Tag: Canada

  • Baanbrekende transwet in Spanje | Noorwegen verbiedt geretoucheerde foto’s

    Baanbrekende transwet in Spanje | Noorwegen verbiedt geretoucheerde foto’s

    Verbod op aangepaste foto’s

    Strijdend tegen onrealistische schoonheidsnormen heeft Noorwegen een nieuwe wet aangenomen die influencers en adverteerders verplicht om aan te geven of foto’s zijn geretoucheerd. Voortaan moeten advertenties waarbij de vorm, grootte of huid van een lichaam is geretoucheerd, of met filters is gefotografeerd, worden voorzien van een gestandaardiseerd label van het Noorse ministerie van Kinderen en Gezinszaken. Voorbeelden zijn vergrote lippen, aangepaste tailles en overdreven spierbundels, maar het is niet duidelijk of de wet ook geldt voor ingrepen in belichting of kleurverzadiging, schrijft Vice.

    De wet is het gevolg van een aanhoudend publiek debat in Noorwegen rond ‘kroppspress’, letterlijk: ‘lichaamsdruk’

    De wet geldt ook voor afbeeldingen van influencers en beroemdheden als ze ‘een betaling of ander voordeel ontvangen’ voor berichten op sociale media. Elke overtreding wordt bestraft met oplopende boetes en in extreme gevallen zelfs met gevangenisstraf.

    De wet is het gevolg van een aanhoudend publiek debat in Noorwegen rond ‘kroppspress’, letterlijk: ‘lichaamsdruk’, oftewel een ‘opgelegde schoonheidsnorm’. Volgens het ministerie van Kinderen en Gezinszaken blijkt die een factor te zijn die bijdraagt aan een negatief zelfbeeld bij jonge mensen.


    Toerismesector lijdt verlies van 4 biljoen dollar

    De ineenstorting van het internationale toerisme door corona zal voor de jaren 2020 en 2021 mogelijk leiden tot een wereldwijd verlies van meer dan 4 biljoen dollar, volgens een rapport dat UNCTAD deze week presenteerde samen met de Wereldtoerismeorganisatie van de VN. Herstel van het toerisme zal grotendeels afhangen van de wereldwijde vaccinatiegraad, schrijft Journal de Montreal.

    Lees ook:


    Baanbrekende wet in Spanje

    De Spaanse regering heeft een wetsvoorstel goedgekeurd dat burgers boven de 14 jaar het recht geeft om hun geslacht bij de burgerlijke stand te wijzigen zonder dat daarvoor bewijzen, getuigenissen of medische verklaringen nodig zijn.

    ‘We willen hiermee het gebrek aan erkenning voor de rechten van de LHBTI-gemeenschap rechtzetten’

    Het wetsvoorstel is goedgekeurd na maandenlange onderhandelingen en zal nu een reeks toetsen ondergaan voordat het aan het parlement wordt voorgelegd om erover te stemmen. In het voorstel is een mechanisme opgenomen om misbruik van het systeem te voorkomen. Degenen die hun geslacht bij de burgerlijke stand wijzigen, kunnen dit slechts één keer doen. Voor een eventuele volgende wijziging is rechterlijke toestemming nodig.

    ‘We willen hiermee stigmatisering en het gebrek aan erkenning voor de rechten van de LHBTI-gemeenschap proberen recht te zetten’, aldus regeringswoordvoerder María Jesús Montero tegen Euractiv. De wet, die door de LHBTIQ+-gemeenschap overwegend positief is ontvangen, verbiedt ook conversietherapie of andere pogingen om seksuele geaardheid, expressie en identiteit te beïnvloeden of te wijzigen.


    Canada wil af van benzineauto

    Alle nieuwe lichte voertuigen die vanaf 2035 in Canada worden verkocht, zullen emissievrij moeten zijn, zo maakte de federale minister van Transport Omar Alghabra deze week bekend. Vanaf dat jaar mogen er geen nieuwe personenauto’s of lichte vrachtwagens met verbrandingsmotor meer worden verkocht. meldt La Presse. De regering sluit zich hiermee aan bij de staat Quebec, die afgelopen herfst al de verkoop van voertuigen op benzine of diesel na 2035 verbood. De landelijke doelstelling was aanvankelijk vastgesteld voor 2040 en wordt dus met vijf jaar verkort, concludeert de Canadese krant.

    CO2-neutraal

    Voor 2025 en 2030 zullen tussentijdse doelstellingen worden vastgesteld, zodat de verkoop van nieuwe voertuigen met verbrandingsmotor geleidelijk afneemt, voordat ze volledig verboden worden. Ottawa zegt zijn ‘partners’ te willen raadplegen, met name de Verenigde Staten, waarmee het zijn regelgeving wil ‘harmoniseren’.

    Door de verkoop van nieuwe benzine- en dieselvoertuigen te verbieden, kan Canada in 2050 CO2-neutraal zijn, aldus Jonathan Wilkinson, minister van Milieu en Klimaatverandering.


    Britten hebben veel spaargeld

    Doordat lockdowns de mogelijkheden om geld uit te geven beperkten, bereikte het spaargeld dat Britse huishoudens begin dit jaar hadden opgebouwd het op één na hoogste niveau ooit, bericht The Guardian. Dit blijkt uit cijfers van het Office for National Statistics. Volgens het Britse statistiekbureau stegen de spaargelden in de eerste drie maanden van dit jaar sterk toen de derde nationale lockdown werd afgekondigd.

    De spaarquote, het percentage van het totale beschikbare inkomen dat huishoudens gebruiken om te sparen, steeg sinds eind december van 16,1 procent naar 19,9 procent en bereikte daarmee het op één na hoogste niveau sinds 1963. Het vorige record van 25,9 procent werd gevestigd in het tweede kwartaal van 2020 tijdens de eerste lockdown, die de Britse economie in een recessie stortte. In het decennium vóór de pandemie lag de spaarquote op een gemiddelde van 8,5 procent.

    Economen verwachten een hausse in de uitgaven als de beperkingen worden versoepeld.


    Nieuwe ontslagregeling in Italië

    Het kabinet van de Italiaanse premier Mario Draghi keurt een nieuw decreet goed dat het ontslag van werknemers regelt. De regering heeft overeenstemming bereikt met vakbonden en werkgeversorganisaties over een systeem dat in werking treedt wanneer het aan corona gekoppelde verbod op ontslagen afloopt. Aanvankelijk leek de regering van plan het ontslagverbod te willen verlengen voor kwetsbare sectoren, zoals de textiel. De vakbonden wilden juist verlenging van het algemene verbod tot aan oktober, uit angst voor massale ontslagen.

    Volgens de overeenkomst zullen bedrijven pas werknemers mogen ontslaan als alle beschikbare CIG-gelden, de Italiaanse inkomenssteun tijdens corona, zijn opgebruikt.


    Derde coronagolf in Zuid-Afrika

    Zuid-Afrika is verantwoordelijk voor bijna 40 procent van alle sterfgevallen door corona op het continent en telt tot dusver 60.038 officieel geregistreerde dodelijke slachtoffers. Het land wordt geteisterd door een derde golf, die is ontstaan door de snelle verspreiding van de Deltavariant schrijft Al-Jazeera. De provincie Gauteng, met Johannesburg – het financiële centrum van het land – en de administratieve hoofdstad Pretoria, is met ruim 60 procent van de nieuwe gevallen het epicentrum.

    In een televisietoespraak kondigde president Cyril Ramaphosa een reeks nieuwe beperkingen aan, waaronder een verbod op de verkoop van alcohol en bijeenkomsten, evenals uitbreiding van de avondklok van 21.00 uur tot 04.00 uur.

    Lees ook:

  • Persvrijheid in Duitsland verslechtert | Libanon produceert eigen auto

    Persvrijheid in Duitsland verslechtert | Libanon produceert eigen auto

    Taiwanees trouwt voor verlofdagen

    In Taiwan, een van de weinige landen ter wereld waar stellen recht hebben op acht dagen huwelijksverlof, trouwde een bankmedewerker op 6 april 2020 met zijn partner. Tien dagen later scheidden ze, maar de volgende dag hertrouwden ze. Op 28 april en 29 april volgden nog een scheiding en een derde huwelijk. Na een derde scheiding, op 11 mei, trouwden ze voor de vierde keer, op 12 mei, meldt The New York Times.

    Volgens de werkgever van de man, een bank in hoofdstad Taipei, maakte hij misbruik van het verlofbeleid. Na het verlof van acht dagen voor zijn eerste huwelijk wees de bank nieuwe verlofaanvragen af. Daarop diende de man een klacht in bij de arbeidsdienst wegens schending van verlofrechten. De bank kreeg afgelopen oktober een boete van 700 dollar, maar ging in beroep en beweerde dat de werknemer zijn rechten had misbruikt. Uiteindelijk werd de bank in het gelijk gesteld en de boete is nu ingetrokken.


    Persvrijheid in Duitsland verslechterd

    Op de wereldwijde ranglijst van persvrijheid die Reporters Without Borders (RSF) jaarlijks publiceert, is Duitsland voor het eerst uit de kopgroep gevallen. Door veelvuldige aanvallen op journalisten tijdens coronademonstraties ‘moesten we de waardering van de persvrijheid in Duitsland verlagen van ”goed” naar “voldoende”, aldus een RSF-woordvoerder tegen Die Zeit. Op de lijst met 180 landen staat Duitsland nu op de dertiende plaats.

    Meer dan driekwart van alle aanvallen op journalisten gebeurde tijdens demonstraties tegen coronamaatregelen

    In 2020 bereikte het geweld tegen mensen die in de media werken ‘een ongekend niveau‘, aldus RSF. De organisatie telde maar liefst 65 gewelddadige aanslagen, vijf keer zoveel als in 2019. Aangenomen wordt dat ook het aantal niet-gemelde gevallen hoger is dan in voorgaande jaren.

    Meer dan driekwart van alle aanvallen gebeurde tijdens demonstraties tegen coronamaatregelen. Ook bij demonstraties tegen het verbod op het linkse internetplatform linksunten.indymedia.org en 1 mei-demonstraties werden journalisten belaagd. ‘Journalisten werden geslagen, geschopt en tegen de grond geduwd, ze werden bespuugd en lastiggevallen, beledigd, bedreigd en het werken belet’, aldus RSF.


    Berlijn koopt stroomnet terug

    De senaat van Berlijn heeft besloten Berliner Stromnetz GmbH terug te kopen van energiebedrijf Vattenfall voor 2,143 miljard euro, bericht Die Presse. ‘De overname van het bedrijf en dus ook van het elektriciteitsnet is onder financieel redelijke voorwaarden mogelijk en daarom hebben we het voorstel van Vattenfall aanvaard’, aldus de Berlijnse Senaat in een verklaring.


    Eerste Libanese auto

    In Libanon werd deze week een nieuwe elektrische auto gepresenteerd, ondanks de zware economische crisis die onder meer gepaard gaat met frequente stroomuitval. De rode sportwagen, ‘Quds Rise’ genoemd, naar de Arabische naam voor Jeruzalem, is een project van de in Libanon geboren Palestijnse zakenman Jihad Mohammad, schrijft Al Jazeera. Het is de ‘eerste auto die lokaal wordt gemaakt’, aldus Mohammad tijdens de onthulling op een parkeerplaats ten zuiden van Beiroet. Het prototype is aan de voorkant versierd met een gouden logo van de Rotskoepel. Gelegen naast de Al-Aqsa-moskee in Jeruzalem is dat de derde heiligste plek van de islam.

    De productie van maximaal tienduizend voertuigen, die zo‘n 25.000 euro per stuk gaan kosten, zal naar verwachting later dit jaar starten en de auto’s zullen over een jaar op de markt komen, aldus Mohammad. De vijftigjarige directeur heeft zijn bedrijf EV Electra vier jaar geleden opgericht en heeft driehonderd Libanese en Palestijnse personeelsleden in dienst.


    Italiaan vijftien jaar betaald afwezig

    Een Italiaanse ziekenhuismedewerker heeft het klaargespeeld om zich gedurende 15 jaar niet op zijn werk te vertonen, maar wel zijn salaris te ontvangen. Volgens de politie heeft deze ‘Koning der Absenten’ in totaal 538.000 euro opgestreken, ook al is hij sinds 2005 niet meer verschenen in het Pugliese Ciaccio-ziekenhuis in de stad Catanzaro, schrijft The Guardian.

    De 67-jarige man wordt beschuldigd van ambtsmisbruik, valsheid in geschrifte en afpersing

    De man bedreigde in 2005 de ziekenhuisdirecteur om te voorkomen dat ze zijn verzuim zou rapporteren. De directeur ging vervolgens met pensioen, maar het verzuim van de man ging onverminderd door omdat zijn aanwezigheid nooit werd gecontroleerd door de nieuwe directeur noch door de afdeling personeelszaken.

    De nu 67-jarige man wordt beschuldigd van ambtsmisbruik, valsheid in geschrifte en afpersing. Ook zes managers worden ondervraagd over hun rol bij het mogelijk maken van het verzuim, een fenomeen dat overigens wijdverbreid is in de Italiaanse publieke sector. In 2016 heeft de regering de wet aangescherpt nadat uit politieonderzoeken bleek hoe omvangrijk het ziekteverzuim in de publieke sector is.


    Athene opent nachtopvang voor dakloze kinderen

    In Athene is de eerste slaapzaal voor dakloze tieners geopend, met een capaciteit van honderd bedden. De nachtopvang is bedoeld voor niet-begeleide minderjarige migranten en voor andere dakloze kinderen tussen de 12 en 18 jaar. Volgens schattingen zijn dat er enkele tientallen in de Griekse hoofdstad.

    ‘Toen we met de plannen voor deze opvang begonnen, wisten we niet hoe groot het probleem was. Maar het lijkt erop dat veel tieners op straat zijn beland’, aldus Metadrasi, de NGO die samen met de gemeente verantwoordelijk is voor de exploitatie, tegen Ekathimerini. Sinds 2019 runt Metadrasi ook een dagcentrum dat dakloze kinderen van voedsel voorziet.


    Internetstoring door bevers

    In Tumbler Ridge, een kleine, afgelegen gemeente in het Canadese Brits-Columbia, zaten negenhonderd mensen vorig weekend zonder internet. Bij zestig klanten werkte de kabeltelevisie niet en ook het lokale mobiele telefoonverkeer was verstoord, meldt Earther Gizmodo.

    Deze ‘unieke Canadese storing’, volgens provider Telus, was het gevolg van bevers die een glasvezelkabel hadden doorgeknaagd. ‘Ons team heeft een nabijgelegen beverdam gevonden’, aldus Telus, ‘en het lijkt erop dat de bevers onze kabel hebben aangetast. Die ligt ongeveer een meter onder de grond en wordt beschermd door een buis van twaalf centimeter dik. Die hebben ze eerst doorgeknaagd voordat ze op meerdere plekken aan de kabel begonnen.’

  • Overleed Magufuli aan corona? | VS deelt vaccins met buren

    Overleed Magufuli aan corona? | VS deelt vaccins met buren

    Wie was de overleden Tanzaniaanse president John Magufuli en waaraan overleed hij?

    De Tanzaniaanse president John Magufuli is op woensdag 17 maart overleden aan de gevolgen van hartproblemen, zo maakte de vicepresident bekend in een toespraak die werd uitgezonden door de staatszender TBC. Wekenlang gingen er geruchten rond dat de president besmet was geraakt met corona. Sinds 27 februari was hij niet meer in het openbaar verschenen.

    ‘Einde van een tijdperk’, kopt de Daily Nation woensdagavond op hun website. John ‘de bulldozer’ Magafuli, de zoon van een boer, was in 2015 opgeklommen tot president van Tanzania dankzij zijn reputatie als doeltreffend leider en zijn strijd tegen corruptie. Toen hij werd verkozen, investeerde hij flink in hulpprogramma’s voor de meest kwetsbaren, verlaagde hij zijn salaris en halveerde hij het aantal ministers, aldus het Keniaanse dagblad.

    Tegelijkertijd werd zijn eerste ambtstermijn gekenmerkt door een forse inperking van burgerlijke vrijheden. De pers en de oppositie werden in toenemende mate het werk belemmerd. Volgens Reporters zonder Grenzen is Tanzania steeds ‘autoritairder’ geworden onder het presidentschap van een man die ‘geen kritiek duldt’. In 2020, nadat de president verschillende juridische trucs inzette om de campagne van de oppositie te dwarsbomen, werd John Magufuli herkozen met meer dan 84 procent van de stemmen – vergeleken met 58 procent in 2015. De belangrijkste oppositiekandidaat, Tundu Lissu, die in 2017 een moordaanslag overleefde, beschuldigde Magafuli van massale fraude alvorens Tanzania te ontvluchten.

    Coronascepticus

    Maar uiteindelijk zal Magafuli worden herinnerd om zijn coronabeleid. Officieel heeft het land sinds mei 2020 geen nieuwe besmettingen meer gemeld. De maand daarop verzekerde de Tanzaniaanse president dat zijn land de pandemie had uitgeroeid dankzij de gebeden van de bevolking. Beperkende maatregelen werden onnodig verklaard en gedoneerde mondmaskers uit het buitenland werden ervan verdacht mogelijk drager van het virus te zijn, meldde The Citizen destijds. Onlangs nog waarschuwde John Magafuli voor vaccins uit het buitenland, schrijft de Tanzaniaanse krant. Ironisch genoeg ontstonden er hardnekkige geruchten dat Magufuli zelf ernstig ziek was geworden van het virus.

    De Daily Nation was de eerste media die alarm sloeg over de gezondheid van Magufuli. Op 10 maart berichtte het Keniaanse dagblad dat ‘de leider van een Afrikaans land’, die lijdt aan complicaties die verband houden met covid-19, in een ziekenhuis in Nairobi was opgenomen.

    Daags na de publicatie van het artikel in de Daily Nation beweerde de oppositieleider Tundu Lissu op Twitter, ditmaal met naam en toenaam, dat president Magufuli naar India was overgeplaatst.

    Het gerucht ging viral, waardoor de regering genoodzaakt was het te ontkennen. De premier hield vol dat de president in goede gezondheid verkeerde en rechtvaardigde zijn langdurige afwezigheid door te zeggen dat hij aan het werk was. De Daily Nation meldde zondag dat de afwezigheid ‘ongewoon’ was voor de leider, die dol is op openbare optredens.

    De volgende dag riep de vicepresident van Tanzania, Samia Suluhu Hassan, haar medeburgers opnieuw op de geruchten te negeren, waarbij ze cryptische zinnen gebruikte als ‘we zijn veilig’, zo schrijft The Citizen, terwijl ze uitlegde, zonder iemand bij naam te noemen, dat ‘het normaal is dat als iemand onwel is, griep krijgt of koorts heeft’. ‘Het is tijd voor Tanzanianen om zich te verenigen in gebed’, voegde ze eraan toe.

    Drie dagen later overleed president John Magufuli niet in Kenia of India, maar in zijn thuisland Tanzania, aan hartproblemen. Volgens de grondwet wordt vicepresident Samia Suluhu Hassan waarnemend president. Zij is de eerste vrouw die deze functie bekleedt in Tanzania en in Oost-Afrika. Er is een nationale rouwperiode van veertien dagen afgekondigd.


    VS heeft 100 miljoen doses toegediend en deelt uit aan buurlanden

    Joe Biden streefde ernaar honderd miljoen doses toe te dienen in de eerste honderd dagen van zijn presidentschap. Het doel werd al in minder dan zestig dagen bereikt. De honderd miljoenste prik werd gezet op vrijdag 19 maart, dag 58 van de regering-Biden. ‘We liggen ver voor op schema, maar we hebben nog een lange weg te gaan’, zei de president, geciteerd door de Amerikaanse publieke omroep NPR.

    Joe Biden verklaart dat 65 procent van de 65-plussers ten minste één dosis heeft gekregen en dat 36 procent volledig is gevaccineerd, meldt Fox News. Ten tijde van zijn inhuldiging was het percentage niet hoger dan 8 procent. De baas van het Witte Huis verwacht dat alle Amerikanen boven de 18 op 1 mei in aanmerking komen. Mississippi werd deze week de tweede staat in het land die de vaccinatie openstelde voor alle inwoners boven de zestien jaar, bericht CNN. Vijf andere staten zouden op 5 april kunnen volgen.

    ‘Ervoor zorgen dat onze buren het virus kunnen indammen, is een cruciale stap in het beëindigen van de pandemie’

    Terwijl de inentingscampagne vordert, is donderdag bekendgemaakt dat de Verenigde Staten vaccins gaat ‘delen’ met hun Canadese en Mexicaanse buren, bericht Politico. Het betreft het AstraZeneca-vaccin, dat in de VS nog op goedkeuring wacht.

    ‘Onze prioriteit blijft het vaccineren van de Amerikaanse bevolking’, aldus Jen Psaki, woordvoerder van het Witte Huis, waaraan ze toevoegde dat ‘ervoor zorgen dat onze buren het virus kunnen indammen een cruciale stap is in het beëindigen van de pandemie’. Mexico zal zo’n 2,5 miljoen doses AstraZeneca ontvangen, Canada zo’n 1,5 miljoen.

    ‘Dit is de eerste keer dat president Biden heeft ingestemd met het delen van de doses met andere landen’, aldus Axios, dat opmerkt dat de internationale druk op de VS is toegenomen. De Amerikanen hebben 27 procent van de in de wereld beschikbare doses geproduceerd en nul geëxporteerd, aldus de site. China heeft op zijn beurt 60 procent van zijn productie geëxporteerd.

    Vaccindiplomatie

    CNN spreekt dan ook over ‘gespannen vaccindiplomatie’. Washington heeft 4 miljard dollar toegezegd voor het Covax-programma dat vaccinatie in de armste landen financiert, maar de weigering om tot dusverre vaccins te exporteren, plaatst ‘de regering-Biden in een lastig parket ten opzichte van haar rivalen’. Rusland en India delen hun vaccins. China heeft naar verluidt gratis vaccins verstrekt aan 69 landen en vaccins verkocht aan 28 andere landen. Een manier ‘om zijn invloed en soft power uit te breiden’, volgens CNN.

    The Washington Post vestigt de aandacht op de timing van de aankondiging, aangezien Mexico zijn inspanningen lijkt op te voeren om de komst van migranten aan de grens al enkele weken in te dammen. Ambtenaren van beide landen zeggen dat de vaccinlevering niet afhankelijk is van strengere immigratiecontroles, zo meldt de krant. ‘Het is een parallelle onderhandeling’, vertelt een Mexicaanse diplomaat echter aan de krant op voorwaarde van anonimiteit. ‘Als er geen massale vaccinatie plaatsvindt in Mexico, zal het moeilijker zijn om de grens weer open te stellen voor niet-essentiële activiteiten. Vaccinatie in Mexico komt ook de Verenigde Staten ten goede’, benadrukt hij.


    Mexicaanse politieagenten vermoord door drugsbende

    Gisteren (18 maart) zijn dertien mensen gedood in een hinderlaag in Mexico. De aanval, die in verklaring van de autoriteiten als ‘laf’ wordt omschreven, vond plaats in Coatepec Harinas in de staat Mexico. Vijf politieagenten en acht justitiemedewerkers waren het doelwit van een bende toen zij op patrouille waren ‘om criminele groepen te bestrijden die in het gebied actief zijn’, schrijft El Universal.

    Rodrigo Martínez-Celis, de regionale minister van Veiligheid, noemt het een aanval op heel Mexico en verklaart: ‘We zullen met volle kracht terugslaan.’ De regio is een van de gevaarlijkste in een land waar de ‘oorlog tegen drugs’ sinds 2006 aan 300.000 mensen het leven heeft gekost.

    ‘Een klap in het gezicht van de Mexicaanse staat’

    Dezelfde dag is in het nabijgelegen Almoloya de Alquisiras een confrontatie met de staatspolitie gemeld waarbij vier agenten om het leven kwamen, bericht Milenio. Naar verluidt zijn het dezelfde daders als die de agenten overvielen in Coatepec Harinas. Volgens getuigen werden de daders onderschept door de politie, waarna een vuurgevecht ontstond.

    Volgens de regionale autoriteiten zijn de aanvallen ‘een klap in het gezicht van de Mexicaanse staat’, aldus Milenio.


    Noord-Korea verbreekt diplomatieke banden met Maleisië

    Pyongyang verwijt het Maleisië dat het heeft ingestemd met de uitlevering van een van zijn burgers aan de Verenigde Staten. ‘Het was een vijandige daad (…) onder druk van Washington’, aldus een verklaring van het ministerie van Buitenlandse Zaken, die werd overgenomen door KCNA, het persbureau van de Noord-Koreaanse regering.

    De burger, Mun Chol Myong, werd in december 2019 in Maleisië gearresteerd wegens witwassen en smokkel. Hij zou de eerste Noord-Koreaan kunnen worden die in de Verenigde Staten wordt berecht in een zaak die verband houdt met de Amerikaanse sancties tegen de Volksrepubliek, aldus de website NK News.

    ‘De VS zal hiervoor boeten’

    In het persbericht wordt hij afgeschilderd als ‘onschuldig’ en een slachtoffer van ‘absurde verzinsels’. Ook wordt de Verenigde Staten ‘de belangrijkste vijand’ van Noord-Korea genoemd en wordt het land gewaarschuwd dat het ‘hiervoor zal boeten’.

    Christopher Green, universitair hoofddocent aan de Universiteit Leiden, geciteerd door NK News, wijst erop eraan dat Maleisië jarenlang ‘ongebruikelijk loyaal is geweest aan Noord-Korea’, zelfs als dat betekende dat het ‘een oogje dichtkneep’ voor sommige ‘problematische acties’. Maar de relatie bekoelde in 2017 toen de halfbroer van Kim Jong-un door Noord-Koreaanse spionnen werd vermoord op de luchthaven van Kuala Lumpur.

  • Biden moet afrekenen met ‘America First’ in Latijns-Amerika

    Biden moet afrekenen met ‘America First’ in Latijns-Amerika

    Nu de regering van Joe Biden de erfenis van Donald Trump in Latijns-Amerika begint te ontmantelen, lijken landen in die regio voorzichtig optimistisch over de kans op constructievere banden met hun grote noorderbuur.

    Bidens snelle overschakeling op een humaner immigratiebeleid geeft een krachtig signaal af. De president belooft zijn beleid te baseren op nationale (in plaats van persoonlijke) belangen en waarden, met hernieuwde aandacht voor democratie, mensenrechten en corruptiebestrijding. Ook geeft hij grote prioriteit aan de strijd tegen klimaatverandering. 

    Nadruk moet liggen op handel, ontwikkelingshulp en zakelijke investeringen

    Maar de bittere realiteit waar Latijns-Amerika mee kampt, kan deze nieuwe regering nog danig dwarsbomen in haar doelen en ambities voor deze regio, die gebukt gaat onder geweld en grote ongelijkheid. Al sinds 2013 zit Latijns-Amerika in een neerwaartse spiraal die alle maatschappelijke en economische vooruitgang teniet heeft gedaan die in het decennium daarvoor was geboekt.

    Linkse zowel als rechtse regeringen laten het afweten: de middenklasse krimpt en extreme armoede en werkloosheid rijzen de pan uit, met sociale onrust en protesten tot gevolg. De politiek raakt steeds meer gepolariseerd en wordt conflictueuzer, en de tevredenheid over de democratie is in decennia niet zo laag geweest. De hele regio is inmiddels een vruchtbare voedingsbodem voor autoritair leiderschap.

    De coronapandemie legt de maatschappelijke problemen genadeloos bloot: de zwakte van de instituties, de diepgewortelde corruptie in politiek  en bedrijfsleven, en het systematische falen van gezondheidszorg, onderwijs en andere vormen van openbare dienstverlening. Volgens het IMF zal het bbp per hoofd van de bevolking in de economieën van Latijns-Amerika op zijn vroegst in 2025 weer op het niveau zijn van voor de pandemie.

    Veel economen voorspellen een verloren decennium dat vergelijkbaar met of nog erger zal zijn dan de schuldencrises van de jaren tachtig. En het is vooral zorgwekkend dat de regio nog nooit zo verdeeld is geweest en verstoken van eendrachtig leiderschap. Elk land kiest een andere koers en het gebrek aan onderlinge samenwerking is opvallend.

    AM ANP 52258006
    Kiezers wachten om hun stem uit te brengen in Caracas, Venezuela. Op de achtergrond een muurschildering van de overleden presidentHugo Chavez. – © AP Photo / Ariana Cubillos

    Biden zal zich in zijn beleid ten aanzien van Latijns-Amerika beperkt weten door de vele binnenlandse problemen die hij heeft geërfd en die veel aandacht, geld en politiek kapitaal gaan kosten. Europa en Azië zullen in zijn buitenlandbeleid meer prioriteit krijgen dan Latijns-Amerika. Hij aarzelde gelukkig niet om meteen duidelijk te maken dat het nieuwe Latijns-Amerika-beleid van de VS sterk zal verschillen van dat onder zijn voorganger. Het stopzetten van de bouw van de muur langs de grens met Mexico, veranderingen in de regelgeving rond asielaanvragen, de hereniging van gezinnen die op wrede wijze uit elkaar zijn gehaald en andere voorgestelde hervormingen van het immigratiebeleid zullen in de hele regio met gejuich zijn ontvangen. En de eerste tekenen van een nieuwe houding tegenover Venezuela en Cuba zijn eveneens bemoedigend.

    In het geval van Venezuela wordt pragmatische diplomatie verwacht, waarin de VS weer samen met de EU tot serieuze onderhandelingen probeert te komen. En ook met Cuba zal de VS waarschijnlijk meer betrekkingen aangaan, ongeveer zoals tijdens de dooi onder Obama in 2015. Een stoere opstelling in de vorm van dreigementen en harde sancties is tot nu toe contraproductief geweest, en vooral ook schadelijk voor gewone burgers.

    Bereidwillige partners

    Wel zal de regering-Biden het moeilijk krijgen met het vinden van bereidwillige partners voor de verdediging van de democratie in Latijns-Amerika. Sommige Latijns-Amerikaanse regeringen vonden het wel prettig dat Trump ze hun gang liet gaan op het gebied van democratie en mensenrechten. De afgelopen vier jaar bestond ‘samenwerking’ met de VS vooral uit tegemoetkoming aan de eisen van dat land, met name op het gebied van immigratie.

    Deze regeringen zullen zich nu op hun nationale soevereiniteit en de onwenselijkheid van inmenging in binnenlandse aangelegenheden beroepen als de regering van Biden openlijk stevige standpunten inneemt over bijvoorbeeld de militaire corruptie in Mexico, de ontbossing in Brazilië of het vermoorden van activisten in Colombia.

    Het moreel gezag van de Verenigde Staten als hoeder van de democratie heeft in de afgelopen vier jaar steeds meer deuken opgelopen, met als hoogtepunt de bestorming van het Capitool op 6 januari. Biden zal er nog een hele kluif aan krijgen om te laten zien dat Trump een uitzondering was en de VS een betrouwbare en geloofwaardige partner is als het gaat om mensenrechten en democratie. Hij zal ten aanzien van alle regeringen in de regio een consistente lijn moeten volgen, ongeacht of ze links of rechts zijn, en ook al tonen ze zich bereid de Verenigde Staten op andere punten tegemoet te komen. Een goede behandeling van immigranten en serieuze aandacht voor ongelijkheid en racisme binnen de Verenigde Staten zouden het aanzien van zijn regering op dit vlak versterken.

    Daarnaast moet Trump vooral niet worden nagevolgd in zijn pogingen om China te demoniseren en de groeiende Chinese invloed in Latijns-Amerika te beschrijven in bewoordingen die doen denken aan de Koude Oorlog. In plaats daarvan moet Biden zijn belofte nakomen om te zorgen dat zijn eigen land in deze regio effectiever kan concurreren. De nadruk moet liggen op een toename van de handel, ontwikkelingshulp en zakelijke investeringen in Latijns-Amerika.

    Biden zal er een kluif aan krijgen om te laten zien dat Trump een uitzondering was

    Bidens aandacht zal daarbij vooral uitgaan naar de zogenaamde Noordelijke Driehoek: Guatemala, Honduras en El Salvador, de voornaamste herkomstlanden van illegale immigranten in de VS. Als vicepresident stond hij al aan de wieg van de Alliance for Prosperity, een samenwerkingsverband met landen in de regio, en als president heeft hij nu een pakket van 4 miljard dollar voorgesteld om op het gebied van economie, veiligheid en bestuur de achterliggende oorzaken van migratie aan te pakken. Een lovenswaardig idee, maar de welig tierende corruptie in veel van deze landen maakt de uitvoering van zo’n ambitieus plan erg moeilijk. 

    Gezien de uitdagingen waar de VS zich in zijn Latijns-Amerika-beleid voor gesteld ziet, zou Biden er verstandig aan doen te kiezen voor een klein aantal bescheiden en realistische doelstellingen. De nijpende binnenlandse problemen hebben voor zijn regering de hoogste prioriteit. Maar om duidelijk te maken dat zijn land niet langer een koers vaart van ‘America First’, is met name samenwerking in de bestrijding van de pandemie van cruciaal belang.

    Herstel economie

    De Verenigde Staten hebben zich weer aangesloten bij de Wereldgezondheidsorganisatie en bij Covax, een wereldwijd initiatief voor de levering van coronavaccins. Wat de regering-Biden nu ook zou moeten overwegen, is een serieus initiatief om de Latijns-Amerikaanse landen te helpen een eind te maken aan de pandemie en een begin te maken met het herstel van de economie en de sociale rechtvaardigheid.

    Een cruciale eerste stap zou bestaan uit financiële en logistieke hulp bij de inkoop van vaccins en de brede verspreiding daarvan onder de bevolking, en dan met name de kwetsbaarste groepen. Er is niets wat het vertrouwen in en de samenwerking met de Verenigde Staten zo zou opvijzelen als hulp op dit gebied. 

  • Het gevaar van generieke geneesmiddelen

    Het gevaar van generieke geneesmiddelen

    Katherine Eban doet al tien jaar onderzoek naar de producenten van generieke geneesmiddelen en ontdekte een duister geheim: de kwaliteitscriteria voor hun geneesmiddelen variëren al naar gelang het land dat ze afneemt.

    In de zestien jaar dat de Canadese chirurg Brian Westerberg geregeld als vrijwilliger uitvloog naar het Oegandese Mulago National Referral Hospital in Kampala, hadden ze daar altijd aan alles gebrek. Meestal waren er te veel patiënten voor de vijftienhonderd bedden die het ziekenhuis telde. Eén keer werd het water afgesloten omdat de rekening niet was betaald. En patiënten konden vaak niet de medicatie krijgen die ze nodig hadden, zodat Westerberg in het begin soms medicijnen meenam uit Canada. Maar sinds de eerste jaren van deze eeuw zijn er dankzij de inspanningen van de Oegandese regering en internationale hulporganisaties steeds meer goedkope generieke geneesmiddelen uit India en China beschikbaar gekomen, zodat dit probleem in ieder geval leek opgelost.

    Tot Westerberg op 7 februari 2013 een dertienjarige jongen op consult kreeg met koorts en een ontstoken oor waar vocht uit kwam. Hij dacht dat het bacteriële meningitis was, al kon hij daar niet van vergewissen omdat de CT-scanner stuk was. Hij gaf de jongen een injectie met ceftriaxon, een antibioticum dat hem afdoende leek. Maar vier dagen later was de ontsteking alleen maar erger geworden. Terwijl Westerberg zich opmaakte voor een operatie, kreeg de jongen een attaque. De CT-scanner deed het inmiddels weer, dus Westerberg liet een scan uitvoeren en zag abcessen in de schedel van de jongen, waarschijnlijk veroorzaakt door de infectie.

    Een neurochirurg die de beelden bekeek, zei dat een operatie niet nodig was en dat de abcessen en de zwelling met een goede antibioticakuur vanzelf zouden afnemen. Dat begreep Westerberg niet goed: hij had de jongen al ceftriaxon gegeven en dat had niet geholpen. Hij begreep er nog minder van toen zijn collega opperde een duurdere versie van hetzelfde geneesmiddel te gebruiken. Wat maakt het nou uit welk merk je gebruikt?

    RoW-markten

    De meeste mensen gaan ervan uit dat het geen verschil maakt: dat merkmedicijnen en hun generieke varianten overal ter wereld identiek zijn, zolang ze geproduceerd zijn door een gerenommeerd farmaceutisch bedrijf dat onder toezicht staat van bevoegde instanties. Die logica is de drijvende kracht achter de wereldwijde revolutie van generieke geneesmiddelen, waarbij farmaceutische bedrijven in landen als India en China goedkope maar hoogwaardige geneesmiddelen maken die wereldwijd worden verkocht. Die fabrikanten zijn bejubeld als helden van de gezondheidszorg, omdat zij ervoor zorgen dat arme mensen net zo gemakkelijk aan medicijnen kunnen komen als rijken.

    Maar ik doe al tien jaar onderzoek naar de producenten van generieke geneesmiddelen die zowel in Afrika als in Amerika veel worden gebruikt, en maar al te vaak blijken die een duister geheim te verbergen: de kwaliteitscriteria voor hun geneesmiddelen variëren al naar gelang het land dat ze afneemt. En dat is niet alleen voor de gebruikers van de kwalitatief mindere geneesmiddelen een gevaar, maar voor iedereen.

    Hun beste geneesmiddelen verschepen ze naar markten met een strenge gezondheidsinspectie, zoals de VS en de EU. Hun slechtste geneesmiddelen, die ingrediënten van lagere kwaliteit bevatten en minder streng worden getest, gaan naar de landen met het zwakste toezicht.

    Niet dat de Amerikaanse geneesmiddelenmarkt immuun is voor kwaliteitsproblemen. Het afgelopen jaar zijn tientallen versies van de generieke bloeddrukmedicijnen valsartan, losartan en irbesartan teruggeroepen. Sommige van deze in China geproduceerde pillen bevatten een mogelijk kankerverwekkende stof die vroeger gebruikt werd in de productie van raketbrandstof. Wie hier vooral onder te lijden heeft, zijn de patiënten in de zogenaamde RoW-markten (‘rest of world’, de in deze branche gebruikelijke afkorting voor de rest van de wereld). In grote delen van Afrika, Zuidoost-Azië en andere regio’s met opkomende markten maken sommige fabrikanten een kille afweging: ze verkopen hun slechtste geneesmiddelen daar waar de pakkans het kleinst is.

    Medisch centrum in Bweyale, Uganda. Sommige fabrikanten maken de afweging hun slechtste medicijnen daar te verkopen waar hun pakkans het kleinst is; de zogenaamde rest of world-markten. – BSIP / Universal Images Group via Getty Images
    Medisch centrum in Bweyale, Uganda. Sommige fabrikanten maken de afweging hun slechtste medicijnen daar te verkopen waar hun pakkans het kleinst is; de zogenaamde rest of world-markten. – BSIP / Universal Images Group via Getty Images

    Vroeger kreeg Afrika zijn geneesmiddelen vooral uit ontwikkelde landen, via donaties of kleinschalige aankopen. Toen de farmaceutische vertegenwoordigers uit India met hun generieke geneesmiddelen aanklopten, was men daar aanvankelijk dus blij mee. Maar Afrika werd al snel een gebied waar je ‘eender wat naartoe stuurt,’ zegt Kwabena Ofori-Kwakye van de faculteit Farmaceutische Wetenschappen aan de Ghanese Kwame Nkrumah University of Science and Technology in Kumasi. Alle soorten geneesmiddelen leveren kwaliteitsproblemen op, en de schade aan de volksgezondheid is ‘astronomisch’, zegt hij.

    Verschillende Afrikaanse artsen die ik heb gesproken, zeggen dat ze hun behandeling erop aanpassen en soms driedubbele doses voorschrijven. Gordon Donnir, voormalig hoofd van de psychiatrische afdeling van het academisch ziekenhuis Komfo Anokye in Kumasi, heeft nu een eigen praktijk voor Ghanezen uit de middenklasse en zegt dat bijna alle door zijn patiënten gebruikte geneesmiddelen onder de maat zijn, zodat hij de dosering verhoogt. Patiënten die het antipsychosemiddel haloperidol slikken (een generieke vorm van Haldol), krijgen dat van Europese artsen in doses van 2,5 mg voorgeschreven. Donnir schrijft zijn patiënten doses van 10 mg voor, omdat hij weet dat 2,5 mg ‘niks doet’. Hij gaf een vijftienjarige jongen ooit diazepam (de generieke vorm van valium) in een tienmaal zo hoge dosering als gebruikelijk: een hoeveelheid waarvan je normaal onder zeil gaat. Hij ‘zat erbij te lachen,’ zegt Donnir.

    Veel ziekenhuizen houden ook een voorraad achter de hand van wat ze de ‘chique’ geneesmiddelen noemen (merkmedicijnen en generieke middelen van hogere kwaliteit) voor de behandeling van patiënten die na een kuur met de goedkopere middelen nog niet zijn hersteld. Bij de jongen in Kampala stapten Westerbergs collega’s over op de duurdere variant van ceftriaxon en gaven ze hem ook nog andere medicatie. Het mocht niet baten: in de tweede week van zijn behandeling werd de jongen hersendood verklaard. Westerbergs Oegandese collega’s keken er niet van op. Zij gaven patiënten wel vaker medicatie die op papier levensreddend moest zijn, om ze vervolgens toch te zien overlijden. En er waren niet genoeg ‘chique’ medicijnen voor iedereen, zodat ze daarvoor in feite elke dag triage moesten plegen. Het is ook haast niet bij te houden welke generieke geneesmiddelen precies onbetrouwbaar zijn, zegt een arts in west-Oeganda: ‘Vandaag is het een narcosemiddel, morgen ceftriaxon, overmorgen amoxicilline.’

    Veel ziekenhuizen houden ook een voorraad achter de hand van wat ze de “chique” geneesmiddelen noemen

    Westerberg vloog terug naar Canada en sloeg de handen ineen met Jason Nickerson, een beademingsverpleegkundige die in Ghana vergelijkbare ervaringen met slechte geneesmiddelen had gehad. Ze besloten de chemische samenstelling te onderzoeken van het generieke ceftriaxon dat een rol had gespeeld in het overlijden van de jongen in Oeganda. Een van Westerbergs collega’s nam een ampul voor hem mee uit de apotheek van het ziekenhuis in Kampala. Het geneesmiddel was gemaakt door een producent in Noord-China die het ook in Amerika en op andere ontwikkelde markten verkocht. Bij onderzoek in Nickersons lab bleek de hoeveelheid werkzame stof in het middel nog niet de helft te bedragen van wat er op het etiket stond. Bij zo’n lage concentratie haalt het praktisch niets uit, zei Nickerson. Ze hebben hun bevindingen gepubliceerd in het Morbidity and Mortality Weekly Report van het Amerikaanse centrum voor ziektepreventie en -bestrijding. Het was niet met zekerheid vast te stellen of de jongen als gevolg van het laagwaardige ceftriaxon was overleden, maar hun verslag bevatte wel sterke aanwijzingen in die richting.

    Sommige fabrikanten beweren dat al hun geneesmiddelen van hoge kwaliteit zijn en dat er alleen kleine verschillen optreden doordat de regelgeving van markt tot markt verschilt. Maar volgens Patrick H. Lukulay, oud-vicevoorzitter van het programma voor mondiale volksgezondheid van de USP (het Amerikaanse Geneesmiddelenbureau), een van de belangrijkste toezichthouders in de wereld, is dat ‘klinkklare nonsens’. Voor elk medicijn, zegt hij, ‘bestaat er maar één meetlat, en dat is de standaard die is gevestigd door de oorspronkelijke producent’, de fabrikant die het merkmedicijn heeft ontwikkeld.

    Dit probleem moet niet alleen de mensen in opkomende markten zorgen baren. Slechte medicijnen bevatten vaak niet genoeg van de werkzame stof om patiënten te genezen, maar zijn vaak wel werkzaam genoeg om de zwakste bacteriën te doden, terwijl de sterkste het overleven. Die planten zich voort en kunnen een nieuwe generatie ziekteverwekkers voortbrengen die zelfs bestand zijn tegen hoogwaardige geneesmiddelen, waar wel genoeg van de werkzame stof in zit. Na een uitbraak van resistente malaria in het grensgebied van Thailand en Cambodja in 2011 rees bij het regiohoofd van de USP in Indonesië, Christopher Raymond, al het sterke vermoeden dat die resistentie te wijten was aan slechte medicijnen. Patiënten behandelen met geneesmiddelen die te weinig werkzame stof bevatten is, in zijn woorden, alsof je ‘een brand probeert te blussen met benzine’.


    Dit baart de USP zoveel zorgen dat het in 2017 het Quality Institute heeft opgezet, dat onderzoek financiert naar het verband tussen de kwaliteit van medicijnen en de ontwikkeling van resistentie. Muhammad Zaman, hoogleraar biomedische technologie aan Boston University, deed in 2018 onderzoek naar het veelgebruikte antibioticum rifampicine. Bij een verkeerde productiemethode kan de stof rifampicine chinon ontstaan. Toen Zaman bacteriën daaraan blootstelde, ontwikkelden die mutaties waardoor ze beter tegen rifampicine en vergelijkbare medicijnen bestand zijn. Zaman concludeerde dat slechte medicijnen een ‘heel eigen risicofactor’ vormen in de mondiale ontwikkeling van geneesmiddelenresistentie.

    Door hun lage kosten zijn generieke geneesmiddelen onmisbaar voor de mondiale gezondheidszorg. Maar als die medicijnen van lage kwaliteit zijn, doen ze meer kwaad dan goed. Politici, toezichthouders en hulpverleners hebben zich jarenlang vooral op de beschikbaarheid van deze geneesmiddelen gericht. In de toekomst zullen ze evenveel nadruk moeten leggen op de kwaliteit, middels een streng programma van onaangekondigde inspecties, voortdurende tests van geneesmiddelen die al op de markt zijn en wettelijke sancties tegen producenten van ondeugdelijke medicijnen. Een goed model daarvoor is de luchtvaart, waar dankzij internationale verdragen en wetgeving wereldwijde geldende veiligheidseisen zijn vastgesteld. Zonder een vergelijkbaar controlesysteem om de veiligheid en werkzaamheid van medicijnen te garanderen, zal de combinatie van slechte medicijnen en toenemende resistentie rampzalige gevolgen krijgen waar geen land aan voorbij kan gaan. Want in de woorden van Elizabeth Pisani, een epidemioloog die onderzoek heeft gedaan naar de kwaliteit van geneesmiddelen in Indonesië: ‘Ziekteverwekkers kennen nu eenmaal geen grenzen.’

    Auteur: Katherine Eban
    Vertaler: Frank Lekens

    Openingsbeeld: Changzhou Qianhong Biochemical Pharmaceutical Co. in Changzhou, Oost-China. Farmaceutische bedrijven in landen als India en China worden erom bejubeld goedkope maar hoogwaardige geneesmiddelen te maken die wereldwijd worden verkocht. Maar de realiteit is vaak anders. – XU CONGJUN / Barcroft Media via Getty Images

    Time
    Verenigde Staten | weekblad | oplage 6.000.000

    Weekblad met indrukwekkende oplage. Met vlijmscherp gekozen beelden, unieke reportages. Jaarlijkse lijst van invloedrijke mensen draagt bij aan hun legende.

  • Terugkeren na IS. ‘Ik dacht dat ik het juiste deed’

    Terugkeren na IS. ‘Ik dacht dat ik het juiste deed’

    Hoda Muthana en Kimberly Polman verbrandden beide alle schepen achter zich toen ze naar het kalifaat vertrokken om te trouwen. Ze twitterden boodschappen als ‘Beschiet ze vanuit auto’s en laat al hun bloed vloeien, of huur een grote vrachtwagen en rijd over ze heen’. Tot ze begonnen te realiseren dat ze een fout hadden gemaakt.

    Kamp al-Hawl, Syrië – Hoda Muthana was een twintigjarige studente in Alabama die ervan overtuigd was geraakt dat IS voor de goede zaak streed. Dus maakte ze haar ouders wijs dat ze op studiereis ging maar kocht in plaats daarvan van haar studietoelage een vliegticket naar Turkije. Nadat ze het kalifaat binnen was gesmokkeld postte de studente een foto op Twitter waarop haar gehandschoende handen haar Amerikaanse paspoort vasthielden. ‘Binnenkort de fik erin,’ beloofde ze.

    Dat was meer dan vier jaar geleden. Nu, na drie huwelijken met IS-strijders en het bijwonen van het soort executies dat ze op sociale media had toegejuicht, zegt Muthana dat ze diepe spijt heeft en terug wil naar de Verenigde Staten. Ze gaf zich vorige maand over aan de coalitietroepen die tegen IS vechten en brengt nu haar dagen door als gedetineerde in een vluchtelingenkamp in het noordoosten van Syrië. Ze heeft daar gezelschap van een andere vrouw, Kimberly Gwen Polman (46), die rechten studeerde in Canada voordat ze zich aansloot bij het kalifaat en die zowel Amerikaans als Canadees staatsburger is.

    Tijdens een interview in het kamp met The New York Times zeiden beide vrouwen dat ze erachter probeerden te komen hoe ze een nieuw paspoort konden krijgen en hoe ze de sympathie konden herwinnen van de twee landen die ze eerder verachtten.

    Krankzinnig idee

    ‘Woorden schieten me tekort om mijn spijt uit te drukken,’ zei Polman, dochter van een Amerikaanse moeder en een Canadese vader uit een mennonitische gemeenschap in Hamilton, Ontario, die zelf drie volwassen kinderen heeft.

    Muthana zei dat ze zich in haar middelbare-schooltijd voor het eerst aangetrokken had gevoeld tot IS door het lezen van posts op Twitter en andere sociale media. ‘Als ik er nu op terugkijk, kan ik niet genoeg benadrukken wat een krankzinnig idee het was,’ zegt ze. ‘Ik kan het gewoon niet geloven. Ik heb mijn leven verpest. Ik heb mijn toekomst verpest.’

    President Trump leverde deze week in een tweet kritiek op bondgenoten als Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland omdat ze niet honderden IS-gevangenen terugnamen die waren gevangengenomen op het slagveld. ‘Het alternatief is dat we ze moeten vrijlaten,’ waarschuwde hij.

    De president zei er niet bij dat de Verenigde Staten Amerikaanse vrouwen die met IS-strijders waren getrouwd ook niet naar huis hadden gehaald. Zowel Muthana als Polman zei geen bezoek te hebben gehad van Amerikaanse functionarissen sinds hun gevangenneming vorige maand. Ze zeiden ook dat er een familie van vier zussen uit Seattle was, met vier kinderen, die in een ander kamp werd vastgehouden. Een voormalige politiefunctionaris bevestigde dat een familie uit Seattle naar Syrië was gereisd om zich aan te sluiten bij Islamitische Staat, maar had geen aanvullende informatie.

    Hoda Muthana trouwde drie keer in het kalifaat en vluchtte uiteindelijk mee met een Syrische familie vanuit Shafa. Ze nam alleen haar baby mee.
    Hoda Muthana trouwde drie keer in het kalifaat en vluchtte uiteindelijk mee met een Syrische familie vanuit Shafa. Ze nam alleen haar baby mee.

    Van een klein aantal Amerikanen – slechts 59, volgens gegevens van het George Washington University Program on Extremism – is bekend dat ze naar Syrië zijn gereisd om zich aan te sluiten bij IS. Bijna alle Amerikaanse mannen die in de strijd gevangen zijn genomen zijn gerepatrieerd, maar het blijft onduidelijk waarom dat bij sommige Amerikaanse vrouwen en hun kinderen – minstens dertien, volgens bronnen van The Times – niet het geval is.

    Een FBI-woordvoerster wilde geen commentaar leveren op de twee gevallen, maar zei dat agenten per definitie een onderzoek instellen naar iedere Amerikaan die zich heeft aangesloten bij Islamitische Staat, een organisatie die als terroristisch te boek staat.

    Robert Palladino, een woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, beschreef de situatie van Amerikanen in Syrië als ‘uiterst gecompliceerd’. ‘We bekijken deze gevallen om de details beter te begrijpen,’ zei hij, maar hij wilde verder geen commentaar geven om redenen van privacy en veiligheid.

    Een Canadese regeringsfunctionaris zei dat het voor Canadezen die vastzitten in Syrië moeilijk kan zijn de regio te verlaten omdat ze waarschijnlijk ernstige aanklachten tegemoet kunnen zien in naburige landen.

    Seamus Hughes, adjunct-directeur van het George Washington University Program on Extremism, noemde de talrijke misdaden die door IS zijn gepleegd en zei dat er ‘duizenden legitieme redenen zijn om de oprechtheid in twijfel te trekken’ van verzoeken als die van Muthana en Polman. ‘Hoewel er vaak simplistische verhalen de ronde doen over “jihadbruiden”, “hersensspoelen” en “internetdaten”,’ zei hij, ‘hebben de buitenlandse vrouwen van IS bij heel wat wreedheden geassisteerd en zich er in sommige gevallen rechtstreeks schuldig aan gemaakt.’

    Muthana en Polman erkenden tijdens het interview dat veel Amerikanen zich zouden afvragen of ze het verdienden naar huis te worden gebracht nadat ze zich hadden aangesloten bij een van de dodelijkste terreurgroepen ter wereld. ‘Hoe kun je eerst je paspoort verbranden en je vervolgens in slaap huilen omdat het je zo vreselijk spijt?’ vroeg Polman. ‘Hoe maak je mensen dat duidelijk?’

    Neem een vliegtuig naar Turkije. Bel na het landen dit nummer

    Muthana groeide als dochter van Jemenitische immigranten op in een ultrastreng huishouden, waar feestjes, vriendjes en mobieltjes taboe waren. Haar vader gaf haar pas een mobiele telefoon als cadeautje voor haar einddiploma van de middelbare school. Die telefoon werd algauw haar toegangspoort tot de wereld van de extreme islam, zei ze. Ze vertelde hoe nog geen twee jaar later, in 2014, een internetcontact haar instructies gaf hoe ze zich kon aansluiten bij Islamitische Staat: Neem een vliegtuig naar Turkije. Bel na het landen dit nummer.

    Muthana schreef zich in bij de University of Alabama in Birmingham, waar ze het als tweedejaars na het innen van de studietoelage van haar ouders voor gezien hield. Ze stopte een boekentas vol kleren en zei tegen haar familie dat ze naar een studie-evenement in Atlanta ging, op twee uur rijden afstand. In plaats daarvan ging ze regelrecht naar de luchthaven van Birmingham voor een vlucht naar Istanboel. ‘Ik huilde omdat ik dacht dat ik een groot offer aan God bracht en afstand deed van mijn familie, mijn thuis, mijn comfort, alles wat ik kende, alles wat me lief was,’ zei ze. ‘Ik dacht dat ik het juiste deed.’

    Muthana zei dat ze in november 2014 over de Syrische grens werd gesmokkeld en naar een slaaphuis voor vrouwen werd gebracht, waar honderden alleenstaande vrouwen van over de hele wereld dicht opeengepakt zaten. Elke dag, zei ze, wandelde een IS-functionaris door het slaaphuis met een lijst van mannen die op zoek waren naar een bruid. ‘Je mag het huis niet verlaten voordat je getrouwd bent,’ zei ze. ‘Ik wist dat dat zou gebeuren, maar ik dacht dat ik er wel aan kon ontkomen. Ik wist niet dat er sloten op de deuren zaten. Ik wist niet dat er kettingen waren. En bewakers.’

    Ze zei dat ze het een maand volhield voordat ze toestemde in een ontmoeting met Suhan Rahman, een Australiër uit Melbourne. Hij gebruikte de naam Abu Jihad, oftewel ‘Vader van de Jihad’, zei ze. Ze ontmoetten elkaar in een kamer onder begeleiding. Na een kort gesprek nam hij haar mee naar huis. Ze nam de naam Umm Jihad aan, oftewel ‘Moeder van de Jihad’. Als ze alleen thuis zat terwijl haar man aan het vechten was, postte ze giftige tweets onder haar pseudoniem. ‘Petje af voor de moedjs in Parijs’, schreef ze met gebruikmaking van de afkorting voor moedjahedien op de dag in 2015 dat jihadisten de kantoren van het satirische weekblad Charlie Hebdo bestormden en twaalf mensen doodden. Ook spoorde ze anderen aan zich bij de terroristische organisatie aan te sluiten. ‘Er zijn hier zoooooveel Aussies en Britten maar waar blijven de Amerikanen, word wakker lafaards’, postte ze.

    Ook gebruikte ze haar account om aanslagen in het Westen te helpen uitlokken, zoals in de Verenigde Staten. ‘Amerikanen word wakker!’ schreef ze op 15 maart 2015. ‘Jullie hebben veel te doen zolang jullie nog onder onze grootste vijand leven, genoeg geslapen! Beschiet ze vanuit auto’s en laat al hun bloed vloeien, of huur een grote vrachtwagen en rijd over ze heen.’

    Haar Twitteraccount is sindsdien geblokkeerd, maar de posts werden door het George Washington Program gekopieerd en doorgespeeld aan The Times.

    Ze was nauwelijks drie maanden getrouwd, zei Muthana, toen ze thuis een dutje lag te doen en een man de trap op kwam rennen en schreeuwde dat haar man ‘de marteldood’ was gestorven. Na zijn dood stemde ze toe in twee andere gearrangeerde huwelijken, zei ze.

    Kinderadvocaat

    Polman zei dat ze begin 2015 het kalifaat binnen was gesmokkeld nadat ze op een Amerikaans paspoort van Vancouver naar Istanboel was gevlogen. Ze zei dat ze kort daarvoor belangstelling voor de verpleging had gekregen en was gaan corresponderen met een man in Syrië die de nom de guerre Abu Aymen gebruikte. Deze man, met wie ze later trouwde, vertelde haar dat in het groeiende kalifaat steeds meer behoefte was aan verpleegkundigen.

    Jaren eerder had ze het mennonitische geloof van haar ouders vaarwel gezegd en zich bekeerd tot de islam. Omdat ze niets anders te doen had, zei ze, bracht ze haar dagen door op internet en was haar Facebook-tijdlijn vergeven van de beelden van stervende moslims in Syrië.

    Polman zei dat ze op een gegeven moment had ontdekt dat ze een posttraumatische-stresstoornis had en niet meer in staat was haar bed uit te komen. Een broer en een zuster meldden vanuit British Columbia dat haar was gezegd dat ze aan een psychische aandoening leed. ‘Ze heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt,’ zei de broer, die niet met name genoemd wilde worden uit angst voor represailles.

    Volgens de zuster, die ook niet met name genoemd wilde worden, studeerde Polman rechten aan Douglas College en werkte ze korte tijd op een moslimschool in Richmond, British Columbia. In 2011 won ze een Women’s Opportunity Award van de vrouwenorganisatie Soroptimist International. In de bekendmaking van de prijs, afgedrukt in de plaatselijke krant, stond dat het haar uiteindelijke doel was kinderadvocaat te worden.

    Haar zuster zei dat Polman in de zomer van 2015 op reis ging naar Oostenrijk, zogenaamd voor twee weken. ‘Ze omhelsde me bij het afscheid en zei dat we thee zouden gaan drinken als ze terugkwam,’ zei de zuster. Pas nadat de familieleden waren ingelicht door de Canadese autoriteiten beseften ze dat ze zich had aangesloten bij IS. Op een gegeven moment had haar zus zes maanden lang niets van Polman gehoord en ging ze ervan uit dat ze dood was. ‘In het verleden hebben we haar als familie kunnen helpen,’ zei haar zus. ‘Dit was de enige keer dat we haar niet konden helpen. Dus dat was heel moeilijk voor ons.’

    Tegen de tijd dat Polman in het kalifaat belandde waren de misdaden daarvan welbekend, inclusief het onthoofden van journalisten, het tot slaaf maken en systematisch verkrachten van vrouwen van de Jezidi-minderheid en het levend verbranden van gevangenen. Zowel zij als Muthana deed ontwijkend toen er vragen over die wreedheden werden gesteld. ‘Ik ben niet geïnteresseerd in bloedvergieten en wist niet wat ik moest geloven,’ zei Polman. ‘Dat zijn filmpjes op YouTube. Wat is waar? Wat is niet waar?’

    Vluchtelingen op weg naar een tijdelijk kamp, vanwaar ze naar het Al-hol-kamp in de Syrische provincie Hassakeh worden overgeplaatst. Veel van hen zijn gezinsleden van en waarschijnlijk zelf ook IS-strijders. – © Antoine Chauvel / SIPA /SIPA / 19021519
    Vluchtelingen op weg naar een tijdelijk kamp, vanwaar ze naar het Al-hol-kamp in de Syrische provincie Hassakeh worden overgeplaatst. Veel van hen zijn gezinsleden van en waarschijnlijk zelf ook IS-strijders. – © Antoine Chauvel / SIPA /SIPA / 19021519

    Volgens haar eigen lezing begon Muthana zich in haar tweede jaar in het kalifaat van de terroristische groepering distantiëren. Ze trouwde met een tweede strijder en raakte zwanger. Omdat ze aan bloedarmoede leed door ijzergebrek bracht ze veel tijd in bed door. ‘Ik kreeg twijfels,’ zegt ze in een verslag dat The Times niet kon verifiëren. ‘Ik was zwanger. Heel emotioneel, omdat ik mijn familie miste. Ik dacht: wat doe ik hier?’

    Ze zei dat haar tweede man omkwam in Mosoel in Irak. ‘Door een raket of een luchtaanval.’

    Het was inmiddels 2017 en de belegering van Raqqa in Syrië was begonnen. Toen ’s nachts haar vliezen braken liep ze volgens eigen zeggen bijna twee kilometer naar de dichtstbijzijnde kliniek terwijl de bommen op de stad vielen.

    Na het baren van een zoon trok Muthana van het ene huis naar het andere, naarmate het gebied van het kalifaat verder kromp. Toen Raqqa eind 2017 viel, verhuisde ze naar al-Mayadin in het dal van de Eufraat. Toen al-Mayadin viel, verhuisde ze naar Hajin, en vandaar naar Shafa, een dorp in de laatste schilfer IS-gebied dat honderden luchtaanvallen te verduren kreeg. Ze trouwde voor de derde keer en scheidde na enige tijd weer van haar man, wiens naam ze niet wilde noemen.

    Polman zei dat haar breuk met het kalifaat heftiger verliep, al een jaar na haar aankomst. Ze zei dat ze probeerde te ontsnappen maar werd betrapt door veiligheidsagenten van IS toen ze op de markt een vrouw vroeg of ze een smokkelaar kende die haar zou kunnen helpen. Ze zei dat ze werd opgesloten in een cel in Raqqa, waar ze zo lang bleef dat ze uiteindelijk alle 4422 tegels had geteld.

    Ze zei dat ze herhaaldelijk uit haar cel werd gehaald om te worden verhoord. En dat ze op een avond werd verkracht.

    ‘Ze namen me mee via de gang, en het was aardedonker,’ zei ze. ‘Er waren dikke metalen deuren en ik herinner me dat ik uitgleed, en ze schopten me.’ Ze zei dat de gevangenbewaarders haar waarschuwden dat als ze de verkrachting ooit zou melden, ze zouden zeggen dat ze bewijs hadden dat ze een spionne was. Voordat ze haar vrijlieten, zei ze, lieten ze haar een verklaring ondertekenen in zowel het Arabisch als het Engels waarin stond dat als ze opnieuw zou proberen te ontsnappen ze de hukm zou accepteren, de doodstraf volgens de shariawet.

    ‘Het is moeilijk om van gedachten te veranderen als je alles hebt verloren en opgeofferd’

    De twee vrouwen, die een generatie in leeftijd verschillen, ontmoetten elkaar en raakten bevriend in de laatste uithoek van het kalifaat, dat tegen januari uit nog geen vijftien vierkante kilometer bestond. Het omsingelde gebied kampte met verscheidene tekorten. Toen er geen papieren luiers meer te krijgen waren, knipten de twee vriendinnen handdoeken in stukken. Toen er moeilijk aan eten viel te komen, verzamelden ze gras uit spleten tussen de stoeptegels, kookten het en dwongen zichzelf het op te eten. ‘Als je een aardappel zag,’ aldus Muthana, ‘was het alsof je een Lamborghini zag.’ Ze begonnen over vluchten te praten, en ze zeiden dat ze steeds meer gruwden van de keuze die ze hadden gemaakt.

    ‘Het is moeilijk om van gedachten te veranderen als je alles hebt verloren en opgeofferd. Ook al voel je dat er iets niet klopt, dat dit niet oké is, toch denk ik dat het heel erg moeilijk is om een ommezwaai te maken als je alle bruggen achter je hebt verbrand,’ zei Polman.

    IS verbood mensen te vertrekken en zette landmijnen en scherpschutters in om dat te voorkomen. Maar vorige maand, zei Muthana, besloot ze het toch te proberen door aan te haken bij een Syrische familie die Shafa rond het schemeruur verliet. Ze nam alleen haar baby mee in zijn kinderwagen, zei ze. Toen de duisternis inviel, raakte de groep verdwaald en bracht de nacht door in de ijzige kou. De volgende dag, op 10 januari, voltooide ze de reis en gaf zich over aan Amerikaanse troepen in de Syrische woestijn, die haar vingerafdrukken namen.

    Enkele dagen later volgde Polman via dezelfde route en gaf zich ook over. Na enkele weken, waarin ze geen contact hadden met de Amerikaanse of Canadese autoriteiten, benaderden zij en Muthana het Rode Kruis om hulp te krijgen. Ze hebben ook contact met een advocaat die probeert hun terugkeer naar Noord-Amerika te bewerkstelligen.

    Muthana gaf de advocaat een handgeschreven briefje: ‘Ik besefte dat ik niet inzag of misschien zelfs niet eens begreep hoe belangrijk de vrijheden zijn die we in Amerika hebben. Nu doe ik dat wel,’ schreef ze. ‘Ik kan moeilijk onder woorden brengen hoeveel spijt ik heb van wat ik in het verleden heb gezegd, van de pijn die ik mijn familie heb gedaan en van de overlast die ik mijn land heb bezorgd.’ Volgens adjunct-directeur Hughes van het George Washington University Program on Extremism zijn de Verenigde Staten verplicht haar naar huis te halen, ‘maar wel met handboeien om’.

    Rukmini Callimachi deed verslag vanuit Syrië, Catherine Porter vanuit Toronto. Adam Goldman en Edward Wong leverden bijdragen vanuit Washington, en Glenny Brock vanuit Alabama. Kitty Bennett deed research.
    Vertaler: Peter Bergsma

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 1.120.402

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • ‘Jij hebt wiet nodig’

    ‘Jij hebt wiet nodig’

    Legalisering van cannabis staat tegenwoordig op elke politieke agenda. Uruguay nam het voortouw. Canada en sommige staten in de VS volgden. Simon Kuper dook een Amsterdamse coffeeshop in om lering te trekken uit het Nederlandse gedoogbeleid.

    Toen ik voor de krant wiet moest gaan roken in Amsterdam, vroeg ik een vriendin of ze me een goede ‘coffeeshop’ kon aanbevelen. Haar antwoord was heel Nederlands: ‘Ik ben nog nooit in een coffeeshop geweest.’ Ze koos de Paradox, de zaak die het dichtst bij de school van haar zoon was, zodat ze hem na afloop kon ophalen.

    Nu zitten we in wat voelt als een gezellige huiskamer vol met kussens, omringd door keurige, goedgeklede twintigers van over de hele wereld. De café-eigenaar, Ludo Bossaert, die de Paradox 27 jaar geleden is begonnen, beveelt Pure Special Haze Mix aan, een joint van 5 euro. Volgens de uitgebreide menukaart van de zaak zorgt die voor een ‘super high’.

    Waarschijnlijk ben ik de eerste klant in de geschiedenis van de Paradox die om een bonnetje vraagt. Ludo – een gedreven botanist, amateurnarcohistoricus en hasjsommelier – leert me eerst te zuigen voordat ik de joint opsteek, om van de zoete kaneelachtige smaak te genieten. Dan begin ik te roken. Hij steekt twee duimen op: ‘Dat noem ik nou onderzoeksjournalistiek!’

    Belangrijk onderwerp

    Iemand moet het doen, want cannabis is nu een belangrijk onderwerp geworden in de politiek. Op 17 oktober werd Canada de eerste grote economie die wiet legaliseerde voor recreatief gebruik, nadat Uruguay in 2013 het voortouw had genomen. Sinds 1 november kunnen artsen van de Britse National Health Service medicinale wiet voorschrijven. Dertig staten in de VS hebben medicinale cannabis al gelegaliseerd, terwijl negen recreatief gebruik toestaan.

    Donald Trump heeft al aangegeven dat hij de decriminalisering ondersteunt. Cannabis zou in de Angelsaksische wereld binnenkort net zo bij het dagelijks leven kunnen horen als alcohol of koffie, en sigaretten vervangen, die sociaal onaanvaardbaar worden. Kunnen we na bijna vijftig jaar decriminalisering in Nederland zeggen dat dit een goede ontwikkeling is? En is wiet een goed middel tegen pijn en allerlei kwalen?

    De cannabisplant wordt al minstens vijfduizend jaar door mensen gerookt, vaak als pijnstiller. Cannabispollen zijn aangetroffen in een 4200 jaar oud Nederlands graf. Zelfs koningin Victoria kreeg volgens John Hudak in Marijuana: A Short History ‘door de hofarts medicinale marihuana voorgeschreven als pijnstiller bij menstruatiekrampen’. Wiet werd in de VS voor het eerst controversieel in de jaren dertig, toen anti-immigratiepartijen marihuana (ze gebruikten bewust het Spaanse woord) in verband brachten met Mexicaanse immigranten.

    Al snel na de beëindiging van de Drooglegging begon de VS in 1937 met de harde aanpak van wiet, schrijft Hudak. Eind jaren vijftig was marihuana definitief illegaal in Amerika. In 1961 zette de VN cannabis tussen de meest verslavende middelen op Lijst 1, waarmee de plant bijna overal in de illegaliteit werd gedreven.

    Cannabis kan binnenkort net zo bij het dagelijks leven horen als koffie

    Toen kwam Richard Nixons war on drugs – wiet, heroïne, alles. Zijn doelwit was niet zozeer de wiet als wel de langharige jongelui die het als een sacrament leken te vereren. ‘Als je hasj rookt, leer je je innerlijk kennen,’ zei Bob Marley, en Bob Dylan zong dat iedereen stoned moest worden.

    In 1970 stelde president Nixon de commissie-Shafer in om advies in te winnen over de te volgen aanpak. Maar Shafers eindoordeel paste niet echt in zijn straatje: ‘De commissie is unaniem van mening dat het gebruik van marihuana niet zo’n ernstig probleem is dat mensen die marihuana roken [… ] onderworpen moeten worden aan criminele procedures.’ Dit advies schaarde zich in een reeks officiële Amerikaanse rapporten (te beginnen in 1944 met een rapport van de New Yorkse burgemeester Fiorello La Guardia) waarin werd geconcludeerd dat softdrugs niet echt een probleem vormden.

    Nixon negeerde Shafer. Hij ondertekende wetten en richtte een bureau op voor de strijd tegen de wiet. Intussen werd overal agressief reclame gemaakt voor tabak en alcohol, de drugs van zijn ‘zwijgende meerderheid’. (Nixon zelf was een zware drinker, die op eigen houtje het anti-epilepsiemedicijn Dilantin gebruikte als kalmeringsmiddel.)

    Onbedoeld zorgde Nixon ervoor dat cannabis cool werd. Veel Amerikaanse tieners wisten al uit eigen ervaring dat wiet waarschijnlijk niet je leven te gronde zou richten. Het werd een onschuldige vorm van rebellie.

    Hollands pragmatisme

    Terwijl de VS tegen de wiet streed, begon het slaperige Nederland de softdrug net te ontdekken. Waarschijnlijk was het eerste grote marihuanafeest buiten de Amsterdamse hippiekringen een popfestival in Rotterdam in 1970. Duizenden jongeren rookten ongehinderd softdrugs, terwijl politieagenten in burger rondliepen om hen in de gaten te houden.

    Cees Ottevanger, destijds een jonge politie-inspecteur, vertelde tientallen jaren later in het Nederlandse televisieprogramma Andere tijden: ‘Met de beste wil van de wereld konden we niet melden dat het slecht, vreselijk of onaangenaam was. Want de sfeer was fantastisch en er was geen enkele reden om bang te zijn dat er iets zou gebeuren.’

    De Nederlandse staat legaliseerde de cannabis niet, deels om de buurlanden niet voor het hoofd te stoten. Er werd echter wel besloten om gebruikers van softdrugs niet te vervolgen. De overheid vond niet dat blowen gevaarlijker was dan alcohol of koffie, en zelfs als dat wel zo was, vonden ze dat een drooglegging criminelen aan werk zou helpen.

    Het is een misverstand te denken dat de Nederlandse staat voor softdrugs is of voor prostitutie (legaal in Nederland). De Nederlandse staat is eerder pragmatisch. Ze hebben liever dat dergelijke riskante activiteiten in het zicht blijven zodat ze die kunnen reguleren (en er belasting over kunnen heffen), terwijl andere landen ze de illegaliteit in duwen, waar verdere controle ontbreekt.

    The Bulldog, de eerste coffeeshop in Amsterdam die in 1974 opende op de Wallen en inmiddels een keten is met vijf coffeeshops en ook nog enkele kleding- en souvenirwinkels. © Hollandse Hoogte
    The Bulldog, de eerste coffeeshop in Amsterdam die in 1974 opende op de Wallen en inmiddels een keten is met vijf coffeeshops en ook nog enkele kleding- en souvenirwinkels. © Hollandse Hoogte

    Ik heb het grootste deel van mijn puberteit in Nederland doorgebracht, van 1976 tot 1986. Waar ik woonde waren coffeeshops en een paar vrienden van mij zaten een tijdje in die scene, maar het was geen grote rage onder tieners. Op mijn middelbare school werd wiet niet geassocieerd met creativiteit en rebellie, maar met ongelukkige drop-outs. Sigaretten werden veel cooler gevonden.

    We kregen les over harddrugs. Ik herinner me nog dat we de angstaanjagende Duitse film Christiane F. te zien kregen, over een jonge heroïneverslaafde die prostituee wordt. Toen de Nederlandse staat in 2009 een rapport uitbracht met een lijst van de gevaarlijkste drugs, was dit de top 4: 1. crack; 2. heroïne; 3. tabak; 4. alcohol. Cannabis stond op de tiende plaats.

    Amerikanen van mijn generatie werden anders opgevoed. Nancy Reagan, de vrouw van de Amerikaanse president, voerde in de jaren tachtig oorlog tegen hard- en softdrugs met de kreet: ‘zeg gewoon nee’. Overal ter wereld zorgden paniek zaaiende, bekrompen types ervoor dat softdrugs de aantrekkingskracht van verboden vruchten kregen.

    Bezoekers van het Rotterdam Pop Festival in 1970, naar alle waarschijnlijkheid het eerste grote marihuanafeest buiten de Amsterdamse hippiekringen. – © Getty
    Bezoekers van het Rotterdam Pop Festival in 1970, naar alle waarschijnlijkheid het eerste grote marihuanafeest buiten de Amsterdamse hippiekringen. – © Getty

    Dat besefte ik als student in Engeland toen ik twee voetbaltrips naar Amsterdam organiseerde. Mijn teamgenoten wilden niet het Amsterdamse studentenleven verkennen, met de prachtige cafés en alle romantische mogelijkheden. Liever slenterden ze iedere avond over de Wallen of zaten ze in een dubieuze coffeeshop waar toeristen enorm werden afgezet. Ik werd sloom van de wiet (vooral toen mijn teamgenoten mijn neus dichthielden zodat ik niet kon uitademen), maar als hyperactieve twintigjarige wilde ik niet sloom worden.

    Toen ik protesteerde, wees de Amerikaanse doelman me erop dat het een kick gaf om legaal wiet te kunnen roken. Aan de andere kant, mijmerde hij, was het voor de Amerikaanse adolescent juist een kick om stíékem bier te drinken en wiet te roken. Het legaliseren van softdrugs zou dat verpesten, zei hij. Maar toen leek legalisering in de VS onvoorstelbaar. In die tijd gaf Bill Clinton als eerste president toe dat hij wiet had gerookt (en daarbij niet had geïnhaleerd). Die bekentenis verplichtte hem ertoe Nixons oorlog krachtig voort te zetten.
    De cannabisplant wordt al minstens vijfduizend jaar door mensen gerookt

    Niet legaal, wel gedoogd

    Het Nederlandse drugsbeleid komt ook voorbij in de gangsterfilm Pulp Fiction uit 1994 – met regie en scenario van Quentin Tarantino, die kort in Amsterdam heeft gewoond:

    Vincent: ‘Ja, het komt hierop neer: je kunt het legaal kopen, je kunt het legaal in bezit hebben en als je de eigenaar van een hasjcafé bent kun je het legaal verkopen. Het is illegaal om het bij je te hebben, maar dat maakt eigenlijk niet uit, want als je in Amsterdam wordt aangehouden door de politie mogen ze je niet fouilleren…’

    Jules: ‘O man! Ik ga erheen, punt uit. Ik ga er f**ing heen.’

    In feite zijn softdrugs niet legaal in Amsterdam. Ludo vertelt over een ruzie met een politieagent die een inval deed in de Paradox.

    Ludo: ‘Het is toch legaal?’

    Agent: ‘Het is helemaal niet legaal!’

    Ludo: ‘Dus het is illegaal.’

    Agent: ‘Nee, dat ook niet.’

    Ludo: ‘Wat dan?’

    Agent: ‘Het wordt gedoogd.’

    Spacecakes

    Ludo mag vijf gram per klant per dag verkopen, waarover hij belasting betaalt, maar geen btw – ‘omdat het geen bestaand product is in Europa’, legt hij uit. De levering – de zogenaamde ‘achterdeur’ van Nederlandse coffeeshops – is officieel illegaal. ‘Omdat de aanvoer illegaal is, zijn de prijzen voor wiet hoog, want je betaalt voor het risico,’ zegt Ludo. Hij koopt alleen met contant geld, van betrouwbare thuistelers.

    ‘Ik geef de voorkeur aan kleine hoeveelheden die met liefde zijn gekweekt. Met grotere partijen zijn de betrokkenen vaak halfcrimineel.’ Legaal mag hij maar vijfhonderd gram op voorraad hebben, dus de hele dag komen mensen met een bestelbusje of op de fiets langs om de drugs af te leveren. De politie komt regelmatig controleren. Als ze minderjarigen in zijn zaak aantreffen, of harddrugs, of een te grote voorraad, kunnen ze de tent sluiten.

    In 1995 waren er 350 coffeeshops in Amsterdam. Sindsdien is ongeveer de helft gesloten, vooral in een poging het drugstoerisme te ontmoedigen. Tot dusver heeft Ludo ervan geprofiteerd dat er concurrenten werden gesloten. Op een doordeweekse middag is elk tafeltje in de Paradox bezet.

    Hij is gespecialiseerd in spacecake: een dunne plak cake die één gram wiet per stuk bevat. Een klant uit Shanghai heeft hem eens een brief gestuurd, versierd met origamitekeningen om hem te bedanken voor ‘het brood’. Ludo legt uit: ‘Ze bedoelde cake, maar in China moet je op je woorden letten.’

    Spacecake is verraderlijk. Bij een joint wordt de wiet snel in je bloed opgenomen, waarna je stoned wordt en stopt met roken (een zelfbeperkingsmechanisme dat bij alcohol en tabak ontbreekt). Maar bij eetbare cannabis kan het uren duren voordat je het effect voelt, dus vaak nemen gebruikers te veel. De Amsterdamse gezondheidsdienst, die het zat was om Ludo’s bewusteloze klanten uit de goot te rapen, vroegen hem te stoppen met de verkoop van spacecake.

    Hij ging ermee door, maar verpakt nu iedere plak met uitgebreide instructies: ‘Als je nog nooit cannabis hebt gerookt: eet een kwart plak en wacht twee uur op het effect’, enzovoorts.

    Ingehaald

    Ik hou het bij de joints. Ik inhaleer te weinig om een ‘super high’ te krijgen, maar langzaam leer ik snel twee keer achter elkaar te inhaleren en een onbekende sensatie daalt in. Uiteindelijk weet ik wat het is: ik voel me ontspannen.

    ‘Alles wordt zachter en ronder,’ legt Ludo uit.

    Ik zie bleek, merkt mijn vriendin op.

    ‘Zijn bloedsuikerspiegel daalt,’ zegt Ludo. De budtender brengt een muntthee met honing, maar ik voel me vrolijk. Ik verlies elk besef van tijd en bekijk welwillend de andere klanten, van wie de meesten over hun schermpje gebogen zitten. Alles is rustig, tot buiten een auto toetert.

    ‘Willem, je taxi!’ roept een van de vaste klanten.

    Willem is een oudere man in een rolstoel, die zich eerder in onze discussie over het Amerikaanse drugsbeleid heeft gemengd. Zijn ‘taxi’ is eigenlijk een busje speciaal voor gehandicapten, dat hem komt ophalen. Zoals altijd rolt Ludo Willem naar buiten en via een loopplank het busje in. Het is een typisch Amsterdams tafereel.

    Al zo’n veertig jaar lang vormen de Amsterdamse coffeeshops de voorhoede van de mondiale cannabispolitiek. Eind twintigste eeuw werd in Nederland de toekomst uitgevonden. Ik groeide op met aparte fietsstroken op de weg; in 1999 bedachten de Nederlanders Big Brother, het eerste realitytelevisieprogramma; in 2001 waren ze de eersten met het homohuwelijk. Maar Nederland vindt niet langer de toekomst uit. Op het gebied van de cannabis is het Nederlandse gedoogbeleid inmiddels ingehaald door landen waar cannabis is gelegaliseerd.

    ‘Toen ik jong was, heb ik geïnhaleerd’, zei Barack Obama. ‘Daar ging het juist om’

    In deze eeuw begon de VS op een gegeven moment zijn eigen oorlog tegen de wiet ter discussie te stellen. Ondanks de tientallen miljarden die aan handhaving werden uitgegeven en alle levens die kapot werden gemaakt door arrestaties en gevangenisstraffen, konden de meeste Amerikanen makkelijk aan softdrugs komen.

    In 2008 bleek uit een data-analyse onder leiding van Louisa Degenhardt van het National Drug & Alcohol Research Centre van New South Wales dat langdurig cannabisgebruik in de VS en Nieuw-Zeeland (beide 42 procent) veel hoger was dan in andere landen. Het Nederlandse percentage was 20 (hoger dan de meeste andere Europese landen). Een gevolg van al dat blowen was dat jonge Amerikanen ontdekten dat softdrugs niet het grote kwaad waren.

    Barack Obama werd tot president gekozen nadat hij had gezegd: ‘Toen ik jong was, heb ik geïnhaleerd. Daar ging het juist om.’ (In zijn memoires uit 1995 Dreams From My Father heeft hij waarschijnlijk overdreven hoe vaak hij heeft geblowd.) Toch, zo legt Hudak uit, had Obama’s carrière behoorlijk kunnen ontsporen als hij als tiener was gearresteerd wegens het bezit van softdrugs – het lot van talloze zwarte jongeren, gezien het raciale onderscheid dat wordt gemaakt bij het handhavingsbeleid.

    De miljardairs George Soros en Michael Bloomberg hebben toegegeven dat ze wiet hebben gerookt. Nadat Elon Musk had getweet dat hij aandelen Tesla wilde terugkopen voor 420 dollar per stuk, beschuldigde de Amerikaanse beurstoezichthouder SEC hem van fraude: ‘Musk verklaarde dat hij de prijs had afgerond op 420 dollar omdat hij onlangs had vernomen dat het een bekend getal was in de marihuanacultuur en dacht dat zijn vriendin “het wel grappig zou vinden”, wat natuurlijk geen geweldige manier is om een prijs vast te stellen.’ (‘420’ is Amerikaans slang voor cannabisgebruik.)

    Therapeutisch effect

    Kortom, wiet wordt algemeen aanvaard in Amerika. De overheid en veel staten zetten de strijd ertegen voort: in 2016 werden 587.700 Amerikanen gearresteerd voor het bezit van marihuana, meer dan alle andere geweldsmisdrijven bij elkaar. De minister van Justitie, Jeff Sessions, is een softdrugsbestrijder à la Nixon. Maar hij heeft de tijd niet mee. Trump is zich ervan bewust dat de meeste Amerikanen nu voor legalisering zijn. Ludo merkt op dat zijn Amerikaanse klanten blasé worden: Vroeger keken ze bewonderend naar mijn menukaart. Nu zeggen ze waarschijnlijk: “Die gast verkoopt maar vijf soorten wiet.”’

    Ludo vindt het medicinale gebruik in Engeland een veelbelovend begin: ‘Totale legalisering zou ze goeddoen, dan zou die stiff upper lip eens wat ontspannen. En het schept meteen werkgelegenheid voor duizenden mensen.’

    Als softdrugs worden gelegaliseerd in de Angelsaksische wereld zou dat Ludo’s bedrijf kunnen schaden. Maar hij hoopt dat daardoor ook het hoognodige medische onderzoek naar cannabis van de grond zal komen. Wetenschappers hebben de plant nooit intensief bestudeerd, uit angst voor een politie-inval in het lab. Voor zo’n algemeen gebruikte drug is het merkwaardig dat we er zo weinig van weten.

    We beginnen net te begrijpen welk deel van de plant wat doet. Nu liggen er verdere ontdekkingen in het verschiet. Er is veel hoop gevestigd op het gebruik van cannabis bij allerlei kwalen, van pijn tot epilepsie tot multiple sclerose. Een eerste verkennende studie door Dame Sally Davies, Chief Medical Officer in Engeland [medisch hoofdadviseur van de regering], concludeerde dat er bewijs is dat medicinale cannabis gunstige therapeutische effecten heeft.

    Schadelijk

    Cannabis kan positieve effecten hebben, maar ook negatieve. Iemand die ik goed ken zag ik veranderen in een paranoïde futloze blower met een gat van tien jaar in zijn cv, waar hij lang nadat hij was gestopt met blowen nog last van heeft gehad. De Amerikaanse beroepsvereniging van longartsen waarschuwt dat ‘marihuana die wordt gerookt echt schadelijk [is] voor de menselijke long’ en dat ‘geregeld gebruik kan leiden tot chronische bronchitis en ervoor [kan] zorgen dat iemand met een verzwakt immuunsysteem vatbaarder is voor longinfecties’. Zware gebruikers hebben ook een grotere kans op het ontwikkelen van een psychose.

    In de VS heeft het legaliseren tot een lichte stijging van het aantal blowers geleid. Sinds deze week mogen op Facebook cannabisgerelateerde bedrijven vermeld worden in de zoekresultaten van gebruikers.

    De opkomende Amerikaanse cannabisindustrie heeft er, net zoals de tabaksindustrie en het casino, baat bij om zware gebruikers aan te moedigen. Typisch wellicht dat de VS van massale opsluiting in gevangenissen kan overgaan op gelegaliseerde overconsumptie.

    Ik begrijp het gevaar en toch verlaat ik de Paradox als een bekeerling. Een vriend van me die veel van drugs afweet, adviseerde me eens: ‘Je bent zo hyper, ga nooit cocaïne gebruiken. Jij hebt wiet nodig.’ In het late namiddagzonnetje wandelend langs de Amsterdamse grachten, begrijp ik wat hij bedoelde.

    Cannabis zou prachtig passen bij mijn overvolle leven als veertigjarige met druk werk en een gezin. Ik heb geen tijd om heel alternatief ’s middags stoned op een sofa te liggen (tenzij de krant me meer van deze opdrachten geeft). Ik wil gewoon af en toe ’s avonds een joint opsteken om te ontspannen (te unwinden, zoals Ludo het in Nederengels noemt). Softdrugs lijken een gezondere methode dan wijn.

    David Nutt, hoogleraar neuropsychopharmacologie aan het Imperial College London, voorspelt: ‘Het zal medicinaal breed worden ingezet, maar voor verschillende medicijnen.’ Volgens hem had de epidemische vormen aannemende verslaving aan opiaten in de VS voorkomen kunnen worden als artsen cannabis in plaats van opiaten hadden voorgeschreven.

    Ludo is met name enthousiast over een stofje in cannabis dat CBD (cannabidiol) heet. Het is niet psychoactief, maar het kalmeert en helpt je in slaap te vallen, zegt hij. ‘Mensen geven het aan hun kinderen, hun hond.’ Keurige mensen zoals zijn tandarts en accountant vragen hem ernaar. Coca-Cola verklaarde vorige maand dat ‘ze nauwkeurig de ontwikkeling van het non-psychoactieve CBD volgen om het eventueel als ingrediënt te gebruiken in specifieke gezondheidsdrankjes.’ Cannabidiol zou dan maatschappelijk weleens aanvaardbaarder kunnen worden dan suiker.

    Headshop

    Voor ik Amsterdam verlaat, bezoek ik nog een headshop om een speciaal pijpje te kopen (ik vond joints te bitter). Ik neem echt geen wiet mee naar huis in Frankrijk, waar het illegaal is; ik zal het kopen bij een vriend van me in de buurt van Parijs, die regelmatig iets in huis heeft.

    Bij een Nederlandse drogisterij kocht ik een pakje CBD-pillen uit een grote kast met cannabidiolproducten. ‘Niet verslavend’ staat er demonstratief op de verpakking.

    Auteur: Simon Kuper

    Financial Times
    Verenigd Koninkrijk | dagblad | 448.000

    Toonaangevende krant voor de Londense City en de rest van de wereld. Internationale economie en management worden uitputtend behandeld.

  • De dichteres van Instagram

    De dichteres van Instagram

    ‘Insta-dichter’ Rupi Kaur (24) verkocht 1,4 miljoen exemplaren van haar eerste boek, maar is ook voortdurend mikpunt van spot. Dankt de Canadees-Indiase haar succes echt alleen aan de korte
    spanningsboog van millennials? Of is ze haar tijd gewoon vooruit?

    Rupi Kaur, 24, wil zichzelf nogal eens in omgevingen parachuteren die van oudsher niet voor haar bestemd waren. Om ze vervolgens te domineren. Zo gebeurt het niet dagelijks dat een 22-jarige universiteitsstudente een foto van menstruatievlekken post en dan strijd moet voeren tegen de socialmediasite die de boodschap heeft verwijderd (‘Ik ga me niet verontschuldigen voor het feit dat ik weiger het ego en de trots van de vrouwenhatende maatschappij te voeden’, schreef ze toen. Haar aantal volgers verzevenvoudigde.) Evenmin gebeurt het dagelijks dat een meisje uit een dorpje in Hoshiarpur, Punjab, op The New York Times Bestsellers List terechtkomt en 1,4 miljoen exemplaren van haar eerste boek verkoopt. En het gebeurt ook niet dagelijks dat een jonge, krachtige gekleurde stem weerklank vindt over de hele wereld, zoals die van Kaur, of dat nou goed of slecht is.


    De insta-dichter staat bekend om haar korte, openhartige versregels met willekeurige afbrekingen en vlotte, vaak recht-voor-zijn-raap poëzie over onderwerpen als immigratie, de mensheid, misbruik, verkrachting, alcoholisme en feminisme. (Our backs/tell stories/no books/have the spine to/carry) Ze wordt bekritiseerd (en vaak bespot) omdat ze uit het niets bekend is geworden met iets wat als ‘makkelijk’ wordt beschouwd. Kaur is zich wel degelijk bewust van de commentaren die haar tijdlijnen overspoelen. ‘Het is net als bij hedendaagse kunst. Toen die een beweging werd, raakten mensen ook geïrriteerd van een schilderij met alleen maar een stip erop, en zeiden ze: “Dat is niet eerlijk, dat zou ik ook kunnen.”’ Kaur hanteert verschillende processen voor het gesproken woord en internetpoëzie. ‘Ik schreef lange gedichten van vier pagina’s en merkte dat ze gedrukt niet zo goed vielen als gesproken. Dus ging ik op zoek naar het gedeelte waar m’n maag van omdraaide en dat bracht ik dan naar buiten.’

    Het succes van Kaurs werk wordt deels toegeschreven aan de korte spanningsboog van millenials. De poëzie die zij voorschotelt is snel en vaak provocerend, en vrijwel altijd herkenbaar. Dat laatste is de redding voor een generatie die bevestiging en kameraadschap zoekt op het internet. Het is echter niet zo dat alle 1,4 miljoen exemplaren van Milk and Honey aan millenials werden verkocht. En dat is nu precies Kaurs verdienste: ze wordt door alle generaties heen gewaardeerd.

    Zelfhaat

    Toen Kaur vier was, verhuisde ze met haar moeder naar Toronto om zich te herenigen met haar vader, die in Hoshiarpur als elektricien had gewerkt. ‘Ons dorpje is een gemeenschap,’ zei ze. ‘Die plotselinge verhuizing naar Canada was heel eenzaam.’ De ervaring nestelde zich in haar emotionele gestel en ze kan zich herinneren hoe haar vader haar plaagde: ‘Hij dacht dat ik kon huilen als hij met zijn vingers knipte.’ Wat ook waar was, geeft ze toe. Kaur denkt dat dit haar bij het schrijven heeft geholpen.

    Toen Kaur opgroeide, las ze alles van Amrita Pritam tot Maya Angelou, Roald Dahl, Doctor Suess en Harry Potter. ‘Je groeit op met zo veel zelfhaat,’ zei ze. ‘Thuis zeiden mijn ouders dat ik uit de zon moest blijven, omdat ik anders te donker zou worden. Op school kreeg ik te horen dat ik heel breed gebouwd ben en overal haar had, dus ik dacht dat ik een mislukking was.’ Ze gebruikte poëzie als ontlading. (We are all born/so beautiful/the greatest tragedy is/being convinced we are not)

    Rupi Kaur verhuisde op haar vierde van Punjab naar Toronto. – © Getty Images
    Rupi Kaur verhuisde op haar vierde van Punjab naar Toronto. – © Getty Images

    Kaurs positie van immigrant dreef haar echter niet af van haar sikh-identiteit, die haar niet alleen bij haar schrijven inspireert, maar haar op slechte dagen nog steeds kracht geeft. ‘Sikhs werden vermoord door de Mongolen. Maar ze hebben zich aan dat gevaar ontworsteld, en enerzijds vind ik dat heel pijnlijk, maar anderzijds geeft me dat juist kracht. De boodschap is dat ik afstam uit een cultuur die heeft overwonnen.’ [Het sikhisme is een monotheïstische religie die vooral in de Indiase staat Punjab wordt aangehangen.] Kaur is haar portie controversen ook wel te boven gekomen. Een paar maanden geleden werd ze door Twitteraars beschuldigd van plagiaat op mede-Tumblr dichter Nayyirah Waheed. Zoals dat gaat met nieuws op internet, werd ze verontwaardigd aan de gescherpte hooivorken van 140 karakters geregen. Dit incident leidde echter ook tot een grotere discussie over poëzie, ervaringen en vertellingen van gekleurde vrouwen die in deze nieuwe epigrammatische stijl schrijven. ‘Ik heb geen plagiaat gepleegd,’ zegt Kaur. ‘Mijn ervaring vertegenwoordigt waarschijnlijk een procent, maar mijn stem is belangrijk, net als al die andere ervaringen. We gaan heel veel vergelijkbare ervaringen horen. Maar het zou toch oneerlijk zijn om als ik over seksueel misbruik schrijf en een ander jong, bruin meisje gaat dat toevallig ook doen, te zeggen dat zij bezig is met plagiaat of toe-eigening?’ Kaur denkt dat dit een moment in de tijd vertegenwoordigt en vergelijkt het met de renaissance of victoriaanse periode. ‘Die perioden werden later zo genoemd omdat er bewegingen waren die bepaalde tijden, bepaalde metaforen, bepaalde thema’s herhaalden,’ zegt ze.

    Voor haar volgende boek, waarvoor ze op het punt staat op tournee te gaan, vertelt Kaur te zijn geïnspireerd door zonnebloemen. ‘Ik dacht, stel dat we allemaal onze eigen zon zijn? En de bloemen zijn verschillende mensen en ervaringen die we opdoen in het leven.’ Dit boek met vijf hoofdstukken (Verwelking, Neervallen, Wortelschieten, Groeien, Bloeien) is in essentie de reis door de levenscyclus van een plant, maar vertelt ‘naar buiten gekeerde’ – in tegenstelling tot bespiegelende – verhalen over migratie en andere ervaringen. Hoewel het schrijfproces bij dit boek moeizaam was voor de zeer zelfkritische Kaur, volhardde ze en schreef ze onvermoeibaar de hele dag door. ‘Als je als artiest je kunst aan de wereld laat zien, zul je nooit goed genoeg zijn. Er zal altijd wel iemand zijn die je weet te raken,’ zei ze. ‘We moeten ons op ons werk concentreren. Dat zal ons overleven en dat zal de haat overleven.’

    Auteur: Asmita Bakshi
    Vertaler: Tineke Funhoff

    India Today
    India | weekblad | oplage 1.600.000

    India Today werd in 1975 opgericht en wordt tegenwoordig uitgegeven in het Hindi, Tamil, Malayalam 
en Telugu.

  • Migratiebeleid houdt Canada jong

    Migratiebeleid houdt Canada jong

    Zonder migranten zou de Canadese bevolking krimpen, net als in Europa en Azië. Maar door verlicht bestuur kent het land een gezonde bevolkingsgroei, schrijft John Ibbitson.

    Volgens de laatste statistieken is Canada de meest gezegende plek op aarde, met een dynamische, diverse en betrekkelijk jonge bevolking die zal blijven groeien totdat we, halverwege deze eeuw, enkele van de grootste Europese landen qua inwonertal naar de kroon zullen steken. Deze blijde tijding danken we aan drie decennia verlicht bestuur – iets wat we in gedachten moeten houden als we weer eens mopperen over die idioten in Ottawa.

    Wie sceptisch staat tegenover het multiculturalisme – en dan bedoel ik vooral de kandidaten voor het leiderschap van de Conservatieve Partij – zou de laatste gegevens van de volkstelling van 2016 eens moeten doornemen.

    Voor het eerst in de geschiedenis telt ons land meer ouderen dan kinderen. Dat wordt voornamelijk op het conto geschreven van de vergrijzende babyboomers. Een belangrijker reden, die over het algemeen wordt genegeerd, 
is dat het Canadese vruchtbaarheidscijfer (het gemiddelde aantal kinderen per vrouw) 1,6 bedraagt, een halve baby minder dan de 2,1 kinderen die nodig zijn om een bevolking op peil te houden.

    De Europese bevolking wordt uitgehold door de aanhoudende vrees voor hoge immigratieaantallen in combinatie met lage vruchtbaarheidscijfers

    Desondanks is de Canadese bevolking tussen 2011 en 2016 met 5 procent gegroeid en zal ze ook de komende decennia blijven groeien, tot 50 miljoen in 2060. Dat is te danken aan dertig jaar forse immigratie. In 1992 mikte de regering van Brian Mulroney op 250 duizend nieuwkomers per jaar. Jean Chrétien en Paul Martin handhaafden die doelstelling. Stephen Harper en Justin Trudeau hebben de ambitie verder verhoogd, tot 300 duizend immigranten en vluchtelingen per jaar. Het gevolg is, zoals iedereen weet, dat vandaag de dag een op de vijf Canadezen niet in Canada geboren is.

    Hierin verschillen we van de meeste ontwikkelde landen en vele ontwikkelingslanden. In 2060 zal Canada ongeveer evenveel inwoners tellen als Italië, dat volgens de Afdeling Bevolking van de Verenigde Naties zal slinken van de huidige 60 miljoen naar 50 miljoen. De Europese bevolking wordt uitgehold door de aanhoudende vrees voor hoge immigratieaantallen in combinatie met lage vruchtbaarheidscijfers. Sommige uitzonderlijk xenofobe Oost-Europese landen zullen daar het meest onder lijden. Bulgarije zal tussen nu en 2060 de helft van zijn bevolking verliezen.

    Maar Europa staat hierin niet alleen. In 2060 zal de bevolking van Japan zich in een vrije val bevinden, van net iets minder dan 130 miljoen tot net iets meer dan 100 miljoen, en aan het eind van deze eeuw nog maar 80 miljoen. Ook Zuid-Korea, Singapore en Thailand zullen hun bevolking zien slinken. Zuiver getalsmatig zal China het grootste verlies lijden, van een piek van 1,4 miljard rond 2030 naar 1,25 miljard in 2060. Dat scheelt 150 miljoen mensen.

    Chinees-Canadese jongeren tijdens de jaarlijkse Canada Day-optocht in Montreal. – © Graham Hughes / HH
    Chinees-Canadese jongeren tijdens de jaarlijkse Canada Day-optocht in Montreal. – © Graham Hughes / HH

    Veel demografen verwachten dat de afname van de nationale bevolkingscijfers eerder zal intreden en groter zal zijn dan de voorspellingen van de VN.

    Al deze niet-geborenen zullen de druk op het milieu verlichten. Maar ze zullen ook voor economische problemen zorgen, net zoals de toenemende levensverwachting en de lagere vruchtbaarheidscijfers de gezondheidszorg en de pensioenstelsels zullen ondermijnen. Een tekort aan jonge stellen met kinderen zal de markt voor huisvesting, luiers en andere baby- en kinderartikelen verkleinen. Het tekort aan arbeidskrachten zal toenemen, al zal dat gedeeltelijk worden gecompenseerd door de toenemende productiviteit.

    Sommige mensen geloven dat de bevolkingsafname kan worden tegengegaan door vrouwen aan te moedigen meer kinderen te krijgen. Maar ondanks fanatieke pogingen in Zweden, Singapore en elders is geen enkele regering erin geslaagd het vruchtbaarheidscijfer weer op 2,1 te brengen. En als je er goed over nadenkt, is het beledigend een vrouw om te kopen om in het belang van de natie nog een derde kind te krijgen.

    Immigratie alleen is niet het antwoord op bevolkingsafname. Als de oorspronkelijke bevolking zich niet vierkant achter het multiculturalisme schaart, zullen immigranten er wellicht niet in slagen te integreren en zich terugtrekken in verarmde en rancuneuze etnische enclaves – iets wat we ook in delen van Europa zien.

    Magisch mengsel

    Canada heeft deze valstrik grotendeels ontweken door nieuwe Canadezen van over de hele wereld te halen in plaats van voornamelijk uit één regio, waardoor de diversiteit werkelijk wordt gewaarborgd.

    Maar dit magische mengsel van hoge immigratieaantallen en multiculturele diversiteit moet steeds weer worden verdedigd en uitgelegd. De Verenigde Staten zouden hun bevolking de komende decennia ook moeten zien groeien – aan het eind van deze eeuw zou de bevolking van China minder dan twee keer zo groot kunnen zijn dan die van de VS – maar president Trump zet die toekomst op het spel met zijn pogingen om de Amerikaanse grenzen en geesten hermetisch af te sluiten.

    Elke dag moeten we pleiten voor een multicultureler Canada. We moeten afspreken om dat samen te doen. Het alternatief is stagnatie en verval.

    Auteur: John Ibbitson

    John Ibbitson (1955) is politiek journalist 
en columnist voor The Globe and Mail. 
Hij schreef verschillende boeken, 
waaronder een biografie van voormalig Canadees premier Stephen Harper.

  • Een reis om Canada in 150 dagen

    Een reis om Canada in 150 dagen

    Ter ere van de 150ste verjaardag van Canada vaart een schip met driehonderd wetenschappers, kunstenaars, gemeenschapsleiders en andere Canadezen van alle mogelijke verschillende achtergronden in honderdvijftig dagen rond het land. Doel: verzoening met inheemse volkeren en het vieren van diversiteit.

    Een nieuwe dag van de reis rond Canada loopt ten einde. De Canada C3 ligt aangemeerd in Picton Harbour in Prince Edward County, in de provincie Ontario. De zon schijnt en het kalme water glinstert.

    De dronepiloot staat op het punt een van zijn machines de lucht in te sturen. De rubberboten brengen expeditieleden terug naar het schip na hun verkenningsrondes en het maken van publiciteit voor de reis.

    In de erfgoedhut, bestemd voor verzoening met de inheemse volkeren, zingt een rustige jongeman een Mohawk-lied en legt daarna de oorsprong en betekenis uit van het traditionele lacrossespel. Op het achterdek schenkt een plaatselijke wijnmaakster, die over de reis heeft gehoord en haar steentje wil bijdragen, bekers wijn in en legt uit hoe ze haar wijnstokken verzorgt. Ze doneert negen kisten.

    Bron: The Globe & Mail / Courrier international
    Bron: The Globe & Mail / Courrier international

    Het ‘Canada C3’-project begon met een simpel idee: in 150 dagen rond Canada varen om de 150ste verjaardag van het land te vieren. Een oude ijsbreker zal 
de 23.000 kilometer van Toronto naar Victoria afleggen via de Noordwest 
Passage, van kust naar kust naar kust. Vandaar ‘C3’. Maar de expeditie wil veel meer zijn dan alleen maar een maritiem avontuur of een verjaardagsfeestje. Expeditieleider Geoff Green wil de Canadese tongen niet alleen losmaken over de wonderen van het land en de wateren waardoor het wordt omringd, maar ook over de gebreken en de toekomst ervan.

    Een van de thema’s is verzoening met de inheemse volkeren. Het schip heeft een speciale erfgoedhut, die voorafgaand aan het vertrek is ingezegend door een inheemse voorganger. Een schildpadsymbool siert de scheepsschoorsteen: diverse inheemse volkeren noemen de wereld ‘Schildpadeiland’.

    Een ander thema is diversiteit. De expeditie heeft Canadezen met alle mogelijke verschillende achtergronden aan boord genood, om een zo groot mogelijke mix te bereiken. Tijdens een wandeling over het vasteland sprak een van oorsprong Filipijnse dichter van het gesproken woord met een countryzanger van de Westkust over het betrekken van een inheemse kunstenaar bij hun plan om een lied over de reis te schrijven.

    Inheems protest

    Geoff Green zegt dat toen inheemse leiders begonnen te protesteren dat 
ze niet wilden meedoen aan de viering van de honderdvijftigste verjaardag van een land dat zijn oorspronkelijke bevolking zo slecht had behandeld, ‘duidelijk werd dat we niet alleen maar van de daken konden schreeuwen hoe geweldig we zijn’.

    Daarom besloot hij meer mensen bij de expeditie te betrekken en het programma evenwichtiger te maken. Bijna vijfduizend mensen reageerden op de uitnodiging om deel te nemen aan een van de vijftien trajecten van de reis. Green en zijn team kozen er driehonderd uit: muzikanten en andere kunstenaars, wetenschappers, natuurkenners, 
gemeenschapsleiders, nieuwkomers in Canada, historici, ‘jeugdambassadeurs’ en inheemse voorgangers.

    Tot de groep van het eerste traject, van Toronto naar Montreal, behoort: een visserijexpert met een grote liefde voor palingen die iedereen aan boord een tattoosticker van een paling overhandigt, iemand van de grensbewaking die als hobby mooie whisky’s recenseert, een schipper die met walvissen zwemt en ooit met een catamaran van vijfenhalve meter lang door de Noordwest Passage heeft gezeild, een sprankelende, natuurminnende onderwijzeres uit Calgary en een student Internationale Ontwikkeling die betrokken is bij een schoonwaterprogramma in Jemen. Om nog maar te zwijgen van de vaste bemanning van het schip, een verzameling types die veelal uit Newfoundland komen en luisteren naar bijnamen als Mud Trout, Angry Bird en Flower. Green zelf is een expeditie-veteraan die 92 reizen naar Antarctica heeft ondernomen, zo’n 40 naar het noordpoolgebied en ook talrijke bezoeken aan andere uithoeken van de wereld heeft gebracht. Hij is oprichter van de Students on Ice Foundation, die educatieve reizen naar het noordpoolgebied en Antarctica organiseert.

    Toen ze bedachten wat ze voor de 
honderdvijftigste verjaardag moesten doen, hingen hij en zijn team een kaart van Canada aan de muur. Ze maakten wat snelle berekeningen en concludeerden dat het 148 dagen zou kosten om de drie kusten aan te doen. Waarom zouden ze daar geen rond getal van 150 van maken? ‘Vergeet die honderdvijftigste verjaardag, ik vond dat we iets nodig hadden wat zou inspelen op hoe mensen over het land denken,’ zegt hij. ‘Niet alleen op de schoonheid ervan, maar op alles wat we verder nog hebben: de mensen, 
de cultuur, de natuur, de geschiedenis, 
de wetenschap.’

    Om de expeditie voor te bereiden was men maandenlang bezig om geld in te zamelen, te lobbyen en te plannen wie wanneer waarnaartoe zou gaan. 
De kosten bedragen zo’n tien miljoen Canadese dollar, waarvan 60 procent van de regering komt en de rest van talrijke privésponsors.

    1. Bij de Pessamit-indianen; 2. Op Anticosti (© Jo-Ann Wilkins); 3. Expeditieleider Geo Green; 4. De C3 (© Mike Sudoma).
    1. Bij de Pessamit-indianen; 2. Op Anticosti (© Jo-Ann Wilkins); 3. Expeditieleider Geo Green; 4. De C3 (© Mike Sudoma).

    Greens eerste taak was het vinden 
van een schip dat sterk genoeg was 
om door de Noordwest Passage te varen en groot genoeg voor zo’n zestig bemanningsleden. Dat viel niet mee. De Canadese kustwacht had geen 
schepen over. Varen onder een buitenlandse vlag leek verkeerd. Ten slotte vond hij een voormalige ijsbreker van de kustwacht die assisteerde in de Atlantische olievelden voor de kust van Newfoundland.

    Dit drijvende fort blijkt perfect voor de reis. De oude helikopterhangar is omgetoverd tot een ontmoetingsruimte en lezingenzaal, met een kano van berkenschors aan het plafond. Voor middernachtelijke jamsessies door de diverse gitaristen en andere muzikanten aan boord moet je naar de bemanningsruimte.

    Op het dek zijn grote zwarte rubber-boten vastgesjord, die in het water worden neergelaten om expeditieleden naar het vasteland en terug te brengen. In een scheepscontainer is een laboratorium gevestigd voor de zich aan boord bevindende wetenschappers. Met een bolvormige satelliet beschikt het schip over de modernste technologie die het team nodig heeft om het verhaal van de reis via video, sociale media, podcasts en andere platforms te verspreiden. Zes drones staan klaar om te filmen wat er gebeurt. De lading omvat tweeduizend ijshockeysticks om uit te delen aan gemeenschappen in Noord-Canada waarnaar de C3 op donderdagavond koers zet vanaf een kade in de haven van Toronto, toegejuicht door een enthousiaste menigte en na een behouden vaart te zijn toegewenst door Elizabeth Dowdeswell, de vicegouverneur van Ontario. Voordat hij aan boord ging voor de tien dagen durende reis naar Montreal hield Geoff Green een houten model in de lucht van de hoofpersoon van Holling Clancy’s geïllustreerde kinderboek Paddle to the Sea, die vanaf de punt van het Bovenmeer via de Grote Meren helemaal naar de Atlantische Oceaan kanoot. Green beloofde dat hij Paddle in het water van alle drie de kusten zou dopen.

    Soms voelt de expeditie als een zomerkamp voor volwassenen – vol omhelzingen, blijmoedigheid, groepsontbijten en de gebruikelijke ongelukjes

    De Canada C3 verliet de kade en voer langzaam in de richting van het Ontariomeer terwijl de avond viel en de lichtjes van de skyline van Toronto begonnen te flonkeren. De volgende ochtend bevond het schip zich voor de kust van de False Duck-eilanden aan de oostkant van het Ontariomeer, waar wetenschappers watermonsters namen. Vandaar voer het de Adolphus Reach op, naar de eerste stop tijdens zijn lange reis: Picton.

    De expeditieleden kregen een warme ontvangst en een al even warme avondmaaltijd in de Prince Edward Yacht Club, waar een Mohawk-opperhoofd een gebed uitsprak, de burgemeester een toespraak hield en de voorzitter van de club Green verblijdde met de driehoekige clubvlag om zijn schip mee te tooien. De vijftigjarige Green genoot van de ontvangst en zei dat het eindelijk tot hem doordrong dat de reis was begonnen. Zijn kinderen, Fletcher van negen en Nellie van zes, klampten zich vast aan zijn been terwijl hij sprak.

    De volgende dag stond in het teken van een bezoek aan de kaasmarkt van Picton, een wandeling met een gids door het Sandbanks Provincial Park en een tripje met de palingliefhebber om te zien hoe bedreigde Amerikaanse palingen met elektronische zendertjes werden uitgerust.

    Ook al lijken de doelstellingen van de reis, zoals het genezen van oude wonden, integratie, milieubewustzijn en het aanspreken van de jeugd, misschien ambitieus en zwaar – Justin Trudeau zou een prima bemanningslid zijn geweest – toch wordt het nooit potsierlijk. Soms voelt de expeditie als een zomerkamp voor volwassenen – vol omhelzingen, blijmoedigheid, groepsontbijten en de gebruikelijke ongelukjes.

    Op zaterdag had een van de deelnemers, een jonge vrouw, een beugel en krukken nodig nadat ze haar been had bezeerd; een ander expeditielid moest naar het ziekenhuis vanwege een allergische reactie op iets wat hij had gegeten. Daarna begonnen zich rijen voor de scheepstoiletten te vormen.

    Ook kan het gebeuren dat de stemming omslaat en er emoties opwellen. Een vrouw uit Yelllowknife vertelde een groep die zich in de hangar had verzameld over haar vader die veertien jaar op kostschool had gezeten, ver van zijn familie, en die na haar geboorte gestopt was met drinken om haar fatsoenlijk te kunnen grootbrengen. Die zondag namen de expeditieleden in Kingston deel aan het traditionele KAIROS-evenement, waarbij de deelnemers op dekens moeten gaan staan die de landen van de inheemse volkeren voorstellen; naarmate er meer Europese pioniers neerstrijken, neemt het aantal dekens geleidelijk af, net als destijds het land en de inheemse bevolking.

    Dit is misschien waar Geoff Green op hoopte, een kans om je te verwonderen over de pracht van een door water omzoomd land, en tegelijkertijd stil te staan bij de pijnlijke complexiteit van de geschiedenis. Wat begon als een avontuurlijke reis is gaandeweg een veel belangrijkere expeditie aan het worden.

    Auteur: Marcus Gee

    The Globe and Mail
    Canada | dagblad | oplage 321.000

    Gelezen van oceaan tot oceaan, serieus en niet-geëngageerd; deze krant uit Toronto is het toonaangevende dagblad in Canada.

  • Canadees eiland wacht op Trumpvluchtelingen

    Canadees eiland wacht op Trumpvluchtelingen

    Na de verkiezing van Donald Trump kondigden veel Amerikanen aan naar Canada te willen verhuizen. Op het ontvolkte eiland Cape Breton waren ze van harte welkom. Maar de praktijk bleek weerbarstiger dan gedacht.

    De eerste tekenen van wat Rob Calabrese is gaan zien als een op drift geraakt Amerika, dienden zich vorig jaar aan, vlak nadat Donald Trump de eerste primary had gewonnen en Calabrese een website van 28 dollar opzette, die hij in een halfuur had ontworpen. ‘Hallo Amerikanen!’ begon hij, en wat volgde was een verkooppraatje voor een eiland waar moslims in alle vrijheid konden ‘ronddwalen’, en waar de enige muren ‘de daken stutten’ van de ‘zeer betaalbare’ huizen.

    ‘Zegt het voort!’ schreef Calabrese, bij een foto van een verlaten strand aan de Atlantische Oceaan. ‘Verhuis naar Cape Breton als Donald Trump wint!’

    Het was bedoeld als grap, maar zeven uur nadat Calabrese de site had gelinkt aan de Facebookpagina van het radiostation waar hij als dj werkt, kwam er een e-mail binnen uit Amerika. ‘Ik weet niet zeker hoe serieus dit is, maar ik zeg ja.’ En even later: ‘Ik moet er niet aan denken om te vertrekken, maar dit land stevent op de afgrond af.’ Binnen vierentwintig uur had hij tachtig berichten ontvangen. Binnen een week waren dat er tweeduizend, en in veel van die berichten keerden dezelfde woorden terug: ‘gespannen’ en ‘bang’ en ‘help’.

    De mails stroomden binnen en al snel nam de toeristeninformatie op het eiland vier tijdelijke medewerkers in de arm om antwoord te geven op alle verzoeken om informatie, afkomstig uit vrijwel alle Amerikaanse staten en honderden verschillende steden. Calabrese kreeg de indruk dat Amerika vooral werd bevolkt door mensen die er weg wilden. ‘Moet je dit lezen,’ zegt hij, terwijl hij door een spreadsheet scrolt met alle aanvragen. Hij stopt bij nummer 2121. ‘Ik ben een ex-marinier en ik ben twee keer uitgezonden naar Irak. En ik wil hier weg.’

    Jimmy en Cathleen

    Er zijn mails van een moleculair bioloog, een professor aan de universiteit van Oregon, een granietwerker, iemand die voor het Center for Disease Control and Prevention werkt, een vrouw die als woonplaats had ingevuld: ‘Alabama, helaas’. Er zijn inkomensverklaringen, er worden financiële gegevens verstrekt, en gegevens over seksuele voorkeur en toekomstverwachtingen voor de kinderen. Soms is er een cv bijgesloten. ‘Ik kan het niet aanzien, wat er met mijn fantastische land gebeurt,’ begint een van de mails.

    ‘Ik wil niets liever dan met mijn dochters vertrekken naar het veilige en verstandige Canada’, staat te lezen in mail nummer 3248.

    Ergens rond mail nummer 4230 wordt Trump gekozen tot president van de Verenigde Staten, en net voor zijn inauguratie komt mail nummer 4635 binnen. ‘Wil graag emigreren van Colorado naar Cape Breton,’ begint de mail. ‘Ik ben gediplomeerd juridisch assistent en mijn vrouw is advocaat.’

    Calabrese leest de mail, probeert zich een beeld te vormen van degene die hem heeft geschreven, en wacht dan op de mails die zullen volgen.

    Deze mail is geschreven door Jimmy Gantenbein en Cathleen McEwen, op hun bank in de woonkamer van hun huis in Loveland, een plaats zo’n vijfenzeventig kilometer ten noorden van Denver. Een maand later staan de meubels uit de woonkamer opgeslagen in de garage. Ze hebben contact opgenomen met een makelaar. Ze hopen binnenkort hun huis te koop te zetten.

    ‘Geef me even een spijker, wil je?’ zegt Cathleen (61), die bezig is de slaapkamer op te knappen.

    ‘Hier, Cat,’ zegt Jimmy van 54.

    Ze hebben dit huis gekocht toen ze net getrouwd waren – Jimmy’s tweede huwelijk, Cathleens derde huwelijk – en zeventien jaar later kennen ze het huis bijna net zo goed als ze elkaar kennen. Vanuit hun slaapkamer hebben ze uitzicht op de Rocky Mountains. Het late middaglicht verwarmt het kleedje waar hun oude poedel altijd zo graag mocht liggen. Twee keer rechts afslaan en een keer naar links en ze zijn bij de supermarkt. Hun huis ligt aan een doodlopende straat, met nog twee andere huizen, en Cathleen heeft een paar jaar in de gemeenteraad gezeten. Ze hebben Democraten en Republikeinen onder hun vrienden. Toen Cathleens zoon, een reservist, in 2005 terugkeerde uit Irak, kwamen er honderdvijftig mensen naar de feestelijke barbecue.

    Toen deed Donald Trump zijn intrede in hun bestaan. Hij was op tv. Hij was in hun stad, hield een bijeenkomst op vijftien kilometer van hun huis, waar drommen mensen op afkwamen. Hij was zelfs in hun buurt: in verschillende tuinen doken bordjes op met zijn naam. Tijdens de voorverkiezingen was het net alsof hij ook hun eigen tuin was binnengedrongen, toen een buurman kwam vertellen dat hij achter Trump stond. Wij stemmen op Bernie, hadden Jimmy en Cathleen gezegd, en hoewel het gesprek kort en vriendelijk was, hebben ze de buurman daarna niet meer gesproken.

    ‘We voelen ons hier buitenstaanders,’ zegt Cathleen. Ze hebben het gevoel dat Amerika het spoor bijster is, iedereen is zo ‘boos’ en ‘bekrompen’ en ‘reactionair’ dat er weinig anders op zit dan een drastische stap. ‘Ik herken het land waar ik ben geboren niet meer,’ zegt Cathleen. ‘Ik ben geboren in een bekrompen, anti-intellectueel land. Ik heb er éénenzestig jaar en één verkiezing voor nodig gehad om dat in te zien.’

    Dus nu hebben zij ook een mapje ‘Emigreren’ op hun computer, vol informatie over Panama en Belize en Costa Rica en Canada. Ze hebben de website van Cape Breton gebookmarkt en webalerts ingesteld voor onroerendgoedaanbiedingen op het eiland. Ze hebben met een immigratiejurist in Canada gepraat.

    Er moeten zoveel knopen worden doorgehakt. Moeten ze hun spullen verkopen? Moeten ze afstand doen van hun staatsburgerschap? Zullen ze de band met hun kinderen en kleinkinderen weer kunnen herstellen? En als ze naar Cape Breton gaan, zullen ze dan spijt krijgen? Ze weten dat het er koud is. Ze weten dat de huizen goedkoop zijn. Maar ze zijn er nog nooit geweest.

    ‘Het is een risico om te blijven en het is een risico om te gaan,’ zegt Cathleen.

    ‘We weten het gewoon niet,’ zegt ze.

    ‘Het is een dilemma,’ zegt hij.

    Niet lang daarna belt hun makelaar. De huizen gaan snel van de hand in Loveland. Nog acht weken en er staat een bordje ‘Te koop’ in hun tuin.

    Cape Breton dan misschien maar.

    Glace Bay, aan de oostkant van het eiland. – © Rural Communities of Nova Scotia
    Glace Bay, aan de oostkant van het eiland. – © Rural Communities of Nova Scotia

    Cape Breton dan misschien maar, en misschien ook maar het huis waar Valarie Sampson, een makelaar die door een handvol Amerikanen in de arm is genomen, nu voor staat. Aan zee. Een gerenoveerde boerderij. Zo’n zeshonderd vierkante meter land. 220 duizend Canadese dollars. Staat al meer dan drie jaar te koop.

    ‘Het is een schitterend huis voor wie overal aan wil ontsnappen,’ zegt Sampson, die in haar SUV stapt en over het eiland rijdt waar niemand meer naartoe komt, waar de mensen juist wegtrekken. Het eiland heeft ooit goed verdiend aan de kolen, maar die inkomstenbron is opgedroogd en er is nog niets anders voor in de plaats gekomen. Jaarlijks overlijden er zo’n duizend mensen, of ze trekken naar grote steden als Toronto of Halifax. Alle budgetten worden teruggeschroefd. Alleen al het afgelopen jaar zijn er tien scholen gesloten. De werkeloosheid is opgelopen tot 15,5 procent. Het bevolkingsaantal is teruggelopen tot 130 duizend, en op Cape Breton zie je dan ook honderden verlaten huizen, klaar voor de sloop, en nog honderden andere die te koop staan.

    Sampson weet dat de zomers er hier heel anders uitzien. Dan komen de toeristen. De kreeft- en pizzarestaurants gaan weer open. Op het meer krioelt het van de zeilbootjes. ‘De ligging is onovertroffen,’ zegt ze. ‘Welke kant je ook op gaat, een uur rijden en je bent op het strand.’

    Maar vier of vijf maanden per jaar is dit een plek met korte dagen, ijzige temperaturen en gladde stoepen, waar aan ijshockey wordt gedaan en waar de mensen elkaar opzoeken in kroegjes en donutshops. Als Sampson terugrijdt naar haar kantoor lijkt er helemaal niets te gebeuren in Sydney, de grootste stad van het eiland. Er is alleen een vergadering van vrijwilligersorganisaties, over wat er gedaan kan worden om het eiland te redden.

    ‘Als er geen mensen komen, zijn we ten dode opgeschreven,’ zegt Rankin MacSween, hoofd van een buurtcomité.

    ‘We hebben al niet zo’n grote bevolking, en hij blijft maar slinken, in hoog tempo,’ zegt een jurist. ‘Je hoeft geen wiskundig genie te zijn om uit te begrijpen dat de tijd dringt.’

    Er wordt een vijf pagina dik rapport doorgenomen, waarin staat dat het eiland jaarlijks tweeduizend mensen moet zien te trekken om levensvatbaar te blijven. Al tientallen jaren slaagt men er niet in aan de wederopbouw te werken.

    Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen

    Maar nu heeft het eiland iets nieuws – Calabreses website. Cape Breton is bekender dan ooit. ‘We krijgen duizenden mails,’ zegt iemand op de bijeenkomst. Maar dat is nog wel iets anders dan duizenden mensen die zich ook echt op het eiland vestigen. Canada heeft strenge migratiewetten. Je kunt er niet gewoon gaan wonen omdat je dat wilt. Aanvragen worden beoordeeld op criteria als leeftijd en vakkennis en de bijdrage die je kunt leveren aan de economie. Wie een mail stuurt naar Cape Breton krijgt te horen dat hij een aanvraag moet indienen bij de Canadese immigratiedienst. Hij of zij krijgt een link om een procedure in gang die zetten die zomaar een jaar kan gaan duren.

    Dus misschien dat er ooit Amerikanen zullen komen, maar nu is het nog niet zover. Naarmate Calabrese meer reacties kreeg, heeft hij de tekst op de site aangepast, zodat het allemaal iets minder politiek is – en niet langer vooral gericht op Amerikanen.

    ‘Om eerlijk te zijn,’ heeft Calabrese geschreven, ‘is iedereen welkom, ongeacht zijn of haar ideologie. Kom hierheen!’

    ‘We moeten hier goed over nadenken,’ zegt de jurist terwijl de bijeenkomst op z’n einde loopt. ‘Wat voor soort mensen willen zich hier vestigen?’

    Een antwoord op die vraag kan even verderop worden gevonden, in een huis dat helemaal kaal is gehaald en dat een jaar leeg heeft gestaan, totdat er een gezin met zeven kinderen is komen wonen, afkomstig uit Syrië. De kinderen zijn net uit school. De televisie staat aan. De kinderen zitten bij elkaar gekropen op de bank. ‘Wat ben je aan het tekenen?’ vraagt de vader, Ahmad Hamadi, van vijfendertig, aan Mohamad, zijn tienjarige zoon. ‘Een Pokemon,’ zegt Mohamad.

    Dit zijn de mensen die naar Cape Breton zijn gekomen: Syrische vluchtelingen die hun land niet alleen hebben achtergelaten, maar het zelfs hebben moeten ontvluchten. Tot nog toe zijn er vierenvijftig vluchtelingen gekomen, en Ahmad en zijn gezin behoren tot de laatste groep die is gearriveerd. Nadat ze uit Syrië waren gevlucht en een paar jaar in Libanon hadden gezeten, waren ze hier terecht gekomen dankzij de steun van een kerkelijke groepering op een eiland waar ze nog nooit van hadden gehoord. Ze zijn achtenveertig uur onderweg geweest: van Beiroet naar Caïro en dan door naar Toronto en vervolgens naar Cape Breton. Ze landden om halftwee ’s nachts. Ze werden in een busje gezet en toen de zon opkwam stond Ahman ineens in een huis vol meubels en eten en speelgoed. Het was allemaal van hem, terwijl niets hem vertrouwd voorkwam.

    Vergeleken met waar hij vandaan kwam was het buiten stil. Er was stroom. De kinderen gingen naar school. Ahmad hing een Canadees vlaggetje op de voordeur en elke dag dat hij de deur uit ging, was een nieuwe kans om te wennen aan een nieuw thuis.

    Hij solliciteerde op vacatures bij Value Village en een bouwmaterialenonderneming, waar een tolk hem terzijde stond bij de sollicitatiegesprekken, maar vergeefs. Hij informeerde naar werk bij een Libanees restaurant, maar de eigenaar wilde geen onervaren iemand in dienst nemen. Zo gingen er maanden voorbij. Hij haalde zijn rijbewijs. Hij ging gewichtheffen in de sportschool, tegen de stress. Hij overwoog zich aan te melden voor de late dienst bij McDonald’s, maar een van de mensen van het kerkcomité dat hem sponsorde, zei dat hij moest zorgen dat zijn Engels beter werd, zodat hij makkelijker aan werk zou kunnen komen.

    Voor de oorlog had Ahmad een winkeltje gehad, in een plaats niet ver van Damascus. Hij woonde in dezelfde straat als zijn ouders en zijn drie broers en zussen. ’s Avonds laat ging hij met zijn vrienden ergens shoarma of kip eten. Hij is vier jaar geleden gevlucht en zijn familie is uitgewaaierd over drie continenten. Van zijn vijf beste vrienden zijn er vier om het leven gekomen, denkt hij.

    ‘De ene dag had ik een auto, een huis, een leven,’ zegt Ahmad. ‘De volgende dag was ik het allemaal kwijt.’

    Het lot is Ahmad gunstiger gezind geweest dan vrijwel iedereen die hij kent, maar door de noodlottige ontwikkelingen in het land waarvan hij van houdt, is hij hier beland, kijkt hij nu uit over een tuin met dikke lagen sneeuw en een Canadese zon die al vroeg aan de einder verdwijnt.

    Huis in de verkoop

    ‘Cat, zag je dat!’

    Cathleen en Jimmy rijden tegen de schemering terug van een autoruitreparatiebedrijf wanneer een grote, witte uil vlak langs hun voorruit scheert. Niet lang daarna zitten ze thuis en praten over de uil die vroeger in hun voortuin huisde, over de eland die achter het huis rondscharrelde, en over deze tijd van het jaar, waar ze altijd zo dol op zijn geweest.

    Elk voorjaar zetten ze de ramen wijd open in hun doodlopende straat, horen de vogels in de sparren, zien de krokussen en de hyacinten uit de verse muls rond het huis schieten. De zon gaat steeds later onder. Ze kunnen weer barbecueën. Ze zullen de buren weer vaker zien. En soms maken ze een uitstapje in hun SUV: in oostelijke richting, over de vlakten richting de Ozarks, of misschien naar het westen, door de bergen tot voorbij de Continental Divide, op zoek naar meren om te vissen, stalletjes om wat vers fruit te kopen en een motelletje om de nacht door te brengen.

    ‘We hadden geen plan,’ zegt Cathleen. ‘We gingen gewoon op de bonnefooi.’

    ‘Weet je nog, de Black Canyons?’ zegt Jimmy.

    ‘Weet je die kliffen nog?’ zegt Cathleen.

    Er wordt op de deur geklopt.

    De huizeninspectie. Over twee weken zal hun huis in de verkoop gaan, en zodra het is verkocht, vertrekken ze. Eerst naar hun kinderen, en daarna zien ze wel weer.
    Misschien dat een tocht door Amerika hen in herinnering kan brengen wat ze zijn vergeten.

    De inspecteur schudt hen de hand en loopt naar binnen.

    ‘En,’ zegt hij, ‘waar gaan jullie heen?’

    Ondertussen komen in Cape Breton nog altijd mails binnen, elke dag wel een paar. ‘Ik kan hier niet langer blijven, ik kan niet meer slapen met zo’n slecht mens als onze leider’, schrijft iemand.

    ‘De geschiedenis herhaalt zich en ik zie weer een Derde Rijk opdoemen’, schrijft iemand anders.

    ‘Ik vind het hartverscheurend hoe ons land kapot wordt gemaakt… door één man, een miljardair die buiten de werkelijkheid staat’, schrijft weer iemand anders.

    ‘Help me alstublieft’, staat in een andere mail te lezen.

    Calabrese leest alle mails, woord voor woord, en terwijl hij wacht op de komst van de Amerikanen, en op de komst van mail nummer 4780, realiseert hij zich hoe gelukkig hij zich mag prijzen dat hij woont op de plek waar hij wil zijn.

    Auteur: Chico Harlan
    Vertaler: Annemie de Vries

    Openingsbeeld: Huizen, zoals hier bij Capstick, zijn er genoeg op Cape Breton. – © Wikimedia

    The Washington Post
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 700.000

    Bewees zich met het publiceren van de Pentagon Papers. Eerste krant die zeven dagen per week verscheen (sinds 1980). Een van de meest invloedrijke kranten ter wereld. Centrum-rechts georiënteerd met een grote focus op de Amerikaanse politiek.

  • Wat Canada ons kan leren over de multiculturele samenleving

    Wat Canada ons kan leren over de multiculturele samenleving

    Hoe kan het dat Canadezen de multiculturele samenleving – in tegenstelling tot de inwoners van veel andere westerse landen – wél als een succes beschouwen? Volgens Jonathan Tepperman, hoofdredacteur van het blad Foreign Affairs en auteur van het boek De oplossing (The Fix), is dat het resultaat van uitgekiend beleid, waarvan wij veel kunnen opsteken.

    Halverwege de vorige eeuw was de wereld in de greep van een ongekende onrust. De verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog en de chaos na de dekolonisatie brachten miljoenen mensen op de been, die op zoek gingen naar een veiliger en welvarender thuisland. Hoe graag je je oude leven in de oude wereld ook wilde inruilen voor een beter bestaan in de nieuwe, je dacht waarschijnlijk niet aan Canada – vooral niet als je een kleurtje had. In de oorlogsjaren liet Canada weinig immigranten toe (precies 7500 in 1942) en in de daaropvolgende tien jaar namen de aantallen toe, maar de mensen die werden toegelaten waren opvallend wit. Door het ‘blank Canada’-beleid mochten alleen Europeanen en Amerikanen zich er vestigen, en men vond alle andere mensen een beetje griezelig.

    Tegenwoordig gaat het anders, en op de ochtend van 10 december 2015 was dat goed te zien. Op dat moment woedde er onder politici in de Verenigde Staten en in Europa een heftig debat over de vraag of er meer Syrische vluchtelingen moesten worden opgenomen, en veel landen begonnen hekken te bouwen aan hun grenzen. Maar in Toronto stond Justin Trudeau, de kersverse jonge premier van Canada, in de aankomsthal van het vliegveld winterjassen uit te delen aan de eerste groep van de 25.000 Syrische asielzoekers die de komende maanden naar Canada mochten komen, het dubbele van het aantal dat de VS in het hele jaar zou toelaten. ‘Hier vind je een veilig thuis,’ heette Trudeau hen welkom.

    Trudeaus gebaar mag wat theatraal zijn, het is niet uitzonderlijk voor het huidige Canada. Tegenwoordig hoeven aspirant-immigranten niet lang te aarzelen over Canada. Canada zoekt hen op, vooral als ze jong zijn en hoogopgeleid. De Canadese minister van Immigratie reist de wereld af om te promoten hoe goed het is om in zijn land te leven en werken. De regering maakt zelfs reclame in het buitenland, in 2013 bijvoorbeeld betaalde ze voor een billboard in Silicon Valley, gericht op jonge buitenlandse computernerds die in de VS geen werkvergunning kregen, met de slogan ‘H-1B een probleem? Kom naar Canada.’ Met andere woorden: waar je ook vandaan komt, de Canadese regering zit op je te wachten.

    Nieuwkomers

    De burgers ook. Canada heeft nu een van de hoogste aantallen immigranten per hoofd van de bevolking, ruim het dubbele van de Verenigde Staten. In de afgelopen twintig jaar werden er jaarlijks ongeveer 250.000 nieuwkomers toegelaten, bijna 1 procent van de bevolking, en de overheid gaat ervan uit dat de jaarlijkse instroom in 2018 337.000 personen zal bedragen. Al meer dan 20 procent van de Canadese bevolking is elders geboren – wederom twee keer zoveel als in de VS, zelfs als je de illegale inwoners meerekent – en de verwachting is dat dit in 2031 zal zijn opgelopen tot een kwart van de bevolking. De laatste jaren waren de Filipijnen, China en India de top drie van herkomstlanden van nieuwe Canadezen. Het Angelsaksische ideaal is achterhaald.

    Gewone Canadezen zijn hier heel tevreden over. Peilingen wijzen uit dat twee derde van de bevolking vindt dat immigratie een van Canada’s sterkste punten is, en hetzelfde aantal is er voor om het huidige niveau aan te houden of zelfs op te hogen. Slechts een kwart van de Canadezen beschouwt immigratie als een probleem, en dat is het laagste cijfer in de geïndustrialiseerde landen. Jeffrey Reitz, socioloog aan de Universiteit van Toronto, wijst erop dat Canadezen zo enthousiast zijn over immigratie dat zelfs de critici van het beleid hier grotere aantallen bepleiten dan de voorstanders in andere rijke landen.

    Canadese moslims verwelkomen Syriërs. – © Getty
    Canadese moslims verwelkomen Syriërs. – © Getty

    Wat is het geheim van het Hoge Noorden? Waarom vinden moderne Canadezen, anders dan hun grootouders en de rest van de moderne wereld, het prima om de deuren van hun land wijd open te zetten? Dat Canada altijd een immigratieland was is geen afdoende verklaring; het is waar, maar dat geldt ook voor de meer xenofobe Verenigde Staten. De huidige instelling van de Canadezen is ook geen vreemde genetische afwijking, ook al worden Canadezen vaak geprezen (of bespot) omdat ze zulke ongelooflijk beleefde do-gooders zijn (ze zeggen zelfs sorry als ze tegen een stoel opbotsen.) Maar hun opvallende openheid is geen aangeboren trekje. Het is het product van buitengewoon goed leiderschap. De Canadese leiders creëerden een beleid dat er op een briljante wijze in slaagde om de burgers ervan te overtuigen dat immigratie noodzakelijk en goed is. De Canadese overheid ontwikkelde dit beleid niet uit altruïsme of nobele principes. Canada omarmde immigratie omdat het moest. De Canadese deugdzaamheid ontstond uit noodzaak.

    Niemand is een beter voorbeeld van de Canadese evolutie dan de vader van de huidige leider, Pierre Elliott Trudeau, die met één korte onderbreking van 1968 tot 1984 premier was.

    Tegenwoordig denkt men terug aan Trudeau als een toonbeeld van een ontwikkelde intellectueel die staatsman werd, een flitsende, kosmopolitische filosoof-koning met grote bakkebaarden, die Plato citeerde, danste op muziek van de Beatles, aan yoga deed en die de wereld liet zien dat als de woorden ‘sexy’ en ‘Canadees’ in één zin worden genoemd het niet per se een grap hoeft te zijn.

    Maar Trudeau begon niet als een verlichte premier, en daar gaat het om in dit verhaal, want het is een belangrijk punt in de ommezwaai over immigratie die hij en zijn land later maakten. Trudeau werd geboren in Montreal in een rijk gezin. Zijn vader, Charles-Emile, was een boerenzoon die hield van drank en gokken, en die een fortuin had verdiend met benzinestations. Trudeau begon zijn politieke carrière, net als veel andere leden van de onderdrukte francofone minderheid, als een reactionaire katholiek, een Franse nationalist en een blanke chauvinist. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, waar Canada volgens hem buiten moest blijven, hield hij een toespraak voor een menigte waarin hij verkondigde dat ‘hij banger was voor de vreedzame invasie van immigranten dan voor een gewapende vijandelijke invasie van de vijand.’

    Toen Trudeau zijn rechtenstudie had afgemaakt aan de universiteit van Montreal verliet hij het benepen Quebec. In 1944 vertrok hij naar Harvard, waar hij een bordje met de tekst ‘Pierre Trudeau, wereldburger’ op de deur van zijn studentenkamer hing en een master haalde in de economie. Hij verhuisde naar Frankrijk en daarna naar Engeland, waar hij aan de London School of Economics studeerde. Zijn studie en een jaar als backpacker de wereld rondreizen hadden de jonge Franse Canadees helemaal genezen van zijn chauvinisme; Trudeau kwam in 1949 terug naar huis met een baard en een nieuwe manier van denken. Hij werd journalist, mensenrechtenadvocaat en hoogleraar rechten, en toen hij in 1965 de politiek inging was hij een weldenkende linkse intellectueel en een overtuigde Canadese federalist. Bij zijn aantreden als premier in 1968 had hij zich ontwikkeld tot een scherpzinnige, pragmatische politicus die ‘Verstand boven gevoel’ als motto voerde.

    Om ervoor te zorgen dat Canada de juiste inwoners zou krijgen onderscheidde Ottawa drie soorten vreemdelingen: “met voorkeur”, “zonder voorkeur” en “uitgesloten”

    Trudeau had zich ontwikkeld, maar de meesten van zijn landgenoten waren nog niet zover. Het boegbeeld van Frans Canada werd een machtig man, precies op het moment dat de onvrede onder zijn francofone achterban, toen ongeveer een derde van de bevolking, het kookpunt bereikte. De inwoners van Quebec hadden in die tijd redenen te over om zich achtergesteld te voelen. Na de Canadese onafhankelijkheid in 1867 werden zij het slachtoffer van gedwongen assimilatie, van officiële en van alledaagse discriminatie. De elite, die zijn wortels had in Engeland, zag de Franstaligen als een minderwaardig en ondergeschikt volk. Hun situatie was zo beroerd dat er tussen 1840 en 1930 ongeveer een miljoen Franse Canadezen het land ontvluchtten en naar de VS vertrokken.

    Toen Trudeau aan de macht kwam, waren de ergste vormen van onderdrukking inmiddels voorbij, maar het gemiddelde inkomen in Quebec lag nog twee derde onder het landelijk gemiddelde en de Franstaligen waren ondervertegenwoordigd in de hogere echelons van het federaal bestuur en van het bedrijfsleven. Dit betekende dat Trudeau bij zijn aantreden in 1968 twee dreigende, onderling verweven problemen het hoofd moest bieden, en dat bracht hem ertoe het immigratiebeleid om te gooien.

    Probleem één was hoe hij de woede van zijn achterban in Quebec in goede banen kon leiden en de broze en losse federatie Canada bij elkaar kon houden. Trudeau was pas de derde Franstalige premier en hij zag dit als een persoonlijke uitdaging. Zijn eerste stappen waren echter verre van succesvol.

    In 1969 voerde Trudeau de Official Languages Act (OLA) in. Door deze wet werd het Frans voor het eerst in de geschiedenis van Canada een officiële taal, gelijkwaardig aan het Engels, en de overheid werd verplicht om in het hele land te communiceren in beide talen en overal tweetalig onderwijs mogelijk te maken.

    Door de OLA verminderden de spanningen niet, integendeel: ze namen juist toe. De wet was uiteraard populair bij de francofonen, maar zeker niet bij de Engelssprekende elite. En er kwam groot verzet van de ándere minderheden in Canada, met name in westelijke provincies. Onder leiding van senator Paul Yuzyk, zoon van immigranten uit Oekraïne, begonnen deze vergeten groepen zichzelf de ‘Derde macht’ te noemen. Het waren voornamelijk Oost-Europeanen, maar ook Italianen, Armeniërs, Portugezen, Grieken en Joden. Toentertijd vormden zij 26 procent van de bevolking en ze waren een belangrijk deel van de achterban van Trudeaus liberale partij. Voor hen was noch Engels noch Frans de moedertaal, en ze wilden beslist niet dat een van beide de dominante taal zou worden. Bij monde van Yuzyk wezen ze de ola en de bedenker van de wet af.

    Multicultureel land

    Hierdoor zag Trudeau zich genoodzaakt om een bredere strategie te ontwikkelen. In plaats van weer een kleine stap te zetten, besloot hij een waagstuk te proberen: hij ging de Canadese identiteit veranderen. Eén land met twee culturen moest een multicultureel land worden.

    Op 8 oktober 1971 besteeg Trudeau het spreekgestoelte in het neogotische parlementsgebouw en stak een speech af als een donderslag: ‘Cultureel pluralisme is de essentie van de Canadese identiteit.’ Hij legde uit dat het beleid van tweetaligheid hieraan weinig bijdroeg. ‘Er kan geen apart cultuurbeleid zijn voor Canadezen van Britse en van Franse komaf, een ander voor de inheemse bevolking en weer een ander voor de overige groepen. Hoewel we twee officiële talen hebben, hebben we geen officiële cultuur en is niet één etnische groep belangrijker dan de andere. Geen enkele burger of groep burgers is iets anders dan Canadees, en iedereen moet gelijk behandeld worden.’

    Om dit zeker te stellen stelde de premier een nieuw ministerie van Multiculturalisme in, het eerste ter wereld, en de Canadese adviesraad voor Multiculturalisme. In de periode dat hij aan de macht was verhoogde Trudeau het budget van deze instellingen van 3 miljoen dollar tot 23 miljoen in 1984. In 1978 stelde hij een commissie voor mensenrechten in, die moest zorgen voor antidiscriminatiecampagnes van de federale overheid in het onderwijs en klachten over ongelijke behandeling in het bedrijfsleven moest onderzoeken.

    Trudeaus motieven waren voor een deel idealistisch van aard, zoals hij graag onderstreepte voor het publiek. ‘Als Canada blijft bestaan, kan het alleen voortbestaan door wederzijds respect, liefde en begrip voor elkaar,’ zei hij later. Conservatieven dreven de spot met zijn poging om het Canadese etnische zelfbeeld om te vormen; het was een feelgoodactie die zou blijven steken in overheidssubsidies voor ‘volksdansen, festivals en zangfeesten’. Dit was niet helemaal juist; de overheid verhoogde inderdaad de uitgaven voor cultureel erfgoed, maar bevorderde ook de integratie door de media van de verschillende bevolkingsgroepen en andere initiatieven te financieren. In Quebec echter vreesde men dat het multiculturalisme ertoe zou leiden dat, in de woorden van Jeffrey Reitz, socioloog aan de Universiteit van Toronto, ‘de Franse cultuur slechts een van de vele zou zijn’.

    Bovendien kreeg de multiculturele samenleving al snel een slechte reputatie in andere landen, en die is de laatste jaren voortdurend toegenomen. De laatste jaren hebben politici als de Britse premier David Cameron en de Duitse bondskanselier Angela Merkel het multiculturele beleid doodverklaard. Ook in 1971 leidde Trudeaus nieuwe beleid al tot bezorgdheid; de Toronto Star schreef dat het immigranten aanspoorde om Canada te zien als een onsamenhangende ‘keten van etnische enclaves’.


    Trudeau had hierop geanticipeerd, hij had erover nagedacht hoe hij zijn nieuwe plannen vorm kon geven en hoe hij ze kon verkopen. John English, de toonaangevende biograaf van de premier, vertelde me dat Trudeau besefte dat er ‘etnische getto’s’ konden ontstaan en daar voerde hij van meet af aan strijd tegen. In de speech waarin hij het beleid van steun voor alle culturen aankondigde, ‘niet minder voor de kleine en zwakke groepen dan voor de sterke en goed georganiseerde’, noemde hij ook de voorwaarde voor deze steun: deze groepen moesten eerst laten zien dat ‘ze zich inspanden en graag een bijdrage aan Canada wilden leveren’. De onderliggende boodschap was helder: het hoofddoel was integratie. De vernieuwing was dat volgens Trudeau integratie en behoud van de eigen cultuur elkaar niet uitsloten.

    Trudeaus nieuwe koers leek utopisch, maar hij was vooral pragmatisch. Hij zei het niet in zijn grote toespraak en ook in volgende redevoeringen vermeed hij het onderwerp, maar zijn grootste prioriteit bij het instellen van het multiculturalisme was puur praktisch van aard: hij wilde zijn pas ingestelde politiek van tweetaligheid behouden, die hij had ingevoerd om de dreiging van een afscheiding door Quebec af te remmen en om Canada bij elkaar te houden.

    De federatie bijeenhouden was maar een deel van het verhaal. Zoals gezegd had Trudeau twéé grote problemen bij zijn aantreden. De culturele kloof was één probleem. Het tweede was zeker zo dringend: dat was de vraag hoe men de vloedgolf van immigranten die op dat moment het land binnenstroomde het beste kon assimileren. Dit tweede probleem was des te urgenter omdat, voor het eerst in de Canadese geschiedenis, een groot deel van deze nieuwkomers niet blank was.

    Om deze grote, plotselinge verandering te begrijpen, moet je weten dat Canada in de jaren vijftig en zestig een merkwaardig land was, ‘een land opgebouwd tegen ieder gevoel voor geografie, geschiedenis, cultuur of gezond verstand in’, zoals Trudeau het ooit verwoordde.
    Aan de ene kant was het gigantisch groot, in omvang is het het op twee na grootste land van de wereld. Aan de andere kant was het zeer dunbevolkt: in 1960 woonden er minder dan achttien miljoen mensen, een tiende van wat toen de bevolking van de VS was. Jarenlang leidde dit gegeven tot grote bezorgdheid in de hoofdstad. Er waren twee redenen voor dit gevoel van urgentie. Ten eerste maakte de dunbevolktheid het moeilijk voor de federale overheid om het uitgestrekte gebied te controleren. Dat kwam vooral doordat het gros van de inwoners toen, net als nu, woont aan de smalle strook land aan de vierduizend mijl lange grens met de VS. Ten tweede maakte de Canadese economie een groeispurt door – tussen 1939 en 1962 schoot het bnp omhoog van 5,7 miljard dollar naar 36 miljard – en als er niet meer arbeidskrachten bij kwamen dreigde afvlakking en achteruitgang.

    Door de gelijktijdige groei in de VS was het voor Canada lastig om mensen te werven. Daarom had Ottawa een dringende behoefte aan meer Canadezen. De vraag was hoe ze die konden werven.

    Deze vraag was jarenlang niet gesteld. Vanaf de oprichting van de confederatie in 1867 hield de Canadese overheid er een expliciet discriminatoire immigratiepolitiek op na. (Om eerlijk te zijn deden de meeste landen dat toen.) Om ervoor te zorgen dat Canada de juiste inwoners zou krijgen onderscheidde Ottawa drie soorten vreemdelingen: ‘met voorkeur’, ‘zonder voorkeur’ en ‘uitgesloten’. De eerste groep was afkomstig uit Engeland of Noord-Europa en werd actief benaderd. De tweede groep bestond uit Zuid- of Oost-Europeanen en werd schoorvoetend toegelaten in tijden van een nijpend gebrek aan arbeidskrachten. De derde groep bestond uit de rest van de wereld en zoals de naam zegt moest ze worden geweerd.

    De Tweede Wereldoorlog, de Holocaust, de dekolonisatie en Canada’s enthousiaste deelname aan de beginnende beweging voor de mensenrechten maakten het vreemd om door te gaan met zulke openlijke discriminatie. Daarnaast begon in de jaren zestig de bron van immigranten die Canada het liefste had op te drogen, omdat Europa zich herstelde van de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog. Vooral vaklui waren steeds moeilijker te vinden.

    De multiculturele samenleving bleek voor de Canadezen, die zich altijd een beetje onzeker voelden over de Canadese identiteit, een mooie manier om zich te onderscheiden van hun grote zuiderbuur

    Dus moest Ottawa zijn koers verleggen – dit keer meer uit noodzaak dan uit principe. Canada was in 1962 het eerste land dat etniciteit als selectieprincipe afschafte. In plaats daarvan werden de aanvragers beoordeeld op opleidings-, beroeps- en technische kwalificaties, een beleidswijziging die later de succesfactor zou worden van de Canadese immigratiepolitiek. Minister van Immigratie Ellen Fairclough legde uit dat met de nieuwe regels ‘iedereen met geschikte kwalificaties uit ieder deel van de wereld’ voortaan in aanmerking kwam voor toelating en dat de regering uitsluitend zou kijken naar ‘persoonlijke verdienste, zonder aanzien van ras, kleur of land van herkomst’.

    Vijf jaar later schrapte het liberale kabinet van premier Lester Pears alle resterende etnische criteria uit het immigratiesysteem. Pearson introduceerde een vernieuwend beleid, dat in grote lijnen nog steeds bestaat. Vanaf dat moment werden alle aanvragers, ongeacht geboorteland of ras, beoordeeld volgens een puntensysteem met negen criteria, zoals opleiding, leeftijd, beheersing van het Engels of het Frans, en de vraag of hun vaardigheden aansloten bij de behoeften van de Canadese economie. Wie genoeg punten scoorde kwam erin. Dat was het enige dat telde.

    Dit beleid leidde meteen tot grote veranderingen. Tussen 1946 en 1953 was 96 procent van de immigranten in Canada afkomstig uit Europa. Dat aantal daalde tussen 1968 en 1988 naar 38 procent. In 1977 bestond meer dan de helft van de jaarlijks toegelaten immigranten uit Aziaten, mensen uit het Caribisch gebied, Latijns-Amerika en Afrika, die tot 1962 werden buitengesloten.

    Zoals te verwachten viel riep deze verandering groot verzet op, met name in Quebec. Het politieke establishment had zich uit noodzaak bekeerd tot het idee van kleurenblinde immigratie, maar de meeste Canadezen niet. Aan de vooravond van Trudeaus premierschap bleek uit een enquête dat meer dan de helft van de Canadezen tegen het kleurenblinde immigratiesysteem was.

    Dit was dus het tweede probleem dat Trudeau erfde van zijn voorgangers. Volgens zijn biograaf was dit een andere belangrijke reden om in 1971 de nieuwe multiculturele politiek te lanceren.

    Trudeaus nadruk op pluralisme en de overgang naar een systeem van immigratie dat kleurenblind was en gericht op economisch voordeel, begon de manier waarop gewone Canadezen hierover dachten te veranderen. Het bleek al snel dat de twee beleidslijnen elkaar versterkten. De selectie van immigranten op basis van hun mogelijke economische bijdrage in plaats van hun uiterlijk of de vraag of ze al familie hadden in Canada, wierp zo veel financiële vruchten af dat de nog twijfelende Canadezen ervan overtuigd raakten dat iedereen profiteerde van de opendeurpolitiek, en vooral zijzelf. De riante overheidssteun voor multicultureel beleid en integratie van nieuwkomers heeft de autochtone Canadezen langzamerhand doen inzien dat de verbreding van de etnische diversiteit hun land juist méér Canadees maakt, en niet minder.

    De kabinetten na Trudeau hebben zijn beleid op beide fronten aangepast, maar meestal om de positieve impact te versterken. De laatste jaren heeft Ottawa bijvoorbeeld meer nadruk gelegd op opleiding en is het vestigingsbeleid voor ondernemers die nieuwe banen creëren makkelijker gemaakt. In 2013 werd een start-upvisaprogramma ontwikkeld dat entrepreneurs moet aantrekken door hun een onmiddellijke verblijfsvergunning te geven als ze durfkapitaal van Canadese investeerders kunnen krijgen. Ook nam de overheidssteun voor multicultureel beleid voortdurend toe. In 1982 zorgde Trudeau ervoor dat het Handvest voor Vrijheid en Recht werd aangenomen: een progressieve wet met een grote draagwijdte, die discriminatie formeel verbiedt, gelijke kansen op de arbeidsmarkt verplicht maakt en rechters instrueert om rekening te houden met multiculturele achtergronden bij de interpretatie van nationale wetgeving. De overheid gaf steeds meer geld uit aan de bevordering van pluralisme en besteedt tegenwoordig meer dan één miljard per jaar aan een breed scala van daarbij behorende programma’s. Deze lopen uiteen van pro-migratiedocumentaires op tv en leermiddelen voor het basis- en voortgezet onderwijs tot gemeentelijke integratieprogramma’s.

    Alles bij elkaar genomen bieden deze maatregelen een verklaring voor wat wetenschappers ‘de Canadese uitzondering’ noemen: het feit dat men in Canada de protesten tegen immigratie heeft kunnen voorkomen die in vrijwel alle geïndustrialiseerde landen zijn losgebarsten. Ze verklaren waarom de Index voor Integratiebeleid (een mondiaal vergelijkend onderzoek) Canada’s immigratiesysteem bij de beste van de wereld indeelt en waarom de Canadezen zelf het waarschijnlijk nog hoger inschatten. Het is geen toeval dat tegelijk met de gestage groei van de immigratie van de laatste twintig jaar ook de steun van de Canadezen voor het ruime immigratiebeleid is toegenomen.

    De economische toelatingscriteria – 65 procent van de nieuwkomers in 2015 kwam via deze weg – zijn verantwoordelijk voor een van de succesvolste immigrantenpopulaties ter wereld. De buiten Canada geboren inwoners zijn hoger opgeleid dan die in enig ander land: de helft van de nieuwe Canadezen arriveert met een universitaire opleiding, tegen 27 procent in de VS, en tweedegeneratie-Canadezen gaan vaker naar de universiteit dan hun autochtone leeftijdgenoten. Immigranten vormen 21 procent van de bevolking, maar ze leveren 35 procent van de universitaire docenten. Canadese immigranten werken hard en maken weinig gebruik van uitkeringen, de economische immigranten maken hier zelfs minder gebruik van dan autochtone Canadezen. Het aantal werkenden onder hen is het hoogste in de OESO-landen en zonder hen zou de Canadese beroepsbevolking krimpen en vergrijzen. Niet vreemd dus dat 70 procent van de Canadezen vindt dat immigratie van belang is voor de economie. Zelfs de meeste Canadese werklozen denken er zo over.

    De Canadese premier Justin Trudeau en zijn vrouw met Syrische vluchtelingen in Vancouver. – © Jonathan Hayward / Reuters
    De Canadese premier Justin Trudeau en zijn vrouw met Syrische vluchtelingen in Vancouver. – © Jonathan Hayward / Reuters

    Dankzij de multiculturele samenleving zien Canadezen immigratie als een belangrijke manier om hun nationale identiteit te versterken. Na Trudeaus lancering van het beleid is dit gevoel gestaag gegroeid. Bij een enquête uit 1985, waarin Canadezen werd gevraagd wat hen trots maakte op hun land, eindigde de multiculturele samenleving op de tiende plaats. In 2006 stond ze op de tweede plaats. Uit peilingen blijkt dat tegenwoordig 85 procent van de Canadezen de multiculturele samenleving beschouwt als enigszins tot zeer belangrijk voor de nationale identiteit. Dat verklaart waarom de meest patriottische Canadezen ook het meest voor immigratie zijn – anders dan Amerikanen, waar het precies andersom is. Dit betekent niet dat Canadezen vinden dat immigranten zich niet hoeven aan te passen. Het is meer zo dat, zoals Reitz stelt, het beleid van Trudeau heeft geleid tot een ‘open en tolerante’ visie – en tot meer geduld – op hoe integratie moet plaatsvinden en wat integratie inhoudt.

    De multiculturele samenleving bleek voor de Canadezen, die zich altijd een beetje onzeker voelden over de Canadese identiteit, een mooie manier om zich te onderscheiden van hun grote zuiderbuur. Volgens Reitz maakt pluralisme deel uit van typisch Canadees politiek beleid, zoals toegankelijke gezondheidszorg, strenge controle op vuurwapens, en rechten voor homoseksuelen, die Canadezen trots maakt op wat ze zijn en op wat ze niet zijn.

    Wetenschappers denken dat ook andere factoren hebben bijgedragen aan de bijzondere openheid van Canada. Een van die factoren is dat Canada, anders dan de Verenigde Staten, Duitsland, Japan en andere geïndustrialiseerde landen, geen regelingen had voor gastarbeid. Uit overheidsstatistieken blijkt dat Canada de grootste mate van naturalisatie kent: 85 procent van de mensen die er permanent verblijven wordt Canadees burger. Dat is een belangrijk gegeven, omdat burgers meer dan gasten geneigd zijn om in hun nieuwe thuisland te investeren en ook meer worden uitgenodigd om dat te doen.

    Nog belangrijker is dat Canada geen illegale immigratie kent. Dankzij zijn geïsoleerde ligging met oceanen aan beide zijden, een ijsvlakte in het noorden en de grens met de Verenigde Staten in het zuiden, bestaat illegale immigratie, in de woorden van een wetenschapper, ‘slechts uit een kabbeling aan de Canadese kust en niet uit grote golven’. Dit verklaart zeker een deel van de opvallende openheid van de Canadezen, maar niet alles. Het Verenigd Koninkrijk ligt ook geïsoleerd en heeft ongeveer hetzelfde aantal illegale immigranten als Canada, maar de Britten staan veel vijandiger tegenover immigratie.

    Stephen Harper

    De laatste jaren kreeg dit verhaal een staartje, dat ik vermeld omdat het mijn argumentatie ondersteunt (het lijkt erop dat Canada bij zijn pragmatische aanpak blijft) en omdat het benadrukt waarom Canada een goed voorbeeld is voor landen die met hun immigratiebeleid worstelen.

    In 2006 werd de conservatief Stephen Harper gekozen tot premier. Hij was veel rechtser dan zijn conservatieve voorgangers en qua stijl veel meer een Amerikaanse republikein dan een ouderwetse Canadese tory. Harper was hard en arrogant. Hij was bekend geworden door de Reform-partij, een populistische protestbeweging uit het olierijke, linkse westen van Canada, die sceptisch stond tegenover immigratie en de multiculturele samenleving. Het partijprogramma van 1988 verklaarde dat immigratie niet ‘ingezet moet worden voor een plotselinge en radicale verandering van de etnische samenstelling van Canada, zoals dat steeds meer het geval lijkt te zijn’, en een herziene versie uit 1991 riep op tot verzet tegen ‘het huidige concept van de import-Canadees’ en wilde het ministerie van Multiculturalisme opheffen.

    Bij Harpers ambtsaanvaarding in 2006 vreesden veel Canadezen dat hij dit soort gevoelens in beleid ging omzetten, maar deze veronderstellingen werden niet bewaarheid. Harper paste het systeem hier en daar iets aan, maar hij zorgde er over het algemeen voor dat de structuur niet werd aangetast. In 2015 werd hij terecht bekritiseerd dat hij steun uit de nationalistische hoek probeerde te krijgen door een verbod voor moslima’s om een nikab te dragen bij de burgerschapsceremonie (dat onmiddellijk werd afgewezen door de rechter), maar zijn kabinet nam ook veel verrassend progressieve maatregelen op het gebied van immigratie en multiculturalisme, zoals het verlagen van de prijs voor visa, het instellen van herdenkingen van de Armeense en Oekraïense genocides en van een ‘programma voor de historische erkenning van gemeenschappen’ met een budget van 13,5 miljoen dollar dat de geschiedenis van etnische Canadezen moest vastleggen. Harper maakte zelfs excuses en stelde compensatie in voor de slachtoffers van de beruchte ‘hoofdelijke belasting’ die de Canadese regering tussen 1885 en 1923 had ingesteld om immigratie uit China tegen te gaan.

    Rekening houdend met Harpers stijl en achtergrond is er alle reden om aan te nemen dat dit meer calculerend gedrag was dan dat hij opeens het licht had gezien. Een paar jaar voor hij werd gekozen had Jason Kenney, een jonge conservatieve activist die onder Harper minister van Immigratie en Multiculturalisme werd, hem er in stilte van overtuigd dat hij populairder moest worden onder de immigranten, wilde hij ooit een meerderheid behalen. Volgens Kenney was dat niet moeilijk, aangezien zij doorgaans uit traditionele culturen komen, wat hen tot de natuurlijke achterban van een conservatieve partij maakt. Harper nam het advies ter harte en tussen 2006 en 2011 bezocht Kenney, met de zegen van Harper, een eindeloze reeks moskeeën, sikhtempels en centra voor immigranten, waar hij de menigte in het Punjabi of Mandarijn begroette.

    Zoals Trudeau veertig jaar eerder had laten zien is het goede doen niet minder goed als het ingegeven wordt door noodzaak

    Dit betaalde zich royaal terug. In de verkiezingscampagne van 2011 zetten de conservatieven meer kandidaten uit minderheden in dan de liberale of zelfs de uiterst linkse Nieuwe Democratische Partij. Ze plaatsten advertenties in een veelheid van vreemde talen. Toen de stemmen werden geteld, hadden de conservatieven voor het eerst meer kiezers onder nieuwe Canadezen dan de oude partij van Trudeau, een historische verschuiving.

    Was hun campagnestrategie een cynische truc? Misschien wel, maar dat doet er niet toe. Want zelfs als het cynisme was, dan nog hielden Harper en Kenney zich aan wat een Canadese traditie is geworden: het omarmen van doelmatig en vooruitstrevend beleid vanuit puur zakelijke motieven. Zoals Trudeau veertig jaar eerder had laten zien is het goede doen niet minder goed als het ingegeven wordt door noodzaak. Het gaat om het resultaat. En de Canadese resultaten zijn spectaculair: een klein, gesloten, etnisch homogeen land is veranderd in een levendig mondiaal power house en in een van de meest open en succesvolle multiculturele landen ter wereld. Dat is een topprestatie waar politici uit alle landen, en vooral uit de Verenigde Staten, veel van zouden kunnen leren.

    Auteur: Jonathan Tepperman
    Vertaling: Mieke de Vos en Albert Witteveen

    Jonathan Tepperman is sinds 2011 hoofdredacteur van Foreign Affairs, waar hij in 1998 begon als junior redacteur. In de tussentijd werkte hij bij Newsweek, waar hij leiding gaf aan de correspondenten in het Midden-Oosten, Azië en Latijns-Amerika.

    Dit is een voorpublicatie uit het boek De oplossing (The Fix) van Jonathan Tepperman dat op 20 oktober verschijnt bij Uitgeverij Unieboek | Het Spectrum.

    Beeld bovenaan: Spanning in Vancouver tijdens een wedstrijd van het nationale ijshockeyteam. – © Chris Helgren / Reuters

    In zijn boek De oplossing geeft Jonathan Tepperman oplossingen voor de tien grootste problemen waarmee overheden wereldwijd worden geconfronteerd.

    Tepperman neemt de lezer mee naar Mexico om aan te tonen dat politieke patstellingen te doorbreken zijn. Hij reist naar Botswana om te laten zien hoe verantwoorde grondstoffenpolitiek mogelijk is. Hij toont hoe Singapore de corruptie bestrijdt. En Indonesië is volgens hem een gidsland als het gaat om het tegengaan van extremisme.

  • 3. Het wonder van Ogden, de meest egalitaire stad van Amerika

    3. Het wonder van Ogden, de meest egalitaire stad van Amerika

    Terwijl de kloof tussen arm en rijk in Amerika toeneemt, wordt ze in Ogden (Utah) juist kleiner. En dat terwijl de voormalige spoorwegstad in de jaren negentig volledig aan de grond zat. Hoe hebben ze ’m dat geflikt?

    Uit het archief

    Ongelijkheid staat de laatste jaren hoog op de politieke agenda, nu de kloof tussen arm en rijk wereldwijd onhoudbaar is geworden. Recente televisieprogramma’s, zoals Sander en de kloof van journalist Sander Schimmelpenninck en de HUMAN-serie Klassen, tonen aan dat ongelijkheid in het zogenaamd egalitaire Nederland ook groeiende is. De Amerikaanse stad Ogden (Utah) laat zien hoe het anders kan: zelfs het bedienend personeel van restaurants koopt er huizen. Een inspirerend voorbeeld voor de rest van de wereld.

    Tom Christopulos stuurt een zwarte Nissan Armada door de rechthoekige stratenblokken van Ogden, Utah, een historische metropool zo’n vijftig kilometer ten noorden van Salt Lake City, aan de voet van de hoog oprijzende Wasatch Mountains. Huis voor huis inspecteert hij de verschillende buurten, terwijl hij ondertussen hardop de nummers opnoemt. Al rondrijdend bestudeert hij het gebied gretig, bijna dwangmatig, en elk detail dat hij ziet, slaat hij op in zijn geheugen – een ritueel dat hij nu al bijna tien jaar lang uitvoert. ‘Ik ken elk huizenblok in deze stad, elk huis,’ zegt hij. ‘Zie je die huizen daar aan 
Jefferson Avenue? Jaren geleden waren die opgesplitst in appartementen – goedkope huurkamers eigenlijk. Wij hebben ze opgekocht, gerenoveerd en er weer eengezinswoningen van gemaakt.’

    Tien jaar geleden zag het er hier somber uit. Nu rijzen wolkenkrabbers op uit de afgebrokkelde infrastructuur

    Christopulos is geboren en getogen in Ogden en heeft de afgelopen acht jaar keihard gewerkt als hoofd van het gemeentelijk bureau dat verantwoordelijk is voor economische ontwikkeling in de wijken. Langzaam en met grote moeite is hij erin geslaagd om nieuwe welvaart te halen uit verlaten spoorwegemplacementen, oude slachthuizen en bouwvallige gebouwen, in een poging de middenklasse terug te brengen in Ogden. ‘Het is echt heel hard werken geweest,’ zegt hij.

    Nu heeft Ogden, met zijn 86.000 inwoners, een naam opgebouwd in het hele land: in een tijd dat de Verenigde Staten – net als veel andere gebieden in de rest van de wereld – worstelen met de schadelijke gevolgen van de steeds groter wordende welvaartsongelijkheid, is Ogden tot veler verbazing een baken van egalitarisme geworden. Volgens het vijfjaarlijkse nationale statistisch onderzoek door het U.S. Census Bureau kent de stad, samen met zijn buurgemeenten, de smalste kloof tussen rijk en arm van alle grote stedelijke gebieden van Amerika.

    Iets meer dan tien jaar geleden zag de toekomst er hier somber uit. De hoofdstraten van Ogden waren verlaten, de winkelgebieden lagen in puin en het centrum werd bevolkt door drugshandelende zwervers. Op een online forum in 2009 werd geklaagd over de stedelijke woestenij van Ogden en over de reputatie van de stad als ‘een verlopen, door bendes beheerst gebied’, en daar werd wanhopig aan toegevoegd: ‘Helaas, is de Ogden-mentaliteit zo diepgeworteld’ dat pogingen om de stad nieuw leven in te blazen werden tegengewerkt en dat ‘velen zich stoorden aan het streven naar verandering’.

    Nieuwe kantoorgebouwen getuigen van de wedergeboorte van de stad.
    Nieuwe kantoorgebouwen getuigen van de wedergeboorte van de stad.

    Al meerijdend met Christopulos en zijn economische team afgelopen zomer, kon ik alleen maar onder de indruk zijn van de schoonheid van dit stukje land aan de westelijke rand van de Rocky Mountains. Voor ons lagen vervallen spoorbanen, een wrede herinnering aan het glorieuze handelsverleden 
van de stad. Maar nu rijzen er wolkenkrabbers van staal en glas op uit de verroeste, afgebrokkelde infrastructuur, als symbolen van het nieuwe landschap. Hoe Ogden zo ver is gekomen, is een waardevolle les voor een land dat grote moeite heeft om de kloof tussen de haves en de have-nots te overbruggen.

    Geen eerlijke kaarten

    De notoir libertair en voormalig hoofd van de Federal Reserve Alan Greenspan, de eigenzinnige miljardair Warren Buffett en de diverse presidentskandidaten zijn de afgelopen jaren allemaal tot dezelfde conclusie gekomen: gewone Amerikanen krijgen tegenwoordig geen eerlijke kaarten meer toebedeeld. In de nasleep van de financiële crisis van 2008 beschreef Greenspan de opkomst van twee verschillende Amerika’s – ‘heel fundamenteel, twee afzonderlijke soorten economie’ – een waarin de rijken een ‘duidelijk herstel’ hadden doorgemaakt, en een waarin het grootste deel van de Amerikaanse beroepsbevolking financieel op een dood spoor bleef zitten.

    De Republikeinse presidentskandidaat Jeb Bush noemde dit jaar, met zijn gebruikelijke retoriek, de groeiende kloof ‘de belangrijkste kwestie van onze tijd’. ‘Meer Amerikanen dan ooit zitten vast op hun inkomensniveau,’ zei hij. Over de oorzaken van deze trend wordt eindeloos gediscussieerd, maar de statistieken liegen niet. Sinds 1979 zijn de reële salarissen met 17 procent gestegen, volgens het Economic Policy Institute, een non-profit, niet-partijgebonden denktank in Washington. Die langzame groei maakt het voor de meeste Amerikanen moeilijk om de rekeningen 
te betalen, laat staan enige rijkdom te vergaren.

    In Ogden koopt zelfs het bedienend personeel van restaurants huizen

    Maar wanneer Amerikanen hun televisie aanzetten, zien ze hun minister van Financiën, Jack Lew, juichen over de indrukwekkende economische groei, die hij onlangs een van de enige ‘lichtpunten’ in de wereld noemde. Zo’n gebrek aan verbinding kan ontwrichtend werken, zegt Joseph Stiglitz, hoogleraar economie aan Columbia University en winnaar van de Nobelprijs voor economie, omdat ‘voor velen het leven van de middenklasse niet langer binnen bereik ligt.’

    De gevolgen voor de samenleving gaan verder dan dollars en centen. Onderzoek naar de wisselwerking tussen economische en sociale patronen is nog relatief nieuw, maar toont volgens Stiglitz toch aan dat ‘steeds meer mensen patronen van sociaal disfunctioneren vertonen’ – ze stellen zaken als trouwen, een huis kopen en kinderen krijgen uit, zijn vaker alleenstaande ouder. Vroeger hoorden dit soort gedragspatronen, zegt Stiglitz, bij gezinnen ‘die zich op of onder de armoedegrens bevonden’, nu gelden ze voor iedereen die niet rijk is.

    Volgens Stiglitz is de groeiende ongelijkheid niet zozeer het gevolg van 
de natuurlijke krachten van het kapitalisme, maar van wat hij een ‘ersatz’-kapitalisme noemt, waarin een ‘roofzuchtige’ minderheid aan de top meer moeite doet om ‘een groter stuk van de economische taart van het land te 
krijgen dan om die taart zelf groter 
te maken’, voor iedereen.

    Het historische centrum van Ogden. – © Steve Kepple
    Het historische centrum van Ogden. – © Steve Kepple

    Mochten de ultrarijken denken dat dit hen niet zal raken, recent onderzoek van Barry Cynamon en Steven Fazzari in samenwerking met het Institute for New Economics toont aan dat de groeiende inkomensongelijkheid misschien wel de belangrijkste reden is waarom de economie van het land zich zo traag herstelt. Zij wijzen op een daling van 
17 procent in de consumentenvraag, vergeleken met voor de crisis.

    Mondiaal gezien dreigt de ongelijkheid ‘de strijd tegen de armoede tientallen jaren terug te zetten’ door meer rijkdom in minder handen te concentreren, zegt de internationale anti-armoede organisatie Oxfam. Als de huidige trends zo doorgaan, verwacht Oxfam dat de rijkste 1 procent van de wereldbevolking in 2016 meer dan 50 procent van de totale rijkdom op de wereld zal bezitten. Eerder dit jaar heeft ook paus Franciscus geklaagd over wat hij ‘de economie van uitsluiting’ noemde.

    Rijkste 0,1 procent

    Emmanuel Saez, hoogleraar economie aan de University of California en directeur van het daaraan verbonden Center for Equitable Growth, en Gabriel Zucman, assistent-hoogleraar aan de London School of Economics, laten in een baanbrekende studie van het National Bureau of Economic Research zien wanneer de ongelijkheid in de VS is begonnen te groeien: in 1978.

    Saez en Zucman hebben een hele eeuw aan belastinggegevens doorgespit – de enige cijfers over de lange termijn die in de VS consequent zijn bijgehouden – en zij ontdekten dat de groeiende welvaartskloof in de VS niet zozeer moet worden toegeschreven aan de bovenste 1 procent als wel aan de bovenste 0,1 procent – zo’n 160.000 families met een netto bezit van meer dan twintig miljoen dollar. (De welvaartskloof en de inkomensongelijkheid zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, maar ze zijn niet hetzelfde; in dit onderzoek is ‘rijkdom’ gedefinieerd 
als de huidige marktwaarde van al 
het bezit dat huishoudens hebben na aftrek van schulden.)

    De gemiddelde reële groei aan rijkdom per Amerikaanse gezin lag tussen 1986 en 2012 op 1,9 procent, maar dat getal werd scheefgetrokken door de rijkste 160.000 van het land, die tussen 1986 en 2012 hun reële rijkdom met 5,3 procent per jaar zagen groeien. De onderste 90 procent in de VS kende daarentegen helemaal geen groei in rijkdom.

    Een man op een mountainbike in de bergen rondom de stad. Ogden staat bekend als buitensportcentrum. – © Ben Girardi
    Een man op een mountainbike in de bergen rondom de stad. Ogden staat bekend als buitensportcentrum. – © Ben Girardi

    Dit is een scherpe omkering van de welvaartstrend waarin de onderste 90 procent van de Amerikaanse verdieners in de jaren twintig 20 procent van de rijkdom van het land bezat en dat aandeel zag groeien tot het halverwege de jaren tachtig was gestegen tot 35 procent, volgens Saez en Zucman. Na 2012 is de onderste 90 procent teruggevallen tot een aandeel van slechts 23 procent.

    Ondertussen hebben de 160.000 rijkste families van Amerika hun aandeel in de welvaart van het land meer dan verdrievoudigd, van 7 procent in 1978 tot 22 procent in 2012, een niveau dat niet meer is voorgekomen sinds 1916 en 1929, de piekjaren van ongelijkheid. ‘Het is een zeer zorgwekkende trend,’ zegt Marjorie Wood, die als adviseur verbonden is aan het Global Economic Project van het Institute for Policy 
Studies. Deze denktank in Washington richt zich op sociale rechtvaardigheid. Wood ziet de huidige welvaartskloof als een tweede ‘Gilded Age’ (de periode aan het eind van de negentiende eeuw in Amerika, waarin de kloof tussen arm en rijk ook enorm was, Gilded Age is een term van Mark Twain), met dit verschil dat de tegenwoordige rijkdom vaak niet echt in het oog springt. ‘In het verleden waren er veel meer protesten onder de bevolking, omdat de rijkdom toen zo veel zichtbaarder was.’

    Amerikaanse droom

    Dat de ongelijkheid stijgt is op zichzelf al veel Amerikanen een doorn in het oog, omdat het ingaat tegen de Amerikaanse droom en het breed levende idee dat dit een land van gelijke kansen is. Toch kennen Amerikaanse onderzoekers het probleem al jaren. In 2011 – het jaar waarin Greenspan de opkomst van twee Amerika’s signaleerde – toonde Miles Corak, hoogleraar economie aan de Graduate School of Public and International Affairs van de University of Ottawa, de problematische relatie aan tussen ongelijkheid en sociale mobiliteit, in zijn artikel ‘Inequality From Generation to Generation’. Later werd dit verschijnsel door het Witte Huis ‘the Great Gatsby Curve’ genoemd.

    Uit Coraks onderzoek bleek dat wat een kind in de toekomst gaat verdienen, sterk wordt beïnvloed door het gezin waarin het wordt geboren. Op zijn internationale ranglijst van de landen met de slechtste intergenerationele mobiliteit stonden Chili, het Verenigd Koninkrijk, Italië en de Verenigde Staten (in die volgorde). Landen met de beste intergenerationele mobiliteit waren Denemarken, Noorwegen en Canada. Daar tussenin vielen Spanje, Japan, Duitsland en Nieuw-Zeeland. ‘Er is een discrepantie tussen hoe Amerikanen zichzelf zien en hoe de economie en samenleving in werkelijkheid functioneren,’ schreef hij. ‘Veel Amerikanen blijven geloven dat hard werken de manier is om vooruit te komen, maar in werkelijkheid is het veel moeilijker om vooruit te komen dan het lijkt.’

    Dit jaar heeft Janet Yellen, voorzitter van de Federal Reserve, ook haar steentje bijgedragen aan de discussie. ‘We weten dat het gezin de plek is waar zowel kansen als barrières voor economische mobiliteit worden bepaald,’ zei ze, en ze riep op tot meer onderzoek naar dit onderwerp.

    Yellen heeft heel wat over zich heen gekregen van critici die vinden dat de Fed zich niet met zaken als inkomensongelijkheid moet bemoeien, omdat dat volgens hen te politiek is. Zij verwierp die kritiek: ‘De Federal Reserve houdt zich al lang bezig met economische ongelijkheid’ en die ongelijkheid is ook een steeds grotere zorg voor Amerikanen.

    Helaas zijn er geen makkelijke oplossingen. Pogingen om van bovenaf de ontwikkeling om te buigen zijn nog weinig succesvol geweest. Deskundigen zoals de Amerikaan Stiglitz, de Franse econoom Thomas Piketty en de Britse wetenschapper Anthony Atkinson hebben voorstellen gedaan om geld van de rijken over te hevelen naar de minder rijken, via diverse constructies, bijvoorbeeld via successierechten, het instellen van een ‘erfenis voor iedereen’, publiek gefinancierde ‘universele sociale vangnetten’ en het garanderen van banen in de publieke sector tegen een minimumloon voor mensen die anders werkloos zouden zijn.

    In een artikel in The New York Review of Books schreef Piketty goedkeurend over het voorstel dat Atkinson deed in zijn recente boek Inequality: What Can Be Done? om terug te keren naar een progressief mazenvrij belastingstelsel waarin de rijken meer moeten gaan betalen en de werkende klasse minder. ‘Het spectaculair verlagen van de belastingtarieven voor de hoogste inkomens heeft sinds de jaren tachtig sterk bijgedragen aan de groei van de ongelijkheid, zonder daarbij voordelen voor de samenleving als geheel op te leveren,’ schreef Piketty. In Amerika zal zo’n verschuiving in ieder geval niet snel plaatsvinden. Integendeel: het belastingplan van Bush wil 
de hoeveelheid belastingen die topverdieners in Amerika betalen verminderen.

    Nu er in de VS weer verkiezingen aankomen, horen de Amerikanen presidentskandidaten van beide kanten weer dezelfde sussende woorden uitspreken als in eerdere rondes. Wel probeert Democratisch koploper Clinton het oplossen van de ongelijkheid tot een hoeksteen van haar campagne te maken, door te verklaren dat ‘degenen aan de top nog steeds de beste kaarten krijgen.’ ‘Tegenwoordig is de kans groter dat je arm blijft, als je arm geboren bent’, erkende ook Bush onlangs.

    Senator Bernie Sanders uit Vermont, die lang onafhankelijk was en nu een gooi doet naar de Democratische nominatie, stelde de welvaartskloof van het land al aan de kaak in de dagen dat Nixon nog president was. Hij schreef toen dat 2 procent van de Amerikanen meer dan een derde van de rijkdom van het land in handen had: ‘Een handvol mensen bezit bijna alles, en bijna iedereen bezit niets.’ Dat was in 1973. Korter geleden heeft hij gepleit voor een minimumloon van vijftien dollar per uur in 2020 (dat ligt nu op 7,25 dollar), maar andere kandidaten hebben nog geen steun voor dat voorstel uitgesproken.

    De onderlinge strijd en het gebrek aan consensus zijn frustrerend geweest, ook voor de kandidaten. Clinton kreeg in september de mantel uitgeveegd door Republikeins kandidaat Donald Trump omdat haar lijst met sponsoren meer voordeel zou opleveren voor de superrijken dan voor gewone Amerikanen. Sanders zei op Twitter: ‘De in snel tempo groeiende ongelijkheid in inkomen en rijkdom is niet alleen grotesk en immoreel, hij is ook economisch onhoudbaar.’

    Als die ongelijkheid zo enorm groot blijft en de onderste 30 procent niet in staat is om weer rijkdom te vergaren (vergeet niet dat hun welvaart tussen 1986 en 2012 vrijwel niet is gestegen), zal de ongelijkheid die daarvan het gevolg is, tientallen jaren vooruitgang tenietdoen,’ waarschuwen Saez en Zucman. ‘Dat wil zeggen dat over tien of twintig jaar alle democratisering van de welvaart die sinds de New Deal en de jaren na de oorlog is bereikt, verloren kan zijn. De rijken zijn dan extreem rijk, terwijl gewone gezinnen vrijwel niets verdienen en schulden hebben die bijna even groot zijn als hun bezittingen.’

    Dit alles roept de duivelse vraag op: 
stel dat het ongelijkheidsprobleem zo groot is dat geen enkele leider – of team – het kan oplossen, wat dan? In plaats van eindeloos over dit probleem te blijven discussiëren is het misschien nuttiger om te kijken naar een gemeenschap, liefst van een behoorlijke omvang, die veel van deze problemen al heeft meegemaakt en succesvol heeft opgelost.

    Voor dit artikel heeft Newsweek gekeken naar de laatste welvaartsgegevens uit de vijfjaarlijkse enquête van het U.S. Census Bureau in grote stedelijke gebieden met minstens 300.000 
inwoners. Volgens die gegevens is de grootste welvaartskloof in Amerika te vinden in drie steden in Connecticut: Bridgeport, Stamford en Norwalk – dé hedgefondsregio van Amerika vanwege de vele miljonairs en miljardairs die zich er hebben gevestigd en die vaak 
in het nabijgelegen Greenwich werken. Op de tweede plaats kwam Naples, 
Florida, waartoe ook het chique Immokalee-Marco Island behoort. Op de derde plaats stond het gebied dat New York City, Newark en Jersey City in New Jersey omvat.

    Hoe staat het met Ogden, vergeleken met hedgefondsland Connecticut? 
De rijkste 20 procent van de huishoudens in Ogden bezit ongeveer 40 procent van het inkomen van de stad. Maar als je ook Bridgeport, Stamford en Norwalk tot de metropool rekent, bezit de rijkste 20 procent bijna 60 procent van het inkomen. Ogden heeft niet alleen de smalste welvaartskloof, deze middenklasse-oase biedt zijn inwoners ook hogere lonen en lagere kosten voor levensonderhoud dan het landelijk gemiddelde, en is een van de steden met de laagste werkloosheid en grootste banengroei in het land.

    Het is een van de plekken waarvan de meeste Amerikanen dachten dat ze ergens 
tussen Studio 54 en ‘Reaganomics’ in een wolk van cynisme waren verdwenen.

    Mark Muro van het prestigieuze onderzoeksbureau Brookings schreef in juni een rapport waarin hij Ogden noemde als een van de ‘vijftien belangrijkste steden voor hoogwaardige industrie,’ een stad die hard zijn best heeft gedaan om werkgelegenheid in groeisectoren aan te trekken. Dankzij het feit dat Ogden zich richt op technische banen en op beroepsopleidingen voor niet-universitaire studenten is de stad een centrum voor banen in onderzoek, technologie, techniek en wiskunde geworden, volgens Muro.

    De 160.000 rijkste families van de Amerika hebben hun aandeel in de welvaart van het land meer dan verdrievoudigd

    Terwijl academici in Ogden minder dan de helft van de volwassen bevolking uitmaken, heeft de stad op scholen en op een speciaal college, Weber State University, veel programma’s ingevoerd waarmee studenten en volwassenen meer werkgelegenheidskansen krijgen in de hightechindustrie. En het trainen van technische kennis begint al op de kleuterschool, zegt Terrence Bride, 
die in Ogden verantwoordelijk is voor het aantrekken van bedrijvigheid. Zo kunnen mensen die van een opleiding komen, beter betaalde banen vinden, zonder eerst vier jaar naar de universiteit te hoeven.

    Daardoor hoeven ze ook minder schulden te maken en krijgen ze uiteindelijk de kans om vermogen op te bouwen.
    ‘Ik ben vanuit Californië hierheen ge‑
komen met mijn man, die luchtvaarttechnicus is,’ vertelt Carrie Vondrus, eigenares van een winkel in vintage kleding in het centrum van Ogden. ‘Dankzij de lage kosten voor levens‑
onderhoud hier kon ik thuis blijven om voor mijn kinderen te zorgen, wat niet mogelijk was geweest waar we vroeger woonden. Nu heeft mijn zoon van vijfentwintig een huis met vijf slaapkamers in de stad gekocht. Hij is bedrijfsleider bij Dick’s Sporting Goods en het is zijn eerste huis. Hij en zijn vriendin betalen het helemaal zelf.’

    Dit soort verhalen hoor je veel in Ogden, waar de gemiddelde leeftijd dertig is en zelfs het bedienend personeel van restaurants huizen koopt – voor velen de eerste stap naar het opbouwen van vermogen. Het gemiddelde inkomen in de stad ligt met 35.844 dollar nog onder het nationaal gemiddelde, maar stijgt, aangedreven door de hightechbanensector, waarin het gemiddelde jaarsalaris volgens Brookings op 60.580 dollar ligt.

    Ommekeer

    De ommekeer begon in 2002, met de verkiezing van de achtentwintigjarige Matthew Godfrey, in die tijd een van de jongste burgemeesters van de VS, die in het decennium daarop gebouwen afbrak, het centrum van de stad opnieuw opbouwde – vaak ondanks protesten – en bedrijven verleidde om zich te vestigen in Ogden, dat hij nieuwe allure probeerde te geven als het mekka voor hightechtalent. ‘Ik was zo jong en we hadden zulke grootse plannen, de meeste mensen verwachtten denk ik niet dat we het voor elkaar zouden 
krijgen,’ zegt hij.

    ‘Aanvankelijk was er totaal geen belangstelling. Onze tech-industrie bestond nauwelijks. We waren alleen maar een smerige, verlopen oude spoorwegstad,’ vertelt Godfrey, die nu 45 is. ‘Bedrijven kwamen kijken en 
verhuisden dan naar Salt Lake City, 
of zoiets. Dus lieten we de hightech‑
bedrijven maar zitten en gingen we er alles aan doen om outdoor-bedrijven binnen te halen. En toen die rond 2008 verschenen, waren de hightechbedrijven ineens wel geïnteresseerd. Opeens waren we die hippe, coole, buitensportstad.’

    Christopulos, die zowel onder Godfrey als onder diens opvolger, Caldwell, heeft gewerkt, was ondertussen begonnen met het opkopen van vervuilde grond, oude bedrijfsgebouwen en verkrotte wijken, waarvoor hij alle fondsen bij elkaar schraapte die de stad maar kon opbrengen. ‘Mijn team en ik zetten onze eigen geheime project op, om de fondsen bij elkaar te brengen die we nodig hadden, via federale en staatssubsidies, leningen, aannemers en milieuregelingen,’ vertelt hij.

    In 2007 begonnen hun inspanningen om commerciële huurders te vinden voor de gerenoveerde historische gebouwen van Ogden, hun vruchten af te werpen. Het leverde de stad miljoenen dollars op in de vorm van extra belastingen, huren en omzetbelasting, die gebruikt konden worden voor investeringen in andere verbeterprojecten. Tot nu toe heeft de stad meer dan vier miljard aan nieuwe belastinginkomsten gegenereerd.

    Van levensbelang voor het masterplan was een levendig stadscentrum. Nadat hij tientallen jaren had staan wegrotten, werd Ogdens historische 25th Street, waar Al Capone ooit illegaal alcohol verhandelde, uitgeroepen tot een van de mooiste doorgangswegen in Amerika, vanwege zijn amfitheater, zijn festivals en straatkunst (volgens Christy McBride, hoofd planning van de stad, vinden er in het centrum, dat nu voor 95 procent bezet is, zo’n 650 evenementen per jaar plaats, waar tienduizenden mensen op af komen.)

    Afgezien van Albuquerque, New Mexico, was Ogden de enige grote stedelijke agglomeratie in het westen die banengroei kende in 2009, toen in de rest van het land de recessie nog steeds woedde. Het was in datzelfde jaar een van de eerste steden in het land waar de productie terug was op zijn oude niveau van voor de recessie. En vóór de recessie was het aantal banen in de hightechsector in Ogden tussen 2002 en 2007 met 12,6 procent gestegen. Nu biedt Ogden onderdak aan een diverse groep groeiende, geavanceerde bedrijven, die samen goed zijn voor zo’n 26.500 banen, volgens Brookings. Onder de werkgevers bevinden zich Northrop Grumman, Rossignol, Universal Cyces, Mercury Wheels, US Foods, Amer Sports, Comerstone Research, Home Depot, Hart Skis ConAgra Foods en Hershey’s.

    Elke stad is anders en zelfs de beste groeistrategieën zullen niet overal 
toepasbaar zijn, maar wat in Ogden is gebeurd kan elders ook gebeuren. Volgens een van de meest vooraanstaande economen ter wereld, Raj Chetty van Harvard University, kunnen beleidsoplossingen op staats- of federaal niveau weliswaar economische groei bevorderen (bijvoorbeeld door te zorgden dat meer mensen een universitaire opleiding volgen), maar heeft iemands geboortestad de grootste invloed op zijn kansen om vooruit te komen.

    In het kader van het Equality of Opportunity-project bekeek Chetty samen met een groep onderzoekers de cijfers van steden in de hele VS en hij ontdekte dat de stad waar een kind geboren is enorme invloed heeft op zijn of haar kansen om vooruit te komen in het leven. Volgens de data van het project, die eerder dit jaar werden gepubliceerd, zou een kind uit een gezin met een laag inkomen in Ogden op zijn 26ste jaarlijks 2.440 dollar oftewel 9 procent, meer verdienen dan het nationaal gemiddelde. Uit dezelfde onderzoeksgegevens blijkt ook dat in Weber County, waar Ogden toe behoort, de inkomensmobiliteit groter is dan in 76 procent van alle county’s in de VS. ‘Denken op lokale schaal is van groot belang, want ik denk dat er binnen een beperkt gebied meer beleidsoplossingen mogelijk zijn,’ zegt Chetty. ‘Beleid van de federale of de staatsoverheid zal niet alles kunnen oplossen, want de problemen per plaats verschillen en er is dus maatwerk nodig.’

    Nieuwe welvaart

    Door als gemeenschap aan het vergroten van de welvaart te werken, heeft Ogden de discussie onder economen over de verdeling van de bestaande welvaart al achter zich gelaten. De stad kan zich nu richten op het aantrekken van nieuwe welvaart, door bedrijven aan te trekken die hogere salarissen bieden aan zijn inwoners en zo ‘de taart groter te maken’ zoals Stiglitz het noemt.

    Hogere salarissen in combinatie met lagere kosten voor levensonderhoud leidt tot meer sparen en het vergaren van rijkdom. Misschien is deze periode niet het eind van de Amerikaanse droom, zegt Christopulos, maar wordt die droom nu opnieuw gedefinieerd. ‘Filosofisch gezien zouden we best een manier kunnen vinden om welvaart te creëren en het niveau van alle inkomens te verhogen,’ zegt hij. ‘Dat heeft meer te maken met economische mogelijkheden dan met een kloof tussen rijk en de arm.’

    Terwijl hij door het centrum van Ogden rijdt, werpt Christopulos veelzeggende blikken op een volgende rij huizen die hij zou willen strippen, opnieuw inrichten en weer teruggeven aan de buurt. ‘We proberen economische instrumenten te gebruiken om sociale veranderingen te bewerkstelligen, maar dat is moeilijk,’ zegt hij. ‘Anders dan Uncle Sam kan ik de geldvoorraad niet vergroten. Wij hebben dat soort beheersinstrumenten niet. Elke situatie is anders en heeft veel aspecten. Er is geen oplossing die overal past.’

    Hoe de oplossing voor Amerika er ook uitziet, Christopulos is er aardig zeker van dat die niets te maken zal hebben met politiek – en zeker niet met partijpolitiek die de werkelijke scheidslijn verhult: financiële ongelijkheid.
    ‘Ik ben Republikein geweest en Democraat,’ zegt Christopulos. Nu ben ik communitarian – een man van de gemeenschap.’

  • 2. De gezondheidsladder

    2. De gezondheidsladder

    Willen we meer gelijkheid dan moeten we twee dingen doen, stelt Michael Marmot: de zorg voor ouders en kinderen verbeteren en de hoeveelheid mensen met onvoldoende inkomen verminderen.

    De levensverwachting van een jongen die in het armste deel van Westminster, Glasgow, Baltimore of Washington woont, is twintig jaar korter dan die van een 
jongen in het rijkste deel; voor meisjes ligt het iets gunstiger. Maar de meeste mensen wonen niet in het armste deel van een stad en kunnen dus gerust zijn dat dit voor hen niet opgaat. Ze hebben ongelijk. Die gerustheid is niet op zijn plaats.

    Er is een opmerkelijk nauw verband tussen je plek op de sociaaleconomische ladder en je gezondheid – hoe hoger op de ladder, hoe beter de gezondheid. Ik noem dat de sociale gezondheidscurve. U en ik, die niet tot de rijksten of de armsten behoren, zullen naar verwachting korter leven dan de rijksten en langer dan de armsten. De gemiddelde Brit zal acht jaar korter in gezondheid leven dan degene boven aan de ladder. Ongezond zijn betekent dat je vroeger sterft en dat nog tijdens je leven de greep van je hand verzwakt, je mobiliteit achteruitgaat, net als je geheugen en je andere cognitieve vermogens, en dat je verschillende ziektes krijgt. Hoe lager je in de sociale hiërarchie staat, hoe sneller deze dingen gebeuren. Wie zich in het midden bevindt, is niet immuun. Wij maken allemaal deel uit van de sociale gezondheidscurve. En de schaal van het probleem is enorm.

    We moeten streven naar het verhogen van het niveau voor iedereen

    Er zouden elk jaar zo’n 202.000 minder voortijdige sterfgevallen zijn als iedereen in Groot-Brittannië een even laag sterftecijfer had als degenen met een academische opleiding (die minder dan 10 procent van de bevolking uitmaakten toen de mensen die vandaag sterven de studentenleeftijd hadden). Dat is zo’n 500 sterfgevallen per dag. Een mogelijke calamiteit voor ons allemaal, en een tragedie voor het land. Als een vervuilende fabriek zo’n hoge tol eiste, zouden mensen de straat opgaan en maatregelen eisen.

    We zouden ook maatregelen moeten eisen. De oorzaak is ongelijkheid in de omstandigheden waaronder mensen worden geboren, opgroeien, leven, werken en oud worden, én de ongelijke verdeling van macht, geld en hulpbronnen waardoor deze ongelijkheid wordt veroorzaakt.


    Lakmoesproef

    Het goede nieuws is dat we nu weten hoe we dit aantal voortijdige sterfgevallen kunnen verminderen en gezond kunnen leven. Om te beginnen leren ervaringen over de hele wereld dat het verband tussen iemands plaats op de sociale ladder en zijn slechte gezondheid 
weliswaar overal bestaat, maar dat 
de omvang van het probleem sterk varieert. Sommige landen doen al wat nodig is. Ook weten we nu wat er gedaan kan worden. We zullen ons minder moeten richten op de zorgen over de druk op de National Health Service of over ongezonde levensstijlen, en meer op de oorzaken van slechte gezondheid. Dat begint met de aard van vroege ontwikkeling van kinderen, gaat verder in de schooltijd en het werkende leven, en eindigt met de omstandig‑
heden waarin oudere mensen in de laatste fase van hun leven verkeren.

    De curve verandert alles. Stel je even voor dat het probleem van ongelijkheid in gezondheid beperkt bleef tot een slechte gezondheid voor de armen. 
Dat zou een lakmoesproef kunnen zijn. Als we een bepaald type rechtse rakker waren, vonden we misschien dat de armen de architecten van hun eigen ongeluk zijn, nietsnutten, en zouden we dus weinig sympathie voelen voor de ongelijkheid in gezondheid die gerelateerd is aan armoede: als arme mensen goede gezondheid willen, moeten ze worden als wij, harde werkers. Elders op het politieke spectrum zou het ons misschien wel kunnen schelen, een beetje. Maar nog steeds stellen we onszelf dan gerust met het idee dat ‘zij’ het zijn, de armen, die lijden; ‘wij’ hebben geen last van sociale achterstelling.

    Leerlingen van de King Edward VI High School in Birmingham, een van de topscholen in Engeland. Zij zullen gemiddeld acht jaar langer leven dan hun minder gefortuneerde landgenotes.
 –  © Christopher Furlong / Getty Images
    Leerlingen van de King Edward VI High School in Birmingham, een van de topscholen in Engeland. Zij zullen gemiddeld acht jaar langer leven dan hun minder gefortuneerde landgenotes.
 – © Christopher Furlong / Getty Images

    Maar de curve betekent dat iedereen die onder de top zit de handen ineen zou moeten slaan om de omstandig
heden te scheppen voor een goede gezondheid. Er is een duidelijke sociale curve in metingen van vroege ontwikkeling van kinderen: hoe armer het gezin, hoe lager de scores op cognitieve, sociale en gedragsontwikkeling. Ja, de armen hebben de laagste scores. Maar in het midden van de sociale schaal bereikte slechts 52 procent van de kinderen het niveau dat nodig is om klaar te zijn voor school. We moeten voor de hele sociale curve actie ondernemen. Onze samenleving moet twee dingen doen: de zorg voor ouders en kinderen verbeteren – het is geen goed idee om Sure Start-kindercentra te sluiten – en de hoeveelheid mensen met onvoldoende inkomen verminderen. De Joseph Rowntree Foundation hanteert het criterium van een minimum levensstandaard in het Groot Brittannië van nu. Daarbij horen voedsel, kleding en onderdak. Maar ook dat je genoeg hebt om te kunnen profiteren van de kansen en keuzes die nodig zijn om in de samenleving te participeren. In 2010 zat 31 procent van de huishoudens met kinderen onder dat minimum. Drie jaar later was dat percentage gestegen naar 39 procent. Aandacht besteden aan die onderste 39 procent gaat om veel meer mensen dan alleen ‘de armen’.

    Het probleem is dat werken niet genoeg geld oplevert

    Werk zou natuurlijk een manier moeten zijn om het minimum
inkomen te verwerven dat nodig is om aan de samenleving deel te nemen, maar is dat niet. In maar 19 procent van de tweeoudergezinnen die in 2013 onder het inkomensminimum zaten, werkte geen van beide partners. In meer dan 80 procent van de huishoudens met een laag inkomen werkte minstens een van de partners. Het probleem is niet dat uitkeringen te genereus zijn en ook niet dat mensen hun best niet doen. Het probleem is dat werken niet genoeg geld oplevert. Net zo min als uitkeringen. Uit onder‑
zoek in Europa blijkt dat in landen waar de uitkeringen hoger zijn, de gezondheid beter is en de ongelijkheid op het gebied van gezondheid kleiner. Interessant is ook dat in landen met hogere uitkeringen de werkgelegenheidssituatie ook beter is.


    Ik heb in rijke en arme landen in‑spirerende voorbeelden gezien van de manier waarop landen actie ondernemen om het leven van hun inwoners te verbeteren en ongelijkheid in gezondheid te verkleinen. 
De belangrijkste factoren zijn sociale cohesie en emancipatie. In plaats van de samenleving te verdelen in twee grote klassen – ofwel die van Marx ofwel die van de nietsnutten en de harde werkers uit een andere politieke taal – kunnen we beter denken aan curves. We moeten streven naar het verhogen van het niveau voor iedereen. Het is niet onredelijk om te zeggen dat alle sociale groepen de goede gezondheid zouden kunnen hebben van de rijkste groep. Maar daarvoor is actie nodig, gebaseerd op nuchtere feiten, voor de hele samenleving.

    Auteur: Michael Marmot
    Vertaler: Annemie de Vries

    Michael Marmot is schrijver van 
The Health Gap: The Challenge of 
an Unequal World, uitgegeven bij Bloomsbury.

  • 1. Aan ongelijkheid en armoede is iets te doen

    1. Aan ongelijkheid en armoede is iets te doen

    Volgens econoom Anthony Atkinson heeft de inkomenskloof niets onvermijdelijks. Hij komt met voorstellen waardoor de ongelijkheid afneemt én de economie verbetert.

    President Barack Obama heeft de stijgende inkomensongelijkheid ‘de belangrijkste uitdaging van onze tijd’ genoemd. Paus Franciscus roept overheden op om de armen te laten delen in de rijkdom, in een nieuwe geest van gulhartigheid.

    Zelfs IMF-baas Christine Lagarde heeft gezegd dat ongelijkheid de stabiliteit van de wereldeconomie bedreigt.
    Maar wat deze wereldleiders niet hebben gezegd is wat ze daaraan wilden doen. Om op die vraag antwoord te geven heb ik het boek geschreven dat in 2015 is verschenen: Inequality: What can be done?


    Positief geluid

    Er heerst een klimaat van kommer en kwel: een gevoel dat er weinig tegen de economische ongelijkheid te doen valt. Ik wil een positiever geluid laten horen. De belangrijkste boodschap is dat huidige omvang van de ongelijkheid en armoede niet onontkoombaar is. We kunnen stappen ondernemen om de ongelijkheid en armoede te verkleinen. Die zijn niet gemakkelijk en er hangt een prijskaartje aan. We zouden sterke economische en politieke overtuigingen moeten loslaten. Maar het is mogelijk.

    De eerste stap is het herstellen van de verzorgingsstaat. Sinds 1980 is in de OESO-landen de herverdelingspolitiek afgebouwd, en dat heeft geleid tot het tegengestelde van inkomensspreiding. Dit is een van de redenen waarom in Canada, waar een op de acht mensen op een laag inkomen leeft, het armoede‑
cijfer zo hardnekkig hoog blijft. Het is een van de redenen waarom de ongelijkheid in Canada groter is dan in Frankrijk, Duitsland of Japan.

    Om dit te veranderen moet de belasting omhoog. Niet gemakkelijk, maar ik stel een reeks belastingmaatregelen voor die de ongelijkheid moeten verkleinen, met als uitgangspunt de terugkeer van de progressieve inkomstenbelasting. Aan de uitgavenkant pleit ik ervoor de kindertoeslagen te verhogen en werkloosheidsverzekeringen nieuw leven 
in te blazen. Ik denk zelfs aan de mogelijkheid van een basisinkomen voor iedereen, een radicaal idee, maar het heeft steun gevonden bij Nobelprijswinnaars van zeer uiteenlopende 
signatuur: Milton Friedman ter rechterzijde en James Tobin op links.

    Herstel de verzorgingsstaat

    De ongelijkheid verkleinen is echter niet alleen een kwestie van belastingen en uitgaven. Veel van mijn voorstellen hebben te maken met de marktverdeling van inkomen: wat mensen ontvangen aan loon, rente en andere vormen van kapitaalinkomen. Dit betekent in de eerste plaats dat de werkloosheid moet worden aangepakt en dat de vermindering van werkloosheid dezelfde prioriteit moet krijgen als het beheersen van de inflatie. Banen zijn echter maar een deel van het verhaal. Het salarisniveau is belangrijk. Slechts de helft van de werklozen in de EU verdient als ze een baan vinden genoeg om hun gezin boven de armoedegrens te houden. Armoede onder werkende mensen is een groot probleem.

    Hoe zit het met rijkdom? De zeer grote ongelijkheid in de verdeling van de rijkdom blijkt uit het feit dat de bovenste 10 procent in Canada meer dan 40 procent van het bruto nationaal inkomen verdient. Ik stel dan ook een grote nieuwe vermogensoverdrachtbelasting voor, die gebaseerd is op het bedrag dat iemand gedurende zijn leven ontvangt in de vorm van legaten en giften. Zo’n belasting zou bijdragen aan het scheppen van gelijke kansen en de eerlijker verdeling zou nog versterkt worden als de opbrengst van die belasting op vermogensoverdracht gebruikt werd om iedereen op zijn achttiende verjaardag een minimum-erfenis te geven.

    Voedselbank in Waterloo, Ontario – © Feed My Starving Children /  Flickr Creative Commons
    Voedselbank in Waterloo, Ontario – © Feed My Starving Children / Flickr Creative Commons

    Zo denk ik aan een reeks voorstellen om de ongelijkheid te verkleinen en armoede aan te pakken. Er valt natuurlijk over te discussiëren. Sommigen zullen zeggen dat door deze uitruil tussen billijkheid en efficiency het nationale inkomen en de groei daarvan zullen afnemen. Ik zou daarop antwoorden dat dit bezwaar voornamelijk afhangt van de manier waarop je de werking van een moderne economie ziet. Als je kijkt naar de onvolmaakt‑
heden van de markteconomie, wordt duidelijk dat er omstandigheden bestaan waarin we zowel qua vermogen als qua efficiency vooruitgang kunnen boeken. Het tegengaan van de ongelijkheid zou wel eens hand in hand kunnen gaan met het verbeteren van de economische performance.


    Mensen zullen misschien zeggen dat ‘in een geglobaliseerde economie, een land niet in zijn eentje een koers kan volgen die tot minder ongelijkheid leidt’. Maar landen zijn niet alleen maar passieve deelnemers op het wereldwijde speelveld. Het effect op de herverdeling van inkomen hangt af van de manier waarop nationale overheden inspelen op een veranderende wereld.

    De derde tegenwerping is dat ‘we het ons niet kunnen veroorloven.’ Inderdaad moeten er harde keuzes gemaakt worden. Willen we werkelijk de ongelijkheid verkleinen en de armoede aanpakken, dan moeten we de belastingen verhogen en de manier heroverwegen waarop marktinkomens worden bepaald.

    Maar we kunnen niet zeggen dat er niets aan te doen is.

    Auteur: Anthony B. Atkinson
    Vertaler: Annemie de Vries

    Anthony B. Atkinson is als senior 
onderzoeker verbonden aan het Nuffield College, Oxford en als professor aan de London School of Economics. 
Hij schreef Inequality: What can be done?, 
Harvard University Press, 2015.

    (Foto boven: Denise Corley (46) en haar dochter Aniya Hall (9) moet alle zeilen bijzetten om rond te komen. Haar man werkt bij McDonalds. – © Rene Cle)

    Toronto Star
    Canada, dagblad, oplage 400.000
    Grootste krant van Canada. Een van de weinige titels die een plechtige ‘principeverklaring’ in ere houdt, te vinden op de site. Daarin staat als kerntaak van de krant ‘het publiek te wijzen op misstanden en de mogelijke oplossingen daarvoor’.