360 koestert zijn bronnen. Dus was het de afgelopen maanden bijzonder pijnlijk om te zien hoe de kritische Turkse krant Cumhuriyet, waaruit we geregeld publiceerden, door president Erdogan monddood werd gemaakt.
Hoofdredacteur Can Dündar werd in mei al veroordeeld tot vijf jaar cel wegens het publiceren van een artikel over Turkse wapenleveranties aan Syrische rebellen. Tijdens de heksenjacht tegen journalisten die ontstond in de nasleep van de coup, wachtte hij zijn proces wijselijk niet af, legde zijn functie neer en ontvluchtte Turkije. Daarop trokken de autoriteiten het paspoort van zijn vrouw Dilek in. Als steunbetuiging aan Dündar vindt u in deze editie van 360 zijn laatste column ‘Hallo Fatih!’, gepubliceerd in Die Zeit. Daarin veegt Dündar even fijntjes de vloer aan met zijn knipmessende collega’s.
Ook in de rest van dit nummer gaat het veel over persvrijheid. In Rusland is het daar zoals bekend eveneens niet best mee gesteld, een van de redenen dat Vladimir Poetin overal mee wegkomt en ongekend populair blijft. De situatie in China lijkt een fractie hoopvoller, als je mag afgaan op het openhartige interview met de hoofdredacteur van de Chinese staatskrant Global Times. Volgens hem is er in elk geval een beweging gaande richting meer openheid, al gaat die voorlopig nog met keiharde repressie gepaard.
Verontrustend is dat ook in het vrije Westen de leugen steeds vaker regeert
Verontrustend is dat ook in het vrije Westen de leugen steeds vaker regeert. Politici als Donald Trump verkondigen steeds brutalere onwaarheden. En grote groepen kiezers lijken die onzin klakkeloos te geloven – of domweg te negeren. Oorzaken voor deze trend vallen wel aan te wijzen: kwaliteitsmedia hebben het zwaar, deskundigen hebben geen gezag meer, op sociale media zien we vooral nieuws dat onze mening bevestigt, we overschatten onze eigen (Wikipedia-)kennis en verwarren data met feiten.
Oplossingen lijken daarentegen nog niet in zicht. Vermoedelijk moeten die uit het veelgesmade, naar wereldheerschappij strevende Silicon Valley komen. Internetreuzen als Facebook, Google en Twitter zijn de oorzaak van veel problemen in kranten- en bladenland. Maar ze lijken ook de enige met voldoende middelen om de kwakkelende nieuwsindustrie nieuwe injecties te geven (in Frankrijk is Google door een aantal donaties intussen de held van de oude media). Ook zorgen ze, hoeveel kanttekeningen je daarbij ook kunt plaatsen, zelf voor meer openheid en vrijheid in de wereld. Niet voor niets worden ze in Turkije, Rusland en China regelmatig monddood gemaakt.
Hu Xijin is oud-militair en hoofdredacteur van de Chinese krant Huanqiu Shibao. In een interview met de Amerikaanse site Quartz spreekt hij eerlijk maar voorzichtig over de persvrijheid in zijn land. Belangrijk is dat hij twee bazen te vriend houdt: de regering en de markt.
Om te beginnen: is het juist om de Global Times een orgaan van de Communistische Partij te noemen, of een Chinees staatsmedium?
‘Dat vind ik niet. Benamingen als partijorgaan of staatsmedium kloppen niet. Southern Weekly (een invloedrijke, naar liberaal neigende krant die gevestigd is in Guangzhou) is ook aan de partij gelieerd. Maar zijn wij gelijk? We opereren onder hetzelfde systeem. We zijn allebei “partijorgaan” en “staatsmedium”. Maar we hebben elk onze eigen waarde. Ook People’s Daily en Xinhua zijn partijorgaan en staatsmedium. Vanuit dat oogpunt moet je niet naar onze kranten kijken. We zijn marktgedreven media. Die omschrijving past beter bij China. We zijn afhankelijk van de markt, niet van overheidsfinanciering of iets dergelijks. De Global Times is zelf verantwoordelijk voor zijn winst of verlies. Onze winst komt voornamelijk uit onze verkoop- en reclame-inkomsten.’
Dus u hebt twee bazen – de regering en de markt. Welke van de twee is voor u het belangrijkst?
‘Momenteel is de regering belangrijker. Want als die tegen ons is, worden we gestraft. Op de lange termijn zijn ze allebei even belangrijk.’
Veel buitenlandse nieuwsmedia vatten uw artikelen en commentaren op als de officiële stem van de Communistische Partij. Is dat een misverstand?
‘Die vraag is niet zo makkelijk te beantwoorden. Ik ben benoemd door de Communistische Partij, dus die kan mij beïnvloeden. Ik houd me aan de lijn van de Communistische Partij. Ik zal me nooit tegen de partij keren. We horen tot hetzelfde systeem. We hebben veel dezelfde opvattingen, meningen en waarden.
Als marktgedreven nieuwsmedium hebben we meer journalistieke vrijheid. We kunnen allerlei dingen zeggen, terwijl partijmedia of staatsmedia dat niet kunnen. Wat wij zeggen is waarschijnlijk vaak wat politici denken. Maar ook al denken politici wat wij zeggen, dat betekent nog niet dat ze daar beleid van kunnen maken.’
‘Buitenlandse media zien ons vaak als de officiële spreekbuis van China. Dat is niet helemaal onjuist en ook niet helemaal juist’
Hoe weet u wat de partijbonzen denken?
‘Ik ben ook lid van de partij. Ik heb voor het leger gewerkt. Ik heb veel vrienden bij het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Veiligheidsdienst. We spreken elkaar vaak. We delen dezelfde waarden. Over het algemeen denken we hetzelfde. Buitenlandse media zien ons vaak als de officiële spreekbuis van China. Dat is niet helemaal onjuist en ook niet helemaal juist. Spreekt The New York Times voor Barack Obama of het Witte Huis? Nee. Spreken wij voor de Chinese regering? Nee. Onze banden met het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Binnenlandse Veiligheid zijn waarschijnlijk net zoals de banden van The New York Times met het Witte Huis en de State Council.’
Hebben overheidsfunctionarissen de Global Times ooit opdracht gegeven om een bepaald artikel te schrijven, of dat op een bepaalde manier te doen?
‘Ik kan niet zeggen dat het nooit gebeurd is. Maar heel zelden.’
Weerspiegelt de Global Times de algemene opinie in China?
‘Ik kan niet voor iedereen spreken; ik spreek alleen voor onze nieuwsredactie. Maar ik sta heel dicht bij de algemene opinie, omdat ik de belangen van de staat verdedig. De belangen van de staat zijn in de grond de belangen van het publiek – de grootste gemene deler van ieders belangen.’
Botsen overheidsbelangen niet af en toe met de belangen van de gewone man?
‘In termen van beleid wel, ja. Bijvoorbeeld als de partij een bepaald beleid voert dat de mensen niet aanvaarden, dan zullen er kleine conflicten zijn. Maar ik geloof dat de fundamentele belangen van de Communistische Partij in lijn zijn met de belangen van de gewone man.’
Als u een conflict ziet tussen de belangen van mensen en die van de regering, welke kant kiest u dan?
‘Dat hangt ervan af wie er gelijk heeft. Als de gewone mensen gelijk hebben, sta ik aan hun kant. Maar ik zal wel voorzichtig zijn in mijn kritiek op de regering. Ik kan niet al te hard tekeergaan, want ik moet een goede relatie met de overheid in stand houden. Ik zet niet aan tot strijd tussen de autoriteiten en het publiek, ik hoop dat ze met elkaar in gesprek kunnen blijven.’
‘Bij de Global Times wordt elk jaar gestemd of ik kan aanblijven. Ben ik niet meer welkom, dan heb ik een probleem’
Bent u ooit door de regering gestraft voor een artikel?
‘Het komt wel voor. We hebben een mediamanagementsysteem waarin ik dan bekritiseerd word.’
Is het systeem volgens u opener of geslotener geworden sinds u elf jaar geleden hoofdredacteur werd?
‘Het gaat in golven. Over het algemeen is het veel opener dan elf jaar geleden. Het internet heeft veel opengebroken.’
Wat bedoelt u met golven?
‘Soms is het een tijdlang opener, maar dan moet het weer geslotener worden als er zich problemen voordoen. Na een tijdje wordt het dan weer opener. Dat komt doordat ons land geen ervaring heeft met een vrije pers. We moeten experimenteren en telkens nieuwe dingen uitproberen. Over het algemeen denk ik dat het Chinese systeem open wil worden.’
Zitten we nu op een top of in een dal?
‘Het is belangrijker om te kijken naar de grote lijn dan naar de stand van zaken op een specifiek moment.
Media zijn uitgevonden door het Westen, ze verschenen in het Westen. Toen ze China binnenkwamen, moesten ze zich aan het land aanpassen. China kent persvrijheid en vrijheid van meningsuiting, dat staat in de grondwet. Hoe zorgen we voor persvrijheid? We moeten tegelijkertijd voldoen aan de persvrijheid en aan het leiderschap van de partij. Hoe combineren we die twee? We moeten het telkens opnieuw uitvinden.
Ons land streeft naar een op Chinese leest geschoeide, gezonde en duurzame vrijheid van meningsuiting, die aanvaardbaar is voor de samenleving en zich verdraagt met het systeem. We moeten het blijven proberen: nu eens wat opener, dan weer wat geslotener. Zo gaat het altijd.’
Laten we het over de Amerikaanse presidentsverkiezingen hebben. Wie heeft uw voorkeur: Hillary Clinton of Donald Trump?
‘Hoe zou ik een voorkeur kunnen uitspreken? Het is een Amerikaanse aangelegenheid.’
Zijn zij allebei een bedreiging voor China? Clinton lanceerde de ‘pivot to Asia’ [‘draai naar Azië’] en Trump heeft veel negatiefs over China gezegd.
‘Ik zie de verkiezingen als een theaterspektakel. Ik weet niet wie van de twee het gunstigst voor China zou zijn. Maar ik geloof wel één ding, namelijk dat ze geen van beiden invloed hebben op het grote geheel van de betrekkingen tussen China en de VS. Aan zo’n groot systeem van belangen kan noch Clinton noch Trump zomaar iets veranderen. Ik geloof dat de betrekkingen tussen China en de VS een bepaalde samenhang moeten hebben. Natuurlijk is de relatie nu een beetje gespannen. Dat komt door een structureel conflict – de VS maken zich zorgen om de opkomst van China en er ontstaat een nieuw evenwicht in de Aziatisch-Pacifische regio. Maar dat conflict heeft zijn eigen patroon.’
In een van uw artikelen stond dat Trump een voorbeeld is van de problemen waarmee de westerse democratie kampt.
‘Zeker. Hij zegt extreme dingen. Zo verwerft hij de positie van presidentskandidaat en iedereen heet hem welkom. Is dat geen probleem? In de VS zelf denkt men er ook zo over. Zelfs de Republikeinen zijn tegen hem. De westerse democratie heeft problemen. China’s systeem heeft ook problemen. Als wij problemen hebben, hervormen we. Maar dat doet het Westen niet. Westerlingen denken dat alles wat zij doen, goed is.’
Heeft China democratie nodig?
‘Natuurlijk. We zijn al jarenlang voorstander van democratie. En die is in aantocht, ook op de laagste niveaus. Bij de Global Times wordt elk jaar gestemd of ik kan aanblijven [als hoofdredacteur]. Ben ik niet meer welkom, dan heb ik een probleem.’
Dus China heeft democratie nodig, maar geen Westerse democratie?
‘Precies. Ik denk dat de westerse democratie niet zal werken voor China. Zo is het systeem van één persoon, één stem in China zeker niet wenselijk. China heeft een consensusdemocratie nodig, een echte democratie, waarin de mening van gewone mensen serieus genomen wordt en de autoriteiten werken voor de belangen van gewone mensen. Zo worden de opvattingen van de meeste gewone Chinezen onmiddellijk weerspiegeld in het beleid. Democratie is heel tastbaar in het leven van de Chinezen.
Als bij ons een moordende strijd zou woeden, zoals in Amerika, waarin iedereen mag stemmen, als China verkiezingen zou houden zoals in de VS gebeurt, denk ik dat er onmiddellijk onrust in China zou ontstaan. Dat zou het eind van het land zijn. Dus nee, geen westerse democratie.’
Volgens sommigen verkoopt u ‘patriottische complottheorieën’. Bent u het daarmee eens?
‘Nee. Het is net als met de ruzie tussen China en het Westen. Zij dagen ons uit en wij bekritiseren hen. Het is onvermijdelijk dat aan beide kanten wel eens iets wordt gezegd dat niet klopt. De kritiek van het Westen op China, ook de nadruk die wordt gelegd op de (ontwikkeling van de) mensenrechten in China, is over het algemeen constructief. Maar dat betekent niet dat we maar alles accepteren wat ze zeggen. We kunnen nooit toelaten dat het Westen de agenda, de route en het tijdschema bepaalt voor de ontwikkeling van mensenrechten in China. Dan zouden de mensenrechten het Westen macht over China geven.’
U hebt meegedaan aan de protesten van 4 juni 1989, nietwaar? Hoe ging dat?
‘Ik was toen op het Tiananmenplein. Ik was erg radicaal.’
Bent u gefilmd?
‘Nee, ik denk het niet. Ik was militair. Dus ik was voorzichtiger.’
U bent weggegaan voordat het plein werd ontruimd, niet? Anders had u niet kunnen afstuderen en daarna voor de Global Times kunnen werken.
‘Ik wil hier niet dieper op ingaan. Maar in ieder geval ben ik weggegaan voor de ontruiming.’
‘Op dit moment kan China niet zonder een Great Firewall. Maar het land mag er niet afhankelijk van zijn’
Tijdens de oorlog in Joegoslavië werkte u daar drie jaar lang als oorlogscorrespondent. Hoe was dat?
‘Ik heb van dichtbij gezien hoe een geweldig land door oorlog uiteenviel. Ik leerde er een ervaren Amerikaanse journalist kennen. Hij zei tegen me dat de Communistische Partij in China voor samenhang zorgt. Dat het leiderschap daarvan nooit verzwakt moest worden. Dat meende hij oprecht.’
Besefte u dat niet voor u daarheen ging?
‘Kort na 4 juni ben ik naar de Sovjet-Unie gegaan. Dat was in de periode dat de Sovjet-Unie uiteenviel. Iedereen was in shock. Ik studeerde Russisch. De Sovjet-Unie was zo’n geweldig land, ooit in mijn ogen een paradijs. Maar na het einde van de Unie was het land zo arm en op de rand van uithongering, nog erger zelfs dan China. Daarna ging ik naar Joegoslavië. Dat land werd verscheurd door de oorlog. Dat was echt een schok voor me. Ik besefte dat we in het verleden idealistisch waren geweest, maar dat de werkelijkheid anders is dan onze idealen. Twee of drie jaar geleden, toen ik in Oekraïne was, vroeg ik een adviseur van de Oekraïense president naar zijn mening over leiderschap. Hij dacht even na en zei toen: “Als een land in transitie is, moet een regering nooit de controle over de hervormingen verliezen.”’
U krijgt online veel kritiek, ook van anderen uit de Chinese journalistiek. Maar u hebt gezegd dat u zich daar niet druk om maakt.
‘Bij degenen die mij online uitschelden zitten ook liberale journalisten. Die uiten vaak kritiek op me. Dat geeft niet, het hoort erbij. De Chinese samenleving verandert en de waarden van mensen veranderen ook. Wie actief is in de media zal altijd lof krijgen en nog meer kritiek. Hoe duidelijker je standpunten zijn, hoe meer steun, maar ook hoe meer tegenstand je krijgt.’
U hebt in het openbaar gezegd dat de internetcensuur, de ‘Great Firewall’ van China, op de lange termijn niet goed is voor het land.
‘Natuurlijk vond ik dat, dat vind ik nog steeds.’
U hebt ook de regering opgeroepen om meer vrijheid van meningsuiting toe te staan en negatieve kritiek te laten passeren, ook als die niet constructief is.
‘Laat ik die kritiek niet ook passeren? Er zijn zoveel mensen die me uitschelden – en ik laat het over me heen komen. Ik hoop dat de regering ook wat meer kan accepteren.
Ik denk wel dat de Great Firewall nuttig is. Op dit moment kan China niet zonder een Great Firewall. Maar het land mag er niet afhankelijk van zijn; het is een tijdelijke maatregel. Naarmate China van binnenuit sterker wordt, zal de Great Firewall minder nut hebben. Uiteindelijk zullen andere mensen zich tegen ons moeten beschermen. Dan zullen zij op hun beurt misschien wel een Great Firewall bouwen.’
Hebt u ooit overwogen om de wereld een positiever beeld van China te geven?
‘Ik denk dat een waarheidsgetrouw beeld het meest positieve beeld is. Ik kan dat niet fabriceren. Ik ben loyaal aan mijn land en ik dien het land en zijn inwoners. Op dit moment zijn er veel geopolitieke spanningen en conflicten. Hoe zou ik dat moeten veranderen? Ik ben bang dat alleen machten in westerse landen tegen ons zijn. Voor veel mensen is het Westen de internationale gemeenschap en de wereld. Dat is kortzichtig. De wereld bestaat uit meer dan alleen het Westen. Ik kan de elites in de VS en Japan, en de inwoners van Hongkong die voor de VS en Japan zijn, niet naar de mond praten. Ik kan mijn principes niet verloochenen om hun een plezier te doen.’
Hoe zal het Chinese medialandschap er de komende tien jaar uitzien?
‘Dat hangt samen met verschillende factoren. De belangrijkste factor is de technologie, de grootste drijvende kracht voor de toekomst. De tweede is de politiek. Ons land probeert nieuwe leiderschapsmethoden uit. De staat hoopt ook dat de hele samenleving flexibel is. Het is niet goed om je flexibiliteit kwijt te raken.
Technologische ontwikkeling en globalisering vertellen ons dat de Chinese samenleving open moet blijven. Hoe houden we haar open? Dat is wat de staat moet blijven uitzoeken. Als China betere verhoudingen met het Westen krijgt, zal dat goed zijn voor de openheid van het land. Zijn de betrekkingen met het Westen gespannen, en is er onrust in het land, dan zullen de omstandigheden slecht zijn.’
China heeft geprobeerd om zijn eigen waarden, zoals de Chinese Droom, aan de wereld over te brengen. Is dat een succes?
‘Als het gaat over het vertellen van Chinese verhalen aan de buitenwereld, denk ik dat er nog ruimte voor verbetering is. Dat is niet alleen iets voor het ministerie van Propaganda. Het ligt ingewikkeld. Daden zijn ook een effectieve manier om je verhaal te vertellen. Als de relatie tussen China en de VS beter was, zou er meer ruimte zijn voor onze boodschap. De afgelopen paar jaar zijn er problemen geweest in de relatie tussen China en de VS, en tussen China en Japan; zouden zij luisteren naar wat wij zeggen? Maar bij derdewereldlanden is onze boodschap heel duidelijk overgekomen.’
Hu Xijin is sinds 2005 hoofdredacteur van de Global Times.Onder zijn leiding onderscheidt het medium zich vooral door ultranationalistische opvattingen en commentaren.
Deze ‘web-app’ werd in 2012 opgericht door onlinefanaten die met dit nieuwsportal in willen spelen op de nieuwe wereld, ontstaan na de wereldwijde financiële crisis. De redactie hecht aan eigentijdse criteria als transparantie en vernieuwing en wil de ‘voordelen van een vrij toegankelijk web combineren met de elegantie van een applicatie’. Gericht op economie en technologie.
CONTEXT: Brutale staatskrant
De Global Times wordt uitgegeven door de spreekbuis van de Chinese Communistische Partij, de People’s Daily. Maar de Times gaat veel verder dan de saaie Daily.De krant staat bekend om zijn havikachtige commentaren en agressieve aanvallen op tegenstanders, waaruit internationale media gretig quoten. Zo werd een film uit Hongkong beschreven als ‘een virus van de geest’, de onafhankelijkheidswens van Taiwan als een oorlogsverklaring aan China, en Australië als een ‘papieren kat’.
Behalve een Chinese heeft de krant intussen ook een Amerikaanse, een Zuid-Afrikaanse en een Europese editie. Bij de lancering van die laatste werd naar goede gewoonte meteen de Brexit bespot.
Hoofdredacteur Can Dündar van de Turkse krant Cumhuriyet verzette zich tegen de lange, repressieve arm van president Erdogan en werd veroordeeld wegens ‘openbaarmaking van staatsgeheimen’. Hij dook onder op een geheim adres buiten Turkije.
Zou de Duitse bondskanselier ooit de directie van Die Zeit hebben gebeld om ze de mantel uit te vegen met: ‘Hoe halen jullie het in je hoofd om zo’n artikel te plaatsen’? In Turkije is zoiets doodnormaal.
Twee jaar geleden werd de opname van zo’n telefonische uitbrander – als gevolg van het conflict tussen Gülen en Erdoğan – op internet gelekt. Erdoğan, overtuigd van het succes van zijn volksgezondheidsbeleid, is in het telefoongesprek geïrriteerd over een krantenartikel. Dat gaat over een vader, die klaagt dat het hem niet is gelukt zijn driejarige gehandicapte dochter in een ziekenhuis te laten behandelen. Erdoğan heeft het artikel gelezen en belt meteen de plaatsvervangend voorzitter van de mediagroep, een goede bekende van hem.
‘Luister eens Fatih, vandaag staat in de krant op pagina 24 een bijna paginagroot artikel met daarboven: Is dit nou het Turkije dat beweert dat onze gezondheidszorg de sprong naar de moderne tijd heeft gemaakt? Kan het wat minder misschien? Hoe kunnen jullie zo’n kop nou plaatsen?’ – ‘Schandalig meneer, het is schandalig.’ – ‘Het is schandalig, maar hoe krijgen we na zo’n kop de boel weer in orde? Wij bouwen iets op, jullie schoppen er eens flink tegenaan en wij zitten met de gebakken peren. We kunnen toch niet alle berichten van A tot Z in de gaten houden!’ – ‘U hebt gelijk. Het is onze fout. Het zal niet meer voorkomen. Geheel tot uw orders. Ik zal meteen Mehmet Bey [de minister van Volksgezondheid] laten bellen en een bericht op de voorpagina zetten.’
‘Fatih, kom nou, jullie begrijpen echt niet wat jullie doen. De man houdt een betoog alsof het met Turkije afgelopen uit is, en jullie zenden dat live uit!’
U kunt zelf wel bedenken wat er de volgende dag in de krant stond. Op de voorpagina een groot artikel over de minister van Volksgezondheid, die voor het driejarige meisje alles in het werk stelt. De hoofdredacteur betichtte zijn eigen krant van ondankbaarheid en schreef een hoofdartikel waarin de loftrompet werd gestoken over het volksgezondheidsbeleid van de regering. De drie verslaggevers en de redacteur die verantwoordelijk waren voor het artikel werden de laan uitgestuurd.
Ik geloof dat het telefoongesprek een goed idee geeft van hoe het er in de Turkse media aan toegaat. Maar ik wil nog een voorbeeld geven: in een andere opname zit Erdoğan zich op te winden als hij de oppositieleider op televisie ziet, en hij belt opnieuw met de ‘regeringscommissaris’ van de zender: ‘Fatih, kom nou, jullie begrijpen echt niet wat jullie doen. De man houdt een betoog alsof het met Turkije afgelopen uit is, en jullie zenden dat live uit!’
Na dit ‘bezwaar’ werd de live-uitzending vanuit het parlement onmiddellijk afgebroken. De plaatsvervangend voorzitter belt uit angst meteen met de zoon van de premier om zijn excuses aan te bieden. De volgende zinnen zijn uit dat telefoongesprek afkomstig: ‘Mijn baas [hij bedoelt Erdoğan] belde zojuist op en zei: “Jullie laten Bahçeli live zien.” Zeg hem alsjeblieft dat als de [staatszender] TRT het uitzendt, wij dat ook doen. Mijn baas heeft het kennelijk bij ons gezien, en ik heb de uitzending meteen afgebroken. Het belangrijkste is dat hij het zich niet te veel aantrekt.’
Maar ’mijn baas’ trekt zich steevast van alles aan. Toen hij een keer in Marokko was, ergerde hij zich eraan dat wat de oppositieleider zei, als bewegende tekst onder in beeld meeliep; dat moest weg. Op een persconferentie vroeg een onverschrokken verslaggever hem een keer naar zulke interventies: ‘Ja, dat heb ik gedaan,’ bevestigde Erdoğan, ‘want we werden beledigd. Ik weet niet wat er mis mee is om [de directeur van de zender op te bellen en] dat te zeggen.’
Nadat de opnames van deze telefoongesprekken waren gelekt, kreeg de plaatsvervangend voorzitter van de mediagroep met wie de premier steeds sprak, de naam ‘Hallo Fatih’ opgeplakt. ‘Hallo Fatih’ werd het symbool van een tijdperk van repressie van de media en het handelsmerk van toegewijde mediamanagers die gaan staan en hun jasje dichtknopen wanneer ze met hun ‘bazen’ praten.
Vóór de verkiezingen had Erdoğan, als tegenprestatie voor grote aanbestedingen, giften geïncasseerd van zakenlieden uit zijn omgeving, en zo degenen die het in de media voor het zeggen hebben nauw aan zich gebonden. Zij kregen de opdracht hem te steunen en zijn tegenstanders te vermorzelen. De propagandacampagne, die aan die van Goebbels deed denken, functioneerde uitstekend en zette, samen met een reeks andere factoren uiteraard, voor Erdoğan de deuren van het presidentiele paleis wijd open.
Na de coup
U kunt zich voorstellen hoeveel doorzettingsvermogen, moed, geduld en strijdvaardigheid ervoor nodig is om in een land waar de media op zo’n manier worden gemanipuleerd, een onafhankelijke, oppositionele krant uit te geven en te leiden. In Cumhuriyet, de krant waar ik anderhalf jaar leiding aan heb gegeven, verzetten mijn collega’s en ik ons tegen het ‘Hallo Fatih’-systeem in de media. Vanzelfsprekend had niemand de brutaliteit ons op te bellen en wie dat wel deed trof bij ons geen ‘Hallo Fatih’ aan. Wij kregen het op een andere manier te verduren. Ze probeerden ons door dreigementen, onrechtmatige interventies, processen en veroordelingen te intimideren. Maar we verloren de moed niet.
Na de coup is de druk echter toegenomen. Honderd mediabedrijven kregen te horen dat ze moesten sluiten. Tegen zeventien journalisten werd een arrestatiebevel uitgevaardigd. Als er een onderzoek naar iemand werd ingesteld, werd zijn paspoort ongeldig verklaard, zoals ook mij overkwam.
Afgelopen mei werd ik wegens ‘openbaarmaking van een staatsgeheim’ veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en tien maanden omdat ik een – met feiten onderbouwd – artikel had gepubliceerd waarin werd gezegd dat een konvooi van de Turkse geheime dienst wapens naar Syrië bracht. Het Hof van Cassatie, dat moest oordelen over het beroep dat wij tegen dit vonnis hadden ingesteld, werd na de couppoging volledig gereorganiseerd. Twee rechters van het Constitutionele Hof, dat onze gevangenisstraf onwettig had verklaard toen we al drie maanden in de gevangenis zaten, zijn gearresteerd. De officier van justitie die ons aan de rechter-commissaris had voorgeleid, is tot hoofdofficier van justitie in Istanboel benoemd. Op internet werd een lijst van ‘te arresteren journalisten’ verspreid; mijn naam stond bovenaan. Bovendien stonden er nieuwe processen op stapel. De rechtbank zou nu uit regeringscommissarissen bestaan. Daarom besloot ik mijn positie als hoofdredacteur ter beschikking te stellen en mijn land te verlaten.
Zou u, in een land waar na een bloedige couppoging, die 240 mensen het leven kostte, 20.000 mensen zijn opgepakt, 10.000 mensen zijn gearresteerd en bijna 3000 rechters en officieren van justitie uit hun ambt zijn gezet, en waar de herinvoering van de doodstraf op de agenda staat, de rechterlijke macht vertrouwen en uw hoofd op het hakblok van de regering leggen?
‘Hallo Fatih! Laten we deze alinea maar schrappen!’
De krant van de Duitse intelligentsia is tolerant en liberaal en biedt iedere donderdag grote politieke analyses. Bij controversiële thema’s worden verschillende meningen en auteurs tegenover elkaar gezet.
De Chinese partijtop besteedt er liever geen aandacht aan, maar het is vijftig jaar geleden dat de Culturele Revolutie van Mao Zedong losbarstte. De ideologische starheid is nog te groot voor een heldere kijk op de zaak, zegt de Chinese historicus Ma Yong tegen Fenghuang Wang, een van de weinige tijdschriften die een kritisch geluid durven laten horen.
Liu Yuhan: Dit jaar is het vijftig jaar geleden dat de Culturele Revolutie begon. Daarop volgden tien verschrikkelijke jaren. Wie heeft volgens u de aanzet gegeven?
Ma Yong, onderzoeker aan het Onderzoeksinstituut voor Moderne geschiedenis aan de Chinese Academie voor Sociale Wetenschappen:
‘De Culturele Revolutie kon in China plaatsvinden doordat het denken te uniform was geworden. Ware emancipatie van het denken kun je niet opleggen, die ontwikkelt zich vanuit een veelheid van stemmen. De Culturele Revolutie kon juist uitbreken en tot zulke ernstige uitwassen leiden doordat het ontbrak aan verschillende meningen, aan diversiteit. Want de mensen durfden zich niet te onderscheiden of ze konden het niet: binnen de Communistische Partij van China (CCP) had je vertrouwen in de leider, je volgde hem blindelings. En een reeks campagnes voor ‘ideologische hervormingen’ die vanaf 1951 werden gelanceerd, maakten onafhankelijk denken buiten de partij ook steeds moeilijker, met name voor intellectuelen, die toch bekendstaan om hun onafhankelijke geest.’
Waarom gebeurde dit?
‘In de zeventien jaar voorafgaand aan de Culturele Revolutie [van het uitroepen van de Volksrepubliek China tot 1966] was er interne onenigheid in de Communistische Partij over de te volgen ideologische lijn. Er zijn binnen de partij altijd stromingen en krachten geweest die tegen Mao Zedong waren, maar die zijn gemuilkorfd. Wat bijzonder jammer is. Maar dat had wel te maken met de nationale en internationale context van vóór 1949. Het was een tijd van oorlog [acht jaar lang tegen Japan, van 1937 tot 1945, gevolgd door vier jaar burgeroorlog tussen de communisten en de nationalisten van de Kwomintang], dus we konden niet zonder de adviezen van de militaire staf en al helemaal niet zonder voortvarende besluiten van de leiders. De CCP had echt behoefte aan een leider als Mao Zedong, die in staat was beslissingen te nemen.
Nadat China in 1945 Japan had verslagen, had niemand ter wereld gedacht dat de Kwomintang vier jaar later gedwongen zou worden het continentale deel van China prijs te geven aan Mao Zedong en de CCP [en de wijk te nemen naar Taiwan]. Door deze historische wapenfeiten wist Mao het vertrouwen van de bevolking te winnen en werd hij in het begin van de jaren vijftig als een ware god gezien, in ieder geval tot 1957 [toen hij de campagne Laat Honderd Bloemen Bloeien lanceerde waarbij de Chinezen werden aangemoedigd kritiek te leveren, meteen gevolgd door een campagne tegen rechtse elementen].’
De geschiedenis moet weer het terrein worden van historici en niet een speelbal van politici
En daardoor is hij ondanks zijn fouten een heilige geworden?
‘Precies. Achteraf gezien was het fout om Mao op een voetstuk te plaatsen. Dat past ook niet in de Chinese traditie van de macht. Voordat de Culturele Revolutie uitbrak, werden besluiten in theorie gemeenschappelijk genomen. Maar in feite legde Mao Zedong anderen zijn mening op. Als hij gelijk bleek te hebben, ging hij met de eer strijken, zo niet, dan kregen anderen de schuld. Later heeft Deng Xiaoping [die in 1978 aan de macht kwam] hier lering uit getrokken door te zorgen dat er altijd een vorm van onderlinge controle is bij besluiten van de partijleiding.’
Sommigen zijn tegen al die bespiegelingen op de Culturele Revolutie, omdat daar volgens hen iets anders achter zit. Wat vindt u daarvan?
‘Onzin. De Culturele Revolutie was een bijzondere periode in onze geschiedenis, dus die horen we te onderzoeken, net als elke andere historische ramp. Het verleden is nooit afgesloten. Als je er niet over na wilt denken, kan het opnieuw opspelen. En volgens mij zijn er geen kwade bedoelingen in het spel bij degenen die erop terugkijken. Fouten blijven fouten, misdaden blijven misdaden en het is juist de bedoeling om die te voorkomen door je in het verleden te verdiepen.
Ik twijfel niet aan de cijfers van maarschalk Ye Jianying (1896-1986), die zei dat de Culturele Revolutie twintig miljoen levens heeft geëist. [‘Twintig miljoen doden, honderd miljoen mensen slachtoffer van pesterijen en repressie.’] Bekijk je dat op familieniveau, dan heeft minstens de helft van de toenmalige bevolking daar tien jaar lang onder geleden. Natuurlijk moet je op zoiets dramatisch terugkijken. Daarnaast is het ook een historische gebeurtenis die als zodanig moet worden behandeld. De geschiedenis moet weer het terrein worden van historici en niet een speelbal van politici. Over heel wat zaken in onze recente geschiedenis hebben we nooit een consensus bereikt, en dat komt doordat we er nooit vrijelijk onderzoek naar konden doen. Het is nu vijftig jaar geleden, dus laten we nu, los van alle ideologie, de onderzoekers de ruimte geven.’
Die tien jaar staan in ons geheugen gegrift, maar bijna niemand praat erover. Hoe kunnen we voorkomen dat wordt doodgezwegen wat er in die tijd gebeurd is?
‘Hoe meer je historische gebeurtenissen probeert te verhullen, hoe groter de problemen worden voor latere generaties. En nog extra als dat lange tijd is gebeurd. Deze periode is zowel in het onderzoek als in gesprekken vrijwel taboe. We moeten deze vijftigjarige herdenking aangrijpen om alle beperkingen op onderzoek op te heffen. Van een pluriform China hebben we niets te vrezen, wel van een China dat bang is voor pluriformiteit. Laten we het erover eens worden dat we nog geen echte democratie hebben, maar daar wel naar op weg zijn. Alleen dan kunnen we aan zelfonderzoek doen.
De Culturele Revolutie was een ramp voor het hele volk. We moeten vaststellen wie daarvoor verantwoordelijk waren, niet vanuit wraakgevoelens of haat, maar simpel om daar helderheid over te krijgen. Op die manier kunnen we er lering uit trekken, tot een nationale verzoening komen en deze zware last van de geschiedenis afschudden. Daarbij moeten we wel bedenken dat de Culturele Revolutie voortkwam uit wat zich na de Eerste Opiumoorlog (1840) allemaal in ons land had afgespeeld. Je kunt de verantwoordelijkheid voor de Culturele Revolutie dus niet op het conto van één man schrijven.’
‘We hebben het altijd over die roemrijke zeventig jaar [vanaf de stichting van de Volksrepubliek China] en dat is begrijpelijk als je propaganda wilt maken, maar historisch gezien is dat niet bevredigend. Wil China zich echt verder ontwikkelen, dan moet het zijn recente geschiedenis onder ogen zien met alles wat daarbij hoort, zoals de volkscommunes, de collectivisatie, de Grote Sprong Voorwaarts en ook de drie jaren met natuurrampen [de officiële benaming voor een drie jaar durende hongersnood die meestal wordt gezien als het gevolg van de Grote Sprong Voorwaarts]. Als vergissingen niet worden erkend, stapelen die zich op en dat heeft vreselijke gevolgen. Het huidige China moet het niet weer zo ver laten komen en zorgen dat het zich langzaam van de last van de geschiedenis bevrijdt.’
Wat moeten we dan doen?
‘Een deel van de mensen die aan de Culturele Revolutie hebben meegedaan, leeft nog. Als het nu mogelijk wordt gemaakt om onderzoek te doen, krijgen deze mensen nog de kans zich te verantwoorden voor wat ze hebben gedaan en kan dankzij al hun verschillende meningen de waarheid aan het licht komen. Doen we niets, dan zal dat voor het bewind fatale gevolgen hebben en ziet het er slecht uit voor de toekomst van China.’
‘Ideologisch gezien zijn we wel ongeveer de lijn van de Culturele Revolutie blijven volgen’
Veel jongeren kijken nu met nostalgie naar de Rode Gardisten die zich ‘met hart en ziel in de politiek stortten om hun ideaal van democratische rechten te verwezenlijken’. Wat vindt u daarvan?
‘Al vóór de communistische tijd werden arbeiders, boeren en studenten gemobiliseerd en dat gebeurde ook tijdens de Culturele Revolutie. En altijd werden ze door de politiek gemanipuleerd. Degenen die nu nog denken dat de mensen spontaan meededen, lopen achter. Al die Rode Gardisten die door het land trokken en die massabijeenkomsten op het Tiananmenplein [om Mao te zien] waren nooit mogelijk geweest zonder toestemming van de hoogste leiding.’
Nu de economische groei stokt en het corruptieprobleem gevaarlijke vormen aanneemt, zijn steeds meer mensen bang dat we in een tweede Culturele Revolutie zijn beland en denken anderen dat de eerste nog steeds niet voorbij is. Hoe kijkt u hier tegenaan?
‘Daar zit wel iets in. Ideologisch gezien zijn we wel ongeveer de lijn van de Culturele Revolutie blijven volgen. En ideologische uitgangspunten zijn altijd een rem op de ontwikkeling van China geweest. In de jaren tachtig wilden de gematigden onder leiding van Deng Xiaoping echt een eind aan de Culturele Revolutie maken, maar de eerste tien jaar van hervormingen zorgden voor grote onrust binnen de Communistische Partij. Na invoering van de hervormingen en de Opendeurpolitiek is de Chinese economie enorm gegroeid, maar dat ging wel ten koste van hervormingen op andere gebieden. Dus ja, in zekere zin zijn we nog steeds niet van de invloed van de Culturele Revolutie bevrijd.’
Auteur: Liu Yuhan
Vertaler: Tess Visser
Fenghuang Wang
Hong Kong | news.ifeng.com
De site van het Hongkongse tijdschrift Fenghuang (Phoenix Weekly) is sinds enkele jaren het uithangbord van de meest liberale media in de Chinese deelstaat. Zo dicht bij Beijing luistert het nog steeds nauw wat er over de Grote Baas wordt geschreven. Maar de relatieve persvrijheid en de geboden ruimte voor commentaar en analyse worden enorm geapprecieerd door journalisten en lezers.
Kort na elkaar werden in Bangladesh een hoogleraar en een redacteur van een homotijdschrift op brute wijze vermoord. Volgens de krant The New Age reageren regering en politie veel te slap.
Slechts drie dagen nadat Rezaul Karim Siddiqi, hoogleraar aan de universiteit van Rajshahi, op straat met kapmessen werd vermoord, is een redacteur van ’s lands eerste tijdschrift voor lesbiennes, homo’s, biseksuelen en transgenders, samen met zijn vriend, een theateractivist, in zijn appartement in de hoofdstad Dhaka met messen om het leven gebracht. Volgens ooggetuigen drong een groep jonge mannen, allemaal twintigers, het appartement binnen nadat ze zich als koeriers hadden voorgedaan.
De afgelopen jaren zijn in Dhaka en elders in het land een tiental bloggers, schrijvers en uitgevers op soortgelijke wijze afgeslacht. Het ging in alle gevallen om kunstminnende vrijdenkers, en de regering doet niets om hen te beschermen. Tot dusver zijn de autoriteiten er zelfs niet in geslaagd om de daders van het merendeel van deze slachtpartijen te achterhalen. Weliswaar heeft de rechtbank in Dhaka in 2013 een aantal mannen veroordeeld voor de moord op de atheïstische blogger Ahmed Rajib Haider, maar de familie van het slachtoffer wacht nog altijd op gerechtigheid omdat de zaak nog in hoger beroep moet worden behandeld. Ondertussen is het veroordeelde brein achter de moord op vrije voeten.
Het is niet overdreven om te stellen dat de lakse houding van de politie de daders van de dubbele moord heeft aangemoedigd bij het uitvoeren van hun missie. Net als bij de vorige moorden wijst de politie nog voordat er een onderzoek is ingesteld naar niet nader genoemde islamitische extremisten. Op zich zouden de beschuldigingen van de politie kunnen kloppen, vooral omdat de verantwoordelijkheid voor de eerdere moorden door verschillende islamitische groeperingen is opgeëist. Een aantal van de slachtoffers die zich kritisch uitlieten over religie, en met name de islam, hadden zich inderdaad de woede van verschillende islamitische groeperingen op de hals gehaald. Feit blijft dat de politie er tot nog toe niet in is geslaagd haar beschuldigingen door middel van gedegen onderzoek hard te maken.
Het is hoe dan ook overduidelijk dat de aanvallen op de slachtoffers goed gecoördineerd waren en dat de daders getraind op pad gingen. Alle goede bedoelingen ten spijt is het moeilijk te geloven dat de politie er niet in slaagt de trainingskampen of de betrokken opdrachtgevers op te sporen. Intussen rijst onder de bevolking de vraag of er niet andere goed georganiseerde groeperingen achter de moorden zitten, die de verantwoordelijkheid op de beschuldigde islamitische extremisten proberen af te wentelen.
Het is de hoogste tijd dat de regering doeltreffende maatregelen neemt, niet alleen om herhaling van zulke slachtpartijen te voorkomen, maar vooral ook om een einde te maken aan de heersende cultuur van straffeloosheid én aan alle wilde speculaties omtrent deze brute moorden. Om het zover te laten komen moet het weldenkende deel van de bevolking onverminderd druk uitoefenen op de regering.
Een van de meest uitgesproken kranten in Bangladesh, kritisch tegenover het establishment. In 2004 viel de politie de redactie binnen, een verslaggever werd gemarteld.
De Iraanse overheid lijkt de populaire thuisvideoserie Sharzhad minder streng te beoordelen dan staats-tv-programma’s. Dat opent wellicht perspectieven.
In de jaren tachtig bestond de belangrijkste vorm van thuisvermaak in Iran uit twee televisiekanalen en twee radiostations. Voor wie genoeg had van het kijken of luisteren naar nieuws over de aanhoudende oorlog met Irak en de westerse sancties, bestond er maar één bron van vermaak: oude films uit de tijd van de voormalige sjah Mohammad Reza Pahlavi. Ondanks het gevaar van een boete of gevangenisstraf bleven mensen naar gesmokkelde en verboden huurvideo’s kijken.
Het kijken naar thuisvideo’s is nog steeds een van de weinige manieren om aan het radio- en televisiemonopolie van de Islamitische Republiek te ontsnappen. En een daarvan, de particuliere geproduceerde en voornamelijk via supermarkten gedistribueerde televisieserie Shahrzad, heeft volgens velen de grenzen van de officiële censuur in Iran verlegd.
Voor alle duidelijkheid: Shahrzad is een plaatselijke, legale productie. De vergunning is verleend door het ministerie van Cultuur en Islamitische Geleide, dat opereert onder supervisie van president Hassan Rohani, en niet door de Iraanse staatszender IRIB.
Shahrzad is de liefdesgeschiedenis van twee studenten in een historische context. Het verhaal speelt zich af aan het begin van de jaren vijftig, op het moment dat zich een van de belangrijkste gebeurtenissen in het Midden-Oosten in die tijd voltrok: de nationalisering van de Iraanse olie-industrie. De staatsgreep van 19 augustus 1953, waarbij de toenmalige premier Mohammad Mossaddeq werd afgezet, komt ook aan bod, en dat vergroot de interesse onder de Iraniërs eens te meer. Hoewel het verhaal zich ontrolt in het kader van de historische pogingen van de premier om de Iraanse olie-industrie te nationaliseren, geloven velen dat de serie alleen maar een excuus is om iets te bespreken wat van alle tijden is.
Maar de meeste verbazing wekt Shahrzad door heel iets anders. Enkele jaren geleden werd door het regime van de ayatollahs opdracht gegeven een peperdure televisieserie te maken ter ere van de zoveelste ‘verjaardag’ van de Pahlavi-dynastie, die tussen 1925 en 1979 als sjah over ‘Perzië’ heerste. De productie ervan neemt nu al jaren in beslag, en tot dusver heeft de Iraanse staatstelevisie nog maar een paar van de tachtig afleveringen van Het raadsel van de sjah uitgezonden. De serie probeert iedereen die banden had met het voormalige Iraanse staatshoofd af te schilderen als corrupt. Ondanks de miljoenen dollars die aan de productie zijn besteed, wordt Het raadsel van de sjah als een mislukking beschouwd.
Komedies en sommige sociale taboes zoals aids en buitenechtelijke verhoudingen werden door de Iraanse televisie niet vertoond. Dit was een gat in de markt voor particulier geproduceerde dvd’s
Mohammad Rezah Adineh, filmregisseur en voormalig manager van het Iraanse Instituut voor Visuele Media, gaf Al Monitor een inkijkje in de oorzaken van het steeds grotere succes van programma’s die door de particuliere sector worden geproduceerd: ‘Komedies en sommige sociale taboes zoals aids en buitenechtelijke verhoudingen werden door de Iraanse televisie niet vertoond. Dit was een gat in de markt voor particulier geproduceerde dvd’s. Iedereen stopte ze in het supermarktmandje, naast het brood en de melk.’
De titelsong van Shahrzad, die verwijst naar het huisarrest van oppositieleider Mir-Hossein Mousavi, en ook de liefdesgeschiedenis en het sociaal-politieke script, hebben allemaal bijgedragen aan het succes van de serie. Componist Behzad Raeisi zei tegen Al Monitor: ‘De oorspronkelijke versie van de titelsong was anders. De laatste versie werd herschreven in samenwerking met scenarioschrijver en regisseur Hassan Fathi. De verwijzingen naar het huisarrest en de hartproblemen van Mousavi zijn wellicht in die tijd aan de tekst van de titelsong toegevoegd.’
Conservatieve kritiek
Aanhangers van Mousavi hebben onlangs zelfs een muziekvideo gemaakt van de song. Maar veel conservatieven in Iran nemen aanstoot aan de toespelingen in de tekst. Conservatieve media hebben tot dusverre milde kritiek geuit op Shahrzad, die louter van technische en artistieke aard was. Toch gaan er geruchten dat degenen die achter Shahrzad zitten uiteindelijk problemen met de conservatieven zullen krijgen.
Filmproducent Gholamreza Mousavi leverde al kritiek met zijn bewering dat de miljarden riyal kostende thuisvideo’s niet rendabel zijn, en dat degenen die zonder artistieke achtergrond in zulke series investeren, dat doen om geld wit te wassen. Hadi Razavi, een van de twee investeerders in Shahrzad, heeft deze opmerkingen van tafel geveegd en gezegd dat hij zeker weet dat zijn serie een financieel succes zal worden.
Shahrzad heeft nog een belangrijke kant. Adineh, de filmregisseur, zei tegen Al Monitor: ‘Het feit dat het ministerie van Cultuur een ander beleid voert dan de staatstelevisie, dat het beoordelingsbeleid daar anders functioneert en dat de regering zich in sommige opzichten flexibel toont om steun te verwerven, zal misschien tot een gevarieerder aanbod leiden.’
Daarom toont journalist Panah Fahradbahman zich een pleitbezorger van een van de succesfactoren van Shahrzad: ‘Het feit dat deze media op een andere manier beoordeeld worden dan gebruikelijk bij de staatstelevisie, en dat men zich minder gevoelig toont voor thuisvideo’s dan in het geval van radio, televisie en bioscoopfilms, heeft ervoor gezorgd dat die producties een andere toon hebben, van dialogen en verhaallijnen tot de kleding van de acteurs.’
De meeste deskundigen benadrukken inderdaad dat de huidige jonge Iraanse samenleving behoefte heeft aan verschillende stemmen op het gebied van kunst en cultuur. Dat is misschien de reden dat een serie als Shahrzad succes heeft, terwijl andere kostbare, door de staat gesteunde televisieseries minder warm worden onthaald.
Al-Monitor
Verenigde Staten | website | al-monitor.com
Website die is opgericht door Jamal Daniel en zijn basis heeft in Washington D.C. Nieuws en analyses uit het Midden-Oosten in zowel eigenhandige als vertaalde artikelen. Werkt samen met de grootste nieuwsorganisaties in het Midden-Oosten.
De uiterst rechtse Israëlische minister van Onderwijs Naftali Bennett censureerde een liefdesroman, en eist van kunstenaars dat ze loyaal zijn aan de staat. Het maakt hem alleen maar populairder.
De extreemrechtse minister van Onderwijs Naftali Bennett is langzaam maar zeker bezig om op de ruïnes van de Israëlische democratie een nieuwe messiaanse en eendimensionale wereld te grondvesten waarmee hij het hart van de Israëliers verovert. Het onverbloemd totalitaire karakter van zijn jongste initiatieven zal zijn volgelingen niet ontmoedigen. Zijn openlijke bedoeling om het al dan niet verspreiden van literaire werken op scholen op irrelevante criteria te baseren zal niet op onoverkomelijke bezwaren stuiten. Hoe kun je dat zo stellig beweren? Omdat Bennett, nadat hij zonder een schrammetje het laatste censuurschandaal heeft overleefd (het verbieden van een roman over de liefde tussen een Joodse vrouw en een Palestijnse man), voortaan zelfs een raket kan overleven.
Israëlische kunstenaars zijn slappelingen
Bennett heeft alle redenen om de behandeling van zijn nieuwste wetsvoorstel door de Knesset met rotsvast vertrouwen tegemoet te zien, het voorstel om van Israëlische kunstenaars te eisen dat ze loyaal zijn aan de staat Israël en zich schriftelijk bereid verklaren om hun creaties in de bezette gebieden te presenteren. Gezien de recente ervaringen hoeft hij geen echte oppositie te vrezen en zullen de petities die op ad-hocsites of de sociale netwerken worden ingediend daar niets aan veranderen. Zoals gebruikelijk zullen sommigen Heine citeren, zullen anderen Brecht of nog andere helden van stal halen en, o heldenmoed, zelfs zo ver gaan hun profielfoto door die van een of andere mediarevolutionair te vervangen. De Israëlische kunstenaars zijn niet alleen slappelingen, zoals Bennett mopperend opmerkt, ze hebben ook de betreurenswaardige neiging om erg hoog van zichzelf op te geven.
De feiten liegen er niet om. Toen Bennett aankondigde een prijs voor Joodse kunst te zullen instellen, trad hij daarmee alleen maar in de voetsporen van de voormalige Likoed-minister van Onderwijs Limor Livnat, die besloot een zionistische oeuvreprijs in het leven te roepen. Het meest absurde en beschamende was nog wel dat het merendeel van de daarmee bekroonde kunstenaars tot het linkse kamp behoorde en dat de enige die de prijs weigerde de oude dichter, romanschrijver en filmmaker Haïm Gouri was. Het zit er dik in dat als de prijs voor de Joodse kunst eenmaal zal worden toegekend, maar weinigen tegen de initiatiefnemer zullen zeggen wat hij met zijn prul kan doen.
Weigering van Amos Oz
Het is in onze contreien moeilijk, zoals Bennett heel goed weet, om prijzen en onderscheidingen te weigeren. Zonder ben je nu eenmaal niets. Zo kon het gebeuren dat nauwelijks een maand geleden een nogal middelmatige kunstenaar blij op Facebook meldde dat hij de zionistische oeuvreprijs van 2015 in de wacht had gesleept. Hij vond het daarbij nodig om aan zijn ‘vrienden’ te melden dat de aanvaarding van de prijs niet betekende dat hij niet met gewetensproblemen kampte. Bennett zal zich ongetwijfeld rot hebben gelachen toen dit bericht hem onder ogen kwam. Iedere poging om de totalitaire macht te grijpen kan snel op collaborateurtjes rekenen.
Bennett is zeer wel bekend met de onbedwingbare behoefte van Israëlische kunstenaars om naar het buitenland te worden uitgezonden. Als we de beroemdste en luidruchtigste onder hen mogen geloven, is het absoluut niet hun bedoeling om het beleid van de Israëlische regering te belichamen. Toch aarzelen ze niet om hun buitenlandse reizen te laten financieren door iemand als Avigdor Lieberman, de voormalige extreemrechtse minister, of zich aan diens zijde te vertonen.
Kortgeleden heeft de schrijver Amos Oz bekendgemaakt dat hij voortaan zal weigeren zich te verbinden aan culturele initiatieven van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken. Het klinkt hard, maar de voorbeelden van Amoz Oz (77) en Haïm Gouri (93) herinneren aan een wrede waarheid: het is makkelijker om moedig te zijn als je op het punt staat het toneel te verlaten. Als er mensen zijn die denken dat ze de publieke opinie kunnen wakker schudden door schokkende uitspraken of groteske initiatieven, dan moeten ze zich niet de geringste illusie maken: in Joods-Israëlische kringen zal de populariteit van Bennett alleen maar stijgen.
Auteur: Lior Leal
Vertaler: Peter Bergsma
Ha’aretz Israël, dagblad, oplage 80.000
De eerste Hebreeuwse krant die in 1919 onder Engels mandaat uitkwam. ‘Het land’ is dé krant voor Israëlische politici en intellectuelen.
Turkije wordt geteisterd door zelfmoordaanslagen, moorden en bloedbaden. En het is ook nog eens levensgevaarlijk om er publiekelijk iets over te zeggen.
De jongste aanslag in Turkije dateert van 12 januari, toen ten minste tien mensen het leven lieten na een zelfmoordaanslag door een aanhanger van Islamitische Staat (IS) in Sultanahmet, de historische wijk van Istanboel. Een uur na de aanslag kondigde de Turkse Persraad RTÜK na een officieel verzoek van de minister-president een uitzendverbod af. Kort daarna vaardigde een gerechtshof in Istanboel een algeheel verbod uit ‘op alle soorten nieuws, interviews, kritieken en dergelijke artikelen in gedrukte, audiovisuele en sociale media, en op internet’. Eigenlijk kwam het erop neer dat met de uitspraak werd gezegd: ‘Heb het zelfs niet met je vrienden over de aanslag.’
De bewoordingen waren vrijwel identiek aan die van het verbod dat volgde op de dubbele zelfmoordaanslag in Ankara op 10 oktober vorig jaar, waarbij honderd vredesactivisten werden gedood. IS, dat door de toenmalige Turkse minister van Buitenlandse Zaken Ahmet Davutoğlu in een interview nog werd omschreven als ‘een groep boze en onderdrukte soennietische moslims’ en als een simpel gevolg van het sektarische Irakese beleid, zat ook achter dat bloedbad. Zodra IS verantwoordelijk is voor een aanslag in Turkije, verliezen de gerechtshoven kennelijk geen tijd met het opleggen van censuur.
Selectieve censuur
Er is geen censuur wanneer het veiligheidsoperaties tegen de verboden Koerdische Arbeiderspartij PKK betreft, of de wekenlange avondklok in bepaalde zuidoostelijke districten en de vermeende schending van de mensenrechten door de veiligheidsdiensten. Hoewel je ook over dat soort operaties niet echt kunt praten. Als je dat wel doet, roep je de toorn over je af van de president, de regering en hun fanatieke supporters, en krijg je te horen dat je je mond moet houden.
Dat overkwam meer dan duizend lokale en internationale academici die een petitie tekenden waarin ze de veiligheidsoperaties hekelden. Aangezien ze geen gewag maakten van de gewapende militante PKK-aanhangers die hun strijd verplaatsen naar woonwijken, verdienden de ondertekenaars het zeker niet om voor het ventileren van hun mening zo scherp te worden bekritiseerd door president Recep Tayyip Erdogan.
In een toespraak tot Turkse ambassadeurs tijdens een lunch op 12 januari, veroordeelde Erdogan de aanslag in Sultanahmet in ongeveer veertig seconden, en ging toen over tot de kwestie van de petitie. ‘Deze mensen, die zichzelf academici noemen, beschuldigen de staat in een verklaring. Dat niet alleen, ze nodigen ook nog eens buitenlanders uit om de ontwikkelingen te komen volgen. Dat is een koloniale mentaliteit,’ zei Erdogan, en hij stelde dat het land te maken had met ‘verraad’ door ‘zogenaamde intellectuelen’. ‘Hé, zogenaamde intellectuelen! Jullie zijn geen verlichte mensen, jullie zijn onverlicht. Jullie lijken niet eens op intellectuelen. Jullie zijn onwetend en tasten in het duister, jullie weten niets van het oosten of het zuidoosten,’ zei Erdogan.
Zijn uitlatingen waren olie op het vuur van de hetze die al tegen de academici was ontketend. De veroordeelde misdaadkoning Sedat Peker, een fanatiek nationalist die AKP-aanhanger werd, plaatste een bericht op de sociale media waarin hij tegen de academici zei: ‘We zullen jullie bloed vergieten en ermee douchen.’
‘Laat de mensen niet sterven, laat de kinderen niet sterven en laat de moeders niet huilen’
Een vergelijkbaar incident deed zich een paar dagen eerder voor, toen een vrouw naar de Beyaz Show, een populair televisieprogramma op de zender Kanal D, belde om te praten over de burgerslachtoffers in het zuidoosten. ‘Er strijden mensen tegen honger en dorst, met name de kinderen. Luister daar alsjeblieft naar en doe er niet het zwijgen toe,’ zei ze. ‘Laat de mensen niet sterven, laat de kinderen niet sterven en laat de moeders niet huilen.’
Hoewel ze niet eens zei dat de daders veiligheidsdiensten waren, werd ze uitgeroepen tot ‘terrorist’ en is er een onderzoek begonnen naar haar, de presentator van het tv-programma en de producer in verband met ‘terroristische propaganda’.
Dat er bij de operaties burgers omkomen is een feit. Volgens een recent rapport van de Human Rights Foundation of Turkey (TİHV) zijn er sinds augustus 2015, toen de militaire avondklok werd ingesteld en de intensieve veiligheidsoperaties tegen de PKK-strijders begonnen, onder de 162 burgerslachtoffers die in de botsingen zijn gevallen 32 kinderen, 29 vrouwen en 24 bejaarden. De officiële cijfers maken melding van de dood van meer dan honderd leden van de veiligheidsdiensten en meer dan driehonderd PKK-strijders in diezelfde periode.
Er sterven burgers, toeristen, kinderen, vrouwen, strijders, politiebeambten en soldaten in dit land. Nergens over praten of de ogen sluiten verandert daar niets aan.
Hürriyet
Turkije | oplage 600.000
De populaire krant ‘De Vrijheid’ is een machtige speler die met polemische commentaren, een eenvoudige opmaak en veel foto’s inspeelt op emoties: collectieve vreugde of verontwaardiging, nationale trots en boosheid tegen dat wat de belangen van het volk schaadt.
Bollywoodacteur Aamir Khan (moslim) uitte publiekelijk zijn zorg over het intolerante klimaat in India onder de hindoenationalistische premier Modi. Zijn vrouw vroeg zich af of ze het land moest verlaten. Heeft Khan een punt?
Ja
De acteur Aamir Khan vertelde op een bijeenkomst van journalisten hoe onveilig en radeloos hij zich soms voelt in het huidige, alsmaar intolerantere klimaat. Hij vertelde dat zijn vrouw hem voor het eerst had gevraagd of ze India niet beter konden verlaten. Een dag later antwoordde minister van Arbeid Smriti Irani dat het feit dat hij dit als toerisme-ambassadeur van de regering publiekelijk kon zeggen in het bijzijn van een minister, bewijst dat India een tolerant land is. Irani heeft gelijk. Er waren naast eregast Arun Jaitly [minister van Financiën] zelfs vier ministers bij aanwezig. Dat beeld van vijf ministers die geduldig de woorden van de superster beluisterden, geeft wel aan dat de machthebbers hier openstaan voor kritiek.
Maar die vrijheid is natuurlijk pas echt compleet, in een open democratie zoals India zichzelf met trots noemt, als de leiders hem niet alleen aanhoren maar ook van repliek dienen. Zij moeten zijn zorgen met hem bespreken, al is het maar om hem duidelijk te maken dat die ongegrond zijn.
Er zijn ongelovigen aangevallen of gedood, en een man werd zelfs – na een gerucht dat hij rundvlees had gegeten – door een menigte gelyncht
Het zou erg teleurstellend zijn als Aamirs ontboezemingen als aanval op de regering worden opgevat, als onvaderlands‑ lievend terzijde geschoven, of gebagatelliseerd als gezeur van iemand met te veel privileges. Het zou zonde zijn als Aamir en Shah Rukh Khan [een andere bekende Indiase acteur], die al even ferme uitspraken deed in het ‘intolerantie‑ debat’, alleen antwoord krijgen van regeringsgezinde bullebakken, met hun gebruikelijke gescheld, laster en intimidatie. Overigens zijn de twee Bollywoodsterren niet erg representatief voor de leden van Aam-Aadmi [‘Partij van de gewone man’, een door burgers opgerichte anticorruptiepartij]. Aamir Khans bekendheid beschermt hem tegen allerlei uitwassen waar gewone mensen vaak mee te maken krijgen. Ook waren zijn woorden zeker niet vrij van overdrijving. Toch draagt de stem van een artiest als Aamir ver en kan hij daarom voor velen spreken. Al is de band die al deze mensen met hem voelen er een van de verbeelding, het maakt hun ervaringen niet minder werkelijk.
De twee supersterren hebben uitdrukking willen geven aan een angst die velen voelen. Er zijn ongelovigen aangevallen of gedood, en een man werd zelfs – na een gerucht dat hij rundvlees had gegeten – door een menigte gelyncht [voor hindoes is het eten van rundvlees om religieuze redenen streng verboden]. In verklaringen van ministers en parlementsleden van de regeringspartij kregen de slachtoffers de schuld en werd gezegd dat Pakistan erachter zat. Premier Narenda Modi stond de leiders van antimoslimdemonstranten, die met hem sympathiseren, onmiddellijk te woord. Hij zou nu hetzelfde moeten doen met degenen die zich tegen zijn regering en het intolerante klimaat verzetten.
Zelfbenoemde ‘enige krant van India’. Staat bekend om zijn strijdlust en journalistieke moed en duikt graag in politieke en financiële schandalen. De zondagseditie heeft extra aandacht voor cultuur.
Nee
Geachte heer Khan, ik schrijf u omdat ik mij afvraag hoe ons land eruitziet vanuit de grote ramen van uw dure villa op Pali Hill. Heel anders dan vanuit mijn sociale huurwoning op de tweede etage, vermoed ik. Zo’n woninkje is het enige wat een eerlijke journalist tegenwoordig nog kan betalen in ons land. Ik zeg expres ‘eerlijke journalist’, zodat u niet denkt dat ik een bhakt [benaming op sociale media voor Modi-aanhangers] of een ‘perstitué’ ben – twee termen die het in ons intolerante klimaat zo goed doen. U hebt het over intolerantie. cver intolerantie kan ik meepraten. Ik ben chinki genoemd, spleetoog, Nepali en elk ander scheldwoord op de Chinese menukaart. De meeste van mijn Chinki-vrienden ondergaan hetzelfde. Wij op onze beurt noemen deze scheldende Indiërs bhaiya’s [eikels] en gaan door met ons leven.
Heb ik ooit overwogen om deze stad te verlaten? Nooit, en dat zal ik ook nooit doen. Zoals u al zo mooi zong: All Izz Well [een door Aamir Khan gezongen nummer uit een zeer succesvolle Bollywoodfilm] – maakt u zich over mij geen zorgen.
Ik was er kapot van en bedronk me op een terras in een arme buitenwijk van Mumbai, ver weg van uw huis
Uw gevoelens kan ik niet veranderen. Ik zal niet proberen u voor mij te winnen. Dat heb ik jaren geleden afgeleerd, nadat ik tevergeefs had geprobeerd mijn eerste liefde, die mij had geschreven dat ze me niet kon uitstaan, milder te stemmen. Ik was er kapot van en bedronk me op een terras in een arme buitenwijk van Mumbai, ver weg van uw huis waar u op dat moment het succes van uw film Lagaan aan het vieren was [Lagaan is een bekende film uit 2001 waar Khan in speelde].
Eén ding is zeker: ik heb vaker met intolerantie te maken gehad dan u. Maar ik geef toe, ik had graag een gezicht als het uwe gehad, dat zou mijn leven heel wat makkelijker hebben gemaakt. Nu u zich verwaardigd hebt om iets over intolerantie te zeggen, zal er zelfs in het parlement over gedebatteerd worden – als ze dat daar nog doen tenminste. Dat hebt u toch maar mooi voor elkaar gekregen.
Meneer Khan, de angst die u gezaaid hebt zal aanhouden, ook als u en ik allang weer met andere dingen bezig zijn. Uw miljoenen volgers en fans zullen uw woorden voor zoete koek slikken. Zij zullen op televisie fel discussiëren over de kwestie die u hebt opgerakeld. Maar onderwijl zult u alweer rustig op de sportschool bezig zijn om in vorm te komen voor uw volgende film.
P.S. Als u een dezer dagen in Delhi bent, nodig ik u graag uit om in Nizamuddin, vlakbij de residentie van de premier, een runderkebab te komen eten [verwijzing naar de lynchpartij in september in Uttar Pradesh]. Ik betaal.
Een woedende reactie op een Syrisch oppositieblog.
Onder de daders van de aanslagen in Parijs waren Arabische moslims, aanhangers van het kalifaat, die in Frankrijk wonen, het land waarvan zij de nationaliteit hebben verworven. Door oorlog te voeren uit naam van IS menen zij de wereld tot de islam te kunnen bekeren. Wanneer begrijpen ze nu eens dat de islam in de versie van het kalifaat zich tegen de moslims zelf zal keren en de islam zal vernietigen? Wanneer zullen ze de godsdienst nu eens terzijde schuiven om een seculiere politieke strijd te voeren, zoals de rest van de wereld dat doet? Oorlog dient ertoe om de vrijheid, de soevereiniteit van een land te verdedigen en zijn fundamentele belangen, niet om de onwetendheid en de haat te doen zegevieren in de naam van de godsdienst. Alleen het gezamenlijk bestaan naast andere beschavingen in de wereld kan de islam uitzicht bieden op vooruitgang, op een verbetering van het bestaansniveau en op een culturele renaissance. Dat de moslims op hun eigen grondgebied kunnen leven, is dankzij de westerse uitvindingen. De auto’s die moslims gebruiken zijn gemaakt door ‘ongelovigen’, evenals het vliegtuig waarmee ze comfortabel op pelgrimstocht naar Mekka gaan. Zelfs de luidsprekers die zij daar tijdens het gebed gebruiken zijn ‘ongelovige producten’. Ze verbieden niet-moslims om Mekka binnen te gaan, maar het zijn de mobiele telefoons uit die ‘ongelovige landen’ die in hun plaats Mekka overstromen.
Ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen
De ergste oorlogen die op dit moment in de wereld woeden zijn die waarin moslims tegenover moslims staan – in Libië, Egypte, Somalië, Libanon, Syrië en in een aantal landen in Afrika. Maar ze lijken zich er niet van bewust te zijn dat hun landen in woestijnen dreigen te veranderen, terwijl hun geboortecijfers op hol zijn geslagen. Om zich te verzoenen met het moderne leven en de uitdaging van de ontwikkeling aan te kunnen gaan, dienen de moslims de hele geschiedenis te herzien. De olie van de Arabische landen zou geen stuiver waard zijn geweest als het Westen niet de industriële revolutie had ontketend. En als het Westen eenmaal de bronnen voor alternatieve energie heeft ontwikkeld, zullen de Arabieren zich geen raad meer weten. Een revolutie binnen de islam moet ons in staat stellen ons te verzoenen met het leven. Leven in vrede met andere volken, strijden tegen onderontwikkeling met dezelfde snelheid als het virus van het extremisme. Laten we ophouden met die religieuze instanties die God aanroepen om de onwetendheid te prediken. Laten de moslims eindelijk eens gaan geloven in burger-schap en in politieke strijd.
Auteur: Habib Saleh
Vertaler: Peter Bergsma
Habib Saleh is blogger. In Syrië werd hij drie keer gearresteerd en veroordeeld tot gevangenisstraf, nog altijd verkondigt hij zijn onverbloemde mening op diverse platforms, waaronder syria4all en elaph, een pan-Arabische nieuwssite die in Syrië wordt gecensureerd. Zijn arrestaties werden aangevochten door mensenrechtenorganisaties, waaronder Amnesty International, die op hun site ook zijn tijdelijke vermissing in 2008 meldden.
All4Syria Syrië, all4syria.info
Voor een vrij en verbonden vaderland, tegen sektarisme, discriminatie en alle vormen van monopolie van mening.
Een journalist van de Tunesische nieuwssite Leaders noemt de aanvallen op ‘de mooiste stad ter wereld’ een daad van onverbloemde barbarij.
Woorden schieten tekort om uiting te geven aan de gevoelens van verdriet, opstandigheid en afschuw die de gebeurtenissen van afgelopen vrijdagavond in Parijs bij ons oproepen. Op de vraag naar het waarom valt op geen enkele manier antwoord te geven. 13 november 2015. In de geschiedenis zal deze datum vast en zeker op dezelfde manier worden geboekstaafd als die van de aanslag op het World Trade Center. Na 11 september 2001 dacht men dat deze agressie zich nooit ofte nimmer zou herhalen. Vrijdagavond heeft de mensheid een grote stap terug gedaan. Vergeleken met IS zijn de terroristen van Al-Qaida koorknaapjes. Dit betekent de terugkeer van de primitieve mens, van de wet van de jungle, van onverbloemde barbarij. Het is de neder laag van de rede, van het denken, van de beschaving.
De keuze voor Parijs was niet toevallig. Parijs is de mooiste stad van de wereld, de stad waar de mensen voor het eerst in de geschiedenis zijn opgestaan tegen tirannie en onderdrukking, waar de eerste verklaring van de rechten van de mens werd uitgevaardigd, waar de briljantste en meest vrije geesten zijn geboren of hebben geleefd. Parijs is de kwintessens van de universele beschaving. Het is tegen dit symbool dat de vijanden van de menselijke soort zich hebben gekeerd. De tientallen doden die zijn gevallen in Le Bataclan of in de straten van Parijs, slachtoffers van het meest abjecte terrorisme dat nota bene uit naam van een religie wordt bedreven, zijn vóór alles onze ‘broeders in menselijkheid’, net als de slachtoffers van het Bardomuseum en [de kustplaats] Sousse en die van het World Trade Center. Op vrijdag was niet alleen Parijs het doelwit, maar de hele mensheid.
Eén vraag brandt op mijn lippen. De moslims hebben hem altijd ontweken. Maar nu is het tijd om zich er serieus over te buigen. Ik richt me zowel tot mijn landgenoten als tot al mijn geloofsgenoten op de wereld. Waarom baren onze samenlevingen, andere dan alle andere, zulke monsters?
Auteur: Mustapha
Vertaler: Peter Bergsma
Leaders Tunesië, leaders.com.tn
Nieuwssite voor m.n. Tunesische actualiteiten, sinds 2011 ook als maandblad verkrijgbaar.
In zijn nieuwe roman 2084 – La fin du monde schetst de Algerijnse schrijver Boualem Sansal een toekomstige wereld in de greep van de totalitaire islam. In Frankrijk vliegt het boek de schappen uit. Een gesprek met een van de belangrijkste stemmen uit de Maghreb.
Sinds de nieuwe roman van de Algerijnse schrijver Boualem Sansal, 2084, in augustus verscheen, zijn er al 100.000 exemplaren van verkocht. Ondanks de onweerlegbare kwaliteiten lijkt het boek binnen de jury’s van de literaire prijzen toch aanleiding te hebben gegeven tot verdeeldheid. 2084 zat eerst wel in de selecties voor alle literaire prijzen, verdween toen van de lijsten van de Prix Renaudot, de Prix Médicis en de Prix Goncourt, maar won op 29 oktober wel de Grand Prix du roman van de Académie française, ex aequo met Les Prépondérants van Hédi Kaddour. Is het boek van Boualem Sansal doortrokken van islamofobie? De schrijver vertelt hoe hij tegen religie aankijkt en hoe hij de situatie in zijn land ziet.
In uw jongste roman, 2084, beschrijft u een religieus totalitarisme, waarbij je meteen aan de islam denkt. Toch wordt die nooit genoemd. Uit voorzichtigheid?
Welke religie zal het in 2084 voor het zeggen hebben? Niet de islam van mijn jeugd en evenmin de islam van nu. Alleen al het verschil tussen de huidige islam en die van dertig jaar geleden is enorm: destijds was de godsdienstbeoefening een klein, niet hinderlijk onderdeel van het leven, nu heeft die een opdringerige vorm aangenomen. Tot het begin van de jaren negentig was Algerije een socialistische staat, waarin de islam ongeveer dezelfde, secundaire, plaats innam als het christendom in Frankrijk. Onze geloofswereld was helder en eenduidig. Totdat opeens die invloed van verre zich opdrong, via redevoeringen en de bouw van moskeeën. Nu is het landschap zelf veranderd, de manier waarop mensen zich kleden is anders, de baarden zijn langer, je zou denken dat we in Afghanistan zijn. Bovendien is er in de lesprogramma’s op scholen veel ruimte gemaakt voor godsdienstonderwijs, zodat de kinderen zich thuis gaan gedragen als kleine ayatollahs aan wie de mensen maar toegeven om problemen te vermijden.
Dus hoe zal het over zestig jaar zijn? Ik denk dat het islamisme, die uitwas van de islam, bezig is zich te ontwikkelen tot een religie, via een soort voortplanting door deling. Je ziet dit proces in de moslimwereld per maand verder gaan. Sommige woorden verdwijnen. De term liefdadigheid bijvoorbeeld, die in de traditionele islam wel vijftig keer per dag werd genoemd, heeft terrein verloren, net als de bijbehorende praktijk. Het taalgebruik wordt steeds krijgshaftiger.
Als dit van een Franse schrijver kwam, zouden ze zeggen dat hij islamofoob was. Geldt dat ook voor u?
Ik zou eerder zeggen dat ik ‘islamismofoob’ ben. Ook al klopt het wel dat ik geen positieve kijk heb op de islam waarmee ik ben opgevoed, die ik heb bestudeerd en die ik in spiritueel opzicht armoedig vind. In algemene zin vind ik vooral dat je niet om religies hoeft te geven, ik persoonlijk heb geen affiniteit met welke religie dan ook. Ik kan ermee leven voor zover ze de openbare ruimte niet binnendringen en de kinderen niet ronselen. Als ik een Fransman uit het begin van de twintigste eeuw was, zouden ze me antiklerikaal noemen. Vóór alles geloof ik in de menselijke rede: die bezit meer schoonheid en spiritualiteit dan welke religie ook. De mens is in staat het oneindige te onderzoeken, het heelal te fotograferen, vragen te blijven stellen zonder ontmoedigd te raken. Maar terug naar 2084: toen dat af was, vond ik het erg onschuldig vergeleken met wat ik de afgelopen vijftien jaar heb geschreven. Het is minder hard dan sommige van mijn eerdere boeken. In Poste restante: Alger en Le Village de l’Allemand [vertaald als Onvoltooide geschiedenis] bijvoorbeeld schrijf ik uiterst kritisch over het islamisme. Tijdens de hele periode dat ik aan dit boek schreef, heb ik mezelf juist elke godslastering verboden.
Ik heb lang zonder salaris geleefd. Ik kon geen werk krijgen. Ik werd door iedereen gemeden
Bent u niet bang dat uw roman in Frankrijk wordt gekaapt door degenen die de angst voor de islam voor ideologische of politieke doeleinden gebruiken?
Daar denk ik onder het schrijven niet aan. Ik weet wel dat dat gebeurt, maar wat doe je ertegen? Rechts, extreem-rechts, maar ook seculier links, allemaal nemen ze er passages of zinnen uit. Wat ik ook zeg, het wordt gebruikt. Moet ik dan voor altijd zwijgen? Naar de rechter stappen? Nee, een boek is van iedereen.
Hoe kijkt men in Algerije tegen u aan?
In 1999, toen mijn eerste roman, Le serment des barbares, verscheen, werd ik bijna beschouwd als een nationale held. Bedenk even wat de situatie van toen was: Bouteflika [nog altijd de Algerijnse president] was net aan de macht gekomen in een Algerije dat was gemangeld door tien jaar van gewelddadigheden. Hij wist te winnen door te beloven dat hij een einde aan de oorlog zou maken en dat we daarna in voorspoed zouden leven. Zo ontstond er een enorm gevoel van optimisme. Op dat moment waren de Algerijnen trots dat een van hun landgenoten door Gallimard werd uitgegeven, dat hij kans maakte op de Prix Goncourt en andere grote literaire prijzen. Maar ik werd erg weinig gelezen, vooral omdat mijn boeken relatief duur zijn: doordat ik geen Algerijnse uitgever heb, worden de boeken vanuit Frankrijk verstuurd en kosten ze gemiddeld vier keer zo veel als uitgaven van hier.
Bij de verschijning van mijn tweede roman, L’enfant fou de l’arbre creux, in 2000 lagen de zaken anders. De optimistische stemming in Algerije was inmiddels aan het zakken. De mensen realiseerden zich dat er nog geen einde was gekomen aan het geweld en de ellende. Sommigen gingen me lezen en dachten toen: wie is die rotzak? Hij bekritiseert het regime en de islamisten, prima, maar hij heeft ook kritiek op ons, het volk. Want ja, ik beweerde dat wij zelf verantwoordelijk zijn voor wat ons overkomt. We hebben laten gebeuren dat er een dictatuur kwam, we gingen zelf naar de preken in de moskee luisteren. In hun ogen was dat onvergeeflijk: in Algerije kom je niet aan het volk. En dan heb ik het nog niet eens over de islamisten voor wie ik een afvallige ben. Of over het regime dat me als een vijand behandelde.
Uiteindelijk ben ik in 2003 binnen vijf minuten zonder enige uitkering ontslagen uit de hoge overheidsfunctie die ik bekleedde. Ik had een slechte naam, hooggeplaatste personen begonnen genoeg te krijgen van de uitspraken die ik in de kranten tegen Bouteflika deed. Ik heb lang zonder salaris geleefd. Ik kon geen werk krijgen, noch in de publieke, noch in de private sector. Ik werd door iedereen gemeden. De autoriteiten pakten mijn broer aan, een kunstenaar die ze bijna tot zelfmoord hebben gedreven door hem de ene fiscale naheffing na de andere te sturen net zo lang tot hij geruïneerd was. En via de oudervereniging hadden ze het ook gemunt op mijn vrouw, die lerares is. Ze beschuldigden haar ervan dat ze de vrouw was van een verrader, van een man die pro-Israël, pro-Frans en antimoslim was. Mijn boeken zijn jarenlang verboden geweest. Tot ze na verloop van tijd alleen nog minachting toonden door me te negeren. Tegenwoordig zijn mijn boeken in beperkte aantallen weer in sommige boekhandels te vinden. Maar ik blijf een outcast, ik kan aan geen enkel debat, aan geen enkele signeersessie meedoen.
Hebt u overwogen om te emigreren?
Je hoeft niet per se van je land te houden om er te blijven. Je bent er nu eenmaal, je leeft er, hebt er je familie, je vrienden. Maar de omstandigheden speelden ook mee: in de jaren zeventig, toen ik nog voor ingenieur studeerde, was het heel gemakkelijk om te vertrekken. Je kon Frankrijk binnenkomen op een identiteitskaart. Het was de tijd dat er een nieuw woord opdook dat ons land te gronde zou richten: ‘algerijnisering’. Het militaire regime van Boumédienne [vierde president van Algerije van 1976 tot 1978] was modernistisch: hij wilde fabrieken bouwen, industriecomplexen aanleggen. Daarom moesten er jongeren naar het buitenland worden gestuurd om ze op te leiden tot geschoolde arbeiders en hoger personeel. Maar veel van hen zijn niet meer teruggekomen, met dramatische gevolgen. Ik heb er zelf ook over gedacht, maar de dingen liepen anders: ik kreeg een laboratorium voor turbinestraalmotoren tot mijn beschikking en die zijn mijn specialisme geworden. Ik heb experimenten gedaan, artikelen gepubliceerd in de vooraanstaande tijdschriften. We leefden in derdewereldomstandigheden, het water was op rantsoen, groentes waren er niet, maar ik was jong en ik vond mijn werk geweldig. De dagen gingen voorbij, ik stelde een beslissing uit terwijl al mijn vrienden en ook mijn broers vertrokken.
Toen de burgeroorlog begin jaren negentig uitbrak, ben ik een andere richting ingeslagen en voor de overheid gaan werken. De minister van Handel benoemde me tot adviseur, omdat ik veel wist van het schuldenprobleem, een centraal vraagstuk in die jaren toen Algerije overging naar een markteconomie, in 1994.
En nu?
Ik heb periodes gekend waarin ik het erg moeilijk had en me echt afvroeg wat ik moest doen. Soms leek vertrekken urgent, bijvoorbeeld toen de islamisten voor de poorten van Algiers stonden [1995-1996] en ze een groot deel van het land in handen kregen. Ik zat midden in islamistisch gebied omdat ik in Boumerdès woon, vijftig kilometer ten oosten van Algiers, aan de weg richting Kabylië. In de jaren negentig waren hier elke nacht bombardementen en er werden constant aanslagen gepleegd. Soms waren er pal voor ons huis schermutselingen tussen het leger en de islamisten. Op den duur raak je dat beu.
Mensen zijn naïef, ze laten zich voor de gek houden, het lijkt wel of ze graag bang zijn. Ik net zo goed als de rest
Maar wat een lijdensweg om een visum te bemachtigen. Tegenwoordig heb ik gelukkig een uitreisvisum dat vijf jaar geldig is, maar destijds zouden ze me maar een visum voor drie maanden gegeven hebben. Wat kun je in drie maanden helemaal doen? En als je dan ook nog ziet hoeveel moeilijkheden het oplevert om je in Frankrijk te vestigen en je er beslist niet met open armen wordt ontvangen, dan schrikt dat wel af. Als ik naar bepaalde Franse steden moet, dan zorg ik dat ik Frankrijk via Parijs binnenkom, om te vermijden dat ik rechtstreeks vanuit Algerije per vliegtuig arriveer. Als je op de vliegvelden van deze steden een Algerijns paspoort laat zien, doen ze onaangenaam, je krijgt rare blikken, ze zeggen vervelende dingen, zijn soms grof tegen je. Ze behandelen je met ongelooflijk veel minachting. Ik wil niet ook nog eens een immigrant zijn.
Ten slotte zou vertrekken ook een vorm van zwichten zijn voor de mensen die het me zo moeilijk hebben gemaakt. Het is een kwestie van zelfrespect.
Bent u bang?
Ja, ik ben al jaren bang. Net als veel mensen. Vroeger, in de tijd van Boumédienne, waren we bang voor iets wat we nog nooit hadden gezien: de SM [Sécurité Militaire], de militaire veiligheidsdienst, oftewel de Algerijnse geheime diensten. In 2084 zijn het de V’s, waarvan niet eens duidelijk is of ze bestaan, ze zijn overal en nergens, iedereen is bang voor ze. En toen, na de dood van Boumédienne, verscheen de baas van de SM op het toneel. Niemand die hem kende. En wij zagen een klein, grijzig mannetje, een onderdeurtje dat bang leek voor zijn eigen schaduw! We dachten: Dat is toch niet waar! Heeft hij ons twintig jaar lang geterroriseerd? Hij heette Kasdi Merbah, een naam had hij in ieder geval wel. Maar op de dag dat hij werd vermoord, in augustus 1993, hoorden we dat het niet eens zijn echte naam was. In werkelijkheid heette hij Abdallah Khalef. Twintig jaar lang waren we geterroriseerd door een ambtenaartje zonder naam of gezicht. Als je er goed over nadenkt, is dat intellectueel gezien een bizarre situatie. En erg vernederend.
Elke Algerijn voelde zich bespioneerd. Toch waren er niet per se even veel spionnen als Algerijnen. Maar mensen zijn naïef, ze laten zich voor de gek houden, het lijkt wel of ze graag bang zijn. Ik net zo goed als de rest. Ze gaan mee in wat de overheidspropaganda ze inprent. Ook nu nog willen ze ons laten geloven dat we voortdurend worden bedreigd door de vijand van buiten, het neokolonialisme, het imperialisme, de Joden, de Marokkanen… We leven met dit soort spookbeelden. Geruchten gaan uit zichzelf rond en onderzoeksjournalisten zijn er niet, we weten nooit wat waarheid is.
Wat hebt u gedaan om u niet door die angst te laten verlammen?
Ik heb erover gediscussieerd en gelezen, ik heb geprobeerd her en der dingen te weten te komen, via vrienden met contacten in het leger of het landsbestuur, dat is de enige manier. Toen ik 2012 naar de internationale boekenbeurs in Jeruzalem ging, kreeg ik massa’s bedreigingen. Uiteindelijk dacht ik: het zijn mafkezen, gekken die dit doen, daar moet je geen aandacht aan besteden. Je bagatelliseert het om jezelf gerust te stellen.
Is dat wat we moed noemen?
Ik weet niet of dat het goede woord is. Ik gebruik het liever niet. Iedereen is dapper, alleen al het feit dat je leeft is moedig. Als ik schrijf, sta ik daar niet bij stil. Pas als ik alles herlees, voordat ik het naar de uitgever stuur, realiseer ik me dat sommige passages me in de problemen kunnen brengen. Maar nogmaals, ik gebruik het woord moedig niet. Ik relativeer. Ik zeg wat ik wil, net als die lui. De dingen die ik doe, doe ik voor mezelf. Of ze nu door God verboden zijn of de duivel, zolang ze niet onder een door mensen geschreven wet vallen, doe ik ze.
U hebt geen vertrouwen in de mensheid?
In het individu wel als het hem lukt zelfstandig te worden en zich te ontworstelen aan alle regels en voorschriften. Zo niet, dan is het ongelooflijk hoe ver mensen meegaan in het doen van concessies. Ze laten zich enorm snel inpakken. Kijk wat de nazi’s in Duitsland in korte tijd hebben gedaan. Ik word moedeloos van de mensheid: zodra mensen met meer dan drie zijn, gedragen ze zich als schapen.
Ziet u zichzelf als iemand die de noodklok luidt?
In zekere zin wel. Ik zie de toekomst somber in. Ik heb meegemaakt hoe mijn land overvallen werd door een volkomen onverwachte verandering, die ertoe leidde dat zowel een staatsbestel als een maatschappelijk bestel in hoog tempo werd vernietigd. Je denkt dat samenlevingen solide zijn, maar niets daarvan: bij de minste of geringste crisis valt alles uiteen. Ik heb het meegemaakt. Tegenover het islamisme houden de waarden van de rede, de Verlichting, geen stand; ze storten als een kaartenhuis ineen. De mensen denken: de vooruitgang, wat heeft die ons opgeleverd? Dat we de aarde vervuilen? Dat de wet boven de menselijke relaties gaat? Ze zijn niet gelukkig met dit systeem. De Verlichting is voorbij. Het Westen moet een nieuwe omwenteling teweegbrengen. Maar wie gaat er supranationale wetten maken? Intussen is de islam wel geglobaliseerd. Die ligt een slag voor.
Zijn literaire prijzen belangrijk voor u?
Door een grote prijs zou mijn stem wel belangrijker worden, in Frankrijk en Europa dan. Het is een manier om mee te doen aan een debat waarvan ik in eigen land uitgesloten ben. Maar dat interesseert ze daar niet. Voor de Algerijnse autoriteiten besta ik niet, zelfs al had ik de Prix Goncourt, de Nobelprijs of wat dan ook gewonnen. Toen ik in 2011 de Vredesprijs van de Duitse Boekhandel kreeg, die in Duitsland als een prestigieuze prijs wordt beschouwd, ben ik niet eens gefeliciteerd door de burgemeester van Boumerdès, het stadje waar ik woon.
Auteur: Raphaëlle Rérolle
Vertaler: Tess Visser
De boeken van Boualem Sansal verschijnen in Nederland bij Uitgeverij De Geus in vertaling van Jan Versteeg.
Le Monde Frankrijk, dagblad, oplage 345.000
In 1944 opgericht op initiatief van De Gaulle. Iconische krant, gehecht aan zijn onafhankelijkheid (maar sinds 2010 wel eigendom van drie private investeerders). Om recht te doen aan de titel ‘De wereld’ houdt Le Monde een groot netwerk van correspondenten in stand.
Amos Yee is niet de enige Singaporese blogger die de strijd aanbindt met de regering. De 34-jarige Roy Ngerng, zelf ook politiek actief, geldt als een nog grotere bedreiging.
Roy Ngerng Yi Ling (34), socioloog en politiek activist in Singapore, dreigt failliet te gaan doordat de premier van de stadstaat, Lee Hsien Loong, een proces wegens smaad tegen hem heeft aangespannen. Steen des aanstoots is het politieke blog dat Ngerng al geruime tijd bijhoudt en waarop hij in mei vorig jaar een stuk plaatste over het misbruik dat de regering zou maken van de verplichte pensioenpremies. Lee voelde zich daardoor beledigd en eiste verwijdering van het artikel, een openbaar excuus van Ngerng en een compensatie in geld.
De beklaagde zwichtte voor die eisen en bood ter compensatie 5000 Singaporese dollar [3500 euro] aan. Dat vond de advocaat van Lee ‘een schijntje’. Hij spande een proces aan en de rechtbank veroordeelde Ngerng tot 29.000 dollar voor de proceskosten en een bedrag aan compensatie dat nog nader zal worden vastgesteld.
Singapore is een land met zo ongeveer het hoogste bruto binnenlands product per inwoner ter wereld: 71.000 dollar. Maar de rijkdom is zeer onevenwichtig verdeeld, zegt Ngerng. ‘Er zijn bejaarden die nog steeds toiletten moeten schoonmaken of in etenskraampjes en koffiehuizen moeten werken om rond te komen, terwijl anderen zich over hun rug verrijken. Er klopt iets niet, en daarom ben ik gaan publiceren over de afschuwelijke waarheden in Singapore.’
Ngerng besloot het rechtstreeks tegen de premier op te nemen door zich bij de verkiezingen op 11 september in diens eigen kiesdistrict kandidaat te stellen voor de Reform Party. [Verwacht werd dat Lee’s Popular Action Party (PAP) bij deze verkiezingen stevig zou verliezen. Maar dat pakte anders uit: de PAP won met 70 procent van de stemmen 83 van de 89 zetels in het parlement, waaronder alle zes zetels in Lee’s kiesdistrict. De Workers Party won de resterende zes en Ngerngs Reform Party kreeg geen enkele zetel.]
Na de enorme explosie in Tianjin, die aan 123 mensen het leven kostte, komt een Chinese blogger met scherpe kritiek – die onmiddellijk wordt gecensureerd – op zijn landgenoten.
In dit internettijdperk hebben de Chinezen een nieuwe passie gevonden: virtueel kaarsjes opsteken via acties op WeChat [de Chinese versie van WhatsApp] of Weibo [de Chinese versie van Twitter]. Twee kaarsjes voor een aardbeving en evenzoveel voor een treinongeluk. Voor een schipbreuk (die nooit voorkomt!) moet je er vier opsteken en acht voor een explosie in een chemische fabriek (want dat is pas echt verschrikkelijk!) Volgens de Chinese overheid maakt tegenspoed een natie sterker; intussen zijn de kaarsenverkopers door hun voorraad heen… Maar ondanks al die opgestoken kaarsjes is er in China nog niets veranderd. Elke grote ramp roept veel emoties op: iedereen is diep onder de indruk van wat de reddingswerkers doen, van de lokale leiders die hen naar de rampplek dirigeren, van de regering die meteen troepen heeft gestuurd, van een land als het onze, dat het leven van gewone mensen zo belangrijk vindt… Iedereen is geraakt door het lot van die ene man die bij de ramp is omgekomen terwijl hij de volgende dag zou gaan trouwen, of die andere die per se naar de rampplek wilde komen terwijl zijn vader net thuis was overleden. Iedereen leeft mee met de degenen die als kanonnenvlees de vuurzee zijn ingestuurd door leiders met een totaal gebrek aan gezond verstand.
Zeven stappen
De emoties bespelen – want via emoties kun je een drama omzetten in een positieve gebeurtenis – is stap één in het proces van damage control na rampen, een proces dat de Chinese autoriteiten tot in de finesses beheersen. Stap twee is het breidelen van pers en media, stap drie is de bevolking troost bieden om de onvrede bij de familie van de slachtoffers weg te nemen. Stap vier is het vinden van helden onder de honderden of duizenden slachtoffers, zodat de rouwzaal kan worden omgetoverd tot een ruimte voor het uitreiken van onderscheidingen. Stap vijf is het op één lijn brengen van de geheimzinnigste afdelingen van China, de ‘betrokken’ afdelingen, en de geheimzinnigste leiders van China, de ‘betrokken’ leiders.
Stap zes is het afkondigen van een moment van nationale bezinning ter herdenking van de slachtoffers op de zevende dag na het drama [in de Chinese begrafenisrituelen is de zevende dag na de dood erg belangrijk]. De zevende stap is verklaren dat de tijd gekomen is om alles te vergeten, en bij de achtste, negende en tiende stap begint alles weer van voren af aan…
Zelf voel ik alleen maar verontwaardiging, ik word niet emotioneel. Emotioneel worden is zinloos in een land dat niet tot verontwaardiging in staat is. Die emotie kan alleen een instrument zijn dat de autoriteiten gebruiken om iedereen te hersenspoelen, zich zo aan hun verantwoordelijkheid te onttrekken en meteen een positieve draai aan rampen te geven. Dat hebben ze bij de vele drama’s van de laatste jaren steeds gedaan.
Chinezen hebben de onuitroeibare gewoonte zich nooit betrokken te voelen
Onbeduidend
Bij de grote brand in Karamay [in 1994 in de regio Sinkiang, waarbij ruim driehonderd kinderen omkwamen] werden de communistische leiders als eersten geëvacueerd, bij die in Tianjin zijn er eerst simpele brandweerlieden op afgestuurd. Wat is er in die twintig jaar tussen beide rampen eigenlijk veranderd? Beide keren raakten honderdduizenden Chinezen zeer geëmotioneerd door al die onbeduidende slachtoffers wier levens niet telden. Waarna die werden gepresenteerd als mensen die in alle opzichten geweldig waren! Telkens als zich in dit land met een IQ van nul een ramp voordoet, blijkt zelfs 21 ton TNT [dat was de kracht van de explosie van chemische stoffen in de haven van Tianjin] niet genoeg om een einde te maken aan de schaamteloze arrogantie van de hoge ambtenaren; ook is het niet genoeg om de bevolking wakker te schudden die niets anders kan dan emotioneel worden en bidden.
Het probleem is dat de Chinezen (die de onuitroeibare gewoonte hebben zich nooit betrokken te voelen) niet hadden verwacht dat er onder zo’n bloeiend bewind zulke ernstige, de eenheid verstorende dingen konden gebeuren. Maar nu zijn er enkel en alleen dankzij paraxyleen in Dalian, Qingdao, Ningbo, Kunming, Zhangzhou en Chengdu toch talloze protestgroepen van tienduizenden mensen ontstaan [die zich verzetten tegen de bouw van productiefaciliteiten voor dit chemische product]. Om te voorkomen dat hun geboortestreek vervuild raakt, deinsden de betogers er niet voor terug hun leven te wagen en het traangas en de met schilden gewapende speciale politie-eenheden te trotseren. Maar hoeveel van dergelijke zaken zijn ons echt bijgebleven? Afgezien dan van de incidenten in Wukan [protesten tegen de corruptie onder plaatselijke ambtenaren in 2011], de kwesties rond Chen Guangcheng [advocaat en mensenrechtenactivist die huisarrest had en in 2012 naar de VS is gevlucht], rond Yu Jie [dissident en schrijver die naar de VS vluchtte om aan de intimidatiepraktijken van de overheid te ontkomen] en rond Xu Chunhe [doodgeschoten door een politieagent]. Ik durf wel te stellen dat deze namen de meeste Chinezen niets zeggen. Want deze mensen hebben niets met ons te maken en wij geven niet om die doodnormale rechten die ze voor ons proberen te bevechten. Deze mensen staan ver van ons af, ze zijn niet zoals wij geïnteresseerd in goed eten, kleding en reizen en evenmin in het liefdesleven van de beroemde Sister Milk Tea [de bijnaam van een studente aan de Tsinghua-universiteit in Beijing die getrouwd is met Liu Qiangdong, CEO van de Chinese webwinkel JD.com; hun leeftijdsverschil van negentien jaar leidde op internet tot veel buzz]. Ik weet best dat u dat soort dingen niet zo belangrijk vindt. Toch beweerden sommigen gisteren van wel. Mijn antwoord was dat we na dit schandaal niet langer kunnen bidden voor geluk. Geïrriteerd antwoordden ze: ‘Heel mooi om na te denken over je verantwoordelijkheden, maar dat is de taak van het politieke establishment, gewone mensen hebben daar geen invloed op! Wat heeft het dan voor zin om me daar druk over te maken? Waar halen mensen als jij het recht vandaan om tegen anderen te zeggen dat ze niet emotioneel mogen worden? Zelfs al zou dat slecht zijn, het geeft ook positieve energie. En ook al is jouw verontwaardiging misschien wel terecht, maar die geeft veel negatieve energie!’
Li Honghao
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.