De kinderen van Xi Jinping worden ze genoemd, ofwel de gouden generatie. De Chinezen die na 1992 zijn geboren zijn rijk, internetwijs en internationaal georiënteerd.
De Chinese jongeren die na 1992 zijn geboren, worden vaak gezien als een ‘gouden generatie’. Ze zijn nu rond de 25 jaar en hebben als eersten echt kunnen genieten van het resultaat van de economische hervormingen, het verplichte onderwijs en de eenkindpolitiek. Ze zijn geboren in de tijd dat internet opkwam, leven in het digitale tijdperk en zijn ook de consumenten die het China van de toekomst zullen vormgeven.
Volgens Zhang Yiwu, hoogleraar Hedendaagse literatuur aan de Universiteit van Beijing, is de generatie van onder de 26 jaar de rijkste die China ooit heeft gekend, een generatie die de blik van het Westen met trots kan doorstaan. Dankzij de rijkdom die hun familie heeft vergaard, kunnen ze nu naar hartenlust consumeren. Ze vormen een immens reserveleger van de middenklasse: ‘Kinderen die in de jaren tachtig werden geboren, vormden de eerste generatie die opgroeide na de start van de hervormingen en het opendeurbeleid in China [1979]. De kinderen van na 1992 [het jaar waarin de hervormingen van Deng Xiaoping weer werden voortgezet, drie jaar nadat de democratische beweging van 1989 de kop was ingedrukt] kun je zien als de tweede generatie van na de hervormingen, en hun geboorte viel samen met de grootste industriële ontwikkeling die het land ooit heeft gekend.’
In die periode is het aantal Chinezen met een middeninkomen in alle regio’s van het land geëxplodeerd. En terwijl van 1992 tot 2002 – en zelfs al in het decennium daarvoor – de middenklasse zich vooral in de grote steden bevond, breidde die zich later uit tot in de kleinste plaatsen.
‘Ze zijn niet bang om geld uit te geven, want ze weten dat ze het hele bezit van hun ouders zullen erven’
In feite zijn de jongeren die nu onder de 26 zijn de kinderen van deze nieuwe middenklasse. Zij hoeven zich totaal geen zorgen te maken of ze te eten hebben, of ze vlees kunnen kopen of kleding. Daar komt nog bij dat China geen successierechten kent en ze, als enig kind, alle moeizaam verworven bezittingen van hun beide ouders zullen erven. Ze zullen dus straks over een veel groter vermogen beschikken dan hun voorouders. Volgens een enquête die begin 2017 onder 1648 jongeren werd gehouden, kocht 79 procent van de jongeren onder de 26 in het jaar daarvoor consumptiegoederen voor een bedrag dat 20 procent hoger lag dan hun maandinkomen. Nu creditcards en online gespreid betalen gemeengoed zijn geworden, gaan jonge consumenten veel vaker dan oudere generaties overconsumeren. Dat komt volgens Zhang Yiwu door een veranderde mentaliteit, maar ook doordat jongeren van die leeftijd relatief weinig kosten hebben, terwijl hun koopkracht enorm is. ‘Ze zijn niet bang om geld uit te geven, want ze weten dat ze het hele bezit van hun ouders zullen erven.’
Deze jongeren zijn opgegroeid met internet en hebben geprofiteerd van het ruimere wervingsbeleid van universiteiten. Daardoor hebben ze een veel beter opleidingsniveau en een veel bredere kennis dan de generaties voor hen. Mensen die in de jaren tachtig werden geboren, zoals de bekende schrijvers Han Han en Guo Jingming, deden hun kennis nog vooral op uit papieren boeken. De kinderen van nu zitten al vanaf de basisschool op berichtendienst WeChat over hun huiswerk te chatten. Internet zit bij de jongeren van na 1992 ingebakken.
Ook zijn ze onder veel betere omstandigheden opgegroeid. Zelfs kinderen uit eenvoudige milieus hadden ouders die zorgden dat ze meededen aan buitenschoolse activiteiten op het gebied van kunst en cultuur. Pianoles en schildercursussen zijn niet langer alleen hobby’s van een kleine elite.
‘Die materiële omstandigheden zijn bepalend geweest voor hun gedrag,’ benadrukt Zhang Yiwu: de Chinezen van na 1992 zien zich als gelijken van westerse jongeren, ze hebben meer zelfvertrouwen en aarzelen ze niet om spullen te kopen om hun levenskwaliteit te verbeteren. Zo vinden jongeren die 5000 à 6000 yuan verdienen het heel normaal om 1000 yuan [ca. 130 euro] uit te geven aan een koptelefoon, elektrische tandenborstel of cosmetica. Iets wat veertigers en vijftigers onbegrijpelijk vinden.
Pianoles en schildercursussen zijn niet langer alleen hobby’s van een kleine elite
Elke jonge generatie is opstandig. De lichting uit de jaren tachtig kwam openlijk in botsing met de oudere generaties, maar de kinderen van na 1992 kiezen voor een ‘parallelle’ omgang. Anders gezegd: deze jongeren bewaren afstand tot hun ouders, die ze vaak zien als vreemdelingen omdat ze niet dezelfde taal spreken.
Terwijl de ‘boze jongeren’ van de jaren tachtig uiting probeerden te geven aan hun verzet tegen de maatschappij, is de internetgeneratie van de jaren negentig veel gematigder. Jongeren van onder de 26 gaan voor virtuele consumptie die hun psychologische voldoening geeft. En dat heeft rechtstreeks invloed op hun kijk op geld. ‘Vroeger vond men in China dat je rijkdom moest verwerven door te werken. Maar de generatie die in de jaren negentig geboren is, ziet niets meer in dat idee. Dat is een enorme mentaliteitsverandering,’ zegt Zhang Yiwu. De jongste generatie kijkt volgens hem nog wel op tegen rijke mensen, maar niet langer tegen mensen die op een traditionele manier fortuin hebben gemaakt.
Hun nieuwe idolen zijn mensen als Bill Gates en Mark Zuckerberg. De post-1992-generatie kiest ook liever voor deelfietsen of voor gemeenschappelijke sportvoorzieningen. Deze dingen, die horen bij een nieuwe vorm van consumeren die uit internet is voortgekomen, zijn niet per se duur, maar horen helemaal bij deze tijd en sluiten aan op hun voorliefde voor een nichecultuur, ver van de traditionele economie van hun ouders. Ook in dat opzicht zijn ze beïnvloed door de wereldwijde internetcultuur. Wat hen ook heel goed bevalt aan de internetmiljardairs, is dat die hechten aan bepaalde waarden, zoals de bescherming van het milieu, tolerantie tegenover homoseksualiteit en zelfs erkenning van de deugden van de markteconomie. ‘Dus eigenlijk aan alles wat is voortgekomen uit de beweging van opstandige westerse jongeren in de jaren zestig…’ Toch ontbreekt bij de Chinezen van na 1992 die westerse hippiegeest van de jaren zestig, want ze zijn lang niet zo heethoofdig, maar veel gematigder en zachter.
Hun hang naar waarden komt waarschijnlijk voort uit het feit dat ze steeds meer met zichzelf bezig zijn
Hun hang naar waarden komt waarschijnlijk voort uit het feit dat ze steeds meer met zichzelf bezig zijn. Zhang Yiwu benadrukt dat de jongeren van nu een veel bredere horizon en een rijker wereldbeeld hebben, waardoor dit soort kwesties hen meer aanspreken.
Doordat ze op elk moment en overal hun stem kunnen laten horen op de sociale media en op elkaar reageren via apps op hun smartphones [al is er wel geregeld sprake van censuur], zijn ze voortdurend op de hoogte van het leven van succesvolle mensen. Toch lukt het de meesten niet om zelf zoveel geld te verdienen als ze hopen. Met als gevolg dat ze zich, net als elke generatie jongeren, heen en weer geslingerd en mislukt voelen. ‘Over Beijing ligt een deken van vervuilde lucht, de luchtkwaliteit is er beroerd, terwijl in hun geboortestreek de bergen groen zijn en het water helder is. Toch willen jongeren daar beslist niet blijven wonen, maar in Beijing ergeren ze zich aan de milieuvervuiling… Ze beseffen niet dat de verschillen op milieugebied tussen China en het Westen deels het gevolg zijn van de verschillende stadia in industriële ontwikkeling,’ zegt Zhang Yiwu. De jongeren van na 1992 hebben hun eigen nichecultuur en hun levensomstandigheden zijn veel beter, maar ze beklagen zich dat ze nog een lange weg te gaan hebben voordat ze op hetzelfde niveau zitten als de jongeren elders in de wereld.
Toch is er één ding dat optimistisch stemt: nu de invloed van China op het internationale toneel groeit, kunnen de jongeren van na 1992 zich meer onderscheiden; wie weet zijn het over een paar decennia wel juist hun gewoonten en denkwijzen die dan een deel van de westerse jongeren beïnvloeden.
De invloed van China in Afrika groeit. In Namibië, een land met 2,4 miljoen inwoners, werken intussen tienduizenden Chinezen. Zij zorgen voor ontwikkeling, maar ook voor nieuwe afhankelijkheid.
Elke doordeweekse ochtend vindt nog voor zonsopgang een ware volksverhuizing plaats, niet ver van de woestijn aan de zuidwestkust van Afrika. Om halfzes ’s ochtends komen in de Namibische plaats Swakopmund, waar eeuwenoude gebouwen staan die nog sporen dragen van de Duitse kolonisatie, uit allerlei huizen en appartementen mannen tevoorschijn die in stevig tempo door de duisternis lopen – de witte reflecterende strepen lichten af en toe op. Het zijn geen Afrikanen, maar Chinezen. Terwijl de mannen zich verzamelen bij een keurig huis aan de Libertina Amathila Avenue, het enige huis in de buurt waar licht brandt, is de rest van het Atlantische kustplaatsje nog in een diepe rust gedompeld.
Dylan Teng, een jongensachtige ingenieur van 29 met kortgeschoren haar en een metalen brilletje, is een van de laatsten die bij het huis arriveert. Zoals vrijwel elke dag sinds hij drieënhalf jaar geleden in Namibië is aangekomen, voegt Teng zich bij de anderen en doet zich tegoed aan een ontbijt van gestoomde broodjes en rijstepap. Hij pakt een lunchpakket dat is klaargemaakt door een kok van een bedrijf en om klokslag zes uur, terwijl de sterren nog schitteren aan de hemel, stapt hij in een bus met op de zijkant de letters C.G.N. – China General Nuclear, een gigantisch overheidsbedrijf dat het grootste Chinese project in heel Afrika uitvoert.
Een uur later, wanneer de zon de horizon doet oplichten, slingert de bus door een onherbergzaam maanlandschap en daalt af naar de Husab Uranium Mine, de op een na grootste uraniummijn ter wereld – een investering van 4,6 miljard dollar. Teng heeft deze route inmiddels al bijna duizend keer afgelegd, maar elke keer opnieuw lijkt Husab een fata morgana: een virtuele stad die zich als een lint van een kilometer of tien uitstrekt over het woestijnoppervlak, met aan het ene uiteinde twee enorme open groeves die zijn uitgehakt in de rotsachtige ondergrond, en aan het andere uiteinde een verwerkingsfabriek. Die fabriek heeft, op de laatste werkdag van 2016, zijn eerste vaten U₃O₈, opgeleverd, het uraniumconcentraat dat kan worden gebruikt om kernenergie op te wekken (en om wapens te maken). ‘We hebben die dag een grote ceremonie georganiseerd,’ zegt Teng.
Het belang van Husab
Teng is een van de weinigen uit zijn geboortedorp in de provincie Sichuan, in het zuidwesten van China, die een universitaire studie heeft afgerond. Hij is zich terdege bewust van het belang van Husab. Husab is meer dan alleen een reddingsboei voor de kwakkelende economie van Namibië – naar schatting zal het bruto nationaal product van het land met 5 procent stijgen wanneer de mijn volgend jaar op volle toeren draait. Maar los daarvan zal het uranium, dat vrijwel allemaal naar China gaat, ook Tengs vaderland opstuwen tot wereldleider op het gebied van kernenergie, waarmee de afhankelijkheid van kolen zal afnemen. In Beijing, waar Teng werkte voordat hij naar Namibië kwam, leefde hij onder een grijze wolk van door kolen veroorzaakte luchtvervuiling, die over vrijwel heel Oost-China hangt. Nu werkt Teng aan de toekomst – zowel die van hemzelf als die van zijn land – onder een oneindige, kobaltblauwe Afrikaanse hemel. ‘Ik had nooit kunnen denken,’ zegt hij, ‘dat ik aan de andere kant van de wereld zou belanden.’
De aantrekkingskracht van China doet zich momenteel vrijwel overal ter wereld gelden, maar er zijn weinig landen waar die kracht zo sterk voelbaar is als in Namibië, een winderig land met 2,4 miljoen inwoners – nauwelijks eentiende van het inwonertal van Beijing – op zo’n 12.000 kilometer van de Chinese hoofdstad. De woestijn waar de afgelopen jaren de Husab-mijn is verrezen, stond bekend om de aanwezigheid van de Welwitschia mirabilis, de lage plant waaraan maar twee bladeren groeien en die meer dan duizend jaar oud kan worden. Inmiddels heeft de invloed van China zich, in net iets meer dan duizend dagen, uitgestrekt tot ver voorbij de uraniummijn.
Iets ten noorden van Swakopmund is een Chinees telemetriestation verrezen, met schotelantennes die naar de hemel zijn gericht om satellieten en ruimtemissies te kunnen volgen. Zo’n 40 kilometer zuidelijker, in Walvisbaai, is een Chinees staatsbedrijf bezig met de aanleg van een kunstmatig eiland ter grootte van veertig honkbalvelden, als deel van een immense havenuitbreiding. Andere Chinese projecten in de buurt zijn onder meer een winkelcentrum, een granietfabriek en een brandstofopslagdepot van 400 miljoen dollar. In de haven wordt Chinese handel verscheept: containerschepen vol cement, kleding en apparatuur komen de haven in; tegels, mineralen en – soms – illegaal kaphout of bedreigde diersoorten zetten koers richting China. Het is zo’n bedrijvigheid dat het gerucht gaat dat er plannen zijn voor een marinebasis in Walvisbaai. Hoewel die geruchten met klem worden ontkend door hoge Chinese ambtenaren, houdt de plaatselijke bevolking het niet voor onmogelijk.
Deze bescheiden buitenpost is misschien nog maar het begin van wat weleens de grootste wereldwijde handels- en investeringsslag uit de geschiedenis zou kunnen worden. Gedreven door economische (een verlangen naar bronnen en nieuwe afzetmarkten) en politieke motieven (een verlangen naar nieuwe strategische partners) zijn Chinese bedrijven en arbeidskrachten over de hele wereld uitgewaaierd. In 2000 beschouwden slechts vijf landen China als hun belangrijkste handelspartner; momenteel geldt dat voor meer dan honderd landen, van Australië tot de Verenigde Staten. Er komt geen einde aan de reeks voorgestelde projecten: China’s eerste buitenlandse militaire basis, in Djibouti; een hogesnelheidstrein door Nigeria, een project van 8 miljard dollar; een kanaal dwars door Nicaragua, dat naar verwachting zo’n 50 miljard zal gaan kosten. En zelfs nu China’s hausse enigszins begint af te nemen, staat nog altijd het meest ambitieuze project van allemaal in de steigers: met het One Belt, One Road-initiatief – een verwijzing naar de handelsroutes – wil president Xi Jinping naar eigen zeggen in het komende decennium 1,6 biljoen dollar in infrastructuur en ontwikkeling steken, door heel Azië, Afrika en het Midden-Oosten. Hierbij verbleekt het Marshallplan van de Verenigde Staten voor Europa, na de Tweede Wereldoorlog.
China’s band met Afrika gaat terug tot de jaren zestig, toen voorzitter Mao Zedong solidariteit met de westerse wereld bepleitte – Ya Fei La, zoals hij het noemde, naar de eerste lettergrepen van Azië, Afrika en Latijns-Amerika. Hoewel China arm was, en verzand in de chaos van de Culturele Revolutie, wist het in Afrika nieuwe bondgenoten te werven door in 1976 een spoorlijn van maar liefst 1860 kilometer aan te leggen tussen Tanzania en Zambia. Hierna druppelde er wel af en toe wat geld binnen, maar er dienden zich in de dertig jaar die volgden geen andere grote projecten aan. China richtte zich op de binnenlandse economie, naar het adagium van leider Deng Xiaoping: ‘Verberg je kracht en wacht tot je tijd daar is.’ Dat was in 2000, toen Beijing zich realiseerde dat er buitenlandse bronnen en bondgenoten nodig waren om de economische groei te stimuleren. Chinese bedrijven werden opgeroepen ‘de blik te verbreden’ naar het buitenland.
Wie nu een nachtvlucht neemt van Shanghai naar Addis Abeba, de hoofdstad van Ethiopië, loopt grote kans tussen allemaal Chinese arbeiders te belanden, die op weg zijn naar een bouwplaats in het olierijke Equatoriaal-Guinea, een katoenfabriek in Mozambique of een telecomproject in Nigeria. In de afgelopen twintig jaar is de handel van China met Afrikaanse landen verveertigvoudigd. De arbeiders en de migranten die de mondiale visie van China uitdragen zijn nu zo alomtegenwoordig in Afrika – volgens een schatting zijn het er wel een miljoen – dat toen mijn vrouw en ik een Hunanees restaurant in Addis Abeba binnenliepen, de arbeiders die er met een rood hoofd dubbelgekookt varkensvlees zaten te eten, uitriepen: ‘Ah, laowai laile!’ Kijk, buitenlanders! Het leek onbeleefd om hen erop te wijzen dat ze zelf ook buitenlanders waren.
Een land als Namibië kan moeilijk weerstand bieden aan China’s verkooppraatjes, deels omdat die teruggrijpen op een historische verbondenheid. Beijing steunde de vrijheidsstrijd van de zwarte nationalisten tegen de apartheid en tegen de blanke, Zuid-Afrikaanse herenboeren. Sam Nujoma, de leider van de South West Africa People’s Organization, bracht begin jaren zestig een bezoek aan Beijing, op zoek naar wapens en financiële steun. Toen Namibië begin jaren negentig eindelijk de onafhankelijkheid uitriep, met Nujoma als president, was China een van de eerste diplomatieke bondgenoten, die liet weten dat de twee landen ‘door dik en dun’ bevriend waren. (Beijing was wanhopig op zoek naar bondgenoten teneinde het diplomatieke isolement te doorbreken als gevolg van het gewelddadig neerslaan van de democratiseringsbeweging in 1989).
Sommige inwoners van Namibië zien de overvloed aan Chinese leningen en investeringen niet zozeer als een vorm van vrijheid, maar eerder als een nieuwe vorm van kolonialisme
China heeft meer te bieden dan alleen het eigen historische voorbeeld als een model om te ontsnappen aan de armoede: het land financiert ook buitenlandse ondernemingen zonder allerlei voorwaarden te stellen op het gebied van mensenrechten, good governance en fiscale regels. ‘Wij waren heel blij met China, omdat we voor het eerst een alternatief hadden voor de agenda die werd bepaald door het Westen, of het nu ging om Zuid-Afrika of om de westerse wereld,’ zegt Calle Schlettwein, de Namibische minister van Financiën. ‘De Chinezen zeggen: “Jullie moeten je eigen koers bepalen, dus zeg maar wat we voor jullie kunnen doen”.’ Maar ook de Chinezen stellen voorwaarden, aldus Schlettwein. ‘Uiteindelijk willen ze totale controle over alles wat er gebeurt, wat het lastig maakt om een situatie te creëren waarbij werkelijk beide partijen baat hebben.’
De leiders van China hameren erop dat hun invloed alleen maar positief is, een mondiale oefening in wat zij een ‘win-winsamenwerking’ noemen. En het valt niet te ontkennen dat veel van de projecten die Chinese bedrijven realiseren – wegen en spoorlijnen, havens en pijpleidingen, mijnen en telecomnetwerken – er nooit zouden zijn gekomen zonder de Chinezen. China’s investering in de Husab-uraniummijn, waarvan 90 procent van de aandelen in handen is van C.G.N. en 10 procent in handen van de Namibische overheid, is een niet onbelangrijk middel om de recessie op afstand te houden. ‘We hebben Namibië geholpen om zich in politiek opzicht te bevrijden,’ zegt Xia Lili, een voormalig Chinees diplomaat die nu bij een Chinees bedrijf werkt in Windhoek. ‘Nu helpen we het land om zich in economisch opzicht te ontwikkelen.’
Sommige inwoners van Namibië zien de overvloed aan Chinese leningen en investeringen niet zozeer als een vorm van vrijheid, maar eerder als een nieuwe vorm van kolonialisme. De nieuwe infrastructuur wordt verwelkomd, maar aangezien de projecten onmogelijk zouden zijn geweest zonder leningen – verstrekt door de Chinezen – is de economie opgezadeld met schulden en is het werkloosheidspercentage van bijna 30 procent nauwelijks gedaald. Bovendien zijn er de laatste maanden een aantal schandalen geweest rond Chinezen – waaronder belastingontduiking, witwassen en jagen op beschermde diersoorten – waardoor de plaatselijke bevolking genoeg begint te krijgen van de buitenlanders; die willen volgens hen namelijk vooral dingen úít het land halen: uranium, hout, neushoornhoorns en financiële winsten, zonder iets terug te geven aan de bevolking van het land waar de kloof tussen arm en rijk, dankzij de erfenis van de apartheid, tot de meest schrijnende ter wereld behoort. In januari werden deze gevoelens, die steeds meer terrein winnen, mooi verbeeld in een krant uit Windhoek, die op de voorpagina een cartoon plaatste van een draak die de Namibische vlag verslindt. De bijbehorende tekst: ‘Namibië wordt aan de Chinezen gevoerd.’
De vraag hoe China de wereld verandert wordt vaak gepresenteerd als een binaire kwestie: is China de redding van ontwikkelingslanden, de enige wereldmacht die investeert in hun toekomst – of is dit het begin van een nieuw koloniaal tijdperk? De vraag zelf is echter misleidend. Niet alleen in Namibië zelf, maar ook in de rest van de wereld bestaan deze twee verhaallijnen naast elkaar en zijn ze onmogelijk te ontwarren. ‘Je zou kunnen zeggen dat China het beste is wat Afrika ooit is overkomen – of het ergste,’ aldus Eric Olander, co-presentator van de wekelijkse China in Africa Podcast. ‘De schoonheid schuilt in de complexiteit.’
Vrijheid en mogelijkheden
Op de citroengele muur van het restaurant staat in het Chinees: Ye Shanghai. De nachten van Shanghai. De gasten voor de lunch zijn inmiddels alweer vertrokken, maar aan een tafel zitten nog zes Chinese mannen en vrouwen van middelbare leeftijd – onder wie James Shen en zijn vrouw Rose, de eigenaren. Ze pellen garnalen en zuigen met smaak de schaal leeg. Niemand zegt een woord. Uit de flatscreen-tv aan de muur schalt een reportage van CCTV-4, een zender van de Chinese staatstelevisie, waarin ademloos het machtige Volksbevrijdingsleger wordt geroemd. Wanneer er een dubbele rij explosies op zee wordt getoond, roept Rose uit: ‘Wah, wat is ons China sterk!’
Het restaurant van het echtpaar bevindt zich in Walvisbaai, een havenstad die aan drie kanten wordt ingesloten door de Namibwoestijn, volgens sommigen de oudste ter wereld. James en Rose maken deel uit van een van de eerste golven Chinese immigranten, die twintig jaar geleden in Afrika zijn aangekomen om er nooit meer te vertrekken. De Chinese diaspora heeft een lange geschiedenis van wortelen en tot bloei komen, op enkele van de meest afgelegen plekken ter wereld. Werkelijk overal ben ik Chinese kooplieden tegengekomen, van de Siberische toendra tot aan kleine mijnsteden in de Andes. In Afrika hebben ondernemers zoals James en Rose een nieuw land gevonden met de ruimte, de vrijheid en de mogelijkheden die ook de kolonisten van vroeger in het westen van Amerika zo aansprak. ‘Mijn man was op zoek naar een plek om een zaak op te zetten, en hij viel voor de ruimte, de weidsheid,’ zegt Rose. ‘Maar we blijven altijd op de eerste plaats Chinees.’
Zoals zovele Chinese immigranten over de hele wereld begon het echtpaar met een klein winkeltje, waar ze goedkope kleren, schoenen en tassen verkochten die per schip uit China werden aangevoerd. Hun zaakje, James and Rose, is er nog altijd, aan een belangrijke kruising in Walvisbaai, maar inmiddels hebben ze hun activiteiten uitgebreid met een hotel, een restaurant, een karaokebar, een massagesalon en een handelsonderneming. Tegenwoordig zie je in vrijwel elke stad in Namibië wel zo’n Chinese winkel – en nog vele duizenden meer in de rest van Afrika.
Op een zondag in het Chinatown van Windhoek, waar tientallen winkeltjes zijn gevestigd in een lange rij pakhuizen in het industriële deel van de stad, slenteren Namibische families over straat en dingen af op van alles en nog wat, van namaak-Nikes en plastic speelgoed tot zonnepanelen en tweedehandsmobieltjes. Een man vertelt me dat hij blij is met de lage prijzen, maar ondertussen doet hij wel zijn beklag over de kwaliteit – en de nadelige effecten op de lokale handel. Wu Qiaoxia, een Chinese makelaar die is begonnen met een klein zaakje in de noordelijke stad Oshakati, wuift die kritiek van de hand. ‘Voordat wij hier kwamen, liepen er in Namibië nog veel kinderen rond die niet eens schoenen hadden,’ zegt Wu. ‘De mensen hier hadden behoefte aan van alles, en dat hebben wij hun verkocht, tegen lage prijzen.’
Over het precieze aantal Chinezen in Namibië lopen de meningen nogal uiteen. Er zijn geen officiële cijfers en het beeld wordt vertroebeld door een constant komen en gaan van contractarbeiders. Afgelopen najaar trok het Namibische ministerie van Binnenlandse Zaken aan de alarmbel met de bewering dat er honderdduizend Chinezen in Namibië wonen – wat zou neerkomen op zo’n 4 procent van de bevolking. Voorzichtigere schattingen gaan uit van iets tussen de tien- en de twintigduizend. Hoe dan ook is duidelijk dat in Namibië, zoals in vrijwel alle ontwikkelingslanden, de oudere generatie langdurige immigranten wordt verdrongen door China’s diaspora: jongere arbeiders met een betere opleiding, die naar het buitenland gaan om ervaring op te doen – en goed te verdienen – om vervolgens terug te keren naar China. ‘Wij waren hier als een van de eersten,’ zegt Rose Shen, ‘maar inmiddels zitten er overal Chinezen.’
In Afrika verdient Sean Hao ruim tien keer zoveel als thuis in China
Sean Hao, een jonge telecommunicatiespecialist in Windhoek, maakt deel uit van die diaspora. Hij is opgegroeid in een grotwoning in de provincie Shaanxi in Centraal-China, en het lag in de lijn der verwachting dat hij in zijn leven niet veel verder zou komen dan de jujubeboomgaard van het dorp. Maar Hao werd toegelaten tot een universiteit, als eerste van de familie, en na zijn afstuderen kreeg hij een baan als netwerkinstallateur bij een Chinese telecomgigant. Door een kamer te huren voor slechts 15 dollar per maand wist hij wat geld opzij te zetten van de 500 dollar die hij elke maand verdiende. Maar zijn spaargeld was nauwelijks genoeg om het appartement te kopen dat hij nodig had om te kunnen trouwen. In een land waar veel meer jonge mannen zijn dan jonge vrouwen – als gevolg van de eenkindpolitiek – wordt een appartement gezien als een noodzakelijk iets om een vrouw aan je te kunnen binden en niet te hoeven eindigen als een ‘dorre tak’ (een ongetrouwde man). Maar onroerend goed leek te hoog gegrepen voor iemand die was opgegroeid in een grot.
Toen een headhunter Hao attendeerde op een baan in Afrika waarmee hij meer dan 6000 dollar per maand zou verdienen, vertrouwde Hao het niet. ‘Ik was bang dat het om mensensmokkel ging,’ vertelt hij lachend. Het aanbod bleek serieus, maar het ging om een baan in Nigeria, wat in zijn ogen geen veilig land was. Dus tekende Hao in plaats daarvan een contract om een telecomsysteem aan te leggen in Angola, voor ruim 5000 euro per maand – meer dan tien keer zoveel als hij daarvoor verdiende. Na een jaar in Afrika deed Hao een aanbetaling voor een appartement in Xi’an, een stad in Centraal-China, en hij wist de ouders van zijn vriendin ervan te overtuigen dat hij een voldoende solide financiële basis had om met hun dochter te trouwen. Hao en zijn vrouw kregen na korte tijd een dochtertje, maar door zijn werk in Afrika heeft hij haar de eerste vijftien maanden van haar leven slechts één maand gezien. ‘Ze herkende me niet eens,’ zegt hij. Zijn vrouw en dochtertje besloten bij hem te komen wonen, in Namibië, waar hij inmiddels werkte. Maar na een lang en eenzaam jaar vertrokken ze weer naar huis, en Hao wordt nog altijd heen en weer geslingerd tussen het verlangen om bij zijn gezin in China te zijn en de kans om zijn slag te slaan in Namibië.
Op een warme zaterdag, eind maart, voegt Hao zich bij een tiental Chinese collega’s, onder het strodak van Joe’s Beerhouse in Windhoek. Twee van de mannen gaan terug naar China, nadat hun kortlopende contract is afgelopen, en de groep neemt afscheid met grote glazen zogenaamd Duits bier. Tegen de tijd dat ik in de bar arriveer zijn er al drie mannen lam en liggen met hun hoofd op tafel, terwijl een paar anderen gevaarlijk overhellen. Hao, die nog moet rijden, heeft nauwelijks een slok gedronken. Door het afscheid van zijn vrienden, die terugkeren naar het moederland, is hij in een wat melancholieke stemming. ‘Ik zou ook wel naar huis willen,’ zegt hij, ‘maar in China kan ik onmogelijk een baan vinden waarmee ik ook maar in de verste verte kan verdienen wat ik nu verdien.’
Tijdschrift dat op zondag verschijnt bij de The New York Times en dat vooral bekend staat om zijn fotografie, met name op het gebied van mode en stijl.
Het optreden van de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un wordt vaak als roekeloos en irrationeel gezien. Maar dat klopt niet, betoogt Yevgen Sautin. China volgde in de jaren zestig dezelfde strategie.
Keuze uit het archief
Afgelopen week riep de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un op tot een grondwetswijziging om Zuid-Korea te identificeren als de ‘vijandige staat nummer één’. Daarmee lijkt de belofte van het regime om het Koreaanse schiereiland te verenigen definitief van de baan te zijn. Het land dreigt zelfs met een oorlog.
Die oorlogstaal is niets nieuws. Al jarenlang is Noord-Korea bezig met de ontwikkeling van een kernwapenprogramma. Raketproeven laten zien dat het land in staat is de VS met een kernaanval te bedreigen. Yevgen Sautin schreef al 2017 in The Diplomat dat we die nucleaire retoriek niet al te serieus hoeven te nemen. Sautin baseert dit standpunt op de strategie van China in de jaren zestig: bluffen over kernwapens om de eigen zwakte te verbergen en de achterstand ten opzichte van andere kernmachten te verdoezelen.
Recente tests met intercontinentale ballistische raketten wijzen het uit: in de zeer nabije toekomst zal Noord-Korea in staat zijn het Amerikaanse vasteland met een kernaanval te bedreigen. De regering van president Trump heeft gezworen het land geen gelegenheid te geven zijn ‘destructieve koers’ voort te zetten. Het is echter nog niet duidelijk hoe de Amerikanen denken Pyongyang een halt te kunnen toeroepen. Wel hebben Amerikaanse regeringsfunctionarissen hun toon verscherpt. Noord-Korea is in hun ogen nu de meest urgente bedreiging van de VS.
Het is van belang te beseffen dat er eerder met dit bijltje is gehakt. De Verenigde Staten bevonden zich ruim vijftig jaar geleden in een soortgelijke situatie. Zij werden toen geconfronteerd met de nucleaire ambities van het maoïstische China. En net als nu vroegen deskundigen zich ook toen bezorgd af of er wel rationele besluitvormers achter de knoppen zaten in de geïsoleerde communistische staat. Militaire opties – hoe riskant ook – werden serieus overwogen. Het vooruitzicht van een nucleair China vervulde Amerikaanse leiders met ontzetting.
Maar gaandeweg kwam zowel de regering van Kennedy als die van Johnson tot de slotsom dat China’s bescheiden kernarsenaal niet zou leiden tot een verschuiving van de onderliggende machtsverhoudingen in Oost-Azië, noch dat het vertrouwen van de Amerikaanse bondgenoten in Washingtons veiligheidsgaranties een deuk zou oplopen. Het nucleair bewapende China bleef mondiale revolutionaire bewegingen steunen en ging ook door met militaire hulp aan Noord-Vietnam in de oorlog met de Verenigde Staten. Als het om kernwapens ging, werd de toon van Beijing allengs gematigder; het liet hiermee blijken in staat te zijn tot gecalculeerde beheersing jegens de VS.
Hardnekkig depotisme
In december 1960 waarschuwde een Amerikaanse National Intelligence Estimate (NIE) [een document dat de standpunten van Amerikaanse geheime diensten samenvat] dat ‘China’s arrogante zelfvertrouwen, revolutionaire vuur en vertekende beeld van de wereld’ tot een ‘verkeerde inschatting van risico’s’ kon leiden. Dat gevaar zou alleen maar toenemen als communistisch China kernwapens kreeg.
Afgezien van het revolutionaire vuur zouden dezelfde conclusies kunnen worden getrokken voor Noord-Korea. Het is immers een van de meest geïsoleerde regimes ter wereld, met een uiterst wispelturige leider: Kim Jong-un. Daarnaast maakt het land zich ook nog schuldig aan ontvoering en moord, slingert het de Verenigde Staten de wonderlijkste verwensingen naar het hoofd en dreigt het regelmatig met nucleaire aanvallen op Zuid-Korea. Wie Noord-Korea van een afstand bekijkt, zou het land gemakkelijk kunnen aanzien voor een uitzonderlijk geval van hardnekkig despotisme.
En dat klopt dus niet, zoals blijkt uit de NIE: ook China in de jaren zestig voldeed aan dat profiel. Chinese leiders deden weinig anders dan de gevaren van een kernoorlog afwimpelen en de onvermijdelijke overwinning van de volksmassa op het Amerikaanse imperialisme en het Sovjet-revisionisme benadrukken. Tegelijkertijd overdreven de Chinese leiders de mogelijkheden van hun eigen nucleaire programma enorm en bagatelliseerden ze de effecten van een tegenaanval op het Chinese vasteland.
In feite was de Chinese oorlogsretoriek strategische bluf ter compensatie van de grote verschillen in nucleair vermogen tussen China en de twee supermachten: de VS en de Sovjet-Unie. In dat licht doet het haast onwezenlijk aan om Noord-Korea nu zichzelf te horen aanprijzen als ‘een sterke kernmacht’, in het bezit van ‘zeer krachtige intercontinentale ballistische raketten die elke plek op de wereld kunnen treffen’. Het is daarbij van belang in het oog te houden dat het Noord-Koreaanse nucleaire arsenaal nog altijd klein is, dat het land niet in staat is tot een tegenaanval en nooit in zijn eentje de militaire machtsverhoudingen in de regio zal weten te wijzigen. Het wapengekletter van Noord-Korea heeft tot doel de aandacht af te leiden van de zwakte en angst voor de toekomst van het regime.
Pyongyang heeft geen officiële nucleaire doctrine, waardoor analisten zich gedwongen zien de strategie van het land uit een aantal uitspraken af te leiden. Kim Jong-un rept van het belang het ‘nucleaire monopolie’ van de Verenigde Staten te doorbreken. Pyongyang zal niet als eerste kernwapens inzetten (‘no first use’) en is voorstander van wereldwijde, volledige ontwapening. Nochtans heeft Noord-Korea herhaaldelijk gedreigd kernwapens te gebruiken in preventieve aanvallen tegen de Verenigde Staten of Zuid-Korea. Sinds het uit het zeslandenoverleg [tussen de VS, Rusland, China, Japan, Zuid-Korea en Noord-Korea (2003-2008)] is gestapt, heeft Noord-Korea eventuele inspanningen om het Koreaanse schiereiland nucleair te ontwapenen onmogelijk gemaakt.
De Noord-Koreaanse verklaringen over kernwapens sluiten nauw aan op de officiële standpunten van China over kernwapens in de jaren zestig. Na China’s eerste kernproef in 1964 formuleerde Beijing ook drie uitgangspunten: China ontwikkelde atoomwapens om ‘het supermachtmonopolie te doorbreken’, China zou nooit atoomwapens als eerste gebruiken, en China ondersteunde de volledige uitbanning van deze wapens. En toch was Beijing sterk gekant tegen het Verdrag voor een Beperkt Verbod op Kernproeven (Limited Test Ban Treaty, LTBT, ook wel Beperkt Kernstopverdrag genoemd) en bleef het wereldwijde nucleaire ontwapening vijandig gezind totdat zijn eigen kernprogramma in de jaren zeventig iets begon voor te stellen. Uit het Chinese optreden zou je kunnen afleiden dat Noord-Korea opzettelijk een agressieve houding aanneemt om de algehele zwakte van het Noord-Koreaanse arsenaal te verdonkeremanen.
Als China’s nucleaire programma in de jaren zestig geen ernstige bedreiging vormde voor de Verenigde Staten, is er nu nog minder reden te vrezen voor Noord-Korea
Zoals William Burr en Jeffrey T. Richelson stelden in Whether to “Strangle the Baby in the Cradle”: The United States and the Chinese Nuclear Program, 1960-64 (Moeten we het kind in de wieg smoren? De Verenigde Staten en het Chinese nucleaire programma, 1960-64), beschouwde John F. Kennedy een eventuele Chinese kernproef als ‘historisch waarschijnlijk de meest significante en ernstigste gebeurtenis van de jaren zestig’. Een nucleair China was voor de regering-Kennedy zo’n schrikbeeld dat elke denkbare maatregel, van directe Amerikaanse aanvallen tot het parachuteren van Chinese nationalistische commando’s vanuit Taiwan, werd overwogen. Kennedy gaf functionarissen zelfs toestemming om Amerika’s aartsrivaal, de Sovjet-Unie, te polsen over gezamenlijke preventieve actie tegen China.
De president stond bepaald niet alleen in zijn vrees dat een nucleair China de grootste bedreiging voor de wereldvrede was. Terwijl de Culturele Revolutie woedde, was de US Navy bang dat China snel de beschikking zou krijgen over de technologie om ballistische raketten vanaf onderzeeërs te lanceren. En dat zou het misschien op zo’n manier doen dat het leek op een aanval van de Sovjet-Unie, met een mondiale kernoorlog als gevolg. (Zie Lyle J. Goldstein in When China Was a “Rogue State”: The Impact of China’s Nuclear Weapons Program on US-China Relations during the 1960’s [Toen China een schurkenstaat was: de gevolgen van China’s nucleaire wapenprogramma op de betrekkingen tussen de VS en China in de jaren zestig]). Om deze vermeende dreiging het hoofd te bieden, adviseerde de Navy om China’s eerste met raketten bewapende onderzeeër op zijn maidentrip tot zinken te brengen. Deze angsten grensden aan paranoia en stoelden op een grove overschatting van de Chinese technologie; China zou zijn eerste ballistische onderzeeraket pas in 1982 lanceren. De pers was ook fel tegen het idee dat Mao over kernwapens zou komen te beschikken en riep op tot militaire actie om de nucleaire ambities van Beijing te beknotten.
Onderhandelingstafel
Niet iedereen in Kennedy’s regering deelde zijn angsten. De Policy Planning Council [Raad voor Beleidsplanning] van het ministerie van Buitenlandse Zaken leverde een invloedrijke studie af waarin de vreselijke gevolgen van een Chinese kernproef werden betwijfeld. De stelling luidde dat het Chinese arsenaal geen grote bedreiging voor de Verenigde Staten kon vormen en de machtsverhoudingen in de regio er nauwelijks door zouden veranderen. Bovendien stond dat arsenaal bloot aan tegenaanvallen van de Amerikanen, iets waartoe de Chinezen zelf niet in staat waren. Een nucleair China zou er dus weinig voor voelen de VS overmatig uit te dagen. De aanhangers van deze aanvankelijk omstreden visie wonnen uiteindelijk het pleit in het Witte Huis.
In het rapport werd wel onderkend dat er negatieve politieke gevolgen kleefden aan een Chinese kernproef – zoals proliferatie – maar die konden worden bezworen door garanties van Washington aan zijn bondgenoten. En zie: in de nasleep van de eerste Chinese kernproef lukte het de regering-Johnson om Japan met een juiste mix van veiligheidswaarborgen en diplomatieke druk van het nucleaire pad af te houden. De jaren daarop oefenden de Verenigde Staten vergelijkbare druk uit op Taiwan en Zuid-Korea om niet met eigen kernwapenprogramma’s te komen.
Als China’s nucleaire programma in de jaren zestig geen ernstige bedreiging vormde voor de Verenigde Staten, is er nu nog minder reden te vrezen voor Noord-Korea. Zelfs als Noord-Korea zijn raketten verbetert, behouden de Verenigde Staten en hun bondgenoten nog een overweldigend militair en economisch overwicht. Net als in de jaren zestig moeten de Verenigde Staten hun regionale bondgenoten en partners openlijk en op geloofwaardige wijze gerust stellen, dat is alles. Elke Noord-Koreaanse poging een wig te drijven in de alliantie tussen de VS en Zuid-Korea zal mislukken zolang Washington brede veiligheidsgaranties blijft leveren aan Seoul. Ook Japan zal drastische maatregelen niet nodig vinden als het zich openlijk gesteund weet door de regering-Trump.
Ten slotte: de VS moeten zich krachtig uitspreken tegen het koppelen van de Noord-Koreaanse nucleaire kwestie aan problemen in de relatie tussen de VS en China die daar niets mee te maken hebben. Dat is nodig om de angst van Taiwan weg te nemen dat Washington de feitelijke onafhankelijkheid van het eiland zou willen opgeven in ruil voor Chinese druk op Noord-Korea. Het is inmiddels duidelijk dat Beijing, uit machteloosheid of onwil, Pyongyang niet zal dwingen een andere koers te kiezen. De Verenigde Staten moeten zich niet laten verleiden tot bredere besprekingen in de hoop op meer Chinese samenwerking inzake Noord-Korea.
Na de Chinese kernproef van 1964 zette president Johnson handelscontroles en extra inlichtingenwerk in om het tempo van de Chinese nucleaire ontwikkeling af te remmen. Al bleef het Chinese kernprogramma een bron van zorg, Washington leerde er uiteindelijk mee leven. En dat was dankzij snelle en geloofwaardige Amerikaanse garanties aan belangrijke regionale bondgenoten, zoals Japan. Naarmate Chinese leiders hun strategie wijzigden en enige toenadering zochten tot het Westen, veranderden ook China’s nucleaire standpunten beetje bij beetje. Noord-Korea is China niet, maar een soortgelijk beleid van strategisch geduld en robuuste veiligheidswaarborgen aan Zuid-Korea en Japan is de beste optie om Noord-Korea weer terug te krijgen aan de onderhandelingstafel.
Chinese vegetariërs leven nog vaak in een isolement. Daar wil de website De vegetarische planeet iets aan doen.
Vegetariër worden is geen beslissing die je gemakkelijk neemt. Liu Huixin, hoogleraar aan de faculteit voor Economie en Management van de Qinghua Universiteit in Beijing, heeft er tien maanden over gedaan om de sprong te wagen, vanaf het moment dat ze in aanraking kwam met het boeddhisme. ‘Nadat ik meer dan dertig jaar vlees had gegeten, was het voor mij niet gemakkelijk om van de ene op de andere dag te veranderen,’ vertelt ze.
Drieënhalf jaar vegetarisch eten heeft haar alleen maar in haar overtuiging gesterkt, maar ze geeft toe dat ze in het dagelijks leven menigmaal in de verleiding komt, vooral voor de tv, op internet en in haar vriendenkring. ‘Ik heb de indruk dat de grote media vlees te allen tijde op de eerste plaats stellen,’ constateert ze.
Liu Huixin is niet de enige die daar last van heeft. Volgens een reportage uit 2014 van de Chinese radiozender PRI (Public Radio International) maakten vegetariërs op dat moment, met ruim 50 miljoen personen, 4 à 5 procent van de Chinese bevolking uit. Zelfs als die schatting op dit moment niet meer helemaal klopt, zijn het er beduidend minder dan de bijna 10 procent vegetariërs in Europa en de Verenigde Staten. Maar het aantal vegetariërs in China neemt voortdurend toe, als gevolg van de hang naar een gezonder leven.
‘We willen een ander beeld van vegetariërs geven, want het hoeven niet per se godsdienstfanatici, asocialen of bizarre mensen te zijn’
Zhang Si is ook zo iemand. Zij heeft besloten nog verder te gaan door een vegetarische site te beginnen. Anders dan Liu Huixin, die om religieuze redenen besloot vegetariër te worden, heeft Zhang Si zich in 2012 tot het vegetarisme bekeerd uit ecologische overwegingen en uit compassie met dieren. In maart 2013, toen ze in New York studeerde, heeft ze op WeChat, een Chinese sociale media-app, de site De vegetarische planeet gelanceerd, waarop ze artikelen over vegetarisme publiceert die door haarzelf zijn geschreven of, op bestelling, door anderen.
Liu Huixin is een vaste bezoeker van de site. ‘De artikelen zijn erg nuttig. Ze hebben me doen inzien dat er op de wereld veel andere mensen zijn zoals ik en dat ik niet een geïsoleerd geval ben.’ Dat isolement lijkt het lot van veel vegetariërs, en het is dat gevoel van eenzaamheid dat Zhang Si heeft willen doorbreken door vegetariërs in staat te stellen zich te verenigen en zo een immense ‘planeet’ te vormen.
Veel vegetariërs of flexitariërs zijn op zoek naar recepten of adviezen over de keuze van producten en de voedingswaarde daarvan, en de artikelen op De vegetarische planeet beantwoorden voor een groot deel aan die behoefte.
‘We willen ervoor zorgen dat vegetarisch eten een manier van leven wordt die voor iedereen mogelijk is. We willen een ander beeld van vegetariërs geven, want het hoeven niet per se godsdienstfanatici, asocialen of bizarre mensen te zijn,’ aldus Zhang Si.
Liu Huixin heeft veel waardering voor de content van de minisite. Volgens haar geven de gepubliceerde artikelen de indruk dat vegetarisme erg in is. ‘Als je het vegetariër-zijn weet te presenteren als iets wat helemaal van deze tijd is, zullen veel meer mensen het willen proberen,’ zegt ze.
De vegetarische planeet wordt voor 80 procent van artikelen voorzien door vier redacteuren, de resterende 20 procent is afkomstig van bezoekers van over de hele wereld. Op dit moment telt de site 230.000 vaste bezoekers, onder wie een flink aantal niet-vegetariërs. De artikelen worden gemiddeld twintigduizend keer gelezen.
Dankzij deze gunstige cijfers heeft Zhang Si De vegetarische planeet een nieuwe impuls kunnen geven. Ze biedt haar bezoekers nu ook online voedingsproducten aan. Momenteel werken al meer dan honderd merken samen met de site, of zijn dat op korte termijn van plan.
Deze website werd twee jaar geleden opgericht door twee Chinese journalisten, op basis van een blog op het Chinese sociale netwerk WeChat. De site is de grootste leverancier van sportnieuws in China.
De regering-Trump probeert China over te halen om samen de kwestie Noord-Korea aan te pakken. Het probleem is alleen dat Beijing goede redenen heeft om niet te streng te zijn tegen Pyongyang, schrijft Azië-expert Andrei Lankov.
Alle ogen zijn momenteel gericht op Noord-Korea: president Trump heeft te verstaan gegeven dat hij het ‘Noord-Koreaanse probleem’ eindelijk wil oplossen – oftewel, dat hij zal zorgen dat Noord-Korea kernwapenvrij wordt. Heel bijzonder is dat niet: de afgelopen 25 jaar heeft elke nieuwe Amerikaanse president beloofd iets aan de nucleaire ambities van Noord-Korea te zullen doen. Sommigen hebben het met onderhandelingen geprobeerd, anderen hebben de druk opgevoerd. Geen van beide benaderingen heeft tot dusver geholpen.
De regering-Trump, die Noord-Korea als een van haar grootste buitenlandse problemen lijkt te zien, kiest voor de harde lijn, maar op een speciale manier: Trump hoopt China over te halen tot een aantal keiharde gemeenschappelijke sanctiemaatregelen. De zaak werd besproken tijdens de topontmoeting van Trump en Xi Jinping afgelopen april. De Amerikaanse regering schijnt zich bereid te hebben verklaard een deel van haar anti-Chinabeleid te heroverwegen – inclusief ingewikkelde handelskwesties – als China ‘volledig meewerkt’ aan het onder druk zetten van Noord-Korea.
De regering-Trump gaat ervan uit dat Chinese sancties Noord-Korea aan de rand van de economische afgrond zouden brengen en hoopt de leiders in Pyongyang er op die manier toe te dwingen hun nucleaire ambities te heroverwegen. Gezien het feit dat zo’n 90 procent van de buitenlandse handel van Noord-Korea op het conto van China komt en dat Beijing het land bovendien van vitale levensbehoeften voorziet, zoals scheepsladingen gesubsidieerde brandstof, lijkt dit een redelijke verwachting.
Politieke desintegratie
Het probleem is alleen dat Beijing goede redenen heeft om niet te streng voor Pyongyang te zijn. Hoewel het kernwapenprogramma van Noord-Korea niet in goede aarde valt bij de Chinese leiders, zijn ze bang dat echt veelomvattende sancties inderdaad tot de economische instorting van het land zouden leiden, waarna politieke desintegratie zou volgen. Een Noord-Korea in staat van burgeroorlog zou in hun ogen een grotere bedreiging zijn dan het nucleair bewapende maar betrekkelijk stabiele Noord-Korea van dit moment. Erger nog, een crisis in Noord-Korea zou kunnen resulteren in een Duitslandachtige hereniging van het land onder leiding van Seoel – dat wil zeggen, in het ontstaan van een verenigde, democratische en nationalistische Koreaanse staat die waarschijnlijk een bondgenoot van de Verenigde Staten zou worden. Dat is niet iets waarop men in Beijing zit te wachten.
Afgezien daarvan weten de Chinese deskundigen dat Noord-Korea kernwapens als de enige garantie ziet voor het overleven van het regime en er dus nooit afstand van zal doen, ook al is de druk nog zo groot. Daarom is het hoogst onwaarschijnlijk dat een Chinese boycot van Noord-Korea – zoals de regering-Trump die graag zou zien – tot de gewenste denuclearisering zou leiden, en is de kans veel groter dat die juist het soort crisis zou uitlokken waar China zo bang voor is.
Daarom zijn de verwachtingen van de regering-Trump irreëel. Beijing zou nog liever geconfronteerd worden met de gevolgen van een handelsoorlog met Washington dan met die van een echte oorlog vlak in de buurt – al zullen ze dat niet gauw aan de grote klok hangen.
Maar moeten we ons daar zorgen over maken? Moeten we het erg vinden dat het waarschijnlijk nog wel even zal duren voordat Trumps Chinese droom werkelijkheid wordt? Misschien niet, want de alternatieven zijn veel erger.
Het eerste alternatief zou onderhandelen zijn, maar ook dat zal niet werken. Kim Jong-un gelooft dat hij voordat hij gaat onderhandelen een intercontinentale ballistische raket moet ontwikkelen en opstellen die in staat is het Amerikaanse continent te treffen. Zijn ingenieurs werken met opmerkelijke snelheid aan dit project en hun succes zal vermoedelijk een kwestie van jaren zijn, zo niet maanden – ook al twitterde Trump in januari dat zo’n IBR ‘er niet gaat komen’.
Hopelijk zal Trump de les leren die ook zijn voorgangers tandenknarsend moesten aanvaarden: voor het Noord-Koreaanse kernwapenprobleem bestaat geen eenvoudige oplossing
Dus als eenmaal duidelijk wordt – voor de zoveelste keer – dat sancties noch onderhandelingen werken, en dat Noord-Korea weleens het derde land ter wereld kan worden dat theoretisch in staat is San Francisco van de kaart te vegen, hoe zal de president dan reageren? Een militaire aanval zou een optie kunnen zijn – dat wil zeggen, daar hebben sommige sleutelfiguren in de regering al vele malen op gezinspeeld.
Maar Noord-Korea is in staat om terug te slaan als het wordt aangevallen en zal dat waarschijnlijk ook doen – misschien door een massale artillerieactie tegen Seoel, de reusachtige hoofdstad die vlak bij de Noord-Koreaanse grens ligt. Als dat gebeurt, zullen de Zuid-Koreanen terugschieten en zullen de Verenigde Staten zich binnen de kortste keren in een landoorlog in Azië verwikkeld zien.
Dus misschien is het maar goed dat de Chinezen momenteel nadenken over het meewerken aan sancties en tijd winnen terwijl ze de Verenigde Staten concessies op andere gebieden afdwingen. Een oorlog zou veel erger zijn. We moeten misschien ook hopen dat het geloof in een Chinees wonder zo’n lang leven beschoren zal zijn dat Trump de les zal leren die ook zijn voorgangers tandenknarsend moesten aanvaarden: voor het Noord-Koreaanse kernwapenprobleem bestaat geen eenvoudige oplossing. In het verleden duurde het meestal een jaar of twee voordat een nieuwe regering deze ongemakkelijke waarheid onder ogen zag.
Andrei Lankov (Rusland, 1963) is directeur van de Korea Risk Group, het moederbedrijf van NK News, een Amerikaanse betaalsite die nieuws en analyses brengt over Noord-Korea.
Sinds de verkiezing van Donald Trump schuift China zichzelf naar voren als alternatieve partner voor Europa. Maar op de Chinezen valt heel wat aan te merken, betoogt Steffen Wurzel.
Bij zijn bezoeken aan Berlijn en Brussel verkocht de Chinese premier Li Keqiang zijn land als nieuwe droompartner voor Europa. Vrijhandel, globalisering, klimaatbescherming: waar de Amerikaanse president Donald Trump het laat afweten, presenteert China zich als voorvechter.
Maar zo simpel is het niet.
1. Klimaatbescherming
De afgelopen jaren heeft China zijn achterstand ingelopen en heeft het grootscheeps geïnvesteerd in hernieuwbare energiebronnen. Nergens op aarde draaien meer windmolens, worden meer zonnepanelen gefabriceerd en meer elektrische auto’s verkocht dan in China. Maar nog altijd stoot het land de meeste CO2 uit en verbruikt het de meeste kolen ter wereld.
De stroom voor elektrische auto’s produceren de Chinezen vooral in smerige kolencentrales. Energie-efficiëntie kent het land zo goed als niet. En vanwege het vaak verouderde elektriciteitsnet draaien veel van de uiterst geavanceerde windkrachtinstallaties in het noorden en het westen van het land volkomen zinloos omdat de opgewekte stroom niet kan worden afgevoerd.
In China gelden deze waarden uitsluitend “binnen Chinese kaders”, wat gewoon betekent dat ze niet bestaan
2. Economie
Al over enkele jaren zal China de grootste economie ter wereld zijn. Om dat doel te bereiken gaat het land vaak nietsontziend te werk. Het protectionisme is de afgelopen jaren alsmaar toegenomen. Begin deze maand heeft de Europese Handelskamer in Beijng weer eens geklaagd dat veel buitenlandse ondernemingen zich ten opzichte van Chinese bedrijven steeds vaker onrechtvaardig behandeld voelen. En hieraan lijkt vooralsnog geen eind te komen.
Met hun ambitieuze Made in China 2025-programma zal het regime in Beijing de reusachtige staatsondernemingen nog eens van vele miljarden subsidies voorzien. Tegenover zulk financieel geweld maken buitenlandse bedrijven geen enkele kans.
Chinese politici benadrukken graag in mooie bewoordingen de win-winsituatie van een nauwe samenwerking tussen Europeanen en Chinezen. Daar mag veel van waar zijn, maar de Europeanen moeten wel oppassen dat deze win-winsituatie niet slechts ten gunste van één kant uitvalt, naar het motto: win-win wil zeggen dat de Chinees tweemaal wint.
3. Westerse waarden
In de derde plaats is er in zijn algemeenheid nog de vraag of Europa in plaats van op de VS wel sterker op China moet inzetten. Ik wil zeker niet ontkennen dat een verdere toenadering tussen Europa en China goed is en belangrijk. Beide hebben elkaar nodig.
Maar China heeft Europa vooral economisch nodig. Maatschappelijk gezien staan de Amerikanen – ondanks Trump – nog altijd veel dichter bij ons dan de Chinezen. En laten we hopen dat dit zo blijft. Vrijheid, democratie, medezeggenschap, rechtsstatelijkheid en individuele mensenrechten – deze grootse waarden zijn door ons Europeanen en Amerikanen moeizaam bevochten. In China gelden deze waarden uitsluitend ‘binnen Chinese kaders’, zoals de leiders in Beijing steeds weer eufemistisch benadrukken.
Hetgeen gewoon betekent dat deze waarden, zoals wij die begrijpen, in China niet bestaan. En vermoedelijk wordt dit ook niet heel snel anders. Integendeel. De druk op alles wat naar vrijheid ademt, neemt in China verder toe. De perscensuur wordt alsmaar scherper. Sinds begin deze maand is een nieuwe cyberwet in werking getreden, waardoor de Chinese staat nog meedogenlozer controle kan uitoefenen op het internet. En op 5 juni werd de 28e verjaardag van het bloedig neergeslagen protest op het Tiananmenplein ook dit jaar weer doodgezwegen. Elke vorm van herdenking zou door de staat verhinderd zijn, zo nodig met geweld.
Wie in China de nieuwe droompartner voor Europa meent te zien, is dus overduidelijk te snel met zijn conclusies.
Steffen Wurzel is correspondent in Sjanghai voor de Duitse radiozender ARD. Hij doet verslag over China, Hongkong en Macau.
Journaal van de ARD-omroepen dat wordt uitgezonden op Das Erste. De eerste uitzending was op 26 december 1952 te zien bij de NWDR (Nordwestdeutscher Rundfunk).
Nu Trump de protectionistische kaart trekt, profileert China zich als voorvechter van de open economie. Maar wil het land echt een voorbeeld worden, dan zal het eerst moeten hervormen, schrijft men in Hongkong.
Op 17 januari heeft Xi Jinping tijdens het Economische Wereldforum in Davos de economische globalisering vurig verdedigd. Natuurlijk was het enigszins ironisch om een communistische leider tijdens een kapitalistisch forum de vrijhandel te horen bezingen. Toch is deze man ook de leider van de tweede economie en de eerste handelsmacht van de wereld, en als zodanig is het niet meer dan logisch dat hij wil opkomen voor de economische globalisering en de voordelen van de vrijhandel prijst. Volgens voorspellingen van het IMF zal China in 2016 1,2 procentpunt hebben bijgedragen aan de mondiale economische groei, waar de VS blijft steken op 0,3 procentpunt en Europa op 0,2. De Chinese bijdrage stijgt ruimschoots uit boven die van de gezamenlijke ontwikkelde landen. De woorden van Xi Jinping klinken als muziek in de oren van de elite van de mondiale financiële wereld, als tegenwicht tegen een verontrustend isolationistische Donald Trump die zijn problemen op anderen afwentelt.
Tijdens zijn twee toespraken heeft Xi Jinping de naam van de Amerikaanse president niet één keer genoemd
Tijdens zijn twee toespraken heeft Xi Jinping de naam van de Amerikaanse president niet één keer genoemd. Maar toen hij verklaarde dat ‘protectionisme een doodlopende weg is’, dat ‘we ons aan onze beloften moeten houden en de regels moeten respecteren; we kunnen niet maar van alles accepteren of verwerpen naar het ons goeddunkt’, of toen hij naar aanleiding van het akkoord van Parijs zei dat ‘we daar niet te luchtig over mogen doen’, richtte hij zich duidelijk tot Donald Trump. ‘In China zal de deur altijd wijd open staan voor de hele wereld en nooit dichtgaan,’ vervolgde de Chinese leider.
Diezelfde dag publiceerde zijn regering decreten ten gunste van meer openheid. Ook buitenlandse ondernemingen kunnen voortaan een notering krijgen op de beurs voor A-aandelen (uitgedrukt in yuans), op de beurs voor kleine en middelgrote ondernemingen, op de GEM-beurs (Growth Enterprise Market) in Hongkong en op de New OTC-beurs, die zich vooral op opkomende mkb-bedrijven richt; om kapitaal op te halen kunnen ze ook obligaties uitgeven en leningen afsluiten bij niet-financiële instellingen. Ook zijn de regels voor de hoogte van buitenlandse investeringen in banken en bedrijven versoepeld en zijn de sectoren waar die zijn toegestaan uitgebreid met accountancy, boekhouding en architectuur, evenals met ratingbureaus. Daarmee wordt de kapitaalvlucht afgeremd en wordt aan de rest van de wereld getoond dat China zich echt wil openstellen.
Daar moet wel bij worden gezegd dat Xi Jinping zijn veelvuldig gebruikte ‘globalisering’ steevast vergezeld liet gaan van het adjectief ‘economische’. Want voor universalisme is China nooit warmgelopen. Wat de internationale politiek betreft, houdt het land strikt vast aan de soevereiniteit en waardigheid van individuele staten en aan het principe dat nooit mag worden ingegrepen in binnenlandse aangelegenheden.
Donald Trump wil zich ontdoen van het juk van de huidige wereldorde, maar ook Xi Jinping wil die niet ongemoeid laten. In Davos zei hij het te betreuren dat het mondiale governancesysteem nog altijd geen weerspiegeling is van de ingrijpende ontwikkelingen die het internationale economische krachtenveld de laatste decennia heeft doorgemaakt, en dus niet representatief genoeg is. De noodzaak om dit systeem te hervormen neemt met de dag toe, vervolgde hij: de internationale gemeenschap streeft ernaar dat landen met opkomende markten ook een stem krijgen en zich beter vertegenwoordigd zien.
De Chinese president heeft bovendien willen tonen dat China zijn verantwoordelijkheid als grootmacht neemt door aan te kondigen dat zijn land 200 miljoen yuan [ca. 27 miljoen euro] extra zal bijdragen aan de hulp aan Syrische vluchtelingen en zal deelnemen aan VN-programma’s op dit terrein.
Donald Trump predikt ‘America first’: koop Amerikaanse waar, neem Amerikanen in dienst. Xi Jinping spreekt van een ‘menselijke lotsgemeenschap’ en van ‘een wereld waarin het beter zal gaan naargelang het China beter gaat’ – ideeën waaruit een diametraal tegenovergesteld wereldbeeld spreekt. In de VS is een nieuwe, onvoorspelbare en huiveringwekkende president aangetreden; Europa dreigt uiteen te vallen door het opkomende populisme, dat het gevolg is van de enorme toestroom van vluchtelingen en de economische neergang. De oplossing die Xi Jinping aan de hele wereld voorstelt is een uitstekende gelegenheid om de Chinese ‘soft power’ te etaleren; toch zullen de Chinese leiders moeten begrijpen dat ze daarvoor niet alleen op hun economische en militaire macht kunnen steunen. Om het Chinese model en de Chinese oplossing aantrekkelijk te maken voor de planeet en vooral voor de wereldbevolking, zal het land eerst zijn eigen instituties moeten vernieuwen en zich toleranter en welwillender moeten opstellen tegenover de mensheid.
Ondanks een duidelijke affiniteit met de Chinese machthebbers, blijft Ming Paotrouw aan de gewoonte om in de commentaren af en toe zeer kritisch te zijn over Peking. Onderdeel van de grootste Chineestalige persgroep buiten China.
CONTEXT – Mexico: Woedend gegrom
De frontale aanvallen van Donald Trump op Mexico hebben al geleid tot het afzeggen van het bezoek van president Enrique Peña Nieto aan Washington, dat voor 31 januari op de agenda stond. Ze hebben ook snel geleid tot massale oproepen op de sociale media in Mexico om Amerikaanse producten te boycotten. Met hashtags als #AdiósStarbucks en #AdiósCocaCola, zo schrijft de krant Milenio, roepen de gebruikers van de sociale media op om ‘lokaal te consumeren’ en hebben het daarbij voorzien op de pareltjes van de Amerikaanse consumptiemaatschappij, die een sterke positie hebben op de Mexicaanse markt, ‘maar die voor het merendeel franchiseondernemingen in Mexicaanse handen zijn’, aldus de krant.
De regering van Peña Nieto probeert – nog schuchter, zo merken de media op – van deze stemming te profiteren om de Mexicaanse economie te ondersteunen. Begin februari, zo schrijft de krant Excélsior, kondigde de regering een ‘modernisering’ aan van de vermelding Hecho en Mexico (‘Geproduceerd in Mexico’) om nationale producten onder de aandacht te brengen. Zij bekrachtigde tevens het oprichten van een orgaan dat de uitvoer van Mexicaanse producten moet bevorderen, met name door het verlagen van de douanetarieven.
Donald Trump zette de verhoudingen met China meteen op scherp door zijn telefoontje met de president van Taiwan. De Chinese diplomatie gaat een paar zware jaren tegemoet.
Dat een simpel telefoontje de wereldorde op zijn kop kan zetten, laat zien hoe vreemd en onvoorspelbaar de wereld is. Het gaat om een langeafstandsgesprek van de president van Taiwan, Tsai Ing-wen, met de toekomstige president van de Verenigde Staten, Donald Trump, om hem te feliciteren met zijn overwinning. Zo’n beleefdheidsgesprekje zou de internationale gemeenschap als onbeduidend hebben kunnen afdoen, ware het niet dat de correlatie tussen de Chinees-Amerikaanse betrekkingen en de betrekkingen tussen Beijing en Taiwan een zeer gevoelig onderwerp is, zodat een dergelijke stap als bijzonder ‘politiek incorrect’ wordt beschouwd. Bovendien hebben de ongenuanceerde uitlatingen van Donald Trump, bedoeld of niet, een diplomatieke storm ontketend.
Voor Donald Trump was het de gewoonste zaak van de wereld om een felicitatietelefoontje aan te nemen en was de reactie van Beijing volstrekt overdreven; en trouwens, ‘had China soms toestemming aan de Verenigde Staten gevraagd om de eilandjes in de Zuid-Chinese Zee te militariseren?’ repliceerde hij sarcastisch in een tweet. Hij ging nog verder door eraan toe te voegen dat de VS geen reden had zich achter het idee van ‘één China’ te scharen, en dus alleen de regering in Beijing te erkennen, als China niet bereid was tot handelsconcessies aan de VS.
Het Chinese ministerie van Buitenlandse Zaken, dat zich na het telefoontje met Tsai Ing-wen betrekkelijk gematigd had getoond, reageerde als door een adder gebeten toen Trump het principe van één China ter discussie stelde. Minister Wang Yi waarschuwde dat iedereen die aan het principe van één China tornde de cruciale belangen van China schaadde en zich in eigen voet schoot omdat daarmee iedere samenwerking tussen China en de VS onmogelijk zou worden. Het officiële dagblad Huanqiu Shibao verzekerde zelfs dat als de VS dat principe liet varen, de Volksrepubliek China een militaire interventie niet uitsloot om Taiwan met de rest van het land te herenigen.
Infantiel
De kwalificatie ‘infantiel’, die door de Chinese pers werd gebezigd, sluit naadloos aan op de onervarenheid van Trump. De Chinees-Amerikaanse relaties berusten immers op drie gemeenschappelijke communiqués, dat van Shanghai in februari 1972, na het bezoek van Nixon aan China, dat van januari 1979 over het aanknopen van diplomatieke betrekkingen tussen China en de VS en dat van 17 augustus 1982, waarin het probleem van Amerikaanse wapenverkopen aan Taiwan werd geregeld. In dat laatste staat onomwonden dat ‘de Verenigde Staten van Amerika erkennen dat de regering van de Volksrepubliek China de enige legitieme regering in China is’. Hoewel de VS het principe van één China al veertig jaar huldigt, zou Donald Trump met zijn opmerkingen de hoeksteen onder de Chinees-Amerikaanse betrekkingen vandaan trekken.
In groter verband zal elke samenwerking tussen China en de VS onmogelijk worden als deze twee gespierde mastodonten elkaar naar het leven staan. Al zal Beijing misschien niet direct militair ingrijpen om Taiwan in te lijven, het kan wel zwijgend instemmen, om niet te zeggen meewerken, met de provocaties van schurkenstaten als Noord-Korea, die Japan en Zuid-Korea, trouwe bondgenoten van Uncle Sam, het leven zuur maken. En dat zou Donald Trump weleens lelijk kunnen opbreken, om nog maar te zwijgen van een domino-effect dat een mondiale chaos zou kunnen veroorzaken.
In de ogen van de miljardair staat alles wellicht in het teken van marchanderen en winstbejag. Daarom heeft hij het principe van één China er waarschijnlijk bij gehaald toen hij het over de handelsbetrekkingen met de VS had. Maar voor Beijing gaat het om een wezenlijk principe waarmee de waardigheid van het land in het geding is en waaraan geen enkele concessie mag worden gedaan; de relatie tussen China en Taiwan is betrekkelijk stabiel. Maar ook al heeft een gewelddadige hereniging een funeste connotatie en ziet niemand momenteel het nut in van een grote militaire operatie, die eventualiteit zal altijd meespelen in de ijzeren wil van de Chinese Volksrepubliek om het principe van één China te verdedigen.
Na de infantiele uitlatingen van Donald Trump heeft Josh Earnest, woordvoerder van het Witte Huis, zich een stuk volwassener betoond door te verzekeren dat de VS wel degelijk hecht aan het principe van één China. Hij benadrukte dat de VS Taiwan sinds lange tijd als een deel van China beschouwt en herinnerde eraan dat het feit dat Taiwan een trouwe bondgenoot is van de VS geen rol mag spelen in de gesprekken met Beijing, evenmin als de Taiwanees-Amerikaanse betrekkingen; het is niet in het belang van de VS om zich in te laten met dergelijke koehandel.
China zal het moeten wennen aan de ongenuanceerde taal van deze dwaze president en de momenten waarop hij iets serieus meent moeten kunnen scheiden van de momenten waarop hij zomaar wat zegt
Donald Trump heeft bakzeil gehaald, maar een andere karaktertrek van hem maakt dat hij heel makkelijk terugkomt op zijn uitspraken en vervolgens het tegendeel beweert van wat hij eerder heeft gezegd. Als hij eindelijk zal begrijpen dat het principe van één China niet onderhandelbaar is, zal hij ongetwijfeld snel inbinden; laten we niet vergeten dat hij voorlopig alleen nog maar de toekomstige president van de VS is en nog niet officieel zijn intrek in het Witte Huis heeft genomen. Een draai van 180 graden is voor hem geen enkel probleem en zal hem niet doen blozen.
De officiële media van de Volksrepubliek dringen erop aan dat China ‘een genadeloze strijd’ tegen Donald Trump voert om hem duidelijk te maken dat China en andere wereldmachten niet bereid zijn zijn spelletje mee te spelen. Volgens de pers moet China zich erop voorbereiden dat zijn relaties met de VS een woelige toekomst tegemoetgaan. Ook zal het moeten wennen aan de ongenuanceerde taal van deze dwaze president en de momenten waarop hij iets serieus meent moeten kunnen scheiden van de momenten waarop hij zomaar wat zegt, zodat daar op een gepaste manier op kan worden gereageerd en de situatie niet ontaardt in een strijd tussen een demente feniks en een dwaze draak, die slechts twee verliezers zou kennen.
CONTEXT: Trump, Rusland en China
Trump begint Beijing op de zenuwen te werken, zoals het commentaar in de zeer nationalistische Huanqiu Shibao aantoont: ‘De Chinese publieke opinie maakt zich ongerust over de verbetering van de Russisch-Amerikaanse betrekkingen ten koste van de relatie tussen China en de VS’, zo bevestigt de krant, die deze ongerustheid ‘logisch maar weinig onderbouwd’ acht.
‘De verbetering van de betrekkingen tussen Moskou en Washington zal op belangrijke structurele tegenstellingen stuiten, zoals de kwestie-Oekraïne, de versterking van de NAVO-strijdkrachten in Oost-Europa en rond de Baltische Zee, die de Russische veiligheid bedreigen, maar ook de oorlog in Syrië. Die problemen vormen voor Poetin de rode lijnen, maar als Trump al te veel concessies aan Moskou zou doen, zullen de Europese bondgenoten het gevoel krijgen dat zij worden verraden door Washington.’
Daarenboven ‘heeft China altijd respect getoond voor Poetin, zelfs is de moeilijkste perioden voor Rusland’, aldus de krant uit Beijing.
Volgens de commentator ‘zal Moskou nooit de onafhankelijkheid van zijn diplomatie opgeven en zich verlagen tot de rol van collaborateur van de Amerikaanse wereldpolitieke strategieën. Als Rusland op het wereldtoneel een hoofdrol wil blijven spelen, zal het zeker niet het “bureau buitenland” van Trump willen worden.’
Liberale krant met als Engelse ondertitel ‘Hongkong Economic Journal’. De enige krant in het Chinees die zich kan meten met de Financial Times of de Wall Street Journal.
Een zwemmer trekt een baantje in een wak in een bevroren meer in de Chinese stad Shenyang.
Winterzwemmen is een populaire traditie in China. Alleen al in Shenyang (7,2 miljoen inwoners) trotseren jaarlijks duizenden sportievelingen de vrieskou. De stad gaat zelfs een ‘winterbasis’ openen om in te spelen op de groeiende belangstelling. In heel China zijn er 141 winterzwemorganisaties, met meer dan 200.000 leden. Bekend is het winterzwemfestival in de stad Jinan, met als hoogtepunt het overzwemmen van het Damingmeer, op 300 meter hoogte.
Tien jaar geleden aapten Chinese hightechbedrijven slaafs Silicon Valley na. Maar die mentaliteit begint te veranderen. Steeds meer jonge uitvinders en ondernemers in China willen zélf het nieuwe Google of Apple bouwen.
De jonge programmeur had een idee en iedereen verklaarde hem voor gek. Meteen na zijn studie had hij werk gevonden als programmeur voor YY, een livestreamingbedrijf in Guangzhou, in de Chinese Parelrivierdelta. Elke maand zijn er meer dan honderd miljoen gebruikers die beelden van zichzelf streamen of naar streams van anderen kijken om samen te zingen, te gamen of complete shows te presenteren vanuit hun flatje in Beijing. Het publiek praat dan uitgebreid mee, via microfoon of tekstberichtjes. De programmeur vond dat YY iets nieuws moest proberen: een datingservice. Zijn idee was dat een presentator eenzame singles uitnodigt in een soort onlineontmoetingskamer en hen stimuleert om in gesprek te komen en zo misschien een partner te vinden.
De directie zag het niet echt zitten. ‘De directeur had het bijna afgeblazen,’ zegt hoofd Financiën Eric Ho op het hoofdkantoor van YY, waar drie verdiepingen gevuld zijn met verwoed tikkende programmeurs en designers. Weet je zeker dat je dit wilt doen, had de directeur gevraagd. Het is zo’n stom idee. Ik denk niet dat de mensen hier trek in hebben. Maar de programmeur was enthousiast en bleef aandringen, en dus lieten ze hem begaan: vooruit, probeer maar.
Amerikaanse houding
In China bestond dit type werknemer vroeger niet. Tien jaar geleden werd er geklaagd dat de hightechindustrie van het land gebrek had aan vernieuwers met lef. Je had natuurlijk wel razend winstgevende hightechbedrijven, maar die namen geen creatieve risico’s. Ze aapten gewoon Silicon Valley na. Baidu was een kloon van Google, Tencent een kopie van Yahoo! en JD een dubbelganger van Amazon. Jonge Chinese programmeurs hoorden tot de beste van de wereld, maar ze misten de gedrevenheid van een Mark Zuckerberg of een Steve Jobs. De Amerikaanse houding – vaak falen en snel falen om des te sneller bij een echte knaller uit te komen – was deze jongeren wezensvreemd. Zij vonden dat eng, gedrild als ze waren in een onderwijsstelsel dat nog zwaar leunt op stampwerk en de afstraffing van fouten. Eenmaal afgestudeerd verlangden ze niet naar een eigen bedrijf, maar naar een baan bij een grote, degelijke firma.
Die mentaliteit begint nu te verdwijnen, als gevolg van een welvaartsstijging die jonge technologiestudenten nieuw zelfvertrouwen schenkt. In 2000 behoorde krap 4 procent van de Chinese bevolking tot de middenklasse (gedefinieerd als mensen met een jaarinkomen van 9000 tot 34.000 dollar), maar in 2012 valt al twee derde van de bevolking in die groep. Binnen dezelfde periode is het aantal hogeropgeleiden verzevenvoudigd: vorig jaar hebben zeven miljoen Chinezen een universitaire studie voltooid.
‘We zien begintwintigers die bedrijven starten. Mensen die net zijn afgestudeerd, en zelfs een paar die met hun studie zijn gestopt,’ zegt Kai-Fu Lee, voormalig werknemer van Apple, Microsoft en Google, en nu een durfkapitalist die al tien jaar overal in zijn land jongeren helpt bij het opstarten van een bedrijf. In de grote steden stikt het bij broedplaatsen en hackerspaces inmiddels van de ambitieuze uitvinders en ondernemers. En die azen niet meer op een baan bij Google of Apple. Zij willen – net als hun tegenhangers in San Francisco – zelf het nieuwe Google of Apple bouwen.
Er wordt met geld gesmeten door mannelijke en vrouwelijke gasten die elkaar – en de presentator – virtuele cadeaus geven: ringen (1,55 dollar), kusjes (16 cent) en liefdesbriefjes (5 cent). Voor zo’n 1000 dollar kun je iemand een virtuele Lamborghini geven
Iedereen met een veelbelovend idee en enige ervaring kan aan geld komen. Durfkapitalisten hebben in 2014 een recordbedrag van 15,5 miljard dollar in Chinese start-ups gepompt. De jonge ondernemers worden hier dus bedolven onder het geld én onder de goede raad van hun superrijke weldoeners. (Al zinken deze investeringen nog in het niet bij de 48 miljard dollar die in 2014 in de VS aan durfkapitaal is uitgezet.) Zelfs de Chinese overheid, die toch weinig op heeft met vrije meningsuiting op het internet en een enorm digitaal censuurapparaat heeft opgetuigd, heeft een stimuleringsfonds van 6,5 miljard dollar ingesteld. Nu de groei van de economie stagneert, is de partij naarstig op zoek naar nieuwe manieren om banen te creëren.
YY voer wel bij het besluit om de ondernemende jonge programmeur de vrije hand te geven. De vorig jaar gelanceerde datingshow werd een grote hit en heeft al veel geld in het laatje gebracht. YY verdient niet aan reclame maar aan gebruikers, die virtuele cadeautjes kopen voor elkaar of voor de ‘sterren’ die online hun eigen leven streamen. Van elke aankoop strijkt YY 60 procent op, het resterende bedrag gaat naar de ontvanger van de gift. (Populaire livestreamers kunnen daarvan leven.)
Samen met Ho kijk ik op een laptop naar een datingevent dat net aan de gang is. Er wordt met geld gesmeten door mannelijke en vrouwelijke gasten die elkaar – en de presentator – virtuele cadeaus geven: ringen (1,55 dollar), kusjes (16 cent) en liefdesbriefjes (5 cent). Voor zo’n 1000 dollar kun je iemand een virtuele Lamborghini geven. In de eerste negen maanden bracht de datingshow 16 miljoen dollar op, en de opbrengst stijgt nog iedere maand. Vorig jaar kon YY een jaaropbrengst van 580 miljoen dollar rapporteren, en drie jaar na de beursgang bedraagt de beurswaarde 3 miljard dollar. Het nieuwe Silicon Valley bestaat al – het ligt in het oosten.
Bezoekers van een stand van livestreamingbedrijf YY. ‘Zelfs de Chinese overheid, die toch weinig op heeft met vrije meningsuiting op het internet en een enorm digitaal censuurapparaat heeft opgetuigd, heeft een stimuleringsfonds van 6,5 miljard dollar i
China’s technologische boom van eind jaren negentig leverde het land zijn eigen Web 1.0 op: eigen zoekmachines, mailprogramma’s en blogsites, nieuwsportals en de enorme onlinemarktplaats Alibaba. Destijds had China eigen kopieën van Amerikaanse bedrijven nodig, omdat Amerikaanse bedrijven China niet makkelijk binnenkwamen. Veel buitenlandse sites werden door de overheid geblokkeerd met een complex systeem van filters dat bekendstaat als de Great Firewall. Lokale bedrijven hadden sowieso een voorsprong op buitenlandse: zij hadden beter inzicht in de specifieke wensen van Chinese internetgebruikers in de eerste jaren van deze eeuw, toen goede internettoegang nog maar mondjesmaat verspreid was. Toen eBay tien jaar geleden bijvoorbeeld China probeerde te veroveren, mislukte dat deels doordat kleine bedrijven vaak nog geen computer of internetaansluiting hadden. Jack Ma, de oprichter van Alibaba, was zich daar terdege van bewust en stuurde daarom eerst een legertje vertegenwoordigers het land in om mkb’ers te leren hoe ze online konden gaan.
Die eerste golf leverde bedrijven op als Baidu en Alibaba, de ‘grote draken’ van de Chinese hightech, en creëerde net zulke internetmiljonairs als Microsoft in de jaren negentig. Deze succesvolle na-apers van Amerikaanse bedrijven effenden de weg voor de ‘kleine draken’: de creatieve start-ups van Web 2.0 die de laatste tien jaar zijn opgekomen. De grote draken zijn niet alleen hun grote voorbeeld maar hebben, nog belangrijker, de infrastructuur opgebouwd die de huidige hausse mogelijk maakt.
Een van de succesvolste bedrijven van deze tweede golf is Meituan, een onlinemarktplaats die handelaren in heel China in staat stelt klanten via de website of de mobiele app attent te maken op interessante aanbiedingen bij hen in de buurt. Bij een bezoek aan hun hoofdkantoor wanen we ons in een tropisch regenwoud: tussen de werkplekken staan grote planten en luchtbevochtigers blazen stoomwolkjes uit. Boven het hoofd van tientallen programmeurs hangt een lcd-scherm zo groot als een eettafel voor zes personen, met daarop het getal 8309: het aantal transacties dat die dag al via Meituan is afgesloten. De opbrengst van het bedrijf is in vijf jaar tijd gigantisch gegroeid. In 2014 genereerde het voor 7 miljard dollar aan transacties voor de 900.000 aangesloten bedrijven; eind 2015 zal dat waarschijnlijk 18,5 miljard dollar zijn.
De directeur van Meituan, de beminnelijke Wang Xing, is een ondernemer die verslaafd is aan het oprichten van creatieve start-ups. Hij had al Chinese klonen van Facebook en Twitter opgericht toen hem in 2008 opviel hoe goed Groupon het deed. Maar hij was inmiddels ook ervaren genoeg om de zwakke plek in dat businessmodel te zien: Groupon roomt bij elke transactie een groot deel van de winst af, tot wel 50 procent, en dat wekt wrevel bij de handelaren. Wang wilde juist dat Meituan de makkelijkste manier voor kleine handelaren zou worden om hun waar aan de man te brengen en contact met klanten te houden. Door een vaste provisie van slechts 5 procent te hanteren garandeert Meituan dat ook de handelaar bijna altijd iets aan een transactie verdient.
Dienstverlening en gemak
Wang heeft ook zijn eigen betalingssoftware laten ontwikkelen. Hij haalt zijn telefoon tevoorschijn om het te demonstreren. Programmeurs zijn overal in het land bij bioscopen langsgegaan om hun kassasystemen aan de app van Meituan te koppelen. Dat had veel voeten in de aarde, maar nu kunnen bioscoopgangers met de Meituan-app niet alleen een kaartje kopen maar zelfs hun stoel uitkiezen.
Inmiddels wordt een derde van alle bioscoopkaartjes in China via Meituan verkocht. Dat was een slimme zet, want dienstverlening en gemak is precies waar de stedelijke middenklasse van China steeds meer naar verlangt. De dienstensector was in 2013 verantwoordelijk voor 44 procent van alle bestedingen van de Chinese middenklasse. Dat cijfer zal volgens McKinsey stijgen tot 50 procent in 2022, naarmate jonge stedelingen steeds meer zaken via hun telefoon gaan bestellen, van massages tot afhaalmaaltijden.
Er zit ook nog veel groeipotentieel in de Chinese onlinehandel, want tal van alledaagse diensten zijn nog steeds niet online beschikbaar. Zo wordt 80 procent van de hotelkamers nog steeds niet via internet geboekt. Toch bestellen mensen graag online, niet alleen vanwege het gemak maar ook omdat het veel minder corrupt en ondoorzichtig is dan traditionele handel. Zoals Kai-Fu Lee uitlegt: ‘In de VS is de handel door eeuwenlange eerlijke concurrentie redelijk eerlijk en transparant geworden.’ Maar in China niet. Door de tussenhandel te omzeilen en met een waarderingssysteem te werken kunnen onlinebedrijven transacties nu betrouwbaarder maken, aldus Lee.
Heb je voor autoritjes in de VS twee grote spelers, Uber en Lyft, in Meituan moest je in de begindagen opboksen tegen naar schatting zo’n drieduizend rivalen, verspreid over het hele land
Maar op de korte termijn veroorzaakt de digitale goldrush vooral een manische concurrentiestrijd. Zodra er een nieuw gat in de markt wordt ontdekt, zijn er meteen tientallen of zelfs honderden ondernemers die erop duiken. Vergeleken daarmee is het concurrentieklimaat in de VS uitgesproken mild. Voor autoritjes heb je daar bijvoorbeeld maar twee grote spelers, Uber en Lyft. Maar Lee schat dat Meituan in de begindagen moest opboksen tegen zo’n drieduizend rivalen, verspreid over het hele land. Als je dat overleeft, kom je gehard uit de strijd.
En dat geldt nu ook voor Wang. Hij zit qua leeftijd tussen de nieuwe en de oude garde in en is als investeerder nu een mecenas voor jongeren met goede ideeën: de toekomstige kleine draken. Eén bedrijf waarin hij heeft geïnvesteerd is eDaijia, waarmee je een chauffeur kunt bestellen om je naar huis te laten rijden als je te veel gedronken hebt. ‘Ze domineren de markt in China en zijn vorig jaar begonnen in Seoel,’ lacht hij, ‘omdat dat volgens hen de stad met de meeste zuipschuiten ter wereld is.’
China beleeft dus een aanzienlijke bloei van creatieve webdiensten, maar het is vooral op het gebied van hardware dat het de VS kan aftroeven. Het land is al dertig jaar bezig om de grootste maakindustrie ter wereld op te bouwen. In kuststeden als Shenzhen en Guangzhou wemelt het nu van de elektronicaproducenten – van kleine ateliers met drie man personeel tot de enorme fabriekscomplexen van Foxconn met 30.000 werknemers waar de nieuwe iPhones worden gemaakt. Allemaal weten ze hoe je dingen moet maken, dus het was haast onvermijdelijk dat lokale ondernemers hier een grote rol in zouden spelen.
‘Het is in China makkelijker dan elders,’ zegt Robin Han, ‘omdat wij Shenzhen hebben.’ Han is de 32-jarige medeoprichter van Zepp Labs, een hardwarestart-up in Beijing die hoge ogen gooit in de sportwereld. Het bedrijf maakt een sensor die de beweging volgt van je golfclub, honkbalknuppel of tennisracket; met een bijbehorende iPhone-app kun je vervolgens je swing of slag verbeteren.
Han werd vijf jaar geleden door het ondernemersvirus gegrepen toen hij als promovendus voor Microsoft in Beijing werkte. Een baan bij zo’n groot bedrijf gaf wel zekerheid, maar voor hetzelfde geld zat je er jarenlang te zwoegen aan een project dat misschien wel nooit zou worden gerealiseerd. Je had het succes daar niet in eigen hand, vertelt hij me in het felverlichte kantoor van Zepp, waar een twintigtal programmeurs en designers achter toetsenborden zit.
Han zag dat telefoons van HTC en HP en de afstandsbediening van de Nintendo Wii met een gyroscoop werden uitgerust. Hij bedacht dat die techniek wel eens snel in prijs zou kunnen dalen naarmate meer grote bedrijven dat voorbeeld zouden volgen. Hij en zijn vriend Peter Ye (nu hoofd R&D van Zepp) houden van sporten en kwamen zo op het idee voor de swingsensor. Spelers kunnen hun beweging analyseren en vergelijken met die van profsporters. Coaches kunnen hiermee de training van een heel team analyseren, zelfs op afstand.
Han en Ye nemen me mee naar de kelder, waar ze een grote oefenkooi voor honkbal en golf hebben gebouwd. ‘We zijn hier uren bezig geweest om de werking van de sensoren met onze eigen swing te verbeteren,’ zegt Han. De muren zijn bezaaid met inslagen van afgezwaaide ballen. Hun prototype werkte zo goed dat het de aandacht trok van een vertegenwoordiger van Apple die in China op zoek was naar nieuwe producten voor de Apple Store. Voordat ze volledig voldeden aan alle strenge vormgevingseisen van Apple waren ze veertien prototypes verder, maar het is de moeite wel waard geweest: in 2012 werd de Zepp-sensor wereldwijd in de Apple Store gelanceerd, en inmiddels hebben ze al 300.000 afnemers.
Han en Ye zijn Zepp Labs begonnen met een beginkapitaal van 1,5 miljoen dollar en hebben met behulp van hun eigen contacten een goede fabriek voor de ontwikkeling van prototypes en de uiteindelijke massaproductie gevonden. Die laatste stap is altijd de moeilijkste geweest bij het opzetten van een productieproces in China: het vinden van een capabele fabriek à la Foxconn, met voldoende ervaring in het oplossen van ontwerpproblemen. Maar ook dat gaat de laatste jaren steeds makkelijker. Er zijn nu bemiddelaars tussen industrie en designers, zoals Highway 1, een programma van industriegigant PCH: dat speurt wereldwijd naar bedenkers van nieuwe gadgets en zoekt vervolgens topfabrieken die het aandurven om een product van een onbekend nieuw talent te produceren.
China heeft ook zijn eigen hackerspaces. De eerste hackerspace, XinCheJian in Shanghai, werd in 2010 mede opgericht door de Chinese internetondernemer David Li. Hij zag dat relatief goedkope apparatuur amateuruitvinders steeds beter in staat stelde om zelf gelikte prototypes van hun uitvindingen te produceren. Nu komen op XinCheJian uitvinders uit heel China samen met Chinese expats uit de hele wereld om te brainstormen en vervolgens excursies naar fabrieken te maken om inzicht te krijgen in het ecosysteem van China’s hardwareproductie. De leden betalen een maandelijkse contributie, net als bij de sportschool. In ruil daarvoor krijgen ze toegang tot de technische middelen van de hackerspace en advies van hun mede-uitvinders.
‘Ik spoor mensen altijd aan: maak snel een prototype, zoek partners voor de productie en zet een Kickstartercampagne op’
‘Ik spoor mensen altijd aan: maak snel een prototype, zoek partners voor de productie en zet een Kickstartercampagne op,’ zegt Li. We zitten aan een tafel in de hackerspace; achter hem zien we ruimtes vol draaibanken, allerhande elektrisch gereedschap en hele rijen 3D-printers. Eén recent product dat uit XinCheJian voortkomt, is de Wearhaus Arc-koptelefoon. Daarmee kun je de muziek waar je naar luistert draadloos streamen naar de koptelefoon van een vriend, zodat je tijdens het werken of studeren van dezelfde muziek kunt genieten. De eerste oplage van drieduizend stuks is al uitverkocht, een grotere tweede lading is in de maak.
De Chinese bedrijven kunnen geduchte concurrenten worden, maar het werkt twee kanten op: het wordt voor westerse ondernemers ook steeds makkelijker om in China voet aan de grond te krijgen. Ze gaan al geregeld naar hardware- en softwarebijeenkomsten in de kuststeden om lokale zakenpartners of geschikte fabrieken te vinden. China wordt in feite een mekka voor mensen met ideeën – zoals Silicon Valley dat een generatie geleden was.
Dat zag ik tegen het eind van mijn verblijf heel duidelijk geïllustreerd toen ik nog even langsging in hackerspace XinCheJian van David Li. Die was daar in gesprek met een start-upteam dat hij coacht, met onder meer de Nederlands-Italiaanse Lionello Lunesu en de Amerikaan Berni War. Ze bekeken hun laatste prototype, vers uit de fabriek bezorgd door een koerier. Het was een klein apparaatje dat meldingen van je computer of telefoon doorgeeft. Een soort Apple Watch, maar dan voor op je bureau in plaats van aan je pols. Li pakte het apparaat en streelde de gladde witte buitenkant. ‘Hetzelfde plastic dat ze voor de iPhone 5c gebruiken,’ zei hij. Grote grijns op het gezicht van de jonge ondernemers. Dat soort mogelijkheden heb je in de VS vaak niet. En daarom zitten ze hier.
Wired
Verenigde Staten | maandblad | oplage 750.000
Wired bericht in print en online over de verbanden tussen technologische ontwikkelingen en cultuur, politiek en economie. Absolute referentie voor internationale technologie. Spraakmakende covers, ongeëvenaarde inhoud.
Sinds een jaar of tien vertonen de Chinese buitenlandse investeringen een aanzienlijke diversiteit.
Bij het samenstellen van deze grafieken werd gebruikgemaakt van de China Global Investment Tracker, ontworpen door twee conservatieve Amerikaanse instituten, te weten het American Enterprise Institute en de Heritage Foundation. Deze houden alle te verifiëren Chinese investeringen in het buitenland bij die een bedrag van 100 miljoen dollar te boven gaan. Werken in uitvoering zijn meegerekend, de door China verstrekte leningen en obligaties niet.
De Franse 360. Sinds twintig jaar een begrip in de kiosk. Bijgenaamd het Pentagon van de journalistiek, omdat Courrier nauwlettend in de gaten houdt wat er over de hele wereld wordt geschreven door de media.
De Grote Roerganger zelf heeft het ooit zo uitgelegd: ‘Wij denken te klein,’ zei hij. ‘Wij denken als een kikker die op de bodem van de put leeft. Kijkt de kikker omhoog, dan denkt hij dat de hemel even groot is als het stukje blauwe lucht dat hij vanuit zijn positie kan zien. Maar klimt hij omhoog, dan zal hij daar een heel ander idee van krijgen.’
Veertig jaar na de dood van voorzitter Mao is de kikker uit de put gekropen en heeft z’n voltallige familie – geen eenkindpolitiek – meegenomen. Mao’s economische theorieën liggen nog steeds op de bodem van de put, met onmiskenbaar resultaat. In 2020, zo luidt de voorspelling, zal China qua omvang van zijn economie de Verenigde Staten dik hebben ingehaald – Rusland en de Europese Unie zien heel erg in de verte alleen nog de achterlichten van het immense Aziatische land. Met een overschot op de betalingsbalans van bijna 400 miljard dollar in 2015 en een deviezenreserve van 3 biljard dollar kwaakt de kikker dat het een aard heeft en ook nog vanaf alle continenten, zoals blijkt uit ons dossier ‘China koopt de wereld’ in dit nummer.
Toch is het helemaal niet lang geleden dat de hongersnood 15 miljoen (het officiële cijfer) tot 43 miljoen (de schatting van westerse sinologen) Chinezen het leven kostte. En nog steeds is negen procent van de bijna anderhalf miljard Chinezen ondervoed (maar niet alleen in China). De inkomensverschillen zijn enorm (maar niet alleen in China). De verdeling van de welvaart kan in de toekomst uitgroeien tot een geweldig sociaal en politiek probleem (en niet alleen in China.)
In Brazilië is de energievoorziening vrijwel geheel in Chinese handen. Tot grote schrik van de Amerikanen brachten de Chinezen kortgeleden een bod uit op de Chicago Stock Exchange
Maar vooralsnog manifesteert China zich overal en op alle fronten. Beijing is een leidende handels- en ontwikkelings-partner in Afrika. Het ANC in Zuid-Afrika spiegelt zich aan de Communistische Partij van China, waarmee de voormalige anti-apartheidspartij ‘ideologische overeenkomsten’ meent te hebben. In Brazilië is de energievoorziening vrijwel geheel in Chinese handen. Tot grote schrik van de Amerikanen brachten de Chinezen kortgeleden een bod uit op de Chicago Stock Exchange.
En als franje aan het Chinese economische machtsvertoon dient de overname van de fine fleur van Europese voetbalclubs als Manchester City, AC Milan, Atlético Madrid, Inter Milan. En ADO Den Haag niet te vergeten.
De Chinezen komen niet, ze zijn er. En ze houden allesbehalve de hand op de knip. Want wie de blik alleen nog op de oneindige horizon heeft, ziet geen enkele bodem.
Voor Chinese investeerders zijn aankopen in het buitenland een must. Daarvoor willen ze alle mogelijke moeilijkheden overwinnen, vooral de juridische en politieke.
Fusies en overnames zijn bij voorkeur de weg geworden die Chinese ondernemingen volgen om zich buiten hun grenzen te manifesteren. Dat staat in het ‘Rapport 2015-2016 over het investeringsklimaat in het buitenland’, dat op 28 februari jongstleden is gepubliceerd door het Chinese onderzoekscentrum voor internationaal economisch beleid (CRPEIC). Tal van internationaal gerenommeerde bedrijven hebben inmiddels Chinees bloed in de aderen.
Hoewel de economische hervormingen in China al meer dan dertig jaar geleden zijn begonnen, zijn Chinese bedrijven pas een jaar of tien geleden grootschalig in het buitenland gaan investeren, waarbij talrijke pogingen op een mislukking zijn uitgelopen. Er is flink wat leergeld betaald.
Toch is het enthousiasme van de nieuwe Chinese kopers door deze teleurstellingen niet bekoeld. Veel deskundigen beschouwen de gretigheid waarmee Chinese bedrijven naar buitenlandse ondernemingen kijken als een onontkoombaar bijverschijnsel van de economische ontwikkeling in China en van de internationalisering van Chinese bedrijven.
Tegenbeweging
Op mondiaal niveau is hun waarde in één jaar met 336 miljard dollar gedaald, een teruggang van 23 procent. Dat neemt niet weg dat een toenemend aantal Chinese bedrijven zich sinds begin 2016 op de internationale markt heeft begeven, een tegenbeweging tegen de algemene tendens.
Bijna overal ter wereld geldt dat er altijd wel een Chinese gegadigde is wanneer een bedrijf te koop staat. Het terrein waarop de Chinezen zich bewegen wordt voortdurend groter en de aankoopbedragen stijgen niet alleen, de aankopen betreffen ook bedrijven van een steeds hoger niveau. Nadat ze aanvankelijk alleen probeerden de traditionele energiesector en de mijnindustrie te domineren, richten Chinese bedrijven zich inmiddels ook op met name de maakindustrie, consumptieartikelen en TMT (technologie, media en telecommunicatie), sectoren waarin particuliere ondernemingen de boventoon voeren.
In alle regio’s ter wereld hebben Chinese bedrijven hun economische positie en invloed in een versneld tempo versterkt. Volgens een rapport van de Chinese investeringsbank CICC betrof in 2015 66 procent van de Chinese investeringen Europese of Amerikaanse bedrijven, tegen maar 32 procent in 2010. In diezelfde periode zag men een duidelijke afname van Chinese staatsbedrijven, die vroeger voor minstens de helft van de investeringsoperaties stonden, en een duidelijke stijging van particuliere bedrijven in opkomende sectoren, zozeer zelfs dat deze particuliere bedrijven bezig zijn de grootste Chinese investeerders in het buitenland te worden. Het rapport van de CRPEIC laat zien dat de overnames vooral hoogtechnologische sectoren en de nieuwe industrie betreffen, symbolen van de nieuwe industriële revolutie.
Nu sommige ontwikkelde economieën en opkomende landen zoals Brazilië in een recessie verkeren, wordt het volgens Lin Caiyi, hoofdeconoom van de investeringsbank Guotai Junan Securities, mogelijk om ondernemingen in zulke landen voor zeer schappelijke prijzen over te nemen, een droomscenario voor Chinese bedrijven. Temeer omdat de traditionele industrie, die aan het wankelen is gebracht door de nieuwe industriële revolutie, zich in alle landen gedwongen ziet snelle hervormingen door te voeren.
Bovendien stimuleert de ontwikkelingsstrategie van de Chinese regering, die gericht is op de regio’s langs de vroegere zijderoute en de zeeroutes die Azië met Europa verbinden, de economische synergie tussen China en het buitenland. De investeringsgolf door Chinese bedrijven in het buitenland hangt nauw samen met dat flankerende beleid en met de versimpeling van de Chinese procedures, aldus een specialist.
Particuliere ondernemingen blijven onophoudelijk op buitenlandse ondernemingen jagen die interessant zijn vanwege hun technologie, intellectuele eigendomsrechten of merknaam
Zodoende hebben de directe buitenlandse investeringen door de provincie Shaanxi in het westen van China, die van oudsher als arm werd beschouwd, in 2015 voor het eerst de 600 miljoen dollar-grens overschreden. De ernstige overproductie die zich de afgelopen jaren in de Chinese textielindustrie en carbochemie heeft voorgedaan, heeft staatsbedrijven zoals de carbochemische groep van Shaanxi en de textielgroep van Xianyang ertoe gebracht projecten te starten in Centraal-Aziatische landen als Kirgizië.
Maar ook al wordt het leeuwendeel van de Chinese ondernemingen die op buitenlandse aankopen azen nog steeds door staatsbedrijven gevormd, de voorhoede bestaat de laatste jaren uit kapitaalkrachtige particuliere ondernemingen. Qua aantal gerealiseerde transacties laten deze de staatsbedrijven inmiddels ver achter zich, en ze blijven onophoudelijk op buitenlandse ondernemingen jagen die interessant zijn vanwege hun technologie, intellectuele eigendomsrechten of merknaam.
‘Chinese bedrijven zijn inmiddels krachtig genoeg om zich op transnationale transacties te storten, en ze hebben ook begrepen dat daarmee hun lacunes kunnen worden opgevuld,’ aldus een specialist op dit gebied. Dit streven toont aan dat Chinese ondernemingen werkelijk geïnteresseerd zijn in deelname in toeleveringsbedrijven met een mondiale waarde, vooral door zich op ontwikkelde landen in Europa en China te richten. Desondanks zijn er aan deze overnames veel onzekere factoren verbonden op het gebied van merkontwikkeling, synergie-effecten of marktontwikkeling. Het is niet altijd een succes.
Juridische obstakels
Bij het vergroten van het scala van buitenlandse bedrijven waarin ze interesse hebben, en bij het verwerven van goederen, technologieën of merken in Europa en de Verenigde Staten, stuiten Chinese bedrijven vaak op juridische obstakels. In februari 2016 leidde de voorgenomen overname van de aandelenbeurs van Chicago, de Chicago Stock Exchange (CHX), door de groep Casin uit Chongqin tot een felle polemiek die 45 leden van het Amerikaanse Congres ertoe bracht een brief aan het ministerie van Financiën te schrijven met de eis deze transactie aan een ‘volledig en rigoureus onderzoek’ te onderwerpen (het Amerikaanse comité voor buitenlandse investeringen zal binnenkort met een standpunt komen).
Volgens professor Qiang Li, voorzitter van de economische faculteit van de Chinese Noord-West Universiteit, is het onvermijdelijk dat buitenlandse overnames risico’s met zich meebrengen. Hij raadt ondernemingen in de eerste plaats aan de talrijke juridische struikelblokken te vermijden. Elk land heeft zijn eigen procedures om overnames door buitenlandse bedrijven al of niet goed te keuren, met name door te controleren of deze stroken met de antidumpingwetgeving en de regelgeving omtrent staatsinvesteringen. De overnemende partij dient er rekening mee te houden dat ze zich zal moeten aanpassen aan het rechtssysteem van het betreffende land en dat er een aangepast personeelsbeleid zal moeten worden gevoerd, aldus Qiang. Ze moet een risicoanalyse maken en op de situatie toegesneden antwoorden formuleren, waarbij uiteraard zo veel mogelijk moet worden vermeden dat men zich in een ‘mijnenveld’ begeeft.
Het kopen van een buitenlandse onderneming is een echte uitdaging, want een bedrijf dat op papier goedkoop is, kan uiteindelijk erg duur blijken vanwege de torenhoge management- en supervisiekosten. Als Chinese ondernemingen eenmaal de eerste twee etappes hebben afgelegd (de onderhandelingen en de aankoop volgens de overeengekomen voorwaarden), rest nog de laatste en moeilijkste etappe, die bepaalt of de operatie al of niet slaagt: de bedrijfsfusie.
De Chinese bedrijven hebben nog een lange weg te gaan voordat ze ten volle kunnen integreren in de mondiale ketens op het gebied van productie, waardecreatie en logistiek, en van een ‘toeleveringsgrootmacht’ kunnen uitgroeien tot een ‘grootmacht van wereldmerken’.
Een van de nieuwste kranten van China, uitgegeven door de Publishing Group Hubei Changjiang Chuban jituan, die heeft ervoor gekozen de prijs laag te houden om de verkoop te vergroten. Zeer rijk aan beeld.
Servië speelt een centrale rol in de plannen die China heeft met Oost-Europa. Waarom eigenlijk?
Eind juni werden tijdens het bezoek van de Chinese president Xi Jinping aan Servië tal van contracten tussen beide landen getekend. De Servische leiders en de media kwamen superlatieven tekort en hadden het over de heropleving van het land dankzij de miljarden dollars die Beijng gaat investeren. Het bezoek van de president van een wereldmacht als China is ongetwijfeld een belangrijke gebeurtenis. Maar het is even belangrijk dat ten minste een deel van de aangekondigde contracten zal worden uitgevoerd!
Tijdens de officiële onderhandelingen zijn er volgens dagblad_ Politika_ geen exacte bedragen genoemd. Op de lijst van getekende documenten staat slechts één handelscontract: het bouwproject voor de aanleg van een autosnelweg op het traject Surcin-Obrenovac, die gefinancierd wordt met een lening van 250 miljoen dollar met groen licht van de Export-Import Bank. Er is ook gesproken over de aanleg van een strategische haven aan de Donau en over veel andere projecten, maar het gaat meestal om gemeenschappelijke intentieverklaringen, die juridisch niet bindend zijn.
Er is voor nog geen euro aan concrete financiële toezeggingen gedaan
President Tomislav Nikolic zelf heeft de modernisering van de spoorwegverbinding tussen Belgrado en Boedapest genoemd, alsmede de aanleg van een Chinees industriegebied in de buurt van de Mihajlo Pupin-brug. Deze werkzaamheden zouden uitgevoerd worden door Chinese ondernemingen en arbeiders. Want China maakt, zoals altijd bij zijn investeringen in het buitenland, exclusief gebruik van zijn eigen bedrijven, mankracht en hulpmiddelen.
Hoogtepunt van deze tournee was het bezoek van Xi Jinping aan de ijzer- en staalfabriek van Smederevo. Er was sprake van aanzienlijke bedragen die door de Chinezen zouden worden geïnvesteerd, er zouden nieuwe arbeidsplaatsen worden gecreëerd en de productie zou worden opgevoerd. Toch blijven veel details onduidelijk. Zoals, wie gaat de torenhoge schulden van de ijzer- en staalfabriek terugbetalen, die gezien de huidige ijzerprijs alleen maar kunnen oplopen? Er is geen enkele financiële toezegging gedaan ten aanzien van de 300 tot 900 miljoen euro die de Chinezen erin zouden willen steken. Er is voor nog geen euro aan concrete financiële toezeggingen gedaan!
Weinig vleiend
De verklaringen van de Chinese en Servische verantwoordelijken over de centrale rol die Servië in de regio speelt, klinken natuurlijk zeer aanlokkelijk. Het is duidelijk dat Beijing plannen heeft met Oost-Europa; de recente rondreis van Xi Jinping door de Tsjechische Republiek en Polen getuigt daarvan. Maar het is de vraag hoe Servië daar een centrale rol in speelt. De Chinezen zijn niet gevoelig voor de ‘charme’ van president Nikolic of de overredingskracht van de Servische eerste minister Aleksandar Vucic. Denis Depoux, vicevoorzitter van de raad van toezicht van adviesbureau Roland Berger voor Azië, komt met een plausibele verklaring voor de Chinese belangstelling: ‘Servië, kandidaat-lidstaat van de Europese Unie, heeft een centrale rol gekregen in de Chinese investeringen in de regio omdat het zichzelf heeft gepositioneerd als een Europese bestemming met hooggekwalificeerde én goedkope arbeidskrachten.’ Voor elk land met enig gevoel voor eigenwaarde, is dat een weinig vleiend beeld.
Nog verontrustender is de naïviteit van de Servische autoriteiten. In de zakenwereld, en met name de internationale, is het zo dat hoe zwakker en naïever een partij is, hoe meer de tegenpartij ervan profiteert. De Servische politici zijn het zakentalent van de Chinezen gigantisch aan het onderschatten.
Het Zuid-Afrikaanse ANC onderhoudt steeds warmere ideologische banden met China, iets wat het Westen zorgen baart. Maar volgens waarnemers zullen economische belangen altijd voorgaan.
De relatie tussen de Volksrepubliek China en Zuid-Afrika heeft zich de afgelopen jaren aanzienlijk verdiept, zoals wordt aangetoond door een aantal economische en politieke verklaringen. 2014 werd ‘het jaar van Zuid-Afrika in China’ genoemd. Dat werd vorig jaar gevolgd door ‘het jaar van China in Zuid-Afrika’. Nu is Zuid-Afrika opgewaardeerd tot China’s glorieuze ‘Alomvattende Strategische Partner’.
Het regerende ANC maakt er geen geheim van hoe het daarover denkt. Een discussiedocument van de Nationale Algemene Raad uit 2015 repte van een nieuwe ‘Koude Oorlog’, waarin het collectieve leiderschap van de Chinese Communistische Partij een leidend lichtpunt voor onze eigen strijd moet zijn.
Vanwege dergelijke verklaringen hebben waarnemers zich afgevraagd of de door het ANC geleide regering een geopolitieke draai naar China aan het maken is. Die gevoelens zijn versterkt doordat een bezoek van de Dalai Lama aan Zuid-Afrika tot drie keer toe vanwege bureaucratische rompslomp werd afgeblazen, en doordat de Chinese regering een ANC-opleidingsinstituut heeft gefinancierd.
Sinds 2010 is China Zuid-Afrika’s grootste handelspartner
De economische relatie van China met Zuid-Afrika bevestigt deze trend. Sinds 2010 is China Zuid-Afrika’s grootste handelspartner, met in 2013 een totale handelsomvang van 270 miljard rand [18 miljard euro]. De aankondiging tijdens de China-Afrika-top dat China nog eens 90 miljard rand [6 miljard euro] beschikbaar stelt voor Zuid-Afrika is opnieuw een bevestiging van de angst van sceptici dat het land zich telkens afhankelijker maakt van China.
Maar reacties op China’s investeringsbeloften zien meestal één belangrijk feit over het hoofd. Hoewel de Zuid-Afrikaanse regering zich zo misschien ideologisch afzet tegen haar traditionele westerse partners, zijn in economisch opzicht multilaterale relaties de nieuwe werkelijkheid.
Europa en de VS blijven belangrijke handelspartners. Directe buitenlandse investeringen uit die gebieden zijn veel groter dan die uit China. India is het enige BRICS-land – Brazilië, Rusland, India en China – dat in de top 5 van directe buitenlandse investeerders in Zuid-Afrika staat. Bovendien zijn inwoners van de VS, Groot-Brittannië en Duitsland nog altijd de belangrijkste buitenlandse bezoekers van het land.
Mensen die economisch gezien pragmatisch zijn ingesteld, krabben zich misschien op het hoofd over de vraag waarom de Zuid-Afrikaanse regering zich met China moet inlaten ten koste van afspraken met westerse partners. Maar dat is eigenlijk helemaal niet aan de hand. Zuid-Afrika mag dan op ideologisch niveau een draai maken, als het gaat om internationaal economische beleid is er niets veranderd. Volgens politicoloog Patrick Bond van de universiteit van KwaZulu-Natal mag de Zuid-Afrikaanse regering dan soms ageren tegen ‘de westerse imperialistische hegemonie’, tegelijk heeft het land zich diep verplicht aan de logica van de mondiale markt.
Trouwens, als het over internationale politieke economie gaat, is er niemand die ‘linkser lult en rechts vult’ dan de Chinezen zelf. De integratie van het land in het mondiale marktsysteem, de opkomst van een op consumptie gerichte middenklasse en de onophoudelijke jacht op buitenlandse grondstoffen om zowel de binnenlandse als de internationale consumptie op gang te houden, maken China tot een dominante speler in het wereldwijde kapitalisme. Het is ook veelzeggend dat de Chinese munteenheid, de renminbi, onlangs door het IMF is geaccepteerd als wereldmunt.
Logisch gevolg
China’s investeringen in Afrika zijn een logisch gevolg van dit proces, een feit dat veel Europeanen en Amerikanen, en zelfs Afrikanen, onverteerbaar schijnen te vinden. Niets maakt dit duidelijker dan de recente oprichting van de door Chinezen geleide Asian Infrastructure Investment Bank (AIIB). Bij de nieuwe bank zijn de meeste grote mondiale spelers betrokken, inclusief Zuid-Afrika, maar opvallende afwezigen zijn Japan en de VS. De nieuwe bank overschaduwt nu al de BRICS Development Bank, die zich presenteerde als de grote verdediger van de belangen van het mondiale Zuiden.
De ambities van Zuid-Afrika en China hebben veel gemeen, als we China zien als een formidabele, mondiale marktspeler in plaats van simpelweg als een autoritaire eenpartijstaat. Beide landen zijn in hoge mate geïntegreerd in wereldwijde markten, terwijl ze tegelijkertijd ideologieën aanhangen die in wezen vijandig staan tegenover die markten. In dat opzicht maken ze deel uit van een breder post-Koude Oorlog economisch pragmatisme, waarin binnenlands en zelfs buitenlands beleid – of dat nu links of rechts is – ondergeschikt is aan de eisen van de markt.
Het kleine Britse broertje van de Australische The Conversation, opgericht door een groep journalisten, verwierf in de drie jaar dat ze bestaat al groot aanzien. The Conversation werkt met ‘open bronnen’ en wil mede op deze manier een frisse en onafhankelijke blik op het nieuws bieden. Op de site komen vooral onderzoekers en academici aan het woord.
Deze website gebruikt cookies. Door de site te gebruiken gaan we er vanuit dat je ze accepteert. OK
Manage consent
Over onze cookies
Deze website gebruiks cookies die de gebruikservaring verbeteren. De cookies die we als noodzakelijk categoriseren worden opgeslagen door je browser en zijn essentiëel voor een goede werking van de basisfuncties van deze website. We gebruiken ook third-party cookies die ons helpen te analyseren hoe deze website gebruikt wordt. Deze cookies kunnen ook voor marketingdoeleinden worden gebruikt. Ze worden alleen door je browser opgeslagen als je daar toestemming voor geeft.
Onze noodzakelijke cookies zijn essentiëel voor het goed functioneren van deze website. De basisfuncties en beveiliging van deze website zijn hiervan afhankelijk. Deze cookies slaan geen persoonlijke informatie op.