Tag: controverse

  • Heeft Israël de aanval van Hamas over zichzelf afgeroepen?

    Heeft Israël de aanval van Hamas over zichzelf afgeroepen?

    Zaterdag begon Hamas een grootschalige verrassingsaanval vanuit de Gazastrook op Israël. Zoals gebruikelijk in het Palestijns-Israëlisch conflict zijn de meningen over de aanval verdeeld. Hamas heeft te lang zijn gang kunnen gaan, schrijft een politiek adviseur uit Israël. De aanval is een reactie op het jarenlange geweld van Israël, werpt een Britse correspondent tegen.

    ‘Israël was te verdeeld om de echte vijand te zien’

    ‘Zaterdag zal herinnerd worden als een van de schokkendste dagen in de geschiedenis van Israël’, schrijft Shimrit Meir in een opiniestuk in The New York Times. Meir was politiek adviseur van de rechtse politicus Naftali Bennett tijdens zijn premierschap (2021-2022). ‘De gebeurtenissen deden sterk denken aan de aanvallen van vorige week vijftig jaar geleden, op de ochtend van Jom Kippoer, de heiligste dag van het Joodse jaar. Die dag, in oktober 1973, werd Israël aangevallen door een gecoördineerde Arabische coalitie die een brutale, drie weken durende oorlog ontketende. Het land overleefde alleen dankzij de enorme opoffering van zijn jonge mannen en vrouwen. De gebeurtenis traumatiseerde een hele generatie Israëli’s en veranderde de natie grondig. Afgelopen zaterdag was ons 1973.’

    Volgens Meir heeft Israël echter niet de luxe om dit trauma te verwerken. ‘De Israëlische defensiemacht moet de kracht vinden om zich onmiddellijk te hergroeperen en moet zich, zodra ze de situatie binnen de Israëlische grenzen onder controle heeft, herbezinnen en strategische vergeldingsmaatregelen nemen op zo Hamas en zijn bondgenoten ter verantwoording te roepen. Ook onze politiek leiders moeten het uitgestippelde pad herzien en een belangrijke koerswijziging doorvoeren.‘

    Want volgens Meir is er maar één hoofdschuldige van de aanval van Hamas, waarbij minstens zevenhonderd Israëlisch zijn omgekomen, en dat is Hamas zelf. ‘Maar er zijn twee grote Israëlische blinde vlekken die ons verhinderden te herkennen wat we hadden moeten zien. De eerste is het beleid dat erop gericht is de vijand te sussen, in de hoop dat Hamas uiteindelijk zijn jihadistische oorsprong ontgroeit. In plaats daarvan was het de militaire vleugel van Hamas die groeide – van een kleine organisatie tot een machtig leger. Onze tweede blinde vlek is dat we ons blindstaren op onze interne politieke verschillen, waardoor we zijn afgeleid van bedreigingen van buitenaf. Ook ontstond hierdoor verdeeldheid binnen de samenleving en, nog crucialer, in het leger.‘

    ‘We lieten vijandigheid, demagogie en het giftige discours van de sociale media onze samenleving overnemen‘

    Meir verwijst hier naar de grootschalige protesten van afgelopen maanden, voortkomend uit de omstreden wetsvoorstellen van de regering-Netanyahu om het Israëlische rechtssysteem zo te hervormen dat het Hooggerechtshof minder macht krijgt. Deze protesten werden ook gesteund door een groep van 10.000 reservisten van het Israëlische leger, die aankondigden zolang de wetten op tafel liggen niet inzetbaar te zijn, meldde The Times of Israel in juli. Na de aanval van Hamas lieten de dissidente reservisten weten dat ze zich, indien ze worden opgeroepen, toch zullen melden.

    ‘In de afgelopen vijf jaar, waarin Israël regering na regering ontbond en verdeelde verkiezingen na verdeelde verkiezingen hield, en sterker nog in het afgelopen jaar, sinds Benjamin Netanyahu werd herkozen als premier, is de natie bezig geweest zichzelf van binnenuit te verscheuren’, vervolgt Meir. ‘In de afgelopen bijna veertig weken, waarin de strijd over de herziening van de rechterlijke macht heftig oplaaide, schudden oude vragen over identiteit en religieuze verbondenheid maar ook over etniciteit, klasse en privileges de bevolking wakker. Wat is Israël meer: Joods of democratisch?‘

    Tot slot schrijft hij: ‘Als natie handelden de Israëli’s alsof we ons de luxe van een wrede interne strijd konden veroorloven, het soort waarbij je politieke rivaal je vijand wordt. We lieten vijandigheid, demagogie en het giftige discours van de sociale media onze samenleving overnemen en het enige Joodse leger ter wereld verdelen. Dat is onze tragedie. Laat dit een les zijn voor andere gepolariseerde democratieën: mogelijk wacht iemand het moment af om te kunnen profiteren van jullie zelfgecreëerde zwakte. Deze iemand is jullie ware vijand.’

    Lees ook:


    ‘Het Westen kijkt weg voor de onderdrukking van de Palestijnen‘

    ‘De Israëlische premier Benjamin Netanyahu heeft Hamas, dat in naam de leiding heeft over de openluchtgevangenis van Gaza, ervan beschuldigd dat het “een wrede en kwaadaardige oorlog” is gestart. Maar de waarheid is dat de Palestijnen niets zijn “gestart”. Ze zijn er na zoveel jaren strijd in geslaagd om een manier te vinden om hun kwelgeest te raken’, schrijft Midden-Oosten-correspondent Jonathan Cook in een opiniebijdrage op Middle East Eye.

    Volgens Cook, voormalig columnist voor The Guardian, hebben sinds de Palestijnse Nakba in 1948, die resulteerde in de gedwongen verplaatsing van 750.000 Palestijnen uit hun steden en dorpen, opeenvolgende Israëlische regeringen zich schuldig gemaakt aan honderden mensenrechtenschendingen, waaronder etnische zuivering, apartheid en massamoorden. Volgens het internationaal recht vallen deze allemaal onder oorlogsmisdaden. ‘Terwijl de Palestijnen al lange tijd aangeven dat de Israëlische praktijken niets minder zijn dan een oorlog tegen hen als volk, komt Israël al meer dan vijfenzeventig jaar lang ongestraft weg met zijn schendingen.’

    Cook stelt dat het daarom niet zo verrassend was dat Hamas een grootschalige aanval organiseerde vanuit de Gazastrook: ‘een escalatie van de gebeurtenissen viel binnen de lijn der verwachtingen, gezien de verscherping van de Israëlische beperkingen en de toename van het aantal aanvallen in de bezette Palestijnse gebieden de afgelopen maanden’.

    ‘Het meest verantwoordelijk voor de wreedheden zijn Israël en het Westen’

    Cook wijst daarom naar de onverschilligheid vanuit het Westen jegens het lijden van de Palestijnen in Gaza. ‘Niemand nam er al te veel aanstoot aan toen de Palestijnen van Gaza werden onderworpen aan een blokkade die door Israël werd opgelegd en die hun de eerste levensbehoeften ontnam. (…) Het interesseerde niemand echt toen bleek dat de Palestijnen van Gaza door Israël op een “hongerdieet” waren gezet – er werd slechts beperkt voedsel binnengelaten, waarmee de bevolking nauwelijks genoeg te eten zou hebben. Niemand nam er al te aanstoot aan toen Israël de kustenclave om de paar jaar bombardeerde, waarbij elke keer vele honderden Palestijnse burgers omkwamen. Israël noemde dat “het gras maaien”. De vernietiging van uitgestrekte gebieden van Gaza, die Israëlische generaals trots ‘het terugbrengen van de enclave naar het Stenen Tijdperk’ noemden, werd naar voren gebracht als een militaire strategie die bekendstaat als de “Dahiya-doctrine”.‘

    Cook, die jarenlang in de Israëlische stad Nazareth heeft gewoond, is daarom verontwaardigd dat er wél zo veel internationale aandacht is nu Hamas terugslaat. ‘Na zulke lange onverschilligheid, is het moeilijk om de plotselinge afschuw van westerse regeringen en media te horen over de Palestijnen eindelijk een manier hebben gevonden – die het onmenselijke, decennialange beleid van Israël weerspiegelt – om effectief terug te vechten. Dit moment (…) legt het onverhulde racisme bloot dat zich in westerse hoofdsteden doet voorkomen als morele bezorgdheid. En de partijen die het meest verantwoordelijk zijn voor die wreedheid zijn Israël en het Westen, dat Israël zo slaafs steunt, terwijl Israël weigert te stoppen met het ontmenselijken de Palestijnen en hen in plaats daarvan blijft dwingen om onder zijn heerschappij te leven.’

    Lees ook:

  • Moet Kenia ingrijpen in Haïti om het bendegeweld te stoppen?

    Moet Kenia ingrijpen in Haïti om het bendegeweld te stoppen?

    Op verzoek van de Verenigde Staten neemt Kenia het voortouw in een internationale politiemissie om de geweldscrisis in Haïti te stoppen. Het maatschappelijk middenveld in Haïti verzet zich echter tegen deze buitenlandse interventie. Onterecht, stelt journalist Jean Pharès Jérôme, het land kan alle mogelijke hulp gebruiken.

    Ja: ‘We kunnen geen nee zeggen tegen een helpende hand’

    ‘Haïti, dat aan de rand van de afgrond staat, kan moeilijk een helpende hand weigeren in de strijd tegen de bendes die grenzeloos zijn in hun wreedheid’, schrijft de Haïtiaanse journalist Jean Pharès Jérôme in Le Nouvelliste. Vorig jaar vroeg de interim-regering van Haïti officieel om internationale ingrijpen om het bendegeweld in het land te stoppen, hierbij gesteund door secretaris-generaal António Guterres van de Verenigde Naties en de Verenigde Staten. Maar hoewel verschillende landen al eerder hun steun hadden uitgesproken voor het sturen van wat de VN een ‘gespecialiseerde ondersteuningsmacht’ heeft genoemd naar Haïti, had vóór de aankondiging van Kenia eind juli nog geen enkel land zich gemeld om de interventie te leiden.

    Groepen uit het Haïtiaanse maatschappelijk middenveld hebben zich echter sterk verzet tegen een dergelijke stap. Zij wijzen op de problemen die in het verleden zijn veroorzaakt door buitenlandse interventies en vrezen dat de internationale gemeenschap Haïtiaanse functionarissen zou steunen die deels verantwoordelijk worden geacht voor de crises in het land, schrijft Al Jazeera.

    ‘Geconfronteerd met het gruwelijke bendegeweld is het Keniaanse voorstel een voldongen feit voor Haïti’

    ‘Geconfronteerd met het lijden van de familieleden van de ontvoerde, vermoorde en verkrachte mensen, is het moeilijk om het Keniaanse aanbod te weigeren’, werpt Jérôme tegen. ‘De Verenigde Staten en Canada hebben het Keniaanse voorstel verwelkomd. De Dominicaanse Republiek, die zeer actief heeft gelobbyd om de internationale gemeenschap de Haïtiaanse crisis te laten aanpakken, is opgetogen. De premier van Haïti, Ariel Henry, en de minister van Buitenlandse Zaken, Jean Généus, hebben Kenia al publiekelijk verwelkomd. Nu moet de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties alleen nog stemmen om het voorstel goed te keuren.‘

    De Haïtiaanse journalist wijst erop dat Haïti niet veel keus heeft: ‘landen staan niet te springen om een internationale gewapende macht te leiden in Haïti’. Hij vindt het daarom begrijpelijk dat het Keniaanse voorstel wordt verwelkomd door de buurlanden van Haïti. ‘Hoewel sommigen dit Oost-Afrikaanse land zien als een eenoog die een blinde wil leiden, zien anderen het juist als een goede keuze, aangezien Kenia kampt met problemen die vergelijkbaar zijn met die van Haïti. Het land opereert als het ware op bekend terrein’, stelt Jérôme.

    ‘Haïti zit gevangen in de vicieuze cirkel van ontvoeringen, corruptie, voedselonzekerheid, werkloosheid en braindrain’, vervolgt hij in zijn commentaar. ‘De Haïtiaanse instellingen – politie, justitie, maatschappelijke organisaties, politieke partijen – zijn niet in staat om hierop te reageren. In deze omstandigheden is het moeilijk om nee te zeggen tegen een helpende hand om de onherstelbare schade van een crisis die te lang heeft voortgeduurd te stoppen. Geconfronteerd met het gruwelijke bendegeweld is het Keniaanse voorstel een voldongen feit voor Haïti, vooral omdat de nationale politie haar beperkingen al heeft laten zien in de strijd tegen bendes. Ook de regering heeft laten zien dat de inzet van een internationale gewapende macht in het land de enige oplossing is‘, concludeert hij.


    Nee: ‘Kenia zal Haïti geen stabiliteit op langere termijn brengen‘

    In oktober 2022 vroeg de Haïtiaanse premier Ariel Henry om een ‘gewapende buitenlandse interventie‘ om een einde te maken aan de chaos die wordt veroorzaakt door de gewapende bendes die het land onder hun controle hebben. Maar de politiek geëngageerde schrijver Lyonel Trouillot waarschuwt op de website AyiboPost: ‘Het zijn niet de bendes die dit land in deze staat van verval en ellende hebben gebracht.‘ Trouillot geeft de schuld aan ‘decennia van sociaal onrecht [en] het falende beleid van het Westen en internationale instellingen.’

    De oproep van Ariel Henry werd onmiddellijk herhaald door zogenaamde ‘bevriende’ en ‘naburige’ landen zoals de Verenigde Staten, Canada en de Dominicaanse Republiek, die het eiland Hispaniola deelt met Haïti. Deze drie landen hebben echter geweigerd om het voortouw te nemen in deze hypothetische interventie, uit angst voor de afwijzing die het zou kunnen uitlokken bij de Haïtiaanse bevolking.

    Ariel Henry, het feitelijke staatshoofd sinds de moord op president Jovenel Moïse in juli 2021, is nu erg impopulair en slaagt er niet in om een politieke consensus te bereiken om algemene verkiezingen uit te schrijven in een land dat geen president, afgevaardigden of senatoren meer heeft. Lyonel Trouillot geeft hem daarom evenveel schuld als het Westen: ‘De bendes zijn de kinderen die jullie hebben gemaakt voor de Republiek Haïti. (…) Oplossing voor het geweldsprobleem hangt af van de politieke situatie en elke strijd tegen onveiligheid moet deel uitmaken van een politieke oplossing.’

    ‘We waarschuwen onze Afrikaanse neven en vrienden om de imperialistische landen niet in de kaart te spelen’

    Buitenlandse interventie is dus uitgesloten voor Trouillot. Hij spreekt schande van Kenia en Jamaica, de landen die het initiatief steunen en troepen hebben aangeboden: ‘Hun bereidheid om met hun laarzen op Haïtiaanse grond te betreden heeft niets te maken met de zorg om Haïti te helpen, maar ongetwijfeld met de subsidies waarop ze hopen‘. En hij vervolgt: ’Het is belachelijk dat landen die gespecialiseerd zijn in vervalste en betwiste verkiezingen, dreigen militair in te grijpen in andere landen om de democratie te herstellen.’

    Deze mening wordt gedeeld door veel Haïtianen, die na de oproep van Ariel Henry in oktober 2022 het land in vuur en vlam zetten door te demonstreren tegen een mogelijke Amerikaanse interventie. Op 21 augustus publiceerden Haïtiaanse mensenrechtenorganisaties gezamenlijk een open brief tegen de geplande interventie, die werd opgepikt door de website Rezo Nodwes: ‘We waarschuwen onze Afrikaanse neven en vrienden om de imperialistische landen niet in de kaart te spelen.’ Ze voegden eraan toe dat buitenlandse militaire interventie ‘pervers is en waarschijnlijk ernstige schade zal aanrichten. Het zal Haïti zeker geen stabiliteit op lange termijn brengen’.

    In de naburige Dominicaanse Republiek schreef mensenrechtenadvocaat Ramón Antonio Negro Veras op de website Acento: ‘Interventie in Haïti, of dat nu door de Verenigde Staten is of op een heimelijke manier met Kenia, is afschuwelijk en is niet legitiem als je gelooft in de onafhankelijkheid van volkeren.‘

    Lees ook:

  • Leidt het abajaverbod op Franse scholen tot minder radicalisering?

    Leidt het abajaverbod op Franse scholen tot minder radicalisering?

    Onlangs werd de abaja, een jurk die islamitische vrouwen dragen, verboden op Franse scholen. Een goede maatregel, aldus docent Iannis Roder. ‘Elk kind heeft het recht zich te bevrijden van religieuze druk.’ Verre van, werpt socioloog Agnès de Féo tegen. ‘Een verbod werkt averechts.’

    Ja: ‘Het dragen van een abaja is een politiek gebaar’

    In 2004 werd in Frankrijk een verbod ingevoerd op het dragen van opvallende symbolen en kleding waarmee leerlingen uiting geven aan hun geloofsovertuiging. Het is verstandig dat minister van Onderwijs Gabriel Attal deze wet ook heeft toegepast op de abaja, schrijft Iannis Roder in een opiniestuk in Le Monde. ‘Hoewel de opkomst van dit kledingstuk al in 2010 werd gesignaleerd op een paar scholen in [het departement] Seine-Saint-Denis, heeft het dragen ervan zich pas kort geleden aanzienlijk verspreid,’ aldus de docent geschiedenis en aardrijkskunde.

    ‘Om de wet niet te overtreden beweren sommige leerlingen dat het dragen van deze jurk geen religieuze betekenis heeft. Hun argument is dat het een “gewone jurk” is, die alleen “culturele en geen religieuze betekenis” heeft. Wie proberen ze voor de gek te houden?’ vraagt Roder zich af. ‘Deze jonge meisjes (…) herhalen gewoon islamistische retoriek, met als doel het ondermijnen van het schoolsysteem van de Republiek, dat een gevaar vormt voor de politieke islam omdat het toegang biedt tot individuele vrijheid door middel van kennis.’

    Volgens Roder zijn er genoeg aanwijzingen dat de abaja wel degelijk een religieus symbool is, zelfs een dat vrouwen onderdrukt. ‘De abaja wordt vaak gedragen om te voldoen aan religieuze normen die vereisen dat vrouwen “respectabel” en dus “bescheiden” zijn. Dit concept kleineert vrouwen, die van nature schuldig zouden zijn; van hen wordt verwacht dat ze hun vormen verbergen – zoals de sluier hun haar verbergt – voor de blikken van mannen, omdat ze anders het risico lopen minachting, woede of zelfs geweld op te wekken.’

    ‘Dit is het doel van de wet van 15 maart 2004: jonge burgers in opleiding beschermen tegen druk tijdens schooltijd’

    Roder stelt dat sommige islamitische jongeren in Frankrijk door groepsdruk ten prooi vallen aan het islamisme. ‘Het dragen van de abaja (…) is een politiek gebaar, dat meer te maken heeft met het dragen van een uniform dan met stijl of elegantie: met deze kleding kunnen meisjes zich onderscheiden, en dus elkaar herkennen, terwijl ze zich onderwerpen aan gedragsregels die horen bij een gedachtengoed dat vreemd is aan dat van Frankrijk.’

    Roder vervolgt: ‘Er is geen garantie dat sommigen dit niet onder druk doen, of het nu direct of indirect is, door sociale controle vanuit hun directe omgeving, die een boodschap uitdraagt die in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van de Franse Republiek. Dit is het doel van de wet van 15 maart 2004: jonge burgers in opleiding beschermen tegen druk tijdens schooltijd.’

    ‘Dus ja, dit soort kleding moet op Franse scholen worden verboden,’ concludeert de leraar. ‘Daar heeft elk kind het recht om de kans te krijgen zich te bevrijden van het determinisme, om te profiteren van de “seculiere ademruimte” die de filosoof Catherine Kintzler zo dierbaar is. Op school zijn jongeren niet langer alleen kinderen van hun ouders en hun omgeving; het zijn leerlingen, die hun vrije wil en autonomie ontwikkelen, vrij van het gewicht van wat hen op andere momenten beperkt; maar alleen zolang de schooldag duurt, want niets verbiedt leerlingen om als ze de school eenmaal hebben verlaten te dragen wat ze willen.’


    Nee: ‘De regering heeft het boemerangeffect van dwingende wetten niet begrepen’

    Het verbieden van de abaja op scholen is contraproductief, schrijft socioloog Agnès de Féo in dezelfde krant. Net als bij het verbod op de boerka in 2009 ‘zijn niet de vrouwen het onderwerp van discussie, maar het kledingstuk dat ze dragen (abaja, boerka), een object dat de integriteit van de natie zou bedreigen. Een karikaturale voorstelling waar je om zou kunnen lachen, als ze niet zo populair was bij een groot deel van de Fransen en overgenomen werd door politieke figuren, die terloops hun obsessie blootgeven met het lichaam van moslimvrouwen sinds de koloniale tijd,’ stelt de socioloog, die aan de Universiteit van Aix-Marseille onderzoek doet naar de Arabische en islamitische wereld.

    ‘Over de draagsters zelf wordt weinig gesproken. Zij blijven de grote onbekenden in de speculaties over hun kleding. Dat deze meisjes worden verdacht van een complot tegen het schoolsysteem, wijst op een overschatting van een marginaal fenomeen onder jongeren, dat vooralsnog ongevaarlijk is.’

    Maar ook De Féo stelt vast dat de jurk om religieuze redenen wordt gedragen: ‘Laten we meteen duidelijk zijn: de abaja is wel degelijk een religieus symbool, ook al ontkennen de meisjes in kwestie dat. Door onnozel te beweren dat de abaja niet een religieus maar een traditioneel kledingstuk is, spelen deze tienermeisjes met de “veelvormigheid” ervan. De elegante jurken die vooral in de Golfstaten worden gedragen, worden inderdaad “abaja‘s” genoemd, maar die term heeft in Frankrijk een heel andere betekenis. Met zijn kuise vorm, effen kleuren, gebrek aan borduursels en vaak elastische manchetten past de abaja bij het beeld van de vrome moslimvrouw,’ schrijft De Féo.

    De maatregelen hebben alleen maar bijgedragen aan de zo betreurde naar binnen gekeerde houding, het groepsdenken en het separatisme

    ‘Ook al wordt de abaja – uit zijn context – gezien als een gewone jurk, in Frankrijk wordt hij gedragen vanwege zijn islamitische betekenis. De meisjes die hierin naar school gaan, zouden dus logischerwijs onder het verbod van de wet van 2004 moeten vallen. (…) Dat neemt niet weg dat de abaja nu juist door dat “rebellerende” aspect een gewild kledingstuk is geworden (net als de nikab, toen die in 2010 verboden werd): de meisjes die hem dragen, drukken hun trots uit om moslim te zijn, ondanks de obsessie van de maatschappij om ze uit de publieke arena te wissen,’ analyseert De Féo.

    ‘Hun vastberadenheid om een abaja te dragen gaat gepaard met uitspraken als “ik doe wat ik wil, niemand beslist hoe ik me kleed” of feministische slogans zoals het beroemde “mijn lichaam, mijn keuze”. De kleding mag dan religieus zijn, de boodschap is dat veel minder: deze jonge vrouwen vechten voor hun rechten in een maatschappij waarin ze het gevoel hebben niet gerespecteerd te worden.’

    Dit gevoel zorgt er volgens de socioloog voor dat religieuze symbolen alleen maar populairder worden. ‘Negentien jaar geleden was het verbod op religieuze symbolen in openbare scholen bedoeld om de hoofddoek uit het schoolsysteem te verwijderen. Dit heeft echter geleid tot een toename van het aantal hoofddoeken in de openbare ruimte, en tot de oprichting van scholen met een islamitische denominatie. (….) De zichtbaarheid van islamitische symbolen onder jongeren moeten we niet langer zien als enkel een religieuze uiting, maar als verzet tegen de terugkerende discussies die deze al meer dan twee decennia proberen te verbieden. Door de afkeer en de maatregelen die islamitische kleding oproept, is ze een middel geworden om normen te overschrijden – tegenwoordig zelfs het enige soort kleding dat “de burgerij choqueert”.’

    De Franse regering heeft niet geleerd van eerdere mislukkingen, stelt De Féo. ‘Ze heeft het boemerangeffect niet begrepen van dwangwetten die het zichtbaar belijden van de islam in de maatschappij alleen maar sterker hebben gemaakt, in plaats van er een einde aan te maken. Integendeel, de maatregelen hebben alleen maar bijgedragen aan de zo betreurde naar binnen gekeerde houding, het groepsdenken en het separatisme. Dit weerhoudt de regering er echter niet van het verbod te herhalen, met een nieuwe maatregel die de abaja zal omtoveren tot een protesttrend, die het aantal dragers zal vermenigvuldigen op de universiteit en in de openbare ruimte, en die burgerlijke ongehoorzaamheid zal aanmoedigen. En die natuurlijk het publiek van TikTok-predikers zal vergroten, die voor jonge vrouwen in abaja gelden als de belichaming van de oppositie die zij aanhangen – en die hen helpen het stigma op zijn kop te zetten.’

    ‘Vergeet niet dat de ronselaars van IS de wet van 2010 gebruikten om vrouwen ertoe over te halen zich aan te melden in Syrië en Irak,’ schrijft De Féo ten slotte. ‘In plaats van te speculeren over de abaja en er een nieuwe kruistocht van te maken, zou het een goed idee zijn om de betekenis van het kledingstuk over te laten aan de persoonlijke opvatting van de vrouwen die haar dragen – iets waar politici vandaag de dag niet toe in staat zijn, ongeduldig als ze zijn om op de onderbuik van de kiezers in te spelen. De Franse regering, die zich op de wetten van 1905 en 2004 beroept om “de waarden van de Republiek te beschermen” tegen een jurk voor tienermeiden, toont haar grote zwakte en gebrek aan initiatief als het aankomt op het werken aan een vreedzaam samenleven, waarbij ruimte is voor verschil.’

    Lees ook:

  • Controversieel WK eindelijk van start gegaan

    Controversieel WK eindelijk van start gegaan

    Lees ook het andere kort nieuws uit de buitenlandse pers van vandaag:

    » Meesteroplichter Elizabeth Holmes veroordeelt tot

    » Twitter-implosie neemt ongekende vormen aan

    Zelfs in de laatste week kwamen er schandalen bovendrijven

    Na maanden van aftellen, controverses over de toewijzing aan het land, talloze onderzoeken over mensenrechtenschendingen en een over het algemeen zeer bekoeld enthousiasme over het aankomende toernooi, is het WK in Qatar van start gegaan. Het gastland trapte zelf af tegen Ecuador. De wedstrijd eindigde in 2-0 voor Ecuador.

    Zelfs in de laatste week voordat het WK Voetbal begon kwamen er nog schandalen boven drijven. Zo werd Qatar ervan beschuldigd meerdere Ecuadoraanse spelers te hebben omgekocht om zo hun eerste wedstrijd te winnen. En twee dagen voor de start van het toernooi besloot het gastland tóch alle alcohol in voetbalstadions te verbieden, schrijft de BBC: een hard gelag voor voetbalfans én voor Budweiser, de biersponsor van het toernooi die naar verwachting een schadeclaim bij voetbalbond FIFA gaat neerleggen.

    Ook de eerste dagen van het Nederlands elftal, dat maandag zijn eerste wedstrijd tegen Senegal speelt, stonden in het teken van de misstanden in Qatar. Twintig arbeidsmigranten uit onder meer Pakistan en Bangladesh waren welkom op de training en mochten een balletje trappen met de Nederlandse spelers.

    Lees ook:

  • Moeten fresco’s weg van de Italiaanse muren? | Ernstige crisis voor Bolsonaro

    Moeten fresco’s weg van de Italiaanse muren? | Ernstige crisis voor Bolsonaro

    Leger, marine en luchtmacht keren zich tegen Bolsonaro

    De commandanten van het leger, de marine en de luchtmacht traden op dinsdag 30 maart af vanwege een conflict met de Braziliaanse president, die de dag ervoor de minister van Defensie had ontslagen. Volgens Folha de S. Paulo is de crisis tussen de Braziliaanse uitvoerende macht en het leger de ergste sinds 1977, toen minister van Defensie Sylvio Frota werd ontslagen te midden van een militaire dictatuur. De gerenommeerde Braziliaanse krant spreekt van ‘een primeur’.

    Volgens het dagblad was het onbehagen over het onverwachte ontslag van Azevedo ‘te groot’. Deze laatste en zijn bondgenoten zijn van mening dat Bolsonaro ‘een rode lijn heeft overschreden’ door in het bijzonder voor te stellen een ‘staat van verdediging’ uit te roepen om te voorkomen dat in het hele land lockdowns worden afgekondigd.

    ‘Mijn leger’ zal dergelijke maatregelen niet toestaan, verklaarde de Braziliaanse president publiekelijk. Volgens Folha de S. Paulo is het verzet tegen de lockdowns waartoe de gouverneurs van de Braziliaanse staten besloten hebben om de verspreiding van het coronavirus te beteugelen, een ‘obsessie’ geworden voor de president, die de vaccinatiecampagne al tegen zijn wil heeft moeten omarmen.

    Lees ook:

    De beperkende maatregelen roepen nog meer weerstand op dan de oproep tot vaccinatie, en Bolsonaro vreest dat ze zijn herverkiezing in 2022 ‘nog moeilijker’ zullen maken, concludeert het dagblad.

    Bolsonaro roept de Braziliaanse bevolking op om te stoppen met ‘zeuren’ over covid-19

    Ondertussen is de toestand in ziekenhuizen vanwege de agressievere Braziliaanse P.1-variant penibel, meldt Wall Street Journal, die een videoreportage op de intensive care in de staat Rio Grande do Sul maakte. ‘Volgens gezondheidswerkers neemt het sterftecijfer toe en verslechtert de toestand van patiënten die de P.1-variant dragen zeer snel.’ 

    Volgens intensivecaremedewerkers is deze nieuwe golf van covid-19-gevallen het gevolg van een versoepeling van de maatregelen. Veel Brazilianen trotseren de maatregelen, legt de Wall Street Journal uit, daarin aangemoedigd door ‘een president die het virus blijft bagataliseren’. Bolsonaro roept de Braziliaanse bevolking op om te stoppen met ‘zeuren’ over covid-19.


    Beladen controverse in Napels

    Veel muren in de stad aan de voet van de Vesuvius worden gesierd door tekeningen ter ere van overledenen. ‘Het vieren van overleden dierbaren met portretten of kleine altaren op straat is een traditie die verband houdt met een zekere archaïsche religiositeit’, legt La Stampa uit. 

    ‘Maar steeds vaker zijn de gezichten op de muren van de stad die van de doden die verband houden met de georganiseerde misdaad; jonge jongens die stierven als gevolg van illegale acties. (…) Emanuele Errico, Luigi Caiafa, Emanuele Sibillo, Ugo Russo en vele anderen. Ze hadden allemaal problemen met de wet, ze hadden allemaal recht op hun fresco, maar dat recht wordt nu bedreigd.’ Sommige portretten zijn al gewist.

    Lees ook:

    In het centrumlinkse dagblad La Repubblica neemt een Napolitaanse advocaat de pen op (en hij is niet de enige) om de symbolische waarde van de ‘kunstwerken’ te verdedigen. ‘We zijn het er allemaal over eens dat de dood van tieners in het stadscentrum een ​​tragedie is, maar om deze reden moeten we de dingen niet vereenvoudigen. De staat tegenover zijn vijanden plaatsen is zwart-wit. Een vijftienjarige jongen die wordt vermoord, is nog steeds een slachtoffer, en je kunt zijn dood niet bezweren door de verantwoordelijkheid bij hem zelf te plaatsen en te zeggen: ‘Hij heeft erom gevraagd.’”

    Het verwijderen van het fresco van Ugo Russo (hieronder) is voorlopig opgeschort door de rechtbanken, maar de druk van de bewoners is vaak niet voldoende om de regering te dwingen terug te treden. Als vergelding werd bijvoorbeeld het portret van een Napolitaanse zanger beklad met een ‘verhulde bedreiging’, schrijft Corriere della Sera: ‘De doden moeten worden gerespecteerd, niet gewist.’ Belangrijk detail: dit fresco is gemaakt in samenwerking met het stadhuis van Napels, merkt het Milanese dagblad op.

    Corriere zet het dilemma helder uiteen: ‘Enerzijds kunnen we de wens om de symbolen van een levensstijl die is gebaseerd op het negeren van regels en wettigheid, uit te wissen, niet betwisten, maar we kunnen ook erkennen dat een verflaag niet voldoende is om het probleem op te lossen, waarvan deze fresco’s slechts het gevolg zijn.

    Gaan we getuige zijn van een slepende oorlog tussen twee teams, totdat een van de twee het terugvechten beu wordt? Het probleem is dat het om veel muren gaat, aangezien veel jonge mensen leven van (en sterven door) criminele handelingen. Een leger van schilders zou niet genoeg zijn om al deze gezichten van de muren van Napels en uit van ons geweten te roeien.’

    Lees ook:

    Het belangrijkste dagblad van de stad, Il Mattino, deelt deze mening niet. Het is verheugd met de beslissing die ‘gemakkelijke compromissen vermijdt en geen consessies doet op het gebied van legaliteit’. 

    Om haar standpunt te illustreren, gebruikt de Napolitaanse krant geen grote woorden, maar haalt ze een voorbeeld aan dat het belang moet illustreren van het terugwinnen van het stedelijk grondgebied voor de bevolking zelf: ‘Denk aan het fresco van Luigi Caiafa. Hoeveel ouders moesten hier elke ochtend langs lopen en liegen tegen hun kinderen die hen vragen wie deze persoon was? Dat gezicht werd vereeuwigd vlak voor hun huis.’

    Lees ook:


    Amazon-medewerkers krijgen mogelijk een eerste vakbond

    Dinsdag begon de telling van de stemmen die zullen bepalen of werknemers in Bessemer, Alabama, de allereerste vakbond zullen vormen binnen een Amazon-magazijn in de VS, meldt ABC News.

    Het initiatief voor een vakbond bij een van de grootste werkgevers in de natie heeft de aandacht getrokken van wetgevers en beleidsmakers, aangezien velen de stemming beschouwen als een keerpunt in de georganiseerde arbeidersbeweging, die de afgelopen decennia in de VS wegkwijnde.

    De vakbondsformatie in Alabama zou bovendien een ‘precedent’ kunnen scheppen en andere Amazon-arbeiders in het hele land kunnen inspireren om dit voorbeeld te volgen.

    Als het doorgaat, zullen de magazijnmedewerkers worden vertegenwoordigd door de Retail, Wholesale and Department Store Union (RWDSU). ‘Deze campagne is in veel opzichten al een overwinning geweest’, zegt RWDSU-voorzitter Stuart Appelbaum in een verklaring. ‘Ook al weten we niet hoe de stemming zal verlopen, we denken dat we de deur hebben geopend voor meer organisatie in het hele land; en we hebben laten zien hoe ver werkgevers zullen gaan om tegen te gaan dat hun werknemers een ​​vakbondsstem krijgen. Deze campagne is het belangrijkste voorbeeld geworden van waarom in dit land hervorming van het arbeidsrecht nodig is.’

    Lees ook:

    Vorige week bezocht senator Bernie Sanders Alabama om enkele van de arbeiders te ontmoeten die betrokken waren bij de vakbondsinspanningen. ‘Waar ik benieuwd naar ben is waarom de rijkste man ter wereld, Jeff Bezos, miljoenen uitgeeft om te voorkomen dat arbeiders een vakbond oprichten, zodat ze kunnen onderhandelen over betere lonen, secundaire arbeidsvoorwaarden en contracten’, tweette Sanders voorafgaand aan zijn bezoek, geciteerd door CNN.

    Zijn tweet wekte woede van Amazon-directeur Dave Clark, die op Sanders’ tweet reageerde door op te merken dat het minimumloon van Vermont [waarvan Sanders senator is] $11,75 per uur bedraagt in vergelijking met Amazons $15. ‘De senator mag zijn onzinnige interpretaties bewaren tot hij zijn achtertuin op orde heeft’, aldus Clark.

    Aan de andere kant van het spectrum heeft ook de Republikeinse senator Marco Rubio publiekelijk zijn steun voor de vakbond uitgesproken in een opiniestuk dat eerder deze maand door USA Today werd gepubliceerd.

    Op de dag dat er voor de vakbond werd gestemd, bracht president Joe Biden een video op Twitter uit waarin hij zijn steun uitsprak voor de vakbonden en arbeiders aanmoedigde om ‘je stem te laten horen’.

    ‘Onze werknemers kennen de waarheid – een startloon van $15 of hoger, ziektekostenverzekering vanaf dag één en een veilige en inclusieve werkplek’

    In reactie op een verzoek om commentaar meldde Amazon dinsdag aan ABC News dat ‘het RWDSU-lidmaatschap met 25 procent is gedaald tijdens de ambtsperiode van Stuart Appelbaum, maar dat is nog geen rechtvaardiging voor de heer Appelbaum om de feiten verkeerd voor te stellen’.

    Het bedrijf vervolgt: ‘Onze werknemers kennen de waarheid – een startloon van $15 of hoger, ziektekostenverzekering vanaf dag één en een veilige en inclusieve werkplek. We moedigden al onze werknemers aan om te stemmen, en hun stem zal in de komende dagen worden gehoord.’

  • De baas van de WHO is zwart, Afrikaans en vrouw. Is dat voldoende?

    De baas van de WHO is zwart, Afrikaans en vrouw. Is dat voldoende?

    Vorige week werd de 66-jarige ontwikkelingseconome Ngozi Okonjo-Iweala uit Nigeria aangesteld als directeur van de Wereldhandelsorganisatie WHO. Wereldwijd stonden politici, waarnemers en de pers te juichen omdat er eindelijk een zwarte, Afrikaanse vrouw aan het hoofd staat van een grote internationale instelling. Niet iedereen vindt die staande ovatie terecht.

    ‘Ngozi Okonjo-Iweala schrijft geschiedenis’, aldus France24 in een video-verslag over haar aanstelling. ‘Een goed gekwalificeerde nieuwe leider voor de WHO’, vindt Council on Foreign Relations. ‘Nigeriaanse krachtpatser wordt hoofd WHO’, aldus Financial Times. ‘Vrouw’, ‘zwart’, ‘Afrikaans’, ‘dapper’, ‘briljant’, ‘spijkerhard’: de aanprijzingen waren niet aan te slepen nadat bekend werd dat Okonjo-Iweala naar Genève kan vertrekken met de opdracht om de stroperige WHO vlot te trekken. 

    Kritiek moment

    ‘Zelfs voor een econoom komen er veel zeer grote getallen voor in het leven van Ngozi Okonjo-Iweala’, schrijft The Guardian in een portret. ‘Als voorzitter van Gavi, de alliantie voor vaccinatie van kinderen tegen dodelijke en slopende infectieziekten, zag ze toe op de jaarlijkse vaccinatie van miljoenen kinderen. Als algemeen directeur van de Wereldbank hield ze toezicht op $ 81 miljard (€ 66,8 miljard) aan activiteiten. Als minister van Financiën van Nigeria pakte ze de $ 30 miljard schuld van het meest bevolkte land van Afrika aan. En ze heeft 1,5 miljoen volgers op Twitter.’ 

    The Guardian somt ook nog een reeks van kleinere getallen op die ertoe doen, zoals ‘de twintig non-profitorganisaties die haar hebben benoemd in hun adviesraden; de grote banken en bedrijven die ze heeft geadviseerd; de tien eredoctoraten naast haar eigen doctoraat; een twintigtal onderscheidingen; tientallen belangrijke rapporten en boeken.’ En dan zijn er natuurlijk nog de prestigieuze lijsten waarop haar naam prijkt, zoals die van ’s werelds honderd machtigste vrouwen; ’s werelds honderd meest invloedrijke mensen en de tien meest invloedrijke vrouwen van Afrika, om maar enkele te noemen. 

    Haar aanstelling tot Directeur-Generaal van de WHO, ‘een positie die nog nooit eerder werd bekleed door een Afrikaan, noch door een vrouw’, geeft haar de leiding over een organisatie met een begroting van $ 220 miljoen en 650 personeelsleden en komt op een kritiek moment. Hervormingen zijn namelijk broodnodig, schrijft de krant. ‘Dit is het moment om alle ervaring aan te spreken die ze heeft opgedaan gedurende haar veertigjarige carrière. Gaat Okonjo-Iweala de klus klaren?’  

    Burgeroorlog

    Okonjo-Iweala was zes jaar oud toen Nigeria in 1960 onafhankelijk werd van Groot-Brittannië, aldus The Guardian. ‘Ze groeide op in een klein dorpje in Delta, de zuidelijke staat van het land. Haar ouders, beiden vooraanstaande academici, hadden beurzen gekregen om in Europa te studeren, dus zij en haar zes broers en zussen werden opgevoed door hun grootmoeder. Het leven was niet gemakkelijk. Tegen de tijd dat ze negen was, had Okonjo-Iweala leren koken en hout halen en verrichtte ze veel huishoudelijke taken.’

    Doordat er een burgeroorlog uitbrak tussen de separatistische staat Biafra en de Nigeriaanse centrale regering werd haar opleiding onderbroken en werd ze geconfronteerd met nieuwe ontberingen. Toen haar driejarige zusje chronisch ziek werd van malaria, was het Okonjo-Iweala die haar naar een dokterspraktijk vijf kilometer verderop droeg, waar ze zich door een menigte van zeshonderd mensen heen wurmde en door een raam klom om de behandeling te vragen die het leven van haar zusje zou redden. 

    ‘Ik at één maaltijd per dag. Er stierven kinderen. Daardoor heb ik heb geleerd heel zuinig te leven. Ik zeg vaak dat ik me zowel op een moddervloer als onder een donzen dekbed comfortabel kan voelen. Door wat we hebben meegemaakt, ben ik tot iemand geworden die het zonder spullen kan stellen.’

    Probleemvrouw

    Nadat de burgeroorlog tussen Nigeria en Biafra in 1970 eindigde, vertrok Okonjo-Iweala naar de VS om economie te studeren aan Harvard en MIT, het Massachusetts Institute of Technology. Ze trouwde met haar jeugdliefde en ging in 1979 op vijfentwintigjarige leeftijd aan de slag bij de Wereldbank, waar ze gestaag opklom in de hiërarchie. Ze schopte het tot tweede in de rangorde en reisde de wereld over.

    Uiteindelijk vertrok ze in 2003 na vijfentwintig jaar bij de Wereldbank omdat ze werd gevraagd minister van Financiën van Nigeria te worden. Die functie vervulde ze twee keer en ze was korte tijd ook nog minister van Buitenlandse Zaken. Als minister van Financiën werd Okonjo-Iweala geconfronteerd met de enorme schulden van Nigeria en wachtte haar een keiharde strijd om economische hervormingen door te voeren. 

    ‘Toen ik minister van Financiën werd, noemden ze me Okonjo-Wahala, ofwel: Probleemvrouw’, zei ze in een interview met The Guardian in 2005. ‘Het betekent letterlijk zoiets als: Ik ben de hel. Maar het kan me niet schelen hoe ik genoemd wordt. Ik ben een vechter. Ik ben erg gefocust op wat ik doe en ik ben meedogenloos in wat ik wil bereiken, tot in het extreme. Als je me voor de voeten loopt, krijg je een schop.’

    Okonjo-Iweala pakte de schuldenberg van Nigeria aan door sceptische westerse mogendheden ervan te overtuigen hulp te verlenen. Gordon Brown, destijds premier van Groot-Brittannië, noemde haar ‘een briljante hervormer’, volgens The Guardian, ‘hoewel anderen minder waardering hadden voor de afspraken die ze met schuldeisers maakte. Sommige commentatoren wijzen erop dat ze veel van de beloften die ze aan Nigerianen deed over economische groei en het scheppen van banen niet is nagekomen.’

    ‘Ze kan heel vastberaden en brutaal zijn, misschien zelfs angstaanjagend voor sommige mensen, maar tegelijkertijd is ze altijd zichzelf. Het is een vrouw die ons aan het lachen maakt’, citeert The Guardian Ada Osakwe, een econome die in de Nigeriaanse regering met Okonjo-Iweala samenwerkte.

    Armere landen protesteren al lang tegen de voordelen die de WHO ontwikkelde landen zou gunnen

    Nu met het aftreden van de regering-Trump de weerstand tegen haar benoeming is weggevallen, krijgt ze de leiding over de WHO. Daarmee komt ze onder een vergrootglas te liggen, want deze functie is niet alleen veel invloedrijker maar ook veel zichtbaarder dan alle andere posities die Okonjo-Iweala ooit bekleedde, aldus The Guardian.

    ‘De in Genève gevestigde organisatie heeft al decennialang te maken met bittere kritiek van alle kanten. De WHO was het primaire doelwit van de beweging die protesteerde tegen de schandelijkste gevolgen van het kapitalisme en globalisering, omdat ze daar als representant van wordt gezien. Meer recentelijk werd de WHO aangevallen door de VS omdat ze de problematiek van het Chinese staatskapitalisme niet heeft weten aan te pakken.’

    Armere landen protesteren al lang tegen de voordelen die de WHO ontwikkelde landen zou gunnen en tegen hun relatieve gebrek aan invloed op de besluitvorming, vergeleken met rijkere staten. Vooral landbouwsubsidies zijn een specifiek twistpunt. ‘De WHO wist al jaren geen grote multilaterale handelsovereenkomst meer te sluiten en de hoop is tanende dat de organisatie overbevissing weet te beperken of de wildwest-praktijken rond e-commerce kan intomen.’ En dan is er volgens The Guardian natuurlijk ook nog eens de coronapandemie, die leidt tot worstelende economieën en groeiend protectionisme wereldwijd.

    ‘De WHO heeft een frisse blik nodig, een fris gezicht, een buitenstaander, iemand die in staat is om hervormingen door te voeren en die met de leden kan samenwerken’, zo zei Okonjo-Iweala onlangs in een interview met CNN. ‘Die ervoor kan zorgen dat de WHO uit haar gedeeltelijke verlamming geraakt.’

    De benoeming van Okonjo-Iweala is een ‘grote stap voor Afrika en een grote stap voor de wereld’, vindt Osakwe, de eerder geciteerde econome die met haar samenwerkte. ‘Zo’n opmerkelijk talentvolle vrouw die het roer overneemt van een instelling die opgeschud moet worden. Kijk maar naar wat er met de handel in de wereld gebeurt, zoals de strijd tussen de VS en China.’ Okonjo-Iweala, zo zegt Osakwe, ‘is in de loopgraven geweest’.

    Uiterste voorzichtigheid

    Ondanks al deze lof slaat Francisco Perez een andere toon aan op de website Africa is a Country. Perez noemt zichzelf activist voor een solidaire economie, is docent en onderzoeker en bezig zijn studie economie aan de Universiteit van Massachusetts in Amherst af te ronden. Hij is de directeur van het Centre for Popular Economics, dat pleit voor ‘economie gericht op mensen, niet op winsten’. Het is een non-profitcollectief van politieke economen die ‘economie van haar mystiek willen ontdoen en die bruikbare economische instrumenten ontwikkelen voor mensen die vechten voor sociale en economische rechtvaardigheid’. 

    In zijn artikel ‘Black faces in high places’ voor Africa is a Country, roept Perez links in Afrika op de benoeming van Ngozi Okonjo-Iweala met ‘uiterste voorzichtigheid’ te beschouwen. 

    ‘Ngozi Okonjo-Iweala, de voormalige minister van Financiën en Buitenlandse Zaken van Nigeria’, zo begint Perez, ‘was eerder in 2012 in de race om voorzitter van de Wereldbank te worden, maar de voormalige Amerikaanse president Barack Obama koos de Amerikaan Jim Yong Kim voor die functie. Gedurende haar campagne voor de Wereldbank, en later voor de WHO, onderstreepten veel commentatoren het belang van een zwarte Afrikaanse vrouw aan het hoofd van een grote internationale financiële instelling als “een bepalend moment voor Afrika, dat al lang zucht onder de laars van buitenlandse mogendheden en financiële instellingen”.’

    Maar pan-Afrikaans links moet dergelijke ‘identiteitspolitiek’ verwerpen als het louter om de representatie van identiteit gaat, vindt Perez. ‘Want als een zwarte Afrikaanse vrouw hetzelfde neoliberale beleid verdedigt dat de economische ontwikkeling van Afrika heeft belemmerd, dan is dat contraproductief.’

    ‘Samen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank maakt de WHO deel uit van de “Onheilige Drie-eenheid” van internationale instellingen die het wereldwijde handels- en financiële systeem besturen ten voordele van grote multinationale ondernemingen en hun aandeelhouders en ten koste van ecosystemen en arbeiders wereldwijd’, schrijft Perez. ‘De WHO werd in 1995 opgericht op het hoogtepunt van het neoliberale triomfalisme na de Koude Oorlog. Als permanente organisatie verving de WHO het lossere General Agreement on Tariffs and Trade (GATT). Anders dan GATT kon de WHO gemakkelijker sancties opleggen aan landen die probeerden buitenlandse handel te beperken, door een mechanisme in het leven te roepen dat geschillen tussen staten beslecht. Onder Trump werd dat mechanisme eind vorig jaar overigens gesaboteerd.

    De GATT stond regeringen van Ontwikkelingslanden toe bescheiden vormen van bescherming in te voeren voor hun prille industrie en voor handelsbeperkingen die ontwikkelingsdoeleinden ten goede kwamen. Met de WHO wilden Amerikaanse en Europese regeringen deze mogelijkheden juist afzwakken en de principes van vrijhandel uitbreiden tot diensten en intellectueel eigendom. Een wereldwijde coalitie van arbeiders- en milieugroeperingen verraste de organisatie door met protesten de jaarlijkse bijeenkomst in Seattle in 1999 te verstoren.

    Levert Okonjo-Iweala een Afrikaans gezicht aan de agenda van het Noorden om vrijhandel uit te breiden en de macht van grote multinationals te versterken?

    Ondanks de aanprijzing een ‘ontwikkelingsronde’ te zijn, in naam gericht op de behoeften van de armste landen, liep de laatste reeks van wereldwijde handelsbesprekingen spaak toen regeringen uit het Zuiden, onder leiding van India en China, zich verzetten tegen het verder openstellen van hun markten voor Noord-Amerikaans, West-Europees en Japans kapitaal. Ze drongen erop aan dat regeringen in het Noorden hun markten zouden openstellen voor de export van landbouwproducten uit het Zuiden door handelsbarrières te verkleinen en vooral door de enorme subsidies voor hun eigen agro-industrie aan banden te leggen’, aldus Perez. Dat leidt tot de vraag aan wiens kant het nieuwe hoofd van de WHO staat. 

    ‘Levert Okonjo-Iweala een Afrikaans gezicht aan de agenda van het Noorden om vrijhandel uit te breiden en de macht van grote multinationals te versterken? Of juist aan het gevecht van zuidelijke regeringen om internationale handel ondergeschikt te maken aan hun prioriteiten voor hun eigen binnenlandse ontwikkeling? Nigeria heeft een reputatie van protectionisme, dusdanig dat voorstanders van een Afrikaanse continentale vrijhandelszone vrezen dat die er niet komt, en Okonjo-Iweala staat bekend als een orthodoxe econoom met een decennialange carrière bij de Wereldbank. Haar kandidatuur om voorzitter van de Wereldbank te worden, werd gesteund door onder meer The Economist en The Financial Times, die nu niet bepaald bekend staan als vrienden van Afrikaanse arbeiders en boeren.’

    Impopulair besluit

    ‘Het beleid van Okonjo-Iweala in Nigeria leidde tot woede bij links. Velen waren tegen haar eerste grote daad als minister van Financiën. Die betrof afspraken met de Club van Parijs, een groepering van westerse en Japanse crediteuren, om de buitenlandse schuld van Nigeria in 2003 te herstructureren. Ze onderhandelde over een vermindering van de Nigeriaanse schuld van zo’n $ 35 miljard naar $ 17,4 miljard, inclusief een onmiddellijke afbetaling van $ 12,4 miljard. Veel Nigeriaanse progressieven betoogden dat die schuld was ontstaan door corrupte militaire dictaturen, dat geldschieters wisten dat het geld zou worden gestolen en dat de bevolking van Nigeria daarom geen dollar terug zou moeten betalen. De schuld was verfoeilijk en had moeten worden afgewezen. De miljarden aan terugbetalingen hadden ten goede kunnen komen van leraren, verpleegsters en infrastructuur.’

    Ook tijdens haar tweede periode als minister van Financiën haalde Okonjo-Iweala de woede van links op haar hals, aldus Perez. ‘Ze werd in januari 2012 het publieke gezicht van het zeer impopulaire besluit om subsidies op brandstof af te schaffen, hetgeen leidde tot een verdubbeling van de transportprijzen van de ene op de andere dag en tot een scherpe stijging van de kosten voor levensonderhoud. Miljoenen Nigerianen meenden dat de brandstofsubsidie het enige voordeel was dat ze hadden van de enorme olierijkdom van hun land en ze vertrouwden er niet op dat hun politieke leiders geld zouden overhevelen naar sociale uitgaven, zoals ze beloofden. De afschaffing van de subsidies leidde tot een nationale staking en tot protesten van Occupy Nigeria, waaraan cultuurdragers als Seun Kuti, Wole Soyinka en Chinua Achebe deelnamen.’

    Niet veel vertrouwen

    Perez betoogt dat ‘zwart’, ‘Afrikaans’ en ‘vrouw’, niet per se een belofte inhouden. ‘In de decennia sinds het einde van het formele kolonialisme hebben veel Afrikanen op harde wijze geleerd dat leiders die eruitzien zoals zij en klinken zoals zij, weinig verschil maken als ze een beleid voeren dat de meesten van hen schaadt.

    De keuze voor Okonjo-Iweala om de WHO te leiden, doet er alleen toe als dat leiderschap beleidsruimte opent voor ontwikkelingslanden om een industrieel beleid te kunnen voeren. De hoop is dat een WHO-directeur uit het Zuiden meer sympathie zal hebben voor de uitdagingen die het mondiale handelssysteem aan perifere economieën stelt, maar de staat van dienst van Okonjo-Iweala wekt in dit opzicht niet veel vertrouwen.

    Hoewel het ‘herenakkoord’ tussen Amerika en Europa, dat regelt dat het hoofd van het IMF altijd een Europeaan is en het hoofd van de Wereldbank een Amerikaan, niet te rechtvaardigen is, moet pan-Afrikaans links aandringen op een rechtvaardiger mondiale economie, en niet simpelweg op meer ‘zwarte gezichten op hoge posten’.

  • Wordt het nu dan echt tijd voor een vleestaks?

    Wordt het nu dan echt tijd voor een vleestaks?

    De roep om een verhoogde belasting op vlees neemt toe. Betutteling, vinden tegenstanders. Maar voorstanders wijzen op de hoognodige voordelen voor de volksgezondheid en het milieu.

    NEE

    Begin november publiceerde wetenschappelijk tijdschrift PLOS ONE een onderzoek van de Universiteit van Oxford dat een campagne lijkt in te luiden om verwerkt en rood vlees in de ban te doen. Het is een ware kruistocht, en zoals de meeste kruistochten begint ook deze met de roep om een zondebelasting.

    De bewijsvoering rust, zoals wel vaker wanneer de ‘volksgezondheid’ in het geding is, op ondoorzichtige computermodellen. Die leveren schattingen op van het aantal sterfgevallen als gevolg van de overconsumptie van vlees, de kosten voor de maatschappij en de hoogte van eventuele belastingen om die te compenseren. Uiteindelijk rolt daar een schatting uit van het aantal mensen dat langer leeft als we door hogere prijzen minder vlees gaan eten.

    Het artikel geeft de lezer te weinig informatie om het model werkelijk te kunnen begrijpen, maar één ding is duidelijk: de cijfers zijn onwaarschijnlijk hoog. De auteurs concluderen dat 
er wereldwijd jaarlijks 2,4 miljoen mensen sterven aan de consumptie van verwerkt en rood vlees. Op zich is, naar de losse standaarden van de voedingsepidemiologie, het verband tussen verwerkt vlees en darmkanker redelijk rechtlijnig. Het zou goed kunnen dat er inderdaad een associatie is tussen het eten van vlees en hart- en vaatziekten en beroertes. Maar dan nog is zo’n hoog cijfer volstrekt ongeloofwaardig.

    Slik je het idee dat er jaarlijks 2,4 miljoen mensen dood neervallen bij hun broodje ham of braadworst, dan ga je misschien ook mee met de auteurs in hun schatting

    Slik je het idee dat er jaarlijks 2,4 miljoen mensen dood neervallen bij hun broodje ham of braadworst, dan ga je misschien ook mee met de auteurs in hun schatting dat de consumptie van verwerkt en rood vlees de gezondheidszorg over de hele wereld jaarlijks 285 miljard dollar kost. De auteurs nemen dit bedrag en doen vervolgens een aantal ongespecificeerde aannames over 
de milieueffecten en de broeikasgasuitstoot van de veeteelt. Ze besluiten dan dat de prijs van verwerkt vlees in rijke landen met gemiddeld 111 procent zou moeten stijgen om de negatieve effecten ervan te compenseren.

    Hoe absurd dit voorstel misschien ook klinkt, het is helemaal niet zo onwaarschijnlijk dat er in de afzienbare toekomst zo’n vleesbelasting zal komen, waarschijnlijk gevolgd door een reclameverbod en afschrikwekkende waarschuwingen. De onstuitbare opkomst van de volksgezondheidsbeweging van de laatste jaren doet het ergste vrezen.

    Die kans wordt alleen maar groter als je bedenkt dat niet alleen de volksgezondheidslobby het graag wil. Gezondheidsfreaks, veganisten, vegetariërs en milieuactivisten hebben op dit punt een onzalig verbond gesloten. Het is een nieuwe fase in de groeiende betutteling die onze maatschappij in haar greep heeft. Alleen een domoor ziet niet in dat deze mensen ook nu hun zin zullen krijgen.

    Auteur: Christopher Snowdon

    Snowdon is een Britse auteur en journalist en lid van de libertarische denktank The Institute of Economic Affairs. Hij is een verklaard tegenstander van wat hij de ‘nanny state’ noemt.

    The Spectator   | Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 93.670  

    Springplank voor aspirant-parlementariërs. Opgericht in 1828 en nog altijd het kompas voor intellectuelen en conservatieve leiders. Sterke analyses, scherp van toon.

    1. Christopher Snowdon; 2. Sam Pugh.
    1. Christopher Snowdon; 2. Sam Pugh.

    JA

    Gesteld dat ons overheidsbeleid de weerslag moet vormen van de publieke opinie, maatschappelijke behoeftes en wetenschappelijk bewijs, wordt het hoog tijd voor een belasting op vlees.

    Recente conclusies van onder andere de Verenigde Naties, de Wereldgezondheidsorganisatie en de NHS [de Britse gezondheidsdienst] liegen er niet om: het lekkere stukje vlees op ons bord is zijn onschuld verloren. Zeker, vlees kan belangrijke voedingsstoffen leveren en deel uitmaken van een gezonde levensstijl. Maar dat is niet waar het hier om gaat.

    De consumptie van slechts 50 gram verwerkt vlees per dag (bijvoorbeeld een hotdog) verhoogt de kans om in de loop van je leven darmkanker te krijgen met 18 procent. De gemiddelde Brit eet niet minder dan 70 gram per dag. Vleesconsumptie belast dus onze gezondheidszorg en daar zijn kosten aan verbonden. Een belasting op vlees zou zeer vergelijkbaar zijn met de al bestaande accijnzen op tabak en sigaretten.

    Een belasting op vlees zou ook in lijn zijn met de Britse belasting op zoete frisdranken

    Voordat de huidige wetenschappelijke consensus over de nadelige effecten van roken tot stand kwam, ging men ervan uit dat sigaretten niet alleen onschadelijk waren, maar zelfs goed voor de gezondheid. De wetenschap ontdekte echter dat dit niet klopte en na verloop van tijd werd daarom het beleid aangepast, ondanks furieuze protesten van partijen die hun belangen bedreigd zagen.

    Een belasting op vlees zou ook in lijn zijn met de Britse belasting op zoete frisdranken. Suiker kan best deel uitmaken van een gezonde voeding, maar overconsumptie zorgt in ons dagelijks leven voor problemen; hier ligt een taak voor de overheid, vandaar deze belasting. In het geval van vlees komen daar nog de desastreuze milieueffecten en andere negatieve gevolgen van 
de veeteelt bij. Waarom is ingrijpen hier dan taboe?

    Niet alleen zou een vleesbelasting de Britten ertoe aanzetten gezonder te leven, het zou ook de Britse broeikasgasuitstoot met 17 procent terugbrengen. Groot-Brittannië zou laten zien de klimaatverandering serieus te nemen en zelfs het voortouw 
te willen nemen in de bestrijding ervan. De Denen en Zweden praten er al over, Groot-Brittannië zou hetzelfde moeten doen. Toch is de houding van veel mensen in deze kwestie nogal bizar: een uitzinnige, compromisloze, hartstochtelijke verdediging van alles wat maar met vlees te maken heeft.

    Tegenover deze vaak luidruchtige types moeten we onze motieven helder verwoorden: we pleiten er absoluut niet voor om vlees in de ban te doen of de vleesconsumptie te controleren. Een belasting is niet meer dan een verstandige, progressieve beleidsmaatregel, een stap 
in de goede richting, gebaseerd op wetenschappelijk bewijs. Kortom, een prima manier om iets te doen aan de negatieve gevolgen van onze persoonlijke keuzes.

    Auteur: Sam Pugh

    Pugh studeert politicologie aan de Universiteit van Glasgow, waar hij schrijft voor studentenplatform MyGlasgow. Deze bijdrage is zijn eerste stuk voor de New Statesman.

    New Statesman | Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 34.000

    Sinds 1913 hét tijdschrift voor de Britse linkse intelligentsia. Bekend om zijn diepteanalyses en stevige maatschappijkritiek. Biedt ook ruimte aan andere dan linkse 
geluiden.

  • Maakt Marine Le Pen nog een kans?

    Maakt Marine Le Pen nog een kans?

    De populariteit van Marine Le Pen neemt af. Toch geeft de leider van het tot Rassemblement National omgedoopte populistische Front niet op. Is er een kans dat ze zich revancheert bij de Europese verkiezingen van volgend jaar?

    Ja

    Nog geen anderhalf jaar geleden was Marine Le Pen verslagen en aan het eind van haar Latijn. Na een rampzalig verlopen televisiedebat had ze de tweede ronde van de Franse presidentsverkiezingen verloren van Emmanuel Macron. Ze wankelde als leider van het populistische Front National en was, naar het scheen, depressief.

    Maar kortgeleden dook zij met een nieuw elan op in Rome. Ze stond daar naast de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken Mateo Salvini en ging als vanouds tekeer tegen het ‘totalitaire’ Europa. Ze kondigde het begin aan van een nieuwe ‘geschiedenis met een grote G’. Bij de Europese parlementsverkiezingen in mei 2019 hoopt zij te laten zien dat haar partij, die voortaan Rassemblement National heet, er nog steeds toe doet.

    Dankzij de lage opkomst en de vele proteststemmen heeft haar partij het bij de Europese verkiezingen vaak goed gedaan. In 2014 werd het Front National, zoals de partij toen nog heette, met 25 procent van de stemmen de grootste Franse partij.

    De stembusgang van volgend jaar betekent voor president Macron een belangrijke tussentijdse test. Zijn populariteitscijfers zijn, na een zomer van uit de hand gelopen schandalen en agressieve opmerkingen, sterk gedaald. Hij loopt het risico dat de verkiezingen uitdraaien op een referendum over zijn presteren. De peilingen laten een nek-aan-nekrace zien tussen Le Pens nieuwe partij en Macrons La République en Marche: beide staan op ongeveer 20 procent, veel hoger dan alle andere partijen.

    Het kan dus goed zijn dat Le Pens partij opnieuw de grootste wordt.

    Zij heeft de populistische wind in Europa mee, en bovendien heeft ze op het thema Europa een strategische draai gemaakt die haar in de ogen van veel kiezers acceptabeler maakt

    Zij heeft de populistische wind in Europa mee, en bovendien heeft ze op het thema Europa een strategische draai gemaakt die haar in de ogen van veel kiezers acceptabeler maakt. Na het Brexit-referendum in 2016 was Le Pen overtuigd ‘Frexiteer’. Op een verkiezingsposter stond een paar vuisten die hun boeien verbreken, met daaronder de slogan: ‘Brexit, en nu Frankrijk!’ Zij pleitte er in haar campagne voor een referendum over uittreding uit de Europese Unie te houden en de euro door een ‘nationale munt’ te vervangen. Maar gepensioneerden vreesden dat hun spaargeld minder waard zou worden; tijdens de eerste ronde stemde maar 10 procent van hen op Le Pen.

    Na het debacle besloot Marine Le Pen haar standpunt over Europa te herzien. Over een referendum over het EU-lidmaatschap en een nationale munt werd niet meer gesproken. In plaats daarvan zei de partij toe te werken naar een hervormd ‘Europa van naties’. In Rome sloot dit mooi aan bij het programma van Salvini, die ook opeens niet meer uit de EU wil. Eendrachtig beloofden zij de Europese Unie opnieuw vorm te gaan geven en haar uit de klauwen van de ‘politici in de Brusselse bunker’ te wringen. Marine Le Pen wil niet langer de Europese Unie verlaten, maar die veroveren.

    The Economist
    Verenigd Koninkrijk | weekblad | oplage 1.337.180

    Sinds jaar en dag de bijbel voor iedereen die zich interesseert voor internationaal nieuws. Liberaal, niet te verwarren met conservatief.

    John Lichfield was twintig jaar lang correspondent voor The Independent in Parijs. Nu schrijft hij onder andere voor het platform UnHerd, voor lezers die ‘wat belangrijk is verkiezen boven het nieuws’.
    John Lichfield was twintig jaar lang correspondent voor The Independent in Parijs. Nu schrijft hij onder andere voor het platform UnHerd, voor lezers die ‘wat belangrijk is verkiezen boven het nieuws’.

    Nee

    Marine Le Pen is onlangs 50 geworden. Dit zou haar moment moeten zijn om een belangrijke figuur in de Franse en Europese politiek te worden. De traditionele Franse centrum-rechtse partijen liggen op apegapen en president Emmanuel Macron is impopulair bij de kiezers. Le Pen heeft haar vaders partij een facelift gegeven (nationalistisch, maar niet langer openlijk racistisch) en zou met gemak de nationalistische, anti-immigratie-, anti-islam- en eurosceptische kiezers voor zich moeten kunnen winnen.

    Toch heeft zij het, sinds ze bij de presidentsverkiezingen verpletterend werd verslagen door Macron, allesbehalve gemakkelijk gehad. Het lukte haar niet om zichzelf als ‘oppositieleider’ te positioneren. Eerder nog heeft haar rivaal op de linkerflank, Jean-Luc Mélenchon, zich die rol aangemeten.

    Volgens een van haar oudste economische adviseurs, die onlangs de partij verliet, is ze economisch ongeletterd en begrijpt ze zelfs de meest eenvoudige financiële kwesties niet. Euro of geen euro? Belastingverlagingen of interventies door een sterke overheid? Tijdens een rampzalig verlopen televisiedebat, vlak voor de tweede stemronde vorig jaar, wist Macron haar verwarring op deze punten overtuigend aan te tonen. Sinds die tijd is er, behalve de naam van haar partij, weinig veranderd. Haar populariteit is zelfs nog wat afgenomen: slechts 16 procent van de ondervraagden noemt haar nu een ‘potentiële toekomstige president’. Toch geeft Le Pen niet op. Ondanks de naamsverandering naar Rassemblement National is haar partij nog steeds een onvervalst familiebedrijf. Er is niemand opgestaan die haar als leider zou kunnen uitdagen en zo de hegemonie van de Le Pens zou kunnen doorbreken.

    Waarschijnlijk zal Rassemblement National het goed doen bij de Europese verkiezingen in mei. Protestpartijen doen het daar door de lage opkomst altijd goed. Toch gaat dat niet de aardverschuiving opleveren waar Marine Le Pen op hoopt. Het moet raar lopen of zij zal ook bij de komende presidentsverkiezingen de kandidaat voor haar partij zijn en bij de drie of vier kandidaten horen die om een plek strijden in de tweede ronde. De meeste kans maakt zij om die te winnen als het uitdraait op een tweestrijd tussen haar en Mélenchon. Maar het is onwaarschijnlijk dat dat gebeurt, aangezien het electoraat van extreemlinks en extreemrechts elkaar overlappen, vooral in het voormalig industriële en landelijke deel van Frankrijk.

    Het Franse systeem met twee verkiezingsronden stelt outsiders in staat tot de tweede ronde door te dringen, maar maakt het hun moeilijk die te winnen. Je zult altijd – tenzij als je je, zoals Emmanuel Macron, in het midden positioneert – de rest van de kiezers schouder aan schouder tegenover je vinden.

    Er is een abrupt einde gekomen aan Macrons onweerstaanbare opkomst. Desalniettemin heeft hij met zijn belangrijkste tegenstanders in 2022 geluk. Het moment van Marine Le Pen was daar, maar is alweer voorbij.

    Auteur: John Lichfield

  • Stopt Google terecht zijn samenwerking met het Pentagon?

    Stopt Google terecht zijn samenwerking met het Pentagon?

    Techgigant Google ondersteunt het droneprogramma Project Maven van het Pentagon. Dat strookt niet met de waarden van het bedrijf, vonden veel werknemers. Daarop besloot Google op 1 juni het contract in 2019 niet te verlengen. Een juiste beslissing?

    JA

    Moet multinational Google zijn technologie gebruiken om het militaire overwicht van één land te versterken? Moet het zijn geavanceerde AI-software, zijn onlinediensten en de reusachtige hoeveelheid persoonlijke gegevens die het verzamelt, inzetten bij de ontwikkeling van autonome wapens?

    Onlangs nam ruim een dozijn werknemers ontslag omdat Google het droneprogramma Project Maven van het Pentagon met zijn AI ondersteunt. Dit project moet drones gemakkelijker mensen laten identificeren. Hun stap volgt op een open brief, ondertekend door ruim 3100 Google-werknemers, waarin staat dat Google zich niet met oorlogsvoering moet bezighouden.

    In het Maven-programma van het Amerikaanse leger wordt AI gebruikt om op beelden van surveillancedrones ‘interessante objecten’ te ontdekken, die menselijke analisten dan verder kunnen inspecteren. Niet alleen levert Google hiervoor de AI-technologie, maar ook technici en expertise. Maven is al actief ‘in het Midden-Oosten’ en vanaf volgende zomer wordt de inzet geïntensiveerd. De bedoeling is om er ongerichte surveillancebeelden mee te analyseren die ‘hele steden kunnen bestrijken’.

    Door aan project Maven deel te nemen, ondersteunt Google het mogelijk illegale Amerikaanse droneprogramma en werkt het de immorele praktijk in de hand van door statistiek en algoritmes gedreven liquidaties

    In de berichtgeving over Project Maven wordt vooralsnog de rol van menselijke analisten benadrukt, maar de bedoelingen van de Amerikaanse ministerie van Defensie zijn overduidelijk. De techniek moet het proces van identificatie van doelwitten, waaronder mensen, gaan automatiseren en vervolgens de wapens aansturen om die mee aan te vallen. Volgens Defense One heeft het Pentagon al plannen om zulke beeldanalysesoftware eveneens in de drones zelf in te bouwen, ook in gewapende. Het is dan nog maar een kleine stap naar volledig autonome drones, die zonder menselijk toezicht of menselijke controle mogen doden.

    Zelfs zonder de automatische identificatie van doelwitten was het Amerikaanse droneprogramma al controversieel. Volgens velen waren de gerichte liquidaties in strijd met Amerikaanse en internationale wetgeving. Het ging bij deze liquidaties om ‘personality strikes’ op bekende individuen, wier naam op een dodenlijst voorkwam, en om ‘signature strikes’, gebaseerd op een ‘levenspatroonanalyse’. Bij dit laatste type aanval worden mensen tot doelwit bestempeld louter op basis van hun uiterlijk en hun gedrag op surveillancebeelden. Het gevolg was dat er bij luchtaanvallen niet alleen geregeld omstanders werden gedood, maar dat zelfs sociale bijeenkomsten, zoals huwelijken, soms doelwit werden van een aanval.

    Door aan project Maven deel te nemen, ondersteunt Google het mogelijk illegale Amerikaanse droneprogramma en werkt het de immorele praktijk in de hand van door statistiek en algoritmes gedreven liquidaties. Het multinationale bedrijf Google heeft de handen ineen geslagen met het leger van één bepaald land. Het ontwikkelt een techniek die mogelijk zeer gevaarlijk kan worden voor haar gebruikers en hun buren. Dit is een kritiek moment.

    Auteurs: Lucy Suchman, Lilly Irani, Peter Asaro
    Bron: The Guardian

    Lucy Suchman is hoogleraar wetenschapsantropologie aan Universiteit van Lancaster. Lilly Irani is universitair docent aan de Universiteit van California. Peter Asaro doceert aan de New School in New York.

    1. Lucy Suchman; 2. Christopher M. Kirchoff.
    1. Lucy Suchman; 2. Christopher M. Kirchoff.

    NEE

    Moeten technologen voorkomen dat hun gereedschappen gebruikt worden om oorlog te voeren? Bij Google werd deze vraag woedend met ‘ja’ beantwoord. Ruim drieduizend werknemers ondertekenden een petitie als protest tegen het gebruik van de algoritmes van het bedrijf in Project Maven. Dit is een project waarmee het ministerie van Defensie objecten op videobeelden automatisch wil gaan identificeren.

    Ondanks hun nobele bedoelingen snappen de ondertekenaars niet goed wat technologie is. Evenmin zien ze in hoe belangrijk het leger is voor de economische voorspoed van de VS. Een nauwe relatie tussen Silicon Valley en het Pentagon is zowel goed voor de industrie als voor de nationale veiligheid.

    Op zich valt toe te juichen dat de technici van Google zich openlijk afvragen of de door hun uitgevonden machine learning-algoritmes wel in Project Maven mogen worden toegepast. Het zou morele helderheid scheppen als technologie voor oorlogvoering netjes van andere soorten technologie kon worden gescheiden. Alleen kan dat helaas niet. Silicon Valley voert allang oorlog: de technologieën die het ontwikkelt voor automatisch zoeken, gegevensopslag en patroonherkenning hebben ook militaire toepassingen. De machinaal lerende algoritmes waarmee beelden op het internet worden geclassificeerd kunnen ook gebruikt worden om terroristische activiteiten mee op te sporen. Overheid en industrie wisselen technologie uit; vredelievende technologie wordt ingezet bij oorlogsvoering en andersom.

    De technologie achter Project Maven probeert het aantal onschuldige slachtoffers verder te beperken. Een beslissing van Google om er niet aan mee te werken is dus moreel erg complex

    Toch is de hoop op een verantwoord gebruik van deze techniek niet vervlogen. De controverse omtrent Project Maven leert ons een belangrijke les over wie uiteindelijk de inzet van technologie bepaalt. Google maakt immers deel uit van een democratisch bestel. Uiteindelijk besluiten onze volksvertegenwoordigers over het gebruik van geweld en de ingezette middelen. Beïnvloeden hoe de VS oorlog voeren, kun je via de stembus.

    Ook het Amerikaanse leger functioneert binnen ons democratisch bestel en probeert daarom om met een zo groot mogelijke precisie te vechten. Veel meer dan bij minder democratische grootmachten ligt de focus op het beperken van burgerslachtoffers. De technologie achter Project Maven probeert het aantal onschuldige slachtoffers verder te beperken. Een beslissing van Google om er niet aan mee te werken is dus moreel erg complex.

    De marktwaarde van Apple en Google ligt twee keer zo hoog als de waarde van de gehele Amerikaanse defensie. De enige manier waarop het leger het land kan blijven beschermen en de relatieve vrede kan blijven waarborgen, is door voortdurend de nieuwste technieken toe te passen. Het leger de toegang weigeren tot deze techniek zou op termijn de slagvaardigheid in de weg staan, wat een ramp zou betekenen voor de natie, en voor de wereld.

    Auteur: Christopher M. Kirchhoff
    Bron: The New York Times

    Christopher M. Kirchhoff leidde een Pentagongroep die technologie van start-ups integreerde in militaire missies.

    Vertaler: Valentijn van Dijk

  • Frans Hals Museum kiest voor de confrontatie

    Frans Hals Museum kiest voor de confrontatie

    In de tentoonstelling Rendez-vous met Frans Hals wordt werk van de oude meester getoond naast dat van nog levende kunstenaars als fotografe Nina Katchadourian, multimediakunstenaar Shezad Dawood en schilder en beeldhouwer Anton Henning.

    Frans Hals, die in de Gouden Eeuw rijke kooplieden en guitige boeven portretteerde, was tijdens zijn leven populair en succesvol, maar raakte al voor zijn dood uit de mode. Zijn losse, 
vrijmoedige penseelvoering was te weinig fijnzinnig naar de smaak van de achttiende eeuw. Maar in de negentiende eeuw werd hij herontdekt door de impressionisten, die hem weer op het schild hesen als een moderne meester.

    Nu evenaart Hals in het pantheon van de kunstgeschiedenis zijn landgenoten Rembrandt en Vermeer, maar Ann Demeester, directeur van het Frans Hals Museum in Haarlem, ziet hem liever als een ‘transhistorische’ figuur, wiens invloed een tijdsprong maakt naar de hedendaagse kunst. Daarom heeft ze de ongebruikelijke stap genomen om hoogtepunten uit de Hals-collectie van het museum en andere 
werken uit de Gouden Eeuw naast het werk te hangen van nog levende kunstenaars, zoals fotografe 
Nina Katchadourian, multimediakunstenaar Shezad Dawood en schilder en beeldhouwer Anton Henning, voor een tentoonstelling getiteld Rendez-vous met 
Frans Hals. Ze hoopt daarmee aan te tonen dat huidige 
kunstenaars zich nog altijd laten inspireren door de 350 jaar oude nalatenschap van Hals.

    ‘Geschiedenis leeft’

    ‘Transhistorisch’ is tegenwoordig een soort modewoord in kringen van curatoren, nu musea naar nieuwe manieren zoeken om publieke belangstelling voor oudere kunst te wekken. Het vermengen van oud en nieuw heeft ook belangstelling gewekt bij verzamelaars op kunstbeurzen als Frieze New York, en ook veilinghuizen doen volop mee: vorig jaar 
verkocht Christie’s tijdens een veiling van moderne kunst Leonardo da Vinci’s Salvator Mundi voor 450 miljoen dollar.

    Het Frans Hals Museum heeft transhistorische 
ideeën onderdeel van zijn beleid gemaakt. De huidige tentoonstelling duurt tot en met september, waarna het museum andere stukken uit de collectie kriskras door elkaar zal hangen, zoals bij de voor februari 2019 geplande tentoonstelling Frans Hals en de Modernen, 
die werken van Hals naast impressionistische en postimpressionistische schilderijen zal tonen.

    ‘De transhistorische trend probeert duidelijk te maken dat geschiedenis leeft,’ zegt Sheena Wagstaff, voorzitter van de afdeling moderne en hedendaagse kunst van het Metropolitan Museum of Art in New York. In een telefonisch interview beschrijft 
Wagstaff haar programmering in het Met Breuer, het filiaal van het museum op Madison Avenue, als ‘bewust transhistorisch’, een term die ze volgens eigen zeggen zo’n zes jaar geleden is gaan gebruiken. ‘Met een mengeling van geschiedenis en hedendaagse kunst kunnen we enkele raadsels oplossen die de kern vormen van grote kunst,’ zegt ze.

    De in 2016 in Breuer gehouden tentoonstelling Unfinished: Thoughts Left Visible toonde onvoltooide schilderijen door de eeuwen heen, van Titiaan tot Lucian Freud, Gerhard Richter en Bruce Nauman. Daarna volgde Like Life: Sculpture, Color and the Body (1300-Now), die nog tot 22 juli te zien is en een 
niet-chronologische kijk geeft op zevenhonderd jaar sculpturen van het menselijk lichaam.

    De tentoonstelling Rendez-vous met Frans Hals, met werk van de oude meester naast dat van hedendaagse kunstenaars. – © Gert Jan van Rooij
    De tentoonstelling Rendez-vous met Frans Hals, met werk van de oude meester naast dat van hedendaagse kunstenaars. – © Gert Jan van Rooij

    Deze tentoonstelling, die niet alleen de schone kunsten omvat maar ook wassen beelden en anatomische modellen, begint met een hyperrealistisch beeldhouwwerk van Duane Hanson uit 1984, springt van een vijftiende-eeuws beeldhouwwerk van Donatello naar een werk van El Greco uit de Spaanse renaissance en plaatst een moderne androïde naast een negentiende-eeuwse beeltenis van Jeremy Bentham, gemaakt met de beenderen van de Britse filosoof zelf. ‘De bedoeling van deze tentoonstelling was om de canon open te stellen en uit te breiden met werk dat 
in een populistischer licht kan worden bezien,’ zegt Wagstaff.

    Suzanne Sanders, de Amsterdamse kunsthistorica die in 2015 en 2016 congressen organiseerde over ‘Het transhistorisch museum’, noemt transhistorische tentoonstellingen ‘de belangrijkste stap van de makers om het museum opnieuw uit te vinden en een nieuw paradigma te creëren. Het kan “trans” 
zijn in alle betekenissen van het woord,’ legt ze uit, ‘van door de geschiedenis heen tot transdisciplinair of excentriek, of door alleen maar dingen te exposeren op een inclusieve manier en zo een evenwicht 
te vinden tussen het erkennen en aanspreken van verschillende standpunten.’

    Maar volgens James Bradburne, directeur van de Pinacoteca di Brera in Milaan, is de trend slechts een nieuwe term voor wat curatoren altijd al hebben gedaan: ‘Mensen proberen terug te brengen naar de tijd dat de kunst hedendaags was. We zijn altijd verplicht om de kunst die we in onze collectie hebben op een hedendaagse manier te presenteren,’ zegt hij, ‘zoals een acteur die een stuk van Shakespeare speelt het aan een hedendaags publiek presenteert, of dat nu in maffiakostuum is 
of in travestie.’

    Een jaar geleden richtte het M-Museum Leuven zijn collectie opnieuw in onder de titel M-collectie: De kracht van beelden, waarbij nieuwe vergelijkingen worden getrokken, zoals tussen een veertiende-eeuwse piëta, een zestiende-eeuws barokschilderij en een conceptuele kunstinstallatie uit 2009. ‘We wilden van die tijdmatige benadering af,’ zegt directeur Eva Wittocx telefonisch. ‘Zelfs mensen die deze werken al heel lang kennen, 
kunnen er nieuwe betekenissen in vinden of er op een andere manier naar leren kijken.’

    Tal van kunstliefhebbers hebben op Instagram gereageerd op het feit dat het museum een zelfportret van Rembrandt naast een color field painting van Mark Rothko heeft gehangen

    Het Kunsthistorisches Museum in Wenen, waarvan de permanente collectie varieert van Oud-Egyptische tot achttiende-eeuwse kunst, leende 22 hedendaagse kunstwerken voor de tentoonstelling The Shape of Time, die tot 8 juli duurt. Een van 1636-1638 daterend naakt dat zichzelf ten dele met een bontjas bedekt, van de Vlaamse meester Peter Paul Rubens, wordt gepresenteerd naast een volledig frontaal naakt van rond 1970 van de Oostenrijkse kunstenares Maria Lassnig.

    ‘Ik beeld me graag in dat we alle ideeën, zorgen, dromen en nachtmerries in alle historische werken die we bezitten wel zo’n beetje hebben achterhaald,’ zegt Jasper Sharp, verantwoordelijk voor het programma voor moderne en hedendaagse kunst van het museum. Maar hij voegt eraan toe dat de curatoren er een paar jaar over hebben gedaan om te bepalen ‘wat voor soorten confrontaties interessant en respectvol zouden zijn’. Édouard Manet koppelen aan Diego Velázquez of een Titiaan in gesprek brengen met 
een J.M.W. Turner leek te werken, zegt hij, omdat 
‘dit zeer goed gedocumenteerde voorbeelden zijn van jongere kunstenaars die bewonderend naar oudere kunstenaars kijken’.

    Maar andere keuzes bleken riskanter. Tal van kunstliefhebbers hebben op Instagram gereageerd op het feit dat het museum een zelfportret van Rembrandt naast een color field painting van Mark Rothko heeft gehangen. ‘De helft vond dit volstrekt niet kunnen, of zei dat Rembrandt zich zou omdraaien in zijn graf,’ aldus Sharp. ‘Sommige verbanden kloppen meteen; andere vergen langduriger kijken.’

    Ann Demeester van het Frans Hals Museum wijst erop dat de kunstgeschiedenis een kakofonie is wat verbanden en invloeden betreft, ‘door mensen die elkaar spreken in salons en cafés, en dingen door elkaar halen.’ ‘Bij het creëren van meer betekenis en nieuwe verhalen voor een publiek,’ voegt ze eraan toe, ‘is het belangrijk dat een museum meer als 
een kunstenaar denkt. Een kunstenaar is vrijer of minder geremd dan een kunsthistoricus om verbanden te leggen die tijden, culturen of geografieën overschrijden. Om te verbinden.’

    Auteur: Nina Siegal

    Openingsbeeld: © Gert Jan van Rooij

    The New York Times
    Verenigde Staten | dagblad | oplage 540.000

    De krant der kranten, met als motto ‘All the news that’s fit to print’. Won meer journalistieke prijzen dan enig ander medium.

  • Controverse: Bedrijft Schmeichel propaganda voor Poetin?

    Controverse: Bedrijft Schmeichel propaganda voor Poetin?

    De voormalige Deense topkeeper en voetbalanalist Peter Schmeichel verslaat 
de aanloop naar het WK voetbal voor de zender Russia Today, bekend als spreekbuis van het Kremlin. Dat levert hem veel kritiek op in zijn vaderland.

    JA

    Peter Schmeichel werd tot twee keer toe verkozen tot keeper van het jaar, won met Denemarken het EK van 1992 en vierde triomfen met zijn club Manchester United. Zijn vizier staat nu echter minder scherp dan in zijn tijd als keeper. Dat kunnen we tenminste opmaken uit zijn recente werkzaamheden voor de Russische televisiezender Russia Today (RT). Een zender die niet alleen gefinancierd wordt door de Russische staat, maar ook 
als journalistieke spreekbuis van het Kremlin fungeert.

    Natuurlijk heeft Schmeichel het recht om zijn geld te verdienen zoals het hem goeddunkt. Wat hij doet is, zoals zijn vroegere teamgenoot Stig Tøfting het verwoordde, ‘in ieder geval niet verboden’. Maar is het ook slim? Of ook maar verdedigbaar? Rusland is, na een korte flirt met de democratie, uitgegroeid tot schurkenstaat. Poetins opponenten zijn onschadelijk gemaakt, potentieel gevaarlijke tegenstanders worden uitgesloten van deelname aan de verkiezingen, sommigen van hen zelfs vermoord of ze verongelukken onder verdachte omstandigheden. De president vertrekt hierbij geen spier. De Krim is ingelijfd, de Baltische staten voelen zich bedreigd en in het oosten van Oekraïne woedt een oorlog, waarbij een Maleisisch lijnvliegtuig werd neergehaald met luchtafweerraketten van Russische makelij. De Russische ambassadeur in Kopenhagen dreigt zelfs eventueel kernwapens in te zetten tegen Deense oorlogsschepen, indien het land zich aansluit bij het westerse antiraketschild. Het Deense ministerie van Defensie en de grote wapenfabrikant Maersk hebben te lijden onder cyberaanvallen. En dat is nog maar het begin van een lange, lange lijst.

    De oud-keeper is niet bepaald een onderzoeksjournalist. Dat is hij nooit geweest, waarom zou hij het nu dan opeens worden?

    Schmeichel heeft echter vrolijk besloten zich in dienst te stellen van dit regime. Hij benadrukt dat hij geheel zelfstandig de thema’s en inhoud van zijn programma’s mag kiezen, en dat hij niemand verantwoording schuldig is. Dat is fijn voor Schmeichel en helemaal voor RT, want de oud-keeper is niet bepaald een onderzoeksjournalist. Dat is hij nooit geweest, waarom zou hij het nu dan opeens worden?

    Op zich kan het medialandschap het best zonder een kritische Schmeichel stellen. Rusland komt de laatste tijd sowieso bijna uitsluitend negatief in het nieuws. Stemmingmakerij tegen het land is dus onnodig, die verzorgt het zelf al. Het meest recente voorbeeld was de poging tot moord in Salisbury.

    Schmeichel heeft een onverstandige keuze gemaakt, misschien zonder er goed over na te denken. Hij zou op zijn beslissing terug moeten komen. Sportief als hij is, ziet hij dat hopelijk zelf ook in. 

    Redactioneel – Jyllands-Posten

    Denemarken | dagblad | oplage 84.000
    Liberaal-conservatieve ochtendkrant. Jyllands-Posten kwam in 2005 internationaal 
in het nieuws toen het satirische politieke spotprenten publiceerde waarin de profeet Mohammed werd gebruikt.

    1. Jyllands-Posten; 2. Christian Jensen (van Politiken).
    1. Jyllands-Posten; 2. Christian Jensen (van Politiken).

    NEE

    Peter Schmeichel wordt voorgesteld als een clown met een rode neus in een Russisch staatscircus, met Vladimir Poetin als directeur met de hoge hoed. Anderen zien in Schmeichel een naïeve topvoetballer die voor presentator speelt zonder te beseffen dat hij in werkelijkheid een 1.91 meter lange reclamezuil is voor het beleid van Poetin. En weer anderen vinden hem een slimme zakenman die gewoon zijn Peter Schmeichelshow verkoopt 
aan de hoogste bieder.

    Zonder twijfel wordt Peter Schmeichel voor zijn werk als presentator bij de Russische televisiezender Russia Today vorstelijk betaald – zelfs naar Russische maatstaven. Ook staat buiten 
kijf dat RT Poetins propagandakanaal is. En ten slotte is evident dat Schmeichel, door als gastheer voor het gastland van het wk voetbal op te treden, smakeloze televisie maakt.

    Als kijker kun je moeilijk Schmeichels enthousiasme delen wanneer hij een stadion in de stad Nizjni Novgorod binnenwandelt, schilderijen van Kandinsky bekijkt, langlauft of Russische matroesjkapoppetjes beschildert.

    Heeft Schmeichel iets van een gids in een van Poetins nationalistische potemkindorpen? Iets wel, ja. Helpt hij met zijn optredens mee om Rusland in een gunstig daglicht te zetten? Absoluut.

    Deze politici vinden het niet kunnen dat Schmeichel dit WK verslaat, maar zelf staan zij ons nationale team toe om er te spelen en sturen ze officiële vertegenwoordigers

    Om allerlei redenen was het onverstandig van Schmeichel om zich door RT te laten inlijven. Toch is het wel zo fair om hem naar de concrete inhoud van zijn programma’s te beoordelen. Goed beschouwd was zijn optreden daarin tot dusver eerder pijnlijk dan werkelijk laakbaar.

    Schmeichel kreeg kritiek omdat hij, in een interview over de veiligheidssituatie tijdens het WK, naliet om door te vragen. 
Die kritiek was terecht, maar hij ondervroeg de president van [wereldvoetbalbond] FIFA, de Zwitser Gianni Infantino. Niet de Russische autoriteiten. Niet Poetins woordvoerder.

    En zelfs al is de inhoud van deze televisieprogramma’s misschien soms discutabel, dan nog kunnen bepaalde Deense politici de ex-voetballer moeilijk bekritiseren zonder hypocriet over te komen. Deze politici vinden het niet kunnen dat Schmeichel dit WK verslaat, maar zelf staan zij ons nationale team toe om er te spelen en sturen ze officiële vertegenwoordigers. Onze deelname aan het evenement legitimeert Poetin net zo goed.

    Als Denemarken, net als andere landen, van plan is om zijn volkslied op Poetins WK te laten klinken, dan is dat vanuit de overtuiging dat voetbal landen moet verenigen en niet verdelen. Wij zijn ervan overtuigd dat het beter is om contact te blijven houden en een dialoog te voeren, dan om het Russische volk de rug toe te keren. En wij denken dat het mogelijk is Poetins beleid scherp 
te veroordelen en tegelijkertijd toch in zijn stadions te spelen.

    Daar kun je het mee oneens zijn. Maar in dat geval moet je ook de consequenties aanvaarden. Je kunt niet tegelijkertijd meedoen met het WK en diegenen bekritiseren die het evenement verslaan. Politici die dat doen, zijn hypocriet.

    Auteur: Christian Jensen
    Christian Jensen (1972) is hoofdredacteur van Politiken. Hij werkte eerder 
voor Dagbladet Information en, 
als onderzoeksjournalist, voor 
het dagblad Berlingske.

    Politiken
    Denemarken | dagblad | oplage 88.000
    Een van de grootste kranten van Denemarken. Met zijn sociaal-liberale karakter vooral gelezen door de hogere middenklasse in Kopenhagen. De vormgeving van Politiken wordt wereldwijd geprezen.

    Vertaler: Valentijn van Dijk

  • 3. Controverse: Moet ik van Facebook af?

    3. Controverse: Moet ik van Facebook af?

    Als maar genoeg mensen Facebook de rug toekeren, begrijpt het concern wel dat het zich niet langer 
zo onwetend kan opstellen. Of zorgt de koersval er vanzelf voor dat Facebook zijn lesje leert?

    JA

    Het is welletjes. Ik ben weg. Mijn Facebookaccount heb ik verwijderd. Dag beste 348 ‘vrienden’, ik vind jullie nog altijd aardig, maar we zien elkaar wel ergens anders. Waarom nu? Tegenvraag: waarom nu pas? Het is immers bekend dat Facebook een mondiaal opererend bewakingssysteem en 
een reusachtig datamonster is. En we weten al jaren dat het concern nagenoeg een monopolist is en zich ook als zodanig opstelt, onbuigzaam naar concurrenten, ondoorzichtig in eigen zaken, arrogant tegenover de politiek.

    Dus wat is er veranderd? Te veel is er 
de laatste tijd samengekomen: in het debat over lastercampagnes op internet deed Facebook telkens weer de belofte actie te zullen ondernemen. Maar er gebeurde pas iets toen de [Duitse] Bondsregering ingreep. Sindsdien ben ik het vertrouwen in de beloften van het concern kwijtgeraakt.

    Vervolgens de kwestie met de Amerikaanse verkiezingsstrijd (en naar het zich laat aanzien ook met de Brexit): Facebook is kennelijk misbruikt voor propaganda, voor leugens, voor nepnieuws. Of de Russen erachter zitten, of de verkiezingen zo werden beslist – het doet er niet toe. Duidelijk is dat Facebook zelf geen vat meer heeft 
op wat er op het platform gebeurt.

    Ten slotte het schandaal rond Cambridge Analytica. Veel is nog onduidelijk, maar vaststaat dat Facebook al twee jaar van het datamisbruik afwist en niet heeft ingegrepen. Facebookoprichter Mark Zuckerberg heeft daar een heel juiste verklaring over afgegeven: ‘Wij hebben de verantwoordelijkheid om jullie informatie te beschermen. Als we dat niet kunnen, verdienen we jullie niet.’ Dat vind ik nou ook.

    Ik mis: niets. Een foto van bekenden hier, een like daar. Niets daarvan is belangrijk. In werkelijkheid is Facebook een tijddodingsmachine

    Om Facebook te verlaten moet je alleen je eigen gemakzucht overwinnen. Het is niet heel eenvoudig om je af te melden en dat is waarschijnlijk geen toeval. Ook wie bij Facebook vertrekt maar bij WhatsApp of Instagram blijft, is nog altijd toeleverancier van Zuckerbergs computers, want beide ondernemingen maken deel uit van zijn concern. Maar is dat een argument tegen stap één? Integendeel.

    Zal Facebook veranderen, enkel omdat ik me afmeld? Het is evident dat alleen met overheidsregulering echt iets te bereiken valt, maar als er maar genoeg gebruikers vertrekken en adverteerders wegblijven, dan snapt zelfs een wereldmacht als Facebook dat het de regels niet zelf kan bepalen. En er zijn tamelijk veel mensen die Facebook vaarwel zeggen. Zoals Elon Musk van elektrische-autofabriek Tesla en Brian Acton, medeoprichter van WhatsApp. Jim Snabe, voorzitter van de raad van toezicht bij Siemens. En Tim Cook, de baas van Apple, zegt: ‘Ik heb geen kinderen, maar wel een neefje en ik wil niet dat hij gebruikmaakt van sociale netwerken.’

    Uiteindelijk is het een persoonlijke kwestie: wat heb ik aan Facebook, hoe belangrijk vind ik de berichtenstroom, hoezeer heb ik het medium nodig? 
De antwoorden kunnen bij een onderneming anders uitpakken dan bij mij (ook Die Zeit zit op Facebook).

    In het recentste schandaal rond Facebook moeten twee zaken worden onderscheiden. Ten eerste Facebook zelf. Buiten kijf staat dat gegevens van miljoenen gebruikers in verkeerde handen zijn gevallen. Het sociale netwerk wist dat al vanaf 2015, heeft het verdoezeld en daarmee het vertrouwen van zijn gebruikers misbruikt. Door deze en andere gebeurtenissen ontstaat de indruk dat Facebook zijn gebruikers niet afdoende beschermt 
en een probleem heeft met de kwaliteit van zijn software.

    De tweede speler in dit schandaal Cambridge Analytica, een bedrijf voor politieke marketing uit Groot-Brittannië. Een oud-medewerker heeft onthuld dat het bedrijf zich de genoemde gegevens van de Facebookgebruikers heeft toegeëigend en die later voor de Amerikaanse verkiezingsstrijd wilde gaan gebruiken. In 2016 werkte Cambridge Analytica namelijk voor Donald Trump. Onduidelijk is nog of de gegevens daadwerkelijk zijn gebruikt.

    Tijddodingsmachine

    Vlak nadat Trump tot president was gekozen, deden evenwel beweringen de ronde dat Cambridge Analytica een buitengewoon effectieve methode had ontwikkeld om aan de angsten van potentiële kiezers te appelleren. Dat zou hebben bijgedragen aan de overwinning van Trump. Managers 
van het bedrijf weerspraken dat niet. Als basis dienden onderzoeken aan de Universiteit van Cambridge. Wetenschappers hadden daar een persoonlijkheidsanalyse ontwikkeld die sterk steunde op de likes die een Facebookgebruiker geeft. Het lag dus voor de hand dat Cambridge Analytica geïnteresseerd was in dergelijke gegevens. Een Britse onderzoeker die de gegevens van miljoenen gebruikers van Facebook had verzameld, speelde deze door aan het bedrijf. IT-experts van de Britse privacyautoriteiten proberen momenteel deze gang van zaken met bewijzen te staven.

    Ik was al een tijdje nauwelijks meer actief op Facebook en had de app 
al verwijderd. Ik mis: niets. Een foto van bekenden hier, een like daar. Niets daarvan is belangrijk. In werkelijkheid is Facebook een tijddodingsmachine. Ik ben daar 
nu weg.

    NEE

    De koersval zorgt ervoor dat Facebook zijn lesje leert. Wie zich nu afmeldt, benadeelt zichzelf.

    Natuurlijk zeg ik Facebook niet vaarwel. Oké, ik geef toe dat ik het even heb overwogen toen bekend werd dat de gegevens van vijftig miljoen gebruikers illegaal aan het obscure bedrijf Cambridge Analytica zijn doorgespeeld, dat daarmee op zijn beurt de Amerikaanse presidentsverkiezingen zou hebben beïnvloed. Maar ik heb besloten het niet te doen, om drie redenen.

    Ten eerste is Facebook nu gewaarschuwd. Een daling van de aandelenkoers met bijna 20 procent in één week laat zelfs het meest cynische management niet koud. Het concern zal na de opwinding rond Cambridge Analytica proberen het in het toekomst moeilijker te maken om op een legale manier verkregen gegevens illegaal aan anderen door te spelen. Of om toegang te krijgen tot gegevens van gebruikers die daar niet mee hebben ingestemd. Tot nog toe staat ook niet vast dat zoiets vaker of zelfs doorlopend gebeurt. Facebook zou de drempel voor dergelijk wangedrag nog kunnen verhogen. Bijvoorbeeld door de veroorzakers van het schandaal consequent en standvastig gerechtelijk te vervolgen. Ook op technisch vlak zijn er waarschijnlijk nog mogelijkheden.

    Ten tweede geloof ik de beweringen over de Amerikaanse verkiezingen niet. Wie laat zich bij het invullen van een stembiljet nou beïnvloeden door posts op Facebook? Ik in elk geval niet. En 
als iemand dat toch doet, zouden heel gewone verkiezingsspotjes (die er in Amerika bij bosjes zijn) dan niet hetzelfde bewerkstelligen? Tot nog toe is niet duidelijk wat Cambridge Analytica precies heeft gedaan met de Facebookgegevens. Maar wat zou dat meer moeten zijn geweest dan mensen een beetje doelgerichter aanspreken? Dat is geen magie. Het verhaal dat het bedrijf de Amerikaanse presidentsverkiezingen heeft beslist is zeer waarschijnlijk vooral een geslaagde marketingstunt.

    Eergisteren nog kreeg ik via Facebook een bericht van een vrouw die ik voor het laatst heb gesproken toen ik zeventien was. Zij was destijds mijn gastmoeder in Nieuw-Zeeland

    Niettemin zou natuurlijk niemand 
illegaal aan Facebookgegevens mogen komen. En het is een gotspe dat het management van het netwerk pas zo laat publiekelijk heeft toegegeven dat dat is gebeurd. Zolang echter niet duidelijk is of privégegevens herhaaldelijk zonder instemming van de gebruikers zijn overgeheveld, is dat allemaal voor mij niet erg genoeg om Facebook te verlaten.

    Dat komt door de derde en belangrijkste reden die ik heb om bij Facebook te blijven: de voordelen van het netwerk. Die winnen het voor mij tot nog toe simpelweg van de nadelen. Ik zit al meer dan tien jaar op Facebook. In die tijd heb ik veel geleerd. Bijvoorbeeld om voorzichtig om te gaan met mijn gegevens, want wie weet wie er meeleest (dat kan behalve Cambridge Analytica ook gewoon mijn baas zijn). Desondanks zit ik nog altijd om dezelfde reden op Facebook als destijds toen ik mijn profiel aanmaakte: om in contact te blijven met mensen die ik weliswaar ken, maar niet vaak zie omdat ze te ver weg wonen. Eergisteren nog kreeg ik via Facebook een bericht van een vrouw die ik voor het laatst heb gesproken toen ik zeventien was. Zij was destijds mijn gastmoeder in Nieuw-Zeeland; ze woont op een schapenboerderij, met in de wijde omgeving alleen maar bergen. Daar werd ik gewoon blij van. De kans dat ze me in plaats daarvan een kaartje had gestuurd, is bijna nul.

  • Zijn zelfrijdende auto’s gevaarlijk?

    Zijn zelfrijdende auto’s gevaarlijk?

    Na het dodelijke ongeluk met een zelfrijdende auto van Uber in Arizona, laait het debat over de veiligheid van de voertuigen weer op.

    JA

    Voor het eerst heeft een zelfrijdende auto een voetganger doodgereden. Een vrouw in Arizona overleed nadat ze was aangereden door een Uber-auto. Hoe kon dat gebeuren? Zelfrijdende auto’s waren toch veiliger dan auto’s bestuurd door feilbare mensen? Of zijn ze dat ook? Zoals veel mensen schreven op sociale media, werden er in 2016 meer dan 37.000 mensen gedood door auto’s met menselijke bestuurders. Daarbij vergeleken is één dode voetganger, hoe droevig ook, nog niet zo’n slechte score. Maar hoe aantrekkelijk dit argument misschien ook klinkt, het is helaas onjuist.

    Dodelijke auto-ongelukken worden berekend op basis van afgelegde ‘voertuigkilometers’. In 2016 was er 0,73 dode te betreuren voor elke 100 miljoen kilometer die Amerikaanse auto’s reden. Dat klinkt als heel weinig, maar aangezien alle Amerikaanse auto’s in dat jaar samen zo’n 5 biljoen kilometer aflegden, komt dat toch neer op tienduizenden doden. Om uit te vinden of zelfrijdende auto’s veiliger zijn dan traditionele, moeten we weten hoeveel kilometers zij reden voordat ze hun eerste dodelijke ongeluk maakten. Het antwoord is: veel minder dan 100 miljoen. Marktleider Waymo maakte kort geleden bekend zijn 6 miljoenste kilometer op de weg te hebben afgelegd. Die ritjes vonden veelal plaats in westelijke Amerikaanse staten, waar de rijomstandigheden gunstig zijn. Uber haalde onlangs met zijn autonome programma de 3 miljoen kilometer. Er werken ook andere bedrijven aan autonome voertuigen, maar al hun ritjes bij elkaar opgeteld komen lang niet aan de 100 miljoen.

    Eén dode bij dit geringe aantal gereden kilometers wijst er niet bepaald op dat zelfrijdende auto’s veiliger zijn dan mensen. Integendeel: het lijkt eerder een flinke stap terug te zijn

    Eén dode bij dit geringe aantal gereden kilometers wijst er niet bepaald op dat zelfrijdende auto’s veiliger zijn dan mensen. Integendeel: het lijkt eerder een flinke stap terug te zijn.

    Dat wil niet zeggen dat we het autonome rijden maar beter kunnen vergeten. Er zijn allerlei andere voordelen aan verbonden, en het is de moeite waard om daaraan te blijven werken, ongeacht of deze auto’s op het moment misschien minder veilig zijn dan auto’s met menselijke chauffeurs.

    We weten niet eens goed welke veiligheidsrisico’s er aan deze manier van rijden verbonden zijn. De veelgehoorde bewering dat zelfrijdende auto’s veiliger zijn dan door mensen bestuurde auto’s mag dan ongefundeerd zijn – maar een tegenreactie die roept dat ze duidelijk gevaarlijker zijn, is dat evengoed.

    Gelukkig kan software verbeterd worden, en als zelfrijdende auto’s momenteel nog niet veiliger zijn dan door mensen bestuurde, dan zijn ze dat op een dag zonder twijfel wel. We hebben die toekomst alleen geen dienst bewezen door de indruk te wekken alsof we al zo ver zijn. Als we mensen gaan vertellen dat zelfrijdende auto’s hartstikke veilig zijn, en dat blijkt dan niet het geval, dan kan dat een felle tegenreactie uitlokken. Het uiteindelijk resultaat kan zijn dat zij, nog voordat ze zichzelf kunnen bewijzen, van de weg gehaald worden.

    Auteur: Megan McArdle

    The Washington Post   | Washington D.C.

    Megan McArdle werkt voor de opinieredactie van The Washington Post. Eerder schreef ze voor onder meer The Economist, The Atlantic, Newsweek/The Daily Beast en Bloomberg View.

    1. Megan McArdle; 2. Michael Krüger.
    1. Megan McArdle; 2. Michael Krüger.

    NEE

    Vroeger of later moest het gebeuren. Voor het eerst heeft een zelfrijdende auto een mens gedood. Een testauto van het taxibedrijf reed een vrouw op de fiets aan, die kort daarna overleed. Software-ontwikkelaars en managers waarschuwden al lang dat dit stond te gebeuren, al schreeuwden ze het niet van de daken. De interactie tussen de vele verkeersdeelnemers is immers zo complex dat een ongeluk onmogelijk valt uit te sluiten.

    Degenen die sceptisch zijn over zelfrijdende auto’s zullen dit als een bevestiging zien. Ze kunnen zelfs nog een argument aan hun principiële bezwaren toevoegen. Hier ging het immers niet om de situatie waar ethici zo vaak over spreken, dat de computer moet beslissen of een onvermijdelijke botsing nu de overstekende vrouw, een willekeurige omstander of de passagier zelf treft.

    Toch bewijs je de verkeerszekerheid geen dienst als je dit ongeval aangrijpt om nu een kruistocht tegen de zelfrijdende auto te beginnen. Want over één ding zijn ingenieurs, verkeersveiligheidsexperts en verzekeringswiskundigen het eens: de sensoren of de software van een robotauto maken misschien wel fouten, maar de kans dat een menselijke bestuurder dat doet ligt dramatisch veel hoger.

    Experts gaan ervan uit dat het aantal ongelukken met negentig procent zou dalen als alleen computers auto’s zouden besturen

    Experts gaan ervan uit dat het aantal ongelukken met negentig procent zou dalen als alleen computers auto’s zouden besturen. Aan dit cijfer ligt een simpele observatie ten grondslag: negentig procent van alle ongelukken zijn te wijten aan menselijke fouten.

    Een computerchauffeur is zo veel betrouwbaarder dan zijn menselijke tegenhanger dat je je eigenlijk niet moet afvragen of computers auto’s mogen besturen, maar waarom ze dat nog steeds niet doen.

    Bij het recente ongeluk met de Uber-testauto uitte de politie na een eerste inspectie van het bewijsmateriaal twijfel of een menselijke bestuurder dit ongeluk wel had kunnen verhinderen. De vrouw duikt op de beelden van de camera van de Uber-auto pas in de allerlaatste seconde op. Politiechef Sylvia Moir vertelde de San Francisco Chronicle dat de video laat zien dat ‘de vrouw direct uit de schaduw de rijweg’ op kwam. ‘Het is duidelijk dat deze botsing in alle gevallen, of het nou met een autonome of een door een mens bestuurde auto was, moeilijk te voorkomen was geweest.’ Het is overigens ook aan de moderne techniek te danken dat de oorzaken van dit ongeluk precies kunnen worden opgehelderd (en in de toekomst in vergelijkbare situaties met extra programmaregels eventueel verhinderd). Een bestuurder van vlees en bloed was waarschijnlijk pas na ruggespraak met zijn advocaat met een zorgvuldig geformuleerde statement gekomen, om zo te proberen zijn verantwoording voor het ongeluk te ontlopen.

    Auteur: Michael Krüger

    Der Spiegel | Hamburg

    Michael Krüger is journalist van Der Spiegel.

    Vertaler: Valentijn van Dijk

  • Slavernijmonument verdeelt Portugezen

    Slavernijmonument verdeelt Portugezen

    In Lissabon bestaan plannen voor een slavernijmonument, maar ook voor een museum gewijd aan de ontdekkingsreizen. Vallen die twee wel te combineren?

    In 2019 zal in Lissabon een monument onthuld worden dat herinnert aan de Portugese rol bij de handel in zes miljoen slaven. Maar het plan verdeelt nu al de publieke opinie. Het monument werd voorgesteld door een vereniging van Portugezen van Afrikaanse afkomst en moet verrijzen aan de Ribeira dos Naus, het oude marinekwartier van de stad. Tegelijk wordt in het verkiezingsprogramma van burgemeester Fernando Medina gepleit voor een ambitieuzer plan: de bouw van een museum voor ontdekkingsreizen. Sommigen vinden dat de twee initiatieven verenigbaar zijn, maar dit gaat niet zonder polemiek.

    ‘Om racisme te bestrijden is het nodig om symbolische gedenkplaatsen neer te zetten. Wij voelen sterk de noodzaak om juist een monument tegen de verheerlijking van de ontdekkingsreizen op te richten,’ vertelt Beatriz Dias, president van DJASS – de vereniging van mensen van Afrikaanse afkomst die met het plan voor het monument kwam.

    Lissabons cultuurwethouder Catarina Vaz Pinto vertelt dat de gemeenteraad van het monument een ‘plek van erkenning en hommage wil maken, maar ook van reflectie over mensenrechten en educatie over dit thema’. Verder wordt het volgens haar ‘een symbolische veroordeling van alle huidige vormen van onderdrukking, bevooroordeling en discriminatie, vooral wanneer die ook nu nog een erfenis van de slavernij vormen.’ Maar als haar gevraagd wordt of het oprichten van een monument niet in tegenspraak is met het stichten van een museum voor ontdekkingsreizen, geeft ze geen direct antwoord. Ze verzekert slechts dat de raad ‘de geschiedenis van slavernij in de stad Lissabon wil onderkennen en belichten’.

    Een tegelafbeelding van een kokende slaaf in het stadsmuseum van Lissabon. – © Maurizio Borgese / HH
    Een tegelafbeelding van een kokende slaaf in het stadsmuseum van Lissabon. – © Maurizio Borgese / HH

    Nadat duizend inwoners van Lissabon stemden voor de oprichting van een slavernijmonument en het plan werd aangenomen, kwam er 100.000 euro beschikbaar voor de verwezenlijking ervan. Beatriz Dias erkent dat er met deze som niet veel meer dan een beeldhouwwerk kan komen, al was de ambitie van de DJASS oorspronkelijk om een ruimte te creëren om ‘de dialoog te stimuleren en zichtbaarheid te geven aan dat deel van de bevolking dat nu naar de rand van de stad gedrukt wordt’.

    Voordat zij met het plan voor een monument kwam, bezocht Beatriz Dias andere steden waar de slavernij herdacht wordt. In Amsterdam en Liverpool bestaan bijvoorbeeld al slavernijmusea [dit klopt niet, Amsterdam onderzoekt momenteel de mogelijkheden van zo’n museum]. ‘Het is onze wens dat dit monument een eerste van een serie herdenkingsplaatsen wordt waar de nationale verbeelding van het Portugese koloniale project bevraagd kan worden,’ legt zij uit.

    ‘De viering van de afschaffing van de slavernij en het daarbij horende verzet van tot slaaf gemaakte volken berust grotendeels op fictie’

    João Pedro Marques, een historicus die meerdere boeken over de koloniale tijdperk schreef, is het niet helemaal met haar eens. Op zich vindt hij het een goed idee om de door de Portugezen vanuit Afrika over de hele wereld verscheepte slaven eer te bewijzen. Wat hem betreft zou het ideaal zijn om een museum voor ontdekkingsreizen te creëren met daarin ‘een zaal, vleugel of ruimte waar de slavernij in objecten zichtbaar wordt gemaakt’. Volgens hem berust echter ‘de viering van de afschaffing van de slavernij en het daarbij horende verzet van tot slaaf gemaakte volken grotendeels op fictie. Het is een verdraaiing van de geschiedenis, omdat er tijdens het abolitionisme in de Afrikaanse Portugese koloniën geen openlijk verzet tegen de slavernij bestond.’

    De eerste groep Afrikaanse slaven stapte in 1444 in Portugal van boord. Na een decreet van koning Manuel I in 1512 kreeg Lissabon het monopolie op de slavenhandel in het hele rijk, waarna het land kon uitgroeien tot de belangrijkste steunpilaar van deze handel ter wereld. Vijf eeuwen later zorgt het thema nog steeds voor polemiek, zoals bleek uit een stuk op de Amerikaanse site Politico van vorige maand. Onder de titel ‘Portugal confronts its slave trade past’ vertelt het over de reis van Marcelo Rebelo de Sousa naar het eiland Gorée bij Senegal, van waaruit de slavenschepen vertrokken. Het herinnert er fijntjes aan dat de Portugese president ervoor koos om geen excuses te maken voor de rol van zijn land in de slavenhandel.

    Auteur: Christiana Martins
    Vertaler: Valentijn van Dijk

    Expresso
    Portugal | weekblad | oplage 71.465

    Het eerste weekblad voor de moderne Portugees kwam uit in 1973. Het wist direct lezers aan zich te binden door zijn kwaliteit, onafhankelijkheid en het originele, grote formaat. Tegenwoordig verschijnt de krant op Berliner.

  • Controverse: Moeten we jongensbesnijdenis verbieden?

    Controverse: Moeten we jongensbesnijdenis verbieden?

    Een groep IJslandse parlementariërs heeft een wetsvoorstel ingediend om het besnijden van jongens te verbieden. Moeten andere Europese landen dit voorbeeld volgen?

    NEE

    Onder de morele scherpslijpers van Europa is het de laatste jaren een cause célèbre geworden om de besnijdenis van jongetjes 
uit te bannen en religieuze vrijheden te demoniseren. Onlangs diende een groep IJslandse parlementariërs, met steun van 
422 dokters, een wetsvoorstel in om joodse en islamitische ouders te verbieden hun pasgeboren zoontjes te besnijden.

    Voor joodse mensen is de besnijdenis altijd een integraal onderdeel geweest van hun religie en identiteit, en dat is het nog steeds. De huidige kruistocht tegen besnijdenis komt elke jood met een minimum aan historisch besef dan ook voor als een afgezwakte variant van de aloude pogingen hun hun identiteit 
te ontnemen en te dwingen net als andere mensen te worden.

    Leidster van de IJslandse antibesnijdeniscampagne is het parlementslid van de Progressieve Partij Silja Dögg Gunnarsdóttir. Haar recente uitlatingen laten zien dat ze absoluut niet beseft welke consequenties haar plannen hebben voor de vrijheid van joden en moslims om hun godsdienst vrijelijk uit te oefenen. 
Zij vond het ‘niet nodig’ om joodse en islamitische groepen over dit gevoelige thema te raadplegen. Want, zei ze; ‘ik zie het niet als een religieuze kwestie.’

    Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling

    Het feit dat zij het uitbannen van 
zo’n fundamenteel religieus ritueel niet als ‘religieuze kwestie’ beschouwt, getuigt van diepgaande culturele en historische naïviteit. De simpele waarheid is namelijk dat een eventueel verbod het joden onmogelijk zou maken om hun godsdienst 
nog langer in IJsland uit te oefenen.

    Het voornaamste argument van de IJslandse antibesnijdeniskruisvaarders is dat ouders niet het recht hebben hun zoons te besnijden zolang die daar zelf niet expliciet mee akkoord gaan. 
Zij zeggen op te komen voor de rechten van deze kinderen en 
hen te beschermen tegen hun ouders. Maar zo’n verbod zou vaders en moeders de autoriteit ontnemen die hun toekomt.

    Het gaat de IJslandse activisten om besnijdenis, maar hun bewering dat ze kinderen tegen hun ouders willen beschermen heeft implicaties voor alle moeders en vaders. Ouders krijgen steeds vaker het verwijt van zogenaamde kinderrechtenactivisten dat ze hun kinderen religieuze waarden zouden ‘opleggen’. Kinderen gaan er in deze optiek niet mee ‘akkoord’ katholiek te worden, 
of zich aan te sluiten bij een evangelisch kerkgenootschap. Soms beschuldigen antireligieuze activisten ouders die kinderen opvoeden met een religie zelfs van kindermishandeling.

    Maar er bestaat niet zoiets als kinderrechten. Als je mensen rechten toekent, veronderstelt dat dat zij in staat zijn om die uit te oefenen. Kinderen zijn daar echter te jong voor, dus moeten welwillende buitenstaanders die rechten dan maar opeisen uit hun naam. Uiteraard kregen mensen als Gunnarsdóttir nooit toestemming van deze kinderen om uit hun naam 
te spreken, dus is de obsessie die de antibesnijdenisactievoerders hebben met toestemming, ongegrond.

    Auteur: Frank Furedi

    Spiked | Londen
    Verenigd Koninkrijk, spiked-online.com

    Frank Furedi is emeritus hoogleraar Sociologie aan de Universiteit van Kent. Hij werd internationaal bekend met zijn studie Culture of Fear (1997) en schrijft geregeld voor Spiked en 
The Guardian.

    1. Frank Furedi; 2. Ian Dunt.
    1. Frank Furedi; 2. Ian Dunt.

    JA

    Toen bekend werd dat IJsland overwoog de besnijdenis van 
jongetjes te verbieden, werden zoals verwacht meteen de loopgraven betrokken. Voor islamofoben biedt zo’n verbod welkome munitie. Het stelt ze in staat om religieuze scheidslijnen te benadrukken en de islam als barbaars voor te stellen. Aan de andere kant zijn joodse en islamitische groepen oprecht woedend over het idee dat deze traditie ooit verboden zou kunnen worden.

    Omdat besneden mannen zelden klagen, hebben progressieve politici het onderwerp jarenlang kunnen vermijden. Maar de waarheid is dat besnijdenis van jongetjes minder onschuldig is dan het lijkt.

    Er is weinig onderzoek naar het onderwerp gedaan, maar een studie uit 1999 bekritiseerde het gebrek aan aandacht in de bestaande medische literatuur voor het ‘genot en de dynamiek van beweging, gevoel en lubricatie’ die de voorhuid ‘tijdens 
masturbatie, voorspel en geslachtsgemeenschap’ oplevert. Het artikel vervolgde: ‘Er is geen wetenschappelijke grond voor de aanname dat mannen die als kind besneden zijn daar tevreden mee zijn of er geen nadelige effecten van ondervinden.’ Ofwel: die aanname klopt niet, maar we praten er niet over.

    Als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, 
zelfs tegen hun eigen familie

    Besneden mannen vermijden het onderwerp meestal liever. ‘Voor een man is het erg moeilijk om erover te klagen,’ vertelt antibesnijdenisactivist Richard Duncker. ‘Ten eerste gaat het over zijn geslachtsdeel. Dan moet hij ook nog eens vraagtekens plaatsen bij de keuze van zijn ouders. Verder trekt hij zijn cultuur en de waarden van zijn religieuze gemeenschap in twijfel. En 
tot slot wordt hij vaak belachelijk gemaakt als hij erover begint.’

    Een Deens onderzoek concludeerde dat besneden mannen niet zelden moeite hebben om een orgasme te bereiken. Bij andere enquêtes klaagden mannen over zichtbare littekens, een te 
korte penishuid om een prettige erectie te beleven, en pijn.

    Een kind geeft voor deze ingreep geen toestemming. Het joodse geloof vereist immers dat de besnijdenis op de achtste dag na de geboorte wordt uitgevoerd; bij moslims moet het op de zevende dag gebeuren. Wanneer je je ermee bemoeit, wordt dat gezien als een onacceptabele aantasting van de religieuze vrijheid. 
Maar hoe zit het met de religieuze vrijheid van een kind om zelf zijn spirituele identiteit te bepalen?

    Zodra iemand er uit vrije wil mee akkoord gaat, heeft de 
overheid er niets mee te maken. Maar als het geen vrije keuze is, heeft de overheid de plicht om kinderen te beschermen, 
zelfs tegen hun eigen familie. Wanneer iemand zonder goede medische noodzaak om het even welke andere chirurgische ingreep op een baby zou uitvoeren, zouden we geschokt zijn. Maar alleen omdat deze ingreep als religieuze traditie vermomd is, vinden we het acceptabel. Dat is het geenszins. Het zou dus mooi zijn als IJsland het voortouw neemt en als eerste Europese land de besnijdenis van jongetjes verbiedt.

    Auteur: Ian Dunt

    iNews | Londen
    Verenigd Koninkrijk | 
inews.co.uk

    Ian Dunt is hoofdredacteur van Politics.co.uk 
en auteur van het boek Brexit: What The Hell Happens Now? Hij schrijft voor verschillende kranten en weekbladen.

    Vertaler: Valentijn van Dijk