Ruim 23 miljoen jonge kinderen in Afrika ontvangen vaccinaties
Ruim 23 miljoen jonge kinderen in zuidelijk Afrika krijgen vaccinaties tegen wilde polio aangeboden nu voor het eerst sinds 1992 een uitbraak van het virus is geconstateerd in Malawi, meldt The Guardian. In Lilongwe, de hoofdstad van Malawi, werden afgelopen zondag kinderen onder de vijf jaar ingeënt als onderdeel van onmiddellijke actie tegen de ziekte. De komende vier maanden zullen vaccins worden aangeboden aan kinderen elders in Malawi en in Mozambique, Tanzania, Zambia en Zimbabwe.
Vorige maand registreerde Malawi het eerste geval van wilde polio in dertig jaar, en het eerste in Afrika sinds de regio in 2020 vrij werd verklaard van het inheemse, natuurlijk voorkomende poliovirus. Tot nu toe is er één geval ontdekt.
’Ter ondersteuning van Malawi en zijn buren handelen we snel om deze uitbraak een halt toe te roepen en de dreiging de kop in te drukken met effectieve vaccinaties’, aldus Matshidiso Moeti, regionaal directeur voor Afrika bij de Wereldgezondheidsorganisatie.
Historicus Richard Conyngham gebruikt de visuele slagkracht van een stripverhaal om de aandacht van jonge lezers te trekken voor een veronachtzaamde en belangrijke strijd tegen de pre-apartheidsstaat in Zuid-Afrika.
Je loopt niet zomaar een rechterlijk archief binnen. Wie historisch onderzoek doet, kent de psychologische gevaren van zulke oorden: de kille, door tl-buizen verlichte eenzaamheid, de spoken van oud onrecht, de eindeloze, tergende belofte van documentair goud dat ligt te wachten in de volgende map of op het volgende karretje. De in Mexico-Stad woonachtige Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham vond in het archief van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948, een baanbrekend historisch stripverhaal over de belangrijke strijd van arbeiders, kooplieden, wasvrouwen en boeren tegen de pre-apartheidsstaat.
‘Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse’
Om deze verzetsverhalen nieuw leven in te blazen ging Conyngham op zoek naar de allerbeste kunstenaars om ze te tekenen, onder wie de broers Trantraal, Saaid Rahbeeni, Liz Clarke, Dada Khanyisa, Tumi Mamabolo en Mark Modimola. ‘Het was een geweldige uitdaging om die kunstenaars te strikken en bij te staan. Ik was heel kieskeurig en wilde kunstenaars vinden die iets van een band met het verhaal hadden, niet per se een rechtstreekse.’
Het idee was om de visuele slagkracht van een stripverhaal te gebruiken om de aandacht van jonge lezers te trekken en een veronachtzaamd tijdperk uit de woelige Zuid-Afrikaanse geschiedenis aanschouwelijk te maken. ‘De rechterlijke archieven gaven een beeld van een ongelooflijk kleurrijke en explosieve periode,’ zegt Conyngham. ‘Maar van geschiedenisboeken op school of de universiteit krijg je dat idee niet.’
Zoals [voormalig Zuid-Afrikaans rechter en advocaat] Edwin Cameron opmerkt in zijn voorwoord bij All Rise herinneren sommige verhalen eraan dat ‘de wet, indien juist toegepast, zelfs in tijden van groot onrecht tot rechtvaardige resultaten kan leiden’. Desondanks heeft hij in de annalen maar zelden een glimpje rechterlijke compassie gezien, zegt Conyngham. ‘De rechters hadden eerder respect voor de wet dan empathie met de betrokkenen,’ zegt hij. ‘Vaak komen ze over als racistisch of seksistisch, zelfs als hun oordeel in het nadeel van de staat uitvalt. Er was altijd bewegingsvrijheid en sommige rechters namen de wet zo letterlijk dat ze soms oordeelden op een manier die je niet zou verwachten. Ik denk dat Edwin als advocaat in de apartheidsjaren inderdaad heeft ervaren dat als je het goed aanpakte, je echt je voordeel kon doen met het respect van de rechter voor de wet.’
In de archiefkelder van de Hoge Raad van Beroep in Bloemfontein vond de Zuid-Afrikaanse historicus Richard Conyngham een schatkamer van gerechtelijke drama’s. Het resultaat is All Rise: Resistance and Rebellion in South Africa 1910-1948 (Jacana, 2022).
Rode draad
Historica Hlonipha Mokoena, verbonden aan het Wits Institute for Social and Economic Research in Johannesburg, wijst in haar voorwoord op de migratie die als een rode draad door de verhalen loopt: bijna alle verdachten, of ze nu zwart, wit of Indiaas waren, waren op de een of andere manier migranten die vochten voor de rechten die (sommige) burgers genoten. Die strijd wordt nog steeds gevoerd en deze verhalen, schrijft ze, ‘zijn een bevestiging van de redenen waarom onze grondwet niet slechts een aardig juridisch detail is, maar een moreel gebod’.
Maar sommige historici die Conyngham raadpleegde hadden niet veel op met het medium strip, zegt hij. ‘In academische kringen rust er toch een soort stigma op het genre, ook omdat sommigen zich erdoor bedreigd voelen. Gaandeweg wist ik door te dringen tot veel autoriteiten op de verschillende gebieden waarnaar ik onderzoek deed. Sommige waren heel toegankelijk en andere helemaal niet, alsof ze het genre niet serieus namen, of wilden nemen.’
‘We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang’
All Rise begon met een project van hiv- en aidsactivist Zackie Achmat, door wie Conyngham in 2015 werd ingehuurd als onderzoeker. ‘Het was Zackies idee om naar het archief van de Hoge Raad van Beroep te gaan,’ zegt Conyngham, ‘omdat hij als rechten-activist een paar duistere vonnissen uit het begin van de twintigste eeuw had ontdekt, zoals “Rex vs. Detody” (1926). Dus gingen we naar Bloemfontein en maakten we een heleboel fotokopieën. We vertrokken met de archiefstukken van twaalf tot vijftien zaken, soms wel duizend pagina’s lang.’
Gaandeweg kwam Conyngham op het idee om een bloemlezing in stripvorm te maken in plaats van het conventionele geschiedenisboek dat ze aanvankelijk op het oog hadden. Met instemming van Achmat benaderde hij om te beginnen zijn vriend André Trantraal, een grote ster aan het Zuid-Afrikaanse stripfirmament, met wie hij al aan een ander grafisch project had samengewerkt.
Conyngham schreef de scripts zelf, onder strenge redactie van de kunstenaars als het aankwam op het schrappen van irrelevante details. Grafische non-fictie kan de historische complexiteit soms effectiever overbrengen dan een documentaire, vanwege de radicale vrijheid van een getrokken lijn. De boeken van bijvoorbeeld Joe Sacco, Marjane Satrapi, Art Spiegelman en Alison Bechdel doen dingen met waargebeurde verhalen die geen prozaboek voor elkaar krijgt.
Om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen
Maar om leesbaar te zijn vereist de vorm een economische manier van vertellen. Conyngham kreeg dat voor elkaar door veel van de historische achtergrond te verplaatsen naar subliem vormgegeven appendices aan het eind van ieder verhaal, compleet met hedendaagse foto’s van de locaties, de hoofdrolspelers en hun handgeschreven brieven. Het Zuid-Afrikaanse Nationaal Archief voorzag zelfs in haarlokken van Taffy Long, een deelnemer aan de Randopstand van 1922 die werd veroordeeld wegens het executeren van een spion. De lokken waren als bewijs gebruikt door de openbaar aanklager, die betoogde dat Long opzettelijk zijn haarkleur had veranderd met gebruikmaking van kaliumpermanganaat. Het proces tegen Long, die werd geëxecuteerd in de Centrale Gevangenis van Pretoria, is door Liz Clarke op een duistere, filmische manier tot leven gewekt in het hoofdstuk ‘Come Gallows Grim’.
Jack Whittaker
In het hoofdstuk ‘In the Shadow of a High Stone Wall’ behandelen de broers Nathan en André Trantraal het verhaal van Jack Whittaker, werkzaam bij de trammaatschappij van Johannesburg, die het werk neerlegde tijdens een staking in 1911. Daarin komen we ook Mary Fitzgerald tegen, de met een pikhouweel zwaaiende deelneemster aan de eerste uitingen van klassenstrijd in Johannesburg. Whittaker werd valselijk beschuldigd van het bezit van explosieven. Zijn uiteindelijke vrijspraak was een overwinning, zij het niet zo’n glorieuze als zijn latere succesvolle aanklacht tegen de staat wegens de inhumane opsluiting in afwachting van zijn proces.
Het hoofdstuk ‘The Widow of Marabastad’, schitterend geïllustreerd door Dada Khanyisa, vertelt het verhaal van de lange strijd tegen de invoering van nachtpassen voor zwarte vrouwen in de Transvaal. Het verzet werd in 1926 geleid door wasvrouw Helena Detody. Met behulp van het Transvaal Native Congress vocht ze tot aan de Hoge Raad in Bloemfontein voor het recht op bewegingsvrijheid in de hele stad. Dankzij Detody’s overwinning konden zwarte vrouwen in de Transvaal zich twintig jaar lang vrijelijk bewegen.
Tumi Mamabolo tekende ‘A House Divided’, over de krachtmeting tussen Bafokeng-opperhoofd August Mokgatle en zijn lekgotla, oftewel stamraad. Mokgatles raadsleden hadden zijn zwakke en grillige leiderschap verworpen, deels geïnspireerd door de democratische ideeën van de zwarte Jamaicaanse dominee Kenneth Spooner, die zich had gevestigd in Phokeng. Ondanks de vurige getuigenis van Sol Plaatje ter verdediging van de raadsleden werd de stamraad veroordeeld en verbannen, waarmee de weg werd gebaand voor Bantoestaanse marionettenregeringen en de beëindiging van prekoloniale vormen van stammendemocratie.
Fictieve reconstructie
In ‘Until the Ship Sails’ illustreert Saaid Rahbeeni het verhaal van Mahomed Chotabhai, een vijftienjarige Indiase jongen die niet mocht gaan werken bij zijn vader, een koopman in Johannesburg, vanwege de campagne van de regering van Jan Smuts tegen ‘vrije’ Indiase arbeiders. Het destijds ingevoerde registratiecertificaat voor Indiase arbeiders – een poging om nieuwe migranten te criminaliseren – lokte een massale verbranding van certificaten uit, en Mohandas ‘Mahatma’ Gandhi bemoeide zich persoonlijk met de zaak-Chotabhai.
Richard Conyngham en Mark Modimola reconstrueren in ‘Here I Cross to the Other Side’ op vaardige wijze de wereld van de stakende mijnwerkers op de Reef in 1946, een staking die vakkundig de kop werd ingedrukt, evenals de vakbond van Afrikaanse mijnwerkers die haar had georganiseerd. Dit is niet zozeer een feitelijk verhaal als wel een knappe fictieve reconstructie van de eerste reis van een jonge Basotho-rekruut naar de Reef en de frontlinies van het verzet aldaar. Hoewel de staking van 1946 niet tot betere lonen en leefomstandigheden leidde, zorgde ze decennia later wel voor de wedergeboorte van vakbewegingen.
All Rise is een aangrijpend eerbewijs aan de macht van de ogenschijnlijk machtelozen en zet op een kalme manier kanttekeningen bij de apathie en wanhoop die momenteel in Zuid-Afrika heersen. Zoals Richard Conyngham zegt: ‘Gewone mensen kunnen de wet op een moedige manier gebruiken zodat er werkelijk een blijvende, systemische verandering in gang wordt gezet. Hoewel we geneigd zijn te wachten tot een illustere figuur dat voor ons doet, laten de verhalen in dit boek zien dat we het ook zelf kunnen.’
Rijke landen rekruteren in toenemende mate artsen en verpleegkundigen in arme landen, die daardoor het risico lopen dat de toch al kwetsbare gezondheidszorg verder destabiliseert. In Afrika doen ze daarom hun best gezondheidswerkers uit de diaspora terug te halen.
Canada, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk staan bovenaan de lijst van landen die een groot gebrek aan verplegend personeel hebben en die daarom als nooit tevoren proberen om in andere landen personeel te rekruteren. Maar ook andere rijke landen, zoals Duitsland of Finland, die minder gewend zijn om een beroep te doen op buitenlandse artsen en verpleegkundigen, hebben onlangs wervingscampagnes gelanceerd die specifiek zijn gericht op de Filippijnen, op landen in Afrika, of in het Caribisch gebied.
Dit schrijft Stephanie Nolan in een artikel voor The New York Times met als kop ‘Rijke landen lokken zorgmedewerkers uit lage-inkomenslanden om tekorten te bestrijden’. Het is een situatie die veel vragen oproept over de ethiek van deze wervingscampagnes en de weerklank die ze krijgen, zeker tijdens een pandemie. De ontwikkeling treft landen waarvan de gezondheidsstelsels al verzwakt zijn.
Volgens Sinead Carbery, president van O’Grady Peyton International, een internationaal wervingsbureau, arriveren elke maand ongeveer duizend verpleegsters in de Verenigde Staten uit Afrikaanse landen, de Filippijnen en het Caribisch gebied.
De Verenigde Staten trekken al langer verpleegkundigen uit het buitenland aan, maar de huidige vraag van Amerikaanse zorginstellingen is volgens Carbery de hoogste die ze in drie decennia heeft gezien. Naar schatting tienduizend staan buitenlandse verpleegkundigen van over de hele wereld op wachtlijsten voor sollicitatiegesprekken bij Amerikaanse ambassades, hopend op de vereiste visa om vacatures te kunnen vervullen.
Verlies van gekwalificeerd personeel
‘Er vertrekt constant personeel’, zegt Lillian Mwape, directeur verpleging in een Zambiaans ziekenhuis. Haar mailbox loopt voortdurend vol met e-mails van recruiters die haar laten weten dat ook zij de mogelijkheid heeft om heel snel een visum voor de Verenigde Staten te krijgen.
Officieel leidt Zambia te veel verpleegkundigen op en duizenden jonge afgestudeerden zijn werkloos. Maar het zijn de ervaren verpleegkundigen die het meest gewild zijn bij recruiters en die dus vertrekken. ‘Het zijn de meest gekwalificeerde verpleegkundige die we verliezen en die kunnen we niet echt vervangen’, aldus Lillian Mwape.
De emigratie van in arme landen opgeleide gezondheidswerkers naar rijke landen is niets nieuws. Maar de stroom is sinds twee jaar geëxplodeerd, nu sommige landen versnelde procedures hebben ingevoerd voor het uitgeven van werkvisa en de erkenning van diploma’s, schrijft The New York Times.
Zo heeft de Britse regering bijvoorbeeld in 2020 een ‘gezondheids- en zorgvisum’ gelanceerd, met verlaagde tarieven en snellere verwerking van aanvragen. Canada heeft de taalvereisten voor een permanente verblijfsvergunning versoepeld en het proces voor erkenning van kwalificaties voor internationaal opgeleide verpleegkundigen versneld. Japan biedt professionals in de ouderenzorg een snellere weg naar het verwerven van een permanente verblijfsvergunning. En Duitsland staat toe dat in het buitenland opgeleide artsen direct doorstromen naar assistent-artsposities.
‘Recruitmentbureaus onderhandelen rechtstreeks met verpleegkundigen die ze zeer voordelige voorwaarden bieden’
Het gevolg van deze ontwikkelingen is dat een land als de Filippijnen, dat al sinds lange tijd te veel verpleegkundigen opleidde om ze vervolgens naar het buitenland te kunnen sturen, vooral naar de Golfstaten, momenteel een gebrek heeft aan ziekenhuispersoneel.
‘Op mijn afdeling werken vijftien verpleegkundigen en de helft heeft een aanvraag in behandeling om in het buitenland te gaan werken’, zegt Mike Noveda, een ervaren verpleegster neonatologie in de Filippijnen die tijdelijk is overgeplaatst om covid-19-afdelingen te leiden in een groot ziekenhuis in Manilla. ‘Over zes maanden zijn ze allemaal vertrokken.’
Wat de internationale werving van verplegend personeel betreft, hebben de lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in 2010 een gedragscode aangenomen. Dit gebeurde op instigatie van met name Afrikaanse landen, die zagen dat ter plaatse opgeleide artsen en verpleegkundigen in groten getale naar de Verenigde Staten of Groot-Brittannië vertrokken.
‘We moeten terugkeer naar het continent van Afrikaanse artsen bevorderen’
Van bestemmingslanden wordt verwacht dat zij bepaalde initiatieven van herkomstlanden op het gebied van gezondheidszorg ondersteunen en aanvullende opleidingen opzetten om expats in staat te stellen met nieuwe vaardigheden naar hun land terug te keren. Maar sinds het begin van de pandemie hebben sommige recruiters een manier gevonden om dergelijke overeenkomsten te omzeilen.
‘Recruitmentbureaus komen binnen en onderhandelen rechtstreeks met verpleegkundigen die ze zeer voordelige voorwaarden bieden’, zegt Howard Catton van de International Nurses Organization. ‘De aangeworven professionals zijn niet van plan terug te keren naar hun thuisland. Integendeel: ze willen zich in het buitenland vestigen en hun gezin meenemen.’
In theorie zou een land als Nigeria tweeënzeventigduizend gekwalificeerde artsen moeten hebben, maar volgens de Nigeriaanse senator Abba Moro waren er in 2021 slechts vijfendertigduizend in het land actief, aldus The Guardian. Desondanks gelooft John Nkengasong, directeur van de Africa Centers for Disease Control and Prevention (Africa CDC), dat hij gezondheidswerkers die nu in het buitenland werken, ervan kan overtuigen weer aan het werk te gaan in hun eigen land.
Africa CDC heeft zeven werkgroepen ingesteld zodat Afrikaanse artsen en wetenschappers die in rijke landen werken, regelmatig advies van afstand kunnen geven. ‘Ze zijn erg behulpzaam geweest tijdens de pandemie. We moeten dit systeem formaliseren en terugkeer naar het continent bevorderen’, vindt Nkengasong.
Investeren
Om de exodus van medisch personeel te keren is het noodzakelijk dat Afrikaanse regeringen in actie komen. ‘Leiders op ons continent moeten investeren in het versterken van gezondheidssystemen. We hebben een zeer proactief programma nodig dat Afrikanen in de diaspora helpt om terug te keren. Een Ghanees of een Nigeriaan die in Londen woont, wordt niet op een ochtend wakker en zegt dan plotseling: ‘Ik ga voor een jaar terug naar mijn land. Ze hebben verantwoordelijkheden, een baan. Zo iemand moet geholpen worden met huisvesting en vervoer.’
Africa CDC zal naar verwachting binnenkort aan de leden van de Afrikaanse Unie een reeks maatregelen voorstellen voor een regionaal gezondheidsverdrag dat tot doel heeft de reactie van het continent op de pandemie te coördineren. Er moeten met name mechanismen worden ingevoerd om de terugkeer en ondersteuning van expats aan te moedigen.
Want ook al lijkt Afrika tot nu toe minder onder corona te hebben geleden dan andere continenten, het zal zich moeten voorbereiden ‘op de verschijning van andere varianten die moeilijker te behandelen zijn dan die waarmee we te maken hebben gehad’, waarschuwt John Nkengasong.
’Bijna twee jaar nadat Afrika zijn eerste coronabesmetting registreerde, zei een topambtenaar van de Wereldgezondheidsorganisatie dat het agentschap erop vertrouwt dat het continent de volgende fase van de pandemie aankan: leren leven met het coronavirus, ondanks het feit dat het de laagste vaccinatiegraad heeft van alle continenten’, schrijft The New York Times. De ongelijke wereldwijde distributie van coronavaccins is voor veel landen een probleem.
Matshidiso Moeti, regiodirecteur van de WHO voor Afrika, verklaarde dat het continent ervaren is in het beheersen van grote virusuitbraken.
Tijdens de pandemie heeft Afrika minder gevallen per hoofd van de bevolking gemeld dan andere regio’s, volgens cijfers van de Johns Hopkins University. Volgens deskundigen wordt er in Afrika veel te weinig getest, dus is het aantal tot nu toe gemelde coronagevallen een onderrapportage, aldus NYT. Daarnaast is slechts ongeveer 10 procent van de Afrikaanse bevolking volledig gevaccineerd.
Zuid-Afrikaanse gemeenschappen die het vóór corona al zwaar hadden, nemen het heft in eigen handen omdat de overheid verstek laat gaan. Initiatieven worden opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk.
Eén avond per week, als ze gaan patrouilleren in de straten van Thembokwezi, laten Natasha Msweswe en Zanele Madasi hun kinderen alleen. Pas om middernacht zijn ze weer thuis. Het is potentieel gevaarlijk, maar ze hebben weinig keus. ‘We knijpen ‘m soms wel, maar we willen onze gemeenschap beschermen,’ zegt Madasi (31). ‘We willen het verschil maken.’
Thembokwezi is een wijk in Khayelitsha, het grootste, overbevolkte township van Kaapstad, waar bendegeweld, drugsmisbruik en werkloosheid welig tieren. De Zuid-Afrikaanse politie laat zich hier nauwelijks zien en daarom speelt een netwerk van buurtwachten een cruciale rol in de misdaadbestrijding. Thembokwezi is welvarender en veiliger dan de rest van het township, en dat willen de inwoners graag zo houden. ‘Natuurlijk werken we met de politie samen,’ zegt Phindile George, het hoofd van de buurtwacht, die vijftig vrijwilligers telt, onder wie Msweswe en Madasi. ‘Maar als we met de armen over elkaar gaan zitten wachten, krijgen bendes hier de vrije hand.’
‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven’
Zo nemen tienduizenden Zuid-Afrikanen, verspreid over het hele land, het heft in eigen handen. Sommigen geven les of zorgen voor een betrouwbare elektriciteitsvoorziening, anderen organiseren inentingscampagnes, repareren wegen, delen water uit of leveren beschermende kleding aan ziekenhuizen. Het zijn initiatieven die zijn opgezet door particulieren, ngo’s of welvarende bedrijven, die nu grote sommen geld reserveren voor filantropisch werk. De gemene deler is een vrijwel volslagen gebrek aan vertrouwen in de Zuid-Afrikaanse overheid als probleemoplosser. ‘De mensen hebben het idee van een beschermende overheid opgegeven. Het vertrouwen is tot het nulpunt gedaald. Het is een tragedie,’ zegt William Gumede, een gerespecteerd analist, gevestigd in Johannesburg.
Dat de overheid van het meest ontwikkelde land van het continent zich uit het dagelijkse leven heeft teruggetrokken, heeft verstrekkende gevolgen: het beïnvloedt de manier waarop mensen denken, zich gedragen en met elkaar omgaan, vooral in tijden van crisis. De dood van de alom gerespecteerde Desmond Tutu zorgde voor een moment van zowel rouw als paradoxale hoop. Na maandenlang door hachelijke omstandigheden uit elkaar te zijn gedreven, werden Zuid-Afrikanen weer even herinnerd aan wat hen onderling bindt.
Ontevredenheid
De meeste Zuid-Afrikanen hadden het al zwaar voor de pandemie losbrak. De ontevredenheid over het regerende ANC, de partij die sinds de val van het racistische, repressieve apartheidsregime aan de macht is, neemt al jaren toe. De economische groei was al aan het stagneren vóór het negenjarige bewind van Jacob Zuma, de populistische president die in 2018 werd ontslagen na talloze beschuldigingen van corruptie. Ondanks de goede bedoelingen van de huidige president, oud-vakbondsleider en mijnmagnaat Cyril Ramaphosa, is er sinds diens installatie weinig te vieren geweest. De economie liep tijdens de pandemie zware klappen op. Stroomonderbrekingen hebben fabrieken en bedrijven wekenlang lamgelegd en de openbare gezondheidszorg is door wanbeheer en corruptie ernstig uitgehold. Volgens de regering zijn er negentigduizend Zuid-Afrikanen overleden aan corona, maar uit betrouwbare oversterftecijfers komt een dodental naar voren dat twee tot drie keer zo hoog ligt. Het werkloosheidspercentage ligt op een schrikbarende 46 procent.
Tijdens de ergste verstoring van de openbare orde in decennia werden in juli 2021 in een groot deel van Zuid-Afrika winkelcentra geplunderd, warenhuizen in brand gestoken en cruciale infrastructuur aangevallen. Het geweld leek bewust aangewakkerd door afvallige facties binnen de regerende partij, die woedend waren dat Zuma wegens minachting van de rechtbank een gevangenisstraf opgelegd had gekregen, waardoor het vertrouwen in de overheid een verdere deuk opliep en een aantal Zuid-Afrikanen hun frustratie botvierden op straat.
Buurtwacht
De buurtwacht in Thembokwezi is bedoeld als aanvulling op de politie, maar in een ruiger deel van Khayelitsha is een gemeenschap de confrontatie met de plaatselijke autoriteiten aangegaan. Toen een strenge lockdown aan het begin van de pandemie in 2020 leidde tot grootschalige illegale ontruimingen, bezetten honderden daklozen een stuk braakliggend terrein om er houten en golfplaten huisjes te bouwen. ‘Politici houden ons al jaren voor dat ze hier huizen voor ons zullen neerzetten,’ vertelt gemeenschapsleider Mabhelandile Twani (40). ‘Ze houden zich niet aan hun beloftes, dus nu hebben we het heft in eigen handen genomen.’
Ondanks pogingen om deze mensen opnieuw te verdrijven, is hun buurt tot bloei gekomen. Er wonen inmiddels meer dan vijftienduizend mensen in de rijen met krotten op de zanderige grond. Elektriciteit wordt van beter voorziene straten in de buurt afgetapt. Twani noemt het ‘volksstroom’. De wijk staat bekend als Lockdown Village. En er zijn veel meer van dit soort nederzettingen, ontstaan uit de ellende die corona heeft veroorzaakt in een land dat zich geen steunmaatregelen kan permitteren zoals in Europa of de VS.
In de townships stelen drugsdealers watertanks van scholen
In Khayelitsha zijn er nu nederzettingen met namen als Sanitiser, Quarantine en Social Distance. ‘Het leven is nu zo zwaar. We krijgen geen overheidshulp. We proberen het zelf te rooien,’ zegt Nondwebi Kasba (73), die helpt bij het beheer van een gemeenschappelijke moestuin die buurtbewoners in het Illitha Park in Khayelitsha hebben opgezet om de allerarmsten te helpen. Ook Graaff-Reinet, een conservatief stadje in de Karoo-woestijn, duizend kilometer oostwaarts, kampt met tekorten aan voorzieningen die de overheid ooit bood. In de townships aan de rand van Graaff-Reinet stelen drugsdealers watertanks van scholen om de inhoud ervan naast cannabis en metamfetamine (crystal meth) te verkopen. Niemand meldt het bij de politie, ervan uitgaande dat die toch niet komt.
Banen zijn schaars. Opleidingsmogelijkheden waarmee jongeren aan hun situatie kunnen ontsnappen ook. Khanya Mbaile, een 31-jarige administrateur, hoopt een koffietent annex internetcafé te beginnen om de jongeren in het township waar ze woont een veilige ontmoetingsplek te bieden. Ze heeft met hulp van een ngo al zes computers aangeschaft. ‘We zijn allemaal doodop, maar er gloort een sprankje hoop,’ zegt Mbaile. De 58-jarige Louisa Masimela, een van de vele Zuid-Afrikaanse probleemoplossers, runt in een township ten zuiden van Graaff-Reinet een gemeenschapsschool voor jonge kinderen. De voormalige journaliste heeft geen vaste lokalen voor haar leerlingen, geen geld om de onderwijzers te betalen en drinkwater is ook een probleem. ‘Het valt allemaal niet mee, maar we willen onze kinderen een opleiding geven waarmee ze later kunnen uitvliegen,’ zegt Masimela. Dus heeft ze zelf oplossingen gevonden: een kerk biedt het schooltje doordeweeks ruimte aan en er zijn zeven vrijwilligers die lesgeven.
Water ontvangen ze van The Gift of Givers, een van de grootste ngo’s van Afrika. Die organisatie, volledig gefinancierd door particuliere donateurs, voornamelijk bedrijven, verdeelt jaarlijks 400 miljoen rand, circa 23 miljoen euro, aan hulp. In de provincie Oost-Kaap helpt de ngo ziekenhuizen door het verstrekken van broodnodige persoonlijke beschermingsmiddelen, medicijnen, zuurstofapparatuur, voedsel voor de patiënten en zelfs goodiebags om het personeel te motiveren. Elders in de provincie, een van de armste van Zuid-Afrika, heeft de ngo water naar arme gemeenschappen getransporteerd, waterputten gegraven, en zaden, veevoer en voedsel voor weeshuizen geregeld.
‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen. Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project’
‘Er zitten een hoop goede mensen in de regering die het juiste willen doen, en ik zie dingen veranderen. Het zijn geen enorme veranderingen, maar mensen willen de problemen aanpakken,’ zegt Imtiaz Sooliman, oprichter van The Gift of Givers. ‘We moeten de gaten opvullen, maar dat neemt de spanningen niet weg. De mensen vragen waarom wij het werk van de overheid doen.’
De recente gemeenteraadsverkiezingen zijn voor veel analisten een reden voor optimisme. Het ANC werd door de kiezers afgestraft: het verloor 8,3 procent aan stemmen en bijna duizend raadszetels. In veel kleine steden, waaronder Graaff-Reinet, werd de partij gedwongen de macht te delen en ook in steden als Johannesburg en Pretoria brokkelde haar positie verder af. In verschillende steden sloegen lokale gemeenschappen de handen ineen om politieke alternatieven te creëren die op aardig wat aanhang konden rekenen. ‘Dat zijn hoopgevende ontwikkelingen,’ zegt William Gumede. ‘Hier spreekt de wens uit voor een nieuw, inclusief project.’
Politieke opties
Er is een duidelijke behoefte aan politieke opties die een authentiek alternatief bieden voor het ANC, maar die ontsnappen aan de giftige erfenis van het traumatische verleden van Zuid-Afrika. Dat het ANC de nationale politiek domineert, betekent dat de belangrijkste politieke gevechten binnen de organisatie plaatsvinden. Analist Judith Februari schreef in december voor Daily Maverick: ‘Van de onlusten in juli tot de falende inlichtingendiensten, van het groeiende antivax-sentiment tot het vasthouden aan kolenbelangen: de spanningen binnen de partij komen het land niet ten goede. Ramaphosa’s greep op de macht lijkt zwak en onvast.’
De langverwachte regen die een einde maakte aan de vijf jaar durende droogte heeft de landbouwsector geholpen om de elders geleden verliezen te compenseren, zeggen de boeren, maar de belangrijkste industrie, het toerisme, is door enorme verliezen aan omzet en werkgelegenheid zwaar getroffen door de pandemie. ‘Het is een regelrechte ramp,’ zegt de 59-jarige Kobus Potgieter, die een bed and breakfast runt op zijn boerderij even buiten Oudtshoorn, gelegen aan de spectaculaire Route 62, de beroemde, ooit drukbezochte toeristische autoweg. Na zestien jaar overweegt hij de handdoek in de ring te gooien, of op zijn minst af te slanken.
‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven’
Om potentiële bezoekers ervan te overtuigen dat het dorp veilig is, zette het toeristenbureau van Franschhoek met behulp van crowdfunding en financiële steun van grote bedrijven en de plaatselijke overheid een vaccinatiecampagne op poten. In november was 85 procent van de horecamedewerkers gevaccineerd. Maar net toen de toeristen begonnen terug te keren, gooide de omikron-variant met nieuwe reisverboden roet in het eten.
‘Het was een zware klap,’ zegt marketingmanager Ruth McCourt. In een van de landen met de meeste ongelijkheid ter wereld doorstaan sommigen de economische en politieke storm beter dan anderen. De inwoners van Franschhoek geven toe dat ze in een soort ‘bubbel’ leven. Dat geldt niet voor de half miljoen inwoners van Khayelitsha, die weinig bescherming genieten tegen de nieuwe coronagolf die door het land raast. ‘Het wordt een zwarte Kerst,’ zei Twani, de gemeenschapsleider in Lockdown Village, in december. ‘Mijn angst is dat we hier in Zuid-Afrika op een tijdbom leven. De mensen zijn boos. God weet wat er nog staat te gebeuren. Het kan alle kanten opgaan.’
Eric Amonsou, hoofddocent aan de Technische Universiteit van Durban, Zuid-Afrika, is vurig pleitbezorger van inheemse Afrikaanse gewassen. ‘Ze verliezen bij bewerking niet al hun goede eigenschappen.’
Voedingswetenschap is nou niet meteen de meest sexy kant van de kookkunst, maar vernieuwend is ze wel. Met het oog op de toestand van de aarde, een gezonde darmflora en niet in de laatste plaats ons eetplezier is Eric Amonsou, hoofddocent aan de Technische Universiteit van Durban, Zuid-Afrika, vurig pleitbezorger van inheemse Afrikaanse gewassen.
Mieren. Een flashback. Ik zit in een restaurant in Gdansk, ‘orthodox Pools’; ‘We hebben alle buitenlandse producten, inclusief specerijen, uit de keuken verbannen,’ legt de hoofdkelner uit. Op mijn bord ligt een gerecht van het degustatiemenu van die dag: hapjes, gemaakt van drie paddenstoelen uit het nabijgelegen bos. Een bruine ringboleet, een berkenboleet en een fluweelboleet. De paddenstoelen, die zijn gerookt boven een houtvuur, zijn bereid in eendenvet en afgetopt met een drupje dennenolie. Ik kijk naar de kleine zwarte dingen die ook op mijn bord liggen. En ja, ze zijn duidelijk herkenbaar. Mieren. Die, zoals me is verteld en zoals ik zelf kan proeven, een ongelooflijk intense smaak hebben. ‘Fruitig, met een mooi zuurtje.’ Dat kan ik beamen.
Het is mijn eerste kennismaking met mieren. Waarschijnlijk hebben we allemaal weleens per ongeluk een mier binnengekregen. Tijdens een picknick, of in de keuken. Maar niet moedwillig verzameld en bereid door een beroemde jonge chef, puur vanwege de smaak. En ja, ik ben me ervan bewust dat ‘de consumptie van eetbare insecten voor een derde van de wereldbevolking, met name in Latijns-Amerika, Afrika en Azië, zeer gebruikelijk is’, om een publicatie uit de database van ’s werelds grootste medische bibliotheek, de Amerikaanse National Library of Medicine, aan te halen. In de loop der jaren heb ik van veel vrienden gehoord dat vliegende mieren, gebakken of geroosterd boven vuur, roomzacht zijn en in één woord verrukkelijk. En is het ook eigenlijk niet vreemd, als je erover nadenkt, dat waar wij gruwen van insecten terwijl oesters ons het water in de mond doen lopen, mosselen buitengewoon populair zijn, krabben een luxe en iedereen houdt van met knoflook doordrenkte slakken? Vertrouwd. En bekend maakt bemind. Ik zal u de akelige beschrijvingen die ik hier zou kunnen geven besparen om uw voorliefde – en de mijne – niet om zeep te helpen.
Fine dining
Terug naar de mieren. Het concept van mieren voorgeschoteld krijgen als onderdeel van een fine-diningervaring komt niet als verrassing. Als je een fan bent van chef-kok René Redzepi, weet je dat hij met zijn restaurant Noma in Kopenhagen de Scandinavische keuken op de kaart heeft gezet. Noma werd in 2010 voor het eerst uitgeroepen tot het beste restaurant ter wereld en prijkte onlangs – als Noma 2.0, op een nieuwe locatie en met een aangepast concept – voor de vijfde keer boven aan de prestigieuze ranglijst voor internationale gastronomie. In 2008 was Redzepi medeoprichter van het Nordic Food Lab, dat inmiddels is opgegaan in de afdeling Voedingswetenschap van de Universiteit van Kopenhagen. Misschien heb je, net als ik, de documentaire gezien die het lab heeft gemaakt. Bugs: will eating insects save our planet? [Hier een link van de trailer.] Daarin wordt de wereld van insecteneters verkend, met als uiteindelijke doel die insecten om te toveren tot verrukkelijke gerechten. Want al is een van de drijfveren het redden van de planeet, het moet natuurlijk wel leuk blijven.
Dankzij deze documentaire had ik al kennisgemaakt met het concept van insectengerechten voordat ik de Poolse – ongetwijfeld lokaal en seizoensgebonden – mieren kreeg voorgeschoteld. Toen ik ze proefde dacht ik: Yes! Superlekker! Ik zag potjes voor me met gedroogde mieren in kruidenrekken, tussen de potjes peterselie, salie en rozemarijn. Tussen de knoflookvlokken. De dure zeezoutmolens. Dat was in 2016. Ik wacht nog steeds. Maar ze gaan komen, dat weet ik zeker.
‘De manier waarop we ons vlees produceren (…) is een tijdbom’
Ik kreeg deze mierenflashback tijdens mijn interview met voedingswetenschapper Amonsou, aan de vooravond van zijn inauguratie als hoogleraar aan de faculteit Toegepaste Wetenschappen van de Technische Universiteit van Durban. ‘Insecten zijn echt supervoedsel. Rijk aan proteïne. De insectenkweek heeft een aanzienlijk kleinere koolstofvoetafdruk dan traditionele sectoren: er is weinig land voor nodig en het energie- en waterverbruik is laag. Bij mijn bezoek aan de Universiteit van Venda in Thohoyandou, in de provincie Limpopo, zag ik op een markt mopaniewurmen en andere insecten te koop,’ vertelt Amansou. ‘In Europa vindt op dit moment veel onderzoek plaats naar insecten als voedsel. Er wordt van alles ontwikkeld. Proteïnepoeders voor sportvoeding en meel, gemaakt van sprinkhanen, bijvoorbeeld.’ Hij is de eerste om toe te geven dat het een hele toer is om de geesten rijp te maken voor het eten van insecten, als je er niet mee bekend bent. In delen van Benin, waar Amonsou vandaan komt, is insecten eten doodnormaal. ‘Maar ik ben er zelf niet mee opgegroeid,’ zegt hij. ‘Ook hier in Zuid-Afrika is er veel ruimte voor onderzoek en ontwikkeling. Insecten kunnen op een milieuvriendelijke manier worden gekweekt in kooien. Ik heb mogelijke Franse samenwerkingspartners ontmoet. Maar ik geloof niet dat er vanuit de regering iets wordt ondernomen om onderzoek te faciliteren en nieuwe voedingsmogelijkheden te promoten.’
Voedingswetenschap is op het eerste gezicht misschien niet de ‘sexy’ kant van de kookkunst. Maar het is wel een vakgebied waar baanbrekende ontwikkelingen plaatsvinden. Dat moet ook wel als je naar de cijfers kijkt. De huidige wereldbevolking telt 7,9 miljard mensen. In 2030 zal die gegroeid zijn naar 8,5 miljard, in 2050 naar 9,9 miljard. Klimaatverandering, vervuiling, verwoesting. Ik hoef het je niet te vertellen. Je hoeft het nieuws maar aan te zetten of naar de afgelopen klimaattop in Glasgow te kijken. ‘Er zijn meerdere oplossingen die onderzocht kunnen en moeten worden,’ zegt Amansou. ‘De manier waarop we ons vlees produceren, dat vol zit met antilichamen en pesticiden, om naar maar te zwijgen over de ecologische voetafdruk van de veehouderij. Het is een tijdbom.’ Hij is groot voorstander van het kweken van vlees in laboratoria, maar het kweken van insecten heeft wat hem betreft de voorkeur. ‘Het heeft een enorm potentieel.’
Persoonlijke passie
En dan is er nog zijn persoonlijke passie. ‘Ik geloof heilig dat traditionele gewassen uitkomst kunnen bieden bij de bestrijding van ondervoeding, honger en armoede. Bij het halen van duurzaamheidsdoelen, de bescherming van het milieu. Bij de bevordering van een goede gezondheid.’ In zekere zin spreekt hij, vanuit het nuchtere perspectief van de wetenschapper, dezelfde taal als de Slow Food-beweging (gezond, duurzaam, eerlijk voedsel, lokale voeding en tradities, belangstelling voor de impact van onze voedselkeuzes op de planeet). En dezelfde taal als veel topchefs en foodies in Afrika en de rest van de wereld, die kiezen voor vers, lokaal, seizoensgebonden, smaakvol voedsel. Voor foerageren. Die goede producten en oude tradities en gewassen hoog in het vaandel hebben.
In zijn lab lossen zijn team en hij problemen op. Unilever klopte bijvoorbeeld aan met klachten over een soep.De boosdoener, een zetmeelcomponent, werd geïdentificeerd, het recept werd aangepast. Iedereen blij. Maar Amansou’s grootste passie, wist ik van een lezing die ik een paar jaar terug van hem had bijgewoond, is ‘de verbazingwekkende kracht van inheemse Afrikaanse gewassen’ voor een samenleving die met meerdere uitdagingen wordt geconfronteerd, waaronder klimaatverandering, voedselonzekerheid en levensstijlziekten als obesitas, hartziekten en diabetes. ‘Ze bevatten een schat aan voedingstoffen en gezondheidsbevorderende elementen,’ stelt hij. ‘De innovatieve ontwikkelingen leiden tot nieuwe werkgelegenheid en veel commercieel levensvatbare producten. Op dit moment worden er gigantische hoeveelheden van vijf hoofdgewassen geproduceerd. Niet alleen in dit land, maar wereldwijd. Rijst, aardappelen, maïs, tarwe en sojabonen.’
‘Je kunt beter van aardappel overstappen op taro, veel gezonder’
Wat we in plaats daarvan zouden moeten verbouwen? Peulvruchten (waaronder de jugoboon, ook wel een compleet voedingsmiddel genoemd: een droogtebestendige proteïnebom), granen, wortels, knollen, bladgroenten. Klimaatbestendige gewassen die zowel in een natte als een droge omgeving goed gedijen, en een goede bron zijn van micronutriënten: vitamines en mineralen als zink en ijzer. Gezondere gewassen dus dan de basisvoeding; ze bevatten antioxidanten en ondersteunen darmbacteriën.’ En ze verliezen bij bewerking niet al hun goede eigenschappen. ‘Neem nou tarwebloem. Dat bevat geen vezels, na bewerking blijft er niets gezonds over. Het is een enorm probleem, vooral in de ontwikkelingslanden.’
Amansou komt als gezegd uit Benin, het Frans sprekende land dat tussen Togo en Nigeria ligt ingeklemd, aan de Golf van Guinee. In een artikel van de BBC wordt het een van de stabielste democratieën van het continent genoemd. Het is ook een van ‘s werelds armste landen. Hij groeide op in Savè, een stad in het binnenland. Zijn vader spoorde hem aan om bètavakken en Engels te volgen, volgens vrienden de garantie voor succes. Na zijn eindexamen en een spoedcursus Engels, werd Amansou aangenomen op de hoog aangeschreven Universiteit van Ibadan, in buurland Nigeria, voor een studie Landbouwtechniek. Aan het National Landbouwkundig Instituut van Benin, waar hij een stageplek en daarna een onderzoeksplek bemachtigde, werd zijn interesse voor de voedingswetenschap gewekt. Een internationale samenwerking op het gebied van inheemse zwartoogbonen, een van de oudste voedingsbronnen, leverde hem een beurs op voor de Universiteit van Ghana, waar hij een researchmaster in de voedingswetenschap behaalde. Daarna promoveerde hij aan de Universiteit van Pretoria. Daar, en vervolgens aan de Universiteit van KwaZulu-Natal, verrichte hij postdoctoraal onderzoek. In 2013 werd hij aangenomen bij de Technische Universiteit van Durban, waar hij de onderzoeksafdeling Voedingswetenschap en Technologie opzette.
Taroknol
Op dit moment richt zijn onderzoek zich op de taroknol. Zeg nou zelf: wanneer heeft u voor het laatst taro gegeten? Ik in geen tijden, en toen ik er voor dit artikel naar op zoek ging, was het een hele onderneming om er een paar te vinden. Eenmaal geroosterd zijn ze ongelofelijk lekker, al zien ze er vrij onooglijk uit. Of geschild en gekookt, bestrooid met wat zout en besprenkeld met olijfolie. Smakelijk, sappig, zetmeelrijk voedsel dat, aldus de professor, ook nog eens supergezond is. (Klik hier voor de taro in de Ark of Taste, de internationale Slow Food-catalogus met bedreigd ‘erfgoed’-voedsel.) De taroknol is een veel veelzijdiger groente dan ik me ooit had kunnen voorstellen. Een voormalige masterstudent die met Amansou heeft samengewerkt, gebruikt taro, dankzij de aanwezige nanokristallen, voor het maken van ‘plastic’ eetbare verpakkingen. Hij heeft octrooien aangevraagd voor twee gezondheidsdrankjes: een met taro en een met rode biet. En binnenkort is er een ontbijtgraan op basis van tarogel verkrijgbaar op de campus. Dit is allemaal te danken aan wetenschappelijk onderzoek.
‘Je kunt beter van aardappel overstappen op taro, veel gezonder,’ zegt Amansou. De plantaardige gom (ik krijg het woord ‘slijm’ niet over mijn lippen, al moet ik misschien niet moeilijk doen als je bedenkt hoe goed het voor de darmen is) in de taroknol overleeft behandelingen zoals koken of bakken, waardoor het zetmeel langzaam wordt omgezet en er geen insulinepiek is.
Genoeg over taro. Als je vragen hebt, kun je ze Amansou zelf stellen op zijn blog over gezondheidsvoorlichting, Nutrifid. Wanneer ik de ‘Universiteit van Kopenhagen’ google om te kijken waar hun de afdeling Voedingswetenschap vandaag de dag mee bezig is, stuit ik op een heerlijke studie naar meelwormen en sprinkhanen – door de EU goedgekeurde kweekinsecten. Hoofddocent Michael Bom Frøst, schrijft, ik citeer: ‘We moeten onze eetgewoontes drastisch aanpassen, willen we onze impact op het klimaat in 2030 met 70 procent verminderen, zoals de regering heeft beloofd. Maar we kunnen mensen niet klimaatvriendelijker laten eten als ze het voedsel niet zien zitten. Onze afdeling zet zich in voor de ontwikkeling van toekomstige voedingsmiddelen, voedsel dat zowel klimaatvriendelijk als lekker is.’ En daartoe worden Deense kinderen vertrouwd gemaakt met alternatieven. Het experiment laat zien, zo wordt me verteld, dat sommige insecten een grotere afschuwfactor hebben dan andere. Dat meelwormen misschien wel de beste keuze zijn voor een eiwitrijk dieet in de toekomst. Oké.
Een van de uitdagingen, zegt Amansou, is genoeg geld binnen te halen om innovaties uit het onderzoek van zijn lab levensvatbaar te maken. Zelf heeft hij bijvoorbeeld ook moeite om aan taro te komen.
‘Particuliere investeerders zullen de producten pas steunen als we genoeg grondstoffen hebben. We hebben echt overheidsbemoeienis nodig om het verbouwen van traditionele gewassen aantrekkelijker te maken, en een inclusief bedrijfsmodel om de beste soorten te produceren.’ Ik denk weer aan die mieren. De Poolse mieren. Ik vraag me af of Amansou zou overwegen om hierna onderzoek te doen naar lokale mieren. Misschien is dat iets om op tafel te leggen.
Nigeria ontving vorige maand 1 miljoen coronavaccins uit Europa. Maar die konden integraal de prullenbak in omdat hun uiterste houdbaarheidsdatum was verlopen. Dat is niet alleen voor Nigeria schadelijk, maar ook voor Europa zelf – en voor de rest van de wereld.
Positieve berichten uit Zuid-Afrika
‘De stroom gevallen van omikron in Zuid-Afrika lijkt net zo snel af te nemen als dat die toenam’, bericht The Washington Post.
Zuid-Afrika’s toonaangevende specialist op het gebied van infectieziekten, Salim Abdool Karim, zei woensdag dat ‘de epidemische piek van nieuwe omikrongevallen snel voorbij was in Zuid-Afrika’ en dat hij verwachtte dat ‘bijna alle landen op hetzelfde pad zitten’.
Zuid-Afrika was het eerste land waar de variant werd aangetroffen, en ‘de wereld observeert zorgvuldig de ontwikkelingen aldaar, om te weten wat ze kan verwachten’, merkt AP op .
Marta Nunes, onderzoeker bij het Department of Vaccins and Infectious Disease Analysis aan de Universiteit van Zuid-Afrika in de Witwatersrand, bevestigt aan het persbureau dat de golf van besmetting in het geval van omikron ‘kort’ is geweest, en verzekert ons dat ‘het niet ongewoon is in de epidemiologie om getuige te zijn van een zeer sterke stijging, zoals die werd waargenomen in november, gevolgd door een plotselinge daling’.
Ondanks deze ‘glimpen van hoop’ roept de wetenschappelijke gemeenschap op tot voorzichtigheid, onderstreept The Guardian. ‘Het is niet precies duidelijk waarom de waargenomen gevallen minder ernstig zijn, en de situatie in Zuid-Afrika – waar de bevolking erg jong is – is mogelijk niet vergelijkbaar met die in andere landen die getroffen zijn door de omikron’, aldus het Britse dagblad.
Professor Karim zegt ook tegen The Washington Post dat ‘meer dan 70 procent van de Zuid-Afrikanen al is geïnfecteerd met een eerdere variant, wat waarschijnlijk leidt tot een sterkere immuunrespons bij een groot deel van de bevolking’.
Als je kijkt op de site van Our World in Data, dan zie je in één oogopslag hoe coronavaccins over de wereld verdeeld zijn. Van de inwoners in de Verenigde Arabische Emiraten was op 19 december van dit jaar 90,28 procent geheel en 8,71 procent gedeeltelijk ingeënt. Het gemiddelde van de wereld ligt op 47,50 procent volledig gevaccineerd en 9,34 procent gedeeltelijk. Onderaan de lijst van de achtentwintig landen met de meeste inwoners bungelt Nigeria, met 1,91 procent en 1,96 procent.
Die karige 2 procent van de 200 miljoen Nigerianen die volledig is gevaccineerd zal niet snel toenemen als het gedrag van rijke landen en vaccinproducenten niet verandert, zo blijkt uit een artikel van Annalisa Merelli in Quartz. ‘In Nigeria verliep de houdbaarheidsdatum van maar liefst 1 miljoen doses van het covid-19-vaccin van AstraZeneca voordat ze konden worden gebruikt’, schrijft Merelli.
De berichtgeving over die vaccins komt van persbureau Reuters. Dat schreef op 7 december: ‘Tot een miljoen covid-19-vaccins zijn naar schatting vorige maand in Nigeria verlopen zonder te zijn gebruikt, aldus twee bronnen. Het is een van de grootste verliezen van vaccins en toont aan hoe moeilijk Afrikaanse landen het hebben om aan hun inentingen te komen.’
Het risico neem toe dat nieuwe varianten zich over de rest van de wereld verspreiden
Afrikaanse regeringen, die meer dan een miljard mensen vertegenwoordigen, dringen volgens Reuters aan op levering van meer vaccins. Aangezien de inentingspercentages achterblijven bij rijkere regio’s, neemt het risico toe dat nieuwe varianten zich over de rest van de wereld verspreiden, zoals gebeurde met omikron vanuit Zuid-Afrika.
Een recente toename van het aanbod zorgt voor een nieuw probleem, aldus Reuters: veel Afrikaanse landen hebben niet de capaciteit voor een snelle vaccinatiecampagne en van sommige vaccinleveringen is de houdbaarheid slechts kort. De doses die in november verliepen waren volgens Reuters gemaakt door AstraZeneca en werden geleverd vanuit Europa via Covax (COVID-19 Vaccines Global Access), een internationaal programma onder toezicht van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om coronavaccins die door rijke landen zijn geschonken te distribueren aan arme landen.
Maar, schrijft Merelli, ‘Nigeria had onvoldoende tijd om de voorraad te distribueren voordat een groot deel ervan was verlopen – in sommige gevallen was dat vier tot zes weken, in tegenstelling tot de houdbaarheid van het AstraZeneca-vaccin die zes maanden bedraagt.’ Daardoor ging een groot deel van de gedoneerde vaccins verloren.
De VS, het VK en Canada laten miljoenen doses vervallen en zelfs te vernietigen, ook al zit de rest van de wereld te springen om voorraden
Volgens Merelli is het bij grote immunisatiecampagnes normaal dat vaccins verloren gaan, maar ze verwijt rijke landen zoals de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Canada ‘arrogantie’ door miljoenen doses te laten vervallen en zelfs te vernietigen, ook al zit de rest van de wereld te springen om voorraden.
In Nigeria speelde ook nog een ander probleem: het aantal verspilde doses was erg groot en toen de zending arriveerde waren de vaccins al relatief dicht bij hun vervaldatum, maar dat gebeurde dan ook nog eens in een provincie die nog niet in staat was om een snelle distributie te garanderen; ziedaar opnieuw een aanwijzing voor de ernst en de complexiteit van vaccinongelijkheid, aldus Merelli.
Blunders
De blunder in Nigeria is volgens Merelli niet de eerste. In november berichtteReuters over Namibië dat, ondanks dat er behoefte was aan vaccins, gedwongen was om doses te vernietigen omdat hun resterende houdbaarheid niet lang genoeg was om ze op tijd te distribueren. ‘Namibië waarschuwt dat meer dan 268.000 doses AstraZeneca en Pfizer-vaccins het risico lopen te moeten worden vernietigd’, schreef Reuters.
Onder de kop ‘Waarom sommige Afrikaanse landen hun vaccins niet kunnen gebruiken’, melddeBBCbegin juni dat ook Zuid-Soedan, de Democratische Republiek Congo en Malawi vaccins die door rijke landen waren geschonken moesten vernietigen of retourneren omdat ze deze gezien hun houdbaarheidsdatum te laat hadden ontvangen voor verspreiding.
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) kon Nigeria in november 800.000 doses distribueren die tegen hun vervaldatum aan zaten, dankzij een plan dat de vaccinfaciliteiten vergrootte, schrijft Merelli. Maar, merkt ze op, aangezien rijke landen vaccins blijven hamsteren, ook nu nog, een jaar nadat de wereldwijde vaccinatiecampagne begon, blijft wereldwijde herverdeling vrijwel beperkt tot restzendingen die te laat aankomen om ze optimaal te kunnen benutten.
‘Het merendeel van de donaties tot nu toe was echter ad hoc, met karige kennisgeving en korte houdbaarheidstermijnen’
Merelli schrijft: ‘De voormalige Britse premier Gordon Brown waarschuwde eind september in The Guardian dat 100 miljoen doses overtollige vaccins rond december in rijke landen verloren zouden gaan en drong er bij die landen op aan om ze in plaats daarvan te doneren. Maar zelfs met een tijdige reactie destijds zouden de ontvangende landen waarschijnlijk nog maar een paar weken hebben gehad om de doses toe te dienen.’
‘GAVI, (Global Alliance for Vaccines and Immunization)’, aldus Merelli, ‘prees Nigeria in een statement namens Covax, die zij samen met de WHO leidt, voor het toedienen van grote aantallen doses in korte tijd, en wees daarbij op een belangrijk probleem dat het vermogen van arme landen beperkt om te distribueren wat ze ontvangen: het ontbreken van een voorspelbare en betrouwbare stroom van vaccins.’
Toevoer
GAVI schreef in de genoemde verklaring: ‘Ook al zijn er de afgelopen weken meer doses vaccins naar arme, voornamelijk Afrikaanse, landen gestuurd, het merendeel van de donaties tot nu toe was echter ad hoc, met karige kennisgeving en korte houdbaarheidstermijnen. Dat maakt het voor landen een enorme uitdaging om vaccinatiecampagnes te plannen en de opnamecapaciteit te vergroten. Om een hogere dekkingsgraad over het hele continent te bereiken en om donaties een duurzame bron van levering te laten zijn, die de aankopen via AVAT (African Vaccine Acquisition Trust) en Covax kunnen complementeren, zal deze trend moeten veranderen.’
Merelli voegt daaraan toe dat het gebrek aan een gestage toevoer een uitdaging is ‘voor landen die al worstelen met een gebrek aan koelkasten of betrouwbare elektriciteit om het vaccin op afgelegen locaties op te slaan, een gebrek aan mensen om de levensreddende injecties toe te dienen, een tekort aan spuiten en de noodzaak om andere grote immunisatiecampagnes te verrichten naast die voor covid-19.‘
‘Fabrikanten hebben hun zendingen naar Covax uitgesteld, terwijl we weten dat ze aan andere kopers en landen leverden’
Ook de vaccinfabrikanten hebben verantwoordelijkheid. Merelli citeert Soumya Swaminathan, wetenschapper bij de Wereldgezondheidsorganisatie, die recentelijk op een persconferentie zei, ‘We hebben gezien dat fabrikanten hun zendingen naar Covax hebben uitgesteld, terwijl we weten dat ze aan andere kopers en landen leverden.’
Merelli onderstreept nog eens hoe belangrijk het streven naar wereldwijde immuniteit is: ‘Zoals de opkomst van omikron heeft aangetoond, wordt de hele wereld bedreigd door nieuwe varianten totdat mondiaal betere immuniteit is bereikt. Rijke landen en producenten moeten stoppen met het behandelen van arme landen als opslagplaatsen voor snel vervallende restzendingen; pas dan hebben we een kans om daadwerkelijke controle over de pandemie te krijgen.’
Inwoners van Afrika ‘extreem kwetsbaar’ voor klimaatcrisis
Een nieuw rapport van de VN waarschuwt dat miljoenen ‘extreem arme’ mensen in Afrika worden bedreigd door de versnellende klimaatverandering. ‘Extreem arm’ betreft mensen die moeten leven van minder dan € 1,60 per dag. Ook de weinige gletsjers op het continent zullen binnen twee decennia wegsmelten, aldus Al Jazeera.
Volgens het rapport van de Wereld Meteorologische Organisatie zijn de 1,3 miljard inwoners van Afrika ‘extreem kwetsbaar’, aangezien het continent meer en sneller opwarmt dan het wereldwijde gemiddelde, ook al is Afrika verantwoordelijk voor minder dan 4% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen.
‘In 2030 zullen naar schatting tot 118 miljoen extreem arme mensen worden blootgesteld aan droogte, overstromingen en extreme hitte’
‘In 2030 zullen naar schatting tot 118 miljoen extreem arme mensen worden blootgesteld aan droogte, overstromingen en extreme hitte in Afrika als er geen adequate maatregelen worden genomen’, zei Josefa Leonel Correia Sacko, commissaris voor plattelandseconomie en landbouw bij de Commissie van de Afrikaanse Unie. ‘De leefomstandigheden worden slechter en het aantal mensen dat wordt getroffen neemt toe’, voegde ze eraan toe.
De superioriteit van het ene ras over het andere is niet alleen een onderbuikkwestie. Wetenschap en filosofie hebben hun steentje bijgedragen.
Keuze uit ons archief
In 2012 stelden we een nummer samen over racisme, en wat we noemden ‘De angst voor zwart’, die in dit artikel van Nina Jablonski ook aan de orde komt. Zit racisme in onze genen? stelden we als vraag. Zelfs in dat geval is er iets aan te doen.
Jablonski, hoogleraar antropologie aan de Pennsylvania State University en aan het Stellenbosch Institute for Advanced Study in Zuid-Afrika, baseerde dit essay op haar boek Living Color: The Biological and Social Meaning of Skin Color (University of California Press), waarin ze duidelijk maakt hoe door de tijd heen tegen verschillende soorten huidskleur is aangekeken, en hoe vooroordelen generatie op generatie werden overgedragen.
Opbeurende opvattingen komen uit de Freedom Charter van Zuid-Afrika uit 1955. ‘De rechten van alle mensen zijn gelijk, ongeacht ras, huidskleur of geslacht. Alle wetten die discrimineren op basis van ras, huidskleur of geloof moeten worden ingetrokken.’ Ze waren later terug te vinden in de Zuid-Afrikaanse grondwet van 1996. Vergelijkbare frasen werden opgenomen in de Amerikaanse Civil Rights Act van 1964 en de Britse Race Relations Act van 1965. In de tweede helft van de twintigste eeuw werd discriminatie op basis van ras, huidskleur, geslacht, godsdienst of nationaliteit beschouwd als een schending van de fundamentele mensenrechten.
Desondanks ging de verschillende behandeling van mensen op grond van ras en huidskleur gewoon door, vooral in landen als de VS en Zuid-Afrika, met hun lange geschiedenis van gelegaliseerde segregatie en discriminatie. Academici en onderzoekers zien vol ongeloof dat zulke ideeën tot in de eenentwintigste eeuw blijven bestaan en komen altijd met bewijsmateriaal om aan te tonen dat rassen biologisch gezien helemaal niet bestaan en ‘slechts’ sociale concepten zijn.
Toch is voor veel mensen op deze aarde rassendiscriminatie de realiteit. Ook al komt er steeds meer genetisch bewijs dat rassen niet bestaan, het geloof in de inherente superioriteit en inferioriteit van volkeren maakt nog steeds mensen het leven zuur.
Veel ideeën over aangeboren superioriteit zijn gebaseerd op de overtuiging dat huidskleuren een hiërarchie kennen. Wanneer we op zoek gaan naar de dieperliggende oorzaken van het probleem, zien we dat het zijn oorsprong vindt in de verkeerde veronderstelling dat verschillen in intellectuele capaciteiten, morele standvastigheid en gedrag terug te voeren zijn op verschillen in huidskleur, met een glijdende schaal van blank naar zwart.
De hardnekkigheid van het verborgen, maar sterk aanwezige racisme is te verklaren uit een diepgewortelde en onwetenschappelijke aanvaarding van het genetische determinisme, de overtuiging dat verschillende groepen mensen geboren worden met verschillende capaciteiten, en dat die een natuurlijke sociale orde bepalen.
Pigment
Om een begin te maken met het ontrafelen van de oorsprong en hardnekkigheid van deze misvatting moeten we eerst bekijken hoe de diversiteit in de menselijke huid zich heeft ontwikkeld. Melaninepigment is verantwoordelijk voor de bijna oneindige variaties bruin die de menselijke huid kent. Het donkerste type melanine, eumelanine, is het belangrijkste en meest algemene pigment in de huid; het is een van de meest effectieve zonnefilters in de natuur, omdat het in staat is om ultraviolette straling te absorberen.
Alle mensen in Afrika evolueerden onder een krachtige tropische zon en hadden een donkere huid, rijk aan beschermend eumelanine. Gedurende meer dan de helft van de geschiedenis van onze soort – van ruwweg 200.000 tot 80.000 jaar geleden – waren we Afrikanen, en terwijl we door Afrika trokken werd onze pigmentatie steeds weer aangepast aan de lokale omstandigheden.
Vooroordelen zijn niet genetisch bepaald
Ongeveer 80.000 jaar geleden begonnen kleine groepen donker gepigmenteerde mensen van het continent weg te trekken. De eerste migranten gingen naar de kusten van Zuid-Azië. Anderen drongen door in het achterland van West-Azië met een aanzienlijk minder zonnig klimaat en een meer seizoensgebonden hoeveelheid uv-straling. Sommige van die populaties trokken uiteindelijk naar Oost-Azië, terwijl andere zich in Midden-Europa en later in Noord-Europa vestigden. Die migratie bracht mensen op plekken die steeds minder zonnig waren, en genetische veranderingen – mutaties – kwamen tot stand om een lichter gepigmenteerde huid te produceren.
Ultraviolette straling is meestal schadelijk, maar kleine hoeveelheden zijn noodzakelijk voor de productie van vitamine D in de huid. De evolutie van gedepigmenteerde huid betekende dat mensen die leefden in streken met een lager niveau aan uv B toch vitamine D konden aanmaken. Het feit dat die ontwikkeling zich overal voordeed waar uv B schaars was, getuigt van het vermogen van de natuurlijke selectie om gelijke fenotypes te produceren bij gelijke milieuomstandigheden. Enkele licht of gemiddeld gepigmenteerde populaties trokken weer naar gebieden met sterk zonlicht en een hoge uv-straling en werden, voorspelbaar, weer donkerder. Dus veranderingen in de huidpigmentatie waren aanpassingen aan heersende omstandigheden. Vanwege het belang van de huid als de belangrijkste beschermer van het lichaam tegen de omgeving is die het grootste deel van onze geschiedenis onderhevig geweest aan een strenge natuurlijke selectie.
En zo werd de ‘huidskleurmeme’ geboren, de culturele overdracht van het vooroordeel tegen donkere mensen
Goed kijken
Omdat menselijke populaties zich uitbreidden, kregen veel groepen die eerder geïsoleerd van elkaar hadden geleefd nu contact met elkaar en begonnen ze handel te drijven: langs de Nijl en de kusten van de Middellandse Zee kwamen mensen met zichtbaar verschillende huidskleur regelmatig met elkaar in aanraking. Wat daar gebeurde, is leerzaam en nuttig. Uit de kunst en de historische bronnen van het oude Egypte en Griekenland weten we dat men de verschillen in huidskleur wel zag, maar dat die verschillen niet de onderlinge relatie of de handelstransacties beïnvloedden. Huidskleur werd gezien, maar bepaalde niet je waarde als mens.
Wij zien huidskleur omdat dat het meest in het oog vallende kenmerk is en omdat we zeer visueel ingestelde wezens zijn. Het is echter niet genetisch bepaald dat we vooroordelen hebben, alleen dat we onze indrukken van anderen en de wereld om ons heen allereerst opdoen door wat we zien. Ons vertrouwen op ons gezichtsvermogen komt in elk aspect van ons leven als sociaal wezen tot uiting. De mensen om ons heen observeren we scherp, en als we niet weten wat we moeten doen, komen we vaak tot een besluit door te kijken naar wat degenen doen die we goed kennen of voor wie we veel respect hebben. Als we jong zijn, bekijken en imiteren we onze ouders en verzorgers, en besteden we veel aandacht aan de sociale nuances die door lichaamstaal worden overgebracht. Een verhevigd visueel bewustzijn en imitatiegedrag dragen eraan bij dat we onderdeel gaan uitmaken onze sociale groep.
Die activiteiten bevorderen ook dat we aardig worden gevonden en dat anderen zich positief tegen ons gedragen. We kijken niet alleen naar hoe gezaghebbende personen zich gedragen, maar luisteren ook zorgvuldig en imiteren hun sociale categorieën. Als klein kind leren we heel veel van subtiele visuele aanwijzingen over wie er tot onze familie behoort en wie niet. We leren de voorkeur te geven aan individuen of groepen aan wie de volwassenen om ons heen extra aandacht schenken, ook al hebben de volwassenen nooit expliciet iets goeds of slechts over hen gezegd.
Dus de overdracht van vooroordelen verloopt langzaam en subtiel. We leren mensen in categorieën in te delen op basis van overeenkomsten in uiterlijk of gedrag en door hoe gezaghebbende personen om ons heen zich ten opzichte van hen gedragen. Onze geest zit kennelijk zo in elkaar dat we gemakkelijk mensen in verschillende groepen kunnen indelen en dan de voorkeur geven aan onze eigen groep, de zogeheten ‘in-group’.
Maar onze reacties op leden van ‘out-groups’ zijn niet automatisch negatief, noch zijn ze alles of niets. Ze worden bepaald door neurale responsen in de hersenen (vooral in de amygdala) die zich ontwikkelen wanneer we angst of boosheid bij de mensen om ons heen waarnemen en die gevoelens zelf beginnen te voelen of overnemen. Op zich creëren reacties in de hersenen op out-groups geen stereotypen, maar herhaaldelijk opgelegde associaties wel. En dan tellen vooral de verbale kwalificaties.
Sterker nog, de aard van de sociale en handelsnetwerken tussen de volkeren die van ongeveer 3150 v.Chr. tot 476 n.Chr. langs de Nijl en de kusten van de Middellandse Zee leefden, werd bepaald door overeenkomsten en verschillen in cultuur en taal, niet door huidskleur. Slavernij bestond, maar de slaven waren gewoonlijk krijgsgevangenen, ongeacht hun huidskleur.
Maar dat alles veranderde in de Middeleeuwen, toen het reizen over zee over langere afstanden sneller, veiliger en gebruikelijker werd, waardoor mensen plotseling in contact konden komen met verre ‘anderen’, vaak zonder dat ze vooraf van elkaars bestaan afwisten. Ze waren ook geschokt door elkaars uiterlijk. Dergelijke ontmoetingen voltrokken zich zelden op een gelijkwaardige sociale of militaire basis. Europese ontdekkingsreizigers waren op zoek naar buit en zelden uit op een gelijkwaardig contact. De meeste Europeanen verbaasden zich over donker gepigmenteerde huid, en hun reisverhalen uit die tijd beschreven de huidskleur van die verre volkeren in choquerende en vaak negatieve termen.
Intellectuele basis
De eerste wetenschappelijke taxonomie werd door Carl Linnaeus opgesteld in de eerste editie van zijn Systema Naturae uit 1735, waarin hij de mensen naar huidskleur en werelddeel indeelde in vier groepen. In 1758 definieerde Linnaeus die groepen nader op basis van temperament: sanguinisch voor Europeanen, melancholisch voor Aziaten, cholerisch voor Indianen en flegmatisch voor Afrikanen. De combinatie van volksgeloof over aanleg en karakter enerzijds en fysieke kenmerken vastgelegd in een gezaghebbende classificatie anderzijds legde de intellectuele basis voor het racisme zoals wij dat nu kennen. Sindsdien konden negatieve kwalificaties over karakter, cultuur en uiterlijk opgenomen worden in verhandelingen over de menselijke variatie en konden ze als wetenschappelijk worden beschouwd en niet zozeer als persoonlijke en emotionele uitingen van afkeer, ongemak en vooroordelen.
De overdracht van vooroordelen verloopt subtiel
In 1785, nog geen dertig jaar na Linnaeus’ herziene taxonomie, publiceerde Immanuel Kant zijn invloedrijke bespiegelingen over de menselijke variatie, waarin hij als eerste het woord ‘rassen’ gebruikte en die definieerde aan de hand van huidskleur en plaats van herkomst. Volgens Kant was ‘ras’ een onveranderbaar gegeven. Hij bracht een hiërarchie aan op basis van wat hij als hun talenten beschouwde, met de Europeanen bovenaan, dan ‘gele Indiërs’ met een gering talent, ‘negers’ kwamen daar ver onder en helemaal onderaan kwamen de indianen. Hoewel Kant werd bekritiseerd door invloedrijke critici onder zijn tijdgenoten, zoals de filosoof Johann Gottfried von Herder en de naturalist en anatoom Johann Friedrich Blumenbach, hield hij vast aan zijn definities.
Voor Kant en de meeste theoretici na hem hield het verband tussen huidskleur en karakter in dat lichter gekleurde rassen superieur waren aan donkerder gekleurde, en dat leden van deze laatste voorbestemd waren om de eerste te dienen. Kants ideeën over huidskleur en karakter werden wijd en zijd aanvaard, omdat zijn geschriften in groten getale werden verspreid, hij een gezaghebbend filosoof en geleerde was en zijn publiek voor het merendeel naïef was en geen persoonlijk contact had gehad met de donker gekleurde – vooral Afrikaanse – mensen die hij zijn geschriften zo vernederde. En zo werd de ‘huidskleurmeme’ geboren, de culturele overdracht van het vooroordeel tegen donkere mensen.
Knechting
Het leggen van een verband tussen zwart zijn en anders zijn is een van de krachtigste en meest destructieve intellectuele concepten aller tijden. Het standpunt van de inherente superioriteit en inferioriteit van rassen werd gretig door de intelligentsia van West-Europa en uiteindelijk ook door het gewone volk geaccepteerd, omdat het paste in al aanwezige stereotypen. Voor hen die de overtuiging aanhingen dat de oorspronkelijk blanke mens zwart werd vanwege blootstelling aan extreme hitte, was de transformatie van licht naar donker een soort degeneratie en een afwijking van de norm.
De negatieve associatie van een donkere huid met de waarde als mens werd winstgevend bij de opkomst van de trans-Atlantische slavenhandel. De grootscheepse knechting van Afrikanen werd sociaal aanvaardbaar gemaakt door het idee dat zij die werden geknecht alleen geschikt werden geacht voor de slavernij. Het geloof in de inferioriteit van de donker gekleurde volkeren van Afrika werd sterker naarmate de slavenhandel toenam.
De tragische en negatieve verschuiving in de woordkeus ten opzichte van de donker gepigmenteerde Afrikanen wordt levendig geïllustreerd door twee lemmata uit de Encyclopaedia Britannicamet elkaar te vergelijken. Dit staat in de eerste editie uit 1771: ‘NEGERS, strikt genomen de inwoners van Nigritia in Afrika, ook wel zwarten of moren genoemd; maar deze naam wordt nu aan alle zwarten gegeven. De oorsprong van de negers, en de reden waarom ze zo verschillen van de rest van de menselijke soort, heeft naturalisten voor veel raadselen gesteld. Boyle is van mening dat het niet door het warme klimaat komt: want de hitte van de zon mag dan de huid donker kleuren, toch blijkt dat het onvoldoende is om het zwart van negers te veroorzaken.’
In 1823 echter was het lemma doorspekt met pejoratieve ‘beschrijvingen’ en kwetsende beschimpingen: ‘NEGER, Homo pelli nigra, een naam van een variëteit binnen de menselijke soort, die geheel zwart is en wordt aangetroffen in tropische gebieden, in het bijzonder in dat deel van Afrika dat rond de evenaar ligt. De huidskleur van Negers kent verscheidene tinten, maar hun gezicht verschilt bij allen wezenlijk van andere mensen… De kwalijkste ondeugden kenmerken dit armzalige ras: ijdelheid, onbetrouwbaarheid, wraakzucht, wreedheid, losbandigheid, valsheid, onmatigheid, en ze stelen, liegen en vloeken, en die ondeugden lijken de principes van de natuurlijke zedenwetten te hebben verdrongen en het geweten het zwijgen te hebben opgelegd. Ze zijn onbekend met elk gevoel van compassie en ze vormen een afschrikwekkend voorbeeld van de verwording van de mens wanneer hij op zichzelf is teruggeworpen.’
Sociaal darwinisme
In het begin van de negentiende eeuw gold een mens met een donkere huid als inferieur en potentieel winstgevend als slaaf; een licht gepigmenteerde huid werd de norm waarvan de rest een afwijking was. De overheersing van de blanke Europeanen over de donkerder rassen werd ‘gerechtvaardigd’ door de onwrikbare, maar onjuiste overtuiging dat huidskleur onlosmakelijk verbonden was met moraal, economie, esthetica en taal. De opkomst van het sociale darwinisme aan het eind van de negentiende eeuw versterkte de opvatting dat de superioriteit van het blanke ras onderdeel uitmaakte van de natuurlijke orde, omdat bepaalde ‘loten van de stam’ verder waren geëvolueerd en cultureel superieur waren. Ze waren immers sterker en konden zich beter aanpassen. Het concept van de huidskleur had een wetenschappelijk keurmerk gekregen.
In de VS en Zuid-Afrika, waar de knechting en uitbuiting van de donker gekleurde arbeidskrachten de hoekstenen van de economische groei vormden, werd de hiërarchie in huidskleur ondersteund door de rechterlijke macht en mondelinge overlevering over superioriteit en inferioriteit. In de loop van vele generaties raakte de ideologie van op huidskleur gebaseerde rassenwaan verankerd door de collectieve bevestiging van stereotypen en vele culturele tradities. Rassenwaan hield stand, tegelijk met de hiërarchie die daar impliciet uit voortvloeide. Rassenkwalificaties die berusten op negatieve afbeeldingen en verhalen hebben een krachtig effect op leden van zowel out-groups als in-groups, doordat het idee postvat dat hun eigen groep superieur, inferieur, slimmer, dommer, sterker of zwakker is. Zo wordt die kwalificatie bepalend voor de persoonlijkheid en de individuele ervaring en is ze een doel op zich.
Dat betekent dat de ‘huidskleurmeme’ niet ons lot hoeft te bepalen. De opvattingen van een mens zijn door ervaringen en, wat nog belangrijker is, door bewuste keuzes, aan veranderingen onderhevig. Vooroordelen kunnen worden gewijzigd en zelfs teniet worden gedaan door ervaring en motivatie, en stereotypen kunnen worden veranderd wanneer mensen ertoe worden aangezet om iemand op de een of andere manier te zien als een lid van hun eigen groep. We zijn allemaal één volk.
Afrikaanse intellectuelen roepen op tot dialoog in Ethiopië
‘Ethiopië staat aan de rand van de afgrond, we moeten handelen.’ Zo luidde de noodkreet van bijna zestig Afrikaanse intellectuelen in het tijdschrift African Arguments op 26 augustus, twee weken na de oproep van premier Abiy Ahmed tot een algemene mobilisatie van de Ethiopische bevolking.
‘Wij zijn ontzet en geschokt door de steeds verder verslechterende situatie in Ethiopië’
De auteurs, die zichzelf omschrijven als ‘Afrikaanse intellectuelen die zich bezighouden met het continent en de diaspora‘ en die ‘hun werkzame leven hebben gewijd aan het begrijpen van de oorzaken van en mogelijke oplossingen voor intra- en inter-Afrikaanse conflicten’, waarschuwen de internationale gemeenschap voor de dramatische ontwikkelingen in de oorlog in Tigray. ‘Wij zijn ontzet en geschokt door de steeds verder verslechterende situatie in Ethiopië.’
In hun open brief roepen zij zowel de Ethiopische regering als de regionale regering van Tigray op om ‘positief te reageren op de herhaalde oproepen tot een politieke dialoog, ook met de betrokken groepen in de regio’s Amhara en Oromia’. Zij dringen er bij de buurlanden op aan ‘maximale druk’ uit te oefenen en bij de gehele internationale gemeenschap om het werk van de Intergouvernementele Ontwikkelingsautoriteit (IGAD) en de Afrikaanse Unie (AU) te steunen.
De Carthaagse generaal Hannibal en de Romeinse legioenen waren ruim tweeduizend jaar geleden al fan van zwaarden uit het Spaanse Toledo. De reputatie van deze zwaarden was enorm; met honderden smeden was de stad een van ’s werelds belangrijkste centra voor dit ambacht. Nu zijn er nog maar twee ambachtelijke zwaardmakers over. Ze vormen de laatste schakel in de duizenden jaren oude traditie, aldus The Guardian.
‘Zwaarden maken is nauw verbonden met deze stad’, zegt Antonio Arellano van Artesania Arellanos. ‘Als we dat kwijtraken, is het een enorm verlies.’
‘Toen ik begon zat het in en om het historische centrum van Toledo nog vol met werkplaatsen’
Arellano is afkomstig uit een lange lijn van ijzerbewerkers en begon dertig jaar geleden met het maken van zwaarden. Klanten bestonden toen al niet meer uit edellieden en zwaardvechters; in plaats daarvan concentreerde het bedrijf zich op toeristen en verzamelaars die graag een beroemd stuk Toledo-staal wilden aanschaffen. ‘Toen ik begon zat het in en om het historische centrum van Toledo nog vol met werkplaatsen’, aldus Arellano, met zijn 69 jaar de laatste meester-zwaardsmid van Toledo. De afgelopen jaren moesten de lokale zwaardmakers concurreren met inferieure, massaal geproduceerde zwaarden uit Azië. Vervolgens kwam corona en bleven de toeristen weg.
Toch zal Arellano’s zoon het bedrijf overnemen, want er is nog hoop, schrijf de Britse krant. Belangstelling voor geschiedenis heeft geleid tot een stroom aan opdrachten van tv-series en theaterproducties die op zoek zijn naar historisch nauwkeurig materiaal. En onlangs tekende Arellano een overeenkomst met een historisch themapark, waar zijn zoon ten overstaan van het publiek zwaarden zal gaan smeden.
Groen staal uit Zweden
De groene staalonderneming HYBRIT uit Zweden heeft ’s werelds eerste staal geleverd dat is geproduceerd zonder gebruik van steenkool. Het bedrijf wil een revolutie teweegbrengen in een industrie die goed is voor ongeveer 8 procent van de mondiale CO2-uitstoot. HYBRIT, eigendom van SSAB, Vattenfall en mijnbouwbedrijf LKAB, levert het ‘groene’ staal aan Volvo voor een testfase en mikt op volledige commerciële productie in 2026. Volgens SSAB, dat verantwoordelijk is voor 10 procent van de Zweedse en 7 procent van de Finse CO2-uitstoot, is de proeflevering een ‘belangrijke stap in de richting van een volledig fossielvrije keten’, aldus Reuters.
‘Ik ben blij de minister te zijn in een land waar de industrie bruist van energie voor een groene reset’
HYBRIT startte vorig jaar met testactiviteiten in zijn proeffabriek in Luleå, in het noorden van Zweden. Ook het bedrijf H2 Green Steel werkt aan een fossielvrije staalfabriek in Noord-Zweden. ‘Ik ben blij de minister van Ondernemen en Energie te zijn in een land waar de industrie bruist van energie voor een groene reset’, was de reactie van Ibrahim Baylan, minister van Ondernemen, Industrie en Innovatie.
Veel Europese landen zijn nog huiverig om geroofde kunst terug te geven aan het land van herkomst, maar in Nigeria spelen heel andere kwesties. Moeten de werken terug naar het paleis waaruit ze gestolen zijn, of eigendom worden van het deelstaatsbestuur?
Het debat in Nigeria gaat niet over de vraag óf de koloniale buit moet worden teruggegeven, maar aan wie. De meningen zijn verdeeld. De betrokkenen moeten de gelederen sluiten en samen met de regering in Abuja een programma voor cultuurbehoud ontwikkelen, om de kunstschatten daarna zo snel mogelijk naar voorouderlijk grondgebied te laten terugkeren.
Als je tegenwoordig twee mensen uit het voormalige koninkrijk Benin in de huidige Nigeriaanse deelstaat Edo hoort praten, is de kans groot dat ze het over kunstschatten hebben. Dat koninkrijk blijft me verbazen, omdat de bevolking ervan op zo’n mythische, verbluffende manier geworteld is in het verleden en er tegelijkertijd zulke avant-gardistische ideeën op nahoudt.
Niet dat de koetjes en kalfjes uit de plaatselijke gesprekken in het Bini zijn verdwenen, of dat veiligheid en geborgenheid niet langer een bron van zorg zijn. Alleen heeft de huidige ellende momenteel op de een of andere manier plaatsgemaakt, zij het tijdelijk, voor het nieuws over de mogelijke teruggave van de kunstschatten die ruim honderdtwintig jaar geleden uit het koninkrijk Benin zijn gestolen. De gesprekken zijn een soort afrekening, die bewijst hoe ver de dagen van Robin Hood achter ons liggen.
Oorlogsbuit
Onderdeel van de erfenis van slavernij en kolonialisme was dat de buit aan de overwinnaar toebehoorde. In de wereld van de toenmalige plunderaars bestond de oorlogsbuit uit mensen, dieren en kunstschatten. De oorspronkelijke bewoners van Noord-Amerika en Australië, de zwarten in Afrika en minderheden in andere delen van de wereld zijn eeuwenlang slachtoffer van deze karikatuur geweest.
De wereld is er sindsdien ontegenzeglijk op vooruitgegaan, maar de sporen van die afschuwelijke periode zijn nog altijd aanwezig. Niet alleen in onze herinnering, maar ook in de privécollecties en musea van particuliere en institutionele dieven die tegelijkertijd geld blijven verdienen aan en excuses blijven maken voor het uitstellen van de teruggave.
Volgens huidige schattingen vertegenwoordigt de uit Afrika gestolen kunst een waarde van miljarden euro’s. Maar in geestelijke valuta is de waarde nog hoger. Volgens een artikel in The New York Times kocht de Amerikaanse kunstverzamelaar Harry A. Franklin in 1966 voor 29.000 dollar [ca. 25.000 euro] een houten beeld uit Kameroen, de Bangwa Queen, dat na zijn dood in 1983 voor 3,4 miljoen dollar van de hand werd gedaan. Bij het beroemde internationale veilinghuis Sotheby’s werd een Gabonees meesterwerk, een Fang-hoofd uit de Clyman-collectie, vorig jaar te koop aangeboden voor een bedrag tussen de 2,5 en 4 miljoen dollar.
‘Afrikaans erfgoed,’ zei Macron, ‘hoort gewoon niet thuis in Europese privécollecties en musea’
Tijdens een bezoek aan Afrika in 2018 zei de Franse president Emmanuel Macron dat hoewel er historische verklaringen bestaan voor de diefstal van Afrikaanse kunstschatten, een valide, onvoorwaardelijke rechtvaardiging ontbreekt. ‘Afrikaans erfgoed,’ zei hij, ‘hoort gewoon niet thuis in Europese privécollecties en musea.’ Toch bevindt het zich daar nu al eeuwen. Drie jaar na Macrons lippendienst verkommeren de geroofde kunstschatten nog altijd in privécollecties en musea.
Macron is niet het enige probleem. De eindeloze gesprekken over roofkunst in Nigeria worden niet alleen gevoed door loze beloften, maar ook door nodeloos gekibbel over de oorspronkelijke herkomst ervan.
Nigeria wacht al sinds 1897 op de teruggave van de bronzen beelden uit het koninkrijk Benin. Tijdens een recent bezoek van een Nigeriaanse delegatie aan Duitsland, onder leiding van minister van Informatie en Cultuur Lai Mohammed, zeiden twee Duitse ministers dat hun regering plannen heeft voor ‘een substantiële’ teruggave van geroofde kunstschatten. De Nigeriaanse regering eist terecht dat de teruggave ‘volledig’ en ‘onvoorwaardelijk’ zal zijn. Volgens rapporten omvat de totale buitgemaakte schat bewerkte slagtanden van olifanten, ivoren luipaardbeelden, houten hoofden en minstens negenhonderd bronzen plakkaten uit de zestiende en zeventiende eeuw. Ook zijn er meer dan drieduizend in de negentiende eeuw gestolen bronzen beelden uit Benin in Europa en de VS beland, waarvan bijna de helft in Duitse musea.
Geniale zet
Het debat in Nigeria gaat niet over de vraag óf de koloniale buit moet worden teruggegeven, maar aan wie. De meningen zijn verdeeld. De gouverneur van de deelstaat Edo, Godwin Obaseki, wil dat de kunstschatten weer onder beheer van het deelstaatbestuur komen en heeft een geniale zet gedaan door de zoon van de Oba van Benin, het traditionele opperhoofd van het Edo-volk, voor zijn zaak te winnen. Obaseki heeft tal van ideeën om de kunstschatten te gelde te maken, zoals door het aantrekken van honderden toeristen. Boze stemmen beweren dat hij de verzameling wil kapen en privatiseren voor zijn eigen oude dag.
Aan de andere kant wil Ewuare II, de Oba van Benin, dat de kunstschatten terugkeren naar het paleis waaruit ze gestolen zijn, terwijl minister van Informatie en Cultuur Lai Mohammed heeft gezegd dat de eerste prioriteit van de Nigeriaanse regering is om de kunstschatten terug te halen naar Nigeriaanse bodem.
Omdat de kunstschatten geen Duits spreken of verstaan, heb ik geprobeerd vast te stellen welke loop de geschiedenis zal kunnen nemen. Het historische antecedent dat voor terugkeer naar het paleis pleit, zijn de Fabergé-eieren die tijdens de Russische Revolutie door de bolsjewieken uit het paleis van de Russische keizerlijke familie werden gestolen. Rond 2004, toen Roman Abramovitsj zijn zinnen op het Engelse Chelsea FC had gezet, deed zijn tegenhanger Viktor Vekselberg een bod van 90 miljoen dollar op de Fabergé-eieren. Het beroemde ei is een complex geweven schatkist van goud en edelstenen waaronder het Kroningsei, met daarin het prototype van de koets waarin tsarina Alexandra in 1897 Moskou binnenreed. Waar het om gaat, is dat het ei werd teruggehaald dankzij een investering van een Russische oliesjeik. Wat die ermee gedaan heeft, gaat niemand wat aan.
Maar wanneer landen zijn betrokken bij onderhandelingen over de teruggave van geroofde kunstschatten, leert de geschiedenis dat die bij voorkeur worden teruggegeven aan het land van herkomst.
Toen The Boston Globe acht jaar geleden berichtte dat acht kunstschatten, waaronder een gestolen houten voorouderlijke figuur uit Oron in het zuiden van Nigeria, werden teruggegeven door het Boston Museum, gingen de objecten, inclusief de houten figuur, naar verluidt naar Nigeriaanse musea. Ik weet niet of de Ahta Oro, het opperhoofd van Oron, er aanspraak op heeft gemaakt.
Laten we de kunstschatten naar huis halen, waar ze horen
Op dezelfde manier werden kunstschatten die door de Verenigde Staten, Australië en het Verenigd Koninkrijk aan India werden teruggeven in ontvangst genomen door het land, niet door particulieren of de plek waar ze waren geroofd. Nederland deed hetzelfde met de gestolen oudheden uit Indonesië, die soms wel van 500 v.Chr. dateren.
Toch lijkt het erop dat onder bepaalde jurisdicties rechtstreeks betrokkenen met succes aanspraak kunnen maken op teruggave van ooit gestolen collecties. Zo kennen de Verenigde Staten sinds 1990 een federale wet, de Native American Graves Protection and Repatriation Act, die bepaalt dat musea en federale instanties bepaalde inheemse culturele items zoals stoffelijke overschotten, grafattributen, heilige voorwerpen of voorwerpen die tot het culturele erfgoed behoren, kunnen teruggeven aan de afstammelingen in rechte lijn.
Australië kent geen wetten die rechtstreeks op teruggave betrekking hebben, maar er bestaat wel een regeringsprogramma dat voorziet in de teruggave van kunstschatten aan Aboriginals. Zweden heeft een door Zweden uit Canada gestolen totempaal teruggegeven aan de oorspronkelijke eigenaars; Italië heeft een schitterende zesde-eeuwse ‘krater’, een klassieke vaas, terug laten plaatsen op zijn oorspronkelijke plek in Rome, nadat hij langdurig aan het nationale museum was uitgeleend.
Sinds de tijd van Erediauwa, de vader van de huidige Oba, heeft het paleis van Benin krachtig campagne gevoerd voor de teruggave van gestolen kunstschatten. Gouverneur Obaseki moet niet de indruk wekken dat hij wil zaaien waar hij niet heeft geoogst of dat hij ernaar snakt de collectie aan de trofeeën in zijn ambtswoning toe te voegen. Het lijkt erop dat de onenigheid over de kunstschatten tussen het paleis en Obaseki een voortzetting van de oorlog is met andere middelen. Tijdens de gouverneursverkiezingen van vorig jaar stak het paleis zijn voorkeur voor Obaseki’s uitdager Ize-Iyamu maar nauwelijks onder stoelen of banken.
Dat Obaseki niet alleen de verkiezingen heeft gewonnen maar ook nog eens het beheer wil krijgen over onschatbare objecten die mogelijk met hulp van zijn voorvaderen uit het paleis zijn gestolen, is begrijpelijkerwijs onverdraaglijk voor de Oba. Helaas heeft het er alle schijn van dat de winnaarsmentaliteit van de gouverneur een weerspiegeling is van de subversieve houding die het plunderen van het koninkrijk Benin destijds heeft mogelijk gemaakt en gedoogd.
De betrokkenen moeten de gelederen sluiten en samen met de regering in Abuja een programma voor cultuurbehoud ontwikkelen, om de kunstschatten daarna zo snel mogelijk naar voorouderlijk grondgebied te laten terugkeren. Een aarzelende Robin Hood wil niets liever dan dat de meningen verdeeld zijn.
Wie de ruzie en de onverzoenlijke meningsverschillen tussen de leden van de elite zo ziet, zou bijna denken dat de gestolen kunstschatten inderdaad veiliger zijn in ballingschap. Laten we de kunstschatten naar huis halen, waar ze horen.
Naalakkersuisut, zoals de regering van Groenland wordt genoemd, stopt met nieuwe olie- en gasexploraties. In een verklaring die half juli werd uitgegeven, noemt de regering de ‘prijs voor oliewinning te hoog’, verwijzend naar zowel economische overwegingen als de strijd tegen klimaatverandering, schrijft CBS News. Het besluit is genomen ‘in het belang van onze natuur, van onze visserij, van onze toeristenindustrie en om de aandacht te richten op duurzamere mogelijkheden’. Aangenomen wordt dat Groenland over enorme hoeveelheden onontgonnen olievoorraden beschikt. Volgens onderzoek is het equivalent van miljarden vaten olie te vinden langs de westkust. Ook wordt gesproken van grote afzettingen onder de zeebodem aan de oostkust, aldus CBS.
‘We willen bijdragen aan wereldwijde oplossingen om klimaatverandering tegen te gaan’
Met het huidige besluit is exploratie overigens nog niet volledig van de baan, want twee kleine bedrijven beschikken nog over vier eerder gegunde exploratievergunningen, die Groenland zal moeten respecteren. Maar volgens Kalistat Lund, de Groenlandse minister van Landbouw, Zelfvoorziening, Energie en Milieu, neemt de regering klimaatverandering serieus. ‘In ons land zien we elke dag de gevolgen ervan en we willen bijdragen aan wereldwijde oplossingen om klimaatverandering tegen te gaan’, zei Lund. ‘Naalakkersuisut werkt aan het aantrekken van nieuwe investeringen voor het grote potentieel aan waterkracht dat we niet zelf kunnen exploiteren. Het besluit om te stoppen met nieuwe exploraties naar olie draagt ertoe bij dat Groenland wordt gezien als een land waar duurzame investeringen serieus worden genomen.’
Het kabinet werkt ook aan een conceptwetsvoorstel dat vooronderzoek, opsporing en winning van uranium verbiedt, schrijft CBS. De winning van uranium, dat voornamelijk wordt gebruikt voor de opwekking van kernenergie, gaat gepaard met de productie van radioactief afval. ‘Groenland leeft al eeuwenlang van aanwezige natuurlijke hulpbronnen en het verbod op uraniumwinning rust op de diepe overtuiging dat de economie rekening moet houden met de natuur en het milieu’, aldus Naalakkersuisut.
Afrika is dol op Japanse auto’s
Japanse tweedehands auto’s blijven onverminderd populair in Afrika. Het continent ontwikkelt zich economisch gestaag en de invoer van tweedehands Japanse voertuigen blijft stijgen. In de afgelopen tien jaar is de markt bijna verdubbeld, schrijft de Japanse krant Mainichi.
Gebruikte Japanse voertuigen zijn over het algemeen in goede staat, van hoge kwaliteit en bovendien gemakkelijk te onderhouden. Reparatie-onderdelen zijn ruimschoots voorhanden, hetzij origineel, hetzij van Chinese makelij.
Van de 105.000 auto’s die in 2019 in Kenia werden geregistreerd, was ongeveer 90 procent tweedehands. Kenia is ook de thuisbasis van de Japanse autobedrijven Toyota en Isuzu. Ironisch genoeg wordt de belangrijkste concurrentie voor Japanse autofabrikanten in de regio nu gevormd door Japanse auto’s: de populariteit van redelijk geprijsde geïmporteerde occasions zorgt ervoor dat nieuwe Japanse voertuigen slecht worden verkocht, aldus Mainichi. Door corona nam de import wel af: in 2019 werden er zo’n 320.000 tweedehands auto’s van Japan naar Afrika geëxporteerd; in 2020 daalde dat tot zo’n 280.000.
Wereldwijd tekort aan chips
Het mondiale tekort aan halfgeleiders heeft een enorme impact op een breed scala van sectoren, variërend van auto’s en computers tot smartphones en gaming.
Vorige week werden de Duitse autofabrikanten Daimler en BMW gedwongen om hun assemblagelijnen te vertragen of stil te leggen vanwege tekorten en autofabrikanten elders worstelen met hetzelfde probleem. Ook Apple en Samsung lieten weten dat het chiptekort hun productie zodanig beïnvloedt dat de verkoop van laptops en desktopcomputers kan dalen, bericht The Korea Herald.
‘Het aanbod van chips zal waarschijnlijk veel lager blijven dan de groeiende vraag’
Het chiptekort zal naar verwachting aanhouden, omdat het tijd kost voor chipmakers en onderdelenfabrikanten om nieuwe fabrieken op te zetten en systemen aan te passen, aldus experts. ‘De productie van chips zal in het derde kwartaal waarschijnlijk de volledige capaciteit benutten om aan de stijgende vraag te voldoen’, volgens Jeon Byeong-seo, professor aan de Koreaanse Kyung Hee University. ‘Maar het aanbod zal veel lager blijven dan de groeiende vraag van autofabrikanten, smartphone- en elektronicafabrikanten.’
Volgens het koloniale gedachtegoed bestonden er slecht één waarheid en realiteit, met als gevolg dat culturen werden verdrukt, onthecht en soms zelfs onderling in strijd kwamen. De Nigeriaanse filosoof, antikoloniaal denker en feminist Sophie Oluwole benadrukt het belang van een Afrikaanse filosofie, die een andere blik werpt op gewoontes, overtuigingen en een ‘geïmporteerd probleem’ als gender.
Grote denkers in De Balie
Op 29 mei hield in De Balie in Amsterdam Grâce Ndjako een lezing over de recent overleden Nigeriaanse filosoof, antikoloniaal denker en feminist Sophie Oluwole (1935-2018). Oluwole streed fel voor erkenning van de rijke filosofische tradities van het Afrikaans continent. Wat was haar positie binnen de Afrikaanse filosofie en wat maakt haar gedachtegoed zo relevant?
Nadat ze als eerst Nigeraanse vrouw haar doctoraat haalde in westerse filosofie, verdiepte professor Sophie Oluwole zich in de Yoruba-overlevering, een orale traditie die deels wél op schrift gesteld is. In haar opus magnum zette ze twee grondleggers van de klassieke filosofie naast elkaar: Socrates en Orunmila. Daarin zet ze uiteen dat anders dat het oppositionele westerse denken (man-vrouw, goed-kwaad, ik-jij) de Afrikaanse filosofie uitgaat van complementair dualisme, waar verschil juist als een belangrijke aanvulling wordt gezien.
In de programmaserie Grote Denkers staan vooruitstrevende en eigenzinnige vrouwelijke denkers uit de wereldgeschiedenis centraal.
‘Om tot ware wijsheid te komen, moeten we ons eerst aan ernstige overpeinzingen wijden om het zaad van de verwarring weg te nemen. Gegronde besluiten zijn het resultaat van diep nadenken over de ideeën en overtuigingen volgens welke wij leven. Een ieder die een onnadenkende persoon volgt zal dat uiteindelijk betreuren en zich de haren uit het hoofd trekken.’
Dit zijn de woorden van Orunmila, Yoruba-denker uit ongeveer 500 voor Christus, over het belang van het cultiveren van wijsheid. Uit het citaat blijkt dat het niet alleen belangrijk is om te reflecteren, maar ook om te reflecteren op de wijze waarop we reflecteren, op de concepten die we gebruiken en de geloofsregels waarnaar we leven. Wie dit niet doet, zal er spijt van krijgen. Over het leven moet worden gereflecteerd, wijsheid moet worden gekoesterd, begeerd. Wijsheid biedt ons oplossingen voor de problemen van het menselijk bestaan.
‘In de loop van de tijd worden mensen wijzer. Dit is niet het wezenlijke beginsel waardoor “Weet-nog-niet” zich liet leiden toen hij niet wist hoe hij een bepaalde kwestie moest aanpakken. Hij dacht na en sliep er een nachtje over. Bij het ochtendgloren zag hij het licht en wist wat hem te doen stond. Dus laten we dag op dag laten volgen; is dat niet genoeg, laten we dan maand op maand laten volgen; op de lange duur zullen we door voortdurend nadenken oplossingen vinden voor de meest verbijsterende problemen van het menselijk bestaan.’
Deze preoccupatie met wijsheid, deze liefde voor wijsheid, noemen we ook wel filosofie.
‘Dat Afrikanen niet kunnen denken, zou betekenen dat Afrikanen geen mensen zijn’
Orunmila zei dit ongeveer vijf eeuwen voor Christus. Toch werd het bestaan van Afrikaanse filosofie lange tijd ontkend. Dat is een feit waar Sophie Oluwole helaas haar hele leven mee te maken heeft gehad. ‘Mijn leven lang is mij verteld dat Afrikanen niet kritisch zijn en niks analyseren. Dat Afrikanen niet kunnen denken. Dat zou betekenen dat Afrikanen geen mensen zijn. Ik wilde het tegendeel bewijzen.’ Aldus Oluwole in een interview uit 2017 toen ze in Nederland was. Het idee dat je alleen bent als je denkt prevaleerde tijdens de verlichting bij denkers als Kant en later Hegel, en geldt in sommige academische kringen tot op de dag van vandaag.
Wat Oluwole ook bijzonder maakt is het feit dat zij de eerste vrouw was die in Nigeria promoveerde in de filosofie. Ze werd uiteindelijk hoofd van de afdeling filosofie van de universiteit van Lagos. Op meerdere fronten is zij dus een pionier geweest binnen dit vakgebied.
Superioriteitsdenken
Afrikaanse filosofen hebben verschillende reacties geformuleerd op het idee dat filosofie in Afrika niet zou bestaan, en dat dit bovendien niet mogelijk zou zijn. Reacties lopen uiteen van denkers die zich identificeren met de Europese filosofie en stellen dat Afrikaanse filosofen de Europese denktraditie moeten volgen, de zelfbenoemde professionele filosofen, tot denkers die beweren dat Afrikaanse filosofie het product is van de culturele ervaringen van Afrikanen, en dat het wereldbeeld van Afrikanen om deze reden moeten worden gedocumenteerd. Zij worden etnofilosofen genoemd.
Oluwole vond geen van deze reacties adequaat. De zogenaamde ‘professionele’ filosofen zouden zelf geen onderzoek hebben uitgevoerd naar Afrikaanse orale tradities. Deze zouden door hen zelfs volledig worden verwaarloosd in de zoektocht naar principes die intellectueel overtuigender en sociaal gezien relevanter zouden zijn voor de hedendaagse Afrikaanse ervaring. Etnofilosofen zouden volgens Oluwole dan weer te essentialistisch zijn, en in sommige gevallen het racistische discours van de kolonisten hebben overgenomen.
Onderzoek naar het Afrikaans denken gaat niet om het zoeken naar paralellen van westerse metafysica in Afrikaanse talen. Het gaat ook niet om het vinden van de Afrikaanse metafysica of epistemologie; men definieert het Europese denken immers ook niet aan de hand van één soort metafysica of epistemologie. Onderzoek naar het Afrikaanse denken zou moeten gaan over de intellectuele idealen die in Afrikaanse talen ingebed zijn. De intellectuele idealen, de intellectuele cultuur, liggen immers ten grondslag aan iedere intellectuele onderneming, en dus ook filosofie.
Oluwole was tegen het klakkeloos overnemen van Europese paradigma’s en denksystemen. Het overnemen van Europese paradigma’s zou wijzen op een bepaalde mate van superioriteitsdenken.
‘De westerse hang naar zekerheid laat geen ruimte voor het bestaan van andere realiteiten’
‘De bewering dat de westerse filosofie in een universeel voorbeeld voorziet van de menselijke intellectuele cultuur is op ernstige bezwaren gestuit. Zelf ben ik van mening dat de verbreiding ervan alleen maar tot intellectuele dweepzucht leidt.’ Ze gebruikte ook wel de term intellectueel nationalisme. De westerse filosofie zou een weerspiegeling zijn van de Europese intellectuele cultuur. De principes van de Europese intellectuele cultuur zouden zijn gebaseerd op het uitbouwen van een heel systeem en een zoektocht naar absolute kennis.
Het probleem hiervan is dat dit algauw leidt tot het geloof in één enkele absolute waarheid die overal altijd geldig is, en voor iedereen geldig is, en dat er dus maar één realiteit bestaat. Oluwole zegt het als volgt: ‘De westerse hang naar zekerheid laat geen ruimte voor het bestaan van andere realiteiten die door elk van deze rationale pogingen kunnen worden omvat.’ Ze typeerde de westerse intellectuele cultuur daarom als een monotheïsme.
Volgens Oluwole is het belangrijk dat we ons afvragen of principes uit het westerse denken wel zo neutraal zijn, en objectief genoeg om te kunnen zeggen dat ze universeel zijn en voor iedereen opgaan. We spreken tegenwoordig steeds vaker over dekolonisatie. Dat is niet alleen een politieke dekolonisatie, dus politiek onafhankelijk zijn; we spreken ook over dekolonisatie van instituten en dekolonisatie op het gebied van het denken, doordat we ons steeds meer bewust zijn van de reikwijdte van het koloniale gedachtegoed en de implicaties van de gedachte dat er maar één enkele waarheid en realiteit bestonden. Bij gekoloniseerden heeft deze gedachte gezorgd voor de vernietiging van bestaande structuren en vervreemding van de eigen cultuur. Ook zijn er verschillen en ongelijkheden geïntroduceerd of vergroot die daarvoor niet of nauwelijks bestonden.
Paradigma’s en patronen
Het dekoloniseren van het denken heeft daarom niet alleen implicaties voor de filosofie, voor het bestaan van een Afrikaanse filosofie, maar ook voor de politiek en het denken over gender. Als we vanuit het Afrikaanse gedachtegoed denken over politiek, kunnen we met andere stelsels komen. Oluwole zegt hierover: ‘Een totale afhankelijkheid van de paradigma’s en patronen van democratie zoals die in veel Europese landen worden toegepast, is misschien niet de enige manier om vooruitgang te boeken.’ We kunnen ook vanuit het Afrikaanse denken kijken naar sekse en gender.
Oluwole doet dit via onderzoek naar de orale traditie. Dat komt de Afrikaanse filosofie volgens haar ten goede, omdat filosofie voornamelijk draait om wat door filosofen wordt gezegd: ‘In tegenstelling tot de geschiedkunde en de sociale wetenschappen richt de filosofie zich niet in de eerste plaats op wat mensen doen maar op wat ze zeggen, dus op de verbale expressie van mensen. Daarom is een van de meest gebruikte zinnen in de filosofie: “X heeft gezegd…” Maar zelden horen we: “Plato deed dit” of: “Russell deed dat”. Wij verwijzen altijd naar wat bepaalde mensen hebben gezegd. Vanwege het onmiskenbare feit dat we weinig of geen geschreven documenten bezitten waarin de feitelijke woorden van onze voorouders aan ons worden doorgegeven, zullen de woorden van onze wijzen worden gebruikt als gemeenschappelijk referentiekader, zeggen de Yoruba.’
Ze baseert zich hierbij ook op een gezegde uit het Yoruba: ‘Owe I’esin òrò, bí òrò bá sonú, òwe I’ a fi n wà a. (‘Spreekwoorden zijn de analytische denkinstrumenten; als we het denken kwijtraken, gebruiken we spreekwoorden om het te zoeken.’)
Teksten zoals die voorkomen in de taal van een volk – het woord tekst past ze toe in de brede zin van het woord en omvat dus ook orale overlevering – bieden veel inzicht in sociale principes en religieuze gebruiken.
‘Daarom is er behoefte aan een Afrikaanse renaissance die de Afrikaanse orale literatuur op een kritische manier onderzoekt om zo een betrouwbare Afrikaanse sfeer te ontdekken en te bevorderen die eerder is gebaseerd op “verhalen die beantwoorden aan de waarheid van hun taal en authenticiteit” dan aan een realiteit die is vervormd door de modaliteiten van niet-Afrikaanse talen of “resultaten van theoretische manipulaties”.’
Oluwoles belangrijkste bijdrage aan de Afrikaanse filosofie is dan ook deze terugkeer geweest naar de eigen teksten, terugkeer naar de Afrikaanse orale traditie. Op deze manier heeft ze veel van de mythes die tijdens het kolonialisme zijn ontstaan verworpen; ‘Ga terug naar feitelijke “teksten” van de orale traditie in plaats van te vertrouwen op de “bedenksels” van sociale wetenschappers,’ aldus Oluwole.
Man/vrouw-verhoudingen
Als gezegd heeft het onderzoeken van de taal en orale traditie tot belangrijke inzichten geleid op het gebied van sekse en gender in Afrika. Oluwole keek hierbij specifiek naar de Yoruba-taal. Kenmerkend bij de Yoruba is het complementair denken, en dit vindt ook zijn weerslag in het denken over man/vrouw-verhoudingen.
– ‘Er is geen godheid zoals een moeder. Alleen zij is het aanbidden waard.’
Er zijn teksten die lijken te wijzen op de superioriteit van mannen:
– ‘De man geeft leiding aan de vrouw.’
En teksten die het tegendeel beweren:
– ‘Een vrouw werd gevraagd een zwakkeling mee te brengen die ze kon laten doen wat ze wilde, en ze kwam terug met haar man.’
– ‘Voor mannen is geen plaats in de hemel.’
– ‘Het kind van een vrouw is haar echte man.
Alleen omdat de kou ondraaglijk is
Neem je een man om je warm te houden
Een kind is de echte man van haar moeder’
-‘Vraag: Hoeveel mensen in het dorp?
Antwoord: Twee, mannelijk en vrouwelijk.’
Oluwole: ‘De implicatie is uiteraard dat de samenleving beide geslachten moet erkennen en niet maar een van beide.’
Vrouwen werden niet uitgesloten van het maatschappelijk leven. Vrouwen hadden politieke inspraak, en hadden soms leidinggevende functies:
‘Het sociale basisprincipe op grond waarvan Yoruba-vrouwen handelden, bijvoorbeeld, was dat als de samenleving besluiten moest nemen die ernstige gevolgen hadden voor hun leven, voor hun economische, politieke en religieuze bestaan, ze te allen tijde het recht hadden te worden geraadpleegd en rechtstreeks dan wel via democratische vertegenwoordiging te worden betrokken bij de besluitvorming’ (2014: 102). Op economisch vlak liepen vrouwen zelfs voorop; zij waren degenen die goederen verkochten op de markt, zowel die van haar man als haar eigen producten. Vrouwen konden kapitaal bezitten, erven en nalaten.
‘Gender’ is in Yoruba een geïmporteerd probleem is, omdat de categorie ‘vrouw’ niet zou bestaan in die taal
Haar invloed is te zien in het onderzoek dat door hedendaagse Afrikaanse denkers en wetenschappers wordt verricht op het gebied van sekse en gender. De Nigeriaanse denker Oyèrónkẹẹ Oyěwùmí stelt door te kijken naar de Yoruba-taal dat ‘gender’ een geïmporteerd probleem is, omdat de categorie ‘vrouw’ niet zou bestaan in het Yoruba. Ook zij wijst op het complementaire denken en het belang van een terugkeer naar de taal, de teksten, om koloniale mythes te verwerpen.
‘Omdat onvoldoende wordt ingezien dat het wereldbeeld van een volk bepaald wordt door taal, worden westerse categorieën als universeel beschouwd. In de meeste Yoruba-studies worden de inheemse categorieën niet onderzocht maar geassimileerd in het Engels. Dit heeft tot een ernstige verdraaiing en een volstrekt onbegrip van de Yoruba-realiteit geleid. Geslachtskenmerken zijn belangrijk geworden in Yoruba-studies, omdat het leven van de Yoruba in het Engels is vertaald om in het westerse lichaamsbeeldpatroon te passen.’
Oluwole zei over taal: ‘Taal is een product van menselijke ervaring. Wanneer ze voor educatieve doeleinden wordt gebruikt, moet er een aantal regels en beginselen worden geleerd, niet alleen op grammaticaal gebied maar ook conceptueel.’
Haar inzichten vinden we ook terug bij Afrikaanse schrijvers. De Keniaanse schrijver Ngũgĩ wa Thiong’o stelt bijvoorbeeld dat cultuur en taal moeilijk van elkaar te scheiden zijn. ‘De keus van een taal en het gebruik dat van die taal wordt gemaakt is bepalend voor de manier waarop mensen zichzelf definiëren ten opzichte van hun natuurlijke en sociale omgeving, en zelfs ten opzichte van het hele universum.’ Hij schrijft over de vervreemding die hij ervoer doordat hij op school in een andere taal, een Europese taal, werd onderwezen dan hij thuis sprak; het Gikuyu. De geschreven taal die hij op school sprak, kwam niet meer overeen met zijn wereld.
Gesproken tekst
Oluwole hechtte waarde aan de orale traditie omdat deze voor een nauwere relatie zorgde tussen de auteur en diens publiek. Meer dan het schrift weet de orale traditie te zorgen voor een emotionele band tussen orator en toehoorder, doordat de gesproken tekst meer leeft.
‘Waar een geschreven tekst vaak openbare zaken in een duister persoonlijk idioom vervat, houden orale uitingen de communicatie meestal open zodat het publiek de ideeën en gedachten van de orale verteller op een directe manier tot zich kan nemen en kan delen. Worden de open ideeën opgeschreven, dan raken ze versteend en maakt de classificatie ze alleen maar geheimzinniger.’
Ook Thiong’o benadrukt het belang van de orale traditie. Volgens hem moeten we af van het idee dat de pen de voornaamste overdrager van cultuur is: ‘Woorden omkleden ideeën die voortkomen uit die strijd. Woorden benoemen gedachten. De tong geeft de woorden stem. Woorden komen niet in geschreven vorm uit onze mond; ze komen eruit als een spreekstem. De pen imiteert de tong. De pen is de klerk van de tong. Hij maakt tekeningen van wat er wordt gezegd. De pen zegt wat al gezegd is.’
Vandaar het belang van spoken word in zwarte gemeenschappen. Ook hiphop kunnen we zien in het licht van deze orale traditie. Al deze uitdrukkingsvormen worden in zwarte gemeenschappen met elkaar gedeeld, en moeten we blijven koesteren. Onze orale tradities zijn onderdeel van onze intellectuele cultuur.
De wijdverbreide en systematische olievervuiling in Nigeria is een schrijnend voorbeeld van de straffeloosheid van multinationals. Boosdoener Shell achtte zich niet verantwoordelijk voor tekortkomingen van haar Nigeriaanse dochterbedrijf. Maar het Britse hooggerechtshof oordeelde anders.
Op 12 februari 2021 oordeelde het Britse hooggerechtshof dat de Brits-Nederlandse oliegigant Shell voor de Engelse rechter kan worden gedaagd door twee Nigeriaanse gemeenschappen die decennialang ernstige schade hebben geleden door olievervuiling. De uitspraak is een mijlpaal in de strijd voor de verantwoordingsplicht van multinationals. Het hooggerechtshof heeft nu, zowel in de zaak Okpabi versus Shell als in zijn eerdere uitspraak in 2019 in de zaak Lungowe versus Vedanta, unaniem bepaald dat moedermaatschappijen juridisch aansprakelijk kunnen worden gesteld voor schade die door hun buitenlandse dochters is aangericht. Het vergde jaren van procederen om tot dit punt te komen.
Klimaatzaak tegen Shell
Een rechtbank in Den Haag heeft op woensdag 26 mei Royal Dutch Shell bevolen om haar wereldwijde CO2-uitstoot tegen eind 2030 met 45 procent te verminderen ten opzichte van het niveau van 2019, in een baanbrekende zaak die was aangespannen door Milieudefensie en meer dan 17.000 mede-eisers.
Het duurzaamheidsbeleid van de oliegigant werd door de Nederlandse rechtbank onvoldoende ‘concreet’ bevonden in een ongekende uitspraak, die verstrekkende gevolgen zal hebben voor de energie-industrie en andere vervuilende multinationals, schrijft The Guardian.
Shell, dat zegt tegen het vonnis in beroep te zullen gaan, was volgens de Carbon Majors-database in de periode 1988-2015 de negende grootste vervuiler ter wereld, aldus het Britse dagblad.
De zaak-Okpabi was een vijf jaar durend juridisch gevecht waarin Shell aanvoerde dat zij in het Verenigd Koninkrijk niet wettelijk verantwoordelijk kon worden gehouden voor tekortkomingen van haar Nigeriaanse dochterbedrijf. De meer dan tien jaar durende parallelle rechtszaak in Nederland culmineerde in de recente uitspraak van het Nederlandse gerechtshof dat Shell aansprakelijk stelde voor de geleden olieschade door twee gemeenschappen. Deze vonnissen hebben een juridisch kader voor de toekomst geschapen en de weg vrijgemaakt voor andere internationale mensenrechten- en milieuzaken in Britse rechtbanken tegen bedrijven die zich schuldig maken aan wangedrag. Voor gemeenschappen over de hele wereld die machteloos stonden tegenover multinationals gloort er na deze uitspraken nieuwe hoop.
Zuigelingen in de Nigerdelta hebben tweemaal zoveel kans om tijdens de eerste maand van hun leven te overlijden als hun moeder in de buurt van een olielek woont
Weinig situaties illustreren het huidige probleem van de straffeloosheid van multinationals zo duidelijk als de wijdverbreide en systematische olievervuiling in Nigeria. Deskundigen schatten dat de bewoners van de Nigerdelta de afgelopen vijftig jaar jaarlijks te maken hebben gehad met olielekkages die vergelijkbaar zijn met de door Exxon Valdez veroorzaakte milieuramp in Alaska: gemiddeld zo’n 240.000 vaten per jaar. Achter deze statistieken gaat een menselijke tragedie van ongekende proporties schuil. De vervuiling leidt tot ernstige gezondheidsproblemen en een verhoogd sterftecijfer onder de lokale bevolking.
Uit een recente studie van de universiteit van St. Gallen in Zwitserland blijkt dat zuigelingen in de Nigerdelta tweemaal zoveel kans hebben om tijdens de eerste maand van hun leven te overlijden als hun moeder in de buurt van een olielek woont. Dit komt neer op een schandalig aantal van elfduizend vroegtijdige sterfgevallen per jaar. De situatie is bijzonder schrijnend in Ogoniland, van waaruit Ken Saro-Wiwa begin jaren negentig strijd voerde tegen Shell.
In 2011 meldde de milieuorganisatie van de Verenigde Naties (UNEP) in haar rapport over Ogoniland dat de bevolking dagelijks is blootgesteld aan ernstige olievervuiling, die heeft geleid tot verontreinigde lucht, landbouwgrond en waterbronnen. Volgens de bevindingen van UNEP was de volksgezondheid ernstig in gevaar. Kort na publicatie van het rapport werden er borden rond de getroffen gebieden geplaatst, waarop duidelijk werd gemaakt dat het drinkwater ongeschikt was voor menselijke consumptie en dat grote delen van het land en de waterwegen onveilig waren.
Hoe kan het dat deze menselijke tragedie blijft voortbestaan terwijl westerse oliemaatschappijen vrolijk winst blijven maken?
UNEP drong aan op ‘’s werelds grootste schoonmaakoperatie in de geschiedenis’. Het is schokkend om te zien dat het gebied tien jaar na dato nog altijd zwaar is vervuild, dat schoonmaak nooit heeft plaatsgevonden en dat de bewoners nog altijd water drinken uit verontreinigde putten. De indertijd geplaatste waarschuwingsborden zijn inmiddels verroest en nauwelijks leesbaar.
Zwakke regelgeving
Hoe kan het dat deze menselijke tragedie blijft voortbestaan terwijl westerse oliemaatschappijen vrolijk winst blijven maken? Kort gezegd biedt de zwakke regelgeving ruimte aan inhalige bedrijven die geen geld willen investeren in hun infrastructuur en hun olievervuiling weigeren op te ruimen, waardoor honderden gemeenschappen met pijpleidingen van oliereuzen op hun land al tientallen jaren zwaar verontreinigd achterblijven – zonder dat de vervuiling wordt opgeruimd en zonder enige compensatie. Aangezien de kans op een eerlijk proces in Nigeria nihil is, wenden steeds meer gemeenschappen zich tot westerse rechters om de moederbedrijven die de vruchten plukken van de Nigeriaanse oliewinning ter verantwoording te roepen.
De Ogale- en Bille-gemeenschap, zo’n 50.000 boeren en vissers die schade hebben geleden door decennialange olievervuiling, namen in 2016 het Britse advocatenkantoor Leigh Day in de arm om Shell voor de rechter te dagen en het opruimen van de verontreiniging en schadevergoeding te eisen. De dorpsgemeenschappen betoogden dat Shell de supervisie en de zeggenschap had over Shell Nigeria en dat het moederbedrijf daarom direct aansprakelijk was voor de tekortkomingen van haar dochters. In reactie daarop stelde Shell dat de band tussen moeder en dochter zo los is dat ze nauwelijks meer is dan een aandeelhouder.
Het olieconcern trachtte de rechters ervan te overtuigen dat de moedermaatschappij niet aan de touwtjes trok in Nigeria en dat Shell Nigeria werd aangestuurd door andere onderdelen van Shell, niet door de moedermaatschappij zelf. Tegelijkertijd weigerde Shell interne stukken te overhandigen die licht zouden werpen op de werkelijke relatie tussen het moederbedrijf en haar dochter.
Aansprakelijkheid
De Britse lagere hoven – het gerechtshof en het hof van beroep – hadden zich door de argumenten van Shell laten overtuigen en verwierpen de zaak al in het stadium waarin de rechterlijke bevoegdheid werd bepaald. Het hof van beroep oordeelde dat de eisende partij duidelijk bewijs van ‘operationele controle’ moest leveren, wat natuurlijk onmogelijk was zonder toegang tot interne bedrijfsdocumenten. Het hof stelde tevens dat de mondiale beleidskaders die van moederbedrijven naar beneden worden doorgegeven in principe nooit aanleiding kunnen geven tot wettelijke aansprakelijkheid.
Het Britse hooggerechtshof was het hier in februari niet mee eens. Het stelde het hof van beroep unaniem in het ongelijk en oordeelde dat er een goed verdedigbare zaak tegen Shell bestond. De rechters oordeelden dat de lagere rechtbanken te snel hadden gehandeld door een soort miniproces te voeren, nog voordat er stukken openbaar waren gemaakt en getuigenverklaringen waren gehoord. Bovendien hadden ze geen rekening gehouden met het ‘evidente belang’ van interne documenten die licht zouden kunnen werpen op de ware aard van de relatie tussen de moeder- en dochterbedrijven. Belangrijk is ook dat het hooggerechtshof de beperkte definitie van de aansprakelijkheid van het moederbedrijf waar het hof van beroep van uitging, heeft verworpen.
Een moedermaatschappij is niet alleen aansprakelijk wanneer er een ‘zeggenschapsrelatie’ bestaat maar ook wanneer sprake is van supervisie, advies of andere vormen van bemoeienis die niet direct als zeggenschap kunnen worden aangemerkt. Daaronder zouden ook mondiale beleidskaders vallen, die door eventuele tekortkomingen schade kunnen veroorzaken. Opmerkelijk is dat het hooggerechtshof oordeelde dat ook publieke toezeggingen van een moederbedrijf als wettelijke verplichting kunnen worden afgedwongen wanneer het bedrijf ze niet inlost. Het lijkt erop dat het hooggerechtshof van multinationals verwacht dat zij hun verplichtingen nakomen.
Natuurlijk is de Nigerdelta slechts één voorbeeld van het veel grotere probleem van de onaantastbare positie van multinationals in ontwikkelingslanden. De uitspraak van het Britse hooggerechtshof zal verstrekkende gevolgen hebben voor de verantwoordingsplicht van bedrijven, en gemarginaliseerde gemeenschappen over de hele wereld zullen er in de rechtbank een beroep op doen. Deze ontwikkeling wordt nog versterkt door belangrijke wetgevingsinitiatieven in de EU om bedrijven te verplichten mensenrechten te respecteren en onderzoek te doen naar eventuele schendingen daarvan bij hun dochterondernemingen en in hun toeleveringsketen.
Het tijdperk van de straffeloosheid van multinationals loopt ten einde. Voor de getroffen gemeenschappen over de hele wereld is dat natuurlijk een positieve ontwikkeling, maar tevens iets wat al lang geleden had moeten gebeuren.
Reddingsacties van ngo‘s op de Middellandse Zee zouden volgens de Europese en Italiaanse grensautoriteiten mensensmokkel faciliteren. Maar uit onderzoek van The Intercept blijkt dat de autoriteiten samenwerken met Libische smokkelaars, terwijl de hulporganisaties en migranten zelf worden aangeklaagd.
In 2014 breekt een nieuwe etappe aan in het werk van DNAA, het Italiaanse antimaffia- en antiterreuragentschap dat zich de laatste jaren toelegde op het aanpakken van mensensmokkelaars op de Middellandse Zee, en zijn directeur Franco Roberti. Italië heeft Mare Nostrum, een reddingsmissie in de internationale wateren voor de kust van Libië die meer dan 150.000 mensen redde, na een jaar opgeheven vanwege budgettaire beperkingen en een gebrek aan Europese samenwerking.
In haar kielzog heeft de EU twee nieuwe operaties opgezet, een via Frontex en de ander onder militaire vlag, Operatie Sophia genaamd. Deze operaties zijn niet gefocust op het redden van mensenlevens, maar op grensbeveiliging en mensensmokkelaars uit Libië. Vanaf 2015 werden vertegenwoordigers van Frontex en Operatie Sophia toegevoegd aan de bijeenkomsten van DNAA, waarbij Italiaanse aanklagers erop toezagen dat beiden zich aan de nieuwe onderzoeksstrategie hielden.
Die strategie betekende dat iedereen die als bemanningslid optrad of een noodoproep deed op een boot met migranten, als medeplichtige aan mensensmokkel moest worden beschouwd en onderworpen moest worden aan de Italiaanse jurisdictie. Zo konden ze de Libische smokkelaars aanpakken zoals ze eerder de Italiaanse maffia hadden aangepakt.
Belangrijk voor het onderzoek zijn foto‘s van reddingsacties, zoals de luchtfoto die door de Italiaanse kustwacht aan Dieudonne, een Kameroense bootvluchteling die werd verhoord door de kustwacht, werd getoond, waarmee de politie op een andere manier kon identificeren wie de boten bestuurde en wie hielp bij het navigeren.
Ngo’s in het vizier
Bij gebrek aan reddingsschepen van de overheid begon een vloot van schepen van hulporganisaties aan een groot aantal reddingsacties in de internationale wateren voor de kust van Libië. Deze schepen, die werden gecoördineerd door het Italiaanse reddingscentrum van de kustwacht in Rome, maakten het moeilijk voor aanklagers en politie om bewijsmateriaal te verzamelen. Volgens de notulen van een vergadering van DNAA, die Zach Campbell en Lorenzo D’Agostino van The Intercept hebben ingezien, gaven sommige ngo‘s, waaronder MOAS, routinematig foto‘s aan de Italiaanse politie en Frontex. Anderen weigerden met het argument dat het leveren van bewijs voor onderzoek naar de mensen die ze hadden gered, hun doeltreffendheid en neutraliteit zou ondermijnen.
In de jaren na Mare Nostrum was de ngo-vloot verantwoordelijk voor meer dan een derde van alle reddingen in het centrale Middellandse Zeegebied, volgens schattingen van Operatie Sophia. Omdat de ngo‘s geen informatie van geredde migranten verzamelden voor de politie, werd ‘informatie die essentieel is om het begrip van het bedrijfsmodel van smokkel te vergroten’, niet verkregen, aldus een uitgelekt rapport.
Een admiraal van de kustwacht onderstreepte hoe belangrijk het is om ondervragingen te doen vlak na een reddingsactie
Tijdens een volgende bijeenkomst herhaalden zes aanklagers hun bezorgdheid. Reddingsacties van hulporganisaties betekenden dat de politie migranten op zee niet kon ondervragen, zeiden ze, en daarom moesten gevallen worden geseponeerd door gebrek aan bewijs. Een admiraal van de kustwacht onderstreepte hoe belangrijk het is om ondervragingen te doen vlak na een reddingsactie, omdat dan ‘een moment van empathie is bereikt’. ‘Het is niet mogelijk om deze taak uit te voeren als de reddingsinterventie wordt uitgevoerd door schepen van ngo’s’, aldus de admiraal tegen de groep.
Ngo’s veroorzaakten dus problemen voor de DNAA-strategie. Tijdens de bijeenkomsten bespraken Italiaanse aanklagers en vertegenwoordigers van de kustwacht, de marine en het ministerie van Binnenlandse Zaken wat ze konden doen om dehulporganisaties in toom te houden. Tegelijkertijd richtten verschillende aanklagers afzonderlijk hun vizier op de ngo’s zelf.
Zo beschuldigde Frontex in een intern rapport, dat later volledig werd gepubliceerd door The Intercept, een vaartuig van een ngo ervan migranten rechtstreeks van Libische smokkelaars te hebben overgenomen, op grond van informatie van ‘Italiaanse autoriteiten’. Die claim werd weersproken met videobewijs en door de bemanning van het schip.
’Vrienden van mensenhandelaars’ en ‘taxiservice voor migranten’ werden gangbare beledigingen
Maanden later maakte Carmelo Zuccaro, de officier van justitie van Catanië, bekend dat hij onderzoek deed naar reddingsorganisaties. ‘Samen met Frontex en de marine proberen we toezicht te houden op al deze ngo’s die hebben laten zien over grote financiële middelen te beschikken’, zei Zuccaro tegen de Italiaanse krant La Repubblica. Zijn uitspraak ging viraal in Italiaanse en Europese media. ‘Vrienden van mensenhandelaars’ en ‘taxiservice voor migranten’ werden gangbare beledigingen van humanitaire ngo’s door anti-immigratiepolitici en extreemrechts in Italië.
Zuccaro zou uiteindelijk zijn beweringen terugdraaien en een parlementaire commissie vertellen dat hij op dat moment met een hypothese werkte maar geen bewijs had om zijn uitspraak te staven.
In een interview met de Duitse krant Die Welt in februari 2017 onthield de directeur van Frontex, Fabrice Leggeri, zich van expliciete kritiek op het werk van reddingsorganisaties, maar hij zei wel dat ze het politieonderzoek in de Middellandse Zee belemmerden. Omdat hulporganisaties een groter percentage reddingen verrichtten, aldus Leggeri, ‘wordt het voor de Europese veiligheidsautoriteiten steeds moeilijker om door ondervraging van migranten meer te weten te komen over de smokkelnetwerken‘.
‘Die lastercampagne ging heel, heel ver’, zegt voormalig minister van Buitenlandse Zaken Emma Bonino. Verwijzend naar Marco Minniti, destijds de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken, voegt ze eraan toe: ‘Ik probeerde Minniti ertoe aan te zetten niet zo geobsedeerd te zijn door de mensen die hierheen kwamen, maar om een integratiebeleid voor Italië in te voeren. Maar hij concentreerde zich uitsluitend op Libië, op het smokkelen en op het criminaliseren van ngo’s met behulp van officieren van justitie.’
Volgens Bonino vormde de actie tegen ngo’s deel van een groter plan om het Europese beleid in het centrale Middellandse Zeegebied te veranderen. De eerste stap was de verschuiving van humanitaire redding naar grensbeveiliging en smokkel. De tweede stap ‘was de ngo’s aan te klagen of hen te arresteren. Het was een smerige campagne tegen hen. Met na zoveel jaren als resultaat dat er geen veroordelingen, geen straffen, geen processen zijn.’
‘Ze begonnen die zogenaamde kustwacht te ondersteunen, maar dat waren dezelfde mensenhandelaars in een ander jasje’
Een derde stap behelsde het opzetten van een nieuwe kustwacht in Libië om te doen wat de Europeanen volgens het internationaal recht niet konden: mensen op zee onderscheppen en terugbrengen naar Libië, van waaruit ze net waren gevlucht.
Aanvankelijk waren de leiders bij Frontex voorzichtig. ‘Als Frontex kijken we met bezorgdheid naar Libië; er is daar geen stabiele staat’, zei Leggeri in het interview van 2017. ‘We helpen nu 60 officieren op te leiden voor een mogelijke toekomstige Libische kustwacht. Maar dit is op zijn best een begin.’ Maar Bonino ziet dat anders. ‘Ze begonnen die zogenaamde kustwacht te ondersteunen,’ zegt ze. ‘Maar dat waren dezelfde mensenhandelaars in een ander jasje.’
Dezelfde uniformen, dezelfde schepen
Dieudonne, een Kameroense migrant die veilig is aangekomen in Italië, werd nooit opgeroepen als getuige door de rechtbank. Hij hoopt dat geen van zijn lotgenoten in de gevangenis is beland, maar zegt graag te getuigen tegen mensenhandelaars mocht hij worden gebeld. ’Ik heb de politie de contactgegevens van mensenhandelaars gegeven, ik heb ze namen gegeven’, aan boord van het kustwachtschip, zo vertelt hij The Intercept.
De smokkeloperaties in Libië gebeurden in het zicht, maar de Italiaanse politie moest in internationale wateren blijven. Uitgelekte documenten van Operatie Sophia beschrijven jarenlange inspanningen van Europese ambtenaren om de Libische politie ertoe te bewegen smokkelaars te arresteren. Achter gesloten deuren gaven Italiaanse en EU-topfunctionarissen toe dat diezelfde smokkelaars waren verweven met de nieuwe Libische kustwacht die Europa aan het opzetten was en dat samenwerking met hen mogelijk in strijd zou zijn met het internationaal recht.
Al in 2015 merkten meerdere functionarissen op de antimaffiabijeenkomsten van DNAA op dat sommige smokkelaars verontrustend dicht bij leden van de Libische regering stonden. ‘Milities gebruiken dezelfde uniformen en dezelfde schepen als de Libische kustwacht die door de Italiaanse marine wordt getraind’, zei schout bij nacht Enrico Credendino, verantwoordelijk voor Operatie Sophia, in 2017. Het hoofd van de Libische kustwacht en de Libische minister van Defensie, beide bondgenoten van de Italiaanse regering, onderhouden ‘nauwe relaties met enkele militiebazen’, aldus Credendino.
Een van de Libische kustwachtofficieren werd veroordeeld voor zijn rol als toplid van een machtige smokkelmilitie
Een van de Libische kustwachtofficieren die aan beide kanten opereerde, was Abd al-Rahman Milad, ook wel bekend als Bija. In 2019 onthulde de Italiaanse krant Avvenire dat Bija, met de Italiaanse grenspolitie en inlichtingenfunctionarissen in mei 2017 deelnam aan een bijeenkomst op Sicilië die was gericht op het tegengaan van migratie vanuit Libië. Een maand later werd hij door de VN-Veiligheidsraad veroordeeld voor zijn rol als toplid van een machtige smokkelmilitie in de kustplaats Az Zawiyah, en, zoals de VN het omschreef, voor ‘het met vuurwapens tot zinken brengen van migrantenboten.’
Volgens gelekte documenten van Operatie Sophia zijn kustwachtofficieren die onder Bija’s bevel stonden, getraind door de EU tussen 2016 en 2018.
Terwijl de Italiaanse regering vermeende smokkelaars in Italië vervolgde, werkten ze ook samen met mensen waarvan ze wisten dat het smokkelaars waren in Libië. Minniti, de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken van Italië, rechtvaardigde de deals van zijn regering met Libië, want het vooruitzicht van massale migratie vanuit Afrika bezorgde hem ‘angst voor het welzijn van de Italiaanse democratie’.
In een van de antimaffiabijeenkomsten van 2017 schetste Vittorio Pisani van het ministerie van Binnenlandse Zaken een plan dat voorzag in de directe coördinatie van de nieuwe Libische kustwacht. Ze zouden ‘een operatiekamer in Libië creëren voor de uitwisseling van informatie met het ministerie van Binnenlandse Zaken’, aldus Pisani, ‘voornamelijk over de positie van ngo-schepen en hun reddingsoperaties. Zodoende kon de Libische kustwacht aan de slag in zijn nationale wateren.’
‘We hadden de medewerking van Libische instellingen nodig. Maar ze deden niets, omdat ze geld aannamen van de mensenhandelaars’
En daarmee werd de derde stap van het plan in gang gezet. Aan het einde van de bijeenkomst stelde Roberti voor om vertegenwoordigers van de Libische politie uit te nodigen voor hun volgende bijeenkomst. In een interview met The Intercept bevestigde hij dat Libische vertegenwoordigers ten minste twee antimaffiabijeenkomsten bijwoonden en dat hij zelf Bija ontmoette tijdens een bijeenkomst in Libië, een maand nadat het rapport van de VN-Veiligheidsraad was gepubliceerd. Een jaar later werd Bija bestraft door de commissie van de Veiligheidsraad voor Libië, met bevriezing van zijn tegoeden en een verbod op internationale reizen.
‘We hadden de medewerking van Libische instellingen nodig. Maar ze deden niets, omdat ze geld aannamen van de mensenhandelaars’, zegt Roberti in het Napolitaanse café. ‘Zijzelf waren de mensenhandelaars.’
Een veilige plek
Roberti ging in 2017 met pensioen bij DNAA. Hij zei dat de organisatie onder zijn leiding een basis creëerde voor de omgang met migratie in heel Europa. Maar hij erkent dat zijn uitbreiding van DNAA naar migratiekwesties gemengde resultaten heeft opgeleverd. Hij zegt dat de antimaffiastrategie haperde – net als zijn reis naar Duitsland in de jaren negentig met Giovanni Falcone om internationale maffiapraktijken aan te pakken – vanwege een gebrek aan samenwerking met de ngo’s, met andere Europese regeringen en met Libië.
‘Op Europees niveau werkt de samenwerking niet’, aldus Roberti. En wat betreft Libië voegt hij eraan toe: ‘We hebben het geprobeerd. En ik denk dat de afspraken die de regering maakte, juist waren. Maar uiteindelijk werd het een mislukking.’
Uitgebreid
DNAA heeft zijn activiteiten sindsdien uitgebreid. Tussen 2017 en 2019 keurde de Italiaanse regering twee wetsvoorstellen goed die het antimaffia-agentschap belast met vrijwel alle illegale immigratiekwesties. Sinds 2017 zijn vijf Siciliaanse aanklagers, die allemaal ten minste één coördinatievergadering bijwoonden, vijftien afzonderlijke gerechtelijke procedures begonnen tegen medewerkers van hulporganisaties. Tot dusver zijn er geen veroordelingen. Drie zaken zijn door de rechtbank verworpen en de rest loopt nog.
Eerder deze maand kwam het nieuws naar buiten dat Siciliaanse aanklagers journalisten en mensenrechtenadvocaten hebben afgeluisterd voor een van deze onderzoeken. Ze luisterden wettelijk beschermde gesprekken af met bronnen en cliënten. Het Italiaanse ministerie van Justitie heeft een onderzoek ingesteld naar het incident, dat volgens Italiaanse juridische experts neerkomt op crimineel handelen. De officier van justitie die de telefoontaps goedkeurde, woonde tenminste één coördinatievergadering van DNAA bij, waar onderzoeken tegen ngo’s uitvoerig werden besproken.
Sinds DNAA zijn bereik heeft vergroot, zijn de belangrijkste spelers van eerdere coördinatievergaderingen gestegen in de pikorde van Italiaanse en Europese instellingen. Een officier van justitie, Federico Cafiero de Raho, leidt nu het antimaffia-agentschap. Salvi, de voormalige officier van justitie van Catanië, is nu procureur-generaal van Italië. Pisani, de voormalige medewerker van het ministerie van Binnenlandse Zaken, is plaatsvervangend hoofd van de Italiaanse inlichtingendiensten. En Roberti is lid van het Europees Parlement.
Cafiero de Raho staat achter de onderzoeken en arrestaties die het antimaffia-agentschap door de jaren heen heeft verricht. Hij noemde de coördinatievergaderingen een essentieel instrument voor aanklagers en politie in moeilijke tijden.
Gevraagd naar zijn specifieke opmerkingen tijdens de bijeenkomsten, met name zijn verklaringen dat humanitaire hulporganisaties gereguleerd moesten worden en zijn herhaalde erkenning dat leden van de nieuwe Libische kustwacht betrokken waren bij smokkelactiviteiten, zegt Cafiero de Raho dat zijn opmerkingen in de juiste context moeten worden geplaatst, namelijk het ontwikkelen door Italië en de EU van een kustwacht in een deel van Libië dat grotendeels werd geregeerd door lokale milities.
Zijn uiteindelijke doel is wat hij in de coördinatievergaderingen van DNAA de ‘buitengerechtelijke oplossing’ noemde: proberen om het bestaan van misdaden tegen de menselijkheid in Libië te bewijzen, zodat ‘de VN troepen naar Libië kan sturen om migrantenkampen te ontmantelen die zijn opgezet door mensenhandelaars… en de controle over dat gebied te heroveren.’
De overgrote meerderheid van de vertrekkende schepen wordt onderschept door de Libische kustwacht en teruggebracht naar Libië
Een woordvoerder van de afdeling buitenlands beleid van de EU, die Operatie Sophia leidde, weigerde rechtstreeks te reageren op het bewijs dat de leiders van de Europese militaire operatie wisten dat delen van de nieuwe Libische kustwacht ook betrokken waren bij smokkelactiviteiten, maar merkte wel op dat Bija zelf niet is opgeleid door de EU. Een woordvoerder van Frontex zegt dat zijn organisatie ‘niet is betrokken bij de selectie van te trainen officieren’.
In 2019 veranderde de Europese migratiestrategie opnieuw. Nu wordt de overgrote meerderheid van de vertrekkende schepen onderschept door de Libische kustwacht en teruggebracht naar Libië. In maart 2019 haalde Operatie Sophia al haar schepen terug uit het reddingsgebied en richt zich sindsdien op luchtpatrouilles om de Libische kustwacht aan te sturen en te coördineren. Mensenrechtenadvocaten in Europa hebben daarop zes juridische procedures tegen Italië en de EU aangespannen: in strijd met het internationaal recht zouden ze de terugkeer van migranten naar gevaarlijke omstandigheden faciliteren.
Gedurende vier jaar van coördinatievergaderingen hebben Italië en de EU inderdaad privé toegegeven dat het onwettig is om mensen naar Libië terug te sturen. ‘Fundamentele schendingen van de mensenrechten in Libië maken het onmogelijk om migranten terug te drijven naar de Libische kust’, zei Pisani in 2015. Twee jaar later ontwierp hij het begin van een plan dat precies dat zou doen.
Het resultaat van louter toeval
Dieudonne weet dat hij geluk heeft gehad. De scheidslijn tussen verdachte en slachtoffer is geheel afhankelijk van de eerste indrukken van politieagenten in de minuten of uren na een reddingsactie. Volgens politierapporten die in rechtszaken werden gebruikt, waren fysieke kenmerken, zoals ‘een lichtere huidskleur’, of gedrag aan boord van het schip, zoals het nauwkeurig in de gaten houden van politiebewegingen ‘met opmerkelijke belangstelling’, voldoende om argwaan te wekken.
In een uitspraak uit 2019 waarin zeven vermeende smokkelaars werden vrijgesproken na drie jaar voorarrest, schreven rechters dat ‘de selectie van de verdachten aan de ene kant en de getuigen aan de andere kant, met als enige uitzondering de stuurman, nagenoeg het resultaat is van louter toeval’.
Meewerken met Libische smokkelaars heeft andere migranten in Italië lange gevangenisstraffen gekost. In september 2019 werd een 22-jarige Guinees, bijgenaamd Suarez, gearresteerd bij aankomst in Italië. Vier getuigen vertelden de politie dat hij had samengewerkt met gevangenisbewakers in Az Zawiyah, in het detentiecentrum voor immigranten dat wordt beheerd door de beruchte Bija.
‘Suarez was ook een gevangene die gedwongen meewerkte’, zei een van de getuigen tegen de rechtbank. Degenen die zich geen betaling van losgeld kunnen veroorloven, helpen vaak met maaltijden uitdelen of toezicht houden, verklaarde een ander. ‘Je zou er moeten zijn om de situatie te begrijpen’, aldus de eerste getuige. Suarez werd veroordeeld tot 20 jaar gevangenisstraf, die onlangs in hoger beroep is teruggebracht tot twaalf jaar.
Verrassend kalmte
Dieudonne herinnert zich zijn reis op zee levendig, met verrassende kalmte. Toen de boot water begon te maken, probeerde hij te helpen. ‘Je moet helpen waar dat nodig is.’ In zijn kantoor in Bari buigt hij zich voorover en maakt schepbewegingen met zijn armen, alsof hij water uit een boot haalt.
‘Zouden ze mij ook moeten veroordelen?’ vraagt hij zich af. Hij vindt het ironisch dat het de Libiërs waren die Bija uiteindelijk in oktober arresteerden op beschuldiging van mensenhandel. De Italianen en Europeanen, zegt hij lachend, hadden het te druk samen te werken met de corrupte kustwacht. Overigens werd Bija vorige maand vrijgelaten uit de gevangenis nadat een Libische rechtbank hem van alle aanklachten heeft vrijgesproken. Hij is gepromoveerd bij de kustwacht en weer aan het werk gezet.
Dieudonne denkt vaak aan de mensen die hij identificeerde aan boord van het kustwachtschip midden op zee. ‘Ik heb de politie de waarheid verteld. Maar als dat leidt tot de veroordeling van een onschuldig persoon, dan is dat verkeerd’, zegt hij. ‘Omdat ik weet dat die persoon niets fout heeft gedaan. Integendeel, hij heeft ons leven gered door dat vlot te besturen.’
Dit artikel werd samengesteld door IJsbrand van Veelen.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.