asma akilatu alrais, de echtgenote van de president. Niemand die haar op straat herkende. Het huiselijk leven ging bepaald niet over rozen. ‘Ze haatten haar,’ aldus Ayman Abdel Nour, destijds adviseur van Bashar. Asma sprak nog geen vloeiend Arabisch.
Tijdens etentjes maakte de familie er een punt van om in onverstaanbaar Alawitisch dialect te converseren. De rest van de heersende elite was ook niet toeschietelijk. Met name de voormalige bondgenoten van zijn vader dwarsboomden de hervormingen van Bashar. ‘Hafez al-Assad was een octopus die zijn tentakels aanstuurde,’ zegt een aan het regime gelieerde zakenman.
Masker
Binnen enkele maanden werd duidelijk dat Bashars beloften van hervormingen weinig om het lijf hadden en vooral waren bedoeld om steun voor zijn opvolging te verwerven. ‘Bashar vertelde je precies wat je wilde horen en deed vervolgens helemaal niets,’ zegt Wafic Said. Al snel viel het masker. Academici belandden in de cel. De affiches van Bashar kregen nog grotere afmetingen dan die van zijn vader. Het recht op openbare vergaderingen werd dermate ingeperkt dat paren een overheidsvergunning nodig hadden om een bruiloft in een hotel te houden.
Herhaaldelijk werd de hoop op verandering in Syrië getorpedeerd. Na de aanslagen van 11 september 2001 gaf Bashar de Amerikanen de middelen om terreurverdachten te ondervragen. ‘Democratie verspreiden’ was destijds evenwel het credo van de regering-Bush, en Syrië kon wel eens het volgende doelwit van dit voornemen zijn. De ontwikkelingen in Irak brachten het Syrische regime ertoe het roer weer om te gooien. Bashar stuurde jihadisten van eigen bodem de grens over om de Iraakse opstand tegen de Amerikanen te steunen.
Terwijl hij zijn machtspositie versterkte, vervulde Asma plichtsgetrouw de rol van fokmerrie. Ze kreeg snel achter elkaar drie kinderen, van wie twee zonen. Nog steeds kleedde ze zich als een ingetogen bankemployé. De enige keren dat ze de krantenkoppen haalde, was tijdens buitenlandse reizen. En zelfs dan werd de woede van haar schoonfamilie gewekt.
Onmenselijkheid
De onmenselijkheid binnen de familie werd geëvenaard door wreedheid erbuiten. Op 14 februari 2005 kwam een van de meest prominente politici van Libanon, Rafik Hariri, om het leven door een aanslag met een autobom. Syrië hield zijn kleine, disfunctionele buurman al jaren onder de duim en velen gingen ervan uit dat Bashar de opdracht had gegeven. Onder druk van mogelijke internationale sancties en massale demonstraties in Libanon, haalde Bashar bakzeil. Na dertig jaar bezetting trok hij zijn troepen terug uit Libanon – tot woede van de Syrische hardliners. Meer dan ooit had Bashar bondgenoten nodig: zijn Britse vrouw zou westerse regeringen gunstig kunnen stemmen. Hij beloofde Asma dat hij haar schoonfamilie het zwijgen zou opleggen en stemde ermee in haar tot ‘First Lady’ te promoveren.
Twee maanden na de moord op Hariri stond zij aan de zijde van haar man bij de begrafenis van paus Johannes Paulus II. Weinigen wilden zijn hand schudden, maar Asma, discreet aantrekkelijk in haar zwartkanten sluier, viel wél in de smaak. Op foto’s is te zien hoe zij zich met wereldleiders onderhoudt. Dit was een beslissend moment voor het paar. Tot dan was Asma, de indringer, naar het tweede plan verbannen. Nu ging ze een centrale rol spelen in de internationale rehabilitatie van Bashar. ‘Ze was zijn ambassadeur in alle landen waar hij niet graag gezien werd,’ zegt Abdel Nour, de voormalige adviseur van Bashar.
In interviews met westerse media stelde ze Bashar in de schaduw. Zij zou het niet in haar hoofd halen joden ‘moordenaars van Christus’ te noemen, zoals hij had gedaan in een poging christenen aan zich te binden. Ook thuis retoucheerde Asma het imago van het stel. De Assads gingen voortaan prat op hun bescheidenheid. Ze meden het gigantische, met marmer beklede paleis dat de Saoedi’s voor de Assads hadden laten bouwen, en kozen voor een soberder onderkomen van drie verdiepingen. Asma haalde haar kinderen elke dag op van de plaatselijke Montessorischool. Toen Wafic Said bij hen thuis dineerde, was hij verbaasd over het gebrek aan pracht en praal. Het echtpaar diende het eten zelf op.
‘Ze wilde van Damascus een regionaal Dubai maken, een belastingparadijs’
Niettegenstaande deze soberheid gaf Asma met hulp van een nieuwe kapper haar uiterlijk en uitstraling een stevige oppepper. Haar naaldhakken en oorbellen kregen er een paar centimeter bij, haar nagels waren verzorgd en gelakt. Hoewel zij noch Bashar een trouwring droeg, sierden koninklijke agaten haar hals. Het grondpersoneel van Syrian Airlines in Londen herinnert zich de aanvoer van talloze kisten met kleding uit de beste Londense warenhuizen.
Syrische diplomaten noemden haar Imelda Marcos, naar de Filipijnse first lady met een schoenenverslaving. Het charmeoffensief wierp vruchten af. Slechts enkele maanden na de moord op Hariri opperde The New York Times dat het paar ‘de essentie van seculiere West-Arabische fusion’ belichaamde. ‘Ik was betoverd,’ zegt een Syrische diplomaat die nu in ballingschap is en destijds een Europese rondreis voor hen organiseerde. ‘Ze pakt je onmiddellijk in met haar lieftalligheid. En hij is anders dan andere dictators in het Midden-Oosten, ziet er modern en verfijnd uit. Dat maakt hem zo gevaarlijk.’
Asma’s volgende project was Syrië zelf. Na decennia van centrale planning en importbeperkingen wilde ze een frisse wind door het land laten waaien. Ze begoochelde haar man met financieel jargon en drong er bij de banksector op aan zich open te stellen voor particuliere en buitenlandse bedrijven. ‘Ze wilde van Damascus een regionaal Dubai maken, een belastingparadijs,’ vertelt een Syrische econoom.
Economische hervormingen strookten echter niet met de belangen van een aantal machtige Syriërs. Om de zakelijke cultuur te veranderen, moest Asma het opnemen tegen Rami Makhlouf, neef van Bashar en lid van de aristocratische clan van diens moeder. Volgens sommige schattingen hadden de bedrijven van Makhlouf meer dan de helft van de Syrische economie in handen. Asma tartte zijn suprematie in 2007 door haar eigen holdingmaatschappij op te richten, maar slaagde er niet in genoeg Syrische zakelijke zwaargewichten aan haar kant te krijgen. Haar plannen voor de Syrische economie moesten in de ijskast.
Asma vond al snel een nieuwe manier om haar invloed uit te breiden. Al vroeg in haar huwelijk had ze zich met liefdadigheid beziggehouden. Nu probeerde ze haar projecten in één organisatie, de Syria Trust for Development, samen te brengen. Ze wilde van deze trust de voornaamste trait d’union van Syrië met de rest van de wereld maken. Met dat doel ging ze koortsachtig werven onder Engelstalige Syriërs in het buitenland, voormalige functionarissen van de Verenigde Naties en strategen van het Amerikaanse managementadviesbureau Monitor Group. ‘De trust mocht met buitenlanders omgaan, terwijl andere organisaties daar geen toestemming voor hadden,’ zegt een diplomaat die in Damascus werkte.
Met zijn ruige landschap en archeologische rijkdommen behoorde Syrië een toeristische trekpleister te zijn, vond Asma. Ze wierf curatoren van het Louvre en het British Museum en liet die op het centrum van Damascus los. Een cementfabriek zou een galerie worden, naar het voorbeeld van het Londense Tate Modern. De oevers van een smoezelige rivier door de stad moesten in een cultureel park worden omgetoverd. Er zou een spoorlijn komen om Damascus te verbinden met de oude Assyrische steden in het onderontwikkelde noordoosten.
Prinsessengedrag
De meeste westerse diplomaten in Damascus steunden de trust van Asma van harte. Ze wist de Europese Unie, de VN, de Wereldbank en Qatar voor zich te winnen, en vergaarde miljoenen dollars voor de financiering van haar visie. Krantenartikelen bejubelden de ‘culturele renaissance’ van Damascus, zoals Asma die noemde. ‘Dit is hoe je extremisme bestrijdt: met kunst,’ zei Bashar.
Haar collega’s zagen ook een andere kant van haar. Op goede dagen was ze ‘enorm nieuwsgierig’ en ‘uitermate behulpzaam’, aldus een oud-medewerker. Maar een andere adviseur bewaart wat minder prettige herinneringen aan haar ‘prinsessengedrag’, haar geschreeuw, en hoe ze zich op anderen afreageerde. Hij nam na acht maanden ontslag: ‘Ze is een control freak, een eng mens.’
Asma werd geportretteerd als ‘een roos in de woestijn’, die vastbesloten was om van Syrië een ‘merk’ te maken
Maar ze was ook effectief. ‘Het was opvallend hoe vaak ze zei: Ik zou willen dat er dit of dat gebeurde, en het dan ook gebeurde,’ aldus iemand die zes jaar voor haar in Damascus werkte. Haar personeel hield zich aan het straffe schema waaraan ze bij J.P. Morgan gewend was geraakt: het kantoor ging om zes uur ’s ochtends open en het werk ging tot in de late uren door. Ambtenaren wisten dat ze Asma beter konden raadplegen dan de minister van Cultuur als het om belangrijke kwesties ging.
Asma huurde Britse en Amerikaanse pr-firma’s in om haar imago op te poetsen. Die vlogen parlementariërs van over de hele wereld in om haar goede werken te bewonderen. Allerlei beroemdheden kwamen naar Damascus, onder wie Angelina Jolie en Brad Pitt, Sting en Damon Albarn van Blur. De grootmoefti nodigde Syrische joden uit die decennia eerder voor vervolging waren gevlucht. Brown Lloyd James, een Amerikaans pr-bedrijf, regelde in maart 2011 een coverstory in Vogue, waarin Asma werd geportretteerd als ‘een roos in de woestijn’, die vastbesloten was om van Syrië een ‘merk’ te maken.
Onbenullen
De trust had beperkte bevoegdheden. ‘Wat met de moskee, religie en politiek te maken had lieten we ongemoeid,’ zegt een medewerker. Dergelijke grenzen waren wel moeilijk te bewaken. Opvoeders reisden door Syrië met een grote opblaasbare iglo die bedoeld was als ‘vertelruimte’, gebouwd met de hulp van een voormalig directeur van het Science Museum in Londen. Het was de bedoeling dat alleen onomstreden kwesties aan de orde zouden komen, zoals het recht van een kind op schone lucht. Er werden echter ook misstanden van het regime aangekaart.
‘Een jongen zei dat hij een verhaal had over mensenrechten en vertelde hoe hij werd gearresteerd, uitgekleed en op een fles moest gaan zitten,’ aldus een organisator. De buitenlandse consultants van de trust woonden in een vergulde bubbel in Damascus: ze bestelden sushi via roomservice, streken hoge salarissen op, en kletsten ondertussen over vermogensopbouw. ‘Veel dorpen hadden geen goede riolering of elektriciteit en dan verscheen zij daar met haar adviseurs en vertelde ze over ondernemerschap, het maatschappelijk middenveld, duurzame ontwikkeling en kaas maken,’ zegt Samir Aita, een adviseur van het ministerie van Financiën. ‘Asma dacht dat de Syria Trust alles voor elkaar kon krijgen, maar het waren gewoon onbenullen die arme boeren in het Engels toespraken.’
Binnen de trust zelf rees het vermoeden dat de organisatie slechts een voertuig was voor Asma’s zelfverheerlijking. Adviseurs moesten haar aanspreken met ‘excellentie’ en opstaan als ze een vertrek betrad. Onder hen die garen sponnen bij Asma’s opkomst was haar eigen vader, Fawaz Akhras. Kort nadat Asma met Bashar getrouwd was, richtte hij de British-Syrian Society op, een organisatie in Londen die politieke en financiële steun voor Syrië wierf. Hij coördineerde de activiteiten van de vereniging met de club van Asma en trok tal van rijke Syriërs aan. Akhras was openhartig over zijn nauwe banden met de macht: zijn favoriete aanhef van een toespraak was: ‘Als schoonvader van de president…’
‘Vergeleken met hem was de Syrische ambassadeur een loopjongen,’ zegt Yahya al-Aridi, die voor de Syrische regering de communicatie verzorgde in Londen. Asma’s rijzende ster kwam ook het internationale profiel van Syrië ten goede. Amerikaanse functionarissen bezochten Damascus weer, zeker na Obama’s presidentsverkiezing in 2008. Het gerucht deed de ronde dat er een uitnodiging voor Washington ophanden was. De Fransen waren haar nog gunstiger gezind. Paparazzi volgden de Assads op de voet toen ze Parijs bezochten. ‘Zij verspreidt licht in een land vol schaduwen,’ schreef Paris Match over Asma.
Op 10 december 2010 sprak ze de verzamelde Franse elite toe op de Internationale Diplomatieke Academie, een denktank in Parijs. Ze repte over de ‘verandering die gaande is in mijn land’. Een paar dagen later stak een Tunesische groenteverkoper zichzelf in brand en ontketende daarmee opstanden in Noord-Afrika en het Midden-Oosten die spoedig de Arabische Lente werden genoemd. *Snel zou blijken dat de Assads niet genoeg hadden aan soft power en naaldhakken om die lente te kunnen overleven.
De eerste twee maanden van 2011 heerste er opwinding in het Midden-Oosten. Na decennia van stagnatie en onderdrukking werd het overspoeld door demonstraties, van Tunesië tot Libië, Algerije tot Bahrein, Jordanië tot Jemen. Massaprotesten in Caïro brachten het bewind van Hosni Moebarak, dictator van Egypte gedurende bijna dertig jaar, ten val. Het tij van de revolutie leek niet te keren. Veel Syriërs lieten zich meeslepen door wat ze zagen, maar angst weerhield de meesten van hen de straat op te gaan. Toen, op een februariavond in het saaie plattelandsstadje Deraa ten zuiden van Damascus, spoot een groep schoolkinderen graffiti op een muur met de tekst: ‘Nu is het jouw beurt, dokter.’
Adviseurs moesten haar aanspreken met ‘excellentie’
De plaatselijke veiligheidschef was een neef van Bashar – een misdadiger, zelfs naar de maatstaven van de Syrische geheime diensten. Zijn mannen pakten de kinderen op en martelden ze. Grote groepen mensen verzamelden zich buiten de moskeeën van Deraa en eisten waardigheid en vrijheid. Troepen openden het vuur.
Aanvankelijk was het niet duidelijk – zelfs niet voor Asma, zo lijkt het – hoe Bashar zou reageren. Een generaal gaf hem de raad de plaatselijke veiligheidschef gevangen te zetten en excuses aan te bieden voor het bloedvergieten in Deraa. De grotere steden in Syrië waren nog steeds rustig, dus zouden publiek berouw en nieuwe hervormingsbeloften mogelijk volstaan om de situatie in de hand te houden.
In Washington hielp de ambassadeur van Syrië Bashar bij het opstellen van een toespraak waarin hij deze hervormingen aankondigde. Ook Asma leek een sussende boodschap aan het volk te verwachten. Toen de Arabische lente in een stroomversnelling kwam, zei ze dat het regime wist dat het moest veranderen. Volgens een voormalige medewerker probeerde ze met de oppositie te praten.
‘Toen ik met Bashar kennismaakte, sprak hij over hervormingen. Het was verschrikkelijk om te ontdekken dat het een schijnvertoning was’
Op 30 maart sprak Bashar het grotendeels ceremoniële parlement van Syrië toe. ‘Syrië moet een grote samenzwering het hoofd bieden,’ verklaarde hij tot veler verrassing. Hij bestempelde beelden van veiligheidstroepen die demonstranten neerschoten tot nep. Hij wees de oproepen tot hervorming af en zei dat ze een dekmantel vormden voor een niet nader gespecificeerd buitenlands complot.
‘Hier sprak het oude regime,’ zegt een van Asma’s bestuursleden, die Syrië direct na de toespraak verliet. ‘Er was geen enkel woord van verzoening, geen erkenning dat er veel dingen anders konden. Toen ik met Bashar kennismaakte, sprak hij over hervormingen. Het was verschrikkelijk om te ontdekken dat het een schijnvertoning was.’
Na de toespraak groeiden de demonstraties wekelijks in aantal en omvang. Zeker na het vrijdaggebed namen ze massale vormen aan. Zo begon een escalerende cyclus van begrafenissen, protesten en geweld. Binnen een maand stuurde het regime eerst boeventuig op de bevolking af, daarna kwamen de sluipschutters en ten slotte werd er zwaar geschut ingezet.
De invloed van Syrische generaals, hoofden van inlichtingendiensten en van de Baath-partij was de afgelopen tien jaar afgenomen. Dit was hun moment van vergelding. Anisa, de moeder van Bashar, drong ook aan op een ferme reactie. Wat zou je vader hebben gedaan, schamperde ze tegen Bashar. De opstand tegen diens bewind in 1982 had hij op uiterst brute wijze de kop ingedrukt. Een voormalige Franse ambassadeur in Damascus zegt dat Bashar rond deze tijd op de volgende uitspraak werd betrapt: ‘Mijn vader had gelijk. Duizenden doden in Hama hebben ons drie decennia stabiliteit opgeleverd.’
Ziektekiemen
Terwijl Syrië in chaos verviel, stortten Asma’s luchtkastelen in. Een gala ter gelegenheid van de herlancering van het nationaal museum werd afgelast. Haar culturele vernieuwingsprojecten kwamen niet van de grond. Na zeven jaar planning bleef het Museum of Discovery, naar het voorbeeld van het Science Museum in Londen, een betonnen omhulsel. De financiering droogde op en adviseurs verlieten het land. Ze verwijderden de Syria Trust uit hun bestanden. De meest prominente westerse bezoekers waren paria’s als Nick Griffin, toenmalig hoofd van de extreemrechtse British National Party. Wafic Said zegt dat hij Bashar destijds op het hart drukte een gematigde koers te volgen. ‘Ze houden van jou en je vrouw, je bent geen Moebarak,’ hield hij hem voor. ‘Mis deze kans niet om de grootste leider in de Arabische wereld te worden. Geef ze gewoon wat rechten, een beetje waardigheid en je zult voor de rest van je leven worden bemind.’ Maar Bashars koers lag vast. In een tweede toespraak, in juni, vergeleek hij demonstranten met ‘ziektekiemen’. Syrië stond aan de vooravond van een duister hoofdstuk in zijn geschiedenis.
In februari 2012, een jaar nadat de Arabische Lente was uitgebroken, richtte de Vierde Pantserdivisie van Syrië onder bevel van Maher, de jongere broer van Bashar, haar artillerie op Homs, in het westen van Syrië. Asma’s ouders waren opgegroeid in de stad; nu waren de protesten daar tot een gewapende opstand uitgegroeid. Soldaten liepen over naar de rebellen. In het hele land waren al zo’n zevenduizend burgers omgekomen.
Sinds het begin van de protesten was Asma nauwelijks in het openbaar verschenen, wat aanleiding gaf tot geruchten. Was ze een gevangene van de omstandigheden of steunde ze de acties van haar man? Misschien was ze wel naar het buitenland gevlucht. Mensen die in de begindagen van de crisis vertrouwelijk met haar spraken, zeggen dat ze strikt vasthield aan de officiële lijn: de opstand was een buitenlandse samenzwering.
In theorie had Asma naar Londen kunnen gaan. Er werd haar een veilige doortocht aangeboden. De Britse regering verklaarde herhaaldelijk dat ze haar als Brits staatsburger de toegang tot het land niet kon ontzeggen. Maar ook in Londen was de sfeer weinig uitnodigend. Demonstranten smeerden rode verf op de deur van haar ouderlijk huis in Acton. Queen’s College schrapte haar naam van de lijst eervolle alumni.
Om sancties te vermijden liet ze haar kapper inkopen doen
Er werd gefluisterd dat Asma de wijk had genomen. Een toenmalige functionaris van de Syrische ambassade in Londen herinnert zich dat veiligheidsfunctionarissen zich voorbereidden om eind 2011 een VIP te ontvangen. Anderen zeggen dat ze op weg naar de luchthaven van Damascus werd tegengehouden door handlangers van het regime. Maandenlang gaf Asma geen interviews. Vroegere vrienden vonden dat ze er in januari 2012, tijdens een zeldzaam openbaar bezoek aan een pro-regeringsbijeenkomst, uitgemergeld uitzag. Op zeker moment verhuisden zij en haar kinderen naar het zomerpaleis van de familie aan de kust, ver van beschietingen en traangas.
Nu ze het zonder openbare functie moest stellen, concentreerde Asma zich op een opknapbeurt van haar huis. In het eerste jaar van de opstand plaatste ze een advertentie voor een tuinman en gaf ze 250.000 Britse ponden uit aan meubels. Om sancties te omzeilen stuurde ze haar kapper naar Dubai om boodschappen te doen en gebruikte ze een schuilnaam voor haar bestellingen bij Harrods. Een contact van de Assad-familie in Londen handelde haar verzoeken voor kroonluchters af. Asma’s koopwoede kwam aan het licht aan de hand van duizenden e-mails van Assads intimi, die in 2012 door activisten van de Syrische oppositie naar The Guardian werden gelekt. Ook WikiLeaks deed een duit in het zakje. De berichten wekken de indruk dat Asma in dubio verkeerde.
In december 2011 had ze een e-mail-uitwisseling met de dochter van de toenmalige emir van Qatar, die een vriendin van haar was totdat de Qatari’s zich achter de Syrische rebellen schaarden. De prinses hield Asma voor dat het ‘niet te laat was om zich te bezinnen en die staat van ontkenning af te schudden’. Asma’s antwoord was opvallend dubbelzinnig: ‘Het leven is niet eerlijk, meisje – maar uiteindelijk is er een realiteit waar we geen van allen omheen kunnen.’ Ze leek te suggereren dat er krachten waren die haar dwongen te blijven.
De e-mails boden ook een inkijkje in het huwelijk van de Assads. Velen menen dat de verbintenis vooral gericht was op veiligstelling van de belangen beider families. Bashar stond bekend als schuinsmarcheerder. Dat bleek ook uit eveneens gelekte aanhankelijke mails van jonge vrouwelijke assistenten. Toch toonden Bashar en Asma genegenheid voor elkaar. Op 28 december 2011, toen tanks de geboorteplaats van haar familie – Homs – beschoten, schreef Asma haar echtgenoot: ‘Als we samen sterk zijn, komen we dit ook samen te boven … ik hou van je.’ Het is onduidelijk of wat ze ‘te boven moesten komen’, betrekking had op Syrië of op hun huwelijk.
Een paar dagen later, toen ze haar batta (‘eend’ in het Arabisch, en haar koosnaam voor haar man) mailde, reageerde hij met een hartje. In februari 2012 leek Bashar zich op verdekte wijze te verontschuldigen voor zijn gescharrel door haar een country-and-western liedje te sturen met de tekst: ‘I’ve made a mess of me / The person that I’ve been lately / Ain’t who I wanna be.’ Niet veel later gaf Asma haar eerste officiële verklaring af sinds het begin van de opstand: ‘De president is de president van heel Syrië, niet de leider van een Syrische factie, en de First Lady steunt hem in deze rol.’
Als men dissidenten mag geloven maakte Asma’s verzoening met haar echtgenoot deel uit van haar pogingen terug te keren in het openbare leven. Voortaan zou ze een volwaardige partner van het staatshoofd zijn. In de zomer van 2012 vluchtte de zus van Bashar, Bushra, naar Dubai nadat haar man was omgekomen bij een bomaanslag. De rebellen eisten de verantwoordelijkheid op, maar ze leken helemaal niet in staat tot een dergelijke actie. Bushra en haar echtgenoot behoorden tot de grootste vertolkers van anti-Asma-sentiment in intieme kring. Velen gingen ervan uit dat de moord een inside job was.
Zenuwgas
Het jaar daarop verbeterden de vooruitzichten van Bashar. Hij bracht de opmars van de rebellen tot staan en joeg ze uit hun bolwerk in Homs. Antiregeringstroepen controleerden nog steeds enkele buitenwijken van Damascus en bestookten het stadscentrum met granaten, maar waren niet in staat de Assads omver te werpen.
Naarmate de oorlog voortduurde, werd Bashar meedogenlozer. Een westerse diplomaat herinnert zich de langzame escalatie van geweld – het gebruik van artillerie tegen burgers, de luchtaanvallen en tenslotte vaatbommen. ‘Ze deden iets één keer, en dan was er verontwaardiging, maar niet zo veel dat er internationale interventie dreigde,’ zei de diplomaat. ‘Dus breidden ze het uit, en werd dat het nieuwe normaal.’
De internationale veroordeling van de misdaden van Bashar zwol aan, maar de langzame wurging van Syrië in plaats van een grootscheeps offensief zorgde ervoor dat er geen interventie kwam. Op 21 augustus 2013 verschenen er nieuwe beelden van mensen in de door rebellen bezette buitenwijken van Damascus met schuimende bellen bij hun neus en mond en schokkende ledematen. Honderden stierven aan vergiftiging door sarin, een zenuwgas, zo bleek uit een VN-onderzoek. Het was de ergste aanval met chemische wapens sinds de gifgasaanval van Saddam Hoessein in 1988 op het Koerdische stadje Halabja, die aan zo’n vijfduizend mensen het leven kostte. De volgende dag, terwijl de wereld nog bezig was de beelden te verwerken, werd op Facebook een uitgebreide fotoreportage gepubliceerd van officiële activiteiten van de First Lady. Op een foto was zij te zien met haar man, zetelend in een zee van bloemen op een balkon. Het onderschrift luidde: ‘Liefde is een land dat wordt geleid door een leeuw die korte metten maak met samenzweringen, en een First Lady die haar vaderland is toegewijd.’
Nieuwe Asma
De vernietiging van Syrië in de daaropvolgende jaren valt moeilijk te becijferen. In 2014 benutte de soennitische terreurbeweging Islamitische Staat de chaos om een zogenaamd kalifaat in Syrië en Irak te stichten. Die vormde een ernstige bedreiging voor de troepen van Bashar, maar verzwakte ook de steun voor zijn oppositie en legitimeerde Iraanse en Russische steun. Hoewel Bashar Aleppo als laatste van de grote steden in 2016 heroverde, bleef hij met bommen gooien: bijna de helft van de Syrische steden kwam in puin te liggen. De VN stopten in 2016 met het tellen van doden: dat waren er al bijna een half miljoen. Ruim 10 miljoen Syriërs werden vluchteling.
De nieuwe realiteit van Syrië vereiste een nieuwe Asma. De hakjes, de manicures, de powerjackets en de sieraden verdwenen. Ervoor in de plaats kwamen platte schoenen, T-shirts en broeken, die haar dunne armen en breekbare gestalte aan het licht brachten.
In 2018 werd er bij Asma borstkanker vastgesteld. De ziekte weerhield haar er niet van om zorgvuldig toe te zien op haar publieke imago en ervoor te zorgen dat iedereen wist dat ze in Syrië was gebleven voor haar behandeling. Van haar strijd brachten de presidentiële sociale mediakanalen en staatsmedia gedetailleerd verslag uit. Ze werd zelfs gefilmd terwijl ze de operatiekamer in werd gereden. Toen haar haar uitviel werd ze gefotografeerd met chique hoofddoeken die zowel van kwetsbaarheid als kracht getuigden, een onweerstaanbare metafoor voor de strijd van haar man tegen de opstand. ‘Gefeliciteerd met uw overwinning op kanker,’ stak een tv-interviewer van wal. ‘Dank u,’ antwoordde Asma. ‘Ik hoop dat we binnenkort ook de overwinning van Syrië kunnen vieren.’ Nog voor haar volledige herstel toonden regeringsgezinde media hoe Asma deelde in het verdriet van Syrië.
Vergezeld van cameraploegen klopte ze op deuren in verarmde bergdorpen, omhelsde de verraste moeders van martelaren en stopte hen wat toe. Ze werkte zo hard aan haar Arabisch dat zelfs Syriërs geen Engels accent meer ontwaarden. Westerse media stond ze niet meer te woord, ze accepteerde alleen nog verzoeken van Russische en lokale zenders.
Het inkomen van haar liefdadigheidsinstelling, de Syria Trust, droogde op nadat de EU in 2012 sancties had opgelegd. Nu stroomde er internationale humanitaire hulp binnen om Syriërs te ondersteunen die door de oorlog alles kwijt waren geraakt. Veel van dat geld kwam al snel bij Asma terecht. Voor VN-agentschappen die hulp wilden bieden aan door het regime gecontroleerde gebieden, was de trust een onschatbare gesprekspartner: het Engelssprekende personeel was vertrouwd met internationale regel-geving. Asma kon deuren en checkpoints openen. In 2017 werd er meer VN-geld via de trust gesluisd dan via veruit de meeste andere Syrische organisaties. Zelfs VN-veteranen waren geschokt door de mate waarin hun organisatie zich inliet met Syrische overheidsinstanties.
Van 2016 tot en met 2019 ontving de Syria Trust elk jaar steeds méér geld van VN-agentschappen (de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR alleen al schonk 6,5 miljoen dollar in de eerste vijf maanden van 2018). De trust telde tegen 2020 bijna vijftienhonderd medewerkers, een vertienvoudiging in tien jaar tijd, en vijfduizend vrijwilligers. Als hoofd van de Syria Trust verwierf Asma meer dan alleen rijkdom. Ze schiep een uitgebreid patronagenetwerk, waartoe ook Syrische krijgsheren behoorden. Naar verluidt betuigden mensen hun dankbaarheid voor haar bescherming en welwillendheid door geldkoffers af te leveren bij organisaties waarmee ze banden had. Asma profiteerde ook nog op directere wijze van de oorlogseconomie. Een bedrijf waaraan ze gelieerd was sleepte een overheidscontract voor het beheer van smartcardbetalingen binnen. Ze lanceerde ook een distributiebedrijf van mobiele telefoons, Emmatel geheten (als kind werd ze Emma genoemd). Het kwam op naam te staan van Khodr Ali Taher, ‘Asma’s façade voor alles’, volgens een zakenman.
Syriatel
Asma is volgens een Europese Assad-lobbyist Bashars ‘belangrijkste economische adviseur’ geworden. In 2019 zetten de Russen hem onder druk om leningen terug te betalen, en verscherpte Amerika de sancties. De Syrische regering had dringend geld nodig en de Assads zochten een doelwit. In de loop van tientallen jaren had Rami Makhlouf, de neef van Bashar, zijn connecties met de heersende familie gebruikt om een zakelijk imperium op te bouwen, met importmonopolies en smokkelroutes. Een van zijn troeven was Syriatel, de belangrijkste gsm-aanbieder. Op papier was Makhlouf een succesvol zakenman, in de praktijk trad hij op als overheidspotentaat. Beweerd werd dat hij met één telefoontje een minister kon ontslaan.
Sinds Anisa – Bashars moeder – dood was, had Makhlouf zijn beschermer verloren. De Syria Trust nam de liefdadigheidsinstelling over die hij had gebruikt om gunsten te winnen in gebieden waar veel Alawieten wonen. De regering stelde Syriatel onder curatele. De bankrekeningen van Makhlouf werden bevroren en relaties van Asma werden aangesteld in de raden van bestuur van zijn ondernemingen. De fusies en overnames van Asma gaan in hoog tempo door. Het op een na grootste gsm-bedrijf van Syrië is ook onder curatele gesteld; vorige maand werden Asma’s trawanten in het bestuur benoemd. Emmatel heeft nu vestigingen in het hele land, zelfs in gebieden die haar man niet controleert.
Vlak na de gifgasaanval zitten ze samen in een bloemenzee op een balkon
Hoe het ook zij: Asma kan niet meer worden verweten dat ze niet begrijpt hoe Syrië werkt. In het naoorlogse Syrië heeft Asma de touwtjes in handen*. In Homs zijn portretten van haar te zien die hele woonblokken beslaan. Ministers hebben ervoor gekozen haar beeltenis naast die van Bashar in hun kantoren te tonen. Zo ver had nog geen enkele Syrische First Lady het geschopt. Nu Makhlouf op een zijspoor is gezet en de zus en moeder van Bashar er niet meer zijn, heeft Asma nog maar weinig rivalen van enige statuur in intieme kring. Veel van haar naaste adviseurs vervullen topfuncties in het kantoor van de president.
Zowel in Damascus als in buitenlandse hoofdsteden speculeren Syriërs er openlijk over of ze het hoogste ambt nastreeft. Als de positie van Bashar onhoudbaar wordt, zou een presidentschap van Asma dan een zoethoudertje kunnen zijn voor de soennitische meerderheid? ‘Bashar en Asma denken er allebei over na,’ zegt een voormalige Syrische diplomaat. ‘Ze zou dolgraag president willen worden en beiden beschouwen het als een revolutionaire oplossing om het regime te redden.’
Ooit zou Groot-Brittannië Asma’s ambities wellicht hebben gesteund, en haar dankbaar hebben toegevoegd aan de reeks leiders uit het Midden-Oosten met Britse banden. Hoewel de Britse regering de Assads luidkeels heeft aangeklaagd, is het staatsburgerschap van Asma nooit ingetrokken – in tegenstelling tot dat van Shamima Begum, die in 2015 als tiener vanuit Oost-Londen naar Syrië reisde om zich bij Islamitische Staat aan te sluiten. Alawitische hardliners zien waarschijnlijk niets in Asma’s presidentschap. Ze is sterker, maar ook kwetsbaarder dan ooit. Alleen al praten over presidentiële ambities kan gevaarlijk voor haar zijn. De jacht op de hoogste prijs zou het meisje uit West-Londen wel eens de kop kunnen kosten. ‘Ik maak me zorgen om haar,’ zegt vriend van de familie Wafic Said. Maar Asma weet al heel lang dat er geen weg terug meer is.
Een werkloze kok heeft de wereld beelden geleverd die voor het eerst tonen wat iedereen wel vermoedde, maar nog nooit op film was vastgelegd: hoe Noord-Koreaanse wapenhandelaars bereid zijn om de VN-sancties grof te schenden. Dat toont de film De Mol. Het verhaal is zo bizar, dat velen aan de echtheid twijfelen.
Aan het einde van de film, in een van de laatste shots, zit Ulrich Larsens echtgenote Sacha met de rug naar de camera. Haar blik is op haar man gericht, en langzaam zegt ze: ‘Ik vind dat je een idioot bent. Ook omdat je me niets verteld hebt.’ Wat antwoorddde UlrIch Larsen, ‘de mol’ zoals hij in de film genoemd wordt, zijn vrouw? ‘Ja, je hebt gelijk.’
Een van de beste geheime operaties
Hij is werkelijk naar de afspraak gekomen, de man die verantwoordelijk is voor wat Ola Kaldager, ooit chef van de Noorse inlichtingendienst E14, ‘een van de beste geheime operaties’ noemt die hij ooit heeft gezien. De man die door de Noord-Koreanen een leugenaar en een manipulator wordt genoemd. Nu zit hij in een onopvallend café in een onopvallende buitenwijk van Kopenhagen, waar Ulrich Larsen met zijn vrouw en kinderen woont. Hij draagt een grijs sweatshirt en heeft een kaalgeschoren hoofd. Je begrijpt meteen hoe zo iemand zich onzichtbaar kan maken. Hij is bovendien rustig en analytisch, en een nauwkeurige verteller met een verbazingwekkende opmerkzaamheid.
Ze hadden nooit gedacht dat het zo groot zou worden. Ulrich Larsen niet, die de hele zaak op touw had gezet, en Jim Latrache-Qvortrup, de ‘dritte im Bunde’, al evenmin. ‘Het werd voor een deel zo gek dat ik de mensen begrijp die zeggen: “Dat kan helemaal niet,”’ zegt Latrache-Qvortrup. ‘Hoe moet je in hemelsnaam deze film uitleggen aan iemand die hem nog niet gezien heeft? Hoe doe je dat?’
Een poging: een Deense kok die door ziekte arbeidsongeschikt is verklaard en van een uitkering leeft, duikt in de bizarre wereld van de vrienden van Noord-Korea in Europa. Daar speelt hij tien jaar lang als undercover de trouwe communist, en dringt hij steeds dieper door in de inner circle van de hiërarchie, tot hij samen met een voormalige cokedealer en legionnair van het vreemdelingenlegioen bij geheime ontmoetingen in Beijing en Pyongyang Noord-Koreaanse wapenhandelaars ertoe brengt verdragen te ondertekenen die onder andere voorzien in de bouw van een ondergrondse fabriek voor drugs en wapens door Noord-Korea op een eiland in het Victoriameer in Oeganda.
Dat zou, in grote lijnen, pas de helft van het verhaal zijn. Klinkt dat te grotesk voor een Hollywood-scenario? Het wordt nog gekker: Ulrich Larsen heeft elke afzonderlijke stap in deze reis gefilmd, met inbegrip van het ondertekenen van het verdrag voor de wapenfabriek in een geheime kelder in Pyongyang.
De mol
Al die jaren werkte Ulrich Larsen samen met de documentairefilmer Mads Brügger uit Kopenhagen. Lars zocht contact met hem nadat hij een vroegere documentaire over Noord-Korea van Brügger had gezien, en bood hem aan materiaal te leveren. Aanvankelijk was Brügger niet geïnteresseerd. ‘Die Deens-Noord-Koreaanse vriendschapsvereniging is een tamelijk deprimerende aangelegenheid,’ zegt Mads Brügger bij een gesprek in zijn kantoor in de binnenstad van Kopenhagen. ‘Maar ik heb tegen Larsen gezegd: als er ontwikkelingen zijn, hou me dan op de hoogte.’
Er waren ontwikkelingen. En Mads Brügger maakte daarvan uiteindelijk de documentaire De mol, die in première ging bij de BBC en de publieke tv-zenders in onder andere Denemarken, Noorwegen en Zweden [en Nederland].
Nogmaals: een werkloze kok, vader van een gezin uit een buitenwijk van Kopenhagen, fan van Metallica en liefhebber van modelspoorbaantjes, heeft de wereld beelden geleverd die voor het eerst tonen wat iedereen wel vermoedde, maar nog nooit door iemand op film was vastgelegd – namelijk hoe Noord-Koreaanse wapenhandelaars blijkbaar bereid zijn om de door de Verenigde Naties uitgevaardigde sancties grof te schenden.
En terwijl Noord-Korea-deskundigen erover twisten of de in de film getoonde Noord-Koreanen zich wel echt aan hun deel van de deal gehouden hebben, of dat in dit schimmenspel misschien iedereen alle anderen voor de gek houdt, hebben medewerkers van de Verenigde Naties contact gelegd met de filmmakers en bestuderen ze het door hen geleverde materiaal. En de ministers van Buitenlandse Zaken van Zweden en Denemarken meldden zich met een gemeenschappelijke verklaring: ‘Wij nemen de inhoud van de documentaire zeer serieus,’ heet het. Men heeft besloten de zaak voor te leggen aan de EU en het VN-comité voor sancties.
‘De eerste jaren lag ik vaak in bed en had ik medelijden met mezelf. Ik had een project nodig’
Waarom steekt iemand zijn neus in zulke zaken? In het café vertelt Ulrich over zijn vader die werkte op de veerboten die van Denemarken naar Duitsland voeren. Als kind mocht hij vaak meevaren, meestal naar Puttgarden, maar soms ook naar het Oost-Duitse Warnemünde. De zeelui hadden er plezier in de jongen te waarschuwen om niet aan land te gaan. ‘Ze zeiden dat daar het communisme wachtte.’ Kort na de val van de muur, als hij dertien is, leerde hij op een van die schepen een jongen uit Rostock en zijn zus kennen. De families bezochten elkaar over en weer. ‘Wij kwamen in Rostock en zij bij ons in Gedser. We voerden urenlange gesprekken, ook over socialisme en kapitalisme, over het gedeelde Duitsland.’ Sindsdien spreekt Larsen bijna accentloos Duits.
Hij wilde altijd kok worden, zegt Larsen, en toen hij het werd, voelde hij zich helemaal op zijn plek: de vriendschap in de keuken, het plezier, en dan elke dag het moment ‘waarop de stilte in een paar seconden verandert in een wervelstorm’.
Op zeker moment deed zijn alvleesklier niet meer mee, hij kreeg zware diabetes. Nog altijd is eten pijnlijk voor hem. Algauw was van werken geen sprake meer. ‘De eerste jaren lag ik vaak in bed en had ik medelijden met mezelf,’ zegt Ulrich Larsen. ‘Ik had een project nodig.’ Toen zag hij op televisie The Red Chapel, een film van Mads Brügger, die in 2009 met twee uit Korea afkomstige Deense komieken naar Noord-Korea gereisd was. Noord-Korea fascineerde hem, zegt Larsen. Urenlang zocht hij informatie op het internet. Aanvankelijk was hij vooral geboeid door de parallellen met het gedeelde Duitsland, maar algauw boezemde het atoomprogramma van de regerende Kim-dynastie hem angst in. ‘Ik dacht: Kan ik misschien iets doen?’
Ulrich Larsen legt contact met de filmmaker. En wordt lid van de Deens-Noord-Koreaanse vriendschapsvereniging, een troosteloos stelletje socialisten van de oude stempel. Van het begin af aan nam hij zijn camera mee en gebruikte die om korte fimpjes van de vergaderingen op het net te zetten. In die filmpjes wordt Larsen een propagandist van het regime, hij prijst het goede leven in Noord-Korea. ‘Het ging erom het vertrouwen van die mensen te winnen,’ zegt hij. Steeds weer gebeurde er maandenlang niets. Larsen blijft geduldig. Hij vertelt zijn vrouw over de vriendschapsvereniging, maar niet over zijn ware bedoelingen, niet over het filmproject.
In 2012 wordt Ulrich voor het eerst uitgenodigd om naar Noord-Korea te komen. Daar krijgt hij een medaille van het regime voor zijn loyaliteit, en op die reis leert hij Alejandro Cao de Benós kennen, een van de meest kameleontische figuren in het verhaal: Cao de Benós stamt af van verarmde Spaanse adel maar heeft in de voorbije jaren met zijn ‘Korean Friendship Association’ (KFA) naam gemaakt als de grootste cheerleader van het regime
Hij trad de laatste jaren in het Westen steeds weer op als bemiddelaar voor degenen die toegang wilden krijgen tot het geïsoleerde land. In de film leren we Alejandro Cao de Benós kennen als iemand die in Pyongyang in een operette-achtig officiersuniform voor duizenden partijbonzen Koreaanse slagzinnen brult, en die Larsen waarschuwt voor ‘de neger’, die ‘alleen maar slaapt en steelt’.
‘Ik heb als drugsdealer vijftien jaar in een leugen geleefd. Ik ken het spel, en ik ben er goed in’
Interessant wordt het verhaal op het moment waarop de Spanjaard Ulrich Larsen opneemt in zijn KFA, hem tot zijn ‘Scandinavische vertegenwoordiger’ maakt en hem dan verzoekt om investeerders te zoeken voor het door de sancties geteisterde Noord-Korea. Het is intussen 2016. En nu spitst regisseur Mads Brügger zijn oren. ‘Ik wist dat we Alejandro een investeerder moesten presenteren.’ Dus ging hij op zoek naar een acteur die voor hem de rol kon spelen van een Noorse oliemiljonair. En hij vond ‘mr. James’, in het echte leven Jim Latrache-Qvortrup, voormalig soldaat van het vreemdelingenlegioen en cocaïnedealer van de Kopenhaagse jetset, die op dat moment juist vrijkwam uit de gevangenis. ‘In het Deens zeggen we dan: alsof er een sinaasappel in je tulband valt,’ zegt Mads Brügger. Een gelukstreffer. ‘Jim bloeit op in gevaarlijke situaties. En dan ontpopt hij zich ook nog als een begenadigd toneelspeler.’
‘Eerst zei ik tegen Mads: je maakt een grapje zeker,’ vertelt Jim Latrache-Qvortrup, ‘en toen: ik doe het.’ Zijn luide schaterlach rolt door de lobby van het hotel. Latrache heeft voorgesteld het gesprek te voeren in het ‘Angleterre’, de elegantste gelegenheid van Kopenhagen. Hij heeft een kortgeknipte volle baard en perfect gekamde haren, net alsin de film. ‘Jezus,’ zegt hij. ‘Ik heb als drugsdealer vijftien jaar in een leugen geleefd. Ik ken het spel, en ik ben er goed in.’
In de docu speelt hij een in Karl Lagerfeldpakken geklede blaaskaak die op zoek is naar crystal meth en wapens. In werkelijkheid heeft hij, dyslectisch als hij is, met de hulp van zijn vrouw – model en Zuid-Oostazië-specialist – in de gevangenis alsnog zijn eindexamen gehaald, en speelt hij tijdens het diner de liefdevolle en charmante tafelheer. ‘Voor mij was het een achtbaanritje op adrenaline,’ zegt hij.
Krankzinnige reis
Vanaf dat moment reizen Ulrich Larsen en ‘mr. James’ samen. Het wordt een krankzinnige reis. Deels gefilmd met een verborgen camera, maar vaak ook heel openlijk door Larsen, die de kameraden al jaren kennen als YouTuber voor de Noord-Koreaanse zaak. We zien Alejandro Cao de Benós die al tijdens het eerste gesprek met ‘mr. James’ opschept dat Noord-Korea ‘zich aan geen enkele regel hoeft te houden’: ze kunnen zorgen voor crystal meth, maar willen ook graag ‘fabrieken bouwen om duikboten en tanks te produceren.’
Allemaal loze praatjes? In een schriftelijke reactie verklaart Cao de Benós dat de film ‘in scène gezet en gemanipuleerd’ is. Hij zou nooit een opdracht uit Noord-Korea voor wapen- of drugsdeals hebben gekregen. Maar in de film zitten de twee Denen na zijn bemiddeling al snel met mensen van de Noord-Koreaanse geheime dienst achter in een limousine in Pyongyang, en vervolgens in een ondergronds restaurant, waarin de ondertekening van een heel bijzondere overeenkomst ’wordt gevierd met karaoke en vele rondjes “Skol!”: de Noord-Koreanen hadden voorgesteld een ondergrondse fabriek voor crystal meth en wapens te bouwen in Oeganda, op een eiland in het Victoriameer, onder een luxe resort. Codenaam: “The Tourism Project”’.
‘Als er iets gebeurt – onze ambassade weet hier niks van!’
Ze ontmoeten de Noord-Koreanen in Oeganda om het eiland te bezichtigen, en horen een als ‘Danny’ voorgestelde Noord-Koreaan zeggen: ‘Jullie brengen je vliegtuigen onder de dekmantel van humanitaire hulp naar ons land, dan kunnen wij de bestelde goederen inladen. Jullie betalen ons en vliegen terug.’ De president van de Narae Trading Corporation, een wapenfabriek, overhandigt ze in Pyongyang een catalogus en een prijslijst: vele bladzijden vol met raketwerpers, drones, luchtafweerraketten, scudraketten met een bereik van 1350 kilometer, veertien miljoen dollar per stuk. De Noord-Koreanen stellen een keer een driehoeksdeal voor. Het idee: zij krijgen olie van een zakenman uit Jordanië, bouwen voor mr. James de fabriek in Oeganda, en daarvoor betaalt mr. James de Jordaniër. Ze vragen mr. James of hij voor hen geen wapens naar Syrië kan transporteren: ‘Projectielen, bommen…’ Ten slotte wordt Ulrich Larsen uitgenodigd in de Noord-Koreaanse ambassade in Stockholm, waar een diplomaat hem het uitgewerkte plan overhandigt voor de als luxe hotel vermomde wapenfabriek in het Victoriameer: ‘Het ziet eruit als in een film,’ zegt de heimelijk gefilmde Noord-Koreaan, en dan: ‘Als er iets gebeurt – onze ambassade weet hier niks van!’
Mads Brügger noemt zich in de film een keer een ‘filmmaker die uit is op sensatie’. Men verwijt hem dat hij zijn beide protagonisten op onverantwoorde wijze blootgesteld heeft aan gevaar in een regime dat bekendstaat om zijn meedogenloosheid. Ulrich Larsen en Jim Latrache-Qvortrup ontkennen dat allebei. ‘In tegendeel,’ zegt Latrache-Qvortrup: ‘Mads en de producent hebben mij afgeremd toen ik verder wou gaan.’ En het was tenslotte allemaal zijn idee, zegt Ulrich Larsen. Niemand heeft hem ooit ergens toe gedwongen. Maar terwijl ‘mr. James’ beweert van ‘ieder moment’ van het avontuur te hebben genoten, is aan Larsen nu nog de beklemming te merken als hij over scènes vertelt waarin hij bijna werd ontmaskerd.
Detector
In Tarragona zat hij een keer met Alejandro Cao de Benós in zijn ‘bunker’, toen de Spanjaard een afluisterdetector haalde en Larsen – die microfoon en camera op zijn lichaam droeg – daarmee scande. In de film hoor je de detector plotseling luid piepen. ‘Op dat moment dacht ik: Nu is alles voorbij,’ zegt Ulrich Larsen. ‘Ik dacht aan mijn vrouw. Dat zou het ergste geweest zijn: als het hier was afgelopen, dan zou ik mijn gezin nooit de waarheid verteld hebben.’
Larsen bleef koel en gaf de schuld aan de elektrische sleutel van de huurauto. Hij komt ermee weg, zichtbaar geschrokken, en gaat toch door. ‘Ik wilde gewoon die informatie eruit krijgen,’ zegt hij. ’Ik wilde de wereld laten zien hoe Noord-Korea en zijn bondgenoten handelen.’
Nu zijn zijn beelden publiek geworden. En de deskundigen twisten over de interpretatie ervan. De door de filmmaker geleverde details zijn ‘adembenemend’, zeggen de Noord-Koreadeskundigen Rüdiger Frank en Peter Ward: ‘Vroegere berichten over hoe Noord-Korea probeert de sancties te omzeilen, worden hier bevestigd en dramatisch geïllustreerd.’ Maar er zijn ook onbeantwoorde vragen. Sommigen geloven in een misleidingspoging van Noord-Korea. Hebben de Noord-Koreanen gewoon geprobeerd om de beide Denen te bedriegen? Waarom hebben de Noord-Koreanen nooit een grondig antecedentenonderzoek gedaan naar die zogenaamde oliemiljonair mr. James? Anderen brengen daar tegenin dat de documentaire op haar manier ook toont hoe goed de sancties van de VN functioneerden en dat de Noord-Koreanen ronduit vertwijfeld waren in hun zoektocht naar geld.
De intentie van de Noord-Koreanen in de film is niet met zekerheid te achterhalen. ‘Dat het werkelijk tot wapenleveranties zou komen, was wat ons betreft uitgesloten,’ zegt regisseur Brügger. ‘Dat was de rode lijn die we nooit overschreden zouden hebben.’
‘Allemaal gelogen’
In Kopenhagen zetten beide protagonisten intussen de eerste stappen terug in hun normale leven. Jim Latrache-Qvortrup verdient zijn geld tegenwoordig met een exclusieve massagepraktijk. Angst voor vergelding van de kant van Noord-Korea heeft hij niet, zegt hij. Ze hebben een ontmoeting gehad met mensen van de Deense geheime dienst PET, en ook hun inschatting luidt; wees voorzichtig, maar er is geen acuut gevaar. De documentaire, meent Jim Latrache-Qvortrup, heeft sinds de uitzending zijn leven veranderd. Degenen die hem eerder altijd als een ex-crimineel hadden bestempeld, zagen hem nu met andere ogen. ‘Zelfs als ik morgen neergeschoten zou worden, zou ik nu sterven als een held en de naam van mijn tweee zoons zou gezuiverd zijn.’ Dan lacht hij, als bevrijd.
De Noordkoreaanse ambassade in Zweden noemt de film in een verklaring ‘verzonnen’ en ‘deel van de intriges van vijandige krachten’ tegen Noord-Korea. Over de ‘manipulator Ulrich’ heet het dat hij ‘op het moment wel is ondergedoken’, maar dat men zijn leugens snel kan ontkrachten: ‘Het zou niet moeilijk zijn hem te vinden.’
Ulrich Larsen heeft voor de film nooit een cent gekregen. Ook hij houdt contact met de Deense geheime dienst. Nee, hij is niet verhuisd, en hij zit niet in een getuigenbeschermingsprogramma. Maar hij let nu wel op met wie hij afspreekt, waar hij heen gaat en rijdt; hij verandert zijn routes elke dag. Hij is opgelucht, zegt hij, dat zijn gezin nu alles weet. Dat zijn vrouw hem heeft vergeven. Bij de première in een Kopenhaagse bioscoop waren ze allemaal trots op hem: zijn vader, zijn vrouw en beide dochters. De veertienjarige toonde hem opgewonden een berichtje op haar mobiel: haar vrienden deden nu in de klas een project over zijn film. ‘Ik ben opeens een coole vader,’ zegt Ulrich Larsen. Zijn eigen vader heeft hem na de premiere geschreven dat hij trots op hem was: ‘Maar doe zoiets nooit weer!’ Zou hij dat dan doen? Hij zwijgt. ‘Je weet het nooit,’ zegt hij.
Ulrich Larsen, de mol. Een paar keer tijdens het gesprek heeft hij Noord-Korea zijn ‘hobby’ genoemd. Het is maar goed, zegt hij ten slotte, dat hij nog een andere hobby heeft: zijn modelspoorbaan, een Märklin. Als hij een keer geld heeft, dan wil hij een wens vervullen: een moderne Märklin Mini, computergestuurd, tweemaal anderhalve meter. ‘Ik zou een kleine stad bouwen, met huizen en treinen, zes, zeven stuks misschien.’ Het klinkt als een groot avontuur.
Ze worden gevreesd – en vereerd. In Afghanistan staan ze op het punt de macht weer over te nemen. Verslaggevers van Die Zeit reisden met toestemming van lokale leiders dagenlang door het land van de taliban.
De 9e editie van de European Press Prize
Voor de vijfde keer op rij maakte 360 een selectie uit de shortlist van European Press Prize.
Dit verhaal uit Die Zeit is een van de vijf genomineerden voor de Distinguished Reporting Award.
De European Press Prize werd in 2013 opgericht vanuit de overtuiging ‘dat journalistiek een van de grote verbinders is in een Europa dat leert en groeit dankzij de verhalen van verslaggevers’. Dit jaar was er een recordaantal inzendingen, met meer dan duizend deel-nemers uit bijna alle 47 landen van de Raad van Europa en ook daarbuiten. Journalisten uit achttien verschillende landen – van Spanje tot Wit-Rusland, van Denemarken tot Griekenland – zijn geselecteerd voor de shortlist.
De finalisten kozen belangrijke Europese thema’s, waaronder de gevolgen van de pandemie; de Black Lives Matter-beweging; migratie en mensenhandel; vrouwenrechten in de sport en vele andere.
Onze selectie uit deze shortlistverhalen leest u de komende weken op onze site. Voor het magazine kozen wij dit uitzonderlijke verhaal, voorzien van uitzonderlijk mooi beeld, over degenen die vochten tegen het machtigste leger ter wereld en een land creëerden dat officieel niet op de kaart staat: het land van de taliban.
Op 3 juni is bekendgemaakt dat ‘Love in the time of plague’ van Janusz Schwertner, gepubliceerd door de Poolse Nieuwssite Onet, de winnaar is geworden van de Distinguished Reporting Award.
‘Het indrukwekkendste stuk van dit jaar vond ik “De wedergeboorte van de taliban”, waarin twee Die Zeit-redacteuren reizen door talibangebied in de periode dat Afghanistan nog niet volledig in handen was gevallen van de islamistische rebellen. Het geeft een verrassend eerlijke inkijk in de wereld van theehuizen, madrassa’s en shariarechtbanken.’
Dit artikel, door European Press Prize genomineerd voor de Distinguished Reporting Award, had in ons juninummer nog de ondertitel “Een reis door een land dat officieel niet bestaat”, maar sinds de machtsovername is die inmiddels achterhaald.’
Het eerste contact. Een stem uit de telefoon. De speaker kraakt. De stem klinkt gedecideerd, maar ook jong, kwetsbaar bijna. Onderweg geeft de stem ons de laatste aanwijzingen. Vier uur rijden van Kaboel, de provincie Ghazni, midden in Afghanistan. Op de grote weg zijn we langs de ruïnes van verwoeste legerbases gekomen, langs wrakken van uitgebrande militaire voertuigen. Op hele stukken van de weg zit elke honderd meter een diepe krater. Dan zegt de stem dat we moeten afslaan, ze loodst ons steeds verder van de grote weg, steeds verder het land in, waar nauwelijks wegen zijn, alleen geitenpaadjes. De wielen van de Toyota slippen in het zand, dan komt de auto weer op de rotsige bodem terecht. Even later, na de laatste post van de regeringssoldaten, ligt op een heuvel een vesting waar de Afghaanse vlag wappert. Dan valt de verbinding weg.
‘Is dit wel de goede plek?’ vraagt onze chauffeur even later. Op een dorpsplein staan we gespannen te wachten, het plein is leeg, het dorp lijkt verlaten. De chauffeur kijkt op de telefoon, nog steeds geen verbinding. De plaats waar we elkaar zouden ontmoeten is het eerste dorp voorbij de grens van het regeringsgebied. Een paar armzalige lemen hutten. Al jaren geleden zijn de mensen hier uit angst gevlucht. Niemandsland. ‘Ik weet niet of we hier wel goed zijn,’ zegt de chauffeur nog een keer. Net als we overwegen om terug te keren verschijnen er opeens zeven gewapende mannen op het plein. ‘Vrede zij met u,’ zegt degene met de jongensachtige stem, die we al kennen van de telefoon.
Omar Sadiq, de lijfwacht van gouverneur Ahmadi van het militaire district Natur, bij de ingang van de plaatselijke moskee waar Ahmadi is voor een bijeenkomst.Districtscommandant Ahmadi bidt samen met zijn lijfwachten in Hotel Said aan de Nawur Ghazniweg.Vergadering van het gerechtshof van de taliban in de enige overgebleven intacte kamer van het voormalige district- en politiehoofdkwartier van Rashidan. Maulawi Shakir (midden) is voorzitter van de plaatselijke rechtbank.
Hij glimlacht, maar zijn lachje verdwijnt snel weer. Nisar, stelt hij zich voor, een naam waarvan hij weet dat wij weten dat het niet zijn echte naam is. Hij zal ons de komende dagen begeleiden. Wij, verslaggevers van Die Zeit, hebben maanden aan de voorbereiding van deze reis gewerkt. Toch zijn we nerveus. We begeven ons in handen van degenen van wie we tot nu toe vreesden dat ze ons zouden kunnen ontvoeren.
Om veiligheidsredenen blijven westerse journalisten tot nu hoogstens een paar uur achtereen bij de taliban. Wij zijn de eersten in jaren die zich een paar dagen lang aan hen toevertrouwen. We willen een reportage maken over de mannen die het machtigste land ter wereld militair murw hebben gemaakt en die een land hebben gecreëerd dat officieel op geen enkele kaart staat, het land van de taliban. Veel mensen vrezen de taliban. Toch worden ze ook bewonderd, mensen laten zich voor hen de dood in jagen, laten zich voor de beweging folteren en opsluiten. De taliban, de hoop voor velen.
Restanten
De religieuze strijders controleren in de herfst van 2020 weer 80 procent van Afghanistan. De regering van president Ashraf Ghani is teruggedreven naar de provinciecentra en de hoofdstad Kaboel. De restanten van een staat die steeds verder krimpt. De taliban staan al in de buitenwijken van Kaboel. De vluchtelingen die de laatste jaren hun toevlucht in de hoofdstad hebben gezocht, moeten het met steeds minder ruimte doen. Na twee decennia trekken de Amerikanen binnenkort hun troepen terug. De corruptie onder de autoriteiten neemt hand over hand toe. Iedereen probeert voor hij in ballingschap gaat zoveel mogelijk geld naar het buitenland te brengen. Een staatsapparaat kort voor de algehele instorting. Gevreesd wordt dat binnenkort de eerste legereenheden zullen overlopen. In Doha onderhandelen delegaties van de regering en de taliban al sinds midden september over een wapenstilstand; of, zoals veel mensen denken, over een capitulatie.
De jonge talib Nisar, in het zwart gekleed, zwarte tulband, met een kalasjnikov over zijn schouder, rijdt op een motor voor ons uit. De weg voert naar het gebergte, wordt steeds steiler, we passeren de laatste groene velden, om ons heen alleen nog naakte witte rotsen. De weg, voor zover er van een weg sprake is, is smal, uitgehouwen in de rotswand. Aan de andere kant een afgrond. De stenen die door de wielen worden losgeslagen, vallen honderden meters omlaag. Bij elke haarspeldbocht wacht Nisar ons op, een tenger silhouet in het zwart, bocht na bocht, tot aan de pas op bijna 3000 meter hoogte.
Tot vlak voor ons vertrek dreigden de afspraken met de taliban te mislukken. Contact opnemen is riskant. Het wederzijds wantrouwen is groot. Enkele journalisten die dachten op het woord van een talibancommandant te kunnen vertrouwen, zijn ontvoerd. Als we het gebied verlaten waar de regering aan de macht is, voelt dat als volledig controleverlies. Alsof je vanuit een ruimteschip de gewichtloosheid van het heelal in zweeft. Onze enige garantie dat we niet in deze steenwoestijn verloren zullen gaan, is een gesproken WhatsAppbericht. Onze reddingslijn: een andere stem, een oudere nu. De stem van de woordvoerder van de hoogste taliban. Een audioberichtje als vrijgeleide.
De mannen die meestal westerlingen als wij ontvoeren, moeten ons nu beschermen. Dat hopen we tenminste. Rond het middaguur bereiken we de vallei aan de andere kant van het bergmassief. Hier zijn de taliban al bijna tien jaar ongehinderd aan de macht. Het district heet Rashidan en is betrekkelijk klein, maar strategisch belangrijk omdat het grenst aan Ghazni, de hoofdstad van de provincie. Ingebed in de groene strook akkers en bosjes langs de rivier ligt een tiental dorpen. Verder alleen schrale grond, stof en stenen. Nisar wil ons naar het districtscentrum brengen in het dorp Hussein Chel. Hier bevindt zich ook de markt, waar de sporen van de oorlog nog duidelijk zichtbaar zijn. De scholieren van de middelbare school waar Nisar stopt, kijken nieuwsgierig uit het raam. Voor de ingang worden we opgewacht door een gesloten front van twintig mannen met zwarte tulbanden.
‘Hartelijk welkom in de Islamitische Emiraten,’ zegt Mawlawi Nasrat, de talibancommandant van Rashidan. Hij geeft een slap handje, naar Afghaans gebruik omhelst hij ons, maar aarzelend. ‘De Amerikanen en u, hun bondgenoten, hebben ons land aangevallen,’ zegt hij. ‘Wij hebben ons land alleen verdedigd. U hebt ons deze oorlog opgedrongen.’ Nasrat vraagt ons binnen te komen. De taliban en wij gaan in de lerarenkamer op de grond zitten. Ze hebben nooit eerder westerse journalisten ontmoet. Sommigen kijken ons vol haat aan, de meesten zijn, zo te zien, nieuwsgierig.
Het leek alsof de taliban het verscheurde land na vijfentwintig jaar oorlog vrede konden brengen
In de kamer hebben zich leden van de Provinciale Raad, rechters van verschillende rechtbanken en een paar afgevaardigden van de zedenpolitie verzameld, die in de dorpen de islamitische kledingvoorschriften en de lengte van de baarden controleert. Verder zijn de gevolmachtigde voor het onderwijs, die toezicht houdt op de scholen, en een belastingontvanger aanwezig. Een doorsnee van het ambtelijk apparaat dat de taliban de afgelopen jaren ontwikkeld heeft. De regering in Kaboel is hier in Rashidan allang geschiedenis. ‘Kijk eens rond in ons district!’ zegt Nasrat, de commandant, begin dertig. ‘Praat met de mensen. Ze zijn gelukkig, omdat wij ons aan de Koran en de sharia houden. De regering in Kaboel die door jullie buitenlanders is neergezet, is een corrupte bende. Ze is moreel verdorven. Bij ons bestaat geen corruptie. Wij zijn hier om Allah te dienen en de problemen van de mensen op te lossen.’
Met de taliban had niemand in Afghanistan meer rekening gehouden. Ze waren verpletterend verslagen. Het leger van de Verenigde Staten had ze na de aanslagen in New York van 2001 in een paar weken tijd naar de vergetelheid gebombardeerd. Naar schatting twintig procent van alle talibanstrijders zijn toen om het leven gekomen. De rest vluchtte naar Pakistan of dook onder. Om te voorkomen dat Afghanistan opnieuw door radicale groeperingen zou worden overheerst, heeft de wereldgemeenschap daarna een enorme operatie op touw gezet. Vijftig landen hebben soldaten en ontwikkelingswerkers gestuurd. Alleen al de VS hebben 1000 miljard dollar geïnvesteerd. In Afghanistan moest worden bewezen dat het mogelijk is de situatie in een land ten goede te keren en er het kwaad uit te roeien. Het kwaad, dat zijn de taliban.
Hun oorsprong is duister. Hun oprichter, moellah Mohammed Omar, die in de jaren tachtig tijdens de oorlog tegen de Russen een oog verloor, is een mythisch figuur. Tot zijn dood in 2013 bestond van hem maar één enkele foto. Na de ineenstorting van het communistische regime in 1992 was hij leraar in een moskee in de buurt van Kandahar. Het land was in handen van honderden warlords en hun strijders, de moedjahedien, en georganiseerd in tientallen verschillende, elkaar bestrijdende allianties. Het waren de bloedigste jaren van de burgeroorlog. Afghanistan verzonk in anarchie. Begin 1994 ontvoerde een plaatselijke warlord twee meisjes, liet hun hoofd kaalscheren en hield hen vast in zijn legerbasis, waar ze werden verkracht. Omar riep dertig leerlingen van zijn Koranschool bij elkaar, ‘taliban’ – talib, meervoud taliban, betekent gewoon ‘leerling’. Ze bewapenden zich met zestien geweren, trokken naar het huis van de warlord, bevrijdden de meisjes en knoopten de warlord op aan de loop van een tank.
De geschiedenis van de taliban, die de wereld later zou leren kennen als de groepering die de vrouwen in het land onderdrukte, begon met de bevrijding van twee vrouwen. Daarna zochten steeds meer mensen moellah Omar op om zijn hulp in te roepen bij overvallen van de warlords. Leerlingen van andere Koranscholen sloten zich bij hem aan. Maanden later controleerden ze hele provincies en aan het eind van het jaar had moellah Omar twaalfduizend aanhangers. Al snel noemde hij zichzelf Almir-al Mu’min: leider der gelovigen. Spoedig stroomde ook het geld binnen. Fracties van de moedjahedien gaven hem geld in de hoop de taliban ook tegen hun tegenstanders te kunnen inzetten. Pakistan, dat de moedjahedien steunde in hun strijd tegen de Russen, gaf geld om hen beter te kunnen controleren. De taliban begonnen in Afghanistan als verlossers. Het leek alsof zij het verscheurde land na 25 jaar oorlog vrede konden brengen. Maar ze brachten alleen nog meer bloedige strijd. Al meer dan 42 jaar is er in Afghanistan geen vrede.
‘We hebben van de fouten in het verleden geleerd,’ zegt Nasrat, de commandant van Rashidan. ‘Vroeger zouden ze na de verovering van een district een van de strijders tot gouverneur hebben benoemd. Die wisten niet hoe ze met de bevolking moesten omgaan,’ zegt hij. ‘Dat is nu anders, we hebben allerlei deskundigen.’ Hij kijkt steeds ongemakkelijk in de richting van Nisar, die naast hem is gaan zitten. De jonge talib die ons heeft opgehaald, is door de shura, de centrale raad van de taliban in Pakistan, afgevaardigd om ons te begeleiden. Hij heeft kohl om zijn ogen, wat hem volgens de Pasjtoense cultuur tegen het boze oog beschermt. Hij is pas drieëntwintig en heeft nog geen volle baard. Nasrat, een kop groter en tien jaar ouder, heeft ruwe handen en is gewend aan zwaar werk, een boer die revolutionair is geworden. ‘We hebben zoveel deskundigen dat we heel Afghanistan kunnen besturen,’ zegt Nasrat, de commandant. ‘We weten nu hoe dat moet.’
‘Vertel hun,’ spoort Nisar hem aan, ‘dat we beter naar de bevolking luisteren.’ ‘We luisteren nu beter naar wat de mensen willen,’ zegt Nasrat. ‘Wat dacht je ervan,’ stelt Nisar voor, ‘als je zegt dat er vrede zal komen als alle buitenlandse troepen zijn vertrokken?’ Nisar zegt openlijk voor wat Nasrat moet zeggen. Hij is van de media-afdeling van de taliban. In de meeste provincies runnen ze een radiozender, geven ze kranten uit en opereren ze op socialemediaplatforms. Mannen als Nisar vormen de jonge elite van de taliban. Technologisch zijn ze vaardiger, en ze maken filmpjes van jonge zelfmoordaanslagplegers voordat die zich in een mensenmenigte opblazen.
Het symbool van hun overwinning ligt op een hooggelegen plek van waar je uitkijkt over het dorp. Nasrat en Nisar verlaten de school en lopen over de markt. Officieel is die van de regering, maar de handelaars betalen hun marktgeld allang aan de taliban. Er zijn drie apotheken, verscheidene werkplaatsen waar vooral de motoren van de taliban worden onderhouden, levensmiddelenwinkels en een paar kleermakers. Van de 250 winkels zijn er vijftig geopend. Er zijn maar weinig mannen die het zonder volle baard durven te stellen en maar een enkeling draagt geen tulband. De nieuwe dresscode van de taliban is eigenlijk de oude. De baard niet langer en niet korter dan een handbreedte, net zoals de profeet hem droeg. Handelaars en klanten kijken ons na. Ze weten niet of we gijzelaars of gasten zijn.
Dan staan we voor de aarden wal van het districtshoofdkwartier, een vesting hoog boven het dal. ‘Dit was mijn grootste overwinning,’ zegt Nasrat, terwijl hij door de poort loopt. Er is alleen een ruïne overgebleven. Op de binnenplaats groeit gras. De muur is op enkele plaatsen ingestort, de twee hoofdgebouwen zijn opgeblazen. Acht jaar geleden bestormde de groep van Nasrat de basis, waarbij ze drie tanks hebben vernietigd en 46 politieagenten gedood. De sporen van hun laatste wanhoop: de ramen van de gebouwen zijn met leem dichtgesmeerd, de ingestorte muren versterkt met zand. ‘Moet je zien hoe ze hun gevangenen behandelden,’ zegt Nasrat terwijl hij ons op de binnenplaats een betonnen gat in de grond aanwijst. Daar beneden lieten de agenten verdachte dorpelingen creperen. ‘In strijd met de mensenrechten,’ zegt Nasrat, maar hij verzwijgt dat ook de taliban hun gevangenen in holen en koeienstallen opsluiten. De overwinnaar bepaalt hoe je het verleden interpreteert. Op het dak wappert de vlag van de taliban, wit met in het zwart het opschrift ‘Er is geen God naast Allah, en Mohammed is zijn Profeet’.
Altijd haast
Slechts één vertrek is intact gebleven. Een kale kamer met matten van boombast op de grond. ‘Dit is tegenwoordig ons hoofdkwartier,’ zegt Nasrat. Maar dat is niet juist. Uit angst voor drone-aanvallen houden de taliban zich maar zelden lang in hetzelfde gebouw op. Op onze reis is dat niet anders. De bijeenkomsten zijn kort. Ze hebben altijd haast. Ze arriveren op een tiental motoren, alleen Nasrat als commandant heeft een auto, dan gaat de groep weer uiteen en rijdt iedereen een andere kant op, zonder af te spreken waar en wanneer precies we elkaar weer zien. ’s Nachts worden we alleen gelaten. Niemand die ons bewaakt. Desondanks, dat weten we zeker, wordt Nasrat over al onze bewegingen geïnformeerd. ’s Nachts is het in het dal aardedonker. De dichtstbijzijnde openbare stroomvoorziening is in de hoofdstad van de provincie Ghazni, 88 kilometer verder. Onze eerste gastheer, die iets welvarender is dan zijn buren, heeft als enige stroombron een auto-accu, die hij oplaadt met een zonnepaneel op zijn dak. Er kunnen twee gloeilampen tegelijk op branden.
In de beschutting van de avond praten we met inwoners van de dorpen. Om hen niet in gevaar te brengen, ontmoeten we andere na deze reis in de veiligheid van Kaboel. Wat we willen weten is: hoe is het leven onder de nieuwe taliban echt?
Een man van rond de veertig, goed opgeleid, geboren in Rashidan:
‘De eerste jaren na de val van de regering van de taliban dacht niemand dat er opnieuw oorlog zou komen. We waren optimistisch. Iedereen was zo moe, zelfs onze plaatselijke taliban waren moe. Ze waren teruggekeerd naar hun gezinnen en weer boer geworden. Ze vochten niet tegen de regering. In het begin waren de taliban ook niet tegen de internationale hulporganisaties, die bij ons in het dal bruggen en irrigatiekanalen aanlegden. Maar nu zijn ze bijna allemaal tegen de regering. De regering heeft het geweld weer onder ons gebracht. Ze zijn naar ons dal gekomen om op voormalige taliban te jagen. Daarna kwamen de buitenlanders, ’s avonds met hun helikopters, en haalden de mensen uit hun eigen huis. Ze hebben veel onschuldigen opgepakt.’
‘De regering en de buitenlanders luisterden alleen naar commandant Chalil. In de jaren negentig was hij hier als warlord aan de macht, tot hij moest vluchten voor de taliban. Nu kwam hij terug met de Amerikanen. Chalil is geen goed mens, dat was hij vroeger niet en dat is hij nog steeds niet. Hij heeft heel veel land gestolen. Hij hoefde iemand er maar van te beschuldigen dat hij bij de taliban had gezeten of diegene moest met zijn hele gezin vluchten, waarna Chalil zijn land inpikte. In een van de dorpen wilde hij zoveel land stelen dat de inwoners naar de wapens grepen om zich tegen de dief te verdedigen. Daarbij zijn vijftien mensen omgekomen. De regering heeft niet de dief gearresteerd, maar de mensen die zich tegen hem verdedigden. Daarom zijn de meeste mensen hier voor de taliban. De regering heeft ons hulporganisaties gestuurd, maar met Chalil hebben ze ons van ons land beroofd.’
De wedergeboorte van de taliban verliep bijna overal volgens hetzelfde patroon. Het Westen bracht de oude, door de bevolking vaak gehate warlords terug. Mannen die hun hele leven niets anders hadden gedaan dan vechten, die verruwd waren door tientallen jaren oorlog met bij elkaar anderhalf miljoen doden. Ze waren de steunpilaren van de nieuwe regering van Hamid Karzai, die door het Westen met miljarden dollars werd gesteund. Terwijl de warlords in de provincies de macht overnamen, bleef de centrale regering te zwak om hen te controleren. De warlords lieten zich in het parlement kiezen, kochten politieke benoemingen, werden gouverneur, minister of generaal in het nieuwe leger. Hun zoons richtten ondernemingen op en kregen lucratieve opdrachten van het Amerikaanse leger, de NAVO en veel ontwikkelingshulporganisaties. Ze betaalden geen belasting, onderdrukten hun binnenlandse concurrenten met geweld en corruptie en staken hun geld in onroerend goed in het buitenland.
Al in 2002 probeerden de taliban zich opnieuw te organiseren, maar dat mislukte. De meeste Afghanen moesten niets van hen hebben. In de hoop op een betere toekomst onder Karzai verrieden ze hen aan de Amerikanen en de regeringstroepen. In hun ballingschap in de grote vluchtelingenkampen in Pakistan vielen de taliban uiteen in drie fracties: drie shura’s. Een shura, geleid door een deel van de oude elite van de taliban, werd opgericht in Quetta. Een tweede werd gevormd in Pesjawar en een derde, de meest radicale, ontstond in Miranshah. Hier werd het beleid gedicteerd door de familieclan van de Hakkani, een naam die al snel gevreesd werd, omdat de Hakkani’s de grootste trainingskampen voor zelfmoordaanslagplegers in Afghanistan onderhielden. Er wordt verteld dat tot 2015 de Hakkani’s 1160 zelfmoordaanslagplegers hebben ingezet, van wie er 843 hun missie ‘succesvol’ zouden hebben afgerond.
‘Ik ben een strijder, ik heb mijn hele leven gevochten. Ik heb geen plannen voor wat daarna moet gebeuren’
Naarmate de teleurstelling over de regering onder de bevolking toenam, werden de taliban weer sterker. De eerste jaren domineerde de shura in Quetta, daarna die in Pesjawar, maar ten slotte, en nog steeds, weer die in Quetta. Soms bestreden de strijders van de drie shura’s elkaar en roofden ze gebieden van elkaar. Volgens de analyse van internationale conflictonderzoekers begon Pakistan in 2004 weer met betalingen aan de opstandelingen: 20 miljoen dollar per jaar. Dat bedrag liep op tot 500 miljoen dollar per jaar. Pakistan is in de regio in een hopeloze situatie verzeild geraakt. Het land is nergens zo bang voor als voor een verbond tussen zijn buren India en Afghanistan. Afghanistan eist de Pasjtoengebieden in het westen van Pakistan op, die indertijd door de Engelsen aan Pakistan zijn toebedeeld. India maakt aanspraak op een deel van Kasjmir in het noorden. Pakistan dreigt al sinds de oprichting van het land in 1947 uiteen te vallen. Een door de taliban geregeerd Afghanistan, waarvan geen gevaar uitgaat omdat het geheel onafhankelijk is, zou een eind maken aan Pakistans existentiële angst.
Nasrat en Nisar wachten ons de volgende ochtend weer op bij het door hen veroverde districtshoofdkwartier. ‘We zullen u laten zien hoe we hier vrede brengen,’ zegt Nisar. In het enige vertrek dat intact is, heeft zich deze ochtend een groep mannen verzameld. De districtsrechtbank van de taliban. Voorzitter Mawlawi Shaker zit aan het hoofd van de groep. Ook hij is pas 26. ‘Niet Pakistan zeggen,’ fluistert Nisar hem desondanks duidelijk hoorbaar toe, als Shaker wil vertellen aan welke Koranschool hij heeft gestudeerd. ‘Ik heb in Ghazni gestudeerd, ’zegt hij dan, ook hij heeft zwarte kohl om zijn ogen. Voor hem zitten twee handelaren van wie de een de ander geld heeft geleend. De schuldeiser beweert dat hij omgerekend 800 euro heeft uitgeleend, de ander zegt dat het maar 520 euro was. ‘Hebt u getuigen?’ vraagt Shaker. Die heeft hij niet. ‘Hebt u getuigen?’ vraagt hij aan de ander. Die ook niet. De schuldenaar haalt whatsappjes tevoorschijn waarin de schuldeiser hem bedreigt. Ze zitten tegen elkaar te schreeuwen, tot Shaker zegt: ‘Genoeg.’
Hij rommelt wat in de plastic zak met documenten die hij op zijn kalasjnikov heeft gelegd en haalt een formulier tevoorschijn. Een stuk papier met het logo van de taliban en het briefhoofd: ‘Provincie Ghazni, District Rashidan, Burgerlijk Bestuur’. Hij schrijft er een paar regels op en verwijst de zaak door naar de provinciale rechtbank. Die zullen wel een oplossing vinden, zegt hij als de twee mannen de ruïne hebben verlaten. Vermoedelijk zal de hogere instantie een compromis tussen de twee bewerkstelligen. ‘Zelfs mensen uit de regeringsgebieden komen met hun geschillen naar ons toe. Daar moeten ze een hoop geld betalen, maar krijgen ze toch hun recht niet. Daar wordt geen enkel geval opgelost. Hier lossen we alle kwesties op.’ Wat in Afghanistan nog belangrijker is dan elders, omdat een ruzie hier snel in een bloedvete ontaardt.
Shariarechtbanken
In de strijd van de taliban tegen de regeringscoalitie zijn de shariarechtbanken hun belangrijkste wapen. Ook die geven niet altijd degene gelijk die gelijk heeft, maar er wordt recht gesproken, vonnissen geveld, en ze winnen terrein. Heel anders dan in het gebied van de regering. Daar vragen rechters vaak van beide partijen grote sommen geld, en hebben beide partijen het gevoel dat ze in een moeras van corruptie en bedrog zijn terechtgekomen. Na verkregen gunsten veranderen rechters hun vonnis, schuiven een oordeel op de lange baan en zijn vervolgens niet in staat dat vonnis uit te voeren.
Als we het hooggelegen voormalige districtscentrum verlaten, horen we boven ons opeens een snorrend geluid. Het is een drone, die het dal doorkruist op zoek naar een doel. Verreweg de meeste talibancommandanten die de afgelopen jaren zijn gedood, waren slachtoffer van aanvallen met drones. Nasrat en Nisar kijken omhoog maar zien de drone niet. Door zijn schutkleuren is de drone tegen de hemel vrijwel onzichtbaar. Even blijft iedereen staan, dan sterft het geluid weg.
Bij de bazaar laten de taliban ons een kleine kliniek zien, de enige kliniek in het district, waar 42.000 mensen op zijn aangewezen. Het blok van ruwe natuursteen is zestien jaar geleden gebouwd door USAID, zoals aan een verbleekt bord bij de ingang te zien is. De directeur die ons begroet, kijkt bij elke zin naar Nisar. ‘We hebben niets om de mensen te beschermen tegen corona. We hebben geen mondkapjes en handschoenen.’ Gelukkig is het district tot nu toe niet getroffen, op één geval na. Het ergste is hier de cholera. ‘Van de honderd mensen hebben er twintig cholera.’ Het water is slecht. Wassen gaat hier nog traditioneel. De lemen huizen hebben slechts één woonlaag, waar bad en toilet naast elkaar liggen. De bronnen in de dorpen geven de laatste tijd steeds minder water. Riolering is er niet.
‘Ik weet het niet,’ antwoordt Nasrat op de vraag hoe hij de armoede in het dal wil verlichten als ze de oorlog eenmaal hebben gewonnen. Hij wil eerst een nieuwe moskee en een nieuwe Koranschool bouwen. Maar dan? Nasrat denkt lang na, dan zegt hij: ‘Ik ben een strijder, ik heb mijn hele leven gevochten. Ik heb geen plannen voor wat daarna moet gebeuren.’
Vandaag gaan Nasrat en zijn staf al vroeg in de middag weg. Later horen we dat ze zich moeten voorbereiden op een aanval op een politiebureau in het centrum van Ghazni. De operatie betekent de zoveelste vernedering voor de regering. Drie politieagenten komen om. De taliban bestormen het bureau, maken geweren en antitankgranaten buit en ontkomen zonder verliezen.
’s Avonds horen we explosies. We gaan naar het dak van ons huis en luisteren in het donker. Ver weg, aan het eind van het dal, slaan granaten in. De volgende ochtend krijgen we te horen dat de artillerie van de regering kennelijk uit wraak lukraak granaten afvuurt op dorpen waar ze vermoeden dat de taliban zitten.
Ook deze avond praten we met inwoners. Dit keer met een oudere man, die ook uit Rashidan komt.
‘De taliban zeggen dat ze hier alles onder controle hebben, maar dat is niet zo. Begin augustus is een leraar vermoord. Onbekenden hebben hem op klaarlichte dag uit zijn huis gehaald en in de velden doodgeschoten. Sommigen zeggen dat het om een familieruzie ging. Anderen zeggen dat het de taliban waren. Ook bij de taliban zitten slechte mensen. Maar al met al is het veel veiliger dan in het gebied van de regering. We zijn allemaal blij dat de taliban het hoofdkwartier van het district veroverd hebben. We hebben erg geleden onder de politieagenten, die zomaar schoten. Ze hebben op boeren geschoten die vanwege de droogte ’s nachts op hun akkers aan het werk waren om die te bevloeien. Ze hebben twee kinderen doodgeschoten die schapen hoedden. De regering had Oezbeekse en Hazara politieagenten hiernaartoe gestuurd. Die hebben een afschuwelijke hekel aan ons. Het was zo erg, dat iedereen met een grote boog om het districtscentrum heen reed, ook de markt was helemaal verlaten. Sinds de taliban terug zijn, wordt er niet meer gevochten. De handelaars komen terug en het leven is weer iets beter.’
‘Maar de meesten van ons steunen de taliban nog steeds niet. Ze houden hun mond en wachten af. De jonge mannen van hier die bij de taliban zijn gegaan, hebben op een madrassa, de Koranschool, in Pakistan gezeten. Bij ons in het dal zijn vier madrassa’s waarvan de leraren ook allemaal in Pakistan zijn opgeleid. De ouders bij ons zijn gelukkig als hun zoon naar de madrassa kan. De taliban selecteren alleen de besten. Jongens gaan naar de madrassa als ze zeven zijn. Ze slapen daar ook. We hebben ook staatsscholen. Onlangs heeft de middelbare school laptops gekregen, maar de taliban hebben die allemaal naar hun madrassa gebracht. De Koranscholen hebben nu betere leermiddelen dan de staatsscholen. Ook het eten is er beter. Op de staatsscholen leren ze bijna niets. De leraren daar zijn te slecht. Maar wie naar de madrassa gaat, kan al snel heel goed lezen en schrijven.’
Van de honderd mensen hebben er twintig cholera
De volgende dag lijkt de hemel vrij van drones. Sinds de VS hun legerbases afbouwen, is het aantal luchtaanvallen duidelijk minder geworden. De Afghaanse luchtmacht is door de jaren heen zwak gebleven. De militaire hulp uit het Westen heeft de luchtmacht klein gehouden en met weinig vliegtuigen en munitie uitgerust. Blijkbaar uit voorzorg, om te voorkomen dat Afghaanse generaals ze op een dag ongehinderd kunnen inzetten. Nisar belt en vraagt of we het gesprek tijdens het middageten kunnen voortzetten. Plaats: het huis van een iets welgesteldere boer. Nasrat en zijn staf van 25 man zitten in het gastenverblijf, een van stukken leem opgetrokken gewelf. Het eten is voor deze streek overvloedig, met veel vlees. Nasrat en zijn mannen logeren altijd kosteloos. De dorpsbevolking moet in hun onderhoud voorzien.
‘Wat zal ik verder nog vertellen?’ vraagt Nasrat terwijl hij zich naar Nisar toe buigt. ‘Vertel dat we nu verenigd zijn en dat we alle etnische groepen vertegenwoordigen.’ ‘We hebben uit alle stammen mensen in onze rangen,’ zegt Nasrat. ‘We hebben met die stammen geen enkel probleem.’ Afghanistan is een poly-etnische staat met negen nationaliteiten. Dat is de oorsprong van al het geweld. De Afghaanse burgeroorlog is telkens opnieuw uitgebroken door conflicten tussen de etnische groepen. En in tegenstelling tot hun eigen propaganda maken alle taliban die we op onze reis tegenkomen allemaal deel uit van een van die groepen, de Pasjtoen.
Het dal van Rashidan markeert de grens tussen twee volken die al eeuwen in vijandschap leven. Beneden, in de weiden langs de rivier waar de bodem het vruchtbaarst is, wonen de Pasjtoen. Een volk dat eeuwenlang de koningen van Afghanistan leverde. Op de schrale hellingen boven het dal en tot ver in de bergen wonen Hazara. Ze stammen af van de Mongolen. De Pasjtoen zijn soennieten, de Hazara, net als de Iraniërs, sjiieten. Reeds de Pasjtoense koningen voerden veldtochten tegen de Hazara, plunderden hun dorpen, legden hun zware belastingen op, lieten hen verarmen, doodden tienduizenden van hen. Nooit zijn Hazara en Pasjtoen in één staat samengekomen. De taliban zijn in de jaren negentig doorgegaan met het onderdrukken van de Hazara. Geen groep in de bevolking heeft de val van de taliban in 2001 zo toegejuicht als de Hazara.
Dreigt er, nu de troepen van de VS zich terugtrekken, voor beide volken een nieuwe tragedie? We hopen een antwoord te vinden in het naastgelegen district Nawur, dat bijna uitsluitend door Hazara wordt bewoond en al jaren door de taliban wordt overheerst.
De wegen worden nog slechter, de hoofdweg dwars door Nawur is niet meer dan een stoffig pad, in de loop der jaren door de wielen van zware vrachtwagens uitgesleten in de witte kalksteen. De dorpen zien er onbewoond uit. Meer dan tachtig procent van de bevolking is de afgelopen jaren naar het buitenland gevlucht, vooral naar Iran, vertelt men ons, de meesten om te werken. Daar zouden inmiddels drie miljoen Afghanen wonen. De mensen die gevlucht zijn, stuurden geld naar de achtergeblevenen, maar dat is de laatste jaren steeds minder geworden. Iran heeft het in de huidige economische crisis zwaar te verduren.
Vlak voordat de weg in een kloof verdwijnt, zien we een school die tegen de helling is gebouwd. Een school die er in het rijk van de taliban eigenlijk niet mag zijn. ‘Komt u binnen,’ begroet de rector ons na een kort gesprek. De Bibi Zainab Highschool. Er zitten honderdvijftig meisjes, in zes klaslokalen. De taliban staan toe dat ze tot de twaalfde klas les krijgen, omdat de leerlingen Hazara zijn. In het Pasjtoense Rashidan mogen meisjes maar tot de zesde klas naar school, omdat, zeggen de taliban, hun ouders dat zo willen. Voor veel Pasjtoense ouders is een opleiding voor meisjes verdacht. Vrouwen moeten thuis meehelpen en vroeg trouwen. Jonge vrouwen brengen een hogere bruidsschat op.
Hier in Nawur dragen de leerlingen geen boerka, alleen een hoofddoek. ‘Twintig procent van onze leerlingen gaat naar de universiteit,’ vertelt de rector trots. De meeste gaan in Ghazni medicijnen studeren of een verpleegstersopleiding volgen. De school heeft geen verwarming, in veel vensters zit geen glas, daarom vallen de lessen ’s winters uit. Vaak is er maar één schoolboek voor drie meisjes. De rector, die de school een paar maanden na de val van de taliban heeft opgericht, is een oude man met dikke brillenglazen en een kromme rug, toch straalt hij als hij over zijn school praat.
Tot nu toe hebben de taliban er alleen kritiek op dat het gebouw te dicht bij de hoofdweg staat en niet ommuurd is. Zo staan de meisjes bloot aan de blikken van passerende mannen. Bovendien wordt op school de helft van de vakken gegeven door mannen en niet door vrouwen. In de jaren negentig zijn bijna alle meisjesscholen om die reden gesloten. Of hij zich geen zorgen maakt over wat er van zijn school terechtkomt als de taliban de macht helemaal overnemen, vragen we. De rector kijkt naar de grond, dan weer op, en zegt: ‘De wereld is ons vergeten.’
De weg die we volgen, voert ons door een nauwe kloof, aan weerszijden rijzen de rotswanden hoog op. De hemel wordt smal. De talibancommandant van Nawur, Mawlawi Ahmadi, heeft ons ontboden. Eigenlijk had hij ons bij Nasrat in Rashidan willen ontmoeten, maar daar kwam hij niet opdagen. We hoorden dat hij Nisar, de afgezant van Quetta, mijdt. De vraag die niet alleen wij willen stellen, luidt: hoe verenigd zijn de taliban werkelijk?
Een moeilijk district
Als trefpunt heeft Ahmadi een dorp in een afgelegen, door hoge bergen ingesloten dal gekozen. De weg erheen is half vernield door de zware regenval die afgelopen zomer in heel Afghanistan enorme aardverschuivingen heeft veroorzaakt. ‘Het dal van de waterval’ heet het dorp. De lucht is ijl. Een stuk of tien lemen huizen, verscholen onder aan een 700 meter hoge, steile rotswand. De toppen boven het dorp zijn bijna 4000 meer hoog.
Een klein jongetje zit gehurkt in de schaduw van een huis. Verder is in het dorp geen mens te zien. De jongen groet niet en blijft ernstig naar ons kijken. Een uur later verschijnt Ahmadi, begeleid door twee lijfwachten. ‘Kijk eens hoe mooi ons land is,’ zegt hij ter begroeting joviaal. Ahmadi, midden dertig, witte tulband, een volle, zwarte baard, heeft niets van het boerse van Nasrat of het ambitieuze van Nisar. Zijn vader, die moellah (islamitische geestelijke) is geweest in Rashidan, heeft hem als kind al vroeg naar de madrassa gestuurd. Ahmadi spreekt zacht, weegt zijn woorden. Zijn stem blijft fluweelzacht, zelfs als hij harde uitspraken doet. Het ideaaltype van de islamitische geleerde, zoals ook Osama bin Laden ze graag zag.
Hij leidt ons naar de kleine moskee van het bergdorpje. Een kale ruimte met een tapijt. Vier, vijf dorpsoudsten, Hazara, laten zich nu ook zien, aarzelend komen ze erbij zitten. Hun lichamen zijn uitgeteerd, hun wangen hol. Een heel moeilijk district, zegt Ahmadi, die als Pasjtoen over alleen maar Hazara heerst. Hij rekent uit: in totaal 125.000 inwoners, waarvan 75.000 onder zijn controle. De regering heeft alleen nog het districtscentrum in handen, hier zes uur vandaan. ‘Maar we werken eraan om daar verandering in te brengen,’ zegt hij. Kortgeleden heeft hij de gipssteengroeve veroverd, de belangrijkste bron van inkomsten in het district. De eigenaar van de mijn betaalt nu belasting aan de taliban.
Het ziet ernaar uit dat de taliban de oorlog bijna hebben gewonnen, maar hoe willen ze vrede brengen? De armoede in Afghanistan zal op den duur iedere orde tenietdoen. Ahmadi weet dat ook. Hij heeft plannen voor zijn district. ‘We moeten de mijnen moderniseren,’ zegt hij. Om meer akkers te kunnen irrigeren, wil hij in het dal een dam bouwen. Hij wil wegen aanleggen, maar moet toegeven dat hij daar geen geld voor heeft. ‘We willen graag dat de buitenlandse ngo’s terugkomen. We garanderen hun veiligheid. We zullen nog een hele tijd van hen afhankelijk zijn,’ zegt hij. ‘Ze mogen terugkomen, maar we gaan er niet om smeken.’
Tijdens een pauze in het gesprek, als Ahmadi de ruimte even heeft verlaten, vragen de oudsten ons hem aan te spreken over de armoede waarin ze leven. ‘Zeg tegen hem dat ze ons moeten helpen. De wegen zijn door de regen verwoest. Veel akkers zijn weggespoeld. Onze oogst is vernietigd.’ Ahmadi, die tot nu toe geen woord met de oudsten heeft gewisseld, doet een paar keer of hij onze vraag niet heeft gehoord, dan zegt hij: ‘We hebben geen geld. Alles wat we kunnen doen, is de hulporganisaties aansporen.’
Ook verwacht Ahmadi hulp van vluchtelingen in Duitsland. ‘Er zit veel deskundigheid bij hen. We hebben ze nodig om ons land weer op te bouwen.’ Er zal hun niets gebeuren. Maar degenen die ernstige misdrijven aan de kant van de regering hebben gepleegd, staan zware straffen te wachten. ‘Die kan ik geen Afghanen meer noemen.’ Als een echte staatsman bedankt hij Duitsland, omdat het de vluchtelingen heeft opgenomen, maar hij verwijt de Duitsers ook dat hun leger in Afghanistan veel ellende heeft veroorzaakt. De soldaten hebben onschuldige mensen gedood. Het is nog te vroeg om die soldaten te kunnen vergeven. ‘Ik voel nog haat tegen hen. Ja, ik haat ze.’
‘De taliban zijn erg veranderd. Ze worden corrupter’
Het is middag geworden, en de oudsten vragen Ahmadi om de tien gasten voor het eten twee aan twee over verschillende gezinnen te verdelen om de last voor iedere gastheer draaglijk te houden. ‘Nee,’ Ahmadi verwerpt hun voorstel, ‘we eten in de moskee.’ Nu moeten de oudsten ondanks hun armoede de gasten alleen van eten en drinken voorzien. De komende weken zullen hun gezinnen nauwelijks te eten hebben, omdat hun voorraden door deze ontvangst zijn uitgeput. Zwijgend kijken ze toe hoe de taliban en wij de maaltijd gebruiken.
Ten afscheid nodigt Ahmadi ons uit voor een schietoefening aan de andere kant van het dorp. We wijzen het beleefd af, maar Ahmadi wil een beetje ontspanning. Hij gaat met ons naar de waterval, waar een heilige bron ontspringt die geesteszieken geneest. Een van zijn lijfwachten vuurt met zijn Amerikaanse M16, een halfautomatisch geweer, dat hij anderhalf jaar geleden op een Amerikaanse soldaat heeft buitgemaakt. ‘Ik heb hem eerst doodgeschoten en toen zijn geweer afgepakt,’ vertelt hij met een grijns. De andere lijfwacht vertelt dat ze een paar dagen geleden de vrijlating van een van hun strijders hebben gevierd. De Afghaanse regering moest dit jaar, onder druk van de VS en zwakker dan ooit, 5000 gevangen taliban vrijlaten. Een van hen kwam uit deze streek, vertelt de lijfwacht. Hij werd in 2004 gearresteerd omdat hij in Ghazni een 29-jarige Française had vermoord, Bettina Goislard, een medewerkster van het VN-vluchtelingenwerk. ‘Tot diep in de nacht hebben we gevierd dat hij weer terug was.’
Het strookje gras hoog op een rots dat ze als doelwit kiezen, weet geen van de drie te raken.
We brengen de nacht weer door in Rashidan. Weer luisteren we naar de verhalen van de dorpelingen.
‘Tot twee jaar terug waren de taliban hier erg streng. Ze hielden ons op straat aan en fouilleerden ons om naar smartphones te zoeken. Je mag alleen een gewoon mobieltje hebben. Als je een van hen bent, mag je een smartphone hebben voor het internet. Nu zijn ze wat relaxter geworden. Maar het komt er altijd op aan wie hun commandant is. Ahmadi was vroeger erg streng, met Nasrat viel altijd wel te praten. Het ergste is als er taliban van buiten komen. Dan halen we onze satellietschotels van het dak en zetten die in de tuin. Anders slaan ze ons en vernielen ze de satellietschotels met knuppels. “Waarom kijken jullie naar de kanalen van de ongelovigen,” zeggen ze.’
Nieuwe bromfiets
‘De taliban zijn erg veranderd. Ze worden corrupter. Sinds kort hebben ze allemaal een nieuwe bromfiets. Veel van hen hebben twee of drie vrouwen en sturen hun gezin naar Ghazni of Kaboel. Mensen die het dichtst bij de moskee wonen, hebben het meest te lijden. Daar overnachten grote groepen taliban, en de buren moeten dan voor eten en drinken zorgen. Ze zeggen: “wij vechten tegen de ongelovigen, en wat doen jullie? Willen jullie ons niet eens te eten geven?” Ook gedwongen huwelijken vormen een groot probleem. Als een leider van de taliban met hun dochter wil trouwen, kan een gezin dat niet weigeren. Ze maken misbruik van onze ellende. Dat is een taboe hier, daar praten de mensen niet over.’
‘We lijden steeds meer gebrek. De laatste jaren heeft het weinig geregend. We konden maar een derde van de akkers irrigeren. In Iran is geen werk meer. Onze verwanten sturen ons daarom nog maar weinig geld. Veel gezinnen kunnen geen bruidsschat meer betalen. Er zijn 90 procent minder bruiloften dan twee jaar geleden. De vaders van de meisjes vragen te veel geld. Ze zijn te inhalig. Vroeger vroegen ze in deze streek gemiddeld 10.000 euro. We hebben met de taliban gesproken, en anderhalf jaar terug hebben ze in de moskeeën afgekondigd dat een bruidsschat ten hoogste 3500 euro mag zijn. Maar dat is nog steeds te veel. De taliban weigeren het bedrag verder te verlagen. Er zijn hier zo veel stellen die weglopen en naar Kaboel gaan.’
‘De taliban zijn niet echt in ons geïnteresseerd, alleen in zichzelf. Het is met hen al bijna net als met de warlords. We zijn verloren. We weten niet meer wat beter is, de regering van de warlords of van de taliban.’
In Afghanistan leek vele jaren lang geen van de kampen een doorslaggevend militair voordeel te kunnen behalen. De drie shura’s van de taliban begonnen elkaar te bestrijden. In Pakistan werd de leider van de Quetta-shura, moellah Baradar, gearresteerd, blijkbaar omdat hij vredesonderhandelingen met Kaboel wilde; dat wilde Pakistan niet. Zijn opvolger, Akhtar Mohammed Mansour, ging op zoek naar nieuwe geldbronnen. Talrijke onderzoeken tonen aan dat hij die ook vond, namelijk in de drugssmokkel. Onder zijn leiding ontwikkelde Afghanistan zich weer tot een van de wereldwijd belangrijkste arealen voor de productie van opium. In 2014-2015 heeft de Quetta-shura meer dan 285 miljoen dollar verdiend met drugshandel. De situatie voor de regering in Kaboel werd precair toen behalve Pakistan ook Iran de taliban ging ondersteunen. Hoe dreigender Amerika zich tegenover Iran opstelde, hoe meer dat land in Afghanistan intervenieerde. In 2012 werd in het Iraanse Mashad een eigen shura opgericht, de Mashhad-shura. Met hulp van Iran waren de taliban in staat grote delen van het noorden van Afghanistan te veroveren. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat Iran zijn bijdrage aan de taliban van 30 miljoen dollar in 2006 heeft verhoogd tot 190 miljoen in 2013, wat echter niet uitsluit dat Iran tegelijkertijd de regering in Kaboel met miljoenen ondersteunt. Ook daar wil het zijn invloed niet verliezen.
Maulawi Nasrat (l) en Nisar in hun auto. Een schoolklas met Afghaanse meisjes in de Bibi Zainab-school.Markt in het district Rashidan. Sinds de machtsovername door de taliban ongeveer tien jaar geleden, zijn slechts 50 van de 250 winkels weer open.
De taliban brandmerken de regering in Kaboel als een verzameling buitenlandse marionetten. Maar feitelijk zitten ze in eenzelfde situatie. Aan alle kanten wordt aan hen getrokken. Vroeger werkten die krachten in verschillende richtingen, nu hebben ze allemaal hetzelfde doel, namelijk het minimaliseren van de westerse invloed in Afghanistan. Nu de hulp beter gecoördineerd wordt, kunnen de taliban zich ook intern strakker organiseren. Bij de vredesonderhandelingen in Doha presenteerden ze zich als één front. Maar niemand weet hoelang die eenheid blijft duren. Er deserteren al groepen naar een nog radicalere organisatie, die zal blijven oorlogvoeren en niet zal stoppen bij de grenzen van Afghanistan: Islamitische Staat.
Op de ochtend van de vijfde dag vertrekken we kort na zonsopgang uit Rashidan. ‘Wees voorzichtig,’ zegt Nisar, die ons tot aan de grens van het territorium van de taliban begeleidt. ‘De regering heeft veel spionnen.’ We willen vermijden dat we op de terugweg door overijverige Afghaanse veiligheidstroepen worden gearresteerd omdat we de taliban zouden steunen. Nisar rijdt vooruit op zijn motor en kiest wegen waarvan hij weet dat ze niet worden gecontroleerd. Hij smokkelt ons in de voorsteden van Ghazni moeiteloos langs alle wegversperringen, zoals de taliban ook doen als ze de stad aanvallen. We zwaaien, dan is hij in het stof van de weg verdwenen.
De toekomst van Afghanistan ligt weer helemaal open. De meeste waarnemers houden rekening met het snel mislukken van de vredesgesprekken. Na jaren van oorlog zijn de wonden aan beide zijden nog te diep. Veel talibancommandanten willen geen deel van hun macht opgeven als ze nog al hun macht kunnen behouden. Maar ook zij dreigen zich te misrekenen. Het innemen van de miljoenenstad Kaboel zou heel wat bloediger kunnen worden dan de strijd in de dorpen. En Kaboel houden kon wel eens nog veel lastiger worden. De Afghaanse samenleving is wat haar ideeën over waarden betreft te ver uiteengedreven. Wat hen verbindt, is wat hen scheidt. De wonden. Het verdriet. De haat. Het zal tijd kosten om de Afghanen zich met zichzelf te laten verzoenen, tijd die het land niet heeft.
Op de terugweg naar Kaboel zien we opnieuw de restanten van een bijna verslagen leger, het leger van een regering die tot voor kort de hoop van het westen was. Een schier eindeloze reeks uitgebrande wrakken en overvallen militaire bases. Een puinhoop van 170 kilometer lang. De dorpsbewoners zijn begonnen het leem van de oude vestingwallen met vrachtwagens af te voeren om het als bouwmateriaal te verkopen.
‘Hoe heeft het zo ver kunnen komen?’ vraagt een hooggeplaatste Afghaanse diplomaat in Kaboel aan een van ons. Het is een prachtige, zachte avond. Hij heeft een gezelschap afdelingshoofden van verschillende ministeries op zijn terras uitgenodigd. Het buffet staat vol allerlei heerlijks. Met een glas rode wijn in de hand staan de gasten gespannen in het donker te luisteren. Ergens in de omgeving wordt zwaar gevochten. De schietpartij duurt uren. Steeds weer komen er helikopters overvliegen. De ambtenaren telefoneren druk met hun contacten bij de veiligheidsdiensten. Maar die zeggen dat het een schietoefening is. Ze willen geen paniek. ‘We moeten gaan,’ zegt een van de gasten, ‘ik ben bang dat straks alle uitvalswegen geblokkeerd zijn.’ Maar het is nog lang geen tijd, klaagt onze gastheer. ‘Blijf toch nog even.’ Het is nog veel te vroeg om weg te gaan.’
Bellingcat en de Tsjechische regering achten bewezen dat Russische inlichtingenofficiers betrokken waren bij een explosie in een wapendepot in 2014. Volgens Bellingcat betrof dit een belangrijke missie voor het Kremlin.
Bellingcat heeft kunnen reconstrueren dat de operatie van de Russische inlichtingendienst GROe die volgens de Tsjechische autoriteiten achter de explosie zat van het munitiedepot in Vrbetice op 16 oktober 2014, werd uitgevoerd door minimaal zes agenten van eenheid 29155 van deze dienst. De missie werd persoonlijk geleid door generaal Andrej Averijanov. Hij reisde vlak voor de operatie undercover naar Midden-Europa en vertrok enkele uren na de explosie weer naar Moskou. Voor zover we weten is Averijanov slechts één keer eerder hoogstpersoonlijk voor een clandestiene operatie naar het buitenland gereisd; de geheime missie moet voor de Russische regering dus van groot belang zijn geweest. Generaal Andrej Averijanov is een hooggeplaatste militair die, zo maakt Bellingcat op uit gespreksgegevens, direct telefonisch contact onderhoudt met zowel de hoogste baas van de GROe als met het Kremlin.
Bij de operatie waren ook minimaal twee andere GROe-officiers betrokken. Kort voor de aanslag vlogen zij onder een diplomatieke dekmantel naar Boedapest, een stad op vijf uur rijden van het munitiedepot. Waarschijnlijk niet toevallig reisde één van deze diplomaten enkele maanden later naar een luchthaven op een vergelijkbare afstand van de Bulgaarse hoofdstad, kort voordat Emilian Gebrev daar door leden van deze zelfde GROe-eenheid werd vergiftigd met een chemisch wapen.
Overigens wijzen de door Bellingcat blootgelegde reisgegevens erop dat de operatie oorspronkelijk waarschijnlijk gepland stond voor een eerdere datum, maar om onbekende redenen een week werd uitgesteld. Het lijkt erop dat verschillende leden van eenheid 29155 vlak voor de operatie via aangrenzende landen naar Tsjechië reisden. Al op een eerder moment troffen ze elkaar in Zwitserland voor een voorbereidingsmissie.
Voorbereiding
Op 25 september 2014 vlogen majoor generaal Denis Sergejev en luitenant-kolonel Jegor Gordjenko van Moskou naar Genève en checkten in in het Nash Airport Hotel. Ze reisden onder de namen ‘Sergej Fedotov’ en ‘Georgi Gorsjkov’, identiteiten die de GROe hen had verschaft. Later zou Bellingcat Sergejev aanwijzen als de ‘derde man’ in de operatie waarbij de Skripals werden vergiftigd. En zes maanden na de reis naar Genève zou hij samen met ‘Gorsjkov’ naar Bulgarije reizen om de Bulgaarse wapenfabrikant Emilian Gebrev te vermoorden.
Links: Generaal Andrej Averijanov. Rechts: Luitenant-kolonel Jegor Gordjenko.
De ochtend na aankomst in Genève huurden Sergejev en Gordjenko bij Sixt een BMW 116i. Uit documenten in handen van Bellingcat blijkt dat zij in de vijf dagen dat zij de auto huurden, 545 kilometer aflegden. Een eerder Bellingcat-onderzoek liet al zien dat Sergejev’s telefoon gedurende zijn reizen naar Genève opdook in de omgeving van Chamonix, een Frans skidorp op zestig kilometer afstand van de stad. Later berichtten Franse media dat westerse geheime diensten ontdekt hadden dat eenheid 29155 daar een verborgen logistieke basis opgezet had. Het doel van deze reis is onduidelijk, maar vast staat dat Sergejev gedurende dit korte verblijf intensief communiceerde met zijn chef, kolonel-generaal Andrej Averijanov. Eerder door Bellingcat verkregen telefoongegevens laten zien dat Sergejev sowieso altijd contact hield met Averijanov. Beiden gebruikten bij buitenlandse operaties anonieme prepaid-simkaarten – zo ook bij de vergiftiging van de Skripals.
De GROe-officiers ontvingen niet lang na hun missie militaire onderscheidingen
Op 2 oktober 2014 boekte de commandant van de twee spionnen – generaal Andrej Averijanov – een vliegticket van Moskou naar Lissabon voor twee dagen erna, zaterdag 4 oktober. Averijanov reisde als toerist, onder zijn valse naam Andrej Overijanov, die maar één letter verschilt van zijn echte. Niet duidelijk is of de GROe-generaal in de Portugese hoofdstad iemand ontmoette of daar het Schengengebied binnenkwam louter omdat het land zijn alter ego een visum had verstrekt. Voor de 7e oktober had hij een doorreis geboekt van Lissabon naar Wenen, maar deze ticket gebruikte hij niet. In plaats daarvan nam Averijanov nog diezelfde dag – 4 oktober 2014 – een vlucht naar Genève, waar Sergejev en Fedotov op hem wachtten. Twee dagen later – op 6 oktober – vloog hij terug naar Moskou met een overstap in Warschau.
De volgende dag verschenen generaal Averijanov en vier andere leden van eenheid 21955 op hun werk aan de Korosjevskoje Chaussee 76B, het GROe-hoofdkwartier in Moskou. De mannen boekten tickets voor verschillende vluchten, die hen allen een week later tot op een paar uur rijden van het Tsjechische munitiedepot zouden brengen.
Formatievliegen
Op 7 oktober 2014 boekte generaal Averijanov – opnieuw onder zijn valse identiteit Overijanov – een Aeroflot-vlucht naar Wenen op 13 oktober 2014. De terugvlucht boekte hij voor twee dagen later, 15 oktober.
Op datzelfde moment kocht luitenant-kolonel Nikolaj Jezjov, een ander lid van eenheid 29155, een ticket naar Wenen voor 11 oktober 2014, twee dagen eerder dus dan zijn chef. Net als Averijanov boekte hij zijn terugvlucht voor 15 oktober, onder het alias Nicolaj Kononichin.
Tegelijkertijd kochten ook twee andere leden van eenheid 29155 – doctor Alexandr Misjkin en kolonel Anatoli Tsjepiga, tickets naar Midden-Europa. Net als Jezjov zouden zij reizen op 11 oktober -maar naar Praag, niet naar Wenen. Zij boekten hun tickets onder valse identiteiten van vertegenwoordigers in sportvoeding: ‘Alexandr Petrov’ en ‘Ruslan Bosjirov’- onder deze zelfde aliassen waren zij vier jaar later te zien in een uitzending van televisiezender RT als gestrande toeristen. Uit hun reisgegevens blijkt dat zij geen terugvlucht boekten, schijnbaar was die datum nog onzeker.
Ook twee andere leden van eenheid 29155 boekten die ochtend vliegtickets. In tegenstelling tot de anderen vlogen zij onder hun eigen namen: Aleksej Kapinos en Jevgeni Kalinin. De twee deden zich voor als diplomaten op dienstreis naar de Russische ambassade in Boedapest, met in hun bagage diplomatieke post. Hun heenvlucht stond gepland voor 10 oktober 2014 en de terugvlucht, net als die van Averijanov en Jezjov, op 15 oktober 2014.
Enkele dagen later bevonden de vijf GROe-agenten zich in Midden-Europa. ‘Petrov’ en ‘Bosjirov’ landden op 11 oktober in Praag, checkten in in hun hotel en zetten zelfs een foto van het oude stadscentrum op sociale media. Dat bericht zou ons later in staat stellen het tweetal te volgen in de nasleep van de vergiftiging van de Skripals.
Rond diezelfde tijd landde Nikolaj Jezjov in Wenen. En op 13 oktober kwam ook Jezjovs baas Andrej Averijanov in Wenen aan. Nog diezelfde dag reden ‘Bosjirov’ en ‘Petrov’ van Praag naar Ostrava, een stad op één uur rijden van het munitiedepot, waar zij hun intrek namen in Hotel Corrado. Uit gespreksgegevens blijkt dat Averijanovs telefoon na zijn aankomst op 13 oktober maar een paar uur lang verbonden was met Oostenrijkse netwerken en pas ’s middags op 16 oktober weer verbinding maakte. Een werkhypothese is dat Jezjov en Averijanov naar Ostrava reden – op iets meer dan drie uur rijden van Wenen – waar zij de agenten Misjkin en Tsjepiga ontmoetten en naar alle waarschijnlijkheid ook de twee als diplomaten reizende officiers Kapinos en Kalinin – om de plaatsing van de op afstand detoneerbare explosieven in het Vrbetice-depot voor te bereiden.
Nog niet duidelijk is, wanneer en hoe de GROe-missie toegang kreeg tot het terrein van het munitiedepot om de explosieven te kunnen plaatsen. Volgens de Tsjechische politie en media deden Tsjepiga en Misjkin zich mogelijk voor als potentiële wapenkopers van de Nationale Garde van Tadzjikistan. Zij vroegen expediteur Imex, één van de gebruikers van het munitiedepot, toegang tot het streng bewaakte terrein voor de dagen van 13 tot 17 oktober 2014. Onduidelijk is of de twee er binnenkwamen via een contact bij Imex (het bedrijf zegt dat het tweetal nooit kwam opdagen), of langs andere weg – wellicht via een andere gebruiker van de opslagplaats. Hoe het ook zij, om 9:25 uur op 16 oktober 2014 ontplofte munitiedepot nummer 16, een felle explosie waarbij gebouwen werden weggevaagd en twee werknemers van Imex om het leven kwamen.
Terugkeer
Minuten na de explosie van het munitiedepot in Vrbetice gingen Anatoli Tsjepiga en Alexandr Michkin aan boord van hun Aeroflot-vlucht van Wenen naar Moskou. Het vliegtuig steeg op om 10:05 uur ‘s ochtends.
Later die dag reden de twee andere GROe-officiers, generaal Averijanov en luitenant-kolonel Nikolaj Jezjov terug naar Wenen en gingen vandaar direct naar het vliegveld. Averijanov – die de vorige dag zijn terugvlucht had gemist – kocht op de luchthaven om 18:17 uur een nieuw ticket en steeg op om 22:46 uur richting Moskou.
Nikolaj Jezjov, die ook een dag eerder zijn terugvlucht had gemist, bleef nog enkele dagen in Oostenrijk. Hij probeerde tussen 27 oktober en 2 november een aantal malen een terugvlucht te boeken en vloog uiteindelijk terug op 3 november 2014. We weten nog niet of hij gedurende deze tijd in Oostenrijk bleef of terugkeerde naar Tsjechië.
De paspoorten die Tsjepiga en Misjkin gebruikten om toegang te vragen tot het wapendepot in Vrbetice.
De bevindingen van Bellingcat in dit voorlopig onderzoek naar de explosie van het Tsjechische munitiedepot in 2014 onderschrijven verklaringen van de Tsjechische autoriteiten over de betrokkenheid van GROe-eenheid 29155. Ze geven de indruk dat het om een hoogst geavanceerde operatie ging, waar niet minder dan zes undercover GROe-officiers bij betrokken waren. Schijnbaar was zelfs de directe betrokkenheid nodig van de commandant van de eenheid, generaal Averijanov. Normaal gesproken reizen commandanten van geheime diensten nooit undercover, vanwege de risico’s die dat oplevert. Uit onze analyse van zijn reisgegevens blijkt dat Averijanov slechts bij één andere missie, in 2015, reisde onder valse naam.
De directe betrokkenheid van generaal Andrej Averijanov wijst ook naar de Russische politieke leiders. Averijanov is meer dan alleen een hoge commandant in de Russische militaire geheime dienst die – zo blijkt uit analyses van zijn telefoonverkeer – direct verslag uitbrengt aan de directeur van de GROe. Hij staat in direct contact met het Kremlin, onder meer – zo blijkt uit zijn gespreksgegevens -met het kantoor van de minister van Buitenlandse Zaken Lavrov. Met deze laatste voerde Averijanov zowel vóór als na de vergiftiging van de Skripals geregeld gesprekken.
Hoe belangrijk deze operatie was voor het Kremlin, blijkt wel uit het feit dat de deelnemende leden van de eenheid niet lang na hun missie militaire onderscheidingen ontvingen. Al eerder meldden wij dat Alexandr Misjkin en Anatoli Tsjepiga in december 2014 de hoogste Russische militaire onderscheiding kregen. Rond diezelfde tijd ontvingen ook andere leden van het team, waaronder Gordjenko en Jezjov, militaire eerbewijzen, zo blijkt uit gelekte documenten in ons bezit. Het geeft aan dat de missie voor de militaire en politieke leiders van Rusland van groot belang was en als succesvol werd beschouwd.
In een volgend rapport zullen we dieper ingaan op de waarschijnlijke motieven achter de operatie en het verband met de vergiftiging van drie Bulgaarse burgers in 2015.
Het onderzoek
• In 2018 identificeerde Bellingcat samen met haar onderzoekspartner The Insider de vermoedelijke daders van de vergiftiging van Sergej en Joelia Skripal met Novichok. Het ging om twee kolonels van de Russische militaire inlichtingendienst GROe, Alexandr Misjkin en Anatoli Tsjepiga. In 2019 identificeerde Bellingcat nog een derde bij de vergiftigingsmissie betrokken GROe-officier, generaal-majoor Denis Sergejev.
• In een vervolgonderzoek identificeerde Bellingcat Denis Sergejev als de agent die in 2015 voor GROe-eenheid 29155 de vergiftiging uitvoerde van de Bulgaarse wapenfabrikant Emilian Gebrev.
• In 2020 onthulde Bellingcat dat leden van eenheid 29155 – waaronder Tsjepiga en Misjkin – zich in Tsjechië bevonden op het moment dat in het noorden van Moravië een groot wapendepot ontplofte.
• Op 17 april 2021 kwamen de Tsjechische autoriteiten met hun eigen bevindingen: volgens hen zat GROe-eenheid 29155 achter de explosies in Tsjechische wapendepots in 2014. De Tsjechische politie baseerde zich op een recent ontdekte e-mailcorrespondentie. Daarin vroegen Alexandr Petrov en Anatoli Tsjepiga, kort voordat de explosie plaatsvond, onder valse namen toegang tot het munitiedepot.
Dit onderzoek werd uitgevoerd met partners The Insider, Der Spiegel en Respekt.cz
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.