Afrikaanse landen, Rwanda voorop, willen af van de tweedehandskleding uit het Westen. Maar die blijkt moeilijk tegen te houden.
Als er in de VS grote schoonmaak wordt gehouden, voelt het als een daad van onbaatzuchtigheid om geliefde kleren in een inzamelingsbak te gooien. Die sweaters met vlekken erop, T-shirts die je in het zomerkamp droeg en uit de mode geraakte shorts mogen wel naar iemand die ze harder nodig heeft, toch?
Het ligt iets gecompliceerder. Het grootste deel van Amerika’s afgedankte kleren wordt door onder meer het Leger des Heils en Goodwill aan privébedrijven verkocht. Balen tweedehandskleren worden met containerladingen tegelijk verscheept, voornamelijk naar het Afrika ten zuiden van de Sahara – het is een industrie geworden waarin miljarden dollars omgaan.
Maar Afrikaanse regeringen hebben daar langzamerhand meer dan genoeg van. Wat velen in het Westen beschouwen als een genereus gebaar, verhindert hen hun eigen kledingindustrieën op te bouwen, zeggen ze. In maart 2016 besloten vier Oost-Afrikaanse landen de importheffingen op tweedehandskleren te verhogen, in sommige gevallen zelfs met een factor twintig.
De patstelling laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt
De Amerikaanse tweedehandskledinglobby trok aan de alarmbel en de regering-Trump startte vorig jaar een onderzoek naar de vraag of de vier landen misschien een achttien jaar oud handelsverdrag met de VS overtraden. De Oost-Afrikaanse regeringen werden onder druk gezet en verlaagden hun heffingen weer naar het oude niveau. Behalve Rwanda.
Nu lijdt een Rwandese leider, die zichzelf als een trotse visionair ziet, onder de consequenties van zijn beslissing zich te verzetten tegen Washington. Binnenkort staat Rwanda volgens de African Growth and Opportunity Act de opschorting te wachten van enkele van zijn belastingvrije handelsprivileges op het gebied van kleding. De pogingen een binnenlandse kledingindustrie van de grond te krijgen, hebben intussen weinig resultaten opgeleverd. En Rwandezen die in de tweedehandskledingindustrie werken, klagen dat ze schade lijden.
De patstelling tussen de economische reus van de wereld en een van Afrika’s snelst groeiende economieën kan niet echt een handelsoorlog worden genoemd – het is meer een schermutseling. De totale tweedehandskledingimport in Rwanda was in 2016 volgens regeringsstatistieken nog geen 7 procent van die van heel Oost-Afrika. En de kledingexport naar de VS bedroeg een minuscule 2 miljoen dollar. Maar het laat zien hoeveel moeilijkheden zelfs een lagelonenland als Rwanda kan ondervinden bij het ontwikkelen van een industrie in een sterk concurrerende wereldmarkt.
‘Made in Rwanda’
President Paul Kagame is ervan overtuigd dat hij in Rwanda fabrieken kan opzetten en zijn land afstand kan laten doen van de tweedehandskleren die hij als onwaardig beschouwt. Hij maakt deel uit van een aantal Afrikaanse leiders die een dam willen opwerpen tegen de stroom gebruikte goederen – van kleren tot elektronica en medische apparatuur – die op het continent terechtkomen nadat iemand anders ze heeft weggegooid. ‘Wat mij betreft is het een simpele keus,’ zei Kagame vorig jaar tegen journalisten over het handelsgeschil. ‘Er zouden consequenties aan vast kunnen zitten.’ Maar, zei hij, Rwanda en andere landen in Afrika ‘moeten groeien en eigen industrieën opzetten’.
Vroeger produceerde Rwanda, net als andere Oost-Afrikaanse landen, het grootste deel van zijn kleding zelf. Maar in de jaren tachtig werkten regionale leiders samen met de Wereldbank en het Internationale Monetaire Fonds om hun economieën open te stellen en meer handel toe te laten. Dat resulteerde in een toevloed van goedkope import. De Rwandese genocide in 1994 bracht verdere schade toe aan de lokale industrie. De kleding die nu in Rwanda voor de lokale markt wordt geproduceerd, is voornamelijk erg duur en gericht op stedelingen met een goede baan.
De regering van Kagame lanceerde onlangs ‘Made in Rwanda’, een campagne om lokale productie aan te moedigen en te subsidiëren. Tot nu toe heeft die echter nog weinig vooruitgang geboekt. Het luxemerk Kate Spade laat in Rwanda handtassen in elkaar zetten voor de export, en twee andere fabrieken hebben er hun deuren geopend – een met een Rwandese en een met een Chinese eigenaar.
Rwanda heeft te kampen met talloze nadelen. Het is geheel door land omgeven en ligt ver van zeehavens, de binnenlandse markt is klein en arm, en er is een gebrek aan goed opgeleide arbeiders. Het zal niet snel het volgende Vietnam of Bangladesh worden.
De Rwandese kledingindustrie is nauwelijks gegroeid en de markt voor tweedehandskleding – die chagua wordt genoemd, van het Swahilische woord voor ‘kiezen’ – is ingezakt vanwege de nieuwe invoerrechten, terwijl er meer dan 18.000 mensen werkzaam zijn. ‘Ik heb mijn prijzen moeten verdriedubbelen,’ zegt Zaetzev Sibomana (26), die tweedehandskleding verkoopt op de markt in de wijk Nyamirambo in Kigali, de hoofdstad van Rwanda. ‘Ze hebben de branche vernietigd en daarmee mijn spaarcentjes. Ik woon nog bij mijn ouders.’ De eigenaren van de winkel naast hem zijn de goedkope, Chinese kleding gaan verkopen die nu de Amerikaanse tweedehandskleren vervangt. Die Chinese kleren zijn nieuw, waardoor ze niet onderworpen zijn aan de hoge invoerrechten.
Isai Mugabo, een van de winkeleigenaren, is niet blij met die verschuiving. Chagua was chiquer dan de Chinese kleren, mensen konden zich er modieus in voelen, zegt hij. ‘De meeste van mijn klanten gaan nu ontevreden de winkel uit. Vroeger vonden ze altijd wel iets unieks, maar nu gaat iedereen weg met hetzelfde overhemd. Ze lopen nu allemaal rond in een soort Chinees uniform.’
‘Banenverlies in VS’
De belangrijkste Amerikaanse handelsvereniging voor tweedehandskleding, de Secondary Materials and Recycled Textiles Association, riep vorig jaar Amerikaanse handelsvertegenwoordigers op kritiek te leveren op de gestegen importheffingen van de Oost-Afrikaanse landen. Volgens hen hadden de maatregelen al een ‘dramatische, negatieve invloed’ op de Amerikaanse industrie. De industriegroep zei dat er 5000 banen in de private sector plus 19.000 posten bij non-profitorganisaties verloren waren gegaan, en dat uiteindelijk 40.000 Amerikaanse banen ‘negatieve invloeden’ konden ondervinden door de verhoogde heffingen. Een verzoek om een interview werd door de groep afgewezen.
Drie onafhankelijke analisten zetten vraagtekens bij het berekende banenverlies in de industrie. ‘Die aantallen klinken absurd hoog,’ zegt Todd Moss, een voormalig Amerikaans plaatsvervangend staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken, die nu staflid is van het Center for Global Development, een denktank. Hij en anderen hebben kritiek geleverd op de acties van de regering-Trump. ‘Het is buitengewoon schadelijk om te zien hoe de grootste economie ter wereld – om irrelevante, mercantilistische redenen – een Afrikaanse partner straft en intimideert,’ zegt Moss.
Ambtenaren van de regering-Trump zeggen echter dat een strengere naleving van internationale overeenkomsten essentieel is om het handelsbeleid weer in evenwicht te brengen in het belang van Amerikaanse arbeiders. En Amerikaanse functionarissen merken op dat Oost-Afrikaanse landen zich moeten houden aan wat ze hebben afgesproken toen ze het akkoord, dat hun vele voordelen oplevert, sloten.
Kagames woordvoerder wilde geen commentaar leveren op dit artikel, evenmin als Rwanda’s ministerie van Handel.
‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan’
Op de korte termijn zou het handelsgeschil gunstig kunnen uitpakken voor China. In haar kritiek op de Oost-Afrikaanse verhoging van invoerrechten op tweedehandskleding voerde de Amerikaanse Handelsvertegenwoordiging aan dat Chinese import ‘een veel groter gevaar oplevert voor de Oost-Afrikaanse binnenlandse industrieën’ dan Amerikaanse tweedehandskleding. De Chinese kledingexport naar Oost-Afrika was in 2016 goed voor 1,2 miljard dollar, ‘een factor vier groter dan de waarde van tweedehandskleding’, schreef de instantie.
Leveranciers van tweedehandskleding in Kigali zeggen dat zij en hun klanten zich in de steek gelaten voelen door de handelsverschuivingen. ‘Wij in Rwanda willen duurzame dingen: kleren die lang meegaan, banen die blijven bestaan, een industrie die blijft bestaan,’ zegt Nadine Ingabire, die al tien jaar chagua verkoopt. ‘Zover zijn we nog niet. We hebben chagua nodig tot we wel zover zijn. Die keus is noodzakelijk. Het is niet ideaal om alleen chagua te hebben, maar alleen goedkope Chinese kleding hebben is dat ook niet. En tegen mensen die zeggen ‘Koop in Rwanda gemaakte kleding’, zeg ik: niet iedereen kan zich een klerenkast vol zondagse kleren veroorloven.’
Het werk van de Afrikaanse filosoof Achille Mbembe toont aan hoe het denken over ras en racisme aan de basis ligt van onze kijk op de moderniteit en daardoor op de wereld waarin we leven.
De Afrikaanse filosoof Achille Mbembe heeft een benijdenswaardige reputatie opgebouwd als wetenschapper die vraag- tekens plaatst bij de dogma’s van de moderniteit. Zo staat hij kritisch tegenover de ontwikkeling in de richting van meer kapitalistische economieën, de toename van sociale verschillen en de verbreiding van het West-Europese denken. In al zijn boeken, van On Private Indirect Government (2000) tot zijn laatste boek Critique of Black Reason (2017) heeft hij zich gericht op de vraag in hoeverre de wereld verantwoordelijk kan worden gesteld voor het ontstaan en de gevolgen van het begrip ras en racisme.
In Critique of Black Reason daagt Mbembe ons uit met andere ogen naar het heden te kijken om zo een toekomst te kunnen uitzetten die, volgens Mbembe, anders zal zijn dan het verleden en het heden.
Een centraal thema van Mbembe is de manier waarop ras en racisme een rol hebben gespeeld bij de inrichting van de moderne wereld. Hoe de wereld ook geprofiteerd heeft van de moderniteit, je kunt niet om de essentiële rol heen die ras en racisme in de opbouw van die moderniteit hebben gespeeld. Daarom is het voor Mbembe van het grootste belang dat we dit aspect van de moderniteit onderzoeken, omdat het mensen blijft uitsluiten en nieuwe en oude slacht-offers maakt die de ‘verworpenen der aarde’ zijn.
Symbolisch
Voor Mbembe is het begrip ras in de eerste plaats symbolisch. Het staat voor de manier waarop mensen leven en voor de plek waar ze leven. Dit verklaart het type debat waarin hun wordt verboden – of toegestaan – om een betekenisvol bestaan te leiden.
In zijn laatste boek zoomt hij in op de opkomst van debatten over ras en andere verschillen tijdens de achttiende eeuw in een periode die algemeen bekendstaat als het ‘tijdperk van de rede’ of de Verlichting. Dit was een periode waarin wetenschap, filosofie en andere disciplines en maatschappelijke discussies verschillen tussen mensen definieerden, ingegeven door twee factoren: materiële belangen en de onwil om met het onbekende te leven. Mbembe wil laten zien dat dit idee van de Verlichting verantwoordelijk is voor het ontstaan van het begrip ras en daarmee van het racisme: ‘De Zwarte Man is degene die (of het ding dat) je ziet als je niets ziet, als je niets begrijpt en bovenal, als je niets wilt begrijpen.’
Dit is niet toevallig, wat Mbembe betreft. Het komt doordat de term ‘zwart’ het product was van een sociaal en technologisch proces dat nauw verbonden was aan de opkomst en globalisering van het kapitalisme. ‘Zwart’ werd bedacht als teken van uitsluiting, ontmenselijking en vernedering, het moest een grens aanduiden die telkens opnieuw werd opgeroepen en verafschuwd. Zo bezien is kapitalisme alleen mogelijk omdat het mensen uitsluit. Gedurende een groot deel van onze hedendaagse geschiedenis is dit gebeurd via het debat over ras.
Terwijl ras en racisme nog steeds een belangrijke rol spelen in het heden, is het ook duidelijk dat er sprake is van een “zwart worden van de wereld”
Afrika is het continent waar de meeste ‘zwarte’ mensen wonen. Mbembe houdt zich dan ook bezig met de geschiedenis van Afrika en met de manier waarop dat continent is gebruikt, en misbruikt, als de tegenpool van de westerse moderniteit. Aangezien het Westen afhankelijk is van de ‘Rest’ om zichzelf te definiëren, is het niet verrassend, beweert Mbembe, dat wanneer het over Afrika gaat, de samenhang tussen woorden, beelden en het onderwerp zelf er weinig toe doet. Het is niet noodzakelijk dat de naam overeenkomt met het onderwerp, of dat het onderwerp naar zijn naam luistert. Dit is omdat je, als je het woord ‘Afrika’ zegt, in het algemeen alle verantwoordelijkheid van je afschuift. En over dit afschuiven van verantwoordelijkheid heeft Mbembe het als hij pleit voor een andere manier om in de wereld te staan en te leven met mensen die anders zijn dan jijzelf. Het woord ‘Afrika’ mag dan staan voor lijden in het verleden en heden, er is ook iets in het woord, schrijft Mbembe, ‘dat een oordeel uitspreekt over de wereld en roept om herstel, teruggave en gerechtigheid. De aanwezigheid daarvan in de wereld kan alleen begrepen worden als onderdeel van een analyse van het begrip ras’.
Terwijl ras en racisme nog steeds een belangrijke rol spelen in het heden, betoogt Mbembe, is het ook duidelijk dat er sprake is van een ‘zwart worden van de wereld’, wat te maken heeft met de vele vormen van uitsluiting en geweld die het heden achtervolgen.
Mbembe schrijft bijvoorbeeld: ‘Als het drama van het individu gisteren de uitbuiting door het kapitaal was, dan is de tragedie van de velen vandaag de dag dat zij niet eens uitgebuit kunnen worden. Ze zijn achtergeblevenen, overgeleverd aan de rol van “overbodige mensheid”.’
Hoe kun je dan doorgaan met leven, en hoop hebben wanneer het lijkt of de geschiedenis van de wereld een geschiedenis van vernedering en wreedheid is? Om die vraag te beantwoorden wendt Mbembe zich tot filosoof Franz Fanon (zoals hij in dit boek vaak doet) en schrijft dat een van de belangrijke lessen die deze ons heeft geleerd, het idee is ‘dat in elk mens iets ontembaars en fundamenteel onaantastbaars zit, iets wat door geen enkele overheersing – welke vorm die ook aanneemt – vernietigd of onderdrukt kan worden, tenminste niet helemaal.’
Daarin ligt de mogelijkheid van een andere toekomst. Want, zo zegt Mbembe: ‘Tot we racisme uit ons huidige leven en uit onze gedachtewereld hebben gebannen, zullen we moeten doorgaan met de strijd voor een wereld voorbij ras. Maar om die te bereiken, om aan een tafel te kunnen gaan zitten waaraan iedereen welkom is, moeten we een definitieve politieke en ethische analyse geven van het racisme en de ideologieën van verschil…’
En dat is precies wat dit boek doet. Critique of Black Reason is een indrukwekkend boek, dat denkers als Fanon, Aimé Césaire, Friedrich Nietzsche, Marcus Garvey, Nelson Mandela, Michel Foucault en vele anderen bij elkaar brengt. Het laat lezers zien hoe het denken over ras en racisme aan de basis ligt van onze kijk op de moderniteit en daardoor op de wereld waarin we leven. Meer nog echter daagt het boek zijn lezers uit om af te rekenen met de vormen van uitsluitend denken waarvan ons leven nog steeds doortrokken is. Alleen zo kunnen we, volgens Mbembe, degenen die door de geschiedenis heen zijn onderworpen aan abstractie en objectificatie de menselijkheid teruggeven die van hen is gestolen.
Auteur: Manosa Nthunya
Bij het ter perse gaan van 360 hoorden wij helaas dat Achille Mbembe verhinderd is. Het onderdeel ‘Post Colonial Europe?’ komt daarmee te vervallen.
Het kleine Britse broertje van de Australische The Conversation, opgericht door een groep journalisten, verwierf in drie jaar tijd al groot aanzien. The Conversationwerkt met ‘open bronnen’ en wil mede op deze manier een frisse en onafhankelijke blik op het nieuws bieden. Op de site komen vooral onderzoekers en academici aan het woord.
Voor de oeroude Afrikaanse beschaving van de Nubiërs bestond lang nauwelijks aandacht. Nu zijn archeologen verwikkeld in een race tegen de klok om vast te leggen wat er nog van over is.
In 1905 togen Britse archeologen naar een smalle landstrook in Noordoost-Afrika om artefacten uit drieduizend jaar oude tempels op te graven. Ze keerden onverrichter zake terug met voornamelijk foto’s, ontmoedigd door de immer verschuivende zandheuvels. ‘Bij iedere stap zakten we tot onze knieën weg’, schreef Wallis Budge, de Britse egyptoloog en filoloog destijds. ‘We deden verschillende proefopgravingen maar troffen niets aan wat de moeite waard was mee te nemen.’
In de eeuw die volgde was er nauwelijks interesse voor de regio die bekendstaat als Nubië, de bakermat van oudere beschavingen dan het Oude Egypte, gelegen langs de Nijl in wat vandaag de dag het noorden van Soedan en het zuiden van Egypte is. Het land was onherbergzaam en een aantal archeologen wees al dan niet openlijk het idee van de hand dat zwarte Afrikanen in staat waren kunst te maken, technologie te ontwikkelen of steden te bouwen zoals de Oude Egyptenaren of de Romeinen. Moderne handboeken behandelen Nubië nog steeds als een soort appendix bij Egypte, met hooguit een paar alinea’s over zwarte farao’s.
Inmiddels is dit beeld gekanteld en beseffen archeologen hoe weinig tijd hen rest om de historische betekenis van Nubië volledig te ontvouwen. ‘Dit is een van de grote, oudste bekende beschavingen ter wereld,’ zegt archeoloog Neal Spencer, verbonden aan het British Museum. De afgelopen tien jaar heeft Spencer op een van de archeologische sites gewerkt die zijn academische voorgangers een eeuw geleden hebben gefotografeerd: Amara West, ongeveer honderdvijftig kilometer ten zuiden van de grens tussen Egypte en Soedan. Uitgerust met een magnetometer, een apparaat dat magnetische patronen van objecten in de bodem registreert, brengt Spencer duizenden metingen in kaart om zo hele nederzettingen onder het zand bloot te leggen, fundamenten van piramides en ronde grafheuvels, oftewel tumili, met tombes waarin skeletten in typisch Nubische stijl op grafbedden rusten, daterend uit 1300 tot 800 vóór Christus.
‘Het inheemse negerras heeft nooit handel of nijverheid van enige betekenis ontwikkeld en dankt zijn culturele status aan de Egyptische immigranten en de geïmporteerde Egyptische beschaving’
Het Nijldal in het noorden van Soedan is bezaaid met dit soort sites, en overal stuitten archeologen op honderden artefacten, rijkversierde tombes, tempels en steden. Elke vondst is waardevol, zeggen de wetenschappers, omdat ze licht werpen op de Nubiërs: wie ze waren, wat voor kunst ze maakten, de taal die ze spraken, hun godsdienstige rituelen, hoe ze stierven: belangrijke puzzelstukken voor de beeldvorming van de mozaïek van beschavingen. Alleen dreigen deze heilige archeologische sites door woestijnvorming en de aanleg van stuwdammen voorgoed onder het zand of onder de waterspiegel te verdwijnen. ‘Nu pas realiseren we ons hoeveel archeologische schatten daar nog op ons liggen te wachten,’ zegt archeoloog David Edwards van de Universiteit van Leicester. ‘Maar nu is het eigenlijk te laat,’ voegt hij eraan toe. ‘Binnen tien jaar is het grootste deel van het oude Nubië waarschijnlijk weggevaagd.’
Tussen 5000 en 3000 v.Chr., toen de tropische jungles bij de opwarming van de aarde plaatsmaakten voor woestijnen, begon de trek naar de groene oevers van de Nijl. ‘Het wemelt er van de archeologische sites omdat de Nijlvallei, vanaf de prehistorie tot nu, al duizenden jaren is bewoond,’ vertelt Vincent Francigny, directeur van het Franse Archeologische Instituut in zijn kantoor in de hoofdstad van Soedan, Khartoem. De eerste archeologische sporen van het Nubische koninkrijk, Koesj, stammen uit ongeveer 2000 v.Chr. Egyptenaren veroverden gedurende een paar honderd jaar delen van het Koesjitische rijk. Rond 1000 v.Chr. lijken de Egyptenaren te zijn vertrokken, of ze hebben zich geheel met de lokale bevolking vermengd. In 800 v.Chr. namen Koesjitische koningen, ook wel bekend als de zwarte farao’s, Egypte een eeuw lang over: twee cobra’s die de kronen van de farao’s versieren staan voor de vereniging van de koninkrijken. Rond 300 n.Chr. begon de ondergang van het Koesjitische rijk.
Over het leven van Nubiërs in die tijd is bijna niets bekend. ‘Britse egyptologen uit de negentiende eeuw verlieten zich op verslagen van oude Griekse historici die de wildste verhalen uit hun duim zogen,’ zegt Francigny. ‘Ze namen niet de moeite zelf af te reizen naar Soedan.’ De Amerikaanse archeoloog George Reisner, verbonden aan de Harvard-universiteit, was de eerste die begin twintigste eeuw serieus onderzoek deed. Reisner ontdekte tientallen piramides en tempels in Soedan, legde de namen van koningen vast en verscheepte de kostbaarste antiquiteiten naar het Museum of Fine Arts in Boston. Met dedain dichtte hij iedere vorm van hoogstaande architectuur zonder enig bewijs aan blankere rassen toe. In 1918 schreef hij, alsof het als een paal boven water stond, in een bulletin van het museum: ‘Het inheemse negerras heeft nooit handel of nijverheid van enige betekenis ontwikkeld en dankt zijn culturele status aan de Egyptische immigranten en de geïmporteerde Egyptische beschaving.’ Er heilig van overtuigd dat een donkere huidskleur een lagere intelligentie aanduidde, weet hij de ondergang van Nubië aan de vermenging van de Egyptenaren met de oorspronkelijke bewoners.
Reisner was in alle opzichten een kind van zijn tijd. Archeologen van de oude stempel waren meer gericht op het samenstellen van namenlijstjes van farao’s en het verschepen van culturele schatten, dan dat ze door middel van antiquiteiten inzicht probeerden te krijgen in de ontwikkeling van samenlevingen en culturen.
Archeoloog Stuart Tyson Smith, verbonden aan de Universiteit van Californië, Santa Barbara, stoft objecten die hij de afgelopen jaren in Nubische graven heeft verzameld vanuit een heel andere benadering af. Smith en zijn team doen opgravingen in Tombos, een enorme necropolis ten zuiden van Amara West, die vóór 700 v.Chr. honderden jaren in gebruik was. Opgetogen leidt Smith me op locatie rond door opslagruimtes die vol staan met onlangs opgegraven voorwerpen. Ook tijdens hun reis naar het land der doden wilden onze voorvaderen goed voor de dag komen: ze kregen in hun graf kohlpoeder, reukwater en versierde cosmeticadozen mee. Op een houten tafel ligt een vrouwenschedel met een aangekoekte laag aarde vol termietengangen. Glunderend pakt Smith een vuistgrote amulet die hij naast dit skelet heeft gevonden. De amulet heeft de vorm van een scarabee, in Egypte een veelvoorkomend symbool van wedergeboorte, alleen heeft deze kever een mensenhoofd. ‘Dit is heel ongebruikelijk,’ zegt Smith. Lachend vertaalt hij de hiërogliefen die op de onderkant zijn gegraveerd: ‘Laat mijn hart op de Dag des Oordeels niet tegen mij getuigen.’
Smiths collega, Michele Buzon, bioarcheoloog aan de Purdue-universiteit in Indiana, zal de schedel naar haar lab in West Lafayette laten verschepen om de isotopensamenstelling van strontium in het tandglazuur te analyseren. Strontium is een element dat in wisselende hoeveelheden in de grondlaag en in gesteente voorkomt. Omdat strontium bij opgroeiende kinderen via het drinkwater in de tandglazuurlaag wordt opgenomen, is het een indicatie van de regio waar een persoon is geboren. De uitslag zal uitwijzen of de vrouw uit Egypte kwam, zoals de scarabee doet vermoeden, of dat het om een lokale bewoner gaat met een voorliefde voor Egyptische spullen.
Er zijn voldoende aanwijzingen waaruit blijkt dat Egyptische gezagsdragers tussen 1450 en 1100 v.Chr. in Tombos tussen de Nubiërs leefden en stierven. Egypte inde belasting in de regio, een belangrijk handelscentrum waar ivoor, goud en dierenhuiden vanuit het zuiden via de Nijl naar het noorden werden vervoerd. Maar in schedels uit 900 v.Chr. vindt Buzon nog zelden aanwijzingen voor Egyptische wortels in het tandglazuur. Strontiumisotopen tonen aan dat het om geboren en getogen Nubiërs gaat, hoewel de cultuur nog duidelijke Egyptische invloeden vertoonde; een vroege vorm van culturele assimilatie. ‘De twee culturen smolten samen,’ zegt Smith. In 2005 legde hij een grafkamer bloot met daarin een mannelijk skelet, omgeven door Nubische pijlpunten, geïmporteerde voorwerpen uit het Midden-Oosten en een koperen beker, aan de binnenzijde gegraveerd met stieren, een veelvoorkomend motief in Nubische ontwerpen. ‘Dat hij met traditionele Nubische objecten en kosmopolitische spullen is begraven, geeft aan dat hij bij de elite hoort,’ legt Smit uit.
Nubische taal
Om meer te weten te komen over de verloren taal van het oude Nubië zoek ik Claude Rilly op, een linguïst die is gespecialiseerd in oude talen. Hiervoor moet ik afreizen naar Soleb en Sedeinga, archeologische sites met majestueuze, vervallen tempels en een terrein vol kleine piramides. De woestijn tussen de twee sites doet postapocalyptisch aan: zover het oog reikt een desolate vlakte, bezaaid met zwarte rotsblokken. Op het punt waar de weg onder het zand verdwijnt stap ik over in een gammele motorboot. Ik word opgewacht door Rilly, een boomlange, goedlachse man met een verweerd gezicht. ‘Welkom in de wieg van de mensheid.’ Vol enthousiasme begint Rilly de Egyptische hiërogliefen te vertalen die in de zandstenen zuilen van de tempel in Soleb zijn gegraveerd. Hij wil maar al te graag zijn kostbaarste vondsten laten zien: stèles, stenen platen met Meroïtische inscripties uit het oude Nubië. Rilly, verbonden aan het Nationaal Centrum voor Wetenschappelijk Onderzoek in Parijs, is een van de weinigen die Meroïtische teksten kan vertalen. Het schrift is niet verwant aan Egyptische hiërogliefen. Rilly heeft wel verbanden gevonden tussen het Meroïtisch en een handvol talen die vandaag de dag door etnische groepen in Nubïe, Darfoer en Eritrea worden gesproken.
Eind 2016 vond Rilly een beschilderde stèle die tussen de bakstenen van een grafkapel in Sedeinga was gevallen en zo beschermd was gebleven voor zandstormen en regen. De bovenkant van de stenen plaat is versierd met een zonneschijf, omringd door twee goudgele cobra’s en uitgerust met een paar rode vleugels. De gegraveerde lijn die de illustratie van de tekst scheidt is blauw, een zeldzaam pigment. In de tekst staat een woord dat Rilly nooit eerder is tegengekomen. Afgaande op de talen die momenteel in de regio worden gesproken, vermoedt hij dat het een tweede woord is voor de zon, maar dan voor de zonnegod en niet voor het hemellichaam. Rilly kan niet wachten tot hij meer teksten in handen krijgt waarmee hij de woordenschat kan uitbreiden om zo de verhalen die ze over Nubische religie vertellen te ontcijferen. Hij heeft het idee dat er een verborgen stad in de buurt van de tempels moet liggen, en hopelijk ook papyrusrollen met geschriften van onze voorouders. De komende maand zal Rilly met een magnetometer de omgeving afspeuren naar sporen van een nederzetting onder de boerderijen langs de Nijl of het omringende land. Het draagbare apparaat berekent het magnetische signaal aan de oppervlakte van de grond en vergelijkt dat met het signaal van twee meter daaronder. Als de fluxdichtheid verschilt, wordt de plek op de kaart met een grijze tot zwarte stip aangemerkt om aan te geven dat er iets onder het aardoppervlak ligt. Rilly zoekt ook naar de restanten van een Koesjitische tempel waarnaar wordt verwezen op een stèle die hij onlangs heeft ontcijferd. ‘De zonnegod en de maangod worden genoemd, en de godin Isis zelfs wel vijftien keer,’ vertelt Rilly. ‘We weten dat hier een Koesjitische cultus was, en een cultus kan niet zonder tempel bestaan.’
Hedendaagse Nubiërs krijgen de verhalen over het oude Nubië, doorgegeven van generatie op generatie, met de paplepel ingegoten. En of ze nu wel of niet direct van de Koesjieten afstammen, hun identiteit is onlosmakelijk verbonden met het verleden. Ze zijn opgegroeid tussen piramides, tempels en omgevallen beelden.
Op heilige dagen wandelen gezinnen uit de aan de Nijl gelegen plaats Karima naar de zanderige voet van Djebel Barkal, een heilige tafelberg die wordt gekenmerkt door een natuurlijke, 75 meter hoge monoliet waarvan de ogenschijnlijk ontoegankelijke top inscripties bevat van wellicht 3400 jaar oud. Terwijl de zon ondergaat, is het uitzicht met recht bijbels te noemen: de groene oevers van de Nijl, de tempels in de schaduw van de berg, de piramides aan de horizon. Toen de oude Egyptenaren de regio veroverden, herkenden ze in Djebel Barkal de verblijfplaats van de god Amon, die ieder jaar voor nieuw leven zorgt wanneer de Nijl buiten haar oevers treedt. Ze hakten aan de voet van de berg een tempel voor hem uit en versierden de muren met goden en godinnen. Toen de Nubiërs de macht overnamen, vonden de kroningen van hun farao’s op deze heilige berg plaats, en ze bouwden er piramides naast.
Verder noordwaarts ligt aan de Nijl nog een heilige berg, in de geboorteplaats van Ali Osman Mohamed Salih, een 72-jarige professor in archeologie en Nubische studies aan de universiteit van Karthoem. Zijn ouders leerden hem dat God in de berg huist en aangezien mensen van God afstammen, zijn ze uit deze berg ontstaan. Deze gedachtegang verbindt het heden met het verleden en mensen met een plaats. ‘Je bent zo oud als de berg, wordt ermee bedoeld,’ zegt Salih, ‘en niemand kan je uit dit land verdrijven.’ Maar dat is precies wat dreigt te gebeuren met de bouw van de drie nieuwe waterkrachtcentrales die de Soedanese regering langs de Nijl heeft gepland. Mensen zullen van hun geboortegrond worden verdreven, vreest Salih, en talloze Nubische schatten zullen onder water komen te staan. Volgens een schatting van Soedans Nationale Genootschap voor Oudheden en Musea zal het stuwmeer dat vlak bij de plaats Kajbar door de geplande dam zal ontstaan meer dan 500 archeologische sites onder water zetten, waaronder 1600 rotsgravures en -schilderingen, waarvan de oudste uit het neolitische tijdperk stammen en de jongste uit de middeleeuwen. Soedanese activisten schatten dat honderdduizenden mensen door de aanleg van de centrales uit hun woonplaatsen zullen worden verdreven.
Salih heeft al eerder tegen stuwdammen in de Nijl geprotesteerd. In 1967 werd hij in Caïro gearresteerd voor zijn openlijke verzet tegen de Hoge Aswandam vlak bij de Soedanese grens. Het hierdoor gevormde reservoir met een lengte van bijna vijfhonderd kilometer heeft honderden archeologische sites onder water gezet, hoewel de mooiste tempelcomplexen, zoals Aboe Simbel, werden verplaatst. Ook moesten meer dan honderdduizend mensen, onder wie veel Nubiërs, verhuizen. De regeringen van landen langs de Nijl rechtvaardigen de stuwdammen door te wijzen op de toenemende vraag naar elektriciteit. Op dit moment heeft twee derde van de Soedanese bevolking geen elektriciteit. Helaas leert de ervaring dat de verdrevenen meestal niet degenen zijn die van de elektriciteit en de opgeleverde winst profiteren. Maar er is weinig ruimte voor onderhandelingen. De Soedanese president Omar al-Bashir, volgens het Internationaal Strafhof een oorlogsmisdadiger, regeert met ijzeren vuist. Sinds 2006 hebben zijn veiligheidstroepen meer dan honderdzeventig demonstranten neergeschoten en talloze tegenstanders, ook van andere politiek geladen onderwerpen, opgesloten en gemarteld. Internationale archeologen die in het land willen blijven werken, durven de geplande bouw van de waterkrachtcentrales niet hardop te bekritiseren. En de meeste archeologen van eigen bodem houden wijselijk hun mond om niet achter de tralies te belanden.
Oprukkend zand
Andere archeologische sites, zoals Djebel Barkal en Tombos, worden bedreigd door de bevolkingsaanwas. En dan is er nog de verwoestende kracht van de natuur. Zo worden de rijkelijk versierde muren van de 43 Koesjitische piramides en de bijbehorende grafkapellen van Meroë, werelderfgoed volgens Unesco, sinds de jaren tachtig steeds ernstiger aangetast door zandstormen. Met financiering uit Qatar hebben archeologen de dodenstad geprobeerd vrij te maken van het steeds verder oprukkende zand. Maar een verslag uit 2016 stelt dat er bijna niet tegenop te graven is. ‘Als archeoloog sta je altijd onder druk,’ zegt Geoff Emberling, verbonden aan de Universiteit van Michigan. ‘Vanwege het tijdsgebrek en het eeuwige geldgebrek. De situatie is altijd nijpend.’ Voor Emberling zich aan Nubië wijdde, was het oude Mesopotamië in Syrië zijn onderzoeksveld. ‘Ik had nooit voorzien dat IS de oude tempels in Palmyra zou verwoesten en een Syrische archeoloog zou executeren.’ Het onthoofde lichaam van de bejaarde archeoloog Khaled al-Asaad werd ter afschrikking aan een zuil in de ruïnestad gehangen. ‘Syrië heeft me geleerd dat niets vanzelfsprekend is in het leven,’ zegt Emberling. ‘Alles kan zomaar omslaan in het tegendeel.’
Spencer, de archeoloog van het British Museum die piramides en nederzettingen in Amara West uitgraaft, weet wat hem boven het hoofd hangt. Zijn werk is een gevecht tegen het zand. Als een zware zandstorm over de site raast worden alle opgravingen in één klap tenietgedaan. En als er verderop een dam in de Nijl wordt gebouwd, loopt Amara West volledig onder. Staand naast een labyrint van pas uitgegraven muren, vlak onder het zandoppervlak, vouwt Spencer een kaart open met meetvelden, de blauwdruk voor zijn opgravingen. Hij wijst een punt aan dat buiten de grijze lijnen van de nederzettingen ligt en wijst daarna naar de uitgestrekte zandheuvels in de verte. ‘Het lage magnetische signaal van deze landsstrook geeft aan dat hier waarschijnlijk ooit een rivier heeft gestroomd,’ legt Spencer uit, die heeft aangetoond dat de regio er 3300 jaar geleden heel anders uitzag. Door middel van optisch gestimuleerde luminescentiedatering (OSL) – een techniek die wordt gebruikt om te bepalen wanneer een zandkorrel voor het laatst is blootgesteld aan licht – heeft zijn team de fluviale kleiafzetting die onder het kwarts ligt gedateerd. Daaruit blijkt dat Amara West een eiland in de Nijl was toen de Egyptenaren en de Nubiërs het land bevolkten. De rivierafsplitsing is rond 1000 v.Chr. opgedroogd, waardoor het eiland met het vasteland werd verbonden.
Spencers collega, bioarcheoloog Michaela Binder, verbonden aan het Oostenrijkse Archeologische Instituut in Wenen, heeft ontdekt dat lichamen die hier begraven liggen jong zijn gestorven. ‘Mensen werden zelden ouder dan dertig,’ zegt Binder. Hun botten vertonen in veel gevallen putjes, een teken van ondervoeding. Veroorzaakt door mislukte oogsten, vermoedt Binder. Ze vond in ribben ook aanwijzingen van chronische longziektes door de met zand en stof vervuilde lucht. Het onderzoek zou erop kunnen wijzen dat de stad niet zozeer door oorlogen of slecht bestuur ten onder is gegaan, zoals eerdere hypothesen luidden, maar dat de bewoners door klimaatverandering zijn verdreven.
Nog altijd is Amara West door zandstormen onbewoonbaar. Spencers team verblijft op een nabijgelegen eiland in de Nijl. In de vroege ochtenduren, als het nog koud is, varen Spencer en zijn team onder de heldere sterrenhemel naar de opgraving. Ze beginnen zo vroeg omdat de wind rond het middaguur aanzwelt en zandwolken en kleine vliegjes aanvoert. Het team brengt hun vondsten niet alleen in kaart door middel van notities, tekeningen, video’s en modellen, ze laten ook vliegers op met digitale camera’s die iedere twee secondes foto’s nemen. Deze foto’s worden met behulp van een fotogrammetrische techniek gelinkt aan duizenden vanaf de grond genomen foto’s om een 3D-model te creëren. Bij terugkeer in Londen worden deze modellen geïmplementeerd in dezelfde software die voor het ontwikkelen van ‘first person shooter’-videogames wordt gebruikt.
Om tot een compleet beeld te komen, hebben archeologen tijd en geld nodig om de uitgestrekte, droge landvlaktes te ontsluiten. En dat is precies wat ontbreekt
Spencer laat me op zijn laptop de resultaten zien. Al scrollend navigeert hij door een buitenwijk die we eerder op de dag hebben bezocht. De gangen waar Spencer virtueel doorheen loopt zijn zo smal dat hij met zijn schouders langs de muren schampt. Hij betreedt een krappe ruimte met de buste van een man met een zwarte pruik en een rood geverfd gezicht. Het is een getrouwe afbeelding van Spencers vondst. Spencer verlaat de virtuele ruimte en scrolt dwars door de vloer om de oudere huizen te laten zien die het team onder de bovengelegen nederzetting, Egyptische stijl, heeft blootgelegd. Hij drukt op een toets en de viewer schiet omhoog, de lucht in. In vogelperspectief zien we de tamarisken en acaciabomen die hier destijds hebben gestaan, zoals microscoopanalyses van houtskool naast de stoffige oevers van de Nijl hebben uitgewezen. De interactieve graphics zijn te vinden op de website van het British Museum zodat mensen de archeologische site op hun gemak kunnen bekijken zonder een reis naar Soedan te hoeven maken. Digitale reconstructies van graftombes en piramides op andere plekken in Nubië zijn ook steeds vaker online te vinden, en veel archeologen die in Soedan werken schrijven blogs over hun ontdekkingen. Hun wetenschappelijke publicaties volgen later.
Ook is een verschuiving zichtbaar in de interpretatie van antiquiteiten, nu de projecten geleid worden door Soedanese archeologen die de vondsten door een Afrikaanse bril, en niet door de gebruikelijke Europese bril, bekijken. In de nabije toekomst zullen geschiedenisdocenten hun middelbareschoolleerlingen wellicht inspireren met verhalen over het oude Nubië en de Nubische schatten net zo bewieroken als de Egyptische, de Griekse en de Romeinse. Misschien zal de volgende generatie studenten Afrika bezuiden de Sahara niet zien als een negatieve ruimte zonder geschiedenis, maar als de bakermat van de mensheid, waar de eerste steden herrezen, met een rijke cultuur en onder centraal gezag.
Maar om tot een compleet beeld te komen, hebben archeologen tijd en geld nodig om de uitgestrekte, droge landvlaktes te ontsluiten. En dat is precies wat ontbreekt. ‘Archeologie is altijd een race tegen de klok,’ zegt Francigny. Alleen is de teloorgang van de schatten van Nubië extra dramatisch omdat ze nieuwe hoofdstukken aan de geschiedenis kunnen toevoegen. ‘Alle vondsten zijn van onschatbare waarde omdat we hiervoor niets wisten.’
Undark is een Amerikaans onlinetijdschrift over het snijvlak van wetenschap en samenleving, ‘de plek waar wetenschap zich doet gelden in de politiek, in de economie, voelbaar en wezenlijk wordt in ons leven van alledag’. Het magazine wordt gefinancierd door de onafhankelijke Knight Foundation. Artikelen uit Undark worden met regelmaat overgenomen door tijdschriften als The Atlantic,Mother Jones,Scientific American en Newsweek.
Mauritius, ooit een Nederlandse, Franse en Britse kolonie, viert dit jaar vijftig jaar onafhankelijkheid. In die halve eeuw wist het eiland alle verwachtingen te overtreffen. Maar kan het dit succes nu ook verder uitbouwen?
Hoe Mauritius de sombere toekomstvoorspellingen wist te logenstraffen is een verhaal dat zich graag laat vertellen. Een paar jaar voor de onafhankelijkheid in 1968 schreef econoom en Nobelprijswinnaar James Meade het eilandje in de Indische Oceaan af als een hopeloos geval. Een paar jaar na de onafhankelijkheid noemde de schrijver V.S. Naipaul het een ‘overbevolkt barakkenkamp’.
Toch toonde Mauritius hun ongelijk aan en werd het een van Afrika’s meest geprezen landen. Het scoort van alle Afrikaanse landen vaak het hoogst op het gebied van politieke vrijheden, de rechtspraak en de menselijke ontwikkeling. Er zijn al tien eerlijke verkiezingen gehouden en er hebben zeven vreedzame machtswisselingen plaatsgevonden. Vaak wordt het land aangehaald als toonbeeld van politieke stabiliteit en cohesie, met alle verschillende etnische groeperingen – hindoes, moslims, creolen en Mauritianen van Chinese of Franse oorsprong – die in betrekkelijke harmonie samenleven.
In 2011 bracht het succes van het eiland Joseph Stiglitz ertoe een lyrisch artikel te schrijven over wat hij ‘het mirakel van Mauritius’ noemde. De Nobelprijswinnaar deed een beroep op de VS en andere ontwikkelde economieën om goed naar het land te kijken en te leren van Mauritius’ politiek op het gebied van gratis onderwijs, gezondheidszorg en het sterke sociale vangnet.
Haalbaar doel
Nu de vijftigste verjaardag nadert [deze is inmiddels gevierd op 12 maart jl.] is de huidige regering er begrijpelijkerwijs op uit om voort te bouwen op deze reputatie en erfenis. De regeringscoalitie onder leiding van premier Pravind Jugnauth (56) wil Mauritius in de komende jaren onder meer van een land met hogere middeninkomens een land met hoge inkomens maken. Voor een dapper buitenbeentje dat altijd de verwachtingen heeft overtroffen is dit zeer waarschijnlijk een haalbaar doel. Maar na vijftig jaar onafhankelijkheid zal Mauritius een nieuwe strategie moeten ontwikkelen als het verder wil groeien – zowel economisch als politiek – om niet in een midlifecrisis te belanden.
De economische groei van Mauritius bedroeg de afgelopen vijf jaar een bescheiden 3 à 4 procent. De Bank of Mauritius heeft voor 2018 een groei van 4,2 procent voorspeld. Veel landen zouden daar jaloers op zijn, maar het is een opmerkelijke achteruitgang vergeleken met de onstuimige jaren tachtig en negentig, toen de economie dankzij de suikerindustrie, het toerisme, textiel en de financiële diensten fors groeide. De huidige regering hoopt dat de oceaaneconomie een vergelijkbare expansie zal opleveren. De gedachte is dat activiteiten zoals de visvangst, de winning van koolwaterstof en mineralen, de maritieme biotechnologie en de opwekking van duurzame energie het bruto binnenlands product de komende jaren omhoog zal stuwen.
Tot dusver is de visteelt de belangrijkste ontwikkeling op dit front; er worden nu producten uitgevoerd naar Europa en de VS. Maar in het algemeen is het duidelijk dat er financiële en technische expertise vanuit het buitenland nodig is, willen er kapitaalintensievere ondernemingen van de grond komen. Zoals de Wereldbank in 2017 al in een rapport waarschuwde, ‘is een verdubbeling van de oceaan-economie van Mauritius mogelijk en de moeite waard, maar zal die wel enige tijd kosten’.
Bij zijn poging om buitenlandse investeerders aan te trekken heeft het eiland zeker wel voordeel bij het feit dat mondiale instellingen al lange tijd Mauritius’ stabiele regering, democratische structuur en openheid ten opzichte van het bedrijfsleven prijzen. Ook heeft het eiland er voordeel bij dat het in het verleden blijk heeft gegeven van visie en flexibiliteit ten aanzien van nieuwe economische uitdagingen. Of zoals het landenrapport van de Bertelsmann Stiftung’s Transformation Index (BTI) 2018 het formuleert: ‘In het verleden hebben regeringen van Mauritius bewezen zich creatief te kunnen aanpassen aan gewijzigde geopolitieke en geo-economische omstandigheden.’
Op sociaal gebied is Mauritius geprezen om het feit dat verschillende etnische groepen harmonieus samenleven. Het feit dat er geen inheemse bevolking is, is hierbij waarschijnlijk een belangrijke factor, omdat geen enkele bevolkingsgroep een grote claim op het eiland kan laten gelden. Een andere belangrijke factor die bijdraagt aan de goede onderlinge relaties is de hoge bevolkingsdichtheid – 1,3 miljoen inwoners samengeperst op 2014 vierkante kilometer – die de behoefte aan vriendschappelijke verhoudingen vergroot.
Maar de derde belangrijke factor is de stilzwijgende verdeling van de politieke macht. Zo ambiëren Mauritianen van Chinese of Franse afkomst over het algemeen geen politiek ambt en laten zo het politieke speelveld over aan ambitieuze hindoes, moslims en creolen. Dat voorkomt bepaalde spanningen en rivaliteit, hoewel het politieke systeem van Mauritius hierdoor wel altijd gedomineerd wordt door hindoemannen uit de middenklasse, terwijl de hindoegemeenschap maar net iets meer dan de helft van de bevolking uitmaakt. Sterker nog, ondanks het feit dat er zeven machtswisselingen zijn geweest, is de echte top van de Mauritiaanse politiek nog exclusiever. Achtenveertig van de afgelopen vijftig jaar is het land geleid door Seewoosagur Ramgoolam en vervolgens Anerood Jugnauth, en daarna door hun respectieve zonen Navin en Pravind.
‘Nieuwe en jongere politici, zonder nauwe banden met de heersende elite, kunnen bijdragen aan de verbetering van het imago van Mauritius als postkoloniaal succes’
Hoewel dit plaatsvond tegen een achtergrond van grote democratische betrokkenheid en vitaliteit, zijn er ook signalen dat de Mauritianen het beu zijn dat het premierschap bijna geheel wordt gecontroleerd door slechts twee families. In januari 2017 droeg Anerood Jugnauth zonder enige inspraak van het electoraat de macht over aan zijn zoon. Omdat de grootste partij in de huidige coalitie, de Mouvement Socialiste Militant (MSM), wist hoezeer deze beslissing haar impopulair maakte en haar imago van corruptie en vriendjespolitiek versterkte, besloot de partij-leiding om niet mee te doen aan een tussentijdse verkiezing.
Hoezeer de belangrijkste Mauritiaanse politici onderling ook mogen verschillen, over één onderwerp zijn ze het eens: de Chagoseilanden. Deze archipel had sinds 1814 deel uitgemaakt van het Mauritiaanse territorium. Maar enkele jaren voordat Mauritius onafhankelijk werd van Engeland, werden die eilanden onderdeel van het Brits Indische Oceaanterritorium (BIOT). Engeland leende het grootste eiland, Diego Garcia, aan de VS om het te gebruiken als militaire basis. Daartoe moesten vijftienhonderd eilandbewoners gedwongen verhuizen en werden ze gedumpt in Port Louis, de hoofdstad van Mauritius, en een klein gedeelte ook op de Seychellen.
De Mauritiaanse politiek is er de afgelopen jaren niet zozeer op gericht geweest om de Amerikanen hun basis te ontnemen, als wel om de aanspraak van de Engelsen op de Chagoseilanden te betwisten en de afschuwelijke behandeling van de verbannen eilandbewoners aan de kaak te stellen. Een door Mauritius bij de VN ingediende resolutie om het Internationaal Gerechtshof een uitspraak te laten doen over de soevereiniteit van de Chagoseilanden werd in juni 2017 met 94 tegen 15 aangenomen. Interessant is dat de meeste Europese landen, waaronder Frankrijk, Duitsland en Italië, en ook China zich van stemming onthielden, ondanks aanzienlijke druk vanuit Engeland en de VS. Een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag wordt later dit jaar of in 2019 verwacht.
Zoals uit de kwestie-Chagos en de economische vooruitgang en veerkracht van het land blijkt, heeft de onafhankelijkheid van Mauritius echt handen en voeten gekregen. Maar de vader-op-zoonmachtsoverdracht van vorig jaar en de vermeende betrokkenheid van de politieke elite bij corruptiepraktijken en drugsschandalen werpen een schaduw op de politieke toekomst van het land [deze maand nog trad president Ameenah Gurib-Fakim af vanwege een financieel schandaal].
Hierdoor wordt het voor Mauritius steeds urgenter om het politieke leiderschap aan te passen. Zoals in het komende BTI-rapport staat: ‘Nieuwe en jongere politici, zonder nauwe banden met de heersende elite, kunnen bijdragen aan de verbetering van het imago van Mauritius als postkoloniaal succes, dat zich hoogstwaarschijnlijk nog zal voortzetten.’
Na vijftig jaar onafhankelijkheid zijn de voorspellingen van Meade en Naipaul gelogenstraft. Maar het eiland verder uitbouwen tot een land met hoge inkomens zal misschien een grotere uitdaging zijn dan de huidige regering bereid is toe te geven.
Wie als gestrande migrant niet op de slavenmarkt wordt verkocht, komt terecht als dwangarbeider in een ‘opvangkamp’, een ander voorportaal van de hel.
Het detentiecentrum in Sorman, waar honderden wanhopige vluchtelingen worden vastgehouden, is een betonnen blok. Het staat aan een regionale weg in het westen van Libië, ongeveer zestig kilometer van Tripoli, in de buurt van Sabrata en Zawiya, twee steden die floreren dankzij de illegale oliehandel. Bij de enige toegang tot het gebouw, een deur met een simpel hangslot, staat een bewaker. Uit angst voor zijn eigen veiligheid weigert hij zijn naam te geven, maar de verslaggever en de fotograaf krijgen wel toestemming om binnen een kijkje te nemen.
In de gevangenis zitten rond de tweehonderdvijftig vrouwen en dertig kinderen hutjemutje op de grond. Iedere vierkante centimeter is bezet. Naast elk matrasje liggen wat toiletspullen, zeep, een kam. Sommige gevangenen hebben een extra shirt. De meeste hebben niets.
Jandra, midden twintig, ontvluchtte de armoede in Ivoorkust, hopend op een betere toekomst in Europa. Zij en honderdtwintig anderen waren al uitgevaren toen de motor van hun rubberboot het begaf. Al snel werden ze door de Libische kustwacht onderschept en gearresteerd. Eerst werd de groep naar een officieel centrum in Zawiya gebracht, waar wel twaalfhonderd gedetineerden verbleven, vertelt ze. ‘We zaten met honderd man in de cel. Het was zo vol dat we niet eens konden liggen, we moesten om beurten slapen.’
Niemand kan zeggen hoeveel illegale centra er zijn: regeringsvertegenwoordigers vertonen zich niet in gebieden die in handen zijn van de milities omdat het er levensgevaarlijk is
De bewakers van het detentiecentrum namen hen alles af, vertelt Jandra. Schoenen, shirts, telefoons en, natuurlijk, geld. ‘Daarna begonnen ze ons af te persen. Ze gebruikten onze telefoons om onze vrienden in Libië te bellen en geld te eisen in ruil voor onze vrijheid, of ze belden met onze familieleden en dreigden ons te vermoorden als ze niet snel met geld over de brug kwamen.’
Jandra’s verhaal is niet het enige. Steeds meer migranten die op zoek naar een beter leven Italië proberen te bereiken, belanden uiteindelijk weer in Libië, waar ze terechtkomen in een spiraal van geweld en bedreigingen. Libië is onder migranten en vluchtelingen de populairste springplank naar Europa. In de eerste zes maanden van 2017 stierven er minstens 2030 migranten bij hun poging de Middellandse Zee over te steken. Het merendeel begon de overtocht in Libië.
Volgens Laura Thompson van de Internationale Organisatie voor Migratie zijn er in heel Libië 31 of 32 detentiecentra, waarvan de helft onder de verantwoordelijkheid van de regering valt, of in gebieden ligt die in handen van de regering zijn. Ze zegt dat niemand weet hoeveel mensen er worden vastgehouden, en dat ‘de omstandigheden mensonterend zijn’.
Regelrechte hel
Maar er zijn ook illegale detentiecentra, gerund door gewapende milities die betrokken zijn bij mensenhandel en oliesmokkel, vaak in samenwerking met Libische kustwachters. Niemand kan zeggen hoeveel illegale centra er zijn: regeringsvertegenwoordigers vertonen zich niet in gebieden die in handen zijn van de milities omdat het er levensgevaarlijk is. Volgens een in februari gepubliceerd rapport van Unicef zijn de gevangenissen in handen van de milities niets meer dan ordinaire dwangarbeiderskampen waar mensen worden kaalgeplukt. Voor de duizenden migrantenvrouwen en kinderen is de gevangenis een regelrechte hel waar verkrachting, seksuele uitbuiting, mishandeling en honger aan de orde van de dag zijn.
Ahmed, een politieman die zijn echte naam niet durft te noemen, vertelt: ‘Er zijn legio gevangenissen waar wij geen leiding over hebben, in Tripoli alleen al zijn er ten minste dertien die door gewapende milities worden gerund. Een van de machtigste milities die hier in Tripoli betrokken is bij mensenhandel en die de controle heeft over illegale detentiecentra, is de Sharikan. Wij staan volledig machteloos, we kunnen niet eens in de buurt van deze gevangenissen komen want je bent je leven niet zeker in de gebieden die zij in handen hebben.’
In Tripoli vertelt Abdrazaq Alshneti, een agent van de speciale eenheid voor de bestrijding van illegale migratie, dat de toestand in een aantal officiële centra wegens geldgebrek onhoudbaar is. Verder wil hij niets loslaten, maar een collega wil wel een boekje opendoen, onder voorwaarde dat hij anoniem blijft. ‘Ibrahim’ vertelt dat de detentiecentra in de maanden vóór de overeenkomst tussen Europa en de door de VN gesteunde regering van premier al-Sarraj uit hun voegen barstten. ‘Als de centra overvol raken, wordt er ruimte gemaakt. Er is simpelweg geen geld om alle gedetineerden te voeden,’ vertelt Ibrahim. ‘Sommige bewakers zijn integer, maar er zitten ook corrupte tussen.’
Hij zinspeelt op de banden tussen het gevangenispersoneel, smokkelaars, milities en mensenhandelaars, die wanhopige migranten onderling verkopen alsof ze handelswaar zijn. Bewakers overhandigen migranten tegen betaling aan mensenhandelaars. Smokkelaars waarschuwen de kustwacht wanneer hun migranten de oversteek wagen, zodat ze onderschept kunnen worden en doorverkocht aan milities. En milities arresteren migranten op straat omdat ze niet de vereiste documenten hebben. ‘Ze doen alsof ze illegale migranten in de kraag vatten en houden ze dan vast in hun centra, zonder fatsoenlijk eten of drinken, pakken hun geld af, buiten ze uit, misbruiken de vrouwen,’ zegt Ibrahim.
Immigranten worden ook naar de omgeving rond de kustplaats Garabulli gebracht, halverwege Misrata en Tripoli, om de rubberboten vol nieuwe migranten te besturen – met medeweten van Libische kustwachters. De kustwacht ontkent met klem dat medewerkers zijn betrokken bij mensenhandel.
Ahmed, de politieagent, vertelt dat milities in de afgelopen maanden verscheidene malen hebben geprobeerd om officiële detentiecentra met geweld in te nemen. Zo werd een officieel detentiecentrum in de omgeving van Garabulli in maart door milities in brand gestoken. Het gebouw brandde tot de grond toe af. Niemand weet wat er met de migranten is gebeurd.
Baby’s geboren
In het detentiecentrum in Sorman zijn er in het afgelopen half jaar zes baby’s geboren. De vrouwen, hun kinderen en de pasgeboren baby’s zijn niet door een arts bezocht. ‘Om veiligheidsredenen,’ zegt een bewaker. ‘Libië is te gevaarlijk.’ Een paar kilometer verderop ligt de Al-Nassergevangenis, het officiële detentiecentrum in Zawiya. Toen de migratie op zijn hoogtepunt was, in het begin van de zomer, zaten er meer dan 2600 mensen. Toen wij het detentiecentrum bezochten was hun aantal geslonken tot 1000. Sommige gedetineerden worden hier al acht maanden vastgehouden. De mannenafdeling is opgedeeld in kleine cellen, waar tussen de twintig tot vijftig mannen dag en nacht zijn opgesloten, behalve wanneer ze te eten krijgen. De enigen die vrij mogen rondlopen, zijn vijftig Tunesiërs die hun uitzetting afwachten.
Een bewaker opent een van de cellen. John, uit Gambia, komt op gedempte toon met ons praten. Hij is bang dat de bewakers hem horen. Zijn landgenoot Phil komt erbij staan. ‘Ze gebruiken ons als slaven, en als ze ons niet meer nodig hebben, worden we afgedankt,’ vertelt John. ‘Soms komt de lokale bevolking brood en zeep brengen. Maar internationale hulporganisaties laten zich hier niet zien.’
Een van de redenen waarom hulporganisaties centra als deze niet bezoeken is dat het er – net als op zoveel andere locaties in Libië – niet veilig wordt geacht. In juni werd een konvooi van UNSMIL, de VN-missie in Libië, dertig kilometer ten westen van Tripoli door milities aangevallen. Zeven medewerkers werden korte tijd vastgehouden. De kidnappers eisten de vrijlating van drie vermeende drugsdealers die in Tripoli waren gearresteerd. Ngo’s hebben om meer bescherming gevraagd tegen milities, maar of veiligheidsmaatregelen daadwerkelijk iets zullen uithalen, valt nog te bezien.
In de vrouwenafdeling van Al-Nasser, het detentiecentrum in Zawiya, zitten ongeveer honderdvijftig vrouwen samengepakt in één ruimte. Een van hen, Princess, een Nigeriaanse, is twee weken geleden bevallen van een tweeling. Haar man wordt elders vastgehouden. Ze weet niet waar – zoals hij op zijn beurt niet weet dat hij inmiddels vader is van een tweeling. Princess brengt haar dag liggend op een matrasje door, naast haar twee baby’s. Er zijn geen luiers en er is niet genoeg drinkwater.
Zoals vele anderen heeft ze op haar vlucht voor Boko Haram een tocht dwars door de Sahara achter de rug. Ze is vastbesloten haar kinderen een leven zonder angst te bieden, waarin ze niet voortdurend voor hun leven hoeft te vrezen. ‘Het kan me niet schelen dat de kustwacht me heeft tegengehouden, ik doe het zo weer,’ zegt ze terwijl ze naar haar pasgeboren tweeling kijkt. ‘Ik weet dat het gevaarlijk is, maar in Nigeria is het ook gevaarlijk. Als je niet door de oorlog sterft, sterf je van de honger, en hier zitten we in de gevangenis, net zo’n hel. Het is de moeite waard om de oversteek nog eens te wagen.’
Ze beseft nog niet dat ze van geluk mag spreken als ze uit Libië weet te ontsnappen.
Middle East Eye werd in 2014 opgericht als onafhankelijke informatiesite. Dankzij een groot correspondentennet brengt de site nieuws uit 24 landen en snijdt daarbij politieke, economische en sociale onderwerpen aan.
Toen CNN onlangs schokkende beelden toonde van Afrikaanse migranten die in Libië als slaven werden verhandeld, stond de internationale gemeenschap op zijn achterste benen. Maar zowel Europa als de Arabische wereld als de Afrikaanse elite is schuldig aan de gang van zaken, stellen de schrijvers van dit dossier.
Jaarlijks sterven er in Afrika zo’n 450.000 mensen aan de meest voorkomende vormen van kanker. En dat getal loopt alleen maar op. Nu hebben twee grote farmaceutische bedrijven beloofd chemotherapiemedicijnen voor de laagst mogelijke prijs te gaan leveren. Het zou tienduizenden mensen van een wisse dood kunnen redden.
Een opmerkelijk initiatief: twee grote farmaceutische bedrijven die samenwerken met de American Cancer Society, gaan de prijs voor hun medicijnen tegen kanker in Afrika sterk verlagen, zoals dat jaren geleden ook gebeurde met aidsmedicijnen. Deze twee bedrijven – Pfizer uit New York en Cipla uit Mumbai – hebben beloofd om zestien veelgebruikte chemotherapiemedicijnen te gaan leveren voor de laagst mogelijke prijs. In eerste instantie geldt dit voor een vijftal landen, en de verwachting is dat hiermee tienduizenden mensen van een wisse dood worden gered.
Volgens Pfizer liggen de nieuwe prijzen net iets boven de productiekosten van de medicijnen. Cipla laat weten dat het bedrijf bepaalde pillen voor 50 dollarcent en bepaalde infuusvloeistoffen voor 10 dollar zal aanbieden, een fractie van wat dezelfde geneesmiddelen in rijke landen kosten. Onderdeel van deze nieuwe campagne is bovendien dat Amerikaanse toponcologen de handleidingen voor kankerbehandelingen, die vaak zeer ingewikkeld en uitgebreid zijn, zullen vereenvoudigen zodat ook minder goed uitgeruste Afrikaanse ziekenhuizen ermee kunnen werken. Een groep programmeurs van IBM gaat die vereenvoudigde handleidingen verwerken in een onlineprogramma, zodat ze door elke oncoloog met een internetverbinding te raadplegen zijn.
‘Ik kreeg kippenvel toen ik dit las,’ zegt Anthony Fauci, directeur van het Amerikaanse National Institute of Allergy and Infectious Diseases. ‘Ik vind het een fantastisch idee, en volgens mij heeft het een grote kans van slagen.’ Het deed hem denken aan PEPFAR (President’s Emergency Plan for Aids Relief), het noodplan voor de strijd tegen aids dat hij zelf in 2002 hielp opzetten. PEPFAR is een succes geworden: meer dan veertien miljoen Afrikanen gebruiken nu hiv-medicijnen, vaak dankzij Amerikaanse hulp. ‘Het is precies het proces dat wij toen ook hebben doorlopen,’ zegt Fauci. ‘Eerst vaststellen in welke landen het probleem het grootst is, vervolgens uitzoeken wat in welk land de beste aanpak is, en dan de prijzen omlaag krijgen.’
‘In ons dorp weten ze wat malaria is, ze weten wat hiv is en tyfus, maar ze weten niets van kanker. De mensen zeiden dat Brenda behekst was en begonnen haar te mijden’
Op dit moment sterven er in Afrika zo’n 450.000 mensen per jaar aan kanker. Volgens voorspellingen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) zullen dat er in 2039 jaarlijks bijna een miljoen zijn. De meest voorkomende vormen van kanker in Afrika zijn ook de meest behandelbare, zoals borst-, baarmoederhals- en prostaatkanker. Toch zijn in Afrika ook die vaak dodelijk. In de Verenigde Staten leeft 90 procent van de vrouwen die borstkanker krijgen na vijf jaar nog. In Oeganda geldt dat voor 46 procent en in Gambia voor maar 12 procent.
Er zijn veel partijen bij deze overeenkomst betrokken: de Amerikaanse Cancer Society, het in 2002 opgerichte Clinton Health Access Initiative, IBM, het National Comprehensive Cancer Network (een verbond van de beste Amerikaanse kankerziekenhuizen) en de African Cancer Coalition, een netwerk van 32 oncologen in elf Afrikaanse landen. ‘De dochter van een vriendin van mij heeft kanker, en het is ongelooflijk om te zien hoe enorm veel steun zij krijgt, tot speciale benefietwedstrijden en T-shirts aan toe,’ vertelt Megan O’Brien, directeur van de Amerikaanse Cancer Society, de organisatie die zich over de hele wereld inzet voor de behandeling van kanker en het grootste deel van de organisatie voor deze overeenkomst voor haar rekening heeft genomen. ‘In Afrika bestaat zoiets niet, maar ik kan met 300 dollar een kind met leukemie redden. Die ziekte kent in Amerika een genezingspercentage van 90 procent en in Afrika een sterftecijfer van 90 procent.’
Nu meer Afrikanen de middelbare leeftijd bereiken of bejaard worden, stijgt het aantal gevallen van kanker snel. Maar de meeste landen op het continent zijn slecht toegerust om de strijd ertegen aan te gaan. Er is groot gebrek aan oncologen, bestralingsapparatuur en moderne operatiefaciliteiten. Tumoren worden vaak verkeerd gediagnosticeerd of toegeschreven aan hekserij, en 80 procent blijft onontdekt tot ze zijn uitgezaaid naar lymfeknopen of andere organen. De artsen hier krijgen met veel ernstiger gevallen te maken dan artsen in het Westen: baby’s met een gezwel dat half zo groot is als hun hoofd, vrouwen met een borsttumor ter grootte van een tennisbal, die door de huid heen is gebroken, zwerend en bloedend.
Zo zit de zeventienjarige Oegandese Brenda Nakisuyi zwijgend en gelaten in een verduisterde kamer van Kawempe Home Care, een opvangcentrum voor kinderen met kanker in de hoofdstad Kampala. Haar linkerwang is opengebarsten door een Burkitt-lymfoom, waardoor daar nu een krater zit die eruitziet alsof er een rotje in haar mond is ontploft. ‘In ons dorp weten ze wat malaria is, ze weten wat hiv is en tyfus, maar ze weten niets van kanker,’ zegt haar moeder, de 48-jarige Florence Namwase. ‘De mensen zeiden dat Brenda behekst was en begonnen haar te mijden.’
Veel Afrikanen die kanker krijgen, denken dat ze ten dode zijn opgeschreven. ‘Ik kwam hierheen om te horen of ik ter dood veroordeeld was,’ zegt George Odongo Ogola (73) droogjes. Dit vroegere schoolhoofd wordt in het M.P. Shah-ziekenhuis in Nairobi behandeld voor prostaatkanker. ‘Maar de dokter zegt dat ze er vroeg bij waren en volgens hem heb ik 99,9 procent kans dat het wegblijft. Ik heb al mijn zoons en hun vrouwen meegenomen, zodat zij het ook konden horen. Als je hier eenmaal de diagnose kanker hebt, behandelen ze je alsof je al dood bent.’
Zelfs artsen, vooral op het platteland, herkennen de ziekte niet altijd. Paul Mugumya, een levendig zevenjarig jongetje in het Kawempe-tehuis, werd drie keer aan een liesbreuk geopereerd, voordat de chirurgen eindelijk begrepen dat die zwelling in zijn onderbuik iets anders was; nu is het een tumor ter grootte van een voetbal, overdekt met enorme blaren. De vierjarige Flavia Anyesi staat rechtop in haar bedje in het Uganda Cancer Institute, haar haren gevlochten met roze en witte kralen die bij haar roze nachtjapon passen. Het meisje werd eerst naar een tandarts gestuurd om een kies te laten trekken, vertelt haar moeder Topista Nafuna. Pas toen Flavia’s kaak bleef opzwellen beseften artsen dat er iets anders aan de hand was. Ook zij heeft een Burkitt-lymfoom.
Al hebben ze nog zoveel pijn, vaak zijn mensen te arm om naar het ziekenhuis te gaan voor een behandeling. Patiënten die wel het geld bij elkaar hebben geschraapt om naar een ziekenhuis in de stad te reizen, slapen tussen hun dagelijkse infuusbehandelingen door of in afwachting van de uitslag van een biopsie, die weken op zich kan laten wachten, vaak op matjes op de veranda of in een park.
‘Als je ziek bent en je moet buiten onder de bomen slapen, krijg je dan wel genoeg rust?’ vraagt de vijftigjarige Proscovia Mutesi, voormalig secretaresse op een school, die door kanker een oog en een deel van haar kaak verloor. Zittend op het bed dat ze onlangs heeft gekregen bij de Cancer Charity Foundation, een opvanghuis voor volwassen patiënten, vertelt ze over haar zeven jaar durende strijd om de groei van de tumor die aan haar gezicht vreet te vertragen. ‘Het is heel moeilijk geweest,’ zegt ze. Sommige jaren lukte het haar om 110 dollar bij elkaar te krijgen voor een chemokuur of 85 dollar voor bestraling. ‘Maar andere jaren had ik geen stuiver. En toen ging het bestralingsapparaat kapot.’
Weinig specialisten
Dat maar weinig patiënten een behandeling krijgen, komt voor een deel ook doordat er zo weinig kankerspecialisten zijn. Ethiopië, een van de zes landen die onder de nieuwe medicijnenovereenkomst vallen, heeft maar vier oncologen voor zijn honderd miljoen inwoners. Nigeria heeft er zo’n veertig, op een bevolking van 186 miljoen. Het nationaal academisch ziekenhuis van Oeganda beschikt over een kankerinstituut dat in 1967 werd gesticht en een speciale onderzoekskliniek, gebouwd door het Amerikaanse Fred Hutchinson Cancer Research Center. Maar het land telt slechts zestien oncologen, en het enige bestralingsapparaat – de machine waarvan Proscovia Mutesi afhankelijk was, is nu al meer dan een jaar kapot. Voordat de 21 jaar oude onderdelen het begaven, was de kobaltbron van het apparaat al zo zwak geworden dat bestralingssessies die minuten horen te duren wel een uur kostten. Bijna overal in Afrika zijn kankermedicijnen schaars en de prijzen blijven een enorm obstakel.
Ziekenhuizen bestellen ze in kleine hoeveelheden, die relatief duur zijn per dosis, en moeten vaak genoegen nemen met de merken die ze kunnen krijgen, soms zelfs met medicijnen die het land binnen worden gesmokkeld via de ‘ezelimport’, zoals het bitter wordt genoemd. De WHO geeft op dit moment geen richtlijnen voor welke kankermedicijnen veilig en werkzaam zijn, zoals wel gebeurt voor medicijnen tegen aids en malaria. ‘Je kunt niet van de kwaliteit op aan, dus je moet er maar op vertrouwen,’ zegt David Wata, oncologiefarmaceut in Kenyatta, het beste openbare ziekenhuis van het land.
Afrikanen die er de middelen voor hebben, gaan meestal voor behandeling naar India of Zuid-Afrika. Wie connecties in de politiek heeft, maakt zo’n reis soms op kosten van de overheid, een praktijk die zwaar op de nationale schatkist drukt. De armen zijn op zichzelf aangewezen. Is de medicijnkast van de apotheek in het openbare ziekenhuis leeg, dan gaan patiënten en hun familieleden naar een particuliere apotheker, die misschien medicijnen van inferieure kwaliteit of zelfs vervalsingen verkoopt. ‘Het is zo tragisch om te zien hoe een arme familie haar laatste geld uitgeeft en daar niets voor terugkrijgt,’ zegt Megan O’Brien. ‘Het eerste teken dat een medicijn niet werkt is soms dat ze hun haar niet verliezen.’
De zestien medicijnen die Pfizer en Cipla nu in Afrika gaan verkopen, hebben onbekende namen zoals Vinblastine, Bleomycin en Fluorouracil. Het zijn oude voorraden chemotherapiemedicijnen die nu als generieke geneesmiddelen kunnen dienen. ‘Deze zestien zullen niet volstaan – het is ongeveer de helft van wat we nodig hebben,’ zegt Moses Kamabare, general manager van de National Medical Stores, de inkoopafdeling van het Oegandese ministerie van Volksgezondheid. ‘Maar op dit moment nemen ze rond de 75 procent van ons huidige oncologiebudget in beslag. Dus we zijn heel erg dankbaar voor deze kans om betere kwaliteit te krijgen voor een betere prijs.’
Eind jaren negentig werden westerse farmaceuten nog aan de schandpaal genageld, omdat ze weigerden de prijzen van aidsmedicijnen te verlagen en er miljoenen mensen stierven. Die houding is inmiddels wel veranderd. Nu leveren bijna alle medicijnenfabrikanten een combinatie van donaties en ‘gedifferentieerde prijsstelling’, wat betekent dat ze arme landen slechts een fractie berekenen van de prijs die ze aan rijke landen vragen. Daarbij bouwen ze wel veiligheidsmaatregelen in om te voorkomen dat hun producten als smokkelwaar op rijke marken terechtkomen. Bedrijven wedijveren om een hoge plaats op de Acces to Medicines Index, die aangeeft in hoeverre ze hun producten bij de armen van deze wereld weten te krijgen.
Volgens John Young, directeur van de Pfizer-tak Essential Health, staat de nieuwe afspraak om de prijzen te verlagen los van de donaties die Pfizer ook al doet, zoals de vijfhonderd miljoen doses antibiotica die het bedrijf leverde om de oogziekte trachoom tegen te gaan. ‘Het probleem van pure filantropie is dat je het niet eeuwig kunt volhouden,’ zegt Young. ‘Met deze overeenkomst verwachten we geen geld te verdienen, maar we willen er ook geen geld mee verliezen.’ Het bedrijf zal volgens hem genoeg in rekening brengen om de productie- en verpakkingskosten te dekken, niet de kosten voor research, marketing en advertenties.
De prijzen van Cipla zullen volgens Denis Broun, hoofd Government Affairs, maar eenachtste bedragen van de prijs die het bedrijf in de Verenigde Staten voor generieke medicijnen rekent. Cipla hoopt binnenkort bij zijn fabrieken in Oeganda en Zuid-Afrika de productie van kankermedicijnen te starten. De farmaceut kent een lange traditie in het leveren van medicijnen aan arme landen. In 2001 liet bestuursvoorzitter Yusuf Hamid een schok door de farmaceutische industrie gaan door een cocktail van anti-aidsmedicijnen aan te bieden aan Artsen Zonder Grenzen. Hij berekende daarvoor een bedrag van 350 dollar per jaar, op een moment dat westerse bedrijven er 12.000 dollar voor vroegen. Dit vormde de aanzet tot een snelle prijsdaling, die weer leidde tot de oprichting van donororganisaties als PEPFAR en het Wereldfonds voor de bestrijding van aids, tuberculose en malaria.
De huidige overeenkomst begon twee jaar geleden vorm te krijgen toen Megan O’Brien, die zelf epidemioloog en expert palliatieve zorg is, de leiders van de American Cancer Society overhaalde om het Clinton Health Acces Initiative een bedrag te schenken waarmee het de Afrikaanse markt kon onderzoeken en farmaceutische bedrijven kon benaderen. Dit initiatief, dat bekendstaat als CHAI, staat los van de bekendere Clinton Foundation, al zitten Bill Clinton en zijn dochter Chelsea er wel in het bestuur. Buitenlandse donaties aan de stichting in de tijd dat Hillary Clinton minister van Buitenlandse Zaken was, leidden tijdens haar campagne voor de presidentsverkiezingen tot vragen over mogelijke belangenverstrengeling. Had ze gewonnen, dan hadden de familieleden en voormalige Witte Huis-medewerkers zich teruggetrokken uit het bestuur van CHAI en zou de stichting de naam Clinton hebben laten vallen.
O’Brien was enkele jaren lang hoofd van de CHAI-afdeling die zich bezighield met het analyseren van gegevens over hiv. CHAI heeft zich nog niet eerder met kanker bezig gehouden, maar de organisatie heeft een lange ervaring met het bedingen van lage prijzen voor medicijnen en vaccinaties in arme landen, het zoeken van donoren om die middelen te betalen en het overwinnen van obstakels als bureaucratie, corruptie en tekorten aan koelwagens om de medicijnen op hun bestemming te krijgen. Uiteindelijk zullen meer geneesmiddelenfabrikanten benaderd worden met de vraag om ook andere chemotherapiemiddelen goedkoop te leveren, heeft de directeur van het initiatief, Ira Magaziner, in een interview gezegd. De eerste zestien medicamenten die nu beschikbaar komen, zijn de middelen die het dringendst nodig zijn. Magaziner wilde voorkomen dat er meteen al te veel leveranciers mee gingen doen, want dat zou kunnen betekenen dat ze allemaal geld zouden verliezen als de eerste bestellingen te klein bleken. ‘We staan nog maar aan het begin, dus ik wil niet zeggen dat we al veel bereikt hebben,’ zegt hij. ‘Maar we zullen zeker belangrijke resultaten boeken. Het wordt een strijd van minstens vijftien jaar om de behandeling van kanker enigszins in de buurt van het westerse niveau te krijgen.’
Dr. Peter Mugyenyi, wiens aidskliniek in Oeganda als model diende voor PEPFAR, noemt de overeenkomst ‘revolutionair’. Hij riskeerde in 2001 nog een arrestatie wegens het overtreden van de Oegandese patentenwetten door goedkope aidsmedicijnen van Cipla te importeren. Twee jaar later stond hij naast first lady Laura Bush tijdens de State of the Union van 2003, waarin haar man zijn PEPFAR-plan voor het Congres uiteenzette. ‘Dit is alleen maar met die doorbraak te vergelijken,’ zegt Mugyenyi nu.
Veel Afrikaanse artsen doen hun oncologiespecialisatie in de Verenigde Staten of in Europa en vaak blijven ze daar dan hangen, waardoor hun eigen land verstoken blijft van hun vaardigheden
Nieuw bij deze deal is dat er een poging wordt gedaan om een oplossing te vinden voor het ernstige tekort aan oncologen. In Afrika kunnen oncologen zich niet specialiseren; ze moeten allemaal alles behandelen: botkanker, baarmoederhalskanker, leukemie enzovoort. Maar elk behandelingsprotocol telt vele pagina’s – alles bij elkaar is het veel meer informatie dan welke arts ook in zich kan opnemen. Daarom heeft Megan O’Brien ook het National Comprehensive Cancer Network bij de overeenkomst betrokken. In dit netwerk zitten specialisten van 27 Amerikaanse kankerziekenhuizen, die behandelingsprotocollen schrijven en op internet zetten, zodat oncologen overal ter wereld ze kunnen gebruiken. De leden splitsen deze handleidingen nu op in vier delen voor ziekenhuizen met verschillende bekwaamheden, zegt Robert Carlson, die aan het hoofd van dit netwerk staat. Voor borstkanker bijvoorbeeld: ‘Als je niet in staat bent om een mastectomie uit te voeren of geen tamoxifen kunt gebruiken, hoef je niet eens aan de behandeling daarvan te beginnen.’ Het tweede deel omvat handleidingen voor borstsparende operaties, bestraling en basale chemotherapie. Een derde stap behandelt borstreconstructies met implantaten en chemotherapie met monoklonale antilichamen zoals Herceptin.
De leden grepen deze kans om te helpen met beide handen aan, volgens Carlson. Veel Afrikaanse artsen doen hun oncologiespecialisatie in de Verenigde Staten of in Europa en vaak blijven ze daar dan hangen, waardoor hun eigen land verstoken blijft van hun vaardigheden. ‘Een belangrijke reden voor deze braindrain is dat artsen gefrustreerd en opgebrand raken, omdat ze niet de zorg kunnen leveren waarvan ze weten dat ze die zouden moeten bieden,’ zegt hij. ‘Dit moet het moreel versterken.’ IBM ondersteunt het project door deze handleidingen op te nemen in het supercomputerprogramma Watson. Dat programma leidt via vragen over allerlei onderwerpen, zoals symptomen, labuitslagen en biopsie-uitslagen, naar de best mogelijke behandeling die binnen de mogelijkheden van het ziekenhuis ligt. Het programma scant ook medische tijdschriften om zichzelf zonder menselijke tussenkomst te actualiseren.
Zelfs met de goedkopere medicijnen zal de strijd tegen kanker veel meer tijd vergen dan die tegen aids, waarschuwen alle partijen die bij de overeenkomst betrokken zijn. Aids wordt veroorzaakt door één enkele ziekteverwekker die weliswaar niet genezen kan worden, maar wel onderdrukt met een dagelijkse inname van de drie-in-één hiv-remmer. Kanker, de ongecontroleerde woekering van eigen lichaamscellen, omvat een hele familie van ziektes. De behandeling omvat vaak operatieve ingrepen, bestraling en chemotherapie met complexe medicijnen.
In Kenia is iets te zien van de mogelijkheden die in het verschiet kunnen liggen. Daar valt kanker sinds twee jaar onder de nationale ziektekostenverzekering, waarvoor mensen, afhankelijk van hun inkomen, jaarlijks tussen de 18 en 200 dollar premie betalen. Nu gaat zo’n 8 procent van het totale bedrag aan vergoedingen naar kankerbehandelingen. Drie jaar geleden moesten mensen vaak wel anderhalf jaar wachten op bestraling in het Kenyatta National Hospital, het enige ziekenhuis dat arme mensen zich konden veroorloven; velen stierven voor ze aan de beurt waren. Nu de verzekering bestraling in particuliere ziekenhuizen dekt, is er geen wachtlijst meer.
In Nairobi Hospital, een particuliere instelling die ooit het European Hospital heette, ligt Christine Kimburi, een 42-jarige vastgoedmanager met een tweeling van elf, lekker in bed terwijl ze een infuus krijgt voor haar choriocarcinoom, een vorm van kanker in de baarmoeder die is ontstaan na een miskraam. Ze is geopereerd en is bezig met haar vijfde chemokuur. De nationale ziektekostenverzekering dekt vier kuren per jaar en die van haar man dekt er nog eens vier. Met een beetje geluk zal ze er niet nog meer nodig hebben. Choriocarcinoom is in veel gevallen te genezen. ‘Het gezwel dat ze hebben verwijderd was goddank niet kwaadaardig,’ zegt ze. ‘En ik heb helemaal geen bijwerkingen van de chemo gehad.’
Maar Kenia blijft een uitzondering. ‘Toen ik voor het eerst onderzoek deed naar de behandeling van kanker in Afrika,’ vertelt Megan O’Brien, ‘was ik verbijsterd hoe weinig aandacht eraan werd besteed. In Amerika zijn we er vanaf de jaren zestig in geslaagd om die angstaanjagende en gegarandeerd dodelijke ziekte te veranderen in een ziekte die heel goed te bestrijden is. Maar die menselijke triomf heeft Afrika nog niet bereikt.’
Auteur: Donald G. McNeil Jr.
Vertaler: Astrid Staartjes
Evan Atar is medisch directeur en tevens de enige chirurg van het ziekenhuis in Boenj, in Zuid-Soedan. Hij heeft het tot zijn levenstaak gemaakt deze gewelddadige uithoek van de wereld van medische hulp te voorzien.
Al bedient het ziekenhuis in Boenj, Zuid-Soedan, een gemeenschap van zo’n tweehonderdduizend zielen, het is er een kale bedoening. Smoezelige muren, een ernstig tekort aan medische hulpmiddelen en slechts één operatietafel, moederziel alleen in een wit betegelde ruimte. Omdat er maar 120 bedden zijn, ligt of zit het merendeel van de patiënten op matjes en doeken op de keurig geveegde cementen vloer. Langs de wanden van de gangen binnen het ziekenhuiscomplex staan rijen patiënten in afwachting van een behandeling. Maar ondanks de netelige omstandigheden en de drukkende hitte draait het ziekenhuis op volle toeren.
Het is niet verrassend dat dr. Evan Atar, de medisch directeur en enige chirurg van het ziekenhuis, nauwelijks tijd heeft om te praten. Zijn rol is niet die van een directeur die vanuit zijn kantoor bevelen uitdeelt, vertelt hij. ‘Ik heb niet eens een kantoor; we hebben het zo druk dat er nauwelijks tijd is om ergens te gaan zitten.’ Atar heeft een ijzersterk geheugen voor namen en data. Hij herinnert zich nog de naam van de medewerker van Artsen zonder Grenzen die hem een set chirurgische instrumenten gaf toen hij in juli 1997 bij een ziekenhuis in Koermoek, Soedan, begon. Hij herinnert zich nog precies hoe lang het duurde om in 1998 de landingsstrook in Yaboes, Soedan, aan te leggen. Het Soedanese Volksbevrijdingsleger (toen een guerrillabeweging, nu de krijgsmacht van Zuid-Soedan), ngo-medewerkers en vrijwilligers hadden zeven dagen voor het project uitgetrokken. Het werden er acht.
Voor Atar geven deze trivia een zekere houvast in de chaos waarin hij opereert. Pas na een halfuur heeft de dokter even tijd om rustig te gaan zitten. Eenmaal gezeten achter een bureau in een ruimte die een wachtkamer lijkt te zijn, wordt hij voortdurend aangeklampt, zowel door patiënten als door personeel, totdat hij uiteindelijk vriendelijk te kennen geeft dat hij werk heeft te doen.
Maban
Boenj ligt in de door Soedan en Ethiopië ingeklemde provincie Maban, in noordoostelijk Zuid-Soedan. Het geweld lijkt alomtegenwoordig. In Zuid-Soedan is een machtsstrijd gaande die dreigt uit te monden in regelrechte genocide. Het land maakte zich in juli 2011 los van Soedan en is sinds december 2013 verwikkeld in een burgeroorlog die zowel politiek als etnisch van aard is. Tegelijkertijd woedt vlak over de grens in de Soedanese deelstaat Blauwe Nijl een burgeroorlog tussen het regeringsleger en de rebellen van het Soedanese Volksbevrijdingsleger-Noord in een conflict dat op nog twee andere fronten wordt uitgevochten: in het Noeba-gebergte en in het internationaal bekendere Darfoer. De bevolking uit het Blauwe Nijlgebied vocht met de Zuid-Soedanezen voor onafhankelijkheid, maar werd buitengesloten toen in 2011 de grenzen werden getekend. De huidige gevechten zijn min of meer een voortzetting van de vijftigjarige strijd die tot de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan heeft geleid.
Door grondoorlogen, hevige bombardementen en een onvermijdelijke humanitaire crisis zijn 135.000 Soedanezen uit de door rebellen gecontroleerde Blauwe Nijl over de grens gevlucht, waar ze in Maban in vier gemilitariseerde vluchtelingenkampen leven. (Vluchtelingen meldden dat er in mei 35 doden vielen bij politieke gevechten in de kampen.) Stress en de beperkte hoeveelheid bestaansmiddelen in het gebied zorgen voor spanningen tussen de ontheemden en de gastgemeenschap die zich met slechts 60.000 zielen zwaar in de verdrukking voelt. Gevechten tussen de lokale bevolking en de vluchtelingen leidden vorig jaar met kerst tot meer dan dertig doden. Los van de 135.000 vluchtelingen zijn er ook de talloze Soedanezen die heen en weer reizen tussen Soedan en Zuid-Soedan. Ook zij zijn op het ziekenhuis aangewezen. Blauwe Nijl is straatarm: er is geen elektriciteitsnet, er zijn geen medische voorzieningen en er zijn slechts een paar functionerende scholen. Op de markten is nauwelijks iets te koop; hier en daar een handjevol rijst of wat tomaten in hergebruikte plastic zakken. Maban is een levenslijn voor voedsel, benzine en andere levensmiddelen.
Tijdens het afscheidsfeestje in Egypte probeerden zijn collega’s op hem in te praten niet naar Soedan te vertrekken. “Het wordt je dood,” hielden ze hem voor
Atar heeft het tot zijn levenstaak gemaakt deze gewelddadige uithoek van de wereld van medische hulp te voorzien. Opgegroeid in Torit in het zuiden van Zuid-Soedan (op dit moment het toneel van hevige gevechten) ontving Atar in 1988 een beurs om medicijnen te studeren in Egypte. Na de zesjarige studie en een jaar coschappen in Alexandrië werd hij door een kapelaan aangesteld bij het Victoria Hospital in Caïro om keizersneden uit te voeren bij vrouwen die daartoe waren overgehaald om ze het geld uit de zak te kloppen. Na een half jaar zittend op een groene plastic stoel in de operatiekamer te hebben doorgebracht, werd Atar eind jaren negentig overgeplaatst naar Soedan, waar de burgeroorlog op dat moment in volle gang was. Tijdens het afscheidsfeestje in Egypte probeerden zijn collega’s op hem in te praten niet naar Soedan te vertrekken. ‘Het wordt je dood,’ hielden ze hem voor. Hij antwoordde: ‘De dood ligt niet in mijn handen maar in de handen van God.’ Zijn collega’s gooiden het over een andere boeg en vroegen hem wat hij er zou gaan eten. ‘Als geneesheer ben ik daar om mensen te behandelen. Ik eet wat zij eten,’ luidde zijn antwoord. ‘Uiteindelijk beseften ze dat mijn besluit vaststond.’ Er klinkt lichte triomf door in zijn stem.
Atar werd uitgezonden naar Koermoek in de deelstaat Blauwe Nijl (tegenwoordig zuidoostelijk Soedan) en kwam aan bij wat op papier een ziekenhuis heette te zijn, maar waar in werkelijkheid niets was. ‘Er was niet eens pen of papier,’ vertelt hij. Een week later ontving Atar van Artsen zonder Grenzen de set chirurgische instrumenten om amputaties mee uit te voeren. Hij opereerde voornamelijk mensen die op landmijnen waren gestapt. In de tien jaar die volgden breidde Atar het ziekenhuis door middel van fondsenwerving uit met een tbc-afdeling en een hiv-centrum.
Kort na de afscheiding van Zuid-Soedan, in 2011, brak in Blauwe Nijl een burgeroorlog uit tussen het Soedanese regeringsleger en de overgebleven rebellen. Terwijl het bommen regende en het regeringsleger Koermoek naderde, besloot Atar het ziekenhuis te verhuizen. Met vereende krachten werd de gehele inboedel in vier vrachtwagens en een tractor geladen en overgebracht naar het Zuid-Soedanese stadje Boenj, dat in handen was van het Volksbevrijdingsleger. ‘Het was geen rechtstreekse reis,’ vertelt Atar over de omweg die ze vanwege de gevechten moesten maken. De groep trok langzaam van plek naar plek, lopend en dragend wat nodig was, met de tractor en de wagens voorop. Wat normaal gesproken niet meer dan zeven à acht uur zou moeten duren, nam een volle maand in beslag. Ze kwamen in een complete chaos aan. Er waren al 110.000 ontheemden in het gebied en er was een massale vlucht zuidwaarts gaande. De vluchtelingen vertrokken niet vrijwillig. ‘Ze werden verjaagd. We kregen ongelofelijk veel schotwonden te behandelen,’ vertelt Atar. ‘Zelf zijn we ook meermaals met bommen bestookt.’
De eerste patiënt die hij in Boenj opereerde had schotwonden. De hele buikwand lag open en de kogel zat nog in het lichaam. Er was op dat moment nog geen operatiezaal, dus Atar en een assistent voerden de operatie op een gewone tafel uit. De man overleefde het – en werd uiteindelijk beveiliger van het ziekenhuisterrein.
Atar is sinds die fatale oktobermaand in 2011 niet meer naar Blauwe Nijl teruggekeerd; het ziekenhuis heeft in Boenj permanent een nieuw thuis gevonden. De Soedanese president, Omar al-Bashir, heeft verkondigd dat alle hulporganisaties die in het rebellengebied opereren als collaborateurs worden beschouwd en als zodanig behandeld. Als gevolg daarvan zijn er nauwelijks internationale hulporganisaties of journalisten werkzaam in Blauwe Nijl. In de afgelopen vijfenhalf jaar zijn er meer dan vierduizend bommen gedropt op zowel militaire als burgerdoelen. Ziekenhuizen worden niet gespaard. Tegenwoordig strompelen de gewonden uit de Soedanese deelstaat de grens over naar het ziekenhuis in Boenj.
Toch overlijden er in het ziekenhuis maar weinig mensen aan hun verwondingen. ‘Voornamelijk doordat de meesten niet hier in Zuid-Soedan sterven; ze sterven in Blauwe Nijl, verstoken van medische hulp. Iemand met schotwonden die niet meteen worden verbonden bloedt binnen twee à drie uur dood,’ zegt Atar. De ergste verwondingen worden veroorzaakt door de geïmproviseerde bommen die de Soedanese luchtmacht vanuit Antonov-vrachtvliegtuigen van Russische makelij afwerpt, de zogenaamde vatenbommen die simpelweg uit het laadruim worden geschoven. ‘Olievaten vol schroot en explosieven waarmee mensen aan flarden gaan.’
Een van de slachtoffers is de vijftienjarige Jima Pame, die in het ziekenhuis wacht op een huidtransplantatie. Zijn rug raakte ernstig verbrand bij een bombardement in november 2015. Hij mag nog van geluk spreken: twee vrouwen lieten bij hetzelfde bombardement het leven. De vatenbommen zijn lastig te richten en je kunt de vliegtuigen horen aankomen, dus je hebt nog tijd om te vluchten. Maar in het afgelopen jaar heeft de Soedanese regering Soechoj-straaljagers aangeschaft, een sneller, wendbaarder soort gevechtsvliegtuig dat veel nauwkeuriger kan bombarderen. ‘De bombardementen gaan maar door, en het lijkt alleen maar erger te worden,’ zegt Atar. Hij is ervan overtuigd dat de Soedanese regering iedereen in Blauwe Nijl probeert uit te schakelen. ‘Dat is overduidelijk. Ze willen iedereen in het gebied die niet buigt uit de weg ruimen.’
Atar is de enige Zuid-Soedanese chirurg in het land. Waar Oegandese en Keniase collega’s komen en gaan, is hij al deze oorlogsjaren gebleven. Internationale ngo-medewerkers zijn in de tussentijd al vier of vijf keer geëvacueerd, en hoogstwaarschijnlijk zou Atar ondanks zijn lokale paspoort zonder enige tegenwerking kunnen vertrekken, maar hij kiest ervoor te blijven. Hij weet ook dat hij meer geld kan verdienen in de Zuid-Soedanese hoofdstad Joeba. Collega’s sporen hem regelmatig aan te verkassen. ‘Dan zeg ik: wat moet ik in Joeba?’ vertelt Atar. ‘Alleen werken voor het geld? Daar gaat het mij niet om. Ik ben liever hier dan op een plek waar je hoort dat mensen elders lijden, zonder iets te kunnen doen.’
Tijdschrift voor eten, politiek, reizen en cultuur. Begon in Myanmar met de focus op Birmees nieuws maar wordt inmiddels gemaakt in New York en Barcelona. Werkt o.a. samen met Slate.
De invloed van China in Afrika groeit. In Namibië, een land met 2,4 miljoen inwoners, werken intussen tienduizenden Chinezen. Zij zorgen voor ontwikkeling, maar ook voor nieuwe afhankelijkheid.
Elke doordeweekse ochtend vindt nog voor zonsopgang een ware volksverhuizing plaats, niet ver van de woestijn aan de zuidwestkust van Afrika. Om halfzes ’s ochtends komen in de Namibische plaats Swakopmund, waar eeuwenoude gebouwen staan die nog sporen dragen van de Duitse kolonisatie, uit allerlei huizen en appartementen mannen tevoorschijn die in stevig tempo door de duisternis lopen – de witte reflecterende strepen lichten af en toe op. Het zijn geen Afrikanen, maar Chinezen. Terwijl de mannen zich verzamelen bij een keurig huis aan de Libertina Amathila Avenue, het enige huis in de buurt waar licht brandt, is de rest van het Atlantische kustplaatsje nog in een diepe rust gedompeld.
Dylan Teng, een jongensachtige ingenieur van 29 met kortgeschoren haar en een metalen brilletje, is een van de laatsten die bij het huis arriveert. Zoals vrijwel elke dag sinds hij drieënhalf jaar geleden in Namibië is aangekomen, voegt Teng zich bij de anderen en doet zich tegoed aan een ontbijt van gestoomde broodjes en rijstepap. Hij pakt een lunchpakket dat is klaargemaakt door een kok van een bedrijf en om klokslag zes uur, terwijl de sterren nog schitteren aan de hemel, stapt hij in een bus met op de zijkant de letters C.G.N. – China General Nuclear, een gigantisch overheidsbedrijf dat het grootste Chinese project in heel Afrika uitvoert.
Een uur later, wanneer de zon de horizon doet oplichten, slingert de bus door een onherbergzaam maanlandschap en daalt af naar de Husab Uranium Mine, de op een na grootste uraniummijn ter wereld – een investering van 4,6 miljard dollar. Teng heeft deze route inmiddels al bijna duizend keer afgelegd, maar elke keer opnieuw lijkt Husab een fata morgana: een virtuele stad die zich als een lint van een kilometer of tien uitstrekt over het woestijnoppervlak, met aan het ene uiteinde twee enorme open groeves die zijn uitgehakt in de rotsachtige ondergrond, en aan het andere uiteinde een verwerkingsfabriek. Die fabriek heeft, op de laatste werkdag van 2016, zijn eerste vaten U₃O₈, opgeleverd, het uraniumconcentraat dat kan worden gebruikt om kernenergie op te wekken (en om wapens te maken). ‘We hebben die dag een grote ceremonie georganiseerd,’ zegt Teng.
Het belang van Husab
Teng is een van de weinigen uit zijn geboortedorp in de provincie Sichuan, in het zuidwesten van China, die een universitaire studie heeft afgerond. Hij is zich terdege bewust van het belang van Husab. Husab is meer dan alleen een reddingsboei voor de kwakkelende economie van Namibië – naar schatting zal het bruto nationaal product van het land met 5 procent stijgen wanneer de mijn volgend jaar op volle toeren draait. Maar los daarvan zal het uranium, dat vrijwel allemaal naar China gaat, ook Tengs vaderland opstuwen tot wereldleider op het gebied van kernenergie, waarmee de afhankelijkheid van kolen zal afnemen. In Beijing, waar Teng werkte voordat hij naar Namibië kwam, leefde hij onder een grijze wolk van door kolen veroorzaakte luchtvervuiling, die over vrijwel heel Oost-China hangt. Nu werkt Teng aan de toekomst – zowel die van hemzelf als die van zijn land – onder een oneindige, kobaltblauwe Afrikaanse hemel. ‘Ik had nooit kunnen denken,’ zegt hij, ‘dat ik aan de andere kant van de wereld zou belanden.’
De aantrekkingskracht van China doet zich momenteel vrijwel overal ter wereld gelden, maar er zijn weinig landen waar die kracht zo sterk voelbaar is als in Namibië, een winderig land met 2,4 miljoen inwoners – nauwelijks eentiende van het inwonertal van Beijing – op zo’n 12.000 kilometer van de Chinese hoofdstad. De woestijn waar de afgelopen jaren de Husab-mijn is verrezen, stond bekend om de aanwezigheid van de Welwitschia mirabilis, de lage plant waaraan maar twee bladeren groeien en die meer dan duizend jaar oud kan worden. Inmiddels heeft de invloed van China zich, in net iets meer dan duizend dagen, uitgestrekt tot ver voorbij de uraniummijn.
Iets ten noorden van Swakopmund is een Chinees telemetriestation verrezen, met schotelantennes die naar de hemel zijn gericht om satellieten en ruimtemissies te kunnen volgen. Zo’n 40 kilometer zuidelijker, in Walvisbaai, is een Chinees staatsbedrijf bezig met de aanleg van een kunstmatig eiland ter grootte van veertig honkbalvelden, als deel van een immense havenuitbreiding. Andere Chinese projecten in de buurt zijn onder meer een winkelcentrum, een granietfabriek en een brandstofopslagdepot van 400 miljoen dollar. In de haven wordt Chinese handel verscheept: containerschepen vol cement, kleding en apparatuur komen de haven in; tegels, mineralen en – soms – illegaal kaphout of bedreigde diersoorten zetten koers richting China. Het is zo’n bedrijvigheid dat het gerucht gaat dat er plannen zijn voor een marinebasis in Walvisbaai. Hoewel die geruchten met klem worden ontkend door hoge Chinese ambtenaren, houdt de plaatselijke bevolking het niet voor onmogelijk.
Deze bescheiden buitenpost is misschien nog maar het begin van wat weleens de grootste wereldwijde handels- en investeringsslag uit de geschiedenis zou kunnen worden. Gedreven door economische (een verlangen naar bronnen en nieuwe afzetmarkten) en politieke motieven (een verlangen naar nieuwe strategische partners) zijn Chinese bedrijven en arbeidskrachten over de hele wereld uitgewaaierd. In 2000 beschouwden slechts vijf landen China als hun belangrijkste handelspartner; momenteel geldt dat voor meer dan honderd landen, van Australië tot de Verenigde Staten. Er komt geen einde aan de reeks voorgestelde projecten: China’s eerste buitenlandse militaire basis, in Djibouti; een hogesnelheidstrein door Nigeria, een project van 8 miljard dollar; een kanaal dwars door Nicaragua, dat naar verwachting zo’n 50 miljard zal gaan kosten. En zelfs nu China’s hausse enigszins begint af te nemen, staat nog altijd het meest ambitieuze project van allemaal in de steigers: met het One Belt, One Road-initiatief – een verwijzing naar de handelsroutes – wil president Xi Jinping naar eigen zeggen in het komende decennium 1,6 biljoen dollar in infrastructuur en ontwikkeling steken, door heel Azië, Afrika en het Midden-Oosten. Hierbij verbleekt het Marshallplan van de Verenigde Staten voor Europa, na de Tweede Wereldoorlog.
China’s band met Afrika gaat terug tot de jaren zestig, toen voorzitter Mao Zedong solidariteit met de westerse wereld bepleitte – Ya Fei La, zoals hij het noemde, naar de eerste lettergrepen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Hoewel China arm was, en verzand in de chaos van de Culturele Revolutie, wist het in Afrika nieuwe bondgenoten te werven door in 1976 een spoorlijn van maar liefst 1860 kilometer aan te leggen tussen Tanzania en Zambia. Hierna druppelde er wel af en toe wat geld binnen, maar er dienden zich in de dertig jaar die volgden geen andere grote projecten aan. China richtte zich op de binnenlandse economie, naar het adagium van leider Deng Xiaoping: ‘Verberg je kracht en wacht tot je tijd daar is.’ Dat was in 2000, toen Beijing zich realiseerde dat er buitenlandse bronnen en bondgenoten nodig waren om de economische groei te stimuleren. Chinese bedrijven werden opgeroepen ‘de blik te verbreden’ naar het buitenland.
Wie nu een nachtvlucht neemt van Shanghai naar Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië, loopt grote kans tussen allemaal Chinese arbeiders te belanden, die op weg zijn naar een bouwplaats in het olierijke Equatoriaal-Guinea, een katoenfabriek in Mozambique of een telecomproject in Nigeria. In de afgelopen twintig jaar is de handel van China met Afrikaanse landen verveertigvoudigd. De arbeiders en de migranten die de mondiale visie van China uitdragen zijn nu zo alomtegenwoordig in Afrika – volgens een schatting zijn het er wel een miljoen – dat toen mijn vrouw en ik een Hunanees restaurant in Addis Abeba binnenliepen, de arbeiders die er met een rood hoofd dubbelgekookt varkensvlees zaten te eten, uitriepen: ‘Ah, laowai laile!’ Kijk, buitenlanders! Het leek onbeleefd om hen erop te wijzen dat ze zelf ook buitenlanders waren.
Een land als Namibië kan moeilijk weerstand bieden aan China’s verkooppraatjes, deels omdat die teruggrijpen op een historische verbondenheid. Beijing steunde de vrijheidsstrijd van de zwarte nationalisten tegen de apartheid en tegen de blanke, Zuid-Afrikaanse herenboeren. Sam Nujoma, de leider van de South West Africa People’s Organization, bracht begin jaren zestig een bezoek aan Beijing, op zoek naar wapens en financiële steun. Toen Namibië begin jaren negentig eindelijk de onafhankelijkheid uitriep, met Nujoma als president, was China een van de eerste diplomatieke bondgenoten, die liet weten dat de twee landen ‘door dik en dun’ bevriend waren. (Beijing was wanhopig op zoek naar bondgenoten teneinde het diplomatieke isolement te doorbreken als gevolg van het gewelddadig neerslaan van de democratiseringsbeweging in 1989).
Sommige inwoners van Namibië zien de overvloed aan Chinese leningen en investeringen niet zozeer als een vorm van vrijheid, maar eerder als een nieuwe vorm van kolonialisme
China heeft meer te bieden dan alleen het eigen historische voorbeeld als een model om te ontsnappen aan de armoede: het land financiert ook buitenlandse ondernemingen zonder allerlei voorwaarden te stellen op het gebied van mensenrechten, good governance en fiscale regels. ‘Wij waren heel blij met China, omdat we voor het eerst een alternatief hadden voor de agenda die werd bepaald door het Westen, of het nu ging om Zuid-Afrika of om de westerse wereld,’ zegt Calle Schlettwein, de Namibische minister van Financiën. ‘De Chinezen zeggen: “Jullie moeten je eigen koers bepalen, dus zeg maar wat we voor jullie kunnen doen”.’ Maar ook de Chinezen stellen voorwaarden, aldus Schlettwein. ‘Uiteindelijk willen ze totale controle over alles wat er gebeurt, wat het lastig maakt om een situatie te creëren waarbij werkelijk beide partijen baat hebben.’
De leiders van China hameren erop dat hun invloed alleen maar positief is, een mondiale oefening in wat zij een ‘win-winsamenwerking’ noemen. En het valt niet te ontkennen dat veel van de projecten die Chinese bedrijven realiseren – wegen en spoorlijnen, havens en pijpleidingen, mijnen en telecomnetwerken – er nooit zouden zijn gekomen zonder de Chinezen. China’s investering in de Husab-uraniummijn, waarvan 90 procent van de aandelen in handen is van C.G.N. en 10 procent in handen van de Namibische overheid, is een niet onbelangrijk middel om de recessie op afstand te houden. ‘We hebben Namibië geholpen om zich in politiek opzicht te bevrijden,’ zegt Xia Lili, een voormalig Chinees diplomaat die nu bij een Chinees bedrijf werkt in Windhoek. ‘Nu helpen we het land om zich in economisch opzicht te ontwikkelen.’
Sommige inwoners van Namibië zien de overvloed aan Chinese leningen en investeringen niet zozeer als een vorm van vrijheid, maar eerder als een nieuwe vorm van kolonialisme. De nieuwe infrastructuur wordt verwelkomd, maar aangezien de projecten onmogelijk zouden zijn geweest zonder leningen – verstrekt door de Chinezen – is de economie opgezadeld met schulden en is het werkloosheidspercentage van bijna 30 procent nauwelijks gedaald. Bovendien zijn er de laatste maanden een aantal schandalen geweest rond Chinezen – waaronder belastingontduiking, witwassen en jagen op beschermde diersoorten – waardoor de plaatselijke bevolking genoeg begint te krijgen van de buitenlanders; die willen volgens hen namelijk vooral dingen úít het land halen: uranium, hout, neushoornhoorns en financiële winsten, zonder iets terug te geven aan de bevolking van het land waar de kloof tussen arm en rijk, dankzij de erfenis van de apartheid, tot de meest schrijnende ter wereld behoort. In januari werden deze gevoelens, die steeds meer terrein winnen, mooi verbeeld in een krant uit Windhoek, die op de voorpagina een cartoon plaatste van een draak die de Namibische vlag verslindt. De bijbehorende tekst: ‘Namibië wordt aan de Chinezen gevoerd.’
De vraag hoe China de wereld verandert wordt vaak gepresenteerd als een binaire kwestie: is China de redding van ontwikkelingslanden, de enige wereldmacht die investeert in hun toekomst – of is dit het begin van een nieuw koloniaal tijdperk? De vraag zelf is echter misleidend. Niet alleen in Namibië zelf, maar ook in de rest van de wereld bestaan deze twee verhaallijnen naast elkaar en zijn ze onmogelijk te ontwarren. ‘Je zou kunnen zeggen dat China het beste is wat Afrika ooit is overkomen – of het ergste,’ aldus Eric Olander, co-presentator van de wekelijkse China in Africa Podcast. ‘De schoonheid schuilt in de complexiteit.’
Vrijheid en mogelijkheden
Op de citroengele muur van het restaurant staat in het Chinees: Ye Shanghai. De nachten van Shanghai. De gasten voor de lunch zijn inmiddels alweer vertrokken, maar aan een tafel zitten nog zes Chinese mannen en vrouwen van middelbare leeftijd – onder wie James Shen en zijn vrouw Rose, de eigenaren. Ze pellen garnalen en zuigen met smaak de schaal leeg. Niemand zegt een woord. Uit de flatscreen-tv aan de muur schalt een reportage van CCTV-4, een zender van de Chinese staatstelevisie, waarin ademloos het machtige Volksbevrijdingsleger wordt geroemd. Wanneer er een dubbele rij explosies op zee wordt getoond, roept Rose uit: ‘Wah, wat is ons China sterk!’
Het restaurant van het echtpaar bevindt zich in Walvisbaai, een havenstad die aan drie kanten wordt ingesloten door de Namibwoestijn, volgens sommigen de oudste ter wereld. James en Rose maken deel uit van een van de eerste golven Chinese immigranten, die twintig jaar geleden in Afrika zijn aangekomen om er nooit meer te vertrekken. De Chinese diaspora heeft een lange geschiedenis van wortelen en tot bloei komen, op enkele van de meest afgelegen plekken ter wereld. Werkelijk overal ben ik Chinese kooplieden tegengekomen, van de Siberische toendra tot aan kleine mijnsteden in de Andes. In Afrika hebben ondernemers zoals James en Rose een nieuw land gevonden met de ruimte, de vrijheid en de mogelijkheden die ook de kolonisten van vroeger in het westen van Amerika zo aansprak. ‘Mijn man was op zoek naar een plek om een zaak op te zetten, en hij viel voor de ruimte, de weidsheid,’ zegt Rose. ‘Maar we blijven altijd op de eerste plaats Chinees.’
Zoals zovele Chinese immigranten over de hele wereld begon het echtpaar met een klein winkeltje, waar ze goedkope kleren, schoenen en tassen verkochten die per schip uit China werden aangevoerd. Hun zaakje, James and Rose, is er nog altijd, aan een belangrijke kruising in Walvisbaai, maar inmiddels hebben ze hun activiteiten uitgebreid met een hotel, een restaurant, een karaokebar, een massagesalon en een handelsonderneming. Tegenwoordig zie je in vrijwel elke stad in Namibië wel zo’n Chinese winkel – en nog vele duizenden meer in de rest van Afrika.
Op een zondag in het Chinatown van Windhoek, waar tientallen winkeltjes zijn gevestigd in een lange rij pakhuizen in het industriële deel van de stad, slenteren Namibische families over straat en dingen af op van alles en nog wat, van namaak-Nikes en plastic speelgoed tot zonnepanelen en tweedehandsmobieltjes. Een man vertelt me dat hij blij is met de lage prijzen, maar ondertussen doet hij wel zijn beklag over de kwaliteit – en de nadelige effecten op de lokale handel. Wu Qiaoxia, een Chinese makelaar die is begonnen met een klein zaakje in de noordelijke stad Oshakati, wuift die kritiek van de hand. ‘Voordat wij hier kwamen, liepen er in Namibië nog veel kinderen rond die niet eens schoenen hadden,’ zegt Wu. ‘De mensen hier hadden behoefte aan van alles, en dat hebben wij hun verkocht, tegen lage prijzen.’
Over het precieze aantal Chinezen in Namibië lopen de meningen nogal uiteen. Er zijn geen officiële cijfers en het beeld wordt vertroebeld door een constant komen en gaan van contractarbeiders. Afgelopen najaar trok het Namibische ministerie van Binnenlandse Zaken aan de alarmbel met de bewering dat er honderdduizend Chinezen in Namibië wonen – wat zou neerkomen op zo’n 4 procent van de bevolking. Voorzichtigere schattingen gaan uit van iets tussen de tien- en de twintigduizend. Hoe dan ook is duidelijk dat in Namibië, zoals in vrijwel alle ontwikkelingslanden, de oudere generatie langdurige immigranten wordt verdrongen door China’s diaspora: jongere arbeiders met een betere opleiding, die naar het buitenland gaan om ervaring op te doen – en goed te verdienen – om vervolgens terug te keren naar China. ‘Wij waren hier als een van de eersten,’ zegt Rose Shen, ‘maar inmiddels zitten er overal Chinezen.’
In Afrika verdient Sean Hao ruim tien keer zoveel als thuis in China
Sean Hao, een jonge telecommunicatiespecialist in Windhoek, maakt deel uit van die diaspora. Hij is opgegroeid in een grotwoning in de provincie Shaanxi in Centraal-China, en het lag in de lijn der verwachting dat hij in zijn leven niet veel verder zou komen dan de jujubeboomgaard van het dorp. Maar Hao werd toegelaten tot een universiteit, als eerste van de familie, en na zijn afstuderen kreeg hij een baan als netwerkinstallateur bij een Chinese telecomgigant. Door een kamer te huren voor slechts 15 dollar per maand wist hij wat geld opzij te zetten van de 500 dollar die hij elke maand verdiende. Maar zijn spaargeld was nauwelijks genoeg om het appartement te kopen dat hij nodig had om te kunnen trouwen. In een land waar veel meer jonge mannen zijn dan jonge vrouwen – als gevolg van de eenkindpolitiek – wordt een appartement gezien als een noodzakelijk iets om een vrouw aan je te kunnen binden en niet te hoeven eindigen als een ‘dorre tak’ (een ongetrouwde man). Maar onroerend goed leek te hoog gegrepen voor iemand die was opgegroeid in een grot.
Toen een headhunter Hao attendeerde op een baan in Afrika waarmee hij meer dan 6000 dollar per maand zou verdienen, vertrouwde Hao het niet. ‘Ik was bang dat het om mensensmokkel ging,’ vertelt hij lachend. Het aanbod bleek serieus, maar het ging om een baan in Nigeria, wat in zijn ogen geen veilig land was. Dus tekende Hao in plaats daarvan een contract om een telecomsysteem aan te leggen in Angola, voor ruim 5000 euro per maand – meer dan tien keer zoveel als hij daarvoor verdiende. Na een jaar in Afrika deed Hao een aanbetaling voor een appartement in Xi’an, een stad in Centraal-China, en hij wist de ouders van zijn vriendin ervan te overtuigen dat hij een voldoende solide financiële basis had om met hun dochter te trouwen. Hao en zijn vrouw kregen na korte tijd een dochtertje, maar door zijn werk in Afrika heeft hij haar de eerste vijftien maanden van haar leven slechts één maand gezien. ‘Ze herkende me niet eens,’ zegt hij. Zijn vrouw en dochtertje besloten bij hem te komen wonen, in Namibië, waar hij inmiddels werkte. Maar na een lang en eenzaam jaar vertrokken ze weer naar huis, en Hao wordt nog altijd heen en weer geslingerd tussen het verlangen om bij zijn gezin in China te zijn en de kans om zijn slag te slaan in Namibië.
Op een warme zaterdag, eind maart, voegt Hao zich bij een tiental Chinese collega’s, onder het strodak van Joe’s Beerhouse in Windhoek. Twee van de mannen gaan terug naar China, nadat hun kortlopende contract is afgelopen, en de groep neemt afscheid met grote glazen zogenaamd Duits bier. Tegen de tijd dat ik in de bar arriveer zijn er al drie mannen lam en liggen met hun hoofd op tafel, terwijl een paar anderen gevaarlijk overhellen. Hao, die nog moet rijden, heeft nauwelijks een slok gedronken. Door het afscheid van zijn vrienden, die terugkeren naar het moederland, is hij in een wat melancholieke stemming. ‘Ik zou ook wel naar huis willen,’ zegt hij, ‘maar in China kan ik onmogelijk een baan vinden waarmee ik ook maar in de verste verte kan verdienen wat ik nu verdien.’
Tijdschrift dat op zondag verschijnt bij de The New York Times en dat vooral bekend staat om zijn fotografie, met name op het gebied van mode en stijl.
Het Chinese staatsbedrijf State Grid, de grootste energiereus ter wereld, wil de wereld gaan veroveren. In Brazilië laten de Chinezen zien dat het hen ernst is.
Het is niet altijd duidelijk of de globale ambities van China megalomaan zijn of gewoon realistisch. Wie twijfelde er twintig jaar geleden niet ernstig aan het economisch potentieel van het land? Maar sindsdien heeft China de wereld ondubbelzinnig laten zien een economische grootmacht te zijn. Toch was het in maart van dit jaar door het Chinese staatsenergiebedrijf State Grid gelanceerde plan voor de bouw van een wereldwijd energienetwerk zelfs naar Chinese begrippen buitenissig. Het bedrijf kondigde aan van plan te zijn hier tussen nu en 2050 samen met een aantal partners maar liefst 50 biljoen (ja, biljoen) dollar in te investeren. Als één bedrijf op de wereld in staat zou zijn om deze reusachtige ambitie te realiseren, dan is het State Grid wel. Het is de grootste energiereus ter wereld, met 1,5 miljoen werknemers en een jaaromzet van 340 miljard dollar [304 miljard euro]. Het bedrijf is sinds zes jaar in Brazilië actief en wil, naar het recente beleid te oordelen, vanuit dit land beginnen met zijn plan om de wereld te veroveren.
Door een serie van acquisities bezit het momenteel 7000 kilometer elektriciteitskabel in Brazilië en legt het nog 6600 kilometer nieuwe aan. In juni kondigde het de overname aan van het belang van de [Braziliaanse] groep Camargo Corrêa in het elektriciteitsbedrijf CBFL uit Saõ Paolo, het kroonjuweel van de Braziliaanse elektriciteitssector.
Vrijwel zeker zal het ook de rest van de aandelen overnemen en het bedrijf voor een geschatte prijs van 25 miljard reais (6,8 miljard dollar) volledig in bezit krijgen. Als dit lukt, is het de grootste overname uit de geschiedenis van de Braziliaanse elektriciteitssector.
Chinese dominantie
Waarnemers van de sector wijzen erop dat de gretigheid waarmee het bedrijf overnames blijft doen past binnen een patroon dat nog maar in een eerste fase lijkt te zijn – de algehele dominantie van de sector door Chinese bedrijven. Gezien haar omvang is het logisch dat State Grid bij deze ontwikkeling vooroploopt. Maar het bedrijf is zeker niet als enige op de Braziliaanse markt actief.
In de afgelopen vijf jaar investeerden de Chinezen zo’n 40 miljard dollar [35,8 miljard euro] in de Braziliaanse elektriciteitssector. China Three Gorges (CTG), dat de beroemde Drieklovendam (de grootste dam ter wereld) exploiteert, werd in 2013 in Brazilië actief met de aankoop van activa van het Portugese EDP. Inmiddels heeft het al 17 miljard reais (4,6 miljard euro) geïnvesteerd, wat CTG het op twee na grootste elektriciteitsbedrijf van het land maakt. Bij vrijwel alle overnamegesprekken in de Braziliaanse elektriciteitssector bevindt zich wel een Chinees bedrijf onder de kandidaten.
De onderhandelingsstijl van de Chinese bedrijven is de afgelopen jaren steeds meer gaan lijken op wat internationaal gebruikelijk is. Van alle in Brazilië actieve bedrijven wordt CTG als het meest ‘westers’ beschouwd. De CEO voert zijn onderhandelingen met banken in het Engels en heeft meerdere Braziliaanse directeuren onder zich werken. State Grid daarentegen heeft voor elke Braziliaan een Chinese ‘tegenhanger’ in dienst.
Tijdens onderhandelingen staan advocatenkantoren onder grote druk, aangezien alle documenten en contracten eerst in het Mandarijn vertaald moeten worden – de vraag naar vertalingen is daardoor zo groot dat er bij een recente transactie nergens een bekwame vertaler te vinden was. Alle afspraken moeten onder voorbehoud worden gemaakt, want de strenge hiërarchie van de Chinese bedrijven vereist dat alles eerst wordt voorgelegd aan superieuren in China. Hoe minder internationaal georiënteerd een bedrijf is, hoe langer de vergaderingen duren – tot wel veertien uur als de kopers verlangen dat alles van het Portugees in het Mandarijn vertaald wordt.
In mei 2015 was premier Li Keqiang in Brazilië om voor 53 miljard dollar [47,5 miljard euro] aan handelsverdragen af te sluiten – en Chinese bedrijven aan te moedigen om toch vooral in het land te investeren.
‘Door het inzakken van hun economie zijn de Chinezen op zoek naar nieuwe markten waar ze hun ruim 3 biljard dollar aan deviezenreserves in kunnen investeren,’ vertelt Luis Augusto de Castro Neves, president van het Conselho Empresarial Brasil-China (een instelling die de wederzijdse handel tussen de twee landen moet bevorderen). De verovering van de Braziliaanse markt werd mogelijk door een radicale beleidswijziging van de regering in Brasília.
Nog maar zo’n vijf jaar geleden deed de Braziliaanse regering er juist alles aan om de Chinezen te laten merken dat ze in Brazilië niet welkom waren. Toen State Grid in 2010 probeerde het aandeel van het Spaanse Iberdrola in het bedrijf Neoenergia over te nemen, werd de Spanjaarden duidelijk gemaakt dat de transactie ‘niet beviel’ – met andere woorden, de regering zou er zijn veto over uitspreken.
Toen hetzelfde bedrijf in 2013 het belang van Camargo Corrêa in CBFL wilde overnemen (het belang dat het later inderdaad zou verwerven), riep de Braziliaanse regering pensioenfondsen op met deelnames in het bedrijf om hun recht van eerste koop uit te oefenen en zo de Chinezen de voet dwars te zetten. De overname ging niet door.
Later kon men de realiteit binnen de sector niet langer negeren en moest de regering haar beleid wijzigen. Vanaf dat moment was er voor de gretige Chinese bedrijven meer aanbod van activa en aandelen in energiebedrijven dan ooit tevoren. Volgens bankiers en advocaten worden nu jaarlijks ruim 60 miljard aan activa te koop aangeboden.
De ultieme ironie: door de nationalistische ijver van Dilma Rousseff valt de nationale elektriciteitssector in handen van de Chinezen
Het op de markt komen van zo veel activa komt door de voorlopige beleidsmaatregel 579 van de inmiddels afgezette president Dilma Rousseff. Hierin werden elektriciteitsbedrijven verplicht om hun concessies tegen 20 procent lagere tarieven opnieuw af te sluiten – wie hiermee niet akkoord ging, kon zijn contract niet verlengen. Zowel voor bedrijven die het accepteerden als voor andere die niet meededen, betekende dit een forse ingreep in de bedrijfsvoering.
Volgens consultancyfirma Thymos was het uiteindelijke verlies van de energieproducenten, -transporteurs en -distributeurs zo’n 67 miljard reais (18,5 miljard euro). Na deze maatregel werden de grote investeerders in de sector, zoals Petrobras, Eletrobras, Camargo Corrêa, Odebrecht, OAS en Queiros Galvão, ook nog eens verrast door de operatie-Lava Jato (gerechtelijk onderzoek naar het corruptieschandaal binnen Petrobras).
Genoodzaakt om hun schulden te verminderen, en om hun investeringen in projecten terug te verdienen en boetes en afkoopsommen in arbitragezaken met de regering te betalen, deden deze bedrijven hun activa in de verkoop. Voor Braziliaanse investeerders waren de kosten van krediet voor deze overnames echter te hoog.
‘De Chinezen zijn momenteel praktisch de enigen met genoeg financiële armslag om dit grote aanbod te kunnen financieren,’ vertelt directeur Fernando Camargo van consultancyfirma LCA. Het is de ultieme ironie: door de nationalistische ijver van Dilma Rousseff valt de nationale elektriciteitssector in handen van de Chinezen.
Auteur: Maria Luíza Filgueiras
Vertaler: Valentijn van Dijck
Het tweemaandelijkse zakenblad Exame (Portugees voor onderzoek) bestaat precies vijftig jaar en wordt uitgegeven door Editora Abril in het Braziliaanse financiële centrum São Paulo. Het bevat nieuws en achtergrondinformatie over de algemene economie, investeringen, verkooptechnieken en nieuwe technologie. Het blad heeft een oplage van 200.000, waarvan 160.000 abonnementen. Het beschikt over kantoren in Rio de Janeiro, Brasilia en New York, bemand door zeventig journalisten. Dezelfde uitgeverij publiceert van tijd tot tijd ook Vip Exame, een blad dat zich richt op de aangename dingen voor de zakenman, zoals reizen, toerisme, culinair nieuws, mode en culture evenementen.
Het zakenblad verschijnt onder gelijke naam in licentie in de voormalige Portugese kolonie Angola. In Portugal en in Mozambique worden financiële nieuwsbladen uitgegeven onder dezelfde titel, die echter niet tot dezelfde uitgeverij behoren.
De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver Teju Cole bezoekt het Zwitserse bergdorp waar James Baldwin in de jaren vijftig zijn essay ‘Stranger in de the Village’ schreef. In Baldwins tijd hadden de dorpelingen nog nooit een zwarte man gezien, en riepen kinderen ‘neger’ naar hem. Dat is nu gelukkig anders, constateert Cole. Maar is er in hun thuisland ook zo veel veranderd?
Toen reed de bus de wolken binnen, en tussen de ene wolk en de volgende vingen we glimpen op van de stad beneden. Het was etenstijd en de stad was een verzameling gele puntjes. We kwamen dertig minuten na ons vertrek uit die stad, die Leuk heette, aan. De trein naar Leuk was aangekomen uit Visp, de trein uit Visp was gearriveerd uit Bern, en de trein dáárvoor kwam uit Zürich, waar ik ’s middags was vertrokken. Drie treinen, een bus en een korte wandeling, allemaal door een prachtig landschap, en daarna bereikten we Leukerbad in de duisternis. Leukerbad, niet ver in termen van absolute afstand, was dus niet zo makkelijk te bereiken. 2 augustus 2014: het was de verjaardag van James Baldwin. Als hij nog in leven zou zijn, zou hij negentig zijn geworden. Hij is een van die mensen die op het punt staan uit de hedendaagse tijd te verdwijnen naar de historische – John Coltrane zou dit jaar 88 zijn geworden, en Martin Luther King Jr. 85; mensen die nog steeds onder ons zouden kunnen zijn, maar die soms heel ver weg voelen, alsof ze eeuwen geleden hebben geleefd.
James Baldwin had in 1951 voor het eerst Parijs verlaten om naar Leukerbad te gaan. De familie van zijn vriend Lucien Happersberger had een chalet in een dorp in de bergen. Dus Baldwin, die destijds gedeprimeerd en verstrooid was, ging erheen, en het dorp (dat Loeche-les-Bains heet) bleek een toevluchtsoord voor hem te zijn. Zijn eerste reis was in de zomer en duurde twee weken. Toen keerde hij, ook tot zijn eigen verrassing, voor nog eens twee winters terug. Zijn eerste roman, Go Tell It on the Mountain, kreeg hier zijn definitieve vorm. Hij had acht jaar met dat boek geworsteld, en hij kon het eindelijk voltooien op deze onwaarschijnlijke plek. Hij schreef ook nog iets anders, een essay getiteld ‘Stranger in the Village’; het was dit essay, meer nog dan de roman, dat me naar Leukerbad bracht. ‘Stranger in the Village’ werd eerst gepubliceerd in Harper’s Magazine, in 1953, en vervolgens in de essaycollectie Notes of a Native Son, in 1955. Het gaat over de ervaringen van het zwart zijn in een volledig blank dorp. Het begint met het gevoel van een extreme reis, zoals die van Charles Darwin naar de Galápagos-eilanden of die van Tété-Michel Kpomassie naar Groenland.
Maar dan geeft het ruimte aan andere zorgen en aan een andere stem, om te kijken naar de Amerikaanse rassensituatie in de jaren vijftig. Het deel van het essay dat over het Zwitserse dorp gaat is zowel grappig als treurig. Baldwin is gevoelig voor de absurditeit van een schrijver uit New York die op een bepaalde manier inferieur wordt gevonden door de Zwitserse dorpelingen, waarvan velen nooit hebben gereisd. Maar verderop in het essay, als hij schrijft over ras in Amerika, is hij helemaal niet grappig meer. Hij is boos en profetisch, schrijvend met een harde helderheid en voortgedragen door een duizelingwekkende eloquentie.
Ik nam een kamer in Hotel Mercure Bristol, de nacht dat ik aankwam. Ik opende het raam en zag slechts duisternis, maar ik wist dat in de duisternis de Daubenhorn-berg school. Ik nam een heet bad en lag tot aan mijn nek in het water met mijn oude paperbackeditie van Notes of a Native Son. Het blikachtige geluid uit mijn laptop was Bessie Smith die I’m Wild about That Thing zong, een smerig bluesnummer en een meesterwerk van plausibele ontkenning: ‘Don’t hold it baby when I cry / Give me every bit of it, else I’d die / I’m wild about that thing.’ Ze zou over een trombone kunnen zingen. En het was daar in dat bad, met zijn woorden en haar stem, dat ik mijn ‘bodydoublemoment’ beleefde: hier was ik dan, in Leukerbad, met Bessie Smith zingend door de jaren heen vanuit 1929; ik ben zwart, net als hij; en ik ben slank; en ik heb een spleetje tussen mijn voortanden; en ik ben niet bijzonder lang (nee, eerder kort); en ik ben cool op schrift en geanimeerd in persoon, behalve als het andersom is; en ik was ooit een fervente tienerprediker (Baldwin: ‘Niets dat mij sindsdien is overkomen kan tippen aan de macht en de roem die ik soms heb gevoeld als ik, midden in een preek, wist dat ik op een bepaalde manier, door een of ander wonder, werkelijk “het Woord” – zoals ze dat noemen – droeg: dat de kerk en ik één waren’); en ook ik heb de kerk vaarwel gezegd; en ik noem New York ‘thuis’ terwijl ik daar niet eens woon; en ik voel mij overal, van New York City tot op het platteland van Zwitserland, de hoeder van een zwart lichaam, en moet de taal zien te vinden voor wat dat allemaal voor mij betekent, en voor de mensen die naar mij kijken. De voorouder had kortstondig bezit genomen van de afstammeling. Het was een moment van identificatie, en in de dagen die volgden was dat moment een gids.
Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika
‘Al het beschikbare bewijsmateriaal wees erop dat geen enkele zwarte man ooit in dit kleine Zwitserse dorp was geweest voordat ik kwam’, schreef Baldwin. Maar het dorp is sinds zijn bezoeken, ruim zestig jaar geleden, aanzienlijk gegroeid. Nu hebben ze wél eerder een zwarte man gezien; ik was geen bezienswaardigheid.
Er werd wel wat gegluurd in het hotel toen ik incheckte, en in het goede restaurant verderop langs de weg, maar er wordt altijd wel gegluurd. Er wordt gegluurd in Zürich, waar ik de zomer doorbreng, en er wordt gegluurd in New York City, waar ik al veertien jaar woon. Er wordt in heel Europa en India gegluurd, en overal waar ik heen ga, behalve in Afrika. De proef op de som is hoe lang dat gegluur duurt, en of het gestaar wordt, met welke bedoeling het gebeurt, of er ook maar enige mate van vijandigheid of spot in schuilt, en in welke mate connecties, geld of kleding mij in deze situaties kunnen beschermen. Als je een vreemdeling bent wordt er naar je gekeken, maar als je zwart bent wordt er in het bijzonder naar je gekeken.
(‘De kinderen roepen Neger! Neger! als ik over straat loop.’) – Leukerbad is veranderd, maar op welke manier? Er waren helemaal geen groepen kinderen meer op straat, er waren überhaupt weinig kinderen te bekennen. Vermoedelijk zaten de kinderen van Leukerbad binnen, net als kinderen in de hele wereld, gebogen over hun computerspelletjes, Facebook checkend of muziekvideo’s kijkend. Misschien waren sommige oudere mensen die ik op straat tegenkwam de vroegere kinderen die ooit zo verbaasd waren geweest bij het zien van Baldwin, en over wie, in het essay, hij moeite heeft redelijk te blijven: ‘In dit alles, ook al moet ik toegeven dat er sprake was van de charme van echte verbazing en er zeker geen element van doelbewuste onvriendelijkheid in school, klonk op geen enkele wijze de suggestie door dat ik menselijk was: ik was eenvoudigweg een levend wonder.’
Maar nu zijn de kinderen of kleinkinderen van deze vroegere kinderen op een of andere manier verbonden. Misschien maken xenofobie of racisme nog steeds deel uit van hun levens, maar dat geldt ook voor Beyoncé, Drake en Meek Mill, de muziek die ik iedere vrijdagnacht uit de Zwitserse clubs hoor komen. Baldwin moest in de jaren vijftig zijn eigen platen meebrengen, als een geheime voorraad geneesmiddelen, en hij moest zijn platenspeler omhoog zeulen naar Leukerbad, zodat het geluid van de Amerikaanse blues hem verbonden kon houden met een Harlem van de geest. Ik luisterde naar wat van dezelfde muziek terwijl ik daar was, als een manier om met hem samen te zijn: Bessie Smith die I Need a Little Sugar in My Bowl zingt (‘I need a little hot dog on my roll’), Fats Waller die Your Feet’s Too Big zingt. Ik luisterde ook naar mijn eigen playlist: Bettye Swann, Billie Holiday, Jean Wells, Coltrane Plays the Blues, The Physics, Childish Gambino. De muziek waarmee je reist helpt je je eigen innerlijk weer te scheppen. Maar de wereld doet ook mee: toen ik op een middag ging zitten lunchen bij het Römerhof-restaurant – die dag waren alle klanten en personeelsleden blank – was de muziek die ik op de achtergrond hoorde Whitney Houstons I Wanna Dance with Somebody. De geschiedenis is nu en zwart Amerika.
Josephine Baker bezocht Volendam in 1928. Niet te zien is dat zij klompen aan heeft waarmee ze later de Charleston gedanst zou hebben.
Tijdens het diner in een pizzeria werd er gegluurd. Een tafel met Britse toeristen staarde me aan. Maar de serveerster was deels zwart, en in het hotel was een van de personeelsleden van de fitnessruimte een oudere zwarte man. ‘Mensen zitten gevangen in de geschiedenis, en de geschiedenis zit gevangen in hen’, schreef Baldwin. Maar het is ook waar dat de kleine deeltjes geschiedenis zich met een enorme vaart rond bewegen en zich met een niet altijd even heldere logica vastzetten, en zelden voor langere tijd. En wellicht interessanter dan dat ik niet de enige zwarte in het dorp was is het feit dat veel van de andere mensen die ik zag ook buitenlanders waren.
Dit was de grootste verandering van allemaal. Terwijl het dorp destijds een vrome en bedaagde indruk maakte, en de sfeer van een klein Lourdes uitstraalde, is het nu veel drukker en volgepakt met bezoekers uit andere delen van Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Italië en de rest van Europa, en zelfs uit Azië en Noord- en Zuid-Amerika. Het is het populairste kuuroord in de Alpen geworden. De gemeentelijke heilbaden waren vol. Er zijn hotels in alle prijsklassen aan iedere straat, en er zijn restaurants en luxe winkels. Als je op veertienhonderd meter boven zeeniveau een oogverblindend duur horloge wil kopen, kan dat nu. De betere hotels hebben hun eigen warme baden. In Hotel Mercure Bristol nam ik de lift naar de fitnessruimte om in de droge sauna te gaan zitten. Een paar minuten later gleed ik in het zwembad en dreef ik naar buiten in het warme water. Er waren ook anderen, maar niet veel. Het regende licht. We werden omringd door bergen en werden omhuld door een onsterfelijk blauw.
In haar briljante Harlem Is Nowhere schrijft Sharifa Rhodes-Pitts: ‘In vrijwel ieder essay dat James Baldwin over Harlem heeft geschreven is er een moment dat hij een literair kunstje uithaalt dat zo bijzonder is dat – als hij een atleet zou zijn geweest – de sportzenders een aparte naam voor de manoeuvre zouden hebben bedacht. Ik denk er in cinematografische termen over, omdat het effect me doet denken aan een techniek waarbij cameramensen na te zijn begonnen met een close-up snel uitzoomen, terwijl de lens gericht blijft op een punt in de verte.’ Deze beweging, deze plotselinge verandering van perspectief, is zelfs aanwezig in zijn essays die niet over Harlem gaan. In ‘Stranger in the Village’ staat een passage van ongeveer zeven pagina’s waarin je het gevoel hebt dat de retoriek aanzwelt als Baldwin zich opmaakt om de kalme, verhalende atmosfeer van de openingssectie achter zich te laten. Over de dorpelingen schrijft hij: ‘Vanuit het gezichtspunt van de macht kunnen deze mensen nergens ter wereld vreemdelingen zijn; feitelijk hebben zij de moderne wereld gemaakt, ook al weten ze dat niet. De meest ongeletterde onder hen is op een manier waarop ik dat niet ben verbonden met Dante, Shakespeare, Michelangelo, Aeschylus, Da Vinci, Rembrandt en Racine; de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien. Uit hun hymnen en dansen komen Beethoven en Bach tevoorschijn. Als je een paar eeuwen teruggaat, zijn ze in hun volle glorie, terwijl ik in Afrika ben en de veroveraars zie aankomen.’
Waar gaat deze lijst over? Maakt het Baldwin werkelijk iets uit dat de mensen van Leukerbad, via een of andere vage bekendheid, verbonden zijn met Chartres? Dat een of andere verre genetische verwantschap ze in verband brengt met de vioolkwartetten van Beethoven? Want, zoals hij later in het essay betoogt, niemand kan de impact ontkennen die ‘de aanwezigheid van de Neger heeft gehad op het Amerikaanse karakter’. Hij doorziet de waarheid en de kunst in het werk van Bessie Smith. Hij slaat de blues niet lager aan dan Bach en kan dat – zo wil ik graag geloven – ook niet. Maar er school een zekere bekrompenheid in de geaccepteerde ideeën over de zwarte cultuur in de jaren vijftig.
Sindsdien zijn er genoeg zwarte culturele prestaties geleverd om een volledig uit sterren bestaand team te kunnen samenstellen: Coltrane en Monk en Miles, Ella en Billie en Aretha; Toni Morrison, Wole Soyinka en Derek Walcott zijn langsgekomen, evenals Audre Lorde, Chinua Achebe en Bob Marley. En het lichaam werd niet verloochend ten gunste van de geest: ook Alvin Ailey, Arthur Ashe en Michael Jordan hebben van zich doen spreken. De bronnen van jazz en blues hebben de wereld ook hiphop, Afrobeat, dancehall en house gebracht. En ja, toen James Baldwin in 1987 overleed werd hij ook als een van de sterren erkend.
Verder denkend over de kathedraal van Chartres, over de grootsheid van die prestatie en over de manier waarop zwarten in zijn ogen in dat verhaal erover louter negatief, als duivels, voorkwamen, schrijft Baldwin dat ‘de Amerikaanse Neger zijn identiteit heeft gekregen dankzij de absoluutheid van zijn vervreemding van zijn verleden’. Maar dat verre Afrikaanse verleden is ook veel tastbaarder geworden dan het in 1953 was. Het zou niet in mij opkomen om me in te beelden dat ik eeuwen geleden ‘in Afrika de komst van de veroveraars zou gadeslaan’. Maar ik vermoed dat dit voor Baldwin, althans ten dele, een retorische zet is, een meedogenloze cadens om een paragraaf mee te eindigen. In ‘A Question of Identity’ (nog een essay dat is opgenomen in Notes of a Native Son) schrijft hij: ‘De waarheid over dat verleden is niet dat het te kort is, of te oppervlakkig, maar louter dat we, nadat we ons gezicht er zo resoluut van hebben afgewend, ons nooit hebben afgevraagd wat het ons kan geven.’
Les Demoiselles d’Avignon (1907) van Picasso, geïnspireerd door Afrikaanse maskers, en Een traditioneel Punu-masker uit Gabon.
De veertiende-eeuwse hofkunstenaars van Ife maakten bronzen beelden met behulp van een ingewikkelde gietmethode die in Europa al sinds de oudheid niet meer gangbaar was en daar pas in de Renaissance weer werd ontdekt. De beelden van Ife staan op gelijke hoogte met de werken van Ghiberti of Donatello. Uit de precisie waarmee zij zijn gemaakt en hun formele weelderigheid kunnen we de contouren van een grote monarchie afleiden, een netwerk van geavanceerde ateliers en een kosmopolitische wereld van handel en kennis. En dat beperkte zich niet tot Ife. Heel West-Afrika verkeerde in een staat van culturele gisting. Van de egalitaire bestuurscultuur van de Igbo tot het goud van de Ashanti-hoven, de koperen beelden van Benin, de militaire prestaties van het Mandinkarijk en de muzikale virtuozen die deze oorlogshelden prezen, was dit een gebied van de wereld dat te diep geworteld was in de kunst en het leven om domweg te kunnen worden gereduceerd tot de karikatuur van het ‘gadeslaan van de aankomst van de veroveraars’. We weten nu wel beter. We weten dat met de steun van de wetenschap, maar ook impliciet, zodat zelfs het opstellen van een lijst met verworvenheden enigszins vervelend aanvoelt en vooral behulpzaam is als tegenwicht tegen het eurocentrisme.
Er is geen wereld waarin ik de intimiderende schoonheid van de Yoruba-poëzie zou willen inruilen voor bijvoorbeeld de sonnetten van Shakespeare, en ook geen wereld waarin ik de voorkeur zou geven aan de Brandenburgse Concerten boven de kora’s van Mali. Ik ben blij dat ik ze allemaal bezit. Dit zorgeloze vertrouwen is deels te danken aan de tijd. Het is het dividend van een strijd die mensen uit eerdere generaties hebben gevoerd.
Ik voel geen vervreemding in musea. Maar deze kwestie van afstamming was een enorme kwelling voor Baldwin. Hij was gevoelig voor wat belangrijk was in de wereldkunst, en had het gevoel dat hij erbuiten stond. Hij maakte een soortgelijke lijst in het titelessay van Notes of a Native Son (je begint het gevoel te krijgen dat hij met dit soort lijsten werd bestookt tijdens discussies):
‘Op een subtiele, werkelijk diepzinnige manier heb ik altijd met een speciale houding naar Shakespeare, Bach, Rembrandt, de kathedraal van Chartres en het Empire State Building gekeken. Dat waren niet echt mijn creaties, zij omvatten niet echt mijn geschiedenis; ik zou er tevergeefs voorgoed op zoek kunnen gaan naar enige weerspiegeling van mijzelf. Ik was een indringer; dit was niet mijn erfenis.’
De regels druipen van de droefheid. Waar hij van houdt retourneert die liefde niet. Dit is het punt waarop Baldwin en ik van mening verschillen. Ik misken zijn specifieke droefheid niet, maar ben het niet eens met de zelfverloochening die eraan ten grondslag ligt. Bach, die zo door en door menselijk is, hoort ook bij míjn voorouders.
Ik voel me geen indringer als ik naar een portret van Rembrandt kijk. Ik houd er zelfs meer van dan sommige blanken, net zoals sommige blanken meer geven om bepaalde aspecten van de Afrikaanse kunst dan ik. Ik kan me verzetten tegen de blanke superioriteit en nog steeds genieten van gotische architectuur.
Op dit punt ben ik het eens met Ralph Ellison: ‘De waarden van mijn eigen volk zijn noch “blank” noch “zwart”, ze zijn Amerikaans. Ook kan ik niet begrijpen hoe ze überhaupt iets anders zouden kunnen zijn, omdat wij mensen zijn die deel uitmaken van de textuur van de Amerikaanse ervaring.’
Stoom van zijn pagina’s
En toch blijf ik (ruim een halve eeuw ná Baldwin in de Verenigde Staten ter wereld gekomen) dat wel begrijpen, omdat ik zelf de ongekende woede heb gevoeld die hij voelde over het doordringende, beperkende racisme. In zijn geschriften is sprake van een honger naar het leven, naar het hele leven, en een sterke drang om voor vol te worden aangezien en niet louter als een neger, omdat hij wist dat hij zo veel in zich had. En dat gaat dan niet over zijn ego in verband met zijn schrijverschap of met zijn roem in New York of Parijs. Het gaat over de onbetwistbare fundamentele emoties van een mens: over plezier, verdriet, liefde, humor en rouw, en over de complexiteit van het innerlijke landschap dat deze gevoelens vormgeeft. Baldwin was stomverbaasd dat mensen waar dan ook ter wereld deze fundamentele emoties ter discussie stelden, zodat hij werd opgezadeld met dat enorme tijdsverlies dat gepaard gaat met racisme, laat staan met de afkeer van zo veel mensen op zo veel uiteenlopende plekken. Dit onophoudelijke vermogen om geschokt te zijn stijgt als stoom op van zijn pagina’s. ‘De woede van de miskenden is op een persoonlijk niveau vruchteloos’, schrijft hij, ‘maar tegelijkertijd absoluut onvermijdelijk.’
Leukerbad reikte Baldwin een manier aan om vanuit de fundamenten over de blanke superioriteit na te denken. Het was alsof hij die daar in zijn eenvoudigste vorm aantrof. De mannen die hem aanraadden om te gaan skiën, zodat ze om hem konden lachen, de dorpelingen die hem er achter zijn rug om van betichtten dat hij brandhout stal, degenen die zijn haar wilden aanraken en opperden het te laten groeien, zodat hij er een winterjas van kon maken, en de kinderen die ‘het uit echte angst uitschreeuwden’ als hij dichterbij kwam, omdat ‘ze hadden geleerd dat de duivel een zwarte man was’: Baldwin zag dit alles als het prototype (dat als een coelacant bewaard was gebleven) van de houding die zich tot de grondiger, ingewikkelder, bekendere en obscenere Amerikaanse vorm van blanke superioriteit had ontwikkeld die hij al zo goed kende.
In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist
Het is een prachtig dorp. Ik hield van de berglucht. Maar toen ik van de warmwaterbaden was teruggekeerd in mijn kamer, of nadat ik met mijn fototoestel door de straten had gelopen, las ik het nieuws online. Daar trof ik een oneindige serie crises aan: in het Midden-Oosten, in Afrika, in Rusland, waar dan ook. Overal was pijn. Maar binnen in dat leed ontwaarde ik een reeks onderling verbonden verhalen, en het denken over (of met behulp van) ‘Stranger in the Village’ was als het injecteren van een contrastvloeistof in mijn confrontatie met het nieuws. De Amerikaanse politie bleef maar schieten op ongewapende zwarte mannen, of ze op andere manieren vermoorden. De protesten die daarop volgden, in zwarte gemeenschappen, werden met geweld beantwoord door een politiemacht die veel weg heeft van een binnenvallend leger. De mensen begonnen een verband te zien tussen de verschillende gebeurtenissen: de schietpartijen, de fatale verstikkende houdgreep, de verhalen over wie geen levensreddende medicatie kreeg. En de zwarte gemeenschappen werden overspoeld door woede en verdriet. Te midden van dit alles viel mijn oog op een kleiner, minder belangrijk verhaal, dat niettemin iets te betekenen had. De burgemeester van New York en zijn hoofdcommissaris van politie hebben een obsessie met schoon vegen, en hebben besloten dat het arresteren van de leden van dansgroepen die optreden in rijdende metrotreinen een van de manieren is om de stad ‘schoon te vegen’. Ik las de redenen waarom dit een prioriteit is geworden: sommige mensen zijn bang ernstig gewond te raken door een verdwaalde trap (dat is nog niet gebeurd, maar ze zijn er beslist bang voor), sommige mensen vinden het hinderlijk, sommige beleidsmakers denken dat achter kleine vergrijpen aangaan een manier is om grotere vergrijpen te voorkomen. Om de dreiging van de dansers tegen te gaan greep de politie dus in. Ze begonnen de dansers te achtervolgen, lastig te vallen en in de boeien te slaan. Het ‘probleem’, de dansers, bestond voor het grootste deel uit zwarte jongeren. De kranten kozen voor dezelfde toon als de overheid: een hooghartige afwijzing van dit soort optredens. En toch zorgden deze jongeren voor een sprankje licht op een donkere dag, voor een moment van ongereguleerde schoonheid, met artiesten die onvoorstelbare talenten bezaten.
Welk soort denken ziet hun verwijdering als een verrijking van het stadsleven? Niemand vindt de kinderen die met Halloween de deuren langsgaan een bedreiging. Er is geen wet tegen mensen die je proberen te strikken voor een of ander goed doel, of tegen de activiteiten van Jehovah’s getuigen. Maar ten aanzien van zwarte lichamen bestaan nog steeds vooroordelen, en als gevolg daarvan worden ze nodeloos op de huid gezeten. Als je zwart bent loop je nog steeds de kans het slachtoffer te worden van selectief machtsmisbruik, zonder enige garantie van persoonlijke veiligheid. In de eerste plaats ben je een zwart lichaam, vóórdat je een joch bent dat gewoon op straat wandelt, of een Harvard-hoogleraar die zich in een slot vergist.
William Hazlitt heeft in een essay uit 1821, getiteld ‘The Indian Jugglers’, woorden geschreven waar ik aan moet denken als ik een grote atleet of danser zie: ‘Mens, jij bent een prachtig dier. Jij bent tot vreemde dingen in staat, maar geeft daar weinig ruchtbaarheid aan! Het denken aan deze buitengewone behendigheid leidt de verbeelding af en maakt de bewondering ademloos.’
‘… de kathedraal van Chartres zegt hun iets wat mij niets zegt, zoals ook het Empire State Building dat zou doen, als iemand van hier dat ooit zou zien.’ – Baldwin.
Maar in aanwezigheid van het bewonderenswaardige zijn sommigen niet ademloos van bewondering, maar van woede. Zij verzetten zich net zo tegen de aanwezigheid van het zwarte lichaam (een ongewapende jongen in een straat, een man die speelgoed koopt, een danser in de metro, een omstander) als tegen de aanwezigheid van de zwarte geest. En tegelijk met deze uitwissing is er sprake van een oneindig profiteren van zwarte arbeid. Door de hele cultuur heen zijn er voorbeelden van imitaties van de tred, houding en kledij van het zwarte lichaam, een vampierachtige vereenzelviging met het zwarte leven, zij het zonder de ‘lasten’. Leukerbad wordt omringd door bergen: de Daubenhorn, de Torrenthorn, de Rinderhorn. Een hoge bergpas, genaamd de Gemmi, nog eens 850 meter boven het dorp, vormt de verbinding tussen het kanton Wallis met het Berner Oberland. Door dit landschap – onherbergzaam, op sommige plekken kaal en op andere plekken groen, een schoolvoorbeeld van het ‘sublieme’ – beweeg je je als in een droom. De Gemmipas is terecht beroemd. Goethe was hier, evenals Byron, Twain en Picasso. De pas komt ook voor in een avontuur van Sherlock Holmes, als Holmes erlangs komt op weg naar zijn noodlottige ontmoeting met professor Moriarty bij de waterval van Reichenbach. Het was slecht weer op de dag dat ik erheen ging, regen en mist, maar dat was mijn geluk, want het betekende dat ik als enige over de paden liep. Terwijl ik daar was, herinnerde ik me een verhaal dat Lucien Happersberger had verteld over Baldwin, die een wandeling in deze bergen ging maken. Tijdens de klim verloor Baldwin zijn evenwicht en de situatie was heel even precair. Maar de geoefende klimmer Happersberger reikte hem de hand, en Baldwin werd gered. Het was dankzij dit angstige, aansprekend bijbelse moment dat Baldwin de titel vond van het boek waarmee hij al die tijd had geworsteld: Go Tell It on the Mountain.
Als Leukerbad zijn kansel in de bergen was, waren de Verenigde Staten zijn gehoor. Het afgelegen dorp gaf hem een scherpere blik op de dingen thuis. Hij was een vreemdeling in Leukerbad, schreef Baldwin, maar zwarten konden geen vreemdelingen zijn in de Verenigde Staten en blanken konden zich niet de fantasie veroorloven van een geheel blank Amerika, dat was ‘gezuiverd’ van zwarten. Deze fantasie over de mogelijkheid om van de zwarten af te komen is een constante factor in de Amerikaanse geschiedenis. Het duurt even voordat je doorhebt dat die factor nog steeds bestaat. Het kost blanken een tijdje voordat ze dat doorhebben, het kost gekleurde, niet-zwarte mensen een tijdje voordat ze het doorhebben, en het kost sommige zwarten, of ze nu altijd in de VS hebben gewoond of laatkomers zijn zoals ikzelf, die elders met een andere strijd zijn grootgebracht, een tijdje voordat ze het doorhebben. Het Amerikaanse racisme kent immers vele bewegende delen en heeft eeuwenlang de tijd gehad om zich op indrukwekkende wijze te camoufleren. Het kan zijn kwalijke aard lange tijd verborgen houden, pretenderend de andere kant op te kijken. Net als vrouwenhaat is het van atmosferische aard. Je ziet het eerst niet, maar na een tijdje heb je het door. ‘Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.’ Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef ‘Stranger in the Village’ ruim zestig jaar geleden. Wat nu?
Dit is een voorpublicatie uit de nieuwe essaybundel Vertrouwde en vreemde dingen van Teju Cole (isbn 978 90 234 1487 2, € 24,99, Uitgeverij De Bezige Bij).
Op 23 september opent Teju Cole nieuwe seizoen van academisch-cultureel podium SPUI25 in Amsterdam met een lezing in de Aula van de Lutherse Kerk. Hij treedt daarmee in het voetspoor van onder anderen Stefan Hertmans, Philipp Blom, David van Reybrouck, A.S. Byatt en Karen Armstrong, die in voorgaande jaren het academisch-culturele seizoen van SPUI25 openden. Cole zal spreken over classificaties van ‘de ander’ in literatuur, politiek en samenleving. Na afloop wordt hij geïnterviewd door Stephan Sanders. De lezing is intussen uitverkocht, maar 360 Magazine mag tien kaarten weggeven voor de masterclass die Cole dezelfde middag van 14.00 tot 15.00 uur geeft. Hierin wordt, op basis van het bovenstaande essay, gesproken over het belang van het werk van Cole in Nederlandse context.
Teju Cole (1975) is schrijver, kunsthistoricus en fotograaf. Hij is ‘Distinguished Writer in Residence’ aan Bard College (New York) en fotografiecriticus voor The New York Times Magazine.
Teju Cole werd geboren in de VS in 1975 en groeide op in Nigeria, het land waar zijn ouders vandaan komen. Momenteel woont hij in Brooklyn, New York. Hij is auteur van drie boeken. Elke dag is voor de dief werd uitgeroepen tot boek van het jaar door The New York Times,The Globe and Mail,NPR en The Telegraph. Zijn tweede roman, Open stad, won de PEN/Hemingway Award, de New York City Book Award for Fiction, de Rosenthal Award of the American Academy of Arts and Letters en de Internationaler Literaturpreis. Zijn nieuwste boek Vertrouwde en vreemde dingen is een essaybundel over kunst, literatuur en politiek, met onderwerpen variërend van Virginia Woolf en W.G. Sebald tot Obama, Palestina en Boko Haram.
Afrikaans talent verlaat het continent meestal om elders carrière te maken. Natuurkundige Neil Turok wil graag dat overheden en bedrijven meer investeren in wetenschap en onderzoek, zodat toekomstige knappe koppen in Afrika kunnen blijven.
Het vakgebied van de Afrikaan Neil Turok, een van ’s werelds beste natuurkundigen, is het begrijpen van het prille begin van het universum. Samen met Stephen Hawking ontwikkelde hij de Hawking-Turok instanton solutions, waarin het ontstaan van een inflatoir universum wordt beschreven en waarin wordt gesteld dat, oerknal of niet, het universum niet uit het niets, maar juist uit iets is ontstaan.
Dichter bij huis heeft de Zuid-Afrikaan nogal wat stof doen opwaaien door de oprichting van het African Institute for Mathematical Sciences (AIMS), een pan-Afrikaans samenwerkingsverband tussen kenniscentra voor postdoctorale opleidingen, onderzoek en verdere ontwikkelingen in de mathematische wetenschappen.
Worsteling
Volgens Turok is de kans groot dat de volgende ‘Einstein’ op deze wereld uit Afrika afkomstig is. ‘Alleen al omdat in 2050 rond veertig procent van de jongeren uit Afrika komt. Maar veel belangrijker is het feit dat Afrikanen uit culturen stammen die uitgesloten zijn geweest van wiskunde en natuurwetenschappen (net als Einstein, wiens onderdrukte joodse herkomst de uitsluiting van de universiteit van eerdere generaties in zich droeg)… Zij zullen dus iets nieuws brengen.’
Afrika’s ontluikende wetenschappers hebben de nodige hindernissen te overwinnen. Allereerst de kwaliteit van het onderwijs. AIMS probeert daar iets aan te doen, een sterke basiskennis en een deugdelijk begrip van natuurwetenschap, technologie, techniek en wiskunde zijn van groot belang.
Een voorbeeld van een land waar deze worsteling op het gebied van onderwijs zich afspeelt is Zuid-Afrika. Volgens Turok wordt Zuid-Afrika steeds beter in natuurwetenschappen, maar heeft het te kampen met de erfenis van de apartheid en is het aantal goede resultaten nog te laag.
In 2050 komt rond veertig procent van de jongeren uit Afrika
De tweede grote uitdaging heeft te maken met werkgelegenheid. Uit interviews met een aantal van Afrika’s briljantste jonge wetenschappers tijdens het Next Einstein Forum – de grootste wetenschappelijke bijeenkomst van Afrika –, bleek dat ze zich grote zorgen maken over de onzekere carrièremogelijkheden. Hierdoor zien deze Afrikaanse talenten zich vaak genoodzaakt naar het buitenland te verhuizen, waar ze aan de allernieuwste onderzoeken kunnen werken en een behoorlijk salaris verdienen. Ook Turok denkt dat er in Afrika momenteel onvoldoende banen en industrieën zijn om deze jonge wetenschappers van werk te voorzien. ‘Een wetenschappelijke infrastructuur ontbreekt.’
De Afrikaanse Unie heeft een programma voor twintig onderzoeksbeurzen opgezet dat antwoorden moet vinden op Afrika’s sociaaleconomische uitdagingen.
Geïnitieerd door Turok probeert AIMS naast de volledige studiebeurzen ook mogelijkheden te scheppen de komende twee jaar honderd onderzoeksleerstoelen te creëren. Kosten: twintig miljoen dollar.
Neil Turok.
Niet alleen Zuid-Afrika, ook andere landen op het continent brengen uitstekende wetenschappers voort. ‘Nigeria kent een overvloed aan afgestudeerden in wiskunde, natuurwetenschap en techniek. Kameroen heeft een sterke wiskundeopleiding en investeerde samen met AIMS in een groot opleidingscurriculum voor docenten. Soedan heeft een groot aantal wetenschappers, met name vrouwen… Volgens sommige mensen neigen vrouwen in moslimlanden ernaar door te studeren, omdat het een manier is om het huwelijk uit te stellen. Ook Kenia, Tanzania en Oeganda leveren veel wetenschappers af. Rwanda is een opvallend voorbeeld: het land heeft de visumverplichtingen voor alle Afrikanen opgeheven en probeert getalenteerde, jonge ondernemers over te halen pan-Afrikaanse bedrijven te starten.’
De toekomst voor Afrika’s wetenschappers ziet er dus rooskleuriger uit en Turok is ervan overtuigd dat de volgende Einstein een Afrikaan is.
Martial Loth Ndeffo Mbah studeerde af aan het AIMS en is nu als wetenschapper verbonden aan Yale. Hij was een van de wetenschappers die in de frontlinie werkten aan de ebolaepidemie in West-Afrika. Martial kwam niet uit een bevoorrecht nest: hij en zijn vijf broers en zussen zijn opgevoed door hun alleenstaande moeder die vastbesloten was al haar kinderen naar de universiteit te sturen met het geld dat zij op de markt verdiende. Over het algemeen ‘geloven Afrikanen in opleiding en zijn ze tot enorme offers bereid om hun kinderen naar school te kunnen sturen’.
Opgericht in 1985 als Weekly Mail en in 1990 vlot getrokken door The Guardian in Londen. Sinds 2002 eigendom van de Zimbabwaanse krantenuitgever Trevor Ncube. De duidelijk links georiënteerde krant ijvert voor een toleranter Zuid-Afrika.
De Britse, gelauwerde schrijfster Hilary Mantel stond ooit voor een overvolle klas in Botswana. Ze hield er een jaar later weer mee op. De tegenwoordige tijd was daar letterlijk en figuurlijk ver te zoeken. Tebogo, Susannah en Iqbal, vergeet ze nooit. Of nooit vergat ze ze?
‘Vandaag gaan we iets léúks doen,’ zeg ik.
Negenentwintig gezichten kijken me ongelovig aan. Nou, denk ik, jullie weten niet half hoe leuk dit is, vergeleken met de saaie kost die nog komt. Volgend jaar is het Cambridge-examen en behandelen we tot gekwordens toe The Mill on the Floss.
Ik laat mijn blik door het lokaal rondgaan. ‘Vandaag is de vraag: wat zijn de ingrediënten van een goed verhaal? Iemand een idee?’
Als dit een ander land was geweest, en ik een ander mens, een wat minder onfortuinlijke leerkracht, dan werden er nu dingen geroepen als: ‘Spanning. Personages met wie je meeleeft. Een vlot tempo. Weinig beschrijving. Een vleugje humor. Scherpe dialogen. Een verrassend slot.’ Maar ik ben nu eenmaal hier en mezelf, en niemand doet z’n mond open.
‘Juist,’ zeg ik. ‘Zullen we…’
‘… er vijf minuten over nadenken?’ oppert Moses.
Hij kent het klappen van de zweep. Zijn glimlach is misschien wat lusteloos, maar dat is de mijne evengoed. Dit is klas 4B. Achttien jaar, gemiddeld. Aan open vragen zijn ze niet gewend. Geen wonder dat ze op hun hoede zijn. Vanaf hun eerste schooldag hebben ze dictees gekregen, die ze over moesten schrijven van het bord. Zo hebben ze hun junior-certificaat gehaald, naar ieders tevredenheid. Nooit heeft iemand ze om hun mening gevraagd, permissie gegeven om iets te zeggen, of de moeite genomen om naar ze te luisteren.
‘Schrijf maar gewoon op in je werkschrift,’ zeg ik. ‘Alles wat er in je opkomt.’
Tebogo steekt haar vinger op. ‘Hele zinnen, madam?’
‘Nee hoor, dat is niet nodig.’
Het hele lokaal galmt terwijl 4B zich gereedmaakt om te gaan schrijven. De stoelpoten zijn van metaal, de vloer van gepolijst cement, dus elke beweging veroorzaakt een hemeltergend gesnerp. Elk rollend potlood stuitert en klettert, elk kuchje davert als een kanonsalvo, en daarnaast klinkt er een constant gebrom, een laag geroezemoes. Wat ik voor ‘stilte’ laat doorgaan, is alleen maar een tandje zachter dan dit. Met krassende stoelen en luid gekreun duiken de leerlingen in hun tas om hun gum op te diepen. Ze kunnen niet zonder, want ze weten niet anders dan dat fouten worden bestraft. Hup, daar gaan de donkere koppies omlaag. En hup, daar komen ze weer naar boven, zuchtend en steunend. Madam, ik heb mijn gum niet bij me! Mijn liniaal is gestolen! Ik ben beroofd! Die van 4C zitten de hele tijd in mijn tas! Overal dievengespuis! Madam, zo kan ik toch niet schrijven?
Susannah heeft haar breispullen tevoorschijn gehaald en begint behendig steken op te zetten. In het begin zei ik daar wat van. Ik vond het oneerbiedig tegenover de literatuur die we behandelden. Maar ze legde rustig uit dat ze die mutsen breide om haar schoolgeld te betalen. ‘Anders moet ik mijn lichaam verkopen.’ Vandaag maakt ze een gestreepte muts. Ze houdt de wol ter goedkeuring voor me omhoog. Joel geeft Iqbal een stomp; ik zie het vanuit mijn ooghoek gebeuren. Van schrik laat Iqbal zijn schrift los. Het valt met een plof op de grond, glijdt drie rijen naar voren en blijft liggen onder de stoel van Tebogo. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘zou jij…’
Ze reageert met een meesmuilend lachje – dat duidelijk nee betekent – en een zacht geknor. Nu grijp ik snel in. Breien wil ik nog wel door de vingers zien, maar we hebben maar één moslimleerling en die is overgevoelig voor varkensgrappen. Toch heeft niemand hem ooit voor een varken uitgemaakt, tot ik op een dag begon over de ergste dingen die je tegen mensen kan zeggen, en de betekenis van het gezegde ‘schelden doet geen zeer’.
Tebogo heeft het schrift buiten haar bereik geschopt, dus kniel ik zelf neer op het roodbruine cement en haal ik het tussen de wirwar van poten en benen vandaan. Voordat ik weer overeind kom, zie ik Tebogo’s scheenbenen. De vlekkerige bruine huid is bezaaid met lichte, ronde littekens zo groot als een sixpence.
‘Hier heb je je schrift, Iqbal. Ga maar weer zitten.’
Met een bozig gezicht pakt hij het schrift aan. ‘Het is helemaal vies geworden.’
‘Een beetje maar.’ Ik neem het terug. ‘Ik veeg het wel even schoon.’
‘Madam,’ fluistert hij, ‘dat is zonde van uw jumper.’
‘Geeft niks,’ fluister ik terug. Ik geef hem een schouderklopje. Ik ben erg op hem gesteld. Op de hele klas trouwens. Dat weten ze best. ‘En nu stil zijn,’ zeg ik. ‘Concentreren.’ Ze buigen zich over hun schriften. Ik hoor een zacht gekras als Tebogo aan het droge scheenbeen krabt waar ik net bij geknield zat. Eunice snuit haar neus in een velletje wc-papier. Uit de richting van de rectorskamer klinkt gejammer, wat van alles en nog wat kan betekenen.
Er zijn van die zeldzame momenten dat er een weldadige kalmte heerst en je, heel even, de kans krijgt om te luisteren: naar de stad in de verte waar alles z’n gang gaat, naar het al even verre verkeer, naar het gebulder van een vliegtuig dat op de landingsbaan neerploft, naar de trein uit de Kaap die nog een uur rijden van ons verwijderd is. Een moment om te luisteren naar de innerlijke muziek van het lichaam dat zich heimelijk op de lunch verheugt, naar het zachte gezucht van mijn sandalen als ik langs de rijen loop, naar het kloppen van mijn eigen hart. De kinderen ademen hoorbaar, alsof ze iets zwaars torsen. Ze tekenen rondjes in hun schriften.
Onorthodox
Ik wacht rustig af. Ik heb de tijd. De schoolleiding is niet al te streng. Ik hoef me niet aan een leerplan te houden, zolang er maar vorderingen worden gemaakt. Ik weet dat de kinderen het makkelijker vinden om dictees te maken, om zinnen over te schrijven van het bord. Maar ik probeer iets meer uit de lessen te halen. Ik wil dat ze meedoen. Dat ze brutaler worden als ze uit hun schulp kruipen, neem ik op de koop toe.
Dat vind ik juist een goed teken. De klaslokalen – en hier zou ik eigenlijk naar de verleden tijd moeten overschakelen, maar heb alsjeblieft nog even geduld – de klaslokalen, zoals ik het nu weer voor me zie, komen allemaal uit op een stoffig binnenplein, dat de Plaats wordt genoemd. Het is een kostschool, met een verzorgingsgebied van honderden kilometers steppen en struiken. De tegenwoordige tijd is hier nog niet doorgedrongen; we gebruiken ouderwetse woorden, en bovendien is het dertig jaar geleden, en zo ging het er toen aan toe. De lokalen waren donker, en dat zijn ze vast nog, met de luiken dicht tegen de hitte. Die hitte is onveranderlijk: zelfs ’s winters wordt de toegang tot het lokaal geblokkeerd door een reep zon die zo massief is als een koperen deur. De achterste banken staan in een zwarte schaduw. In het midden van het lokaal valt licht naar binnen, tussen de jaloezieën door, dat zich in keurig afgemeten strepen over de zwoegende lichamen plooit. De meisjes dragen witte bloesjes. De jongens een grijs overhemd. De stoersten hebben hun kraag van achteren omhoog geslagen, naar de heersende townshipmode. Volgens het hoofd Engels krijg ik nog spijt van mijn onorthodoxe aanpak, als ik een jaar verder ben. Misschien heeft hij gelijk. Hij heeft veel ervaring, en dat kan ik van mezelf niet zeggen. Maar ik vind dat ik het risico gewoon moet nemen. Drie trimesters lang staan voor mij de kinderen voorop. Ik blijf erbij dat ze zelf moeten leren nadenken – tot volgend jaar tenminste, want dan laat ik ze nadenken over The Mill on the Floss.
Sipho maakt een eind aan de rust. Hij gooit zijn armen in de lucht. ‘Aiii, ik heb niks om te schrijven.’
‘Niks om te schrijven, of niks om méé te schrijven?’
‘Ik leen de potlood wel van Moses.’
‘Het potlood…’ begin ik.
Sipho kijkt me schalks aan. Hij neemt me in de maling. Ik lach naar hem. We maken graag grappen over de fouten van de lagere klassen. Ik loop gisteren naar het dorp. Ik was me vanochtend met water. Ik doe alles in de tegenwoordige tijd, tot de juf er wat van zegt.
De vijf minuten zijn om. ‘Tebogo,’ zeg ik, ‘je hebt niet veel opgeschreven.’
‘Nee.’ Ze is een meisje dat het anderen graag naar de zin maakt – behalve Iqbal dan. Nu kijkt ze me paniekerig aan. ‘Wat de bedoeling is, madam?’
‘Woordvolgorde,’ zeg ik vermanend.
Tebogo knippert met haar ogen. Ze formuleert haar zin opnieuw. Nu is de paniek geweken. Ze lacht naar me.
‘Geeft niks, hoor,’ zeg ik. ‘Ik wilde gewoon weten wat er spontaan in jullie opkwam.’
‘Niks dus,’ zegt Moses.
Eunice zegt: ‘Het probleem is: we weten pas of een verhaal goed is als we het horen.’
‘Maar ik wil jullie over allerlei soorten verhalen laten nadenken. Goede en slechte, spannende en saaie.’
Verhalen zijn belangrijk
Terwijl ik dat zeg, realiseer me hoe weinig verhalen ze kennen. Er is geen televisie in deze regio. Bioscopen zijn er evenmin, aan deze kant van de grens. Op zondagavond vertonen expats thuis films op strakgespannen beddenlakens. Op school wordt aan het eind van het trimester een gehuurde projector naar de eetzaal gezeuld en krijgen we een film voorgeschoteld. De leerlingen van de Christian Union lopen dan demonstratief weg, want zij hebben bezwaar tegen ‘de Bios’, zoals ze het noemen. De rest blijft stilletjes kijken, en sommigen sukkelen in slaap, nu er eens niet tegen ze geschreeuwd wordt. In het halfdonker flikkert het wit van de ogen op, maar algauw dwalen de blikken weg van de bekraste beelden die over het doek springen. Het is alsof er een bioscoop in hun hoofd zit, een inwendige film die een stuk interessanter is dan de gangsters, de showmeisjes of de cowboys die in een stofwolk naar de horizon rijden. Stof kennen we hier maar al te goed, en de rest zegt toch niemand iets. Als de filmrollen in de verkeerde volgorde worden afgedraaid, of als de Zuid-Afrikaanse filmkeuring het eind eraf heeft geknipt, vindt niemand dat een probleem. Het is al mooi genoeg dat er dingen gebeuren, een plot is verder niet nodig. Het soort verhalen dat mijn leerlingen hun leven lang hebben gehoord, gaan over dieren die elkaar – of soms een kind of een simpele ziel – een streek leveren. Die streken zijn nooit erg slim. En de verhalen zijn ook nooit grappig. De volgorde van de gebeurtenissen lijkt volstrekt willekeurig. Als er al een moraal is, is dat steevast een waarschuwing. Verdoe je tijd niet door tegen dieren te praten. En doe je het toch, dan niet tegen een dier dat iets terugzegt.
Maar nu heb ik ze iets te vertellen, iets waar ik stellig van overtuigd ben. ‘Verhalen zijn belangrijk,’ zeg ik. ‘Je kunt er veel plezier aan beleven, of erdoor aan het denken worden gezet. Sommige verhalen zijn gewoon alleen maar leuk. Amusant. Het ene verhaal is leuker dan het andere. Hoe komt dat? Soms zijn verhalen niet bedoeld om te amuseren, maar om te verleiden. Zoals de verhalen van politici. De kandidaten spelden je allemaal maar wat op de mouw, om te zorgen dat je op ze stemt.’
Het vorige trimester hebben we het over verkiezingen gehad. We hebben het vocabulaire behandeld: stembiljet, peiling. Zodra de leerlingen mogen stemmen, stemmen ze op de regeringspartij. Omdat die de grootste stam vertegenwoordigt. En omdat, zo heeft John Khumalo me uitgelegd, de president daar de leider van is. Het is logisch dat je op die partij stemt, want de president is de belangrijkste man. En je stemt niet op de andere kandidaten, want die zijn minder belangrijk, dus daar heb je weinig van te verwachten. Nu maakt hij, met bedeesde stem, zijn punt nogmaals duidelijk. ‘Je stemt niet de president omdat hij het mooiste verhaal houdt, madam. Je stemt op hem omdat hij het mooiste huis heeft.’
Nu doet ook Moses z’n mond open. ‘Politiek hebben we al gehad,’ zegt hij tegen John Khumalo. ‘We doen nu verhaal. Mag ik iets grappigs vertellen, madam?’
Dit gaat de goede kant op, stel ik tevreden vast. ‘Een verhaal kan heel grappig zijn. Maar dat hoeft niet, natuurlijk.’
‘Moses is ook heel grappig,’ zegt Sipho. ‘Maar hij is geen verhaal.’
Ik begin enthousiast te worden. Bijna zeg ik: ja, precies. Maar ik hou me in en lach naar Moses, omdat ik hem niet wil afvallen. ‘Ons leven is een verhaal,’ zeg ik. ‘We moeten ons leven proberen te begrijpen.’
Tebogo steekt haar vinger op. ‘Zal ik “De krokodil en de kraai” vertellen?’
Aha, denk ik, ‘De krokodil en de kraai’. Dat heb ik niet eerder gehoord. Al heb ik wel een idee hoe het zou kunnen gaan.
‘Dat kent madam helemaal niet,’ zegt John Bothole.
Tebogo is van haar stuk gebracht. ‘Hoezo kent ze dat niet? Ze is heus niet dom, hoor.’
Susannah kijkt op van haar breiwerk. ‘Kraai is slim.’
‘Maar krokodil doet bijten.’ John Bothole is niet zo ver als de rest van de klas. Maar als hij zijn best doet, kan hij zijn achterstand op tijd inlopen voor het examen.
‘Schrijf die fabel vanmiddag maar in het studie-uur,’ zeg ik.
‘Je bent een nitwit, Tebogo,’ zegt Joel. ‘Zie je nou wel dat madam het niet kent. Anders hoefden we het niet op te schrijven. Hoe kan ze nou weten of ze het wil horen als ze het niet eens kent?’
‘Pooeeheee,’ zegt Tebogo. Ze blaast haar wangen leeg, diep beledigd. Geërgerd schraapt ze haar stoel over de vloer.
‘Ze is in haar wiek geschoten,’ lacht Sipho.
Soms gebruiken ze de raarste uitdrukkingen. Uit schoolboeken van hun grootouders, als die ze hadden. In haar wiek geschoten. Eerlijk duurt het langst. Met voorbedachten rade.
‘Luister,’ zeg ik. ‘Ik zal zelf een verhaal vertellen, dat is misschien het beste. Een verhaal als voorbeeld. En dan kunnen we er met z’n allen over praten.’ Ik denk even na. ‘Stel, drie vrienden zitten bij elkaar. Het is avond, en ze besluiten om uit te gaan. Naar het café.’
Susannah steekt haar vinger op. ‘Zijn het alle drie mannen?’
‘Ja, het zijn alle drie mannen.’
Susannah leunt gerustgesteld achterover. Als er vrouwen in het café zouden zijn, ging het verhaal over prostitutie.
‘De drie vrienden hebben het heel gezellig,’ zeg ik. ‘Ze komen geen bekenden tegen. Ze drinken twee biertjes, en dan zegt er een: “Het is al laat.” En dus gaan ze naar huis.’
Ik hou even m’n mond. ‘Dit verhaal is maar saai,’ zeg ik ten slotte.
Ze glimlachen geduldig. Alsof ze het spannend genoeg vinden. Tebogo vraagt: ‘Hoe heten die drie vrienden eigenlijk?’
‘Daar heb ik niet over nagedacht. Het doet er eigenlijk niet toe.’
Ze kijken teleurgesteld.
‘Maar we kunnen ze best namen geven hoor,’ zeg ik. ‘Moses. Sipho.’
‘O, zijn ze zwart?’ vraagt Agnes bedeesd. ‘Dat wisten we niet.’
Ik kijk haar vriendelijk aan. Agnes neemt niet vaak het woord. ‘Zie je ze voor je?’ vraag ik. ‘Bijvoorbeeld wat voor kleren ze aanhebben?’
‘Jawel, madam.’ Agnes slaat haar ogen neer.
‘U moet nog een derde naam noemen,’ zegt Joel.
Ik aarzel even. ‘Laten we die dan maar John Khumalo noemen.’ Ik weet dat ze geen van drieën lid zijn van de Christian Union. Je hoeft maar een verkeerde naam te noemen of ze lopen de klas uit als ik ze naar een café laat gaan, zelfs al is het een denkbeeldig café.
‘Nu ga ik het verhaal wat mooier maken,’ zeg ik dan. ‘Door het een beetje te veranderen. Luister. De drie jongens zitten in het café, en op een gegeven moment zegt er een: “Hé, daar loopt een oude vriend van me. Even vragen hoe het met hem is.” En weg is hij. Als hij terugkomt…’
‘Woordvolgorde!’ zegt Tebogo. De klas schiet in de lach. ‘Weg is hij?’
‘Jazeker,’ zeg ik, ‘dat is heel gewoon als we een verhaal vertellen. Dat heet inversie. Dan draai je de woorden om.’
‘Waarom?’
‘Voor het ritme. En de nadruk. De verteller hoeft zich niet aan de regels te houden. Want haar rol is heel bijzonder.’ Weer aarzel ik, nu over mijn woordkeus. Voor je het weet ontstaat er een misverstand. ‘Haar rol. Niet haarrol.’ Ik schrijf de woorden op het bord. ‘Haar taak, bedoel ik. Daarom mag je de dingen omdraaien, en bijvoorbeeld ook de tegenwoordige tijd gebruiken. Want dan is het net alsof we erbij zijn, bij de mensen uit het verhaal.’
‘Wij zijn ook in dat café?’ Susannah klinkt ietwat geschrokken.
‘Als de verteller aan het woord is, ziet ze het verhaal voor zich, alsof het zich hier en nu afspeelt. En het is de bedoeling dat de luisteraar het zich ook voorstelt.’
Moses kijkt ongerust. ‘Wie is de luisteraar?’
‘Jij.’ Ik glimlach. ‘Jij bent de luisteraar.’
‘God is de luisteraar,’ zegt Joel.
Er klinkt instemmend gemompel.
En het getik van Susannahs naalden. ‘Christus is onze Verlosser. God zij geloofd.’
‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel
Ik zou het liefst de borstel naar haar hoofd gooien, maar ik beheers me. Als je hier een jaar bent, hou je je niet langer in, zo is me verteld.
‘Terug naar het verhaal. We maken het nog een beetje mooier. John Khumalo ziet zijn oude vriend. Hij gaat achter hem aan. Hij loopt het café uit. Tien minuten later komt hij terug. Met zijn hoofd verkeerd om.’
‘Aiiii,’ zeggen de luisteraars.
‘Zijn hoofd staat achterstevoren op zijn schouders. Hij kijkt naar zijn vrienden als hij op ze af loopt, maar zijn voeten wijzen naar de deur waardoor hij is binnengekomen.’
‘Wat erg!’ Susannah wuift zich koelte toe met haar breiwerk, twee centimeter lila met bruin.
Tebogo gebruikt haar schrift als waaier. ‘Dit gaat te ver.’
‘Maar het verhaal is er wel beter op geworden,’ zeg ik. ‘Wat zullen zijn vrienden zeggen als ze hem zien?’
‘Aiiii,’ oppert John Bothole.
‘Ze schrikken zich een hoedje,’ zegt Tebogo. ‘Ze willen weten wat er gebeurd is.’
‘En wat zegt hij dan, denken jullie?’
Nu mengt ook Elijah zich in het gesprek. Hij is een trotse jongen met een scherp verstand. ‘Kan zoiets echt?’
‘In een verhaal wel, hoor.’
‘Misschien,’ zegt Sipho, ‘speelt het zich af in een ver land, of in een ver geleden.’
‘Dat kan niet,’ werpt Elijah tegen met een bedenkelijke blik, ‘want jij komt erin voor, Sipho. En jij bent tegenwoordige tijd.’
Ik heb geen idee waar ik hem zo ineens vandaan heb gehaald, deze stripfiguur met zijn omgedraaide hoofd. Hij is net zo komisch en wonderlijk als een reus uit een kinderboek. Zijn blote voeten zijn even lang als zijn kuiten, met dikke tenen die wriemelen onder het lopen. Hij heeft een grijns van oor tot oor, en een gebit als een rij hoekige grafzerken. Ik moet er zelf vanbinnen om lachen. ‘Is dit grappig?’ vraag ik. ‘Wat vinden jullie?’
Op dit punt van de les wil ik geen lange stilte laten vallen. ‘Wacht, ik kan het nog mooier maken,’ zeg ik. ‘Soms laten we een verhaal op een onverwachte manier aflopen. We zetten de lezer expres op het verkeerde been. Die denkt dat het de ene kant op gaat, maar eigenlijk gaat het precies de andere kant op. Zo zorgen we dat het einde verrassend is.’
‘Het is nu toch al verrassend?’ zegt Sipho. ‘Ik vind het verrassend genoeg. Het is gewoon tegennatuurlijk.’
Ik schiet in de lach. ‘Dat is het ook. Maar toch kunnen we er nog een extra wending aan geven. Stel je voor: hij loopt het café uit, blijft tien minuten weg, komt terug, loopt naar zijn vrienden toe, met zijn hoofd achterstevoren, en die roepen allebei: “John! Wat is er met je hoofd gebeurd?” En dan zegt John: “Hoezo? Waarom kijken jullie me zo aan? Zijn jullie soms gek geworden? Er is niks met mijn hoofd gebeurd.”’
Nu vind ik het echt een goed verhaal worden. Ik kijk op mijn horloge. Door de vele vragen – die ik vanzelfsprekend alleen maar aanmoedig – zijn we altijd meer tijd kwijt dan mijn bedoeling is. Daardoor heb ik aan het eind van de les nog maar een paar minuten om tot de kern te komen.
Robinah steekt haar vinger op. Ze is een fors, moederlijk meisje, dat meestal alleen iets zegt als je haar rechtstreeks aanspreekt. Ze heeft ons het hele trimester lang met welwillende afstandelijkheid gevolgd. ‘Madam, deze John, John Khumalo. Heeft hij zelf niet gemerkt dat er iets met hem gebeurd is?’
‘Kennelijk niet.’
‘Heeft hij geen pijn?’
‘Nee,’ zeg ik.
Ik geef verder geen tekst en uitleg. Er trekt een golf van rumoer en consternatie door de klas, maar die negeer ik. Ik wil zien waar dit heen gaat.
‘Dan heeft Sipho gelijk. Dit is tegennatuurlijk.’
‘Volgens mij is het hekserij,’ zegt Tebogo, met een somber gezicht. Dan gaat de bel. De les is voorbij.
Hamlet
Als ik de volgende dag naar de klas kom, staat Shakespeare op het programma. We hebben besproken waarom Desdemona op Othello valt, hoe het allemaal begint. Dit is voor iedereen een heikel thema; over de grens in Zuid-Afrika, zo is me duidelijk gemaakt, zou Othello door zijn gedrag een proces aan z’n broek krijgen. Het hoofd Engels zegt: ‘Kop op, we hebben het allemaal moeten doen. We hebben de lesstof nu eenmaal niet voor het kiezen. Die ouwe Bullock hebben ze hoorndol gemaakt toen hij Hamlet behandelde. Dat trok die beste man niet. Daarom is hij vertrokken en hebben we jou nu.’
Ik leg mijn stapel schriften neer. Susannah graait in haar tas en haalt er een stel naakte naalden uit; de bruin-met-lila muts is blijkbaar af. ‘Jullie hebben goed je best gedaan,’ zeg ik. Ik kijk om me heen. ‘Weet iemand waar John Khumalo is?’
Niemand geeft antwoord. In het geroezemoes klinkt een zweem van afkeuring door. Susannah haalt een streng bloedrode wol uit haar zak. Ze trekt het eindje los met haar tanden en begint de draad om haar hand te winden. Dan zegt ze: ‘John ligt in het ziekenhuis, madam.’
‘Ach jeetje,’ zeg ik bedaard. Dat gebeurt wel vaker. Soms willen de kinderen er gewoon even tussenuit. Dan ontdek ik hier en daar nog meer lege plekken, al is het me niet meteen duidelijk wie er ontbreken.
‘Zijn ouders zijn gekomen.’ Joel klinkt treurig. ‘Om hem op te halen.’
‘Waarom?’ Ik denk: Het zal toch niet vanwege achterstallig schoolgeld zijn? Zo vlak voor het eind van het trimester?
‘Ze kwamen met een vrachtwagen,’ zegt Joel. ‘Hij kan niet lopen.’
‘Niet lopen? Wat is er dan gebeurd?’
Robinah schraapt haar keel. ‘John schreeuwde het uit, zo’n pijn als het heeft gedaan. In tien minuten lukte het ze niet. Maar uiteindelijk is het ze toch gelukt.’ Haar grammatica is bijna vlekkeloos, stel ik vast. Maar dan gaat ze alsnog de fout in. ‘John gilt en smeekt,’ zegt ze. ‘Hij merkt het echt wel hoor, dat ze aan hem draaien.’
Agnes zegt: ‘Tebogo had gelijk. Alleen heksen kunnen zorgen dat hij niet schreeuwt. Maar als we vorig jaar Macbeth lezen, hebben we niet goed genoeg opgelet.’ Ze knikt en zucht. ‘Ons leven is een verhaal,’ zegt ze dan.
Auteur: Hilary Mantel
Vertaler: Cecilia Tabak
Hilary Mantel is een Britse auteur van korte verhalen, memoires, essays en romans. Ze won twee keer de Man Booker Prize gewonnen, in 2009 voor de roman Wolf Hall, in 2012 voor Bring Up the Bodies. Samen met haar man woonde ze vijf jaar in Botswana en vier jaar in Jeddah, Saoedi-Arabië. Na haar terugkeer in Engeland was ze filmcriticus bij The Spectator en recensent voor verschillende media in Groot-Brittannië en de VS. The New Yorker omschrijft haar werk als een mix van dood, berechting, hemel, hel en humor.
London Review of Books Verenigd Koninkrijk | oplage 45.905
Besteedt aandacht aan literatuur en politiek, in navolging van de prestigieuze New York Review of Books. Bij uitstek geschikt om op de hoogte te blijven van wat actueel is in de Angelsaksische letteren. Meer dan de helft van de oplage wordt in het buitenland verkocht.
De Nigeriaanse stripuitgeverij Comic Republic boekt steeds meer succes met zwarte superhelden. Zoals Guardian Prime, een modeontwerper met onvermoede krachten.
Comic Republic, een nieuwe Nigeriaanse stripuitgeverij gevestigd in Lagos, ontwikkelt een nieuwe serie superhelden voor Afrikanen en zwarte lezers over de hele wereld. De personages – ‘Afrika’s Wrekers’ zeggen sommige fans – variëren van Guardian Prime, een 25-jarige Nigeriaanse modeontwerper die zijn buitengewone kracht aanwendt om voor een beter Nigeria te vechten, tot Hilda Avonomemi Moses, een vrouw uit een afgelegen dorp in de staat Edo die geesten kan zien, en Marcus Chigozie, een bevoorrechte maar boze tiener die zich met supersonische snelheid kan bewegen.
‘Ik dacht terug aan mijn eigen kindertijd,’ zegt directeur Jide Martin, die het bedrijf in 2013 opzette. ‘Als ik een besluit moest nemen, dacht ik altijd: Wat zou Superman doen, wat zou Batman doen? Toen dacht ik: Waarom geen Afrikaanse superhelden?’
Meer kansen
Het succes van de start-up lijkt een teken dat strips in de lift zitten in Afrika, en dat zwarte personages wereldwijd meer kansen krijgen in een markt die voorheen nooit veel belangstelling voor ze had. Het negen leden tellende team van Comic Republic heeft het aantal downloads van hun uitgaven – online gepubliceerd en gratis beschikbaar – zien toenemen van een paar honderd in 2013 tot 25.000 van het laatste nummer, dat in december verscheen. De volgende stap is nu om geld te gaan verdienen met sponsoring en advertenties.
Tot dusverre maakte Comic Republic strips op verzoek van bedrijven en ngo’s, die bijvoorbeeld de gezondheidsrisico’s van malaria wilden laten illustreren. Het hoofd van een groot Nigeriaans e-commercebedrijf bestelde een portret van zichzelf als superheld. Het verhaal van een van de personages, Aje – ‘heks’ in het Yoruba – wordt misschien verfilmd door een lokale regisseur. Voor komende maand staat weer een avontuur van Guardian Prime op het programma.
De start-up maakt deel uit van wat volgens sommigen een opleving is van in Afrika gemaakte muziek, literatuur en kunst. Een ontwikkeling die tot buiten het continent weerklank vindt. De lezers van de strips van Comic Republic komen voor meer dan de helft uit de VS en Groot-Brittannië, en een handjevol uit andere landen zoals Brazilië en de Filipijnen. Zo’n dertig procent komt uit Nigeria, volgens Martin. In Lagos wordt nu jaarlijks een stripconferentie gehouden voor de strip- en amusementsindustrie. In Kenia werd er voor het eerst een georganiseerd in 2015.
Martin denkt dat de stripboekenindustrie in Afrika voor een deel kan meeliften op het succes van superheldenfilms. Zijn bedrijf lanceerde Guardian Prime, ‘een zwarte Superman’, op dezelfde dag dat Man of Steel in 2013 in première ging.
Superheld Kwezi in Gold City, gebaseerd op Johannesburg.
Elders duiken ook steeds meer Afrikaanse personages op. Een populaire Zuid-Afrikaanse strip, Kwezi, ‘ster’ in het Xhosa en Zulu, volgt een jonge superheld in Gold City, een metropool die is gebaseerd op Johannesburg. De strip, waarin veel lokale straattaal en culturele verwijzingen voorkomen, is volgens maker Loyiso Mkize een ‘coming of age-verhaal over de zoektocht naar je wortels’. Ook het in augustus uitgekomen stripboek E.X.O: The Legend of Wale Williams van de Nigeriaanse animator Roye Okupe, is een poging om ‘Afrika op de kaart te zetten op het gebied van superhelden’, aldus Okupe zelf.
Van de negen personages van Comic Republic zijn er vier vrouw. Dit is naar Martins overtuiging een weerspiegeling
De helden van Comic Republic verschillen ook op andere manieren van die in het Westen. Van de negen personages van Comic Republic zijn er vier vrouw. Dit is naar Martins overtuiging een weerspiegeling van het feit dat veel Nigeriaanse vrouwen actief zijn in politiek en zaken. ‘In het huidige Nigeria maakt het echt niet uit of iemand man of vrouw is. Het was ook geen strategische beslissing. Voor ons is het gewoon een manier van leven,’ vertelt hij.
Naast het verrichten van heldendaden en het bestrijden van het kwaad, hebben de superhelden als functie om aan te tonen hoe individuen samen kunnen werken aan een ‘beter, veiliger Afrika’, zei Comic Republic-manager Tobe Ezeogu in november.
Die boodschap lijkt over te komen bij sommige lezers. Eén fan schreef op de Facebook-wall van Comic Republic over het paradepaardje Guardian Prime: ‘Mijn favoriete citaat [van hem]: “Het enige wat het kwaad nodig heeft om te overwinnen is dat goede mensen aan de kant blijven staan. Ik wil niet aan de kant staan. Ik ben een Nigeriaan.” Ik ben geen Nigeriaan, maar helden kunnen de jeugd helpen en patriottisme aanmoedigen.’
Auteur: Lily Kuo
Vertaler: Tineke Funhoff
Lily Kuo schrijft vanuit Nairobi over ontwikkelingen in China en Oost-Afrika. Eerder werkte ze voor Reuters in New York en voor Te Los Angeles Times in Beijing.
De Amerikaanse nieuwssite Quartz, gevestigd in New York, werd in 2012 opgezet door de Atlantic Media Group in Washington, uitgever onder meer van het tijdschrift The Atlantic (sinds 1857). De site richt zich op internationaal zakennieuws in den brede en vooral ook op de mobiele verspreiding daarvan via smartphones en tablets. In december 2015 trok de site 16,8 miljoen unieke bezoekers, waarvan rond 40 procent van buiten de VS.
Quartz, dat sinds vorig jaar ook een bescheiden kantoor heeft in Londen, beschikt over een platform, Atlas genaamd, voor het vervaardigen en verspreiden van digitale grafieken. Men wil het wereldwijde gebruik daarvan aanmoedigen. De site heeft sinds vorig jaar speciale aandacht voor India en Afrika, maar overweegt ook vestigingen in Australië en op het Europese continent. ‘Duitsland zou daarvoor een goede plek zijn,’ aldus uitgever Jay Lauf.
De malafide, vooral in Afrika opererende Chinese businesstycoon Sam Pa leek lang ongrijpbaar, maar werd eind vorig jaar dan toch eindelijk gearresteerd. Als er niets wordt gedaan aan de schimmige netwerken waarin hij kon gedijen, zullen er gewoon weer anderen opstaan die zijn plaats innemen.
Op de avond van 8 oktober 2015 werd de Chinese investeringstycoon Sam Pa door de autoriteiten opgepakt in het Sofitel van Beijing. Dit kan het einde betekenen van zijn bliksemsnelle, en enigszins onwaarschijnlijke opkomst van relatief onbekend figuur tot een van de invloedrijkste zakenlieden in Afrika. Volgens de berichten werd Pa die avond gearresteerd vanwege een onfrisse zakendeal in Angola met een machtige Chinese staatsoliemaatschappij, die hem torenhoge winsten had opgeleverd.
Als voormalig spion (met een ‘voorliefde voor snelle auto’s en vrouwen’, volgens zijn vrienden) wist Pa met zijn verhaal journalisten en investeerders over de hele wereld te boeien. Van bankroete wapenhandelaar eind jaren negentig werd hij in minder dan tien jaar tijd een tycoon met een zakenimperium dat vele miljarden waard was. Het syndicaat dat hij in 2003 vormde, bekend als de Queensway Group (genoemd naar het adres van de vestiging in Hongkong), was actief in olie, mijnbouw, infrastructuur, luchtvaart, landbouw en vastgoed. Het had belangen in bedrijven over de hele wereld. Van Noord-Korea en Zimbabwe tot aan Manhattan, en op minstens vier verschillende continenten, doet justitie onderzoek naar de activiteiten van de groep.
In veel opzichten opereerde Sam Pa in de traditie van oorlogsprofiteurs als de beruchte Russische wapenhandelaar Viktor Bout. Net als Bout vóór hem spreekt Pa verscheidene talen vloeiend, beschikte hij over verschillende paspoorten, verplaatste hij zich met zijn eigen luchtvloot en gebruikte hij minstens zeven schuilnamen. Via de wapenhandel had hij op hoog politiek niveau contacten gelegd, maar die relaties gebruikte hij vervolgens om nieuwe markten aan te boren en een indrukwekkender buit bij elkaar te plunderen. De arrestatie van Pa kan betekenen dat een van de grootste uitbuiters en meest roofzuchtige investeerders die ooit voet op Afrikaanse bodem hebben gezet, nu ten val is gekomen. Maar op de lange termijn zal dat weinig opleveren, als het systeem waaraan hij zijn enorme succes dankte niet wordt ontmanteld.
Sam Pa (derde van links) op een bouwterrein in Mozambique.
Pa heeft machtige vrienden in Beijing, en die hebben hem voor een deel aan zijn succes geholpen. In 2004 richtte Queensway de Chinees-Angolese joint venture China Sonangol op, die uiteindelijk de belangrijkste deelname van het syndicaat zou worden. Sinopec, een van de grootste staatsoliemaatschappijen van China, stond in 2005 borg voor een lening van 3 miljard dollar van een groep particuliere westerse banken aan China Sonangol, waardoor Queensway een vliegende start kon maken in de olie- en de infrastructuursector van Angola. Nog steeds zijn Chinese staatsbedrijven belangrijke partners in de buitenlandse ondernemingen van Queensway.
Toch hebben die oude banden Pa uiteindelijk niet kunnen beschermen. Daarvoor heeft hij om te beginnen te vaak de controverse opgezocht. Zo ging hij in zee met twijfelachtige tussenpersonen als Roman Poetin – een neef van de Russische president Vladimir Poetin – die hem hielp een contract van 1,3 miljard dollar binnen te halen voor de bouw van een brug tussen Rusland en de Krim, slechts een paar maanden na de controversiële Russische annexatie van die Oekraïense regio.
Pa liet vaak zijn oog vallen op landen met een grote rijkdom aan grondstoffen en een financieel wankelend of diplomatiek geïsoleerd regime. In 2008 investeerde hij honderden miljoenen dollars in de diamantsector van Zimbabwe, tijdens de crisis in de nasleep van de verkiezingen in dat land. Later sloot Queensway overeenkomsten met Guinee, Niger en Madagaskar, telkens kort na een staatsgreep in het betreffende land. In de Noord-Koreaanse hoofdstad Pyongyang regelde hij deals met Office 39, een Noord-Koreaans staatsagentschap dat zich met allerlei zaken bezighoudt, van vals geld tot drugssmokkel. In veel van deze landen kenmerken de projecten van Queensway zich door chronische vertragingen, mismanagement en beschuldigingen van omkoping.
Pa opereerde in de traditie van de Russische wapenhandelaar Viktor Bout
Enkele operaties van Pa hebben echter de grens tussen ‘moreel twijfelachtig’ en ‘zonder twijfel illegaal’ overschreden. In 2011 schreef de Britse journalist Jon Swain over Pa’s betrokkenheid bij het smokkelen van diamanten uit Zimbabwe en wapenleveranties aan Ivoorkust, in strijd met het geldende embargo. In 2013 onthulden rechtbankverslagen dat zijn bedrijven in het geheim diplomaten in Noord-Korea en Mozambique betaalden, en in de vervolgonderzoeken rees de verdenking dat hij in verschillende landen, waaronder Nigeria, hooggeplaatste functionarissen had omgekocht om lucratieve olieconcessies te verkrijgen. In april 2014 vaardigde het Amerikaanse ministerie van Financiën sancties uit tegen Pa wegens zijn steun aan de geheime politie van Zimbabwe, die synoniem is geworden met door de staat gesanctioneerd geweld.
Achterkamertjesdeals
Ook Chinese diplomaten hebben jarenlang kritiek geleverd op Queensway. Zij gaven geregeld een verklaring uit waarin Beijing zich distantieerde van de activiteiten van Queensway, en ze waarschuwden bedrijven en buitenlandse overheden om geen zaken te doen met Pa. Maar woorden kosten niets. Critici (onder wie ikzelf) hebben betoogd dat al zolang de Queensway Group bestaat, de Chinese overheid niets heeft gedaan om de leiders van het syndicaat voor hun roofzuchtige praktijken te straffen, en dat China vaak van Pa’s activiteiten heeft geprofiteerd. Pa kon jarenlang relaties blijven onderhouden met hoge functionarissen en staatsondernemingen, ondanks de beschuldigingen van de diplomaten en de justitiële onderzoeken die telkens op niets uitliepen. Om zich tegen dit soort critici te weren had Queensway echter deels de bescherming van deze invloedrijke figuren in Beijing nodig, en dat maakte het syndicaat kwetsbaar voor veranderingen in het Chinese politieke landschap.
Kennelijk begreep Pa dat zijn dagen waren geteld. Ondanks zijn enorme succes bleef hij, volgens medewerkers, met een enorme drang doorwerken. In een speech in 2014 noemde Sun Hengchao, een vriend van Pa en het hoofd van de Universiteit van Yinchuan, hem ‘de verpersoonlijking van de ondernemersgeest’. Hij kon zich dure huizen en gebouwen veroorloven, zei Sun, maar had nauwelijks tijd om daarin door te brengen. ‘In feite woonde hij het grootste deel van zijn tijd aan boord van een vliegtuig,’ voegde hij eraan toe. Als hij moe was na een drukke dag, stapte hij het vliegtuig in en ging slapen. Zodra hij was geland ging hij weer aan het werk. Sun vertelde hoe hij zijn rondreizende vriend een keer had gevraagd hoe die dit schema volhield. Pa’s antwoord verraste Sun: ‘Meneer Sun, ik ben de vijftig gepasseerd. Hoeveel tijd heb ik nog te verspillen?’
Elke keer als een kop van de Hydra is afgehakt, groeien er twee nieuwe voor in de plaats
Achteraf gezien lijkt het duidelijk dat Pa een groot deel van zijn tijd en energie heeft besteed aan het verhullen van zijn activiteiten via achterkamertjesdeals met gelijkgestemde kleptocraten, en het opzoeken van mazen in de wet. Dit is geen geringe taak, als je bedenkt hoe omvangrijk zijn operaties waren.
Maar het businessmodel van Queensway bood Pa kansen genoeg om zijn sporen uit te wissen. Pa had de gewoonte om onderhandelingen over zakendeals achter gesloten deuren te voeren, en de contracten die zo tot stand kwamen werden zelden openbaar gemaakt. Bovendien zijn in veel van de landen waar Queensway opereert de toezichthoudende instanties zwak en zijn de burgers en de pers monddood gemaakt, wat betekent dat de activiteiten van het syndicaat zelden kritisch door de overheid onder de loep worden genomen.
Het team advocaten en accountants van Queensway deed er alles aan om te zorgen dat Pa’s schuilnamen nergens in de officiële stukken van het bedrijf opdoken. In de loop der tijd werd de bedrijfsstructuur van Queensway steeds complexer. Op een bepaald moment werden de operaties in de diamantsector van Zimbabwe aangestuurd via de in Hongkong gevestigde dochtermaatschappij van een Singaporese firma, die op haar beurt eigendom was van een reeks brievenbusmaatschappijen op de Britse Maagdeneilanden. Wie uiteindelijk de eigenaren van deze firma’s waren, blijft een raadsel.
Wie probeert de bedrijfsstructuur van Queensway in kaart te brengen gaat het al snel duizelen. Dankzij die ondoorzichtigheid konden vertegenwoordigers van China Sonangol en China International Fund – de vlaggenschepen van Queensway die zich met allerlei zaken bezighielden, van oliehandel tot vastgoedontwikkeling – hun banden met Sam Pa ontkennen en beweren dat hij alleen als adviseur optrad. Het gebrek aan transparantie belemmert ook onderzoekers en regelgevers die zich in de activiteiten van Queensway willen verdiepen.
Dubieuze rol banken
Queensway profiteerde ook van de zwakke moraal bij banken. Banken zijn wettelijk verplicht om ‘hun klanten te kennen’, maar het is bekend dat veel financiële instellingen toch zaken doen met firma’s die de identiteit van hun uiteindelijke gerechtigden verbergen. China Sonangol heeft leningen van vele miljarden losgekregen en had rekeningen lopen bij gevestigde banken. Zo konden Pa en zijn collega’s makkelijk geld laten circuleren. Queensway bezit nu voor miljarden dollars aan vastgoed over de hele wereld, waaronder het historische hoofdkwartier van J.P. Morgan in Manhattan, dat het in bezit heeft via een brievenbusmaatschappij in Delaware.
Nu heeft Sam Pa misschien zijn eindstation bereikt. De man die bekendstaat als een van de sluwste ondernemers in politiek onstabiele en explosieve landen over de hele wereld, is slachtoffer geworden van de politieke onrust in zijn eigen land. Een van de belangrijkste kenmerken van het beleid van president Xi Jinping is de corruptiebestrijding, op een schaal die in het moderne China ongekend is.
Xi heeft gezworen dat hij zowel op de tijgers (corrupte hoge functionarissen) als op de vliegen (kleine crimineeltjes) zou jagen, maar in de ogen van velen is de anticorruptiecampagne voornamelijk gericht tegen zijn politieke tegenstanders. Pa was ooit een meester in het guanxi, het onderhouden van persoonlijke netwerken met mensen van invloed, maar nu zouden zijn relaties met de verkeerde Chinese elites wel eens de doorslaggevende factor kunnen worden bij zijn val.
De dag voordat Pa werd gearresteerd meldden partijfunctionarissen dat Su Shulin, gouverneur van de provincie Fujian en voormalig hoofd van de Sinopec Group, wordt verdacht van ‘ernstige overtredingen’. Pa en Su h ebben nauw samengewerkt bij zakendeals in Angola en naar verluidt is er een verband tussen de arrestatie van Pa en het onderzoek naar Su. Sinopec heeft een gigantisch verlies geleden op zijn samenwerking met China Sonangol, maar Pa en zijn compagnons hadden er weinig geld ingestoken en hielden er een fortuin aan over: een honorarium van 51 miljoen dollar voor alleen het papierwerk rond het verwerven van vijf oliekavels, en een creditcard van het bedrijf waarmee Pa in de loop van verscheidene jaren 7,5 miljoen dollar heeft uitgegeven.
Met Su heeft Xi misschien een tijger gestrikt. Met Pa heeft hij de Heer van de Vliegen te pakken. Pa mag dan in de Chinese binnenlandse politiek een onbeduidende speler zijn, hij is buitengewoon invloedrijk in een aantal van de buitenlandse kleptocratieën die hij heeft helpen opkomen. Maar zijn arrestatie zal nauwelijks betekenen dat het recht zijn loop krijgt.
Een van de dingen die dat lastig maken is dat China de vervolging van corruptie buiten het rechtssysteem om uitvoert. De Centrale Commissie voor Discipline Inspectie, het orgaan van de Communistische Partij dat het onderzoek naar Pa doet, is een geheim instituut, dat volgens critici ‘een grove vorm van partijjustitie bedrijft, vaak op basis van politieke motieven’. Als Pa op die manier wordt vervolgd, zal dat hoogstwaarschijnlijk geen eerlijk proces opleveren, omdat hij en de slachtoffers van zijn vuile zaakjes niet de gerechtigheid krijgen die ze verdienen. Als Pa ten voorbeeld wordt gesteld, zullen bepaalde functionarissen wel twee keer nadenken voor ze zich inlaten met omkoping, maar het feit dat de zuivering politiek gemotiveerd is kan de afschrikwekkende werking van dat voorbeeld ondermijnen, vooral voor Xi’s bondgenoten.
De Chinese overheid deed lang niets om de leiders van het syndicaat te straffen
Maar belangrijker is nog dat Pa’s val niet een teken is dat het businessmodel van Queensway heeft gefaald. De structurele misstanden en de mazen in het systeem die het succes van Pa en van de Queensway Group om te beginnen mogelijk hebben gemaakt, blijven intact. Roofinvesteerders als Sam Pa en Viktor Bout kunnen nog steeds hun bedrijf verankeren in een juridisch klimaat dat zich niet druk maakt over het gedrag van dat bedrijf in het buitenland; ze kunnen ondernemingen oprichten zonder hun identiteit te onthullen en hun pijlen richten op regimes met zwakke toezichtstructuren en met leiders die het belangrijker vinden om zichzelf te verrijken dan om hun burgers te dienen.
Voor echte vooruitgang in de strijd tegen corruptie in de publieke sector – in China of waar ook ter wereld – is veel meer nodig dan het verwijderen van mensen zoals Pa, die deze misdaden begaan. De hoeksteen van elke strijd tegen corruptie moet zijn dat het illegale spelers onmogelijk wordt gemaakt om in het duister te opereren. Dat betekent dat staatsondernemingen en overheidsbudgetten transparant moeten zijn en dat burgers en de pers in staat moeten zijn om als waakhond te dienen. Om zeker te stellen dat anticorruptiecampagnes legitiem en toekomstbestendig zijn, moeten functionarissen die verdacht worden van corruptie berecht worden volgens formele en transparante juridische procedures, niet door ad-hoctribunalen met een politiek doel. Helaas lijken China en veel andere landen waar Pa heeft geopereerd de tegenovergestelde richting uit te gaan.
Transparantie
Toch kunnen hervormingsgezinde landen veel doen om die transparante manier van zakendoen te bevorderen. In de eerste plaats kunnen ze anonieme brievenbusmaatschappijen verbieden. Elk land zou een openbaar register moeten bijhouden van alle bedrijven die binnen zijn grondgebied geregistreerd staan. Zo’n register moet informatie bevatten over elk individu dat een substantieel belang in een bedrijf heeft, waaronder zijn naam, geboortedatum, huisadres, nationaliteit en contactinformatie. Het zou illegaal moeten zijn om deze informatie te vervalsen, en bankiers die geldhandelingen uitvoeren voor anonieme investeerders zouden strafrechtelijk moeten worden vervolgd.
De Britse premier David Cameron heeft het voortouw genomen in het bepleiten van deze hervormingen. Daarbij heeft hij toegezegd een openbaar register van Britse bedrijven te zullen instellen, en gezworen dat hij achter ‘smerig geld’ aan zou gaan dat nu in de vastgoedmarkt van het land is gestoken. Maar machtige belangengroepen verzetten zich tegen wetgeving die de transparantie van rechthebbenden zou vergroten, en veel landen en Britse overzeese gebiedsdelen weigeren mee te doen met de hervormingen.
Toen ik over Pa’s arrestatie hoorde, belde ik de collega die me zeven jaar geleden had aangeraden om onderzoek naar Pa te doen. ‘Sams dagen zijn altijd al geteld geweest,’ zei hij tegen me. ‘Als het niet deze keer misgaat, dan wel een andere keer. Met mannen als hij loopt het meestal verkeerd af.’ De val van Pa is altijd onvermijdelijk geweest, maar dankzij een verrot systeem kunnen mensen als hij telkens opnieuw opduiken. ‘In de wereld van vandaag kun je elke poging om een eind te maken aan illegale activiteiten – of dat nu wapenhandel door Viktor Bout of door iemand anders is – zien als het tweede werk van Hercules’, schreven Dough Farah en Stephen Braun in 2006 in het blad Foreign Policy. ‘Elke keer als een kop van de Hydra is afgehakt, groeien er twee nieuwe voor in de plaats.’
Auteur: J.R. Mailey
Vertaler: Annemie de Vries
African Arguments
Verenigd Koninkrijk | africanarguments.org
Dit onlinetijdschrift is gewijd aan analyses over al wat speelt in hedendaags Afrika, en dient tevens als platform voor discussies daaromtrent. De site werd in 2007 gelanceerd door de Royal African Society, een Britse stichting die zich inzet voor een beter begrip van het continent.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.