Tag: controverse

  • Moeten ouderen hun huis beschikbaar stellen aan jonge gezinnen?

    Moeten ouderen hun huis beschikbaar stellen aan jonge gezinnen?

    In Duitsland hebben ouderen de meeste ruimte: 27 procent van de alleenstaande senioren woont op minimaal 100 vierkante meter. Dit staat In schril contrast tot jongeren en gezinnen met kinderen. Moeten ouderen plaatsmaken voor starters? Twee redacteuren van Süddeutsche Zeitung gaan met elkaar in debat.

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.

    ‘Mensen vertellen dat ze hun huis moeten verlaten, of ze nu oud of jong van hart zijn, is onmenselijk’

    Een commentaar door Claudia Fromme, redacteur bij Süddeutsche Zeitung. 

    ‘Een huis is meer dan een dak boven je hoofd en een flat is meer dan de vier muren eromheen. Wie tientallen jaren in dezelfde huurflat heeft gewoond, kan er net zo’n emotionele band mee ontwikkelen als met een koophuis’, schrijft Claudia Fromme. ‘De kinderen zijn er opgegroeid en uit huis gegaan. De partner is daar overleden. Mensen hebben hier gelachen en gehuild, ze willen hier oud worden.’

    Fromme vraagt zich af waarom je deze mensen uit hun vertrouwde omgeving zou halen: ‘Ze kunnen hier een praatje met bekende buren maken en hebben de vertrouwde dokter op loopafstand zitten. Het is een omgeving waarin ze zich hebben geworteld, als een oude boom die in symbiose leeft met zijn omgeving, die neemt en geeft. Die boom kun je niet verplanten.’ Tegelijkertijd liegen de cijfers er niet om. De generatie van 65-plussers heeft gemiddeld 68,5 vierkante meter woonruimte per persoon. Volgens het Federale Bureau voor de Statistiek woont 27 procent van de alleenwonende senioren zelfs op minstens 100 vierkante meter. Daarentegen bedroeg de woonruimte in huishoudens met ten minste vier leden, meestal gezinnen, 29,9 vierkante meter per persoon. ‘De krappe woningmarkt, vooral in grote steden, wakkert afgunst aan’, gelooft ze. ‘Veel senioren betalen minder per vierkante meter dan hun jongere buren omdat de huur nog in een vergeeld contract vaststaat.’ Als een huisbaas de huur te veel wil verhogen, worden ze beschermd door het huurplafond. ‘Maar dat is geen reden om ze te straffen door, zoals vastgoeddeskundigen in Regensburg eisen, hun huur zo hoog te laten oplopen dat ze gedwongen worden te vertrekken. Dan kunnen ze met alleenstaanden en stellen vechten om een flat die veel meer kost dan hun oude flat. Gefeliciteerd!’

    Ze ziet deze ‘huisvestingsnijd’ als een gevolg van politici die hun bouwbeloften niet waarmaken. ‘Waar zijn de vierhonderdduizend flats die elk jaar in Duitsland gebouwd zouden moeten worden? En waarom zijn er geen nieuwe gebouwen met flexibele plattegronden?’ Dat zou volgens Fromme een creatieve oplossing kunnen zijn. ‘Een ongebruikte kamer kan dan indien nodig worden toegewezen aan een naburige flat, zodat niemand hoeft te verhuizen.’ De linkse parlementaire groep – gesteund door de Duitse huurdersvereniging – stelde voor om in het huurrecht het recht op woningruil op te nemen. De huurprijs per vierkante meter zou overeen moeten komen met de oude. ‘Een goed idee zolang het op vrijwillige basis gebeurt. Maar het is moeilijk te verwerkelijken.’

    ‘Wie eist dat oude mensen hun woning aan jongere mensen moeten geven, zet generaties tegen elkaar op’

    Er zijn gevallen waar senioren hun grote flat hebben opgegeven, hun huis hebben verkocht aan familie en nu gelukkig zijn omdat ze in een leeftijdsgeschikte flat wonen. Maar dit is volgens Fromme een uitzondering. Zelfs wanneer coöperaties aanbieden om dezelfde huurprijs per vierkante meter te garanderen, ruilen veel mensen niet. ‘Het alternatief staat dan in een andere buurt of bevindt zich op de vierde verdieping zonder lift. Verhuizen is duur en veel mensen zijn gehecht aan hun flat.’ Ze wijst er ook op dat verhuizen mensen mentaal zwaar kan belasten.

    ‘Wie eist dat oude mensen hun woning aan jongere mensen moeten geven, zet generaties tegen elkaar op.’ Ze schrijft dat tijdens de pandemie het idee dat jongeren te verkiezen zijn boven oude patiënten in ziekenhuizen, weer populair is geworden. Daarentegen worden jongeren vaak beschuldigd van gebrek aan solidariteit als ze meer vrije tijd willen dan werken, omdat ze minder bijdragen aan de pensioenfondsen. ‘Het spel kan natuurlijk eindeloos doorgaan: afgunst creëert verdeeldheid en het lost niks op.’

    Mensen leven in cycli. Een oudere in een grote flat was ooit ook jong en had in veel gevallen ook een gezin. ‘Hoe zit het met degenen die eisen dat senioren die alleen wonen hun grote flats moeten verlaten? Moeten zij zelf ook verhuizen als ze ergens al dertig jaar wonen en plaatsmaken voor nieuwe gezinnen?’ Volgens Fromme is dat een uitzonderlijk slecht idee. ‘Mensen vertellen dat ze hun huis moeten verlaten, ongeacht of ze oud of jong van geest zijn, is onmenselijk.’


    ‘Er zijn ook ouderen die graag op een andere, nieuwe, moderne en bij hun leeftijd passende manier willen leven’

    Een commentaar door Gerhard Matzig, redacteur bij Süddeutsche Zeitung.

    Gerhard Matzig schrijft dat de woningcrisis geen crisis is, maar een woningnood met ingrijpende sociale en economische gevolgen. De laatste keer dat het tekort zo ernstig was, was na de oorlog, toen steden in puin lagen. Dit probleem beperkt zich niet alleen tot de grote steden en het raakt ook de middenklasse. ‘Ouderen worden gedwongen om in te grote flats te blijven wonen die vaak niet in hun behoeften voorzien, terwijl jonge gezinnen en mensen met lagere inkomens juist in te kleine woningen vastzitten,’ legt Matzig uit. Dit maakt het moeilijker voor mensen om te verhuizen naar plekken met werk, scholen en medische voorzieningen. ‘Huisvesting is geen economisch goed, het is een mensenrecht.’

    Volgens Matzig ligt het probleem bij kortzichtig, neoliberaal beleid en in het feit dat mensen zijn gaan geloven in valse aannames en loze beloften. ‘Er werd veel te lang gezegd dat Duitsland voldoende woonruimte had. Maar dat was een illusie,’ stelt hij. Er werd geen rekening gehouden met het leeglopen van het platteland, de groei van steden, het falen van de bouwsector en wereldwijde crises en migratiestromen. Daardoor is de woningcrisis uitgegroeid tot een noodsituatie, en die noodsituatie heeft geleid tot een grootschalig distributieprobleem. ‘Het is nu een strijd geworden tussen mensen die al een woning hebben en mensen die op zoek zijn naar woonruimte – en dat is het sociale explosief van onze tijd,’ schrijft hij.

    ‘We bouwen tanks, maar we hebben flats nodig’

    Matzig ziet enkele oplossingen voor dit probleem. ‘Ten eerste volkshuisvesting. We bouwen tanks, maar we hebben flats nodig.’ En daarnaast wordt van de woonruimte die er nu is, geen optimaal gebruik gemaakt. ‘Er is lege woonruimte op het platteland. Maak het platteland aantrekkelijker!’ Maar ook in steden moet het anders. ‘Woningen worden vaak verkeerd bewoond.’ In cijfers: 6,5 procent van de huurhuishoudens in grote steden met meer dan 100.000 inwoners woont krap. Een even groot aantal, namelijk 6,2 procent, heeft onevenredig veel ruimte, zoals een eenpersoonshuishouden in een vierkamerflat. Dit zijn vaak oudere huurders. ‘Dat is niet hun fout. Het heeft te maken met de natuurlijke levensloop, met kinderen die zijn verhuisd of partners die zijn overleden. Niemand die in een te grote flat woont doet dat om puur asociale redenen. Hij of zij doet dat vaak omdat de woningnood ook betekent dat niemand zijn huis verlaat.’ Dit komt mede door het lock-ineffect. De angst dat ze uiteindelijk meer moeten betalen voor een kleinere flat. 

    De derde oplossing zou de bevordering van woningruil zijn. ‘Wanneer bijna evenveel mensen in te grote als te kleine flats wonen, ligt het voor de hand dat de lokale autoriteiten een ruil organiseren. Niet als wondermiddel, maar als stelschroef,’ legt Matzig uit. ‘Het lijkt me ook duidelijk dat dit alleen mogelijk is met een goed uitgedacht ruilsysteem en absolute vrijwilligheid. Het zou onmenselijk zijn om mensen door middel van een planeconomie te dwingen te verhuizen.’

    Er zijn echter ook goede redenen voor oudere mensen om naar kleinere, maar even dure of zelfs goedkopere kleinere flats te verhuizen. Dit zijn onder andere de hoge energiekosten voor grotere flats, de schoonmaakwerkzaamheden en het feit dat nieuwere, en dus meestal kleinere, flats eerder drempelvrij en seniorvriendelijk zijn dan oudere gebouwen onder de eveneens recente huisvestingswetten. ‘Wie zegt eigenlijk dat oude mensen niet kunnen of willen verhuizen? Het zijn geen oude bomen.’ Er zijn volgens hem genoeg ouderen die graag anders willen wonen, op een nieuwe, moderne en bij hun leeftijd passende manier. ‘Ze zijn van nature niet immobiel. Maar de markt is dat wel. Daar moeten we beginnen.’

  • Moeten we X blijven gebruiken of is het beter ermee te stoppen? 

    Moeten we X blijven gebruiken of is het beter ermee te stoppen? 

    Twitter (nu X) was een revolutionair platform voor het verspreiden van informatie. Maar sinds Elon Musk het in 2022 kocht, is het een platform geworden voor het verspreiden van hoaxes en extremistische slogans. Is het de moeite waard om op dit sociale netwerk te blijven? Twee journalisten debatteren over het onderwerp.

    ‘Door te blijven erken je de relevantie van Musk’ 

    Thiage Ferrer Morini is een Spaanse journalist bij El País

    ‘Over Twitter spreken we in de verleden tijd’, en dat zegt volgens de Spaanse journalist Thiage Ferrer Morini erg veel. ‘Toen Elon Musk de naam veranderde van het platform dat hij voor 44 miljard dollar had gekocht, deed hij veel meer dan alleen de naam ervan veranderen. Hij veranderde het doel ervan.’ En daar is het volgens de Spaanse journalist misgegaan. 

    ‘Musk belooft dat zijn doel op de lange termijn is dat X “de app voor alles” wordt, net zoals hij Hyperloop of de kolonisatie van Mars heeft beloofd. Maar tot het zover is, is het doel van de app dat de eigenaar kan opscheppen dat hij het meest invloedrijke platform ter wereld heeft en er zijn ideeën op kan verspreiden.’ Morini gaat verder: ‘En zolang ministers, sporters en beroemdheden allemaal hun nieuws op het netwerk van Musk blijven posten, bevestigt ieder van hen de relevantie van de eigenaar.’ 

    ‘Maar wie leest er mee?’ vraagt Morini zich vervolgens af. ‘Nou, een publiek dat steeds gefrustreerder wordt over de tekortkomingen van het platform, talloze bots, gekwelde journalisten die, om het nieuws te vinden, met een kapmes naar binnen moeten gaan om de berichten tussen advertenties door te vinden, persoonlijkheden gemaakt met AI, en iedereen die verlangt naar de tirades van Musk zelf, die met de dag racistischer, seksistischer en Trumpistischer worden.’ 

    ‘Als je op X publiceert, dwing je iedereen die wil weten wat er gebeurt, al die zooi te slikken’

    ‘Dit is waar X tegenwoordig voor staat’, meent Morini. ‘En als je daarop publiceert, dwing je iedereen die wil weten wat er gebeurt, al die zooi te slikken, of ze het nu leuk vinden of niet. Elke instelling, medium, politicus of journalist zou zich moeten afvragen of dat is wat ze willen. Of ze willen dat hun vrienden, hun klanten, hun lezers, door een deepfake van Kamala Harris en een cryptocurrency advertentie heen moeten om te weten te komen wat ze willen zeggen.’

    Morini stelt dat het niet loont om nog aanwezig te blijven op X. Vervolgens noemt hij als voorbeeld de burgemeesters van Barcelona en Parijs, die zijn gestopt met posten op X. Ook bestaan er volgens Morini goede alternatieven. ‘Sommige, zoals Mastodon, hebben als bijkomend voordeel dat ze verzekerd zijn tegen de mogelijkheid dat er in de toekomst nog een Musk opduikt. Enkele instellingen, zoals de Europese Commissie, zitten er al op. De processen om gemeenschappen te creëren, verhalen te verspreiden, vriendschappen en interesses te vinden, bestaan al.’ 

    ‘Twitter bestaat niet meer’, eindigt Morini zijn artikel. ‘Degenen die het kenden, missen het. Maar we zijn nu op weg naar iets anders.’ 


    ‘Het is nog altijd dé plek waar dingen gebeuren’

    Roger Senserrich is een Amerikaanse politicoloog en essayist

    ‘Om te beginnen was Twitter een leuke plek. De beknoptheid die de karakterlimiet oplegde, stimuleerde vindingrijkheid en snelle, geestige gesprekken’, meent de Amerikaanse politicoloog Roger Senserrich. ‘Het was een plek voor luchtige, directe en botte uitwisselingen, anarchistische explosies van wilde ideeën en bijtende commentaren. Voor elk cultureel festival of sportevenement was het de beste plek om in realtime indrukken, beledigingen en sarcastische opmerkingen met duizenden vrienden te delen.’ 

    Volgens Senserrich is het diezelfde snelheid die Twitter ook tot een ‘ideale plek maakte om nieuws te volgen’. De pagina is immers ontworpen om snel informatie te verspreiden en ‘voor gebruikers was het heel makkelijk om snel meerdere perspectieven en analyses te vinden, zonder filters’. ‘Het was dan ook niet moeilijk om snel te ontdekken wie de beste bronnen waren. Vanaf het begin leek de pagina ontworpen door en voor verslaggevers,’ meent Senserrich.  

    En dus ‘stroomde Twitter al snel vol met journalisten, die de motor van de gemeenschap werden’. En dat is volgens de politicoloog niet vreemd: ‘Journalisten zijn niet alleen bekwame schrijvers, maar ook spraakzame, cynische en humeurige mensen die verslaafd zijn aan drama en grootspraak. Al snel sloten geleerden aan die context konden bieden. Voeg aan deze fauna clowns, komieken en applaudisserende mensen, en we hebben een perfecte pagina om de actualiteit te volgen.’ 

    ‘Niemand heeft de belangrijkste gebruikersgroep, de journalisten, in een vergelijkbaar volume’

    Toch moet Senserrich erkennen dat Twitter niet meer is wat het was. ‘De aandrang van de nieuwe eigenaar om mensen te laten zien die u niet volgt en om inhoud te promoten, is zeer irritant. Sterker nog, het geven van prioriteit aan de stemmen en inhoud van betalende gebruikers en het verzwakken van het verificatiesysteem is nog vervelender.’ Twitter is kapot, meent de Amerikaan. ‘De pagina staat vol met ongewenste advertenties, oplichters, bots en allerlei soorten spam. Debatteren wordt een nutteloze oefening waarbij de slechtste acteurs de luidste stem hebben.’ 

    Maar ondanks dat zal Senserrich X blijven gebruiken. ‘Twitter (nee, ik zal het nooit bij de nieuwe naam noemen) wordt steeds irritanter, maar het heeft nog steeds iets wat geen van zijn concurrenten heeft: het blijft de beste plek op internet om nieuws in realtime te verzamelen en te delen.’ 

    En dus zit er volgens hem niets anders op dan het te blijven gebruiken. ‘Zelfs met zijn gebreken, heeft niets anders hetzelfde niveau van directheid, en wat nog belangrijker is, niemand heeft de belangrijkste gebruikersgroep, de journalisten die verslaafd zijn aan het formaat, in een vergelijkbaar volume. Als je nieuws wilt genereren, moet je dat hier doen, en als je wilt volgen wat er gebeurt, is er geen betere plek. De pagina is een puinhoop, de idioten hebben elk debat geteisterd en niets is logisch, maar het vermogen om stemmen, commentaren, analyses, geschreeuw, gebral en internetabsurditeit te verzamelen blijft onovertroffen.’ 

  • Kun je dirndls en lederhosen uit cafés verbannen?

    Kun je dirndls en lederhosen uit cafés verbannen?

    Eerst wat biertjes op het Oktoberfest en dan door naar een volgende bar. Maar sommige restauranthouders moeten het Oktoberfest-publiek niet – en laten zelfs geen mensen in traditionele klederdracht binnen. Is dat verantwoord of discriminerend?

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.

    Ja, je mag ze verbannen. ‘Met dronken Oktoberfest-gasten haal je complete chaos in huis’ 

    Een commentaar van Vera Schroeder, journalist bij Süddeutsche Zeitung

    ‘In onze familie hebben we een naam voor traditionele kostuums die eigenlijk niet echt traditionele kostuums zijn, maar gewoon vermommingen: Sepplhosen. Eigenlijk zouden we het hier dus moeten hebben over een verbod op Sepplhosen, aangezien een groot deel van de mensen die zich op het Oktoberfest bezatten geïmiteerde papieren Lederhosen dragen, of rommelige dirndls die minder kosten dan een bikini.

    Over bikini’s gesproken: waarom is eigenlijk niemand boos over het feit dat je in een café geen bikini mag dragen? Zelfs voor zwembadrestaurants staan vaak borden met een doorgestreepte zwembroek erop; tijdens het eten moet je op zijn minst een T-shirt dragen. Maar als restaurants in München, zoals de Goldene Bar in het Haus der Kunst, de Loretta Bar in de wijk Glockenbach of Café Kosmos bij het centraal station een verbod instellen op het dragen van traditionele klederdracht tijdens het Oktoberfest, dat bovendien meestal alleen in de avonduren van kracht is, regent het online ineens klachten en zwakke commentaren van zowel locals als toeristen. Discriminatie! Beoordeeld op wat je draagt! Hoe je eruitziet! Waar zijn mijn burgerlijke vrijheden! Dit zijn donkere tijden! 

    Nog afgezien van dat de uitbater recht heeft op huisregels, en evengoed kan beslissen dat iedereen vanaf morgen alleen nog maar met een bikini op het hoofd zijn bar mag betreden, is niets zo begrijpelijk als de wens van een gezellige bar om dat ook tijdens de twee meest overlast veroorzakende weken van het Münchener jaar een gezellige bar te blijven – en niet het toevluchtsoord van de braakheuvel naast de Bavaria te zijn. Dat is namelijk exact wat er gebeurt met horecagelegenheden in de buurt van het Oktoberfest die nog open zijn als andere tenten sluiten.

    Sommige bars sluiten, terwijl anderen een subtielere oplossing zochten – zoals een fatsoenlijke dresscode

    Dronken Oktoberfestgasten brengen complete chaos met zich mee: volgekotste toiletten, schreeuwende groepen mannen die onder de rokken gluren van vrouwen die op tafel liggen te ronken, huilende mensen die iets zijn kwijtgeraakt, van hun voordeursleutels onder de botsauto’s tot de liefde van hun leven. Luidruchtigheid, stank, mishandeling, wangedrag. Om dit op te vangen hebben de horecagelegenheden extra beveiliging nodig, meer schoonmaakpersoneel en vooral een hoop lef. Tegelijkertijd consumeren after-Wiesn-gasten zelden goed omdat ze meestal toch al dronken zijn. Het is heel begrijpelijk dat je dat alles niet in je eigen zaak wilt. Sommige bars sluiten daarom tijdens het Oktoberfest, terwijl anderen een subtielere oplossing zochten – zoals een fatsoenlijke dresscode.

    De kans dat iemand die tijdens de Wiesnweken in Sepplhose door het centrum van München wandelt nuchter is, is ongeveer net zo groot als de kans dat burgemeester Dieter Reiter het eerste vat bier met vijf slagen geopend heeft. Het is mogelijk. Maar eigenlijk niet. Het traditionele kostuum is dus een makkelijk herkenbaar teken, zelfs voor barpersoneel, dat de persoon in kwestie hoogstwaarschijnlijk tot de groep ‘behoorlijk beschonken’ behoort. En dat gemak is belangrijk voor barpersoneel; tafel 3 heeft tenslotte de rekening nodig. Het uitsluiten van vermomde gasten is dus een praktische methode om al te dronken gasten buiten de deur te houden. Iedereen die zich geroepen voelt om van daaruit naar de Verklaring van Burgerrechten te grijpen, nodig ik uit om zijn of haar bevoorrechte kont uit de plastic dirndl te trekken en in een onopvallende spijkerbroek te stoppen, als hij of zij daar nog toe in staat is.

    Overigens gaat de auteur van dit stuk al haar hele leven graag naar het Oktoberfest, zelfs in traditionele klederdracht, en ook naar de after-Wiesn, naar van die smoezelige zaakjes die speciaal zijn voorbereid op het uitgaanspubliek gedurende die twee weken. Meestal bestelt ze daar een gin en tonic, die ze dan halfleeg in het toilet vergeet of verwart met een glas water, dat ze uiteindelijk over haar gezicht giet om af te koelen.’ 


    Nee, je mag ze niet verbannen. ‘Sluit je ogen en ga door’

    Een commentaar van Silke Wichert, journalist bij Süddeutsche Zeitung

    ‘Er waren tijden dat zelfs inwoners van München niet per se in traditionele klederdracht naar het Oktoberfest gingen. Nu zouden zij vrijuit gaan, want hoe ze er ook uitzien in burgerkleding, alle deuren zouden nog steeds voor hen openstaan, zelfs die van de trendy bars in de stad.

    Je hoeft niet van dirndls en lederhosen te houden, sterker nog, je hoeft ze niet eens te dragen. De algemene verplichting om je als groep te verkleden op het Oktoberfest lijkt nu echter zo groot dat de meeste mensen toch meedoen. Het is eigenlijk wel grappig voor die paar keer per jaar. In for a penny, in for a pound. Het dragen van dezelfde kleren verbindt, althans oppervlakkig gezien, maar zegt in dit geval niets over de algemene gemoedstoestand, houding of het alcoholgehalte van de persoon. 

    Uiteraard heeft iedere gastheer het recht om zijn gasten te kiezen. Clubs als Berghain hebben een legendarisch hard deurbeleid. Afgewezen worden is er geen schande; honderden anderen delen elke avond hetzelfde lot. Maar iedereen wordt hier wel individueel geselecteerd.

    Aan de ene kant is en blijft het uitsluiten van een bepaalde groep, al is het maar vanwege hun kleding, discriminatie. De onmiskenbare boodschap luidt: je bent gênant, je bent dronken, je kotst onze toiletten onder. Maar het wordt pas echt absurd als het verbod op het dragen van traditionele klederdracht pas na 19.00 uur geldt. Alsof daar tijdens Oktoberfest een magische grens wordt overgegaan. Het klinkt eerder alsof je de omzet van de carnavalsvereniging graag aanneemt, maar als de tent volloopt ineens zonder besluit te kunnen.

    Het is goed dat onze maatschappij het steeds vaker zonder kledingvoorschriften en vooroordelen moet stellen

    Ook al hebben beklagen velen zich erover, er is iets goeds aan het feit dat onze maatschappij het steeds vaker zonder kledingvoorschriften en vooroordelen moet stellen. Op kantoor zijn mensen in pak niet langer de meest respectabele. Ook trainingspakken zijn niet langer onacceptabel, en  als je twijfelt, denk dan aan professionele voetballers of gewoon aan jongeren die zich eerder een joggingbroek dan een spijkerbroek konden veroorloven. In de tijd van ‘Pretty Woman’ werden vrouwen met overknee laarzen nog bestempeld als tippelaar, tegenwoordig kun je ze van elk luxe modemerk kopen. Die laatste kunnen we overigens van van alles en nog wat beschuldigen, maar niet van het kiezen van hun klanten op basis van kleding. Een medewerker van Louis Vuitton legde ooit uit dat dit het eerste is wat ze hun werknemers bijbrengen: Dat elke klant welkom is, ongeacht de outfit die hij draagt. Wel om puur economische redenen natuurlijk. Tegenwoordig vind je een zwarte Amex in elke spijkerbroek, hoe gedragen ook. Omgekeerd kan achter elk paar lederhosen en elke dirndl een volkomen normaal, verantwoordelijk, mogelijk geestig persoon schuilgaan die graag naar een goede bar gaat, ook met Oktoberfest.

    Als sommige winkels beginnen met een algemeen verbod, volgen andere cafés en restaurants dit voorbeeld. Voor je het weet neemt zelfs de taxichauffeur, die theoretisch gezien een vervoersplicht heeft, liever mensen mee zonder traditionele klederdracht. De toeristen, die speciaal deze vreemde leuke outfits van de lokale bevolking hebben gekocht en een berg geld in de stad hebben achtergelaten, begrijpen er niets meer van. 

    Het gaat maar om een goede twee weken, zullen de verder zeer ruimdenkende huisbazen wel beweren. Ja, precies, een goede twee weken, ogen dicht en doorgaan. Of: gewoon de winkel sluiten en doorgaan. Of huur gewoon een uitsmijter in voor deze uitzonderlijke situatie. Dan kun je, zoals dat normaal gaat, per geval beslissen wie nuchter of cool genoeg is. Dan kan zelfs een vrijgezellenfeest beleefd worden geweigerd. Maar ook kan dan een vriendelijk iemand in klederdracht de zaak betreden om beleefd een cocktail van 10,50 te bestellen. Vergeleken met de prijs van een pint bier is dat bijna niks.’ 

  • Maakt reizen je een beter mens?

    Maakt reizen je een beter mens?

    Reizen wordt vaak gezien als een manier om je wereldbeeld te verruimen en empathie te vergroten, maar is dat wel echt zo? Twee opiniemakers gaan met elkaar in debat.

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.

    ‘Wat als reizen niets meer is dan een placebo, een projectie van ons eigen wensdenken?’

    Volgens journalist en auteur Dominik Prantl in een opiniestuk in Süddeutsche Zeitung is het lastig te achterhalen vanaf wanneer reizen precies werd gezien als onbetwistbaar heilzaam. In elk geval kunnen de lovende woorden over dit onderwerp teruggevoerd worden tot de oudheid. Zoals Augustinus van Hippo ooit zei: ‘De wereld is een boek, en wie niet reist, leest slechts één bladzijde.’

    Door de jaren heen heeft de mensheid reizen verheerlijkt. ‘Als we de geschiedenis mogen geloven, heeft reizen ons altijd slimmer, toleranter, gelukkiger en – als je naar influencers op Instagram kijkt – zelfs mooier gemaakt.’ Het omgekeerde wordt ook al lange tijd verkondigd. Wie niet reist, zou als vreemd of onwetend worden gezien. ‘Dan ben je een weirdo, heb je geen geld en blijf je dom, bekrompen en triest.’ Volgens Prantl speelt de reisindustrie hier slim op in, met slogans als ‘See the world with different eyes’ en ‘Travel interesting’ van onder andere het Duitse cruiseshipbedrijf Aida en het digitale reisbureau Expedia. 

    ‘Hoe verder je reist, hoe beter. Zwart Afrika scoort meer punten dan het Zwarte Woud, Nepal meer dan Napels.’ Het lijkt dus niet alleen uit te maken óf je reist, maar ook waarheen. ‘De ervaring leert dat afstand en exotisme – denk maar aan de reisverslagen die de meeste “oohs” en “ahhs” van vrienden en familie ontlokken – nog doorslaggevend zijn bij de evaluatie van een reis, ongeacht de kosten in termen van inspanning en uitstoot.’ 

    ‘Op veel plaatsen wordt er al meer gekreund dan gejuicht doordat het hamsterwiel dat toerisme heet’

    Volgens Prantl staat het niet vast dat reizen je een beter mens maakt. Wat als we het mis hebben? Wat als reizen niets meer is dan een placebo, een projectie van ons eigen wensdenken?’ In een wereld waarin steeds meer mensen het zich kunnen en kunnen veroorloven om te reizen, worden de nadelen van deze groeiende rusteloosheid steeds groter en duidelijker. ‘Op veel plaatsen wordt er al meer gekreund dan gejuicht doordat het hamsterwiel dat toerisme heet, sneller wordt aangedreven dan de infrastructuur en de lokale bevolking kunnen bijbenen.’ Voorbeelden van overtoerisme variëren van het Eibseemeer tot Barcelona en Machu Picchu.

    Prantl vraagt zich af of de beroemde uitspraak van Mark Twain, die reizen het tegengif noemde tegen vooroordelen en bekrompenheid, nog steeds geldt in het tijdperk van massatoerisme. ‘Is het voldoende om naar het buitenland te gaan om je wereldbeeld te verruimen? En hoe lang moet je dan wegblijven? Drie weken op de Balkan? Drie maanden in Bangladesh?’ Hij twijfelt of reizen werkelijk de remedie is tegen onwetendheid. ‘Is het niet misschien eerder zo dat degenen die al leergierig zijn gewoon liever reizen en geen lesje kosmopolitisme meer nodig hebben? Hoe komt het dat de collega die ooit zo idealistisch was, ineens een beetje, nou ja, neokolonialistisch overkomt na zijn reis naar Afrika?’

    ‘We moeten niet verwachten dat onze reizen de wereld en onszelf zullen genezen’

    Het bewijs dat reizen ons echt beter maakt, lijkt volgens Prantl dun gezaaid. ‘Als je online zoekt naar antwoorden, kom je vooral persoonlijke verhalen tegen, ondersteund door onderzoeken die zelden objectief zijn.’ In 2017 publiceerde Journal of Sustainable Tourism een studie waaruit blijkt dat korte reisjes mensen gelukkiger maken, maar het benadrukt dat de conclusies beperkt zijn. ‘Dit onderzoek volgde slechts vierentwintig mensen en ging over weekendjes weg in eigen land. Strikt genomen zouden de resultaten zo geïnterpreteerd kunnen worden: waarom afdwalen naar verre oorden als je het dichter bij huis kan zoeken?’

    Een ander onderzoek, dat werd uitgevoerd door onderzoekers van de Erasmus Universiteit in Rotterdam en de Breda University of Applied Sciences met ongeveer vijftienhonderd proefpersonen, kwam tot de conclusie dat een geluksgevoel weliswaar aanwezig is na een vakantie, maar dat het enkele weken na terugkomst weer wegebt. ‘Het onderzoek toont niet aan dat reizigers gelukkiger zijn dan niet-reizigers.’ 

    Maar wat kun je doen in een tijd waarin reizen nog steeds wordt verheerlijkt als het hoogtepunt van het jaar en is opgeklommen tot hét dominante gespreksonderwerp? ‘Misschien is reizen, tegen alle verwachtingen in, wel echt “geconcentreerd geluk” en een van de “weinige kansen op het onvoorziene”, zoals de geschiedenisprofessor Valentin Groebner het ooit beschreef.’ Maar Prantl benadrukt ook dat we realistisch moeten blijven. ‘We moeten niet verwachten dat onze reizen de wereld en onszelf zullen genezen. Beter kunnen we aan onszelf toegeven dat reizen meestal niets meer is dan puur hedonisme.’

    Dominik Prantl, geboren in 1977, is journalist en auteur. Hij schrijft voor Süddeutsche Zeitung en andere media over toerismebeleid, reizen en Oostenrijk. Prantl heeft verschillende boeken geschreven, zoals Gipfelbuch, Gebrauchsanweisung für Namibia en meest recent Tirol – eine Landesvermessung in 111 Begriffen


    ‘Nu de wereld steeds meer verbonden raakt, is internationale ervaring onderdeel van een volledige opleiding’

    ‘Waarom heeft de isolationistische vleugel van het Congres hulp aan Oekraïne geblokkeerd en is het in feite een instrument geworden voor president Vladimir Poetin van Rusland?’ vraagt opiniemaker Nicholas Kristof zich af in een opiniestuk in The New York Times van begin dit jaar. ‘Republikeinse politiek verklaart een deel van deze dwaasheid, maar ik denk dat een andere reden pure domheid is. Het Congres is nogal gesloten en, vergeleken met andere rijke landen, slecht bereisd. Slechts 48 procent van de Amerikanen heeft een paspoort en ze staan erom bekend slecht te zijn in het spreken van vreemde talen.’

    Volgens Kristof is een gebrek aan vertrouwdheid en bekendheid met de wereld een van de redenen waarom de Verenigde Staten regelmatig een ‘zelfdestructief beleid’ voeren in de wereldpolitiek. ‘Misschien wel de grootste fout op het gebied van buitenlands beleid deze eeuw was de verwachting van de regering-Bush dat de Irakezen in 2003 de Amerikaanse troepen met bloemen zouden verwelkomen; dat is het soort waanidee dat je aantreft bij mensen die nog nooit een gesprek hebben gevoerd met een Arabier.’ Hij waarschuwt dat een tweede presidentschap van Trump zelfs ’nog grotere fouten’ met zich mee kan brengen, zoals een terugtrekking uit de NAVO, Oekraïne in de steek laten en daarmee het internationale systeem van na de Tweede Wereldoorlog op zijn kop zetten.

    Kristof stelt dat tijd doorbrengen in het buitenland vooroordelen doet vervagen en empathie doet groeien, omdat we beter beseffen dat we allemaal mensen zijn. ‘Het maakt ons land ook competitiever: ik zou willen beweren dat Utah er economisch van heeft geprofiteerd dat het buitengewoon kosmopolitisch is.’ Een deel van de inwoners heeft namelijk in het buitenland gewoond als Mormoonse missionaris. ‘Mijn boodschap aan jonge mensen: Ga naar het westen! Ga naar het oosten! Ga naar het noorden! En vooral, ga naar het zuiden!’ Universiteiten zouden studenten moeten aanmoedigen om minstens een semester in het buitenland te studeren of om voor de universiteit een tussenjaar te nemen om in een ander land te werken of te studeren, aldus het betoog.

    ’Probeer Engelse les te geven in een klein stadje in Zuid-Korea, Taiwan of Japan. Of doe vrijwilligerswerk in Nepal of Sierra Leone’ 

    ‘We zouden afgestudeerden niet als volledig ontwikkeld beschouwen als ze nog nooit Shakespeare hadden gelezen, de derdemachtswortel van 27 niet kenden en dachten dat Plato’s Republiek een klein Midden-Amerikaans land was’, schrijft hij. ‘Nu de wereld steeds meer met elkaar verbonden raakt, is een ander belangrijk onderdeel van een volledige opleiding de internationale ervaring.’

    Kristof heeft tijdens zijn studie een zomer geld verdiend door op een boerderij in Frankrijk te werken en dat heeft naar eigen zeggen zijn levensloop veranderd. ‘En denk niet dat studeren in het buitenland noodzakelijkerwijs betekent dat je met een meute door Rome of Londen toert. Probeer in plaats daarvan Engelse les te geven in een klein stadje in Zuid-Korea, Taiwan of Japan. Of doe vrijwilligerswerk in Nepal of Sierra Leone.’ 

    De Verenigde Staten integreren steeds meer met Latijns-Amerika, dus Spaans leren is volgens Kristof geen slecht idee. ‘En leer het dan niet in een klaslokaal. Voor een fractie van het collegegeld kun je in je eentje studeren of werken in Chili, Argentinië of een veilig deel van Mexico. Of in Bolivia – bestaat er een magischer land? De beste manier om een taal te leren is via vrienden en vriendinnen.’

    ‘Je zult over jezelf leren en je horizon verbreden’

    De kosten zijn een obstakel voor jongeren die een universitaire graad willen halen, en studeren in het buitenland kan de studieschuld nog zwaarder maken. ‘Hogescholen zouden daarom meer programma’s moeten aanbieden in goedkope landen zoals India, Marokko en Mexico.’ Ook vindt Kristof dat er meer nadruk moet liggen op jonge mensen die met een klein budget de wereld rondreizen. ‘Het beste voorbeeld is misschien wel de manier waarop jonge Australiërs – waaronder mannen en vrouwen uit de arbeidersklasse – soms een paar jaar sparen, hun baan opzeggen en een enkele reis naar Europa maken. Velen hebben me verteld dat het een bepalende ervaring in hun leven was.’ 

    Volgens Kristof moet iedereen de sprong wagen en zichzelf in het diepe gooien. ‘Je zult over jezelf leren, je horizon verbreden en na terugkomst een aantal bekrompen leden van ons Congres goede raad kunnen geven over Oekraïne en de hele wereld.’

    Nicholas D. Kristof is columnist bij The New York Times en tweevoudig winnaar van de Pulitzer Prize. Samen met zijn vrouw, Sheryl WuDunn, heeft hij vier bestsellers geschreven, waaronder het boek Half the Sky. Nicholas Kristof schrijft bij The New York Times over mensenrechten, vrouwenrechten, gezondheid en internationale betrekkingen.

  • Is het mogelijk om kunst los te zien van het (wan)gedrag van de kunstenaar?

    Is het mogelijk om kunst los te zien van het (wan)gedrag van de kunstenaar?

    De manier waarop we naar een roman, film, muziekstuk of schilderij kijken, wordt vaak aangetast door onthullingen over het privéleven van de maker. Heeft kunst op zichzelf waarde of moeten we rekening houden met de moraal van de persoon die een werk heeft gemaakt? Twee Spaanse schrijvers gaan met elkaar in debat.

    ‘Wij kunstenaars zijn ons werk, of we het leuk vinden of niet’ 

    Een commentaar van Alejandro Palomas, schrijver van het boek Esto no se dice

    ‘Is het goed om de kunstenaar te scheiden van zijn werk of is dat wat de hand creëert het verlengstuk van de hand zelf, en dus van het bloed dat zijn creatie voedt?’ Over die vraag blijft schrijver Alejandro Palomas maar nadenken. 

    In een artikel in de Spaanse krant El País vertelt hij over een goede vriend van hem die werkte onder leiding van een zeer ‘bewonderde en gerespecteerde’ theaterregisseur. ‘Ik was er nauw bij betrokken en was bij een aantal repetities aanwezig. Ik zag hoe het theater in een hel veranderde onder leiding van een persoon die regisseerde door zijn acteurs en zijn team te straffen en te vernederen’, schrijft Palomas. ‘Vanaf het moment dat ze de zaal binnenkwam, was de spanning om te snijden.’ 

    Palomas vertelt hoe iedereen in het theater bang was voor de woedeuitbarstingen en stemmingswisselingen van de regisseur. Maar toen het stuk even later in de theaters verscheen, was het een doorslaand succes. ‘Bijna niemand weet van het slijk en het menselijk lijden waarop het genie van de voorstelling rust.’  

    ‘Kunst kan niet gescheiden worden van degenen die het maken’

    ‘Tot op de dag van vandaag ben ik de enige in mijn omgeving die het stuk niet gezien heeft en het ook niet wil zien,’ vervolgt de auteur. ‘Aan de ene kant zegt mijn hoofd me dat de privé-informatie die ik over de regisseur heb mijn plezier in het werk niet in de weg mag staan, aan de andere kant is mijn hart nog steeds doordrongen van wat ik voelde toen ik haar zag opbloeien onder haar beledigingen, spot en mishandeling, en die wond houdt vandaag de dag nog steeds aan.’ 

    En dus stelt Palomas zichzelf de vraag: ‘Betekent applaudisseren voor het werk van een artiest zoals zij dat je de artiest waardeert of alleen het werk? Kunnen we het creatieve proces loskoppelen van het resultaat? En zouden we dat moeten doen?’ 

    Palomas stelt dat we maker en creatie niet los van elkaar kunnen zien. ‘Wij kunstenaars zijn wat we doen. Wij zijn ons werk, of we het leuk vinden of niet, of we het willen of niet. Er is geen keuze. Wij zijn wat we delen met degenen die ons lezen, met degenen die naar ons komen kijken in het theater, die genieten van onze concerten. En ik wou dat het niet zo was, maar kunst kan niet gescheiden worden van degenen die het maken.’ 

    ‘We kunnen kunstenaars beoordelen op hun werk, niet op hun leven’ 

    Een commentaar van Carmen Domingo, schrijver van het boek Cancelado 

    ‘Beoordelen we de kunstenaar met de ogen van de tijd waarin hij leefde of met de ogen van vandaag? Moeten we werken – meesterwerken – ongeldig verklaren omdat de auteur een verachtelijk wezen is? Met andere woorden, kan het werk van een kunstenaar worden verboden op basis van zijn leven?’ Die vragen stelt auteur Carmen Domingo in hetzelfde artikel in El País

    ‘Dat een kunstenaar en diens werk nauw met elkaar verbonden zijn, betekent niet dat we kunstenaars kunnen beoordelen op hun leven,’ stelt Domingo. ‘Het idee van een creatieve wereld die door louter “goede mensen” is opgebouwd is niet alleen naïef, maar, zou ik zeggen, zelfs schadelijk voor de creatie. Ethiek is, net als ideologie, geen garantie voor esthetische kwaliteit. Het spreekt voor zich dat we anders een wereld vol genieën zouden hebben.’  

    Domingo vraagt zich vervolgens af of we het werk dan volledig moeten loskoppelen van de maker. ‘Voelen we ons ongemakkelijk als we het werk waarderen van iemand die geheel andere denkbeelden heeft dan wij? Zouden we in een betere wereld leven als we niet van Guernica [van Picasso] zouden genieten?’ Als we dat kunstwerk zouden loskoppelen van de maker, zouden we het misschien niet eens begrijpen, stelt Domingo. ‘Juist door kennis ervan kunnen we onder ogen zien dat de wereld in die tijd racistisch, antisemitisch of seksistisch was, en dat iedereen dat heel gewoon vond.’ 

    ‘Censuur en cancellen lossen noch geweld, noch machismo, noch antisemitisme, noch racisme, noch pedofilie op’

    Vandaag de dag kijken we daar met andere ogen naar. ‘Maar censuur en cancellen lossen noch geweld, noch machismo, noch antisemitisme, noch racisme, noch pedofilie op,’ gaat Domingo verder. ‘Laten we accepteren dat de identificatie van het werk met de auteur nooit volledig is (soms is men van plan om het ene te doen en doet men uiteindelijk iets anders, of men wil een idee overbrengen maar dat wordt heel anders geïnterpreteerd). Misschien is het het verstandigst om de geschiedenis van elk van de kunstenaars te leren kennen en te aanvaarden en met die kennis zonder meer van het werk te genieten.’ 

    ‘Laten we aanvaarden dat John Lennon zijn vrouw sloeg, dat Lou Reed werd beschuldigd van antisemitisme en racisme, dat Picasso een allesbehalve voorbeeldige partner was voor zijn vrouwen, dat Hemingway niet het beste gezelschap was tijdens een avondje uit en dat Alain Delon homofoob en seksistisch was. En laten we vanaf dat punt genieten van de werken die op de een of andere manier hebben bijgedragen aan de vooruitgang van de mensheid. Ik zal in ieder geval blijven genieten van een schilderij van Picasso, een roman van Hemingway en een film van Delon’, sluit Domingo haar commentaar af.   

  • Wie is er verantwoordelijk voor seksuele voorlichting?

    Wie is er verantwoordelijk voor seksuele voorlichting?

    Goede seksuele voorlichting draagt bij aan gezondere seksuele keuzes. Is het de taak van leerkrachten om jongeren hierover te informeren, of ligt die verantwoordelijkheid toch bij de ouders? Twee opiniemakers gaan met elkaar in debat.

    ‘Ouders zijn de beste partij om kinderen te onderwijzen’

    ‘Een stroom van verkrachtingszaken [in Singapore] heeft opnieuw de aandacht gevestigd op de noodzaak van seksuele voorlichting voor kinderen en tieners’, schrijft Sarah Chua, ouderschapsspecialist, in The Straits Times. ‘Het is van belang om kinderen al vroeg over seks te onderwijzen en deze grote verantwoordelijkheid kan het beste door ouders worden genomen.’ Veel ouders voelen zich ongemakkelijk bij het aansnijden van dergelijke onderwerpen, ‘maar als kinderen niet over seks leren van hun ouders – de mensen die het meest om hen geven – leren ze het mogelijk van mensen die het niet per se het beste met de kinderen voorhebben,’ benadrukt ze. 

    Uit een door de Health Promotion Board gesponsorde enquête uit 2012 bleek dat 80 procent van de huishoudens in Singapore met kinderen tussen de tien en zeventien jaar het belangrijk vindt om kinderen voor te lichten over seksualiteit. Desondanks praat minder dan de helft van de ouders daadwerkelijk met hun kinderen over seks. ‘Onze eigen recente enquête bevestigt dit – 79 procent van de jongeren en jongvolwassenen vindt dat ouders de hoofdverantwoordelijkheid hebben om kinderen over seks te leren, maar 85 procent van hen wendt zich tot internet, sociale media, leeftijdsgenoten en leraren voor informatie over seksualiteit.’

    ‘Het is essentieel dat ouders consequent tijd maken om naar hun kinderen te luisteren over alles wat hen bezighoudt’

    Ouders kunnen volgens Chua beginnen met de erkenning dat een holistische benadering van seksuele voorlichting alle verschillende aspecten van de mens omvat: lichamelijke en emotionele gezondheid, sociale relaties en intellectuele en ethische waarden. ‘Ze kunnen gesprekken over elk van deze aspecten beginnen op een manier die bij hun leeftijd past.’ Daarnaast benadrukt ze dat een vertrouwensvolle en hechte relatie met de ouders een cruciale basis is voor kinderen om hun zorgen en vragen over seksualiteit met hen te delen. ‘Het is essentieel dat ouders consequent tijd maken om naar hun kinderen te luisteren over alles wat hen bezighoudt.’

    Deze leermomenten stellen ouders in staat om hun kinderen te laten zien welke waarden belangrijk zijn voor het gezin, inclusief die op het gebied van seksualiteit. Volgens Chua zal dit juist bevorderlijk zijn voor de band tussen ouder en kind. ‘Kinderen zullen dan opgroeien in de wetenschap dat ze zich tot hun ouders kunnen wenden voor advies of hulp bij alles wat van belang is.’ 


    ‘Als ouder weet ik dat leerkrachten het best in aanmerking komen om seksuele voorlichting te geven’

    ‘Het zit zo met seksuele voorlichting: het is geen les in hoe je seks moet hebben. Het is nooit een les geweest in hoe je seks moet hebben. Achtjarige kinderen wordt tijdens een les seksuele voorlichting niet geleerd hoe ze een orgasme moeten krijgen, zoals achtjarigen in een wiskundeles niet leren hoe ze een kwadratische vergelijking moeten oplossen,’ schrijft Nell Frizzell, journalist en auteur van het boek Holding my Baby, op iNews.com. ‘Bovendien kan elke bezorgdheid over ongepaste inhoud gemakkelijk worden weggenomen door zelfs maar een vluchtige blik te werpen op het wettelijk verplichte leerplan voor relatie-, seks- en gezondheidsonderwijs.’

    Frizzell gelooft dat seksuele voorlichting haar zoon zal beschermen tegen het expliciete materiaal waar hij online aan zal worden blootgesteld. ‘Net zoals kennis over een gezond dieet en hoe hij zijn tanden moet poetsen zijn lichaam hopelijk zal beschermen tegen latere schade, zo zal relatie- en seksuele voorlichting zijn lichaam en hersenen beschermen tegen de druk die in de moderne wereld op dit gebied bestaat.’ 

    Scholen moeten jongeren naast een academische ook een sociale opvoeding geven’

    Als ouder kun je daar ook verantwoordelijkheid in nemen. ‘Natuurlijk zal ik mijn kind omringen met mijn eigen invloed en middelen – ik kan hem kennis laten maken met boeken, verhalen en de juiste personen. Maar het is aan de scholen om alle jongeren naast een academische ook een sociale opvoeding te geven.’ 

    Op school kunnen leerlingen leren omringd door personen die ze thuis of in hun familie misschien nooit zouden ontmoeten. ‘Ze leren hoe ze relaties kunnen opbouwen met de mensen om hen heen, met verschillende geloofsovertuigingen, rassen, talen, inkomens, vaardigheden en, ja, verschillende ouder- en gezinsstructuren.’ Onderwijs in seksuele en relationele vorming legt bij leerkrachten de verantwoordelijkheid om een onderwerp genuanceerd, onderzoekend en pedagogisch te benaderen; ‘maar dat is letterlijk waar ze voor opgeleid en betaald worden’.

    Het heeft volgens Frizzell dus juist voordelen om scholen hier een grote rol in te geven. ‘Bovendien zijn leraren soms beter dan ouders in staat om bepaalde lessen en adviezen te geven, onder andere over een gevoelig onderwerp zoals seksuele voorlichting, omdat ze een objectieve en minder emotioneel beladen band met de kinderen hebben dan ouders.’

  • Moeten er nummerborden op fietsen komen?

    Moeten er nummerborden op fietsen komen?

    Hoewel de fiets een milieuvriendelijk en gezond vervoersmiddel is, zorgt ze ook voor verkeersonveilige situaties. Leidt het registreren van fietsen tot veiliger verkeer? Twee opiniemakers gaan met elkaar in debat.

    Dit artikel verscheen woensdag in de nieuwsbrief, exclusief voor abonnees. Wil je elke week op de hoogte blijven? Neem dan een (proef)abonnement – tijdelijk al vanaf €1,50 per maand – op 360 Magazine.

    Ja: ‘Alle fietsen op de openbare weg zouden een nummerplaat achterop moeten hebben’

    Een commentaar van auteur, historicus, biograaf en columnist bij The Sunday Telegraph Simon Heffer

    ‘De meeste fietsers gedragen zich goed, maar de argumenten voor regulering zijn sterk gezien het slechte gedrag van een roekeloze minderheid,’ aldus Simon Heffer in The Telegraph. Hij schrijft zijn artikel naar aanleiding van het incident in Regent’s Park in Londen, waarbij een oudere vrouw werd aangereden door een fietser op een racefiets die sneller ging dan was toegestaan. Ze overleed uiteindelijk aan haar verwondingen. ‘Toch werd er geen zaak tegen de fietser aangespannen, omdat er volgens de politie onvoldoende bewijs was voor een reële kans op een veroordeling’, schrijft Heffer. ‘Je zou denken dat de dode vrouw, het onbetwiste feit dat ze overleed nadat ze werd aangereden, en de wetenschappelijk onderbouwde bevinding dat de fietser 46 kilometer per uur reed, bewijs genoeg zou zijn.’

    Sommige parlementsleden willen dood door gevaarlijk fietsen strafbaar stellen, aangezien dit niet het eerste incident in het Verenigd Koninkrijk was. ‘In 2017 werd een man door een rechter in de Old Bailey veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf op grond van een wet uit 1861 die het “roekeloos besturen” van een voertuig, inclusief een fiets, strafbaar stelt’, schrijft Heller. ‘Zijn slachtoffer, een vierenveertigejarige vrouw, overleed aan hoofdwonden toen hij haar raakte toen ze een straat overstak in Londen. Hij beging een overtreding omdat hij geen voorrem had. Uiteindelijk werd hij vrijgesproken van doodslag.’

    ‘Degenen die, net zoals ik, veel door Londen of welke grote stad dan ook lopen, hebben het allemaal gezien’

    ‘Degenen die, net zoals ik, veel door Londen of welke grote stad dan ook lopen, hebben het allemaal gezien. Fietsers rijden door rood, meestal met hoge snelheid, terwijl onschuldige voetgangers oversteken bij een groen licht. Ik werd afgelopen donderdag nog bijna omver gereden.’ En daar blijft het volgens Heller niet bij. ‘Ze fietsen op de stoep, de verkeerde kant op door eenrichtingsstraten of op de linkerkant van een straat met tweerichtingsverkeer.’ Een automobilist die zoiets doet, komt al snel in aanraking met de politie. ‘En dan niet omdat er een agent in de buurt is, want meestal is die er niet, maar omdat een bezorgde burger het kenteken noteert en een telefoontje pleegt’, schrijft hij. ‘Misschien is dat de oplossing.’

    ‘Alle fietsen op de openbare weg zouden een nummerplaat achterop moeten hebben, die gemakkelijk zichtbaar is voor diegenen die zojuist bijna overreden zijn,’ gaat hij verder. ‘Het Departement van Transport zou bescheiden registratiekosten moeten heffen om de bureaucratische kosten te dekken (hoewel aanvragen online kunnen gebeuren) en om meer politie te werven om overtreders op heterdaad te betrappen. Degenen die schuldig worden bevonden aan overtredingen kunnen, net als automobilisten, een boete krijgen, voor een bepaalde tijd van de weg worden verbannen of opgesloten, of alle drie.’ 

    Nee: ‘Het enige wat je zou krijgen van deze draconische maatregelen is minder fietsers’

    Een commentaar van adjunct-politiek redacteur voor The Guardian en auteur van het boek The Miracle Pill Peter Walker.

    ‘Zwitserland heeft het een tijdje geprobeerd. Argentinië heeft het ooit een kans gegeven, net als verschillende steden in de VS. Maar de enige plek waar het idee is blijven hangen, is Noord-Korea’, schrijft Peter Walker in The Guardian. Hij geeft toe dat het registreren van fietsen in eerste instantie verleidelijk lijkt. Fietsers zijn, net als auto’s, weggebruikers, ze kunnen wetten overtreden en doen dat soms ook, en ze kunnen anderen ernstig letsel toebrengen. Dus waarom zouden ze vrijgesteld moeten worden van identificatie en handhaving? ‘De reden is heel eenvoudig: praktisch gezien zou het enorm moeilijk zijn om te handhaven – en gebleken is dat het weinig oplevert.’

    Er komen enkele logistieke hindernissen kijken bij het registreren en identificeren van fietsers. ‘Een nummerplaat moet groot genoeg zijn om leesbaar te zijn, wat op zichzelf al lastig is. Het zou ook alleen de fiets zelf identificeren, niet de persoon erop.’ Sommige voorstanders hebben het idee geopperd fietsers in genummerde hesjes te steken. ‘Maar nogmaals, iets wat groot genoeg is om gezien te worden zou enorm onpraktisch zijn – te warm in de zomer en onmogelijk over een jas heen te krijgen in de regen of kou.’

    ‘Het identificeren van weggebruikers neemt gevaren in het verkeer niet weg’

    Het is volgens Walker dus geen realistische oplossing. ‘En als er al een half werkbare administratieve truc gevonden zou worden, stuit je op het andere opvallende nadeel van een dergelijke regeling: er is zeer sterk bewijs dat deze geen netto voordeel oplevert voor de verkeersveiligheid of het algemene nationale welzijn. In feite gebeurt het tegenovergestelde. het identificeren van weggebruikers neemt gevaren in het verkeer niet weg.’ 

    Volgens het Motor Insurers’ Bureau zijn er in het Verenigd Koninkrijk naar schatting een miljoen onverzekerde bestuurders en elke dag komen ongeveer zeventig mensen om in het verkeer of lopen mogelijk levensgevaarlijke verwondingen op. ‘Bijna alle verkeersslachtoffers worden veroorzaakt door auto’s. De concentratie op fietsen zou betekenen dat je je concentreert op een groep die gemiddeld twee doden per jaar veroorzaakt, tegenover de zeventienhonderd levens die elk jaar verloren gaan bij auto-ongelukken’, schrijft Walker. ‘Het enige wat je zou krijgen van deze draconische maatregelen is waarschijnlijk minder fietsers. Verplichte helmwetten in landen als Australië – een veel minder zware administratieve barrière – blijken het aantal fietsers ook al te onderdrukken.’ En bij minder fietsers is niemand gebaat. ‘Dan krijg je een slechtere volksgezondheid, meer vervuiling, meer opstoppingen – en meer verkeersdoden.’

  • Zijn jongere vaders betere vaders?

    Zijn jongere vaders betere vaders?

    Duitse mannen worden steeds later vader. In 2022 waren ze gemiddeld 34,7 jaar oud toen hun kinderen werden geboren. In veel andere landen is er een gelijke trend te zien. Is dat een ongunstige ontwikkeling? Twee redacteuren van Süddeutsche Zeitung gaan met elkaar in debat.

    JA: ‘De fysieke conditie van jonge vaders is een groot voordeel’ 

    Onredelijk, onvolwassen, onbekwaam: wie jong en mogelijk ongepland kinderen krijgt, wordt vaak onterecht belasterd. Op de vraag of oudere mannen betere vaders zijn dan jongere mannen, is geen algemeen antwoord te geven. Maar er zijn goede argumenten om op jonge leeftijd kinderen te krijgen – vanuit medisch, psychologisch, professioneel en misschien zelfs filosofisch oogpunt.

    Vanuit medisch oogpunt is halverwege de twintig voor mannen de beste leeftijd om zich voort te planten. Uit een onderzoek blijkt dat de leeftijd van vaders een vergelijkbaar effect kan hebben op het kind als de leeftijd van moeders. Zo neemt de hoeveelheid en kwaliteit van het sperma af naarmate de man ouder wordt, waardoor het risico op een miskraam en ziekten zoals autisme, leukemie en hartaandoeningen toeneemt. Als alles goed gaat en de baby gezond ter wereld komt, speelt de fysieke conditie van de vader ook een rol. 

    Vroeg gaan werken ondanks slaapgebrek is als vijfentwintigjarige misschien gemakkelijker dan als je begin vijftig bent. Ja, een baan en een baby vormen een dubbele belasting, maar fysieke kwalen en kinderen zijn ook een dubbele belasting. Skiën en voetballen met de kinderen? Geweldig op je dertigste, maar met artrose in de knie of een hernia wordt dat een stuk lastiger.

    Het leven met kleine kinderen vereist niet alleen een vast inkomen, maar ook fantasie en gevoel voor humor

    Een van de redenen waarom de gemiddelde leeftijd van ouders stijgt, heeft te maken met de angst voor geldgebrek. Wie tijdens zijn studie voor het eerst vader wordt en nog geen vaste baan heeft en geen goede woning of auto, krijgt vaak de vraag: gaat dat wel? Het antwoord: dat gaat. Niet alles hoeft van tevoren gepland te zijn, van de kinderkamer in op elkaar afgestemde pasteltinten tot het organogram voor het gelijkmatig verdelen van de flesvoeding. In het alledaagse leven van jonge ouders valt sowieso weinig te plannen. Als het gezin wordt gesteund door vrienden en familie, is leeftijd niet echt een probleem.

    ‘Hij is zelf nog een kind,’ zeggen critici graag over jonge vaders. En dan? Misschien ben je begin twintig gewoon nog geen burgermannetje. Gelukkig maar! Want het leven met kleine kinderen vereist niet alleen een vast inkomen, maar ook fantasie en gevoel voor humor. En wat ziet er kinderachtiger uit dan een man van midden zestig die rondloopt met een baseballpet en een hip shirt om maar een jeugdige uitstraling te hebben?

    In tegenstelling tot hun leeftijdsgenoten kunnen jonge ouders zich niet uitleven en onbeperkt dingen uitproberen. Terwijl vrienden feesten en reizen plannen, moeten zij geld verdienen en voor hun kinderen zorgen. Maar twintig jaar later is de situatie omgekeerd: terwijl latere ouders om hun vijftigste met pubers te maken hebben, hebben jonge ouders dan inmiddels hun vrijheid terug – en wel in de bloei van hun leven.    

    Het belangrijkste argument ten gunste van vroeg ouderschap: overlappende levensfasen. Als je vroeg kinderen krijgt en dan nog lang gezond en hopelijk ook nog redelijk aanspreekbaar blijft, bijvoorbeeld tot halverwege de tachtig, kun je als alles goed gaat zestig jaar samenleven als gezin. Als je kinderen ziet als het belangrijkste en mooiste wat er is, dan wil je dat natuurlijk liever dan slechts tien of twintig jaar met ze zijn. In die zin is vader worden op jonge leeftijd zowel zinvol als belonend.

    Titus Arnu, geboren in 1966 in Laufenburg in Zwitserland, schrijft bij Süddeutsche Zeitung voornamelijk voor de rubrieken maatschappij, stijl en panorama. Hij werkte eerder voor het tijdschrift SZ Wissen en schreef voor SZ-Magazin, Spiegel, Geo, Natur en Mare. Hij studeerde aan de Duitse School voor Journalistiek en studeerde literatuurwetenschap en journalistiek in München.


    NEE: ‘Latere vaders hebben minder last van stress van werk’

    Je kunt de openingsvraag heel snel beantwoorden, namelijk: nee, waarom zou dat beter zijn? Of iemand een ‘goede’ vader is of niet, is geen kwestie van leeftijd. Is een vader van halverwege de twintig die met zijn kind zou kunnen voetballen, maar daar helaas geen tijd voor heeft omdat hij gestrest op zijn werk zit, een betere vader dan een vader van midden vijftig die weliswaar niet meer de snelste is, maar wel voor het avondeten thuis? 

    In 2008 schreef de Zwitserse journalist Philipp Dreyer, die zelf pas op bijna vijftigjarige leeftijd vader werd, een boek over ‘late vaders’. In een voorwoord beschreef de beroemde Zwitserse kinderarts Remo Largo, die in 2020 overleed, een belangrijk verschil tussen vroege en late vaders. In dit geval betekent een late vader iemand die na zijn vijftigste voor het eerst vader wordt. Zo iemand heeft het grootste deel van zijn professionele leven al achter de rug. Hij heeft zijn professionele doelen bereikt of hij heeft er vrede mee dat hij ze niet meer zal bereiken. ‘Nu hij de stress van zijn carrière achter zich heeft gelaten, is hij duidelijk opener van geest en ryolar. De vaders laten het kind dicht bij hen komen. Ze hebben behoefte aan sensuele ervaringen,’ schrijft Largo.

    ‘Sinds ik kinderen heb, heb ik geen zin meer in een carrière’

    Alle vaders die in het boek aan het woord komen, hebben ondanks hun verschillen één ding gemeen: hun eigen instelling is volledig veranderd als gevolg van het krijgen van een kind. Dingen die voorheen belangrijk waren voor hun zelfbeeld, zijn op de achtergrond geraakt. ‘Sinds ik kinderen heb, heb ik geen zin meer in een carrière,’ zegt een van hen bijvoorbeeld. Zou iemand van dertig dat ook zeggen?

    Kinderen brengen niet alleen veel geluk, maar vragen ook om veel opofferingen. De eerste jaren met een klein kind zijn uitputtend – ieder die iets anders beweert, houdt zichzelf voor de gek. Later, tijdens de schooljaren, zijn er weer andere dingen voor ouders om zich zorgen over te maken. Een puberende tiener is een puberende tiener, hoe oud de vader ook is. En de wanhoop vanwege de onwil om naar school te gaan, die vaak op deze leeftijd ontstaat, kan voor een vader van midden veertig, die zelf nog veel stress heeft op zijn werk, groter zijn dan voor een vader van zestig jaar of ouder die meer kalmte en relativeringsvermogen heeft.

    Als je op jonge leeftijd vader wordt, kun je accepteren dat je offers maakt, in de wetenschap dat je de achterstand later weer in kan halen. Maar een oudere vader die in zijn jongere, kinderloze jaren volop heeft geleefd zonder zulke offers te maken, zal daar ook geen problemen mee hebben omdat hij simpelweg niets in te halen heeft.

    Je moet klaar zijn voor een leven met kinderen, hoe oud je ook bent. Het is geen taak om af te vinken, zoals je op je werk doet. Ouder zijn betekent je kind helpen zijn talenten en persoonlijkheid te ontwikkelen. Het een stabiel gevoel van eigenwaarde en een moraal meegeven. Interesse tonen voor zijn vreugde en ontberingen. Antwoorden geven op vragen. Samen kleine en grote conflicten oplossen. Er zijn wanneer je nodig bent en tegelijkertijd steeds meer loslaten zodat het kind zijn eigen ervaringen kan opdoen. Vertrouwen geven en vertrouwen hebben. Dat is veel en het is niet altijd gemakkelijk. Onvermijdelijk zul je ook fouten maken. Sommigen meer, anderen minder. Een goede vader zijn en blijven: dat kan op elke leeftijd. Net zoals je op elke leeftijd kunt falen.

    Na gewerkt te hebben voor de Donaukurier, Stern, Frankfurter Rundschau en Die Woche, trad Peter Fahrenholz in december 2000 in dienst bij Süddeutsche Zeitung als politiek verslaggever. Van 2006 tot 2007 was hij plaatsvervangend hoofd van de afdeling binnenlandse politiek. Van 2015 tot 2020 hoofd van de afdeling Reizen, mobiliteit, speciale onderwerpen en van 2021 tot 2022 hoofdredacteur van de afdeling politiek.

  • Moet Ierland het aantal datacenters beperken?

    Moet Ierland het aantal datacenters beperken?

    Dataopslag slurpt elektriciteit. In Ierland zou dat haast evenveel zijn als de hele stedelijke bevolking verbruikt. Zijn nieuwe datacenters echt nodig voor de economische groei van het land?

    JA: ‘Het systeem is verzadigd’

    ‘Hoe meer we te weten komen over de werkelijke impact van datacenters, hoe kortzichtiger het Ierse beleid van de afgelopen twintig jaar lijkt,’ schrijft de The Irish Times in een redactioneel. Begin juni onthulde het Ierse Centraal Bureau voor de Statistiek dat de 75 datacenters in 2022 bijna een vijfde van de elektriciteitsproductie van het land hadden verbruikt, het equivalent van wat alle stedelijke huishoudens in Ierland verbruiken. Dat is 30 procent meer dan in 2021. En in 2015 was het verbruik slechts 5 procent van de totale elektriciteitsproductie; oftewel een exorbitante toename van 400 procent in minder dan tien jaar. ‘Deskundigen en de nationale elektriciteitsleverancier EirGrid hebben herhaaldelijk gewaarschuwd dat het nationale elektriciteitsnet steeds meer onder druk komt te staan, niet in de laatste plaats door datacenters. Deze zijn bijzonder energie-intensief en kunnen tientallen of zelfs honderden computerservers van stroom voorzien.’ De krant wijst erop dat ze bovendien niet werken zonder koelsysteem en een enorme hoeveelheid water verbruiken. ‘Grote datacenters verbruiken evenveel energie en water als een kleine stad.’

    Met de dertig nieuwe datacenters die gepland staan, waarvan er acht al in aanbouw zijn, zal de sector in 2030 volgens EirGrid waarschijnlijk tussen de 23 procent en 30 procent van het nationale verbruik voor zijn rekening nemen. ‘EirGrid heeft een moratorium ingesteld op de bouw van nieuwe centra in de toch al verzadigde regio Dublin.’ Verspreiding van de centra lost de onderliggende problemen met de elektriciteitsvoorziening echter niet op. ‘De regering herhaalde in juni nogmaals dat ze de groei van de sector niet zou beperken,’ aldus The Irish Times.

    ‘Ierland heeft al meer datacenters per hoofd van de bevolking dan 99 procent van de rest van de wereld‘

    De krant geeft toe dat het land deze centra nodig heeft. Ze zijn essentieel voor de opslag en het beheer van gegevens voor Ierse particulieren en bedrijven, maar ook voor de internationale activiteiten van internetgiganten zoals Google en Amazon. ‘Door deze onstuimige groei niet af te remmen, geeft Ierland toe aan de multinationals die op zijn grondgebied zijn gevestigd, terwijl zijn elektriciteitsnetwerk onder druk staat en het land zijn klimaatverplichtingen niet nakomt.’

    Ministers hebben benadrukt dat de centra de economische groei ondersteunen en hebben de belofte gedaan dat ze groener zullen worden. Maar dergelijke beweringen zijn grotendeels gebaseerd op oncontroleerbaar bewijs van een van de meest gesloten bedrijfstakken binnen de technologische industrie. ‘Over de hele wereld hebben journalisten en burgergroepen juridische stappen moeten ondernemen tegen politici en datacenterbedrijven (soms verborgen achter lege vennootschappen) om de waarheid over hun bouwvergunningen en hun enorme water- en energieverbruik aan het licht te brengen.’

    Er lijkt geen milieuvriendelijke oplossing te zijn. ‘De meeste hernieuwbare energie in Ierland wordt opgewekt door wind, en de in juni 2023 door EirGrid aangekondigde onderbrekingen in het elektriciteitsnet herinneren ons eraan dat er geen windenergie is zonder wind.’ Het zal jaren duren om andere oplossingen te ontwikkelen, zoals windmolenparken op zee of golfenergie.

    ‘Ierland heeft al meer datacenters per hoofd van de bevolking dan 99 procent van de rest van de wereld. Het klinkt logisch om hun wildgroei te reguleren. De industrie moet transparanter worden, net als de overheid.’

    Lees hier het origineel

    ANP 62180520 1
    Bouw van een nieuwe datacenter van Facebook in Damastown, Dublin. – © Niall Carson / ANP

    NEE: ‘Niet minder datacenters, maar meer elektriciteit’

    ‘Onlangs werd de aandacht gevestigd op het feit dat deze “satanische fabrieken” (zoals de dichter William Blake de eerste fabrieken van de industriële revolutie in Groot-Brittannië noemde) evenveel elektriciteit verbruiken als alle stedelijke huishoudens in Ierland bij elkaar. Een opvallend gegeven. Tegelijkertijd is het moeilijk om dit als een existentiële bedreiging te zien,’ opent columnist John McManus zijn opiniestuk in The Irish Times. ‘Volgens de laatste cijfers van het Ierse Centraal Bureau voor de Statistiek, die dateren uit 2021, zijn stedelijke huishoudens goed voor minder dan 18 procent van het elektriciteitsverbruik.’ Huishoudens op het platteland verbruiken ongeveer 10 procent en straatverlichting 1 procent. ‘De rest – 70 procent van het elektriciteitsverbruik – wordt opgeslokt door wat we ruwweg economische activiteit kunnen noemen. Oftewel, de plaatsen waar mensen een activiteit uitvoeren en daarvoor worden betaald. Dit varieert van politiebureaus tot datacenters.’ In Ierland is de verdeling van het energieverbruik tussen huishoudens en de rest van de economie volgens Eurostat vergelijkbaar met die in de rest van Europa.

    Er worden volgens McManus terechte vragen gesteld over het energieverbruik van datacenters en de noodzaak om over te stappen op hernieuwbare energiebronnen. Maar hetzelfde kan volgens hem gezegd worden van de enorme Duitse auto-industrie, die veel energie verbruikt. ‘Weinig mensen vinden dat Duitsland te veel autofabrieken heeft, maar Duitsland heeft zijn elektriciteitsvoorziening dan ook iets beter geregeld dan wij.’

    ‘Veel Ieren hebben het gevoel dat ze aan de kant worden gezet in een tijd waarin het land steeds rijker wordt’

    ‘Ons probleem (ervan uitgaande dat je denkt dat we er een hebben) is niet wat we met onze elektriciteit doen. Het probleem is dat we er niet genoeg van produceren,’ stelt hij daarom. ‘Toen de Ierse economie de afgelopen decennia in hoog tempo groeide – gedreven door investeringen van techbedrijven, met name in datacenters – hebben we niet genoeg geïnvesteerd in elektriciteitsopwekking.’ Daar zijn volgens hem verschillende redenen voor, ‘maar het grootste probleem was dat we de stijgende vraag niet hebben zien aankomen en onze verouderde inventaris van conventionele energiecentrales niet hebben vernieuwd en vervangen.’ Daarmee bedoelt hij energiecentrales die fossiele brandstoffen verbranden.

    McManus vraagt zich af waarom de datacenters dan de schuld krijgen van tientallen jaren slecht energiebeleid van opeenvolgende regeringen. ‘Veel Ieren hebben het gevoel dat ze aan de kant worden gezet in een tijd waarin het land steeds rijker wordt. Ze zijn in opstand gekomen en hun woede zoekt nog steeds een uitweg.’ En daar komt de kritiek op datacenters volgens hem vandaan. ‘Technologie en haar satanische nakomelingen – sociale netwerken – worden bestempeld als parasieten en zijn hier de ideale boosdoeners. Niets geeft de Ieren meer het gevoel buitengesloten te zijn dan een datacentrum dat alle elektriciteit opslurpt en zakken vult die niet de hunne zijn. Vooral als er een in de buurt van hun dorp staat en grasmaaien op het aangelegde terrein de enige baan is die het biedt.’

    Dat is volgens McManus niet juist. ‘Voordat we onze fakkels en hooivorken tevoorschijn halen en naar het dichtstbijzijnde datacenter marcheren, is het misschien goed om te bedenken dat ze deel uitmaken van wat bekendstaat als de “industriële basis” van dit land,’ schrijft hij. Het is volgens hem het equivalent van Volkswagen of BMW. ‘Laten we datacenters niet afschaffen, maar laten we meer elektriciteit produceren.’

    Lees hier het origineel.

  • Moet een politicus altijd aftreden bij een schandaal?

    Moet een politicus altijd aftreden bij een schandaal?

    In Spanje heeft een mondkapjesaffaire een discussie op gang gebracht over politieke verantwoordelijkheid. Mercedes Cabrera, voormalig minister van Onderwijs, en José María Lassalle, voormalig staatssecretaris van Cultuur, geven hun visie op de vraag: moet een politicus zijn verantwoordelijkheid nemen, ook al is hij strafrechtelijk onschuldig?

    De affaire die bekend werd als de ‘zaak-Koldo’ was het gevolg van de aankoop van mondkapjes tijdens de pandemie door een adviseur van voormalig minister José Luis Ábalos, inmiddels parlementslid. Naar aanleiding hiervan heeft zijn partij PSOE hem gevraagd om af te treden, hoewel Ábalos niet is aangeklaagd. Twee voormalig bewindslieden gaan in El País met elkaar in debat over de vraag of het gerechtvaardigd is om hem te vragen afstand te doen van zijn parlementszetel.

    Nee: ‘Het lost de problemen niet op’

    ‘Het is een makkelijke vraag om te stellen, maar niet om te beantwoorden,’ vindt Mercedes Cabrera, voormalig minister van Onderwijs (2006-2009). Volgens haar mag je van een democratische rechtsstaat verwachten dat geschreven regels en wetten in dit soort situaties houvast bieden. ‘En ja, dat doen ze. Maar ze lossen niets op.’ Ze maken volgens haar geen einde aan de controverse die is ontstaan door de corruptiezaak-Koldo. ‘Als zelfs strafrechtelijke verantwoordelijkheid op basis van wetboeken en regels, en toegepast door onafhankelijke rechters, onderhevig is aan interpretatie, hoe zit het dan wel niet met politieke verantwoordelijkheid?’

    Cabrera verwijst naar de Duitse socioloog Max Weber, die in 1919, in de ‘extreem turbulente’ tijd van de pas ontstane democratische Weimarrepubliek, het essay Politiek als beroep schreef. Weber sprak over de ethiek van overtuiging, waarbij politici zouden moeten handelen volgens hun idealen, en de ethiek van verantwoordelijkheid, waarbij politici handelen volgens de soms complexe realiteit en met de gevolgen van hun daden in hun achterhoofd. ‘Het was niet zijn bedoeling om het een tegenover het ander te stellen, maar juist om de twee complementair te maken.’

    Ook How Democracies Die van Steven Levitsky en Daniel Ziblatt helpt volgens Cabrera bij het beantwoorden van de vraag. Volgens Levitsky en Ziblatt zijn er in een gezonde democratie twee ongeschreven regels. ‘Omdat trouw verklaren aan de grondwet niet genoeg is, moet er ook sprake zijn van wederzijdse tolerantie,’ legt Cabrera uit. ‘Je moet de tegenstander accepteren als concurrent, zolang die de grondwettelijke regels respecteert. En er moet sprake zijn van institutionele terughoudendheid, wat inhoudt dat acties worden vermeden die weliswaar de geschreven wet accepteren, maar de geest ervan schenden.’ Levitsky en Ziblatt hameren er verder op dat we de term ‘democratie’ niet moeten opvatten als zelfstandig naamwoord, maar als werkwoord. ‘Het voortbestaan van de democratie is niet vanzelfsprekend, iedereen is er verantwoordelijk voor.’

    ‘Een goede politicus weet wanneer hij moet aftreden, zonder te hoeven wachten tot een onderzoek is afgerond’

    ‘Moest ik dit er allemaal bij halen om de vraag te kunnen beantwoorden? Wat mij betreft wel,’ schrijft Cabrera. Ze benadrukt dat ze het niet heeft over deelnemers aan een complot, ‘maar over degenen die gedoogden, of niet zagen wat er gebeurde terwijl ze dat wel hadden moeten zien. Een goede politicus weet wanneer hij moet aftreden, zonder af te wachten tot een onderzoek is afgerond.’

    Het is dan ook essentieel om snel en transparant te reageren, stelt Cabrera, aangezien ‘de PSOE van de strijd tegen corruptie haar handelsmerk maakte, precies op het moment dat er een geval van corruptie aan het licht kwam’.  

    Ook de Partido Popular maakt volgens haar misbruik van de situatie. ‘De politieke verantwoordelijkheid geldt evengoed voor degenen die deze zaak benutten om af te rekenen met een politiek tegenstander.’ Volgens Cabrera lost de eis dat iemand aftreedt niet alles in één keer op. ‘Voor de gezondheid van een democratie en het herstel van het vertrouwen van het publiek is het gedrag van de oppositie net zo belangrijk als dat van de regering.’

    Mercedes Cabrera is hoogleraar aan de Complutense-universiteit van Madrid en was van 2006 tot 2009 minister van Onderwijs in de regering van José Luis Rodríguez Zapatero.

    Ja: ‘Het vertrouwen van het publiek moet worden hersteld’

    De gezondheid van de democratie wordt volgens José María Lassalle, voormalig staatssecretaris van Cultuur, aan veel aspecten afgemeten. ‘Maar een daarvan, misschien wel het belangrijkste, is dat de mensen erop kunnen vertrouwen dat degenen die regeren dat in de naam van het volk doen en uitsluitend handelen in het voordeel en belang van dat volk.’ Dat vertrouwen kent volgens hem ups en downs, maar mag in wezen nooit verbroken worden. ‘Anders zou de democratie haar belangrijkste kern verliezen.’ Hij haalt Zygmunt Bauman aan, die gelooft dat we momenteel een crisis van de democratie doormaken. Het vertrouwen zou zijn ingestort ‘doordat de mensen ervan overtuigd zijn dat hun leiders “corrupt, dom of onbekwaam” zijn’.

    ‘Niet alleen de dader is strafrechtelijk schuldig, maar ook degenen die hem hadden kunnen en moeten controleren’

    En deze crisis is volgens Lassalle de reden dat verantwoording afleggen als politicus noodzakelijker is dan ooit. ‘Ik heb het niet over de strafrechtelijke vervolging van vermeende corrupte politici, want daar zijn de rechtbanken voor, maar over politieke verantwoordelijkheid nemen als iemand ongeschikt blijkt om te regeren.’ Volgens hem moeten binnen een democratie degenen die een openbaar ambt bekleden betrouwbaar en competent zijn. ‘Daarom heeft een hoge ambtenaar, wanneer zich omstandigheden voordoen die zijn betrouwbaarheid in twijfel trekken, geen andere keuze dan zijn politieke verantwoordelijkheid te nemen en het vertrouwen van het publiek in zijn persoon te herstellen.’

    Lassalle benadrukt dat door het nemen van politieke verantwoordelijkheid de ‘ongeschiktheid bij het uitoefenen van het politieke ambt’ wordt gecompenseerd. Volgens Lassalle wordt vertrouwen niet hersteld door een beroep te doen op iemands eer en geweten, maar doordat iemand de gevolgen van zijn fouten aanvaardt. ‘Het lijdt geen twijfel dat dit vertrouwen geschonden kan worden zonder dat de persoon in kwestie juridisch aansprakelijk wordt gesteld.’

    Daarnaast is een politicus niet alleen verantwoordelijk voor zichzelf. ‘In een democratie is niet alleen de dader strafrechtelijk schuldig, maar ook degenen die hem vertrouwden, degenen die hem hadden kunnen en moeten controleren maar dat niet deden.’ Lassalle geeft Willy Brandt als voorbeeld, die midden in de Koude Oorlog aftrad als bondskanselier van Duitsland omdat een van zijn persoonlijke assistenten, Günter Guillaume, een communistisch spion bleek te zijn. ‘Het is waar dat hij daarna doorging als parlementslid en voorzitter van de SPD, maar hij nam zijn politieke verantwoordelijkheid door afstand te doen van zijn functie van kanselier, waarin hij had gefaald.’

    Lassalle vreest echter dat deze tijden voorbij zijn, en dat deze vorm van politieke verantwoordelijkheid nemen verloren is gegaan ‘nu het populisme onze democratieën bedwelmt’.

    José María Lassalle was van 2011 tot 2016 staatssecretaris van Cultuur en van 2016 tot 2018 staatssecretaris van Digitale Agenda. Hij diende beide termijnen onder premier Mariano Rajoy.

  • Zorgt de klimaatcrisis ervoor dat onze manier van leven ineenstort?

    Zorgt de klimaatcrisis ervoor dat onze manier van leven ineenstort?

    Geconfronteerd met de verwoestende gevolgen van een opwarmende planeet, staan rijkere landen voor de uitdaging om klimaatneutraal te worden en tegelijkertijd te proberen het economische systeem in stand te houden. Maar is dit werkelijk mogelijk? Wetenschappers Emilio Santiago en Margarita Mediavilla gaan hierover met elkaar in debat.

    Nee: ‘We zijn op het vlak van haalbare oplossingen beter gewapend dan ooit’

    De laatste jaren lijkt klimaatwetenschap wel een slechtnieuwsbulletin. Het laatste nieuws is de publicatie van een studie die waarschuwt voor de waarschijnlijke ineenstorting van de oceaanstromen in de Atlantische Oceaan. Nog meer bewijs dat de klimaatcrisis erger wordt. Wetenschappers zijn gealarmeerd. Zelfs bij een lage opwarming zijn de gevolgen zeer ernstig, en toch stoten we nog steeds CO₂ uit en begeven ons op gevaarlijk terrein. Op deze manier zullen al onze maatregelen voor het klimaat tevergeefs zijn.

    Onze kinderen groeien nu al op op een planeet die veel onleefbaarder is dan die van hun grootouders, en de situatie zal waarschijnlijk alleen maar verergeren. De eenentwintigste eeuw wordt een enorme ecologische stresstest voor samenlevingen die zwaar onder druk staan door ongelijkheid en geweld. Betekent dit dat ecologische ineenstorting zo goed als zeker is? Niet als we ineenstorting begrijpen zoals de term wordt gehanteerd in de sociale wetenschappen.

    Strikt genomen is een ineenstorting een snelle, destructieve en onomkeerbare ondergang van de sociale orde die de staat en de markt zoals we die kennen vernietigt. Ze gaat gepaard met technologische achteruitgang en massale sterfte. Deze situaties kunnen zich ad hoc voordoen in combinatie met specifieke catastrofes. Maar als traject is het waarschijnlijker dat we, als we het verkeerd aanpakken, terechtkomen in een proces van klimaatapartheid, verlies van vrijheden en verslechtering van levensomstandigheden. Dat is niet bepaald een ineenstorting. En de keuze van die term doet ertoe, want verschillende woorden roepen verschillende strategieën op.

    De beste remedie tegen klimaatangst is politiek

    Wat betreft het klimaatvraagstuk is de menselijke factor de grootste onbekende. Samenlevingen innoveren, passen zich aan en transformeren. Dezelfde ecologische schok kan tot heel verschillende sociale resultaten leiden. Sommige kunnen tot ineenstorting leiden, maar andere niet. Er is één ding dat Thatcher, Hollywood en het alarmistische klimaatactivisme met elkaar verbindt: het neoliberale geloof dat er geen alternatief is. Maar er is altijd een alternatief omdat politiek een kolossale hefboom voor verandering is. De pandemie diende als test. De economie werd stilgelegd, werknemers van getroffen bedrijven werden tijdelijk doorbetaald, wetenschappelijke successen zoals vaccins werden in recordtijd behaald, de vaccins werden verdeeld op basis van behoefte en niet op basis van marktcriteria… dit alles zou in 2019 onmogelijk hebben geleken.

    Ineenstorting voor lief nemen is de beste manier om aan het klimaat bij te dragen, omdat apocalyptische berichten over het klimaat mensen demobiliseren. Bovendien zijn er redenen voor hoop. Hernieuwbare energie ondergaat een verbazingwekkende technologische revolutie: in 80 procent van de landen is het al goedkoper om elektriciteit te produceren met hernieuwbare energie dan met fossiele brandstoffen.

    Technologie zal ons helpen, maar het is geen wondermiddel. Het moet worden gecombineerd met diepgaande sociale veranderingen. Ook op dit gebied is er vooruitgang: er is al een massaal klimaatbewustzijn dat wordt aangestuurd door de massale protesten van jongeren in 2019. Noodzakelijke utopieën zoals ‘degrowth’ worden besproken in het Europees Parlement. Overheidsprogramma’s zoals Next Generation EU injecteren een historische hoeveelheid middelen in de klimaattransitie, ook al schort er nog veel aan op het gebied van klimaatrechtvaardigheid. Maar ook op dat terrein is ruimte voor verbeteringen. Vooral omdat de neoliberale ideologie, die ons decennia van samenhangende klimaatactie heeft gekost, nu meer dood dan levend is. Overheidsingrijpen, industrieel beleid en het herverdelen van welvaart zijn ideeën die vandaag de dag veel meer tot de toekomst behoren dan tot het verleden.

    Ineenstorting is dus niet onvermijdelijk, want de klimaatcrisis geen eenmalig onheil. De klimaatcrisis ontvouwt zich als een opeenvolging van verwoestende gebeurtenissen die afhankelijk zijn van onze beslissingen. Het vermijden van een ecologische ramp is de bepalende taak van de eenentwintigste eeuw. En het zal de politiek zijn die er vorm aan zal geven. We weten dat politiek monsters kan voortbrengen. Maar ze kan ook rechten, doorbraken en grote transformaties voortbrengen. Daarom is de beste remedie tegen klimaatangst politiek. Elke verkiezing is al een klimaatreferendum. Maar sommige, zoals die voor het Europees Parlement, zijn beslissend. We moeten ze benaderen met de wetenschap dat we het op klimaatgebied slecht doen, maar dat we op het vlak van haalbare oplossingen beter gewapend zijn dan ooit.

    Emilio Santiago Muíño is antropoloog en hoofdwetenschapper bij het CSIC, de Spaanse nationale onderzoeksraad.


    Ja: ‘De energietransitie is niet een en al rozengeur en maneschijn’

    Allereerst zou het goed zijn om te weten wat we bedoelen met ineenstorting. Het woordenboek definieert het als ondergang, vernietiging of snelle val. Ik definieer het liever aan de hand van de systeemdynamica en karakteriseer het niet alleen als een val, maar als iets wat zichzelf versnelt, waardoor het bijzonder dramatische gevolgen heeft. Wat we ook bedoelen met ineenstorting, zeker is dat onze samenleving vroeg of laat zal ineenstorten, omdat ze al tientallen jaren niet duurzaam is, dat wil zeggen dat we niet in staat zijn om de huidige consumptieniveaus te handhaven zonder de fysieke en biologische basis die diezelfde consumptie voedt, af te breken.

    Om duurzaam te zijn, moet een samenleving aan ten minste vier eisen voldoen: gebaseerd zijn op niet-uitputbare (hernieuwbare) energiebronnen, alle mineralen voor bijna 100 procent recyclen, de extractie van biologische hulpbronnen beperken tot hun regeneratiesnelheid en afval uitstoten op een tempo dat overeenkomt met het recyclingvermogen van de natuur.

    We voldoen bij lange na niet aan deze basisvoorwaarden: driekwart van onze energie is afhankelijk van uitputbare bronnen zoals fossiele brandstoffen en uranium, onze recyclingpercentages zijn erg laag, bossen, waterhoudende grondlagen en visgronden worden overgeëxploiteerd, we verliezen vruchtbare grond en we hebben problemen met een overschot aan afval, van plastic tot CO₂, die klimaatverandering veroorzaakt.

    In werkelijkheid gaan we in veel opzichten al bergafwaarts omdat dit alles het leven van miljoenen mensen moeilijker maakt, maar we hebben de neiging te denken dat de achteruitgang van de natuur er niet toe doet omdat wetenschappelijke vooruitgang altijd in staat is om problemen op te lossen en ons leven te verbeteren.

    Op het gebied van energie is de innovatie nogal middelmatig

    Dat is te veel verantwoordelijkheid voor de technologie, die niet alles kan bereiken en doorgaans ook niet verdergaat dan de toekomstscenario’s die we ons kunnen voorstellen. In de afgelopen decennia zijn er bijvoorbeeld verbazingwekkende ontdekkingen gedaan op het gebied van computers, maar op het gebied van energie zijn ze nogal middelmatig: noch thermische zonnecentrales, noch dunne filmzonnetechnologieën, noch algenbrandstoffen, noch getijdenenergie hebben de resultaten opgeleverd die een paar jaar geleden werden verwacht.

    Deze beperkingen zijn vooral duidelijk als we het hebben over het uitfaseren van fossiele brandstoffen, vooral olie, een buitengewone hulpbron. Benzine slaat bijvoorbeeld zeventig keer meer energie op per kilogram gewicht dan de batterijen die worden gebruikt om de elektriciteit op te slaan die wordt geleverd door hernieuwbare energiebronnen. Daarbij komt nog de afhankelijkheid van schaarse mineralen, landgebruik en de grilligheid van zonne- en windenergie. Dit zijn geen absolute belemmeringen, maar ze zorgen allemaal voor extra technische moeilijkheden. En wat technisch ingewikkeld is, is economisch onrendabel, onaantrekkelijk voor de consument en politiek moeilijk te verkopen.

    Toch moeten we om twee redenen afstappen van fossiele brandstoffen: omdat ze tekenen van uitputting vertonen (30 van de 53 belangrijkste olieproducerende landen zien al een achteruitgang op dit gebied) en omdat we de klimaatverandering moeten beperken. Maar we moeten onszelf niet wijsmaken dat de energietransitie een en al rozengeur en maneschijn is. Het is een complex proces dat een ambitieuze economische, ecologische en sociale overgang vereist, naast technische veranderingen.

    Is ineenstorting onvermijdelijk? Als we het begrijpen als een daling van het consumptieniveau en een progressieve toename van ontberingen, ja, dan denk ik dat het onvermijdelijk is. Maar of het die zichzelf versnellende catastrofale val is, die ik pas echt ineenstorting zou willen noemen, hangt af van de keuzes die we maken.

    Een samenleving kan ervoor kiezen om hulpbronnen die schaars worden te beschermen of om ze te overexploiteren. Als hulpbronnen worden overgeëxploiteerd, verslechteren ze, waardoor meer schaarste en meer overexploitatie ontstaan in een neerwaartse spiraal van zichzelf versnellende ineenstorting. Ik geloof dat we op mondiaal niveau nog niet in deze dynamiek zijn beland, maar om dit ook in de toekomst te voorkomen moeten we onszelf beperkingen opleggen, oog hebben voor systemen en respect tonen aan de natuur; gedrag dat we nu nog te weinig laten zien.

    Margarita Mediavilla Pascual is docent aan de School voor Industriële Techniek van de Universiteit van Valladolid. Ze maakt deel uit van de onderzoeksgroep Energie, Economie en Systeemdynamica (GEEDS) en is gespecialiseerd in geïntegreerde energie-, economische en milieubeoordelingsmodellen.

  • Moet je bedelaars altijd iets geven?

    Moet je bedelaars altijd iets geven?

    Bedelaars wekken medelijden op. Maar geef je ook iets als hij opdringerig is, tot een georganiseerde bende behoort of het geld zou kunnen uitgeven aan drank? Twee redacteuren van Süddeutsche Zeitung gaan met elkaar in debat.

    Ja: ‘Oordeel niet’

    De tijd dat medeleven goedkoop was, is duidelijk voorbij. Duitsers hebben ofwel minder geld dan gewoonlijk of zijn bang dat het ooit zover zal komen; in elk geval maken ze zich steeds meer zorgen over hun financiële toekomst. Mensen die zomaar iets krijgen, maar zonder er hard voor gewerkt te hebben of zich nederig tonen, worden steeds meer met argwaan bekeken, met afgunst zou je soms bijna zeggen. Toch zouden maar weinig mensen van plaats willen ruilen met de mensen die ze hun aalmoezen niet gunnen.

    Het uitkeringssysteem Hartz IV heet nu burgerinkomen en wordt dat op 1 januari met 12 procent verhoogd? Dan zullen ze vast op hun luie reet gaan liggen en mogelijk nog makkelijker rondkomen dan jij! Komen mensen uit verre landen onder levensbedreigende omstandigheden naar ons toe omdat ze hopen op veiligheid en een beter leven hier? Laten we er dan voor zorgen dat ze niet onze banen en tandartsafspraken afpakken en uiteindelijk toch geen Duits spreken en zich niet aanpassen aan de dominante cultuur – op onze kosten! Vluchtelingen uit Oekraïne krijgen een gratis woning? Wat brutaal, je betaalt zelf 15 euro per vierkante meter, kale huur!

    Voor de staat is deze houding tot op zekere hoogte toelaatbaar, zelfs noodzakelijk. De staat heeft maar een beperkte hoeveelheid geld te besteden, dus moet de overheid beslissen wie hoeveel krijgt en onder welke voorwaarden. Met andere woorden, de staat bepaalt de voorwaarden. Het is de taak van de staat om deze voorwaarden op een universeel geldige manier te formuleren, idealiter op zo’n manier dat het resultaat door de meerderheid van de bevolking als eerlijk wordt ervaren. Dit kan niet de taak zijn van het individu, wat een voorrecht is: hij kan ervoor kiezen om onvoorwaardelijk te geven. En dat brengt ons bij het bedelen.

    Experts waarschuwen dat iedereen die hier geld geeft maffiastructuren steunt en versterkt

    Als je iemand op straat ziet zitten met een kartonnen bordje en een metalen bekertje, heb je drie opties. Eén: niets geven. Twee: in ieder geval iets geven. Drie: iets onder bepaalde voorwaarden geven. Deze voorwaarden houden meestal in dat de bedelaar niet opdringerig is. Dat hij niet de indruk wekt dat hij op het punt staat het gekregen geld bij de dichtstbijzijnde slijterij te verbrassen. Dat hij geen oneerlijke trucjes uithaalt of onder valse voorwendselen bedelt. Dat hij niet bij een bedelbende hoort en dus achteraf een groot deel van het geld moet afstaan.

    Het is vooral de verdenking dat hij deel uitmaakt van een bende die mensen ervan weerhoudt om in hun buidel te tasten. Experts waarschuwen dat iedereen die hier geld geeft maffiastructuren steunt en versterkt. Maar hoe kun je snel herkennen of de bedelares met het kind bij zo’n bende hoort? En zelfs als dat zo is: maakt het kleine bedrag dat ze mag houden misschien het verschil voor haar aan het eind van de dag? En hoe zit het met degenen die bedelaars opzettelijk alleen eten geven zodat ze met het geld geen drank kunnen kopen – nemen zij hier niet opnieuw de rol van rechter op zich door dit signaal af te geven: ik kijk weliswaar niet de andere kant op, maar ik beslis wat goed voor jou is? Een moreel dilemma natuurlijk, maar die vraag kun je jezelf stellen.

    De bottomline blijft hetzelfde: het meest genereuze (en overigens ook het meest bevredigende) geschenk is niet aan voorwaarden gebonden, het is gericht aan een persoon die het niet verdient. In dit opzicht is het onrechtvaardig. In de Bijbel staat de gelijkenis van de verloren zoon (Lukas 15:11-32): de jongste zoon eist bij zijn vader zijn erfenis op, verkwist die en keert als een arm man terug naar huis – waar zijn vader hem om de hals valt en een vetgemest kalf slacht om het te vieren. De oudste zoon, die al die jaren hard heeft gewerkt, vindt dit oneerlijk, maar de vader laat niet van de wijs brengen brengen.

    Het Centraal Comité van Duitse Katholieken heeft een lezenswaardige uitleg daarover gepubliceerd: goddelijke rechtvaardigheid, hoog gewaardeerd in het Oude Testament, staat in de gelijkenis van de verloren zoon tegenover liefde, die uiteindelijk sterker blijkt te zijn. En het is een feit: ‘Het primaat en de verhevenheid van de liefde boven de gerechtigheid komt juist tot uitdrukking in mededogen.’ Dat is een radicaal goede uitspraak, en niet alleen met Kerstmis.

    Tanja Rest


    Nee: ‘Een kwestie van afwegen’

    Individuen kunnen niet iedereen helpen, dus maken ze keuzes, en dat is prima. Omdat mensen mensen zijn en geen gevoelloze leeghoofden, raken ze ontroerd als iemand op de grond gehurkt zit bij de tochtige ingang van een metrostation, voor een kerk, bedelend om hulp. Met Kerstmis, dat gevoel krijg ik althns, zijn er meer mensen op straat aan het bedelen dan normaal; velen hebben een kartonnen bordje voor zich neergezet waarop staat ‘Ik ben in nood’, ‘Ik heb honger’, naast een beker of een hoed voor de munten die ze hopen te ontvangen.

    Misschien valt deze overduidelijke armoede ook meer op doordat het moeilijker te verdragen is dat de warme adventssfeer en koude misère tegelijkertijd aanwezig zijn. Ik heb het warm en heb iets te eten en ben misschien al bezig met het vervullen van kerstwensen – terwijl anderen bevriezen en verhongeren en zeer basale wensen hebben.

    In een ideale wereld zou iedereen in nood geholpen moeten worden. Dat is naastenliefde, een belangrijke, misschien wel de belangrijkste lijm die de maatschappij bij elkaar houdt. Het lot van anderen zou je nooit onverschillig mogen laten, mede omdat het kan gebeuren dat je zelf ook een keer afhankelijk bent van anderen. Het individu kan echter niet iedereen helpen, maar inderdaad: alleen individuen. Dus kiezen en beslissen ze of en, zo ja, aan wie ze één of twee euro geven en aan wie niet. En dat is prima.

    Kiezen betekent immers niet dat men voorwaarden stelt. Dat is vaak het verwijt als mensen zeggen dat ze nadenken voor ze een muntje in iemands beker doen: aha, dus nu worden zelfs bedelaars en paupers in de neoliberale meritocratie geacht netjes te presteren en hun hongerloontje te verdienen, door er aangenaam uit te zien, niet te drinken in het openbaar, misschien zelfs door er een kleine prestatie tegenover te zetten. Wat een laatdunkende houding!

    Het aanpakken van fundamentele problemen is in de eerste plaats de taak van de staat

    Maar dit is een beschuldiging die nergens toe leidt. Want de criteria om een keuze te maken kunnen totaal verschillend zijn en vooral onafhankelijk van de individuele bedelaar: ik geef iets aan elke vierde persoon die ik passeer. Ik doe het alleen op een bepaalde dag van de week. Ik koop een van de vele daklozenkranten die nu in de steden verkrijgbaar zijn, met een goede fooi voor degenen die ze aanbieden en uren in de kou wachten. Ik neem intuïtieve beslissingen, die soms onaangenaam kunnen zijn – bijvoorbeeld als je doorloopt omdat je bent lastiggevallen voor de supermarkt.

    Je denkt dus heel eenvoudig na over aan wie je iets geeft. Dit gedrag wordt nooit echt ter discussie gesteld in gesprekken wanneer je geld overmaakt naar liefdadigheidsinstellingen, zelfs niet voor Kerstmis. Wat, even terzijde, waarschijnlijk sowieso de betere oplossing is: als je regelmatig grote bedragen doneert aan organisaties zoals de Kältebus, beslissen anderen die het beter weten dan jij waar het geld het beste aan besteed kan worden.

    En het kan ook betekenen: ik geef niet aan iemand van wie ik het gevoel heb dat hij deel uitmaakt van een georganiseerde bende. Want dan is de kans groot dat het geld niet terechtkomt bij de mensen die ik wil steunen. Met mijn donatie versterk ik een maffia-achtig systeem dat weerloze mensen uitbuit. Ja, deze houding benadeelt deze mensen die het waarschijnlijk hard nodig hebben. Om het bot te zeggen: we weigeren hen te helpen. Op dit punt wil ik echter opmerken dat het aanpakken van fundamentele problemen zoals dakloosheid, armoede (en bendecriminaliteit) in de eerste plaats de taak van de staat is – niet van het individu.

    Je zou hieruit een fatale conclusie kunnen trekken, namelijk dat je gewoon nooit iets van je geld moet weggeven. Wat heeft het voor zin als ik er bijna niets mee voor elkaar krijg? Niets verander aan de fundamentele structuren? Maar dat is geen optie. Want deze beslissing zou niet alleen een teken van hardvochtigheid à la Ebenezer Scrooge zijn, het zou ook betekenen dat je bewust de andere kant opkijkt: je kijkt bewust weg van de plek waar je moet kijken. En niet alleen in de weken voor Kerstmis.

    Maureen Linnartz

  • Zijn cosmetische ingrepen onfeministisch?

    Zijn cosmetische ingrepen onfeministisch?

    De vraag of cosmetische ingrepen en feminisme verenigbaar zijn, is een terugkerend onderwerp van discussie. Volgens Leonie Georg werkt het normaliseren van een onhaalbaar schoonheidsideaal averechts. Barbara Vorsamer betoogt dat het juist vrouwonvriendelijk is om elke actie van vrouwen langs de feministische meetlat te leggen.

    Ja: ‘Naar de plastisch chirurg gaan is niet verwerpelijk, maar het is wel onfeministisch’

    Dat een vrouw een liposuctie moet ondergaan om zich goed te voelen en serieus genomen te worden, staat haaks op het idee van gelijkheid, stelt de Duitse journalist Leonie Georg in een opiniestuk in Süddeutsche Zeitung. ‘In het huidige feministische debat over cosmetische chirurgie is uit het oog verloren dat alle opgespoten lippen, weggewerkte rimpels, liposuctie en borstlifts, een eerbetoon zijn aan een schoonheidsideaal dat mannen hebben geformuleerd.’

    ’Het moderne feminisme stelt bepaalde zaken ter discussie die vroeger onbetwistbaar waren, en in veel gevallen is dat iets goeds.’ Maar Georg vindt het geen goede ontwikkeling dat in het huidige feministische debat sommige kampen het opnemen voor cosmetische chirurgie. Ze haalt aan dat alleen al in 2020 en 2021 het aantal cosmetische ingrepen in Duitsland met 15 procent is gestegen. ‘Het aantal mannen [dat dergelijke ingrepen ondergaat] is nog steeds minder dan 20 procent.’ 

    Het ideaal dat mannen hebben geformuleerd, is volgens haar bijna onmogelijk om op natuurlijke wijze te bereiken, maar desondanks bepalend voor de vraag of je als vrouw al dan niet aantrekkelijk wordt gevonden. ‘Het feminisme had hier ooit een duidelijk standpunt over: als je niet langer puur op je uiterlijk beoordeeld wilde worden, moest je dit groteske ideaal negeren en zeker niet nastreven.’ Wat overigens niet betekende dat je niet om je uiterlijk gaf. De consensus onder feministen was dat het vrouwenlichaam in alle fasen van het leven mocht zijn wat het was. ‘Deze consensus bestaat niet meer.’

    Georg benadrukt dat ze wel begrijpt dat vrouwen bezwijken onder de druk om perfect te zijn. Ze worden namelijk dagelijks blootgesteld aan dit schoonheidsideaal op sociale media. ‘Naar de plastisch chirurg gaan is niet verwerpelijk’, schrijft ze. ’Maar het is nog steeds onfeministisch.’

    Het feit dat een vrouw een liposuctie moet ondergaan om zich goed te voelen en serieus genomen te worden, staat volgens Georg haaks op het idee van gelijkheid. ‘Mannen worden nog steeds beoordeeld op andere criteria en daarom gaan zo weinig van hen onder het mes. En wat was dat ook alweer met body positivity? En waar is dat eigenlijk gebleven? Oeps.’

    ‘Vrouw zijn – of een mens in het algemeen – betekent altijd leven in een tegenstrijdigheid’

    Tegenwoordig is er een stroming binnen het feminisme die cosmetische chirurgie niet alleen niet onfeministisch vinden, maar zelfs feministisch. Onder het mom dat alle vrouwen met dit ideaal geconfronteerd worden en dat het je recht als vrouw is om daarin mee te gaan. ‘Influencers houden momenteel hun rechtgetrokken neuzen en opgevulde lippen omhoog voor de camera en verkopen dit als een bevrijdende daad genaamd “Choice Feminism”.’ Ze noemt het model Emily Ratajkowski als voorbeeld, die in haar boek My Body schreef: ‘Ik merkte dat er kracht zat in mijn beslissing.’ En Sophie Passmann die zei: ‘Vrouwen hebben niet de keuze of ze gereduceerd worden tot hun uiterlijk, ze hebben alleen de mogelijkheid om een manier te vinden om daarmee om te gaan.’ Volgens Georg gaat het hier om zogeheten ‘popfeminisme’, dat zichzelf zou goed praten door ‘een conformistische actie simpelweg een nieuw etiket te geven en te verklaren dat er geen alternatief is.’

    ‘Natuurlijk kun je feminist zijn of jezelf feminist noemen en toch onder het mes gaan. Maar doe alsjeblieft niet alsof dit niet tegenstrijdig is. Vrouw zijn – of een mens in het algemeen – betekent altijd leven in een tegenstrijdigheid.’ Volgens Georg zou het feministischer zijn om jezelf af te vragen: ‘Waarom pleit ik voor gelijke behandeling van de seksen en body positivity en heb ik toch niet kunnen leven met mijn oogrimpels? Waar komt die verdomde druk voor perfectie vandaan? Ben ik hier slechts een slachtoffer of ben ik medeplichtig en wat zou er moeten gebeuren om eindelijk iets te veranderen?’


    Nee: ‘Cosmetische chirurgie heeft weinig te maken met de vraag of een goede of slechte feminist bent’

    Journalist en auteur Barbara Vorsamer reageert op Leonie Georg in een opiniestuk in dezelfde krant dat het haar stoort dat alles wat vrouwen doen meteen aan een ‘feminismecheck’ wordt onderworpen. ‘Je kunt en mag alles doen, zelfs als feminist’, werpt ze tegen. ‘Dat maakt het geen feministische daad, maar ook niet direct onfeministisch.’

    ’Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste, beste feminist van het land? Een slimme spiegel zou meteen twee tegenvragen stellen: wat is schoonheid? En: wat heeft feminisme ermee te maken?’ schrijft Vorsamer. Maar dat zijn nou net niet de vragen waar de media zich mee bezig lijken te houden. ‘Daar wordt de vraag gesteld of een goede feministe haar uiterlijk mag optimaliseren, eventueel met injecties en operaties.’

    Volgens haar is dit echter niet de juiste vraag. ‘Wie doet alsof deze vraag met een duidelijk nee te beantwoorden is, suggereert dat er twee duidelijke lijnen in het debat zijn die elkaar op dit punt kruisen. Alsof er een lijn is die goede feministen van slechte feministen scheidt, en alsof er een lijn is die acceptabele schoonheidscorrecties van onacceptabele scheidt.’ Beide lijnen bestaan niet. Want, betoogt ze, iedereen die ’s ochtends een beha aantrekt en haar haar kamt, optimaliseert haar uiterlijk en de meeste vrouwen doen veel meer dan dat. ‘Wat voor rechtvaardiging is er om het dagelijks gebruik van ooglapjes, oogcrèmes, primers en concealers oké te vinden – maar de vrouw te bekritiseren die zichzelf deze moeite bespaart en daardoor haar donkere kringen om de paar maanden laat verwijderen?’

    ‘Tegenwoordig willen veel vrouwen een goede feminist zijn’

    Het tegenargument hierop zou zijn dat het te maken heeft met het aantal risico’s. Een oogcrèmepje zou ongevaarlijk zijn en een operatie juist riskant. ‘Maar waar begint het risico?’ vraagt Vorsamer zich af. ‘Als je je kuit snijdt tijdens het scheren, als er een ontsteking ontstaat na het harsen, als je brandwonden krijgt van ontharen of alleen na een laserbehandeling in de studio?’ In een wereld waar de druk om er mooi uit te zien groot is, en waar aantrekkelijke, verzorgde mensen aantoonbaar succesvoller zijn dan andere, moet iedereen volgens haar een positie kiezen. ‘Welke positie je aanneemt, heeft echter weinig te maken met de vraag of je een goede of slechte feminist bent.’

    Het stoort haar dat tegenwoordig ‘alles wat vrouwen doen – vooral prominente vrouwen – meteen aan een feminismecheck wordt onderworpen’. Dat is volgens de auteur de onaangename keerzijde van de ‘eigenlijk verheugende’ ontwikkeling dat de feministische beweging populair en ‘zelfs enigszins chique’ is geworden. 

    ‘In de jaren negentig wilden maar weinig vrouwen geassocieerd worden met het F-woord. Tegenwoordig willen veel vrouwen goede feministen zijn en worden ze afgeleid door de vraag hoe feministisch en correct individuele beslissingen zijn.’ Want kun je voor meer vrouwen in managementfuncties zijn en zelf maar parttime werken? Kun je voor seksuele vrijheid zijn en in een monogame relatie met een man leven? Kun je vetfobie afwijzen en jezelf een toetje ontzeggen? ‘Je kunt en mag alles doen, zelfs als feminist. Dat maakt parttime werken, trouwen en diëten geen feministische daden, maar ook niet direct onfeministisch. Dit zijn gewoon levensbeslissingen die vrouwen op de een of andere manier moeten nemen.’

    Het zijn de overkoepelende vragen die volgens Vorsamer interessant zijn voor het debat: ‘Waarom werken zoveel vrouwen deeltijds, is dit echt een slechte zaak, en wie of wat zou er moeten veranderen voor meer vrouwen om leidinggevende posities in te nemen? Hoe zou een echt vrije vrouwelijke seksualiteit eruit kunnen zien? Hoe kunnen we ons verdedigen tegen de druk om af te slanken en hoe kunnen we een gezonde relatie met ons eigen lichaam ontwikkelen?’ Met deze en andere vragen houden veel feministische denkers zich al tientallen jaren bezig.

    Ze benoemd enkele voorbeelden. ‘Klassiekers zijn Fat is a feminist issue van Susie Orbach of Bad feminist van Roxane Gay, een recentere aanrader is Ugliness van Moshtari Hilal.’ Maar ze gelooft niet dat het de schuld is van het feminisme dat hun gedachten veel minder aandacht krijgen dan de vraag of een jonge Duitse presentatrice haar gezicht mag laten inspuiten.

    ‘Het is het patriarchaat dat vrouwen liever toejuicht als ze ruzie maken dan dat het serieus naar ze luistert.’ Ze zegt zich ervan bewust te zijn dat deze tekst eigenlijk hetzelfde doet. ‘Om Adorno’s beroemde uitspraak te parafraseren dat er geen goed leven is in het verkeerde, moeten we toegeven: er is geen feministisch leven in het patriarchaat.’

  • Is er sprake van genocide op de Palestijnen in Gaza?

    Is er sprake van genocide op de Palestijnen in Gaza?

    Afgelopen week luidden experts van het VN-mensenrechtenbureau UNHCR de noodklok vanwege de situatie in Gaza. Ze waarschuwden voor een genocide op het Palestijnse volk. Er zouden inmiddels meer dan tienduizend Palestijnen om het leven zijn gekomen sinds de aanval van Hamas op 7 oktober. Maar over of er sprake is van genocide verschillen de meningen.

    Ja: ‘Israël wil de vernietiging van het Palestijnse volk’

    Volgens Raz Segal, een Israëlische historicus en Holocaustgeleerde, is de manier waarop Israël de Palestijnen in Gaza behandelt ‘een schoolvoorbeeld van genocide’. Zo zei hij in een interview met Democracy Now: ‘Als dit niet opzettelijke genocide is, dan weet ik het echt niet meer.’

    Volgens Segal maakt Israël zich momenteel schuldig aan drie van de vijf daden die volgens het VN-verdrag uit 1948 vallen onder genocide. ‘Het droppen van duizenden en duizenden bommen in een paar dagen, inclusief fosforbommen, zoals we hoorden, op een van de dichtstbevolkte gebieden ter wereld (…) is inderdaad een genocidale moord,’ aldus de historicus.

    ‘Als dit niet opzettelijke genocide is, dan weet ik het echt niet meer’

    ‘Maar Israël voert ook twee andere daden uit, namelijk het veroorzaken van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel, en het creëren van omstandigheden die ontworpen zijn om de vernietiging van een bevolkingsgroep teweeg te brengen door het afsluiten van water, voedsel, energievoorziening, het bombarderen van ziekenhuizen, het bevelen tot snelle evacuatie van ziekenhuizen,’ voegde Segal eraan toe. Hij wees er bovendien op dat de Wereldgezondheidsorganisatie de bevelen om ziekenhuizen te evacueren ‘een doodvonnis voor zieken en gewonden’ heeft genoemd.

    Ook haalde hij aan wat minister van Defensie Yoav Gallant op 9 oktober zei toen hij een volledig beleg van Gaza afkondigde en water, voedsel en brandstof afsneed. ‘[Gallant] verklaarde dat “we vechten tegen menselijke dieren en [daar] ook naar [zullen] handelen” en dat “we iedereen zullen elimineren”.’ En hij citeert de woordvoerder van het Israëlische leger Daniel Hagari, die ‘moedwillige vernietiging erkende en expliciet zei: “De nadruk ligt op schade en niet op nauwkeurigheid.”’

    ‘We zien dus opzettelijke genocidale daden. Dit is inderdaad een schoolvoorbeeld van genocide,’ aldus Segal.

    Nee: ‘De operatie is niet bedoeld om het Palestijnse volk geheel te vernietigen’

    Jay Michaelson, Amerikaans schrijver, journalist, professor en rabbijn, denkt daar anders over. ‘Wat er nu gebeurt in Gaza is een afschuwelijke tragedie. Afhankelijk van je politieke opvattingen kun je het zien als een afschuwelijke maar noodzakelijke militaire operatie, of als een brute en zinloze aanval op een burgerbevolking. Maar het is geen genocide’, schrijft hij in Forward.

    ’Het is duidelijk dat de Israëlische operatie de eerste twee daden van het VN-verdrag met zich meebracht, zoals elke grootschalige oorlogsdaad dat zou doen. Er is echter geen sprake van de overige drie daden en, misschien wel het belangrijkste, de operatie is niet bedoeld (en er kan niet worden beweerd dat deze bedoeld is) “om het Palestijnse volk geheel of gedeeltelijk te vernietigen”.’

    ‘Wat er nu gebeurt in Gaza is een afschuwelijke tragedie, maar het is geen genocide’

    In het opiniestuk reageert Michaelson op Segals beweringen. Volgens de Amerikaanse rabbijn moeten we de uitspraken van de Israëlische minister van Defensie Yoav Gallant over menselijke beesten niet opvatten als een verwijzing naar het Palestijnse volk als geheel. ‘Het is waar dat Gallant de Israëlische nationalisten misschien een rad voor ogen draait, en dat zij zijn uitspraak zullen opvatten als een verwijzing naar alle Palestijnen, maar al zou hij verwijzen naar alle Palestijnen, dan nog is “vechten” niet hetzelfde als de intentie om genocide te plegen. En die uitspraak is het enige bewijs dat Segal aanvoert om de intentie van de Israëlische regering te bewijzen.’

    Volgens Michaelson is de manier waarop Segal de criteria van het VN-verdrag hier aanhaalt onverantwoord, omdat hij slechts enkele van de punten noemt. ‘Hij laat criteria 4 [het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen] en 5 [het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep] helemaal weg en noemt alleen die punten die zijn argument ondersteunen.’

    Er is dus geen sprake van een genocide, aldus Michaelson. ‘Door de term “genocide” te gebruiken wakkeren activisten de woede tegen Israël aan, en ondermijnen ze ongewild de basis van het internationaal recht waarvan mensenrechten afhankelijk zijn.’

  • Moeten de VS ingrijpen in het Midden-Oosten?

    Moeten de VS ingrijpen in het Midden-Oosten?

    De spanningen in het Midden-Oosten borrelen steeds hoger op naarmate de oorlog tussen Israël en Hamas voortduurt. Naast landen in de regio, wordt er gekeken naar de Verenigde Staten, een bondgenoot van Israël. Joe Biden bezocht het land eerder deze maand, waarbij hij president Netanyahu van Israël vroeg om ‘oorlogsregels’ te respecteren. Iran, een bondgenoot van Hamas, werd opgeroepen ‘voorzichtig’ te zijn. Inmiddels heeft Biden ook hulpgoederen aan de Gazastrook beloofd. In hoeverre moeten de VS zich mengen in de huidige situatie van het Midden-Oosten?

    De VS moeten de militaire macht opschroeven

    ‘De regering Biden heeft het nog niet gezegd, maar Iran is verantwoordelijk voor de oorlog in Gaza’, schrijft David Schenker, senior fellow aan het Washington Institute for Near East Policy en voormalig assistent-staatssecretaris van de Verenigde Staten voor het Midden-Oosten in The Economist. Hij gelooft dat de VS zijn militaire macht moet opschroeven in het Midden-Oosten, om te voorkomen dat de oorlog zich uitbreidt. 

    ‘Iran, dat jarenlang Hamas heeft gesponsord, getraind en uitgerust voor wat uiteindelijk leidde tot de slachting van ongeveer veertienhonderd mensen in het zuiden van Israël op 7 oktober, heeft zich opgeworpen als de verdediger van het Palestijnse volk,’ aldus Schenker. Hij gelooft dat naarmate meer Palestijnse burgerslachtoffers vallen – inmiddels staat het dodental volgens The Guardian op 5791 – Iran steeds meer onder druk komt te staan en steeds agressiever zal reageren. De voormalig diplomaat schrijft in het opiniestuk dat Iran het enige land is dat bevel kan geven tot eventuele uitbreiding van de oorlog, en dat de VS daarom ‘resoluut moeten reageren op aanvallen tegen zijn troepen in de hele regio’. 

    ‘De Amerikaanse terughoudendheid om geweld te gebruiken heeft Iraanse acties in het gebied mogelijk gemaakt’

    Volgens Schenker zijn er meerdere manieren waarop de VS kunnen ingrijpen. Het opvoeren van de economische druk is een optie, door bijvoorbeeld sancties op te leggen aan bedrijven die banden hebben met door Iran gesteunde Iraakse milities. Maar er is een nog effectievere optie om de militaire macht op te schroeven. ‘De Amerikaanse terughoudendheid om geweld te gebruiken in de regio heeft Iraanse acties in het gebied mogelijk gemaakt, zo niet opgewekt. Het instellen en handhaven van afschrikking zou op zichzelf al een escalatie in de hand kunnen werken.’ De VS moeten volgens hem dus juist harder ingrijpen; ‘Helaas’, eindigt hij zijn artikel, ‘heeft Washington, om een uitbreiding van de oorlog in Gaza te voorkomen, misschien geen andere keuze dan militair ingrijpen.’

    De VS verergeren de situatie

    ‘De Amerikaanse president is verantwoordelijk voor elk verachtelijk aspect van de ramp die zich in Gaza voltrekt en die wordt uitgevoerd door de immer betrouwbare en gehoorzame proxy van zijn land, Israël’, schrijft columnist Andrew Mitrovica in Al Jazeera. Volgens hem verergert de houding van de Verenigde Staten de oorlog en zorgt deze voor meer Palestijnse slachtoffers. Het bezoek van Biden aan de Israëlische premier Benjamin Netanyahu, en de inmiddels veelbesproken knuffel, zouden hierbij op zijn zachtst gezegd olie op het vuur zijn. ‘Dat zal het zieke, overheersende beeld zijn van Bidens presidentschap: een omhelzing op een vliegveld met een Israëlische premier die zich schuldig maakt aan genocide.’

    ‘De catastrofe waarvan de wereld getuige is, is het bijproduct van de inmiddels bekende mantra die de kern vormt van het zogenaamde “buitenlands beleid” voor het Midden-Oosten van elke moderne Amerikaanse president: eerst doden, dan denken.’ 

    ‘De wrede koers is uitgezet’

    De columnist ziet een overeenkomst met eerdere momenten in de geschiedenis waarbij de wereldmacht ingreep. ‘Dat is de Amerikaanse manier: in Zuidoost-Azië, Zuid- en Midden-Amerika, Afrika, en Irak en Afghanistan – allemaal kerkhoven vol onschuldige slachtoffers van de arrogantie en onwetendheid van een hele reeks verwaande presidenten, die zich in een oorlog stortten zonder stil te staan bij de rampzalige en uiteindelijk vernederende gevolgen.’

    Mitrovica gelooft dat de VS zich niet op deze manier had mogen mengen in de oorlog, maar ziet Biden zich niet snel terugtrekken. ‘De overmoed, blindheid en halsstarrigheid van Biden zullen dat niet toelaten. De wrede koers is uitgezet. Het cement ligt klaar. De verschrikkingen zijn pas net begonnen.’